Middeleeuwse belastingen

De Pacht

Met pacht wordt vooral bedoeld het voor een reeks van jaren verhuren van een agrarisch bedrijf, tegen een jaarlijks vergoeding in geld of goederen, en onder tal van afspraken over het beheer van gebouwen, landerijen en veestapel. Deze vorm van pacht, ook wel “huur” genoemd, ontstond in de late middeleeuwen uit oudere pachtvormen, waarbij steeds de tijdelijkheid voorop stond. Het verwarrende is dat het woordje pacht ook voorkomt in de term “erfpacht”, waarmee meestal een erfcijns in natura (rogge, ganzen, iets anders) bedoeld wordt. Minder verwarrend is het verpachten van molens, van de tiendinning, van tollen etc.

 

De Renten

De middeleeuwer mocht niet op een moderne manier geld lenen en voor het geleende geld rente betalen. Toch had ook hij af en toen wat extra geld nodig. Wat nu? Ter oplossing van dit probleem beschikte hij over het instrument van de “rente”. Wie geld nodig had, verkocht aan de geldschieter het recht om ieder jaar van de geldvrager een zeker bedrag in geld of natura te ontvangen. De geldschieter wilde wel graag wat zekerheid en daarom werd die jaarlijks betaling gekoppeld aan een huis of een stuk grond. Het lijkt sprekend op een hypotheek, maar er werd formeel niks geleend en er was dus ook geen rente op geleend geld in het geding. De kerkelijke wet werd zo nageleefd en de economie kon toch draaien. Wél was er een complicatie indien het als onderpand gestelde stuk grond een leengoed was. Dan werd dat leengoed belast met de rente, die dan leenrente genoemd werd en zelf ook weer als een leen opgevat werd. In de leenboeken vind je hele reeksen van dergelijke leenrenten vermeld staan. Het gebeurde ook vaak dat in een testament allerlei instellingen begunstigd werden met een nieuw gestichte “rente”. De erfgenamen van huis en grond dienden dan jaarlijks aan die instellingen die rente uit te betalen. 

De koopsom van zo’n jaarlijkse rente bedroeg in de regel 16 of 20 maal het jaarbedrag. In tegenstelling tot de erfcijns kon zo’n rente wél gewoon afgekocht worden: je moest dan gewoon het ontvangen kapitaal weer terug betalen.

 

De Cijns

De cijns of erfcijns is een bedrag in geld of natura dat ieder jaar op de cijnsdag betaald moet worden voor het gebruik van een stukje grond. Met die betaling werd erkend dat die grond eigenlijk van de cijnsheffer of grondheer was. De cijns heeft dus wél met grondbezit te maken. Dat was niet zomaar een formele fictie, want als je drie jaar de cijns niet betaalde, kon de cijnsheer het grondstuk weer opeisen. Zo’n “opwinning” gebeurde door het cijnshof van de grondheer. Ook een verandering van het grondbezit door verkoop of vererving (“vesten”) moest voor diens cijnshof gebeuren. Dit uitwinnen en vesten ging nog door tot kort na 1800 en stopte mogelijk pas door de inlijving bij Frankrijk in 1809.

Erfcijnzen waren in principe niet afkoopbaar, omdat ze het eigendomsrecht van de grondheer verbeeldden. Rond 1800 ging men anders tegen die oude rechten aankijken en werden de erfcijnzen wél afkoopbaar gesteld. Tegen 1850 waren de meeste afgekocht. 

 

De cijns of tijns is een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse betaling aan de grondheer. Meestal betreft het landbouwpercelen, maar soms ook andere onroerende zaken, zoals molens. Het recht om cijnzen te innen, het zogenaamde cijnsrecht, is een van de heerlijke rechten. Het is ontstaan in de vroege middeleeuwen en werd opgeheven na de val van het ancien régime. De doubletten cijns en tijns zijn ontleend aan Latijns census ‘schatting van het vermogen’. De benaming in documenten kan nogal verschillen, afhankelijk van tijd en plaats schreef men in de Nederlanden cijns, chijns, cens, tyns, tijns, thijns, tins enzovoorts. Het Franse woord voor het begrip is cens, het Duitse Grundzins en het (Schots-)Engelse feu-duty.

 

Ontstaan

In het Frankische Rijk dat ontstond na de val van het West-Romeinse Rijk werd het hofstelsel ingevoerd. Daarin kregen alle horigen de verplichting opgelegd om eens in het jaar in de vroonhof van de heer hun hoofdcijns te voldoen. Dit was een particuliere cijns, door de horige zelf te betalen, die niet zozeer het karakter droeg van een belasting, maar veeleer gold als een jaarlijks teken van erkenning van de horigheid. Naast de particuliere cijns moesten horige hoevebewoners ook de vaste grondcijns betalen. Deze cijns, eenmaal vastgesteld, werd genoteerd in een zogenaamd cijnsboek of tijnsboek en was 'eeuwig en onveranderlijk'.

 

Inning in natura

De cijns werd aanvankelijk voldaan in natura. Het meest voorkomend was betaling met kapoenen en granen. Zo werd bij de verkoop op 11 februari 1587 van een akker van 3 loopensen groot, gelegen te Lieshout vermeld dat het perceel belast was met den thijns vanden gronde tot eenen capuijn int boeck van Lieshout. Ook betalingen met hoenders, vlas en vruchten waren gangbaar.

Omdat menig lid van de adel zijn bezittingen of een deel ervan schonk aan een kerk of klooster kwamen veel religieuze instellingen in het bezit van het cijnsrecht. Zo telde Maastricht in de late middeleeuwen ongeveer vijftien kloosters die cijnzen in natura inden (met uitzondering van de bedelorden). Het Sint-Servaaskapittel, de oudste en verreweg welvarendste religieuze instelling in de stad, beschikte naast de Sint-Servaaskerk over een groot stenen spijker waar de graancijnzen, voor een groot deel spelt en rogge, werden opgeslagen.

Soms bestond de cijns aan kerken en kloosters uit het leveren van was voor het maken van kaarsen voor kerkverlichting. Daarnaar zijn de waschsynsen genoemd die onder andere in Utrecht voorkwamen.

 

Inning in geld

In de late middeleeuwen werd betaling in natura gaandeweg vervangen door betaling in geld. Deze verschuiving leidde ertoe dat de persoonlijke band tussen heer en horige werd verbroken, het werd meer en meer een zakelijke betrekking. Mede hierdoor hield de horigheid op te bestaan. Betaling van de cijnzen in geld had het eerst plaats in de westelijke streken van de Nederlanden, waar de opkomende handel ertoe leidde dat geld het algemeen ruilmiddel werd. Reeds in de 11e eeuw werden de cijnzen aan de kerk te Gent in klinkende munt betaald. In de oostelijke en zuidelijke streken daarentegen bleef de voldoening van cijnsen in natura nog lang bestaan. Eerst in 1602 werd met de opheffing van het klooster Dikninge in Drenthe de voldoening van de cijns in natura afgeschaft, dus lang nadat de horigheid hier had opgehouden te bestaan.

Omdat de eenmaal vastgestelde cijns voor een perceel grond eeuwig en onveranderlijk was, bleef in cijnsboeken en schepenakten de vermelding van in natura gestelde grondcijnzen onveranderd gehandhaafd, ook al werd de cijns al lang in gefixeerde geldbedragen betaald, zoals blijkt uit een Lieshoutse schepenakte van 8 december 1707: item alnogh anderhalff capuijn aen 't selve boeck, betaelt wordende met twaelff stuijvers.

Afschaffing

Formeel werd de cijns als heerlijk recht het eerst afgeschaft in Frankrijk, tijdens de Franse revolutie. Later volgde de rest van Europa. In de Nederlanden gebeurde dat na de Franse invallen van 1794 in de Zuidelijke Nederlanden en van 1795 in de Noordelijke Nederlanden. Met de kanttekening dat de cijns op veel plaatsen de facto bleef bestaan en werd omgezet naar pacht.

 

 

De Tiend

De tiend is in principe het tiende deel van de oogst aan gewassen en van de geboren dieren, af te dragen aan “de kerk”. In de middeleeuwen waren in onze streken veel kerken, met bijhorende pastoor en parochies (als gemeenschap van gelovigen), in handen van de kerk/bisdom of van plaatselijke heren. Die kerkheren hieven de tiend, deels ter bekostiging van de bouw en het onderhoud van het kerkgebouw (althans formeel gezien), en voor een derde ter bekostiging van de pastoor. Soms hief de pastoor zelf dat derde deel. Het tiendrecht werd in later tijd wel eens verkocht of weggeschonken en zo kwamen er andere tiendheren op het toneel.

De kerk/bisdom of van plaatselijke heren. gingen natuurlijk niet zelf op pad om de tiend binnen te halen. Dat werkje werd verpacht aan de tiendpachters. Ook dat waren vaak nog kapitaalkrachtige lieden en zij lieten het echte werk dan doen door de tiendgaarders. 

Na het luiden van de tiendklok ging de tiendgaarder de akkers langs waar de oogst in schoven opgesteld stond. Ze moesten daar iedere tiende, soms elfde, schoof uitplukken, op hun tiendkar laden en afvoeren naar de schuur of zolder van de tiendpachter. De boer betaalde de tiend dus echt in natura. De tiendgaarder gaf de tiend in natura aan de tiendpachter door en kreeg daar een loon voor.  De tiendpachter had een contract met de tiendheer: soms moest hij in natura leveren, soms in geld. In eerste geval verkocht de tiendpachter het graan op de markt, waarbij hij liefst wachtte tot de lente of zomer als de prijzen het hoogste waren. Als het tiendgraan al in geld omgezet werd dan gebeurde dat op een échte graanmarkt. De tiend heeft ook niets met grondbezit te maken: iedereen in de parochie was tiendplichtig, ongeacht wiens grond hij bewerkte.

Zeer oude oorsprong
De tiend is – hoewel ook in de Romeinse tijd een vergelijkbare heffing is en ook in het oude testament er al melding van wordt gemaakt – het principe dat in de middeleeuwen zowel door de kerkelijke overheid als wereldlijke overheid wordt toegepast dat een tiende deel van de oogst aan gewassen en veeteelt afgedragen wordt aan de kerk.
Voor de heffing maakt het daarbij overigens niet uit of de grond waar de oogst vandaan komt eigendom is of gehuurd.

Kerkelijk-sociale belasting
De tiendplicht zoals die later overal gemeengoed is, geldt voor de eerste christenen nog niet.
Wel is er sprake van vrijwillige armenzorg die voortkomen uit het christelijke ideaal van naastenliefde of caritas en die tot uiting komen in twee van de zeven werken van barmhartigheid: de hongerigen spijzen en de dorstigen laven.
Mogelijk dat het vrijwillige karakter onvoldoende resultaat oplevert zodat de gelovigen op een meer dwingende wijze op hun plichten worden gewezen.
Tijdens het concilie van Tours (567) wordt voorgeschreven dat elke lokale gemeenschap de eigen armen en behoeftigen moet voeden.
Zo’n 200 jaar later is het Pepijn van Herstal die een decreet uitvaardigt en bepaalt dat voortaan iedereen tiend-plichtig is aan de kerk.
Of hiermee alleen godsdienstige of sociale motieven een rol spelen, is niet duidelijk. Niet uitgesloten kan worden, dat de tiendplicht deels ook bestemd is geweest om de schatkist van het Frankisch rijk te spekken.
Wat er ook van zij, het is zijn opvolger en zoon Karel de Grote die in de Capitularia expliciet laat vastleggen dat de ingestelde tiendplicht, in drieën verdeeld, voor het eerste deel is bestemd voor het onderhoud van de kerk, het tweede deel toekomt aan de priester om in zijn onderhoud te voorzien en dat het derde deel gebruikt wordt voor de zorg voor de armen van de parochie.

Niet-kerkelijke tienden
Veel kerken worden in de latere middeleeuwen door wereldlijke personen gesticht, veelal lokale machthebbers.
Het recht op afdracht van de tiend wordt hierdoor dan ook door velen beschouwd als een persoonlijk recht.
Dit maakt dan ook dat (delen van) het tiendrecht op sommige plaatsen in handen is van anderen dan de kerkelijke overheid. Ook verkoop, schenking of onrechtmatige toeëigening maken dat het tiendrecht niet te allen tijde bij de kerkelijke overheid blijft berusten.

Tienden en wijze van inning
Er zijn in de loop van de tijd vele tiendvarianten ontstaan. Bij een globale beschouwing wordt onderscheid gemaakt in grove of korentienden en smalle of kleine tienden. Bij de laatste gaat het dan om tuinvruchten, tabak, vlas etc. Daarnaast maken krijtende tienden (van pasgeboren dieren) ook deel uit van de smalle of kleine tienden.

De inning van de tiend wordt veelal uitbesteed aan tiendpachters die op hun beurt tiendgaarders inschakelen.
De komst van de tiendgaarder wordt – indien aanwezig – aangekondigd door het luiden van de tiendklok. Bij het innen van de grove tiend, staat de oogst op de akkers telkens per 10 (of soms ook 11) schoven of garven opgesteld; het is vervolgens aan de tiendgaarder om hier één schoof uit te nemen en mee te nemen op de tiendkar.
Het geheel aan op deze wijze verkregen schoven worden afgevoerd naar een bergplaats (schuur of zolder) van de tiend-pachter, in de volksmond ook vaak spieker genoemd, afgeleid van het Latijnse spicae (korenaren).

Boeren voldoen aan de tiend door een afdracht in natura. De tiendgaarder is in dienst van de tiendpachter en krijgt in ruil daarvoor loon.
De tiendpachter op zijn beurt moet weer afrekenen met de tiendheer, in wiens naam de tiend wordt geheven. Afhankelijk van het contract dat tussen beiden geldt, wordt afgerekend in natura dan wel in geld. In het geval er met geld afgerekend wordt, blijven de opgehaalde gewassen in bezit bij de tiendpachter die vervolgens kan optreden als handelaar en vaak wacht met de verkoop tot tijden van schaarste zodat een hoge opbrengst is gegarandeerd.

Reformatie: tiend spekt staatskas
Het tiendrecht vervalt steeds meer en meer aan andere personen en instellingen die geen binding meer met de van oorsprong rooms-katholieke kerk hebben.
In de periode van de tachtigjarige oorlog worden tijdens de Reformatie de goederen van de rooms-katholieke kerk en kloosters in groten getale geconfisqueerd.
En hoewel ook in eerste instantie de hieruit verkregen middelen worden gebruikt voor de instandhouding van (de inmiddels protestantse) kerken en de betaling van predikanten, worden de opbrengsten ook gebruikt voor de dekking van reguliere overheidsuitgaven; veel tienden worden te gelde gemaakt door deze te verkopen. Kopers zijn vooral particulieren die op deze manier een goede belegging van hun bezittingen verkrijgen.

Franse periode
Tijdens de Bataafs-Franse vervallen de heerlijke rechten en daarmee lijkt ook de tiend zijn langste tijd te hebben gehad.
Nu echter de tiend zijn oorsprong niet vindt in het leenstelsel maar een kerkelijke oorsprong heeft, bevestigt het Wetboek Napoleon van 1809 het aloude recht met dien verstande dat het recht wel vervalt ‘door ongebruik gedurende dertig jaren’.
In 1813 worden de tienden bij Keizerlijk Decreet verklaard tot grondrenten zodat de tiend weliswaar niet wordt afgeschaft maar wel afgekocht kan worden. In 1814 wordt dit decreet echter door een Souverein Besluit van koning Willem I weer teniet gedaan!

Pleidooi voor aanpassing systeem door rem op economische ontwikkeling
Nederland is vandaag de dag een agrarische grootmacht. Hoe anders is dat in de 19e eeuw als er zelfs in de periode 1840-1850 sprake is van hongersnood als gevolg van de aardappelziekte.
Het midden van de 19e eeuw is ook politiek een onrustige periode; in deze turbulente tijd komen onder andere in Noord-Brabant boeren op allerlei manieren in opstand tegen de tiend.
In de 19e eeuw zijn het vooral de domeinen van de Staat, de Kroon en tal van particulieren die nog tienden heffen. Van de oorspronkelijk kerkelijk-sociale belasting is weinig of niets meer over.
De tiendheffer plukt wel de vruchten van de investeringen door de tiendplichtige maar draagt niet bij in de kosten.
Van nagenoeg geen enkele tiend staat de precieze omvang vast wat het gevoel van willekeur in de hand werkt en wordt hierdoor de rechtsgeldigheid en de aard van veel tiendrechten continu betwist.
Het is de tiendplichtige evenmin toegestaan om de oogst binnen te halen vóór hij de tiendheffer heeft gewaar-schuwd om zijn aandeel op te halen. Hierdoor kan bij ongunstig oogstweer schade ontstaan.
Om zo min mogelijk te moeten afdragen bestaat bij de boeren de neiging om zo weinig mogelijk tiendplichtige gewassen te verbouwen wat weer kan leiden tot te weinig vruchtwisseling en hiermee samenhangend uitputting van de grond.
Er wordt dan ook – enerzijds om moreel verval bij de boerenstand tegen te gaan en anderzijds om de landbouw naar een hoger plan te tillen – steeds meer gepleit voor aanpassing van het systeem.

Aanpassing wetgeving
Het afkalvende maatschappelijk draagvlak blijkt zo mogelijk ook uit de invoering van wetten die het mogelijk maken om de tienden van staatsdomeinen (1848), kroondomeinen (1865) en particulieren (1872) af te kopen.
Er zijn lokale initiatieven waarbij (combinaties van) particulieren, gemeenten en georganiseerde boeren de handen ineen slaan om de tiendverplichting af te kopen of over te nemen.
Dit betekent vaak niet dat de verplichting meteen komt te vervallen, want om de overname te kunnen bekostigen moet vaak geld geleend worden.
De tiendplicht wordt dan ook vaak nog noodgedwongen een aantal jaren voortgezet, niet meer als belastingplicht maar in feite als aflossing van de lening.

Tiendwet 1907
Met de Tiendwet 1907 wordt eindelijk een wettelijke regeling getroffen die het eeuwenoude systeem afschaft. De eerdere wetgeving heeft niet tot voldoende resultaat geleid. Behalve afschaffing van de bestaande rechten, is in de wet ook bepaald dat het niet meer is toegestaan nieuwe tiendverplichtingen te vestigen.

Om een en ander ordelijk te laten verlopen wordt Nederland verdeeld in tienddistricten. De toenmalige arrondissementen ’s-Hertogenbosch, Maastricht en Roermond vormen samen het negende tienddistrict en is actief tot de opheffing bij Koninklijk Besluit van 16 mei 1918.

Het tienddistrict wordt geleid door een Tiendcommissie met drie rechtsgeleerden en twee landbouwdeskundigen. Ambtelijk worden ze ondersteund door een (plaatsvervangend) secretaris.
De commissie is belast met het behandelen en onderzoeken en het in eerste aanleg nemen van besluiten over de rechtsgeldigheid van tiendrechten (beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof).

Schadeloosstelling
Iedereen die tussen 1 januari en 1 april 1909 aantoont dat hij nog tot tiendheffing gerechtigd is, wordt van rijkswege schadeloos gesteld.
De schadeloosstelling komt voor elk kadastraal perceel neer op een bedrag ineens dat opgeteld gelijk is aan de tiendopbrengst van 20 jaar.
De Staat betaalt dit bedrag weliswaar aan de tiendheffer, maar de schadeloosstelling wordt verhaald op de vroegere tiendplichtige!

Op elk betrokken kadastraal perceel wordt van rechtswege een tijdelijke tiendrente gevestigd ten behoeve van de Staat. In de praktijk betekent dit dat de voormalige tiendplichtige nu weliswaar ‘vrije grond’ heeft, maar krijgt hij als ‘tegenprestatie’ nu wel gedurende 30 jaar (1909-1939) te maken met een opslag op aan de Staat af te dragen grondbelasting. Deze extra belasting is gelijk aan 5,55% van de schadeloosstelling.

Sigaar uit eigen doos?
Een snelle berekening leert dat de Staat de tiendplichtige over een periode van 30 jaar uiteindelijk 66,5% meer in rekening brengt dan diezelfde Staat aan de tiendheffer heeft uitgekeerd.
Op de vraag of daarmee sprake is van een sigaar uit eigen doos moet ik schuldig blijven. Ik vind wel dat, als ik de termijn van 30 jaar die de Staat hanteert afzet tegen de tijd die de hiervoor genoemde initiatieven nodig hebben om tiendvrij te geraken, er wel grote verschillen zijn. In Bergeijk (1859) duurt de afbetaling van het tiendrecht 17 jaar; in Oirschot (1869) neemt het proces 12 jaar in beslag. In Woensel duurt het weliswaar wat langer, maar ook hier is het dorp na ongeveer 20 jaar zo goed als geheel tiendvrij.
Ik laat me graag overtuigen dat het anders is, maar mijn gevoel zegt me dat de rekening met de Tiendwet van 1907 niet evenwichtig over alle partijen is verdeeld. De wettelijke regeling heeft immers de schijn tegen, dat de voormalige tiendplichtigen onnodig lang een financiële verplichting is opgelegd.

 

Begrippen

Bunder =  1 hectare.

  

Cijns Belasting, rente. Het woord 'cijns' is een term die we zowel in als na de middeleeuwen regelmatig in onze archieven tegenkomen. Cijnzen zijn ontstaan uit het leenstelsel, voortvloeiende uit de feodale verhoudingen in de middeleeuwen. Het woord is afgeleid van het Latijnse 'census' en heeft volgens het woordenboek verschillende betekenissen: schatting, belasting, grondrente en erfpacht.

 

Consort Mede-eigenaren.  

 

Drieslagstelsel Voordelige landbouwmethode uit de Middeleeuwen.

  

Hova 1 hova = ongeveer 12 bunder, maar dit kon van streek tot streek verschillen. 

  

Kapittel Een kapittel is een geestelijke gemeenschap of bestuurscollege. Meestal betreft het een gemeenschap van katholieke of anglicaanse geestelijken, verbonden aan een kathedraal, kapittelkerk of klooster. De naam kapittel werd aan dit college gegeven omdat tijdens bijeenkomsten in de kapittelzaal een kapittel of hoofdstuk uit de Bijbel werd voorgelezen  

  

Morgen Oude oppervlaktemaat. Met een morgen wordt een gebied aangeduid dat in een ochtend kon worden geploegd; een morgen is meestal iets minder dan een hectare groot; de precieze grootte is echter streekgebonden; in het Land van Maas en Waal hanteerde men de Rijnlandse morgen; dat is ongeveer 8516 vierkante meter 

  

NAP Het Normaal Amsterdams Peil (meestal afgekort tot NAP) is de referentiehoogte ofwel peil waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd 

   

Oude oppervlaktematen Een Rijnlandse morgen (ca. 8516 vierkante meter) kan worden onderverdeeld in 6 hont, een hont (ook wel 'hond' of 'honderd') in 100 vierkante Rijnlandse roeden, en een roede in 12 x 12 = 144 vierkante voet.

In 1806 werd de Rijnlandse morgen de standaardmaat in het Koninkrijk Holland, totdat in 1810 het metrisch stelsel werd ingevoerd. 

1 morgen = 6 hont = 600 roeden (Rijnland)
1 hont = ca. 1419 m2
1 roede = 14 m2 

Roede = 1 are  

 

Stoppelbloot  Het moment waarop de oogst van het veld was; vaak begin en einde van een pachttermijn. Ook bij de feitelijke overdracht van landerijen werd vaak gewacht tot er geoogst was 

  

Tiend Belasting, bestaande uit een tiende van de oogst, een tiende van het bezit aan vee, enzovoorts.