Genealogische woorden beginnend met B

B


B = afk. begraafregister


B. = afk. bandboekdeel


b. = afk. baptisatus, gedoopt, gedoopte


b. = afk. boisseau, geheimhouden


B.L. = afk. benevole lector, welwillende lezer


B.M. = afk. Beatae Memoiae, zaliger gedachtenis


B.M.V. = afk. Beatae Mariae Virginis


b.p. = afk. baptizatus parocho, gedoopt door de pastoor


b.s. = afk. baptizatus sacellano, gedoopt door de kapelaan


ba.roen = baron, is een "ghenooten of banreheren"


baa = neus snotneus, druipneus


baad = bode


baaierd = herberg, ook: passantenhuis voor vreemdelingen die behoeftig waren


baaierdboef = landloper, zwerver


baak = vuurtoren


baander = baanspinner lijnslager in een touwslagerij


baanderheer = ridder met het recht om onder eigen banier (vaandel) vazallen aan te voeren


baanrots = zie baanderheer


baar = teken in heraldiek, linker -schuinbalk


baarkind = kind ten graven gedragen op een baar, ca. 1-12 jaar oud


baarlyk = in eigen persoon


baarsgewijs = teken in de heraldiek, in de richting van een linkerschuinbalk geplaatst


baas meester


baay = grof wollen stof


babijn = garenklos


baccalaureus = geleerde, academici, (de laagste graad)


baccorf = broodmand


bacexcijns = cijns geheven over het bakmeel voor brood


bachten = achter


bachtenbliven = achterblijven


bachwaerdich = zie bacwaerdich


baciser = wafelijzer, braadpan


back = kuil onder watermolenrad, voorste afdeling van een diligences


backe = baksel


backenslaen = oorvijg geven


backerheghe = zie backerige


backerige = bakkersvrouw


backerscool = houtskool, hout in een bakoven


backershuus = bakkerij


backijser = ijzeren bak- en/of braadpan


backiser = zie backijser


backousen = soort broek


bacovens = bakoven


bactoereye = bakhuis


bacvonnis = vonnis gewezen zonder aanwezigheid van de partijen


bacwaerdich = die aan zijn verplichtingen niet voldoet, juridisch gezien


bacwaerdich = hij die in gebreke blijft, hij die niet aan zijn verplichtingen in rechte voldoet, die niet op de dage verschijnt


bacwaerich = zie bacwaerdich


bacwarich = zie bacwaerdich


bacwoordich = onwaar, niet ter zake doende


badden = baden


badenkemken = weiland voor de paarden van de bodedienst


baderie =  badestove


badestove = badhuis


badigeonneur = witkalker


baduhennae lucus = Veluwe


baduit = inhoudsmaat, 1 baduit = 1/4 kan en ca. 0,4 ltr. voornamelijk in Noord. Brabant


baecvleesch = varkensvlees


baeicamer = badkamer


baeicupe = badkuip


baelge = slagboom, hek, paalwerk. ook: een als plein afgezette plaats


baelgie = voogdij, rechtsgebied van een landsheer


baemesse = feestdag van St. Baafs, 1 oktober


baenroodse = zie banreheer


baer = bloot, naakt, ook: baring, verlossing, heraldiekteken, linker schuinbalk in een wapen, geeft meestal bastaard aan, ook: (lijk)baar


baerachtich = zwanger


baercleet = lijkkleed


baerdbecken = scheerbekken


baerde = bijl


baerhuus = huisje waar de lijkbaar in werd opgeborgen


baerschuldich = kennelijk schuldig, volkomen als schuldig erkend


baersen = ter wereld brengen


baert = het baren, ook: gezichtsbeharing


baertmaker = zie baertmakere


baertmakere = barbier, aderlater, heelmeester


baertscherer = zie baertmakere


baertse = bijl


baerweder = storm, zeer slecht weer


baes = patroon van een werkman


baevenverhaelde = bovenvermelde


baeykijn = baaien kledingstuk


baffen = blaffen


bagage = reistuig


Bagalosum = Bakel


bage = kostbare ring, ook: kostbaarheden


baggaerden = baggeren, uitbaggeren


baggaertsvat = emmer om bagger te scheppen


bagge = gouden sieraad


baggele = biggetje


bagijn = zie beghina, ook: kindermuts


bagine = bagijn, lekenzuster van een vrije ’geestelijke’ orde


bagne = strafkolonie, inrichting voor dwangarbeid, deportatieoord


bague = (vinger)ring


baguette de sourcier divinatoire = wichelroede


bagynmeester zie bagynmeister


bagynmeister = begijnmeester, opzichter/ ambtenaar belast met toezicht over een begijnhof


baharren = kind baren


bahut = boerenkast


bahuut = grote koffer, meestal met leer overtrokken


bail = wijze van beheer van de heerlijkheid (gebied)


baill = afk. bailliage, baljuw-, drossaardzaken


baille = zie balie


bailli = baljuw, drost, drossaard


bailliu ende schout = baljuw en schout


baiulus = besteller, drager, bode


bajulus = zie balie


bak = graanmaat, 1 bak = 1/4 mud, = 4 spint, ook: soms 1/4 hl., ook: 1/8 deimt. ook: turfmaat, 1 bak = 3000 ltr.


bakaker = koperen, ijzeren of blikken emmer bij de regenton


bake = (levend) varken, ook: gezien geslacht varken, zijde varkensvlees


bakelaar = laurier


bakelaarkruut = laurierbladeren


bakelaerbloem = zie bakelaar


baken = bakken


bakenspec = varkensspek


baker = bakker


bakermand = langwerpige mand of houten bak


bakermat = zie bakermand


bakersfooi = 3 stuivers


bakevlees = varkensvlees


bakkersstoof = steenbakkers oven


baksjen = oorveeg


balade = gedicht waarvan de laatste strofe begint met een opdracht aan de prins


baladeuse = kar


balance = wegen, vergelijken


balancemeester = waagmeester


balanceren = balans, weegschaal, evenaar


balc = houten balk, zoldering, dakbalk


balch = balg


balchhont = wachthond, waakhond


balcknoot = draagsteen onder een balk


balcsteen = oplegsteen voor een draagbalk


bald = spoedig


bale = dansen


balgen = ruzie hebben, vechten


balger = vechtersbaas


balie = inhoudsmaat, 1 balie = 2 ton ook: tobbe, kuip, mand


baliemand = grote platte vierkante mand, voor linnengoed en kleren


balistarius = handboogmaker, boogschutter


baliu = zie baljuw, komt ook voor als baeliu, baelju, balgu


baliuwinne = baljuwsvrouw


baljuw = landvoogd, landdrost, ambtenaar, door de landsheer met de rechtspraak in een zekere streek belast rechter in het algemeen. In heerlijkheden met hoger, middelbaar en lager
gerecht was een baljuw de rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer


baljuw = ook: die over het halsrecht en de straffen van de misdaden aangesteld is


baljuwschap = ambt van een baljuw, rechtsgebied van een baljuw = verdeeld in schoutambten, bevolking
in het rechtsgebied van de baljuw


balk = heraldiek teken, dwarsbalk


balle = kaf


ballenbinder = inpakker, emballeur


ballerigghe = danseres


ballijncbouc = boek waarin aantekeningen van veroordeelde misdadigers en hun straf


ballinc = gerechtelijke brief met volmacht voor executie van de straf of vonnis


ballinchuus = huis voor het opsluiten van de "bannelingen"

 

ballist = wapen in de middeleeuwen


ballius = opperrechter, landvoogd, grafelijk ambtenaar, hofmeester, baljuw, regent


ballivus = zie ballius


balmont = slechte voogd


balnetator = badmeester, houder van een badinrichting, scheerder, barbier, kapper


balsane = windvaan, windwijzer


Bamestra = Beemster


ban = rechtsgebied, rechtsdistrict, ambacht, ook: veroordeling, verbanning als straf, afkondiging van gerechtelijke handeling


banboec = register of boek met de optekening van de namen en begane misdaden


banck = zie bank


banckrechten = rechten zoals zij in het bankgebied gelden


banclock(e) = de klok, waarmede het stedelijk bestuur de burgerij samenriep, om haar hun bevelen of verordeningen kenbaar te maken


bancstede = een plaats op de ...banken, door een burger gepacht om zijn waren te koop te stellen, ook: een plaats in een kerkbank, waarop het recht eveneens gekocht werd
band boekdeel, ook: omvangmaat van riet, dikke bos = 33 cm., dunne bos = 24 cm.


bandach = rechtsdag


bandage = ijzeren wielband


bandelier = draagriem voor geweer


banderol = vlag of wimpel aan een lans, vaak met opschrift


banderolle = vlag, wimpel


bandijc = een belangrijke dijk, welke gerechtelijk geschouwd werd, waarop een dwang voor onderhoud rust


bandinc = de formele rechtzitting, terechtzitting waarvoor alle dingplichtige worden opgeroepen


banditen = ballingen


bandsgewijs = heraldiekteken, geplaatst in de richting van de rechterschuinbalk


bandyt = uitgebannen, balling


banent = beemd, weiland


bangenoot = medelid van een schepenbank


banier = soort vlag aan een stok


baniken = copuleren, neuken


baninge = beschuldigd van moord


banistiek = vlaggenkunde


bank = pijnbank


bankerot = failliet


bankert = onecht kind


banmeester = libelmeesters, een raadslid, bevoegd tot het uitbrengen van een / besluit over een rechtszaak, door het geestelijk gerecht bij de raad aanhangig gemaakt


banmolen = dwangmolen, verplicht te gebruiken molen


bannaliteit = verplicht gebruik van de banmolen


banne = het gedwongen gebruiken van de molen, ook: begrensd rechtsgebied


bannen = vonnissen, verbannen als straf, ook: plechtig bijeenroepen


bannen (enen) = in den (kerk)ban doen


bannerheer = ridder met het recht om onder eigen banier (vaandel) vazallen aan te voeren


banni = verbannen


bannich = zie bannen


bannir = zie banni


bannissement = verbanning, ballingschap


bannum = behorend tot de banne, gedwongen gebruik van bijvoorbeeld de molen, bakoven


bannus = (huwelijks -) afkondiging


bannus actis = na de (drie) afkondigingen


banoven = bakoven, waar verplicht gebakken moest worden, dwangoven


banpanhuus = brouwhuis, verplicht te gebruiken brouwerij


banqueroetier = bankbreker


banquier = bankier


banregister = register van gecensureerde lidmaten


banreheren = bezitter ener geheel van de landsheer onafhankelijke heerlijkheid


banst = ronde korf van biezen of stro


banthont = kettinghond voor bewaking van het erf


banues = snotneus


banwerc = verplicht werk voor de gemeenschap waar men voor werd opgeroepen


bap = afk. baptisatus, de gedoopte


bapirifex = papiermaker


bapt = afk. baptizatus gedoopt


baptême = doop, het dopen, doopsel


baptisabatur = hij is gedoopt


baptisare = zie baptisata est


baptisata est = zij is gedoopt


baptisati sunt = zij zijn gedoopt


baptisatus = de gedoopte, gedoopt


baptisatus a ministro haeretico = gedoopt door een ketterse bedienaar


baptisatus est = hij is gedoopt


baptisavi = ik heb gedoopt


baptiseeren = naam geven, dopen


baptiseren = zie baptiseeren


baptisma = doopsel


baptismate necessitatis = door de nooddoop


baptismatis = zie baptisma ook: van de doop


baptismum = doopsel


baptismum necessitatis = nooddoop


baptismus = zie baptisma


baptista = zie baptizator


baptista (Johandes de doper) = Johannes de doper, 24 mei


baptiste = doopsgezind


baptizare = zie baptisata est ook: dopen


baptizatio = dopen, wassen


baptizator = de doper


baptizatorum = van de gedoopten


baptizatus = gedoopt, afk. bapt.


baptizavi = ik heb gedoopt


bar = arm, naakt


barb = afk. barbie, kapper, soms heelmeester


barbacane = schietgat


barbaren = die kwaad spreken


barbaricarius = zijdewerker, zijdewever


barbaricius = zie barbaricarius


barbaricus = zijde -naaister


barbarius = dorpsbarbier, heelmeester


barbitonsor = kapper


barde = brede bijl, aan twee zijde snijdende strijdbijl


bardezaan = kleine hellebaard, wapen op lange stok


bare = (in) opgebaard


barech = hooiberg


baren = kind krijgen, ook: lijk op lijkbaar leggen


baril = vat, ton


baril de poudre = kruitvat


barillier = keldermeester


barlebaen = benaming voor de duivel


barm = berm, rand langs een weiland, trekpad


barmhertich = lief, best


barnen = branden


baro = vrijheer, ook: vaak baron


baron = vazal van de koning, die in zijn baronie het gezag namens de koning uitoefende


baronet = Engelse adellijke titel


baronia = het gezagsgebied van de baron


baronie = zie baronia


Baronis = zie baro


barre = staaf, stang, balk


barre du tribunal = balie


barreau = tralie, spijl, vensterstang


barreau de fer = ijzeren staaf


barrière = hek, spoor, slagboom, versperring, poort


barrique = okshoofd (200 à 250 liter) vat, fust


bartenhauer = hellebaardmaker


bas côté = zijbeuk bij kerk


base = nicht, dochter van oom of tante


baselaer = lang scherp mes, dolk


Basilea = Basel


basse cour = hoenderhof


bassen = blaffen


bastaardbalk = heraldiekteken, schuinstaak, gebruikt als teken van een bastaardkind


bastaerdinne = vrouwelijke bastaard


bastaert = zie bastard


bastaertbroeder = buiten de echt geboren broeder


bastaertkint = buitenechtelijk kind


bastard = onechteling, speelkind, aterling, illigitiem, onwettig, niet uit een wettig huwelijk geboren kind onechtkind, kind van niet gehuwd paar, in onecht geboren


bastardengoet = bezittingen door bastaarden nagelaten


bastoen = heraldiekteken, schuinstaak, ook: wandelstok


Bastonia / Bastonacum = Bastenaken, Bastogne


bat = verklaarde, er op wijzen, ook: beter


bâtard = bastaard, onecht


batave = in het Nederlands


Batavoburgium / Batavorum = Batenburg


Batavorum insula = Betuwe


batavus = Nederlands


batement = vermaak, toneelvoorstelling


baterleinmacher = rozenkransmaker


batist = zie batiste


batiste = kamerdoek


batl = afk, batallon, groot aantal, troep soldaten


baudekijn = lijkwade, lijkkleed


bavomisse = 1e oktober


bay = roodbruin


bayen = baden, zwemmen


bazuin = heraldiekteken, hoorn


bbdr = afk. bombardier, stenenkogel gooier


Bd = afk. op huw. akte, bruid


be. = afk. bekaagde


bearvet = zie beerft


beatae memoriae = afk. b.m. zaliger gedachtenis, overledenen


beatus = heilig


beau fils = stiefzoon, schoonzoon


beau frère = zwager


beau père = schoonvader, stiefvader

 

beaux parents = schoonouders


beaux-enfants = aangetrouwde kinderen


beboeseminge = leveren van bewijs van verwantschap


becalengeren = een eis in rechte tegen iemand instellen


beced(e)elen = een akte van iets opmaken


becharius = emmermaker


beckeneel = helm


beckenele = helm bestaande uit ijzeren of stalen kapje en een beweegbaar vizier


beckenschlager = ketelsmid


beclach = eis in rechte, aanklacht, iemand wegens een misdrijf aanklagen


beclaechde = aangeklaagde


beclaecht = reden van beklag, ook: punt van beschuldiging


beclagen = iets in rechte aanspreken, een recht op een zaak beweren


becommeren = lastig vallen, aanhouden


becoren = (enen van iet). het constateren van de overtreding van een keur door de daartoe aangestelde personen


bedaagd = bejaard


bedagen = dagvaarden


beddebuur = matras


beddecleet = sprei


beddegenoot = echtgenoot


beddegescheit = scheiden, ontbinden van het huwelijk


beddekwast = tot in het bed afhangend koord om zich op te richten


beddepotte = pispot, waterpot


bedder = bedelaar


beddescheyde = beddenplank


beddescult = vervullen van de huwelijksplicht


beddetol = belasting op beddengoed


bedding = bed met wat er bij hoort


beddinge = beddengoed


bede = zie bidden


bedebrief = poorterbrief


bedellus = gerechtsdienaar, beulsknecht


bedelofte = gelofte


bedied = verklaring, uitleggen


bedieden = zie bedied


bediepen = in een getuigenis aanduiden


bediet = verklaring, uitleggen


bedorven = gestorven, verloren, gedood, ook: diep ongelukkig


bedrach = bewijs van iemands schuld


bedrachte = zie bedrach


bedragen (enen of iet) = het bewijs van iemands schuld leveren


bedragenisse = uitkomst van gerechtelijk onderzoek


bedrif = bedrijf, zaak


bedriven = verrichten


bedtgescheyd = ontbinding van een huwelijk


bedtsplancken = zijkanten van een bed of bedstee


beduir = zie baduit


beduit = inhoudsmaat, 1 beduit = 1/4 kan en ca. 0,4 ltr. Voornamelijk in Noord-Brabant


bedwingen = dwingen, noodzaken


beenstukken = ijzeren beenbekleding


beer = heraldiek teken, in de vorm van een beer, zowel zittend, gaand of staand afgebeeld


beerft = een kind hebben van de persoon met wie men getrouwd is


beersteker = sekreetruimer, beerput opruimer, strontton ophaler


beestelijc = beestachtig, dierlijk


beesten op iet slaen = beesten op een perceel grond doen grazen


beestschutter = die het vee van anderen opsluit, om schade aan zijn land te voorkomen


beestsijs = de accijns, betaald door de koper van een stuk vee binnen de stad, ook: een buitengewone belasting op het vee


beestsys = zie beestsijs


begängnis = rouwplechtigheid met lijkrede en het voorlezen van de personalia in de kerk, ook: stoffelijke giften schenken


begavet = aangetast door de pest


begeeren = verlangen, verzoeken, vragen


begeerende = wil hebben


begeert = willen


begerende = verlangende


begever = persoon die het recht had een pastoor of predikant te benoemen


begeving = het schenken van een ambt


begevingsrecht = zie begeving


beghina = begijntje, weduwe, ongehuwde vrouw


begien = bekennen, verklaren


begijne = zie beghina


begina = zie beghina


begine = zie beghina


beginlijck = aanvankelijk


begorden = zwanger gemaakt, bevruchten


begrafenislepels = geschenk aan dragers en nabestaanden, meestal voorzien van naam en datum van geboren en overlijden, bij Friese begrafenis


begraven = ter aarde bestellen, ook: een gracht graven


begroten = zie begrotinge


begrotinge = vergoeding, schadeloosstellen


béguine = begijn(tje)


behalden = behouden


beheimen = ommuren, van een omheining voorzien


behenden (iet) = omheinen


behoevichen = behoeftige


behoudelijck = met uitzondering van


beidje = hemdsrok, gedragen tussen hemd en bovenkleding


beierman = klokkenluider


beilager = huwelijk


beisasse = inwoner van een stad zonder de volle burgerrechte


beiwoner = inwoner van een stad zonder burgerrechten


bekaid = stervende


bekalengiren = eis in rechte tegen iemand instellen


beke = beek


bekemacher = kuiper


bekennen (iet) = erkennen, een schuld of een verplichting in rechte erkennen


bekennen en de betughen = verklaren en bevestigen


bekenninge = onderzoek, gewoonlijk het gerechtelijk onderzoek in een zaak bekeuren een wettelijke verordening opleggen


beklemakte = akte van de beklemde pacht d.w.z. het land waarop het beklemrecht rust. Het altijd durend erfelijk recht op het gebruik van iemands anders toebehorende grond of landerijen met daarop het huis c.a. van de gebruiker


bekoeren = zie becoren


bekomen = verkregen


bekommen kennisse = te berichten, bericht ontvangen


bekwelen = zie bekwinen


bekwinen = betreuren


beladen = heraldiek uitdrukking, een schild is beladen met bijvoorbeeld lelies, rozen, dieren, etc.


belangende = vanwege


belasten [ (iets met iets) bezwaren


belegen hebben = als belendingen hebben


belegherthede = ligging


beleidinge = bezichtiging, schouwing (van beken, waterwegen), ook: bewijs


belendinge = aangrenzend pand of land


belenen (enen iet) = iets in belening geven


belengen (iet) = achterhalen, bereiken


beleth off inspraecke = verzet tegen het huwelijk hebben


beleven nakomen, naleven


belfort = toren, belangrijk gebouw met toren


belfroot = zie belfort


belgen = zie balgen, ook: boos worden


belgice = in het Nederlands


Belgicus = Nederlands, Belgisch


Belgium = Nederland, België


Belgium Novum = Nieuw Holland, New York


belidinge = zie: beliïnge


belief = wil, bevel, goedkeuring


beliefnisse = verlof


beliefte = verlangen


beliën = erkennen, (bepaaldelijk in rechte.) van daar, ook: beloven


beliën (iet) = een geldschuld in rechte erkennen, een vroeger onderhands gesloten contract voor de rechter erkennen, ten einde het bewijs daarvan later te vergemakkelijken


believinge = goedkeuring


belijden = dulden


beliterije = bedelarij, schooieren


belle fille = schoondochter, stiefdochter


belle mère = schoonmoeder, stiefmoeder


belle soeur = schoonzuster


bellisier = drinkgeld


beloofnisse = betalingsbelofte


belven = zie beliën


bem. = afk. belle-mère, schoonmoeder


bemanen = vonnis eisen


bemd = beemd, veld


bemerkt = van een handmerkteken voorzien


ben = viskorf


bend = gilde


bendeeren = samen spannen, een bende vormen


benedicere = zegenen


benedicta = zondag na Pinksteren


benedictio = (huwelijks) inzegening


bénédiction nuptiale = kerkelijke inzegening van een huwelijk, huwelijkszegen, het zegenen


benedictionis = zie benedictio


benedictum = zegenen


benedixi = zie benedictum


benefacere = schenken


beneffen = evenals, eveneens


beneffens = alsmede


beneficatus, beneficiarius = priester die de inkomsten van een beneficie geniet

 

beneficentie = mildheid, weldaad


beneficie = een weldaad, voordeel, een proeve voorrecht, ook: inkomsten uit kerkelijke goederen


beneficie van inventaris = voorrecht van boedelbeschrijving, de erfgenaam is niet verder aan de schulden van de boedel gehouden, dan dat de goederen van de overleden mogen toereiken


beneficie(e)ren = weldoen, verbeteren, goed doen


beneficien = (van recht) gunsten, voorrechten


beneficium = inkomen van een geestelijke, weldaad, voorrecht


beneficium abstinendi = het recht van de kinderen om de erfenis van hun vader te weigeren


beneficium cerendarum actionum = het recht om voor betaling van de schuldeiser verly van het recht te vorderen, dat de schuldeiser op de medeborgen heeft


beneficium discussionis = voorrecht de vordering te mogen betwisten


beneficium divisionis = het recht om de schuldsplitsing onder de borgen te verzoeken


beneficium excussionis =goed-verkoping, uit schulding


beneficium inventarii = voorrecht van boedelbeschrijving


beneficium inventarii = een erfenis onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden, als de schulden uit de
baten betaald kunnen worden


beneficium ordinis = voordeel van aanspreekorde


beneficium ordinis excussisonis = het recht van een borg om een schuldeiser af te keren (houden), zolang tot dat hij de


saeckweldige (zaak beslaglegging) heeft uitgewonnen


benevole lector = welwillende lezer


benevolentie = zie benevolus, ook: goedwilligheid


benevolus = welwillend


benigniteit = goedertierenheid, gulhartig


bénitier = wijwatervat, spaesvat


benne = ruif, mand


bennenmacher = kinderwagenmaker, mandenmaker


benoemt = opgesomd, gespecificeerd


benooteeden = iemand een eed opleggen


beperelt = versierd met parel


bepijnen = zorgvuldig


bepokpet = pokdalig


beputten = de grenzen aangeven met putten, kuilen of palen


ber = afk. december =10e maand van het Romeinse jaar, (dat begon op 1 maart), vaak aangeduid met een "X", ook: afk. baron


beraaien = beraden


beraden (iet) = iets overwegen


beraet = overlegging, het beraad, van het overwegen van de rechtsvraag door schepenen in de schepenkamer na afloop van een zaak in de vierschaar vóór het vellen van het vonnis


bercarius = schaapherder


berch = spits toelopende zijde van een dakvenster


berchaen = patrijs, veldhoen, korhoen


berchhynne = patrijs, korhoen


berckier = schaapherder


Bercomum = zie Berzizoma


berd = plank


berdiel = bordeel, huis van lichte zeden


bere = stormram, ook mannelijk varken, beer


berecht = geborgen


berechtcamer = rechtszaal


bereen = besprongen en daardoor zwanger geraakt


bereklauw = heraldiek teken, poot van een beer


beren = baren


berenstecher = varkens castreerder


Bergae = Bergen (Belgie), Mons (Belgie)


Bergae ad Zomam = Bergen op Zoom


Bergae Divae = Geertruidenberg


bergarius = schaapherder


berghuus = schuur, bergplaats


berglant = hoog gelegen land


berichtschrift = lastbrief, bevelschrift


berie = draagbaar, mestkar


berijden = beroeren, kwellen


berijnswel = varkensvlees, varkenszwoerd


berle = wijnvat, ton


bernecamer  = smeltkamer


bernegelt = belasting voor het brandmerken van koeien voor op de gemeenschappelijke veeweide


bernmaai = glimworm


bernschneider = barnsteenbewerker


beroepen van een vonnis = in appel gaan bij een hogere rechtbank


beroepinge = appèl

 

beroit = beroofd


Berolium = Berlijn


berrieleggersmate = inhoudsmaat voor granen 1 berrieleggers -mate voor graan = 2,572 ltr., Voor haver = 3,648 ltr.


berschiere = soort van wol


bersten in = naar binnen stormen


beruchten = het aanwijzen van een verdachte, slechte naam bezorgen, verdacht maken


beruchten (enen of iet) = iemand verdacht maken, in verdenking brengen, ook: het aanwijzen van een verdachte


beruften = zie beruchten


beruit = schurftig


Berzizoma = Bergen op Zoom


besabberen = bevuilen


besace = bedeltas van de geuzen


besaedde = oogst op het veld


besaen = gelooide schapenhuid


besatinge = arrest, beslaglegging


bescatten (enen) = iemand geld afnemen, te veel geld afnemen, overvragen


besceemt = beschaamd gemaakt, beledigd


besceiden = scheiden; wellicht, ook: beslissen


besceidenheit = beslissing, oordeel


bescerm = bescherming


bescermenesse = bescherming


beschirmer = bestuurder, regent, verpleger


beschoten = in slaap


beschreven = schriftelijk bevel


beschrijf = schildering


beschrijvinge = convocatie, beschrijvingsbrief


beschud = recht van naasting. De (naaste) familie had bij nieuwe of doorverkoop het recht om het terug te kopen tegen de oorspronkelijke koopsom


beschudder = recht van naasting, verdediging


beschulden = beschuldigen


beschuldigen = met schulden bezwaren


bescouweren = opzichters


bescudden = beschermen, beveiligen, de schade voorkomen
besegelde = koffer afgesloten koffer


besepen = bedruppeld


besette = beslaglegging, verpanding


besetten = bepleisteren


besetten (iet) = iemands goed arresteren, gerechtelijk beslag daarop leggen


besieckheit = melaatsheid


besiegelen = van een zegel voorzien


besien = oude vrouw


besienre = een stadsambtenaar, belast met het keuren


besje = zie besien


beslaeghen = in gebruik, bezet


beslaen = beslagleggen, ook: door handslag bekrachtigen
beslaen (iet) = iets inpakken


beslapen = bij elkaar slapen als man en vrouw, ook: er nog een nacht over slapen


beslapen en trouw = voltrokken en van het "bijslapen" gevolgd huwelijk


beslet = belemmering


beslooten = bank zie herenbank, ook: kerkbank voorzien van een deurtje


besluit = bijzonder, afgesloten kamer of zaal


besluter = slotenmaker, smid


besmetten = onteren, schofferen, verkrachten


besneden = tijd een nauwkeurig bepaalde tijd


besnijden = een vordering in rechten, inkorten


besnoeren = beteugelen


besnollen = bedriegen


besnuwd = besneeuwd


besoign(e)eren = arbeiden, werken, bezig zijn


besoigne = een werk, bezigheid


besoigne = zie besoigneren


besoigneren = beraadslagen, vergaderen over iets


besperren (iet) = aanspraak in rechte op iets maken, met het gevolg, dat dan de zaak tot de uitspraak in haar geheel blijven moet


bespieringe (sonder) = onbelemmerd, zonder belemmering


bespringen = aanvallen, attaqueren


besproken = beloofd


bestaden = uithuwelijken, in het huwelijk treden


bestadet = zelfstandig


bestallen = bezetten


bestayet = in handen gesteld


besteden = in het huwelijk treden


bestedynge = aanbesteding


besteent = ring waarin een steen is gezet


bestellen = verzorgen, uitbesteden, maken


bestelling = lastbrief


bestemoeder = grootmoeder


bestemoer = zie bestemoeder


bestendicht = voortdurend, blijvend


bestenen = jammeren


besterfnisse = erfrecht


besterven = verstijven, verbleken, ook: door vererving ten deel vallen


bestetter = vervoerder, expediteur


bestevaar = stamvader, grijsaard, grootvader


bestevader = grootvader


bestey = pastei


bestiaal = het vee, beestenlijk (dierlijk)


bestiael = beestachtig


bestiael geldt = belasting op vee


bestiaelen = vee


bestiaelgelt = zie beestsys


bestoor = predikant, pastoor


bestorven = lijkbleek, wees geworden


bestorven siin van enen door de dood = van iemand beroofd (benadeeld) zijn


besuchung = Maria Maria ontvangenis, 2 juli


beswarenissen = belasten met iets


besweeren = onder een eed bevestigen


bet an der tijt = tot aan de tijd dat


betaelt = den lesten


penninck metten eersten = volledig betaald, kwijtingformule bij o.a. akte van eigendomsoverdracht


bete = biet, ook: het water waarin de looiers hun vellen

bereiden


beteeckeningen = kentekens, kenmerken, bewijzen


beterscap = de meerdere waarde, die een zaak heeft dan de daarop rustende verbanden

 

beteult = bewerkt


betide = ’s morgens vroeg


betiën (enen van iet) = (iemand van iets) beschuldigen


betochtinge = zie betuchtinge


betogen na = bewijzen


betoghe vinden = iemand bij vonnis in het gelijk stellen
betonen (iet) = (iets) bewijzen, schriftelijk bewijs brengen


betooch = bewijs


betoon = bewijsstuk, schriftelijk bewijs


betoonen ter waerheit = met getuigen bewijzen


betpan = beddenpan


betreckbaer = die voor de rechter geroepen kan worden


betrecken (enen) = iemand terecht doen staan


bettage = biddagen, maandag tot woensdag na de 5e zondag na Pasen


betten = met (warm) water besprenkelen


bettiecte = beddetijk, bedovertrek


betuchtinge = huwelijksgoed, douanier


betugen = door getuigen het bewijs van iemands schuld leveren, een getuigenis tegen iemand afleggen


Betuwa = Betuwe


beu = verzadigd


beudel = beul


beuk = boek


beuker = hamer om vlas te beuken. ook: vlasvlegel


beukhamer = wapen in middeleeuwen, strijdhamer


beuling = worst


beuren = in ontvangst nemen, heffen van rente, ook: zie boeren


beurs = geldbuidel, als heraldiek teken vaak voorgesteld met twee koorden


beurse = beurs, geldbuidel


beutelaar = iemand die kunsten vertoond op kermissen


beutelmacher = leren buidelmaker


beuter = imker


bevallen = zijn zaak verliezen


bevallen (in iet) = vervallen


bevanck = deelgebied van een polder, rechtsgebied


bevanck (sonder) = onbedwongen, vrij, zonder arglist


bevechten = aanranden, aantasten, attaqueren, bespringen


beveler = bevelgever


bevelijc = verschrikkelijk


bevelinge hebben (iet in) = iets in bewaring hebben


bevellen = ten val brengen


Beverovicum = Beverwijk


bevert = bedevaart


bevogeden = een voogd aanstellen over iemand


bevolkingsregister = register waarin de bewoners van een gemeente, met naam en adres, etc. opgetekend zijn


bevordring = bevordering


bevreyssemt = puisterig, opgezwollen


bevrijden = behoeden


bevrijen = vrijwaren


bevrucht = heraldiek teken, op schild weergegeven vruchten


bevrund = verwant


bewaarde = veilig


bewaarder = bewaker


bewaarster = verpleegster, baker


bewapenen (enen iet) = verduisteren, aan iemands aanspraken zich door bedrog onttrekken


beweerd = verdedigd


bewerp = schets, ontwerp, patroon


bewerpe = ontwerp van een akte welke goed gekeurd moet worden


bewijsen = rente of hypotheek vestigen op een bepaalt stuk land


bewijskonst = beargumenteren


bewimpelen = verbergen


bewint = omvang van een landbezitting, rechtsgebied, bevoegdheid


bewisen (enen iet) = iemand iets aanwijzen


bewisselijc = bewijsbaar, ook: in rechte bewijsbaar


bewossen = begroeid


bewroegen = beschuldigen, aanklagen


bey = beide


beyaerden = de klokken luiden


beyaert = ziekenzaal, eetzaal in gasthuis


beyerman = klokkenluider, kokkenspeler


bez. = afk. bezirk, rayon, gebied, district


bezaaid = heraldiek teken, een schild waarop meerdere gelijke tekens


beze = bes


bezent = hooggeschat


bezind = bemind


bezirk = rayon, gebied, district


bezucht = vervloekt, ook: door erge ziekte gekweld


Bg = afk. op huw. akte, bruidegom


biais = biaisband, schuine strook


biblia = bijbel


biblia sacra = heilige schrift


bibliopega = zie bibliopegus


bibliopegus = boekbinder


bibliopola = boekverkoper, boekhandelaar


bibliotheeq = boekenkamer, boekkas


bibliven. "mit den live daerby blyven" = beloven het bewijs van een gedane aanklacht te leveren op straffe van verbeuren van het leven


bibrengen (enen iet) = iets aanbrengen, aangifte doen van iets


bibrenginge = mededeling, betoog


bickelaer = steenhouwer


bicolore = tweekleurig


bidasse = soldaat


bidden = verzoeken, verzoek


bidellus = gerechtsdienaar, beulsknecht, pedel


biden = slaan


bidsnoer = rozenkrans


bidster = uitnodigster voor de begrafenis


biduo = op de tweede dag


biduum = twee dagen


bie provicie = bij voorlopige voorziening


biebuich = bijenkorf


biedegelt = het loon van de bode voor het doen van een dagvaarding


bieden (enen) = gebieden, voorschrijven


bieden mitten boeke = iemand dagvaarden met het register, waarin de eisen worden opgetekend (als bewijs, dat de dagvaarding terecht geschiedt)


biekaar = imker, bijenhouder


bieman = zie biekaar


bien = fonds vastgoed, onroerend goed


bienn(al)= is tweejarig


biennalis = twee jaar oud


biennis = zie biennalis


biennium = periode van 2 jaar


bierbeschoyer = bierbezorger


bierclocke = tijdstip waarop de kroegen dicht moesten


bière = doodkist


bierhaan = drinkebroer


bierkerke = de kroeg, herberg


bierpul = kroes voor bier, voorzien van een deksel


biersnelleken = potje bier


biertje = biermaat in de 17e eeuw, 1 biertje = 1 ltr.


biest = beest


bigami van = de bigamist


bigamus = die twee mannen, of twee vrouwen tegelijk heeft, die in bigamie leeft, gelijktijdig met twee vrouwen gehuwd


biggelsteen = kiezelsteen


bij cessie overgedragen = overdragen van een recht of zaak


bij falte (faute) = bij in gebreke blijven


bij faute = zie bij falte


bij gebreck = bij verstek


bijker = imker, bijenhouder


bijlbrief = bewijs van betaling van het schip, ook: het origineel eigendomsbewijs waarin alle gegevens van koop en verkoop zijn opgenomen


bijlhouwer = timmerman


bijlust = overspel


bijnden = binden


bijnnenbrouwer = bierbrouwer die binnen de stadswallen bier brouwt


bijslag = toegift


bijstander = helper


bijsterveld = schraal en vaak onvruchtbaar terrein


bijteecken = tegen merk, tweede merkteken


bijten = fluisteren


bijtevel = kramp in de ingewanden


bijvanck = de gehele, meestal afgesloten omvang van zijn huis of erf


bijwijf = bijzit


bikken = eten


bilivige = vruchtgebruikster


biljou = baljuw


bille = bilhamer, hamer om te billen, rillen scherp maken in de molensteen


billen = groeven in molensteen scherp maken


billet = billet, brief, cedulle


billietten = bevelschriften tot betaling


billion = afgekeurd, quaatgeld


billix = billijkerwijze

 

bilo = vloek


bilwortel = bilzekruid


bimaritus = voor de tweede maal gehuwd, bigamist


binati filii = zie binatus


binatus = tweelingen


Bindrium=  ’s Hertogenbosch


bini = twee


binnebinder = rietdekkersknecht


binnen veertien nachten = binnen twee weken


binnenbedrijver = die zijn land binnen de eigen gemeente bewerkt


binnenburger = burgerschap van persoon die binnen de stadsmuur woont


binnenjarich (pacht) = de vervallen pacht van het lopende jaar
binnenkosten = belastingen, nodig om de onkosten van de gemeentebesturen te dekken, eens per jaar mocht de ’omstelling’ (aanpassen) van de binnenkosten gedaan worden


binubus = voor de tweede keer getrouwd


bique = wijf, vrouw, meisje


birmenter = perkamentmaker
bis = twee, ook: zeer fijne stof van boomwol


bis milies = tweeduizend maal


bisaïeul = overgrootvader


bisaïeule = overgroot moeder


bisetten (enen aen enen) = iemand aan een ander toevoegen


bisex = schrikkeljaar


bislaep = zie bislaght


bislaght = valse munt


bislapen = bij iemand slapen, ook: gemeenschap hebben


bispel = vertelling met een zedelijke strekking


bisse = zeer fijne stof


bisser = hoofdstelsmid, (paarden)gebittenmaker


bissextile = schrikkel


bistandeman = adviseur, raadgever, geefster


bitebau = boeman


bitterlike = op een treurige wijze


bivoet = sint janskruid


biwoort = praatje


blad = heraldiek teken, zonder verdere aanduiding altijd een lindeblad


bladarius = graanhandelaar


bladen = oogsten, de vruchten van het land verzamelen, vruchten plukken


bladergoud = bladgoud


bladinghe = vruchtgebruik


blaesbalch = blaasbalg, orgelpijp


blaffaard = legger


blaffard = register


blague = tabakszakje


blaker = toorts, olielampje, hanglamp, ook: een pan waarin ’s nachts men een vuur lied brandden


blamatie = schande


blame = naamschending, eervlek


blamen = lasteren, iemand te schande maken


blameren = schandelijk behandelden


blanchir = onschuldig verklaren, vrijpleiten


blanchisseur = wasbaas, -vrouw


blanchisseuse = zie blanchisseur


blancke = Frans (zilveren) betaalmiddel, reeds bekend in 1268


blanden = mengen, mengelen, een mengsel maken


blander (mede) = bereider van een mede of honingwijn


blandiëeren = Zie blandieren


blandieren = vleien, liefkozen


blank = betaalmiddel, zilveren munt


blank = munt 17e-18e eeuw , gelijk aan 12 penningen


Blanke = zie blank


blaser = balgentreder, orgeltrapper, windmaker voor het orgel


blashemie = godlasterend


blasoen = veldteken


blason = blazoen, wapen(schild), heraldiek


blasph(e)emeeren = godlasterend, iemands eer te na spreken ook: lasteren, achterklappen


blasphemie = lastering


blat = aan twee zijde te beschrijven vel papier


blate = steenvalk


blatiers = kooplieden in granen


blatner = harnasmaker


blattervater =- pokkenhuis beheerder


blauvoet = steenvalk


blauw = heraldiek teken, de kleur blauw, ook: azuur genoemd, aangegeven door horizontale arcering, ook: schraal, van slechte kwaliteit


blauw zijn zie blauwen


blauwen = een blauwe plek hebben door een toegebrachte slag ook: blauw maken, verven van stof


blauwer = stofverver


blauwer = Ostertag zondag voor Pasen, palmpasen


blazen = drinken


blazoen = wapen


blé noir = boekweit


bleeckeling = soort slechte kwaliteit turf


blein = blaar


bleken = schelden


bley = scheldwoord tegen een vrouw


bli = lood


bliaut = een zijden stof


blide = blijde, oorlogswerktuig om zware stenen mee te gooien


bliek= blank inwit


bliekvyst = iemand die zeer bleek ziet


bliekwyt = zie bliekblank


blieter = landloper, vagebond, bedelaar, schooier


blieterij = landloperij, bedelarij, schooierij


blij = zie bly


blijberch = loodmijn


blijde = oorlogswerktuig om zware stenen mee weg te slingeren


blijfsels = gerechtelijke toewijzing van bijvoorbeeld achterstallige renten en boeten


blijven = in het sterfhuis een nalatenschap aanvaarden met schulden, lasten en baten


blijven = uit het sterfhuis niet aanvaarden van een nalatenschap


blijver = langstlevenden


blinde = vensterluik


blinden = vensterluiken


blindencost = bijkomende onvoorziene kosten


blink = onbegroeide duintop


bliven (aen enen van iet) = aan iemand de scheidsrechterlijke uitspraak over iets opdragen


bliven (in den rechten) = het proces winnen
blocdeel = houtenprop in muur om haak in te slaan


blochuus = gevangenis


blockmeester = wijkmeester in een stad


blocslot = groot hangslot


blocsteen = gebakken metselsteen


bloed loop = zie bloetlaten


bloedbewant = bloedverwant


bloedkleur = heraldiek teken, Duitse (rode)kleur, aangegeven door verticale en schuinlinkse lijnen over elkaar


bloedschand = incest


bloeling = bloedworst, ook: een slecht mens


bloeme = menstruatie, ook: gezwel


bloetbewant = bloedverwant


bloetevel = bloedvloeiïng, vrouwenziekte, ook: genoemd "bloetsucht", dysenterie


bloetganc = buikloop, dysenterie


bloetgewant = zie bloetbewant


bloetijl = bloedzuiger


bloetlaten = behandeling door de chirurgyn, als genezing voor meerdere kwalen, ook: verwonding door steekpartij waarbij bloed vloeit


bloetlater = chirurgijn


bloetsteen = rode edelsteen


bloetswege (van) = als bloedverwant


bloetvoget = voogd, welke een bloedverwantschap had met de minderjarige


bloiende = menstruatie


blok = deel van een weiland, ook: houten strafwerktuig


blond = zie blonden


blonden geel = worden, een gele plek krijgen door een toegebrachte slag


blosen = rood worden, een rode plek krijgen door een toegebrachte slag


blote = geschoren schapenvacht


bloten = beroven


blouwel = houtenhamer, stamper


blouwsteen = hardsteen, arduin


blum-Ostertag = zondag voor Pasen, palmpasen


blussen = bevredigen


blussing = vernietigen


bly = lood


blycken tracherke = blikken trechter


bm. = afk. bourgemaitre, burgemeester van de gemeente


bn. = afk. bien, goed


bo. = afk. bon, goed


bobijn = zie babijn


bocraen = stof van geitenhaar


bocxhoren = ramwerktuig om poort open te rammen bij belegering


boddeck = kuiper


bode = de persoon, die een bevel ("bot") van een overheidspersoon overbrengt (dagvaard), ook:
dienstbode, pedel


bodebrief = door gemachtigde getoonde stukken


bodeger = schietboogmaker


bodel = gerechtsbode, beul


bodelharde = zie boedelherde


bodelinc = ingewanden


bodescep = boodschap


boecbret = boekenplank


boede = zie bode


boedel verjaeren (eene) = een boedel een jaar lang onaangetast laten


boedelcedel = inventaris van den boedel, overgelegd door den boedelharder


boedeleet = de eed waarmede de boedelharder de waarheid van de boedelcedel bezweert


boedelherde = boedelhouder, de persoon, die recht heeft op het bezit van de boedel totdat deze onder de erfgenamen verdeeld is


boedelhuus = verkoping van (roerende) goederen in een sterfhuis


boedels plechtich siin (des) = gehouden tot betaling van de schulden van de boedel


boedelvervolger = hij die beweert een recht te hebben op de boedel


boefclocke = tijdstip van sluiten stadspoort, avondklok


boefveclocke = avondklok, tijdstip waarop de stadspoort wordt gesloten


boeisel = loodgieterwerk


boek = beuk


boeke = beukenboom


boekkamer = bibliotheek


boel = minnaar


boelen = minnekozen, vrijen zonder bijbedoeling


boeleren = overspel spelen


boelgoederen = tot de inboedel behorende goederen


boelin = vrijster, geliefde


boemwol = katoen, boomwol


boen = goed


boerckoishof = moestuin


boerdemaker = grappenmaker


boeren = bewoners op het platteland, ook: in ontvangst nemen, heffen van rente


boerenkikken = rommelen


boerewapens = burgerwapens


boerman boer, landbouwer
boesem = hart


boet = baak


boetellie = matjes vermoedelijk, knielmatjes op de knielbanken in de kerk


boeten = herstellen, terugbetalen, goedmaken


boethuus = huis waar de netten hersteld werden


boetschoudich = veroordeeld tot het betalen van een boete


bof = afk. beau-frère, zwager


boffertpanne = met klemmen af te sluiten ijzeren pan


bog = afk. bourgeois, burger, iemand uit de middenklasse


bogeschote = maximale afstand voor een afgeschoten boogpijl


bogger = schavuit


bohémien = zigeuner(in)


bohémienne = zie bohémien


boi = boei


bokel = borstwapen, knop op schild, ook: versiersel bijvoorbeeld gesp, haarspeld, ook: stamper, beuker dorsvlegel voor vlas, koren etc.


boksen = broek


bol = inhoudsmaat, 1 bol = 1,7 ltr.


bolcraen = Zie bocraen


boleren = vrijen, minnen


bolkruis = heraldiek teken, verkortkruis met bollen aan het eind, wordt ook appelkruis genoemd


bolletkijn = mutsje, kalotje


Bolsverda = Bolsward


bom = blikken bierkan


bombaerde = oorlogswerktuig om stenen mee te slingeren, ook: een muziekinstrument


Bombarda = geweerschot, schot


bombardarius = bliksmid


bombardicus = buksschieter, schutter, kolvennier

bombardus = buksmeester, kanonnier


bombare = zie bombaerde


bombazijn = geweven stof, waarvan de inslag van wol is en de schering van zijde, vooral voor werkmansondergoed


bombicinator = zijdewever, brokaatmaker, zijdewerker

Bommel = zie Bommelia


Bommelia = Zaltbommel


bon = buurt, wijk


bon henri = brave hendrik


bon papa = grootvader


bona = goederen, have, een boedel


bona fide = ter goeder trouw


bona hereditaria = erfgoederen, stamgoederen


bona materna = goederen van moederszijde


bona minorum = goederen die aan een minderjarige toebehoren


bonarium = bunder


bondich = zie bundichts


bondieuserie =  bigotterie, kwezelarij


bonet = Zie bonetten


bonetten = muts


bongaert = boomgaard


bonge = trommel


bongeler = trommellaar


bongelersche = trommel bespeelster


bonger = trommelslager


bonget = valies, koffer


boniche = (jong) dienstmeisje


bonne maman = grootmoeder


bonnetmaker = hoeden en petten maker


Bononia = Bologna


bonus = goed


boo = deurwaarder


boodschap = lastgeving


boom = grens, bodem, grondslag


boom (te) = aan de galg


boomhouder = tolboomhouder, inner van de tol


boomhouwer = zadelboomhouder, maker van zadels


boonganger = (rijk of in aanzien) burger die aan de magistraatsverkiezing mocht deelnemen


boonheer = magistraat (gekozen tijdens de magistraatsverkiezingen)


boonlote = loting met bonen, o.a bij de magistraat verkiezing met witte en bruine bonen


boonmael = maaltijd die na de magistraatsverkiezing werd gehouden


boonman = zie boonheern


boorch = zie borch


Bop. = afk. beau-père, schoonvader


borch = kasteel, burcht


borchmeester = burgemeester


borchrinck = ijzeren ring aan de poort van een kasteel


borchwerck = leenherenwerk, werk dat men moest verrichten voor de leenheer


bordeel = hoerhuis


bordeelbok = hoerenloper


bordeelbrok = zie bordeelbok


bordehouwer = houtsnijder


bordemande = draagmand, vismand


bordoen = orgelpijp


borech = zie borch


borg = toeverlaat


borgbrief = akte van borgtocht of indemniteit


borge = hij die zich garant stelt


borgemeesterscap = zie borghermeisterscap


borger = zie borgeren


borgeren = burgers


borgerscap bescutten = het burgerschap behouden zonder schade te lijden


borgerschap = waarborg


borggrave = kasteelgracht, slotgracht, burchtgracht


borghermeisters-cap = het ambt van burgemeester


borne = grenssteen, grenspaal, paal


borrelwacht = nachtwacht


bors = schatkist


borse = zie beurse


borsse (leere) = leren beurs, geldbuidel van leer gemaakt


borsten = breken, barsten


borstkerse = kaars voor dode


borstlap = lap op de boezem gedragen door vrouwen


borstpels = kledingstuk op bovenlichaam gedragen


borstrok = onder het hemd gedragen kledingstuk


borthouwer = zie bordehouwer


bortspiker = spijker voor vloerplanken


Borussia = Pruisen


bos = hoeveelheid, 1 bos = 104 stuks, ook: os, ook: wapen, musket, geweer, roer


bosboom = taxis, palmhout


boschcolen = houtskool


Boscoducem = ’s Hertogenbosch


boskool = zie boschcolen


bospoederhuus = kruitmagazijn


bospoermaker = buskruitmaker


bosquet = bosje, bosschage


bossaen = schapenleer


bossekruit = buskruit


bossen = stoeien, stompen, wegduwen


bostel = resten van bierbrouwerijen, veevoer, afgewerkte mout


botbrief = oproepingsbrief


botdrager = betaalmiddel, 1 botdrager = 36 schilling

boten = boeten


botergulde = pacht betaald met boter


boterlepel = houtenlepel om boter uit de boterton te scheppen


boterpacht = zie botergulde


botersmout = botervet


botje = betaalmiddel, zilveren munt in Brabant


botjesmaat = graanmaat, 1 botjesmaat = 0,32 ltr.


botte = domkop


bottelerie = spijskamer


bottelier = schafmeester, keldermeester


botten = vals spelen bij dobbelen


botter = boter, maar ook: valsspeler


bottertanden = voorste tanden


bottier = laarzenmaker


botting = een soort belasting die betaald moest worden bij het (werk)bezoek van de graaf aan het dorp. Meestal hield hij er dan gelijk een rechtszitting


botularius = worstmaker, worststopper, worsthandelaar


Bouces de la Meuse = de monding van de maas


boucher = slager, beul, wreed mens


bouffon = nar, hofnar


bouge = krot, kot, hok


bouget = een maal, een lederen zak, reiszak


bougette = leren reiszak


bouille = melkbus


bouilleur = (brandewijn)stoker


bouleau = berk


boulet = (kanon) kogel

boumaent = hooimaand


bouman = landbouwer, boer


bouquetin = steenbok


bourbier = modderpoel


bourdeel = bordeel


bourg = groot dorp, stadje


bourgade = dorpje, gehucht


bourgemaitre de la commune = burgemeester van de gemeente


bourgemestre = burgemeester van de gemeente


bourgeois = inwoner, inwoonster v. dorp of stad, poorter


bourgeoise = zie bourgeois


bourgeoisie = poorterschap, poorterrecht


bournen = erfpalen


bourreau = beul, scherprechter


bourrelier = zadelmaker, leerbewerker gareelmaker


bourse = beurs


bouseux = boer


bouw = oogst

bouwambacht = landbouw


bouwen = kledingstuk voor vrouwen, meestal van kostbare stof, ook: boven rok


bouwknecht =boerenknecht


bouwlien = boeren


bouwman = boer


bouwvrouw = boerin


bovelinck = hoogstammige fruitboom


boven = in weerwil van


boven recht = meer dan het recht vereist


bovenkiel = over de kleding gedragen kiel


boves = ossen


boviné = rund


bowman = boer, landbouwer


BR = afk. Bataafse Republiek


Br. afk. brumaire, maand van de nevels


braadlepels = diepe lepels om vet te scheppen


braaister = boetster van visnetten, hersteld visnetten


braak = omgeploegd land dat men onbebouwd laat liggen


braakliggend = braakliggend gedurende een jaargetijde


braakvruchten = waarschijnlijk kleine tiendvruchten


braauwspiker = gesmede spijker


brabançon = Brabander


brabançonne = Brabantse


brachet = Juni


brachmond = zie brachet


bractearius = goud en zilversmid


bragade = bluf


brak = heraldiek teken, hondenkop(pen) met hang of flaporen en uithangende tong


braken = radbraken


branche ainée = oudere linie, oudere tak


brander = brandstichter, maar ook: brandijzer, haardijzer


brandereel = loden, ijzeren of stenen bol die rond geslingerd werd om iemand te verwonden


brandewynsvatie = brandewijn vaatje


brandhaak = ijzeren haak aan lange houten steel


branding = brandhout


brantmuer = gemeenschappelijke muur tussen 2 woningen of buitengevelmuur, deze mocht geen houten- en leem- (klei)delen bevatten


brantpalen = palen welke de uiterste grenzen aangaven van iemands eigendom of gebied


brantroede = haardijzer, waarop het brandhout lag


brantsack = natte met graan gevulde zak voor op de rug bij het blussen


brantschat = geld waarmee de brandstichting en plundering werd afgekocht


brantteecken = brandmerk, meestal op de schouder van een veroordeelde tot brandmerken


bras. = afk. brassier, brouwer


bras(s)elet = armband, ook: braceletgespen


brasiator = moutmaker


braspenning = munt 17e-18e eeuw , gelijk aan 20 penningen, betaalmiddel, 1 braspenning = 1stuiver en 8 deniers, ook: 1/40 van een Philippus daalder


Bratucpantus = Brabant


brautkind = een voorkind, een kind geboren voor het huwelijk


brauwer = zie caulcer

braveren = trotseren, uitdagen


braxator = brouwer


braxiator = zie braxator


brazeel = zie braselet


brcgd. = afk. brigadier


bre = afk. december = 10e maand van het Romeinse jaar, (dat begon op 1 maart), vaak aangeduid met een >X >


breck (bij) = (bij) verstek


bredanus = van Breda


breem = brandbaar droog struikgewas


breidel = toom, teugel


breidelmaker = teugelmaker


breidentag = pap dag, 1 februari


breidschead = hulpstuk voor het breien


breidschede = zie breidschead

breineloos = krankzinnig


breiser = passementmaker


breke = braakliggend land


Brema = Bremen


breme = traliedeur


breuck = zie broke


breucken = boetes, misdoen


breucker = overtreder, misdadiger


breuckmeester = persoon belast met het innen van de boetes


breucksalich = die de boete moet betalen


breuke = zie broken


breuken = vergrijpen


breve = brief


brevi = in het kort


brevier = een kort begrip, een kort inhoud, gebedenboek


brevis = kort


breviteit = kortheid


breyer = mandenmaker


breyf = brief


breyneloos = krankzinnig


bricksteen = baksteen

Brida = Den Briel


brieder = brouwer


brief = akte of oorkonde, vaak vooraf gegaan door de naam van de maker bijvoorbeeld schepenbrief


briefgelt = kosten van een wettelijke akte, legeskosten


brieflesing = vonnis tot inbeslagneming verleend na inzage van de schepenbrief


Briela = Den Briel

brieve = akte of oorkonde, vaak vooraf gegaan door de naam van de maker bijvoorbeeld schepenbrief


brieve van ondertinge in forma = officiële benoemingsbrieven
brieven van çedio brieven van boedelafstand te mogen doen

brigand = schurk, boef, ook: licht bewapende soldaat


brigandage = dieverij, roverij


brigandine = borstharnas


brigant = zie brigand


brijeeren = bewerking van lakenstof


brijman = betaalmiddel, zilveren munt geslagen te Tricht, waarde onbekend


brijmannen = zie brijman


brijn = pekel


brijselet = zie braselet


briman = zie brijman


brincsprake = behandeling van een zaak op de brink, meestal een plechtige behandeling


briqueterie = steenbakkerij


brochage = met goud , zilver of zijdedraad bestikken


broche = (braad)spit


broché = geweven stof, brokaat


brocheur = brokaat- wever, weefster


brocheuse = zie brocheur


brodecnecht = inwonende knecht of bediende


brodeuse = borduurster


brodich = die bij iemand inwoont en in de kost is


broeck = moeras, drassig land, ook: land dat jaarlijks onderloopt en begraast kan worden


broeckage = weiden, beemden


broeckighen (in iet) = zie brokigen


broeckilie = korte broek


broederdeel = het uit een erfenis aan een broer toekomend deel


broedersone = neef


broek = zie broeck


broeke = zie broke


broeken inne gelegenzijn (daar...) = waarmee het betalen van broken (geldboeten) gemoeid is


broeken sliten = bij vonnis geldboeten uitspreken


broekich vinden (enen) = iemand bij vonnis aan een misdaad schuldig verklaren


broekland = weiland


broeteter = kostganger


broetjong = broodmes zonder scherpe punt


broetzaet = gemalen koren waar brood van werd gebakken


broikaftich = zie broocaftich


broike = zie broke


broitgesinde = huispersoneel, bedienden


broke = een handeling, waardoor de rechtsorde, de "vrede" gebroken wordt


brokelic = strafbaar, schuldig aan strafbaar feit


broken = inbreuk maken op de rechtsorde, strafrechtelijke overtreding


brokenn = geldstraffen


brokigen (in iet) = een wet door een misdaad overtreden


brongräber = putten-bronnengraver


broocaftich = schuldig aan een broke (vergrijp)


broocedich = meinedig


broocmeester = boetmeester belast met straffen van vergrijpen en het innen van de boete, ook: ceremoniemeester


broodtbidder = bedelaar


broodzetting = de prijs en het gewicht van brood zoals dat door het Rijnlandse bestuur werd vastgesteld omstreeks 1800


broot = bidden, bedelen


brootbagaert = lekenbroeder die met bedelen zijn brood verdient


brootbedelaer = zie brootbidder


brootbidder = bedelaar


brootcoren = tarwe


brootse = breekijzer


brootstal = broodkraam op de markt


brootsusterhuus = oude vrouwenhuis

 

broussaille = struikgewas, struiken, kreupelhout


broussailleux = met struikgewas bedekt


Brouwari portus = Brouwershaven

 

bru = schoondochter


bruchstein-schneider = steenhouwer


bruek = vergrijp, misdrijf


brueke = zie broke


brueken = zie broken

bruel = beemd, weide


bruetkijste = bruidskist, kist met de uitzet van de bruid


Brug = zie Brugae


Brugae = Brugge


Brugis = zie Brugae


bruiden = beslapen, maar ook: verkrachten


bruidje = bedoeld wordt een communicantje wiens tooisel geleek op dat van een bruid


bruier = plaaggeest, duivel


bruijckt = door gebruikt door


bruikweer = hofstede, pachthoeve


bruin = heraldiek teken, kleur bruin, aangeven door verticaal gekruiste arcering


bruitwech = mestweg


brum. = afk. brumaire, nevelmaand


brumaire = oktober, nevelmaand


brunet = fijne donkerkleurige stof


brusque = stuurs, bars, haastig


brußtag = woensdag voor de laatste drie-eenheidzondag


brustschneider = korsettenmaker


brutaal = onbeschoft, beestachtig


bruucware = het in gebruik hebben van gebouwen, stallen etc. maar niet in eigendom, ook: de levende
have waarmee het landbouwbedrijf werkt


bruucwere = het bezit van een vastgoed als gebruiker


Bruvenhavia = Zie Brouwari portus


bruwet = tweewielig landbouw kar met klein extra wiel


bruwette = vervoeren


Bruxellae = Brussel


bruxellensis = van Brussel


Bruxellis = zie Bruxellae


bruycker = gebruiker


bruyken = zie: broken


bruynswert = pikzwart


brycksteen = baksteen


BS = afk. burgerlijke stand


bubulcularius = zie bubulcus


bubulcus = koeherder, ossendrijver, ossenhoeder


buccinator = hoornblazer, trompetblazer


bûcher = brandstapel


bûcheron = houthakker


bucinator = zie buccinator


budel = beul


budelkist = zie buidelkist


buele = verwante


buer = een bewoner van het platte land


buerman = rechtsprekende in het burengerecht


buerrecht = de rechtspraak van de buren


buersprake = vergadering van de gehele burgerij


buffel = beul, scherprechter, wambuis


buffet = rechtbank, rechttafel


buffon = poetsenmaken (grappemaker)


buggerie = ketterij, sodomie


buick ghebroken = huwelijk is ontbonden bijvoorbeeld door overlijden


buidelkist = meelkist


buiingen = beschoeiing


buijeren = burgers


buiklust = vleselijke begeerte


buiskool = witte kool


buitellaartje = inhoudsmaat van botervat, 1 buitelaartje = 1/4 kinnetje = 9,36 kg.


buitendach = buitengewone rechtszitting


buitenijen = het terrein buiten de stadsmuur, dat tot het stedelijk rechtsgebied behoorde


buitenluiden = vreemdelingen


buitennij = voorstad, gehucht


buitensbaans = afgelegen


buk = bok


bulle = brief, ook: pauselijke brief


bullen = met een zegel voorzien, van een zegel voorzien


Bullio(nium) = Bouillon


bulsarius = tassenmaker, geldbuidelmaker


bulster = stromatras, kafmatras

 

bundel, bendel = gewicht, 1 bundel = 3,2 kg


bunder = oppervlaktemaat, 1 bunder is ca. 400-450 vierkante roeden, ook: gezien 2 bunder = 3
morgen


bunderboeck = kadaster, erfregister


bundergelt = grondbelasting


bundichst = bindend, in rechte


bundighsten (te) = zoveel mogelijk in rechten bindend


bunxem = bunzing


Burdigala = Bordeaux


burdonarius = lastdierendrijver


burg = zie burge


burge = borgen, borg


bûrgemeister = burgemeester van de gemeente


burgensis(-is) = burger


burgeren = dringen, dwingen, voorwenden, aandringen, op aanstaan


burgerlijk huwelijk = zonder godsdienstplechtigheden huwen


burgerlijke begrafenis = begrafenis zonder kerkelijke plechtigheden
burgerpachters  = zie: grasburgers


burgerrecht = recht uit het burgerschap voortvloeiend


burgerscap = het burgerschap


burggravius = burggravin


burgrave = burggraaf


bursarius = beurzenmaker, leerbewerker, tassenmaker, zadelmaker, kassier, ontvanger, beursstudent


busboom = taxus


büschenmacher = geweermaker, geweersmid


buscloot = kanonskogel, loden of stenen kogel


Buscum Ducis = ’s Hertogenbosch


busecole = buiskool


busgat = schietgat


busken = bosje


busmeyster = van een gilde de kashouder van een gilde


bust rapes = grafschender


butenborger = burger, die buiten den stadsmuur woont


butenpoorterscep = burgerschap van persoon die buiten de stadsmuur woont


buticularis = schenker

butseel = wijnzak


butterpanties = boterpan


buucevel = dysenterie, diarree


buurbrief = brief waarin iemand erkent wordt als buur, meestal

inhoudend de rechten opgesteld voor of door de "buur" voor de buren

buurclocke = dorpsklok of gemeente klok, meestal niet in de kerktoren


buurgerucht = oproeping van de buren in geval van nood of

gevaar buurschap gemeente, dorp, kerspel, buurtschap


buurwilcore = vonnis of besluit van het burengerecht


buysjager = assistent boevenvanger (fries)


bygerde = begeerde


byhach = behagen


byleven = believen


bysitter = eigenaar, bezitter, ook: assistent rechter