Bevolkingsregisters

Vanaf 1 januari 1850 wordt in Nederland de bevolkingsregistratie doorlopend bijgehouden. Aanvankelijk hield iedere gemeente de registratie van zijn inwoners bij in grote boeken; het bevolkingsregister. Later werden deze boeken vervangen door losse kaarten per gezin of persoon en tegenwoordig wordt de bevolkingsregistratie digitaal bijgehouden. 

 

Elk huishouden werd ingeschreven in een gemeentelijk bevolkingsregister. Naast namen en geboortedata en –plaatsen werden ook adressen, beroepen en kerklidmaatschappen opgenomen. Ook eventuele inwonende familieleden, kostgangers of bedienden werden bij het gezin ingeschreven.

 

Periodiek werd de bevolkingsregistratie herhaald, bijvoorbeeld bij de tienjaarlijkse volkstelling. Dan werd het huishouden opnieuw geregistreerd volgens de omstandigheden op dat moment. Veranderingen in de tussentijd (geboorte, overlijden, verhuizingen) werden met doorstrepen en bijschrijven bijgehouden. Hiermee kun je een gezin over een bepaalde periode volgen.

 

In 1920 werd besloten de bevolkingsregistratie op losse kaarten bij te houden. Eerst per huishouden op een gezinskaart, vanaf 1939 per persoon op een persoonskaart. De kaarten verhuisden steeds met de personen mee en wijzigingen werden op de kaart bijgehouden. 

 

Omdat de registratie periodiek herhaald werd, komen personen voor in verschillende ‘jaargangen’ van bevolkingsregisters. Bijvoorbeeld in die van 1870-1880, die van 1880-1890 enzovoort. Dit betekent niet altijd dat de persoon deze gehele periode in die gemeente en op hetzelfde adres woonde. Zo kan iemand in een bevolkingsregister van 1880 pas in 1883 in de gemeente zijn gaan wonen. Let dus op de datum van inschrijving in de gemeente, eventueel tussentijds vertrek en hervestiging in de gemeente.

 

De indeling van de bevolkingsregisters kan per gemeente verschillen. In sommige gemeentes werd het bevolkingsregister geordend per straat en van huis tot huis. Elders werden de huishoudens op alfabetische volgorde geregistreerd. Soms werden er aparte boeken opgesteld voor dienstboden en knechten of opvarenden van schepen.

 

Straatnamen, huisnummers en wijkindelingen in het bevolkingsregister kunnen in de loop der tijd veranderd zijn. Soms zijn er omnummeringslijsten beschikbaar om het adres te koppelen aan de juiste locatie.

 

Toen in 1920 de gezinskaart werd geïntroduceerd had de overheid geen goed overzicht meer van de opeenvolgende bewoners van een bepaald adres. Daarom werden er door gemeenten woningregisters aangelegd (vastbladig of als kaartsysteem). Per adres wordt daarin informatie gegeven over de bewoners, eventuele verhuizingen en inwonende personen.