Genealogische woorden beginnend met F

F


f = afk. folio, op het blad van het register


f. = afk filia, fils, dochter, zoon

f.f = afk. firmlinge, vormelingen


f.l = afk. filia / filius legitima, wettelijk (erkende) zoon /dochter


f.r = afk. folio recto, op de voorzijde van het blad


f.v = afk. folio verso, op de achterkant van het blad


f’ijseltie en stamper = vijzelpot met stamper


fa = afk. filia, dochter, meisje


fa = afk. huw. akte, familie naam


fa = afk. met boven de a een C, filia, meisje


faal = fout, gebrek


faalgrepen = misstappen


faam = gerucht


faas = dwarsbalk


faasgewijs = figuren staan naast elkaar


fabel = verhaal over dieren waarin een levensles is opgenomen


fabele = een klucht


faber = smid


faber armorum = wapensmid


faber cupri = kopersmid


faber ferramentarius = hoefsmid


faber ferrarius = smid


faber grossarius = grof ijzersmid


faber laminarius = blikslager


faber lignarius = timmerman, meubelmaker


fabrica ecclesiae = kerkfabriek, de kas voor de bouw, versiering of herstellen van een kerkgebouw


fabricateur = vervalser


fabricator ligneorum cal icorum =fabrikant van houten bekers


fabriceren = versieren, verdichten, timmeren


fabriek = bouw- en onderhoudsdienst


fabriekmeester = stadsbouwmeester


fabrijc = kerkfabriek, de kas voor de bouw, versiering of herstellen van een kerkgebouw


fabrijckmeester = zie fabriekmeester


fabrijk = bouwmeester, rooimeester, opzichter


fabrike = werkplaats


fabritius = smid


fabuleus = beuzelachtig


fabuliste = fabeldichter


faceneren = betoveren


facete = boertig


facetieux = boertig, boerachtig, geneugelijk?


facie ecclesiae = ten overstaan van de kerk

facifer = fakkeldrager


facil = ligt


faciliteit = voorziening, tegemoetkoming


faciliteren = het werk verlichten, gemakkelijker maken


facillemt = afk. Facilleme, gemakkelijk


facit = het slot van de rekening, maakt, doet, bedraagt samen


facit = maakt, is. (bij rekenen, is totaal)


facit (1590) =  hij heeft dit gemaakt in (1590)


facit in capitaell =  in totaal


factas = afkomstig van


facteur = de maker van iets


facteur = die de zaken van een ander drijft, bewindhebber


factie = het samenrotting, kliek, agerende groep, meute


factieus = oproerig


factionnaire = schildwacht


factis tribus (consuetis) proclamationibus =na de drie (gebruikelijke) huwelijksafkondigingen


factis tribus bannis proclamationibus = na de drie huwelijksafkondigingen


facto = dood, de daad


factoor = agent van buitenlands handelshuis ook: tussenpersoon, zaakgelaste


factor cordarum = koordenmaker


factum pamflet = voorval gebeurtenis, geschrift waarop het verschil van mening is beschreven en waarop de aanspraak steunt


factus est dominus = 1e zondag na Drievuldigheid


faculteit = faculteit, vermogen, vermogendheid, macht


facunde = welsprekendheid


faendrich = vaandrig, militaire rang


faict = een werk of daad


faïencerie = aardewerkfabriek


faïencier = plateelbakker


failgieren = missen


failleren = in gebreke blijven


faire les foins = hooien


faiseur = oplichter


faist = afk. Faisant, doende


fakkel = heraldiek teken, brandende toorts


fakken = verwerven, pakken, grijpen


falcarius = sikkelsmid, handelaar in sikkels ook: magere Hein, man met de zeis


Falchenberg = Oud-Valkenburg


falcidia portio = het vierendeel van de erfenis dat de erfgenaam mag af trekken die met al te veel legaten bezwaard is


falcidie = afkorting, afsnijding


falcoburgensis = van Valkenburg


falconarius = valkenier


faliant = ingebreken blijvend persoon


falie = zie faly

falivouwen = mooipraten


faljeren = missen, gebreken


fallacie = bedrog


fallatie = valsheid, bedrieglijkheid


falsaris = een bedrieger, die valse instrumenten maakt


faluyrt = waard zijn


faly = hoofddoek, ook: een damesmantel


fame = gerucht, openbaar gerucht


fameeren = beschuldigd door een gerucht


famella = dienstmeisje


famellus = knecht, bediende


fameus = berucht, bekent, ruchtbaar


fameus libel = een faamrovend geschrift


familia = alle personen die in een huis woonden, ook: het dienstpersoneel, later voor alleen de gezinsleden


familia defuncta = uitgestorven familie


familiaria = bezittingen van (de)een familie


familie = de engste levensgemeenschap. dus vader, moeder en de kinderen


familietrek = gelijkenis van familieleden onder elkander, ook: figuurlijk


famula =  dienstmaagd, dienstmeisje


famulus = knecht, bediende, schildknaap ook: leerling, hulp, bediende


fänger = gerechtsdienaar


fantasie = inbeelding, eigenzinnigheid


fantassin = infanterist, voetknecht


fantastijk = eigenzinnig, bijzinnig, vies, zwaarmoedig


farcher = varkenshandelaar


fardeel = baal, pak, doos


fartor = worstmaker


fasceel = takkenbos


fasceelhout = per bundel verkocht brandhout


fasces = heraldiek teken, bundelbijl


fastelabend = vasten avond


fastidie = walging (dronkenschap )


fastidiëren = walgen 


fastnacht = 6e zondag voor Pasen


fastnachtsonntag = zie fastnacht


fatalia = de tijd binnen de welke men moet appelleren


fatalien = dingdagen, pleitdagen


fatigatie = vermoeiing


fatige = vermoeidheid


fatigeren = vermoeien


fatsoen = alle voorwerpen die een vorm hebben en door mensen zijn gemaakt, ook: gestalte, vorm, gedaante

fatum = noodlot, nooddwang


fatuus = onnozel


faucheuse (la) = magere hein, de dood


fauconnier = valkenier


faudet = toonbank

 

faulte =  in gebreken blijven, niet nakomen ook: gebrek, feil, fout


fauteur = gunstdrager, een medepleger


fautsoen = degen


faux serment = meineed


faveren = begunstigen, gunstig zijn


faveur = gunste


favorabel = gunstig


favorable recommandatie = brieven van


favorijt = gunsteling


fb = afk. fébrier, februari


fe = afk. fe, feu, wijlen, ook: afk. faire, het doen, handeling, daad, uitvoering


feber = (witte) witte koorts


febres = (witte) zie feber (witte)


febri = door koorts


febri aestuanti = door een gloeiende koorts


febri calida = door een hete koorts


febri frigida = door koude koorts


febri maligna = door een kwaadaardige koorts


febri putridus = door koorts uitgeput


febri vehementi = door hoge koorts


februarii = van februari


februarius = februari


fechner = bonthandelaar


feci = ik heb gemaakt


fecit = heeft gemaakt


feil = grove katoenen doek, dweil


feiteur = misdadiger


fel = wreed, onmeedogend


feld maréchal = veldmaarschalk


feld maréchaux = zie feld maréchal


felgenhauer = wagenmaker


feliciteit = welvaart, voorspoed, geluk


fellwerkbereiter = bontbewerker


felonie = ontrouwe, of smaadheid, ook: trouwbreuk van de vazal


felp = flueelstof


femella = vrouwelijk


femenijn = wijflijk, vrouwelijk


femina = vrouw


femini generis = van het vrouwelijk geslacht


femini sexus = zie femini generis


feminus = vrouwelijk, van een vrouw


femme = echtgenote, vrouw


femme de chambre = kamermeisje


fenaison = het hooien, hooioogst


Fenesy = Venetië


fenijn = vergift, doodspijs



fenil = hooizolder


feniseca = maaier


fenynig = vergiftigd


feodaal = zie feudaal


feodaal goed = een stuk land of onroerend goed tegen bepaalde voorwaarden aan zijn leenman opgedragen


feodum = zie feudum


fer forgé = smeedijzer


ferblantier = blikslager


fere = bijna


feretrum = lijkbaar


fergon = zie fourgon


feria = dag


feria penutima = voorlaatste dag


feria prima = zondag


feria quarta = woensdag


feria quinta = donderdag


feria secunda = maandag


feria sexta = vrijdag


feria tertia = dinsdag


feria ultima = de laatste dag


ferie = lijst of boek van bij de rechtbank aanhangige zaken


ferien = vierdagen, verlofdagen


ferijnen = met een beitel frijnen van natuursteen


ferm = afk. fermier, boer(in), landbouwer, veehouder


fermette = boerderijtje, keuterboerderij


fermier = landbouwer, veehouder


fermier en location = pachter


fermière = boerin


ferpel. = bedrog, arglist, kwader trouw


ferrarius = ijzer


ferrarius faber = smid


ferreur = paardensmid


ferronnier = siersmid


fertegaal = hoepelrok


fertijl = vruchtbaar


fervrier = februari


ferwielen = fluwelen, fluweel


festeren = beleefdelijk onthalen


festinatie = verhaasting


festo sancti N. = (in) op het feest van de heilige N.


fetus = kind, nakomelingen


feu = wijlen, de overledene..., zaliger, ook: brandstapel


feudaal = leengoed, leenroerig


feudale goeden = leenroerige goederen


feudataire = leenman


feudum feodaliteit = leenstelsel

feuermäuerkehrer = schoorsteenveger


feutrine = wolvilt


feux = zie feu


février = februari


fexeren = kwellen, plagen


feyten = inhoudende het gene men betonen, of bewijzen wil


fiancé, fiancée = verloofde, aanstaande


fiasque = strofles voor wijn, mandfles, buikfles


fiat = goedkeuring, ook: het geschiede alzo, het is goed


fibula = zie fibule


fibulator = loodgieter


fibula, fibule = kledinggesp, kledingspeld, sluitspeld, doekspeld


ficelle = klein stokbrood


fiche = beschrijving, gegevens, register ook: spie, pen, ook: van been gemaakte (waarde)plaatjes voor bij het kaartspel


fichu = sjaal, hoofddoek, halsdoek


fictie verçiering = verdichtsel, verzinsel


fideï-commis(sum) = erfstelling over de hand, dit is erfmaking waarbij de erfgenaam de erfenis moet bewaren en niet aan een derde moet overdragen. ook: goed dat niet verkocht mag worden maar in een familie moet blijven


fideicommis = erfbeveling, erfbetrouwing, erflating over de hand


fideicommissaire registratie boeck =boek met vermelding van op een fideï-commis betrekking hebbend goed of zaak


fideicommissarius = erfgenaam met last van overgifte?


fideicommissum = testamentaire beschikking, waarbij een vertrouwd persoon, die voor de wet optreed als erfgenaam, opdracht geeft een zeker legaat uit te betalen aan iemand die wettelijk niet als erfgenaam kan worden aangewezen, de erfgenaam heeft het vruchtgebruik maar moet zonodig het terug geven aan de eigenaar


fidejussio = borgstelling, schriftelijke borgstelling


fidejussor = borg, ook: de peet die zich borg stelde voor een goede (christelijke opvoeding) van de jonggeborene


fidejussor = borg


fidel = getrouw


fidelio = trouw


fidicen = speelman


fiducie = vertrouwen in een goede afloop of in de degelijkheid van iets of iemand


fief = leen, leengoed, domein, terrein


fiel = gal van dieren


fielterij = schelmerij


fier = nobel, waardig, hoogstaand, ook: bloeiend, fris


fière = zie fier


fiertel = zie fiertre


fiertere = zie fiertre


fiertre = lijkkist, doodkist


fifille = dochtertje


fifre = bespeler van een dwarsfluit


figaro = barbier, kapper


figlerius = pottenbakker, tegelbakker


figulus = pottenbakker, ook: kachelmaker

fijfel = kleine dwarsfluit


fijl = zie feil


fijlebaart = snotneus


fikkere = middelvinger


fil zo = afk. Filius, zoon


filatio = bloedverwantschap in neerdalende rechte lijn, afstamming in de eerste graat, kindschap


fileur = spinner, spinster


fileuse = zie fileur


filia = dochter


filia devota = religieuze, non


filia fratris = nicht, dochter van broer


filia innupta = ongehuwde dochter


filia legitima = wettige dochter uit een voor de kerk gesloten huwelijk geboren


filia redicta = nagelaten dochter


filiabus = dochters


filialis = hulpkapel, hulpkerk


filiarum = van de dochters


filiaster = stiefkind, stiefzoon, (na de 14 eeuw) ook: schoonzoon


filiastistri = stiefkinderen, schoonkinderen


filiatie = familie verwantschap, afstamming


filiation = afstamming in de eerste graad, in rechte lijn, verwantschap


filiationprobe = afstammingsbewijs


filiæ = dochters, van de dochters


filicarius = steenzetter, stratenmaker


filii = van de zoon, de zonen


filiola = dochtertje


filiolus = zoontje, doopkind, peetzoon


filitrix = spinster


filius = zoon


filius legitimus = wettig, zoon uit een voor de kerk gesloten huwelijk geboren


filius natu maximus = de oudste zoon


filius natu minimus = de jongste zoon


filius naturalis = buitenechtelijke zoon, van mindere afkomst, van lagere stand


filius unicus = enige zoon


fillasse = grof meisje


fille = dochter


fille mère = ongehuwde moeder


filleul = petekind


filleule = zie filleul


fils = zoon, nakomelingen


fils de France = (les) de prinsen uit het Franse koningshuis


fin = dood


finalijk = eindelijk, glad af


fine en effecte = (ten) met het doel


finesse = detail, praktijk om iets uit te voeren


fingeren = versieren, bootsen?


fingieren = versieren

finis = einde


firmarius = landbouwer


firmeren = vestigen, gestadigen (voortduring)


firmerie = ziekenhuis


firmlinge = vormelingen


fiscaal = graaflijkheids, of de lands schatbewaarder, verzorger


fiscalis = behorende tot de fiscus


fisce = lands schatkist


fiscus = Merovingische / Karolingische bestuurseenheid, belastingdienst


fistulator = fluitspeler, (stads)muzikant


fitsen = scharnieren


fix = sterk, krachtig


fl = afk. florin, florijn, gulden


fl, flor = afk. floréal, maand van de bloei


flabbe = betaalmiddel, 1 flabbe=4 stuivers ook: oorveeg, vuistslag


flaconnier = flessenmaker


flagellation = geseling


flageller = geselen


flanckaert = jas van krijgslieden


Flandorum = Brugge


flaptafel = zie hangoortafel


flator = ijzersmelter


flatteren = pluimstrijken, vleien smeken


fléau = plaag, ramp, ook: dorsvlegel


flebotomarius = aderlater


fleer = kaakslag


flenni = flanel


flep = driehoekige hoofddoek


fleppen = drinken


fleresijn = jicht


fles = inhoudsmaat voor wijn, 1 fles = ca. 0,8 ltr., Amsterdamse fles = ca. 0,88 ltr. of 44 fles in een anker


fleur de lijs = heraldiek teken, lelie


fleuret = zie floret


fleurons = heraldiek teken, gestileerde aardbeibladeren


flikkerslagen = bliksemflitsen


flikkersout = salpeter


floers = doorzichtige zwarte stof van wol of zijde


flor = afk. floréal, maand van de bloei


florèal = april


floreenplichtige = degene die op grond van het bezit van een zgn. schotschietende hoeve (in Friesland) verplicht was tot het betalen van de floreenbelasting


florenus = gulden


floreren = bloeien, welvarende zijn


floret = schermdegen ook: zijdegaren


florijn = muntsoort, waarde gelijk aan 28 stuivers


flouflute = zie flute

 

flouwiellen = fluwelen

fluctuëren = zwerven, zwalpen (rondzwerven), sukkelen


flucx = terstond


fluim = slijm


flume = rivier


flute = penis, piemel


fluwijn = kussensloop


fluxu sanguinis = door een bloeding


fme = afk. femme, vrouw


Fn. = afk. op huw. akte, familienaam


fo = afk. folio, blad, folio


focaria = keukenmeid, vrouw van een soldaat, concubine


foderator = lakenarbeider, sergeant belast met de kleding


foemella = vrouw


foeniseca = maaier


foerneuijsen = kook:plaats


foetus = kind, nageslacht, nakomelingschap ook: ongeboren kind


foin = hooi


fokker = rijkaard, in de zin van gierig iemand


fol appel (t’) = kwalijk en ten onrechte beroepen


folen = stoten, stompen, ook: wel dollen


folie = lustslot, buitenplaats


foliet = blad van boek


folije = malligheid, gekheid, malle streek


folio = blad, op het blad van het register


folio recto (in) = op de voorzijde van het papier


folium = blad van een boek


folle = krankzinnige


foly = een blad


folye = zotheid


foncé = bruin, zwart, donker


fond de robe = onderjurk


fonderie = gieterij


fondeur = gieter, smelter


fondrière = moerassige grond


fonte = gietijzer


foraneus = wonend buiten de wallen, vreemdeling in een stad


forçat = dwangarbeider


force = geweld, macht


forceren = bemachtigen, verkrachten, overweldigen


forestarius = boswachter


forestier = zie forestarius


forêt = dakstoel voor bijvoorbeeld angelusklok, ook: woud, groot bos


forge = smidse, smederij


forge de serrurier = slotenmakerij


forgeron = smid


forgeur = zie forgeron


forma pauperis = voor armen gratis


formaliseren = tegen aankanten, tegen kanten, opmaken


formaliteit = gedaante, gestalte, aanstelling


formente = meelbrij


formulier = voorschrift


formulierboek = mogelijk een gebedenboek?


fornacarius = kachelsmid


fornicateur = hoereerder, ontuchtige, overspelige


fornicatie = hoererij, smuikmin, ontucht


fornicatio = alle (verboden) buitenechtelijk geslachtsverkeer, overspel


fornicatrice = zie fornicateur


forqueten = vorken


fort = zakkendrager


fortasse = misschien


forteresse = gevangenis


fortificatie = sterk maken


fortificeren = versterken


fortifieren = versterken


fortsier = kist met ijzeren beslag


fortuyne = geluk, kans, avontuur


forum = markt


fossa = gracht, kuil, graf


fossarius = doodgraver, boerenknecht


fosse = ondergrondse kerker


fossé = sloot, greppel, slotgracht


fosse d’aisances = beerput


fosseit = gracht


fossoyeur = doodgraver, grafdelver


fouet = zweep, roede


fouetter = geselen


fouine = hooivork


foulard = halsdoek, hoofddoek


fourgon = reiswagen


fourieren = onderdak verschaffen


fourneren = verschaffen, opbrengen, overbrengen


fournil = bakhuis


fournissement = lijst van alle ingeleverde stukken


fournneys = fornuis, oven


fourreur = bontwerker


fourrier = kwartiermaker


foveren = koesteren, toegedaan zijn, ophouden aanhangen


foyer = stookplaats


fr, frim = afk. frimaire, maand van de slacht


fra. = afk. frater, broeder, geestelijke in een lagere orde


fragijl = broos


fragner = kruidenier


fraise = geplooide halskraag


franc maçon = vrijmetselaar

franc or = goudfrank


francaert = zie franckaert


francijn = perkament


franckaert = graanmaat, 1 franckaert = 152 ltr.


francus = vrij van zegelrecht, vrijgesteld


francus scabinus = vrijschepen, lid van het heemgericht. rechtbank die buiten de openbare macht om vonnissen uitsprak en ten uitvoer bracht. (om tegenstanders te elimineren)


frater = broer, broeder, tweeling broer


frater germanus = halfbroer, tweelingbroer


frater patruelis = zoon van een broer


frater predicator = predikheer, Dominicaan


frater uterinus = halfbroer


fraternitas = broederschap


fratres consanguini (eus) = halfbroers, broers met de zelfde moeder maar van een andere vader


fratres consanguini (eus) = halfbroers, broers met de zelfde vader maar van een andere moeder


fratres dormientes = de zeven slapende broeders, 27 juni, ook: 10 juli aangegeven


fratres gemelli = tweelingbroers


fratres germani = tweelingbroers


fratria = broederschap, gilde


fratria filia = nicht


fratris = voor de broers


fraude = bedrog, arglist


frauentag = Maria geboorte, 8 september


fre = afk. frère, broer


freidsem = vallende ziekte, epilepsie
freitag (de stille oder gute) = Goede of Stille vrijdag, vrijdag voor Pasen


fremineur = minnebroeder


fremtmeester = gildenmeester afkomstig van een andere plaats of streek


frenarius = riemenmaker


frenesie = krankzinnigheid


frenesye = razernij


frenetike = krankzinnige


frequenteren = bewandelen, doorwandelen, bij wonen


friand = lekker


friandyse = lekkernij


friche = braak liggend land


frieel = mand


frimaire = november


frioen = vink


Frise = Friesland


frivoil = beuzelachtig, leurachtig, slecht


frivool = ongeldig, maar ook: ijdel


froc = bovenkleding van een man of vrouw ook: monnikspij


froenen = zie: vronen


from = afk. froment, tarwe


from = vroom


fronarbeiter = arbeider in vroondienst, in herendienst, in leendienst


fronbauer = boer wonend op vroonland, leendienstplichtige


fronfrei = vrij van vroondienst, vrij van herendienst


fronfuhre = vervoer in herendienst


fronpflichtig = tot vroondienst verplicht, herendienstplichtig
fronton geveldriehoek


frs. afk. = fraters, broeders


fructidor = augustus


fructifieren = vruchten voortbrengen


fructuëux = vruchtbaar


fruitier = kaasmaker


frumentarius = graanhandelaar


frumwerker = dagloner


fruste = te vergeefs


frusteren = vruchteloos maken, benemen


frustreren = bedriegen


fruwiel = fluweel


frygische muts = heraldiek teken, vrijheidshoed, rode Jacobijnenmuts tijdens Franse revolutie


fs. = afk. filius, zoon


ft = afk. fait, feit, gebeurtenis, voorval


ft, fruc = afk. fructior, maand van de vruchten


fuederyng = voering


fuere = zij zijn geweest, zij waren

 


fuge = vlucht


fugeren = vluchten, vlieden


fugieren = vluchten, wegdoen


fugitief = zie fugitijf


fugitijf = voortvluchtige


fugitijff = voorvluchtig, bankroet


fuik = vrouwelijk geslachtsorgaan, vistuig


fuit = hij is geweest, hij is genoemd


fuit ... annis = hij was ... jaar oud


fuite = inhoudsmaat, 1 fuite = 5 kan, = 7 tot 10 ltr.


fullo lakenvoler = hoedenvolder


fulmine tactus = getroffen door de bliksem


fulmineren = bliksemen, razen, woeden, uitbulderen


fulnarius = touwslager


fulpe = fluweel


fumiste = kachelsmid, schoorsteenveger


fun = schelm


funambulesque = koorddansers


functie = ambt, bediening


fundamentenboek = boekje met de beginselen van de christelijke leer door Menno Simons fundatio stichting


fundavit anniversarium = stichtte een jaargetijde

fundavit anniversarium pro requi animae suae = stichtte een jaargetijde voor de rust van zijn ziel. (instellen van een

jaarlijkse herdenking van een overledene)


funeralia = begrafenis, lijk plechtigheid


funifex = zeilmaker


funs vies = vies uitziende


furieux dul = razende woedend


furnarius = kachelsmid


furneren = verschaffen, opbrengen


furnieren = processtukken in procesdossier doen


furnissemente = uitvoering van een vonnis


furset = zacht als zijde


fusil = schutter


fusor aurichalci = geelgieter


fusor campanarum = klokkengieter


fusor pottorum = tingieter


fusor typorum = lettergieter


fussenvellen = vossenvellen


fustein = bombazijn, een grove wollen stof uit boomwol


fustigatie = gegeseld


fustigieren=  geselen


fy = foei