Lijst Nederlandse genealogische woorden

A

aam, oude bier-, wijn- en oliemaat van 1,552 hl

 

aangetrouwd, door trouwen in de familie gekomen.

 

aangetrouwde familie, schoonfamilie

 

aanverwant, door huwelijk verwant persoon

 

aasdomsrecht, oud Fries recht tot 1599 in gebieden van Holland (zoals Zoetermeer en Zegwaart).
Bij aasdomsrecht had men de schout die de functie van rechtsvorderaar had (een soort vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie), de azing die kennis van het recht had en als adviseur optrad, en de geburen die vonnis spraken.
De geburen waren de buren van beide partijen, dus bij elk proces weer anderen. Op den duur werden de geburen vervangen door gezworenen die door de buren werden aangewezen.
De naam azing komt van het Friese a-sega, hetgeen rechtzegger betekent. De azing was vaak geen academicus.
Het aasdomsrecht verschilde van het schependomsrecht. In het aasdomsrecht gold: het naaste bloed erft het goed. Er was geen recht van representatie (kinderen die in de plaats kwamen van reeds overleden erfgenamen). In het schependomsrecht bestond dit wel. Bij het aasdomsrecht trad daardoor minder versnippering op bij het erven van bedrijven zoals een boerderij. Op den duur had dit gevolgen voor de grootte van bedrijven in een streek.

 

achterleen, land wat een leenman een ander in leen gaf. De leenman hield het achterleen in volle leen van de grondheer, waarvan hij afhankelijk was.

 

achternaam, zie familienaam

 

achterkleinkind, kind van een kleinkind.

 

achterneef, neef met wie men verder dan in de vijfde graad verwant is.

 

achternicht, nicht met wie men verder dan in de vijfde graad verwant is.

 

adel, stand der edelen, maatschappelijke stand waaraan een bepaald aanzien en bepaalde voorrechten zijn verbonden. Meestal bij de geboorte verkregen.
De oudste adel berustte op aanzien en erkenning, die gegrond kon zijn op grondbezit, militair of sociaal leiderschap, of op het behoren tot een heersende bovenlaag. Wanneer dit aanzien een paar nakomende generaties en door huwelijken met soortgelijke families verbonden was, vormde dit geheel een bepaalde stand. In de regel werd dit door de koning en andere landsheren erkend. Hieraan werden persoonlijke voorrechten en plichten verbonden, vaak van rechterlijke of militaire aard.

 

adoptie, als kind aannemen. Een aangenomen kind staat in burgerlijke zin niet meer tot zijn bloedeigen familie en hierdoor ook niet een afstammeling wordt van zijn adoptiefouders. In het kader van "wettige afstamming", sticht de geadopteerde (zoon) een nieuw geslacht.

 

adoptiewet, ingevoerd met de wet van 26 februari 1956. Hiervoor was adoptie in Nederland niet mogelijk.

 

afkortingen en symbolen, vervangers van geschreven tekst in de genealogie.
Afkortingen op persoonskaarten zie Centraal Bureau voor Genealogie.

 

afschrift, een aan het origineel gelijkluidend geschrift. Door een bevoegde autoriteit in de vereiste vorm afgegeven heet authentiek te zijn.

 

afstammingsbewijs, heeft alleen waarde wanneer het gestaafd is door oorkonden, geboorte-, doop- en trouwakten, testamenten en dergelijke documenten.
Dit wil niet zeggen dat het een afstammingsbewijs is in biologische zin.

 

afstammingsreeks, een in generaties gerangschikte opgave van de wettige afstammelingen van een persoon uit een andere persoon. Die "andere persoon" is niet een voorvader in rechte mannelijke lijn, want dan spreekt men van een stamreeks.

 

akte, een in voorgeschreven vormen opgemaakt geschrift, door een bevoegd persoon gewaarmerkt. Dit om als rechtsgeldig bewijs te dienen.

 

allodiaal, niet leenroerig (niet afhankelijk van een leen).

 

allodium, niet in leen gehouden goed. Eigen vrij erfgoed. Ook wel edeleigen leen of zonneleen genoemd. Het stond in tegenstelling met het feudium, een goed in leen waarvoor leenhulde verschuldigd was.

 

ambacht, rechtsdistrict op het platteland. Ook wel ambachtsheerlijkheid genoemd.

 

ambachtsheerlijkheid, rechtsdistrict op het platteland. Ook wel ambacht genoemd.

 

april, de vierde maand van een jaar, grasmaand, Floréal. Zie ook maanden van het jaar

 

ascendenten, voorouders

 

assignaat, papiergeld uit de eerste Franse Republiek (1789-1796).
De assignaten waren niet gedekt door edel metaal, zoals dat voor papiergeld gebruikelijk is. In feite waren het obligaties, waarbij de kerkelijke en adellijke onteigende goederen als waarborg moesten dienen voor de regelmatige opbrengst van de uitbetaling van de schuldvorderingen.
Er werd echter een te groot aantal uitgegeven, zodat de dekking zeer klein werd en het papier zijn waarde verloor.
In 1797 werden ze uit de circulatie genomen.

 

attestaties, verklaringen

 

augustus, de achtste maand van een jaar, oogstmaand, Fructidor. 

 

B

B, afkorting voor begraafregister.

 

baljuw, ambtenaar, door de landsheer met de rechtspraak in een bepaalde streek belast; rechter in het algemeen. In heerlijkheden met hoger, middelbaar en lager gerecht was een baljuw de rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer.

 

baljuwschap, ambt van een baljuw, rechtsgebied van een baljuw verdeeld in schoutambten, bevolking in het rechtsgebied van de baljuw.

 

ban, rechtsgebied, rechtsdistrict, ambacht.

 

bastaard, kind waarvan de vader en moeder niet wettig gehuwd waren. Wettelijk volgt een bastaard meestal de conditie van de moeder. Wettiging kon vroeger geschieden door het huwelijk der ouders, waarbij het kind onder een doek of onder de mantel werd geplaatst ('mantelkinderen').

 

begraafplaats, plaats waar men de doden begraaft.

 

begraafregister, register waarin degene die begraven was werd ingeschreven. Ingeschreven werd de naam van de overledene en de begraafdatum. Vaak werd ook het nummer van het graf en de betaalde bedragen voor het openen van het graf, het luiden van de klok, draagbaar en doodskleed ingeschreven.

 

BEL, afkorting voor belastingen.

 

beroep, activiteit waarmee men in zijn levensbehoeften voorziet, betrekking, werkkring. De burgerlijke stand en de bevolkingsregisters uit de 19e eeuw zijn bronnen waarin van vrijwel iedereen die een beroep uitoefende, vermeld wordt welk beroep dat was. Het beroep bij overlijden, indien er dan nog een beroep werd uitgeoefend, vindt men in de overlijdensakte. Vóór 1800 zijn in rechterlijke, notariële - en weeskamerarchieven en ook belastingkohieren, beroepen te vinden. Voor agrarische beroepen zijn het de kadaster-, waterschapsarchieven, marke-archieven, pachtadministraties. Voor ambachtslieden, neringdoenden en kooplieden in de 19e eeuw, de patentregisters. Voor ambtenaren en regenten staan de beroepen over het algemeen in de overheidsarchieven en voor academici in biografische woordenboeken.

 

 

beroepenlijst, lijst van beroepen. [beroepsnamenlijst ]

 

bevolkingsregister, een in enkelvoud aangelegd register waarin de bewoners per huisadres van een gemeente met de belangrijkste persoonsgegevens opgetekend zijn. Zij werden bijgehouden door aanvullingen en correcties.
In 1850 landelijk ingevoerd en gevuld met de gegevens die in 1849 waren verzameld voor de derde algemene volkstelling. Meestal werden de registers per wijk en vervolgens per straat ingedeeld. Per persoon konden de gegevens opgeschreven worden van familienaam, voornamen, geslacht, relatie met het gezinshoofd (vrouw, zoon, dochter, enz.), geboortedatum en -plaats, godsdienst, beroep, adres, datum vestiging, herkomstplaats, datum van vertrek en nieuwe vestigingsplaats, datum van overlijden.
Eens in de tien tot vijftien jaar werden de registers vernieuwd, omdat door aanvullingen en correcties de overzichtelijkheid verdween. Deze registers zijn gebruikt tot 1920. Hierna kwam de gezinskaart.
Het bevolkingsregister bevindt zich bij de gemeente.

 

bibliografie, beschrijving van boeken, artikelen, enz. over een bepaald onderwerp.

 

bidprentje, een plaatje waarop een sterfgeval staat vermeld, met aansporing tot bidden voor de overledene.
Dit wordt ook wel doodsprentje of doodsbeeldje genoemd, en is vooral bij rooms-katholieken in gebruik.

 

biografie, levensbeschrijving van een persoon

 

blazoen, heraldiek wapen, schild

 

blazoeneren, het beschrijven van wapens

 

blazoenering, de beschrijving van wapens

 

bloedverwant, door geboorte afstammen van dezelfde voorvader

 

boerderijnamen, namen van boerderijen die hun naam aan families hebben gegeven.

 

boerenwapens, burgerlijke wapens, niet adellijke (zgn. burgerlijke) wapens, sinds de 13e eeuw.

 

botting, belasting die in de plaats kwam van de kosten van onderhoud die een dorp aan de graaf moest betalen tijdens zijn werkbezoek waarbij hij ook rechtszitting hield (bod-ding).

 

braak, omgeploegd land dat men onbebouwd laat liggen

 

braakliggend, braakliggend gedurende een jaargetijde

 

bronvermelding, noodzakelijk om de gevonden gegevens te kunnen controleren

 

BS, afkorting voor burgerlijke stand

 

bui(ij)s, naam van een kledingstuk. naam van een vissersboot.

 

buitenijen, het terrein buiten de stadsmuur, dat tot het stedelijk rechtsgebied behoorde.

 

burgerlijke begrafenis, begrafenis zonder kerkelijke plechtigheden

 

burgerlijke stand, état civil, (BS) ingesteld nadat in 1810 het Koninkrijk Holland bij het Franse rijk was ingelijfd.
In Zeeuws-Vlaanderen al in 1796 en in Limburg in 1798. De overige delen van Nederland in 1811 en 1812.
De burgerlijke stand (BS) omvat ondermeer geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten. Ingeschreven in 1 jaar omvattende registers en in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar voor de gemeente en een exemplaar voor de arrondissementsrechtbank.

 

burgerlijke wapens, boerenwapens, niet adellijke (zgn. burgerlijke) wapens, sinds de 13e eeuw.

 

burgerlijk huwelijk, huwelijk zonder godsdienstplechtigheden

 

burgerrecht, recht uit het burgerschap voortvloeiend

 

C

cameraar, een schepen die voor een jaar aangewezen was voor het financieel beheer van de stad.

 

cameraarsrekeningen, de documenten van een schepen die voor een jaar aangewezen was voor het financieel beheer van de stad.

 

carolus (gulden), zie Karolus-gulden.

 

carta, oorkonde.

 

cartularium, register van akten, aangelegd door of vanwege degene, die deze akten voor zijn geschiedenis belangrijk beschouwde. In de middeleeuwen vooral door kerkelijke instellingen opgesteld. Ook steden, universiteiten, gerechtshoven, kanselarijen, e.d. hadden cartularia. Aanzienlijke families gingen er in de late middeleeuwen ook toe over. Ook vervalsingen komen voor.

 

Centraal Bureau voor Genealogie

 

charter, oorkonde. Een vel perkament, waarop een akte is geschreven en ter bekrachtiging is bezegeld.

 

cijnsboeken, registers waarin de cijnspachten opgetekend staan, welke verschuldigd waren aan de landheer of geestelijke instelling.

 

clauwboeken, ook kluftboeken genoemd. Registers van de omvang van het grietmansambt over de daarvoor in aanmerking komende edele heerden of boerderijen in Groningen.

 

cognaten, alle nakomelingen, in mannelijke en vrouwelijke lijn, van bepaalde stamouders.

 

collateralen, ook zijmagen genoemd. Bloedverwanten in de zijlinie, die niet van elkaar afstammen, doch een gemeenschappelijke stamvader hebben.

 

concept, ontwerp van een geschrift.

 

consanguineus, in de middeleeuwen de aanduiding van een neef die meer dan vijf graden (generaties) verwijderd was.

 

contentieuze jurisdictie, rechtspraak in geschillen. Onderverdeeld in criminele en civiele zaken. Deze zaken werden ingeschreven in een register ('rol').
In de criminele zaken vindt men de voortgang van de gerechtelijke procedures. De stukken die op die procedures betrekking hadden worden in afzonderlijke registers of procesdossiers gevonden. Dit zijn ondermeer verklaringen ('attestaties'), ondervragingen ('interrogatoria'), bekentenissen (confessiën), gerechtelijke uitspraken (sententies) en lijkschouwingen (visitaties).
De civiele zaken hadden betrekking op onder meer, vorderingen van schulden, boedelinventarissen ('erfhuiscedullen') en taxaties van roerende of onroerende goederen ('estamatiën').

 

count, graventitel voor adel buiten Engeland. De binnenlandse titel is "Earl". De echtgenotes van beide heten "Countess".

 

D

D, afkorting voor doopregister

 

dagboek, een geschrift waarin iemand zijn belevenissen chronologisch bijhoudt

 

december, 12e maand van het jaar, wintermaand, Nive6ose, Xber, 10ber, 10b.

 

del., delineavit. Ondertekening

 

demografie, statistische volksbeschrijving, gegevens betreffende geboorte, sterfte, huwelijk, enz.
Leer van de opbouw en samenstelling van bevolkingen.

 

DG, afkorting voor Doopsgezinde Gemeente

 

ding, volksvergadering bij oude Germaanse volken. (stamding). Het bestuurde en sprak recht en werd oorspronkelijk in de openlucht gehouden.

 

DIV, div., afkorting voor diversen.

 

DNA, een fundamenteel eiwitbestanddeel van de levende stof, moleculaire drager van alle erfelijke eigenschappen, desoxyribonucleïnezuur.

                   

dochter, kind van het vrouwelijk geslacht in betrekking tot de ouders.

 

doodsbericht, kennisgeving van overlijden.

 

doop, naamgeving, het dopen.

 

doopakte, bewijs van dooplidmaatschap.

 

doopboek, kerkelijk register van dopelingen.

 

doopinschrijving, kerkelijke inschrijving van een doop. De inschrijving bevat meestal de doopdatum (soms de geboortedatum), de voornaam of voornamen van de gedoopte, de namen van de ouders en de getuigen.
Soms wordt ook vermeld in welk gedeelte (gehucht, plaats) van de kerkelijke gemeente de ouders van de dopeling wonen.

 

dooplepel, een vaak zilveren lepel, waarop naam en datum van de geboorte en soms het wapen van de dopeling gegraveerd waren. (Voornamelijk in Friesland).

 

doopregister, kerkelijk register van dopelingen.

 

dossier, een reeks archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt door een functionaris in de behandeling van een bepaalde zaak.

 

douairière, adellijke weduwe.

 

DTB, afkorting voor doop-, trouw- en begraafregister.
Deze van oorsprong kerkelijke registers zijn bij de invoering van de burgerlijke stand - in 1811 - gevorderd en samengebracht in een collectie om als "retroacta van de burgerlijke stand" (RBS) of "oude burgerlijke stand" (OBS) te dienen.
Deze registers zijn in te zien in het Rijksarchief (m.u.v. de grote gemeenten), gemeente- of streekarchief.
Deze archieven hebben van de originelen foto- en/of microfilmkopieën laten maken. Het CBG bezit ook een groot aantal microfilmkopieën van DTB-registers.

 

E

echtgenoot, mannelijke partner in een huwelijk.

 

echtgenote, vrouwelijke partner in een huwelijk

 

echtscheiding, ontbinding van een huwelijk.

 

echtscheidingsakte, een akte ter ontbinding van een huwelijk.
Wordt ingeschreven in het register van huwelijken en echtscheidingen. Deze inschrijving dient plaats te vinden binnen 6 maanden van de rechterlijke uitspraak door de ambtenaar van de burgerlijke stand, anders verliest het vonnis zijn rechtskracht. De inschrijving vindt plaats in de gemeente waar het huwelijk is voltrokken. Na deze inschrijving is het huwelijk officieel ontbonden.
De akte vermeldt de naam, voornamen en woonplaats van de echtgenoten; de datum van het vonnis en de rechtbank die de uitspraak deed.
De ontbinding van het huwelijk wordt ook in de linker marge van de huwelijksakte aangetekend.

 

EL, afkorting voor Evangelisch Luthers.

 

emigratie, vertrek uit een land of gebied. [migratie, het veranderen van woonplaats; immigratie, vestiging vanuit een ander land of gebied].
In de 17e en 18e eeuw waren er ruime mogelijkheden voor vestiging in een Nederlandse kolonie in een ander werelddeel. Anderen gaven de voorkeur aan vestiging in een ander Europees land, waar de levensomstandigheden minder verschilden van die in eigen land.
In de 19e eeuw kreeg de emigratie vanuit Nederland enige omvang. Vooral Amerika, wat al tientallen jaren in trek was bij Duitsers en Engelsen. In 1850 bleken er bij de tienjaarlijkse volkstelling tienduizend personen in de Verenigde Staten te wonen die in Nederland waren geboren. Over het algemeen waren deze personen nog maar enkele jaren in de Verenigde Staten. Zij kwamen vooral voor in de staten New York, New Jersey, Michigan en minder in Iowa. In de beide laatste staten waren het vooral Afgescheidenen en Hervormden, die in groepen bijeen bleven wonen rond de predikanten die hun uittocht uit het vaderland hadden geleid.
Bij gebrek aan Nederlandse bevolkingsregisters van vóór 1850 zijn er
- lijsten van landverhuizers (zo werden toen de emigranten genoemd) uit Nederlandse archieven;
- passagierslijsten van de schepen die in de Amerikaanse havens binnenliepen;
- censuslijsten, de tienjaarlijkse volkstellinglijsten, die een overzicht geven van wie in Amerika woonde;
voor het vinden van deze emigranten.
Aan het einde van de 19e eeuw emigreerde men ook naar andere landen, vooral Zuid-Afrika.
Na 1945 nam de emigratie een grote vlucht naar vooral Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

 

emigratie links op internet:

Emigranten uit de Nederlanden
emigranten en emigrantenlijsten
passagierslijsten

 

erfenis, het erven, wat een overledene nalaat of wat men van hem erft.

 

erfgenaam, iemand die erft of zal erven.

 

erfhuis-cedullen, boedelbeschrijvingen.

 

erfelijkheid, het overgaan van generatie op generatie van lichamelijke of geestelijke eigenschappen, herediteit

 

erfelijkheidsleer, leer van de erfelijke eigenschappen in de opeenvolgende geslachten, genetica

 

erflater, iemand die een erfenis nalaat.

 

erkend kind, kind wat meestal bij huwelijk wordt erkend door de gehuwden. Dit in verband met mogelijke nalatenschap bij overlijden (wettelijke) ouders. Voor dit huwelijk werd meestal wettelijk de conditie van de moeder gevolgd. Zie ook gewettigd kind.

 

estamatiën, taxaties van roerende of onroerende goederen.

 

extract, of een uittreksel bevat beperkte informatie uit een akte die geldig is op het tijdstip van afgifte.

 

F

familie, het geheel van de personen die men als bloed- en aanverwanten beschouwt.

 

familiearchief, een verzameling van afschriften, oorkonden, akten, portretten en andere afbeeldingen, wapens, zegels, dagboeken en verder alles wat op de geschiedenis van een familie betrekking heeft.

 

familiebibliotheek, zie familiearchief.

 

familienaam, de naam die de leden van een familie dragen. Dit in tegenstelling tot de voornaam.
Zie ook onze lijsten achternamen.

 

familienaam toevoegen, naamswijziging door het toevoegen van een familienaam is mogelijk:
- wanneer men kan bewijzen dat de gevraagde dubbele naam voor 1838 door de familie werd gedragen.
- bij een verzoek de geslachtsnaam van de moeder toe te voegen, alleen indien van haar grootvader van vaderszijde geen mannelijke afstammelingen in de mannelijke lijn meer in leven zijn, van wie nog nakomelingschap te verwachten is.
De gevraagde naam moet vóór de eigen geslachtsnaam worden geplaatst. Een familienaam kan men op deze wijze van uitsterven behoeden.

 

familietijdschrift, een tijdschrift dat op geregelde tijdstippen verschijnt met anekdotes en informatie betreffende een familie. 

 

familierecht, een hoofdonderdeel van het privaatrecht dat de rechtsbetrekkingen (de gevolgen van huwelijk, afstamming en voogdij) voortvloeiend uit het familieverband regelt.
Het familierecht bepaalt de plaats van de natuurlijke persoon. Daar het een sterke publiekrechtelijke inslag heeft (omdat het de vragen van algemeen menselijke aard omvat die de grondslagen van een samenleving bepalen) is het overwegend dwingend recht.
De wetgever verklaarde een aantal familierechtelijke instellingen, zoals huwelijk, ouderlijke macht en voogdij van dusdanig eminente betekenis dat partijen zelf niet de vrijheid hebben die te regelen.
1956 Adoptierecht (nieuw).
1978 Richtlijn Schutte voor de genealogische verwerking van geadopteerde kinderen.
1994 Herziening van het naamrecht.
1998 Geregistreerde partner-overeenkomst.

 

familievereniging, een voor een bepaald doel (genealogisch onderzoek en het publiceren van een familieblad of jaarboek) verenigde familie en aanverwanten.

 

familieverwantschap, filiatie, afstamming.

 

familiewapen, wapen van een familie, bestaande uit één of meer geslachten. Geslachtswapen.

 

februari, 2e maand van het jaar, sprokkelmaand, Ventôse. Zie ook maanden van het jaar.

 

feudium, een goed in leen waarvoor leenhulde verschuldigd was. Dit in tegenstelling tot het allodium.

 

filiatie, familieverwantschap, afstamming

 

fragmentgenealogie, deel van een genealogie, dat tenminste uit drie generaties bestaat.

 

G

G, afkorting van geboorteregister

 

GA, afkorting van gemeentearchief.

 

Gaarders- of Impostregister. In Holland (het tegenwoordige Noord- en Zuid Holland en enige Utrechtse en Brabantse grensplaatsen) werd van 1696 tot en met 1805 belasting op het trouwen en begraven geheven.
De 'gaarders' van deze belastingen hielden registers bij van de ontvangsten. Deze registers vermelden niet de trouw- of begraafdatums, maar de belastingklasse waartoe de betrokkene behoorde. Er waren vijf klassen: pro deo, Fl 3,-, Fl 6,-, Fl 12,-, en Fl 30,-, al naar de welstand van de betrokkene. Voor ongehuwden werd dubbel tarief betaald. De gaarders- of impostregisters bevinden zich in de rijksarchieven.

 

geboorteaangiftebewijs, officieel bewijsstuk met aktenummer, datum van geboorte, de gemeente, de familienaam en voornaam of voornamen van de geborene, de eigen familienamen en voornaam of voornamen van de ouders, afgiftedatum bij de geboorteaangifte, en de stempel of het waarmerk van de gemeente.

 

geboorteadel, adeldom door geboorte.

 

geboorteakte, officieel bewijsstuk met datum en tijdstip van geboorte, plaats (gemeente), adres bij geboorte, familienaam en voornamen van de geborene; de ouders met eigen familienaam en voornaam of voornamen, hun beroep(en), de aangever met leeftijd. Het geheel draagt een registratie- of aktenummer en stempel, en is gewaarmerkt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de aangifte plaats vond.

 

geboortebewijs, geboorteakte.

 

geboorteregister, boek waarin de gemeente de geboorten met bijbehorende bijzonderheden inschreef. Tegenwoordig is dit geautomatiseerd.

 

geneagram, een overzichtstabel waaruit de gemeenschappelijke afstamming van twee of meer personen blijkt. Men kan bijvoorbeeld weergeven hoe verschillende personen (b.v. met eenzelfde beroep of begaafdheid) een gemeenschappelijke voorvader hebben.

 

genealogielinks, verwijzingen (links) op de elektronische weg (Internet).

 

genealogiemodellen, zijn modellen van een stamreeks, stamboom, kwartierstaat of parenteel.

 

genealogische tabel, een schematische weergave van een genealogie.

 

genealogisch woordenboek, een boek waarin begrippen met betrekking tot genealogie alfabetisch zijn geordend en waarin over die begrippen informatie wordt verschaft.

 

geslacht, gelijktijdig in leven zijnde mensen, generatie. Ook de aanduiding van het man of vrouw zijn.

 

geslachtsnaam, familienaam

 

geslachtsregister, een genealogie die de mannelijke afstammelingen aangeeft van een echtpaar. Wanneer het ook alle afstammelingen in vrouwelijke lijn vermeldt, spreekt men van een parenteel.

 

geslachtsrekenkunde, genealogie

 

geslachtswapen, Zie familiewapen

 

gezel, lid van een gilde, hoger dan leerling maar lager dan meester. Makker, knecht.

 

gezinsblad, relatieblad. Geeft een feitelijk overzicht van een compleet gezin (complete relatie). 

 

gezinskaart, een kaart uit een losbladig kaartsysteem. Dit kaartsysteem werd bij Koninklijk Besluit in 1920 ingevoerd. Deze kaarten werden voorzien van de gegevens van een gezin en verhuisden mee wanneer het gezin verhuisde. De gezinskaart werd in 1938 vervangen door de persoonskaart.

 

gewettigd kind, kind wat wordt erkend door de vader. De geboorteaangifte gedaan door de vader geeft de wettiging aan. Wettelijk volgt een gewettigd kind de conditie van de vader. Zie ook onwettig kind.

 

GHO, afkorting van geboorte-, huwelijks- en overlijdensregister.

 

gichten, de benaming voor schepenakten in Limburg.

 

gilde, ook wel genoemd het Gild, ambachtsvereniging met bepaalde voorrechten (opgeheven in Nederland in 1798).

 

gildenboek, een boek dat keuren, reglementen, akten, e.d. bevat.

 

gildenbrief, bewijs van lidmaatschap van een gilde of een geschrift waar de rechten van een gilde in staan.

 

gildenbroeder, lid van een gilde.

 

gildendeken, hoofd van een gilde.

 

gildenkeuren, rechten van een gilde.

 

gildenmaal, feestmaal van een gilde.

 

gildenmeester, hoofd van een gilde.

 

gildenpatroon, beschermheilige van een gilde.

 

gildenpenning, penning als bewijs van lidmaatschap van een gilde.

 

gildenproef, een meesterstuk gemaakt voor het volbrengen van een proef om lid van een gilde te worden.

 

gildenrecht, recht als lid van een gilde om bijvoorbeeld een beroep uit te oefenen.

 

gildenwezen, bestaan en inrichting van gilden.

 

grafboek, boek waarin per graf opgetekend werd wie erin begraven lagen. Er werd ook vermeld wie de eigenaar of huurder van het graf was. Soms wordt er de begraafdatum bij vermeld. De grafboeken zijn veelal te vinden in de kerkelijke archieven.

 

graden van verwantschap, verwantschapsgraden

 

grietenij, oude naam in Friesland voor een aantal dorpen die onder een grietman stonden.
Het was het grietmansambt en het recht daarop sinds de 13e eeuw. In deze eeuw werden in de staatkundige eenheden Friesland delen gevormd. Zo ging in Westergoo het Land van Franeker uit vijf delen bestaan. Dit werden Barradeel, Hennaarderadeel, Baarderadeel, Menaldumadeel en Franekeradeel.
Van het Oostergoo, Sevenwouden en het oudere Sudergoo is van de vorming van grietenijen weinig bekend.
In de 15e eeuw zijn deze delen zelfstandig geworden. Dit als gevolg van het wegvallen van de samenwerking.
In de Franse tijd (1795-1815) verloor zij haar rechterlijk orgaan. Bij de Gemeentewet van 1851 ging de naam grietenij over in gemeente.

 

grietman, (letterlijk: hij die 'groet', in rechte aanspreekt, vordert) Een sinds de 13e eeuw belaste ambtenaar met bestuurlijke en rechterlijke functies van een grietenij. Eerst gekozen of bij toerbeurt aangewezen. In de 15e eeuw benoemd door de landsheer. Tijdens de Republiek benoemd door Gedeputeerde Staten en stemgerechtigden. De Franse tijd hief het grietmansambt op en de Gemeentewet van 1851 maakte van de grietman de burgemeester.

 

grootmoe, grootmoeder, grootma, grootmama, oma, moedersmoeder of vadersmoeder.

 

grootouders, grootvader(s) en grootmoeder(s).

 

grootvader, grootpa, grootpapa, opa, vadersvader of moedersvader.

 

H

H, afkorting voor huwelijksregister.

 

handmerk of huismerk, een persoonlijk merkteken om bezittingen of koopwaar mee te merken.
Vanaf de 6e eeuw zijn handmerken bekend. Waarschijnlijk zijn ze nog ouder en ze worden wel eens in verband gebracht met de runentekens, doch dit is nog niet aangetoond. Wel is er overeenkomst met metselaarstekens, handelsmerken, meestertekens.
Wie niet kon schrijven ondertekende dikwijls met een handmerk. Soms werd als versiering aangebracht. Het handmerk had bewijskracht zoals de handtekening. Het kreeg een erfelijk karakter en ging onveranderd over op de oudste zoon, terwijl er door de verwanten een persoonlijke variatie aan werd toegevoegd.
Met een handmerk werd eerst door burgerlijk familie gezegeld. Later werden deze handmerken soms in kleur op een schild gezet of als helmteken op de helm geplaatst.

 

heer, was in de vroege middeleeuwen een (prerogatief) recht (voorrecht) dat ridders en geestelijken hadden voor en boven anderen. Leest men in een vroeg middeleeuws staatsstuk waarbij aan personen of lichamen speciale rechten werden toegekend (charter), bijvoorbeeld Heer Walterus of Heer Floris, dan weet men dat op het moment dat dit charter gepasseerd werd Walterus en Floris ridder of priester waren. Vaak werd deze naam aangevuld (bij gelijke naam ter onderscheid) met de naam van hun klooster of stamhuis (slot, kasteel), waar zij woonden. (Heer Walterus van Gerkesklooster, Heer Floris van Aemstel). Heer was dan een persoonlijke titel en klooster of stamhuis een toevoeging ter verduidelijking.
Later ontleende men de titel Heer aan zijn bezit en duidde de titel Heer aan, dat men eigenaar van het genoemde huis was. (Heer van Aemstel).
Toen de ridderslag in ongebruik raakte bleef deze titel voor de voornaam staan (Heer Floris van Aemstel, ridder)

 

heerlijkheid, bezitting van een gebied waaraan bepaalde rechten verbonden zijn.
Eén van deze rechten was de rechtspraak in dat gebied (jurisdictie). Had de Heer van een Heerlijkheid het 'dagelix gerecht' (lage jurisdictie) over burgerlijke zaken en kleine vergrijpen, dan werd hij ambachtsheer genoemd en liet hij de uitoefening van dat gerecht over aan een schout en schepenen.
Bij het recht van grote of kapitale misdrijven (hoge- of halsjurisdictie) werd de Heer Vrij- of Halsheer genoemd.
De ambachts- en vrijheren waren niet gebonden aan een eigendom ter plaatse van land of een woning. Meestal in de eerste eeuwen van het instituut van heerlijkheid hadden zij wel grondeigendommen in hun heerlijkheid, zo ook belang in de jurisdictie in dat gebied.

 

heemkunde, kennis van de eigen aard van volk en bodem in een bepaalde streek (streektaal, volksgebruiken, natuurlijke gesteldheid, bestaansmiddelen, enz).
Heem- en oudheidkundige verwijzingen op internet: Heemkunde en Oudheidkunde.

 

heemraadschap, waterschap.

 

HEL, afkorting voor Hersteld Evangelisch Luthers

 

heraldiek, wapenkunde, leer der geslachtswapens.
Zie Heraldische Wapenkunde in de Nederlanden, zie ook verwijzingen naar Heraldiek op Internet.

 

heraut , wapenkoning.

 

hugenoten, Vooral van de 16e tot de 18e eeuw gebruikte benaming voor de protestanten (calvinisten) in Frankrijk.

 

hugenotenkruis, kruis met ankervormige en door boogjes verbonden armen,  en met als hanger een neerdalende duif. (Het wordt door protestanten, vooral in Frankrijk en België, soms als herkenningsteken gedragen.).

 

huismerk, zie handmerk.

 

huwelijk, het duurzaam samenleven van man en vrouw na bepaalde burgerlijke en/of godsdienstige plechtigheden.

 

huwelijksakte, bewijs van sluiting van een huwelijk. Wordt in tweevoud opgemaakt.

 

huwelijksbijlagen, worden in enkelvoud opgemaakt.

 

huwelijksregister, trouwregister.

 

hypotheekakte, akte van een geldlening waarvoor een eigendom als onderpand dient.

 

I

iconografie, beeldbeschrijving. Beschrijving van een prent, foto, schilderij, of eender welke afbeelding, die op een persoon of een voorwerp betrekking heeft.

 

immigratie, vestiging vanuit een ander land of gebied. [migratie, het veranderen van woonplaats; emigratie, vertrek uit een land of gebied].

 

akte van indemniteit, borg- of ontlastbrief. Een tijdens de Republiek, vooral einde 17e en 18e eeuw, afgegeven verklaring (schadeloosstelling) van een nieuwe inwoner. Uit deze akte moest blijken dat wanneer de nieuwe inwoner tot armoede zou vervallen dit niet ten laste zou komen van de diaconie of armbestuur van de nieuwe woonplaats maar ten laste zou blijven van de geboorteplaats. Deze akte werd opgemaakt door het kerkbestuur of door het plaatselijk (arm)bestuur van de geboorteplaats. Waren van een gezin de man, vrouw en kinderen in drie verschillende plaatsen geboren, dan werden er drie akten overlegd.
De akte vermeldt in welke plaats deze is verleend (geboorteplaats) en ten behoeve van wie (naam en vaak de leeftijd op de datum van opmaak). Van meer vermogenden en door huwelijk gevestigden was geen akte nodig.
In kleine plaatsen werden deze akten ingenomen door het kerkbestuur of door de burgerlijke overheid. Deze legden soms een register aan waarin de akten werden overgeschreven of een uittreksel hiervan.
Bij vertrek werd de akte weer meegegeven. Vertrok één van de daarin genoemde gezinsleden, dan werd een kopie meegegeven.

 

INV, afkorting voor inventaris.

 

interrogatoria, ondervragingen

 

J

jaarboek, boek waarin de voornaamste feiten, verslagen, e.d. van een jaar vermeld staan.

 

januari, 1e maand van een jaar, louwmaand, Pluviôse. 

 

juli, 7e maand van een jaar, hooimaand, Thermidor. 

 

juni, 6e maand van een jaar, zomermaand, Messidor. 

 

K

kadaster, in 1832 (in Limburg 1841) ingevoerd om een rechtvaardige heffing van de grondbelasting mogelijk te maken. Het is een door de Rijksoverheid gevoerde administratie van zakelijke genotsrechten op de grond. Deze rechten worden geboekt in de kadastrale legger en behoren met de kadastrale kaarten tot de basis van de kadastrale archieven.
zie ook kadaster en kadaster 1832 (HisGIS).

 

Karolus-gulden, een door Karel V in 1521 ingevoerde gouden munt ter waarde van 20 stuivers met de afbeelding van de geharnaste keizer met scepter en rijksappel.
In 1540 werd de zilveren Carolus, eveneens ter waarde van 20 stuivers, ingevoerd. Hoewel deze munten na 1555 niet meer werden uitgegeven en daarna geheel andere typen van een ander gewicht en gehalte werden geslagen bleef de Carolus van 20 stuivers tot het einde van de 17de eeuw de rekenmunt.
De benaming werd in de loop van de tijd verkort tot Gulden.

 

kolonie, overzees gebiedsdeel.

 

kluftboeken, ook clauwboeken genoemd. Registers van de omgang van het grietmansambt over de daarvoor in aanmerking komende edele heerden of boerderijen in Groningen.

 

kwartierdrager, probandus, de persoon van wie de kwartierstaat uitgaat.

 

kwartierherhaling, wanneer de kwartierdrager meerdere keren van dezelfde persoon afstamt.

 

kwartierstaat , een in generaties gerangschikte opgave van de wettige voorouders van een bepaald persoon. De naam is ontstaan uit de vier kwartieren van een wapenschild, waarin men dan de wapens van de vier grootouders plaatste. Degene waar men vanuit gaat noemt men de Kwartierdrager (of probandus) en is tevens de 1e generatie. De ouders van de kwartierdrager zijn de 2e generatie (of de 1e parentatie).

 

kwartierverlies, het meer dan eenmaal voorkomen van dezelfde voorouder in een kwartierstaat. Dit kwam veelal bij gesloten gemeenschappen voor.

 

L

L, afkorting voor lidmatenregister.

 

landverhuizers, benaming voor emigranten in de 19e en begin 20e eeuw. Te vinden in de Nederlandse archieven.

 

Latijn, taal van de oude Romeinen.

 

Latijnse woorden, zie onze lijst Latijn - Nederlands.

 

lidmaat, lid van een kerk.
In dit voorbeeld een “Bewys van lidmaatschap” van de Evangelisch Luthersche Kerk in Zuid-Afrika.

 

lidmatenregister, van de protestantse kerken. Deze registers gaan wel terug tot in de zestiende eeuw.
Deze registers dienden om vast te stellen welke leden belijdenis hadden gedaan en wie niet.
In de Nederduits Gereformeerde kerk waren velen alleen dooplid en hadden geen belijdenis gedaan.
Deze informatie was nodig bij huisbezoek, toelating tot het Heilige Avondmaal, het verlenen van attestatie (verklaring van belijdend lid) bij vertrek en bij het vaststellen van de bijdrage in de kerkelijke lasten.
De registratie van lidmaten komt voor als lijsten die een predikant bij aanvaarding van zijn ambt aantrof in zijn gemeente; lijsten van aangenomen lidmaten voor de viering van een Heilig Avondmaal (met Pasen of Kerst); lijsten van ingekomen lidmaten op attestatie van een andere kerkelijke gemeente. Soms zijn er lijsten van vertrokken lidmaten met vermelding van wie, wanneer en waarheen. 
De originele registers zijn meestal nog in de kerkelijke archieven te vinden.

 

links, veel gebruikte benaming voor verwijzingen op het internet.
Zie - Genealogie verwijzingen op internet.

 

'liste civique', 'registre civique' , bevolkingslijsten uit de jaren 1796 en 1811. Deze lijsten bevatten per plaats de gehele volwassen mannelijke bevolking met opgave van beroep en geboortedatum. Ze zijn te vinden in de gemeentearchieven.

 

M

maart, 3e maand van een jaar, lentemaand, Germinal.

 

mei, 5e maand van een jaar, bloeimaand, Prairial. 

 

memorie van successie, een na iemands overlijden opgemaakte schriftelijke verhandeling voor het bepalen van de hoeveelheid successiebelasting door de erfgenamen betaald moet worden. Hierin wordt beschreven waaruit de erfenis bestaat, wat de waarde ervan is en wie de erfgenamen zijn.
Sinds het begin van de 19e eeuw moet in Nederland belasting betaald worden over een erfenis.
Deze belasting heet successierecht.
De memories die tussen 1817 en 1922 zijn opgemaakt worden in de rijksarchieven bewaard. Niet van elke overledene een memorie van successie bewaard gebleven.

 

MIGR, afkorting voor migratie

 

migratie, het veranderen van woonplaats. [emigratie, vertrek uit een land of gebied; immigratie, vestiging vanuit een ander land of gebied].
De migratie wordt in Nederland sinds het midden van de 19e eeuw geregistreerd in de bevolkingsregisters.
Hiervoor waren er de lidmatenregisters van de protestantse kerken, burgerboeken of akten van indemniteit (schadeloosstelling).

 

N

NA, afkorting voor notarieel archief.

 

naamsaanneming, zie Register van Naamsaanneming.

 

Nationale Militie, een van 1811 tot en met 1938 verplichte krijgsdienst van elke man vanaf 19 jaar, behalve door uitloting, broederdienst of lichaamsgebreken.

 

Nederlands-Indië, soms ook aangeduid als Nederlands Oost-Indië, is de benaming voor de voormalige Nederlandse koloniale bezittingen in de Indonesische archipel.

 

neef, zoon van een broer, zuster, oom of tante.

 

NH, afkorting voor Nederlands Hervormd.

 

nicht, dochter van een broer of zuster, oom of tante.

 

notarieel repertoire, een chronologische lijst waarin elke akte op volgnummer, datum, onderwerp, belanghebbenden, verkorte inhoud en verwijzingen naar andere akten vermeld staan.

 

notariële archieven, sinds de middeleeuwen bestaat het notariaat in een aantal provincies van Nederland. Tijdens de Republiek waren er notarissen in Brabant, Holland, Limburg, Utrecht en Zeeland. In Friesland, Gelderland en Groningen in enkele plaatsen. In 1811 werd het notariaat in heel Nederland ingevoerd.
Onderzoek van akten met betrekking tot huwelijkse voorwaarden, testamenten, boedelbeschrijvingen en boedelscheidingen e.d. maken de notariële archieven belangrijk.
Akten opgemaakt door notarissen dienen als rechtsgeldig bewijs van wat erin geformuleerd is.
Zij worden ondertekend door de notaris, de getuigen en de partijen.
De originele akte noemt men een minuut. Deze minuutakten werden in een band (protocol) samengevoegd. Het authentieke afschrift noemt men een grosse. Deze worden aan de belanghebbenden uitgereikt.
Notariële archieven tot en met 1915 zijn te vinden in een archiefbewaarplaats (gemeente- of streekarchief). Naast de archiefbewaarplaats zijn er ook notariële archieven te vinden in de provinciale rijksarchieven. Notariële archieven tot 1915 zijn openbaar. Die van na 1915 niet en zijn in bewaring van de notarissen zelf of bij de arrondissementsrechtbanken.

 

november, 11e maand van het jaar, slachtmaand, Frimaire, IXber, 9ber, 9b. 

 

O

O, afkorting voor overlijdensregister.

 

OBS, afkorting voor retroacta van de burgerlijke stand. 

 

oktober, 10e maand van het jaar, october, wijnmaand, Brumaire, VIIIber, 8ber, 8b.

 

onwettig kind, kind van een niet-getrouwde vrouw. De geboorteaangifte werd meestal gedaan door de vroedvrouw of -man. Wettelijk volgt een onwettig kind meestal de conditie van de moeder. Zie ook gewettigd kind.

 

oom, broer van vader of moeder.

 

ouder, vader of moeder.

 

ouders, vader en moeder.

 

oudoom, oom van vader of moeder.

 

oudovergrootmoeder, moeder van de overgrootmoeder of overgrootvader = betovergrootmoeder.

 

oudovergrootvader, vader van overgrootmoeder of overgrootvader = betovergrootvader.

 

oudtante, tante van vader of moeder.

 

OV, afkorting voor overzicht

 

overlijdensakte, bevat een verklaring aangaande het overlijden van een persoon. Aangeduid met naam, voornamen, beroep, leeftijd en adres. Tot 1935 werden ook de namen, voornamen, beroepen, leeftijden en adressen van de beide aangevers vermeld. Na 1935 wordt één aangever vermeld.

 

P

paleografie, de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van oude schriftvormen en het ontcijferen van oude teksten.

 

parenteel, een in generaties gerangschikte opgave van de wettige afstammelingen van een bepaald ouderpaar, zowel in mannelijke als in vrouwelijke lijn.

 

patronymicum, een van de voornaam van een van de vader afgeleide toenaam.

 

PB, persoonsbewijs

 

persoonsbewijs, een identiteitsbewijs, in Nederland tijdelijk uitgereikt vanaf 1941 tot 1945. Tevens bewijs van opneming in het bevolkingsregister. Een ieder vanaf 15 jaar moest in bezet Nederland een speciaal persoonsbewijs (PB) bij zich dragen.

 

persoonsblad, een blad (A4) of kaart waarop gegevens met verwijzing naar bronnen van een persoon. Voorbeeld van een persoonsblad.

 

persoonskaart, in 1938/1939 werd van iedere bewoner van Nederland een persoonskaart opgemaakt ten behoeve van het bevolkingsregister. Deze werd bijgehouden ter gemeentesecretarie van de plaats waar de betrokkene woont. De persoonskaart is een niet openbaar werkdocument. Bij verhuizing van betrokkene naar het buitenland werd de persoonskaart naar het Bureau Vestigingsregister, Ministerie van Binnenlandse Zaken, gestuurd. Na het overlijden van betrokkene werd deze PK overgebracht via het Centraal Bureau voor de Statistiek naar het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG). In 1994 werd de persoonkaart vervangen door een geautomatiseerde persoonslijst.

 

persoonslijst, een geautomatiseerde bevolkingsregistratie. Na 1994 worden de persoonskaarten niet meer bijgehouden door de geautomatiseerde bevolkingsregistratie, doch bewaard als "achtergrond" -bestand.
Deze persoonskaarten zijn vervangen door een geautomatiseerde persoonslijst. Het CBG ontvangt per 1 oktober 1994 van de gemeenten uittreksels van de overleden bewoners.

 

PK, afkorting voor persoonskaart.

 

postuum geboren, een kind geboren na het overlijden van de vader.

 

probandus, kwartierdrager, de persoon van wie de kwartierstaat uitgaat.

 

Q

quotisatie, belasting naar draagkracht, geheven tussen 1749 -1750. 

 

quotisatiekohier, belastingregister, genummerde lijsten van belastingplichtigen en hun aanslagen.

 

RA, afkorting voor rechterlijk archief.

 

RBS, afkorting voor retroacta van de burgerlijke stand. 

 

register van naamsaanneming, Bij keizerlijk decreet (Napoleon) werd op 18 augustus 1811 een ieder in Nederland die nog geen geslachtsnaam (familienaam) had bevolen binnen een jaar een geslachtsnaam aan te nemen. Velen namen dit niet ernstig, met als gevolg geslachtsnamen die hun nageslacht in grote verlegenheid hebben gebracht. Anderen gaven er zelfs geen gehoor aan.
Op 17 mei 1813 werd bij decreet de termijn voor geslachtaanneming verlengd tot 1 januari 1814.
Bij Koninklijk Besluit (Koning Willem I) werd op 5 november 1825 het bevel tot aannemen van een geslachtsnaam onder strafbeding herhaald.
Hieruit volgden vele Registers van Naamsaanneming. Een akte van naamsaanneming uit het Register, laat de aangever van de naam zien en de familienaam die gewenst wordt aan te nemen. Ook ziet men de namen van degenen voor wie opgetreden wordt zoals broers, zusters, kinderen, kleinkinderen met hun leeftijd. Als laatste wordt deze akte 'indien zulks geleerd hebbende' ondertekend.
Deze registers zijn te raadplegen in de rijksarchieven, enkele streek- en gemeentearchieven. Het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) bezit een aantal van deze registers op microfiche.

 

'Registre civique', 'liste civique', bevolkingslijsten uit de jaren 1796 en 1811. Deze lijsten bevatten per plaats de gehele volwassen mannelijke bevolking met opgave van beroep en geboortedatum. Ze zijn te vinden in de gemeentearchieven.

 

relatieblad, gezinsblad. Geeft een feitelijk overzicht van een complete relatie (compleet gezin). 

 

retroacta, het tot een dossier, collectie, samengebrachte originele bescheiden of afschriften die dateren van voor de aanvang van de zaak.

 

RG, afkorting voor Remonstrantse Gemeente.

 

RK, afkorting voor Rooms-katholieke.

 

S

schepen, ontstaan uit het middeleeuwse Nederlandse woord sceppen. Een lid (ambtenaar) van een college oordeelvoorstellers, oordeelvinders wat tot hun taak diende op rechtzittingen van het volksgerecht (ding). Dit oordeelvoorstel werd bevestigd door verplicht aanwezige volksgenoten. Later verviel de verplichte bijwoning (dingplicht) door de volksgenoten bij een rechtzitting en stelde het college van schepenen dit vast. In Nederland van de Middeleeuwen tot circa 1795.

 

schepenbank, het college van schepenen. In de 12e eeuw ontstonden schepenbanken voor vorsten, abdijen, heren en gemeenten. Zij konden in bezit zijn van de rechtspraak en vonnisten in criminele- en civiele zaken, die niet voorbehouden waren aan de vorst. Ook konden zij oordelen in de vrijwillige rechtspraak, waar allerhande overeenkomsten en verbintenissen werden gesloten en geregistreerd.

 

schildknaap, edelknaap in dienst van een ridder.

 

schoonbroeder, schoonbroer, zwager, broer van een echtgenoot of echtgenote of de echtgenoot van een zuster.

 

schoondochter, behuwddochter, echtgenote van een zoon.

 

schoonfamilie, aangetrouwde familie.

 

schoonmoeder, behuwdmoeder, moeder van echtgenoot of echtgenote.

 

schoonouders, schoonvader en schoonmoeder.

 

schoonvader, behuwdvader, vader van echtgenoot of echtgenote.

 

schoonzoon, behuwdzoon, echtgenoot van een dochter.

 

schoonzuster, schoonzus, zuster van een echtgenoot of echtgenote van een broer.

 

schout, een gerechtelijk ambtenaar in dienst van een vorst, een heer of abdij van in de Middeleeuwen tot circa 1795.
Hij was de voorzitter van de plaatselijke schepenbank (ambacht, stad of dorp) en maande de schepenen om recht te spreken. Na de uitspraak zorgde hij voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. Daarenboven waren hem administratieve, politiële en financiële taken opgedragen, zoals toezicht op het onderhoud van wegen, waterlopen en dijken, handhaving van de orde, aanhouding van misdadigers, controle op drankhuizen, lichting van weerbare mannen, publicatie van plakkaten en ordonnanties. Schouten kwamen veel voor in Brabant, Holland, Zeeland, Utrecht en ook in Drenthe. Een aantal van deze schouten, erfschouten of ambachtsheren genoemd, had het ambt in leen gekregen van de vorsten.
In de Republiek der Verenigde Nederlanden (van ca 1600-1795) bleef de schout bestaan als ambtenaar van de gewestelijke staten en van de steden.

 

sententies, gerechtelijke uitspraken.

 

september, herfstmaand, Vendémaire, VIIber, 7ber, 7b. 

 

sibbe, uit het Nederduits afkomstige aanduiding voor geslacht, familie.

 

sibbenkunde, onderzoek naar de sibbe, de gezamenlijke verwanten.

 

specie, klinkende munt, geld.

 

speciekohier, van 1748 tot 1805 gebruikt als belastingregister van personen welke belast werden over:
- hoofdgeld, door elke inwoner boven een bepaalde welstandsgrens verschuldigd (in 1797 afgeschaft) .
- kinderen tot 12 jaar waren vrijgesteld, terwijl degenen die minder dan 600 caroliguldens bezaten half hoofdgeld moesten betalen.
- schoorsteengeld, ook haardstedengeld, verschuldigd voor elke in gebruik zijnde schoorsteen.
- hoorngeld, verschuldigd door bezitters van koeien.
- paardengeld.
- het middel op de bezaaide landen.

 

stamboom, een voorstelling van genealogische gegevens in de vorm van een boom. Ontstaan uit de verwantschapsboom van het Romeinse recht die de voorvaderen in de kruin en de nakomelingen in de wortels afbeeldde. Sinds de 12e eeuw komt hij in omgekeerde volgorde voor zodat de nakomelingen de takken en twijgen vormen.

 

stamhouder, de zoon die het geslacht voor uitsterven (kan) behoeden.

 

stamhuis, adellijk huis waaruit een vorstengeslacht stamt.

 

stammoeder, voormoeder waarvan verschillende geslachten afstammen.

 

stamouders, oudst bekende voorouders van een geslacht.

 

stamreeks, een in generaties gerangschikte opgave van iemands wettige voorouders in rechte mannelijke lijn. De nummering begint bij de stamvader.

 

stamvader, oudst bekende mannelijke voorvader in rechte lijn. Meestal gaf hij zijn naam aan het geslacht.

 

successiememories, registers van aangifte voor de successiebelasting, en bijgehouden door de Inspecteurs der Registratie en Successie. De aangifte werd gedaan middels een memorie, waarin vermeld: de overledene, waar en wanneer overleden, welke onroerende goederen werden nagelaten, de erfgenamen, waar een testament werd opgemaakt. Te vinden in het Rijksarchief van de jaren 1818-1900.

 

symbolen en afkortingen, vervangers van geschreven tekst en begrippen.

 

T

T, afkorting voor trouwregister en ondertrouwregister.

 

tante, zuster van vader of moeder.

 

testament, uiterste wilsbeschikking.

 

testamentregistratie, een centrale testamentregistratie ingesteld in 1918. Het is een kaartsysteem met namen van personen die na 1890 een testament hebben laten opmaken. Op volgorde van jaar en daarin alfabetisch op naam. Het wordt beheerd door een afdeling van het Min van Justitie.
Een deel van dit kaartsysteem met de gegevens van personen geboren tussen 1793 en 1954 en overleden voor 1973 bevindt zich in het rijksarchief.

 

thuishaven van een Schippersfamilie, de plaats (gemeente) waar de elders geboren, gehuwde en overleden personen van deze schippersfamilie zijn ingeschreven.

 

tienjarige tafels, zijn indices (index op persoonsnamen) op de familienamen van de personen waarop de akten van de burgerlijke stand betrekking hebben. Van 1811 en 1812 zijn indices per jaar gemaakt. Daarna per tien jaar; 1813 - 1822, 1823 - 1832, enz.

 

toenaam, hieronder wordt verstaan een nadere aanduiding van een persoon bij diens voornaam.
Dit gebruikte men van:
- het beroep: [Schipper, Bakker, Brouwer, De Slager]
- de eigenschap van de persoon: [De Goede, De Wilde]
- het onderscheid met een gelijknamig persoon: [Eenoog, De Oude, De Jongste]
- de plaats of streek van herkomst: [Van Buren, Van Keulen, Van Hulshorst]
- de naam van de boerderij of landgoed: [Haverkamp, Van Munnikhof, Van Nijeveld]
- een huis of herberg: [Gouweleeuw, Van der Molen, Vermeulen]
- een veldnaam: [Van den Berg, Van der Kamp, Van der Made]
In gebruik vanaf de 12e eeuw ter onderscheiding van personen. De toenaam had een persoonlijk karakter, wat wil zeggen dat de broers, vader en zijn kinderen met geen of een andere toenaam voorkomen.

 

transportakte, akte van overdracht van eigendom.

 

trouwakte, huwelijksakte

 

trouwboekje, boekje bij de huwelijkssluiting uitgereikt. Het vermeld de namen en datums van de ouders en (alle) kinderen.

 

trouwregister, register waarin de namen van diegenen die men trouwt.
De oudste trouwregisters dateren uit de zestiende eeuw. Deze registers zijn van de Rooms-katholieke kerk waarin de huwelijken die werden gesloten volgens de door het Concilie van Trente vastgestelde regels.
Vanaf 1574 gingen de Gereformeerden ook over tot het gebruik van een trouw- of huwelijksregister.

 

TT, afkorting voor tienjarige tafels.

U

uitsterven, het ophouden van een geslacht door de dood van de laatste vertegenwoordiger van dat geslacht.

 

V

verwantschap, het verwant (vermaagschapt) zijn aan een persoon, door bloedverwantschap of aanverwantschap.

 

verwantschapsgraden, zie graden van verwantschap.

 

verwantschapstabel, een overzichtstabel waaruit de onderlinge verwantschap blijkt van twee of meer personen die niet tot dezelfde familie behoren. Kan bijvoorbeeld opgesteld worden bij genealogisch onderzoek naar de bloedverwanten van een erflater.

 

vierschaar, rechtbank. In de Middeleeuwen de vier banken waarop bij een rechtszitting de schout, de schepenen, de aanklager en de gedaagde zaten.

 

visitatie, lijkschouwing.

 

VOC, De Verenigde Oostindische Compagnie werd opgericht in 1602 met het doel schepen naar Azië te sturen om peper en specerijen te kopen. Er werden zes kamers (vestigingen) opgericht in Amsterdam, Zeeland, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen met ieder een eigen college van directeuren, die bewindhebbers werden genoemd. Het hoofdbestuur bestond uit directieleden van de zes kamers, 'de Heren Zeventien'.

De VOC groeide uit tot een multinational met vestigingen in een tiental Aziatische landen. Halverwege de 18de eeuw had de compagnie 25.000 man in dienst waarvan ca. 3.000 in Nederland. De compagnie bouwde haar eigen schepen, zo'n 1.500 in totaal, die samen goed waren voor ca. 5.000 afvaarten naar Azië. Daar werd een netwerk van handelsnederzettingen (factorijen) opgericht, van de Perzische Golf tot de Chinese Zee.
De VOC ging ten onder aan slecht bestuur, corruptie en schulden en werd officieel opgeheven op 31 december 1799.

 

VOLKST, afkorting voor volkstellingregister.

 

volkstellingregister, bevatten bevolkingsgegevens van een gemeente. De volkstelling uit de Franse tijd van 1795-1796 bevat alleen cijfers. De volkstelling van 1807-1808 bevat onder meer de naam van het gezinshoofd, zijn beroep, huispersoneel, of hij gehuwd was, het aantal inwonende kinderen, het bezit aan onroerend goed. Verder waren er volkstellingen in 1829, 1839, 1849.
Het volkstellingregister is te vinden bij de gemeente.

 

voluntaire jurisdictie, vrijwillige rechtspraak. Voor 1811 veelal afgedaan door het gerecht. Na 1811 door notarissen. Vrijwillige rechtspraak omvat onder meer, overdrachten (transporten) van onroerend goed, hypotheken, andere schuldbekentenissen, huwelijkse voorwaarden, testamenten, boedelinventarissen, boedelscheidingen.

 

voornaam, naam voor de familienaam.

 

voorouders, naam van de voorgaande generaties van ouders. Wordt zelden genoemd met een naam.

 

W

wapen, een erfelijk of in wezen onveranderlijk, gekleurd onderscheidingsteken, te zien aan een schild met de schilddekking: helm, dekkleed en helmteken.
Onderscheidingsteken van een (adellijk) geslacht, stad, provincie, rijk, enz..

 

wapenschild, schild waarop een teken (figuur) geschilderd is.

 

wapenboek, boek waarin de wapens van (adellijke) geslachten staan.

 

wapenbord, bord waarop een wapen geschilderd is.

 

wapenbrief, schriftelijke vergunning om een wapen te voeren.

 

wapendrager, schildknaap

 

wapenkoning, heraut, hofbeambte bij plechtigheden.

 

weduwe, vrouw wier man gestorven is.

 

weduwnaar, man wiens vrouw gestorven is.

 

WG, afkorting voor Waalse Gemeente.

 

WIC, West Indische Compagnie. Een in 1621 door de Staten-Generaal opgerichte handelsonderneming. Sinds 1627 verbleef de WIC ook in Brazilië. Na twee veldslagen in 1648/1649 moet Brazilië worden opgegeven.
De WIC kreeg het monopolie op de westkust van Afrika en Amerika. Uiteindelijk werd het een kaapvaartonderneming. Slaven werden na het veroveren van de kust van Guinea in het zuiden van Amerika verkocht.

Na het verlies van verschillende kolonies werd deze compagnie ontbonden (1674) en een tweede opgericht (1675) met uitsluitend handelsdoeleinden. Na het verlies op het monopolie van de slavenhandel in de Spaanse kolonies werden haar bezittingen en schulden door de Staten-Generaal overgenomen en de compagnie in 1793 opgeheven.
De WIC had net als de VOC diverse kamers: Amsterdam, De Maas, Noorderkwartier, Stad en Lande en Zeeland.

 

WO I, eerste wereldoorlog 1914 - 1918

 

WO II, tweede wereldoorlog  1940 - 1945

 

WM, afkorting voor lijst van weerbare mannen.

 

woordenboek, een boek waarin woorden met betrekking tot een taal alfabetisch zijn geordend en waarin over die woorden informatie wordt verschaft.

 

X

 

Y

 

Z

zegel, hiermee werd de echtheid van een oorkonde gewaarborgd. Een klompje lak of was werd aan de oorkonde bevestigd met een strookje perkament of een strengetje zijde waarin een stempel werd afgedrukt.
De was waarin de stempels gedrukt werden bestond meestal voor 2/3 uit bijenwas en 1/3 bindmiddel.
In de Middeleeuwen werden overeenkomsten vastgelegd in een oorkonde, op perkament geschreven en bekrachtigd door een of meer zegelafdrukken in was of lak. De zegels waren voorzien van een randschrift waarin de naam van de zegelaar voorkomt, in het midden een voorstelling van een dier, een bloem, een mens. Vanaf de eerste helft van de 12e  eeuw werd een familiewapen algemeen.
Het zegel vervulde de rol van de tegenwoordige handtekening, in een tijd toen slechts weinigen konden lezen en schrijven.

 

zegelring, ring - meestal van goud - met een ingelegde steen van kornalijn (bruinrood), grijze onyx, jaspis (groen-rood), lapis lazuli (blauw) of sardonyx (wit-zwart). Meestal bestaat de steen uit twee lagen, zodat de gravure donkerder toont dan de deksteen.
Zij worden gedragen aan de ringvinger of de pink van de linkerhand. Aangezien men veronderstelt dat er werkelijk mee wordt gezegeld, dient de onderkant van het wapen naar de top van de vinger gericht te zijn.

 

zegelstempel, stempel van brons, zilver en soms goud, waarin een voorstelling gesneden. Dit werd gedaan door goud- en zilversmeden.

 

zoon, kind van het mannelijk geslacht, afstammeling.

 

zwager, schoonbroer, schoonbroeder.