Middeleeuwse woorden en betekenis

Middeleeuwse woorden en betekenis

A

Accorus, lies, lis, Acorus of Iris.

Acrysse, wellicht astricum, grote centaurie, Rhaponticum carthamoides.

Achemant; bevallig, fraai van uiterlijk.

Acht, Ge trac bet acht = lette beter op.

Achte, verl. tijd v. achten; dacht, was erop verdacht.

Achterbleven; volt. deelw. v. achter-bliven; weggebleven, nagelaten, niet

gebeurd.

Achtergaen; nalaten, opgeven.

Achter hilt; verl. tijd v. achterhouden; die daer achter hilt = die zich daar op de achtergrond hield,.

Achter lande; het land door.

Achterstelle, achterstallige schuld; enen sinen aachterstelle gelden = betalen wat men iemand nog schuldig is; iron.: hem iets betaald zetten.

Achterstwerven; de laatste maal, voor het laatst.

Achter velde; over het gevechtsterrein.

Achterof voren; te eniger tijd.

Achterwaren; verzorgen, verplegen.

Acort, harmonie van klank.

Adech: adechs woertelen wilde vlier (Sambucus ebulus). adecke: adic, adick, adyck: aedicke; hadik, adeck, attich.

Adde, hadde; had (3e p. enkv. verl. tijd v. hebben), adden, hadden, addijt; had ge het.

Adt; had.

Aelyncken; allenken: allengs, stilaan.

Aerch, ongemak, verwonding.

Aerchede; gemene, bedrieglijke dingen.

Aern, aren, aerne; arend.

Aert; die streek.

Agreste: van het veld of wild.

Akerre, op een kier.

Al, bijw.: geheel (en al), - voegw., ‘als’ (hyp. voegw.) of ‘ook al’.

Al bloet, al bloot; openlijk, onomwonden. Vgl. bloet.

Aldat, al dat et; al dat het, aldat hi mach, al datti mach,; alles dat hij kan.

Al in een; al maar door.

Allene;  meteen, op hetzelfde ogenblik, of: met één zwaai.

Al over al; beslist, in ieder geval, overal, van alle kanten.

Allentoes: altijd, steeds.

Alreerst, nu alreerst = nu voor de allereerste keer, nu pas.

Als, alse; toen, (ev. ‘nadat’), : als = toen of zoals, als die niet en spaert = zonder te talmen, ook zo als die

gone die niet ne spaert.

Alsi; toen zij.

Also; evenzo.

Also houde; even snel, also houde als; zodra, also saen; als, zodra, also zere als, also zere als yemen die levet = als niemand anders.

Al sulc: zodanig.

Altehant, al te hant, al thant; onmiddellijk, terstond.

Al te enen;=, alteenen: samen.

Altenen male; in één keer.

Altevoren; vóór allen, als eerste.

Alve; halve.

Alver; 2e nv. v. half.

Alunir: zoute vochtigheid van vissen gemaakt als pekel haringsop.

Amachtich; uitgeput.

Ambra, ember: amber, afscheidingsproduct uit de darm van de potvis. Amber grijs is amber, dierlijk product. Barnsteen: amber, amer: emmer, glessum, electron.

Amelaken; tafellaken.

Amie, amye; vriendin, geliefde, amijs; vriend.

Amillote: wellicht a millote, van millote, mellilotum, honigklaver, steenklaver, Trifolium mellilotus officinalis.

Amoers; mingenot, liefde.

Andersins; ergens anders heen.

Ane, hars lives ane; hun leven kwijt.

Anegaen; aanvaarden, aanvangen, beginnen, andere zake anegaen = andere dingen aanvatten, ane mijn leven gaen; mijn leven kosten.

Ane hebben; aan zich hebben, als zichtbaar onderdeel hebben.

Aneresen; aanvallen, aantasten.

Ane schieten, scoten ane mi;schoten op mij af, vielen op mij aan.

Anevaen; aanvaarden, accepteren, of  aanvangen, ondernemen.

Aneti (aqua -): water gemaakt uit dille, Anethum graveolens.

Anthos: rosmarijn, rozemarinus, Rosmarinus officinalis.

An hant; ter hand; doe namen si ander tale an hant; toen begonnen zij over iets anders te spreken.

Anschine; zichtbaar aan, an scine, duidelijk, blijkbaar, inderdaad.

Ansichte; gelaat.

Antieren; behandelen, verplegen.

Anwisse, anwissen; benauwdheid.

Anxene; benauwdheid, benarrende situatie, nood, gevaar, (uter) anxene van der doot = (uit) het doodsgevaar.

Anxt; benauwdheid, benauwde, pijnlijke situatie, angst.

Appel; knop aan het gevest van het zwaard, (zie ook: hilte).

Aplompen: witte waterlelie, Nymphaea alba of gele, Nuphar lutea.

Aqua; water.

Aranien appelen: sinaasappelen, Citrus sinensis.

Arbeide; inspanning, werk, moeiten, folteringen.

Archoen, artsoene, art-soene; zadelboog.

Arde; harde; zeer.

Arde; aarde, grond, hi sochte die arde; tuimelde op de grond.

Argheren: deren.

Ariveerden; aankomen,.

Arm; slecht, ellendig, armzalig.

Arnasch; harnas.

Arsaters; dokters.

Arceterie: arsaterie; geneesmiddel, arsateren: de geneesheren.

Aronam, aaron; gevlekte aronskelk, Arum maculatum.

Arvachtichede; erfelijke bezittingen.

Asselgierde, asselgieren; aanvallen, bespringen, bestormen.

Asmonde (witte-): Sint-Jansvaren, Osmunda regalis.

Assijs, assise: lijmpreparaat dat als onderlaag dient waarop men bladgoud of zilver kan plakken.

Asure; azuur, blauw.

Ate; eten, spijs.

Athanasie: (aqua -):. water bereid uit reinvaarn, Tanacetum vulgare.

Atrement; inkt..

Atriplicis (aqua -): water bereid uit melde, Atriplex hortensis, dat gebezigd werd om wonden of buikloop te stoppen.

Auripigment, arsenicum: oripigment, operment, orpriment, rotte kruyt. Men onderscheidde twee soorten: rood a. (sandaracha, realgaar, natuurlijk arseensulfide), en geel a. (geel arseensulfide).

Auantse avantse; hazenpoot, Trifolium arvense.

Ave; af, van.

Avestaen, avestaen der quaetheit = ophouden met, nalaten.

Auenthore, aventhore; bij toeval.

Avonture; gebeurtenis, of bericht, verhaal van een of ander voorval, wat iemand overkomt, het over iemand beschikte lot; in avonturen van; in gevaar van zijn leven, up avonture wat si begheren = in onzekerheid, over wat ze wilden.

Avonturen, aventuren, avontuerde; riskeren, op het spel zetten.

Ay lace, helaas.

Ayngioen; uien, Allium cepa.

 

B.

Bacalar, bakelaar, bakeler, baculaere, bakelers, baccalaar; laurierbes. Lauri fructus of Baccae lauri, baculaere, Laurus nobilis.

Bachten, voorz.: achter, van achteren, aan de achterpoten, achteraan,

Baeldadichede; slechte daden, schandelijkheden.

Baer; getrokken, ontbloot.

Baerken, baerghin: van de barg, het mannelijk zwijn. Barghen, barghin, beerge, beergen, bergen, berghen.

Baernen, barnen: verbranden, barntse: verbrand ze. Barn: verbrand, barnde: gebrande, barnende; brandende, barnet: verbrand het, barnse: verbrand ze, barnt: verbrand (het), barnthem: verbrand hem, bernen; verbranden, bernens, bernesse, bernse; verbrand ze, bernt, bernten; verbrand ze, bernten, verbrand (hen), berrede; brandend vuur, vuurgloed.

Baghel; prachtig.

Balch; verl. tijd v. Belgen; boos zijn.

Banderside; aan de andere kant, anderdeels ook.

Bant; verled. tijd v. binden: bond.

Baraet; teg. tijd v. beraden: bezorgt, bewerkt.

Baren; aanlichten.

Barlabaen; de duivel.

Barago, borrage, boragen, boraginis, borragie, bernagie, Borago officinalis.

Bernaeds, bernaen, buglosse, bernartse (wilde) geheiten tonghen, ossen tonghen, ossentong, Anchusa officinalis L.

Barba iouis, huusloec, huyslock, huyslock: huislook, donderblad, semperviva (Sempervivum tectorum L.).

Bardana: Men onderscheidde een Bardana minor, Xanthium en een Bardana maior, Arctium.

Baucie:  pastinaak (Pastinaca sylvestris).

Bawet: kneed het.

Baroen; baron, edelman, (aanzienlijk) ridder.

Bastaerdie; schandelijke daad.

Bat; beter, meer, bat naer = dichter bij, nader op hem af.

Bataelge, battaelge; strijd, gevecht.

Bate; voordeel; bate bieden = genoegdoening, vergoeding geven, in bate staen = helpen.

Beckijn, beckin; schaal, waskom.

Becochte; verl. tijd v. becopen = het ontgelden, er slecht af komen.

Becomen; aangenaam zijn, bevallen, belanden, terechtkomen.

Becraecte; verl. tijd v. becraken = losbarstte.

Becrijtter hem; verl. tijd v. hem be-criten: trok een cirkel om zich heen.

Bed; bedacht, hoe sidi bedacht = wat bezielt je, wat voor bedoeling heb je? also bedacht; van zodanige gezindte, zo gezind, wel bedacht; verstandig, van goede inborst, hi was wel bedacht; hij had er goed over nagedacht.

Bedarve; behoefte; waert uwe bedaerve; wanneer gij er behoefte aan had, als ge het wenste.

Bedde; zelfstnw.: rustbank, verl. t.v. bedden = naar een slaapplaats brengen. Bedden: te bed leggen.

Bede; beden, telw.: beide, 3323; zelfst. nw.: verzoek, doen ene bede = een verzoek vervullen,; sonder beden; ongevraagd,.

Bederven; ten onder gaan, sterven.

Bedi; bijwoord: daarom. voegw.: want, omdat,

Bedichte; onophoudelijk, telkens weer, hevig.

Bedieden; duidelijk maken, nader beschrijven, meedelen, vertellen, betekenen, bediedet; betekent, bedijt; verklaring, toelichting, nl.: de samenhang van gebeurtenissen, nodig om het vervolg te begrijpen.

Bedigora, bedugar, (aqua -): water bereid uit eglentier, honderoos (Rosa canina). meel rosaris; (Latijn mel) honing met rozensap). oleum rosarum: nog niet ontloken rozeknoppen worden in olie gemacereerd. Oly rosaet, olien van rosen of van violetten: olie waarin respectievelijk rozeblaadjes of blaadjes van viooltjes worden gekookt, waarna het aftreksel gefilterd werd en gedistilleerd.

Bedinken; hem bedinken = bij zich zelf overleggen, en daardoor tot een besluit komen.

Bedocht, bedocht sijn = in een of andere gemoedsstemming zijn, wel bedocht sijn van menigherande saken; verstandige gedachten hebben omtrent allerlei dingen, kennis van zaken hebben, wel bedocht; verstandig, van goed verstand.

Bedroopt; bespikkeld; al bedroopt = geheel en al bespikkeld.

Bedt, zie bet: beter; bedt naer: dichter bij.

Bedurste; behoefte.

Bedwanc; macht; in mijn bedwanc hebben; er heerschappij, macht over hebben, zeggingschap, ouderlijke macht, hi sal hebben swaer bedwanc = hij zal het zwaar te verduren krijgen. Bedwanghe; verbogen vorm van bedwanc; uten bedwanghe = uit de macht, druk, in swaren bedwanghe; onder de macht v.e. sterke bedwelming.

Bedwellen; misleiden, doen dwalen.

Beet; gebiedende wijs v. beten: stijg af. Beete, beette, beetten, verled. tijd v. beten: steeg af, beetti, beette hi: steeg hij af.

Begaert; begeert,.

Begaf, verled. tijd v. begeven: ophield met.

Began; verled, tijd v. beginnen: begon.

Begeren; sijns begeren = het op hem gemunt hebben, op hem aanvallen.

Begeven; opgeven, in de steek laten, begheven; opgeven, afzien van.

Begevet; teg. tijd v. begeven: ophoudt met.

Beghene; te zamen,

Begon; zelfstnw.: begin, begonste, verled, tijd v. beginnen: begon.

Begreep; verled. tijd v. begripen: greep vast.

Behaghel; schoon, Vgl. baghel.

Beheet; belofte, behiet, verled. tijd v. beheten, oplegde door haar bezwering

Behendelike; kunstig, met list en overleg.

Behilt; verled, tijd v. behouden: behield.

Behoeft, alst behoeft; zoals het nodig is.

Behouden, tvelt behouden; standhouden in het veld, in het strijdperk.

Behout; macht, hoede, bewaking.

Behuwedic; verwierf ik door mijn huwelijk.

Beide, verled. tijd v. Beiden; wachten.

Beide; zelfst. nw.: uitstel, oponthoud, sonder beide; onverwijld.

Beiden, beidden; talmen, wachten, sonder beiden; zonder talmen, onverwijld.

Beit, gebied, wijs v. beiden: wacht.

Bekebenghe: beekbenghe, bonghe, bongi, beekbonghe, Veronica beccabunga.

Bekennen; herkennen.

Bekinden; verled. tijd v. Bekennen; herkennen, kennen, bekinnen, te kennen geven.

Beleit; belegerd.

Belenden; (wederk.) zich ergens heen begeven.

Belget; gebied, wijs v. Belgen; boos zijn, worden.

Belijen, mochtic belijen mine sonden; had ik nog gelegenheid te biechten.

Belof, belofte; toezegging, gelofte.

Belove; 3e nv. van belof; te minen belove; naar de strijd die ik heb aangenomen, beloven, hem beloven, (wederk.); zich gelukkig prijzen, zich verheugen.

Benomen; verled, dw. v. Benemen; belet (nl. de doorgang), verijdeld (nl. mijn plan).

Bepeinsde, (wederk.) bepeinsde hem: overlegde bij zichzelf.

Bequam; verl. tijd v. becomen: kwam weer tot bewustzijn,  bequame; aangenaam; waert of sijt u bequame; als het u welgevallig mocht zijn.

Beraden; de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, zich beschermen, zich van iets vrij waren.

Beraden; volt. deelw. beraden sijn: ergens aan denken, wel beraden: verstandig.

berde, verled. tijd v. beren of baren: gedroeg zich, deed, 8624.

Berecht; volt. deelw. v. berechten: ingelicht (over deze zaak), gebiedende wijs v. berechten: geef me inlichtingen over, berechten, te recht helpen, ten dienste staan, mededelen, inlichten over, berechtene; berechtedene, verled. tijd + voornw. object: bediende hem.

Beriet; verled. tijd v. beraden; die mi dit vernoy beriet; die mij dit verdriet bezorgde, bewerkte.

Beriewen; verled. tijd v. Berouwen; berouwden.

Bernde; verled. tijd v. bernen: brandde.

Bernen, berrent; branden, verbranden, bernende; brandend, bernt, teg. tijd v. bernen: brandt, bernten, teg. tijd v. bernen + voornw. obj.: verbrandt hem.

Beroemelike; beroemelike tale; stoutmoedige, drieste woorden.

Beroepere; aanklager, uitdager.

Beromt; volt. deelw. v. Beromen; zich op iets beroemen.

Beronnen; volt. deelw. van berinnen: belopen, overstroomd.

Beroupen; volt. deelw.; enen camp jeghen hem beroupen; hem uitdagen tot een tweekamp.

Berouwen; (onpers, met 3e nv. v.d. persoon) berouw hebben over,  volt. deelw., hem es berouwen; hij heeft berouw gekregen.

Berste; gemis, gebrek.

Bescoudde; verled. tijd van bescouwen: beschouwde, inspecteerde, onderzocht nauwlettend.

Bescreden; volt. deelw. v. bescriden: bestegen, te paard gestegen, bescreet, bescret, verled. tijd v. bescriden; bescreet sijn ors = steeg te paard,.

Bescreven; verled. dw. v. bescriven: beschilderd, te boek gesteld.

Bescudden, bescuddene; beschermen, helpen.

Bescuddere; beschermer, aanvoerder.

Bescuds; 2e nv. van bescut = bescherming, hulp.

Besebucs; 2e nv. van besebuc = belzebub, de duivel.

Beseffen; voelen, ondervinden.

Beseten; volt. deelw. v. besitten: belegerd.

Besiden; afzonderlijk.

Besloten; volt. deelw. v. besluten: afgesloten.

Besluten; omsluiten, afsluiten, of verhinderen.

Besochte; verled. tijd v. besoeken: probeerde.

Besochten; zochten.

Besperst; bestrooid, besprenkeld.

Bespreken; overleggen, uitmaken.

Bestaen; durven, aannemen, ondernemen, bestondt, verled. tijd v. bestaen: durfde.

Bestaet; teg. tijd v. Bestaen; verwant zijn.

Bestede; teg. tijd v. Besteden; in de schede steken, bestedet; teg. tijd v. besteden: breng het op een verborgen plaats.

besteedde, verl. tijd v. besteden: borg weg, gaf een plaats.

Ten besten; op de beste wijze. heel prettig, zo aangenaam mogelijk.

Bestoet, bestoet hem niet te dele; kwam hun niet toe als rechtmatig deel,

Beswiken; in de steek laten, bezwijken.

Bet; comp. van goed: beter, meer, liever, dikwijls is bet verbonden met een bijv. nw. of bijw.

waarvan het dus de comp. omschrijft; bet an; dichter op hem toe, bet na: dichter bij, hare bet naer, si reden bet uut: reden verder naar buiten, bet vort; verder, een eindje verderop, bet vulcomen: volmaakter, voortreffelijker, te bet: des te beter, te gereder, hem waes te bet: het was tot hun voordeel, te bet hebben: voordeel van iets hebben, vele bet: veel meer, in lanc so bet: hoe langer hoe beter, in sterke mate, hevig.

betalen, (onoverg.) vergelden, doorgaan voor.

Berewoertelen, breklauw, Heracleum sphondylium .

Bescheydelic; in het bijzonder.

Beslaen; verwerken, beslagen, belegd, overdekt.

Besoden; gekookt, soden; koken

Besprenghen; besprenkelen.

Bestadet; bewaar het, bestede, bestedet besteden, bestedent, bestedet, bestaen, besteetse; bewaar het.

Bestempen; stelpen, bestempt; verstopt.

Besycken; bezigen.

Bete colen, bete, beete, beten; bieten, Beta officinalis.

Bete; verled. tijd v. Beten; afstijgen, beti; betede hi, verled. tijd v. beten: steeg hij af.

Beter; kostbaarder.

Betoghen; tonen, laten zien.

Betren, betren sinen rouwe; zijn droefheid wegnemen, goed maken.

Beumigheydt; (van de tanden) houterigheid.

Bevaen; volt. deelw.: bevangen, bevaen met (groten) rouwe; in hevige smart gedompeld, omvangen, (van takken); beetgegrepen, vasthoudend in hun handen, bevangen, besloten, gewikkeld in de strijd, hi beval die dode

dies si waren; hij liet de doden over aan hem aan wie ze toebehoorden (God), m.a.w.: hij liet ze daar liggen, bevalse: droeg haar op aan.

Bevaren; inhalen, aantreffen.

Beveden; verled. tijd v. beven: beefden.

Bevinc; verled. tijd v. omvaen: sloot haar in zijn armen.

Bevrede; conjunct, v. bevreden: beschermen.

Bevreden; bevrijden, verlossen, beschermen, beveiligen, verlossen uit gevaar, vrijwaren van, bevredene, verbogen vorm v.d. onbep. wijs: bevrijden.

Bevroeden; meedelen, iem. inlichten.

Bewinden; (wederk.) zich wenden, richten, begeven naar.

Bewonden; volt. deelw. v. bewinden: omwonden, bedekt.

Bezochte; verled. tijd v. bezoeken: onderzocht (nl. om een geschikte plaats te vinden).

Bi;, bijw.: dichtbij, hi es om bi; dicht bij ons, voorz.: door middel van; door (een persoon), ten gevolge van, bij, bi al dien dat noit wart gheboren; bij allen die ooit geboren werden, bij alle mensen.

Bidi; daardoor, daarom; vgl. bedi.

Biechtene; verl. tijd v. biechten + voornw. obj.: nam hem de biecht af.

Bielsaet, bille, billen cruyt, bilsaet, bilsenzaet, beelden, belric, bellencruyt, belryke: bilzekruid, slaapkruid (Hyoscyamus niger)

Biket; jeukt, steekt.

Bin; voorz.: binnen, bin desen: intussen.

Binden; voorz.: binnen + lidw. (3e nv.): binden woude: in het woud, binden hove, binden tanden; binnensmonds.

Binder; voorz.: binnen + lidw. (3e nv.): in de (zaal).

Binnen, verzwarend bijw. achter de voorzetselverb.: in de warelt binnen; in de wereld, voorz.: in; binnen desen: intussen; binnen dien.

Bisante; byzantijnse munten.

Blaexeme; vuurstraal, vlam. Vgl. blexeme.

Blaken; (onoverg.) gloeiend worden, branden, (overg.) verzengen, blakenden, verbogen vorm v. teg. deelw.: blinkend.

Blame, sonder blame; eig. zonder schande; volkomen terecht.

Blecken; schitteren.

Bleecksucht; geelziekte.

Bleckende; teg. deelw. v. blecken: glanzend, schitterend, blecte, verled. tijd v. blecken: schitterde.

Bleven; volt. deelw. van bliven: overgeleverd.

Blexeme; bliksem.

Bliden, waren met den bliden; waren in een genoeglijke stemming.

Blijf, al sonder blijf;onverwijld,.

Bliven; achterwege blijven, niet gebeuren, met een 3e nv. v.d. persoon: of ‘t hem mochte bliven; of hij het in het leven kon behouden, hadt den gonen moeten bliven; als het in het bezit van diegene had mogen blijven.

Bloeme; de beste.

Bloenden; blond.

Bochs; bos; woud.

Boelkens; bolletjs, balletjes.

Bloet, bloeten; bijw.: openlijk, verbog. vorm v. bijvnw.: met enen bloeten swerde; met een getrokken zwaard.

Blom, blommen, blommen; maandstonden.

Bloot; (v.e. zwaard) ontbloot, getrokken, ongewapend.

Blootheit; bangheid, vrees.

Blouwen, blouwene; slaan.

Blozen; bloeien (v. bomen).

Boeten, in boeten staen; er voor boeten.

Bolghen; verled. tijd v. Belgen; woedend worden.

Boomgaert; tuin met boompartijen, lusthof.

Boem oly, olys, olij; olijfolie, Olea sativa.

Boem wolle; boomwol, Gossypium herbaceum.

Boort; oever.

Borch; burcht.

Bore; bijw. v. graad; bore wat: een klein beetje, overigens met ontkenning; als ironische omschrijving van het tegendeel; ne bore wel: niet erg goed,; -bore blide, niet erg blij; zeer vertoornd, bore verre; dichtbij.

Borghen; beschermen, redden, op crediet geven.

Borne; verbogen vorm van born; bron, bronwater.

Borsene; herderstasje, Capsella bursa-pastoris.

Bottelgier; opperschenker.

Boude; stoutmoedige; alse die boude; op stoutmoedige wijze, bout; dapper, koen.

Boutet; kneed het, bouuent; kneden het.

Boven; voorz.: over; boven die borne; over die bron, bijw. boven ende onder;overal, ter versterking van ‘van allen sinne’.

Boyen; boeien.

Branca ursina, vrsina; berenklauw, Heracleum sphondylium.

Brant; zwaard.

Brasset; meng.

Bredewegen, plantaginis, plantagis, plantaginem, weghebreden, wegebladen, weghebraden, weghebreede; grote weegbree, Plantago major.

Brect; ontbreekt.

Breedde; verled. tijd v. breden (wederk.);zich uitstrekken, neervlijen.

Breidel; teugel, breidele; teugels, breidelde, verl. tijd v. Breidelen; de teugel aanleggen.

Breken; afnemen in krachten.

Bresilien: bresiliehout, Caesalpinia sappan.

Britsieren; meerv. v. Britsiere; vest, kledingstuk onder de wapenrok.

Brocht; volt. dw. van brengen, als hijt ten vollen slaghe brochte; als hij goed raak sloeg, brochtse: brachten ze.

Broken; volt. deelw. v. breken; gebroken.

Brunelle, brunellen, prunelle, Prunella vulgaris.

Brunerent; polijsten het, brunyrt; gepolijst, brunyrtet; doe het glanzen.

Brusemen; tot kruimels maken.

Buccis ditanis; diptam, diptannum, diptannus, dyptannus, dyptam(n)us: dyptamni;, Dictamnus albus, soms en dan vaak zonder wit, Origanum dictamnus.

Brionie, bryonie, bryonie, brionien; heggerank, Bryonia dioica.

Broemsaet; zaad van brem, Cytisus scoparius.

Broeden: broeyen.

Budelt; pers het, buidel het. Bultet; buidel het. Bultgen; buideltje.

Buggel, bugghem, bughel, bughen, buguum, bugie, bugla, bugle, zenegroen, Ajuga reptans.

Buke; verbogen vorm v. Buuc; romp.

Busch; bos.

Buten, buten love gheworpen worden; alle eer of roem verspelen.

 

C.

Calandre; leeuwerik.

Caelment, calament, calamenti, calamentum, calamyn; rondbladige munt, Mentha rotundifolia. Ment, mente, meent; munt.

Caelmine, calemie, calemyn, calemine, calmine, calmyn, calmy, kaelmie; kalaminsteen, galmei, zinkspaat of zinkcarbonaat.

Caempsaet, caenpin, caenppe, caemp, canepe, canepin, caneppe, kaneppe; hennep, Cannabis sativa. Campens wercs; pluksel van hennep.

Calamis; kalmoes, Acorus calamus.

Cald, calt; koud, calden.

Calmita; mogelijk Liquidambar orientalis.

Camederos; Teucrium chamaedrys. Camopiteos; Ajuga chamaepitys.

Carmerloghe; pis.

Camfer, canfer, canpher, camphore; kamfer, Dryobalanops aromatica.

Camille, camomille, madere, materne, maters; kamille, Matricaria chamomilla.

Candida; alchemistenolie gemaakt uit kwikzilver en suiker.

Candijs; kandij.

Caniel, knel, cannel; kaneel. Cinnamomum verum.

Capillis veneris; venushaar, Adiantum capillus-veneris.

Capitellum, capitell; loog gemaakt uit ongebluste kalk en weedasche; as van wijngaardranken, gebruikt bij zeepbereiding.

Capparis; kappertje, Capparis spinosa.

Capoen, cappoen; kapoen, gesneden haan.

Caprifolium, matrisilua, mater silva; kamperfoelie, Lonicera periclymenum.

Carbunculus; gezwel, een karbonkel, kleine donkere blaar die soms met geel, rood of groenheid gemengd is als het heilig vuur: karbunkel.

Cameriere; kamenier, hofdame, camerieren, meerv. v. Cameriere.

Camp, den camp nemen; de strijd aannemen, camp hadde ghenomen; een tweegevecht had aanvaard.

Campioene; de kampvechters.

Canselierden; wankelden.

Cardamomum, cardimonie. De grote, paradijskoren, Aframomum melegueta, de echte Elettaria cardamomum.

Carde, karden; kaardendistel, Dipsacus fullonum.

Carotel, corotelen, corotuli: caroot, Daucus carota.

Carui; karwij, Carum carvi.

Caputpurgium, dat is een niespoeder om het hoofd te legen.

Castonie, castaengiere; kastanje, Castanea sativa.

Cassia fistula, trommelstokken.

Carine; smart, pijn.

Caritate, bi caritaten; bij Gods liefde, bij Gods barmhartigheid, bi rechter caritate; zoals de ware christelijke liefde betaamt.

Carmen; kermen.

Casteel; kasteel, castelein; kasteelheer, slotvoogd.

Catarre; licht slijmvormende slijmvliesontsteking.

Castreren: lubben. Gecastreerd lam heet hueken of hamel. Hedus: jong schaap. Hamelin roet; vet van hamel.

Causam; een hete koorts rond het hart.

Cautery; is met een gloeiend ijzer, brandende heelmiddelen.

Celidonia, celidonie, celidonien, celidoniam, sceelwoertel scelwortel; Chelidonium majus, of kleine speenkruid, Ranunculus ficaria, spenen cruyt. Of de naam van twee stenen, rood en wit, die in de maag van de zwaluw gevonden worden.

Cenende; bloedstelpende plant, mogelijk van centinodia; Polygonum aviculare, of herderstasje Capsella bursa-pastoris.

Cenitte; mogelijk cenicle, sencle, sanikel, Sanicula europaea.

Centaurea, centorie, centori, centauree, centauriam, centaurum; Centaurium erythraea, duizendguldenkruid: santorie, eertgalle, en de grote  Rhaponticum carthamoides.

Cera, latijn voor was. Ceranum; waspleister. cyrone: waspleister.

Cerapinum, serapinum, Sagapenum; Ferula persica.

Cerotum, ceroet of pleister gemaakt van rabarber en olie en was, cirone; waspleister.

Ceter, cetter, ceteren; serpigo; huidziekte.

Cerusa, ceruse; loodwit, loodglans, loodcarbonaat.

Chathimia, chathimia: goudschuim.  lithargyrium auri, litargirum, loodglit dat door verontreiniging met koper geler van kleur is dan het lithargyrium argenteum.

Chiromantie; eigenschap van de mensen door tekens in de hand te leren.

Cesseren; ophouden.

Chierheit; kostbare sieraden.

Cicute; gevlekte scheerling Conium maculatum.

Cinopre, cynopre, verb. vorm v. cinoper, rode kleurstof.

Claechde; betreurde.

Claer; helder, helderschijnend, helder blinkend, schitterend, glanzend.

Claerheden; licht glanzend.

Claerheit, clarheit, clareit, clareide; kruidenwijn.

Clagedi; betreurde hij.

Claghe, hi souds hebben clene claghe; hij zou weinig reden hebben om er over te klagen, volghen mire claghe; handelen ingevolge mijn aanklacht, de verplichting ten gevolge van mijn gerechtelijke aanklacht nakomen.

Clare, claren; helder, helder licht, lichtgevend, schitterend, glanzend, zuiver, blank, schoongepoetst, helder van toon, tclare vier;  het helder lichtende vuur. Zie ook claer.

Clene ende groot; geheel en al.

Clerc; geletterd man, iem. die kan lezen en schrijven en zich met studie heeft beziggehouden.

Clopter;... ene belle; luidde een bel.

Cholericus; overvloed van vochtvermenging.

Claerheit, claereit; gesuikerde aromatisch kruidenwijn.

Clarificirt; geklaard; gezuiverd.

Claporen; kwaadaardig gezwel (bubo) in de lieslieren of klieren onder de oksels.

Clasen; kleefkruid, Galium aparine.

Clawen; jeuk, het krauwen.

Cleinsen, clensen; wringen, cleyns, cleynse, cleinset; wring het.

Clistier; klisteerspuit.

Clocke, clocken, cloeck; glazen distilleerkolf. Eerde clocke; aarden kruik. Coderolf; distilleerkolf.

Cloten; ballen.

Cloue, clove; kloven.

Cleun; zemelen.

Cluutkens; kluitjes, klonters.

Coaguliren; stollenCnape, cnapen; bediende.

Cnielinghen; kniestukken, - bedekkingen.

Cniven; dolken, messen.

Cnoesele; 3e nv. enkv. v. Cnoesel; enkel.

Coene, die coene; de dappere.

Coenroet; troep, legermacht. Zie ook: conroet.

Coep, den coep hebben, ontfangen; de koopprijs ontvangen, betaald worden,

Cocoexloec, coccuuxloec, coccoclooces; klaverzurig, Oxalis acetosella.

Coelblat, cole, colen, coel, coele, coelen, koels; kool, Beta vulgaris, rode; subsp. capitata var. rubra. Coeltstoeck; stengels.

Coconidium, drankerszaad, van Daphne.

Coerlen; korrels.

Colde, colder, coolde, coldt; koud, colt; verkoelt.

Coleert, coliren, coleret; zuiver het. Colirt, gecoleerd; gezuiverd.

Colchicum autumnale; hermodactyli hermodactili , hermadattulen.

Coliander, coriander; koriander, Coriandrum sativum.

Colirie, collirien, collirium; oogwater.

Collen bloemen, kollebloem, Papaver rhoeas.

Collofonie, collofonien na distillatie van ruwe terpentijn, spiegelhars, colofonium, colofonie genoemd, omdat men eertijds deze harssoort bereidde te Colophon, een stad in Ionië. Wordt ook wel Grieks pek, pik, genoemd, haerpoys, harpuis en erpuis. Warpond, waerpend, waerel pend, waerpond; vooraf gekookte colofonium, dus colofonium van de beste handelskwaliteit.

Colummen; zuilen.

Comen, volt. deelw.: uut of ute comen - eig. naar buitengekomen, comen up; afkomen op, aanvallen op, op hem comen; hem ontmoeten, ook vijandelijk, in gevecht, ic wils an u zelven comen; ik wil mij aan u onderwerpen, uw voorwaarde aannemen.

Comets of; houd er mee op.

Comijn, commijn, comyn, commyn, commine, comine, comiin, hoef commyn; Cuminum cyminum.

Commixturen; mengsels.

Compost; confituurtaart.

Confeli, confiere wortelen, confilie, confolie, consoude, cossouden, consolida, consolidatiuum. Men onderscheidde drie soorten: ‘grote ende middele ende cleine confilie’: respectievelijk smeerwortel, Consolida major of Symphytum officinale, zenegroen, Ajuga reptans, en brunel Prunella vulgaris.

Confoertirt, confortirt; versterkt, confoertyf; versterkend.

Conglutiniren: stollen.

Conservativum, conseruatiuum: Latijnse alchemistenterm voor water gedistilleerd uit peterselie, conserveren.

Coperrroeck, coperroet; koperrood, vitriool, rood ijzeroxide.

Compagnie; gezelschap,.

Condre; beter op de hoogte, ingelicht, condre werden; meer bekend worden.

Condute; 3e nv. v. Conduut; onder iets doorlopende buis, pijp, of gang.

Confuus; in verlegenheid, verwarring.

Conroet; gewapende troep, schare. Zie ook: coenroet.

Conste, verl. tijd v. Connen; kunnen, al den liste die hi conste; al de kennis of schranderheid die hij wist aan te wenden.

Consticse; kon ik het.

Cont; bekend; cont doen; meedelen, zeggen, ook cont maken, maect mi cont; vertel het mij, deel het me mee.

Contrarie; tegen.

Contreie; streek,.

Coop, den quaetsten coop hebben; er het slechtst aan toe zijn, het slechtst af zijn.

Corbitaem, corbitatam: hetzelfde als cucurbita, pompoen, Cucurbita pepo.

Cordewaen: Cordovaans leder, geitenleder.

Cornel euven of euel (sancte -), cornelis ongemack gewoonlijk wordt hiermee de vallende ziekte of de stuipen bedoeld.

Corrodert, corrodirt, corrodiert: bijt, vreet in. Corrosijf: bijtend, invretend. Corrosiva, corosiue: geneesmiddelen die invreten en overtollig vlees verteren.

Corrumpiret: bederft het.

Corse: bast.

Cost: korst.

Cotidiane: dagelijkse koorts.

Couke, cuke: verharding binnen in het lichaam, vooral van de lever.

Corden, meerv. v. Corde; koord, touw.

Core, wel ter core; op voortreffelijke wijze, zoals het hoort en gewenst is.

Coren; kozen.

Coret, 2e p. meerv. verl. tijd v. kiezen.

Cornuut; sukkel, kinkel.

Corsier; harddraver.

Cort; binnenkort, na korte tijd.

Corteleke; spoedig daarop, cortelike; binnenkort.

Corts; koorts, Vgl. ridene.

Costen, dat hijt hem liete costen een let; dat het hem een lichaamsdeel waard was.

Couverturen, coverture, coverturen; (zijden) dekens, bedekking.

Cousen; kousen.

Covent; afspraak, voorwaarde.

Cracht; geweld, krijgsmacht.

Cranc; zwak, cranken ware nemen tot iets; slecht voor iets zorgen, weinig op iets letten.

cranken, verbogen vorm v. cranc, zie ald.

Crap, mede, meede: meekrap, Rubia tinctorum.

Crassula:  maior et minor. Men onderscheidde twee soorten de grote crassula is groot vetgroen, hemelsleutel , smer wort, groot vetgroen, orpijn, roecelle, Hylotelephium telephium en de kleine is schotskruid, wit vetkruid, muurpeper, Sedum album.

Creuse: kroes.

Crauwelen; drietanden met omgebogen tanden, vleeshaken.

Crayeren; schreeuwen, roepen.

Creature; schepsel, levend wezen,

Crebbe; krib, voederbak.

Crede; geloofsbelijdenis.

Creesc; verl. tijd v. Crischen; krijsen, creischen, crescen; schreeuwden.

Cruce wiet: kruiskruid, Senecio vulgaris. Wiet betekent kruid.

Crues botter: de eerste grasboter, bereid gedurende de kruisdagen de drie dagen voor O. L. H. Hemelvaart.

Crumen: kruimels.

Cruseken: kroesje.

Cruyswortel, yringi: Eryngium campestre.

Cryet: krijt. Crijt, crite; strijdperk, te(n) crite; in het krijt, strijdperk.

Cufie; ijzeren kapje, ter bescherming v.d. hersenen, onder de helm.

Cubeben: vrucht van de staartpeper, Piper cubeba.

Cukene: kuikens.

Cunele: Saturea hortensis.

Cume; nauwelijks.

Cupe; kuip, teil.

Cure, ter cure; op de juiste, gewenste wijze, juist als het wezen moet, goet ter cure; bijzonder goed, voortreffelijk, wel ter cure; op de juiste plaats of wijze, raak.

Curie; lederen of metalen kolder, maliënkolder.

Curliaen; kan bijv. nw. achter dorper zijn; lomp, of zelfst. nw.; lomperd,

Cussijn; kussen, vgl. orcussijn.

Cyprus: galigaen, galigaan, Cyperus longus.

Cyroen: zalf gemaakt uit olie en was met eventueel andere ingrediënten en die harder is dan unguentum doch weker dan een pleister.

Cuscuta campestris; side op t vlas of wranghe.

D.

Dachvaerde; afstand per dag afgelegd, dachvart riden; route van een dag afleggen.

Dade; verl. tijd van doen; ridder doen; tot ridder slaan.

Daden; krijgsverrichtingen.

Daden up; deden open.

Daer; plaatsaanduidend - tijdaanduidend - toen, op de plaats dat; toen.

Daert, deert; kwelt, in can gheweten wat hare daert; ik zou niet weten wat haar ontbreekt, wat haar verdriet zou doen.

Daer voren setten; inzetten voor.

Dagen; toeven, talmen, zich ophouden, sonder dagen; zonder talmen.

Daghe, bi den goeden daghe: een stereotiepe uitdr. als bezwerende formule of krachtterm: bij God en de gelukkige dag die Hij ons moge geven (of het geluk). Misschien is met ‘de goede dag’ speciaal bedoeld ‘de laatste dag’ d.i. het begin

van Gods rijk, te minen daghe; op de aangenomen dag.

Dakerende; tegenw. deelw. v. Dakeren; opdoemen.

Dal; kuiltje, in den dale; terneer; int dal; op de grond, in dat dal; daar op de grond.

Dalf; verl. tijd v. delven: begroef.

Damosele; jonkvrouw.

Dan; kuil, gebruikt als hol, leger, bebost dal, stille, hooggelegen plek in het woud.

Danc; wil, zin; an .sinen danc = tegen zijn zin, wil.

Dane; (daar) vandaan, waar vandaan, van dane;  daar vandaan.

Dangier, dangiere; geweld, macht, drukte, aanmatiging, geweld; sonder dangier; zonder geweld te gebruiken, op vreedzame wijze, dangierde, verl. tijd v. dangieren, (hem) dangieren; zich verwaardigen.

Danne; dat ne = dat + ontkenning.

Dapper; snel, flink, fors (v.e. paard), dapperlike; snel, ijlings, passim; met snelle, krachtige bewegingen, vlug, met spoed en kracht.

Dar; durft, durfde, in dars; ik durf u er niet over spreken.

Darde; de aarde.

Dare; letsel, pijn (= dere).

Dare waert; daarheen.

Dat;  omdat, opdat.

Dauci, Daucus, Daucus creticus, Kandische belwortel, Athamanta cretensis, ook Daucus carota of sylvestris; wilde peen.

Dealbans (aqua – dentes) water om de tanden wit te maken.

Dealbatica, dealbatium (aqua -): water bereid uit de as van een mol.

Decken: verbergen.

Deduut; genoegen, plezier, genot.

Deelkijn;; een beetje.

Deghen; held, deghenleke, deghenlike;, dapper, heldhaftig.

Dele, tharen dele hebben; bezitten, si zullens te haren dele ghenouch hebben; zij zullen nog wel een portie krijgen.

Deleghe: lees d’heleghe, heleghe, heleghe, helssche fuer: het heilig vuur, synoniem van erisipula, belroos, roos, St.-Antoniusvuur.

Delen; toebedelen, arrangeren van een kampstrijd, ic sal delen ende ghi kiesen, etc., spreekw. vorm: ik stel u voor de keus, gij moogt beslissen, ik zal ‘t nemen zoals gij verkiest.

Der; durft, vgl. dar.

Dere; leed, verdriet, lichamelijke pijn.

Derven; verliezen, missen, ontberen lijfs (2e nv.) derven; (ons) leven missen, verliezen, d.w.z. sterven, ook zo; uwes lives derven, slives derven.

Des en ware niet; zo was hiervan niets gebeurd.

Deysen; achteruitwijken.

Diadrigium; klaar gemaakte scammonia: dyagridii, diadigrii.

Diafragma of middennerf: onderscot, dyafragma.

Diamoron; sap van moerbeien, Morus nigra, morbeyen, moerbeziën.

Dicke, dicken; dikwijls, herhaaldelijk. Dic, dick, dicke, dicken, dickent; vaak.

Die; dijbeen,dij, poot.

Diede; 3e nv. v. Diet; volk.

Diets, Duits: Dyetsche, Duytsche.

Dietsche, in dietsche; in Nederlandse volkstaal.

Die gone; degene.

Dienstwijf; dienstmaagd.

Diere; kostbaar, prachtig, kostelijk, duur, niet te krijgen.

Diere; die er.

Dinc; zaak, onderneming, avontuur.

Dinghen, dingen; pleiten (in rechtsgeding), woorden verspillen.

Dinne; dun, nauw,.

Doblitse; een kaars met twee pitten.

Doch; toch, inderdaad.

Dochte; verl. tijd v. Dogen; deugen, dochte hem, omschr. ww., eig.: hij meende te zien komen, het scheen hem toe dat.

Docken; krulzurig of ridderzuring Rumex crispus of Rumex obtusifolium.

Doe; bijw., toen, en doe; als niet doet; zonder.

Doen, doene, te doene hebben (ev. + 3e nv. obj.);nodig hebben, behoefte hebben

aan,hi hads te doene; hij had er alle reden voor (?) of: hij had het nodig, van groten doene; aanzienlijk, staerc van

sinen doene; krachtig in zijn optreden, dapper.

Doet, doet et; doe het.

Doghedi, doghede hi, verl. tijd v. Doghen; lijden, doorstaan, ondergaan, te doghene; te lijden, te doorstaan.

Dogeden, doghet; alle goede eigenschappen van een ridder, riddereer, dor uwe doghet; als bewijs van uw goedheid.

Dole; an dole sijn + 2e nv. obj.; over iets in onzekerheid verkeren, of: mis tasten, mis zijn, in dole; in onzekerheid, twijfel.

Domesdach; oordeelsdag, laatste dag, einde v.d. wereld, daer an leecht zijn domesdach; dat kost hem de dood.

Dompheit; domheid.

Doorperheit; onbeschaafdheid, onridderlijkheid, onbetamelijkheid.

Doorslegen viande; doodsvijanden.

Dore dringhen; doorboren.

Doren; deuren.

Dor houwen; hevig gewond, zwaar toegetakeld, (duer sleghen: idem).

Dorpect; volt. deelw. v. Dorpecken; dore pikken; stuk bijten, speciaal van vogels (de specht), doorwond.

Dorper; als bijv. naamw.: onbeschaafd, lomp.

Dorperhede, dorperheit; grofheid, gemeenheid, onbeleefde daad, laagheid, sonder dorpeheit; op betamelijke wijze.

Dorperlijc, dorperliken, dorperliker; schandelijk, laag, dorpeliker daden; onbeschaafde, ruwe behandelingen.

Dorste; behoefde, mocht.

Dorstict; durfde ik het.

Dort; durft. Zie ook dar.

Dorter; behoeft er.

Douevende, dovende hont, door rabies aangetaste hond.

Douuen kerwel, duivenkervel, fumi terre; fumus terre: duivenkervel, griseconten, grissecom, aardrook, Fumaria officinalis.

Douuet: duw het, dowet: druk, duw het.

Dracht; aandrang, geweld.

Draghen; helpen draghen; bijstaan in de strijd, ondersteunen.

Dragunsel: wellicht is bedoeld dragontea, dragunteam: ook wel hertstonghe genoemd, adderwortel, Polygonum

bistorta.

Dranc; drank, sat dranc; zich verzadigde.

Drasen, dreesene, drensen, edere, hondsdraf, gundraven, gundrauen; aardveil, Glechoma hederacea.

Draunkelhede: wel drawonkelhede: gezwel, ettering van een wonde.

Dreghen, dreecht; dreigen.

Dreven, dreven spel; maakten plezier.

Driuen: bewerken.

Drierande; drieërlei soort.

Driewerf; driemaal.

Droegen overeen; waren het met elkaar eens.

Dromen; dringen.

Drouchene; droeg hem; ten zadel uut dragen; uit het zadel lichten.

Drou; het rauwe.

Drouven; treuren, droef zijn; droefheid.

Drussate, drossaard; hofmaarschalk.

Druust; kracht, geweld.

Ducht; vrees, duchte; vreesde.

Duer; door en door (bij bijv. nw. en bijw.); duer fel; door en door wreed, onmeedogend, onstuimig, duer scone; door en door helder, licht, buitengewoon helder, zie dor.

Duere leden; gingen (de zaal) door.

Duer houwen; volt. deelw., gebeeldhouwd.

Duer sleghen; door geslagen.

Duer sneden; volt. deelw. v. duer sniden: uitgesneden, naast duerhouwen: gebeeldhouwd.

Dukende; bukkende, duikende.

Dul; dwaas, zot, dulheide, dulheit; dwaasheid, domheid, dullede; dwaasheid.

Dumme: duim.

Dunst: bezinksel op de bodem.

Durdi; durft ge.

Dure, aldure; er dwarsdoor heen, 621,

Durste; durfde, durster; durfde er, dursti, durste hi  durfde hij.

Durt; durft.

Dus; zo,

Dusghedanen; in zulke toestand verkerende, dusdanig.

Duulde; huilde.

Duuenbeen: zachte ooievaarsbek, Geranium rotundifolium.

Duuen quaet: uitwerpselen van duiven.

Duwarie; onderaardse gang, duwiere;, hol, schuilplaats, spelonk.

Dwaen, dweet,  dwoeghen, dwouch, dwoughen; (de handen) wassen. Duane, duuaen, dwaan; wassen, dwaet men; wast men, dwaetse; wast ze, dwaet, was het, dwater, was het, dwoech, zou wassen, dwoghe.

Dwale; handdoek, servet, laken, tafelkleed.

Dwanct, dwanct an hem;drukte het tegen zich aan.

Dwe; gedwee, soepel.

Dwelmen; bedwelming, flauwte.

Dwers; dwars er over, al over dwers; dwars door.

Dwelt; 3e p. enkv. tegenw. tijd v. Dwellen; doen dwalen.

Dwinghes; 2e p. enk. tegenw. tijd, aant. of aanv. wijs, v. Dwinghen; beknellen, in het nauw brengen. Dwyngen; samenknijpen.

Dystorie; de geschiedenis, het geschiedverhaal.

E.

Echt; wederom, opnieuw of: vervolgens, naderhand, later. Echte: rechte: oprechte.

Eder netelen, heide netel; brandnetel, Urtica.

Een ende een, één voor één.

Eenparlike; zonder onderbreking, gelijkelijk door.

Eer; voorz., eer avont; voor het avond is/was, vóór de avond, eer hiet lanc; spoedig daarop, eer yet lanc; al gauw, binnen korte tijd, bijw.: tevoren, als voegw.: voordat; voor.

Eerdbeesen cruyt, aardbei kruid, Fragaria vesca.

Eerlijc, eerlike; op eervolle wijze.

Eerst, so hi eerst mach/mochte: zie mach en mochte; zo gauw het kan.

Egghe; scherpe kant, snede.

Egglentiere; wilde roos.

Eghin, eghijn; eigen, eigendom.

Eist; is het (dat).

El; anders, el ne ghene(n); anders niemand, niemen el’; niemand anders.

Elc ander, elc andren bi; bij elkaar (eig. ieder de andere nabij).

Elfs ghedrochte; door elfen voorgetoverde verschijning.

Elkerlijc; ieder, elkerlijc andren; elkander.

Ellinde; verdriet, smart.

Elleborum album. Witte nieswortel, scamenien, scamponie, Veratrum album, de zwarte, niger, is Helleborus niger.

Elne; anders niet, anders geen, elne gheen; noch iemand anders, om elne ghene sake; nergens anders om, elne gheine; niemand anders.

Enyoen; uien, Allium cepa.

Elps bene; ivoor, vorm v. Elpsbeen; elpenbeen, ten elpsbene; aan elpenbenen tafels.

Elre; elders.

Els; anders, els en gene dinc; anders niets.

Emmer; beslist, in ieder geval, althans, steeds, al maar door, altijd, emmerme; voor langere duur, emmermere; voor altoos,

emmer toe; al maar door.

En; ontkennend partikel; niet, passim; en ghene; geen.

Ende; en.

Ende, ten ende; aan het eind, tenslotte.

Engiene; 3e nv. v. Engien; list, bedrog, meerv.: vernuftigheden, knepen; ook concreet: vernuftig aangebrachte werktuigen.

En si; zij het niet, tenzij.

Ens niemen; er is niemand.

Entie, entien; ende die, enties; ende dies; en hiervan.

Entrouwen; waarlijk.

Erch; letsel, schade,.

Ere, enen die ere doen; iem. met een daad tot eer strekken, eer aandoen,

Ermenien; verbogen vorm van ermenie = hermelijnbont.

Erre; toornig, verontwaardigd, spijtig, boos, wanhopig, verdrietig, 5062; erre sijn; het betreuren,; erre werden + 2e

  1. obj.; er spijt van krijgen.

Erssine; hersens.

Etelic; van elk.

Etmael; periode van 24 uur.

Evel; kwaad, slecht, ghi hebt een evel spel beroert; ge zijt een gevaarlijk spelletje begonnen, boos, lelijk.

Euvel moet, evel moet; boosheid, toorn; sinen evel moet vergheven; lett. iem. zijn toorn (over gepleegd onrecht) vergeven, d.w.z. hem niet meer straffen, zijn schuld vergeven, evel moet up mi draghen groot; zeer boos op mij zijn.

Exemple; leerzame aanwijzing, bewijs, voorbeeld.

F.

Faelge, gespeelt ter faelge; verloren, faelgen; ontbreken, bezwijken, het begeven, sonder faelgen; zonder

te missen, zonder twijfel,; ter faelgen spelen; voor de grap vechten,

faelgierden; verl. tijd v. Faelgieren; bezwijken, breken.

Fazeelhouts, fatseelhout: fustethout (Frans fustet)Cotinus coggygria.

Faute, bi der jaute; door het ontbreken van.

Fayt; een bedreven daad, feit; daad.

Feeste driven; plezier maken.

Fel, felre; woest, onmeedogend, hard, verschrikkelijk, gevaarlijk,

Fenecoel: fenecols,  feniculi, veenckelen, veenckle, veencoel, vencoel, vennecoel, venkol, venkel, Foeniculum vulgare.

fenugrecum: fenegriek, funagreye, fenigriec, fenegriek, venigriec, Grieks hooi: fenu graecum,  Trigonella foenum-graecum.

Fermilioen, formilioen; vermillioen, scharlakenrood, hoogrood.

Felre stede; uiterst gevaarlijke plaats.

Felloen; booswicht.

Festeren; feestelijk ontvangen, fêteren, fisteerdene; fêteerde hem

Fijn; schoon.

Fioel, fiole: distilleerkolf.

Fiole, fioletten, viooltje, Viola odorata.

Flau; laf.

Floers: wilt soffraen diemen hiet, Carthamus tinctorius of saffloer.

Floreye: blauw schuim, afgeschept van de kuip waarin linnen blauw geverfd wordt.

Flos eris: groenspaan, aerugo, verdegris, een verbinding van azijnzuur met koperoxide.

Fluctes: snel.

Foelge, folium, folien: foelie, het vlies rond de muskaatnoot, Myristica fragrans.

Foert: verder.

Fonteine; fonteyne, fontein, bron.

Foreest; woud.

Formicen: beten van giftige mieren: dats een cleyn puyste met ioecksel en grooter pijnen.

Freut: poeder gebruikt in spijzen.

Frisken steen: Friese steen.

Frues verue: fruitkleurige verfstof.

Frugber: vruchtbaar.

Fulheiden: vuiligheden, hier stofjes, vuiltjes in de ogen.

Frotsieren; verbrijzelen, kneuzen.

 

G.

Gader, te gader; op elkaar in, tezamen. Te gader comen; elkaar aanvallen, treffen in het gevecht, te gader keren; op elkaar in rijden.

Gaen, die tale laten gaen; er niet meer over spreken, het verhaal staken, onderbreken, mijns gaens nes daer niet;voor mij is het niet geschikt daar heen te gaan.

Gaept; v. Gapen; de mond opendoen.

Gaghel, gagle; gagel, Myrica gale.

Galt,... weder: verl. tijd v. weder gelden; iem. betalen, vergelden.

Gans; hersteld, genezen.

Garsoen; schildknaap, bediende, vgl. Ghersoen, garsoene, meerv. v. garsoen, garsoenen.

Gast, gaste; vijand, vreemdeling, bezoekers.

Gave, gave .... up = gaf (hij zich) over.

Gawi,  gawi toe; laten we aanvallen.

Geachtewaert; gezorgd voor.

Gebout; gekneed.

Gebrac, gebraken; ontbraken

Gebrunirt; zilver gepolijst.

Gecancelirt; ghecancelert: vernietigd.

Gedurich; duurzaam.

Gefaelgiert; toegetakeld, kapot; zie ook: faelgieren.

Gefrocherden, gefrotserde; gekneusde.

Gehacht, lettel gehacht; als van geringe betekenis geacht.

Gehebt; geëbd.

Geleden; geleiden, brengen.

Gelet; gedraald.

Gemake, met gemake; rustig aan, gemakkelijk, te gemake sijn; in zijn schik zijn.

Gemoeden; bedenken, erkennen.

Gemynde; gemene; algemeen.

Geneettet, genet; nat gemaakt.

Genent, met genent; met stoutheid, ook: met spoed, ijlings.

Gepingiert; geschilderd.

Geproevet; ondervonden.

Gerynghe; zonder moeite, graag.

Geseget, gesicht; gezift.

Gescouuen, geschouwen; verzengd, gebrand.

Geschuerde; geschuerde, de breuk.

Gesouch; gehijg.

Gespaert; getalmd.

Gestaden, met gestaden zinne; beheerst, welgevoegelijk, waardig.

Gesteken; gestoken.

Gesyen; gezien,

Getagen; getogen, gespreid.

Getouuet; toebereid, bewerking van leer.

Gewontlich; gewoonlijk.

Gewacht; beloerd, gewachten; op z’n hoede zijn voor iets.

Gewaget, v. gewagen + 2e nv.-obj.;spreken over;: dat ge nu hierover spreekt.

Gewaken; gewaakt.

Gewone, gewoonlijk: gewoenlijke, ghemeijnlic, gemeenlijck. Gewone, algemene: ghemeyne, gemeene, gemeyne, ghemeynder.

Gewouden; de macht hebben over, er over beschikken, gedogen, tot stand brengen, daventure moets

Gewouden; het lot moge hem gunstig zijn.

Ghaerne, bijw., gemakkelijk, licht.

Gheachemeert; uitgerust ten strijde, v achemeren; uitrusten, uitdossen.

Ghearnen; succes hebben.

Ghasp; handvol,

Ghealuunt: met aluin ingewreven.

Ghebernt ghenernet, gheberrent, gheberent: gebrand, verbrand.

Ghebroect: gebroken, verpulverd.

Ghecleinset: gewrongen.

Ghecoleert: ‘coleren is dat men puluer of dranc of syroep of salue of plaister doer een cleet built of cleynst doer een teems’.

Ghedwoghen, gedwogen, ghedweghen, gedwegen; gewassen.

Gheetinre ghetinre:  geiten(melk).

Ghelte: vochtmaat, inz. voor wijn en bier, met ongeveer dezelfde inhoud als een stoop, dat is ongeveer 2,60 l.

Ghemane: gemene, gewone.

Ghemete:. naam van een inhoudsmaat.

Ghenet, ghenettet: natgemaakt.

Gheort: gezet, geslepen.

Ghereit: maakt gereed, geneigd.

Ghespaente: bose - boosaardige geest, (ziekte)demon.

Ghetogen: getrokken.

Gheuorwet: geverfd.

Ghewalket, ghewallet, ghewalnen, ghewellet: gekookt.

Ghezitten: ophouden, gedaan zijn.

Ghebare; zijn (heftige) manier van doen,; in dier ghebare; op zodanige, op die wijze.

Ghebaerde, gheberde, ghebaers, ghebaert, ghebaren, ghebarde; doen, zich gedragen,te keergaan, jammerlike ghebaert; maakte hevig misbaar, gheberde blidelike; was blij, toonde vreugde.

Ghebeden; volt. deelw. v. Bidden; vriendelijk verzoeken, vragen om iets.

Ghebenedijt; gezegend, geprezen, volt. deelw. v. Benedijen; zegenen, verheerlijken, prijzen.

Ghebod, ghebot, ghebode; aanbod, voorstel, ghi biet mi een scone ghebod; ge doet me een prachtig voorstel, macht, heerschappij, ghebot hebben; te gebieden hebben, gezag, macht hebben, staen te uwen ghebode; tot uw beschikking staan; mede te doene al u ghebod; er mee te doen wat ge wilt, jou ghebod; hetgeen ge wilt,.

Gheboet, gheboot; verl. tijd v. ghebieden; vaste uitdr.: God die mij gebood, nl. te leven, d.i.: die mij het leven gaf, creature die God gheboot; schepsel, dat God het leven gaf,; die God gheboet; die God heeft geschapen.

Ghebose; slecht, onaangenaam (niet ghebose = heerlijk).

Ghebrac, ghebraken, ghebrake, ghebreict, ghebreket, ghebreken; ontbreken, dat hem sins ghebrac; dat hij buiten bewustzijn geraakte,; hem niet laten ghebreken; het hem aan niets laten ontbreken, hem van al het nodige voorzien; dat hem ..... der hooft zwere niene mach ghebreken; dat hij er duidelijk hoofdpijn van zal hebben.

Ghebruneerd, ghebruneerden swaerden; gepolijste zwaarden,.

Ghebruuc, die gheen ghebruuc heeft sire lede; die zijn ledematen niet gebruiken kan.

Ghecele; gesel, touw met knopen.

Gheconreit; volt. deelw. v. Conreiden; verzorgen van een paard, van het nodige voer voorzien.

Ghecreghic, ghecrighen, ere ghecrighen; eer inleggen met iets, dies ne ghecreghic nemmer ere; die schande zou ik nooit meer kunnen uitwissen, eig.: daarmee zou ik nooit meer eer kunnen behalen.

Ghecroect; gedeukt, gekreukt.

Ghedade; volvoerde.

Ghedaen; volt. deelw., up ghedaen; weggenomen,; + bijw.: hoe ghedaen; hoedanig; so ghedaen; zodanig, van zo voortreffelijke inborst, of: zo dapper.

Ghedane; uiterlijk, gestalte, gedaante.

Ghedanen, dus ghedanen, so ghedanen; zodanige(n), Zie ook: ghedaen.

Ghedede; klaarspeelde.

Ghederen; deren, kwetsen, letsel toebrengen, vant ghederen; streef er naar (je vijand) te deren, Vgl. vant.

Ghedichte, gedichte; dicht op één, snel na elkaar, vele, hevig, so ghedichte; zo veel achtereenvolgens, wel ghedichte; snel opéén, de een na de ander in snelle opeenvolging.

Ghedinken; bedenken.

Ghedogen, ghedoghen, ghedoghe; toestemming,

Ghedoghen; doorstaan, doorlijden.

Ghedomt; bedwongen.

Ghedraghen, uten sadele ghedraghen; uit het zadel gewipt, gestoten.

Ghedreecht; gedreigd.

Ghedreighe; bedreiging, gevaar.

Ghedrouch; voortbracht.

Gheduren; standhouden, het uithouden (tegen), doorstaan.

Ghedweghen; volt. deelw. v. Dwaen; (de handen) wassen.

Gheeft, gheeft ju up; geef je over!.

Gheerwede; verl. tijd v. Gheerwen; kleeden, tooien in ambtsgewaad, spec. v.e. priester.

Ghefeen; verl. tijd v. Ghefinen; eindigen, (er mee) ophouden.

Ghefesteert, ghefisteert; feestelijk ontvangen, onthaald.

Ghegaen, an ghegaen; gekomen.

Ghehebbet; geëbd. Zie ook: gehebt.

Ghehende; nabij, dicht in de buurt.

Ghehulpich; tot hulp bereid, behulpzaam.

Ghehuuc, tghehuuc; geschreeuw, vgl. ghuuc en huuc.

Ghehuut, ge uut; afgelegd (v.e. dode).

Ghehuust; opgejaagd, vervolgd.

Ghelaet; wijze van doen, houding, van ghelate; van uiterlijk, van voorkomen, manier v. doen.

Ghelaten; achtergelaten, wederk., zich gedragen, 10913; hine can van hem bliscapen hoe ghelaten; hij weet niet hoe hij zich van blijdschap gedragen, houden moet, wel ghelaten; goed gedragen.

Ghelauwe; lees: ghelaude; greep beet.

Ghelden; betalen, vergelden. Zie ook achterstelle.

Ghelede, gheleide; vrijgeleide; vast gheleide; bestendige, duurzame vrijgeleide, in die Gods gheleide; onder Gods bescherming, up sine ghelede; onder zijn bescherming.

Gheleden; begeleiden, vgl. Geleden; gheleden in; beschermen op je tocht.

Gheleec, verl. tijd v. Gheliken; toeschijnen, blijken.

gheleet, hier van telgen, wide gheleet = wijd vertakt, 5098.

Gheleit; belegerd, vergl. beleit.

Gheles; gewoon.

Ghelide; (wijt), teg. tijd 1e pers. plur. van gheliden; passeren: dan komen wij er nooit over heen,. Vgl. liden.

Ghelievet, nu ghelievet mi de strijt;nu is de strijd mij aangenaam.

Ghelike, in der ghelike of; net alsof, dergelijke.

Ghelof; belofte, aanbod, ghelof te behoudene; belofte, eed te houden, hi hevet sijn ghelof gedaen; hij heeft zijn toezegging gestand gedaan, tghelof ontfaen; de toezegging gedaan krijgen, belofte; aanbod, onderneming waaraan een belofte is verbonden, voorwaarde.

Ghelogiert; gekampeerd, gelogeerd.

Gheloken; volt. deelw. v. Loken; sluiten.

Ghelooft; belooft, beloofd.

Ghelosede; overlegde.

Ghelouwen, hi ghelouwen; hij greep hem.

Ghelove; beloof, ghelof; hetgeen ge beloofd of gezworen hebt, tharen ghelove; tot haar dienst, te hare beschikking, gheloven; beloven, ghelovet; belooft, 2e ps. enkv. verl. tijd = ghelovedet; beloofde.

Ghelovich; vermoeid.

Ghelu; geel, gheluwen, geel, blond.

Ghemac; verzorging, rust.

Ghemake, met ghemake; kalm, in rust en vrede, in een prettige stemming; te ghemake; in prettige omstandigheden, in z’n schik, te ghemake sijn; tevreden zijn, het naar z’n zin hebben, alles hebben wat men behoeft, hoe sidi te ghemake; hoe gaat het met u, sijt te ghemake; stelt u tevreden met, neemt genoegen met, bet te ghemake wesen; er beter aan toe zijn, te ghemake doen = iem. van het nodige voorzien, goed verzorgen, iem. het aangenaam maken, ghemaken; volvoeren, ghemaken (= volledig maken) vroet; volledig inlichten.

Ghemeenlike; tezamen.

Ghemeine; alegmeen,, gemeenschappelijk.

Ghemicke; passend; si waren hem wel ghemicke; zij pasten hem precies.

Ghemicken; beramen, met juistheid berekenen.

Ghemoet; aanval, vijandelijke ontmoeting, starc ghemoet; zwaar gevecht,; in sijn ghemoet; in gevecht met hem, teerste ghemoet doen; de eerste aanval doen.

Ghemoet, wel ghemoet; van goede inborst, minzaam.

Ghemoete, ghemoette; ontmoette, ghemoetti; ontmoette hij.

Ghenaden, verbogen vorm v. ghenade; welwillendheid, (2e nv. enkv.); goedheid, grote ghenaden doen; welwillend bedienen, bi uwer ghenaden; door uw goedheid, uit goedheid, dor, duer ghenaden; uit gunst, welwillendheid, dor ghenaden dat sect mi; wees zo vriendelijk mij dat te zeggen, te ghenaden comen; te pas komen, van nut zijn, staen tuwer ghenaden;ootmoedig vergeving vragen, soe es ter Gods ghenaden; zij is in de hemel (waar ze Gods genade geniet), ghenadichede, doen uwe ghenadichede; u genadig zijn.

Ghenaken; naderen, aanraken.

Ghenaren; generen; voedsel zoeken.

Ghenende; moed, onverschrokkenheid; met ghenende; onverschrokken, (stout)moedig, met kracht, en met spoed,.

Ghenendelike; onverschrokken, stoutmoedig,fier, met moed, ghenenden; wagen.

Ghenent, met ghenent; met geweld, met kracht, onverschrokkenheid.

Ghenentalve, van ghenentalve; eig. van geen enkele kant: nergens, ghenenthalve, zie ghenentalve en vinden.

Ghenesen; levend, goed van iets afkomen, enz.; levend, gered ontkomen, er goed van afkomen, of: herstellen van?

Gheninden, + 2e nv.-obj., iets durven ondernemen, wagen.

Ghenomen; opsommen, opnoemen.

Ghenoot; gelijke.

Gheordineert; uitgerust, toegerust, opgetooid.

Ghepait; tevreden gesteld.

Ghepiert; vastgebonden.

Ghepijnt,- volt. dw. v. (hem) pinen; zich inspannen, moeite doen; hevets hem ghepijnt .... te ghewinnen; heeft er zich voor ingespannen .... om in zijn bezit te krijgen, vgl. pinen.

Gheproeft; geprobeerd, gheproevet, volt. deelw. v. (wederk.) proeven; zich betonen; mijn swaert hevet gheproevet wel; heeft zijn kwaliteit bewezen.

Gheraden; met raad bijstaan.

Gheraect, volt. deelw. v. raken = eig. aan iets kunnen komen, aanraken; fig. Met abstract object: zien, in aanraking komen met, (vgl. ghelesen); v. Gheraken; terechtkomen, es gheraect te; is terechtgekomen op, wel gheraect; sierlijk,; op een goede plaats terechtgekomen, voortreffelijk, uitstekend, mooi, wel gheraect van seden; welgemanierd, keurig in zijn optreden, gheraecte, verl. tijd v. Gheraken, gheraecter, bet gheraecter; voortreffelijker.

Gherande, gheenre hande; generlei.

Ghere; begeerte, verlangen, lust, begeerte nl. om te strijden, strijdlust, of ic blive doot in die ghere, bezwerende formule:

‘ik moge sterven als ik deze wens niet vervul!’, elkerlijc had anders ghere; ieder had het op de ander begrepen, biden ghere; volgens zijn verlangen.

Ghere; slip v.e. kleed, kledingstuk, bi den ghere; bij de slip van zijn kleed, met zinen ghere; met de slip van zijn kleed.

Gherechte, tgherechte vaghevier; het echte vagevuur.

Ghereckets, ghereckets hals; met gerekte hals.

Gherede; zadel, tgherede; het zadel, Vgl. ghereide.

Gherede; bijw. als ghereet; zonder omwegen, onverwijld, zonder voorbehoud.

Gheredelike; vlug, zonder moeite.

Ghereden, ghereiden; in gereedheid brengen, klaarmaken, voorbereiden (met wederk. voornw.: hetz. + zich), dikwijls: voor de strijd.

passim; slagvaardig maken, hi (ghe)reedde hem ter were; stelde zich in afweer, ghereedde(n), verl. tijd v. ghereden. Ghereet; gebied. wijs v. Ghereden.

Ghereet; gereed, stellig, ongetwijfeld, vlot, vaardig, snel, gemakkelijk, zonder talmen, onverwijld, zonder aarzelen,.

direct, onmiddellijk, aanstonds, of: zonder twijfel, wel ghereet; zonder moeite, zonder omwegen, onmiddellijk, vant

ghereet; vond klaar staan, jou so eest al ghereet; het staat geheel tot uw beschikking, ic bem ghereet ende soude varen; nu sta ik op het punt uit te rijden, ghereit, volt. deelw. v. ghereiden: in gereedheid gebracht, gereed, schoon gemaakt en hersteld.

Ghereide; paardentuig en zadel.

Ghereide; zadel,  passim; tghereide; het zadel. Vgl. gherede.

Gheretiere; generlei.

Gherne; met aandrang, graag, met (grote) begeerte, gemakkelijk, licht, gewillig, bereidwillig.

Ghernen; baardharen.

Gherochte, gerochte, verl. tijd v. Gheraken; raken, treffen, aanraken, bereiken, up ons maken groet gherochte; een hevig strijdgewoel tot ons trekken.

Gherochten(e); raakte hem, gherochtene, gherochte ne; raakte hem, gherochter, gherochte er; raakte er, gherochti; raakte hij, gherochtine, raakte hij hem.

Gheronnen; volt. deelw. v. Rinnen; stromen, vloeien.

Ghers; gras, vgl. tgars.

Ghersoen = garsoen; dienstknecht, ghersoene, meerv. v. ghersoen.

Ghesant; volt. deelw. v. Senden zenden.

Ghesate; woonplaats, sate, kasteel.

Ghescaect; geruit.

Ghescal; lawaai.

Ghescent; geschonden, in het ongeluk gestort.

Ghescepen; geschapen; nadien dat ghescepen staet, stoet, nadien dat het geschapen staat.

Ghescie, geschiede; ghescie daer of wats ghescie: laat er van komen wat er wil, ghescien, geschieden.

Ghescoeite; schoenwerk, schoeisel.

Ghesconfiert; uiteengedreven, in de pan gehakt.

Ghescoort, ghescoort, volt. deelw. v. Scoren; scheuren.

Ghescreven; volt. deelw. v. Scriven; schrijven.

Ghescuerd; gescheurd, gehavend, Vgl. ghescort.

Ghesecghen, ghesegghen, gheseggen, (volledig) opsommen, zeggen.

Gheselle; gelijke, gezel, ghesellen, zwakke 2e nv. enkv. v. Gheselle.

Ghesent; volt. deelw. v. Senden; gezonden. Vgl. ghesant.

Ghesien; in ogenschouw nemen, overleggen: den raet ghescien ende ghetelen; het plan overwegen en ten uitvoer leggen (omschr. voor: laten we vluchten!).

Gheslaen; schieten met pijl en boog.

Ghesleghen, geslegeb; geslagen, ane hem slaen; op zich nemen, Vgl. ghelof.

Ghesmet; gesmeed, ghesmide, met metaal beslag bewerkt paardetuig, up grote orsse ende diere ghesmiden; op grote rijk opgetuigde paarden, ghesmiden, meerv. v. ghesmide.

Ghesonde; gezondheid.

Ghesont; ongekwetst.

Ghespelen; gezellinnen.

Ghestaden, (van) ere bede ghestaden; een verzoek inwilligen, ene bede ghestaden; toestaan, vergunnen, ghestaden, verbogen vorm v. bijv. naamw. Gestade; kalm, beheerst, deftig; in enen ghestaden zinne; waardig, deftig, ghestaen, standhouden, het uithouden tegen.

Ghetelen; uitvoeren van een plan. Vgl. ghesien.

Ghetellen; volledig vertellen.

Ghetemen; in overeenstemming met z’n waardigheid achten, gepast achten, met z’n geweten overeen brengen.

Ghetoget; getoond, betoond.

Ghetrouwen, dies machic hem wel ghetrouwen; dat kan ik hem wel toeschrijven, dat kan ik gerust van hem zeggen, dies mochti wel an hem ghetrouwen; dat kan je wel van hem verwachten.

Ghetrucket, getruct; getrokken.

Gheturst; opgeladen.

Ghevaen; volt. deelw. v. Vaen; vangen.

Gheval; geluk, lot(sbeschikking), goet geval: een gunstig lot, ghevalle, els ghevalle datter of ghescie; er kome van wat er van komen moet, ghevalle, verbogen vorm v. gheval,

Ghevallen; gebeuren, overkomen, gebeuren, ten deel vallen, ghevalt, tegenw. t., enkv. v. Ghevallen, ghevellen, verl. tijd v. Ghevallen.

Ghevaren, volt. deelw. v. Varen; gaan.

Gheve, gheve mi up; geef mij over.

Ghevelt; te niet gedaan.

Ghevelt, was ghevelt; was gedoofd.

Ghevereschen; informeren.

Ghevet, ghevet wel (zonder object, nl. ‘slagen’); er van langs geven.

Ghevisiert; bedacht, uitgedacht.

Ghevoert, volt. deelw. v. Voeren; behandelen, bejegenen.

Ghevoech,  ghevouch, eig. hetgeen iem. voegt, past; hetgeen iem. behoeft of wenst, mijn ghevouch; wat mij past, van pas komt, wat ik nodig heb, hare ghevouch hebben + 2e nv; zoveel hebben als ze wensten, als hen paste, het was qualike haer ghevouch; het was niet erg in hun voordeel, waert u ghevouch (beleefdheidsformule); als ge wilde, als het

u belieft, int ghevouch; genoeg, zoveel als past of gewenst is, juist zoals het goed is, na mijn ghevouch; naar mijn zin, overeenkomstig mijn verlangen, na zijn ghevouch; zoveel hij wenste, zoals hij behoefde.

Ghevreeschte, verl. tijd v. ghevreesschen, (door vragen) te weten komen.

Ghevroede, ghevroeden; inzicht, kennis van iets krijgen, bevroeden, menen.

Ghevurst; uitgesteld.

Ghewach, ghewach doen; mededeling doen.

Ghewacht;  bewaakt, beloerd.

Ghewaerde; snel, spoedig.

Ghewaerlike; in waarheid.

Ghewaghen; melden, zeggen; hine wils hem niet ghewaghe; hij wil het hem niet zeggen, doen blijken.

Gheware, gheware werden van; bemerken, gewaar worden, zien.

Ghewat; de doorwaadbare plaats.

Ghewedde, 3e nv. enkv. v. Ghewet; gevaarlijke toestand.

Ghewelt; macht, siere zinne ghewelt; de heerschappij over zijn verstand, bewustzijn.

Ghewer; hulpvaardig.

Ghewes; gewis, zeker.

Ghewesen; (+ 2e nv.-obj.) iets volhouden, erin volharden; wat sal mijns ghewesen; wat zal er van mij overblijven, worden, ic moets ghewesen; ik moet er door, er aan geloven.

Ghewijst; gewezen.

Ghewilleger, ghewillegher, met ghewilleger hant; strijdvaardig, met grote strijdlust, met veel animo.

Ghewin; jachtbuit.

Ghewinnen; veroveren, door strijd in bezit krijgen, in ghewinnen, (onoverg.); binnendringen.

Ghewoude, ghewouden, verbogen vorm v. Ghewout; macht, geweld, met ghewoude; met inspanning van zijn krachten, fors, ghewouden,;(2e nv.-obj.) macht hebben over.

Ghewracht, ghewrocht, volt. deelw. v. Werken; maken, doen, ghewrocht wonder groot; dappere staaltjes uitgehaald,

Ghewrocht; gemaakt, gevormd, verricht, tot stand gebracht, ghewrochte; maakte.

Ghezijn; geweest.

Ghichte; gift.

Ghile; spot; juwe ghile houden; de spot drijven, gekscheren.

ghin, ghinc hen ane; viel op hem aan, ghinc toe; paste, ghine = ghi + neg. partikel ne; neg. Zin.

Ghinghebare; gember, Zingiber.

Ghinghen, ginghen, ghinghen hen an; reden op hem af, toe, vielen hem aan.

Ghirich; begerig.

Ghisarmen; strijdbijlen.

Ghispe; gesp.

Ghoden nacht, ghoden nacht gheven; zegenen, geluk geven, helpen.

Ghuuc, tghuuc; het geschreeuw, Vgl. ghehuuc, en huuc.

Gichticheit, gichte, gycht, giechte, yecht, yechtichede; jicht.

Gladie: Iris pseudo-acorus.

Glandule: glandulae; klieren.

Glarie:  dat is wyt van eye; glarien; eiwit.

Glorifilaet: nagelkruid, Geum urbanum.

Glavie, glavien; speer, lans.

Gode, te gode gaen; ondergaan (v.d. zon).

Gods cracht; kracht van God.

Goec, dwaas.

Goed, goed man; edel man.

Goede, 3e nv. v. Goet; goede daad, goedheid, in goede; met goede bedoeling, uit vriendelijkheid.

Goeden daghe, biden goeden daghe; eig bij de zegenrijke dag (die God ons geeft) - bij Gods gunst.

Goeder, te goeder beede;in de hoop dat God ons gebed verhoren zal.

Goedertiere; zachtaardig, edelaardig.

Goelike; vriendelijk. Vgl. goetlike.

Goet, een goet man; edel, deugdzaam man.

Goetlike; op minzame wijze.

Golt blommen, goutbloemen: goudsbloem, Calendula officinalis.

Gonder; ginder, daar, daarna, daarop.

Gone, gonen, aanwijz. voorn. w., die, gone rudders; die ridders daar.

Gont, aanwijz. voorn.w., dat, het gindse, gont bloet; dat bloed.

Goom, goem nemen + 2e nv.-obj.; kijken naar, letten op, nadenken over.

Goons, des goons, sgoons, 2e nv. v. Gone; van diegene, van hem.

Gordene, gordine, verl. tijd v. gorden + voorn.w. obj. ne (= hem); aanhalen, omgorden, aantrekken v.d. zadelriem.

Gore, 2e nv. meerv. van gone; van diegenen.

Goudijn; van goud, gouden.

Goutborde, 3e nv. v. Goutbort; goudgalon, goudboordsel.

Goutsteen, wrief steen; toetssteen; waarop de echtheid van goud getest wordt.

Goysde, goyde, gudste; vloeide.

Gracie; genade van God.

Grade, 3e nv. v. Graad; trap. Vgl. graet.

Graeu; grijs, Vgl. grawe.

Graet; trap. Vgl. grade.

Gram; woedend, gram sijn; het (hevig) betreuren, grammelike; toornig.

Graue; grove.

Gravuel, grauelle, gravel; steentjes in de urine die hevige pijn verorozaken bij het verlaten van de nieren of blaas.

Grawe; grijs, Vgl. graeu.

Greine; verb. vorm van grein; rode, scharlaken verfstof v.d. scharlaken bes, (soort luis op eikenbladen, waaruit de verfstof gemaakt werd). Grein, greyn, gewicht, is 0, 065 gram.

Grief; leed, onheil, grieve, 3e nv. v. grief.

Groot no clene; helemaal niet.

Groten tornoisen: het gewicht van de Doornikse groot, een muntstuk.

 

H.

Haddys, haddys te doene; als hij het nodig had.

Hadsine, hadsine sien daer achter vaen; hadden zij hem daarna gevangen.

Halede, haelde uut (v.h. paard);terughalen om een aanloop te nemen.

Haer, 2e nv. meerv. pers. voornw.: van hen.

Haerden, ter haerden; ter aarde, op de grond.

Haer entaer; hier en daar.

Haeshoue, haeshoeve; klaver, Trifolium arvense, Latijn pes leporis.

Haet; het eten, voedsel.

Halden, haldent, haldet; houden.

Hamborch bier; bier uit Hamburg, Homborgh.

Haeste, met wederk. betek.: hij haastte zich, deed het onmiddellijk, haesten, met haesten; met grote snelheid, onmiddellijk,

haesticheden, met haesticheden; overijld, met grote snelheid, met vaart,

haghe; kreupelbos.

Haghedochte; onderaardse doorgang, hol, spelonk.

Hale, 1e pers. conj. v. Helen; verbergen, verzwijgen.

Halmen, afstand van iets doen, verloochenen.

Hanebiter; sprinkhaan.

Hanke, hanken; gedeelte van been tussen knie en voet.

Halp; hielp, halpene, hielp hem.

Hals, over hals tumen; met het hoofd naar beneden, hals over kop neer storten.

Halsberch, halsberghe; maliënkolder, pantserhemd met hoge metalen kraag (die de hals beschermt).

Handen = anden; zijn ergernis tonen.

Handgheslach; handgeklap als teken van rouw en smart.

Hanse, eig. het geld dat men moest betalen om lid v.e. koopmansgilde te worden; gelden die hanse (overdr.); tol betalen, boeten.

Hant, al te hant; aanstonds, direct, te hant; onmiddellijk, direct, vor die hant; vlak voor de hand, boven de hand.

Hantbomen; palen om mee te rammeien.

Hand vadt; lampetkan; eig. een vat of kan dat of die men met de hand kan vasthouden.

Harde, zeer (bijw. v. graad),; zelfde betek., verzwarend, bijw. bij menigherhande.

Harde; hielden vol, harderden, hielden vol.

Hare, hierheen.

Hare, heer; leger, int hare; in het leger, in gont hare; in dat heer, leger, in die troep.

Harentare; her en der, (overal) in het rond, passim; overal heen, in alle richtingen.

Harlijc; ieder van hen beide.

Harre; van hen.

Harts horn; hertenhoren; hart; hert.

Hart vanck, hertuanc; duizeligheid.

Hasta regia, honsribbe, rypwort, smalle weegbree, Plantago lanceolata.

Have, haven; bezitting, kostbaar goed.

Hebben, omdat hijt mi hebben wiste; omdat hij wist dat ik het bezat.

Heden ere; zoëven.

Heerbrant, herbrant: oogziekte.

Heerne, herne, heersen; hersenen.

Heertlantsce; inlands.

Heercracht; legermacht.

Heere; leger.

Heesschen + datief: van hem eisen.

Heet; eed, oec so dadijs juwen heet; zo hebt ge ook gezworen.

Heet, 2e pers. enkv. aant. wijs v. Heten; bevelen.

Heide, heiden, (onbebouwde) vlakte.

Heidensche segheel: salomonszegel, Polygonatum officinale.

Heleghen: Bruinheylighe, Mentha aquatica.

Heimelike; vertrouwd, knus, intiem, eig. ‘helemaal thuis’.

Helen; verbergen, verzwijgen.

Helne, ere helne lanc; een el lang.

Helsen; omhelzen.

Helt, verl. tijd v. houden, opvoeden, die ic ye van gode helt; (de macht) die ik ooit van Gods wege uitoefende.

Hemelychede; intimiteiten.

Hen; het ne, hen vloghen noit; er vlogen nooit, het ne of gewoon ontkenning, hen es; het en is; er is.

Hens, hens niet dat hare herte begheert , daer ne eis binnen een groot deel; er is niets wat haar hart begeert, of het is daar binnen in ruime mate.

hensi = het en si; tenzij.

Hent, henttet, hynt; totdat (het).

Hen ware; als het niet was; ook al was.

Herberghe; huis waar men voor een nacht mag logeren, onderkomenvindt, gastvrij huis, herberg(h)en, intrek nemen (voor een nacht), logeren, onderdak vinden voor de nacht.

Herde = harde;  zeer (bijw. v. graad),  herder; harder, sneller.

Herdicheit: hardheid.

Here; leger, troep. Zie ook heere.

Herecracht; legermacht. Zie ook heercracht.

Herinck smout: vet van de haring.

Hers:  aars. Of hars.

Hersenniere; ijzeren kapje onder de helm.

Herste, ter herste; te ruste.

Herte; gevoel; herte ende sin: de twee functies die de dichter nodig heeft: gevoeligheid van hart en klaarheid van verstand; met herten groot;zeer innig, sijn herte brac; zodat hij stierf.

Hertenen; van hertsleder.

Herte put: laagste punt van het borstbeen.

Hertin maerch: merg van het hert.

Hertshoerne, hertshorne: hertshornen, hoorn van het hert.

Heten; eten; laet ju heten; laat uw eten staan.

Hevet, v. hebben; onpers. + 3e nv.-obj.: dat hevet mi gene onmate; dat vind ik geen overdaad, (Vgl.: dat hevet mi wonder; dat vind ik vreemd, dat hevet mi toren; dat maakt me boos); dit hevet mi ene vremde zake;dit komt mij vreemd voor.

Hieke van lynssaet: ingedikte lijnzaadolie; hieke betekent gewoonlijk natuurlijk vet, Linum usitatissimum.

Hier  bi; op grond hiervan.

Hier of; hiervan.

Hiet = iet; iets.

Hiet, heette, hieten, verl. tijd v. Heten; bevelen, hietene;, heette hem, of zei hem, hietse; beval ze.

Hilden; hielden, verl. tijd v. houden; bewaken, verdedigen, standhouden, hilt; hield, verl. tijd. v houden, hield stil, 2927; volgde, sinen scacht ter steke houden; zijn speer ten aanval vooruit houden.

Hilte; handvat, gevest v.h. zwaard.

Hiltekens, heften, van messen etc., gegoten in lood.

Hilten; hield hem.

Hinder waert, eig. achteruit; hinderwaert varen; dood gaan, naar de hel lopen.

Hine; als hij niet ....,hine viel; of hij viel, hine ghenas ....;dat hij niet zou herstellen van zijn wonden.

Hoe dane; hoedanig,

Hoede, bin siere hoede; in veiligheid, sonder hoede; zonder dat ge speciaal op uw hoede hoeft te zijn, weerloos, zonder bescherming, zonder zich te kunnen verdedigen, in harre hoeden; in hun beveiliging, in hoeden ghedaen; in bewaring gesteld, hoeden, verbogen vorm v. hoede.

Hoeden; wederk., op z’n hoede zijn, zichzelf beveiligen.

Hoever; oever.

Hoeveslaghe; hoefslagen, sporen van paarden.

Hof; binnenplaats, hof houden; plechtige zitting houden om regeringszaken te regelen of recht te spreken; om zijn vazallen te ontvangen.

Hoghe, hoghe tale; hoogmoedige, drieste woorden, an hoghe, in hoghe; verheugd, in zijn schik.

Holipodrido, mengsel van allerhande vlees door elkaar voor koken.

Homo: verkouden, koude man, iemand die op vrouwen valt is vrouwelijk.

Hone; valsheid, bedrog, list.

Honts quat, honres quat; hondendrek.

Hoofschelike; beleefd. Vgl. hovesch.

Hooftcleet; hoofddoek.

Hooftzwere; hoofdpijn.

Hopen; open.

Hopenbaert; bekend maakt, meedeelt.

hopenbare = openbare; klaarblijkelijke, onomwonden, knap.

Horeest; opschudding, spektakel.

Hortken; horentje.

Houde; spoedig, direct, spoedig, snel, (alshi mochte alse houde; also houde als hi mochte); vlot; onmiddellijk, gemakkelijk, licht, spoedig.

Houden; beschermen, verdedigen, opvoeden.

Houdene, te houdene; om opgevoed te worden.

Houdre; liever.

hout, 3e pers. enkelv. tegenw. tijd v. Houden; zich ophouden, zich bevinden.

Houtene; voed hem op.

houtte, verl. tijd v. Houten; hinken, kreupel gaan.

Hovaerde, dor hovaerde; uit praalzucht, om meer vertoon te maken, hoverde, zonder trots en praal, op een weinig eervolle wijze, op schandelijke wijze, sonder hoverde; op smadelijke wijze.

Hovescede, up hovescede; met een beroep op iem. wellevendheid, volgens de wetten der hoofse omgang,

Hovescen, verbogen vorm v. Hovesch; beschaafd, (van sinen zinne; wat betreft zijn gemoed, hart), beschaafd, wellevend, minzaam, welgemanierd.

Hovescheit; goede daad, bewijs van wellevendheid en minzaamheid; dede zine hovescheit; verrichtte uit welwillendheid zijn goede daad.

Hoveschelike; minzaam, beleefd, op beschaafde wijze, wel gemanierd.

Hovet; hoofd; kop.

Howuen, huue; korst op wonden.

Huene, huue; kippenhoedster.

Hulpen, in hulpen staen, in hulpen varen; te hulp snellen.

Hurten; stoten.

Hursene; melk, paardenmelk, drek.

Hutsen, hutse; klutsen, schudden.

Huuc; schreeuw. Vgl. ghuuc en ghehuuc.

Hyekehe wolle; wol met zijn natuurlijk vet, dus niet gewassen.

Hynden smeer; vet van een hinde.

 

I.

Iacea nigra; Centaurea jacea.

Ieghen; tegen.

Iesschen; naar adem snakken, kortademig zijn.

Iren: Yren. Ierland: Irlant.

Iet; enigszins, in enig opzicht, ook, soms iets, of ooit.

iewer = iewaer; ergens.

Ingroen, ingron, immergroen; Vinca of andere groene plant.

Inhertelike; tot in de kern van haar hart, zeer hartelijk.

Inne; het binnenste, gemoed: an inne werden; bemerken, gewaar worden.

inne = ic ne; inne sie wech; ik zie geen weg.

Inwart; naar binnen.

Ioecte; jeukte.

Iris: yreas, yreos, Iris florentina.

Iuncturen, juncturen; gewrichten.

Iusquiami, bilzekruid, Hyoscyamus niger.

 

J.

jacht, metter jacht = met grote snelheid.

jaens = jan es; gunt het (mij God), staat (God) het (mij) toe.

Jaestu; ja gij; ic wane jaestu; ik geloof inderdaad dat je.

Jaloers; hevig van temperament; vol vurigheid voor wie ge liefhebt.

Jammerlike; op schandelijke, beklagenswaardige wijze.

Jan, 1e ps. enkv. tegenw. t.v. jonnen; gunnen, toewensen.

Jane; immers niet.

Jeest, jeeste; het (geschied)verhaal.

Jeghen; tegen, tegenover, met, jeghen spoet; tevergeefs, (spoet = goede voortgang, succes).

Jochant; rode edelsteen, robijn.

Joeste; aanval of gevecht met speren; vgl. joste.

Jof; of.

Johannes auent, Johans nacht (sunte -): de dag vóór het feest van de H. Johannes de Doper (24 juni).

Jolijs , bijv. naamw., liefelijk, tere joliser stede; op een liefelijke plek, zelfst. nw., vreugde; die hem lichte met jolisen; die voor hen een vrolijk licht verspreidde. Jolisen, joliser verbogen vorm v. jolijs.

Jolijt; vreugde, driven hare jolijt; blij zijn.

Joliselike, joliseleke; heerlijk, tot blijdschap stemmend, liefelijk.

Jonne, conj. v. Jonnen; gunnen, toestaan, gunnen, geven.

Jonste, jonsten, zelfst. nw., liefde, genegenheid. Jonste, verl. tijd v. Jonnen; gunnen.

Joste; speergevecht tussen twee te paard zittende ridders. Vgl. joeste.

Jostement; kampspel.

Josteren; kampspel, steekspel houden, vechten met de speer.

Joye; blijdschap, vreugde; met groter joyen: met grote vreugde, joyen, verbogen vorm v. joye.

Jugieren; (ter dood) veroordelen.

June, ju + ontk.; voor u is er, m.a.w. ge kunt nooit beter krijgen.

K.

Karcwaerdre, karcwardere, karcwardre; gevangenisbewaarder.

Karken, verbogen vorm v. Karke; kerk.

Karker, kerker; gevangenis.

Keer; tegenaanval.

keerse, niet ere keerse wert sijn = niet een kaars = niets waard zijn, 11185.

Kemenade, kemenaden; kamer, vertrek.

Kempe’ kampvechter, strijder.

Kent; weet.

Kere; terugkeer, terugkomst.

Kere, in ghenen kere; op generlei wijze, volstrekt niet, set u in te kere; draai u om; ghi sijt al uten kere; je bent niet goed wijs, hi warp hem uten kere; hij werd buiten zichzelf van woede.

Keric, 1e ps. enkv. tegenw. tijd v. Keren; wenden, veranderen.

Kersemeer; kaarsroet.

Kersp; gekruld.

Kerstijn; christen, daer noit kerstijn uut wan; waar geen christen ooit voordeel mee behaalde.

Kerstinnede; christelijk geloof.

Keselingh, kiezelsteen.

Ketyven; ellendelingen. Vgl. keytijf.

Ketive; ellendelingen, ellendigen, ongelukkigen. Vgl. keytive.

Keytijf; ellendeling, banneling.

Keytive, meerv. v. keytijf;ongelukkigen, ellendigen. ay mi keytive; wee mij rampzalige, keytiven, meerv. v. keytijf; ellendelingen, keytivinne; ongelukkige.

Kilen; houten wiggen.

Kinderen kermes; kinder, kermisspeelgoed.

Knapen; bedienden.

Knive, 3e nv. v. knijf;mes, dolk, kniven, meerv. v. knijf;messen, dolken.

Koeck; gezwel, verharding vooral van de lever, scirrus, scirroma.

Koerlen; kernen, zaden.

Kokelen, koekelen; kraaien, kokeler; kakelaar; haan.

Krame cruit, kraamkruid; mengsel van komijn, muskaat en saffraan, als specerij gebruikt.

Kume; nauwelijks, met moeite. Vgl. cume.

Kupen; ton of kuip(en).

Kyren; braken.

Kystlyme; kistlijm, houtlijm.

 

L.

Lace; helaas.

Lach, daer cracht an lach; die een bijzondere kracht hadden.

Lachter; schande, belediging, smaad, nadeel, ramp, schande, onaangename zaak, oneer, 148 (voor een ridder betekent dat: nederlagen,verlies); te lachtre; tot schande van, lachtert, 2e pers. enkv.: ge smaadt, beledigt, lachtre, verbogen vorm v. lachter.

Lanc, lanch, lanck euvel; onderbuikspijn, kramp in de ingewanden, koliek. Lanken; onderbuik.

Laetse, in laetse; in het laatst.

Lanc, dies mach herde wesen lanc tien jaer;het kan wel meer dan tien jaar geleden zijn, in lanc so meer; hoe langer hoe meer,

Lancea, meest lancea christi; speerkruid, Ophioglossum vulgatum.

Lapacium acutum; ridderzuring, Rumex obtusifolius, lappasium; lappacium, zuring soort, Rumex. Pardicke, perdicke, pardeken, perdike, pertiken, pertre, sorkelen, Rumex acetosa.

Latoen, lytoen; messing, legering van koper en zink.

Lavas, lavaschen, louesche, lovesche, louaschen, lovaschen, lavesche, lubsteken, lubstekel, lausche, Ligusticum officinale.

Langhet mi langhet; (onpers.) ik verlang.

Lasure; 3e nv. v. lasuur = hemelsblauw, lazuur.

Lat; traag.

Laten, laten staan; achter laten; sijn bloeden laten staen; opgehouden te bloeden,  ghelaten, volt. deelw. v. laten - ic hebt ghelaten staen (ik heb het laten staan); ik heb het achter gelaten.

Latic, latic hier of die tale; zwijg ik hier verder over.

Latuw, lactuken, latue, sla, Lactua sativa.

Lauwer bome; laurierbomen, Laurus.

Lawerke; leeuwerik.

Lecht; licht.

Lecket; doet doorsijpelen, lekken.

Leddene, verl. tijd v. leiden + voornw. obj.; leidde hem rond.

Lede, meerv. v. lid; schakel, metalen oog aan de riem.

Lede, 1e pers. enkv. van leden: (ik) leid.

Leden, leiden, verl. tijd v. liden; trokken door of voorbij, passeerden, voorbijgegaan waren, ledene, ledene bet of; voerde hem wat ter zijde, ledet, verl. tijd v. liden; voorbij ging, passeerde, ledetse, leiden ze (3e ps. meerv.!). Uit leden se;  leidde hij, leedic; leid ik.

Leendere; leende er.

Leesset, leysset; blus het.

Leet, verl. tijd v. Liden; ging voorbij, ging door, kwam er door, doorstond het, hare leven liden; doorbrengen, leetde; leidde, leetden; leidden, brachten.

Leet, bijv. naamw., onaangenaam.

Leghet, liggen an; eigen zijn aan. Vgl. lach.

Leid; legde het, leide, verl. tijd v. leggen; nauwe laghe leggen; erg zijn best doen.

Leide, dat hem te leide comen sal; wat hem tot leed zal strekken.

Lelichst; op de ellendigste, meest onterende wijze.

Lelijc; afzichtelijk.

Lemmele; lemmet, kling.

Lende; linde, Tilia.

Lesen, jeghen lesen; een andere lezing geven, tegenspreken.

Lest; het laatst, tenslotte.

Let; lichaamsdeel, lid, ledematen.

Lette, conj. v. letten; verhinderen, verl. tijd v. letten, toeven, ophouden.

Lettel; weinig, gering, kort.

Letten; talmen, dralen, toeven, sonder letten; onverwijld, hebt daer mede geen letten; laat u daardoor niet ophouden, lettet = lettedet, 2e ps. verl. tijd v. letten;ophouden.

Letterwijs; de kunst van lezen verstaande.

Leven; het natuurlijke, lichamelijke zijn; het leven steet hem wale; zijn leven stond er goed voor, d.w.z. hij zag er blakend en gezond uit, hij had een goede gezondheid, levende, laet mi levende; laat me in leven, doe liet hine levende daer;

toen liet hij hem daar leven.

Leversee; een mythische zee, bestaande uit een dikke, kleverige vloeistof, waarin de schepen bleven steken; aan de grenzen van de wereld.

Lewen, verbogen vorm v. Lewe; leeuw.

Lewerken; leeuweriken, Vgl. lawerke.

Libaerts voet; vrouwenmantel, Alchemilla vulgaris.

Licteken, lietekin; zie litteken.

Lichte; spoedig, of allicht.

Liden; passeren, voorbijgaan, oversteken, doorgaan.

Liebaerdinne; leeuwin.

Liebaert, liebarde; eig. luipaard; leeuw,

Lier; wang.

Liet = lietet; liet het na, verl. tijd v. laten; nalaten.

Liever, bi liever lade(n); bedaard, op z’n gemak, voorzichtig, ook: bi lievereladen.

Lijc; rustbed, vgl. lijs.

Lijf; leven, lichaam, live; lijf, leven, lichaam, verbogen vorm van lijf, na minen live; na mijn leven, te live; in leven, tussce minen live ende mire doot; zo lang ik leef.

Lijfnere; voedsel.

Lijs; rustbank, vgl. lijc.

Lindine; van de linde. Tilia.

Lise; zachtjes.

Liselike; zachtjes, zonder lawaai.

Liste; kennis van zaken, schranderheid, scherpzinnigheid, bi liste; met schrander overleg, met liste; kunstvaardig, met schrander overleg.

Liteken; gapende, diepe wond die een litteken zal nalaten.

Lithospermum: steensaet: peerlenkruyt, milium solis.

Loec; sloot, ging dicht.

Loe kup; kuip waarin het leer gelooid werd.

Loesche; lessen.

Loes leder; soort marokijn, aan de ene zijde rod, aan de andere wit.

Loet wyt; loodwit.

Loew oghen; oogziekte.

Loecht; lachte, Vgl. louch.

Loep; aanval; al was groot ju loep; al was je aanval hevig, hi onthaelde sinen loep; hi nam een aanloop om aan te vallen.

Loestene; verloste hem.

Loke; bijv. naamw., sluik, los.

Looc; sloot zich, ging dicht, loocse; drukte dicht.

Longhe wortel; longkruid, Pulmonaria officinalis.

Lope, ten lope setten; in beweging zetten.

Louch, verl. tijd v. Lachen; lachte. Vgl. loecht.

Love, verbogen vorm v. lof; tsinen love; tot zijn beschikking, coninc van love; beroemde, die hoge eer waard is, van betren love; van hoger roem, van groten love; zeer beroemd, voortreffelijk, die grote eer waard is, geëerd, beroemd, voortreffelijk.

Lucket; afdichten. Luken; sluiten. Luterent; afdichten, met klei, lutert.

Lude, lude ende stille;altijd, beslist, onder alle omstandigheden.

Luxurie, wulpsheid, geslachtsdrift.

Luutden, wederluutden: weerklonken, lude ww.: klonk.

Lyaert; appelgrauw, appelschimmel.

Lye; beken; ic ne lye verwonnen niet; ik verklaar me niet voor overwonnen, alsic lye; zoals ik naar waarheid meedeel, lyen; bekennen, der waerheit lyen; naar waarheid zeggen,

Lyoene; 3e nv., leeuw.

M.

Mach; kan, al dat hi mach, al datti mach; zo snel hij kon, zo spoedig mogelijk, zo ook als hi eerst mach, so hi eerst

mach, so hi best mach; zo goed hij kon, so hi meest mach; zo snel hij kon.

Macht, met zire macht; uit alle macht, zo snel hij kon.

Maelge; malie, Vgl. maelgen.

Maelgen; maliën.

Maelrouie, malrovie, marabien, maranyen, marobie, marouie, marubel, marubien, marlrouie; andoorn, prassij, Marrubium vulgare.

Maer; maar.

Maerbyen, moerbezien; vrucht van Morus nigra.

Maerch (hertin); merg van het hert.

Malue, maluen; Malva sylvestris.

Maerken; merken, opmerken.

Maetsen; houwen, neerslaan.

Magen, maghe; verwanten.

Maisniede, maissniede, maysniede, meisniede, meisenien, een verzamelnaam voor het gevolg van aanzienlijke heren, hetzij in dienstverhouding staande, hetzij in de verhouding van leenman tot leenheer; hofhouding, etc. Het woord dus naar gelang van de persoon tot wie de maisniede in betrekking staat;

Maken, hem maken; zich begeven naar, afgaande op, ghene droeve herte maken; niet treuren.

Mallic; ieder, mallic andren, mallinc andren; elkander.

Mals; overmoedig; hem mals maken; een hoge toon aanslaan.

Man; leenmannen.

Mane; kreupel (v.e. paard).

Maniere, hare maniere; de zede die daar heerste, bi wat manieren; tengevolge van welke eigenaardige gewoonte,

zede.

Manlic, manlijc, manlic andren; elkander. Vgl. mallic.

Manwaerhede; erewoord als man.

Marberine, ten marberine; aan marmeren tafels.

marberstene, 3e nv., marmer.

Marc; gewicht voor edel metaal: 8 ons goud.

Margen; morgen.

Marine; (zee)kust, oever.

Marken; opletten, zien.

Market, en market in ghere ontrouwe; beschouw het niet als valsheid.

Mas; stof, substantie.

Maste; ronde koeken, mastellen.

Mastic, mastick, mastike; mastiek, Pistatia lentiscus.

Masiere; muur, wand.

Mat; uitgeput, doodop, in toestand van machteloosheid, machteloos.

Mate, om de mate van ere mile; ongeveer zolang dat men een mijl rijdt.

Mayere; maaier.

Medewaert; midden; tot over die medewaert; tot over het midden.

Mee; meer.

Meer; wederom.

Meerre; groter.

Meeste, tmeeste; het ergste.

Meestrien, bi meestrien; met kunstvaardigheid, met meesterschap.

meijen, zie voeren.

Mekel; veel.

Melanghe; mengsel.

Melodie; vreugde, blijdschap, melodie driven jegen mi; genoegen smaken ten opzichte van mij, memorie, memorie doen; melding maken, in sijn memorie sijn; bij z’n verstand, bij zinnen zijn, verloes hare memorie; verloor haar denkvermogen.

Meneghe, die menege, meneghe; menigeen, velen.

Meneghen, den menegen, meneghen; menigeen, velen.

Menichfoude; op menigerlei wijze, op vele plaatsen.

Menichsins; velerlei, menichsins was zijn ghedochte; in allerlei richtingen gingen zijn gedachten.

Menighen, menege, menege, 3e nv.; menigeen, over menighen dach; gedurende vele dagen hierna = lange tijd hierna.

Menigherande; velerlei.

Menegertiere, menighertiere; veelsoortig, allerhande.

Menioet; liefelijk.

Mengelen, menghelen; inhoudsmaat voor vloeistoffen, gewoonlijk twee pinten.

Mer; men er.

Mere; groter.

Merde; talmde.

Mergen, merghen; zich verlustigen.

Merken; opvatten als een bewijs van; ghine moet merken / dit in ghene doorperheit; gij moet dit niet opvatten als een bewijs van onridderlijkheid.

Merne; verbogen vorm v.d. infin. v. Merren; toeven, merre, 1e ps. enkv. v. merren; toeven, merren, vele te merren rouwe; nog veel groter berouw.

Merradic, radech, peper woertelen; mierikswortel, Armoracia rusticana.

Merre, mirra; mirre, olibanum; Commiphora myrrha.

Merret; vermeerdering van seksuele potentie.

Mertscen haen; haan in maart geslacht.

Mersch; weiland, beemd.

Mesbaer, mesbaer driven; (hevig) weeklagen, mesbaerde, weeklaagde; bedreef rouw, mesbaert, 3e ps. enkv. tegenw. tijd v. mesbaren; te keer gaan, hevig jammeren, misbaar maken, weeklagen, verdriet, jammer,  vele mesbars driven; hevig te keer gaan.

Mesbieden; krenken, yet mesbieden; in enig opzicht krenken, kwaad doen, iem. op een ongepaste, onrechtvaardige wijze behandelen.

Mesdaden; zonden, misdaden, verkeerde daden.

Mesdaen; verkeerd gedaan, gehandeld.

Mesdaet; verkeerd, onjuist gedrag, misdaad, zonden.

Meskief; onheil, ellende, leed.

Meslaten; te keer gaan, misbaar maken, hem meslaten; weeklagen, misbaar maken, mesliet, verl. tijd v. meslaten.

Mesmaect; lelijk toegetakeld, mismaakt, misvormd, mesmaecte, verl. tijd v. mMesmaken, mesmaken, (wederk.) zich uitputten.

Mesquame; leed, verdriet, wat iem. deert.

Messanc; gezang dat bij de mis hoort, speciaal bij een lijkdienst.

Messat; verl. tijd v. messitten (+ 3e nv. -obj.);verkeerd zitten, ontsieren, niet passen.

Messchien; iets kwaads overkomen.

Mesvaert; er zeer slecht aan toe, dan zwak deelw. van mesvaren.

Mesval; ongeluk.

Mesvoerde; toetakelde, mesvoersdene, verled. tijd van mesvoersen, mishandelden hem.

Mesvoert; mishandeld.

Meswende, meswinde, eig. wending ten kwade; ongeluk, ellendige toestand, ongeluk, sonder meswenden; zonder verandering,

ononderbroken.

Met desen, op hetzelfde ogenblik, onmiddellijk daarop.

Metten = mettien; terstond daarop.

Metten, metten bliden sijn; verheugd zijn, sijt metten blijden; wees goedsmoeds.

Metter, metter jacht; ijlings.

Mettesen; tegelijkertijd, daarbij.

Metteser, metteser dinc; tegelijkertijd.

Mettien; meteen, op hetzelfde; onmiddellijk daarop.

Meyscer botren, meyske butter; in mei gewonnen boter.

Micken; letten op (2e nv.-obj.), streven naar, uitzijn op, overleggen, mict; vermoedt, denkt, micte, verl. tijd v. micken; achtslaan op, zich bekommeren om.

Middel; bijw., midden.

Miden, sonder miden; aanhoudend, al maar door.

Mids, mids ontwe(e); middendoor.

Mie; meermalen (vooral in rijm).

Miede; geschenk, geldschat als omkoopsom.

Mijn, een mijn broeder, een mijn oom, zie een; mijn belof;= de belofte aan mij gedaan.

Milde; edelmoedig, beschaafd, hoofs, fijngevoelig, zachtzinnig, goedertieren, barmhartig, zacht van aard, milden, verbogen vorm v. milde.

Mile; mijl.

Miltheit; goedertierenheid, barmhartigheid, goedheid.

Min; minder; min no mee; eig. niet minder en niet meer; no min no mee; juist zó als ik zeg.

Minnachte, te minnachte; te middernacht.

Minne; zelfst. naamw., liefde, soe droech / des ridders minne; zij koesterde liefde tot de ridder, hare minne;liefde voor haar, sine minne; liefde tot hem, der minnen spel spelen; minnekozen, minnen, verbogen vorm van minne.

Minen: mijn, mijnen.

Minnekijn; geliefde.

Minste, minste ende meeste; laag en hoog, iedereen.

Minster, van der minster; van de geringste.

Miracle; wonderen.

Misericorde; dolk.

Missen; (+ 2e nv.-obj.) ontberen, niet hebben, ontbreken; dies sone soudi missen niet; daarvan zou je niets ontbreken, dat alles zou je overkomen.

Mochte; kon, so hi eerst mochte; zodra hij kon, zo spoedig mogelijk, so hi best mochte; zo goed hij kon.

Moede, (si) waren vul van haren moede; ze waren in hevige opwinding.

Moest = moestet; moest het, moeste; had gelegenheid (om iets te doen), kon.

Moet, zelfst. naamw.,; gemoed, het innerlijk v.e. mens, geest, drift, hartstochtelijke gemoedsbeweging.

Moet, moge (omschr. v.e. wens), heeft gelegenheid, mag, moogt; hebt gelegenheid, vrijheid, moeti; moge gij, moetic; moge ik, moetic leven; als ik mag blijven leven.

Moete; zelfst. naamw., geschikte gelegenheid, vrije tijd; met goeder moete; toen het hem goed uitkwam, gelegen kwam.

Moeten; mogen.

Moetene; moge hem.

Moetheit; vermoeidheid.

Moghen; kunnen.

Moghenthede; kracht.

Moghet; kunt, so ghi eerst moghet; zo spoedig ge kunt.

Molken toueren; melktoverij.

Monteren’ te paard stijgen.

Moraet; moerbeienwijn.

Mordade; beroepen van mordade; tot een tweekamp uitgedaagd wegens doodslag, ook: beschuldigd van ....

Morssele; stukken, brokken.

Mort; slachting, bloedbad, moord.

Mortelinghe; vergruizeld, verbrijzeld, in gruizelementen.

Mortorie; slachting.

Moter; ongebluste kalk; ongebarnde kalck.

Motict; als ik het kan (verhinderen).

Moude; stof, aarde, modder, de mulle grond, onder die moude; onder de aarde.

Moyde; vermoeide.

Muenechdene, verl. tijd v. muenegen + pron. obj.; iem. de sacramenten der stervenden toedienen,  moneghen, moneghet, moneghe, moneget = monegedet, verl. tijd v. monegen.

Muerpeper, vermicularis, Sedum acre.

Mulsa; wijn en honing tezamen gemengd.

Mundificirt; gezuivert.

Mysquame; ziekte aandoening.

 

N.

Na; dichtbij, volgens, overeenkomstig, na sinen sin; volgens zijn bedoeling, bijna, nadien dat, overeenkomstig de omstandigheden, het feit dat, aangezien, doordat, omdat, nadien dat met jou staet; gezien de situatie waarin ge verkeert, nadien dat ghescepen staet;gerekend naar de omstandigheden waarin ge verkeert, nadien dat nu staet.

Naemwise; namen (= roofden) wij hen.

Naer; naar iets toe, ergens bij; er achteraan, daarna, (al)so naer (+ 3e nv.); dichtbij, of also naer; of zo ongeveer, ten naaste te hove naer;= naar het hof, hi tart naer; hij volgde of: kwam dichterbij, ghinc naer;volgde.

Naerre; dichterbij.

Naeste, dit naeste jaer; dit hele volgende jaar, een jaar na dezen.

Nalichts, nalics; bijna.

Nalinc; dichtbij, vlak in de buurt.

Namecont; beroemd.

Namelike; uitsluitend, met name, bepaaldelijk, in eigen persoon.

Nap; schaal, schotel, of beker, nappe(n), meerv. v. nap.

Navens, navons; ‘s avonds.

Ne; negat. partikel; vaak samengesmolten met een voornw.: in; ic ne, wine, hine, enz.

Neder; laag.

Neest = ne est; is het niet.

Neffens; naast, daer neffens dat hi wilde / een deel neffens sinen scilde; naast de plaats waarop hij hem wilde treffen, welker neffens; waarnaast?

Ne gheen; geen; ne gheen man; niemand.

Nemet, nemet ware; denk er om, zorg er voor.

Nemmee, nemmeer; niet meer, nooit meer, nimmer, niemand anders, niets meer, nemmer een; helemaal niemand, nemmerme(e); nooit (meer), nemmermere, (nog) nooit.

Nept, nepta, nepita; Nepata cataria.

Nesen; genezen, neset; genees het.

Nerenst; ernst.

Nese; neus, ic soude mine nese breken; ik zou van voren gekwetst worden, (vgl. onze uitdr.: ik zou mijn neus stoten.

Nesebant; ijzeren band om de helm, die de neus beschermt.

Netet; maak nat, nettense; ze nat maken, nettent; het nat maken, netter; maak er in nat, nettet; nat maakt.

Nezelocken; neusopeningen. Nosteren; neusvleugels.

Neve; verwant, neef, ook: vriend.

Neven; naast, naast, aan de kant van, langs.

Ne ware, eig. was het niet dat - maar, maar, tenzij, als er niet geweest was, ne ware dese zake; als dit er niet was,

ne waer dat; behalve dat, maar.

Neyede; hinnikte.

Nide, 3e nv. v. nijt; haat, verbittering, strijdlust; met nide; grimmig, verwoed, fel, met harstochtelijke strijdlust.

Nie; nooit; nie sider wistic waer hi voer; ik weet absoluut niet waar hij sedertdien is heengegaan.

Niemare; tijding, bericht(en), gerucht, nieuws, inlichtingen, faam, nieuwtje.

Niemen; niemand.

Niene; niet nee.

Niet; niets.

Nieute, te nieute maken; te niet doen.

Nieuwer, niewer = nie waer; nergens, helemaal niet(s), nieuwer ... el,;niets anders, nieuwer gheen; nergens een.

Nieuwes, van nieuwes; opnieuw.

Niewe, die niewe rudder; de pas tot ridder geslagen jongeling.

Niewerinc; nergens.

Nijt, nijt hebben te miwaert; boos zijn op mij, wrok hebben tegen mij.

Nijtspele, in den nijtspele; in de strijd, het gevecht.

Noch; tot nu toe.

Nochtan dat; hoewel.

Nochtoe, nochtoene; toen nog (niet), op dat ogenblik (nog niet), tot nu toe.

Nodan; nochtans, evenwel, nodan dat; hoewel.

Node; niet gaarne, slechts als het noodzakelijk is, bi node; uit noodzaak.

Noden; dwingen, nopen: zij laten zich daartoe niet dwingen, m.a.w. zij zullen het zeker niet goedschiks doen.

Noene = nona hora, eig. 9e uur na 6 uur = 3 uur ‘s middags (12 uur); (na)middag, noenen daghes, midden op de dag.

Noet wrint; vriend in nood.

Noit; ooit.

Nomen; noemen.

Nontsachic; vreesde ik niet voor.

Nontsiet, nontsiet u niet; ga gerust uw gang.

Nontspranc;, schoot niet uit de slaap op, ontwaakte niet.

Noort oost; naar de hel, die volgens heidense begrippen in het noorden lag.

Noot, noot hebben + 2e nv.-obj.;nodig hebben, behoefte hebben aan..

Nootsin; force majeure, een zaak die buiten de beschikking v.d. mens valt, vandaar: wettige verontschuldigingen.

Nopen; zich bewegen.

Nosen; deren, schaden, hinderen.

Noten, so en gavic niet drie noten om hem allen; ik ben helemaal niet bang voor hen.

Nouwe, het stont so nouwe; de situatie was voor mij zo hachelijk.

Nuchtens; ‘s morgens vroeg.

Nune, nu + ontk.; nune sach ic noyt so drouven dach; tot nu toe heb ik nog nooit zo’n ellendige dag beleefd.

O.

Obulis; Latijn obool; muntstuk, ook gewichtsaanduiding.

Ockernoten, noker noten, wal noete, walnot, walschen noten, Latijn nux usualis; Juglans regia.

Ocsuun; oorzaak, 9117.

Odevaer, odeuare, oudeuaers, oudevers; ooievaar. Odevaers bec, ook Geranium.

Oerbaert, orbaert, oerbert, oerbart; gebruik het.

Oeuste; hoest.

Of, bijw.,; af, voegw., als, indien,oft; alsof het, in de hoop dat, ofgaen; afwijken van, een belofte laten varen, niet naleven,

of ghereden; daar vandaan gereden, of no toe, daar ne ghinc niemen of no toe; niemand verroerde zich, oft, voegw., als, indien.

Oit; altijd.

Olde, olden; oude.

Olders; elders.

Olivier; olijfboom, Olea, oliviere, verbogen vorm v. olivier.

Ombedacht; gedachtenloos, dom.

Ombeidde = ontbeidde; wachtte.

Ombeit, gebied.wijs; wacht.

Omboot, verleden tijd v. Ombieden; ontbieden; toewensen, eig. aanbieden; goeden dach ombieden; groeten, goede dag zeggen, toewensen.

Om dat; causaal, redengevend voegw., omdat.

Ommare, ommare hebben + obj.;onaangenaam vinden.

Omme lanc; tenslotte.

Ommer = emmer; aldoor, steeds.

Omminnen; haat, vijandschap; met omminnen; grimmig, verwoed.

Omoede, omoet; genade.

Omtrent; in de omtrek van; omtrent dat bedde; rondom, aan alle kanten van het bed.

Onbaren; nalaten, dat ghijs niet ne sult onbaren / daer ic jou sende ghine sult varen; dat ge niet zult nalaten te gaan naar de plaats waar ik u heen zend.

Onbaten, thare onbaten; tot hun nadeel, om hun ellende te vergroten.

Onbederve; schade, nadeel.

Onbeiden; wachten op, onbeit, geb. wijs, wacht!

Onberaden; zonder hulp of bijstand, aan zichzelf overgelaten, besluiteloos, in onzekerheid.

Onberen; nalaten (+ 2e nv.-obj.), die vaert onberen; afzien van de tocht, niet doen, nalaten.

Onberets, gebied. wijs v. onberen (+ 2e nv.-obj.) = laat het na.

Onberne, dies ne staet mi tonberne; dat kan ik niet nalaten.

Onbiden = ontbiden (+ 2e nv.-obj.) = talmen, een afwachtende houding aannemen, opwachten.

Onbeseffelick; ongevoelig.

Oneren; slecht maken.

Onboren; volt. deelw. v. on(t)beren (+ 2e nv.-obj.); nalaten.

Oncont; onbekend.

Ondaden; zelfst. naamw., wandaden.

Ondaden, verl. tijd v. on(t)doen; opendeden, gingen open.

Ondadich; snood, gewetenloos.

Ondaen = ontdaen; geopend, open gedaan, wel ondaen; breed uitgespreid. Vgl. ondoen.

Ondaet; wandaad, boze daad.

Ondanc, in de uitdr. dies hebt ondanc; daarvoor moogt ge gestraft worden, vervloekt moogt ge zijn!.

Ondeckt, ondect; van bedekking beroofd, bloot gemaakt, ontbloot.

Ondede; opende zich, ging open.

Onder, drukt relatie van wederkerigheid uit; onder hem beden; onderling, met elkaar, tezamen, comen onder hem beden; elkaar ontmoeten - vechten met elkaar, vergaderen onder hem tween; op elkaar in stormen.

Ondergaven, verl. tijd v. hem ondergeven; op elkaar in slaan.

Ondermoeten; elkaar naderen, ev.: te lijf gaen.

Onderstaken, verl. tijd v. Ondersteken; elkaar steken met lans, speer.

Ondervenden; ontdekken, door onderzoek te weten komen.

Onder voren ende naer; voor en na, in de loop v.h. gevecht.

Onderwint, die sijns onderwint; die zich zijn lot aantrekt, voor hem zorgt.

Ondoen; opendoen, slachten, opensnijden om de ingewanden eruit te nemen.

Ondoet, 3e ps. enkv. tegenw. t.v. ondoen, zie ald. - gebied. wijs, doe open!

Ongedaen; misvormd, wanstaltig, gruwelijk.

Ongehier, ongehiere; huiveringwekkend, schrikaanjagend.

Ongematen; onmatig.

Ongespaert; onverwijld.

Ongeval; tegenslag.

Onghearent, ontk. volt. deelw. v. ar(e)nen; oogsten: zonder geoogst te hebben, fig.: onverrichterzake.

Onghedouden, verbogen vorm v. Onghedoude; afschuwelijk, ondraaglijk.

Onghehiere; onheilspellend, woest, onherbergzaam, verschrikkelijk. Vgl. ongehiere.

Onghehoort; niet geacht, niet gezien.

Onghemac; letsel, pijn, van allen onghemaken; v. alle pijnen en verwondingen. Zie verder tonghemake.

Onghemake, met onghemake; op onaangename, onzachte, pijnlijke wijze, onghemaken, meerv. v. onghemac.

Onghenadich; niet goedgunstig gezind.

Onghereet, onghereit; niet tot iem.’s beschikking; niet in het bereik, weg, zoek, onbereikbaar, hets mi onghereit; ik heb het niet tot mijn beschikking.

Ongheval; ongeluk, tegenspoed, noodlottige gebeurtenis, onghevalle, 3e nv. v. ongheval.

Onghevouch; leed, onaangename omstandigheden.

Onghingen; ontgingen, ontkwamen.

Ongoede, te ongoede; tot nadeel, ongeluk.

Onhout; onvriendelijk, vijandig.

Onlanghe; niet lang.

Onmaelgieren; beroven van maliën, kapotslaan, onmaelgiert, deelw. v. onmaelgieren: beroofd van maliën, kapot.

Onmate; overdaad, buitensporigheid.

Onminnen, met onminnen; met haat, vijandschap, woedend, tegen onze zin, ongaarne, onvriendelijk.

Onnen; gunnen, toestaan.

Onnere; schandelijke daad.

Oongel, onghel; vet, smeer, reuzel.

Onorbaerlic; ongeschikt, slecht

Ontcommert; bevrijdt.

Ontnadet; maak het genaaide los. Ontornen; losmaken

Onsaken, (+ 2e nv.-obj.) weigeren.

Onsede; onbehoorlijk en onrechtmatig gedrag.

Onseghe; nederlaag.

Onset (= ontset), getroffen, gekwetst.

Onsiene; gevaarlijk, hachelijk, afzichtelijk, gevaarlijk, hevig (van wonden).

Onsochte; hard, moeilijk, bijzonder onaangenaam, iem. onsochte doen; pijn doen, onsochte te moede sijn; in een verdrietige stemming zijn, verdriet doen.

Onsprongen; wakker werden.

Onstaen; weerstand bieden, doorstaan, ontkomen aan, heelhuids afkomen.

ontbaren = ontberen = zich onthouden van, ophouden met, staken, 180.

Ontbeidi; als ge langer wacht, ontbeiden, (+ 2e nv.-obj.) afwachten, wachten, opwachten, ontbiden; beleven. Vgl. onbeiden en onbiden.

Ontbeit, gebied. wijs, wacht een ogenblik.

Ontbinden;  ‘uit de doekjes doen’, tot in finesses verhalen.

Ontboet, ontboot, onboot, verleden tijd v. ontbieden;(toe)wensen.

Ontcochte, verl. tijd v. Ontcopen; afkopen.

Ontcrachten; ontroven, ontweldigen.

Ontdede; opende.

Ontdraghen, ontdragen, eig. wegdragen; m.a.w. weggaan zonder tol te betalen, gered, er goed afgebracht.

Ontfacht, eert hem ontfacht; eer zij er genoeg van hadden.

Ontfaen; ontvangen, in genade aannemen, vergeven.

Ontfaert, ontfaren, ontfaren, ontvaren; ontgaan, ontsnappen. Ontfoer, verl. tijd v. Ontfaren.

Ontfarmede, dies ontfarmede; daarmee had hij medelijden.

Ontfarmelike; erbarmelijk.

Ontfarmen; ontfermen.

Ontgangen; ontgaan, ontkomen.

Ontghelden; boeten voor iets, iets bezuren.

Onthaelde, onthaelden, verl. tijd v. Onthalen; ontvangen (v.e. gast), gastvrij inhalen.

Ontherft; tegenw. tijd v. Ontherven; onterven, beroven (van bezit, land en erf), ruïneren, in ’t verderf storten.

Onthier ende; totdat.

Onthouden; bezet houden, verdedigen.

Ontknochte, verl. tijd v. Ontcnopen; eig. ontknopen, losmaken, v.d.: uiteen doen vallen.

Ontleet; ontvoerd.

Ontletste; maakte los.

Ontliven; van het leven beroven, doden, ontlivene, tontlivene; te doden.

Ontmaelgierdi = ontmaelgierde hi, verl. tijd v. ontmaelgieren; van maliën beroven, stuk slaan.

Ontploec, ontplooc, verl. tijd v. Ontpluken; opengaan, ontploken, geopend.

Ontrouwe, ontrouwe doen; zich gemeen gedragen tegenover iem..

Ontsach, verl. tijd v. ontsien (wederk.);bang zijn voor.

Ontsat, verl. tijd v. Ontsitten; (te paard zittend) ontkomen.

Ontsciet; wakker werd.

Ontseide; weigerde, ontseiden, ontseiden .... vrede = zegden de vrede op, verklaarden de oorlog.

Ontsien; geducht.

Ontsloten; geopend.

Ontspranc, 3e ps. enkv. verl. tijd v. Ontspringen; wakker worden, ontwaken, door een sprong ontkomen.

Ontstaen; ontkomen, ontgaan, ergens levend, heelhuids afkomen.

Ontstect; ontvlamt, ontsteken, volt. deelw., ontstoken, vlam gevat.

Ontstoet; stand hield.

Ontwant, verl. tijd v. Ontwinden; uitschieten.

Ontwapenen; de wapenrusting uitdoen.

Ontwe, ontwee, in tweeën, doormidden, kapot.

Ontwieken; ontwaakten.

Onvergouden; niet vergolden.

Onvervaerde, die onvervaerde; de stoutmoedige.

Onvrede, in dien onvrede; bij die twist, het vijandelijk samentreffen.

Onvro, ic bems onvro; ik betreur het zeer.

Onvroeder, sijns zins werden onvroeder; uitzinnig worden van smart.

Onvroet; onwijs, onverstandig, onvroet van minen zinne; uit-, waanzinnig.

Onwaerde; smadelijk, met onwaerde; op smadelijke wijze.

Onwaerdelike; minachtend.

Onwerde; minachting, laatdunkendheid, onwerden, verbogen vorm v. onwerde.

Onwijs; onbekend; mi es onwijs; ik weet het niet.

Onwille, te minen onwille; tegen mijn zin.

Openbare, een openbare wijf; een publieke vrouw?

Opilacie, opilacien, opilancie; verstopping.

Opiu, opij, opium van Papaver somniferum.

Oppolnac, opponac, Opopanax chironium.

Op rasenen; braken.

Orbart; gebruik het, orbartse; orbartzel gebruik ze, orberen; gebruiken.

Orcont; deelt mede.

Orcussijn; oorkussen, hoofdkussen. Vgl. cussijn.

Ordineerde; de slagorde vormen, bevelen geven voor de strijd, regelen, uitrusten.

Orlof, eig. toestemming om te vertrekken, vd. afscheid, orlof gheven; zeggen dat (ze) kunnen weggaan, orlof nemen; afscheid nemen (eig. verlof vragen om heen te mogen gaan, zoals de etiquette aan het hof vereist).

Ors; paard, ros, orse, meerv. v. ors, orse, verbogen vorm v. ors, orssen, meerv. v. ors.

Ort; punt v.d. speer, orde, verbogen vorm v. ort.

Otrihierde, verl. tijd v. Otrihieren; toestemming geven, erin bewilligen.

Oude = houde; also oude als; zodra.

Oudervader; grootvader.

Over; hierna over menighen dach; lang hierna, over zine knien; op zijn knieën, over sine bene; op zijn benen, over die tafle; aan tafel, over waerhede; voor waar, als vaststaand.

Overdaet; schanddaad, onbetamelijke daad, een overdaet vellen; een eind maken aan een schandelijk gedrag.

Over dwers; dwars over.

Over een; gemeenschappelijk.

Overlanc; al lang.

Overmoede; met overmoede; met trots, vermetel geweld.

Overmoedich, overmoet; trots, fier., vermoedichede; aanmatigende trots, verwatenheid.

Over stoute, die over stoute; de zeer dappere.

Over waer; voor zeker, naar waarheid, stellig, als volkomen zeker.

Ow loken; oude lappen, vodden.

Oyte; ooit.

 

P.

Paddenwijs; als een pad.

Palafroet; telganger.

Palais, palas; paleis, kasteel.

Pakers: melaats, ook in de ruimere zin van verscheidene soorten van huidziekten.

Palesyn: verlamming. Engels palsy.

Palliert; gepolijst.

Pallipodium, polipodie; Polypodium vulgare.

Palme christi, palmam christi, Ricinus officinalis.

Pant; leed, letsel, pant doen = letsel, pijn doen; narigheid bezorgen.

Pape; geestelijke, priester, pastoor, pape wyen; tot priester wijden.

Papelen, papple; Malva sylvestris.

Papen crude, papencruydt, papencruut, Taraxacum officinale.

Papen cullen, saturionis, Orchis morio.

Parc; ruimte die een krijger om zich heen weet vrij te houden, strijdperk.

Paren; peren; in gheve om u dreghen niet II paren; ik geef geen zier om je dreigementen.

Parlemente, in parlemente; in beroering.

Partie; bende, troep.

Passaedse, passage; doorwaadbare plaats, doorgang, toegangsweg.

Pautenier; vagebond, landloper, schelm.

Pauwelgoene, pauwelioene, pauwelioene, paviljoen, tent.

Pavement; plaveisel, vloer.

Payement, payment; loon, vergelding, beloning, betaling.

Pays, pais; vrede, doet jou te paise;weest vergenoegd.

Pec, een pec; een stuk pik, pek.

Peinsen; denken om.

Peinstren; grazen.

Pellel; kleed, tapijt, dekkleed, omhulsel, pellele, verbogen vorm v. pellel.

Penitencie; boetedoening.

Penitentien; boete.

Pensende; peinzend.

Perse; stuwing, persing.

Persse; strijdgewoel, persti, 3e ps. enkv. verl. tijd v. Persen; in het nauw brengen, toetakelen.

Peterijn; doopvader; een mijn peterijn; een van mijn doopvaders.

Pijnde; zich inspande. Vgl. pinen, pijnt, 2e ps. enkv. tegenw. tijd v. Pijnen; moeite doen, zich inspannen, ende pijnt altoos om minen scamp; en die er altijd op uit is mij te beschimpen.

Piken; lansen, pieken.

Pilare; pijler, zuil.

Pile; pijlen.

Pilosella, pilozella, muizenoor, Hieracium pilosella.

Pincke; pink; eenjarig kalf.

Pinsterblommen, Narcissus poeticus, ook Cardamine pratensis.

Pine; moeite, inspanning, ellende, hachelijke en pijnlijke toestand, lichamelijk lijden, overlast, moeite, last, dat hem die pine al hadde ghedaen; die hem al die moeite had bezorgd, in groter pine;in grote moeite, pinen, verbogen vorm v. pine.

Pinen; w.w., zich inspannen. Vgl. pijnt, pijnde en ghepijnt.

Pingeringhe; schildering.

Pit; put, kuil, holte.

Plaintheit, plantheit, planteit; overvloed.

Plasant; aangenaam.

Platteel; schotel.

Plumbi; lood.

Pleghen, plegen, dies hi niet dicke ne plach; wat hij niet dikwijls deed, siere ziele plegen; zorgen voor z’n zieleheil, ridens plegen; de tocht ondernemen, plegen die doot; sterven, siere hulpe plegen; hem helpen, plach sijns; zorgde voor hem.

Plein; vlakte, vlakke open ruimte, pleine, verbogen vorm v. plein.

Plien; plegen, doen; alst pliet;zoals het regel is. Vgl. pleghen, pliet, tegenw. t.v. plien.

Poekelgens; bolletjes.

Poelmente; pap, brij, moes.

Pogede, pogede om;het toelegde op.

Pointe, te pointe; juist van pas, op de juiste plaats, manier; te pointe cout te poin