Genealogische woorden beginnend met S
S
s = afk. sabel, heraldiekteken, kleur, zwart, weergave met
horizontale en verticale arcering of effen zwart
S = afk. schepen, wethouder
s = afk. semis, half
S = afk. sterbefälle, sterfgeval, overledenen
S = afk. susceptores, doopgetuigen, doopheffer, peter en meter
S.(S) = afk. susceptores, doopgetuigen, doopheffer, peter en meter
s.a.a = afk. sans alliance actuele, zonder actuele huwelijk (sverbintenis), verwantschap
s.g., s.m. = afk. zaliger gedachtenis
s.p = afk. sans postérite, zonder nageslacht, nazaten
S.R.E = afk. Sancta Romana Ecclesia, Heilige Romeinse kerk
s.s.t.t = afk. van salvis titulis, met voorbehoud van de titels
sa = afk. sans alliance, zonder huwelijksverbintenis, verwantschap
saai = gekeperde wollen stof, kamgarenstof
saaien = zie saai
saaihal = gebouw voor het keuren van de saai
saaiwerker = wever van saaiweefsel
saaiwever = zie saaiwerker
saaywerker = de zaaier
sabbathi dies = op zaterdag
sabbatum = zaterdag
sabbatum luminum (magnum sanctum) = zaterdag voor Pasen, op deze dag wordt de paaskaars ontstoken
sabel = heraldiek teken, kleur, zwart, weergave met horizontale en verticale arcering of effen zwart
sabotier = blokmaker, houten schoenmaker
sacage(e)ren = beroven, plunderen
saccage = plundering
saccellarius = schatmeester, penningmeester
sacel = afk. sacellanus, kapelaan, onderpastoor, hulp priester
sacellani = zie sacellanus
sacellanus = kapelaan
sacellum = kapel
sacer = heilig, gewijd, heilige zaken, heiligdommen
sacerdos = priester
säckelmeister = vermogenbeheerder, rentmeester
saclaken = zaklinnen
sacra = zie sacer
sacra baptismatis unda ablutus = gezuiverd door het heilige water van het doopsel
sacra communio = de Heilige Communie
sacraal = geheiligd, gewijd
Sacrae Scripturae = Heilige Schrift
sacrament = heilteken, eedbond, genademiddel
sacramentaliter sacra- menteel = voorzien van de sacramenten
sacramentis munitus = voorzien van de sacramenten
sacramento sacri olei munitus = voorzien van het sacrament van het Heilig Oliesel
sacramentum extremae unctionis = het sacrament van het Laatste Oliesel
sacramentum matrimonii = het sacrament van het huwelijk
sacramentum poenitentiae = het sacrament van de biecht
sacrarium = gewijde ruimte, putje voor afvoer gewijd water
sacreren = heiligen, wijden
sacrificie = heiliging, offerande
sacrifiëren = offeren
sacrilège = heiligschennis
sacrilegie = kerkroof, diefstal uit kerk
sacrista = koster, kerkbewaarder
sacristain = zie sacrista
sacristie = heiligdom, kerkkamer
sacro ledo copulati = in de gehouden mis getrouwd
sacro oleo provisus = voorzien van het H. Oliesel
sadelaere = zadelmaker
sadelhof = zie sadelhofstat
sadelhofstat = de woning, boerderij, het hof van de leenheer
sadelhuus = zadelschuur
sadelijchijt = het volle genot
sadinge = het zaaien op het land
saecschaffer = zaakwaarnemer
saei = zie saai
saeiaerde = zaailand
saeier = zaaier
saeiwaerp = kettingdraad van saai
saeiwerc = saaiweefsel, gekeperde stof
saelhof = zie sadelhofstat
saelhonttouwere = zeehondenleer bewerker
saelstoelmaekers = zitstoel makers
saementlijke leeden = de gezamenlijke leden
saepius = meerdere malen, vaak
saetacker = te bezaaien land
saetcoren = korenzaad
saeygewandt = weeftoestel, weefgetouw voor het weven van
saaiwerc = gekeperde stof
Saeykam = kam, onderdeel van weeftoestel
sagittarius = pijl en bogen maker
saietmaker = wollen garen fabrikant, sajetspinner
sainteurs = vrije boeren die zich, in de vroege middeleeuwen, onder de hoede stelden van kerk of klooster
saiseren = vatten, vast houden, in het bezit stellen
saisie = genieting, bezit
saisoen = jaargetijde, seizoen
sakeloos = niet beschuldigd
sakristan = landmeter
salariëren = bezoldigen, lonen
salaris = wedde, loon, bezoldiging
salarius = zoutbewerker
salde(e)ren = effenen, rekening opmaken, rekening afsluiten
saldus = waardeloos, ongebruikt
salet = salon
salette = kleine salon, ontvangkamer
salff = behoudens
salifex = zouthandelaar
salinator = zie salifex
salm = psalm, kerkelijk lied
salmiator = slijper, gereedschappolijster
saloppe = voorschoot voor vuil werk
salpista = trompetter, trompetblazer, trompettist
saluëren = begroeten
salus populi (ego sum) = 18e zondag na Drievuldigheid, ook: 4e donderdag voor Pasen
salut = zaligheid, groeten
salutair = heilzaam
salutatie = begroeting, heilwensen, groet
saluteren = groeten
salva inthimatione = behoudens gerechtelijke aanzegging
salvatie = bewaring, beschut
salvatien = weerleggen van de bezwaren tegen getuigen, getuigenis of geschriften
salvator = redder, heiland
salve = wees gegroet, welkom
salve(e)ren = bergen, in veiligheid brengen, behouden
salveconduit = vrijgeleiding
salvis = met voorbehoud van
salvis omissis = behoudens het wat vergeten of overgeslagen is
salvo (in) = in behouden haven
salwirth = plaatbewerker, smid
samaar = lang slepend vrouwengewaad
samblant = ogenschijnlijk, schijnbaar
sambuë = paardendek
samencoop = een partij in zijn geheel, in een keer kopen
samenlovenisse = trouwbelofte, verloving
samenrotten = samenscholen met slechte bedoelingen
samentelijcke = gezamenlijk
samenwerker = verzochte getuige bij een
huwelijksovereenkomst
sammelen = treuzelen
sammet = fluweel
samoos schipper = schipper die vaart op de Maas en Sambre
sampt = gezamenlijk, ook: met
samt = samen met
sancmeester = kapelmeester
Sancta Gertrude = Sint-Geertruide
sancta hebdomada = Goede week, ook: stille week voor Pasen genoemd
Sancta Margaretha = Margraten
sancta(-us) = heilige
sanctificatie = heiligmaking, heilig verklaren
sanctificatori = heiligmaker
sanctimonia = heiligheid
sanctis sacramentis = met de heilige sacramenten
sanctissimae theologiae tudiosus = theologiestudent
Sanctorum omnium = Aller Heiligen, 1 november
sanctus = heilig
sandtstande = kuip gevuld met zand
sanguin = bloed
sanguinem spuens = bloed spuwend
sanguinis fluxum = verbloeding
santbusse = busje gevuld met fijn zand om inkt te drogen
santee = drinkglas
santhorste = zandgronden met kreupelhout begroeid
sapc = afk. sans alliance avec postérité connue, zonder huwelijks-verbintenis, maar met erkend nageslacht
sape(e)ren = ondergraven
sapientiei = wijsheid
sapr = afk. sans alliance mais avec postérité reconnue, zonder actuele huwelijksverbintenis, maar met erkend nageslacht
sark = zerk, lijkkist ook: soort wollen stof
sarrieshut = huis naast de molen waarin de cargier/chercer woonde
sartor = kleermaker
sartrix = kleermaakster
saserdos = priester
satblauw = donker blauw
sate = zitting van een bestuursorgaan, ook: graanmaat
satelles = gerechtsbode, leenman, vazal, gewapende bediende
satellites = knecht, slaaf
sater = bemiddelaar, scheidsrechter
satertag = zaterdag
satisfacere = tevreden stellen
satisfactie = voldoening, (genoegdoening), voldoening
sator = zaaier
satrapa = stadhouder
satrix = kleermaakster
saturni dies = zaterdag
saufconduit = vrijgeleide
sausisen = vuurpijl, ook: kruidige worst
sauvegarde = bescherming, beschutting, vrijwaring, vrijgeleiding, vrijgeleide
savelerde = zavel, zware kleigrond met veel zand
savetier = schoenlapper, ook: broddelaar
saysoen = getij, jaargetij
sc = afk scilicet, namelijk
sc = afk. sans contrat, zonder huwelijksvoorwaarden, zonder overeenkomst
scabel = bank, voedbank
scabieus = schurftachtig
scabinale = akten schepenakten
scabini = zie scabinus
scabinus = schepen, schepenen
scabiosa = bloem, werd gebruikt tegen de schurft
scabreus = rouw, ruig, schurft, gewaagd, schuin, onwelvoeglijk
scaelc = knecht, bediende
scaeldeckere = leidekker
scaemelhuus = armenhuis
scaemelhuusweke = arme uit het armenhuis
scaepbrake = zie schaepbrake
scaepcoman = schapenhandelaar
scaephettinc = schapenweide
scaepsciere = zie schaepschier
scalatie = strafwerktuig, ladder waarop men gebonden werd en dan uitgerekt
scallacie = zie scalatie
scandaal = aanstoot, ergernis
scandaleus = ergerlijk, aanstotelijk, ergerniswekkend
scandeliseren = ergeren, aanstoot geven
scandularius = dakplankenmaker, dakdekker
scaperiene = schapenhoedster
scapiere = van schapenvacht
scapperen = ontkomen
scarificatie = scherving, het aan de oppervlakte inkerven in de huid om lidtekens te maken
scatten (enen) = iemand geld afnemen, gewoonlijk als losprijs
scattinge = begroting
scautheete, scaut = schout, gerechtelijk bestuurder
sceau à la cire = lakzegel
scedule, çeel = handschrift
sceell = hebben in iet verschil over iets hebben
sceetgracht = scheidingwater tussen twee stukken land
sceidinge = boedelscheiding
scelereus = schelmachtig, schalks, ondeugend
scelleren = verzegelen, dichtlakken met een zegel
scema = gestalte, voorstel
sceme = zie scema
scene = toneel
scepencameraer = de ambtenaar belast met het innen de door de schepenen uitgesproken boeten
scependom = het gebied der schepenbank
scepenebrief = een acte, opgemaakt van een handeling, voor het gerecht verricht en bezegeld met de zegels van de schout en (vier) schepenen
scepenquitancie = een acte, door schepenen opgemaakt van de voor hen gegeven kwijtschelding van een schuld
scepstock = gevangenis
scepter = koningsstaf, rijksstaf
scerpe examinatie = verhoor op de pijnbank
sceversteyndecker = pannendakdekker
schaar = oppervlaktemaat, ca. 300- 400 vierkante roeden = ca. 0,4-0,65 ha., 2 morgen
schabbelele = bank zie schabel
schabel = voetbankje
schabeltje = knielbankje
schacherer = venter
schacht = veer, synoniem voor lengtemaat roede
schadde = zode van veenachtige heide, als brandstof te gebruiken
schadeloosbrief = brief waarin de schadeloosstelling is beschreven
schadeschout = schuld op interesten
schaecman = struikrover
schaecroof = doel om iemand te beroeven
schaelc = schelm, schurk
schaelgedac = leiendak
schaepbrake = braak liggende grond waarop schapen grazen
schaepschier = grijs bruine wol van schapen
schaerbaer = land om vee op te laten scharen
schaers = scheermes
schalenschroder = mesheftmaker
schalie = schrijflei, lei
schaliedekker = leidekker
schalmei = muziekinstrument, (houten) fluit
schamele = jongen zie schortkandelaar
schap = houten rek
schapijnre = zie scapiere
schapraai = kast voor etenswaren, provisiekast, spijskast
scharen = scheren, ook: het aantal schapen, waartoe gerechtigd, op de gemeenschappelijke weide laten lopen
scharrebier = scherp dun bier
scharrelen = onzeker lopen, strompelen
scharrmacher = wagenmaker
schat = oppervlaktemaat, 1 schat = 1 mud = 6,8 are
schathuis = veestallen
schatplichtig = belastingplichtig
schatter = taxateur
schäufeler = ventende marskramer met lastdier
schavelen = slijten door schuren
schavotteren = veroordelen tot het schavot of schandpaal, vooraf vaak gebrandmerkt op de kaken
scheenstuk = plaat van metaal die de schenen bedekt bij harnas
scheepsbeschieter = meubelmaker / timmerman op schepen
scheepsjager = bestuurder van het paard dat de boot trok op het jaagpad
scheepsrol = lijst van bemanningsleden aan boord van schepen
scheepston = inhoudsmaat voor schepen = 1m3
scheepsverband = hypotheek met als onderpand een schip
scheerweide = zie schaar
scheet = kleinigheid
scheiber = zouthandelaar
scheidelpennic = kleingeld
scheidepunt = kruispunt van twee wegen
scheidesteen = grenspaal
scheiding van vastigheden = niet meer op kunnen vertrouwen
scheidler = messenmaker
scheidung unserer liebe frauen = Maria Hemelvaart, 15 augustus
schelachtig = in een proces verwikkeld, in een geschil
scheling(e) = geschil, civiele rechtszaak
schelling = munt 17e-18e eeuw , gelijk aan 6 stuivers, ook: betaalmiddel, 1 schelling = 12 denier (ca. 11e eeuw), 1/20 pond = 12 schellingen
schelpkom = kom, in de vorm van een schelp
schelpschaal = schaal in de vorm van een schelp
schelter = goochelaar, kunstenaar
schepampt = kleermakersambacht
schepel = inhoudsmaat bij graan, 1 schepel = 2 mud = ca. 29-34 ltr., ook:1/4 mud en 1/8 mud, na 1820, 1 schepel = 10 ltr. opppervlaktemaat, 1 schepel = 1 schat = 1 mud = 6,8 are, ook: 1 schepel = 4 spint, 1/4 mud en 1/4 morgen, gerechtelijk functionaris bij een lokale rechtbank, lid van de schepenbank
schepen ende raet = het stadsbestuur
schepenbanc locale = rechtbank
schepenboec = wetboek gehanteerd door de schepenbanc
schepencamere = kamer waar de schenen vergaderden en rechtspreken
schepencnape = gerechtsbode
schepeneet = ambtseed van de schepenen
schepenplecht = gerechtelijke erkenning van een schuld, door de schepenen gepasseerd
schepenquitancie = akte waarin opgetekend de kwijtscheldding van een schuld door de schepenen
schepensegel = zegel van de schepenen
schepentuuch = verklaring of getuigenis van de schepenen
scherfmes = hakmes
scherfvat = doodkist, ook: fig. lijkkist
scherpe examinatie = verhoor op de pijnbank
scherprechter = beul
schertmagen = bloedverwanten in de mannelijke lijn
scheuk = ontuchtige vrouw
scheuken = wrijven vanwege jeuk
scheurbanden = breukbanden
scheurmand = prullenmand
scheurzichtig = die op een scheuring uit is
scheversteen = kiezelsteen, steengruis, lei
schijtputte = beerput
schikken = sturen, zenden
schilden = betaalmiddel, 1 schilden = 20 stuivers (ca 14e eeuw)., ook: vaak klinkaart genoemd
schilderhuis = wachthuisje voor de schildwacht
schilt, schattinge = belastingvorm, voorloper van de grondbelasting
schiltleen = leen, waarop het verrichten van krijgsdiensten
schindeldac = dakvlak belegd met schindels (houten dakplanken)
schindele = houten dakpannen, dakplanken
schinder = vilder, beul, slager
schippond = gewicht, 1 schippond = 300 pond
schipsbrief = schuldbekentenisbrief of rentebrief gevestigd op een schip
schirmer = vechtersbaas, voorvechter
schirrmacher = wagenmaker
schlotfeger = schoorsteenveger
schnitter = oogstarbeider
schnittker = houtbewerker, fijnwerk timmerman
schnorrer = landloper
schobberdebonk = bedelen, klaplopen
schoef = bundel, bos, schoof
schoehouten = wilgenhouten deel van een schoen
schoenbroet = witbrood
schoenhoorn = schoenlepel
schoenlinghen = schapenvel, schapenvacht
schoerteldoek = voorschort
schofhecke = valhek in stadspoort
schofhek = valhek in poortdoorgang
schoft = werktijd tussen de pauze, ook: rust tussen de werktijden, ploert en schouder van een dier
schoften = schaftijd
schofvenster = schuivend luik in stadspoort
schoitstroy = dekstro als dakbedekking
scholastijcq = schools
scholder = beul
schole = school
scholebert = uithangbord bij de school met de vermelding van de naam van de onderwijzer (es)
scholes = leerplaats
scholtist = schout
schonk = grof been
schooien = bedelen
schooieren = zwerven, bedelen
schoolman = kerkleraar
schoontjes = geheel en al
schoorttecleet = schort
schoot = gewicht, 1 schoot = 2 pond
schopenhauwer = houten troggenmaker
schoren = vastmaken
schorre = ruwe steen (puin) voor de fundering
schorteldoek met valvulas = voorschort met zakken
schortkandelaar = staande kandelaar, voorzien van een schermpje tegen uitwaaien
schoteldoek = vaatdoek
schotelhuis = washok, bijkeuken
schotgaarder = inner van de (opbrengst)belasting
schotgavel = hooivork
schotgeld = opbrengst
schotkerver = belastinginner, de betaling werd op de kerfstok d.m.v. een inkerving aangebracht
schotschietende huysen = belasting verschuldigde huizen
schotvarken = mestvarken
schouboete = boeten voor niet goed schoonmaken van de sloot
schoudach = dag waarop geschouwd werd
schouhouder = gevangenbewaarder
schout = een rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer der heerlijkheid, rechterlijk ambtenaar, die in civiele zaken rechtsprak, hoofd van een ambacht
schouteteboete = boete aan de schout de voldoen
schoutetenbrief = akte van een voor de schout geschiede rechtshandeling
schoutetendiener = gerechtsdienaar
schoutetinne = vrouw van een schout
schoutheete = schout, vertegenwoordiger van de graaf als hoofd van politie en gerecht
schrede = lengtemaat, 1 schrede = 2,5 voet, landmeterspas, -tree = 2 gemene schrede = 5 voet
schreiboom = boom als grenspaal
schreur = kleermaker
schriefboek = kasboek, cahier
schriftuyre = rechtstuk, pleitstuk
schriftuyren = zie feyten
schrijfhout = timmermansgereedschap
schriver = persoon die kan schrijven en tegen betaling brieven schrijft
schriyfgerief = schrijfgerij, schrijfbehoeften
schrobbelaar = bediener van de schrobbemolen, onderdeel van de voorspinmachine voor het weven van lakenstof, ook: visser die vist met schrobnet
schrobber = lijkverzorger van pestlijders
schrodere = kleermaker
schrooien = verplaatsen door met touwen erom heen rollen
schröter = doekensnijder
schruiven = bankschroeven
schuddelkist = gevangenis
schueren = omploegen om bouwland in weiland te veranderen
schultellies = schotelpan
schumer = landloper, straatrover
schurre = zie schorre
schutterij = de vereniging welke in de middeleeuwen voor de verdediging van de stad zorgde
schuttinge = het vangen en vast zetten vee dat op verboden plaatsen liep
schutzengelfest = feest van de beschermengel, vanaf 1700, 2 oktober daarvoor 29 september, nu echter 2e zondag van september
schuyfspel = sjoelbak
schuytenvoerder = binnenschipper
schwager = broeder van een echtpaar
schwertdegen = jonge ridder
sciatica = heup en lende pijn
scientia = wetenschap
scieur = houtzager
sciif. = tafel; dikwijls de tafel, waarom de rechters bij hun beraadslaging buiten de schepenbank zaten
scijnsgoit = zie chijnsgoet
scilicet = namelijk
sciltboortich = behorende tot een stand die de wapenen mag voeren, van ridderlijke geboorte
scindere = weghalen (bij bevalling)
scintillatio = glinstering, tinteling, fonkeling
scipper = schipper
scipwrictere = scheepsbouwer, arbeider op een scheepswerf
scisma = tweespalt, scheuring
scismatijcq = scheurmaker
scissie = tweespalt, scheuring
scissum = er uitgerukt
scissuur = splijting, scheur
sclatorius = dakdekker
sclopetus = geweer, buks
scoeboeter = schoenlapper
scoel = zie scolescat
scoenewercstricghe = schoenmaakster
scolaris = scholier, leerling
scolas = afk. scolasticus, hoofd van de school
scolasticus = hoofd van de school
scolescat = boete, voorschot
scoparius = straatveger
scopus = wit, doel, oogmerk
scorator = verwekker van een onecht kind, hoerenloper, overspelpleger
scorpionarius = boogschutter
scorta = ongehuwde moeder
scortatie = hoereren, hoererij
scortatio = overspel, echtbreuk
scortator = hoerenloper, verwekker van een onecht kind
scorteren = hoereren
scortum = lichtekooi, hoer
scotporte = houten valpoort
scoutetedoem = ambt van schout in bepaald gebied
screuder = zie scroeder
scriba = secretaris, ook: schrijver, klerk
scribere = schrijven
scribere non posse = verklarende niet te kunnen schrijven
scribtarius = klerk
scrijfampt = het ambt van den schepenklerk
scrijfgelt = het loon van de schepenklerk voor het maken van een schepenbrief (te betalen door de verzoeker)
scrijnmakere = zie scrinewerker
scrinewerker = timmerman, schrijnwerker, meubelmaker
scriniarius = schrijnwerker, panelenmaker, ook: geheimschrijver en zegelbewaarder
scrinifex = zie scriniarius
scrips = afk. scripsit, heeft geschreven
scripto = geschreven
scriptor = schrijver
scriptura = schrift
scrivegelt = zie: scrijfgelt
scroeder = kleermaker
scrupel = medicinaal gewicht, 1 scrupel = 1/528 pond = 20 grein
scruptatie = nazoeking, doorgronding
scrupul = apothekersgewicht, ca. 1,3 gram
scrupule = angst, bekommering, gewicht van twintig greynen
scrupuleus = angstig, achterkousig, angstvallig
scrutarius = opkoper, uitdrager
scruteren = onderzoeken, doorsnuffelen, nazoeken, doorgronden
sct = afk. sanctus, heilig
sculptor = beeldhouwer
scultetia = schoutambacht, schoutschap
scultetus = schout, dorpsburgemeester
scupteur = beeldhouwer
scurre = rabauw, guit, fielt (schurk)
scurriliteit = fielterij, ,schurkachtigheid
scuteman = binnenschipper
scutterie = jacht
scuwen (iet) = voorkomen
se affinare = door huwelijk verwant worden
se marier = trouwen
se scribere ignaros, declarvaverunt = verklaarde niet te kunnen schrijven
sec. = afk. serviteur, dienaar, dienstknecht, bediende
secluderen = afzonderen, afsluiten, uitsluiten
seclusie = afsluiting, uitsluiting
seclusie = uitsluiting
second témoin = tweede getuige
seconde = tweede
seconderen = bijstaan, ondervangen
secondine = nageboorte
secours = bijstand, hulp
secr = afk. secrétair, secretaris(-resse)
secreet = geheim, ook: gemak, toilet
secreet siegelt = geheim zegel
secretarijs = geheimschrijver
secretaris = raadschrijver, geheimschrijver, schriftheer, gerechtschrijver, stadschrijver
secretarius (dorps) = secretaris
secretarius subscripsit = als secretaris ondertekend
secretelijk = heimelijk
secta luteranorum = de sekte der Lutheranen
sectaris = aanhanger
secte = aanhang, gedeeldheid, afgescheiden groep gelijkdenkende
seculier = wereldlijk
seculum = honderdjarige eeuw
secunda (feria) = maandag
secunda vota = tweede belofte, tweede verloving
secundum quid = na iets
secundus = tweede
securiteit = veiligheid, onbekommerdheid, onbeschroomdheid, gerustheid
sed = maar
sedecim = zestien
sediteus = oproerig
seditie = oproer
seductor = verleider, de vader van een onecht kind
seeckere = een bepaalde
seeckere origin = het origineel
seeker = zie seeckere
Seelen (aller) = Allerzielen, 2 november
seengaren = pezen voor bogen
segelwas = de te smelten was voor zegels
seghel = zegel
segisser = magere Hein, de man met de zeis
segristanus = koster
segwoort = bewering zonder bewijs
seidenneger = zijde -breister
seigerschmied = groot uurwerkmaker
seigneur = heer
seigneurie = heerlijkheid, in de middeleeuwen het gebied waarover men het gezag uitoefende onderverdeeld in een hoge of lage heerlijkheid
seigneurie = heerschappij, heerlijkheid
sejunctie = onderscheiding, afscheiding
sekel = zeis, sikkel
sekele = zie sekel
sekerheyt = zekerheid
selfsegel = door zijn eigen zegel gezegeld en bekrachtigd
selig = overleden
sellarius = zie sellator
sellatius = zie sellator
sellator = zadelmaker
selver = van hem zelf, maar, ook: zilver
selverijn = zilveren
semblant = schijn
semen = zaad, kroost
semiennis = een half jaar oud
seminarium = planthof, kwekerij, snijhof (bloementuin)
seminis = van het zaad
semiplene = probatie halve proeve, bewijs ten halve
semistultus = halfdwaas
semmler = witbroodbakker
sen = afk. senior
senateur = raadheer
senatus-consulta = raadsbesluiten
sendael = doek van linnen, neteldoek
sendebrief = aanbevelingsbrief, missive
senechaussee = rechtsgebied van een seneschalk, rechtbank van een senechalk
senectus = hoge ouderdom
senectute confectus = zwak van ouderdom
senescalcus = ambtenaar belast met toezicht op het koningshuis, aanvoerder van het leger
senescalissa = vrouw van een seneschalk
seneschalk [= zie senescalcus
senex = grijs en eerwaardig, oude man
senii = van de ouderdomskrachten
senilicus = oud mannetje
senio confectus = door ouderdom uitgeput
senior = ouderling, oudste
sensal = makelaar
sensibel = gevoelig
sentence capitale = doodvonnis
sententia = vonnis
sententiare = zie sententie
sententie = vonnis, oordeel, het gewijsde, zin- en zede spreuk, spreuk, zin uitting
sententie-diffinitijf = eindoordeel
sententiëren = vonnissen, oordeel vellen
sententieus = zinrijk, kernachtig, bondig
sentiment = gevoeligheid, gevoelen, oordeel
sentir le fagot = van ketterij verdacht worden
separabil = onderscheidenlijk, afscheidlelijk
separatie = scheiding
separatie bonorum = boedelscheiding
separatio a toro et mensa = gescheiden van tafel en bed
separatio quoad torum et mensam = gescheiden van tafel en bed
separatio quoad vinculum sepelivi = echtscheiding
separeren = scheiden
sepelevi = ik heb begraven
sepelivi = echtscheiding
seperanus = hoogste, voornaamste, exclusieve bevoegdheid tot uitoefening van publiekrechtelijk gezag
seponeren = weg leggen, ter zijden leggen
septem = zeven
septem dies = zeven dagen
septembris = in september, 9e maand, ook voorkomend als; september, septembre, 7ber, 7bre
septemdecim = zeventien
septennis = zeven jaar oud
septimana = week
septimanarum = weken
septimanarum communis = de week voor allen, vanaf 29 september
septimanarum rogationum = de week van de gebedsomgang
septimus = zevende
septimus dicimus = zeventiende
septingentesimus = 700e
septuagenarius = zeventigjarige
septuagesima = de 70e dag, de 9 zondag voor Pasen
septuagesimus = 70e
septuaginta = zeventig, 70
septuennis = zevenjarige
sepulchre = graf
sepulcrum = graf
sepulivi = ik heb begraven
sepulter mortuorum = doodgraver
sepultura = begrafenis, uitvaart, cremeren van een lijk, ook: graf
sepultus in cemetero = op het kerkhof begraven
sepultus in choro = in het koor begraven
sepultus in coemeterio = op het kerkhof begraven
sepultus in ecclesiae = in de kerk begraven
sepultus in ecclesiae navi = in het schip van de kerk begraven
sepultus in templo = in de kerk begraven
sepultus(-ta, -ti) = begraven
sequele = gevolg
sequester = scheidsman, zegsman, makelaar, in wiens handen een betwiste zaak te bewaren en als in verzekering gesteld werd
sequestratie = overgift, inbewaarstelling, overdragen, ook: gerechtelijk besluit
sequestrere = overgeven, in bewaring stellen
serator = slotenmaker
sercksetter = grafsteen-, maker en plaatser
sereniteit = helderheid
serge de nimes = keper geweven stof van wol later, ook: van katoen (denim)
sergeant = bedienaar, rechtsbode
sergiant = zie seriant, ook: extra lange lijmklem
seriant = knecht, helper, soldaat
sericarius = zijdebewerker
serieus = ernstig
serjiant = zie seriant
serment = eed voor geheimhouding bij werkzaamheden, eed, plechtige belofte
sermijn = geweven stof uit de weverijen van Leiden
sermoen = betoog, predikatie, leerreden, vermaning
serpent = slang
serr = afk. serrurier, slotenmaker, ijzerhandelaar
serrarius = zagenmaker
servateur = behoeder, behouder
servatis servandis = met inachtneming van de voorschriften
serveriteit = hardigheid, strengheid
servetten (met dubbele roosjes) = servetten met ingeweven motieven
serviteur = dienaar
servituit = dienstbaarheid
servitus prædiorum rusticorum = velddienstbaarheden
servitus prædiorum urbanorum = huisdienstbaarheden
servituten = erfdienstbaarheden, dienstbaarheden
servitutes rerum = erfdienstbaarheden, servituten, lasten waarmede een erf is bezwaard ten dienste van een
ander erf
servituyt = dienstbaarheid
servus = knecht, dienaar, schildknaap
servysmeester = inkwartieringsambtenaar
sescentesimus = 600e
sesdeel = het zesde deel (bijv. van geld)
sesenti = zeshonderd
sesquiennis = van anderhalf jaar
seßio = zitting, vergadering, bijeenkomst
seste = zesde
sestehalf = vijf en een half
sester = inhoudsmaat voor olie, 1 sester = 40 mengel
set = kont, achterste
settere = belastingontvanger
setterlyden = inwoners
seu = anders gezegd
seurete des corps = vrijgeleide, vrijbrief
seveer = streng, gestreng
sevendalf = zes en een half
sex = zes
sexagenarius = zestigjarige
sexagesima = de 60e dag, de 8e zondag voor Pasen
sexagesimus = 60e
sexaginta = zestig
sexdecim = zestien
sexe = soort, geslacht, kunne, hij, of zij
sexennis = zes jaar oud
sexta (feria) = vrijdag
sextillis = de 6e maand, later is dit augustus geworden
sextus = zesde, 6e
sexus = geslacht
seyen feill = zijden sluier
Sg = afk. signature, ondertekenaar(ster)
Sgr = afk. seigneur, heer, leenheer, landsheer
shoofs (van...) = het gerechtshof (van ...)
sibbe = de familie, verwanten of familieleden
sibbedag = bijeenkomst van familieleden en naamgenoten
sibbedeel = verwantschapsgraad
sibbekunde = familiekunde
sibbemaech = bloedverwant
sibber = nader familie
sibbesten = de naaste familieleden
sibbetabel = parenteel, waar, ook: de afstammelingen in de vrouwelijke lijn zijn opgenomen en die dus alle nakomelingen van de stamvader omvat
sibbetale = graad van bloedverwantschap
sibbevooght = verwantschap -of bloedvoogd, (tweede) voogd
sibbicheit = bloedverwantschap, verwantschap, overeenkomst in aard, verschijnselen, enz
sibi = aan zich, aan hem, aan haar
sic attestor = zo, aldus, aldus verklaar ik
sicaneren = moorden
sicanerie = baatzoekigheid, hoetelachtigheid, moorden
sicaneur, hoetelaar = baatzuchtig, moordenaar
sickele = sikkel
sickelmaker = sikkelmaker
sicut (et) = en eveneens
sideval = zijlinie, het komen van erfgoed aan een zijlinie
sidten = zeden
sieckman = melaatse
sieckten = ziekten
siedehuus = zoutziederij
sieden = koken, braden
siedoec = doek om stoffen te zeven
siekevoget = bestuurder van het gasthuis
siektens = zie sieckten
sielboec = boek met vermelding van de overledenen
siepel = ui
sigilavit = hij heeft bezegeld
sigillatum = is bezegeld
sigillatur = wordt of is bezegeld
sigillum = zegel
signaal = teken
signatura = handtekening, ondertekening, tekening
signavit = hij heeft ondertekend
signet = zegel, ook: zegelring, merkring
significant = duidelijk
signifieren = betekenen, aanzeggen
signum = teken
silentie = stilzwijgend
silva = bos, woud
Silva Ducis = ’s Hertogenbosch
silveren cop = zilveren kommetje
silveren ducaton = munt
silverfoelge = bladzilver
silvergelt = zilvergeld, zilveren munten
similarius = witbroodbakker
similis = gelijk
similiter = gelijkelijk
simpel = enkel, eenvoudig, slecht
simpliciteit = eenvoudigheid, slechtigheid, eenvoudigheid
simulatie = veinzen, bewimpeling
simuleren = veinzen, bewimpelen, voorwenden
sinceer = oprecht, eenvoudig
sinceriteit = oprechtheid, openhartigheid
sindael = zie sendael
sine = zonder
sine dode hant besoeken = onderzoek instellen omtrent den toestand van een toegevallen erfenis voor de aanvaarding daarvan
sine preavia proclamatione = zonder voorafgaande afroeping
singelmuer = een muur aan den buitensingel van een stad
singulariteit = bijzonderheid, eigenaardigheid, zonderlingheid
singulier = bijzonder, zonderling
sinilis = afgeleefd, door ouderdom
sinister = slinks, vals
sinopel = heraldiek teken, kleur, ook: groen of emaraldgroen genoemd, weergave met schuinsrechtse arcering
sinstag = dinsdag
sinte = de heilige
sinxen = Pinksteren
sippe = een niet scherp begrensde groep van verwante personen, in engere zin de gehele verwantschap van enkele personen
sippenamt = genealogisch bureau
sippenforschung = genealogisch onderzoek
sippenhaft = in arrest, in hechtenis zijn van de familie
sippenlade = familiearchief
sippenschafttafel = sibbetabel, tabel van familieleden
sippenstolz = familietrots
sippenüüberlieferung = familietraditie
sisenaer = sijsmeester
sister = inhoudsmaat voor koren = ca. 49 ltr.
sisteren = in recht stellen, iemand vertonen, ofte doen komen
sitas = zie situs
sitientes venita (ad aquas) = zaterdag voor Pasen
sittardiensis = van Sittard
sittekiste = stoel met er onder een gesloten kist
situ = ter plaatse
situëren = stellen, aanwijzen van plaats, gelegen zijn
situs = gelegen, oorspronkelijke toestand
situs = situatie, stand, gelegenheid, eigenschap eender plaatse
sive = ofwel, anders gezegd
slaaprok = zie beidje, ook: bijtje genoemd
slabbe = zie saloppe
slach = aandeel meestal: een gedeelte van een weg, water of dijk, tot welk onderhoud een college of een persoon verplicht is
slachbosch = kreupelhout, struikgewas, hakhout
slachcleet = kussenovertrek
slachmolen = oliemolen
slachtbeeste = slachtvee
slachturf = baggerturf
slaeckijnghe = vrijlating
slaepclocke = avondklok, gaf het begin van de nacht aan
slaepers messe = mis omstreeks 10 uur 30 voor de middag
slaeplaeckens = beddenlakens
slaeplaken = bedlaken, lijkkleed
slaepstat = slaapplaats
slaepstede = zie slaepstat
slagturven = veen baggeren, de veenlaag onder water werd tot op de kleilaag door slagturven gewonnen
slaper = betaalmiddel, zilveren munt ca. 1500
slaper = de balk waarop het span van het dak rust., ook: een schepenbrief die niet tijdig vertoond is en dus zijn kracht grotendeels verloren heeft
slavine = reismantel
slechtbijl = bijl met korte steel
sleef = pollepel, zowel van hout als metaal
sleepdegen = lange degen
sleepstake = soort eg, houten plank met korte tanden om het land glad te maken
sleescatte = muntrecht
sleg = zie slegge
slegge = grote, houten hamer, inz. voor inslaan van palen gebruikt
sleghel = houten hamer, maar, ook: hendel
sleis = lange stang met greep, om grote vuren en roosters schoon te maken
slemp = slijmerige klei
slenk = ondiepe kom
sleunen = hakken
sleutelraaks = ketting waaraan de vrouwen hun sleutels droegen
sleutelriem = zie sleutelraaks
sleynen = snoeien van takken
sliclant = niet bedijkt land
slief = zie sleef
slincker = linker, aan de ...
slobbe = zie salope
slobhoos = slobberbroek
sloobrade = gebraad van gevulde varkensdarmen
slop = geheime plaats, schuilhoek, doodlopende steeg
slotelare = slotenmaker
slotemakre = zie slotelare
slots = boete
slovaert = rouwmantel, gedragen door de lijkbidder
sloyer = lange smalle doek, als versiering op een hoed gedragen
sluier = sjerp
sluikerijen = smokkelarij
sluipschool = niet erkende school
sluuswael = verdiept en verbreed deel voor de sluis
sluutcorf = korf met deksel (s)
sluutgelt = de geldsom, door de in boeien gesloten (of afzonderlijk opgesloten) gevangenen betaald
om zich levensonderhoud te verschaffen
smaltiende = kleine tiende, een belasting
smedegetouw = smidswerk gereedschap
smedenambagt = smederij
smelthuys = huis met smeltoven
smersnider = spekverkoper
smette (in) = besmet met een besmettelijke ziekte
smitten = smederij, smidsoven
smouttappere = oliehandelaar, meestal in spijsolie
smoutwerc = met boter ingevet wol -weefsel
snaphaen = struikrover, ook: munt met een waarde van ca. 5 stuivers
snaphaenen = soort geweer
snedelinc = kind geboren met een keizerssnede
snees = oppervlakte maat, groot circa 2,5138 ca., in elk deel van het land anders van oppervlak., ook: 1 snees = 20 stuks eieren of vis
snidemaerte = meisje belast met de kruidentuin
snoeisabel = zeis
snoeizeis = zie halve maan
snotveger = barbier
snuijterbak, snuiter = kaarsendover met houder
sober = nuchter, zuinig, spaarzaam, schaars
sobriëteit = nuchterheid, spaarzaamheid
sobrina = nicht van moederszijde
sobrinus = neef van moederszijde
socer = schoonvader
socer magnus = grootvader van de huwelijkspartner
soceri = van de schoonvader
socht = besmettelijke ziekte
societeit geselschap = maatschap, gemeenschap
socrinus = zwager, echtgenoot van zuster
socrus = schoonmoeder
socrus magnus = grootmoeder van de huwelijkspartner
socrus major = overgrootmoeder van de huwelijkspartner
sodalis = kameraad, reisgezel
sodalitas = verbroedering
sodomie = ontucht, ook: zelfbevrediging
soe = hoe
soenboec = boek waarin vermeld is de verzoeningen tussen twee partijen
soenbrief = brief waarin overeenkomst is omschreven
soeur = zuster, non
soeur consanguine = halfzuster van vaderszijde
soevereiniteit = exclusieve bevoegdheid tot uitoefening van publiekrechtelijk gezag
soglam = een bij de koe nog drinkend kalf of lam bij een schaap
soir = namiddag, avond
soirée = zie soir
solaas = troost
solageren = vertroosten
soldanus = soldaat
soldenier = soldaat
solemneel = jaarlijks terugkerend, feestelijk, plechtig, plechtige
solemneele = zie solemneel
solemnele = enkelvoudig
solemnicatio = zie solemnisatie
solemnisatie = trouwplechtigheid
solemniseren = vieren, feestvieren, hoogtijd houden, plechtigen
solemnitatio = zie solemnisatie
solemniteit = hoogtijdviering, feest, plechtig
solemniter = plechtig
solemniteyten = plechtige handelingen
solemnizatum = ingezegend
solicessatio = braakligging
solicitor = procureur, zaakwaarnemer
solidair = gezamenlijk, hoofdelijk
solide = louter, hecht, hard, vast, lichamelijk
soliditeit = degelijkheid als betaler, louterheid, dichtheid, vastigheid, lichamelijkheid
solis dies = zondag
solitair = solitair, eenzaam
solitis proclamationibus = na de gebruikelijke roepen
sollers = bekwaam
sollicitatie beneerstiging = (dingen naar...), verzoek
sollicitator = verzorger van iemands belangen, van iemands rechtzaak bij de regering
solliciteren beneerstigen = (dingen naar...), verzoeken
solomniteit = verhevenheid
solstitie = zonnestand
solstitium = zonnewende, 24 juni, zonnekeerpunt
solstitium hiemale = winter zonnewende, 25 december
solum = alleen
soluta = alleenstaande vrouw, ongehuwde vrouw
solutie = oplossing, lossing, betaling
solutus = alleenstaande man, ongehuwde man
solvent = betaalbaar, instaat te betalen, geldig, rechtsgeldig
solvere = betalen voldoen
solveren = oplossen, lossen, betalen, verklaren
solvit = hij, zij, hebben betaald
solvyt = zie solvit
sombre = beschaduwt, bedekt, treurig, akelig, droevig
somer = inhoudsmaat voor graan, 1 somer = 1/3 malder, = 2 vat
somerbaen = weg die alleen in de zomer te gebruiken was, niet verharde aarden baan
somma lateris = onder aan een bladzijde de optelling van alle bedragen
sommarie = inhoud, korte samenvatting
sommatie = dagvaarding, gerechtelijke opeising
sommer = zie somer
sommeren = afeisen, afvorderen, uiteisen, opeisen, optellen
sommieren = sommeren, eisen
somtues = zie sumptueus
sonder bespieringe = onbelemmerd, zonder belemmering
sonder erlist = zonder arglist, zonder kwade opzet
sonder oir = zonder nageslacht
sonderen = op de vaste grond zetten, onderzoeken, peilen, uithoren sone = zoon
sonne, bi der sonnen ute ende bi der sonnen in = van zonsopgang tot zonsondergang
sonneabend oculi = zondag voor oculi
sonnendaich = zondag
sonnwende = zonnewende, 24 juni
sont comparus = zijn verschenen
soo = wanneer
soo groot ende cleyn = in afmeting als blijkt
soor = uitgedroogd
sophist = muggenzifter, wijsneus, betweter, haarklover, woord-vitter
sophistiseren = muggenziften, betweterig
soror = zus
soror germana = halfzuster
soror patris = zuster van de vader
soror patruelis = kind van een broer of zus
sorores = de zusters
sororis = van de zusters
sororum = zie sororis
sorteren = uitzonderen
sosius = verbondene
sotorius = zwager
sotternie = klucht, kort toneelspel met grappige inhoud, middeleeuws toneelspel
sottise = dwaasheid, grofheid, zotheid
soude = zou
soude ghelieven = zou willen (geloven)
soulagement = troost, verlichting, opluchting, verzachting
soulageren = vertroosten
soumis = onderdanig, gedwee
souteneren = ondersteunen, staande houden
souterrain = opperhoofd, opperste, oppermachtig
soutvaten = zoutstrooier
souverainiteit = oppermacht, opperhoofdigheid
soverein = exclusieve bevoegdheid tot uitoefening van publiekrechtelijk gezag
spademakere = gereedschapmaker, spadenmaker
spaesvat = wijwatervat
spanninge = dakspanten
sparge(e)ren = verspreiden
spatie = witte ruimte, lege plaats
spatieus = ruim, wijt
specht = Spaanse soldaat
speciaal = zonderling, bijzonder
speciale = procuratie zonderlinge last, met bijzondere opdracht
specialijck = in het bijzonder
specialijk = inzonderheid, bijzonderlijk
specialiteit = bijzonderheid
speciarius = specerijenhandelaar
specie = gedaante, soort, bijzonder
specierente = rente in natura
species = gedaante, soort, gemeen gedaante
specieus = uitzonderlijk, zonderling schoonschijnend, bedrieglijk, misleidend
specificatie = uitzondering, benoeming, uitdrukking, gedaangeving, rekençeel, gesplitst
specifiëren = specificeren, sonderen, uitzonderen
spectakel = schouwspel, beschouwspel
spectateur = aanschouwer
spectatie = opmerking, bespeuring, bespieding, beschouwing
specteren = aanschouwen
specterende sijn = betrekking hebbende op, daarbij behorend
speculatijf = opmerkend, bespiegelend, met onzekere kans op winst
speculator = spion, waker, opmerker, aanschouwer
speculeren = bezinnen, bespeuren, bespieden, beseffen, beschouwen
speek = spaak
speelwort = uitdagende opmerking, scheldwoorden
spekkoper = varkensslager
spelleude = muzikanten
spelonk = aardkuil, grot
spenderen = bekostigen, verspillen, aan te kost hangen
speten = twee steken diep
spica = korenaar
spicarium = graanzolder
spiegaten = kijkgaten in gevelmuren
spijnde = voorraadkast voor etenswaren
spiker = korenschuur
spilside = de vrouwszijde, van moederszijde
spindelmagen = bloedverwante uit de vrouwelijke lijn
spint = inhoudsmaat bij graan, 1 spint = 1/2 schepel = ca 7,2 -8,5 ltr ook: ca 5,4 ltr. en 36,5 ltr., ook:
oppervlakte maat, 1 spint = 1,7 are
spirituel = geestelijk
spiritum Deo reddidit = gaf zijn geest aan God terug
spiritum exhalavit = blies de laatste adem uit
spiritus domini replevit = Pinksteren
spitter = platte schop om roggebrooddeeg los te steken
splenderen = glinsteren
splendeur = klaarheid, glans
splete = deel van een leen d.i. uit een leen gespleten
splettstößer = dakplanken handelaar
spoliatie = beroving, plundering uitplundering, het ter kwader trouw ontrekken van goederen
spoliationes = vernielingen, brandstichtingen, plundering
spolie = storing, roof
spoliëren = beroven, plunderen, verwarring, ontroven
spon = moedermelk, ook: tap, stop
spondboor = gatenboor
sponde = bed, bedstedeplank
spongat = gat in vat voor de spon (stop)
spons = afk. sponsus, sponsalia, aanstaande bruid, verloofde
sponsa = bruid, ook: verloofde
sponsa clandastina = heimelijke huwelijks belofte
sponsa publica = publieke verloving
sponsalia = huwelijk, trouwbeloften, ondertrouw bruidsschat, huwelijksgift
sponsalitium = verloving, ook: huwelijk
sponsari = huwen, trouwen
sponser = doopgetuige, borg
sponser fidei = peetoom. peet, peter
sponsi = bruid en bruidegom, het bruidspaar
sponsus = bruidegom, ook: verloofde
sponton = zie bartizaan
sporkel = februari
sportularius = korven-, mandenmaker
spoubecskijn = spuwbakje
sprecterende = behorende
sprenkvlees = pekelvlees, gezouten vlees
spuria = onwettige dochter, onecht kind
spurius = onwettig (kind), bastaard, onwettige zoon, onecht kind
spurkel = zie sporkel, ook:februari
sputo sanguinis = door een bloedspuwing
sr = afk. Sieur, (de) heer
ss = . subscripsit, hij heeft dit ondertekend, was getekend
ss.s = afk. susceptores, de doopgetuigen , de doopheffers
sst = afk. subscripsit, heeft hieronder getekend
st. = afk, sunt, heilig
St. Jan mitsomer = feestdag van St. Jan, 24 juni
StA = afk. Staatsarchiv, rijksarchief in Duitsland
StaA = afk. Stadtarchiv, stadsarchief
staak = stam van een familie stamboom, de gezamenlijke afstammelingen van een gemeenschappelijk voorouder, ook: boom, als onderdeel in een erfafscheiding
staand horologie = staande klok
staatboek = legger waarin opgetekend alle bezittingen van een kerk
Staatsarchiv = rijksarchief in Duitsland
stabularis = stalknecht
stadhouder = plaatsvervanger van de vorst in het bestuur van het land, een provincie of een streek
stadsrechten = het recht van een stad om zijn eigen rechtspraak, rechters en (jaar)markten te hebben
Stadtarchiv = stadsarchief
stadthelder = zie stadhouder
stadtsmeijster = stadsgeneesheer
staen tot slitinge van enen = tot het gebied van een rechter behoren
staet van goed = ambtelijke boedelbeschrijving
staetcamere = pronkkamer
staffirmaler = stukadoor
stagnifusor = tinnegieter
staket = paal, staak
stambeer = stamhouder
stammbuch = oorspronkelijk geslachtsregister, later een boek waarin familieleden en (later) vrienden van de eigenaar iets schreven als aandenken
stand = burgerlijke stand, bevolkingsregister, beroep
standkandeler = grote kandelaar die niet verplaatst werd
stannarius = kannen -, tinnegieter
stante pede = zie pedestantelijk
stare ad iura patrie et vicinorum = vallend onder het land- en buurrecht
stat kiste = kast met laden, die tevens als tafel diende; men bewaarde daarin behalve verschillende charters en boeken, ook: het stadszegel en de standaard van maat en gewicht, in de
raadsvergaderingen zaten de kameraars en de stadsklerk daar omheen
statbrief = akte, opgemaakt van een voor het gerecht verrichte handeling en ten bewijze daarvan voorzien van het grote stadszegel
statebode = bode bij de staten
staterarius = wagenmaker
stateren = laten staan, in staat stellen
statieren = vaststellen, verordonneren
statim = terstond, op staan
statt = stad
statue = beeld, stokbeeld
statuëren = instellen, vastzetten
stature = lijfsgroot, lijfstal
status = staat, hoofdzaak
status animarum = staat van de zielen (lijst van parochianen)
statuyten = instellingen, landrechten, stadswetten, keuren
stave = knots, het wapen van de strijders te voet
stedige woen = iemands hoofdverblijf
steekan = inhoudsmaat, bij natte waren. 1 steekan = 1/8 aam = 16 mengel = ca. 18,75 ltr.
steelboerskijn = beurs waarin het gestolen geld opgeborgen werd
steen = gewicht, 1 steen = 8 pond, maar, ook: 6 pond gezien
steen om den hals een zware steen aan een ketting om de hals gehangen als straf o.a. voor laster
steenbickelaar = metselaar, steenbikker
steenbickelere = zie steenbickelaar
steenboete = de levering van een zeker aantal stenen voor den stadsmuur, later vervangen door betaling van de waarde daarvan, ook: een zware steen, door vrouwen, die een of ander
misdrijf gepleegd hadden, volgens rechterlijk vonnis om de stad gedragen
steengelt = zie: sluutgelt
steenkosten = gevangeniskosten
steenpoorte = stenen stadspoort, hierin was vaak de gevangenis voor landlopers en vagebonden
steenput = waterput
steenstuk = oorlogswerktuig, katapult voor grote stenen
steenwaerder = gevangenisbewaarder in de steenpoort (stadstoegangspoort)
steenwech = steenweg
steewyf = stadsvrouw
stekaed stock = steekwapen, b.v sabel, degen
stellmacher = wagenmaker
stemma = stamboom
sterbefälle = sterfgeval, overledenen
sterculium = mestvaal, beerput
stere = inhoudsmaat, 1 stere = 1 m3 los opgestapeld
brandhout, double stere = 2 m3
sterfhand = geestelijke liefdadige instelling
sterfhuis = nalatenschap
sterfput = beerput, zinkput voor de privaat
steriliteit = onvruchtbaarheid
sterquilinum = beerput, zinkput voor de privaat
sterre = zie stere
sterzer = landloper
steynmetzer = metselaar
stiefsnaar = vrouw van de stiefzoon
stieg = hoeveelheid, 1 stieg eieren = 20 stuks eieren
stift = klooster
stijffmoeder = stiefmoeder
stijg = zie stieg
stille wacht = personen die de beerputten leegmaakten
stille woche = week voor Pasen
stiller freitag = goede vrijdag
stilletje = kastje met po achterdeurtje op schap
stillevanger = personen die de beerputten leegmaakten
stilo novolabl = aanduiding voor de nieuwe kalenderstijl van 1582
stimulatie = aanporring
stimuleren = voortdrijven, aanporren
stinkroer = geweer
stipael = tot de familie behorend
stipulatie = afspraak, overeenkomst, toezegging
stipuleren = toezeggen, bedingen
stipus = bedelaar
stirpis = van de afstammeling, van de familie
stirps = het geslacht, de familie, erfgenamen
stiven (enen) = bijstaan, handhaven
stockhouder = ambtenaar belast met de wettelijke verkoping van goederen
stockleggensbrief = akte van overdracht van een goed met stoklegging
stocksgewijs = volgens de graad van verwantschap
stoep = ratelwacht, nachtwacht , drinkbeker
stoepschijter = huursoldaat, huurling
stoet = zie: stoot
stoetselaer = steekwapen
stofvarken = handveger, stoffer
stok leggen = in rechte afstand doen van (onroerend) goed en in eigendom overdragen door het neerleggen van een stok als eigendomssymbool
stokbewaarder = cipier
stokwaarder = gevangenisbewaarder
stoolgelden = onzekere inkomsten van een priester bij het verrichten van bepaalde handelingen (dopen, trouwen, begraven)
stoop = inhoudsmaat, bij natte waren. 1 stoop = 2 mengel = ca. 2,4 ltr., bij melk = ca. 0,75 ltr.
stoot = geschil, twist, oploop
storger = marktschreeuwer, ook: zwerver
storting = miskraam
stoter = munt 17e-18e eeuw, gelijk aan 40 penningen
stoven = voetstoof
straetbespieder = rover in het struikgewas of hinderlaag
straetmare = overal bekend gerucht
straetmodder = vuil op straat, ook: vaak van de beerput
stratagema = arglistigheid, loze trek, loosheid (slimheid)
stratarius =zadelmaker
strijckvat = maatvat voor het afmeten van droge waren
strijcrepe = koord om het laken mee te meten
strikte = gijzeling (in) onder streng arrest
stro = hoeveelheid speciaal voor vis, bekend is 1 stro haring = 500 stuks, 20 stro = 1 last
stroe dack - zie week dack, dak van stro
stroedecker = strodaklegger
stroncken = staken, afgezaagde boom, van een geslacht
stronckgoed = familiebezit
structure = timmerwerk, gebouw
student = leerling, boekoefenaar, schoolgast
studeren = vlijtig, oefenen
studie = leeroefening, vlijt
studieus = naarstig, vlijtig, leerzuchtig
studiosus = student
studoor = oefenkamer
stuferos = zie stuferus
stuferus = stuiver, stuivers
stuiver = muntsoort, waarde 1/20 gulden
stuksgewijze (iets) = en detail verkopen
stulta = zie stultus
stultus = beroofd van zijn/haar zinnen, gek, zot
stupenator = badkuipbezitter
stupiditeit = stompheid, domheid, botheid, domme streek
stuprata = ongehuwde zwangere vrouw
stuprum = echtbreuk, overspel, verkrachting
stuprun violentium = verkracht, schofferen
sturte = dun plaatijzer voor harnassen
stylo novo = volgens de nieuwe stijl (kalender na 1582)
stylo veteri = volgens de oude stijl (kalender voor 1582)
suade(e)ren = raden, oefenen
suae coniugis = van zijn (wettige) echtgenote
suasie = aanrader, overreding
suasor = overreder
suatie = afvoer, lozing van (overtollig) water
sub = onder
sub conditione = onder voorwaarde
sub dimissorialibus = met de verlofbrieven van
sub dimissorialibus Reverendus Dominus pastoris sponsi = met de verlofbrieven van eerwaarde heer pastoor van de bruidegom
sub hac condicione = onder deze voorwaarde
sub hac parochia = onder deze parochie
sub juramento = onder eed
sub matricularius = onder koster
sub mediam noctem = omstreeks middernacht
sub meridiem = tegen de middag
sub urbe = buiten de stad
sub vesperam = tegen de avond
subalternatie = ondergeschiktheid
subalterne = onderhorig, ondergeschikte
subalterne regters = die onder een andere hogere rechter staan
subdiveren = onderscheiden
subicieeren = onderwerpen
subijt = zie subyt
subitanea morte = door een plotselinge dood
subitanee = plots, plotseling
subito = plotseling
subito defuncta = plotseling overleden
subject = onderwerp, onderworpen, grondzaak, grond
subjectie = onderwerping, onderworpenheid
subjiciëren = onderwerpen
subjungeren = onderwerpen, ondervoegen
sublev(e)eren = opheffen, opbeuren, optillen
submersus = verdronken
submersus in ...(mosa) = verdronken in de ...(Maas)
submissie = onderworpen, mee akkoord gaan
submißie = onderstelling, verblijf
submitteren = onderstellen, verblijven
suboles = nakomeling
suborn(e)eren = heimelijk opzeggen, uitmaken
suborneren = heimelijk besteken, uitmaken
subrept = steelswijs, ter sluip, in het geheim
subreptie = heimelijke onttrekking
subreptijf = onderkropen
subrideren = meesmuilen, kokermuilen
subrogeren = in de plaats van een ander stellen, plaats vullen
subscribtie = ondertekening
subscripsi = ik heb ondertekend
subscripsit = heeft ondertekend
subscriptie = ondertekening
subscriven = ondertekenen
subsecutum matrimonium = is gewettigd door het daarop gevolgd huwelijk
subsequens = (hieronder) volgend
subsidie = onderstand
subsignerant = hebben ondertekend
subsigneren = ondertekenen
subsistentie = onderstandigheid, bestaanlijkheid, het op zich zelf bestaan, levensonderhoud
subsisteren = bijstaan, onderstand doen, helpen
substantie = wezenlijkheid, zelfstandigheid, werkelijkheid, ook: essentie, samenvatting
substantieus = bondig, zelfstandig, op eigen kracht
substituëren = in de plaats stellen, onderstellen, erfstellen (aanwijzing van erfgenamen)
substitutie = in de plaatsstelling, onderstelling, erfmaking (erfstelling over de hand, aanstelling tot
erfgenaam = na de dood van een erfgenaam of vruchtgebruiker)
substituyt = in de plaats gesteld, ondergestelde, plaatsvervanger
substractie = aftrekking
substraheren = aftrekken
subtijl = spitsvinding, scherpzinnig, fijn, snedig
subtiliseren = haarkloven, al te fijn uit pluizen
subtiliteit = spitsvondigheid, scherpzinnigheid
subulcus = varkenshoeder, varkensdrijver
subveniëren = voorkomen, te hulp komen, onderstand doen
subventie = onderstand
subventio = heffing
subversie = omkering
subvirguleren = onderstrepen
subyt = snel, terstond, gezwind
succedeerde = volgde op
succederen = involgen, navolgen, gelukken, in het erfrecht opvolgen, erven
successeur = erfgenaam, nakomeling
succeßie versterffenis = (bij sterven overgaan), navolging, involging (zijn wensen vervullen)
succincte = beknopt
succomberen = verliezen van het proces, veroordeeld worden
succours = hulp
succumbant = verliezende partij
succumberen = onderliggen
succursalis = hulpkerk
sud = zuid
suerde = zwaard
sufferator = hoefsmid
sufficientiem facere = deugdelijk houden
suffisant = genoegzaam
suffisante = voldoende
suffisante cautie jurisdictie = onder deze een voldoende borg binnen deze jurisdictie
suffocatus = gestikt, gewurgd
sui juris = onafhankelijk, mag zonder toestemming ouders trouwen
suis = dat, aan zijn
suite = stoet
sulcke effecte (ten) = met zodanige uitwerking
sulfferpriem = zwavelstok, voorloper van de lucifer
sumittieren = onderwerpen
summa = som, totaal, bedrag
summa gradis = met, in de hoogste graad
summa lateris = bedrag van deze bladzijde
summa summaris = totaal van alle (blad) totalen
summa totalis = totaal bedrag, eindbedrag
summer = zie somer
sumptueus = kostelijk
sunlichten = zonnewende, 24 juni
sunt = zij zijn
sunte (Nicolaes) = sint (Nicolaas)
suo = haar, in bv aan haar filio (zoon)
superabondant = overvloedig
superabondantie = overvloed
superbe = hoogmoedig, trots, hovaardig
superbiteit = hoogmoedigheid, trotsheid
superficie = oppervlak, vlak, vlakte
superflu = overvloedig, overtollig
superintendent = oppervoogd
superioriteit = overheid
superius = hierboven
superscriptie = opschrift
supersede(e)ren = aflaten, nalaten
supersolutien = schriftuur waarbij iemand bewijst, dat zijn partij het bewijs niet voldaan heeft dat hem bij de rechter was opgelegd
superstitie = overtolligheid, bijgeloof, afgeloof, wangeloof, waangelovig
superstitieus = bijgelovig
suppediteren = toereiken
suppi evil = trad op in plaats van
supplement = suppletie, vulling
suppleren = vullen, vervullen
suppleverunt = die bij hun afwezigheid vervangen werden door
suppliant = indiener van een verzoek of request (rekest)
supplianten = indieners van een verzoek of request (rekest), smekelingen, verzoekers
supplicatie = smeking, smeekschrift, ootmoedig verzoek, verzoekschrift, smeekschrift
suppliceren = smeken, te voet vallen (neer knielen?)
supplicie = straf, lijfstraf
supponeren = veronderstellen
suppoost = ondergestelde, onderhorig, bediende van een magistraat
support = steun, stut
supportare = overdragen
supporteren = verdragen, onderstutten, onderschragen
supposeren = ondersteken, onderstellen, uitmaken, toestellen, versieren
suppositie = uitmaken, onderstelling
suppreßie = verdrukking, onderdrukking
supprimeren = verdrukken, onderdrukken, onderhouden, dempen
supra octavas = na afloop van de 8 dagen
supradictus = bovengenoemd
surceance = schorsing, opschorting
surceren (iet) = opschorten, uitstellen
surcheren = schorten, opschorten
surcket = overkleed
surdaster = hard horend
surdus = doof
surdus et mutus = doofstom
surplus = overschot
surreptie aftroning = (door mooi praten verkrijgen), weglokken, ontfutseling
surrogatie = in de plaats stelling
surrogeren = in de plaats stellen
survivantie = overleving, toezegging om naar iemands dood in zijn ambt, of officie te komen, of te blijven
sus = afk. suceptor, suceptrix, doopheffer, peter en meter
susc = afk. susceperunt, zij namen de zorg op zich, wij hebben ten doop gehouden, hij/ zij verhief ten doop
susceperunt = zij namen de zorg op zich, wij hebben ten doop gehouden, hebben ten doop gehouden
suscepit = beschermer, Peter of Meter bij doop
suscepto prius baptismate ab obstetrice = na eerst het doopsel ontvangen te hebben van de vroedvrouw
susceptor = doopheffer, peter
susceptores erant = de doopgetuigen waren
susceptores fuerunt = de doopgetuigen waren
susceptorum = van de doopgetuigen
susceptrix = doopheffer, meter
suscipi = gedoopt worden
suscipientes = doopgetuigen
suscipientibus = met als doopgetuigen
suscipientibus eum de sacro funte = die zij opnamen van de H. Doopvont
suscipio = ik ben doopgetuige
susciteren = opwekken
susdit = bovengenoemd, voornoemd
suspect = verdacht
suspect allegeert = als verdachte aangemerkt
suspect de fuga = van voorvluchtigheid verdacht
suspecteren = verdenken, nadenken, achterdenken
suspenderen = opschorten, afstellen
suspensie, suspicie = achterdocht, argwaan, nadenken, achterdenken, vermoeden, verdenking
sustentatie = onderhoud
sustineeren = beweren, staande houden
sustineren = staande houden, drijven
sustinue = staande houding, drijving, gevoelen, bewering
sutor = schoenmaker
suum = zijn, haar, hun
suus = zijn, haar, hun
suwe = sloot, gracht, afwatering
suyckerdose = suikerdoos
suyker stroyers = suiker strooipotjes
swaartvager = wapensmid, die steek- en slagwapens smeed
swaelyck = zeer zwaar
swaertveger = zie swaartvager
swager = ieder door een huwelijk vermaagschapt, manspersoon
swagerse = ieder door een huwelijk vermaagschapt, vrouwspersoon
swanger = zwanger
swaricheyt = probleem, last
swart = zwart
swart van swaerde = onbegroeid, maar weinig begroeid, (letterlijk met zwarte aardkleur)
sweer = schoonvader
sweeren = zweren, bij de rechtbank
swegersse = schoonzuster
swegher = schoonmoeder
swehir = zwager
swelen = omkeren van gemaaid gras
swere = zie sweer
sweren = een eed afleggen
swerre = zie sweeren
swertside = de mannelijke zijde
sweserik = zwezerik
swetland = grensland
swetnoot = buren met de zelfde erfafscheiding
swieher = schoonvader
swinre = varkenshoeder
Swoll = Zwolle
sx = afk. sexe, geslacht
sychte = zeis
sydehaudentheyd = bepaling in een huwelijkscontract waarbij de in het huwelijk ingebrachte goederen na de dood teruggaan naar de familie waarvan ze afkomstig waren
sylveren = zilveren
synagoge = school, vergaarplaats
synode = kerken landraad, kerkelijke vergadering