Genealogische woorden beginnend met C

C
C = afk. 100


c = afk. canonicus, kanunnik


c = afk. Cité le, de stad


c = afk. compte, rekening


C of c = afk. centime, 1/100


c.a. = afk. Cum annexis, met dat gene wat er aan vastgeknoopt is, wat er bij behoord


c.c. = afk. compte courante, rekening courant


c.o. = afk. compte ouvert, geopende rekening


c.s. = afk. Cum sociis, met zijn medestander


c.s. = afk. cum suis, met de zijne


ca. = afk. ongeveer, circa


caban = korte wollen jas


cabaret = meubeltje met likeurstel spijshuis, eethuis


cabarettier = herbergier, restaurateur, café baas


cabinet = geheimschat, juweelkamer


caboche = kopspijker


cabuiskool = kropkool


cacelanus = kapelaan


cachereau = waarschijnlijk een huishoudboek dat men achter slot en grendel bewaarde


cachet = stempel, zegelstempel, lakstempel, ook gage, honorarium, zegel(afdruk), zegelmerk, lakzegel


cachet de cire = lakzegel


cachetteren = zegelen


cachexia = groene ziekte, tering, tuberculose


cachot = (donkere) gevangeniscel


cachtel = jong veulen


cacubarius = kachelmaker, oventegelzetter


cadastral = kadastraal


cadastraux = kadastraal


cadaver = lijk


cadavéreux = lijkachtig


cadavre = kadaver, (dood) lichaam, lijk, dode


caddewadden = slecht soort leer, niet te gebruiken voor schoenen


cadentie = neergang, ondergang, toeval


cadere ab = kwijtraken


cadet = jongste kind, benjamin


cadette = zie cadet


caduc = neervallig, vergankelijk, bouwvallig, vervallen


caduceator = onderhandelaar, bruggen en wegenbouwer, wegenmaker, stratenmaker


caecelator ferarius = stempelmaker, ijzersnijder


caecelator monetarium = muntstempelmaker


caecelator typorum = lettersnijder


caecus = blind

caef = schoorsteen


caefbalck = draagbalk voor de schoorsteenmantel


caefcleet = rokje aan onderzijde schoorsteendraagbalk


caek schand. = schandpaal


caelator = graveur


caelebs = vrijgezel, ongehuwd, van de ongehuwde man


caelibatus = ongehuwde staat


caelibis = zie caelebs


caelum abiit = zie ecaelum abut


caelum abut = is naar de hemel gegaan


caementarius = metselaar


caer = fuik, maar ook een kam om wol te hekelen


cafcoen = schoorsteen


cafcoene = stookplaats, schouw


cafcoengelt = schoorsteenbelasting


caffa = zeer dunne zijdestof, fluweel


caffamacher = fluweelwever


caffoor = fornuis


cage à poules = kippenmand


caillé = bij kaasbereiding de wrongel


caillebotte = zie caillé


calabas = gevangenis


calaber = kleed met korte mouwen


calaenge = aanroepen


calaingnie = aanspraak op iets, eis, vordering op iets


calamus = fout


calange = aanspraak, eis


calant = vriendelijke prijs 


calcariator = sporenmaker


calcarius = spijkersmid, nagelsmid ook: kalkmaker


calcearius = zie calciarius


calciarius = schoenmaker


calciferrator = hoefsmid


calculatie = berekening


calculus =clegpenning, rekenpenning


caldatorium = stookplaats (in klooster)


calendae = de eerste dag van de maand (op de oud Romeinse) kalender)


calendier = een korte aanwijzing tot wat artikelen van de gemaakte schriftuur van de overlegde stukken


calendis = op de eerste dag van de maand (op de oud Romeinse kalender)


calendrier = almanak, dagrol, maandwijzer, ook: welke artikelen van de opgemaakte stukken overlegd dienen te worden


calenge(e)ren = beklagen, optuigen, betichten


calengier = opeisen, vernaderaar ?, verklaging (aanklacht)


calengieren = verbaliseren, in beslag nemen, arresteren, ook: verkondigen


caletum = Calais


calfateren = lappen, knutselen


calice = miskelk



calicot = ongebleekt katoen


calida febri = door een warme koorts


calidus = warm


califex = kelkenmaker, kannengieter, ook gezien voor schoenmaker


caligarius = soldatenknecht, kousenmaker


Caligator(-is) = laarzen-, schoen- broekenmaker


calliditeit = doortraptheid, loosheid (slimheid)


callifex = laarzenfabrikant


calomniateur = zie calomniatrice


calomniatrice = lasteraar, ster, kwaadspreken


calomniëren = belasteren


calopedarius = houten schoenmaker


calsieder = stratenmaker


calum(p)niare = gerechtelijk protest aantekenen tegen...


calumnia = laster, kwellerij, laster, lastring, schandvlek


calumnie = zie calumnia


calumniëren = lasteren, faamroven


calumpnia = als boven


calumpnieux = wettelijke valse zaak te intenderen (beogen) of voorstellen


calvarius = nagelsmid


camard (la) = magere Hein


cambiator = wisselaar


cambium = wissel, wisseling, ruiling


cambrousse = platteland


cambuse = voorraadkamer, ook: hok, kot, hol, krot


cambusier = bottelier, hofmeester, proviandmeester


cambuys coolen = kropkool


camer (der scepenen) = een vertrek bij de schepenbank, waarheen schepenen zich terugtrokken om zich over het te vellen vonnis te beraden en er over te besluiten ("sliten"), de
plaats derhalve waar (in tegenoverstelling van de schepenbank) de buitengerechtelijke handelingen van de schepenen werden verricht


camera imperialis = rijks kamergericht


camériste = kamermeisje


camerlincgelt = hetgeen de nieuwe leenhouder of leenvolger de heer verschuldigd was, wanneer een leen door overeenkomst of door overlijden in andere handen overging


camervoocht = voogd van wezen, door de schepenen aangesteld


camion = kar, (slepers)wagen


camisole = borstrok, nachtjakje, vestje


cammeraat = spitsbroer, makker


camp = stuk grond


campanarius = klokkenluider, koster


campanile = vrijstaande klokkentoren


campareren = verschijnen


camparitie = het verschijnen in rechte, ook: vergelijk


campen = akkers


campi custos = veldwachter


Campi pars cijns = betaald met veldvruchten

Campi(s) = (te) Kampen


camporum = veldwachter


Campoveria = Veere


campsor = wisselaar


campus = kamp, omheind veld of land


canaal = waterloop, een goot


canaalje = gespuis, het grauw (gepeupel)


canant = edelsteen ook granaatsteen


cancelier = opperschrijver, verzoekmeester


cancellare = doorhalen


cancellarius = kanselier


cancelleren = uitschrappen, doordoen, te niet doen, doorhalen, doorschrappen


cancellery = briefkamer


candeeldach = de dag die volgt op die, waarop men een trouwfeest of huwelijksmaal heeft gegeven


candelarum artifex = kaarsenmaker, kaarsengieter


candidarius = bleker


canefas = grof linnen uit hennep vezels


caniparius = kelner


canite tuba = 4e advent


canner = de pijp uitgaan, doodgaan


canon = verzameling geschriften die tot de bijbel worden gerekend, een regel, richtsnoer, regelmaat


canonicus = kanunnik, wereldlijk, legaal


canoniseren = inwijden, heiligen


cantafusor = kannengieter


cantate = 4e zondag na Pasen


cantatum = gezongen


cantert = komijnenkaas, ook: kanterkaas


canton = kanton, deel van een provincie


cantonnement = inkwartiering


cantonnier = wegwerker


cantonnière = zie cantonnier


cantoor = gesloten kast voor het opbergen van papieren en waardebrieven etc.


cantor(-is) = zanger, voorzanger


cantrifex = tinnegieter


cantrifusor = zie cantrifex


cantsler = kanselier


canzonen = gedichten in liedvorm


capabel = vatbaar, ontvangbaar, bevattelijk, bekwaam om iets uit te voeren


capeline = breedgerande dameshoed


capellani = kapelaan(s), hulpgeestelijke (n)


capellanus = zie capellani


capellonen = zie capellani


capentier = zie carpentarius


capillamentarius = pruikenmaker


capita = hoofdstuk, hoofd


capitaal = hoofdsom, hoofdschuld, ook: daar lijf en goed aan hangt

capitael = waar rente aan vast zit


capitagium = hoofdelijke belasting, hoofdcijns


capitaneus = kapitein


capitaneus equestris = ritmeester


capittel = hoofdstuk, een godshuis


capittel = zie capitulum


capitulatie = verdragstuk, hoofdstuk deling


capituleren = in hoofdstukken verdelen, ook: overgeven na strijd


capitulum = college van geestelijken (kanunniken) dat gezamenlijk de zielzorg in een parochie uitoefent, hoofdstuk van een reglement


capne = afk. capiteine, kapitein


capoen = zie capoes


capoes = muts, hoofddeksel, ook: gezien voorbehoedmiddel van darm


caponator = herbergier


caporal = korporaal


caporaux = zie caporal


capote = mantel met capuchon


cappecay = officier


capproen = hoofddeksel voor een man


caprice = grillen


capricieux = hoofdig, grillig


capsarius = puttenmaker


capt = afk. capitaine, kapitein


capteren = iemand ergens in behalen, begrijpen, verkeerdelijk opnemen


captie = bedrog, vangen met woorden, begrip


captieux = bedrieglijk, begrijpelijk


captiff = gevangen


caput = hoofdstuk


caput adventus = begin van de advent


caput jejunii = begin van de vasten, Aswoensdag


car.gld = afk. caroli gulden


carbonarius = mijnwerker, steenkoolhouwer, kolenbrander


Carcan(-um) = halsijzer voor misdadiger


carcant = collier van goud


carcer = kerker, kerkerkot, gevangenenhuis


carceren = gevangen zetten, kerkeren (in een kerker opsluiten)
cardé = kaardgaren, kaardwollen


cardewaegen = kruiwagen


cardewanier = leerbewerker


carêmede = vasten (tijd)


carere = missen


caretarius = voerman


cargier = inner van belasting op meel


carillonneur = beiaardier


carinne = vriendin


caritas dei = zaterdag na Pinksteren


carme = karmeliet, karmelieter monnik


carmel = karmelietenklooster


carmin = karmijn (rood)


carminarius = kamerheer, thesaurier, financiënbeheerder


carmosijnen bratten = karmozijnkleurige kousen


carnarius = slager


carne = rotwijf


carnifex = beul, scherprechter, vilder, ook: slager, vleeshouwer


carnificis = van de beul, van de scherprechter, vilder, slager, vleeshouwer


carnisprivium = vasten avond, ook de vastentijd


carnisprivium clerico = 7e zondag voor Pasen


carnisprivium vetus = 6e zondag voor Pasen


caroliguldens = goudstuk met de beeltenis van Karel de V. vanaf 1521 betaalmiddel, later ook in zilver uitgevoerd, 20 stuiver = 1 carolis gulden


Caroloregium = Charleroi


carolusguldens = zie caroliguldens


carpentarius = timmerman, wagenmaker


carreën = vierkante vestingtoren


carriole = (lichte) boerenwagen


carruca = kar, wagen


carrucarius = karrentrekker, voerman


carta = oorkonde


carta de hidalgia = adelbrief


cartularium = register van akten


carui ll = zie carere


Carvo = Grave


cas = geval


cas subject = ’t geval waar geschil om is


cas van (in) = in geval van


casa = huis


Casandria = Cadzand


casels = kazuifels, priestergewaad


caseneer = kaasboer


caser = uithuwelijken, trouwen


casier = kaasmaker


casjanten = glasgordijnen


casken = kastje


casque = helm


cassatie = afschaffing


casselrie = ambt, waardigheid of leen van de kastelein, kasteleinsvrouw


casseren = afschaffen, te niet doen, uitdoen, uitmaken


castelain = uitbater van andermans hofstede


castelein = kastelein, slotvoogd, burchtvoogd, burggraaf


casteleine = kasteleines, vrouw van een kastelein


casteleinige = zie casteleine


castellanus = kastelein, die een kasteel beheert voor een eigenaar


castigare = tuchtigen, corrigeren


castigatie = zie castigeren

castigeren = tuchtigen , kastijden


castratie = (ontmannen), castreren


castrator = vee besnijder, castreerder


castrensis = kasteelheer


castreren = afsnijden, uittrekken


casu necessitas = in het noodzakelijke geval, een noodzakelijk geval


casu quo = in welk geval


casualia = kerkelijk gebeuren


casueel - bij geval, toevallig


cataracta Gandavensis = Sas van Gent


catarrhus = zinking , ook gezien neusverkoudheid, darmontsteking


catechismus = overzicht van de christelijke leer in vragen en antwoorden


cathaloge = naamtafel, naamceel


cathedra = stoel, gestoelte


catheijl = roerend-goed


catholicus = katholiek


catholijk = rechtsinnig

 

catoenen = dassies katoenen das


catologus confimatorum = naamlijst van de gevormden


catopticus = spiegelmaker


cattijf = rampzalig


Cattorum Vicus = Katwijk


cauchier = stratenmaker


caucidicus = advocaat

 

caue. = afk. cause, (rechts)zaak


caulcer = breuwer, werkman die de naden in een scheepshuid dichtmaakt met pek en touw


cauon. = afk, caution, borg(tocht), waarborg(som), garantie
caupo = waard, herbergier, brouwmeester


caupona = herberg, kroeg, drinkhuis


causa = oorzaak, reden, bewijs


causa civilis = burgerlijke rechtszaak


causa mortis = doodsoorzaak


causa uxoris = uithoofde van het huwelijk


causelaken = zie couchelaken


causeren = veroorzaken, beschuldigen, voortbrengen


causidicus = advocaat


cautele = voorzichtigheid, voorbedachtheid


cauteleus = voorzien


cauter = zie couter


cautère = brandijzer


cautie = borgstelling, borgtocht


Cautie = borgtocht onderpand, zekerheid


cautie de judicio sisti = borg om ten allen tijden in recht te verschijnen


cautie judicatum solvi = borg om het gewijsde te voldoen


cautie juratoir = borgtocht, de belofte bij eed van het gewijsde te voldoen, en zijn persoon, of goederen niet te versteken, of te vervreemden

 
cautie pro litium expensis = waarborg voor de kosten van het proces


cautio = borgtocht, waarborgsom


cautio damni insectie = verzekering van geen schade aan te doen


cautio de demoliendo = verzekering van een timmerwerk te leveren


cautio de dolo = verzekering van niet ter kwader trouw te handelen


cautio de non offendendo = verzekering van de gedreigde niet te beschadigen


cautio desensum iri = verzekering van verantwoording te doen


cautio legatorum = verzekering van betaling van het gemaakte


cautio rem ratam haberi = verzekering van gestand doen


cautio rem salvam fore pupillo = verzekering dat een voogd zijn wezen onbeschadigd (beschermen) houd


cautio restituendo = verzekering van weer te leveren


cautio sufficiens = genoegzame verzekering


caution = zie cautie


cautionaris = borg, borgsteller


cavalje = bouwvallig huis


caveau = grafkelder


caveldijck = deling- of afscheidingdijk


cavelinge = begroting, taxatie


caven = begroten


cavere = behoedzaam, voorzichtig zijn


cavere de rato - borgstellen voor een medestanders aandeel bij een veroordeling


caveren = een borgsom storten, borgstellen, wachten, verhoeden, borg blijven, zeker doen, verborgen


caveren de rato = borg blijven voor een ander die principaal schuldenaar is, zo lang tot dat hij de borg zelf aanneemt en van waarden houd ’t gene de borg heeft gedaan, of anders blijft de borg als principaal verbonden


caverende = zorgen voor


cavillatie kaklerije = (opschepperij), knibbeling, haarkloverij


cavilleren = strijden


cavinge = zie: cavelinge


cede(e)ren = cederen, overgeven, afstand doen, wijken


cedere = overdragen


çedille = overgeven van goederen, afstand


çedio bonorum = boedelafstand


çedionant = die al zijn goed aan zijn crediteuren overgeeft


çedionaris = zie çedionant


cedul = rekening, recept


cedulen deen uten anderen ghesneden = een akte, in duplo op één vel papier geschreven, waartussen met grote letters
een woord (gewoonlijk het woord "cyrographum") geplaatst wordt: het papier wordt daarna bij het woord doorgesneden en iedere partij krijgt een exemplaar der akte , bij verschil over de echtheid van het afschrift moeten dan de beide stukken aan elkander gepast worden en de doorgesneden letters van het woord


’cyrographum’ = een geheel vormen


cedulle = schuldbrief, handschrift


ceedule = akte, schuldbekentenis


ceel = rekening


ceindre = omgorden, omwikkelen


cekreet = w.c. hokje


celebrare = vieren


célébration d’un mariage = huwelijksinzegening

celebratus = gevierd


celebravi = ik heb gevierd


celebre(e)ren = vieren, gedachtenis ergens van houden


celebreeren = akte verlijden bij de notaris, bekend maken, dienen, eren


celebs, coelebs = ongehuwd


celeriteit = haastigheid, snelheid


cellarium = kelder


cellarius = kelder -of keukenmeester


celle = kloosterkamertje


cementarius = metselaar


cemeteric = op het kerkhof


cena domini = donderdag voor Pasen, laatste avondmaal


cénacle = avondmaalszaal


cenakel = zie cenacle


cenbum = Gennep


cendre = stoffelijk overschot


cène = laatste Avondmaal


cenotaaf = monument, graftombe zonder lijk omdat het nooit terug gevonden is, gedenkteken voor onbekende soldaat


cens = schatting


censeur = censuurambtenaar


censo = zie censeur


censuarius = erfpachter


censurabel = belastingplichtig


censure = bestraffing, toets


censure(e)ren = bestraffen, toetsen


census = belasting, rente, cijns, cijnsrecht


census hereditatius = erfpacht


census inclusus est de cijns = is inbegrepen


census vicinorum gebuurcijns = gezamelijke belasting


centarius = honderdjarige


centaurée bleuet = korenbloem


centenaar = gewicht,1 centenaar = 100 pond, ca 49,5 kg, na 1820 de niet officiële naam voor 100 kg.


centenaire = honderdjarig


centenarius = honderdjarige


centener = honderd pond


centesimus = honderdste


centisimo = op zijn honderdste, in het honderdste jaar


centum = honderd


centuria = compagnie


centurio = ritmeester, kapitein, bevelhebber over honderd man


centurio equestris = ritmeester, cavaleriekaptein


cep = ploegboom


céramiste = pottenbakker


cerarius = fabrikant van was


cerchers = tolbeambten, douaniers


cercueil = doodkist, ook: fig. lijkkist

cerdo(-nis) = schoenmaker, leerlooier, handwerksman


cereficarius = waskaarsenmaker


cerevisiarius = brouwer, bierschenker


cerne(e)ren = zien, onderscheiden, ziften, insluiten, omsingelen


certe partye = een contract van bevrachting


certe(e)ren = wedstrijden, wedden


certera desunt = de rest ontbreekt


certificat de bonne vie et certificatie = verzekerd


certificatie = verklaarbrief, verzekering, getuigenis


certifice(e)ren = getuige in rechte, voor de waarheid verklaren
certifieren verzekeren


certijn = betrouwbaar


certus = zeker


cervillarius = helmmaker, helmsmid


ces = failliet verklaren


cesse(e)ren = staken, ophouden, eindigen


cessi(e) = wijken, overdragen


cession bonorum = afstand doen van goederen, brieven om boedelafstand te mogen doen


cessionaris = verkrijger van de rechten


cessum = wijken, overdragen


cetera = de rest, de overige dingen


ceterus = andere, overig


ceulse croegen = Keulse kruiken


ceurnoten = schepenen of dorpsfunctionarissen in Oost-Nederland


cg. = afk. cousin germain, volle neef


chaerotjen = zalfdoosje


chaînette = kettinkje


chais = rijtuig


chaise = koets, sjees


chal. = afk. cheval, paard


chalcographus = graveur, plaatsnijder


chambre ardante = rouwkamer, kamer waarin een door brandende waskaarsen omringde lijkkist staat


chameau = rotwijf, klerewijf, kreng


chammerande = lijstwerk, schilderijlijst

 

champ = veld, weide, akker, terrein, gebied


champ de foire = kermis, marktplein


change = verwisseling, ruiling


changeeren = wisselen, verruilen


chanoine = kanunnik


chap. = afk. chapitre, hoofdstuk, (dom)kapittel


chapelain = (huis)kapelaan


chapelier = hoedenmaker, maakster


chapelière = zie chapelier


chapelle = kapel, ook geestelijken van een kapel, kerkkoor


chapelle ardante = de door talrijke brandende kaarsen met vurige gloed verlichte kapel, waar het lichaam van de overledene opgebaard staat, rouwkapel


chapitre = kapittel, college van geestelijken dat gezamenlijk de zielzorg in een parochie uitoefent, hoofdstuk van een reglement


char funèbre = lijkkoets


char. = afk. charretier, voerman


character = merkteken, kenteken van een gezant


charbonneux = miltvuur


chargeeren = aanvallen, belasten

 

chargement = verandering


Chargeren = belasten, opdragen


chargie = aanval, last ambt


charletan = kwakzalver


charmeeren = betoveren, verlokken


charpentier = timmerman


charretier = voerman


charron = wagenmaker


charta = papier, blad perkament dat ter bekrachtiging is voorzien van een zegel


chartabel = meedogend, goed gevend


chartarius = papiermaker


charter = oorkonde


chartre= elk officieelstuk, verklaring, ambtelijk stuk, overeenkomst bevattend


châsse = (reliek)schrijn, relikwieënkast


chatelaine = ketting, lint of band door vrouwen om het lichaam gedragen en waaraansleutels e.d. gehangen werden, zo genoemd omdat burchtvrouwen veelal een dergelijk apparaat plachten te dragen


chatellenie = castelrie


Chattorum Vicus = Katwijk


chaufour = kalkoven


chcun. = afk. chacun, ieder, elk


chelista = vioolspeler


chemineye = schoorsteen


chercer inner = van belasting op meel


chercher = zie cerchers


chiering = verkoop bij opbod aan de meest biedende


chiffres Romains = Romeinse cijfers


chijn = belasting, schatting, pacht, rente


chijns = zie chijn


chijnsboec = boek waarin alle pachten, renten en belastingen zijn opgetekend


chijnsgoet = belastingplichtige goederen


Chilonium = Kiel (Duitsland)


chimaera = heraldiek teken, heeft gezicht, en borsten van een vrouw, voor- en achterpoten van een leeuw, lichaam van een geit en staart van een slang


chimere = verdichtsel, leugen, verzinsel, mythe


chirhographum = een handschrift


chirographe = een met zijn handschrift ondertekende oorkonde, meestal 2x geschreven voorzien van een tussenruimte, waar het woord ’chirographe’ is vermeld, beide partijen kregen een deel van de doorgesneden oorkonde


chiromatie = hand -leeskunde


chirothecarius = handschoenmaker

chirurgien = dokter, wonden hersteller, ook: de barbier in de dorpen en kleine plaatsen


chirurgijn = zie chirurgien


chirurgus = zie chirurgien


chn. = afk. charron, wagenmaker


choefoer = komfoor


choor = koorgedeelte in kerk


choralis = koorknaap


christ = Christusbeeld


christiane = op christelijke wijze


christianus = christelijk


chronike = kroniek


chronologie = tijdrekening


churz = keurvorst


chymiather = alchimist


chyrotecarius = zie chirothecarius


ciborie = heraldiek teken, miskelk


cicaneur warevogel = schrobber, haarklover, muggenzifter


cig. = afk. cousin issu de germain


cijns = belasting, schatting, rente


cijnsdach = betaaldag


cijnser = belastingplichtige


cijnsgoed = goederen of diensten waarvoor belasting betaald moest worden


cijnsmeester = ontvanger van de belastingen


cijnsrente = erfpacht


cimetière = begraafplaats, kerkhof


cimiterium = zie cimetière


cinerum = Aswoensdag


cingler = striemen, geselen, slaan


cingularius = riemenmaker


cinopel = heraldiekkleur, vermiljoen


cinoper = zie cinopel


cinq = vijf(de)


cinqte = afk. cinquante, vijftig(ste)


cinquante = vijftig(ste)


cintré = gebogen, gewelfd


cinxavont = dag voor Pinksteren


cipier = gevangenenhoeder (gevangenisbewaarder), stokbewaarder = gevangenisbewaarder), stokwachter


circa = ongeveer, omstreeks


circa ... vespertinan = omstreeks ...uur in de avond


circa cingquam matutinam = omstreeks vijf uur in de nacht


circa decimam antemeridianam = tien uur ’s ochtends


circa decimam matutinam = omstreeks 10 uur in de morgen


circa duodecimam diurnam = omstreeks 12 uur in de middag


circa duodecimam nocturnam = omstreeks middernacht


circa meridiem = omstreeks 12 uur ’s middags


circa vesperam = omstreeks de avond

circoncire = besnijden


circonscrire = afbakenen


circonscrire une propriété = afgebakend eigendom


circulator = landloper, ook: venter, marskramer


circumcerentie = circuit, ommegang, omtrek, omloop


circumcisie = besnijding


Circumcisio = Besnijdenis (1 januari)


Circumcisio Domini = Besnijdenis des Heren (6 januari)


Circumdederunt = 9e zondag voor Pasen


circumduce(e)ren = misleiden, bedriegen


circumlocutie = een breedsprakige, een bewimpelde spraak, omschrijving in woorden


circumspect = voorzichtig, omziende


circumspiciëre = heromzien


circumstantie = omstandigheid, gelegenheid van de zaak, omstandigheden


circumveniëren = bedriegen, misleiden, verstrikken


circumventie = bedrog, verstrikking


cire = (zegel)lak


cire à cacheter = zie cire


ciseleur = ciseleur, ciseleerder, graveur


cistarius = kistenmaker


cisterne = waterput, regen opvang put

 

Citadin(e) = stedeling(e)


citatie = oproeping, daging, dagvaarding


citatie edictaal = oproeping, daging bij edict


citatie personel = oproeping (daging) in persoon


citatie reëel = daging bij aantasting 


citatie verbaal = oproeping bij monde, mondelinge oproeping


citation = zie citatie


cité = afgesloten stadsdeel


citeren = voor de wet dagen, dagvaarden, in rechten betrekken, dagen, aanhalen


citerne = regenput, ton


cito = snel, spoedig


citoyen = burger


citoyenne = zie citoyen


citrulle = watermeloen


civiele gijzeling (in) = in voorarrest, wel met bepaalde vrijheden


civijl = burgerlijk


civil = beleeft, heus, burgerlijk, burgerlijk


civile sa(a)ke = waar lijf nog bloed aan hangt, wereldlijke zaken, ook: een zaak die bloed nog lijf raakt

 

civilement = zie civil


civilen regter = wereldlijk rechter


civilis = zie civil


civiliteit = burgerschap, beleefdheid


civis. = afk. Civ. burger


civissa = burgeres


civitas = stad


civitatis = zie Civitas


clabaudeur = roddelaar(ster), kwaadspreker


clabaudeuse = zie clabaudeur


clacmerse = klatergoud


claescoeke = sinterklaaskoek, (peperkoek, taaitaai?)


claeuwaert = heraldiek teken, klimmende leeuw


clagebaer = een zeer zware verwonding waarover alleen in de hoge vierschaar mocht worden geklaagd


clagere = aanklager, verzoeker


clairon = klaroenblazer, trompetter


clame(e)ren = roepen, krijten, schreeuwen, huilen


clampser = de pijp uitgaan


clamser = zie clampser


clan = stam, geslacht, sibbe


clanculo = in het geheim


clandestin = heimelijk


claquette = scharminkel van een rijpaard


clarissimus = zeer vermaard


classis = vergadering van kerkelijke personen, bende, scheepsvloot


clauculo = in het geheim


claudere = (af)sluiten


claudus = kreupel, mank, lam


clausi = (af)sluiten


clausle = van arrest besluit van bezetting


claustrarius = poortwachter, huisbewaker, slotenmaker


clausul approbatoir = besluit, waar bij voor goed gekend word


clausulae = Sluis


clausule = slot, besluit, grondreden, bijvoegsel


clausule condicillaris = bijvoegsel van een volkomen uiterste wil, Iets dat men in de uiterste wil doet stellen om zo ze kracht van een volkomen kan hebben, dat ze ten minste als een onvolkomen uiterste wil mag bestaan


clausule derogatoir = een betuiging in de uiterste wil, waarmee de opsteller betuigd geen andere uiterste wil bij hem naderhand te zullen verlijden, dan met de herhaling van bepaalde woorden uit het eerste gesteld


clausule edictaal = besluit voor buitenlandse dagvaarding, hierdoor kan de deurwaarder in het buitenland dagvaarden


clausule paenaal = besluit van straf


clausule reservatoir = besluit, waarbij de macht wordt gehouden, waarbij de testateur de macht aan zich zelf houd om enige veranderingen in zijn testament alleen onder zijn
handtekening te mogen maken


clausule salutaire = een voordelig bijvoegsel


clausule suspensiva = zie clausule van inhibitie


clausule van authorisatie = slotreden van machtiging, waardoor een deurwaarden wordt gemachtigd de
bevelen van het hof direct uit te werken


clausule van inhibitie = verbod jegens de executie het welk een ordinaris clausul is in een mandament
in cas d’appel, opschoning van de uitwerking van een gewijsde vonnis


clausum = zie clausi


clausum paschae = 1e zondag na Pasen


clausurmacher = hersteller van boeksloten, kleinenslotenmaker

clausus = gesloten


clauwaert = heraldiek teken, klimmende leeuw


claviger = sleutelbewaarder, rentmeester


cleederen = kleren


cleenoede = snuisterijen


cleerbesem = klerenborstel


cleermaecker = kleermaker


cleijn inportantie = van geringe waarde


cleinbroot = fijn brood, mogelijk een soort gebak


cleine = leem, klei


cleinmolen = molen om klei of leem te malen voor bouwstof


cleinoden = versieringen, voor kleding


cleipoel = winplaats van klei en leem


clementie = zachtmoedigheid


clercsijn = misdienaar


clericus =- geestelijke, geleerde, student, klerk


clericus scabinorum = schepenklerk


clerkehuis = fraterhuis


Cleva = Kleef, te Kleef


Clevæ = zie Cleva


cleyachtyghe aerde = kleiachtige aarde, leem


clibanarius = ovengieter, bakker, ovenmetselaar


cliëns schutgenood = (beschermheer), leenman


clienteele = bescherming


clientele = bescherming


clijt = zie cleine


clite = klei


clivensis = van Kleef


cloacarius = beerput afvoerder, privaatreiniger


cloaque = drekput


clocher = parochie, gemeente, dorp


clockensolder = vloer in de toren waar de klokken staan opgesteld


clockere = klokkenluider


clocqslach = (wonende onder de) wonende in de nabijheid van de torenklok


cloete = bol op een stok, de appel op een zwaard


cloître = klooster


cloppen = de klok luiden


cloppere = koperslager


clopslach = bij openbare verkoping de hamerslag van toewijzing


cluasule justificator clueghene = meerdere, andere


Clusa = Sluis


clusa = zie clausulae


clusor = smid, ook gezien juweelzetter, graveur


cm. = afk. contract de mariage, huwelijkse voorwaarden


cmmr. = afk. Commandeur, Commandeur, bevelvoerder


cnaepvaruwer = leerling in het lakenverversgilde


cnape = gewapend dienaar

cnectschole = jongensschool


cneder = bakker


cnokenhouwer = slager, vleeshouwer


cnollerie = brouwerij van dunnebier (een soort slechtbier)

 

cnopen = knopen clausule reservatoir


co. = afk. compagnon, echtgenoot, partner


coaccusé = medebeklaagde


coaccusée = zie coaccusé


coactie = dwang


coadjutor = medehelper


coche = reis- , postkoets


cocher = koetsier, voerman


cocotte = gietijzeren stoofpan


coctor = bierbrouwer


cocus = kok


codde = knots, knuppel


code civil = burgerlijk


codex = handschrift


codicil = een soort van uiterste wil, zonder erven, of te onterven, testament, wilsbeschikking buiten testament


codicilaire dispositie = laatste wilsbeschikking, buiten testament


coeganc = weiland, groot ca ½ morgen


coegelt = belastinggeld om een koe op de gemeenschappelijke veeweide te mogen laten grazen


coelebs = ongehuwd, vrijgezel


coelibates = ongehuwde staat


coemeterium = kerkhof


Coena Domini = Witte Donderdag


coërceren = dwingen


coere = keur, handvest


coerhuus = wachttoren


coermoten = bijzitters


coers = loop, gebruik


coeschattinge = belasting naar het aantal koeien


coesmule = koeienkop


coetus = vergadering van predikanten


coeyemeester = dierenarts speciaal voor runderen


coffer = koffer met gewelfd deksel, ook: doodskist


coffijmolen = koffiemolen


coge = besmettelijke ziekte, vermoedelijk de pest


cogele = mantel met kap, ook: stok voorzien van een ronde kop uiteinde


cognaten = alle afstammelingen in mannelijke en vrouwelijke lijn van bepaalde stamouders


cognati remotiores = verre bloedverwanten


cognatio = bloedverwantschap (van moederszijde)


cognationis = zie cognatio


cognatus = verwant, bloedverwant uit de vrouwelijke lijn


cognitus(-a) = verwant, verwante


cognmen = familienaam

cognoscement = kennis, getuigschrift


cognosceren = bekennen, erkennen


cohabitatio = bijslaap, gemeenschap hebben


cohereditas = mee erven


cohéritier = mede-erfgenaam, gename


cohibe(e)ren = bedwingen


cohier schatceel =  blaffard, register


coiuges = de echtgenotes, gehuwden


cokenboec = afrekenboek voor de keukenmeester of cokenscriver


cokenmaerte =  keukenmeid


cokenmaget = zie cokenmaerte


colationeren = gelijkmaken


colde = oude


colebs = bastaard kind


Colen = Keulen


colier = ijzeren halskraag


coll. = afk. colonel, kolonel


collata concordat = komt overeen met het origineel


collateraal = zijdeling, rijdeling maagschap

 

collaterale = erfgenamen erfgenamen in de zijlinie


collaterale successie = erfenis die op een zijtak overgaat


collateralen = zijdelingse bloedverwanten


collateralis = in de zijlinie (bij verwantschap), in de zijlijn, echtgenote


collateur = die iets geeft


collatie = het recht van benoeming geestelijke, ook vergelijking van geschriften met de oorspronkelijke tekst, ook samenvatting, vergelijking, bijpassing


collatieon(e)eren = gelijkmaken van geschriften met de oorspronkelijke tekst


collatierecht = het recht van benoeming van een predikant


collatio = benoeming toewijzing


collationeren = het samen brengen, vergelijken


collationis = zie collatio


collatum = toewijzen


collecte = kort gebed bij de aanvang en het einde van de mis


collecteur = inner, verzamelaar, gaarder


collectie = verzameling, verpachting, vergadering


collector = belastinginner, ontvanger van de belastingen


collega = ambtgesel, ambtgenoot


collegiale kerk = een kerk die door een kapittel van Kanunniken wordt bediend


collegie = bijeenkomst, gilde, geselschap


collegii = seminarie


colligeeren = samenvoegen, verzamelen, concluderen


colligeren = verzamelen, vergaderen


colloratierecht = het recht om een kandidaat voor te stellen bij de benoeming van bijvoorbeeld een pastoor


colluderen = het samen bedenkelijk handelen, in geheime verstandhouding staan


colluerde hosen = korte kousen


collusie = heimelijk verstand, bedrog, geheime bedrieglijke verstandhouding

collusie = heimelijke verstandhouding met iemand om een ander te benadelen, samenspannen


colombier = duivenhuis, duivenhok ook: ouderhuis, ouderlijk huis


colonia = pachthoeve


Colonia Agrippina = Keulen


Colonia Agrippinensium = zie Colonia Agrippina


coloniensis = van Keulen, Keuls


colonus = (kleine)boer, keuterboer, pachter


colorateur = schilder


combat = gevecht


combustie = verbranden, brandwond, verbrand zijn 


come. = afk. comme, net als, evenals, (zo)als, als het ware


comes palatinus = paltsgraaf


comes(-mitis) = graaf


comitatu = in het gezelschap van


comitatus hornani = van het graafschap Horn


comitatus vittemiensi = van het graafschap Wittem


comitatus(-us) = graafschap, gezelschap


comitis = graaf


comitissa = gravin


commater = peettante, meter


commemoratie = een gedachtenis


commémoratif = ter nagedachtenis


commemoratio animarum = herdenking van alle overleden zielen, 2 november


commemore(e)ren = herdenken, herhalen, vertellen
commendatie = gebed voor de stervende of overledene ter opname bij de Goddelijke voorzienigheid


commendator = commandeur


commende(e)ren = prijzen


commensaal = disgenoot, tafelgast


commentarie = verklaring, uitlegging


commente(e)ren = verklaren


commerans = verblijvend, wonend


commerantis = zie commerans


commercie = koophandel, verhandeling


commergelt = kosten voor een gerechtelijk beslag


commerloos = gratis, zonder kosten, onbelast


commidieux = geriefelijk, gemakkelijk


commigre(e)ren = verhuizen, zich nederzetten


commijs = bevelhebber


commine(e)ren = dreigen


commis = zie commijs


commisceren = vermengen


commiseratie = erbarming, deernis, medelijden


commisere(e)ren = erbarmen, deernis hebben


commissarius = belastingoplegger


commisseren = zie commisceren


commissie = bevel, macht, last

commissio = opdracht, toestemming
commissione pastoris = in opdracht, met toestemming van de pastoor


commissioneur = boodschapper


commitie = landdag, rijkdag


committe(e)ren = iemand te werk stellen, bevel geven, misdoen, zondigen, bevelen, macht geven, toestaan, last geven, afvaardigen, delegeren


committeerde = bevelhebbers, gemachtigde


committent = lastgever, bevelgever


committimus = volle macht, is de last van de opperrechter, aan een lagere om kennis van een zaak te nemen


commodatie = lening


commoditeit = gemak, gelegenheid, gerief


commonitie = vermaning, waarschuwing


commorans apud = verblijven bij


commorare = verblijven


commorari = verblijven, wonen


commotie = beroerte, beroering


commove(e)ren = bewegen, roeren, verroeren, beroeren


commssre afk. = Commissaire, commissaris


commune = gemeente


communicanten = deelnemers aan het avondmaal


Communicanten register = register van communicanten (deelnemers aan het avondmaal)


communicatie = verwisseling, mededeling, berading, gemeenschap


communice(e)ren = ter kennis brengen, mededelen
communie gemeenschap


communio = communie


communio bonorum = gemeenschap van goederen


communis = gemeenschappelijk, gewoon


communis aqua = gemeenschappelijk water


communis plaetsa = openbare plaats, -gebied


communis platea = openbare weg


communis septimana = de week na St. Michaelisdag (29 september)


communitas = gemeentegronden, gemeente


communitatis = zie communitas


commutatie = verwisseling


commutativa = vergeldende


commutator = wisselaar


commute(e)ren = mangelen,ontbreken, wisselen, veranderen


comp. = afk. compagnie, gezelschap, groep -personen, -militairen


compact = verdrag, verding, verbond


compagnie = gemeenschap, maatschap, vergadering


comparacie = gelijkenis


comparare = verschijnen, kopen


comparatie = vergelijking


compare(e)ren = verschijnen, zich vertonen


compareerden = zie compareren


compareren = verschijnen voor het gerecht komen, ook gelijkenis vertonen


comparerende = verschijnen voor een schepen (en), notaris of rechter


comparicij = vergadering, bijeenkomst


comparitie = bijeenkomst, vergadering


comparuit = als iemand een ander in een rechtzaak betrekt, en zelf niet verschijnt, dan verkrijgt de gedaagde verlof van het hof, en condemnatie (veroordeling) van de kosten door hem gemaakt, ten laste van de aanlegger te brengen


comparus = verschenen (voor de ambtenaar bij aangeven overlijden)


compas = passer


compassi = medelijden, mededogen, deernis


compassio Mariae = vanaf 1727 de vrijdag voor goede vrijdag


compater = peetvader, peter, peetoom


compatibel = medelijden, gedoogd, ergens wel mede overeenkomend


compelle(e)ren = toedrijven, aandringen, aanklagen, aanspreken, dwingen


compendieux(s) = beknopt, kort


compensatie = vergelijking, vergelding, als men het een tegen het ander afweegt


compense(e)ren = het een tegen het ander afwegen of weergeven, de ene schuld met de andere vergelijken


compete(e)ren = behoren, aangaan, schuldig zijn, toebehoren
competens in domo area, horto ac hereditatibus = toekomend in een huis, erf, tuin en de erfgoederen


competent = redelijk. ook tot handelen bevoegd, behoorlijk


competente = voldoende


competenten regter = dagelijkse en onderhorigen rechter
competentie behoorlijkheid, onderhorigheid


competeteur = dat men samen met een ander begeerd


competieren = rechtens toekomen

 


competivi = toekomen, toebehoren


compitatio gradum = bereken van de graad van verwantschap


complace(e)ren = believen


complainte = klacht


completorium = het laatste gebed uur in een klooster aan het einde van de dag


complexie = aard, gesteldheid


complice = makker, medepleger van enig kwaad, mededader, medeplichtige


complimenten = eerdienstigheid, dienst-reden, gedienstigheid


complotte(e)ren = het samenstaan, het samenspannen

compone(e)ren = maken


compornus = wat men "te samen" beloofd


comporte(e)ren = gedragen


comportement = handel en wandel, gedrag


compose(e)ren = schikking tot afkoop van straf


compositeur = ontwerper en vastleggers van de minnelijke schikking


compositie = wat men gemaakt heeft, een maaksel


compositor calopodiorum = leestmaker


comprehenderen = in een trekken, begrijpen, bevatten


comprehensie = bevatting, begrijpen


compres = in een gedrongen, geperst


compromis = toezegging, verblijf, belofte

 

compromitte(e)ren = toezeggen, verblijven, overgeven


comptoir = rekenkamer, schrijfkamer, bank, wissel, kantoor


comptoire = secretariaat, schrijfruimte, archief


compulsie = aandrijving, dwang, drang


compulsoir mandement = een bevel tegen geweigerd recht, en geleden overlast, dwangbrief


computare = rekenen


computatie = rekening, toerekening, aanrekening


computeren = toerekenen, aanreken, rekenen


compy = kopie


comtabel = aansprekelijk, schuldig, telbaar


comte = graaf


comté = graafschap


comtesse = gravin


comtoir = van den ontvanger kantoor (te Delft) dat belast was met het centrale beheer van de pastoriegoederen op het platteland van Holland


concederen = verlenen, gunnen, toegeven, toestaan, bewilligen


concedo = toestaan

 

conceptie = ontvangen


conceptio Mariæ = Maria Ontvangenis (8 december)


concere = zie concedo


concerneren = betreffen, aanbehoren


concertatien = strijding, het samenstrijden


concessie = zie concedo


Concessio(nis) = afstand (doen)


concession funéraire = familiegraf


conciëntie = geweten


conciërge = hofwachter, stadhuisbewaarder


concilie = vergadering


conciliëren = bevredigen, verzoenen


concilium = concilie


concilium tridentinum = het Concilie van Trente


conciperen = begrijpen, voornemen


concipiëren = concipiëren, begrijpen, ontwerpen, opnemen


concitoyen = medeburger,-es


concitoyenne = medeburgeres


concludendo = zie concluderen


concluderen = de zaak in rechte aanleggen, besluiten


concluderen in regten = de zaak op alles besluiten, zonder nadien iets meer over te leggen, en op het overlegde recht verzoeken


concluderen, concludendo = een gevolgtrekking maken, besluiten, eendrachtig maken, vaststellen


conclusie = slot, besluit


conclusie in regten = een korte stelling en de grond waarop het proces werd gevoerd


concordantie = overeenstemming, eendrachtigheid


concordare = overeenkomen (met het origineel)


concordat = komt overeen (met het origineel)


concordat collata = is gecollationeerd stemt woordelijk overeen met, stemt overeen met


concordat cum suo originali = afschrift stemt, nadat het is gecollationeerd woordelijk overeen met het origineel
concorderen overeenkomen


concordie = eenstemmigheid, eendracht

concubinage = buitenechtelijke samenleving


concubinatus = samenwonen buiten het huwelijk


concubine = een slaaplief


concubitus anticipatus = gemeenschap voor het huwelijk


concupiscentie = een kwade begeerte


concurrentie = samendeling, mededinging, samenloop, gelijkgerechtigheid van schuldeisers


condamné = veroordeeld


condamner à mort = ter dood veroordelen


condemnare = zie condemnare


condemnatie = verwittigen, ook: veroordeling, vonnissen tot iemands nadeel


condemneren = veroordelen, verwijzen, doemen


condemnieren = veroordelen


condempneren = veroordelen


condenscederen = gezamenlijk overkomen


condependentie = de samenhanging, aanbehoring


condependere = het samenhangen


condescenderen = aftreden, inwilligen, toestaan


condicta = bruid, verloofde


condictie = terugeisen van het geen ten onrechte of te veel betaalt, of gegeven is


condictus = bruidegom


condimentarius = specerijenhandelaar


condiscipel = schoolgezel, medeleerling


conditicio(nis) = voorwaarde, toestand, beroep


conditiën = voorwaarden


conditio = zie conditicio


conditioneel = op voorwaarde


conditioneren = bespreken, voorbedingen


conditus = eerbaar, fatsoenlijk


condoneren = vergeven, toegeven


conducticius = dagloner, huurling

 

conductie = verhuring


conductus paschae = 1e zondag na Pasen


Conductus(us) = geleide


coneil = afk. conseil, raad(geving), advies


conestabularis = politieagent


confector = hersteller


confectum = (op)maken


confedereren = te samen verbinden


conferre = toewijzen


confesseren = bekennen


confesseur = biechtvader


confessie = bekentenis, belijdenis


Confessio(nis) = biecht


confessionael = biechtbrief


confessione et extrema unctione confesso = waarover beide partijen het eens zijn


confessus = (na te hebben) gebiecht, gebiecht

conficiëren = voleinden, ten einde brengen


confidentie = vertrouwen, vrijmoedigheid


confideren = toevertrouwen


confinatie = hechtenis


confinis = aangrenzend


confinium = aangrenzend gebied


confinnande = nieuw aangenomen kerklidmaat


confinnatie = bevestiging van kerk lidmaatschap


confirmandus = zie confinnande


confirmare = zie confirmo


confirmata = zie confirmatus


confirmatae = gevormden


confirmatie = bekrachtiging, ratificatie, versterking, bevestiging


confirmatio = vormsel, verklaring


confirmatorum = van de gevormden


confirmatorum registrum = register van de gevormden


confirmatus = gevormd, persoon die het vormsel heeft ontvangen


confirmeren = bekrachtigen, bevestigen, versterken


confirmo = bevestigen


confiscacie = verbeuren


confisco = in de kas bewaren, iemands vermogen verbeurd verklaren


confisqueren = verbeurd verklaren, aanslaan


confiteren = zie confiteri


confiteri = bekennen, biechten


conflator = ijzergieterijarbeider


Confluentia = Koblenz


confluëren = het samenvloeien, het samenlopen, samenvloeien


confonderen = verwarren, beschaamt maken


conform = gelijk


conformati = zie confirmatae


conformeren = gelijkmaken


conformiteijt = overeenkomst


confortatie = versterking


confrater = spitsbroeder, medebroeder


confrère = collega, ambtgenoot, vakgenoot


confringeren = verbreken


confronteren = de een bij den ander vergelijken, en is eigenlijk als partijen, of getuigen tegen elkander werden gehoord


confugeren = toevlucht nemen


confunderen = kleineren


confutatie = wederlegging


confuteren = weerleggen


confuys = verwart, ontstelt, over hoop, hol over bol


congeneralis = verwant, familielid


congregatie = vergadering


congregatione (in) = in de vergadering


congregeren = verzamelen

congruentie = gevoeglijkheid, overeenstemmin


congruëren = gevoegen, overeenkomen, gelijkvormig zijn


coniecturael = gegeven advies


coniecture = advies


coniectureren = adviseren


coninck = koning


conincklijcke majesteyt = koninklijke Hoogheid


conincsevel = huiduitslag, melaatsheid


conincsilver = benaming voor gewoon zilver, (minder zuiver)


conincxdalers = betaalmiddel, muntsoort


coniu(n)x = echtgenoot, echtgenote


coniucti sunt =  zij zijn getrouwd


coniuctus = getrouwd


coniuga = de echtgenote


coniugae = van de echtgenote


coniugalis = getrouwd


coniugare = in het huwelijk verbinden


coniugatio = huwelijk


coniugatis = zie coniugatio


coniugatores = echtelieden


coniugatus (vr. conjugata) = gehuwd


coniugere = uithuwelijken, ten huwelijk geven


coniuges = echtpaar, van de echtgeno(o)t(e)


coniugialis = huwelijks


coniugis = van de echtgenoot, echtgenote


coniugium = huwelijk


coniugum = van de echtgenoten


coniuncti = gehuwden, echtgenoten


coniunctio = verbintenis, huwelijk, verwantschap


coniungere = verbinden


coniunxi matrimonio = heb ik in het huwelijk verbonden


coniurgatus = getrouwd


coniux = echtgenoot, echtgenote


conj. = afk. conjugalis, wettig, echtelijk


conjoint = echtgenoot, echtgenote


conjointe = zie conjoint


conjuctie = het samenvoegen


conjug. = afk. conjugalis, wettig, echtelijk


conjugalis = wettig, echtelijk


conjugatis = getrouwd


conjuges = echtpaar


conjugium = huwelijk


conjuncte = bevoegde


conjuncti fuerunt (sunt) = zijn getrouwd


conjunctus = gehuwd


conjungeren = het samenvoegen


conjuratie = de samenzwering

conjureren = het samenzweren, bezweren


conjux = echtgeno(o)t(e), man, vrouw


conleute = echtlieden, echtgenoten


connaître charnellement = vleselijke gemeenschap hebben met ...


conniueren = door de vingers zien, vergeven


conniventie = oogluiking, oogluikend


conniveren = oogluiken, door de vingers zien, gedogen


connubium = huwelijk


conqueest = dat verkregen is


conquest = overwinst, verovering


conquesteren = veroveren, verkrijgen, winnen


consanguin = van vaderszijde verwant


consanguineus = bloedverwant, meer dan vijf graden afstand


consanguinitas = bloedverwantschap


consanguinitatis = van de bloedverwantschap


consanguinité = verwantschap via de vader, bloedverwantschap


consanguiniteit = bloedvruntschap, (bloedverwantschap), maagschap


conscabinus = medeschepen


conscenderen = klimmen


conscientie = gemoed, geweten, gewisse


conscientieus = vroom, oprecht, rechtvaardig


conscinderen = doorsnijden, doorhouwen, doorhakken


conscriberen = schrijven, beschrijven


consecutie = vervolg


conseil de fabrique = kerkfabriek


conseilleur = adviseur, raadgever, geefster


consensu meo = met mijn toestemming


consensu parentum = met toestemming van de ouders


consensu pastoris = met toestemming van de pastoor


consensu quorum interest = met toestemming der belanghebbenden


Consensus(us) = toestemmen


consent = bewilliging, verlof, toestand toestemming


consenteert = toestemmen, vergunnen, veroorloven, toestaan


consenteren = bewilligen, toestemmen

 

Consentio(nis) = toestemming


consequent = een kwade gewoonte te laten gebruiken


consequentiamtrecken (in) = daaraan gevolgen verbinden
consequentie gevolg van


consequeren = vervolgen


conserneeren = omvatten. samenvattend, inhoudend


conservaon. = afk. conservation, behoud, bewaring, conservering


conservatie = bewaring, onderhouding


consessions d ’armes = wapenbrieven


considerabel = aanmerkelijk, nadenkelijk


consideratie = inzicht, nadenking, overweging


consideratie van (in) = in aanmerking genomen van


considereren = inzien, bedenken, aanmerken, beschouwen, overwegen


consignatie = onder rechtlegging; zie oblatie


consigneren = onder rechtleggen, verzegelen, in bewaring geven van geld bij het gerecht


consiliarius = raadsheer, burgemeester


consilie = raadslag, berading


consiliëren = raadplegen


consilium = raad


consisteren = bestaan


consistoriale vergadering = vergadering van de kerkenraad


consistorie = vergadering, raadkamer, kerkenraad


consistoriekamer = vergaderkamer van de kerkenraad, ruimte waar de priester of predikant zich kleed voor de dienst


consistorio (in) = in de kerkenraad


consistorium = kerkenraad (s)(vergadering)


consistoryregel = huishoudelijk reglement voor de kerkenraad


consobrina = nicht, kind van zuster


consobrinus = neef, kind van zuster


consocer = schoonvader


consoceri = schoonouders


consoleren = vertroosten, bemoedigen


consolide(e)ren = helen, het samen hechten, verharden


consomme(e)rn = voleinden, voltrekken


consonant = overeenstemmende, gelijkluidende


consors = echtgenoot, man


consortis = van de echtgenoot, van de man


conspect = aanschouw, aanzien


conspiciëren = aanschouwen, aanzien


conspicue = klaar blijkende, duidelijk blijkend


conspiratie = het samenspannen, samenzwering, muiterij


conspireren = samenzweren, samenspannen, aanspannen om enig kwaad te doen, of uit te voeren, muiterij


constabularis = politieagent, bewaker


constat = het staat vast


consteren = blijken, in waarheid bestaan, bekend zijn


constituant = een rent-verschrijver


constituëren = machtig maken, in plaatse stellen


constitutie = neerleggen op machtigen


constitutiebrief = brief (van de overheid) waarin een

verordening/toezegging is beschreven


constreincte = zie constrictie


constrictie = bedwang


constringeren = dwingen, prangen, pramen


constumeerlijck = van oudst gebruikelijk


consuetis ecclesiae = met de gebruikelijke sacramenten van de Kerk


consuetus = gebruikelijk


consul = raadsheer, burgemeester, schout

 

consule(e)ren = beraden


consulent = predikant van een andere gemeente die bij een vacature het ambtswerk waarneemt


consummatie = voleinding, volvoering


consummeren = volvoeren, voleinden


cont = afk. contre, tegen, contra , anti

 

contagie = besmetting

contagieus = besmettelijk


contagieux = besmettelijk


contamineren = besmetten, bevlekken


contamnatie = besmetting


contant = gereed


conté = het vrouwelijke geslachtsdeel


contectalis = echtgenoot


contemple(e)ren = overdenken, beschouwen, aanzien


contende(e)ren = invaren, twisten, krakelen, pleit aanleggen, eis maken, pleiten, eisen


contendieren = betwisten


content (in) = aanstonds, dadelijk, straks, staande voet


contente(e)ren vernougen =  genoeg, te vrede stellen


contentement = tevredenheid


contentie = twist, krakeel


contentieus = vijandelijk, kijfachtig


conterbrief = een akte die onmiddellijk in verband met een andere behoord, meestal was deze zigzaggend doorgesneden. Beide partijen hadden een deel van de akte


conterfeitsel = portret


conterfetter = portretschilder


conterfeyten = namalen, namaken, afbeelden


contersegel = kleine zegel gedrukt op de achterzijde van het grote zegel


contest(e)eren = beroepen, betuigen


contestatie = betuiging


conthora(a)len = bruid en bruidegom, echtgenoten, bedgenoten, huwelijks partners


conthoralis = echtgenote


continentie = inhouding, ingetogenheid, onthouding


continere = omvatten


contineren = contineren, bevatten, begrijpen


continerende = verdagende


contingentie = geval, gebeurlijkheid


continuatie = aanhouding, volharding, vervolg, voortzetting, voortduring


continueerde = voortduurde


continuele = achtereenvolgende


continui = zie continere


contoor = kist voor het opbergen van de kasboeken akten etc.


contra = tegen


contra-rol = tegen-boek (grootboek)


contrabanderen = tegen aanspannen


contract-antenuptiaal = huwelijkse voorwaarden


contractum = (iets) sluiten, bijvoorbeeld huwelijk


contradicat = hij spreekt tegen


contradice(e)ren = tegenzeggen, tegenspreken


contradictie = tegenstrijdigheid, tegenspraak, tegenwerping, tegenspraak


contrafaitinge = geschilderd portret

contrahenden = zie contrahenten


contrahenten = contractanten


contrahere = (iets) sluiten, bijvoorbeeld huwelijk


contraheren = overeenkomen, samen handelen, verkorten, intrekken


contrahunt = trouwen, huwen, zij sluiten een huwelijk


contramanderen = afzeggen, tegen bieden


contramine(e)ren = tegenmijnen (ondermijnen), tegenwerken, tegen list gebruiken


contrapignus(noris) = onderpand


contrarie = tegenstrijdig, in tegenstelling tot..., in tegenspraak, weersstrijdig (integendeel)


contrariëren = tegenstrijden, tegenstreven


contrarieteit = strijdigheid


contrarolleren = tegen-boekhouden


contrarolleur = hij die de boekhouding controleert


contraveniëren = tegengaan, overtreden


contravente = overtreding


contraventeur = overtreder


contraventie = overtreding


contraxerunt matrimonium = zij sloten een huwelijk


contraxi = (iets) sluiten, bijvoorbeeld huwelijk


contraxit sponsalia = hij heeft een trouwbelofte gegeven, hij is verloofd


contre-borg = tegenborg


contremanderen = afzeggen, afbestellen, ook: het tegenovergestelde laten weten. intrekken van een gebod

contrescherpen = buitenmuur


contribulis = verwant


contristeren = bedroeven


controvers = strijdig tussen partijen, oneens


controverteren = twisten, tegenkanten in geschil trekken


contschap becomen = bericht ontvangen


contubeeren = beroeren, verwarren


contuli = toewijzen


contumac(h)eren = bij verstek veroordelen


contumace = is gewonnen hebben als gedaagde en niet is verschenen


contumaceren = iemand straffen omdat hij als wederspannig in rechten niet verschijnt


contumacia = verstek, aantekening door de rechter bij weerspannigheid om b.v geen eed af te leggen bij de rechtbank


contumaciam = verstek


contumacie = wederspannigheid, hardnekkigheid, verstek laten gaan bij een rechtszaak


contumax = wederspannig, die gedaagd is en voor de rechter niet verschijnt


conubium = huwelijk


convalesceren = gezond worden


convenabile = behoorlijk


conveniënt = gevoeglijk


conveniëntie = overkomst, aanspraak, overeenkomst, verding, voorwaarde


conveniëren = overkomen, voor recht dagen, passen, voegen


convent = klooster


conventualen = kloosterling


Conventualis(is) = kloosterling

Conventus(us) = klooster, convent


converci = bekeren


converci Pauli = bekering van Paulus


conversatie = ommegang, hantering, gemeenzaamheid, omgang, gedrag


conversatie = (vleeschelijke) geslachtsgemeenschap


conversum = zie converci


conversus = bekeerd, bekeerling


convertere = bekeren


converteren = omkeren, verkeren


convicie = schelding, toenaam, schamperheid, verwijt


convicinus = buur


convince(e)ren = overwinnen


convoi = lijkstoet, rouwstoet, begrafenisstoet


convooien en licenten = betaling voor vrijgeleide van koopvaardijschepen, belasting op in- en uitgaande
goederen


convoy = geleiding, vrijgeleiding


convoyeren = geleiden


coolpanne = vuurpan


Coolwijck = het kantoor (te Delft) dat belast was met het centrale beheer van de pastorie goederen op het platteland van Holland


coop = de koop, de te leveren ...


coopbrieven = koopakte


coopgoet = door aankoop verworven goederen


cooppenningen = kooppenningen, koopsom


coopsconditie = koopvoorwaarden


coopslach = met de vlakke hand, de handslag waarmede een koop wordt bekrachtigd is


coopssceddulen = koopaktes


coor = besluit van het stedelijk bestuur, waarbij in het belang van de publieke orde iets geboden of verboden wordt onder bedreiging van een aangegeven sanctie


coorboec = het register van de wegens koeren veroordeelden, dienende om de recidivisten te kennen


coorde = koord, meestal de strop van de galg


coorhere = kanunnik


coorlaken = fijn geweven laken


coormicke = brood van fijn roggemeel, gebakken volgens de verordening


coormiede = zie cuermede


coormiedgeliede = zie coormietsliede


coormietsliede = personen die verplicht zijn tot de coormiede, daaraan onderworpen


coost = kost (van eten)


cop = vaatwerk, vaak van metaal of steen o.a. nap, beker,schaal, ook: taartvorm en voor pasteien


cop. = afk. copulatus, (wettig) getrouwd


cope = koopovereenkomst, voor het mogen ontginnen van een stuk land


copergout = messing


copetere = toekomen, toebehoren


copia = afschrift


copia copiae = afschrift van een afschrift


copiae = legers

copie = afschrift, uitschrift, naschrift, dubbel


copiëren = uitschrijven, verdubbelen


copieux = ruim, rijkelijk, overvloedig


copiist = uitschrijver, overschrijver


copjen = kopje


coppe = zie cop


copperen = snijden


copula = band


copula conjugalis = echtvereniging, echtverbintenis


copulandus = hij die wil trouwen


copulare = trouwen, in de echt verbinden


copulata = zie copulatus


copulati fuere = zij zijn getrouwd


copulati fuerunt = zij zijn getrouwd


copulati sunt = zij zijn getrouwd


Copulatio(nis) = huwelijk, huwelijksvoltrekking


copulatus = getrouwd


copuleren = vergaderen, het samenvoegen, koppelen


coqua = kokkin, keukenmeid


coquus = kok


coram = ten overstaan van, in het bijzijn van


coram consule (et scabinis) = ten overstaan van de schout (en schepenen)


coram dominis scabinis = in aanwezigheid van de heren schepenen


coram et aliquibus = in tegenwoordigheid van ... en enige anderen


coram iudice = ten overstaan van de rechter


coram me = ten overstaan van mij, in mijn tegenwoordigheid


coram me et testibus = ten overstaan van mij met als getuigen


coram me infrascripto pastore = ten overstaan van mij, ondergetekende pastoor


coram omni plebe = ten overstaan van het gehele volk


coram populo = in het openbaar


coram praedicante acatholica = voor de niet-katholieke predikant


coram testibus = ten overstaan van de getuigen


coram testibus tide dignis = ten overstaan van geloofwaardige getuigen


coram tota ecclesia = ten overstaan van de gehele kerk


coram tota presbyterio = ten overstaan van de gehele kerkenraad 


coramquibusdam aliis  = in tegenwoordigheid van enige anderen


corbifex = mandenmaker


corbo = korven-vlechter, korvenmaker


cordarius = touwslager, koordmaker


corde = strop, galg


cordelier = Franciscaan, Franciscanes, Minderbroeder


cordelière = zie cordelier


cordiaal = openhartig, gulhartig


cordificis = zie cordiflex


cordiflex = touwslager


cordonnerie = schoenmakerij


cordonnier = schoenmaker, schoenlapper, hersteller

coreator = leerbewerker, leerlooier, schoenmaker


coreel = tichel, vloer- of wandtegel


corellen = koralen


corem = bij


coriarius = leerbewerker, leerlooier, schoenmaker


Coriovallum = Heerlen


cornel = kolonel


cornet = vaandrig van de ruiterij


corp. = afk. corporaal, korperaal


corporaal = rotmeester, (aanvoerder van een legeronderdeel)


corpore = gezamenlijk


corporeel = lichamelijk, daadwerkelijk


corporele = lichamelijke, persoonlijke


corporis = lichaam, lijk


corpulent = lijvig, dik, grof, onvermogen


corpus = lichaam, rechtspersoon, lijk


corpus Christi = sacramentsdag, 2e donderdag na Pinksteren


Corpus Christi = Sacramentsdag, Lichaam van Christus


corpusculum = lichaampje


correptus = overvallen, weggerukt


correspondentie = contacten, relaties, heimelijke overeenkomst


corresponderen = overeenkomen, op elkander passen


corrigator = gordelmaker


corrigeren = bestraffen


corrigiarius = riemenmaker, zadelmaker


corriperen = verkorten, korter maken


corrival = medevrijer


corrobore(e)ren = bevestigen, versterken


corroderen = eten, knagen


corroprobatie = versterking


corrosijf = wat eet, wat bijt


corruëren = instorten, vervallen, neerstorten


corrumperen = bederven, iemand met giften omkopen, verblinden


corseyen = grove keperstof, vaak voor ondergoed


Cortracum = Kortrijk


corvee vroondienst = arbeid ten dienste van de heer


cossate = armelijke woning


costa = vrouw, rib


costen contumaciel = kosten wegens niet verschijnen, wegens tegenspraak


costen ende misen van de justitie = de kosten van het geding, het strafproces en de tenuitvoerlegging van het vonnis


costerie = kostershuis


costume = gewoonterecht, gewoonte


costumen = gewoonten, oude herkomen


costuymen = zie costume


cot = bewoner van een cossate (armelijke woning, stal, schuur)


cot. = afk. court, krap, onvoldoende, weinig

cotarius = boerenarbeider, slijper, huisbediende


coté paternel = vaderskant


coten = met kooten (schapenbotjes) spelen, bikkelen, kinderspel


coter = zie cot


cotiarius = slijper

 

couche = bed, sponde, bedstede


couchelaken = stofsoort, speciaal voor broeken


coudée = lengtemaat, el, ca. 50 cm


coufin = neef


coufinage = neefschap


coulang = onderdeel van een halssnoer


coulant = zie coulang


couleeren = wateren, plassen, stromen


coulpabel = schuldig bevinden


coulte = zie culcte


coupe feu = brandgang, brandmuur


couperet = valbijl, guillotine


coupure = open doorgang in vestingwal


courier = lopende bode, loper


courrage = makelaardij


courtisaan = hoveling


courtois = hoofs, heus, beleeft


courtosie = beleefdheid


courtsen = koortsen


cousien = lederen of ijzeren beenbekleding


cousin = neef, zoon van oom of tante


cousine = nicht, dochter van oom of tante


cousins par aliliance = aangetrouwde neven en nichten


coutelas = korte sabel


couter = akker, veld, maar ook ploegschaar


coutergat = landweg, weg uitsluitend bestemd voor toegang tot het bouwland


couturière = naaister, modinette

 


couvent = klooster


couvert = deksel, overdek, omslag, bedekt


couverture = deksel


couvre feu = avondklok


couvreur = leidekker, dakdekker


Covordia = Coevorden


crabeil = korbeel, kromstuk hout, vaak in spanten gebruikt


crabelaer = betaalmiddel, ook de vierstuivers penning genoemd


crachoir = kwispedoor, spuwbakje


crachte (uyt) = als blijkt uit


craem = kraam, bevalling


craemschenner = hij die de huisvrede verstoort bij een kraamvrouw


cragge = wurgen, vermoorden


craghte... (in) = in gevolge ...


cramickbroot = tarwebrood


crampon = ijzeren punt


crancbedde = ziekbed


cranck = ziek


crastinus = de volgende dag


crauwel = vleeshaak, drietandige haak


creantie = geloofbaarheid, geloofbrief


Creator(is) = schepper, de Schepper


crécelle = ratel, klepper


credensen = kleine tafels of planken bij het altaar in een kerk, waarop het brood en de wijn voor de eucharistie worden geplaatst, ook: dressoirs of wandtafels


credentie = geloofwaardig


credenzer = kelner


credit = neemt men voor waar aan (in een proces), geloof, inschuld (te innen vordering)


crediteren = geloven, borgen, vertrouwen


crediteur = schuldeiser, die aan een ander uitleent


creditum = het verschuldigde, vordering


credo = geloofsbelijdenis


crémaillère = haal, hangijzer, heugel


cremiterium = kerkhof, begraafplaats


creseme = diocees


crevé = dood, gecrepeerd


crève = zie crevé


cribrarius = zevenmaker


crichoudere = schout


criem = zwaar misdrijf


crieren = een publicatie doen afkondigen door de omroeper


crigieren = zie: crieren


crijeren = zie: crieren


crime capital = halsmisdaad


crimen = schuld, misdaad


crimen læsæ majestatis = hoogste machtschending, gekwetste hoogheid


criminalis (causa) = straf -(zaak)


crimineel = dat de hals aangaat, waar de doodstraf opstaat
crimineel-proces zie hals-regt


crimineil = die een zwaar misdrijf heeft begaan


criminele justicie = zie bloedrecht, halsgerecht, recht van den hoogste straf


criminele sake = een zaak die lijf en leden betreft


criminele-saak = zie halszaak


crinoline = hoepelrok


cripte = verborgen ruimte, kelder gewelven


critice = nauwkeurig


croche = lange ijzeren tang, smidstang


crocque-mort = lijkbezorger, aanspreker, lijkbidder, lijkdrager


croen = zie crone


croix fléchée = pijlkruis


crone = klacht, aanklacht


croner = hij die een klacht in rechte indient, klager

cronijk = tijdboek, historie


croque mort = zie crocque-mort


crucermarct = jaarmarkt


crucis exaltatio = kruis verheffing, 14 september


crudebroec = met veel groene kruiden begroeid (ruw) terrein


crudeliteit = wreedheid

 

crudenare = handelaar in kruiden


crudenede = kruidenvrouw


cruël = wreed, hard


cruin = kruin


crumenarius = buidel-tassenmaker, zakkenmaker


crusoren = wenteltrappen


crux = kruis


cry = geschreeuw


crypte = grafkelder


ctione praemunitus = voorzien van de biecht en het Heilig Oliesel


cubbinge = rietendak van boerderij en schuren


cubiculum = slaapkamer, soms ook slaapkamer


cuerbroeder = gildenbroeder


cuermede = opbrengst van het bestehooft of cateil, het beste stuk uit de nalatenschap van een horige, keurmedige, door de heer krachtens zijn recht te kiezen


cuermietsliede = personen die verplicht zijn tot coormiede, daaraan onderworpen


cui = aan wie, waaraan


cuipery = omkoperij


cuius = van wie


cuius anima requiescat = in pace zijn ziel ruste in vrede


cuius filia = van wie een dochter is, wiens dochter


cuius loco = in wiens plaats


cuius loco tenuit = wiens plaats werd ingenomen door


cuius locum tenuit = wiens plaats werd ingenomen door


cuius vicem supplevit, cuius cujus = van wie


cul de basse fosse = onderaardse kerker


culcitarius = mantelmaker


culcitrarius = stoffeerder, mantelmaker