Surinaamse namen

Surinaamse familienamen zijn namen die door Surinamers worden gedragen. Veel Surinaamse familienamen klinken Nederlands en kunnen ook in Nederland voorkomen. Maar er zijn ook typisch Surinaamse namen die Nederlands lijken, zoals Kogeldans of Nooitmeer. De verschillende groepen immigranten die na slaventijd naar Suriname zijn gekomen, hebben weer nieuwe namen meegebracht. Zo zijn namen als Wooding, Wilkinson en Hodge meegekomen met immigranten uit het Caribisch gebied. We beperken ons hier echter tot de geschiedenis van de namen van families die afstammen van voormalige slaven.

 

De geschiedenis van de Surinaamse familienamen valt in twee delen uiteen: de periode tot 1828/1832 en de periode van 1828/1832 tot 1 juli 1863. In die eerste periode bestaan geen officiële achternamen, ook niet in Nederland. Maar veel mensen hebben er wel een. Dat wil zeggen: vrije mensen. Slaven die voor 1832 worden vrijverklaard krijgen in het dagelijks leven een naam waarin de voormalige eigenaar te herkennen is. Zo krijgt in 1825 een zekere Henriëtte de vrijheid. Op haar manumissiebrief (het officiële document dat bevestigt dat zij vrij is) staat alleen haar roepnaam. Maar in de omgang staat zij bekend als Henriëtte van Bänffer en onder deze naam is zij ook in de archiefbronnen terug te vinden. Bänffer is haar voormalige eigenaar. Henriëtte mag dan wel een vrij persoon zijn, maar die naam zorgt ervoor dat zij als ex-slavin herkenbaar blijft en ook van wie zij het bezit is geweest.

Omdat er nog geen officiële achternamen bestaan, kunnen mensen hun naam makkelijk veranderen als ze dat willen. En dat gebeurt ook. Henriëtte van Bänffer krijgt als vrije vrouw enkele kinderen die allemaal haar naam krijgen omdat ze niet door hun vader worden erkend. Maar er is wel een verschil: zij heten Bänffer, dus zonder ‘van’. Dat is omdat zij vrijgeboren zijn en nooit iemands slaaf zijn geweest.

 

In het voorbeeld van de familie Bänffer is een van oorsprong Europese naam een Surinaamse naam geworden zonder dat de Europeaan familie is van deze mensen. Maar dit kan ook gebeuren in situaties waarin er wel bloedverwantschap is. Europeanen die in Suriname bij een vrije zwarte of gekleurde vrouw een kind verwekken, kunnen hun naam aan dat kind geven. Dit gebeurt wanneer de ouders met elkaar getrouwd zijn, maar dat hoeft niet. Het betekent echter niet dat het kind automatisch vrijgeboren wordt. Wanneer de moeder een slavin is, is het kind dat ook.

 

Europese namen verkleuren

Deze ‘verkleuring’ van achternamen vindt tot op de dag van vandaag plaats wanneer een Surinaamse met een niet-Surinaamse man trouwt en de kinderen de familienaam van de vader ontvangen. De Surinaamse familienaam Bouterse is op deze wijze ontstaan, afkomstig van een zekere Bouterse die als koloniaal militair in de negentiende eeuw naar Suriname is gekomen en na afloop van zijn diensttijd is gebleven.

 

Vrijgemaakte zwarte mensen hebben een naam met ‘van’, en als zij zelf slaven in bezit krijgen, geven ze die naam op hun beurt door wanneer die slaven worden gemanumitteerd. Hiervan zijn allerlei voorbeelden. Lucia, de eerdergenoemde slavin van eigenaar Buttner, heeft bij haar manumissie de naam Lucia van Buttner gekregen. Zij wordt op haar beurt eigenares van de slavin Truy, die bij haar vrijlating de naam Truy van Lucia van Buttner gaat dragen. Truy wordt ook weer eigenares van een slaaf. Hij wordt vrijverklaard onder de naam Bakkie van Truy van Lucia van Buttner.

Een opmerkelijke manumissie is die van Lika van den Ostagier Abenie. Haar naam laat zien dat zij een vrijgelaten slavin is die heeft toebehoord aan een Marron genaamd Abenie. Hij verblijft in Paramaribo als ‘ostagier’, een vertegenwoordiger in Paramaribo van zijn eigen Marrongemeenschap. Zijn positie houdt het midden tussen ambassadeur en gijzelaar, wat te zien is aan de term (denk aan het Engelse woord hostage, gijzelaar). Het bestaan van Lika toont aan dat ook onder de Marrons slavernij heerst.

 

In 1811 voert Napoleon in Nederland de Burgerlijke Stand in. Iedereen moet zijn achternaam vastleggen en wie er geen heeft, moet er een kiezen. Deze naam wordt overdraagbaar aan de kinderen: in principe de naam van de vader, en wanneer die onbekend is de naam van de moeder. Een naamsverandering mag alleen met toestemming van de overheid, of wanneer de vader alsnog met de moeder trouwt of het kind erkent. Niet iedereen laat zich direct inschrijven en het voorschrift wordt dan ook nog een paar keer herhaald, zelfs nog eens in 1825.

 

Iedereen moet een achternaam kiezen

In Suriname komt er in 1828 een Burgerlijke Stand. Daarin worden alle vrije personen opgenomen met de namen die ze zelf opgeven. Daar zitten natuurlijk ook gemanumitteerden tussen met een ‘van’-naam. Vanaf nu is het echter verboden om bij in vrijheid geboren kinderen dat ‘van’ weg te laten. Toch zijn er niet veel ‘van’-namen overgebleven.

 

In 1832 komt er een nieuwe manumissiewet die bepaalt dat een vrijgelaten slaaf een familienaam hoort te krijgen. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 wordt bepaald dat de voormalige slaven per familie een familienaam aan moeten nemen. Binnen beide regelingen mag dat geen naam zijn die al in de kolonie voorkomt. Uitzonderingen worden toegestaan wanneer degene die de naam al droeg geen bezwaar heeft. De meeste Surinaamse achternamen zijn ontstaan na de invoering van deze twee wetten.