Genealogische woorden beginnend met P

P


p = afk parrain, doopheffer, peter, doopvader


p = afk. pagina, bladzijde


p = afk. par, parentes, ouders


p = afk. pupur, pourpre, heraldiek kleur, kleur paars, aangegeven door een linker-schuinlijnen


P = afk. père, vader, ook: doopheffer / Peter


p.m = afk. post meridiem, na de middag, ook: afk. pro memoria, ter herinnering


p.m.s.l = afk. per matriomonium subsequens ligitimatus, door het huwelijk van zijn ouders alsnog gewettigd onwettig kind


p.p = afk. parentes, ouders


p.s = afk. post scriptum, naschrift


p.t = afk. pro tempore voor de tijd van


pa = afk. postérité adultérine, nageslacht-, nazaten uit echtbreuk, overspel geboren


paaiement = kleingeld


paaijemnent = zie paaiement


paal = heraldiek teken, strook begrenst door twee lijnen


paap = in de middeleeuwen de naam voor priester


paaps = rooms


paardemeester = dierenarts speciaal voor paarden


paardetuisser = paardenkoper


paartje = inhoudsmaat bier, wijn. 1 paartje = 2 pint = ca. 1,2 ltr.


pabilioen = bed


pace = in vrede


pacers = melaatse


pachdach = betaaldag


pacht = belasting


pachtbraecke = verbreking van het pachtcontract, huurcontract


pachtbrake = zie pachtbraecke


pachtbrief = pachtakte


pachtgoet = onroerend goed in pacht gegeven


pachthof = hoeve, hof in pacht gegeven


pachthuus = kleine boerderij, huis in pacht gegeven


pacificatie = bevrediging, vredestichting, verzoening


pacifiq = vredig, vreedzaam


pacifisceren = verdragen, bevredigen, overeenkomen


pacta = huwelijkse voorwaarden


pacta dotalia = huwelijkscontract


pade = peet, doopvader


padeken = paadje, weggetje


paeco = omroeper van het gemeentebestuur, heraut, gerechtsbode


paegnans = zwanger


pael = grenspaal


paelder = beambte die de grens van een gebied aangeeft


paelge = stro

paelgenoot = buurman


paellander = polderbewoner, poldergast


paelscheidinge = afpaling van grond eigendom


paelstede = plaats waar grenspaal staat


paerdoen = kwijtschelden


paeremakere = mandenmaker


paersscaerlaken = paarsroodscharlaken


paert = deel


paertcoen = verdeling van nagelaten goederen


paertshoeve = (on)kruid, klein hoefblad, goed geneesmiddel tegen zwerende clapporen (ontstoken)


paetkin = paadje


paeyemeester = stadsontvanger


paeyen = betalen


paffuut = wapenknots aan de punt voorzien van een snijdend uiteinde


pagadoor = betaalheer, penningmeester, betaalmeester


pagamentum =- betaalmiddel, betaling


page = paard, zowel een rij- als trekpaard


pagie = zijde, zijdienaar, zijganger (naast het paard lopen)


pagimagister = (dorps -) burgemeester


pagulus = gehucht


pagus = dorp


pain céleste = heilig sacrament


pair = engels edelman, de naam is ontstaan doordat volgens middeleeuws rechtsbegrip niemand geoordeeld kon worden dan door zijn "pairs" dus zijns gelijke


pairess = de vrouw van een pair


pairschap = rechten en waardigheid van een groot leen, met invloed, stond vlak onder de kroon


paisibel = vreedzaam


paix = vrede


palais = paleis


palbabel = gelijkenis


pale = ovenschop


paleisteren = polijsten


palen = afbakenen, afpalen, de grenzen aangeven
palen, (op de) = .. op de grens


paleografie = kennis van het oude schrift


palestermacher = schietbogenmaker


paleye = katrol


palimpsest = een perkament -handschrift, waarop veelal uit zuinigheid, over de onleesbaar gemaakte eerste tekst een andere geschreven is. Langs chemische weg gelukt het vaak de
oorspronkelijke, soms waardevolle tekst, weer leesbaar te maken

 


palinge = grens van een erf


palinodie = weerroeping, herroeping als men van iemand heeft kwaad gesproken


palissaden = heraldiek teken, brede aan de bovenzijde gescherpte palen


palloerlaken = laken voor het maken van banieren


palm = lengte maat, kleine palm = 3 cm., grote palm = 9,6 cm., na 1820 is de palm 10 cm.


palmarum = palmzondag, de zondag voor Pasen


palmslach = zie coopslach


palpabel = tastbaar



palster = herderstaf


paltsgraaf = gedelegeerde van de keizer en paus


palustre = broekland (kleigrond langs rivieren), moeras


panchiser = ontvanger van de panchys (het heerlijk recht op het brouwen van bier)


panchys = heerlijk recht op het brouwen van bier


pancys = zie panchys


pandbrief = schuldbekentenis


pande = bieden (ook: "verbieden") de gepande goederen ter terechtzitting aanbieden aan hen, die beter recht daarop hebben. (als voorbereiding tot het toewijzen van de panden door de rechter.)


pandemarckt = marktplaats waar in beslaggenomen (onroerende)goederen openbaar werden verkocht
panden beslag, leggen op gijzelen panden (enen voer iet, aen iet, op iet), beslag leggen op een stuk goed van iemand als voorbereiding voor den executoriale verkoop daarvan voor een
schuld


pandene = panden gerechtelijke handeling


pander = gerechtelijke beslaglegger


pandere = hij die beslag legt


pandijnghe = bij gerechtelijke verkoop, beslag wegens schulden, op een onroerend goed


pandinge = het panden. ook: de omgang van den schout, waarop het panden plaatshad


paneel = stuk doek onder het zadel om de rug van het paard te beschermen


panetarius = bakker


paneterie = bakkerij


panhuus = brouwerij


panhuushuus = pand waarin de brouwerij gevestigd is


panifex = bakker, broodbakker


pannarius = lakenwever


pannicida = kleermaker


pannifex = lakenwever


pannitextor = zie pannifex


pannitonsor = laken-droogscheerder


pansier = maliënkolder


pantbrief = rentebrief


pantinenmacher = klompenmaker


pantkeringe = verzet tegen een gerechtelijke panding


pantopola = groothandelaar


pantsel = onderpand


pantvercoper = een ambtenaar, bij het oudermansrecht (later ook: bij het schepenrecht) aangesteld tot het verkopen der

gepande = goederen, die niet gelost zijn


pantweringe = het beletten der panding


papa = priester, vader


papalis = pauselijk


papencruud = paardebloem


papenkelder = wijnhandel van geestelijken


papenkint = kind van een priester


papist = rooms katholiek


papisterie = door een rooms-katholieke priester getrouwd


papkop = meelbrij kom


pappenheimer =  beerputleger

papulis = van de mazelen, door de mazelen


papyrifex = papiermaker, papierfabrikant


par-devant nous = zijn voor ons


par. = afk. parentes, ouders


parabel = gelijkenis, zinnenbeeld


parade = pronken glimpvertoning, afwering van een aanval


paradeiser = tuinman


paradiskin = kleine hoogkamer


paradox = wonderspreuk, wonderrede, ongemeen, uitspraak die een (schijnbare) tegenstrijdigheid bevat


parage = verwantschap


parage = (een tellen) de graad van verwantschap met iemand uitrekenen


paragon = puik, uitstekend, drukletter van 18 pnt.


paragraphe = beschrijving, onderschrijven, afdeling, de zelfde mening hebben


paralysis = verlamming


paranimf = bruidsleider, die de bruid op de bruiloftsdag terzijde staat


parant = bloedverwant, familielid


parant ou allié = aanverwant, bloedverwant


paranté = verwantschap


paraphe = merk, merkteken


paraphe(e)ren = merken, tekenen


paraphrase = uitbreiding


Parasceve = Goede Vrijdag


parate executie = schielijke rechtsvordering, zonder uitstel


parausbrief = brief met aankondiging van openbare verkoping bij opbod


pardoen = vergeving van zonden, kwijtschelding van een (kerkelijke) straf


pardoen = vergiffenis, vergeving, aflaat


pardoendach = dag waarop een aflaat verdient kan worden


pardon = vergiffenis, kwijtschelding van een terechte straf door de heer


pardonnabel = vergeeflijk, te vergeven


pardonneren = vergeven


pare(e)ren = sieren, oppronken, tooien, gehoorzamen, tevoorschijn komen


pareerhabijt = ambtsgewaad


pareersel = oppronken, versiersel, tooisel


pareil = effen, gelijk


parens = ouder, vader


parentagie = verwantschap


parentatio = lijk plechtigheid, herdenking van een dode


parenté = zie parentela


parente(e)ren = vermaagschappen, verwantschappen


parenteel = staat waarin alle mannelijke en vrouwelijke nazaten vermeld staan van één paar ouders


parentela = verwantschap


parentelae = van de familie


parentelus = ouderlijk


parentes = ouders


parenthese = inworp, tussenreden, inreding (inlassing), tussenstelling, tussenzin, inlassing, inzetting


parentis = van de vader, van de ouder

parfumeren = beroken, doorluchten


parisijs = volgens de reken- en munteenheden van Parijs


paritas = evenheid, op voet van gelijkheid


pariter = te gelijkertijd, op gelijke wijze, evenzeer


parlement = ruzie, woorden, oploop, ook: raadhof, pleithof, gerechtshof


parlementen = bulderen, tieren


parlementeren = de samenspraak, handelen van overgave van steden, of sterken


parmentierwerk = zeer fijn naaiwerk


parochia = parochie


parochiaan = zie karspelpaap


parochianus = parochiaan, lid van een kerkelijke gemeente


parochie = karspel, wijk


parochipaep = parochiaan


parochus = pastoor, geestelijke


parmia = spreekwoord


parquet = perk, nood


parrain = doopheffer, peter, doopvader


parre = omheinde plaats ook: parochie


parrehuus = woning van de pastoor


parrekerk = parochiekerk


parricida = vader-, moeder-, broeder-, zuster- of de kindermoordenaar


parricidium = vadermoord


pars = deel, een deel voor het geheel


pars met een schabeltie = deel van een knielbankje


parsoen = pastoor die de werkzaamheden door een ander laat doen uitvoeren


partage = deling, verdeling


parthie = partij, (hoeveelheid)


partiaal = partijdig, eenzijdig


participant = deelhebber, deelachtig, deelgenoot


participatie = mededeling, medegenieting


participeren = mededelen


particularise(e)ren = bijzonder maken, uitvoerig de bijzonderheden vertellen


particulariteit = bijzonderheid, naarder bericht, nadere bijzonderheid, eigenaardigheid


particulier = bijzonder, afgedeeld stukswijs


partigeren = ieder zijn aandeel geven


partij = advers tegenpartij


partije = wederdeel, tegenstander, deel


partim = deels, gedeeltelijk


partisaan = medestander, lid van een ongeregelde groep militairen of bende vrijheidstrijders


partitie = verdeling, deling


partitionair = meedelend in de opbrengst


partu = tijdens de bevalling


partuer = gade, weerga


partus = bevalling, pas geboren kind


party advers = partij tegenstander, tegenstander


partyschap = partijschap, zijdigheid (partijdigheid )

parukemaker = pruikenmaker


parvula = klein meisje


parvules = kleine jongen, kind


parvus, parvulus = klein, heel klein kind


paryrificis = van de papier fabrikant


pas = lengtemaat, 1 pas = 2,5 voet, pas wordt ook: als gemene pas, schrede en tree omschreven, landmeterpas, -tree = 2 gemene pas = 5 voet


pascha (pasca) = Pasen


pascha clausum = zondag na Pasen


pascha floridum (florum) = Palmzondag


pascha passionis = 2e zondag voor Pasen


pascha rosarum = Pinksteren


paskwil = smaadschrift, anoniem schotschrift


pasloot = peillood


pasmes = sikkelvormig mes


pasquil = schimpschrift, steekschrift, schotschrift, schimpgedicht


passabel = lijdelijk, geduldig, draaglijk, er mee door kunnen


passade = reisgeld


passage = weg, doorgang, doorweg, aaneen gesloten zinnen in een bericht, overdekte straat, doorvaart, overtocht


passagier = reiziger


passant = voorbijganger, doorreizende, ook: lus voor gordel, riem


passato = van de verlopen, voor den voorleden (verleden) maand


passatus postea = later gepasseerd


passement = ingenaaide bies of strook:, afkanting van een kleed


passementwercker = bies aanbrenger bij meubels en kleding


passeport = vrijbrief, vrijreisbrief, vrijgeleidebrief


passeren = voorbijgaan, verleen, overtreffen


passeringhe = gerechtelijke akte


paßie = lijden, zucht, drift, verrukking, ingenomenheid, lijdzaam, hartstocht


paßijf = lijdende


passio dominica = goede vrijdag


paßioneren = verrukken, innemen


paßiones = hartstochten, genegenheden


passionstag (dominica passionis) = 2e zondag voor Pasen


pastebacker = bakker van fijnbrood


pasteiken = gebakje


pastellator = pannenmaker


pastillifex = apotheker


pastoor = herder, pharheer, kerkheer, preker


pastor bonus = 2e zondag na Pasen


pastor loci = pastoor van deze plaats


pastor = primarius deken


pastoriekoren = tienden, geheven ten behoeve van het pastoriefonds over bepaalde landerijen


pastorietienden = vaste rente welke geheven werd ten behoeve van het pastoriefonds over bepaalde landerijen

pastorije phar = herderstaat, kerkmeesterschap


pastory = een gemeente onder een leraar


patacon = zie patakon


patagon = zie patakon


patagons = zie pattakons


patakon = betaalmiddel, zilveren munt, waarde ca. 48 stuivers


patater = aardappel


patent = openbrief, bevelschrift ook: inkwartieringsbevel


pater = vader


pater denominatus = aangegeven of genoemde vader


pater ignoratus = onbekende vader


pater patris = grootvader langs vaders zijde, vader van vader


pater praevignus spondae = stiefvader van de bruid


pater sine nomine = ongenoemde vader


pater spondae = vader van de bruid


pater sponsi = vader van de bruidegom


pater suppositus = vermoedelijke vader


paterinus = peet, peetvader, doopvader


paternel = vaderlijk, bevoogdend


paternitas = vaderschap


paternoster = rozenkrans


paternosterer = rozenkransmaker


paternus = van vaderszijde, vaderlijk


patibulum = kruis, galg


patient = leider, zieke


patienteren = lijden, dulden, gedogen


patientie = geduld, lijdzaamheid


patijn = houten schoeisel


patr. = afk. patrini, paterni


patraster = stiefvader


patre absente = bij afwezigheid van de vader


patrem = vader


patrem designare recusavit = weigerde de vader te noemen


patrem nominavit = als vader noemde


patres = voorouders


patria = land, vaderland, geboorteland (stad)


patria caesarea = land behorend tot de keizer


patria imperialis = zie patria caesarea


patriarch = oppervader, aartsvader


patrima = minderjarige dochter (waarvan de vader nog leeft)


patrimoniaal erfaftig = tot het vaderlijk erfdeel behorend, van de ouders geërfd of meegekregen


patrimoniale-goedren = patrimoniale goederen, vrije

erfgoederen, erfhave


patrimonie = vaderserfenis, vadersgoed


patrimus = minderjarige zoon (waarvan de vader nog leeft)


patrina = doop hefster, doopmoeder, meter


patrini = doop ouders, peter en meter

patrinus = peter, doopheffer, doopvader


patriot = vaderlander, liefhebber van het vaderland


patris = van de vader


patris soror = vaderszuster, tante


patrocineren = voorstaan, verdedigen


patronaatschap = priesterlijk inkomen


patronage = patronaatschap, huishoudenschap, huisvaderschap


patroniemen = vadersnamen, bijvoorbeeld Jan pieterszoon, Catharien jacobsdoghter


patronymicum = vadersnaam


patroon = voorstander, huisvader, voorbeeld


patrueles = neven,en nichten in de tweede graad, waarvan de beide grootvaders broers zijn patrueles volle neven, volle nichten, waarvan de vaders broers zijn


patruelis = neef, zoon van een broer


patruus = oom van vaderszijde


patruus magnus = oud-grootoom


patruus major = achter -oudoom, achter -grootoom


patruus maximus = betovergrootoom, betoveroudoom


pattakons = betaalmiddel, meestal met de vermelding Brabant Maastrichter cours. de Brabantse


patagons = een zilveren munt met een waarde van 48 stuvers (wisselkoers Maastricht)


pauper = arm


paupercula = arm vrouwtje


pauperculus = arm mannetje


paur = boer


pauseren = verpozen, rusten


pave = straatweg


paveersele = plaveisel


paveersteen = vloersteen


paveertichel = vloertegel


paveljoen = tent, veldtent


paveren = bestraten, betegelen


pavey = vloerstenen, natuursteen tegels


pax = vrede


paydach = betaaldag


payement brokkelgeld = kleingeld, betaling


pays pax = vrede


pædictum = voornoemd


pd = afk. pro deo, gratis, zonder betaling


pecceren = zondigen, misdoen


peciam terre emit = een stuk grond kopen


pecias terre = stukken grond


pecora = vee, koeien, kalveren


pectorali morbo = door een borstkwaal


peculiele = straf geldstraf, in geld te betalen straf


pecunia = geld


pecunieel = geldelijk


pecus = vee


pedagium = tol

pedagoge = tuchtmeester, leermeester, huislijk leermeester


pedant = waanwijze, kindermeester, schoolvos, verwaand

 

pedanterie = kinderwerk, leurderij, schoolvosgerij (bekrompen leermeester), waanwijsheid


pede = stok met ijzer beslagen en uitstekende spijkers op de kop


pedeken = paadje


pedel = laag land, broekland, veenland


pedellant = zie pedel


pedes = voetganger voetknecht


pedestaf = zie pede


pedestal = te voet, laag bij de grond


pedestantelijk = op staande voet


pedisequa = dienstbode, kamermeisje


peditis = van de voetganger


pedriere = soort blijde, werptoestel voor stenen en kogels


peede = zie pede


peerdeken = kleine munt


peerdenkerkhof = ongewijde begraafplaats, vaak het galgenveld


peeter = (gouden) betaalmiddel, gouden munt ca. 1360 -1480


peilscael = peilschaal


peine = straf, verlegenheid, nood, moeite


peken = met pek besmeren


pekneus = kleine erker uitbouw boven de poort met gaten in de vloer om pek te laten vallen op aanvallers


pelle = doodskleed, lijkkleed, doodslaken, ook: schandpaal


pellegrim = pelgrim, bedevaartreiziger


pellegrimage = bedevaart


pellewever = zijdewerver


pellex = bijzit, concubine


pelliceum = een soort pelzen borstrok


pellifex = bontwerker, ook: leerlooier


pellio = zie pellifex


pellore = wapenrok


pelse = met bont gevoerd kledingstuk bepaaldelijk: een onderkleed, ook: gedragen over het blote lichaam


pelsemakere = bontwerker


peltier = bontwerker


peluw = kussen


pelvarius = ketelmaker, bakkenmaker


pelvifex = (metalen) schalen en schotel maker


pelzer = bontwerker


penael = betrekking hebbende op straf


penael = decreet strafvordering


penden = beslag, leggen op gijzelen


pene = de straf (of geldboete), gesteld op de overtreding van de politieverordening of op het niet nakomen van een aangegane verbintenis, ook: boete


pene = zie peine


pene extraordinaire = een bijzondere straf, een buitengewone straf


penen = straffen

penesticus = opkoper


penetentie = berouw, leedschap, leedwezen


penetreren = doordringen


penewaren = koopwaar met geringe waarde


penitentia = berouw (bij biecht)


peniteren = van het recht gebruikmaken om af te zien van een koopovereenkomst, ook: berouw hebben


pennicleen = leen met een vaste jaarlijkse opbrengst in geld


pennincbrief = schuldbrief


penninckrente = geldrente


pennincrente = rente in geld te voldoen


pennincsac = geldbuidel


penning = gewicht, 1 penning = 1/240 of 1/270 pond ook: als zilvergehalte bekend, 12


penning = 1000/1000 (zuiver zilver), 1 penning = 12 greinen, ook: oppervlaktemaat, penning is synoniem voor vierkante

koningsroede, = 1/240 pondemaat


penningen = betaalmiddel, 12 penningen = 1 schelling


pensator = ijkmeester


penschier = pensier


pensier = iemand belast met het beheer


pensionaris = loontrekker, stadsraadgever, raadsman, loontrekkend raadsman, ook: rechtsgeleerd ambtenaar van een stad, vast bezoldigde rechtsgeleerde raadsman


pensman = slagersknecht


pentecoste = Pinksteren, de 50e dag na Pasen


penultima = de voorlaatste dag (van de maand)


penwerde = een kleine hoeveelheid


penwerden slyten (bij) = in het klein verkopen, iets in kleine partijen verkoopen


peperbos = brijpot


peppel = gepeupel, volk, gespuis, het grauw


per = door


per accidens = bij geval, bij gebeurtenis


per duos dies aegrotavit = hij was twee dagen lang ziek


per matriomonium subsequens ligimatus = door het huwelijk van zijn ouders alsnog gewettigd kind, ook: vaak als afkorting

p.m.s.l. per me door mij


per oratie = besluiten, slotrede, samenvatting van de rede


per oreren = sluitreden, reden van sluiten


per procuratie = perquisitie


per procurationem = door (of bij) volmacht


perceelplan = kadasterplan, perceelkaart, kadasterkaart


percento = ten honderd


perche = teken van gezag, roede, staak


percipiëren = ontvangen, vatten, begrijpen


perckmeister = mijnbouwmeester


perdurabel = gedurig


peregrinatie = uit landigheid , omzwerving in een vreemd land, ook: reizen, landreizen


peregrinus = pelgrim, vreemdeling, van elders afkomstig

peremptoir = uiteindig, uitvoerbaar, beslissend, afdoend, ook: onherroepelijk, laatste uitstel


perfect = volmaakt


perfectie = volmaaktheid


perfidie = ontrouw, trouwloosheid


perhonestus = weledele


pericliteren = wagen, bestaan


periculeuse = gevaarlijke


periculosus = gevaarlijks


periculum mortis = stervensgevaar


perijkel = gevaar, noot


perime(e)ren = doden, te niet doen


periode = punt, stip, omloop, volzin, uitgang, lid


periphrasis = omspraak


peripneumonia = longontsteking


peritus = ervaren


perjurie = eedbreking


perlen = parels


permanent = vast, bestendig


permanentie = verblijvendheid, spreekuur, doorlopende dienst


permissie = verlof, toestemming


permißie = toelating, verlof


permitteren = toelaten


permittieren = toestaan, toelaten


permoveren = beroeren


permutatie = wisseling, mengeling, verwisseling, omzetting


permuteren = zie permutatie


pernitieux = schadelijk, verderfelijk


perpetreren = bedrijven


perpetuël = altijd durend, eeuwig


perplex = verbaast, radeloos, bedremmeld, beteuterd


perplexiteit = verbaasdheid, radeloosheid, bedremmeldheid


perquire(e)en = doorzoeken, onderzoeken, uitvorsen


perquisitie = onderzoek, nasporing, huiszoeking


perscruteren = nazoeken, doorzoeken


perse = door hem zelf, uit hem zelf


persecuteren = vervolgen


persecutie = vervolging, vervolging om geloof


persemtafel = bank van lening


persevant = leerling-heraut


perseverantie = volharding, volstanding, het volharden


persevereren = volharden, doorzetten


persijn = peterselie


persiste(e)ren = op iets blijven staan, volharden, staand houden, bevestiging van een vorige verklaring ten overstaan van het gerecht


persisteren = aanhouden, bijblijven


persona pastoor = een persoon


personagie = rolspeler, kamerspeler

personeel = hoofd voor hoofd, ondergeschikten


personele = actie opspraakrecht


personen = lieden, luiden


personne titrée = iemand van adel, iemand met een titel, voornaam persoon


persoonsleen = een leen waarvoor de leenman zweerde om zijn heer tegen iedereen en met al zijn goederen te verdedigen


perspective = doorschouwing, doorzichtig


perspicuitas = duidelijkheid


perstringeren = bedwingen


persuaderen vroedmaken = (verstandig zijn), aanraden, overreden, bepraten, overtuigen, overhalen, doen geloven


persuasie = zie persuaderen


persuatie van ymand (sonder) = (zonder) dwang van iemand


persvloot = bakje voor de kaas te persen


perszeunis = zie persvloot


pertinent = behoorlijk, na den eis


pertinentibus = met de grond en alles wat ertoe behoord


pertinentie = geschiktheid, beschiklelijkheid


perturbatie = beroering, verstoring


perturbe(e)ren = beroeren, verstoren


pervers = verkeert, verdorven, onnatuurlijk


perverteren = verkeren, omkeren


perykel = gevaar


peste aan = de pest


pestilentii = de pest


pestroede = staf die de pestlijder moest dragen als herkenningsteken


pete = doopvader, doopmoeder


peter = doopheffer


peter = zie pete


petit = klein


petitie = begeerte, eis


petitoir zaakseigen = vervolgbaar


petitoire actie = een zaak die in den grond en ten principalen vervolgt moet werden


petmolen = molen om water uit put op te pompen, meestal voorkomend in weilanden


petri ad cathedram pieterstoel = een dag die gevierd word op 22 februari


petter = peet


petulant = dartel, brooddronken, opbruisend, uitgelaten


peul = kussentje


peul of peluw = stijf langwerpig onderkussen, ook: extra hard kussen


peuldoeken = kussensloop om de peul


peupel = het gemene (totale) volk, gespuis, het volk


peyne breuke = straffen


pf = afk. procureur fiscal, procureur voor de belastingen


pfaider = hemdenmaker


pfeifer = fluitist


pfettenhauer = bouwvakker, timmerman


pfister = bakker

pfragner = handelaar


phantasia = inbeelding


phantasmata = inbeelding, spoken


pharmacopola = apotheker, handelaar in zalven


phillippuspenninck = betaalmunt, 1 penninck = 15 stuivers


philosooph = wijsgierig, wijszuchtig, wijsgierig


philosophie = wijsgerigheid, wijsheid, wijsgierigheid, wijswording, wijsheidszucht, wijsbegeerte


phiole = snaarinstrument met strijkstok, fles


phlebotomarius = aderlater


phrenesis = krankzinnigheid


phs = afk. Phillips


phthisicus = teringlijder


phtisis = tering


piæ memoriæ = zaliger gedachtenis


picant = stekelig, scherp, spits, steekachtig, netelig, smaak / zinnen prikkelend


pichure = maailoon


picke = snoeimes, pikhouweel


pickerie = dakstro, dekstro


picoreie = strooptocht, het stropen


pictaciarius = hersteller, schoenlapper


pictor = schilder, kunstschilder


pietas = vroomheid gehoorzaamheid


pieteit = godsvruchtigheid


pietemaent = september


pietersdach = 22 februari


pijlwicht = weegschaal


pijncamer, pinecamer = folterkamer


pijncamere = pijnkamer


pijnder = arbeider, zakkendrager


pijnlijcheit = onder moeilijke omstandigheden


pijnre = beul


pijnstoc = folterwerktuig


pijp = inhoudsmaat voor wijnolie en natte waren, 1 pijp heeft overal een eigen inhoudmaat


pijpegael = kruiwagen


pijpkan = tinnen kan


pijzel = kleerkast


pike = lans met platte ijzeren punt


pil = zie pille


pilae memoriae = zaliger gedachtenis


pilearius = hoedenmaker


pileo = zie pilearius


pille = geestelijke zoon of dochter, petekind, doopkind


pillegave = doopgeschenk


pilleren = plunderen, stelen


pillerie = zie pilleren


pilorisatie = veroordeling tot de schandpaal


pilotingaren = garen van plootwol, wol die van de vacht is af gestoken

pilter = bontwerker, huiden bewerker


pimpel = brandewijnglaasje


pinakel = siertorentje


pincerna = inschenker van de drank


pinecamer = folterkamer


pineel = tinne of trans van een gebouw


pinen (enen) = op de pijnbank leggen


pineweke = week voor Pasen, de Goede week voor Pasen


pinkernscoe = schoen van kalfsleer


pinsbek = legering van koper en zink, vooral voor horlogekasten gebruikt


pinsoen = zie pondemaat 


pint = inhoudsmaat voor graan en droge waren, 1 pint = 1/35 schepel, ook: = 1/2 kan en 1/128 zak, ook:, inhoudsmaat, 1 pint = 2 stoop = 4 mutsjes = ca. 0,6 ltr, 1/4 stoop


pipegael = zie pijpegael


pipegale = kruiwagen


pipere = fluitspeler


piqueeren = steken, stikken met kleine teken, krenken


piqueren = steken, iemand hatelijk zijn, heimelijke haat


pirmeider = perkament bewerker


piscator = visser


piscina = viswater


pislappen = luiers


pistolet = munt 17e-18e eeuw, gelijk aan 70 stuivers


pistor = bakker


pistrix = bakkersvrouw


pitaker = zie aker


pius = vroom, trouw


pl = afk. pluviôse, maand van de regens


placcaat plakceel = plakschrift, bevel


placcaet = plakkaat, publicatie


placcaten = bevelen


placide = vreedzaam


placke = betaalmiddel van geringe waarde


plade = uitstekende punt van het dak


pladermolen = klappermolen, de wieken maken een klapper geluid


plain = effen, gelijk


plainte = klacht, aanklacht, aangifte


plaisant = lustig, vrolijk


plaisier = lust, vrolijkheid, vreugd, vermaak


plaisirs de la chair = vleselijke geneugten


planeet = zweefster, dwaalster


planeren = schaven, effenen, slechten


plantagie = de beplanting, de begroeiing, de tuin


planum = plat


plastes = beeldhouwer


plate = stalen uitrustingsstukken die boven de halsberg (harnas of metalen plaat / harnas) werden gedragen


platea = straat, steeg

platijnen = klompen of pantoffels, houten schoenen


platijnhout = hout waarvan klompen worden gemaakt


plattijnen = zie platijnen


plauderen = handklappen


pleb. = afk. plebanus, pastoor, geestelijke


plebaan = zie plebues


plebanus = pastoor


plebeus = een man van geringe soort, een platter, ook: pastoor aan een bisschoppelijke kerk


plecht = gerechtelijke erkenning van een geldschuld, waarvan een gerechtsbrief is opgemaakt


plecht op goet = hypotheek


plechtboec = het register, waarin de schuldbekentenissen voor schepenen werden opgetekend


plechtbrief = de gerechtsbrief opgemaakt van de erkenning in rechte van een geldschuld


plechten binnen (veertien) dagen = schuldbekentenissen op korten termijn, zonder vestiging van renten


plechten in het regyster  =schuldbekentenissen op korten termijn, waarvan alleen een aantekening in het
schepenboek werd gemaakt en geen schepenbrief afgegeven


plechten = verplegen een schuld in rechte erkennen


plechtich (later pligtig) = door een plecht tot betaling verplicht, verbonden


plecker = stucadoor


pleidoi = verdedigingsrede, geding, dingtaal


pleie = martelwerktuig, verdachte werd uitgerekt met dit apparaat


plein = effen, gelijk, vlakke open ruimte


pleinlijk = volkomen


plenipotentiaris = gevolmachtigde


plenipotentie = volmacht


plenitude = volheid


pleuritide = wegens pleuritis, borstvliesontsteking


pleydoy = geding, dingtaal, pleidooi, verdedigingsrede


plichtbrief = gerechtsbrief opgemaakt van de erkenning van een schuld


pligten = plichten


ploech = ploeg


ploech(h)arnasch = onderdeel van een ploeg


ploechgangen besittende = land geschikt om te ploegen en te zaaien


ploechghehinghe = beploegbaar akkerland


ploechrecht = recht van de afgaande pachter op een deel van de oogst


ploechwinne = akkerbouw


ploeger = landbouwer, boer


plogemeker = boer, ploeger


plogge = houten nagel


plombete = knots, met lood gevuld slagwapen


plombeye = met lood gevulde knots


plompe = baksteen, afm. 7 x 3 x 2 duim


plonderije = afgedankte rommel, oude kleren, vuilnis


plonderinghe = kleine huisraad


ploten = het vruchtgebruik hebben


ploter = leerlooier


plotte = korte degen, soort dolk

plouch = ploeg


pluderoien = twisten


pluisen = oude kleren


pluisteren = beroven, plunderen


plukken = beroven


plumbarius = tinnegieter


plunderkast = rommelkast


pluraliteit = meerderheid


plures alii = veel anderen


plurimi = zeer veel anderen


plurimi ahi = zie plures ahi


plurimi alii = zie plures ali


plurimum reverendus = zeer eerwaarde


pluumcussen = verenkussen


pluv = afk. pluviôse, maand van de regens


pluvia = regen


pluviôse = januari


pneteren = broodbakken


pntie = afk. presentie, aanwezig


podelpoel = modderpoel


poederpere = peervormige strooibus


poelagier = poelier, verkoper van geslacht gevogelte


poen = boete, straf, pijn


pna = straf, misdaad


poensoen = dolkmes, steekwapen, ook: etsnaald om te waarmerken


poepen = afkomstig van büben, Duits voor "jongen", ook: hannekemaaiers (grasmaaiers uit Duitsland)


poerbus = specerijen (strooi)bus


poest = stal voor koeien met melkschuur


poeta = dichter


poete = hoer, prostituee


poète courtisan = hofdichter


poilledeine = kalkoen


poinct = punt, stip, verhandelstuk


poinctijnghe = berekende het belastingdeel van ieder die men verschuldigd was aan de vorst


poingnaert = korte puntige dolk, ponjaard


pointer = zetter der belastingen


pointwerk = klein karweitje


poirter = poorter


poit = betaalmiddel, kleine munt uit ca. 1615


poke = zie pook


pokhuis = ziekenhuis voor lijders aan syfilis


pokken = syfilislijder, besmettelijke ziekte


pokmok = scheldwoord voor een door syfilis verminkt persoon


pol = bedrogen echtgenoot


pol = hoerenloper, bezoeker van bordeel


polaex = strijdbijl

poldergrave = poldersloot


polentarius = brouwerijknecht


police = bestuur, regering


police van assurantie = verzekeringspolis


poligamie = veelwijverij


polijt = net, beschaaft, geslepen


politie = burgerschap, burgerlijke regering, burgerstand


politieke resolutie (bij) = bij besluit van het stadsbestuur


politijcq = burgerlijk


poliz = verzekerbrief, verzekeringsbewijs, polis


pollagier = zie poelagier


polleie = martelwerktuig, verdachte werd uitgerekt met dit apparaat


polleye = katrol


polleye = zie paleye


pollicitatie = belofte


pollinctor = doodgraver


pols = polsstok


polye = katrolblok


pomarius = groentehandelaar, fruithandelaar


pome = soort appel, deze droeg men bij zich tijdens bezoek aan besmette persoon


pomeridianam = na de middag


pomeridianus = namiddags


pomme de terre = aardappel


pomp = afsluitbare duiker


pompa funebris = begrafenisstoet


pompe = statie, pracht


pompeux = prachtig


pond = betaalmiddel, 1 pond = 20 schellingen, sous, 1 pond = 240 penningen, derniers (d), ook: gewichtsmaat, 1 pond = 16 ons, = 430-494 gram


pond = (medicinale) gewichtsmaat, 1 pond = 12 ons


pond = (oude) gewichtsmaat, 32 pond = 13 kg., 1 pond = 406 gram, 0,437 voor boter


pond =  Vlaams betaalmiddel, in 1700, 1 pond = één gulden


pondelmaker = kopersmid


pondemaat = Friese landmaat, 1 pondemaat = 240 vierkante koningsroeden, in 1812 is de pondmaat vastgesteld op 0,3674 ha.


pondereren = overwegen


ponjaard = korte puntige dolk


ponsoen = graveer- of etsnaald


pontifex = bisschop


pontificaal = pauselijk, priesterlijk


pooi = pui

 

pook = wolmaat voor handel in engelse wol, 1 pook: = 1/3 scarpelier


poortclocke = grootte bel boven de stadspoorten


poortdinge = gerechtzitting op vaste tijden, meest drie- of viermaal in het jaar


poorterbrief, porterbrief = een door de overheid aan een poorter uitgereikte verklaring, dat hij burger is


poortergelt = een soort belasting om zijn poorterschap te behouden


poorters = inwoners van een stad, iemand die binnen de stadspoorten woont

poorterscamer = gevangenis voor poorters, maar ook: de woning van een poorter


poorterschap = toestand van stedeling, rechten en verplichtingen van een burger, burgerrecht


poorterskint = kind van een poorter


poortersneringe = nering die in de steden alleen aan burgers is vergund


pop = stroprop voor het dichten van gaten onder de pannen tegen stuifsneeuw


popinarius = verkoper van gekookt en gebraden vlees, ook: gaarkeuken


populair = gemeenzaam, slechtachtig, volks


populeus = volkrijk


populus = 2e week van de advent


por = afk. prior


porpointe = zie porponte


porponte = wambuis dat de krijgslieden onder de halsberg droegen


portaverunt = hebben wettelijk en erfelijk overgedragen


porte-epée = degenriem


porte-manteau = staande kapstok


porterbrief = zie poorterbrief


porthuus = stadspoort


portie = gedeelte


portwech = opengang om van een perceel naar de openbare weg te komen


poseren = zetten, stellen


positie = stelling, stand


positijf = gesteld, stellig, het geen men behoord te zetten, of waardig gesteld te worden


possederen = in het bezit hebben, bezitten


possesseur = bezitter


posseßie = bezit, bezitting, eigendom, landgoed


possessoir = bezittelijk, recht om te bezitten, het bezit betreffende


possessor = bezitter, eigenaar, houder


poßibel = mogelijk


poßideren = bezitten


post = na, sinds, nadat


post alium = na de andere, na het andere


post denuntiationem ternalem = na de drie roepen


post hominum memoriam = sinds mensenheugenis


post meridiem = na de middag


post partum = na de bevalling


post prandium = na de middag


post sciptium = naschrift


post susceptum baptismum = na het ontvangen van het doopsel


post trinam proclamationem = na de drie huwelijksafkondigingen


post(h)uma, -us pstuum = geboren na de dood van de vader


postea = naderhand


posteri = nakomelingen


posteritas = nakomelingschap


posteriteit = nakomelingschap, afkomst

posterne = geheime deur, achterdeur


posterus = later


posthumus = een kind dat na de dood van zijn vader geboren werd


postille = uitlegging, korte verklaring


postmeridianus = namiddags


postmis = zie posthumus


postponeren = uitstellen, achter stellen, verschuiven


postquam = nadat


postridie = daags daarop, op de volgende dag


postuir = stal, gestalte


postulant = eiser, verzoeker in een rechtzaak, aanzoeker om een post


postulata = begeerten, eisen, vereisen


postulatie = afeisen, afvorderen


postuleren = afeisen, eisen, afvorderen


postumus = zie posthumus


pot = inhoudsmaat vloeistoffen = ca. 1,5 ltr.


potage = eenvoudige spijs, kan zowel met groente als met

meelspijs zijn bereid


potas = ingedikt restant van uitgeloogd houtas om

aardewerkpotten waterdicht te maken


potens facere = handelsbevoegd


potent = machtig, vermogend


potentaat = geweldheer


potentie = vermogen, macht


pothuis = halfbovengrondse uitbouw boven een kelder


potje = inhoudsmaat, 1 potje = ca. 1/16 kan


pottagelepel = groente opscheplepel


pounder = zie unster


pour acquit = voor ontvangst voldaan


pour cause = niet zonder reden


pour suit = navolging, vervolg


poursuiveren = vervolgen, najagen, aanhouden


pousseren = aanstouwen, aandrijven


practicus = medicus


practijk = bewerking, handelgreep, onderwind, handhaving


practizijn = bewerker, uitwerker, recht beoefenaar


prädikat = kenteken, bv "Von" bij Duitse adel


praedicta = zie pædictum


praedictus = zie pædictum


praemittendis = nadat gezegd was, wat gezegd moest worden


praemuntius = voorzien van de biecht en het heilig oliesel


praenobilis dominus = weledele heer


praesentie = zie præsentes


praet, preet = weide


praetendens = aanstaande (echtgenoot)


praetendentis = van de aanstaande (echtgenoot)


prairial = mei


prati, prata = wei, weide, weiland, weiden


praxator = brouwer

praxis = daad, doening, oefening


præ, pre = voor


præ. = afk. praeceptor, schoolmeester, onderwijzer


præceptor = schoolmeester, onderwijzer


præco = omroeper


præcox partus = te vroeg geboren


præcursor Christi = Johannes de doper


prædio = gisteren


præenobilis = domina weledele vrouwe


præfectus = beheerder, voogd


præfectus = voogd


prægnans = zwanger


prælegatum = vooruitmaken


præminentie = voortreffelijkheid


præmissis proclamationibus = na de roepen, na de huwelijks afkondigingen


præmissis tribus bannis = na de roepen, na de 3 huwelijksafkondigingen


præmunitus = voorzien van


prænobilis = edele, edel


præpositus = geestelijk een rang lager dan abt


præsens(ntis) = aanwezig, tegenwoordig


præsentes = in aanwezigheid van


præsentibus = in aanwezigheid van


præsentibus(ut) testibus =in de aanwezigheid der getuigen


præses, praeses = voorzitter, president, voorzitter, hoofd


præsidiarius = behorend tot het garnizoen


præstes = leider


prætenderen = eisen, voorwenden, afvorderen, rechtwanen


præter = uitgezonderd, min , wegens, behalve


prætor, pretor = schout, burgemeester, beheerder, voorzitter


prætorium = stadhuis


prævenieringe = voortzetting


prævia dispensatione = na het verkrijgen van de dispensatie


prævie = tevoren


præviis sponsabilus et tribus banis = voorafgegaan door ondertrouw en door de 3 huwelijksafkondigingen


præviis tribus bannis = voorafgegaan door de 3 huwelijks afkondigingen


prævius = voorafgaand


prævus tribus bannis = na de drie roepen


pre = voor


pré-gelt = soldij


prealable = vooral, eerst


prebendarius = zie prybende


prebende = recht op proviand, mondkost, ook: op rente, ook: prove, inkomsten, priesterlijk inkomen


prebere = aanbieden


precario = ter bede

precarium = belasting


precedens = voorafgaande


precedent = voorgaande


precedente = met het voorafgaande, voorrang, voortred


precederen = voorgaan


precelleren = te boven gaan, uit muiten, overtreffen


precept = gebod


preceptie = bevel, bevelen


preceptor = meester, leraar, leraar klassieke talen


preceptoraat = leraarsambt


precijs = juist, stip


precipitatie = overijling, verhaasting


precipiteren = overijlen, neerstorten, verhaasten


precium = de prijs, de waarde


preco = omroeper


predecesseur = voorganger, voorzaat


predestinatie = voorschikking, voorbestemming, voorbeschikking


predestine(e)ren = voorschikken


predicant = voorganger, uitroeper, preker


predicatie = voorlering, leerreden, preken, verkondiging


predictie = voorzegging


preëminentie = uitstekendheid, voortreffelijkheid, uitsteek


preet = weide


preferentie = voordeel, voordeling, voortrekking


prefereren = voordelen, voortrekken, meerachten, voor een ander gaan, de voorkeur geven


prefigeren = voorbestemmen


prefixie = voorbestemming


pregnant = dringende, zwanger, zinrijk, overmatig, scherp geformuleerd


preimeren = doden, te niet doen, uit doen


preintimare = opzeggen, van te voren aankondigen


prejudiceren = beschadigen, veroordelen


prejudiceren = veroordelen


prejuditie = nadeel, bevoordeling, achterdeel, vooroordeel


prelaat = kerkvoogd


prelaet = abt


prelature = kerkvoogdij


prelecture = voorlezing


prelegaat = erfmaking ter bevoordeling boven anderen van gelijke graad


prelegateren = vooruitmaken, bij prelegaat vermaken


preludium = voorspel, voorteken, voorloper, inleidend stuk


prematuir = onrijp, ontijdig, voorbarig, te vroeg


premie = wedde, loon, prijs, verering, verzekerd geld, beloning


premier = eerste


premier témoin = eerste getuige


premissen = voorzendingen, het gene voor henen gaat


premitteren = voorzenden, voor heen zenden, voorafzenden


premium pudicitiae = kransgeld

prent = houtenkoekvorm om figuren te maken, bijvoorbeeld sinterklaaspop


preoccupatie = voorkoming, vooropneming, voorinneming


preparatie = bereiden, voorbereiding


preparatie = toebereiding, voorbereiding, gereedschap, bereiding


preparatoir = toebereid, bij voorraad


prepareren = toebereiden, voorbereiden


prepositie = voorzetsel


prepositus = proost


preposteratie = verkeerd omdoen


prepostere = verkeerd, het achterste voor


prerogatijf = voordeel, voorrecht


presatie = voorreden


presbyter = ouderling, priester


presbyteriaal = beginsel beginsel dat de kerk wordt bestuurd door de kerkelijke vergadering


presbyterium = college van ouderlingen


prescientie = voorwetenschap, voorwetendheid


prescriberen = voorschrijven, verjaren


prescriptie = verjaring, bevel, voorschrijven, verordening, ook: verjaring, verlies van een recht omdat er niet bijtijds gebruik van is gemaakt


presdicte = voornoemde


present = tegenwoordig, een geschenk


presentatie = aanbieding, overdragen


presenteren = aanbieden, overdracht


presentia = aanwezigheid, deze akte


presentibus testibus = in aanwezigheid van de getuigen
presentie=  tegenwoordigheid, aanwezig


presentie van (ter) = in aanwezigheid van


preservatie = behoeden voorbehoeden, bewaring


preservatijf = voorbehoedend bewarend


preserve(e)ren = preserveren, behoeden, behouden, beschutten


preses = preses, voorzitter, opperste


preses = zie praeses


president = voorzitter, raadshoofdman


presidentie = voorzitting, leiding geven


presideren = voorzitten, leiding geven


presser = drukker


presseren = achter de vodden zitten, spoedeisend, dringend, haast hebben


prestantie = overtreffen


presteren = betonen, te weeg brengen, volvoeren, goed doen
prestito juramente solemni = naar behoren de eed afgelegd


presumeren = vermoeden, aannemen, ervan uitgaan, wanen


presumptie = vermoeden, waan, laatdunkendheid


presumptueux = verwaand, vermetende, laatdunkend


presupponeren = vast stellen, voor heen bedingen, vooronderstellen


presuppositie = vaststelling, voorbeding, vooronderstelling


pretendieren = beweren, voorwerpen, aanspraak maken op


pretenselick = zogenaamd

pretentie = aanspraak


pretentie eis, afvordering = (verlangen), voorwending, rechtswaan


preteriëren = voorbijgaan


pretext = deksel, voorwending tot een schijn, tot een dekmantel


pretieux = kostelijk, dierbaar


pretium, precium = de prijs, de waarde


pretor = burgemeester, provoost


preuve = proeve, bewijs. item, geestelijk inkomen


prevaleren = overtreffen, te boven gaan


prevaricatie = overtreding, te buitengaan, vergrijping


preveniëren = voorkomen


preventie = voorkoming


prevoost = zedenstraffer, tuchtvoogd, tuchtmeester, drost, geweldige


pridie = daags (er) voor, gisteren


pridie nata = de dag er voor


priem = de tijd tussen 5 en 9 uur ’s morgens

 

priestrage = pastorie


prijs boecken = waarin de zetters de ’prijzijen’ (schattingen) van landerijen optekenden


prijsers = schatter


prijsie = schatting


prikskenbroot = klein broodje, voor een prikje gekocht


prima =  eerste dag (van de maand)


prima hora = de eerste uren na zonsopgang, hebben vooral de belangstelling in de kloosters


prima noctis = één uur ’s nachts


primaat = opperkerkvoogd, eerste, hoogste geplaatst


primo = de eersten


primo = ten eerste, aanvankelijk


primogeniture = eerstgeborenschap, eerstgeboorterecht


primogenitus = eerstgeboren


primogenituur = eerst geboorterecht: voorrang van kinderen uit een eerste huwelijk


primus = eerste, voorste


princeps = prins


principaal = voornaamste, zaakwillig, zelf schuldig


principaelbrief = de perkamenten brief, waarbij een andere brief, die daarin iets wijzigt, getransfixeerd is. ook: een acte die wijzigingen brengt in een andere of oudere acte


principie = beginsel


princken = loeren


prins prince = vorst, voogd, hoog. overheid

 

prinsdach = dag waarop de prins in de rederijkerskamer een dichtwedstrijd uitschreef


prinsen = daalder munt 17e-18e eeuw, gelijk aan 37 soms 35 stuivers


priore anno = het jaar tevoren


prisatie = waardering


prisen = schatten, taxeren, waard achten


prisen (iet) = goedkeuren


priser = zie priseren


priseren = waarderen, schatten


prisering = zie prisie

prisie = schatting, taxatie, vooral om te weten of daarmee een schuld of belasting kan worden betaald


prisieringe = zie prisie


privaat = toilet, ook: gemak, ook: afgezonderd, bijzonder


privatie = ontneming, ontbering, beroving


prive = bijzonder


priveren = ontnemen, ontzetten, beroven


privigna = stiefdochter


privignus = stiefzoon, een uit een eerder huwelijk van de moeder geboren zoon, (van een andere vader dus)


privilege = een bijzonder recht of vrijheid welk de landsheer verleende aan zijn leenmannen, steden etc.


privilegeren (iet) = een voorrang, voorrecht aan iets verlenen


privilegie = voorrecht, handvest


priwelesiën = privileges


pro = voor, ten behoeve van, in plaats van


pro animae suae refrigerio = tot verkwikking van zijn ziel


pro anno = voor een jaar


pro contant = voor gereed geld


pro deo gratis = (om Gods wil)


pro expensis litis t = bijvoorbeeld de kosten van...


pro iuribus pastoris = voor pastoorsrechten


pro memoria = ter herinnering


pro pe = dicht bij


pro qua = in wiens plaats, voor wie


pro quibus absentibus suppleverunt =die bij hun afwezigheid vervangen werden door


pro quo = zie pro quao


pro quo absente supplevit = die bij zijn afwezigheid vervangen werd door


pro re nata = naar de aard van de zaak


pro se et suis = voor hem en de zijnen


pro tempore = voor de tijd van


pro ut dat scripto = zoals / opdat het schriftelijk gegeven is


proamita = zuster van overgrootvader


proavia = overgrootmoeder


proavitus = van de voorouders geërfd


proavunculus = broer van een overgrootmoeder


proavus = overgrootvader


probabel = bewijsbaar, waarschijnlijk


proband = eerste persoon in een genealogie -overzicht


probatie = proeftijd, beproeving, zich bewijzen, proef


probator = muntkeurmeester


probatum est = het is proefondervindelijk goed gebleken


proberen = beproeven, bewijzen, waarmaken


probleme = leerbeeld, vraagstuk, werkstuk, vertoog, voorstel, vraagstuk

proc. = afk. procurator. volmachthouder, plaatsvervanger, advocaat, woordvoeder


procarius = varkenshoeder


procedeerde uuyt = voortkwam uit, gevolg was van


procederen = voortgaan, voortvaren, dingen, pleiten, bevorderen


procederende personen dinglieden = procedure voorgang, dingtaal, pleithandel, bepleiting


proces = geding


proceßie = ommegang


proche voisin du defunt = naaste buur van de overledene


prochiepaep = parochiepriester


prochischoole = school behorend tot de parochie of kerspel


proclamatie = uitroep


proclamatio,-ionis = afkondiging


proclameren = uitroepen


procrastinatie = verdaging, uitstellen


procreare = verwekken, in het leven roepen, voortbrengen


procreatie = teling, voortplanting, verwekken van kinderen


procreatores = ouders


procreeren,(te...,) = te verwekken, zich voortplanten


procul = ver


procula = zie procul


proculatorium = volmacht


procuratie = voorzorg, volmacht, last


procuratie ad lites = volmacht om een proces te vervolgen, ook: volmacht bij geschillen


procuratie ad negotia = schriftelijke volmacht om zaken af te handelen, ook: volmacht om enige zaken te beschikken


procuratie apud acta = algemene volmacht om zaken af te handelen


procuratio = machtiging


procurationis = zie procuratio


procurator = gemachtigde


procurator = volmachthouder, plaatsvervanger, advocaat, woordvoeder


procureren = verzorgen, voorzorgen


procureur = verzorger, pleitbezorger, volmacht, taalman, gevolmachtigde


procureur generaal = algemeen verzorger, gemeenteverzorger


procuvata = voortgekomen


prodigaliteit = verkwisting


prodige = deurbrenger, kwistgoed, verkwisten, niet ontzien
prodige(e)ren - verkwisten, kwistig zijn met, niet ontzien


prodigeus = wanschapen, wonderbaarlijk


prodigus = verkwister (goederen zijn door het gerecht ontnomen)


prodogi = goederen van iemand die onder curatele is geplaatst vanwege verkwisting


product = uitbreng, uitkomst, uitgebraakte


productie = voortbrenging


proef = bewijs


proefmeester = ambtenaar door de gilden aangesteld tot het examineren van hen, die als lid willen worden opgenomen

proefpredicatie = voorbereidingspreek, voorafgaande aan de viering van het heilig avondmaal


proeve = bewijs


proeven (iet) = bewijzen


profaan = onheilig, werelds, godloos, ongodsdienstig


profaneren = ontheiligen, ontwijden


profereren = uitspreken, uitten, voortbrengen


profeßie = belijdenis, voorgeving, ambt, aangenomen dienst


professor = hoofdleraar, opperleraar, hoofdschoolmeester, hoofdbevorderaar, landsleraar


profesto (in) = de dag voor het feest


profiteren = vorderen, winning doen, winnen


proflige(er)en = neerslaan, neerwerpen


profluge(e)ren = ontspringen, voortvloeien


profossionis suae = van beroep


profuge = toevlucht, voorvluchtig


profusie = kwistig, verplenging, overvloed, overdaad, verkwisting


progener = vader van de afstammeling


progenerare = verwekker


progenetrix = stammoeder


progenie = geslacht, afkomst


progenies = nageslacht, afstammeling


progenitor = stamvader


progenitus = nageslacht, zoon, afstammeling


prognosticatie = voorkennis, voorduiding


prognostiqueren = voorkennen, voorduiden, voorspellen


progredie(e)ren = voortgaan, voortschrijden, vorderen


progreßie = voortgang


prohebitief = verbieden, terughoudend


prohibe(e)ren = verbieden


prohibitie = verbod, verbod op invoer van bepaalde goederen


proiven = zie: proeven


proje = buit, roof, opbrengst van misdaad


project = voorwerp, ontwerp


projecteren = voorwerpen, ontwerpen


projiciëren = zie projecteren


prolandus = de te ondervragen persoon


prolaps = verzakking


prolatie = voortbrenging


prolegomena = voorreden, inleidende opmerkingen, voorstudie


proles = kinderen


proles = nakomeling, afstammeling, ook: gezien als onecht kind


proles = zie prolis


proles illegitima = onwettig kind, bastaard


proles naturalis = wettig kind


proles spuria = onwettig kind, bastaard


prolis = kind, nakomeling


prolix = wijdlopig, langzaam, breedsprakig


prologe = voorrede, voorwoord, voorspel

prolongatie = verlenging, termijn verlenging


prolongeren = verlengen


promatertera = zuster van de overgrootmoeder


promeridianus = in de voormiddag


promißio = belofte, toezegging


promittent = hij die de promesse ondertekent, die belooft


promitteren = toezeggen, beloven


promocondus = keldermeester


promoteur = voorsteller, bevorderaar


promotie = bevordering, voorzetting, rang verhoging


promotor = bevorderaar, hoogleraar bij promotie


promoveren = bevorderen, voorzetten


prompt = gezwind, zonder hakkelen, snel


promptitude = vaardigheid


promulgatie = verkondiging


promulgatio = afkondiging van een huwelijk


promulgeren = verkondigen


promus = keukenmeester


pronepos = achterkleinzoon, achterneef


proneptis = achterkleindochter, achternicht


prononceren = uitspraak doen van vonnis, bekendmaken


pronunciata = getuigenissen


pronunciatie = uitspraak, uitspreken


pronunciëren = uitspreken, vonnis geven, uitwijzen


pronuntiatie = uitspraak


pronuros = vrouw van een kleinzoon


proosdij = woonhuis van de proost


propagatie = voortplanting, uitbreiding, verbreiding


propago = nageslacht


propatruus = broer van de overgrootvader


proper = klein, dun, net


propheet = gods-tolk, voorbode, voorzegger


propheteren = voorzeggen, waarzeggen, preken, voorboden


prophetie = voorzegging, openbaring, voorboden


propia persona = in eigen persoon


propice = goedgunstig, toegedaan


propinquitas = nabijheid, bloedverwantschap


propinquitas = verwantschap


propinquus = verwant


proponent = nog niet beroepen theoloog, ook: voorsteller, beginnend leraar


proponeren = voorzetten, voorslaan (voorstellen), voorhouden


propoost = voornemen, voorhebben, onderwerp van gesprek


proportie = evenredigheid, gelijkmatigheid, voordeling, evenheid


proportioneren = evenredigen


proposeren = voorstellen


propositie = voorstel, voorstelling, uitgesproken oordeel, stelling


proposten = uiteenzetting, voorstelling van zaken

proprie = eigenlijk


propriétaire = zie proprietarius


proprietaris = zie proprietarius


proprietarius = eigenaar


proprietas = eigenschap


propriété = eigendom


proprium = eigen, eigenschap, ook: wissellende gezangen van de mis, deel van het brevier


propter = wegens


proquibus = voor wie


proreta = kapitein


prorogatie = uitstel, verlenging. ook: een voorovergeef verzoek, verdaging


prorogatie van jurisdictie = overdracht van rechtsdwang, daar bij men in de rechtsdwang, van een hogere rechter bewilligt opschuiving van een geschil naar een hogere rechter


prorogeren = uitstellen, verlengen


prorogieren = verdagen, verlengen, verschuiven


prosapia = verwantschap, geslacht


prosateur = prozaschrijver


proscinderen = afsnijden


proscriberen = verbannen, wegzenden, vogelvrij verklaren, uitsluiten


proscript = vogelvrij verklaarde, door de ban getroffen


proscriptie = ban, verbanning, vogelvrijverklaring


prose = rijmloos, onberijmd, onrijm


prosectie = ontleding opensnijden van lichaamsdelen


prosecutie = gerechtelijke vervolging


proseliet = bekeerde, door een ander overgehaald om tot ander geloof over te gaan


proselitismen = bekeringsijver, zieltjes winnerij


prospereren = prospereren, welvaren, veroveren


prosperiteit = voorspoed, welvaart, voorspoedigheid


prosterneren = neerwerpen, neder knielen, een voetval doen


prostratie = voetval, eerbiedig neerknielen


protavus = bet-overgrootvader


protecteur = beschermer


protectie = beschut, bescherming


protegeren = beschermen, beschutten


protest = voorbetuiging, wederspraak, aantijging, tegen getuigenis, beklag


protestatie = protest, tegenspraak


protestatie = tegenspraak, onschuldgetuigenis, vrijwaring betuiging, betuigkennis


protesteren voortuigen = weerspreken, verwerpen, zich zelve ergens tegen beklagen


protestieren = protesteren, tegenspreken


protexie = zie protectie


prothocol = schrijfboek, kladboek, schrijfrol


prothocolleren = te boek stellen


prouffyten = voordelen, opbrengst(en)


prout inde selve (ibidem) = zoals in de zelfde


prout numero = onder nummer...


prouveren = bewijzen, aantonen, doen blijken


prouwelijzer = wafelijzer om de prouwelwafel op te bakken

provenue = inkomst


proverbe = spreekwoord, spreekwijs, spreuk, bijspreuk, wijszaak


proviant = voorraad


provident = voorzienig


providentie = voorzienigheid, voorziening


provideren = voorzien


provincia = landschap, beheerd landschap


provincialen-raad landzatigen = raad, landschapsraad
provintie = provincie


provisie = voorziening, voorraad, zaak voerloon, vooreerst, tijdelijke voorziening, vergoeding


provisie (bij) = voorlopig, bij voorlopige voorziening


provisioneel = bij voorraad, vooreerst, tot opzeggen toe


provisionele = voorlopige


provisoor = toezichthouder, voogd, tijdelijk bestuurder


provisor puerorum = voogd van jongeren


provisoren = voogden


provisus = voorzien van (de sacrament van de stervenden)


proviteiten = voordelen


provocatie = uitdaging, porring, beroep


provoceren = in hoger beroep gaan


provoost = gerechtelijk ambtenaar, zoals ambtman en baljuw ook: opzichter van orde en tucht in een legerplaats, ook: militaire gevangenis, (onder streng arrest)


provoqueren = provoceren, uitdagen, porren


proxeneta = tussenhandelaar


proximo = die de volgende dag


proye = buit, roof


prudent = voorzichtig


prudentia = voorzichtigheid


prurietschap = ontucht plegen


prybende = kerkelijke titel waaraan inkomsten uit kerkgoederen verbonden zijn


pryculeus, periculeus = gevaarlijk


prysenteren = voor te stellen


psaligraphie = de kunst om figuren uit papier te knippen


pubertas = huwbaar


publi = publiek (bij notaris vermeld)


publicatie = afkondiging


publiceren = afkondigen, aflezen, bekendmaken


publijcq public =  openbaar, het gemeeneigen, gemeentelijk, wereldkundig


puchveler = perkamentbewerker


puckel = van wilgentenen gevlochten visfuik


pudiek = eerbaar, kuis


pudijk = beschamend, schaamachtig, eerbaar


puella = meisje


puella publica = prostituee


puella pudica = eerbare jonkvrouw


puellula = klein meisje


puer = kind, knaap

puera = meisje


pueri = kinderen


puëril = kinderlijk


puerinus = kind, knaap


puerpera = zie puerperia


puerperia = kraamvrouw


puerperis = tijdens de bevalling


puerperium = bevalling, kraambed


puerulus = baby


pugna = veldslag


pullemaat = inhoudsmaat, 1 pullemaat = 1/120 ton = 1,4 ltr. ook: bekend als kroes


pulpetum = ladekastje / secretaire


pulveren = fijnstampen


pumeel = sierknop


punctueel = geschikt, net op zijn stuk,zeer nauwkeurig


punctuëren = aftekenen, afstippen


punctum = stip


punitie = straf


punt = artikel van een verordening


punt = lengtemaat, 1 punt = 1/12 rijnlandse lijn = 0,18 mm., na 1820=1,1 mm.


puntdeuren = sluisdeuren


pupa = klein meisje


pupil = wees, pleegkind


pupill = halve wees, moederloos, pleegzoon


pupillariteit = onmondigheid


pupillus = moederloos, wees van moederszijde


pupula = zie pupa


pupulus = zie pupus


pupus = kleine jongen


purgatie = zuivering, lossing, bevordering van de ontlasting, buikzuivering


purge = zuivering (voor het gerecht, van een beschuldiging)


purge = zuivering


purgeren = zuiveren, lossen, verschonen


purificatie = reinmaken, vervulling, zuiveren, zuivering


Purificatio Maria = Lichtmis, 2 februari


purificeren = reinmaken, vervullen, zuiveren


puritein = zuiver, zuivergeest, vrijgeest


puriteit = zuiverheid


purpur = heraldiek teken, kleur, aangegeven door lijnarcering

van linker schuinlijnen


pusio = kleine jongen


pustulae = puisten


putaker = putemmer


putatief = zie putatyf


putatyf achtenderwijs, vermeintelijk = (vermeend), ingebeeld, ondersteld, ingebeeld


puteus = gat, put


putgalge = houten paal naast waterput met V vork aan bovenzijde, waarin stok om water op te halen


putimo orto = dadelijk na de geboorte

pütner = kuiper


puuc = beste soort laken of wol


puur = puur, zuiver, helder, onschuldig


puut = kikvors


puutbeitel = puntijzer om kleine gaten in natuursteen te maken


pynkelder = folterkelder


pynychbanck=  pijnbank


pypkanne = pijpenrek