Genealogische woorden beginnend met N

N


N = afk. notarié, notarieel


n = afk. numéro, (rang)nummer, volgnummer, nummer aflevering


N = afk. onbekend


n. = afk. natus, geboren


n.c = afk. notre compte, onze rekening


N.C = afk. Nouve converti, nieuwe bekeerde bekeerling(e), ook voor n.c.


N.D = afk. Nobilis dominus/ domina, weledele heer, weledele dame


N.N = afk. nomen nescio, de naam is mij onbekend


n.st = afk. nouveau style, nieuwe stijl (kalender)


na = afk. notariële archieven


na drie zondagse geboden =koop was pas rechtsgelding na 3 zondagse afkondigingen


naa = naar


naa regten = genoegzaam, volgens de wet voldoende


naaien = vastzetten van gepotdekselde planken met lange spijkers


naaier = kleermaker


naalis = afk. naturalis, natuurlijk (= onwettig kind)


naan = dwerg


naar henne geliefte = naar hun welgevallen


naar stijl = van rechten volgens de gebruikelijke rechtsgang


naat = naaiwerk


nabedde = tweede huwelijk


naber = borenmaker


nabeschreven = later in dit stuk beschreven


nabloed = nabestaande


nabruiloft = maaltijd daags na de bruiloft


nac-raste = hoofdkussen


nachtblaser = nachtwaker


nachtboete = verzwaarde boete voor een in de nacht gepleegd misdrijf


nachtdief = zaadvloeiing


nachtdoecken = hoofddoek door vrouwen ’s nachts gedragen


nachteten = avondeten


nachtkönig = vuilnisophaler


nachtluut = avondklok luiden


nachtmaalsboek = kerkboek, vaak voorzien van zilverwerksluiting


nachtmaaltje = zie nachtmaalsboek


nachtmayen = ’s nachts veldvruchten stelen


nachtmeester = zie nachtmeister


nachtmeister = vuilnisophaler


nachtmoeder = spook, nachtgeest


nachtridder = zie nachtmoeder


nachtroeper = nachtwacht


nachttabbart = nachtkleed

nachtwaerde = nachtwacht


nachtwercker = persoon die de privaattonnen ’s nachts leegt


nacomste = nakomeling


nae = naar


nae behoerlicker geboer = naar behoren


nae usantie = naar gebruik


nae voor = gehouden


kerckenrade = nadat de gehele kerkenraad over de kwestie had vergaderd


naebescreven = onderstaand


naechtgaen = ’s nachts op straat lopen


naeiere = kleermaker, maar ook dakdekker


naekt = inkomende zonder middelen binnenkomen


naeldemakere = naaldenmaker


naer noen = in de avonduren, na de middag


naer recht ende practique = volgens geldend recht


naerbruloften = zie nabruiloft


naergangelijc = toegankelijk


naerheit = recht van naasting, ook: naaste verwante


naerhueraer = zie nahuerder


naerhuure = huur krachtens het recht van naasting


naerman = tweede man, tweede echtgenoot


naerrente = later gevestigde rente


naerstelicke = met nadruk, met klem, ernstig


naesaeten = opvolgers


naestcomende = eerstvolgende


naestcommende = eerst volgende, eerst komende (...dag)


naeste bloedtvrunden = naaste verwanten, de beste familieleden, vrienden


naesten rechtdach = eerstvolgende rechtsdag


naestinge = het recht om, bij verkoop van een zaak door de

eigenaar, die tegen de bedongen prijs aan zich te nemen
naestlesten = voorlaatste (dag van de maand)


naevolchster = opvolgster in recht


naevus = moedervlek


nageneven = volle neven


nahouden (enen iet) = iemand de gelegenheid bieden om een goed over te nemen tegen een zekeren prijs


nahuerder = onderhuurder


nahuwelijc = tweede huwelijk


naitre = geboren worden, ter wereld komen


nakomelingen = rechtsopvolgers, erfgenamen


nam = want


namenfeest = 2e zondag na Driekoningen


namentlijkck = namelijk


nampteren = eiser voorlopig tevreden stellen


namptiseren = handvulling, te berde brengen, opbrenging, het geven van een onderpand ter voorlopige bevrediging, opschieten


namptissement = voor de zekerheid, betaling vooraf onderpand geven voor voorlopige tevredenstelling

napander = later beslaglegging


napelen = vals spelen


napte = steenolie, (petroleum)


narente = rente verkocht of gevestigd na een opgegeven tijd


narratie = vertelling


narratijf = het geen men in de "requeste", of de conclusie tot zijn bewijsreden neemt


narreren = vertellen, verhalen


naseggen (iet) = later zeggen nadat iets anders geschied is


nastaen = achterstallig zijn met...


nat. = afk. natus, geboren


nata = geboren


natale = geboortedag


natalis = geboorteplaats


natalitia = verjaardagsfeest


natie = volk, landvolk, geborenen, inboorlingen


natione = van... nationaliteit


nativitas domini = geboorte van Christus, 25 december


nativitas Mariae = geboorte van Maria,8 september, geboorte


nativiteit = afkomst door geboorte, geboortedag


nativus = geboortig


natuirlijk = geboren oprecht geboren


natuirlijkkind = speelkind, het gevolg een "vrijage" door ongehuwden


natum = zie natus


natum media nocta = geboren te middernacht


naturalis = natuurlijk (onwettig) kind


natus = geboren


natus anno = geboren in het jaar


natuur, van wat... = wat voor soort dan ook


nauta = schipper


nauto = matroos


navector = veerman


navents = ’s avonds


navercopen (iet) = verkopen nadat een zekere gebeurtenis heeft plaatsgehad


navigabell = bevaarbaar, bezeilbaar


navigator = schipper


navis = boot


navitatis = van de geboorte


navium gubernator = stuurman


naweiden = het vee laten grazen in het najaar


nawijf = tweede vrouw, tweede echtgenote


nbre = afk. novembre, november, 11e maand, ook vaak als 9ber geschreven


né (e) = geboren worden, ter wereld komen


né (e) à ... = geboren te ...


nec en = niet


nec non en = eveneens


necess = afk. nécessaire, noodzakelijk, nodig, vereist


necessarie = nodig, noodwendig, noodzakelijk

necessarus moribundorum sacramentis = met de benodigde sacramenten der stervenden


necessitas(tatis) (in necessitate) = noodzaak (in nood)


neceßiteit = noodwendigheid, noodzakelijkheid


necessre = zie necess


necissatis baptismum = nooddoop


necrologium = overlijdensregister


neder = laag


nederbaliu = baljuw met lagere rang


nederbanc = lagere rechtbank


nedercleet = broek, beenkleed, mogelijk ook ondergoed


nedergesoncken = ingeklonken, verzonken


nederliggen = zijn zaak in een rechtsgeding verliezen


nederslach = doodslag


neerbasen = lange onderkousen (onder de wambuis)


neerhuis = bijgebouw bij een kasteel of buitenplaats, zoals een stal , koetshuis, poorters woning


neerkamer = woonvertrek met vloer onder maaiveld


neerslach = zwaar letsel toebrengen


neester = boomgaard


neet = luis


negatie = loochenen, ontkenning, beneming, loochening, tegendeel, het tegenovergestelde


negatijf = ontkennend


nege(e)ren = loochenen, ontkennen, benemen


negel = egel


negenmanneken = betaalmiddel, zilveren munt ca. 1500


neghende = negende


negligent = verzuiming, onachtzaam, achteloos


negligentie = veronachtzaming


negligentieing = verzuim, verwaarlozing, achteloosheid, onachtzaamheid


negligeren = zie negligentieing


negotiant = handelaar, koopman


negotie = handel(aar) in...


negotiëren = handelen, handeldrijven, verhandelen


neille = zie nele


nele = spijker


nelle = zie nele


neminghe = beslaglegging


neomagensis = van Nijmegen


neomagus = Nijmegen


neonatus = pasgeboren


neophytus = eerst voor korte tijd toegetreden of gedoopt


neosponsi = de jonggehuwden


neostadiensis = van Nieuwstadt


nepos = kleinzoon, neef


nepoten = begunstigde verwanten


nepotes = kindskinderen, nakomelingen

nepotisme = neefbegunstiging, familiebegunstiging, nepotisme in de zin van, familieregering, het verlenen van baantjes aan familieleden, begunstiging door hoog geplaatsten van
bloedverwanten


nepta = kleindochter, nichtje


neptes = zie nepotes


neptis = kleindochter, nicht


nesciens scribere = niet schrijven kunnende


nescius = onkundig


neteldoekse = doek van netvezels


netor = naaister


netrix = zie netor


neusdoecken = zakdoeken


neuter = neutraal, onzijig, generlei


neutraliteit = onzijdigheid


neveu = neef


neygerin = naaister


nf = afk. nul, nul, nietig, waardeloos


NH = afk. Nederlands Hervormd


ni, nivo = afk. nivose, maand van de sneeuw


nicht = bloedverwante


nièce = nicht


niet = niets


nieuloopich = nieuwsgierig


nieus = opnieuw, nieuwe


nieuwdach = nieuwjaar


niewelaer = wafeltjesbakker, obliebakker


nigromanticus = tovenaar


nihil = niets, niet-met-al, niets ter wereld, nul


nihilpendeeren = niet achten, versmaden


nije = zie nye


nijle = zie nele


nivo = afk. nivose, december, maand van de sneeuw


nivôse = december


nob = afk. noble, edel, statig, nobel


nobel = betaalmiddel, gouden munt ca. 1

440, ook edel


nobilis domina = weledele dame


nobilis dominus = weledele heer


nobilis nobilist = edel, voornaam heer


nobiliteren = veredelen, edel maken


nobilitierung = verheffen in de adelstand


noblesse = edelheid, adel


nobre = zie nbre


noctis = van de nacht


nocturnus = nachtelijk


nodorfft = nooddruft, in onderhoud voorzien


noe. = afk. nomine, in de naam van, met als naam


noene = middag, om circa 3 uur in de middag


noenmalen = middageten

noenslaep = middagslaapje


noerderzijde = noordzijde


noes = afk. nommés, genaamd, genoemd, benoemd


noetmunder = verkrachter


noie. = afk. nomine, in de naam van, met als naam


noitsakenwille = noodzakelijkerwijs


nokerboom = noteboom


nomber = getal


nombreeren = met talletters (cijfers) merken


nomen = naam


nomen nescio = naam onbekend, afk. NN


nomina = namen


nomina baptisatorum = namen van gedoopten, naamlijst van...


nomina defunctorum = namen van overledenen, naamlijst van...


nomina matrimonio iunctorum = namen van gehuwden, naamlijst van...


nomina sacro oleo unctorum = namen van hen die Heilig oliesel ontvingen


nominatie = benoeming, gezamenlijke kandidaten


nominatien = voordragen


nominavit = heeft genoemd


nomine = uit naam van, met als naam


nomine = zie nomini


nomine Dei = in de naam van God


nomine uxores = uit naam van zijn echtgenote


nomineren = noemen


nomini = in naam van, namens


nominis = zie nomen


nominus = naam


non habet = niet hebben, heeft geen


non peste = niet aan de pest


non presens = niet aanwezig


non procul a = niet ver van


non solvet = zal niet betalen


nona = negende, negende uur, kloosterlijke gebedstijd, meestal later op de middag


nonagenarius = negentigjarige


nonagesimus = negentigste


nonaginta = negentig


nonam = negende


nonam horam = negende uur


nondum = nog niet


nonen = vastendagen na Aswoensdag


nongentesimo = 900


nonnenmaker = castreerden


nonus = negende


noodmundschap = verkrachting


noodstal = overdekte plaats, de hoefsmidse voor het beslaan paardenhoef ook travalje genoemd


nootdadinge = vergelijk waartoe men is gedwongen

nooteet = eed door de omstandigheden noodzakelijk gemaakt


nooteet = eed waartoe men verplicht is


nootenbomen comtoir = notenhouten kast


nootgift = verplichte gift


nootlijk = noodzakelijk


nootmonden = verkrachten, een vrouw geweld aandoen, aanranden


noppelaken = lakenstof gemaakt van noppenwol (onzuivere wol)


nord = noord (richting)


nore = zie not


norme = zegel, maat, voorbeeld, regel


nos = afk. Nous, wij, we, ons, elkaar


nosd = afk. nosdites, onze afspraken


noster = onze


not = afk. Notaire, notaris, ook afk. notre, ons, onze


nota = merkteken, talletter (cijfer)


notabel = merkelijk, aanzienlijk


notabene = let wel


notabilis = voornaamste burgers van de plaats


notaris = beambte schrijver, bondschrijver


notarishant = handtekening van de notaris


notaristeken = echtheidsteken op notarisoorkonden en geschriften


notarius = ambtenaar van het geestelijk gerecht, notaris


notarius apostolyck = kerkelijk notaris


notarius publicus = openbaar notaris


notarius regius = koninklijk notaris


notariusbrief = akte opgemaakt door een notaris, een stuk derhalve behorende tot de geestelijke rechtspraak en bij het wereldlijke gerecht als een onderhands stuk geldende


notatie = notatie, betekening


note = teken, merk, kenteken


noteren = aantekenen, letten


nothus = bastaard, onecht kind


noti = notaris (meestal achten de naam van de Notaris)


notificeren = doen weten, bekendmaken


notitie = aantekening, kundschap (kennis van hebben), aandacht aan schenken


notoir = kennelijk, kenbaar


notoire = openbaar


notorische mißheirat = geldig huwelijk, tussen een man van hoge adel en een vrouw van lagere stand, zonder dat er een het stand verschil regelend verdrag voor de vrouw en kinderen gesloten is


nots. = afk. notaris, notaris


notule merkceel = tekenschrift


nouvelles = nieuwigheden


novalis = nieuwnovatie = vernieuwing


novem = negen


novembre = november


novembris = november


novemdecima = negentien


novennis = negen jaar oud

noverca = stiefmoeder


novercus = stiefvader


novies = negenmaal


noviteit = nieuwigheid


novo =  (de) op nieuw


nre = afk. notre, ons, onze


nred = afk. notredit, onze afspraak


nredae = afk. Notre Dame, Onze Lieve Vrouw(e)


nres = afk. notre sire, onze Majesteit


nrese = zie nres


nresr = afk. notre seigneur, onze heer


nt = afk. notre, onze


nubere = trouwen


nubilis = huwbaar


nuda proprietas = naakte eigendom, de bloot eigenaar is hij wiens eigendom belast is met vruchtgebruik


nudius tertius = eergisteren


nul = niets


nul en van geen effect = van nul en gene waarde hebbende


nulliteijt = nietigheid


nulliteit = nietigheid, wezenlijk verzuim, onbeduidend mens


nullo allato impedimento detecto = wanneer er geen huwelijksbeletsel ontdekt is


nulloque detecto impedimento = en wanneer er geen huwelijksbeletsel ontdekt is


nummularius = muntenmaker, muntmeester


nunc = nu


nuncupatio = mondelinge aanwijzing


nuncupatyff = een testament waarbij de na(a)m(en) van de erfgena(a)m(en) onder getuigen wordt/worden voorgelezen


nuntius = gerechtsbode, bode


nuper = onlangs


nupta = bruid, getrouwde vrouw


nuptae = bruiden


nuptiae = bruiloft


nuptialis = betreffende de bruiloft


nuptiare = huwen, trouwen, met iemand trouwen


nuptias celebrare = bruiloftvieren


nuptura = bruid


nupturus = bruidegom


nuptus = gehuwd


nuptuvienten = verloofde


nurus = schoondochter


nutritor = verzorger, opvoeder


nutrix = zoogster, min, pleegmoeder, baker


Nutta = Nuth


nuwen = stijl nieuwe stijl (betreft de Gregoriaanse kalender, oude datum van voor 1521 + 10 dagen.)


nyarcoop = nakoop door verwanten

nye = nooit


nyen = nieuw


nyet = niet