Genealogische woorden beginnend met T

T


t = afk tomus, deel van een band of handschrift


t = afk. deel van een band of handschrift


T = afk. trouw- en ondertrouwregister


t = afk. témoin, getuigen


T. = afk. taufen, dopen


t. = afk. testes, testis, getuigen


taak = inhoudsmaat voor graan, 1 taak = 1/4 schepe, ook: als wijnmaat bekend, 1 taak = 1/40 aam en 2,5 kan


taan = verfstof uit eikenhout


tabaert = lang overkleed voor mannen en vrouwen


tabaksconfoir = tabakstafel


tabbert = lang neerhangend kleed met wijde mouwen


tabe = wegens tering


tabelje = zie tablier


tabellarius = voorbode, postbesteller, loper


tabellio = zie tabellarius


tabellioen = bondschrijver


taberna = taveerne, herberg, kroeg


tabernakel = een tent, een hut


tabernarius = winkelier, herbergier


tabernator = waard, kastelein


tabes = tering


tablier = voorstr, ook: in een vrouwenrok, ook: voorschoot voor de koetsier


tabure = trommel


tache = nagel met brede kop


tachteren = te vorderen hebben


tacite = stilzwijgend


tacite = stilzwijgende, bedenkelijk 


tactu apoplexico = door een beroerteaanval


tactus = getroffen


taelbaer = betaalbaar, kan betaald worden


taeldinger = erfgenaam


taelgehout = hakhout


taelgerie = kleermakerij


taelgerie = kleermakerswerkplaats


taeljoer = bord, schotel


taeljoor = vleesschotel om vlees op te snijden


taelman = advocaat


taelvrouwe = vrouwelijke advocaat


taenhuus = leerlooierij


tafelaker = gewichtjes aan het tafellaken


tafelconfoir = tafelcomfoor


tafelet = klein tafeltje

tafelhouder = geldhandelaar, bankier


tafelloot = daklood, afdichtingslood op dak


tafelslot = nar, voor het vermaak onder een diner


tafelspel = eenvoudig op een verhoging gespeeld toneelstuk


tafelspreed = tafelkleed


tafelstede = uitstaltafel voor de winkel


taft = fijn geweven stof


taglohner = daggelder, los -werkman, dagloner


tagrijn = handelaar in (oud) ijzerwerk, oude scheepstuigage


taille = lengtemaat, 1 taille = 1/16 el, ook: belasting aangetekend op de kerfstok


taille personnelle = hoofdgeld


taille reelle = grondbelasting


taillehout = hakhout


tailler = omslag, omslaan, verdelen belasting leggen op het volk


tailliehout = hakhout


tal = aantal, meestal gevolgd door bijvoorbeeld -turf, betekend het voorwerp word per aantal verkocht


talemetarius = bakker


talen spreken = in rechte aanspreken


talge = omslag, aandeel in geldelijke lasten


talioor = bord


talliehout = zie taillehout


tamen = loch, gat


tamquam = als


tamquam avia = als grootmoeder


tandem = eindelijk, tenslotte


tanen = looien


taneur = leerlooier, huideninvetter, iemand die met huiden werkt


tanneid = bruingeel


tanquam = (zo)als


tanthamer = punthamer


tapboor = boor om gaten te verzinken (schuine kant maken)


tapeet = sprei


tapetium artifex = tapijtwever


tapijt = behangsel


tapisseur = tapijtwever


tarderen = vertoeven, benijden, ophouden


tarra = onrein, onzuiver


tashuus = schuurtje. kleine loods zonder spanten


tassche = buidel, ook: soort brood


tassene(e)ren = afpersen


taswerc = aanbesteed werk, op inschrijving verkregen werk


taswercnemer = aannemer die inschrijft op aanbestede werken
taufen = dopen


tautologia = dubbelspreuk, met andere woorden het zelfde zeggen, herhalingen met andere woorden


taux = belasting


tauxatie = aanslag (belasting) taxatie

tauxeren = taxeren, schatten


taverne = kroeg


taverner = waard, herbergier


tavernier = waard


tax = verschuldigde portie, taak


taxacie = begroting


taxatie = schatting, waardering


taxe de main morte = belasting op goederen in de dode hand, (belasting die de overgangs- rechten vervangt)


taxeren = schatten, waarderen


tdh = afk. tailleur d’ habits, kleermaker


te bouck te stellen = op schrift stellen, opschrijven


te wijve = had als vrouw, had als echtgenote


tector = dakdekker, ook: stucadoor


tector stramineus = strodaklegger, rietdekker


tectot laterum (tichel) = dakpannendekker


teems = zeef om melk te zeven


teerpenning = fooi, drinkgeld


tegeldac = pannendak


tegularius = dakpannenlegger, plateelbakker, tegelzetter


teirking = dobbelsteen


teisteren = pijnigen, folteren, brandmerken


tekeninge = het merken van iets


tekeniser = brandmerkijzer


telcken = steeds


teljoor = schotel, bord


telligen = twijghout


telljoer = zie teljoor


telonei = receptor ontvanger der belastingen


temerair = roekeloos, stout, vermeten, lichtvaardig, onbedacht


temmerman = timmerman


témoin = getuige


témoin me seschart coram = getuige, bij mij bekend


tempeest = onweer, storm


tempel = kerk


tempelvaruwe = een verfstof, niet oliehoudend


temperantie = matigheid


tempestive = tijdig


templum = kerk


tempore clauso tempore = in de gesloten tijd (waarin niet getrouwd mocht worden (o.a. advent en vastentijd)


tempore necessitatis = in tijd van nood


temporeel = tijdelijk


temptatie = kwelling


tempteren = kwellen


tempus = tijd


tempus clausum = in de gesloten tijd (waarin niet getrouwd mocht worden (o.a. advent en vastentijd)


ten hondert, (4...) = (bijvoorbeeld 4) procent rente

ten principale = wat de hoofdzaak van het geding betreft


tenderen = strekken


tenebras = duisternis


teneur = inhoud


tennenwerc = zie tinnewerc


tentatie = beproeving, verzoeking, bekoring


tente = paviljoen


tenteren = beproeven, verzoek, bekoren


ter = driemaal


ter contrarie = in strijd daarmee, in tegendeel


ter contrarie = in tegenstelling tot


ter decies = dertienmaal


ter dendel = het derde deel


ter eerster klocken = bij de eerste gelegenheid, iets afgekondigd wordt. (bijvoorbeeld na het klokluiden)


ter manisse = ter aanmaning (van)


ter onscout staen = recht hebben om door aflegging van de zuiveringseed het proces te winnen


ter tydt = heden, op dit moment


terceine = gewone koorts


tergiversatie = uitstel, tegenstribbeling


tergiverseren = tegenstribbelen, uitstel zoeken


termen = bepaalde en gepaste woorden


termeschouwen = schoorsteenschouw met zijstukken


termijn = bepaling, paalteken, merkteken, talwortel, paal


terminatie = einde, uiteinde, bepaling


termineren = eindigen, bepalen, uitten, vellen


terminis (in) = ter zake dienende


terra decimalis = tiendenland, een tiende deel van de oogst was voor de eigenaar van het land


terreng = tering, besmettelijke ziekte


territoria = landpalen


territorium = land


tertia (feria) = dinsdag


tertia (hora) = het kloostergebed omstreeks 3 uur in de middag


tertiam, tertius = derde


tertio = op de derde


tesse = versiersel op kleding


tessinge = onrust, oproer


testament = uiterste wil, verbond


testament minus solennel nuncupatyff codicil donatio causa mortis = een testament zonder de jaarlijkse nuncupatyff (afroepen van de namen) meestal toevoeging aan het testament voor schenkingen inzake na de dood


testament obtenu par captation = testament bekomen door vleierij en arglist


testamentaire dispositie = uiterste wilsbeschikking bij testament


testamentaire executeur = erfenis uitvoerder, die de boedelzaken afhandelt


testamentarijs = executeur testamentair

testamenteur = die aangesteld is tot de uivoering van iemands uiterste wil (testament), ook: vaak omschreven als executeur testamentair


testateur = uiterste wilmaker, willer, erflater, erflaatster


testatrice = zij die een testament laat opmaken, uiterste wilmaakster


testatrise = vrouwelijke testament opsteller


testeren = erfmaken (testament maken), betuigen, getuigen, beschikken, getuigen


testes = getuigen


testes fuerunt = getuigen zijn geweest


testibus = met als getuigen


testificatie = betuiging


testimonium = getuigenis


testis = zie testes


testor hac mea manu proria = hierdoor, langs deze weg getuig ik met/door mijn eigen hand


tetensonntag = 3e zondag voor Pasen, in Pruißen vanaf 1816 de laatste zondag van het kerkelijkjaar


tette = vrouwenborst


teve = vaak als scheldwoord gebruikt


textor = wever


textoris textores = wevers


theatre = schouwburg, toneel, schouwspelplaats


thema = gestel, voorstel


theninwerc = zie tinnewerc


theologant = zie theologus


theologie = godgeleerdheid, godsdienstkunde


theologus = godgeleerde, schriftgeleerde


ther = afk. thermidor, maand van de warmte, juli


theriakskrämer = kwakzalver


thermidor = juli


thesaurarius = schatbewaarder


thesaurier = ontvanger, fiscus, penningmeester, comptabele


thesis = stelling, losgeschil, te bewijzen stelling


thoen = bewijs, vertoog


tholbrieff = schriftelijk bewijs van vrijstelling van tol betaling, tolbrief


thorensis = van Thorn


thoro = zie thorus


thorum = zie thorus


thorus = bed, huwelijksbed


thosamengevungh = huwelijkssluiting


thoverlaetige rescriptie = gunstig antwoord


thresoor = schat


thresorier = ontvanger, schatmeester, penningmeester


thumbherr = kanunnik, domheer


thysicus = teringlijder


thysis = tering


tichel = aardewerk tegel voor vloer of wanden


tichter = kleinkind, afstammeling


tiegendragen (enen) = in strijd met iets zijn, ook: in strijd met iemands belang zijn, hem benadelen

tieghens = enen


zuenen =door het betalen van de "zoen" iemand bevredigen, zich met iemand verzoenen wegens een misdrijf


tiendehalf = negen en een half


tienden = van oorsprong kerkelijke belasting, tiende deel van de opbrengst van het land (gewassen, jonge dieren vruchten, slacht en vissen)


tiendrecht = zie tienden


tiendschuur = opslagloods voor het opbergen van de gewassen waarmee het tiendrecht was betaald, was vaak niet het eigendom van de begunstigde


tienhondert = duizend


tienste = tiende


tierske = wijnvaatje


tijns = belasting, schatting, pacht, rente


tijnsbrief = pachtcontract


tijnsrolle = zie tijnsbrief


tijnsvri = vrij van het betalen van de tijns (pacht, belasting)


tiktakbord = gezelschapspel, nu black gammon genoemd


timiditeit = blooheid, vrees, verlegenheid, beschroomdheid


timmermeester = architect, ontwerper


tincio = doop


tinctio = zie tincio


tinctor = schilder, textielverver


tincture = verven, indoping (verven)


tindsen = zie tinsen


tindsen = zie: tinsen


tinnewerc = voorwerpen van tin


tins = rente uit een goed gaande ter erkenning van het recht van de eigenaar, die het tegen betaling van de tins heeft uitgegeven, ook: belasting (tijns, cijns)


tinsen = rente, uit een goed betalen
tinsgenoot een der bezitters van een onderdeel van een groot goed, in percelen tegen betaling van tins uitgegeven; zij spraken onder voorzitting van den tinsheer recht over zaken het goed betreffende


tinsgoederen = goederen waarop een belasting (tijns, cijns) rust


tinwerc = zie tinnewerc


tiran = dwingeland, geweldenaar


tirannie = dwingelandij, geweld, wreedheid


tiras = cement


tiro = leerling, kwekeling


tiss = afk. tisserand, weefster


titule = opschrift, bijnaam, van benaming, erenaam


tituleren = bij noemen, opschrijven


Tm = afk. tante maternelle, tante van moederskant


tobbeke = waskuip


tochgrave = tochtsloot, afvoersloot


tocht = vruchtgebruik


tocht van bladinge = zie tocht


tochtbrief = akte waarin een lijfrente of vruchtgebruik wordt verzekerd


tochtinge = het toekennen van een lijfrente, "weduwegoet", ook: de lijfrente, ook: het vruchtgebruik van lijfrente etc.

tochtmeester = opvoeder


toeclaren = in rechte toewijzen


toecomende = aanstaande


toecoren = een straf opleggen


toegeseyt = toegezegd


toertssen capsluyers = gedraaide hoofddoek


toirconde = terstond


tolerantieid verdraagzaamheid


tolereren = verdragen


tombe = graf (tombe), grafsteen, zerk, graf, dood


tomber en déshérence = erfenis aan de staat of de landsheer vervallen


tome = boekdeel


tomeator = kunstdraaier, beeldhouwer


tomio = zie tomeator


tonderin deses = degene die dit stuk toont


tonnegeld = belasting op bier


tonnestoel = kinderstoel, meestal met po onder zitvlak


tonnevlees = pekelvlees


tonsor = breuk en natuursteenbewerker


toonen = tenen


toparcha = heer, heer van een erfgoed


topende wijtlingen = bovendeel laken van wit linnen


torengelt = betaling voor verblijf in de gevangenis


torff = turf


torment = pijn


tormenteren = pijnigen, folteren, kwellen


toros = zie thorus


torqueren = wenden, draaien, keren, wringen


tort = mest, uitwerpselen


torture = torture, pijniging, pijnigingwerktuig


tortureren = folteren, kwellen op de pijnbank


torturerenn = zie tortureren


tot oeren mundighen = jaren tot hun meerderjarigheid


totaal = totaal, geheel, al


totter = tot aan


tournesol = rode kleurstof


touwer = zeemleer bereider


tp = afk. tante paternelle, tante van vaderskant


tr = afk. thermidor, maand van de warmte


tr = afk. trouw(en) met ...


tractaat = handeling


tractaat van trevis = bestandhandeling


tractabel = handelbaar, rekkelijk, wel onthalende


tractement = salaris, wedde


tracteren = handelen, onthalen, te goed doen


traditie = overlevering, levering, opdracht

traduceren = overzetten, overhalen, bekladden, doorstrijken, vertalen


traduseren = belasteren


trafijcq = koophandel


trafijcqueren = koophandel drijven


tragdie = treurspel


traineren = slepen


traiter = verrader


traktaat = verdrag of overeenkomst tussen staten of andere politieke machten


tranchee = loopgraaf


trangelen = aan de treklijn trekken van een trekschuit


trangelwech = trekpad lang een wetering, vaart, sloot


tranquilliteyt = rust, gerustheid, gelatenheid, bedaardheid


transactie = overgeving, afhandeling, dading, overkomst, verdrag, vereffening, minnelijke schikking


transfix = stak dat door middel van een insnijding aan een brief of oorkonde


transformatie = gedaante verandering, vervorming


transformeren = gedaante veranderen, vervormen


transgreßie = overtreding


transiens = reiziger


transiëren = overgaan, voorbij passeren


transigere overkomen, overzetten, verdragen


transitie = overtred, aftred (van het onderwerp afgaan) overgang van het ene onderwerp op het andere


translateren = overzetten, overdragen, vertalen


translatie = overzetten, overdracht, vertalen


translatus = overgebracht


transmitteren = verzenden


transmutatio = verwisseling


transmuteren = verwisselen


transport = overdracht, overgeven, opdracht


transporteren = overdragen, overleveren


transubstantiatie = over zelfstandigheid


transversales = verwanten in de zijlinie


trapezeta = geldwisselaar


travalie = arbeid


travaliëren = arbeiden, kwellen, moeiten aandoen


travalje = overdekte plaats de hoefsmidse voor het beslaan paardenhoef


travelton = inhoudsmaat voor bier, 1 travelton = ca. 120 ltr.


travers = dwars, kruis weegs


traverseren = kruisen, dwars over, drijven


trawant = bedelaar, vagebond


träxl = kunstdraaier


trectange = nijptang


tredecim = dertien


tredecimus = dertiende


tregimini = drieling


trekwerker = arbeider aan een weefgetouw


trenchee = loopgraven, voorschans

trepidatie = schudding, waggelen, beving


tres = drie


tressorier = ontvanger, fiscus, penningmeester, comptabele


treverensis = van Trier


trevis = bestand, stilstand van wapenen


tria = drie


tria millia = drieduizend


triangel = driehoek


tribue = oorlogstuig, slingerapparaat voor zware stenen


tribuit = schatting, een vorm van schatting speciaal voor Joden als zij zich in een stad wilden vestigen


tribunus = gildenmeester, overste, bevelhebber


tribus = gilde, geslacht, vereniging, stam


tribus habitis proclamationibus = na de drie huwelijksafkondigingen, -roepen


tribus proclamationibus praemissis factis = na de drie huwelijksafkondigingen, -roepen


tributie = verdriet, gekweld, wederwaardigheid


tribuyt = tol, schatting, oplage


tricenarius = dertig jarige


tricesimo = op de dertigste


tricesimus = dertigste dag van rouw. een van de veel voorkomende gedenkdagen voor de overledenen


tricesimus = dertigste


Tricht = Maastricht


tricoteuse = breister


triennis = drie jaar oud


triennium = tijdvak van drie jaar


trigamus = drie maal getrouwd geweest


trigemini = drieling


triginta = dertig


trimestris = drie maanden oud


trimulus = drie jaar oud


trinitas = drie-eenigheid, drievuldigheid, drieheid


trinitatis = feest van de Drie-eenheid (Drievuldigheid), de 1e zondag na Pinksteren


triste = treurig, droevig


tritor = kunstdraaier, ook: dorser


triturator = dorser


triumphant = winnaar van het geding, ook: stof meestal veelkleurig


triumphe = zegepraal, intrede


triumpheren = zegepralen


troois = gewichten, troois gewicht was onder verdeeld in één troois pond = 492,17 gr. =.2 mark van 246,17 gr., 8 ons van 30,76 gr., 20 engels van 1,54 gr., 4 vierling van 0,38 gr., 2 trooiske van 0,19 gr., 2 deuske van 0,09 gr., 2 aas van 0,05 gr.


tropheen = zegetekenen, zegestichter


trotteren = draven


troubleren = beroeren

troup = kudde, hoop


trouwehant = executeur


truggelen = bedelen


trumetter = trompetter


trunken = bomen knotten


tryffoet = driepoot


tsaers = (in het), (elk) jaar


tsedert = sedert


TT = afk. tienjarige tafels


tte = afk. tante


ttt = afk. testament


tuchten = regelen, besturen, onderrichten, ook: onderwerpen berispen, vermanen, straffen


tuchtmeester = zie tochtmeester


tudiosus = theologiestudent


tüffelmacher = pantoffelmaker


tugen openberlije = verklaren in het openbaar


tugtelingen = gestraften, veroordeelden


tuier = ketting of touw om vee mee vast te zetten om te grazen in bermen


tuierhamer = hamer om de tuierpaal in de grond te slaan


tuierketting = ketting waaraan het vee werd uitgelaten


tuighuis = arsenaal, wapenhuis


tuin = omheining


tuinen = omheinen, vlechten


tumulatus = begraven


tumult = oproer


tumultueus = oproerig


tumulus = graf, grafheuvel


Tungrorum = zie Tungros


Tungros = Tongeren


tunnarius = kuiper


turbatie = beroering


turbe = onderzoek naar het gewoonterecht, waarbij het getuigenis van een aantal personen tegelijk werd gehoord, later werd het aantal getuigen beperkt tot een paar terzake
bevoegde personen, ook: bende, menigte, schare


turbeelen = ordeverstoring


turberen = beroeren


turbulent = onstuimig


turpe = lelijk, oneerlijk


tussi = door hoest


tutela = voogdij, voogdijschap


tutela (sub) = onder voogdij


tutele = voogdij, momberschap


tutelle = voogdij (schap)


tuter = trompetter


tuteur = voogd, momber, voogd (es)


tutor = voogd, beschermer


tutor sue uxoris (ut) = als voogd van zijn echtgenote


tutoris = van de voogd

tutrix = voogdes, beschermster


tuuch = getuige


tuuchliede = getuigen


tuwe = twee


tuynman = tuinman


tv. = afk. huw. akte, toeziend voogd van de ..


twelff = twaalf


tymmer = timmerman


tyrannije = dwingelandij


tyranniseren = geweld bedrijven, overlast doen


tyrannus = dwingland, geweldenaar


tyropola = kaashandelaar


tzabel = zwart bont


tzins = cijns, belasting