Genealogische woorden beginnend met M

M


M = afk. 1000


M = afk. Magistor, meerdere, academisch geschoold persoon


M = afk. marraine, meter, doopmoeder


m = afk. mater, moeder


M = afk. meter


M = afk. moeder, ook vaak doopheffer / Meter


M = afk. monsieur, mijnheer, meneer, (de) heer


M = afk. municipaliteit, gemeentebestuur, Burgemeester en Wethouders


m.p = afk. manu propria


m.ria = afk. manu propria, eigenhandig en ook mia. bijvoorbeeld eigenhandig ondertekend


maaien = doorklieven


maalder = schilder


maalsboekje = zie avondmaaltje


maandeel = maandsoldijbrief


maankop = slaapmiddel


maant-wyser = zie calendier


maatje = inhoudsmaat, meestal bij graan, 1 maatje = 2 spint, maar ook 1/8 spint


mabersteen = marmer


mac = afk. maçon, vrijmetselaar


macellarius = slager


macellio = zie macellarius


macello = zie macellarius


machenare = metselaar


machinate = kwaadstoking, (kwaadspreken), opstoken, kwaad


machinatie = kwaad, stoken


machineeren = kwaadspreken, stoken, kwaad-brouwen, (iets kwaads beramen), berokkenen


macht brieff = volmachtbrief, akte, waarbij iemand tot iets gemachtigd wordt


machtbrief = zie machtbrieff


machte = lies, schaamdelen


machytsch = metselwerk


macies = magerheid, schraalheid


macis = die niet komt opdagen bij een rechtszaak


mactator = zie macellarius


maculature = kladpapier, scheurpapier, omslag


macule(e)ren = bevlekken, bekladden


maddach = een volle dag maaien als verplichting opgele

gd
made = weiland, hooiland, ook een landmaat


madebeemt = weiland, hooiland


madelaere = beheerder, bestuurder, beheerster, bestuursambtenaar


mader = maaier


maderijn = ahornhout


madesloot = afscheidingssloot tussen twee landerijen

madevelt = zie madebeemt


mae = hooiland, Made


maecbrief = testament


maech = zie maeg


maechgelt = het aandeel, door de bloedverwanten gedragen in de som, waarmee een door een hun gepleegde doodslag wordt geboet


maechgescheit = boedelscheiding


maechscheidt = zie maechgescheit


maechswage = aanverwant


maechtael = verwantschap. (tegenover bloedverwantschap) de naaste bloedverwanten


maeck = zie: make


maecken = zie: maken


maeckgescheyt = zie: maechgescheit


maeckinghe = zie: makinge


maecmaker = huwelijksmakelaar


maecsel = een roerende of onroerende zaak die door de rechter kan worden verkocht ter voldoening van een schuld


maecsman = bloedverwant of vriend van een in het huwelijk tredend persoon, die met drie anderen de huwelijkse voorwaarden tussen de wederzijdse ouders in orde maakt


maeg = verwant


maegdaer = ongehuwd, jonge man


maeghedelinghe = boedelscheiding


maegschap = verwantschap


maegsibbe = bloedverwantschap


maegsoene = deel van het zoengeld dat betaald wordt als

schadeloosstelling bij een doodslag of ernstige verwonding


maegswager = aanverwand


maegtale = graad van bloedverwantschap


mael = rechtshandeling

 

maelboom = boom die een grens aangeeft


maeldenier = zie maelgenier


maeldery = maalrecht


maeldrager = postbode, koerier


maelge = gesp, ring, haak om iets mee vast te maken, ook een penning met een waarde, van een halve penning


maelgelt = belasting op het gemalen graan voor de bierbrouwerijen, ook maalloon


maelgenier = marskramer voor kleine voorwerpen van metaal


maelget = houten hamer


maelgetter = krijgsman met een strijdhamer


maelgie = zie maelge


maelloen = zie maelgelt


maelloot = loodje, als vergunning om te malen


maelpegel = merkteken voor het waterpeil bij watermolen


maelslot = slot op een kist


maenboec = registerboek

 

waarin de schulden staan genoteerd


maenbrief = dagvaarding, soms ook schuldbekentenis


maendach = maandag

 

maenen = vragen om een vonnis aan schepen of leenmannen tijdens rechtzitting

maennesse = dagvaarding


maensdach = zie manedach


maent = maand


maents = maandelijks


maerlepit = zie maerleput


maerleput = mergelput


maerte = dienstmeid


maerten = de werkzaamheden van een dienstmeid


maertse = grens


maesjes = doosjes


maet = zie made


maetgelt = meetrecht


maetsem = zie metse


maetsman = metselaar


maexman = zie: maecsman


maeybempd = maailand


maeydagh = maaidag


maeyen = maaien


mag. = afk. Magistor, meerdere, academisch geschoold, meester


magazijn = voorraadschuur, pakhuis


magelein = marjolein

 

Magensche = Mainz


magenscheid = boedelscheiding


magescheid = boedelscheiding. vaak ook als maegescheit


magie = toverkunst, geesthandel, toverkunde


magister = meester, leraar, meerdere


magister civium = burgemeester


magistraat = overheid, overheer (overheerser)


magistri = van de aanvoerder, meester


magnanime = grootmoedig, groothartig, edelmoedig


magnanimiteit = grootmoedigheid


magneet = noordsteen, (magneetijzersteen), zeilsteen (platte steen)


magnificentie = heerlijkheid, pracht, grootdadigheid


magnificq = heerlijk, groots, prachtig


magnitude = grootheid


magnus = groot


magnus = magister, grootmeester


magschaft = bloedverwantschap


magus = tovenaar


maia = mei


maicken = zie: maken


maige = bloedverwant


maii = zie maia


maille = zie maelge


mainplevie = een recht van de man door het huwelijk waardoor hij heer en meester wordt van al de roerenden en onroerende goederen, de inschulden (te innen vorderingen) en acties van zijn vrouw


mainten = afk. maintenant, nu, thans, op dit moment

mainteneren = handhaven, standhouden


maintenue = handhaving, bescherming


maintineren = onderhouden


maion = afk. maison, maison, huis, woning, gebouw, tehuis


maiorennis = zie majorennis


maiores = zie majores


maiseel = vleeshal


maiseele = zie maiseel


maius = mei


majesteit = mogendheid, majesteit, hoogheid, hoogmachtigheid, koning


majeur = meerderjarig(e), volwassen(e)


majeure = zie majeur


majorennis = meerderjarig


majores = voorvaderen, voorganger, voorouders


majus = bloeimaand, mei


makagie = beschikking bij uiterste wil, legaat


make = uiterste wilsbeschikking voor het gerecht gepasseerd


makelaar = tussenhandelaar


makeman = zie: maecsman


maken (enen iet) = bij uiterste wilsbeschikking aan iemand schenken, vermaken


makinge = in het algemeen: een uiterste wilsbeschikking


maladerie = zie maladrie


maladrie = hospitaal


malafide = zie malefidei


malcander = elkaar


malcanderen = tegenover staand(e), overleggen, ook: met elkaar


malcontent = ongenoegen, het ontevreden


malder = inhoudsmaat, speciaal voor graan, 1 malder = 1/22 last, ook gezien 1/18 last en 2 mud en 1/4 mud, Gelderse malder = ca. 125 ltr., een grootte Gelderse malder is ca. 137 ltr.


male = reistas, valies


maledictie = vloek, kwaadspreken, lastring


malefidei = ter kwader trouwe


maleren = in kleur borduren


malerie = het recht op het malen van het graan in een bepaald gebied, een soort banrecht

 

malevolentie = kwaadwilligheid


malget = zie maelget


malgetten = met een houten of loden hamer slaan of bekloppen


malheur = ongeval, ramp

malheureux = rampspoedig, ongelukkig


maligna febri = door een kwaadaardige koorts


maligneeren = met kwade trouw


maligniteit = boosaardigheid


malitie = boosheid, kwaadheid


malkanderens gesigte (in) = tegen over elkaar, elkaar aanziend


malleator = ijzersmid


malt = mout


malversare = zie malversatie

malversatie = slecht beheer, ambts ontrouw, ontrouwe

waarneming van een bediening, verduistering van gelden
mam = vrouwenborst

mamburnus = regent, voogd


man = afk. manouvrier, dagloner


manachier = dreigementen


manbaar = huwbaar


manbode = gerechtsbode aan het feudaal leenhof


mancamer = leenhof


mancipatie = vereigening, overgaaf van en zaak als eigendom, overlevering


manciperen = eigen geven, vereigenen

 

manckaert = manke, kreupele


mancorn = diverse soorten koren ondereen gemengd


mandaat = bevel, last


mandach = gerechtsdag

 

mandaet = lastbrief, bevelschrift, bevel, beveling (lastbrief), daagceel


mandament = bevelschrift


mandans = bevelgever


mandataris = bevelhebber


mandateur = bevelgever


mandeel = het aan een bepaald iemand toekomend deel


mandeeren = bevelen, bevel doen, belasten, lastgeven


mandel = aantal stroschoven, soms 12 soms 16


mandemakere = mandenmaker 


mandement compulfoir = dwanglevering, een dagbrief met dwanglevering is een dwangbrief waarbij een gerechtsschrijver wordt gedwongen of bevolen om iemand een afschrift van een
gewezen vonnis of dingtalen te geven of gedagvaard om de reden te geven waarom hij dat nalaat


mandement compulforaal = zie mandement compulfoir
mandement = de appel brief van appel waarin iemand wordt gedagvaard te verschijnen voor een hoger hof of hogere rechter
mandement de appel in forma = brief van beroep waarin het gewezen vonnis van een lagere rechtbank geen voortgang in uitvoering zal hebben terwijl men in beroep is bij een hogere
rechtbank


mandement de appel in forma = met de clausule van inbibitie
zie mandament de appel in forma


mandement impetreeren = in een dagbrief verzoeken iemand te dagvaarden


mandement in actie te institueeren =een dagbrief (dagvaarding) om zijn vermeend recht in te stellen, een dagbrief(dagvaarding) waar bij iemand een ander die zich laat verluiden (zoals bericht wordt) iets tot zijn laste te hebben, dagvaard, dat hij het zelfde rechtelijk zal hebben in te brengen


mandement in cas petitoir = een dagbrief, (dagvaarding) van rauwe eis (eis zonder voorafgaande aanmaning of toestemming van de rechter) of een dagvaarding van eerste eis, waarbij een
eiser van een gedaagde iets rauwelijk of ten eerste, zonder te voren daar over recht gesproken te hebben, is eisende als zijn eigen goed


mandement in cas van asfeurantie =een dagbrief (dagvaarding) om een verzekeraar uit rechte van verzekering te dagvaarden

mandement in cas van indemniteit =een dagbrief, (dagvaarding) om schadeloos gehouden te worden. Of een
dagbrief, (dagvaarding) waarbij iemand een ander dagvaard ten dien einde, dat deze hem alle schade op enig goed valland volgens belofte zal hebben af te keren


mandement in cas van salaris = een dagbrief (dagvaarding om te hebben betaling van zijn verdiende loon
mandement in cas vanguarant = een dagbrief, (dagvaarding) in geval van vrijwaring, waarbij iemand een ander dagvaard, ten einde dat bij hem zal vrijwaren voor de uitwinninge (verhalen)


mandement om betaling van renten = een dagbrief (dagvaarding) om te hebben betaling van de jaarlijkse geldwinning (geld opbrengst)


mandement om de arrementen van een proces aan te nemen
= een dagbrief (dagvaarding) om een geding te hervatten, een dagbrief (dagvaarding) om een zaak van een overledene aan te nemen en voort te zetten


mandement om een obligatie te kennen = een dagbrief (dagvaarding) om een handschrift te herkennen of te onkennen


mandement pænaal = een dagbrief (dagvaarding) met boetedwang, waarbij iemand op straffe van een hoge boete iet verboden wordt te doen


mandement van arrest op een persoon = een dagbrief (dagvaarding) met verlof tot aanhouding van de persoon, als de
aanlegger (hij die dagvaard) in zijn verzoekschrift te kennen geeft dat de gedaagde een vreemde is of verdacht wordt van vluchten


mandement van beneficie van inventaris = een dagbrief (dagvaarding) om een boedelbeschrijving en/of goederen te geven


mandement van cessie = een dagbrief (dagvaarding) om zijn inschulders te mogen dagvaarden om afstand te mogen doen van zijn goederen


mandement van complainte = de klacht die men doet in cas van nieuwigheid, als iemand in zijn rustig en vredig
bezit geweld, of hinder aangedaan werd


mandement van declaratie van schade en de interresten
over te nemen =  een dagbrief (dagvaarding) waarbij iemand een andere om welke reden er schade is ontstaan of heeft gehad dagvaard om die rekening over de geleden schade over te nemen en de schade te vergoeden, ’t welk plaats heeft als er
toezeggingen zijn gedaan


mandrita = herder, monnik


mane = ’s morgens vroeg, vroeg in de morgen


manedach =  maandag


maneet = leenmanseed, leeneed


maneit = de tijd van een man tussen zijn 20e en 50e jaar


mange = een werptoestel voor stenen, blijde


mangeding = terechtzitting van een leenhof


mangelborden = schrobborden


mangelstocken = om wasgoed uit het hete water te halen


mangelt = zoengeld voor een zeer zware mishandeling en doodslag


manger = verkoper van etenswaar etc.


manghelijnghe = onderlinge koop en verkoop van goederen

mangheltuchte = handel


manheit = zie maneit


manheve = het gewicht aan koopwaar die een man kan heffen


manhuus = oudemannenhuis


manhuys = leenhof


maniement = handelingen


manier = manier, wijze, zede


manifest = manifest, openbaar, verklaring


manifesteren = manifesteren, openbaren, verklaren

maninge = de vraag om een vonnis door de schout, oproeping om voor het gerecht te verschijnen, invordering van een (geld)schuld


manisse = zie maennesse


manleen = een erfelijk leen in de mannelijke lijn


manlijcheit = de mannelijke geslachtsorganen, mannelijk karakter


manmate = oppervlaktemaat, oppervlakte die een man maaide in een dag


mannbar = meerderjarig


manne-staeghe = manshoogte


mannen = uithuwelijken


mannen (hoir) = een man nemen, huwen


mannewaerhede = woord van eer


manoordeel = door een leenman gewezen vonnis


manquement = ontbreken


manqueren = ontbreken, in gebreke blijven
mans = vochtig, nat


manslachtich = moorddadig


manslachtigheyt = moordneigingen


mansman = achterleenman


mansoor = mannelijke nakomelingen


mansstoel = stoel met leuning


manssurcoot = mantel


mansuarius = boer, keuterboer


mansuetude = zachtmoedigheid


mansus = grote hoeve


mantelinge = beplanting


mantelkind = bij wettiging door een huwelijk nam de moeder het kind onder de linker mantelslip en daarna was de (schand)vlek van onechtheid verdwenen


mantrouwe = erewoord, op mijn eer als man


manu propria = eigenhandig, bv ondertekend


manuaal = handboek, handdoek, handzaam


manufacture = handwerksel, voortbrengsel


manumiteeren = vrijlaten, ontslagen, vrijmaking


manwijf = getrouwde vrouw


maquerelle = koppelaarster


maraan = Spanjaard, Spaanse jood (scheldwoord), ook: ’varken’ als scheldwoord


maras = moeras


marbelsteen = marmer


marc = gewicht voor goud en zilver te wegen


marcas = betaalmiddel, mark


marcboom = grensboom of grenspaal, grensmarkering


marchand = colporteur straatkoopman


marcheeren = aantrekken, aantreden, streven


marckgeldt = overdrachttaks


marckvoocht = provoost


marctcorf = gesloten mand


marctemar = visemmer voor naar de markt


marctmoeder = vrouw belast met het schoonhouden van de marktplaats


marctridder = zwendelaar, oplichter

marcttaïnge = samenscholing van gewapend volk op de markt


marctvager = straatveger


mare = poel, moeras, buitendijkse geul


maréchal ferrant = hoefsmid


marellen = spel met 12 of 9 stenen of platte schijven


marge = kant, bladrand, boort


mariage = huwelijk


mariage de conscience = huwelijk gesloten na samenleving


mariage de convenance = huwelijk uit berekening


mariage in extremis = huwelijk op het sterfbed


mariage trouver la nappe = een vrouw huwen die reeds haar eigen meubels en inboedel heeft


marinarius = matroos


maris = van de man, echtgenoot


marita = bruid, echtgenote, getrouwde vrouw


maritata = getrouwd


maritatus = zie maritata


mariti = echtpaar


maritus = bruidegom, echtgenoot, getrouwde man


maritus et tutor legitimus = wettig man en voogd


markebanken = gerecht voor geschillen over de marktrechten etc.


markeboec = boek waarin de marktrechten zijn opgeschreven


marken = brandmerken


marleput = mergelgroeve


marpahis = stalmeester


marque = merkteken, teken


marquer au fer rouge = brandmerken

marquis = markgraaf


marraine = meter, doopmoeder


marscalcus = maarschalk


marschenares = huurling


marsuparius = tassenmaker

 

marte = zie maerte


marteel = ijzeren hamer, strijdhamer, moker


marterwoche = laatste week voor Pasen


martii = van maart

martius = maart


martse = zie marteel


mas = van het mannelijk geslacht, echtgenoot


masculin = mannelijk


masculini generis = van het mannelijke geslacht


masel = slachthuis, vleeshal


masier = armoedig huisje


masiere = stenen of lemen omheining om tuin, kerkhof, maar ook een kast in de muur


masque = mom, aanzicht, grijns


masqueren = vermommen, mommen


massacre = moord, moorden


massacreren = vermoorden, moorden

massarius = pachter


masse = klomp


masseur = zuster


massif = dicht, hecht, vast, louter


mastledere = zeer lange ladder


mastschaep = mest schapen, schapen speciaal voor het vet gefokt


maten = inhoudsmaat voor graan = ca. 43 ltr.


Mater = moeder


mater meretrix = ongehuwde moeder


materiaal = stoffelijk


materialista = handelaar


materie = stof, sake, etter


materna = meter


maternel = moederlijk, van ’s moeders lijve


maternitas = moederschap


maternus = van moeders zijde


matertera = tante van moederszijde


matertera magna = oud- of groottante van moederszijde


matertera major = achteroudtante of achtergroottante van moederszijde


materterna = peet


materus (bvn) = van moederszijde


matewonde = afmeting van een wond, afmeting bepaalde de hoogte van de boete voor de dader


mathæse = wiskunde


matiarius = worstmaker


matinus = maart


matricularius = koster


matrikel = register, kerkregister


matrima = minderjarige dochter, waarvan de moeder nog leeft


matrimoni vinculo copulati sunt = zijn verbonden door de band des huwelijks


matrimonialis = echtelijk, wettig


matrimonialiter copulati sunt = zijn in de echt verbonden


matrimonie = huwelijk, echt, moedersgoed


matrimonio coniuncti = in de echt verbonden


matrimonio coniungere = in de echt verbinden


matrimonio coniunxi = ik heb in de echt verbonden


matrimonio juncti sunt = zijn in het huwelijk verbonden


matrimonium = huwelijk


matrimonium clandestinum = geheim huwelijk


matrimonium claudicans = wettelijk onvolkomen huwelijk


matrimonium coniuncti = zijn in het huwelijk verbonden


matrimonium conscientiae = geheim huwelijk


matrimonium contrahunt = sluiten een huwelijk


matrimonium contraxerunt = hebben een huwelijk gesloten


matrimonium inierunt = zijn een huwelijk aangegaan


matrimonium morganaticum = niet volgens zijn stand gehuwd, huwelijk met de linkerhand, morganatisch huwelijk


matrimonium occultum = geheim huwelijk


matrimonium putativum = (zogenaamd=) ongeldig huwelijk


matrimonium virgineum = Jozefhuwelijk, kuis huwelijk


matrimoniun juncti sunt = zijn in het huwelijk verbonden


matrimus = minderjarige zoon, waarvan de moeder nog leeft


matrina = meter, peetmoeder, stiefmoeder, ook: peettante


matris = van de moeder


matris soror = moeders zuster


matromonio ex primo = uit het eerste huwelijk

matrona = voorname gehuwde vrouw, vrouw van stand, vrouw op gezette leeftijd


matrone = huismoeder, eerlijke vrouw


matruela = dochter van de zuster van de moeder


matruelis = neef, nicht, zoon of dochter van tante


matse = knots, strijdhamer


matselaere = metselaars


matsen = metselen

 

matte = beddenzak, matras, strozak


mattenmacher = matrassenmaker


matteren = moede maken


matulinam = in de morgen


mature = (vroeg)tijdig


maturiteit = rijpheid


matutinam = zie matulinam


matutinus = in de morgen, vroeg in de morgen


maximegrond = grondregel, grond


mayen = maaien


mc = afk. on compte, mijn rekening


md = afk. marchand, koopman, handelaar, verkoper, winkelier


Md. = afk. huw. akte, moeder van de bruid


me = afk. maitre, meester (in de rechten)


me = afk. maître, meester in de rechten, advocaat, heer, vrouw, meester(es), gebieder, baas, onderwijzer(es), leermeester, schoolmeester, voorganger


me = afk. mère, moeder, moederdier, r.k zuster, moeder-overste

me = zie afkorting me


Me. = afk. van Mâitre, rechtsgeleerde bijvoorbeeld advocaat, notaris

mea = zie meus


mea licentia = met mijn toestemming

mechanice = ambachtsman, handwerker


medalie = medaille, pronkstuk, potpenning


mede = wei- of hooiland


medeborge = is met iemand samen borg voor iets


médecin = arts, dokter


mededeler = compagnon, deelhebber, vennoot


medegave = bruidsschat


medegeven (enen iet) = goed aan zijn kind bij het huwelijk meegeven


medeheemrader = medebestuurder van de dorpsgemeente, gemeenteraadslid


medehelpen = mede-erfgenamen

medehoir (s) = mede erfgenaam


medeleven (enen iet) = zich bij gelegenheid van het huwelijk van zijn kind verbinden tot het uitkeren van een geldsom of een rente


medeliggen = bijslaap, gemeenschap hebben


medelijftocht = lijftocht van een weduwe bij het scheiden van de boedel


medelijftochte = de lijftocht die een weduwe meekrijgt bij haar scheiden uit den boedel


medelopen = zich verbinden (borg geven) om aan een kind bij het trouwen een bepaalde som (goederen) mee te geven


medemoeder = doopmoeder


medemolen = meekrapmolen


medepant = onderpand


medereder = verfbereider uit meekrap


medevader = doopvader


mediateur = middelaar

mediatie = bemiddeling


medicamente = medicamenten, geneeskruiden, geneesmiddelen, artsenij


medicijn = arts


medicijne = medicijn, geneesmiddel, geneeskunde


medicinaal = heelzaam (genezend)


medicinæ = doctor, stadsdokter


medicineren = genezen, helen


medicus = doctor, stadsdokter ook: de middelste vinger


medicyne = zie medicijne


mediëren = middelen


medietas = helft


mediocre = middelmatig, middelbaar


meditatie = betrachting, bezinning, overleg


mediteren = betrachten, overwegen, bezinnen


meelassijs = accijns op meel, belasting op meel


meelder = molenaar


meen = gemeenschappelijk


meenboedel = onverdeelde boedel, gemeenschap van goederen


meenheit = burgerij


meenre = voerman


meenreweide = gemeenschappelijke weide


meensliede = gezworenen uit de burgerij, vertegenwoordigers van de burgerij


meente = gemeente, burgerij, marktplaats


meentemae = gemeenschappelijk hooiland


meenten = gemeentewerken, algemene onderhoudswerken


meentevolc = het mindere volk


meentocht = vergadering van gerechtigden, ingelanden


meenwerc = werkzaamheden van algemeen belang waartoe burgers werden opgeroepen bijvoorbeeld wachtlopen


meesteklercke = hoofdklerk


meester = persoon die in zijn beroep de meesterproef heeft afgelegd en als zelfstandige mag werken en leerlingen opleiden


meesteren = genees -of heelkunde bedrijven, cureren


meestergelt = verschuldigd loon aan de meester van een ambacht

meesterknaap = ambtenaar die in houtvesterij zaken rechtspreekt, opzichter over een werkplaats, intendant, rentmeester


meesterman = baas, persoon onder de meesterman in rangorde


meesterproef = afsluitende proef van bekwaamheid van een gezel om na slagen zich meester te mogen noemen


meet = weiland, hooiland ook een landmaat


meet = zie made


meetland = wei- of hooiland


mei parochiani = mijn parochianen


meinake = medeplichtig aan moord of doodslag


meisen = minderjarig meisje

 

meisniede = de gezamenlijke huisgenoten, het gehele gezin, de familie inclusief het personeel


melancolie = zwaarmoedigheid, zwartgalligheid


melancolijcq = zwaarmoedig, zwartgallig


melber = meelhandelaar


melcspice = vat voor melk


meldebert = boodschappenleitje


melesoen = zie menisoen


melisoen = buikloop


melk-aaden = melkvaten


melkmengel = inhoudsmaat 1 melkmengel = 2 mengel ca. 1.8 ltr.


melle = molen


mellen = trouwen


mellicida = bijenhouder, imker


melnare = molenaar


melodie = zoet geluid, zoet luidendheid, zanggekweel


melodieus = zoetluidig


melxkesen = kazen van zoete melk


membranarius = perkamentmaker


membrane = vlies


membrum = lid

 

memoriaal = gedenkboek, kladboek


memoriabel = gedenkwaardig


memorie = zielenmis


menage = huisraad, huishouding, huisgezin, huislijkheid


menageren = huishouden, met omzicht en de maat gebruiken, zuinig zijn


mendeltag = witte donderdag voor Pasen


mendica = bedelares


mendicans = bedelaar, bedelen


mendicus = zie mendicans


meneen = treken


menestreel = muziekmaker


mengel = inhoudsmaat, 1 mengel = 2 pint, = 1,5 stoop


menger = handelaar


menisoen = buikloop


menist = doopsgezinde


menkeler = koopman


mennegat = weg over andermans land, ook gat in de weg

menneroede = rijzweep


menneweg = weg waarover de wagens reden om de oogst

binnen te brengen


mensa pauperum = armen tafel


mensator = meubelmaker, paneelmaker


mense = in de maand


mensel = metalen ring om stokeinde, om splijten te voorkomen


mensis = maand

mensium = maanden


menstruus = een maand oud, maandelijks


mensure = maat, maatslag, roetale


mensurnale = dertigste


mentie = mededeling, vermelding, melding, gewag


mentioneren = melden, gewagen


menu = afk. menuisie, timmerman voor fijn timmerwerk, meubelmaker, schrijnwerker


meo consensu = (de) met mijn toestemming


meraude = smaragd


meraude = zie miraude


mercator = koopman


mercator cerae = washandelaar


mercator ferri = ijzerhandelaar

mercator granorum = graanhandelaar


mercenarius = dagloner


merckel fronton = driehoekige versiering aan bovenzijde gebouw


mercurii dies = woensdag


merdaelge = mestvaal, ook verachtelijk volk


mere = modderige plaats, schandpaal


mère célibataire = ongehuwde moeder


merer = ambtenaar belast met het afpalen (= grens aangeven) van de eigendomsgrenzen


meretrix = prostitué, deerntje, snol


mergen of morgen = landmaat, betekend letterlijk de hoeveelheid grond die voor de middag geploegd kan worden (ca. 1 ha)


mergendus = de dopeling

mergentaal = aantal morgens of mergens


mergschonk = ruggengraat


meridie = op het middaguur


meridies = middag


merite = verdienste


merke = grenssteen, grenspaal


mersch = moerasland, vochtig land omgeven door waterlopen


merseman = rondtrekkend koopman met merse (koopwaar) ook marskramer, verkoper van kleine waren


merzler = marskramer


meschant = snoot


mescontent = onvernoegt (misnoegen)


mescontentement = ongenoegzaamheid, misnoegen


mescontenteren = misnoegen


mesekiste = schanskorf


mesel = meestal doelend op melaatsheid, slecht aan toe zijn

mesgroeve = mest- en/of beerput


meshegtjen = het heft van een mes


mesmaker = messenmaker


mesrode = kettinghond, hond op het erf als bewaker


mess = afk. messidor, maand van de oogst


messade = mest, uitwerpselen


messagier = veldwachter


messe = afk. messire, edele heer


messelgier = stadsbode


messene = zie mesgroeve


messers = afk. messieurs, mijne heren


messidor = juni


messien = zie messade


mestgat = weg over andermans land om de mest over te vervoeren


mesus = misbruik, verzuimmet onze handen eigenhandig
met proffijt met voordeel


met wille ende consent = met goedkeuring van


met’er woon = metterwoon, van hier uit (vertrokken)


metaal = bergwerk, goudmengsel


metalen = heraldiek teken, goud en zilver, weergegeven door geel en wit


metator = proever


mete = oppervlakte- en landmaat, is het zelfde als gemet


metekrynck = verbonden, huwelijk(s verbintenis), verwantschap


metropool = hoofdstad


mets = zie metse

metse = metselaar


metsen = metselen


metsgaders = zie mitsgaders


mette = doopmoeder, meter


mettebote = pantoffels, warme schoenen voor de vroegmis


metten = eersten bij de eerste gelegenheid die zich voordoet, zo spoedig mogelijk


mettene = vroegmis of nachtmis, vaak om 3 uur ’s nachts


meu = tante, nicht en stiefmoeder


meubelen = tilbare goederen, inboedel, roerende goederen


meui = zie meu


meuje = zie meu


meuke = inhoudsmaat voor graan, 1 meuke = 1/4 zak


meurt = hoeveelheid gehakt of gezaagd hout ca. ¼ m3


meurte - lengtemaat, 1 meurte 


meus = mijn


meuse = Maas


meuse inferieur = het gebied ten oosten van de maas


meyeavont = de dag vóór 1 mei


meyer = hoofd van het personeel op een boerderij, in oorsprong de hoofdknecht die de boerderij zelfstandig runt en bestuurt, ook rentmeester, ook: boerderij, degene die een boerderij bestuurd voor de ’heer’


meyster van recht = jurist, gepromoveerd in het Romeinsche en Canonieke recht

mezekouwen = openingen boven toegangen in de gevels waar doorheen men kokende olie, stenen en ander vuil kon gooien op aanvallers


Mg = afk. huw. Akte, moeder van de bruidegom


mgr = afk. Magistor, meerdere, academisch geschoold, meester


middelbaere = van diverse afmetingen


middelderlands = de "Nederlandse" taal van 1150-1550


middelen = geldmiddelen


mids-gaders = zie mitsgaders


midvasten = de 4e en soms de 3e donderdag voor Pasen


midwinter = 25 december


midzoemer = zie midzomer


midzomer = 24 juni


mieden = huren, ook graslanden


miestekoe = gemeste koe


miesten = mesten


miesterij = heelkunde


mietling = dagloner


mignon = troetelkind


migr = afk. migratie, verhuizing, verplaatsing


migreren = verhuizen


mijn water makende = urineren(de)


mijne = gelaat


mile = het gebied, dat zich een mijl ver rondom een stad uitstrekt, en waarover grote steden zich veelal zeker recht van toezicht aanmatigden

 

"bannmeile", "banlieue." miles dimissus gepasporteerd = soldaat, met een paspoort (getuigschrift) uit de dienst ontslaan


miles gregarius = gewoon soldaat


miles hollandicus = Hollandse soldaat


miles in servitio Hollandorum = soldaat in dienst van de Hollanders


miles,(itis) = soldaat


milies = duizendmaal


militair = oorlogs (betrekking hebbend), die in krijgsdienst is


militeren = tegenstrijden, strijden


militie = oorlog


militus = soldatenkind


millesimus = 1000e


millioen = tien honderd duizend, honderdduizendtig


mimesis = na-apen


min van waerdije = van weinig waarde


minderzahl = een getal van een jaartal met de weglating van de honderdtal nullen


mineur, mineure = minderjarig (e)


mingel, mengel = inhoudsmaat, 1 mengel = 2 pint, = 1,5 stoop


minister = dienaar


minister Verbi divini = dienaar des Goddelijk woord, predikant


ministerie = bediening, dienst


ministreel = zie menestreel


minnehuis = oudenliedenhuis, bejaardenhuis


minor Ætas = minderjarigheid, onmondigheid

minorennis = minderjarig


minorese = minderjarige


minoriteit = minderjarigheid, onmondigheid


minuteren = ontwerpen


minutor = aderlater, heelmeester


minuut = goedgekeurd en vastgesteld, consept, voorschrift, kladde


minuyte = minuut, op moment


mirakel = wonderwerk, wonderdaad


mirakelspel = toneelspel waarin een wonder wordt uitgebeeld dat aan god of een heilige wordt toebedeeld


miraude = smaragd


mirkelick = merkelijk, aanzienlijk


miscontentement = ongenoegen, misnoegen


miscontenteren = misnoegen


misdanken = weigeren


misdoen = een zwaar misdrijf plegen


mise = een vrouw huwen die reeds haar eigen meubels, inboedel heeft


mise = onkosten, uitgifte


misen = kosten


miserabel = ellendig, deerlijk, jammerlijk


miseratie = erbarmen, deernis


misere = jammerlijk


miserecorde = barmhartigheid


miserere = mei 15e zondag na Drievuldigheid


misereri = ontfermen, erbarmen


misericordia domini (plena est terra) = 2e zondag na Pasen


miserie = ellende, jammer, deerlijkheid, jammerlijkheid, ellendigheid


mishoop = mesthoop


misogame = huwelijkshater


misogamie = huwelijksverachting


misogynie = vrouwenhaat


mispelbloem = heraldiek teken, Gelderse bloem, meestal met vijf smalle bladeren


missa angelica = de engelenmis, uitvaartmis voor kinderen


missaeken (van iet) =  iets ontkennen, voor vals verklaren, ook ontkennen dat men iets bezit, verbergen


missive = officieel ambtelijk schrijven, brief, schrijven


mißive = zendbrief


missiven = dienstbrief


missyfbrief = zie missiven


misterie = verborgenheid


misvallen = miskraam


mite = betaalmiddel, koperen munt, gelijk aan 1/3 penning


mitigatie = verzachting


mitigatie = zie mitigeren


mitigeren = verzachten, verlichten, matigen


mitsgaders te samen = met bijvoorbeeld inwonen bij een familie


mitten scarpsten examinieren = op de pijnbank leggen


mittfasten = de 4e en soms de 3e donderdag voor Pasen

mittsommer = 24 juni


mittwinter = 25 december, kerstmis


mixi sunt = zijn gehuwd in een vreemde parochie


mixte = gemengd


mixtus = zie mixte


ml-ft = afk. maréchal-ferrant, hoefsmid


MM = afk. Monsieur, mijnheer, meneer, (de) heer


Mme = afk. Madame, mevrouw, dame


Mmes = afk. Madames, dames


mmes = afk. Mesdames, dames


mobile = mobilair, roerend, beweeglijk


modde = modderpoel


mode = mode, wijze


model = voorbeeld, ontwerp, schets, ontwerp, toonbeeld


moderamen = bestuur van een kerkelijke vergadering


moderateur = middelaar, tussenspraak


moderatie = bemiddeling, matiging


modereren = middelen, matigen


moderne = hedendaagse


modest = zedig


modestie = zedigheid


modice de suis vivens = bescheiden van zijn eigen geld levend


modificatie = matiging, bemiddeling


modiste = hoedenmaakster


modo = onlangs


moederader = naam voor slagader bij vrouwen


moederateurs = zij die de overeenkomst hebben geregeld


moeghen = mogen


moei = zie moeije


moeie = zie moeije


moeij = zie moeije


moeije = tante, nicht, ook stiefmoeder


moer = moeras, drassig land


moerachtig = terrein drassig terrein


moermaal = gezwel, gat of openwond aan een been


moerman = turfboer


moermeester = belast met het toezicht op het vervenen van het moeras


moersmokkel = dievegge


moeskopper = plunderaar, zwervend soldaat


moeye = zie moeije


moeyekint = kind van een moei, tante, nicht en stiefmoeder


mogen = kunnen


moijen = maaien


mol = mol, zacht, murw


mola = molen, ook gezien molensteen


molarius = molenaar


molde = melkvat

moldenhauer = troggenmaker 


molder = inhoudsmaat, speciaal voor graan, 1 molder = 1/22 last, 1/18 last en 2 mud en 1/4 mud,  Gelderse molder = 125 ltr., Gelderse molder = 137 ltr


molendinarius = zie molarius


molendium = zie mola


molensteller = stelde de schrobbemolen in, onderdeel van de voorspinmachine voor het weven van lakenstof


molenvat = inhoudsmaat, speciaal voor graan, 1 molenvat = 2 halster, 4 halster = 100 kg.


molest = overlast, lastigheid, verveling, kwelling


molesteren = overlasten, lastig zijn, moeilijk vallen, kwellen


moliëren = wroetten, stichten, aanrichten, betrachten


molina = zie mola


molitor = molenaar


mombaer = voogd, door zijn bloedverwantschap met de pupil als zoodanig aangewezen


mombaerscap = voogdij


momber = voogd over onmondigen (minderjarigen en vrouwen)


momberscap = zie: mombaerscap


momboirs = voogden, voogd


momboor = zie momboirs


momboor mane = ’s morgens vroeg, mannenkraambed, bij sommige primitieve volkeren bestaat het gebruik dat de man enige tijd in bed blijft nadat zijn vrouw van een kind bevallen
is, moment, ogenblik


momus = nijdiger, hekelaar, spotter


monachus = monnik, kluizenaarmonarch = vorst, overheer


monarchie = een persoon regering, alleenheerser


monasterium = klooster


mondigen = mondig maken, zelf mogen handelen als de leeftijd van 25 jaar nog niet was bereikt (meerderjarig)


mondigheid = handelingsbekwaam


monetarius = munter, muntmeester

 


monialis = non, religieuze


monicie = waarschuwing, een gerechtelijke akte die aan de excommunicatie moet voorafgaan


monitie = vermaning


monitiones = huwelijksafkondiging


monitum = kerkelijke vermaning


monksuer = monsieur


monopolie = voorkoop, opkoop, inkoop


monopoliëren = verkopen, opkopen


mons = monsieur


monsr = afk. Monsieu


monster = ondier, misgeboorte, wanschepsel, schrikdier, gedrocht, staal


monsteren = tonen, pronken


monstrantie = vertoning


monstreus = wanschapen, misvormd, gedrocht

mont = berg, heuvel


mont = voogdij


montcost = geven te eten geven


monteren = monteren, opklimmen, bedragen, toerusten


monument = monument, gedenkteken, graf


moordgaten = de openingen tussen de kantelen


moortbrander = opzettelijke brandstichter


moortbrant = zie moortbrander


moortdaet = moord met voorbedachten rade


moosgat = voorloper van gootsteen


moraal = moraal, zedelijk, zedig


moram gerens = verblijvend


morbis = door ziekten


morbo = door ziekte


morbo colico = door een darmziekte


morbo contagioso = door een besmettelijke ziekte


morbo febrili = door een koortsachtige ziekte


morbo incognito = door een onbekende ziekte


morbo languido = door een kwijnende ziekte


morbo levi = door een lichte ziekte


morbo pectorali = door een borstziekte


morbo variolorum = door pokken


morbu caduco = door de vallende ziekte


morbus = ziekte


more christiano = op christelijke wijze


morellinge = een spel, met 12 (of 9) steentjes gespeeld


morganatisch huwelijk = niet volgens zijn stand gehuwd, huwelijk met de linkerhand. geldig huwelijk tussen een man van hogere adel en een vrouw van lagere stand, welke
burgerlijke uitwerking door een bijzondere, het standsverschil van de vrouw en de kinderen regelend verdrag uitgesloten is


morgen = oppervlakte maat, groot ca. 0,8-1 ha, in elk deel van het land anders van, oppervlak. de oppervlakte die men in een morgen kon ploegen, hooien, 1 morgen = 6 hondt = 600 roeden (Rijnland) 1 hondt = ca. 1419 m2, 1 roede = 14 m2


morgengave = geschenk van een man gegeven ’s morgens na de eerste huwelijksnacht aan de vrouw, vaak ook zijn geldelijke inbreng in het huwelijk


morgengeld = bijdragen van de ambachten aan de kosten van waterschap, de kosten werden omgeslagen naar het aantal hoeve/oppervlakte


morgenster = heraldiek teken, knots met ijzeren punten


moribundorum sacramenta = de sacramenten der stervenden


morientium sacramenta = de sacramenten der stervenden


moris est (ut) = zoals gebruikelijk is


morose = korzelig, kwaad, gemeen, prikkelbaar


morositeit = korzeligheid, kwaadheid


mors = een lijk, de dood, het overlijden


mors civilis = burgerlijk dood, verlies van burgerrechten, zijn burgerrechten verloren hebben


mort = afk. mortuus, gestorven, overleden. ook: dood


mort-né = doodgeboren


mortaal = mortaal, dodelijk, sterfelijk

mortalitas sacra = in de zaligheid gestorven
mortaliteit = sterfelijkheid


mortaliter laesus = dodelijk gewond


morte improvisa = door een onvoorziene dood


mortel = aangebakken aarde, gruis, cement


mortificatie = doding


mortificeren = doden, uitdoen, te niet doen, ook: in de dode hand brengen


mortis causa = ter zake des doods


mortua = gestorven, overleden (vrouw)


mortualia = rechten, kosten voor de begrafenis


mortuus = gestorven, overleden (man)


mosa = de Maas


mosacensis = Maastrichts


Mosæ Trajectum = Maastricht


mossor = proever


mote = heuveltje


mothuis = bordeel, huis van ontucht


motie = roering, beweging


motijf = beweegreden, grondoorzaak


motte = versterkte heuvel, vaak staat er een verdedigingstoren op


mottoen = betaalmiddel, gouden munt omstreeks 1300


mouchoir = klein soort pistool


moulin = molen


moulin à eau = watermolenmolen


moulin à vent = windmolen


moulu = geradbraakt


mourik = oppervlaktemaat, 1 mourik = 25 vierkante roeden,  1/4 hond


mout = zie mouw


mouterpacht = maalloon


moutery = verzameling gemalen meel van gerst grutten etc. ook maalbedrijf

mouw = langwerpige houtenbak voor melk af te romen


mouwer = korenmaat, 1 mouwer = 2 mud, = 8 lopen, = 3 sisters rocx


movement = roering, beweging


moveren = roeren, bewegen


moverend = bewegend


moye = moei, tante,ook nicht en stiefmoeder


mre = afk. mestre, mettre, zetten, leggen, plaatsen, stellen


mrs = afk. messieurs, mijne heren


ms = afk. messidor, maand van de oogst


msre = afk. messire, edele heer


mtrm. = afk. matrimonium


mud = inhoudsmaat meestal bij graan, 1 mud = 4 schepel, ca 430 tot 630 ltr plaatselijk wijken de hoeveelheden sterk af, ook: oppervlaktemaat, 1 mud = 0,4 ha, Bijna elke streek had zijn eigen oppervlakte maat per mud 3-0,8 ha., ook: inhoudsmaat:
hectoliter korenmaat van 120 pond,1 mud ca. 70 kg., 1 mud = 6 sisteren, = 108 gelten. (in Vlaanderen), ook: landmaat: zoveel land als met een mud graan bezaaid kan worden (40 aren)



mudde = landmaat: zoveel land als met een mud graan bezaaid kan worden (40 aren)


mudzaat = oppervlaktemaat, 1 mudzaad = 16 vatzaad = 12 lopenzaad


muercorster = stucadoor, figuur pleisterwerkmaker


mueren = veranderen


muerplaet = balk op metselwerk


muhme= tante, nicht, verwante


muilstooter = kwakzalver


muit = gevangenis


mulcte = boete, geldboete


mulcte(e)ren = straffen met een geldboete


mulcteren = boeten, straffen


muliebris = vrouwelijk


mulier = vrouw


mulieris = van de vrouw


mulitos = molenaar


multi allii = vele anderen, met vele anderen


multiplicatie = vermenigvuldiging


multipliceren =  zie multipliceren


multis = met vele anderen


multis aliis = zie multi allii


multitude = menigte, veelheid


multor = zie mulitos

 


multorum mulier = vrouw die verschillende echtgenoten gehad heeft

 

munde(e)ren = reinigen, zuiveren


mundeburdus = voogd


mündel = pleegkind, adoptiekind


mundiburdus = zie mundeburdus


mündig = meerderjarig


mundige dagen = volwassenheid


municipaal = plaatselijk


municipaliteits-huwelijk = in het stadhuis gesloten huwelijk


muniëren = sterken, bewaren, beschermen


muniment = bevestiging bewering, bescheid dienende tot bewering van iemands recht


munimenten = bewijsstukken


munire = bekrachtigen met zegel


munitie = rusting


munitus = voorzien van


muntijser = muntstempel


muntysere = zie muntijser


murarius, murator = metselaar


murmuratie = morring


murmureren= knorren, morren


musse = muts


mutatie = verandering, wisseling


muteren = wisselen, veranderen


mutilacien = doodslaan


mutilatie = verminking

mutileren = verminken


mutinatie = oproer, muiterij


mutineren = oproer maken, muiten


mutsaert = takkenbos, stapel takkenbossen


mutsaet = zie mudzaat


mutsereeders = mutsenmaker, pettenmaker


mutsje = inhoudsmaat, 1 mutsje = 1/8 mengel, =ca. 0,15 ltr.


mutueel = mutueel, onderling, over en weer


muulstoter = oplichter die met valse relikwieën het platteland

afloopt en de mensen bedriegt


muye = moei, tante, nicht en stiefmoeder


muyrer = metselaar 


mysterie = verholenheid, verborgenheid, geheimenis 


myszaken = zie: myssaeken