B.

Baafse: Vadersnaam. Zoon van Baaf, Latijn Bavo, Germaanse voornaam. In de verkleinvorm Baafje als vrouwennaam. In Aardenburg staat de Sint-Baafskerk.

Baak, (de), (de) Baek, Baecke: Vlaams (de) Baeke. Middelnederlands baec, bake ‘varkensvlees, spek, geslacht varken, levend varken’. Beroepsbijnaam van een varkensboer, varkensfokker of –slachter, slager. Vergelijk Engels bacon.

Baak, van: Plaatsnaam Baak in Steenderen (Gelderland).

Baal, van, van Bael, van Baele, van Bol, Verbal, Verbaal: 1. Plaatsnaam Baal in Bemmel (Gelderland) of in Tremelo (Vlaams-Brabant). 2. Plaatsnaam Baarlo (Nederlands-Limburg of Baarle (Noord-Brabant, Belgisch-Limburg, Provincie Antwerpen) Baal uitgesproken, Barlo in Aalten (Gelderland), Bale uitgesproken. Er is ook een verdronken Baerle bij Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen). Zie ook van Baarle.

Baale, (de) Baele: Middelnederlands Bael ‘voogd’, van Oudfrans bail, bal, Midden Latijn Bailus ‘voogd, beheerder, gouverneur, gezant’.

Baan, van der, Baane, de Baene: Middelnederlands Bane ‘speelbaan, kaatsbaan; betreden en gangbare weg’. Bijnaam voor een kaatser of speler; of beroepsbijnaam voor een straatmaker.

Baan, van der, Verbaan, van der Ban, van der Band: 1. Plaatsnaam Baan ‘gangbare weg, effen weg; kaatsbaan’. De Zierikzeese familienaam van der Baan stamt van ‘de nog te Zierikzee bestaande lijnbaan, waar Rutsaert Hendriksz en zijn zoon het touwslagersbedrijf uitoefenden’. 2. Of Van der Baan is een vondelingnaam: gevonden op de Baangracht in de 18de eeuw.

Baankreis: Plaatsnaam in Gorssel (Gelderland): 1491 Baeinckreyse.

Baanstra: Fries baen; baan, –stra afleiding van Van der Baan.

Baar, van, (van) Baer: Plaatsnaam Baar: slagboom, afsluiting. Vergelijk Verbaere.

Baar, de; de Baer, de Baere: Vlaamse (de) Baere. Bijnaam. Middelnederlands Baer ‘naakt, bloot’.

Baard, Baart, Bartz, Baartz, Barts, Bartz, Baert, Baerts, Bart, Barth, Bard.: Vlaamse Baert. 1. Meestal bijnaam voor iemand met een baard. 'cum barba, mit dem Barte'. 2. Verkorting van een bertht-, bard-naam, zoals bijvoorbeeld Isebaert, Notebaert. 3. Mogelijk ook uit een huis(herberg)naam ‘ad Barbam’. Baertsoen; zoon van Baart.

Baarde, van, Beerda, Baard, Bearda. Plaatsnaam als Baard, Friesland.

Baardemaeker, de, de Baerdemaecker, de Baerdemaker, de Baerdemacker, de Baerdemaker, de Baerdenmacker, de Bardemacker, de Baeremaker, de Baeremeker, de Baeremaecker, Baermaker, Barremaeker, Barremaecker, Barremaeckers, Barremacker, de Borremaecker. Beroepsnaam voor iemand die zich met baarden en later ook met andere dingen bezighield: scheerder, heelmeester.

Baardman, Baartmans, Baerdeman, Bartman, Bartmann: Bijnaam voor iemand die een baard draagt of beroepsnaam van de baardmaker, barbier.

Baardwijk, Baardewijk (van): Plaatsnaam Baardwijk in Waalwijk (Noord-Brabant).

Baarle, van, Barel, Baerle, van Barel, van Baerlem: Plaatsnaam Baarle in Drongen (Oost-Vlaanderen), Tessenderlo (Belgisch Limburg), bij Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen), Baarle-Hertog (Provincie Antwerpen) Baarle-Nassau (Noord-Brabant) of Baarle (Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel). 2. Of uit de plaatsnaam Baerle in Zegelgem en Tielt (West-Vlaanderen).

Baars, (den); Baers, Bars, Le Bars: Bijnaam naar de visnaam of vanwege de huisnaam.

Baarschers: Beroepsnaam. Afleiding van Middelnederlands Baertscheerre ‘baardscheerder, barbier’.

Baarsdorp, van: Plaatsnaam Baarsdorp (Borsele, Zeeland).

Baarslag: Duitse familienaam Bartenschlag ‘slag met de slagersbijl’. Bijnaam van de slager.

Baarspul: De naam komt vooral in Holland en Utrecht voor. Wellicht Deense familienaam Barsbol(l), naar de plaatsnaam Barsbøl (Nordjylland). In Zeeland kwam hij in 1947 slechts één keer voor.

Baas, Baes: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Baso. 2. Vadersnaam. Uit Baefs, afleiding van Bave, de Germaanse voornaam Bavo. West-Vlaamse Sente-Baas is namelijk Sint-Baafs. (de H. Bavo is de patroonheilige van Aardenburg). 3. Bijnaam de Baas, voor de huisvader.

Baast, van. Plaatsnaam Baast bij Oirschot (Noord-Brabant) en in Oostelbeers (Noord-Brabant).

Baat, de; de Bat, de Bath: Bijnaam voor iemand die ‘baat’ of voordeel heeft?

Baatout. Tunesische familienaam.

Baats, Baatsen, Baetsen, Baaths, Baatz, Baets, Badts, Bats: Vadersnaam. Afleiding op -so van Germaanse badu-naam; 'strijd'. Vergelijk vrouwelijk Baza.

Baaij: Bijnaam, Middelnederlands bay, Oudfrans Bai ‘roodbruin, roodbruin paard’.

Baaijen, Baaijens, Baeyens, Baijens, Bajens, Bayings, Bais: Vadersnaam. Hypercorrecte spelling voor Boyen(s), van Middelnederlands Boidin, naast Boudin vleivorm van de Germaanse voornaam Boudewijn. Zie Boidin.

Babay, Babey: Vadersnaam/moedersnaam Verkleinvorm van Germaans bakernaam Babbe, of van Barbara (Reaney) of Isabelle.

Babbaert, Babbaerts, Baba, Babar. Afleiding van werkwoord babben: kwijlen. Bijnaam voor een kwijler.

Babin, Babijn: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Babo, bijvoorbeeld gelatiniseerd Babinus.

Bach: Duitse familienaam bach ‘beek’. Vergelijk van der Beek.

Bache. 1. Familienaam uit de Bauche (op een paar plaatsen in Frankrijk). 2. Beroepsnaam uit het Romaanse 'bache', een variant van het Germaanse bakker.

Babel. Vadersnaam van de Germaanse voornaam Bavo; vergelijk Babila (Moedersnaam) en Bavilo (Vadersnaam) 2. Of Bijbelse toespeling op Babel?

Bachelier, Bachely, Bachiller, Backler, Baclère, Baclere, Basselierse, Basselier, Baselier, (de) Baetselier, Batselier, de Baetzellier, de Baetzelier, de Batzelier, Bassleer, Baseleer, Basler, Basselaire, Baetseleer, Batsleer, (de) Baetseleer, Batseleer, (de) Baetselair, Batselare, de Botselier, de Boitselier, Besselaar, Besselaere, Besseleer, Besseleers, Besselers, Bastelier, Basteleer, Basteleur, Basteleurs. Familienaam uit het Oudfranse bachel(i)er: jong edelman in dienst van een andere ridder.

Baben, Bâbe, Babbe, Babe, Baeb, Baep: 1. Vadersnaam. Germaanse bakernaam Babo. 2. Moedersnaam. Waals Bâbe, Frans Barbe, voornaam Barbara. 3. Of Waals bâbe, Frans barbe: baard. Bijnaam.

Babet, Babette, Babey, Babez: 1. Vaders-, moedersnaam, van Germaanse bakernaam Babbe (zie Baben), of eventueel Barbara of Isabelle. 2. Zie Barbet.

Babijn, Babinot, Babinez: Vadersnaam. Vleivormen van Germaanse voornaam Babo (vergelijk Baben). Babinus.

Babilas, Babylas: Bretons vadersnaam. Naam van een patriarch-martelaar van Antiochië.

Babilone, Babylone, Babylon, Babiloni: Vadersnaam. Frans vleivormen op -ilon van de Germaanse voornaam Bavo: Babo, Babila, Bavilo. Vergelijk Babilot, Babelon, Babelet, Babelin, Bablon.

Baboeuf, Bobeuf: Plaatsnam Baboeuf (Oise).

Babulot. Variant van Babilot, van -ilôt van Germaanse voornaam Babo, Bavo; zie Babilon(e).

Babut, Babusiaux: Oudfrans babuse: geleuter, kletspraat, scherts. Bijnaam.

Bac. Duitse familienaam Bach; beek, vergelijk Beke.

Backer, Backere, (de), Bak, Bäcker, Backers, (de) Bakker, Bakkere, (de) Backker, de Bachere, de Baccker, de Backre, (de) Baecker, Baeker, de Baeckere, de Baekere, (de) Baker, Bakkers, den Bakker, Bakkeren, Bakkert, Bakkerus, Backerus, de Bacquer, Bacquère, de Bakère, (de/den) Bekker, (de) Becker, Beckers, Beckker, Becher, Bechers, (de) Beckker, de Beker, Bekkers, Beekkers, Beekers, Beekher, Beckert, Bekkeren, Bekkering, Bekkeringh, Beckeringh, Beckering, de Bacque, Deback, Debacq, Debaqcue,..1. Beroepsnaam voor een bakker. 2. Heel soms kan de familienaam afgeleid zijn van een ander beroep: backer = veerman. Deback / Debacq(ue) is de Waalse aanpassing van De Back(e)re, met reductie kr/k.

Backman, Bacman. 1. Beroepsnaam. Afleiding van Backer. 2. Franse aanpassing van Duitse Bachmann.

Bachellerie, Bachelrie. Plaatsnaam Les Bachelleries in Villerot en Sirault, Henegouwen.

Bachelet, Bachelez, Bachelay, Bachellé, Basselet, Baselet, Basselez, Basselé, Bassele, Bassle, Basslé, Baslé, Basley, Basle, Batselé, Batslé, Batsle, Baetselé, Baetslé, Baetsele, Baetsle, Backlet, Bacle, Backelé, van Backlé: Theoretisch van Bachelet, Oudpicardisch Baquelet van Frans Bachelier. Maar aangezien vormen van ontbreken, gaat het ongetwijfeld om variant van Bachelier, door suffixsubstitutie. Ba(t)slé en Ba(t)sleer (en varianten) kwamen trouwens door en voor elkaar voor. Een schijnbaar oude vorm 1417 Willem de Bacheleet, St.-Winoks is wel een verkeerde lezing voor Bacheleer. Trouwens, 16dee eeuwse immigranten uit Noord Frankrijk, die ongetwijfeld dezelfde naam droegen, werden nu eens als Bacclé, dan weer als Bacleer opgetekend.

Bachelier, Bachely, Bachiller, Backler, Baclère, Baclere, Basseliere, Basselier, Basilier, (de) Baetselier, Batselier, de Baetzellier, Baetzelier, de Batzelier, Bassleer, Baseleer, Basler, Basselaire, Baetseleer, Batsleer, (de) Baetseleer, Batseleer, (de) Baetseleir, Batselaere, de Botselier, de Boitselier, Besselaar, Besselaère, Besseleer, Besseleers, Besselers, Bastelier, Basteleer, Basteleurs, Basteleur; Oudfrans bachel(i)er, Bachelor, Oudpicardisch bakel(i)er, Middelnederlands bacheleer, baetseleer, basseler, Basselaer: jong edelman, in dienst van een andere ridder; ook baccalaureus, Frans bachelier, dat eveneens teruggaat tot Latijn baccalarius. Zie ook Bachelet.

Bacherius, Bachérius: Latinisering van beroepsnaam De Backer.

Bachet, Bachez, Bacher. Van Oudfrans bac; bootje. Vergelijk Baquet, Bachot.

Bachman, Bachmann, Backman, Bakman, Bachmeyer, Bachmajer. Duitse afleiding van Bach; beek.

Bacho, Bachot, Baco, Bacot. Afleiding van Oudfrans bac; veerboot.

Bachrach. Plaatsnaam Bacharach, Reinland-Pfalts.

Bachus, Bacchus, Backhuisen, Backhuis, Bakhuizen, Backhaus, Bacaus, Bakkaus, Bakaus, Backhouse, Backus, Bakkus, Baccus, Bacus, Baccu, Bacu, Backes, Beckhaus, Becaus, Beckooz, Beckoz: Middelnederlands, Noord-Duits, Duits en Engelse vormen voor bakhuis: bakkerij. De vorm Beckooz geeft de verfranste uitspraak weer van Beckhaus.

Backaert, Backaers, Bakkaert, Bakkart, Baccaert, Baccart, Bacquaert, Bacquart, Bacart, Baca, Baccar, Bacca, Baeckaert: 1. Afleiding van werkwoord backen: bakken. Variant voor De Backer. 2. Variant van Middelnederlands baggaert: bedelaar, (ook) beggaard, lid van een geestelijke broederschap. 3. Vadersnaam. Germaanse voornaam Baghard. 4. Soms = Beckaert.

Backe. Variant van Back, Bak of van Baeke.

Backeberg. Plaatsnaam.

Backelion, Bakelion, Backeljan: Wellicht variant van Backeljau, een familienaam die eveneens in Henegouwen voorkomt. Vergelijk Mispelon, van Mesplau. Maar niet uit te sluiten is een variant van Boucquillon, met voortonige klinkerversterking (vergelijk Marcel, Waals-Vlaams arloozje = horloge); zie Bosquillon.

Backhoven, Backhovens, Bakkovens, Bakhovens: 1. Bakoven. Beroepsnaam van de bakker. Vergelijk Duits Backofen. 2. Plaatsnaam in Ophoven (Limburg).

Backschies. Brech. verklaart Bockscheiss als grove scheldnaam: bokkenscheet. Of veeler Bockschiess: bokkenschieter. Vergelijk Schietekat.

Backus, Backes, Buchus, Backhuis, Bakkus. Limburgse variant van Bakhuis.

Baclain, Baclaine, Baclène, Bacquelaine: Plaatsnaam: waternaam, afleiding van Germaans baki: beek. Plaatsnaam in Leuven (Vlaams-Brabant), Bornai, Longueville, Mont-Saint-André, Neerheilissem, Opprebais, Adorp, Bierk, Waver (Waals-Brabant), Geer, Hollogne, Warnant-Dreye (Luik).

Baclin. Plaatsnaam Baclin in Mont-le-Ban.

Bacraux, Bacroix, Bacros: Waarschijnlijk Waalse afleidingen van Bacrot.

Bad, (de): Vermoedelijk variant voor De Baat.

Bade, Baade: 1. Zie (van) Baden. 2. Vadersnaam, Luxemburg, Waalse vorm voor Baude. 3. Vadersnaam, Noord-Duitse vorm voor Bode, Germaanse voornaam Bodo (vergelijk Badke).

Baden, van, van Baeden, Bade, Baade: Variant zonder van- aanloop naast Van Baden. Plaatsnaam Baden (Nedersaksen, Baden-Württemberg ) of streeknaam Baden (Baden-Württemberg).

Badenbroek. Variant van Duitse familienaam Buddenbrock, Buddenbrook. Vergelijk Nederduits Badendiek- Westfaals Buddendiek.

Badenhorst. Plaatsnaam in Elsdorf.

Bader, Baader, Badr: Beroepsnaam van de badmeester, houder van een badstoof.

Badert. Waarschijnlijk van Bader.

Badger. Engelse beroepsnaam; maker van bags, vervaardiger van tassen, zakken.

Badin, Baddin, Bading. Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse baltha- of badu-naam.

Badiou, Baadjou, Badjou. Zuid-Franse familienaam Badiou, Picardisch Badieu van Latijn badivus, Occidentaals badiu: dwaas, gek, zot, onnozele hals.

Badir. Badji, Badjir. Indien inheems, dan waarschijnlijk van Baudier.

Badke, Badtke, Bathke: Vadersnaam. Noord-Duits Badeke, van de voornaam Bade, een Noord-Duitse variant van Bode (vergelijk Badendiek = Bodendiek).

Badoul, Badoux, Badou, Padoux, Padoue, Padou: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam badwô-wulfa; 'strijd-wolf: Batulfus. Zie ook Patout. 2. Waalse variant van Baudoul, Baudoux.

Badrihaye, Beaudrihaye, Baudrihaye. Plaatsnaam Badrihaye in Soumagne, Luxemburg.

Badura, Baduraux, Badoureaux: Vadersnaam. Variant van Franse familienaam Baudereau, van Germaanse voornaam Balder; zie Baudier.

Baek, Baeke, (de) Baak, Baake, (de) Baeck, Baecke, Bake, Baken, Baecken, Baeken, Baeck, Baeckx, Baeckman, Baekman. Familienaam uit het Middelnederlandse baec, bake: geslacht of levend varken. Beroepsbijnaam voor de varkensboer, slager of fokker. Vergelijk Waals-Vlaams bake(nier), (zwijne)bake(nier): spekslager.

Baedewyns, Baedewijns. Vadersnaam. Germaanse voornaam badwô-wini; 'strijd-vriend':

Baekes. Variant van Baekx of Baekens.

Baekhoven: Plaatsnaam Baakhoven in Susteren (Nederlands-Limburg).

Baelde, Baelden, Balde, Bald, Baldé: Vadersnaam. Germaanse korte voornaam Baldo; 'stoutmoedig'. Zie Boudewijn(s), Baldewijn(s).

Baele (de), Baelen, Baelens, Balen, Balens, Bael, Baels, Balus. Familienaam uit het Middelnederlandse bael: voogd, het Oudfranse bail, bal: voogd, beheerder, gezant. Een soort beroepsnaam.

Baelemans, Balemans, Baelmans: 1. Afleiding van Baele(n). 2. Afleiding van plaatsnaam Balen (Antwerpen, Luik) of Baal. Uit Baerlemans, afleiding van Van Baerle.

Baelenberge, Baelenberghe, van, van Ballenberghe, van Balleberghe,van Balberghe, Vambalberghe, van Bolberghe, Baalbergen: Plaatsnaam Baalberg(e) in Aarsele, Oekene en St.-Winoks. Zie ook Bollenbergh(e).

Baelinghem, van, van Ballinghem, van Balinghem, van Baclinghem: Plaatsnaam Balinghem (Pas-de-Calais).

Baelus. Latinisering van een Ba(e)l naam?

Baemdonck, van, Baemdock: laatsnaam Baandonk in Lummen (Limburg), Bandonk in Duffel.

Baems. 1. Variant van Baens? 2. Afleiding van Bam. Zie Bamps.

Baen, van den. Ongetwijfeld hypercorrecte spelling voor Van den Bon.

Baene, Baenne, Baenen, Baenens, Banen, Bane, Baane, Banen, Banema, Baansma, Baning, Banens, Bahsen, Bahnthe, Baens, Baan. 1. Moedersnaam, wellicht uit de Germaanse voornaam Bane. 2. Zie Baene De.

Baene (de), (de) Baan, Debanne. Naam uit het Middelnederlandse bane: speelbaan, kaatsbaan, straat. Bijnaam voor een kaatser, een speler. Of beroepsbijnaam van de straatmaker. 

Baens, Baan. 1. Vadersnaam, korte vorm van Urbanus. 2. Zie Baene. 3. Zie Baents. 

(de) Baenst, Debaenst, De Baemst. Familienaam uit het Middelnederlandse baenst/banst: ronde korf uit stro of biezen. Beroepsnaam voor een manden- of bijenkorfmaker.

Baents, Baens: Uit Bamp(t)s. Limburgs baanjt; 'beemd'.

Baer, Baere, de, de Barre, (de) Baar, Baer: 1. Bijnaam. Middelnederlands baer: naakt, bloot. Kan een bijnaam zijn voor wie sjofel gekleed liep. 2. Zie Debar. 3. Kan een latere vernederlandsing zijn van Dubar, Dubaere.

Baerdemaeker, de: Beroepsnaam van de baardmaker, dat is baardscheerder, aderlater, heelmeester.

Baets, de, de Baedts, Badts, (de) Bats, Baths, Baats, Batz, Bätz, Barts: evenals Oudhoogduits beccho, van bakjan-‘bakker’, met Romaanse (bache) klankevolutie.

Baer, de, Baere, de, de Barre, (de) Baar, Baer. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse baer: bloot, naakt. Iemand die armoedig gekleed was? 2. Zie ook bij Debar. 

Baere, van den, Verbaere, Verbaert, Verbart: Plaatsnaam Ba(e)re: slagboom, afsluiting. Er was een heerlijkheid Ter Bare = La Barre in Aalbeke (West-Vlaanderen) en Mkr. (Henegouwen).

Baermans, Barremans, Baremans, Barman, Barmans. 1. Mogelijk variant van Van den Baere: familienaam uit de plaatsnaam Ba(e)re: slagboom, afsluiting. In Aalbeke en in Moeskroen was er een heerlijkheid Ter Bare. 2. Mogelijk een variant van Baerdeman: bijnaam voor iemand met een baard.

Baart, Baert, Baartman, Bart, Baard, Baartse. Vadersnaam, genoemd naar een opvallende baard.

Baerten. Vadersnaam. Vleivorm van een berht-naam, zoals Huygebaert, Isebaert.

Baertsoen, Bartsoen. Vadersnaam. Zoon van Baert, zie Baart 2.

Baes, Bass. Vadersnaam. Germaanse voornaam Baso. Vergelijk Basin. 2. Vadersnaam. Kan ook van Baefs, afleiding van Bave, de Germaanse voornaam Bavo. Vergelijk Waals-Vlaams Sente Baas = Sint-Baafs. 3. Zie De Baes.

Baes (de(n), Baas, Baass. 1. Bijnaam voor de baas, de huisvader. 2. Mogelijk ook vadersnaam uit de vadersnaam Baes.

Baesberg. Plaatsnaam in St.-Martens-Lennik en St.-Pieters-Leeuw (Vlaams-Brabant).

Baesel, Baeselen. Vadersnaam, van Germaanse voornaam Baso. Vergelijk Basin.

Baeskens, Baskens: 1. Vadersnaam van Germaanse voornaam Baso. Zie Basin. Vergelijk Basequin. 2. Afleiding van De Baes. 3. Vadersnaam van Sint Bastianus.

Baesmans. 1. Afleiding van Baes. 2. Uit Baestmans, afleiding van de plaatsnaam Baast, Noord-Brabant.

Baestroey, de Pesseroey, Pesseroy, Pesseroeij: Waarschijnlijk van de plaatsnaam Baasrode (Oost-Vlaanderen).

Baetemans, Baetmans, Baetman, Bateman, Bacteman. 1. Afleiding van Baete = Beatrix. 2. Volgens Gysseling 'bootsman'.

Baete, Baeté, Baeten, Baetens, Baetes, Bathe, Bate, Baaten, Baten, Bates, Batens. Vadersnaam, verkorte vorm van de Latijnse heiligennaam Beatrix.

Baet, (de), Baets, (de) Bats, de Batz, de Baedts, de Badts, de Baedt, de Baerts, Baats, Baaths, Baatz. Het Oudfranse 'bache' betekent zowel bak, trog, krib als onderbroek, vrouwenbroek. De familienaam is dus wellicht een beroepsnaam van iemand die te maken had met één van die voorwerpen. Zoals bijvoorbeeld Troch een oude bakkersnaam is. 

Baeten, van, der, Verbaet, Verbaeten: Plaatsnaam Ter Bate in Spiere (West-Vlaanderen), De Bâte in Woumen (West-Vlaanderen).

Baets, de, (de) Bats, de Batz, de Baedts, de Badts, de Baedt, de Baerts, Baats, Baaths, Baatz: Mogelijk evenals Oudhoogduits beccho, van bakjan;'bakker', met Romaans (bâche) evolutie; vergelijk Matsaert. Beroepsnaam.

Baey, Baeye, Baaij, Baeys, Bai, Baie, Baij, Bay, Bays, Baeijs, Baeyst, Baeys, Bays. 1. Uit het Oudfranse ba(a)i: roodbruin, roosbruin paard. Bijnaam of naar de bezitter ervan. 2. Zie Baye.

Baeyers, Bayers, Bayer, Bayertz, Baijer, Baier: Beroepsnaam van een verver, die baai, roodbruin verfde.

Bagage. Waarschijnlijk hypercorrecte reïnterpretatie van Bagasse.

Bagard. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bagnard? 2. Plaatsnaam Bagard. 3. Zie Baggaert.

Bagare. 1. Occidentaals bagarro: lawaai, tumult, herrie. Bijnaam voor een lawaaimaker, herrieschopper. 2. De naam Bagarre werd in 1893 door Parijse studenten gegeven aan een vondeling tijdens de rellen (Frans bagarre) in het Quartier latin. 3. Variant van Bagard?

Bage, Baeghe, Baegen, Baee, Baée, Baëe, Bague, Beaghe, Béaghe, Beague, Béague, Béacq, Beacq, Behaeghe, Behague, Béhagué, Behaeghels, Behaegels, Behaegel, Béhaegel, Be Haegel, Beheghel, Behaegle, Behagle. Familienaam uit het Middelnederlandse bagel: pronkerig, ijdel. Bijnaam. Vergelijk Baggelaar, van Middelnederlands bagen; roemen, bijvoeglijk naamwoord bagel; pronkerig. De vorm behage(l) is hyper-correct en tegelijk een volksetymologische associatie met 'behagen, behaagziek’.

Baggaert, Baggert, Begard, Bega, Bégard, Bagard: Middelnederlands beg(g)aert, baggaert: lekebroeder, lid van een vrije godsdienstige gemeenschap. Vaak pejoratief: Frans begart: ketter, schijnheilige, gek.

Baggelaar. Van Middelnederlands werkwoord bagen, behagelaert ‘roemen, overmoedige, trotse, ingebeelde gek’; Bijvoeglijk naamwoord, bagel ‘pronkerig’.

Bagge, Baggen. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bago. Of bakervorm van een Germaanse voornaam zoals Badager, Batgisus.

Baggerman, Baggermans: Beroepsnaam van de baggeraar, iemand die baggert.

Bagon, Bago, Bagot. Vadersnaam. Vleivormen van de Germaanse voornaam Bago. Vergelijk Baguet.

Bagsmeijer: Aanpassing van de Duitse familienaam Bachmeier ‘meier op een hof bij een beek’.

Baguette, Baguet, Bagué, Baget: Vadersnaam. (Moedersnaam). Vleivorm van Germaanse voornaam Bago.

Bah, Ba, Bâ. Naam van Arabische/Afrikaanse origine die nu over een groot deel van de wereld voorkomt, met als betekenis: schitterend, glorie, eer, betrouwbaar, en afhankelijk van plaats van afkomst (ergens op het Afrikaanse continent) nog veel andere betekenissen die in dezelfde sfeer zitten.

Bahnerth: Variant van de Duitse familienaam Bahnnardt, Banhart, bewoner van een ‘banbos’, dat is ‘een heerlijk bos, aan het algemeen gebruik onttrokken bos’.

Bahr: Duitse familienaam. Middennoordduits Bare ‘beer’. Bijnaam, vergelijk de Beer.

Baibai, Baibay: Waals bébé: speelgoed, reduplicatie van bê, beau: mooi.

Bail, Baille, Le Bail: Beroepsnaam. 1. Oudfrans bail: gouverneur, voogd. 2. Oudfrans bail(e): dienaar, dienstknecht. 3. Oudfrans baille, synoniem met bailli: baljuw.

Bailey, Bailley, Bayezt, Baillet, Bailet, Baillé, Baillez, Bailey, Baljet, Baljé, Ballet, Ballez, Ballez, Ballezt, Balley, Bailliez, Bayjet, Baylet, Bïolet, Bayet, Bayé, Bayez, Bayezt, Bayette, Baiets, De Baillet. Familienaam uit het Oudfranse bai: hoogblond, roodharig. Bai, baille en baillet zijn ook namen voor een roodbruin paard. Bijnaam voor iemand met die haarkleur en naar het bezitten van een gelijk kleurig paard. Franstalige tegenhanger van het Vlaamse "De Roeye".

Bailien, Ballien, Baillen, Ballien: Middelnederlands baillie, baille, baelge: slagboom, palissade, verschansing, rechtbank, balie.

Bailant, Bailand. Tegenwoordig deelwoord van Oudfrans baillier; besturen. Vergelijk Bail, Bailli.

Baillet, Baillé, Baillez, Bailley, Bailey, Bailet, Bailey, Baljet, Baljé, Ballet, Ballez, Balley, Bailliez, Bayjet, Baylet, Baïolet, Bayet, Bayé, Bayez, Bayezt, Bayette, Baiets, de Baillet: Oudfrans bai, baille, baillet: roodbruin, hoogblond, roskleurig; naam van een roodbruin paard (vergelijk Baey, Beyaert, Moreel). Bijnaam naar de haarkleur of naar het paard.

Bailli, Baillie, Bailly, Baily, Baïli, Baillij, Bailij, Baillie, Baylly, Bailya, Balyu, Lebailly, Lebaïli, Debaiallie, Debaille, Bally, Baly, Balli, Bailliu, Baillius, Baillu, Balliu, Ballu, Balieu, Balieus, Ballieu, Ballieuz, Balieu, Ballieul, Ballieuw, Debaillieu, Debailliu, Lebaillieu, Lebailliu, Baillieu, Baillieux, Bailieux, Baillieul, Bailleul, Bailloeuil, Bailloeul, Bayeul, Bailleur, Bailleu, Bailleux, Balleux, Baleux, Baleu, Leballue, Lebalue, Lebalus, Leballeur, Bajeux, Baillaud, Balliau, Balliaw. Van het Franse bailli, het Middelnederlandse baliu of het Nederlandse baljuw: gerechtelijk ambtenaar die in een bepaald rechtsgebied de leenheer vertegenwoordigde (een beroepsnaam dus). Vergelijk Aman.

Baillien, Bailien, Baillen, Ballien. Het Middelnederlands beillie, baelge betekent zoveel als slagboom, palissade, verschansing, maar ook rechtbank.

Vermoedelijk een beroepsnaam.

Baillière, Ballière, Ballière, Bellière, Belliere: Wellicht Oudfrans baillier: baljuw.

Baillievier. Afleiding van Oudfrans baillif, midden Latijn Balivus; baljuw. Beroepsnaam. Vergelijk Bailli.

Baillivet. Van Oudfrans baillif; balju.

Bâillon, Baillion, Ballion, Bayon, Bayonnet: 1. Midden Frans bâillon: blok hout. Bijnaam. 2. Zie De Bâillon.

Baillot, Bayot: Afleiding van Oudfrans bai, baille: roodbruin, hoogblond. Bijnaam. Vergelijk Baillet.

Bailou, Baloux, Bailloux, Bayoud, Baayou, Bayou: Plaatsnaam. Waalse vorm bêlou (Bailou) van Baelen (Luik).

Bain: Vadersnaam. Korte vorm van Urbain of de Germaanse voornaam Baino (zie Beyn).

Bairain, Bairin. Vadersnaam Bérin (vergelijk Bériot/Bairiot), vleivorm van een ber-naam, zoals Bernard. Vergelijk Berens.

Bair, Baire. Vadersnaam. Wellicht korte vorm van een ber-naam, vergelijk Bairin.

Bairewe, Bairue. Van bê rèw: mooie beek.

Bairolle. Wellicht afleiding van een Germaanse ber-naam.

Bais, Baix: Variant van Oudfrans bai: roodbruin. Zie Baey.

Baisain, Baisin. Afleiding van Baise of variant van Besin.

Baise, Baize: Stam van Oudfranse werkwoord baisier, Frans baiser: kussen, paren?

Baisier, Baisi, Baisir. Plaatsnaam Baisy.

Baix. Variant van de Baie, Bay?

Bajard, Bajart, Bajeard, Begeard, Begeart. 1. Wellicht Waalse variant van Beaujard, dat is beau jardin. 2. Bajard, Bajart kan ook een spelling zijn voor Bayard.

Bajema. Vadersnaam uit Bayo, Baaie. Zie bij de voornaam Baaie.

Bajemond, Bajemon. Middelnederlands balmont; slechte voogd, of van Oudfrans bail; voogd?

Bak, (de) Back, Backs, Baks, Bakx, Bacs, Bacx, Backx, Back, (de) Bacq, Baue, Bac, Lebacq, Bakke, Bax, Basck: 1. Bijnaam of beroepsbijnaam naar Middelnederlands bac ‘bak, beker’. Een schenker, drinker? 2. Maar back betekende ook ‘mond, wang, kaak, kinnebak’. Bijnaam voor iemand met opvallende mond of kin. 3. Deback kan een verandering zijn van De Backer.

Bakel, van; Van Baekel, Verbakel: Plaatsnaam Bakel (Noord-Brabant). Of Zelem, Limburg.

Bakelandt, Bakeland, Bakelants, Bakelant, Bakland, Backelandt, Backeland, Backelant, Baeckelandt, Baeckelandt, Baekeland, Baeckelant, Baekelant, Baeckland, Baecklandt, Baecquelandt, van Bockland, Bockland, Bocklandt, Backlant, Bocklam, Bockelandt, Baukeland. Familienaam uit de plaatsnaam Bakeland: afgebakend land. Op diverse plaatsen in Vlaanderen, onder andere Waregem, Deerlijk, Haren.

Bakelmans, Baeckelmans, Baekelmans, Backelmans: Afleiding van Van Bakel.

Bakema: Friese vadersnaam, afleiding van de Friese voornaam Baak, Bake, Baeke, afgeleid van een Germaans naam met badu-‘strijd’.

Bakermans. Waarschijnlijk een variant van Bakelmans.

Bakeroot, Baekeroodt, Baeckeroot, Backeroot, Bacrot, Bacro, Bacquerot, Baquerot: Plaatsnaam Bakelrot, oude naam van Neuve-Chapelle (Pas-de-Calais).

Bakhouce, Bakkouch, Bakouch. Arabische naam.

Bakhuys: Beroepsbijnaam van de bakker. Bakhuis ‘bakkerij’. Ook wel Beekhuis, Bakhuis, Bekhof, Bekke, ter, Beckhuis.

Bakkenes: Naam van het dorp Bakenes, dat in de middeleeuwen aan het Spaarne lag, benoorden Haarlem. In de 14de eeuw werd het bij de stad ingelijfd.

Bakker, de(den) Bakker, Bakkers, Bakkeren, Baker, Bakers, de Backer, de Backere, de Backer, Bekker, Bekkers, Becker, Beckers, ook Bakermans: Beroepsnaam van de bakker.

Bakke, Bakx, Bax, Baksma, Bakkes, Bakken, Bakhuizen en van Bakkum; vadersnaam Bacco.

Bakkeren. 1. Zie (de) Backer(e). 2. Plaatsnaam Bakeren in Denderleeuw.

Bakkum, van. Plaatsnaam, Noord-Holland.

Bakvis, Backvis. Beroepsnaam van de verkoper of de brader van gebakken vis.

Balk, Balck, van den, van den Bak. Plaatsnaam Balk; houten balk als brug.

Balder, Bolder, Bouder, Belder, Balter, Balderen, van, Baller, Baldersen. Vadersnaam. Germaans naam baltha-harja ‘moedig –leger’.

Baelemans, Balemans, Baelmans. 1. Familienaam uit Van Baele(n): zie Balen en Baal. 2. Of uit Baarle (op diverse plaatsen in het Nederlands taalgebied).

Bal: 1. Vadersnaam. Variant van Balle, van Baldo (zie Balde) of korte vorm van Boudewijn of een andere bald-naam. 2. Variant van de Bal. Bijnaam voor een balspeler.

Balje, Ballia, Ballinga, Ballama, Ballema, Balma, Balsma, Bals, Baljé, Ballin. Van  Germaanse voornaam Ballo, Balle. Ook de plaats Ballum op Ameland en Ballingham in Hereford ,Engeland, is er van afgeleid.

Balcaen, Balcan, Balcans, Balkaen, Balkan, Baelcaen, Bolcaen, Bulckaen, Bulkaen, Bulckaan, Bulkaen. Naam met een ? afkomst. 1. Mogelijk uit een plaatsnaam. Alleen waar?, of uit de Balkan. 2. Uit het Oudfranse balcan: hengst. Beroepsbijnaam.

Baleux, Balleux. Plaatsnaam Balleux, Oise.

Balon, Ballon1. Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse voornaam Boudewijn of gewoon Romaanse verbogen vorm van de korte Germaanse voornaam Baldo. 2. Oudfrans balon: baal, bundel.

Balekom, Ballekom, van. Plaatsnaam Berlicum, Noord-Brabant.

Bal De, Debal. 1. Bijnaam voor een balspeler. 2. Verschrijving van Balle(n): zie daar.

Balaine, Baleine. Waternaam La Baleine in Ayeneux, Luik.

Balde: Vadersnaam. Germaanse voornaam Baldo, van Germaans balth ‘moedig, boud’.

Balance, Balaince: Oudfrans balanche, Frans balance: balans, weegschaal. Beroepsnaam van de maker van weeg-schalen of voor de stadsweger. Ook voor de geldwisselaar, naar de muntschaal (eventueel in het uithangbord).

Balancier. Beroepsnaam voor de maker van weegschalen of voor de stadsweger. Vergelijk Balance.

Balanger. Variant van Boulanger of Bélanger.

Balaud, Balleua, Baleau, Baleuax, Baleu, Balhaut: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bal-wald.

Balbaert. Vadersnaam. Germaanse voornaam bald-berht; 'stoutmoedig-schitterend': Baldebertus. Baldibrecht.

Balbeur, Balbourg, Balbour, Balbourgh: Waals bat-le-beurre. Beroepsnaam van de boterkarner. In Luxemburg overdrachtelijk voor een zwaarlijvige.

Balcaen, Balcan, Balcans, Balkaen, Balkan, Baelcaen, Bolcaen, Bulckaen, Bulkaen, Bulckaan, Bulkaen: Volgens het oudste voorbeeld zou het een plaatsnaam kunnen zijn. Alle andere voorbeelden zijn zonder voorzetsel. De naam kan (vanwege -a(e)n en niet -âne) bezwaarlijk teruggaan op het vrouwelijke Oudfranse balcane: merrie. Maar W. Beele stelt de hypothèse van een - tot dusver niet geattesteerd – Oudfrans balcan: hengst.

Balcon, Balcoon. Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Balko, of een variant van Balcaen?

Baldauf. Reïnterpretatie als bald auf: spoedig op (vergelijk Fruhauf), van oorsprong Germaanse voornaam Baldolf.

Balsenweck. Duitse familienaam Balde(n)weg. Midden Hoogduits bald: vlug + midden Hoogduits enwëc, Duits hinweg: weg. Bijnaam voor een rusteloze, die altijd weg is.

Balder, Bolder, Bolders, Balter: Vadersnaam. Germaanse voornaam bald-hari; zie Bouters(e).

Baldin, Baldon: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse bald-naam. Baldon kan ook de Romaanse verbogen vorm zijn van Baldo.

Baldovin, Baldovino. Vadersnaam. Italiaanse vorm van de Germaanse voornaam Baldwin, Boudewijn.

Balduck, Balduc, Balduyck. Familienaam uit Balduque, dit was de Spaanse naam van 's-Hertogenbos (Noord-Brabant).

Baldus. Vadersnaam. 1. Korte vorm van Sint Sebaldus, de Germaanse voornaam Ze(ge)boud. 2. Variant van Baltus.

Balemans: 1. Afleiding van Van Balen, van Baal. 2. Uit Baarlemans, afleiding van Van Baarle.

Balembois, Balemboy. Mogelijk van balle en bois: houten bal. Bijnaam voor een balspeler. Of veeleer variant van Valembois.

Balen, van, van Baale, van Baalen, van Baele, van Baelen: Plaatsnaam Balen (Provincie Antwerpen), Baelen (Provincie Luik).

Balencourt, de Balincourt: Plaatsnaam Ballancourt (Seine-et-Oise).

Balenghien, Ballenghien, Ballenghein: Plaatsnaam Bolignies in Brugelette bij Aat (Henegouwen).

Balestrie, Balestie, Balistrie, Balestri, Balestriere: Beroepsnaam. Oudfrans (ar)balestrier, Frans arbalétrier: kruisboogschutter.

Balhuizen: Plaatsnaam. Er is een plaatsnaam Ballhausen in Beieren en Thüringen.

Baligand, Balian, Baliant, Balligand, Bellegante, Barigand, Barigan, Barigant: Vadersnaam. Literatuurnaam, naam van een heiden in de Chansons de geste. In het Waals ook bijnaam geworden: deugniet, nietsnut.

Balint. Hongaarse familienaam Bâlint, van Sint Valentinus.

Balis, Balisz, Ballis. Wellicht Waalse gereduceerde vorm van Balister (vergelijk Waals minisministre).

Baljet, Baljé: Frans Baillet. Oudfrans bai, baille, baillet ‘roodbruin, hoogblond, roskleurig; naam van een roodbruin paard’. Bijnaam naar de haarkleur of naar het paard.

Baljeu: Beroepsnaam. Picardisch bailli(e)u, Middelnederlands balju ̧ Nederlands baljuw ‘gerechtelijk ambtenaar die in een bepaald rechtsgebied de leenheer (graaf, hertog) vertegenwoordigt.

Balk, Balke, Balken, Balck, Balcke, Balks: Bijnaam naar de gestalte of beroepsbijnaam voor een timmerman. Een afleiding hiervan is Balckmans.

Balkema: Friese afleiding van Balk(e), of van -ke-verkleinvorm van vadersnaam Bal.

Balkenende: Plaatsnaam? Of beroepsbijnaam voor een timmerman? 1652 Claes Dircksz. van Balckeneynde bouwde een huis op het landgoed Zorgvliet voor Jacob Cats, het huidige Catshuis.

Ballant, Balland, Ballan, Baland, Balan, Balant, Balanck, Belant, Beland, Belang, Belaen, Balhan, Balhant. 1. Vadersnaam uit de voornaam Balan(t): dit is een naam uit de ridderliteratuur. 2. Of uit de plaatsnaam Balland (in Ingelmunster, Meulebeke en Rumbeke).

Ballantyne, Ballintijn, Ballintyn, Balentin: Schotse familienaam Ballantine, van de plaatsnaam Bellenden.

Ballard, Ballart, Balla, Ballat, Balard, Balar. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Ballo, een korte bald-naam (vergelijk Ballin).

Ballarin. Bijnaam voor een danser. Vergelijk Ballery.

Ballast: Volks etymologische re-interpretatie –met paragogische t–van de Waalse familienaam Balasse, Ballace, Balas(s), van de plaatsnaam Balâtre (Namen), die in het Waals als Balausse wordt uitgesproken. De toenaam Balaes komt evenwel in 1290 in Brugge voor. De jonge gemeentenaam Ballast (1794) in Coevorden (Drenthe) komt wel niet in aanmerking.

Ballatre, Balat, Balate, Ballat, Balasse, Ballace, Balace, Balss, Balas, Ballas, Balaes: Plaatsnaam Balâtre, Somme, Waals balausse. De naam Balaes komt evenwel al in de 1360 in West-Vlaanderen voor.

Balle, Ballen, Ballens, Bollens, Bollen, Bollens, Bole, Bal, Bals, Baels. 1. Vadersnaam, verkorting van Boudewijn of een andere bald-naam. 2. Moedersnaam Balle kan ook het vrouwelijke zijn van bald-win.

Ballegeer, Ballegheer, Balegeer, Bellegeer: Vooral West-Vlaamse familienaam, vandaar ook in Zeeuws-Vlaanderen. 1. Beroepsnaam. Aanpassing van Oudfrans Bolengier, boulangier ‘bakker’. 2. Eventueel vadersnaam., de Germaanse voornaam bald-ger.

Ballegooyen, van; Ballegoyen, Ballegojen, Ballegoien, Ballegooijen, van Ballengooijen: Plaatsnaam Balgoij, Wijchen (Gelderland).

Balle, Ballens, Ballens, Bollens, Bollen Bolle, Bole, Bal, Bals, Baels. 1. Vadersnaam uit de Germaanse naam Baldo of verkorte vorm van Bauwewijn of een andere bald-naam. 2. Moedersnaam uit Balle, vrouwelijke vorm van Baldwin (bald-win).

Ballemans, Ballemann, Balman, Ballmann, Ballman, Boleman: 1. Bijnaam voor een balspeler. 2. Afleiding van Balle. Vadersnaam. 3. Zie Baelemans.

Ballereau, Balleruax, Baleriaux: van Waals balî: drager van een baal, (vandaar) rondtrekkend koopman.

Ballery, Balory: Bijnaam voor een danser. Frans balerie: dans, ontspanning. Vergelijk Balarin, Baladin.

Balleste, Ballester, Balles-strin, Balestin, Balister, Balistaire, Balisteen, Bales, Balesse, Balès, Balis, Balisz, Ballis. Beroepsnaam uit het Oudfranse balest(r)e, kruisboog: boog - of kruisboogmaker.

Ballet, Ballez, Ballé, Balley, Balette, Balet, Balez: Gedemouilleerde vorm van Baillet. 2. Vorm van Bal.

Balleur: Franse plaatsnaam Balleux (departement Oise).

Balliauw: Aanpassing van Frans Baillaud, verkleinvorm van Oudfrans Bail ‘gouverneur, voogd’.

Ballieu, Ballieul: 1. Zoals Debailleul afkomstig van Bailleul. Bailleul is de Franse naamvorm van de stad Belle in Frans-Vlaanderen, maar Bailleul is ook een plaatsnaam in Henegouwen, departement van de Somme en driemaal in Pas-de-Calais. 2. De naam kan ook een variant zijn van Baljeu, Balieu, van bailli ‘baljuw’.

Ballhorn. Noord Duitse plaatsnaam Balhorn: moerassige hoek.

Ballin, Ballyn, Balin. Vadersnaam, knuffelvorm van Boudewijn of een andere bald-naam.

Ballintijn: Schotse familienaam Ballantine, van de plaatsnaam Bellenden.

Ballinckx, Ballin, Ballings. Bijnaam. Middelnederlands ballinc, van banlinc: banneling, die in ballingschap verblijft of in de kerkelijke ban geslagen werd, misdadiger, booswicht.

Ballinger. 1. Duitse familienaam Baldinger, uit Baldingen (Beieren). Of Duitse Balinger, uit Balingen of Bahlingen. 2. Engelse familienaam Ballinger, van Beringer.

Ballourie: Variant van de familienaam Ballery, Balory in België. Frans Balerie ‘dans, ontspanning’.

Balloey, Balloy, Ballois. 1. Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Boudewijn. 2. Maar de naam komt hoofdzakelijk in West-Vlaanderen voor en er zijn geen oude voorbeelden van bekend. De vroegste vermelding is: 1705 Jooris Balloy, Lo. In de Westhoek komen in de 18de eeuw de volgende variant voor: Balloye, Balloo, Balloi, Bollois, Balloys. Mogelijk daarom een hypercorrecte aanpassing (bal is niet Waals-Vlaams bol) van de Franse Bouloy(e), die in 1820 frequent voorkomt in Pas-de Calais. Plaatsnaam Boulaie, Normandie, variant van Bouloie: berkenbos.

Balloir (le). Verspreide plaatsnaam, bijvoorbeeld in Luik: Balveér (Frans boulevard) van Nederlands bolwerk.

Ballot, Balot, Balotaud: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Baldo/Ballo of Boudewijn. Zie Ballon 1. 2. Eventueel Frans ballot: baal, bundel. Beroepsnaam. Vergelijk Ballon 2.

Balmakers, Balmaekers: Beroepsnaam van de vervaardiger van ballen.

Balnikker: De naam is ongetwijfeld ontstaan door verkeerde lezing van Balmaker.

Balog, Balogh. Moedersnaam. Germaanse voornaam badu-laug 'strijd-?'

Balossier, Blossier: Plaatsnaam. Middenfrans balossier: sleedoorn, sleepruim; afleiding van Oudfrans beloce, volkslatijn ballucia: wilde pruim, sleepruim. Vergelijk Sleeuwagen.

Bals, de. Waarschijnlijk variant van De Bels (Vergelijk Brugs malk;melk) veeleer dan afleiding van De Bal.

Balsacq, Balsa, Balsat, Balsaque, Balza, Balzat, Balsac, Balsacq, Belsack, Belsac, Belsacq: Plaatsnaam Balsac (Aveyron) of Balzac (Charente). Balsac is een gehucht in Coulonieix (Dordogne). De familie Balsa stamt uit Z.-Frankrijk. De voorouders van Honoré de Balzac (1799-1850) heetten Baissa. Een familie Balza van Toulouse werd in 1822 geadeld. Een autochtone familienaam Balsa(t), Balza(t) gaat wellicht terug op een afleiding van de Germaanse voornaam Baldzo (van Baldwin):

Balsaert, Balzaer: 1. Hypercorrect voor Balsa, Balza; zie Balsacq. 2. Variant van Balthasart.

Balsau, Balsaux, Balseau, Balseuax, Balzau: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Balzo? Of hypercorrect voor Balsa?

Balsing, Balsink. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Balzo, dat is bald-so, afleiding van een bald-naam.

Balster. Vadersnaam. Friese vorm van Balthasar.

Balt, Baltus, Baltussen, Baltes: Vadersnaam uit Balde.

Balthazar, Balthasart, Balthasar, Baltasart, Balthazard, Balthazart, Balthazaar, Baldassarre, Baldassare, Baldasarri, Baldasari, Baltzar: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Balthasar, naam van een van de drie koningen. Zie ook Baltens.

Balty, Balthy, Balti. Vadersnaam. Afleiding van Baltus.

Balten, Baltens, Baltes, Baltus, Baltussen, Beltus, Baltissen, Balts, Baltz, Baltensz (zoon): Vadersnaam. Vleivorm, korte vorm van de Bijbelse voornaam Balthasar of Germaanse Balt..

Balus, Balu. 1. Gedemouilleerde variant van Baill(i)u.

Balvé, Balve, Baluwé, Baluwe: Variant van Bal(l)ivet, Baillivet, Bailluet, van bailli(f): baljuw.

Balvers: Vadersnaam. Germaanse voornaam balth-frith ‘dapper-vrede’: Baldfrid.

Balzer, Balcer, Balcers: Vadersnaam. Duitse vorm van de Bijbelse voornaam Balthasar.

Bambeke, van, van Bambecke, van Banbeke, Banbeck. Familienaam uit de plaatsnaam Bambeke/Bambecque in Frans-Vlaanderen.

Bamber, Bambergen, Bamberger: Plaatsnaam Bamberg (Beieren). Of Bambergen in Uberlingen.

Bambost, van, Bambust, Bamborst: Plaatsnaam Banbos, dat is een banbos ‘bos binnen het rechtsgebied van de heer’. ’t Hof ten Bambos in Lede, Oost-Vlaanderen. Vergelijk Banwoud en de plaatsnaam Banholt (Nederlands-Limburg).

Bamelis, Bamelys, Bamélis. Naam uit de Franse familienaam Bamelles, dit uit Balmel(le), Baumel, Bameau, van Latijn balma: grot of heuveltje.

Bammens. Bammans = Bamptmans. Afleiding van Van den Bampt/Bempt.

Bamfust: Door wisseling van de labialen b/f uit Bambust, van Banbos.

Bamps, Bampts, Bams, Baps. 1. Naam uit het Middelnederlandse bampt - be(e)mt: beemd, nat weiland. 2. In West-Vlaanderen/Frans-Vlaanderen is er ook een andere Bam/Baps-bron waarvan de betekenis niet duidelijk is. Wellicht een bakernaam. 3. Eveneens onduidelijk en wellicht ook bakernaam.

Bance, Banse, Banze. 1. Vadersnaam uit een Germaanse Banzo-voornaam (dit uit band). 2. Zie ook Bansart.

Banck, Bancken, Banken, Bank, Baank. 1. Bijnaam of beroepsnaam volgens een van de betekenissen van bank: zitbank, rechtbank, schepenbank, pijnbank, vleesbank, toonbank, geldbank. 2. Korte vorm voor Van der Banck.

Banck, van der, Verbanck, Verbandt. Familienaam uit de plaatsnaam Terbank (onder andere in Heverlee, Moen, Haasdonck, Temse).

Banckaert, Banckaerts, Banquart, Bonckaert, Banckers, Benckert, Benkert, Benker: 1. Afleiding van Middelnederlands bancken: eten en drinken, kroeglopen. Bijnaam. 2. Eventueel Nederlands bankaard: bastaard. Bijnaam.

Bancus, Bancu, Bancut: Bank-hûs: huis op de helling.

Bandel. Variant van Baudel, met n-epenthesis. Of van Germaanse band-naam, vergelijk Bandelin?

Bandelin, Bandalin: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse band-naam. Vergelijk Bandin.

Banderlé. 1. Zie Baudet. 2. Eventueel plaatsnaam Banterlez in Baisy-Thy (Waals-Brabant)

Bandin, Benden: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse band-naam, zoals Bando, Bandarid. Zo ook Bandini, Bandiny, Bandino.

Bandoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Band(w)olf. Pandulfus.

Banen. 1. Vadersnaam. Vleivorm van Latijnse Sint Urbanus. 2. Zie Baene.

Banet, Banetton. Oudfrans banet(on): korfje, mandje. Beroepsnaam.

Baneux, Banneux, Banheux: Plaatsnaam Banneux in Louveigné en Lierneux (Luik).

Bangard, Banger, Bangert. Duitse variant van Baumgarten; eigenaar van een boomgaard.

Bangels, Bengel. In het Middelhoogduits is een bengel: een knuppel. Bijnaam voor een harde bonk, een knoestige kerel.

Bank, Banken: Bijnaam of beroepsbijnaam volgens een van de betekenissen van bank ‘zitbank, rechtbank, schepenbank, pijnbank, vleesbank, toonbank, geldbank’.

Bannier, Banier, Bani: Beroepsnaam. Oudfrans banier ‘heraut, omroeper, gerechtsdeurwaarder, veldwachter’.

Banks. 1. Afleiding van Bank. 2. Engelse familienaam en plaatsnaam Bank: oever, helling.

Bannenberg. Plaatsnaam in Borgentreich en Detmold.

Bannerman. Duitse familienaam; vaandrig, die de banier draagt.

Banga, van de vadersnaam Baue, dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelijke Bauwinga of beter Bauinga, blijkt uit de vorm Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in een oorkonde, die in de Friese taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagtekent. In deze oorkonde wordt één en dezelfde man, die in een ander stuk van het jaar 1489 Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelijke vadersnaam Bauinga tot Bang versleten is; te weten de naam van het dorp Bangstede, tussen Emden en Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelijk Bauingastede, de stede, de woonplaats der Bauinga’s, der Bauingen of Bavingen, de zonen en afstammelingen van de man die Baue of Bavo heette. Op een oude landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der 16de eeuw, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags bij de Friezen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue (Bauwe) in het middeleeuwse monnikenlatijn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog'aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talrijke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: Bavinga,  Bauwenga,  Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland; Bange, samengetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engeland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatijnste Bavius.

Banninga, Bangma,  Bonga, Bannink, Bansema, Banning, Bans, Olden-Bannin, Nyen-Banning;: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse naam Bano, Banno of van een bakervorm van een Germaanse voornaam, wellicht Barnhard, Bernhard.

Bansart, Bansa, Bandard, Banse, Bance, Banze. Naam uit het Oudfranse banse: mand. Beroepsnaam.

Bant, de, de Bandt, Debante, (de) Bande: Middelnederlands bant: band, boei. Beroepsnaam van de binder, de knevelaar, die bindt, boeit (vergelijk Binder(s), Duits in die Bande schlagen: boeien.

Bantke. Afleiding van Bant of van Germaanse voornaam Bando.

Bao, Baoo, Baôo: Waalse uitspraak van Bayart?

Baonville. Plaatsnaam Baillonville.

Baptist, Baptiste, Baptista, Babtist, Baptisten, Batiste, Batis, Batisse, Pattist, Patist, Bautiste, Battista, Batista, Battistini, Battisti: Vadersnaam. Naar Johannes Baptista: Johannes de Doper.

Baquet, Baquette, Bacquet, Bacqué, Baqué, Bacquait, Banquet: Oudfrans baket, baquet: bootje. Beroepsnaam of huisnaam.

Bar, Barre, Bare, Baar, Bart, Bard: 1. Verspreide plaatsnaam Bar, (Correze) Barre. 2. Vadersnaam. Korte vorm van een Germaanse voornaam op -bert of-bard. Verschrijvingen voor Bart, Bard. Zie Baart 2. 3. Frans barre: slagboom, verschansing. Vergelijk Delbarre.

Baras, Baratte, Bara Barath, Barra, Barras, Barat, Baratt, Baratte, Beraet, Beraets, Bera, Berat, Borra, Borras, Bouras, Boraet, Braat, Braedt, Barabas. Vadersnaam. Bijbelse voornaam.

Baraf, Baraffe. Plaatsnaam Barafle, Pas-de-Calais.

Baraitre. Wellicht hypercorrect voor Barette? Of verfranst Bayreuth?

Baral, Barrai, Barael, Baralle, Barale: Oudfrans baral: klein vat, tonnetje. Beroepsnaam.

Baran, Barant, Baranek, Baraiak, Baranik. Pools baran; ram.

Baras, Baratte, Barath, Bara, Barras, Barra, Barat, Baratt, Baratte, Beraets, Beraet, Bera, Berat, Borras, Borra, Bouras, Boraet, Braat, Braedt, Braet, Brad, Bradt, Bra: Bijnaam. Oudfrans barat, Middelnederlands baraet, beraet: bedrog, list, bedriegerij, bedrieglijk spel, goochelspel; drukte, verwarring, rumoer. Vergelijk ook Engels Barra(t).

Baratier. Bijnaam voor een bedrieger. Vergelijk Barat.

Barbar, Barbara, Barber, Barbera. Moedersnaam. Griekse Sint Barbara. Vergelijk Barbe.

Barbarien, Barbarin, Barberien, Barberiën: 1. Middelnederlands barbarien, barberien: barbaar, heiden, ongelovige, bijnaam. 2. Eventueel uit Barberin, afleiding van barbe: baard.

Barbas, Barba, Barbat, Borbas, Borbath: Bijnaam voor een gebaarde.

Barbe, Barber, Berben, Berbe, Berbel, Berbers, Berber: Moedersnaam. Griekse Sint Barbara, Frans Barbe.

Barbeau, Barbeaux, Barbieau, Barbiaux, Barbiau, Barbau, Barbaud, Babaux, Barbel, Barbay, Barbaix: 1. van Frans barbe: baard. Bijnaam. 2. Frans barbeau: barbeel. Bijnaam naar de visnaam of de huisnaam.

Barberie, Barberies, Barbaeri, Barberis, Barbary, Barbery, Barbry, Berbery: 1. Frans barbarie: barbaarsheid. Vergelijk Barbarien. Bijnaam voor een barbaar, een heiden? 2. Plaatsnaam Barbery (onder meer Oise); Barberie in Herseaux (Henegouwen) en Montroeul-au-Bois (Henegouwen).

Barbet, Barbez, Barbé, Barbee, Barbey, Barbette, Berbé, Borbé, Babet, Babette, Babey, Babez: Spelling voor Franse barbet ‘baardig, gebaard’. Bijnaam.

Barbier, Barbiers, Barbi, Barbiez, Baerbier, Berbier, Berbiers, le Barbier, le Barber, Barbieuw, Barbieux, de Barbieux, Desbarbieux: Familienaam uit het Oudfranse barbier, barbieur en het Middelnederlandse barbier. Beroepsnaam van de barbier, baardscheerder, aderlater, heelmeester.

Barbillon. Afleiding van barbe: baard. Bijnaam voor een gebaarde man of beroepsnaam voor een barbier. Vergelijk Barbion.

Barbin. Bijnaam voor een gebaarde man.

Barbio, Barbiot. 1. Moedersnaam. Vleivorm van voornaam Barbara, Frans Barbe. 2. Afleiding van barbe: baard. Vergelijk Barbion.

Barbion, Barbyon, Berbion. Beroepsnaam van de barbier of bijnaam voor iemand met een baard.

Barbis. Oudfrans berbis, Frans brebis: ooi, schaap. Bijnaam. Vergelijk Schaep en Franse familienaam Brebis.

Barbot, Barbottin, Barbotin: Afleiding van barbe: baard.

Barboux, Barbour, Borboux, Barbouse, Barbousse, Bourbouse: Bijnaam voor een gebaarde man, Frans barbu.

Barbrel, Barbaraux: Oudfrans barberel, Franse familienaam Barbereau, afleiding van barbier.

Barchon, Barxhon: Plaatsnaam Barchon (Luik).

Barclay, Berkeley: Plaatsnaam Berkeley (Gloucestershire) of Berkley (Somerset).

Bardach, Bardax, Bardèche, Perlasse: Midden Frans bretesche, van Middelnederlands bardessche, bartessche, Luiks-Waals barda(x)he: luifel, bordes, belegeringstoren, balkon, portiekje, staak. Plaatsnaam in Thimister (Luik).

Bardeau, Bardaux, Bardau, Barda, Bardiau, Bardieaux, Bardiaux, Bardio, Bardia, Bardiel: 1. Vadersnaam van Germaanse voornaam Bardo. 2. Oudfrans bardel: zadel. Beroepsnaam.

Bardet, Bardez, Bardé, Bardey: Vadersnaam van Germaanse voornaam Bardo.

Bardolf, Baardolf: Vadersnaam. Germaanse voornaam bard-wulf ‘bijl-wolf’: Bardulfus.

Bardijn, Bardyn.Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bardo of Bardolf (bard + old).

Bardoel, Bardoul, Bardouil, Bardou, Bardoux, Pardou, Pardoel, Berdou, Berdoux, Partous, Partouche. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bard + Olf.

Bardolf, Bardolph. Vadersnaam. Germaanse voornaam bard-wulf; bijl-wolf. Bardulfus.

Bardon, Bardoaux. Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Bardo.

Bardot, Berdot. Vadersnaam van de Germaanse voornaam Bardo. Vergelijk Bardon.

Bardoul, Bardoel, Bardouil, Bardou, Bardoux, Pardou, Pardoel, Berdoux, Berdou, Partous, Partouche: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bardolf.

Barel, Bareel, Bareuax, Bareau, Barreaux, Barreau, Bariaux, Bariau, Bariaud, Barraud, Barrau, Barrault, Bariat, Baria, Barrial, Barriat, Barrea, Barea, Barais, Baray, Barray: Oudfrans barel, miden Nederlands bareel: vaatje, wijnmaat. Beroepsnaam. Barelmans is en afleiding.

Bareman, Baremans, Barremans: 1.Afleiding op –man van Van den Bare. 2. Variant van Baard(e)man(s).

Baren, van; van Baaren: Plaatsnaam Baarn, (Utrecht).

Barenbrug. Plaatsnaam Barenbrugge, Baren brug, in Wormhout.

Barendrecht, Barendregt, Berendrecht. Plaatsnaam Barendrecht. Zuid-Holland.

Barends, Barendse, Barendsen, Barentse, Barentsen, Barense, Baarends, Barendse, Baarentse, Baarens, Baardse, Barelds, Berends, Berendsen, Barendsma, Barendsz (zoon) van Barend.

Barenne. Plaatsnaam in Wanne, Luxemburg.

Baret, Barez, Bareé, Barée, Barey, Barret, Barré Barrez, Barrey, de Barré. 1. Vadersnaam uit Barez: Romaanse vorm uit de Germaanse voornaam badu-red. 2. Zie Baret(te). 3. Naam uit het Franse barer. Bijnaam voor iemand met een gestreepte kleding.

Barette, Baret, Barrette, (te), Barret. Naam uit het Oudfranse bare: slagboom, afsluiting. Naam naar woonplaats of beroepsbijnaam.

Berentsen: Vadersnaam. Barend, de Germaanse voornaam bern-hard ‘beer-sterk’.

Barge, de, (de) Berg, Berge: Middelnederlands berg, barg ‘mannelijk gelubd varken’. Wellicht beroepsbijnaam van een varken castreerder.

Bargibant, Bersipont, Belgipont, Baisipont, Baisypont: Plaatsnaam Bargibant in Nukerke (Oost-Vlaanderen). De vormen op -pont kunnen door reïnterpretatie van het onbegrepen -bant worden verklaard, maar kunnen ook op de plaatsnaam Baneginpont in Vloesberg (Henegouwen) teruggaan.

Baril, Barils, Barillon, Barillot, Bariilault. Oudfrans baril; vat, ton. Beroepsnaam.

Barion; afleiding van baril; vat, ton.

Barink: Zoals Bering afleiding van Germaanse naam Bernard.

Bariseaux, Bariseau, Bariselle, Bariseele, Bariseel, Barizeele, Barrezeele, Barrezele, Barzeele, Barideau, Baridon, Barridez: Oudfrans barisel, Middelnederlands bariseel: vaatje, kruik, fies. Beroepsnaam voor een kuiper of wijnhandelaar. De variant met -d-, vergelijk Bazelaire = Baudelaire.

Barits. Duits Baritsch naar een plaatsnaam in Silezië.

Bark: Vadersnaam. Variant, door er/ar-wisseling -van Berk. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bericho, Birico, afleiding met k-achtervoegsel van een ber-naam, zoals Bernhard. 2. Plaatsnaam Berk, de boom naam.

Barkhuysen. Veelvuldige plaatsnaam Barkhausen, Duitsland.

Barlet, Barlé, Barley, Barrelet. Beroepsnaam (of bijnaam) afgeleid van het Franse 'baril' = vat, ton.

Barlier, Barillé, Barilly, Barilli: Beroepsnaam van de kuiper, Oudfrans barillier.

Barmarin. Plaatsnaam Bermerain (Nord)

Barkmeijer: Variant van Berkmeier, Duitse Berkemeier. Meier op een berkenhof.

Barneveld, van, Barreveld, Barnavol: Plaatsnaam Barneveld (Gelderland). Vergelijk Berenfeld.

Barnabe. Vadersnaam. Franse vorm van de Bijbelse voornaam Barnabas.

Barnasse, Barones: Oudfrans barnece, samengetrokken vorm van baronesse: barones, adellijke dame; ook feeks, slet.

Barnes. 1. Plaatsnaam Barnes (Surrey). 2. Duitse familienaam Barnes is van de vadersnaam Barnabas of Bernhard. 3. Eventueel = Barnasse.

Barnet, Barnett. Plaatsnaam, Oudengels bzrnet: verbrand land (vergelijk Van den Brande). Plaatsnaam Barnet (Herts, Middlesex), Barnett (Surrey)

Barnhoorn, Barnhorn. Plaats-, adresnaam Barsingerhorn (Noord-Holland).

Barnich, Barniche. Plaatsnaam Barnich in Niederelter. Luik.

Baron, Baroen, Barone, Baroni, Barinio, Barron, Barroun, Le Baron: 1. Frans baron, Nederlands baron, Middelnederlands baroen ‘leenman, edelman, rijksgrote, ridder’. Maar Baron, kan ook iemand geweest zijn die in dienst stond van de adellijke heren. 2. Baron kan ook gewoon 'echtgenoot' betekenen.

Baro, Barot, Barraot, Barro, Barroo. Oudfrans barot; klein vaatje, tonnetje. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Baril, Barel.

Baron, Baroen, Barone, Baoni, Baronio, Barron, Barroun, Le Baron: 1. Frans baron, Nederlands baron, Middelnederlands baroen: leenman, edelman, rijksgrote, ridder. De Man beschouwt Baron en De Grève als namen van personen die in dienst stonden van adellijke heren. Vergelijk Bernagie. 2. Baron kan ook echtgenoot betekenen.

Baronheid. Plaatsnaam in Francorchamps, Luik

Baronville. Plaatsnaam, Moselle, Namen, of Baroville, Aube.

Baraud, Baroux. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-wald; 'beer-heersend'. Baroux kan natuurlijk op Berolf teruggaan.

Barra: Romaanse familienaam Baras, Barras, van Oudfrans barat, van Middelnederlands baraet ‘bedrog, list, bedriegerij, bedrieglijk spel, goochelspel; drukte, verwarring, rumoer’. Bijnaam.

Barrientos Rojas. Spaanse familienaam uit wellicht wijk/buurt + rots.

Barrie, Barrier, Barrié, Barrière, Barriere, Beriere, Berrier, Berrière: 1. Beroepsbijnaanaam (-ier) en beroepsnaam (-ière) voor de man belast met het openen en sluiten van de slagboom, afsluiting. 2. Zie Berrier.

Barrois, Barroit, Barro, Barroo, Barois, Baro. Een naam die zoveel betekent als: afkomstig uit de regio Bar (Aube en Meuse). De eind-o(o) is de weergave van de Vlaamse aanpassing van Franse -oi; vergelijk Bourgeois = Bourgoo.

Barry, Bary, Bari, Barrie, Barri; 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Badurîk. 2. Zie Debary.

Bartaux, Barteaux, Barthaux, Bartha, Bartiaux, Barta: 1. Vadersnaam. Variant van Bertiaux. 2. Vleivorm van Barthélémy.

Bartelet, Bartélet, Barthelet, Bartholet: Vadersnaam van de voornaam Bartholomeus.

Bartelmans, Bartelmann, Bartleman, Bartelings: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Bartholomeus. Zie Bartels.

Bartelous. Vadersnaam. Romaanse vleivorm van Bartholomeus.

Bartels, Bartelse, Bartel, Bartl, Bartle, Barthel, Barthels, Bartelds, Bartelson, Bertels, Bertelsen, Bertelson, Bertel, Berthel, Berthels, Berthelsen, Bortel, Bortels: Vadersnaam. Zoon van Bartel, korte vorm van Bartholomeus, naam van een apostel.

Barten: Vadersnaam. Zoals Beerten afgeleid van een Germaans berht-naam, zoals Robert, Albert.

Bartet, Barthet. Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse berht-naam of Bartholomeus.

Barth, Bartz, Bart, van, Barth, Verbart, Bartman: Bijnaam. Spelling voor Baart of Duitse vorm Bart.

Bartha: 1. De naam kan teruggaan op Italiaans Baratta. Afgeleid van het werkwoord Barattare ‘ruilen, verhandelen’, vandaar ook ‘bedriegen’. Vergelijk Baras, Baratte, Bartier. Of Bart(h)as van de Zuid-Franse naam barthe, van barto ‘struik, bosje’.

Barthe. 1. Romaanse verschrijving van Bart(h). 2. Vadersnaam. Korte vorm van Barthélémy. 3. Zie Berte.

Bartholeyns. Vadersnaam. Frans Bartholin, vleivorm van Bertoul (Bertolf) of Bartholomeus; of -elin van een berht-naam. Bartholomeus en Bertolf werden in de middeleeuwen trouwens vaak verward.

Bartholomeus, Bartholomäus, Bartholomaus, Bartholomay, Bartholomevis, Bartholomivis, Bartholomeusz, Bartholomweewsen, Bartholomeesen, Bartholomeeussen, Bartholomeeusen, Bartholomei, Bartholomi, Barthelemi, Barthelemy, Barthelmess, Barthelomé, Bartholemy, Bartholeme, Bartholomé, Bartholomée, Bartholomee, Bartholomee, Bartholomieux, Bartholomees, Bartholomes, Bartholomées, Bartholomez, Bartholomy, Bartolomé, Bartolomees, Bartolomes, Bartolomivis, Berthelomé, Berthelom Berthelome, Bertimes, Bertemes, Berthelemy, Berthoumieux, Berthaumieu, Berthomé, Bertumé, Bartholomew, Bertolli, Bertoli, Bertollo, Bertolo, Bartali, Bartolini, Bartoli, Bartolomea, Bartolo, Bartolomei, Bartolotta, Berteletti, Bortolotti, Bortoli, Bortolussi, Bortoluzzi, Bartolomucci, Bartolomivis: Vadersnaam. De Bijbelse naam Bartholomeus.

Bartholomeeussen: Vadersnaam. Zoon van Bartholomeus, naam van de apostel.

Barthemeuf. Hypercorrect voor Bittremieux (Auvergne).

Bartier, Barthier, (de) Bertier, Beurthier, Berthier, Bortier, Burtie, Berti, Berty. 1. Naam uit het Oudfranse barateor: bedrieger. Bijnaam. 2. Variant van Bertier. Zie daar.

Bartling: Vadersnaam. Andere spelling voor Barteling, Bartelink. De naam kan een -ling-afleiding zijn van een berht-naam (Albert) of een –ing-afleiding van Bartel.

Bartonville, Bartomville, Bartumville, Bartumvile: Plaatsnaam Berthouville (Eure) met epenthetische n.

Bartscherer, Bartscherre. Beroepsnaam van de baardscheerder, barbier.

Bartstra: Friese familienaam die waarschijnlijk afgeleid is van het Friese woord barte ‘grote vonder, waterstoep’.

Barto: 1. Spelling van de Franse naam Bartaux, variant van Berteau, Romaanse vorm van Bertoud, de Germaans naam berht-wald ‘schitterend-heerser’. 2. Eventueel uit Italiaans Baratto, variant van Baratta; zie Bartha.

Barvaux, Barvais, Barvaix, Barviau: 1. Plaatsnaam Barvaux (Luik). 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Berwald, ook Duitse familienaam.

Barvoets, Baervoets, Barrevoets, Bervoet, Bervoets, Berrevoets, ook Ligtvoet, Witvoet, Hazevoet, Lightfoot. Bijnaam voor iemand die barrevoets, blootsvoets liep. Vergelijk Duits Barfuss.

Barij: Spelling voor Bary, Barry, Romaanse vorm van de Germaans naam Badurik: Baduricus, Badericus.

Barzin, Barsin, Berzeyn, Berzen, Berzijn, Berzins: Plaatsnaam Barzin in Lomprez (Luik).

Bas, (de), Bassens, Bass, Basse: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Sebastianus. De variant met lidwoord is volksetymologisch ontstaan, omdat de voornaam in de naam niet meer herkend werd.

Basch. Vadersnaam. Duitse korte vorm van Sint Sebastianus.

Basck: Door omkering van volgorde van klanken uit Bax. Zie Bak.

Bascop, Bascou, Bascop, Baefcop, Bafcop. Familienaam uit het Romeinse Bascot: naam voor een Bask.

Bascour, Bascourt, Delbascour, Delbascourt: Plaatsnaam Basse-cour: heem, er, voorhof, hoenderhof, onder meer in Amay (Luik), Framont (Luik), Vellereille (Henegouwen).

Basecq, Basecqz, Basèque: Plaatsnaam Basècles (Henegouwen). Kerk (Basilica in het Latijn).

Baseil, Baseille. 1. Plaatsnaam Bazeille in Tenneville (Luik). 2. Variant van Basseil. 3. Zie Basilic.

Baseke. Vadersnaam. 1. Noord Duitse vorm van Sint Basilius. 2. Van Germaanse voornaam Baso. Zie Baeskens.

Basema. Arabische familienaam.

Basiau, Basiaux, Basia, Basieaux, Basuyaux, Basuyau, Bassiaux: Vadersnaam, van Basel, Sint Basilius, midden Vlaams Baselis.

Basier. 1. Variant van Bassleer = Batsleer; zie Bachelier. 2. Duitse familienaam Baseler, afkomstig van Basel.

Basil, Basille, Basseille, Baseille, Baseile, Bazelis, Bazelle, Basilien, Basilide: Vadersnaam. Griekse heiligenaam Basilius, Basilis. Voor Baseil(le), vergelijk Cornil(le) = Corneil(le).

Basin, Basyn, Basijn, Bazin, Bazyn, Bazijn, Bazein, Bazinet, Baesen, Baesens, Baessens. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Baso/Basinus. Maar Baesen is niet noodzakelijk door verdoffing van -in te verklaren, het kan ook een verbogen vorm zijn van Base uit Baso (of moedersnaam Basa).

Basquin. Vadersnaam. Franse aanpassing van Middelnederlands Basekin; zie Baeskens. Of variant van Bosquin?

Bassée, Delabassé, Delabassée: Plaatsnaam La Bassée (Nord, Pas-de-Calais).

Basseghem, van. Plaatsnaam Bassegem, onder meer in Kaster, Kerkhove, Otegem, Ooike.

Basseil, Basseille, Basseilles: 1. Plaatsnaam Basseilles in Mozet. 2. Variant van Baseil(le).

Basset, Bassez, Basett, Bassette. Bijnaam. Oudfrans basset: met korte beentjes, met gedrongen gestalte.

Bassevelde, van. Familienaam uit de gelijkluidende plaatsnaam in Oost-Vlaanderen.

Bassi, Bassie, Bassier: 1. Uit de Franse familienaam Bassier of variant van Bossier, beroepsnaam van de verkoper van lage (basses) kuipjes voor het vervoer van de oogst. 2. Eventueel Italiaanse familienaam Bassi, naast Basso, van Latijnse geslachtsnaam Bassus ‘de dikke’. Hier waarschijnlijk veeleer van Bossier. Bassi/(l)ière: Oudfrans bachelière: jonge edeldame, meisje. Vergelijk Bachelier.

Bassimon, Bazimon, Bassemon: Familienaam in West-Vlaanderen. Plaatsnaam?

Bassine, Bassin, Bassinne: Plaatsnaam Bassie in Méan, Waals bassènelaag gelegen plaats.

Basso, Bassot. Afleiding van bas; laag, klein. Bijnaam. Vergelijk Basset.

Bast, Baste, (de): Middelnederlands bast; ‘boomschors, touw, halsstrop’. Beroepsbijnaam, wellicht voor iemand die uit boomschors touwen maakte, touwslager, de beul. De laatste mogelijkheid kan blijken uit het citaat van 1219, waar vader (Bast) en zoon (Blok) een naam dragen die aan de benodigdheden van de beul herinneren. 1386 Heinric Bast, Kortrijk. Hier wellicht verband met de boomschors.

Bastaard, Bastaert, Bastaert, Bastaers, Bastert, Battard, Batard, Batar, Batta, Basters, Bosters, le Bastard, Lebastad, Lebatard: Bijnaam voor een bastaard, buitenechtelijk kind.

Bastaits. West Brabantse spelling voor Vlaams-Brabantse uitspraak Bastets: Bastaerts. De familie Bastaits in Waals Brabant stamt af van Bastaerts in Bierbeek (Vlaams-Brabant).

Basteen, Basteens, Baksteen: Noord Duits Ba(h)steen: badsteen, wrijfsteen; vergelijk Nord Duits bastover = badstover. Beroepsnaam van de stoofhouder. Baksteen is een reïnterpretatie.

Bastelaar, van, van Bastelaer, Bastelaere, Bostelaar, van Basselaere, Barselaar, (van) Batselaere: Plaatsnaam Bastelaar in Zeveneken (Ooost-Vlaanderen). Barselaar is hypercorrect tegenover Basselaar.

Basteleysens, Basteleijsens. 1. Vadersnaam. Verzwaarde vorm (met t-epenthesis) van Baselis.

Bastelier: Met athesis van Batselier. Middelnederlands bacheleer, baetseleer, basseler, van Oudfrans bachelier ‘jong edelman, in dienst van een andere ridder’, ook baccalaureus’, Frans bachelier, dat eveneens teruggaat tot Latijnse baccalarius.

Bastenie, Bastenier, Bastanie, Basstenie, Basstanie: Beroepsnaam. Oudfrans bastonier, Frans bâtonnier: vaandrig, iemand die een stok of staf draagt als waardigheidsteken. Middelnederlands bastonnier: roededrager in processie.

Bastiaans, Bastiaan, Bastaens, Bastiaanse, Bastiaansen, Bastiaens, Bastiaensen, Basten, van, Bastens, Bastin, Bastings, Basting, Bast, Baasten, Bastide. Verspreide Franse plaatsnaam. Provencaals bastida: militair bouwwerk. Vergelijk bastille, bastion.

Bastié, Bastie: Afleiding van Oudfrans bast, Frans bât: pakzadel. Beroepsnaam van de zadelmaker.

Baetings: Vadersnaam. Korte vorm van Sebastiaan, de Latijnse heiligennaam Sebastianus.

Bastil, Bastille, Bastil. Naar het Oudfranse bastille: versterking, bolwerk. Naam naar woonplaats of vindplaats van een vondeling.

Bastin, Bastine, Bastiné, Bastini, Bastens, Basting, Bastings, Bastengs, Bastinck, Bastijns, Bastyns, Basteijns, Basteyns, Bassteyns, Bostin, Bostyn, Bostijn, Bosteyn, Bosten, Bostem, Bostys, Bostijs. Knuffelvorm van de heiligennaam Sebastianus.

Bastini, Bastinie. Vadersnaam. Italiaanse vorm van de voornaam Sebastiano. Bastinie kan evenwel ook een variant zijn van Bastanie.

Bastmeijer, Bastemeijer. Wellicht naam voor een meier die Bast (Bastiaan) heette. Vergelijk Duitse Clausmeier, Hanslmeier, Petermeier, Friedrichsmeier enz.

Baston, Basto, Bastoen, Baton, Bâton, Bestoen, Bostoen, Baestaens, Bastaens. Uit het Oudfranse baston, het Franse bâton: bevel, wapen. Deze evolueerden naar bastoen: stok, wandelstok, onderscheidingsteken van jongere of onechte zonen uit adellijke huizen. Het kan een bijnaam zijn voor wie een stok draagt, voor een pedel of suisse of voor een bevelvoerder. Ook een wapenschild met een schuinstaak erin kan voor de bijnaam gezorgd hebben.

Bastogne, Bastagne. Plaatsnaam Bastogne, Nederlands Bastenaken, Luik.

Bataille, Bataillie, Battaillie, Battaille, Batalje, Batalie, Batailde, Bostaille, Battaglia. Naam uit het Franse bataille: gevecht, legertroep. Bijnaam voor een strijder of een vechter, vergelijk Frans Bataillard.

Bateau, Batteau, Batteuax, Battau, Bathau, Batteauw, Battiau, Battieuw, Battel, Batel. Afgeleid van het Oudfranse batel, het Franse bateau: boot, schip.

Beroepsnaam voor een schipper of een scheepsbouwer.

Batelier, Bateau, Batteaux, Batteau, Battau, Bathau, Batteauw, Battiau, Battieuw, Battel, Batel: Oudfrans batel, Frans bateau: boot, schip. Beroepsnaam van de schipper. Vergelijk Batelier.

Batelier, Batteljee: Frans batelier. Beroepsnaam van de schipper.

Baten, Batten: Moedersnaam. Afleiding van Bate, korte roepnaam voor de heiligennaam Beatrix.

Batenburg, van: Plaatsnaam Batenborg tussen Dworp en Lot en Batenburg (Gelderland). Numansdorp.

Batis, Batty, Baty, Debatis, Bathys, Bathy, Debatthy, Debatty, Debathy, Debaty, Dubaty: Verspreide Waalse plaatsnaam bâti: begane grond, algemene grond, dorpsplein. Les bâtis in Laneffe, Batty in Nandrain (Luik), Beauraing, Namen, Le Baty in Xhoris, Havelange. Zie ook Debattice.

Batreau, Batrelle: afleiding van Batteur. Beroepsnaam.

Bats, Badts, Batz 1. Vadersnaam. Zie Baats(en). 2. Bijnaam voor een kegelaar. Afleiding van Middelnederlands bat(te): voorwerp om mee te batten, keilen, kegelen. Vergelijk Batere in Ieper.

Battavoine. Zinwoord batte avoine. Beroepsnaam van de haverdorser.

Battel, van. Plaatsnaam Battel, Mechelen.

Batten, Battes, Batus: 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse badu-naam. 2. Zie Baten.

Batter, Battert, Battaire, Battair, Batert, Bataire. Luxemburgse familienaam.

Batteur, Batteu, Batteux, Battheu, Battheus, 1. Frans batteur. Beroepsnaam van de goudslager, metaalbewerker of dorser. Zie ook Batreau. 2. De vormen op -eu(x) en -eus kunnen ook variant zijn van Bateaux/Battheau.

Battin, Battings, Battain: Vadersnaam. Afleiding van Germanse bald- of badu-naam; vergelijk Badin.

Bau, Baus, Bauwe, Bauw, Bouw, Bouwes, Bouws: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bavo.

Baube, Baubet, Beaube: Bijnaam. Oudfrans balbe, baube: stotteraar.

Bauchant, Beauchamp, Beauchamps, Bossant, Bossan: 1. Moedersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bald-swind; 'moedig-sterk, heftig'; of met tweede element –sind; 'weg'. Baldsuuind, Balsinda. 2. Zie Beaucamp.

Bauchart, Bauchard, Baucha, Bauchat, Bachar, Bacha, Bauchau, Beausseaux: Afleiding van Frans bauche: klei, leemaarde, stampaarde, leemmortel, boetseerklei. Deze naam van een Binants (Bouvignes) koperslagersgeslacht verwijst naar het maken van de aarden smelt-kroes. In 1387 levert Colart Bachart dit Houseau de Bovines 'de la terre plastique d'Andoy' aan Filips de Stoute voor de smeltkroezen in Champmol (Dijon).

Baucher, Bauchet, Beaucher, Beauchez, Beauché, Beaucé: Afleiding van bauche: klei, leemaarde. Beroepsnaam van de leemwerker (huizenbouw) of boetseerder. Of vergelijk Bauchart.

Baud, Baude. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Baldo. Of korte vorm van een bald-naam.

Baudchon, Baudechon, Baudichon, Baudesson, Bautsoens, Bautsons, Beauson, Bodchon, Bodesson, Bodeson, Bodson, Botson, Botchon, Baudson: Vadersnaam. Waalse vleivormen op -eçon, -esson van Germaanse voornaam Boudewijn.

Baudar, Baudard, Bauda, Baudart, Baudaer, Badar, Badard, Bada, Badart, Beaudart: Vadersnaam. Romaanse vormen van de Germaanse voornaam bald-hard; 'moedig-sterk': Baldhardus. Zie ook Boudard.

Baudaux, Baudaut, Baudeau, Baudeaux, Beaudeaux, Beaudeau, Badea, Badia, Baudel, Beaudelle, Bodelle, Bodel, Bodèle, Bondeau, Bondeel: Vadersnaam. (Moedersnaam -elle). Vorm van Germaanse bald-naam, zoals Boudewijn/Baudouin.

Baudeloo, van. Plaatsnaam Boudelo in Sinaai-Waas, vooral bekend door de middeleeuwse abdij.

Baudemprez. Plaatsnaam: weide van Baldo.

Baudenel, Baudenelle. Vadersnaam. (Moedersnaam.) Baudinel(le), van Germaanse voornaam Boudewijn. Vergelijk Baudin.

Baudet, Baudez, Baudé, Baudait, Beaudet, Bodet, Bodé, Boddez, Boddé, Beudet, Budé, Bude, Boudet, Boudé, Badet, Baudelet, Baudlet, Baudlez, Beaudelet, Bodelet, Bodlet, Bodlè, Boudelet, Boudlet, Boudlez, Bondelet, Bondelé, Bondele, Bandelet, Banderlé, Baudewijn, Boldewijn, in Frans Bauduin: Vadersnaam. Romaanse vleivormen op -et, -let van Germaanse voornaam Boudewijn / Baudouin.

Baudier, Boudier, Boudiez, Baudy, Boddy, Body, Bodi, Bady, Badie, Budie, Budy: Vadersnaam. Romaanse vormen van Germaanse voornaam bald-hari; 'moedig-leger': Baltherus, Boltherus.

Baudimont, Baudemont, Baudement, Baudumont, Bodumont: Plaatsnaam. 1. Baudimont in Atrecht, Arras. 2. Bij Rumeignies (Henegouwen): 3. Plaatsnaam Baudemont in Itter (Waals-Brabant) en Saône-et-Loire, Yonne. 4. Plaatsnaam Baudement (Marne).

Baudisco, Badiscot, Badisco, Bodécot: Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse bald-naam.

Baudo, Baudot, Beaudot, Badot, Padot, Boudot, Beudot: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Baudouin.

Baudon, Beaudon, Badon, Boudon: Vadersnaam. Franse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Baldo of vleivorm van een bald-naam. Vergelijk Baelde.

Baudonck, Baudoncq, Beaudoncq, Boudonck. 1. Wellicht vadersnaam uit een Germaanse bald-naam. 2. Aangezien er in 1508 een Mariken van der Boedonck was in Den Bosch, is het ook mogelijk dat hij afgeleid is van een plaatsnaam: Baudonck (plaats helaas onbekend).

Baudo, Baudot, Beaudot, Badot, Padot, Boudot, Beudot. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Boudewijn.

Baudour, Badoer: Plaatsnaam Baudour (Henegouwen).

Baudrin, Boldrin: Vadersnaam. Romaanse vleivorm van Germaanse voornaam Balder. Vergelijk Baudier, Boudron.

Baudringhien, de; Bauderingheen: Belgische familienaam Debaudrenghien. Plaatsnaam Boudergem, Frans Boud(r)enghien, Vloesberg/Floesberge, Flobecq (Henegouwen). Germaans Balthaharingahaim ‘woning van de lieden van Baldhari/Bouder’.

Baudru, Baudrux, Boudru: Moedersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam bald-trûd; 'moedig-kracht': Baldrud.

Bauduin, Bauduen, Baudhuin, Baud'huin, Baudouwin, Baudouin, Beaudouin, Beaudoin, Beoudoing, Beaudoint, Baudoint, Baudoin, Boudouin, Bouduin, Bodhuin, Boduain, Boduin, Beaudhuin, Beauduin, Bodevin, Bodvin, Boudvin: Vadersnaam. Franse vormen van de Germaanse voornaam Boudewijn. Zo ook Bauduinet.

Bauer, Baur, de Bauer, Bouwer, Paur, Pouwer Bäuerle, Baurmann, Bauermann: Duitse beroepsnaam van de boer, landbouwer. Pouwer, Zuid-Duits Pauer, door verscherping b/p.

Bauffe, Debauf, Deboffe: 1. Plaatsnaam Bauffe (Henegouwen). 2. Eventueel variant van Debove, met Waalse verscherping v/f.

Baugnée, Baugnet, Baugnier, Baugnies, Baugniet, Baugniez, Beaugnet: Plaatsnaam Baugnée in Tavier-lez-Nandrin (Luik), Baugn(i)et in Cortil-Wodon (Waals-Brabant), Baugnies (Henegouwen).

Baujot, Beaujot, Beaugot, Bajoie, Bajoit, Bajo, Bajot, Bageot, Baijo, Baijo, Bajou, Bajoux. Vadersnaam afgeleid van B(e)auger, de Franstalige variant van Germaanse voornaam Bladger.

Baugnée, Baugnet, Baugnier, Baugnies, Baugniet, Bauglez, Beaugnet. Naam uit de plaatsnamen Baugnée in Tavier-lez-Nandrin (Luik), Baugniet in Cortil-Wodon (Waals-Brabant), Baugnies (Henegouwen).

Bauler, Baulé, Beuler, Beulers: Plaatsnaam Baulers (Waals-Brabant), Waals baulé. Zie De Baulers.

Baulisch, Beaulisch. Vorm van Paulisch: Slavische familienaam uit Paulus.

Baum. Duits Baum; boom. Plaatsnaam.

Baumann, Pouhmann: Duitse pendant van Bouman, beroepsnaam van de landbouwer, tuinman. Paumann is Zuid-Duits, met verscherping b/p.

Baumel, Bauml, Bäuml: Duitse familienaam van Baum: boom.

Baümen: Wellicht verkeerde spelling voor Baumann. Of voor Bäumer‘ bediener van een slagboom’.

Bäumer, Baumer, Baumer, Baumers, Beimers, Bohmer, Böhmer, Bömer, Boehmer, Boemer, Behmer, Bemers: 1. Duitse beroepsnaam van de man die de slagboom bedient. Soms afleiding van plaatsnaam Baum: boom. 2. Of kunnen de vormen Bo(h)mer, Boe(h)mer, Behmer, Beimers varianten zijn van Duits Bohme, met -er-uitgang zoals Nederlands Bo-hemer.

Baumgard, Baumgart, Baumgarten, Baumgartner : Wonend bij of eigenaar van een boomgaard, boomkweker.

Baumrücker. Beroepsnaam van de boomhouwer.

Baumsteiger. Beroepsnaam van de boomklimmer.

Bauque, Baucq. Picardisch bauque; balk. Vergelijk Balk.

Baurdaux, Baurdoux, Beaudoux: Afwijkende spelling van Bourd(e)aux, Bordeau(x) van Dubourdeau. 1. Oudfrans bordel, verkleinvorm van bord (Nederlands bord ‘plank’), dat is een ‘houten gebouwtje, houten huisje, hoeve’, en hieruit dan weer Nederlands bordeel. Er is een plaatsnaam Bordeau in Bousval (Waals-Brabant), Bourdeau in Mont-Saint-Aubert (Henegouwen). 2. Eventueel plaatsnaam Bordeaux (Gironde, Seine-et-Meuse enz.).

Baurir, Baurire, Beaurir: Plaatsnaam. Waals baurîreFrans barrière: slagboom.

Baus, Bauset. Germaanse voornaam Baldzo (so- afleiding van Balth-naam)

Bausch, Bauschke. Midden Hoogduits bûsch: knuppel. Bijnaam voor een knoestige kerel. Vergelijk De Clippel.

Bauschleid. Plaatsnaam Bauschleiden. Zie ook Bieselijden.

Bausière, Bausier, Bausiers, Bauzière, Beeuwzier, Beosiere, Beosier, Beosière, (de) Beozière, Beozières, Beoziere, Byosiere, Byosière, Bessières, Bessière: Plaatsnaam Bausières in Basècles (Henegouwen). De vormen met beo-, byo- via Piardisch biau. Voor Beeuwzier, vergelijk Beeuwsaert. Zie ook Beausire.

Bausmans. Vadersnaam. Afleiding van Bald-so, Boudse, vleivorm van Boudewijn.

Baveko, Bavekoo, Baveco: Door v-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit de plaatsnaam Bavikhove (West-Vlaanderen) of Bavinkhove (Frans-Vlaanderen).

Baustert. Plaatsnaam, Reinland-Pfalts.

Bauthier, Bautier, Beauthier, Beauthière: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bald-hari; zie Baudier, Bouters.

Bautet. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse bald-naam, zoals Baudet.

Bautil, Batil: Wellicht plaatsnaam beau + Oudfrans til: mooie linde. Vergelijk Beautheil (Seine-et-Marne). Of uit Bastil(le)?

Bautmans, Bauttemans: Vadersnaam. Vleivorm op -man van Baut = Boud, korte vorm van bijvoorbeeld Boudewijn.

Bautsoens, Bautsons, Batsoens, Batjoens, Bestjoen: Vadersnaam. Aanpassing van Baudechon. Variant van Bavarois; Beier, volksnaam. Vergelijk Bauvir = Bavière.

Bauvet, Bauvez. 1. Vadersnaam van Germaanse voornaam Bavo. Vergelijk Bauvin. 2. Verschrijving voor Beauvais.

Bauvin, Bauvain, Bavin: 1. Plaatsnaam Bauvin (Nord). 2. Vadersnaam. Romaanse vormen van Ba(u)win; zie Bauwens.

Bauw, van den, Verbouw, Verbouwen, Verbouwe, Verbauwe, Verbauw, Verbauen, Verbauem: Plaatsnaam bouwe, bauwe: bouw(werk). Ter Bau(w) in Rollegem-Kapelle.

Bauwede, van der, van der Bauwhede, Verbauwhede, Verbauwede, van den/der Bouhede, van der Bouwhede, van den Bohede: Plaatsnaam Ter Bauwede in Wevelgem. (West-Vlaanderen).

Bauweleers, Bauwelers, de Beauwelaëre: Afleiding van de plaatsnaam Bouwel. Zie Van Bouwel.

Bauwen, Bauwens, Bauwin, Bawin, Baweins, Bawens, Bouwyn, Bouwens, Bouwen, Bouwes, Bouws, Boeuwens, Beauwin, Beauwens, Bauvens, Bauens: Vadersnaam. 1. Variant van Boudens (vergelijk oude= ouwe), Zie Boudin. 2. Vleivormen van de Germaanse voornaam Bavo.

Bava, Bavard. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans baver; kwijlen. Vergelijk Babbaert.

Bavay, de, Debavaye, Debavay, Debaveye, De Baveye, Bavais: Plaatsnaam Bavay (Nord), Nederlands Bavik.

Bavé. 1. Vadersnaam van Germaanse voornaam Bavo. 2. Verschrijving voor Bavay.

Baveghem, Bavegem, van, Bavegem, Bavegems, Baveghems, van Baevegnem, Baevegem, Baeveghems, Baevegems: Plaatsnaam Bavegem (Oost-Vlaanderen).

Bavel, van, Verbavelt: Plaatsnaam Bavel (Provincie Antwerpen, Noord-Brabant). Afleiding er van is Bavelmans.

Bavelaere, de, de Bavelaar, de Baevelaere. 1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Bavel (Antwerpen en Noord-Brabant). 2. Bijnaam; de babbelaar.

Bautmans, Bauttemans. Vadersnaam, knuffelvorm op man van Baut/Bout. Dit als verkorting van Boudewijn.

Bauwede, vn der,vVan der Bauwhede, Vanderbauwhede,Verbauwhede, Verbauwede, van den/der Bouhede, van der Bouwhede, van den Bohede. Familienaam uit de plaatsnaam Bauwede in Waregem.

Bauwen, Bauwens, Bauwin, Bawin, Baweins, Bawens, Bouwyn, Bouwen, Bouwens, Bouwes, Bouws, Boeuwens, Beauwin, Beauwens. 1. Vadersnaam, variant van Boudens, zie aldaar. 2. Knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bavo.

Bavière, (van den) Bavier, Bauvir, Baivier, Baivie, Baivy, Baiwir, Baywir, Baiwy, Bévie, Bévier, Bévierre, Bevier, Bevierre, Bévière, Béviaire, Beviaire: Plaatsnaam Bavière, Waals Baiwir, Baiwy: Beieren, Duits Bayern.

Bavin. Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Bavo.

Bavinckhove, van, Bavinchove van, van Baevinckhove, Bavencove, Bavencoffe, Bavencoff: 1. Plaatsnaam Bavinkhove. 2. Plaatsnaam Bavikhove (West-Vlaanderen).

Bavré, Bavre: Baverez, van Oudfrans bavière: morsdoekje, slabbetje, (vandaar) deel van de wapenrusting dat hals en kin moest beschermen; vergelijk Halsberghe. Beroepsnaam.

Bayard, Bayart, Baya, Bayat, Baevaert, Bayaert, Baeijaert, Baeyard, Beyaert, Beya, Beijaert, Bejaer, Bejaert, Boyaert, Boyart, Boyar, Boyard, Boeyaert. Bijnaam naar het bruinrode paard (Middelnederlands bayaerd/t, beyaert, het Oudfranse bayart).

Baye, Baie, Baey, Baeys, Baeijs, Baeyst, Bayst, Bayen, Bay, Bays, Bey, Beye, Beij, Beije, Beys. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van een Germaanse bern-naam. 2. Zie ook Baey.

Bayezt: (de familienaam van de in 2005 overleden Francis Bay) zie Bailey.

Baydu. Turkse naam die kan afgeleid zijn uit de betekenis: jongen, helper, vriend.

Bayon, Bayonnet, Bayenay, Bayenet: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bado; afleiding op -et. 2. Oudfrans baion, bayon: pijl van een kruisboog. Beroepsnaam van een baionier, bayonnier: boogschutter. 3. Zie Bâillon.

Bazel, de: Plaatsnaam Bazel in het Land van Waas (Oost-Vlaanderen).

Bazelaire. Oudfrans badelaire, baselaire, Middelnederlands baselaer, baseleer: lang mes, dolkmes, kort gebogen zwaard. Beroepsnaam voor de wapensmid of de vechter. Frans Baudelaire.

Bazelmans, Baselmans: Waarschijnlijk reïnterpretatie van Bazeman. Afleiding van de Germaanse voornaam Baso.

Bazuin, Bezoen: Plaatsnaam (Drenthe): 1485 Bezueden, 1515 Besuen: bezuiden, van de familienaam Bezoen. Vergelijk Besuyen. 1763 Jan Jansz van Basoen = van Bazuin (vader van) Geert Jansz Bezoen, (en die woonde op Basuin/Basoen in) IJhorst, Overijssel.

Bazen: Vleivorm van de Germaanse voornaam Baso: Basinus.

Beaart: Spelling voor de familienaam Bejaert, van Beijaert. Middelnederlands bayaerd, beyaert, Oudfrans bayart ‘bruinrood paard’; zie ook Baaij. Vandaar het bekende Ros Beiaard.

Beaufort, (de): Verspreide Plaatsnaam (onder meer Nord, Pas-de-Calais, Somme, Meuse). 1595-1661 Pierre de Beaufort kwam uit Sedan (Ardennes) naar Nederland en werd burgemeester van Hulsterambacht.

Beaulen, (de) Beaulie. Deze familienaam komt bijna uitsluitend voor in de provincies Luik en Luxemburg. 1. De plaatsnaam Beaulieu komt in heel wat gebieden voor. Zelfs heel wat heerlijkheden in Vlaanderen heten zo. In dit geval een plaatsnaam. 2. Mogelijk een variant van Baillien. Zie aldaar.

Beauprez, Beaupré, Beelprez, Belprez. Familienaam vaar de plaatsnaam Beaupré (mooie weide) die in Wallonië vrij veel en die ook in Vlaanderen voorkomt.

Beaurain: Vanwege de homonymie zijn verschillende plaatsnamen mogelijk: Beaurains bij Atrecht (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen), Beauraing (Namen), Beaurin bij Kamerijk (Nord).

Beausart, Beaussart, Baeusaert, Beeuwsaert, Debeaussaert, Beauseart, Beeuwsaert, Beeusaert, Beazaer, Beazar, Baussart, Bausart, Bausard,

Bazard, Bazart: Plaatsnaam Beau Sart, Beausart; ‘mooie rode, mooi gerooid terrein’. Er zijn zeker drie plaatsen met die naam in Wallonië, namelijk in Bossut (Waals-Brabant), Steenkerque (Henegouwen), Biez (West-Brabant). En dan is er nog Beaussart in het departement van de Somme. Hieruit de West-Vlaamse familienaam Beeuwsaert, vanwege de Picardisch uitspraak van –eau, -ieau.

Beautrix, Beautry, Biétry, Bietry, Beltresse, Beltris, Biltresse, Biltris, Bilterest, Biltereyst, Biltereijst, Bilterijs, Bilterijst, Biltereyst, Biltereyst, Biltheryst, Biltrays, Bultereys, Bultreys, Bulteruys, Bultruys, Bulterijst, Bulterijs, Bulteryst, Bulterys, Bultereijs, Bultereyst, Bultrys, Bolterys. Moedersnaam uit de heiligennaam Beatrix, Beatrijs.

Bebelaar: Misschien de Duitse familienaam Bebler, Bäbler, uit de Germaanse naam Babilo, verkleinvorm van Babo?

Becknel, Beknel. Engelse familiemaam Bicknelle. Plaatsnaam Bickenhall, Somerset, of Bickenhill, Warwickshire.

Bequet, Becquet, Bequet, Beket, Beké, Béké, Béqué, Becké, Becquez, Becqué, Bequé, Becques, Becque, Becqwet, Beckett, Bechet, Pecquet, Pequet: Franse vorm van bec: bek. Vergelijk Bek.

Béacq. Beacq: Waalse uitspraak van Beaghe; zie Bage.

Béasche, Béatse, Beatse: Plaatsnaam Biache-Saint-Vaast (Pas-de-Calais), Biaches (Somme).

Béatre, Beitre, Beatre: Moedersnaam, van Beatrix?

Baeu boucher; Mooie slager. Familienaam Beaubouchez, Bauboucher (Nord)

Beaubigny. Plaatsnaam Beaubigny, Baubigny (Côte-d'Or, Manche).

Beauboire. Wellicht hypercorrect voor Bonboire.

Beaubois. Plaatsnaam Beau Bois in Halanzy, Luik; mooi bos.

Beaucamp, Beaucamps, Baucamp, Baucant, Boquant, Becam, Bécant, Beckandt, Beckand, Beekandt, Beauchamps, Beauchamp, Bauchant, Beauchampet, Bossan, Bossant: Verspreide plaatsnaam Beaucamp(s), Beauchamp(s): mooi veld.

Beaucarne, Bocarren, Bocaren, Baccarne, Becarnen, Becarne, Becarren: Plaatsnaam Beau: mooi - Picardisch carne/carme, Frans charme: haagbeuk.

Beauchataud. Plaatsnaam Beau Château: mooi kasteel.

Beauchesne. Plaatsnaam Beau-Chêne (Loir-et-Cher, Orne, Deux-Sèvres) en in Sosoye: mooie eik. Vergelijk Picardisch Beauquesne.

Beauclef, Beauclet, Bauclef: Waarschijnlijk variant van Beauclercq. Ondanks de familienaam Beauclavaud: mooie sleutel, lijkt het vrouwelijke woord defhier toch niet in aanmerking te komen.

Beauclerc, Beauclerq, Beaucler, Beauclair, Beauclaire: Bijnaam Beau Clerc: mooie klerk.

Beaucourt, Bockourt, Baucourt: 1. Verspreide plaatsnaam (4x Somme). 2. Eventueel bijnaam: mooi en klein (kort). Vergelijk Beaugrande.

Beaufaux, Boffa, Bofaas, Befaes: Plaatsnaam Beaufaux: mooie beuk. Beaufaux in Elzele (Henegouwen) en St-Denis.

Beaufay, Beaufays, Beaufayt, Beaufaijt, Baufays, Baufay, Baufaijs, Baufayt, Baufaijt, Beaugard, Baugard: 1. Moedersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bil-gard; 'zacht-gaard'.

Beaufils. Frans Beaufils: schoonzoon. Of letterlijk: mooie zoon.

Beaufort, de Beauffort, Beaufort, Beaufour, Bafort: Verspreide plaatsnaam (onder meer Nord, Pas-de-Calais, Somme, Meuse).

Beaugendre. Beau: mooi + verwantschapsnaam gendre: schoonzoon.

Beaugrand, Beaugrande, de, Begerem, Begrem: Bijnaam. Frans beau (et) grand: mooi en groot.

Bejean: Bijnaam Beau Jean: mooie Jan. Vergelijk Schoonjans.

Beaulieu, de. Plaatsnaam Beaulieu in Ferques bij Bonen en Grincourt-lès-Pas (Atrecht), Erneuville, Vilvoorde, Havre (Henegouwen) en verspreid in West-Vlaanderen.

Beauloi, Beaulois, Beauloy, Beauloye, Beaulois: Franse plaatsnaam Boulaie: berkenbos.

Beaumaikers, Beautnecker: Verfranste verschrijving voor Duitse beroepsnaam Baumhacker: boomhakker, houthakker.

Beaumaine. Plaatsnaam Beau Maine; mooie woning, woonplaats.

Beaumariage. Bijnaam Beau + Oudfrans mariage; echtgenoot getrouwd man.

Beaume, Buamen, Baume: Plaatsnaam. Waals borne: kuil, bijvoorbeeld Al Baume in Seraing (Luik), Baume in Haine-St-Paul (Henegouwen) en La Louvière (Henegouwen).

Beaumesnil, Beamenil. Plaatsnaam Beau Mesnil, van Latijn mansionile: woning. (Calvados, Eure, Vosges).

Beaumet, Beaumez, -Biaumet, Biaume, Biaumez, Biomez, Bajomez, Bajomé, Bajome, Bammez, Bammey, Bémé, Berné: Plaatsnaam Beaumetz (Pas-de-Calais, Somme). Frans beau + Oudfrans me, mez, van Latijn mansus: woning.

Beaumont, de, van, Beaumon, Baumont, Baumon, Biamont, Biemont, Bémong, Bémon, Bemont, Bemon, Bemong, Beumont, Bernant: Erg verspreide plaatsnaam Beaumont (als in Henegouwen, Nord, Pas-de-Calais, Somme).

Beaupain, Beaupin, Lebaupin: Frans beau pain: mooi brood. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Schoonbrood(t).

Beaupère, Belpaire, Belpeer, Beelper: Verwantschapsnaam beau-père: schoonvader, (wellicht ook) grootvader, vergelijk Middelnederlands schoonheere.

Beauport. Bijnaam Port is hier wellicht te begrijpen in de Oudfranse betekenis: houding, gedraging.

Beauprez, Beaupré, Beelprez, Belprez: Plaatsnaam Beaupré: mooie weide; onder meer in Gottignies (Henegouwen), Marchin (Luik), Grimminge (Oost-Vlaanderen), Brugge (West-Vlaanderen).

Beauquesne, Beauquenne, Bauquenne, Bauquene, Bauquaine, Bauquène: Plaatsnaam Beauquesne (Somme): mooie eik. Vergelijk Beauchesne.

Beauraing, Beaurain, Beauraind, Bearin, Beaurant, Beaurent, Beaurang, Biarent, Biérent, Bauraind, Baurain, Bauraing, Baurang, Bauraint, Baurant, Baurin, Baurins, Baurand, Baurant, Bauren, Baurens, Baurent, Baureng, Borin: 1. Plaatsnaam Beaurains bij Atrecht (Pas-de-Calais). 2. Plaatsnaam Beauraing. 3. Plaatsnaam Beaurin bij Kamerijk (Nord). 4. Sommige vormen met o-klank kunnen spellingvariant zijn van Borin.

Beauregard. Plaatsnaam Beauregard: mooi uitzicht. Plaatsnaam Bellewaerde bij Ieper, van Picardisch vorm Beaureward.

Beaurieux, Plaatsnaam Beau Rieu: mooie waterloop, mooie beek. Beaurieux (Aisne, Nord) en in Court-St-Et. (Waals-Brabant) en Heure-le-Romain (Luik).

Beaussart, Beausart, Beausaert, Debeaussaert, Beauseart, Beeuwssaert, Beeusaert, Beazaer, Beazar, Baussart, Bausart, Bausard, Bazard, Bazart: Plaatsnaam Beau Sart: mooie rode, mooi gerooid terrein. Beausart in Bossut (Waals-Brabant), Steenkerque (Henegouwen), Biez (Waals-Brabant); Beaussart (Somme).

Beaussillon. Beausillon. Reïnterpretatie van Bouchillon = Bosquillon.

Beaisire, Beausir, Bausire, Bausir, Bessire: 1. Bijnaam Beau sire: mooie heer. Vergelijk Schoonheere. 2. Eventueel Picardisch variant van Bausière.

Beautemps, Boutans: Bijnaam Beau temps: mooi weer. Bijnaam voor een vrolijk, opgeruimd mens. Vergelijk Laitem, Engels Fairweather.

Beautrix, Beautry, Biétry, Bietry, Beltresse, Beltris, Biltresse, Biltris, Bilterest, Biltereyst, Biltereijst, Bilterijst, Bilterijs, Bilteryest, Bilteryst, Bilterys, Biltheryst, Biltrays, Bultereys, Bultreys, Bulteruys, Bultruys, Bulterijs, Bulterijs, Bulteryst, Bulterys, Bultereijs, Bultereyst, Bultrys, Bolterys: Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Beatrix; 'gelukbrengster'. Via de varianten Biatrit, Biautris, Beautrit werd biau/beau als een ontwikkeling van bel opgevat.

Beauvais, Beauvez, Bauvais, Bauvez, Debeauvais, Biévez, Bievez, Bievet: Plaatsnaam Beauvais (Oise). Beauveser is afkomstig van Beauvais.

Beauval, Bauval, Bosval, Boval, Beaval, Biavat, Biava, Biéva, Bieva, Biveaux, Bivaux, Biva: Plaatsnaam Beauval (Somme): mooi dal.

Beauvallet, Beauvarlet, Bieuvelet, Bieuvlet, Bievelet, Bievelez: 1. Bijnaam. Frans beau valet: mooie knecht, dienaar, edelknaap, page, schildknaap. Let op de epenthetische r in Valet = Varlet, Bonvalet = Bonvarlet. 2. Eentueel Beau Vallet: mooi valleitje. Vergelijk De Belvalet, Belvalet(te).

Beauvent, Beauventre, Beauvant: Bijnaam Beau ventre: mooie buik. Naar de sieraden op de borst/buik. De vormen op -t zijn Waalse reducties.

Beauvillain, Beauvilain, Beauvillin. Bijnaam beau villain: mooie dorper. Of afleiding van plaatsnaam Beauville; vergelijk Duits Schôndorfer.

Beauvoisin. Bijnaam Beau voisin: mooie buur. Vergelijk Bonvoisin, waarvoor Beauvoisin wel een hypercorrecte vorm kan zijn.

Bebe, Beben. Vadersnaam. Bakernaam Bebe uit Babo.

Bebronne, Bebrone, Debebronne: Plaatsnaam Bebronne; rivier, in Charneux (Luik).

Becanus. De Latijnse humanistennaam van de Antwerpse medicus Joannes Goropius Becanus, namelijk Jan van Gorp van Hilvarenbeek.

Bécasse, Bégasse, Bégas, Begasse, Begas, Bagasse, Bagas, Barjasse, Pécasse, Pecasse, Pecas, Boecasse: Frans bécasse: snip. Bijnaam naar de vogelnaam. Vergelijk Sneppe.

Bécasseau. Afleiding van Frans bécasse; snip. Bijnaam of uithangbord.

Becco, Becko, Beckô, Beco, de Béco, de Beco: Plaatsnaam Beccoin La Reid, Luik.

Bech. Plaatsnaam Beck, Duits Bach; beek.

Béchamps, Bechamps, Bechamp: Plaatsnaam Béchamps (Meurthe-et-Moselle).

Béchard, Becha: 1. Franse vorm naast Picardisch Bécard; zie Bekaert. 2. Bijnaam. Afleiding van bec: bek.

Bechof, Bechoff. Plaatsnaam Bechof in Honhardt.

Becht, Bechtel: Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse naam Bechtold, van berht-wald, van Bertold.

Bechtold, Bechtoldt, Bechtolt, Bechtholt, Bechdolt, Bachtold: Vadersnaam. Duitse vorm van Germaanse voornaam Bertold, Bertoud.

Bechu, Bochu, Béchoux, Bèchoux, Bechoux : Afleiding van Frans bec: bek. Betekenis gebekt. Bijnaam voor iemand met opvallende mond, grote mond (letterlijk of figuurlijk). Vergelijk Becude, Bécu(e): snip, eveneens naar de snavel, bek.

Becken, van der, den. 1. Plaatsnaam Becken in Uitkerke of Lissewege en Schoondijke. 2. Eventueel = Van der Beke.

Beckenhaupt. Volksetymologisch van Duitse bijnaam Beckenhaub: bekkenvormige helm.

Beckerich, Beckrich, Baickrich, Baikrich, Baikry: Plaatsnaam Beckerich.

Beckevoort, van, van Beckfort, (de) Becquevort, Becquevoort, Bequevort, Becqwort: Plaatsnaam Bekkevoort (Vlaams-Brabant).

Beckhoven, van: Plaatsnaam Bekhoven in Brecht (Provincie Antwerpen).

Beckman, Beckmann, Beck, Bek, Beek, Becks, Becking, Beckmann: Midden Hoogduitse vorm van Bachmann: Beekman.

Becquet, Bequet, Béquet, Beket, Beké, Béké, Bequé, Becké, Becquez, Becqué, Bequé, Becque, Becques, Becqwet, Beckett, Bechet, Pecquet, Pequet. Bijnaam afgeleid van het Franse bec: bek. Naar een of andere eigenschap.

Beckstedde. Plaatsnaam Beckstedt.

Becourt, Bicourt: Plaatsnaam Bécourt (Pas-de-Calais).

Becquelin, Beckelynck: Bijnaam, afleiding van bek.

Becquerel, Becquerelle, Béquerelle, Becrelle, Bécherel, Bécharel, Bescherel, Becquereau, Becqueiaux, Bécriau: Becquerel, -eau is de naam van verschillende watermolens, betekenis: prater, babbelaar (Pas-de-Calais, Nord), onder meer in Doornik (Henegouwen): 1101 de molendino Bécherel = 1206 Biekeriel. Ook in Ronse (Oost-Vlaanderen).

Becquevort. Provencaals Bekkevoort.

Becwort. 1Zie van Beckevoort. 2. Eventueel familienaam Engelse familienaam Beckworth.

Bécude, Becude, Becu, Bécue Bécu, Beccu, Becuwe, Bécuwé, Becuve, Beckwe, Beckw ée, Beckw é, Beckwee, Beeckwee, Beekwee, Bechu, Bochu, Bocude, Bouckhuyt, Bouckuyt, Bouckhuijt, Bouckuijt, Bouckhuit, Bouckuit, Bockuyt. Bijnaam naar de vogelnaam, Oudfrans becue, West-Vlaamse Becuwe ‘snip’. Bijnaam voor de vanger van. Of bijvoorbeeld iemand met een scherpe neus.

Beda. De naam kan zowel uit Bidart als uit Bidaut worden verklaard.

Bedaf, van: Plaatsnaam Bedaf in Baarle-Nassau en Uden (Noord-Brabant).

Beddegenoodts, Beddegenoots, Beddegenoote. Naam uit het Middelnederlandse beddegenoot: bed- of echtgenoot. Bijnaam. Misschien droeg zij de broek. 

Beddeghem, van. Plaatsnaam Bettegem in Zellik (Vlaams-Brabant)?

Beder, Bedert, Bedeer: Oude Occidentaalse naam van plaatsnaam Béziers (Hérault). Bedeur, zie Bodeux.

Bedet: Door verdoffing van de i uit Franse familienaam Bidet, verkleining van een vadersnaam. Bidoul, Bidard of Bidaud.

Beder, Bedert, Bedeer. Oude Occitaalse naam uit de plaatsnaam Béziers (Hérault).

Bedin. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse bad-naam, vergelijk Bedoin. Badinus.

Bednarz, Bednarek, Bednarski, Bednarczyk: Poolse beroepsnaam bednarz: kuiper. Bedoin, Beduin: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam bad-win 'strijd-vriend':

Bedore, Bedoret. Frans bec doré: gouden mond. Bijnaam voor een mooiprater, een welbespraakte. Vergelijk Guldemond.

Beduwé, Béduwé, Bedwue, Bedu: Verschrijving voor de Franse familienaam Bedouet, van Oudfrans bedoue: das. Bijnaam naar het dier. Vergelijk Das.

Beeckmans, Beeckman, Beekman, Beckmans, Beckman, Bekemans, Biekman. Familienaam uit de plaatsnaam Beek/Beke. Zeer verspreide plaatsnaam.

Beeghs, Biegs, Biegs. Misschien variant van Berg(h)s, met assimilatie re/tr.

Beek, (van); van Beeck, Plaatsnaam Beek (Gelderland, Belgisch-Limburg, Nederlands-Limburg, Noord-Brabant); ook oude naam van Hilvarenbeek (Noord-Brabant). Of uit Van der Beek.

Beek, van der, te(ter) Beek, Beeke, van der Beke, (van den) Bekke, Verbeek, Verbeeke, Verbeke: Verspreide plaatsnaam ter Beek, ter Beke ‘beek’.

Beekenkamp: Plaatsnaam Bekkenkamp in Holten, Overijssel.

Beeke, Beekes: Afleiding van beke. Zie van (der) Beek.

Beekhuijsen, Beekhuizen: Plaatsnaam Beekhuizen in Zevenaar (Gelderland).

Beekman, Beekma, Beekmans, Beeckman, Bekman: Afleiding van Van der Beek.

Beekwee, Beeckwee, Beckwee, Beckwe, Beckwée, Beckwé: Vlaamse uitspraak van Becquet.

Beeldemaker, de. Beroepsnaam van de beeldhouwer, schilder, graveur.

Beeldeman. Beroepsnaam van de beeldhouwer, beeldsnijder. Of een reïnterpretatie van Beleman.

Beelden, Beeldens, Belden, Beldens, Bildens: 1. Vadersnaam. Uit Belden, umlautsvorm van Balden, vleivorm van Baldwin, Boudewijn. 2. Zie De Belder.

Beele, Beelen, Beelens, Belens, Bele, Belen, Bèle, Beel, Beels, Beeils, Bielen, van der Beele, van der Belen, Verbeelen, Verbelen, Beelkens. Moedersnaam uit Bele, Isabele, Isabella, via Elysabel uit Elisabeth ontstaan. 2Korte vorm van Mabelie, Amabilia, Frans Mabille.

Beele, van der, van der Belen, Verbeelen, Verbelen: Moedersnaam Verbe(e)len: vrouw Bêle, Isabele. Van der Belen is een regressievorm.

Beelkens. Moedersnaam van meisjesnaam Bele; zie Beele(n).

Beeman, Beemans. Wellicht bedeman: belastingplichtige; ambtenaar die de beden of belastingen int.

Beemd, van den, van den Beemt, van de(den) Bemdt, van den Bemd, Beem, van, Beems, van den Bem, van den Bemt, van de(den, dem) Bempt, van der Bempden, van der Bemden, van der Bempden, van den Bempde, van (den) Bemde, van den Bemden, van der/den Benden, van der Ben, van der Bent, van Bemten, (de) Bent, Debempt, de Bend, Behm. Familienaam uit de plaatsnaam Beemd, alluviaal land aan een waterloop.

Beem, van, Beemen, van, van Beeumen, Verbeemen, Verbiemen. 1. Samentrekking van Bohemen. Familienaam uit de streek. 2. Mogelijk ook uit Beemd: zie daar.

Beemster, Beemsterboer. Plaatsnaam. Noord-Holland.

Been, Beens, Beenen, Beems: 1. Bijnaam naar het lichaamsdeel been, wellicht voor een kreupele of manke. Vergelijk Kortbeen, Langbeen. 2. Beroepsbijnaam van de slager, beenhouwer.

Been, de. Waarschijnlijk spelling voor Debien of Deben.

Beenhakker, Beenhakkers, Beenhacker, Beenakker, Beneker: Beroepsnaam van de slager. Vergelijk Beenhouwer.

Beenhouwer, de: Beroepsnaam van de slager.

Beenkens, Beentje, Beentjes, Beankens, Beonckens, Biunkens, Benekens, Benneken, Bennekens, Bienkenss: Variant van de Vlaamse familienaam Beenkens. Verkleinvorm van Been, bijnaam of beroepsnaam. 1. Vadersnaam. Been, van Bernhard. 2. Bij de bijnaam Been.

Beer, de(n), de Behr, (de) Beir, de Beire, de Beyre, Ber, Beerepoot: 1. Bijnaam naar de dierennaam, uit één of andere eigenschap. 2. Het kan ook naar de huisnaam zijn ‘In de beer’. 3. Beroepsnaam voor een berenleider (circus-, marktattractie).

Beerblock. Plaatsnaam, 1426 te Beerbrouc, Vinkt.

Beeren, Beerens, Beirens, Berens: Zoals Berens afleiding van de Germaans voornaam Bern(h)ard.

Beerendonk, van, Berendonk. Plaatsnaam Berendonk, Kempen.

Beerewoud; vadersnaam Berwalt, Barwold, de plaats Barwoutswaarder in Zuid-Holland.

Beerkens: Bijnaam. Verkleinvorm van de Beer.

Beerlings, Berling, Berlingin, Berlijn, Berlyn, Berlin, Berlink, Beerning, Beernink, Bernink, Bierlin, Borlyn, Beeren. 1. Vadersnaam afgeleid van de het Germaanse  Bernhart, Bernard, “ber’= beer of dappere strijder. Een vechtertje dus. 2. Eventueel plaatsnaam Berlingen (Limburg).

Beerman, de, Beermann, Bermans, Berman, Bermann, Bermane: 1. Middelnederlands berman: sjouwer, losser. 2. Zie Berman(s).

Beersman, Beersemans, Beesemans, Beesmans, Beirsmans: Afleiding van Van Beers.

Beers, Bers, Biers. 1. Afleiding van Van Beers (zie daar). 2. Afleiding van (de) Beer (zie daar). 3. Of variant van Beerts (zie daar).

Beers, van, van Bers, van Beirs, Beersmans, Beesemans, Beesmans, Biersmans: 1. Plaatsnaam Beers (Noord-Brabant) of Beerse (Antwerpen).

Beersel , van, van Biersel, Beerselmans. Naam uit de plaatsnaam Beersel (Vlaams-Brabant) of Beerzel (Antwerpen).

Beersma: 1. Friese vadersnaam. Afleiding van ber-naam, zoals Bernhard. 2. Afleiding van de plaatsnaam Beers (Littenseradiel, Friesland)

Beert, Beerts, Bert, Berth. Vadersnaam, verkorte vorm van een Germaanse Bert-naam (: schitterende).

Beerten, Beertens, Berten, Bertens, Bierten, Bertijn, Bertyn, Bartens, Barten, Barthen: 1. Moedersnaam. Be(e)rten kan een verbogen vorm (afleiding) zijn van Berte = Berta; zie Berte. 2. Be(e)rten(s) kan een vleivorm zijn van een Germaanse bert-naam; zie Beert(s).

Beest, van: 1. Plaatsnaam Beesd (Gelderland). 2. Plaatsnaam Geetbets (Vlaams-Brabant). 1389 tusschen Beest ende Halen.

Beeten, van der, Verbeeten, Verbeten, Verbeet. Familienaam uit de plaatsnaam Betuwe (onder andere in Tongeren, Limburg).

Beethoven, van. Familienaam mogelijk uit de plaatsnaam Betho in Tongeren.

Beets, Beetz, Biets, Bietz: 1. Vadersnaam. Afleiding van korte vorm van Germaans berht-naam. 2. Plaatsnaam Beets (Zeevang, Noord-Holland).

Befays, Befaijs, Befayt, Béfayt, Befahy, Debeaufay: Plaatsnaam Beaufays (Luxemburg): mooi beukenbos.

Beff, Debeffe, Debefve, Debaiffe, Debeef, Debeefe, de Beef: 1. Plaatsnaam Beffe, Bèfve in Thimister (Luik). 2. Eventueel plaatsnaam Baives (Nord), met verscherping v/f. Zie Debaive.

Begars: 1. Variant van Begaeres, van Frans Bigarré ‘veelkleurig, bont’. 2. Middelnederlands beg(g)aert, baggaert ‘lekenbroeder, lid van een vrije godsdienstige gemeenschap’, mannelijke tegenhanger van de begijn. Het woord kreeg een pejoratieve betekenis. Frans Begart ‘ketter, schijnheilige, gek’.

Bégault, Begaux: Oudfrans begalt, variant van begard: begaard; vergelijk Baggaert. Ook pejoratief: ketter, schijnheilige, gek.

Begelinger. Duits Beglinger, afleiding van de plaatsnaam Beglingen in Mollis-Glarus.

Begier. Zuidfranse familienaam Béguier, Vig(u)ier van Latijn vicarius: gerechtsdienaar.

Begin, van, den, van (den) Beginne, van den Begine, van Beguin: Naar de woonplaats bij de begijnen, het begijnhof of op een stuk grond dat aan de begijnen toebehoort.

Begné, Beignet, Begnet, Begne, Beigne. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Baginus (uit Bagin-hari). 2. Bijnaam uit het Oudfranse beigne: buil op het voorhoofd. 3. Beroepsbijnaam naar de naam van het gebak: beignet.

Begois. Misschien verkorte vorm van L'Aubegeois: iemand uit Albi, of Albigens, ketter.

Begon, Begond, Begones, Beghon: Bijnaam. Afleiding van bègue. Zie Lebegue.

Begthel: Wellicht vadersnaam. Van Duits Bechtold, dat is Berthold.

Begtoo, van: De naam verwijst niet noodzakelijk naar een plaatsnaam, want hij komt ook zonder ‘van’ voor.

Béguelin, Beguelin, Béghelin: Variant met –lin afleiding van Duitse familienaam Bege(le) van Bage, Midden Hoogduits bâgen: schreeuwend twisten, hard schreeuwen, zich beroemen op. Vergelijk B(eh)aeghe.

Béguin, Beghuin, Beguin, Begijn, Béguin, Beguin, Beguin, Beguint, Beghain, Begain, Bégain, Béghain, Beghin, Béghin, Beghijn, Begheijn, Begijn, Beghyn, Begyn, Beginne, Begine, Begheyn, Begeyn, Beghein, Begein, Baghein, Bagein, Boggyn, Boggijn: Bijnaam. Uit Oudfrans beguin ‘dwaas, gek’.

Béguinne, Begine, Begine: 1. Bijnaam, vrouwelijke vorm van Begin, Oudfrans béguin: dwaas. Zie Béguin. 2. Bijnaam voor een kwezelachtige vrouw, een begijn.

Behage: Bijnaam Bage voor een overmoedige, trotse, ingebeelde, ijdele. Van Middelnederlands werkwoord bagen ‘roemen’; Bijvoeglijk naamwoord, bagel ‘pronkerig’. De vorm Behage is hypercorrect en tegelijk een volksetymologische associatie met behagen, behaagziek.

Beharel, Beharelle, Bearelle. 1. Naam uit het Franse bihorel, bihoreau: reigersoort. Bijnaam voor iemand met lange benen. 2. Naam uit de plaatsnaam Bihorel (Seine-Maritime).

Beherman. Duits Behrmann, Beermann; Biermann, beroepsnaam van de bierhandelaar.

Beheyt, Beheyt, Beheydt, Beheyd: West-Vlaamse familienaam. Over Baheyt (met hyper-correcte h) van Baet, variant van Baiet: rosbruin, roodbruin, bruinrood. Bijnaam. Ook naam van bruinrood paard, vergelijk Baaij.

Behiels: Onduidelijk. Mogelijk een variant van Beels: zie Beelen.

Behn, Behncke, Behnke: Vadersnaam. Noord-Duitse korte vorm van Germaanse voornaam Bernhard.

Behogne, Bohogne, Debehogne: 1. Plaatsnaam Behogne, oude naam van Rochefort. 2. Romaanse vorm van Bohemen. 3. Plaatsnaam Bohan.

Behr, de. Bijnaam ‘de beer’. Duitse familienaam uit Wurzburg.

Beicht. Duits Beichte: biecht. Bijnaam voor de biechteling of biechtvader. Vergelijk Duits Beichter.

Beier, Beyer, Beyers, Beijer, Beijers, De Beyer, Beyers, De Beyre, Byers, Baier, Bayer, Bayers, Baert, Bayertz, Baijer, Bajer. Bijnaam voor iemand afkomstig uit Beieren.

Beignier, Binjé, Binje, Binie, Bigné, Bingé. 1. Vadersnaam uit de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bagin-hari. 2. Of verschrijving van Beignet. Zie bij Begné. De vorm Bingé is ook ontstaan uit een vondelingennaam (Brussel 1843)

Beijaert, Beyaert, Bejaer, Bejaert. 1. Zie Bayard. 2. Beroepsbijnaam voor de beiaardier, de klokkenspeler.

Beijersbergen. In Nederland komt naast Van Bergen Henegouwen ook Beijersbergen van Henegouwen voor.

Beijk. Wellicht variant van Beek.

Beinhardt, Beinaerdts, Beinaerts, Beynaerts, Beenaerdts, Beenaerts, Benaerts, Benaets: Vadersnaam. 1. Germaanse voornaam bain-hard; 'been-sterk': Beinhard. 2. Zie Benard.

Beintema, Friese vadersnaam Beint.

Beinsberger, Beynsberger, Beijnsberger: Afkomstig van Bensberg, Noordrijn-Westfalen.

Beiten. West Vlaams beite: ooi. Bijnaam. Vergelijk Schaap, Mouton.

Bejaer, Bejaert. Variant van Beyaert of van Frans Béjard. Of eventueel Béard?

Béjard. Franse plaatsnaam Beaujard: mooie gaard, mooie tuin.

 Bek, (de) Beck, Bec, Beckx, Bekx, Becks, Beks, (de) Becq, Becx, Bex, Beek, de Beeck, Beeck, Beeckx. 1. Bijnaam voor iemand die een grote bek opzet of voor iemand met een speciale mondvorm die op een bek of snavel lijkt. 2. Heel wat vormen kunnen varianten zijn van Beek, Van der Beke.

Bekaert, Békart, Béka, Beka, Bekaar, Beca, Becart, Becar, Beccaert, Becaert, Beeckaert, Beckaert, Becaas, Becquaert, Becquaer, Bequart, Beekaert. 1. Afleiding vorm van Van der Beke, zie Beke. 2. Romaanse afleiding van bec: bek. Bijnaam.

Bekbergen, van, van Beckbergen: Plaatsnaam Beekbergen (Gelderland).

Béke, Beké. 1.Zie Be(c)quet. 2. Mogelijk soms een verfransing van de naam Beke (en varianten).

Beke, Beken (van der), van der Bek, van der Becq, van der Becken, van der Beck, van der Beckem, (van der) Beque, (van der) Beeck, Beek, (van der) Beeken, Beeke, von der Becke, van de Beek, van der beck, van de Beck, van den Beek, van den Bekke, van den Beke, van den Beck, van den Becken, van den Becke, Vandrebeck, Wandrebeck, Wenderbeck, Verbeecke, Verbeecken, Verbeeke, Verbeeck, Verbeek, Verbecken, Verbecke, Verbeck, Verbecque, Verbecq, Verbeken, Verbeke, Verbèque, Verbeque, Verbeckt, Ferbecq, Vorbeck, ter Beek, Terbekke, Beekens, Beeken, Beken, Beeken, Beeke, Bekkens, Beeck, Beeckx, Beek, Beex, Becque, Becken, Becke, de Beke, Bêque, Bèque, Opdebeeck, Opdebeek, op de Beeck, op de Beke, op de Becq, Obtebeke, Opderbeck, Beeckman, Beeckmans, Beekman, Bekemans, Bekeman, Bekema, Bekkema, Bekhof, Bekke, Beckmans, Beckman, Biekman. Familienaam afgeleid van de zeer verspreide plaatsnaam ‘ter, Beek, Ter Beke; beek’.

Bekelaar, Bekelaer, Beeckelaers, Beclard: Ontronde vorm van Beukelaer.

Bekenes: Plaatsnaam Bekenes in (Utrecht).

Beker, Bekers, Bekersz, Beekkers, Beekers, Beekher, Bieker: 1. Bijnaam naar de huisnaam 'De Beker' of beroepsnaam van de bekermaker. Vergelijk Duits Becher(er). 2. Uit Bekaert(s).

Bekhoven, van Beckhoven: Plaatsnaam Bekhoven in Brecht (Antwerpen).

Bekkink, Garrit Bekkink ontgon een heideveld dat aan zijne landerijen paalde. Hij bouwde daar een huis, en richtte alles tot een nieuwe hoeve in, voor een van zijn zonen. Natuurlijk moest die nieuwe hoeve ook de ouden naam Bekkink dragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erve Bekkink, en werd ook door eeneBekkink bewoond. Maar ter onderscheiding noemde men het ene erve Oud-Bekkink, het andere Nieuw-Bekkink en ook deze namen gingen weldra op de bezitters van die hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over. Oud is ool Bekkink. Zo ook met Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-Hemminga en Ny-Hemminga, Olden-Banning en Nyen Banning, Nye–Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-Wening en Olden-Waving van de geslachtsnamen Banning, Manting, Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weer nevens Ool-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-Starink en Klein-Ubbink de enkelvoudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, Starink en Ubbink.

Bekkum, van. Plaatsnaam, Bekkum, Overijssel, bij Hengelo.

Belpaume, Bellepaume, Belpalme, belpaeme, Belpame, Belpomme: Franse bijnaam Belle paume: mooie (hand)palm. Vergelijk Frans Bellemain.

Bel, Belmans, Belman, Bellen, Bellens. 1. Familienaam uit de plaats Geel-Bel (Antwerpen). 2. Zie ook Belmans, Bellin, Belle.

Bel, de: Bijnaam of beroepsbijnaam naar de bel van de bellenman, de omroeper.

Bel, van (der): Bijnaam naar de huisnaam ‘De Bel(le) als in Brugge’. Zie ook In de Belle.

Belaert, Beelaert, Beelaerts, Beellaert, Bielart, Biela, Belard, Belart, Bélart, Bellaert, Bellard, Bellaart, Bellart, Beldert: Bijnaam. Afleiding van het Middelnederlands werkwoord belen, bellen ‘blaffen, onaangename geluiden voortbrengen’, vergelijk Duits bellen ‘blaffen’.

Bélanger, Bélangé, Belange, Belamge, Bellanger, Bellangé, Bellange, Bellengier, Bellengé, Bellenge, Bellenger, Belenger, Bélenger, Balanger: Vadersnaam. Variant van Berenger met r//-wisseling. Vergelijk de Engelse famiienaam Bel(l)enger, Bellinger = Ber(r)inger.

Belboom. Een huis in Brugge heette in 1580 De Belleboom.

Belche. Duitse bijnaam. Middenhoogduits bëlche: waterhoen.

Belde, Beeldens: Vadersnaam. Belden, klankwijziging van een klinkervorm van Balden, vleivorm van Baldwin, Boudewijn.

Belder, van de. Waarschijnlijk variant van Van de Bielde, beïnvloed door De Belder.

Belderbos, Belderbosch. Plaatsnaam in Geel (Antwerpen?), Brunssum. Of Bellenbusch in Wuppertal?

Belderok: Picardisch belleroque. Samenstelling met Oudfrans roche, Oudpicardisch roke, roque ‘rots; slot, burcht op een rots’. Plaatsnaam Belleroche (Loire, Moselle).

(de) Belder, Belders, Bielders, (de) Belser, de Beelde, Beeldens, Beelden, Belden, Beldens, Belt, (van den); van de(r) Bilt, Beld, van de/den, Belde, Beldhuis, Befeldens, Befelden, Befelde, Goldenbeld. 1. Het Middelnederlands beelder betekent schepper, uitbeelder, beeldhouwer, schilder. In dat geval een beroepsnaam. 2. Beroepsnaam van de omroeper, de belleman. 3. Naam uit het Middelnederlandse bels: bijl. Beroepsbijnaam voor de smid, de wapenmaker.

Belderbos, Belderbosch. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Geel (Antwerpen).

Beldert: Vadersnaam. Germaans naam balth –hard ‘moedig –sterk’: Baldhardus.

Beleman, Belemans, Beellemans, Beelleman: Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Bêle: Isabele.

Beleir, de: familienaam De Beleir, verschrijving van De Berlaer = van Berlaar. Plaatsnaam Berlaar (Provincie Antwerpen).

Belckx. Wellicht variant van Balks.

Belet: 1. Vadersnaam. Uit Robelet of Robillet, verkleinvorm van de Germaanse voornaam Robert. 2. Bijnaam Bellet, verkleinvorm van bel, beau ‘mooi’.

Belfroid, Belefroid, Bellefroid, Bellefroy, Beffroi, Balfroid, Balfoort, Balfhoudt, Bafort, Baffrooy, Baffroy, Baffrey, Bafroey, Bellfort, Belford, Beffort: 1. Vadersnaam. Ba(l)froid, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Balafrid, Balfredus. 2. Plaatsnaam Bellefroid (Provincie Luik) of Beaufort of Belfort. Bellefroid in Voroux-Roloux. Belfort van Franse beffroi, uit Oudfrans berfroi, dat uit het Oudnederlandse *bergfriþu "vredebewaarder", uit Oergermaans *bergan "bergen, bewaren" en *friþuz "vrede, bescherming". Via volksetymologische werd beffroi in de 13de eeuw omgevormd tot belfort, uit bel "klok" en fort "burcht, versterking".

Belge, Belgen, Belges. Vadersnaam. Bakervorm van de Germaanse voornaam Baldger. Vergelijk Belger(s).

Belgeonne, Beijonne: Bijnaam. Frans bel: mooi + Jone, dat is de vooornaam Jean: Jan. Vergelijk Jeannard=Jonnard, Schoonjans, Beaujean.

Belger, Belgers: Vadersnaam. Germaanse voornaam balth-ger ‘moedig-speer’.

Belgy, Belgey: Bretonse familienaam Beleguic, Le Belleguic, Le Belléguy, afleiding van Bretons Belec: priester.

Belhomme, Belhommet, Bel'Home: Bijnaam voor een mooie man; vergelijk Schoonemans, Duits Schonemann.

Beliard, Belliard, Bellia, Belliart, Beljaars, Beillard, Beilharz, Billiard, Billiaert, Billia, Bilia, Billart, Billard, Billla, Billat, Bellynck, Fries Bellinga, van de oude naam Belle (Belke).

Billas, Billast, Bilaer, Bila, Biard, Biar, Biart, Bia, Bias, Biya, Bya, Béard, Béart, Beard, Beart: 1. Moedersnaam. Germaanse voornaam Biligardis, Billiardis, Beliardis; of vadersnaam. Biliardus, Beliardus. 2. Vadersnaam. Korte vormen van de Romaense vleivormen Robillard, Lambillard.

Belie, de: Variant van de familienaam De Bille. Plaatsnaam Oudfrans bille ‘boomstronk’.

Belien, Belie, Bélie, Beliën, Beliëns, Bilien, Biliën, Bielien, Bill, Bille, Billen, Billens), Bilen, Billenne, Bilenne: Moedersnaam, afleiding van de voornaam Belie, korte vorm van Mabelie, Frans Mabille, van Latijnse Amabilia of van Sebelie, van Sibilia.

Bélier, Belier, Bellier, Belly, Bellij: 1. Frans bélier: ram. Bijnaam. Vergelijk De Ram. 2. Bélier is de vondelingnaam van Hipolite Bélier, in 1817 gevonden in Cent aan een café in de Rue du Bélier, verkeerde vertaling van Raamstraat, begrepen als Ramstraat.

Belijn, Belijn, Belym, Beleyn, Belin, Beling, Blin: 1. Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse voornaam, misschien korte vorm van Robelin. Of Bratto is een variant van Bertin of Bénin. Belijn is de naam van de ram in Reinaert de Vos en die kan wel beantwoorden aan Bernardus, naam van de ram in de Isengrimus. In het Frans is Belin de traditionele naam van het schaap. 2. Zie ook Bellin.

Beljaars, Beljaards, Belien, Beliën, Bellaart, Beljers. 1. Moedersnaam, van Mabelie, Sibilia of Biligardis/Beliardis. 2. Vadersnaam van Beliardus. 3. Of van Franse namen als Robillard en Lambillard.

Bellau, Belleau. Plaatsnaam Belleau, Aisne, Meurthe-et-Mos. Afleiding van bel; mooi. Vergelijk Bellet.

Bell. Engelse familienaam. 1. Moedersnaam Isabel. 2. Bijnaam. Frans bel; mooi. 3. Engels bell; klok, bel. Bijnaam.

Bellaire, Belair, Belaire: 1. Plaatsnaam Bellaire (Luik) en in Cortil-Wodon, Dison (Luik), Marchin (Luik), Vaux-Chavanne. 2. Bel + Oudfrans hère: figuur, gezicht, gelaatsuitdrukking; Oudfrans bêle hère: bonne mine. Bijnaam.

Bellamy. Bijnaam bel ami; mooie vriend, geliefde.

Bellavia, Belliveau. Spaanse en Franse familienaam uit de plaatsnaam: mooie, liefelijke vallei.

Bellavoine, Balavoine: Plaatsnaam Belle-Avesne in Lattre-St. Quentin (Pas-de-Calais):

Ballaeingh, van. Waalse aanpassing van Bellingen.

Belle. Moedersnaam. Korte vorm van Isabel(l)e. 2. Korte vorm van Sint Beatrix, via Beltridis (vergelijk Biltris). 3. Eventueel van Elisabeth, Lijsbette, via Lijsbelle.

Belle, de, (de) Bell, Bel: Bijnaam of beroepsnaam naar de bel van de belleman, omroeper.

Van Belle, Vanbellen, Vanbelle, van Bellen. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Belle (Bailleul in Frans-Vlaanderen) of Denderbelle/Schellebelle, Bel in Geel, Antwerpen..Zie ook Bel.

Belle, in de: Huisnaam De Belle in de Lange Gistsraat in Middelburg. Zie ook van der Bel.

Bellebouche. Bijnaam voor iemand met een mooie mond, wellicht figuurlijk voor een mooiprater. Vergelijk Duits Schönmund, Frans Bellegueule.

Bellecoste. Belle Côte: mooie helling, oever. Plaatsnaam Bellecotte in Ecaussines (Henegouwen). 2. Plaatsnaam Bellecôte (Luik).

Belleflamme, Bellflamme, Belflamme: Bijnaam of huisnaam. Ook plaatsnaam in Grivegnée (Luik).

Bellefond. Plaatsnaam Belle Font; mooie bron. Vergelijk Duits Schonbrunn.

Bellefontaine. Plaatsnaam; mooie bron.

Bellegem, Belleghem, van; Bellegum, Belleghen, van Bellinghen: Plaatsnaam Bellegem (Kortrijk, West-Vlaanderen).

Belleguelle. Bijnaam. Belle gueule: mooie mond. Vergelijk Bellebouche.

Bellekens, Belquin. 1. Naam afgeleid van bel(le). Bijnaam voor de belleman. 2. Vadersnaam uit de voornaam Bellin. Zie daar.

Bellem, van. Plaatsnaam Bellem, Oost-Vlaanderen.

Bellems, Bellemans: Schouwse familienaam uit Bethlehems, naar het klooster Bethlehem bij Elkerzee (Middenschouwen).

Bellemans, Belmans, Belmanne, Bellmann, Bel. 1. Beroepsnaam voor de belleman, de omroeper. 2. Afleiding van Van Belle: zie Belle. 3. Afleiding van Bellin/Ballin. Zie bij Bellin. 4. Zie ook Bel. Ook afgeleid van de Schouwse familienaam Bellems, in de 16de eeuw ontstaan.

Bellemare. Moedersnaam. Belle Marie: mooie Maria.

Bellement. Verschrijving voor Belleman of Bellement. Bellement, zie Belmonte.

Bellemont. Plaatsnaam Belmont in Ethe. Bellement in 's-Gravenwezel. Belmont is ook een verspreide plaatsnaam in Frankrijk.

Bellems. Schouwse familienaam naar het klooster Betlehem bij Elkerzee.

Bellenhen, van, Bellenen, van. Variant van Van Belleg(h)em of Van Belling(h)en.

Bellenot. Plaatsnaam Bellenot, (Côte-d'Or).

Beler, Bellers, Beler: 1. Afleiding van bellen: met de bel luiden. Vergelijk De Belder 2. 2. Afleiding van bellen: blaffen. Bijnaam voor een lawaaimaker, twistzoeker, norse kerel. Vergelijk Duits Bélier.

Belleri, Bellery, Belery. Plaatsnaam; mooi beek.

Belleroch, Belderok: Oudfrans roche, Oudpicardisch roke, roque: rots, (ook) slot, burcht op een rots. Plaatsnaam Belle-roche (Loire, Moselle): mooie burcht op rots. Vergelijk Duits Schönfels.

Bellet, Belley, Bellez, Belette. Belet. Afleiding van bel, beau; mooi. Bijnaam.

Belletable. Belle Table? Beroepsnaam van de meubelmaker? Of Belle Etable: mooie stal?

Belleter, Billeter, Bileter. Variant van de Duitstalige familienaam Billeter, afgeleid van de plaatsnaam Bilten in Glarus (Zwitserland).

Bellevergue. Bijnaam Belle vergue: mooie roede (pénis). Vergelijk met zelfde betekenis Schoonteers:

Belleville. Plaatsnaam Belleville in Fronville, maar erg verspreid in Frankrijk.

Bellicourt. Plaatsnaam, Aisne. Vergelijk Bellecourt.

Bellièvre, Bellievre, Bellevre: Bijnam. Bel lièvre: mooie haas. Wellicht uithangbord. Vergelijk Franse familienaam Bellevrat.

Bellin, Bellend, Bellen, Bellinck, Bellyn, Bellynck, Bellings, Belling, Bellin, Bellink, Bellinkck, Bellincks, Bellinckx. 1. Vadersnaam, variant van Ballin, knuffelvorm van Baldwin, Boudewijn. 2. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bello. 3. Zie ook Belijn.

Bellinghen, van, Bellingen, van, van Bellinghem, van Bellinghe, van Belinghen, van Belingen. Familienaam uit de plaatsnaam Bellingen (Vlaams-Brabant).

Belois, van. Vermoedelijk vernederlandste vorm van Dubelloy. Zie daar.

Belot, Bellot, Bello, Belloo, Bellon, Belon, Belotte, Blote, Blot: 1. Vadersnaam. Korte vormen van Herbelot, Hubelot, Robelon enz., vleivormen op -elot, -elon van Herbert, Hubert, Robert enz. Vergelijk Billot. 2. Moedersnaam. Korte vorm van Isabelot, Isabelon.

Bellotto: Bijnaam. Zoals Bellotti een Italiaanse verkleinvorm van bello ‘mooi’.

Belois, (van), Belais: Wellicht vertaling van Frans Dubelloy, Dubellay. Plaatsnaam Belloy (Somme, Oise, Orne), Bellay (Seine-et-Oise). Romaans betuletum ‘berkenbos’.

Bels (de), Beels, Beils, Beyls, De Beys. Familienaam uit het Middelnederlandse/Oudsaksische bijl/bil/byl/bels (bijl/zwaard). Wellicht beroepsnaam van de maker van bijlen.

Belser: Variant van de Belder. Middelnederlands Beelder ‘schepper, uitbeelder, beeldhouwer, schilder’ of belder ‘bellenman’.

Belt, van de, den, der, van den, de Beld, van der Bilt: Oost-Nederlandse plaatsnaam Belt, Bilt ‘kleine hoogte, bult’, die we nog herkennen in vuilnisbelt. Plaatsnaam Belt in Wieringen (Noord-Holland), Brederwiede, Overijssel, Op de Belt in Bergen (Nederlands-Limburg), Bilt in Stevensweert (Nederlands-Limburg), De Bilt, (Utrecht).

Beltman: Afleiding met achtervoegsel –man van van den Belt.

Belva, Belval, Belveaux, Belvaux, Belleval, Belleveaux, Bellevaux, de Belvaux, de Belva: Plaatsnaam Bellevaux of in Limburg; Belvau(x) in Resteigne, Belva in La Reid, Leers-Nord.

Belz. Vadersnaam. Duits Bälz, Balz, korte vorm van Balthasar of oud Bal(d)zo van een Germaanse bald-naam.

Belzen, van; van Belsen: Plaatsnaam Bilzen (Belgisch-Limburg)?

Bemden, van (den), van den Bend, (van der) Bent, van der Ben: Plaatsnaam Beemd ‘weiland, alluviaal land aan een waterloop’.

Bemel, Bemels, de Bemels: Plaatsnaam Bemel in St.-Pieters-Woluwe.

Bemelen, van, Bemelmans, Bemeler. Familienaam uit de plaatsnaam Bemelen (Nederlands-Limburg).

Bemelmans: Afleiding Van van Bemelen. Plaatsnaam in Nederlands-Limburg.

Bemindt. Bijnaam voor een geliefde. Vergelijk Bienaimé.

Bemmel, van, van Bemmelen: Plaatsnaam Bemmel (Vlaams-Brabant, Gelderland).

Bemst, van der. Wellicht variant van Van Binst.

Bemus, Bemis: Volksnaam van de Bohemer, uit Bohemen (Tsjechië). Behm is een Duits dialect ontronde vorm van Böhm: Bohemer. Bemus, van Latijn Bohemus of van Bohmisch. Bemis komt in Antwerpen in de 16de eeuw naast Beemers voor.

Benard, Bénard, Benart, Benaert, Benaerts, Beenaerdts, Beenaerts, Bennaerts, Bennaers, Bennaars, Bennar, Besnard, Besnehard, Beunaerts, Beinaerdts, Beinaerts, Benaets, Benats, Benat, Bénade, Benaden, Benade, Benaest. Vadersnaam, variant van de Germaanse voornaam Bernhard.

Benauw, Benaut, Benou: Door assimilatie rn van nn uit Bernau(w) uit de Germaans naam Bernwald, Bernoud. Maar Bernauw kan door omkering van volgorde van klanken ook ontstaan zijn uit Bruneau ‘de bruine’:

Bendegem, van; van Bendegom: Plaatsnaam Bennekom (Gelderland), eerder Benninkheim verschilt slechts in naam van het Friese dorp Bingum, dat is Binningheim.

Benders, de, de Bendere, Beenders, Benders: 1. Beroepsnaam van de (vat)binder, kuiper, vergelijk Duits Fassbinder. 2. Hij die boeit, knevelt.

Bendermacker. Noord Duitse vorm van Duitse beroepsnaam Bendermacher; hoepelmaker.

Beneden, van,vVan Benden, van Beneen, van, Benëen Beneder, Benee, Bené, Benéé: Zonder van- aanloop uit Van Beneden. Naar de woonplaats ergens beneden, in de laagte.

Benedict, Benedictus, Benedickt, Benedic, Benedikt, Benedikt, Benedix, Benedek, Benedetti, Benedet, Benedetto: vadersnaam. Latijnse Sint Benedictus; 'de gezegende'. De voornaam Benedictus was in onze streken vrij zeldzaam. Vanaf 1157 trad hij sporadisch op.

Beneking. Vadersnaam. Afleiding van Been, bakervorm van Bernard. Zie Beekens, Behn.

Benens, Benen, Beneens: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Bernhard.

Benéré. Wellicht Oudfrans beneuré, Frans bienheureux: gelukkig.

Benet. Vadersnaam. Franse afleiding van de Germaanse voornaam Bernhard.

Beneton, Benneton, Benetton: 1. Vleivorm van Benêt. 2. Van Oudfrans bane, Frans benne: rieten mand, korf. Beroepsnaam.

Bénicourt, Benicourt: Plaatsnaam Bennecourt (Seine-et-Oise).

Bénistant, Benistant. Franse bijnaam Benestant; behoorlijk, beschaafd, fatsoenlijk.

Bénit, Benito, Bény, Beny, Benie, Beni, Bénis, Bénit, Benijts, Benyts, Beniest, Benist: vadersnaam. Romaanse variant van Benoît, van Sint Benedictus.

Benjamin, Benjamins, Benjamens, Benjaminsen, Benjaminssen, Benjaminson, Penjanin, Benjaminsz, Bens. Bijbelse naam Benjamin; zoon van het geluk. Ook de jongste kind van het gezin.

Benn, Benne, Bennes, Bens, Ben: 1. Vadersnaam. Germaanse bakernaam met assimilatie rn/nn uit Bernhard of andere bern-naam. Vergelijk Beyn, Behn, Beenkens. 2. Eventueel bijnaam naar de benne of mand. Beroepsnaam voor de mandenvlechter of visser.

Benneau, Benault, Benaut, Benieaux, Benniaux, Beyney, Benauwt, Benouwt, Benout: Vadersnaam. Variant van Bernau(s), Bernaut, Bernauw, door assimilatie rn/nn (vergelijk Bernard/Benard, Bernier/Benniers). Bernau kan evenwel ook een variant zijn van Brunau, door klankverandering.

Bennebroek. Plaatsnaam, Noord-Holland, Benningbroek, dorp in Noord-Holland en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland.

Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen is op hun beurt weer de geslachtsnaam Van Bingum ontleend.

Bennekom, van. Plaatsnaam Bennekom (Gelderland).

Benner. Duitse beroepsnaam van de maker van bennen, rieten korven.

Bennert. Vadersnaam. Duitse variant van de voornaam Bernhard.

Bennesteker. Beroepsnaam van de mandenvlechter. Het werkwoord steken en het gereedschap steker komen in het mandenmakersberoep voor.

Bennetsen, Bennedsen: Vadersnaam. 1. Berndsen, zoon van Bernard. 2. Zoon van Bennett.

Bennett. Vadersnaam. Engelse vorm van Franse voornaam Benoît, Latijn Bene-dictus.

Benist, Beniest: Door omkering van volgorde van klanken uit Beniets, Benijts, afleiding van Bénit, Romaanse variant van Benoît, de heiligennaam Benedictus.

Bénit, Benito, Bény, Beny, Benier, Benirr, Beni, Benis, Benit, Benijts, Benyts, Beniest, Benist. Vadersnaam uit de Romaanse vorm van Benoît (heiligennaam Benedictus).

Benne, Bennema, Binnema: Vadersnaam. Friese afleiding van Benne, Binne, van Benno, bakervorm van een Germaans bern-naam, zoals Bernhard,

Bennik, Benniks, Benning, Bennings, Benninck, Bennink, Benningh, Benninge, Bennigsen, Benningsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in Engeland Benson: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse bakernaam Benne.

Benning, van der, Benningen, Benninga, Benningh, Bennink, Bening, Bennigshof. Plaatsnaam Benningen am Neckar.

Benoit, Benoidt, Benois, Benoist, Benoij, Benoy. Benoye, Benoey, Benooit, Benoot, Benoodt, Binoit, Binois, Binoye, Binoir. 1. Vadersnaam uit de Franse vorm van de heiligennaam Benedictus. Benoo(d)t is de typisch Vlaamse vorm. 2. De Waregemse voorouders van Peter Benoit heetten evenwel Mannoot. Een verschrijving leverde Benoit/Benoot op. Mannoot komt uit de Germaanse voornaam Manoud (zie Maenhout).

Benony, Benonit: Bijbelse voornaam Benoni; 'zoon van mijn smart', aanvankelijk de naam van Benjamin, hem gegeven door zijn stervende moeder.

Benoorden. Naar de woonplaats benoorden een plaats.

Bens, de. Onduidelijk. Zoon van De Ben? Of uit Bens, met secundair lidwoord?

Bensberg. Plaatsnaam in Duitsland.

Bensch. Duitse familienaam Bentsch uit de voornaam Benz. Zo ook Bensel, Benselin.

Benschop, van. Plaatsnaam in Utrecht.

Bentinck, Bentin, Benting, Benthin, Benten, Bente, Bentinck, Binten, Benthein, Bentein, Benteyn, Beintein, Bent, van den, der, Bant, Bintein, Langebent. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bernhard of van Sint Benedictus, vergelijk Deense vorm Bent.

Benon: Vadersnaam. Afleiding van voornaam Benoît, Bendictus.

Benson, Benzon: Engelse vadersnaam. Zoon van Benn(et): Benedictus.

Benski: Vadersnaam. Slavische afleiding van Benedictus.

Bentem, Benthem, (van), van Benten, Bentum, van: Plaatsnaam Benthem (Noord-Brabant) of Bentheim (Nedersaksen).

Benthuys, Benthuijs. Plaatsnaam Benthuizen, Zuid-Holland.

Bentschap, Benschop: Plaatsnaam Benschop (Utrecht).

Benvuto, Benvuti, Benvuta. Vaders-, moedersnaam. Itaaliaanse Benvenuto; de welkome.

Benz, Benzen, Bentzen, Bentz, Bentsen, Bents: Vadersnaam. Alemannische vleivorm van de Germaanse voornaam Berthold, soms Bernhard.

Beral, Berael, Brall, Bral, Brals, (de) Brael, de Braal, Braele, Braël, Braële. Vadersnaam uit het Franse Béral, Berault, Béraud. Dit zijn Romaanse vormen van de Germaanse voornaam ber-wald.

Béraud, Béreau Béreaud, Bereau, Bereuax, Bériaux, Bériau, Beriau, Beriaux, Bérieau, Beraude, Beraud, Berauld, Berault, Beraux, Berhaut. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam ber-wald.

Berber, Barben, Berbers, Berbée. Berber; in het buitenland geboren, vreemdeling.

Berckmoes, Berkmoes, Verberckmoes, Verberkmoes: Plaatsnaam Berkmoest. Een most is een plaats waar mos groeit, een drassige plaats bij een berk. Berenfeld, Bernfeld, Vergelijk Duits Barenfeld, van plaatsnaam Barenvelde. Vergelijk (van) Barneveld.

Beral, Berael, Brall, Bral, Brals, (de) Brael, de Braal, Braele, Braël, Braële: Vadersnaam, van Frans Béral, Hérault, Béraud, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam ber-wald; 'beer-heerser': Beraldus.

Beraldin. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Berwald.

Beraldo. Vadersnaam. Italiaanse vorm van Germaanse voornaam Berwald.

Bérard, Beraerts, Beraets, Beraet, Berat, Bera, Berra, Beyra, Beirhaert, Beuraert, Berardi, Berardo: Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-hard; 'beer-sterk': Ber(h)ardus.

Béraud, Béreaud, Béreau, Beraux, Bereau, Bériaux, Bériau, Beriaux, Beriau, Bérieau, Beraude, Beraud, Berauld, Berault, Beraux, Berhaut: Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-wald; 'beer-heerser'. Vergelijk Berwouts, Beral, Berode.

Berce, Berche, Bercet, Bercé, Bercez: Oudfrans berche, Waals berce, van bercet: wieg. Beroepsnaam.

Berchum, van; Berchem, van, van (den) Berghem, Berghems: Plaatsnaam Berchem (Provincie Antwerpen, Oost-Vlaanderen), Berghem (Noord-Brabant). 1300 Ostonis de Berghem. Of variant van Van Berkum. Van den Berghem kan ook wel een variant zijn van van den Berge(n).

Berchier. Beroepsnaam. Variant van Bergier; zie Berger: herder.

Berck, Berk, Berke, Berque, Bierque, Bercq, Berks, Berx, Berckx, Bercx, Berken, Berkens, Bierkens. 1. Vadersnaam uit een Germaanse ber-naam, Bericho, Birico. 2. Familienaam naar de plaatsnaam Berk, naar de boom. Vergelijk Birk(en). Of plaatsnaam Berck-sur-Mer (Pas-de-Calais).

Berck, van de(den, der), van der Berk, van der Berken, van der Berk, van der Bercq, Verberckt, Verberkt, Berkmans, Berkman, Berckmans,

Berckman, Berquemanne, Berqueman, Baerckmans, Barkman. Familienaam uit een plaats waar berken groeiden.

Berckelaer, van, Berckelaere, van, van Bercklaer, Berckelaers. Familienaam uit de plaatsnaam Berkelaar in Echt (Nederlands-Limburg), Kontich (Antwerpen), Asse (Vlaams-Brabant) en Sinaai (Oost-Vlaanderen).

Berckmoes, van der Berkmoes, Berkmoes, Verberckmoes, Verberkmoes. Familienaam uit de plaatsnaam Berkmoes: Een most is een plaats waar mos groeit. Een berkmoest is een drassige plaats bij een berk.

Berckt van de,(den, der), van den Bercht, Verberckt, Verberck, Verberkt, Verbercht, Verberght, Verbergt, Verberdt, Verbert. Uit de plaatsnaam Berkt: berkenbos. Er is zelfs een dorp Berkt (Noord-Brabant).

Bercoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam berg-wulf; 'bescherming-wolf: Perculfus.

Bercu. Verkeerde spelling van de Franse familienaam Berçu, Berchu. Oudfrans berçu: toestel (touw) om de wieg te laten schommelen.

Bercy. Bercy is een plaatsnaam bij Parijs, maar vermoedelijk gaat het om een spelling van de Slavische familienaam Berczy(k).

Berdal. Berdhal: Klankverandering van Bredael?

Berdel. Middelnederlands berdeel, bordeel, Oudfrans bordel: planken hut, bordeel. Bijnaam voor de bewoner van een houten huis of hut.

Berden, Berdenne, Berdin, Berding, Beerden. Vadersnaam uit de voornaam Berend (zie bij Bernhard).

Berdermans. Beroepsnaam van de berdzager, plankenzager.

Berebroeckx, Berebrouckx, Berenbroek, Beerenbrouck: Plaatsnaam Berbroek (Limburg) en in Eigenbilzen (Limburg).

Berenbaum, Berenboom. Noord Duitse vorm van Duitse Birnbaum: perenboom. Vergelijk Van de Peereboom.

Berenblit, Berenblut: Duits Birnblüte: perenbloesem, bloeiende perenboom. Plaatsnaam.

Berenbroek. Plaatsnaam, Overijssel en in Genk, Limburg.

Berendonk, Berendock, Berendoncks, Berendonckx, van Beirendonck : Plaatsnaam Berendonck in Wijchen (Gelderland) en verspreide plaatsnaam Berendonk in de provincie Antwerpen.

Berenger, Béringer, Beringuier, Béranger, Beranger, Branger, Baranger, Bringer, Bringiers: Vadersnaam. Germaanse voornaam bern-ger; 'beer-speer': Berenger(us), Berengarius.

Berenhole. Reïnterpretatie van Bernoul, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bernolf.

Berenpas: Plaatsnaam. Samenstelling. Beren en pas ‘bos van laag hout’.

Berens, Beeren, Beerens, Berrens, Beirens, Beyrens, Bierin, Bieren, Bierens, Biren, Beringhs, Berings, Beerings, Berinckx, Berinx, Beirinckx, Berix, Barrix, Bierinckx, Bierinx, Bierings. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam bern-hard. 2. De afstammelingen van Jan de Bere, leenheer uit het hof ter Loo in Kasterlee, heten Beirens.

Berenschot: Variant van Berendschot. Plaatsnaam Schot ‘afgeperkte ruimte’ van Berend.

Berg, (de) den Berge, (de) Berghe, Bergh, (de) Barge, de Bergk, Barg, Berghs, Bergs: 1. Middelnederlands barg/berg: mannelijk gelubd varken. Wellicht beroepsnaam voor een varkencastreerder. 2. Korte vorm voor van den Berg; of zie de Barge.

Berg, (van), Vonberg, von Berg: Verspreide plaatsnaam Berg. Eventueel, van Van den Berg, Vomberg. Zie ook Deberge.

Berg, van de(den), van de(den) Berge, van der Berge, ten Berge, van de (den) Bergen, van de, den Bergh, Bergh, von, van de(n) Berghe, van den Berghen, vanden Berghe, van den Berch, van dem Berg, van dem Berge, van der Berghe, vander Berghen, van der Bergh, van (den) Bergue, Wandenberg, van der Bergue, van dem Bergue, von der Berge, von den Berg, Vondenberg, Vondeberg, Vomberg, Vomberge, Wambergue, Wanbergue, Wamberghe, Vannenberg, Vannenbergh, Vannenberck, Vaneberg, Vanebergh, Vaneberck, ten Berge, Bergman, Bergmann, Bergmans, Berghman, Berghmans, Berchman, Berchmans, Bergeman, Bergemann, Bergemanne, Barchman, Bergamanne: Zeer verspreide plaatsnaam ten Berge die in vele dorpen al aan een heuveltje gegeven werd: berg. Als adresnaam Berghuis, Berghuijs, Berghuys, Berghuizen, Berghaus.

Bergacker. Plaatsnaam Bergakker (Gelderland). Akkernaam in Dentergem, Egem, Sijsele.

Bergamo, Bergami. Italiaanse plaatsnaam Bergamo, Latijn Bergomum.

Bergeijk, van, de Bergeyck: Pplaatsnaam Bergeyk (Noord-Brabant).

Bergen, Berghen, Berg, Bergh, Berghs, Bergs. Korte vorm voor Van Bergen, Van den Berge.

Bergen, van, (van) Berghen, Vanbergen: Plaatsnaam Sint-Winoksbergen (Frans-Vlaanderen), Destelbergen (Oost-Vlaanderen), Bergen-op-Zoom (Noord-Brabant), Bergen (Noord-Holland) en Bergen (Frans Mons, Henegouwen).

Bergenhenegouwen. Plaatsnaam Bergen (Mons) in Henegouwen.

Berhenhuizen, Bergenhuyzen, Bergenhouse, Berghenouse. Plaatsnaam Bergenhuizen, Nederlands-Limburg, Bergenhusen en Bergenhausen, Duitsland.

Berger, Bergé, Bergez, Berges, Berges, Bergey, Bergeys, Bergier, Bergies, Bergiers, Leberger, Laberger, Du Berger, Dubergey: Franse beroepsnaam berger: herder. Berges kan evenwel, net als Vergés, een Gasconse vorm zijn voor Verger: boomgaard. Zie ook Berger(s).

Berger, Bergers. 1. Bijnaam voor iemand die (ver)bergt, in veiligheid brengt. 2. In Limburg ook afleiding van Berg.

Bergerac Bergeras, Bergerat. Plaatsnaam Bergerac, Dordogne.

Berger, den, Bergman, Bergers, Barger, Salfischberger, Bergerie. 1. Beroepsnaam iemand die een gezonken schip bergt. Plaatsnaam Berger, Noorwegen. 3. Berger, Franse beroepsnaam voor herder, van Oudfrans bergier. Duitse familienaam komt van Berg; berg of heuvel of plaats Berg.

Bergeret. Beroepsnaam, afleiding van Frans berger; herder.

Bergerhof, Bergerhoff, Borgerhoff: Duitse plaatsnaam Bergerhof.

Bergeron, Bergeyron, Bargeron: afleiding van Berger; vergelijk Bergeret.

Bergès, Bergé. 1. Bijnaam voor iemand die zich verbergt, in veiligheid brengt. 2. in Limburg ook afleiding van Berg. 3. Of uit het Franse berger: herder. 2. Afleiding van van (den) Berg:

Berges, Bergé, Bergez, Bergès, Bergeys, Bergey, Bergier, Bergies, Bergiers, Leberger, Laberger, du Berger, Dubergey. Uit het Frans: beroepsnaam voor een herder.

Bergeijk, van; van Bergijk, Bergeyck: Plaatsnaam Bergeyk (Noord-Brabant).

Berghgracht: Plaatsnaam Berggracht in Beersel (Vlaams-Brabant).

Berghof, Berghöfer, Bergshoeff. Naam uit de plaatsnaam Berghof (Nederlands Limburg). Berghof in Belsele (Oost-Vlaanderen) en Oorderen (Antwerpen). En wellicht nog op andere plaatsen. Berghöfer is ongetwijfeld afleiding van een Duitse plaatsnaam Berghof.

Berggrün, Berggreen: Duitse familienaam: kopergroen.

Berghgracht. 1. Plaatsnaam Berggracht in Beersel (Vlaams-Brabant)? 2. Volksetymologische reïnterpretatie van plaatsnaam Bacharach (Reinland-Pfalts). Zie Bachrach.

Bergholtz. Plaatsnaam Bergholtz, Elzas, Bergholz, Beieren.

Berghuis. Plaatsnaam Berghuis, Berghuizen (Gelderland, Drenthe).

Bergilez. Plaatsnaam Bergilers bij Borgworm, Luxemburg.

Berginc, Bergine. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van Germaanse berg-naam; bescherming.

Bergman, Bergmans, Bergmann, Bergmanns, Berghmans, Berghman, Berchmans, Berchman, Bergeman, Bergemann, Bergemanne, Barchman, Bergamanne: Afleiding van Van den Berg(e). 1459 Jan Berchman, Diest; de vader van Johannes Berchmans werd in 1599 eerst als Van den Berge ingeschreven. Zie bij Berg.

Bergrath. Plaatsnam in Eschweiler en Mùnstereifel.

Bergs: Afleiding van de Berg of van den Berg.

Bergsma, Bergema, Bergen, Bergs, Bargen, Bargsma, misschien ook Bergman, Bergmans, Barchmns: Het geslacht Bergsma voert zelfs een varken, Fries baerch, barg, als sprekend wapen.  Friese familienaam, vader/moedersnaam  met een affleiding van Germaanse voornaam Bergo/Berga, Bercht, Barcht, Brecht, bracht.

Bergsneider. Duitse familienaam Bergschneider. Waarschijnlijk beroepsnaam van de berkensnijder, Vergelijk Duits Birk(en)hauer.

Bergstein. Plaatsnaam in de Eifel.

Berguerand: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bergram.

Berguigue. Schrijffout voor Berguigne = Bourgogne.

Bergweiler. Plaatsnaam.

Berhin. Plaatsnaam in Flamierge.

Bergwerf, Bergwerff: Wellicht de plaatsnaam Burchwerf, nu Herrenstraat 47, Maasland. 1345 Burchwerf (Maasland, Zuid-Holland), want burg-en berg-namen werden vaak verward.

Bergunde. Duitse moedersnaam uit de Germaanse voornaam bero-gund.

Bericht, Berigt: Vondelingnaam? Of een reïnterpretatie, misschien van de Duitse familienaam Bercht, korte vorm van Berchtold. Vadersnaam.

Berillon. 1. Variant van Barillon, door verdoffmg van de onbetoonde klinker, van Frans baril: vat. Vergelijk Barion. 2. Of Berillon, van Béril: beril (beryllus) van bril. Beroepsnaam.

Beringer, Berringer: Duitse familienaam Behringer, uit Behringen of Bôhringen.

Beringhen, van. Plaatsnaam Beringen (Limburg).

Bériot, Berriot, Beriot, Bairiot, de Beriot: Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse ber-naam (Bérard, Béraud).

Berk, van; Berks: Zoals Van den Berk naar plaatsnaam Ber ‘plaats waar een berk groeit’.

Berkans, Bierkandt, Bergans, Bergoens, Bergoets, Borgoens, Borgouns, Borghans, Borghoms, Borghons, Burgun: Middelnederlands berchaen, berchoen, Duits Birkhahn, Birkhuhn: veldhoen, patrijs, korhaan, -hoen. Bijnaam voor een jager. Duitse familienaam Birghan, Berkha(h)n, Barkha(h)n.

Berkau, Berko, Berkowix, Berkowic, Berkowitsch, Berkowitch, Berkowitz, Berkowski, Berkovi, Berkovici, Berkovitch, Berkovitz, Berkovits: Oostduitse plaatsnaam Berkau, of Berkow (Mecklenburg, Pommeren).

Berkel, (van), van Berckel, Berkelmans: Plaatsnaam Berkel (Belgisch-Limburg, Noord-Brabant, Nederlands-Limburg, Zuid-Holland).

Berkelmans: Afleiding van Van Berkel.

Berkenboom, Berkienbaum, Berkenbaum: Plaatsnaam: berk.

Berkenbosch, Berckenbosch, Berkenpass: Plaatsnaam in Asse (Vlaams-Brabant), Heusden (Limburg). Vergelijk Duits Berkenbusch.

Berkers: Berker, afleiding van van den Berk. Vergelijk Duits Birker.

Berkeveld: Plaatsnaam : veld met berken. Vergelijk Duitse familienaam Birkenfeld naar de verspreide Duitse plaatsnaam Birkenfeld.

Berkeij, Berkheij, Berkkeij: Plaatsnaam Berkheij in Berkel en Milheeze (Noord-Brabant) en een vroeger dorp in Zuid-Holland.

Berkhof, (van den); Berkhoff: Plaatsnaam Berkhof, Berkenhof ‘hof met berken’. Plaatsnaam Berkhoven in Westmalle (Provincie Antwerpen).

Berkhout, Berghout: Plaatsnaam Berkhout (Noord-Holland).

Berkman, Berkmans, Berckman, Berckmans, Berqueman, Berquemanne, Baerckmans, Beerkman, Barkman: Afleiding van van den Berk.

Berkouwer. Afleiding van de plaatsnaam Berkau.

Berkum, van, van Burkom, van Burkum: Plaatsnaam Berkum in Zwolle, Overijssel.

Berkvens, Berckvens: Plaatsnaam Berkvens in Lierop (Someren, Noord-Brabant) ‘ven met berken’.

Berlaer, van, van Ballaert, van Ballaer, van Ballart. Familienaam uit de plaatsnaam Berlaar (Antwerpen). Zie ook Deberlaer.

Berlage, Burlage, Boerlage: Variant van Duitse Barlach en Barlage. Plaatsnaam Barlage ‘ligging op het moeras’. Barlage (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen), ook in Westerwolde (Groningen), Burlage (Nedersaksen), Bardelage (Sleeswijk-Holstein).

Berlaimont, (de) Berlaymont, (van) Berlamont, Berlémont, Berlemont, Berlinmont. Familienaam uit de plaatsnaam Berlaimont (Nord-France).

Berland, Berlan, Berlant, Berlaen, Beerland, Beerlant, Beerlandt, Beerlaen, Beierlandt, Beirlant, Beirlaen, Bierlant, Bierlaen, Bierlean. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam ber-land. 2. Naam uit de plaatsnaam Baarland (Zeeland).

Berlancourt, Berlencourt: Plaatsnaam Berlancourt (Aisne, Oise), Berlencourt (Pas-de-Calais).

Berland, Berlan, Berlant, Berlaen, Beerland, Beerlandt, Beerlant, Beerlaen, Beirlandt, Beirlant, Beirlaen, Bierlant, Bierlaen, Bierlean: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-land; 'beer-land': Berlandus, Berlannus. 2. Plaatsnaam Baarland (Zeeland).

Berlange, Berlanger, Berlenger, Berlengé, Berlenge, Berlenggee, de Berlanger, Berlangeer, Berlingiere: Vadersnaam. Variant van Berenger, met epenthetische 1. Vergelijk ook Bélanger.

Berleere, van, van Beerleire, van Beerlere. Naam uit de plaatsnaam Berlare (dialect Beerleer - Oost-Vlaanderen).

Berlekom, (van): Plaatsnaam Berlicum (Noord-Brabant) of Berlikum (Menaldumadeel, Friesland).

Berlens. Naar gelang van de uitspraak ofwel van Berlin(zie Beerlings) of Romaanse grafïe van Berland.

Berleur, Berleux: Plaatsnaam (Grâce-)Berleur (Luzemburg).

Berlier, Berlière, Berliet, Bierlier, Bierly: Beroepsnaam van de teler van de kleine watereppe, Frans berle.

Berlimblau, Berlinerblau, Berlinblau: Naam van een diepblauwe verfstof.

Berlind. Moedersnaam. Germaanse voornaam Berlindis. Of variant van Berlin.

Berliner. Berlijner, uit Berlijn, vaak een naam van de Joden.

Berling, Berlingen, Berlinger, Berlingin, Beerlings, Berlijn, Berlyn, Berlin, Bierlin, Borlyn. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Berlingen (= de plaats waar het volk van Ber neerstreek) (Luxemburg en Rijnland-Palts). 2. Vadersnaam, uit Berilo, afgeleid van een ber-(beer) naam.

Berlize. Plaatsnaam Berlize (Moselle) of Berlise (Aisne).

Berlo, Berloo, van, Berloz, Berlooz, Berlose, Berlot, Berloth, Barlo, Berlau. 1. Plaatsnaam Barlo in Aalten (Gelderland). 2. Plaatsnaam Berloz, Luxemburg.

Berlon. Variant van Borlon of Bourlon.

Berman, Bermans, Bermane, Bermann, Beerman, Berreman: 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaans ber-naam, zoals Berwoud. 2. Uit Bergman. 3. Middelnederlands berman‘sjouwer’.

Bermin, Bermyn, Bermijn. Aanpassing (verhaspeling, met rn/rm-wisseling en suffixsubstitutie) van Berny = Bernier.

Bermond, Bermont: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-mund; 'beer-bescherming': Bermundus. 2. Eventueel plaatsnaam Bermont (Belfort).

Bern. 1. Plaatsnaam Bern, Zwitserland. 2. Vadersnaam. Zie Bern(s).

Bermonville. Plaatsnaam (Seine-Mar.).

Bern, Berns, Beirne, Berne, Behrens, Behrensohn: Vadersnaam. Germaanse voornaam Berno of korte vorm van Bernard. Zie ook Berens.

Bernabé,Bernabe, Bernabei:Vadersnaam. Bijbelse voornaam Barnabas, Frans Barnabe, Spaans Bernabé.

Bernad, Berna, Bernat, Bernas, Bernast, Bierna, Biernat, Biernath. Vadersnaam. Waalse vormen voor Bernard. Vergelijk familienaam Bernard.

Bernage, Barnagie, Bernaeyge, Bernager: Oudfrans barnage, bernage, bernagé: Masse van de baronnen, hoedanigheid, adeltitel van de baron, moed van een baron. Bijnaam voor iemand met de kwaliteiten van een baron of in dienst van een baron. Vergelijk Baron.

Bernauer, Barnouw: Afgeleid van de frequente Duitse plaatsnaam Bernau (Beieren, Baden-Württemberg, Brandenburg).

Bernhard, Bernhardt, Bernhardi, Bernard, Bernard, Bernart, Bernards, De Bernard, Dubernard, Bernaerd, Bernaerdt, Bernaert, Beernaard, Bernaerdt, Bernaerts, Beirnaert, Barnhard, Barna, Barnard, Bernardus, Bernhardt, Bernhart, Bernhard, Bernhad, Bernath, Bernert, Bernardi, Bernardo, Bernardy, Di Bernardo, Bennardo, Bernaerd, Bernaer, Bernaards, Bernaard, Bernaerdst, Bernaerdt, Bernaers, Biernard, Biernaert, Beernaerts, Beernaert, Beernaerdt, Beernaerd, Beiernardt, Beirnaerd, Beiernaerts, Beiernaert, Beiernart, Börnard, Barendsen, Baarendse, Barendse, Barends Barents, Barentsen, Barentsz, Berendes, Berende, Berendsen, Berndsen, Bernds, Berntsen, Berndzen, Berends, Berendse, Beerends, Berents, Berentsen, Bernstson, Berndt, Berntzen, Behrendt, Behrend, Behrndt, Bernt: Vadersnaam. Germaanse voornaam bern –hard; ‘beer –sterk’.

Bernardin, Bernardini, de Bernardin, de Barnardin: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Bernard.

Bernau, Bernaus, Bernaut, Bernaux, Bernauw, Bornaeuw, Bornauw, Berniaux, Bernia, Bernal, Bernaldo, Breniaux, Brenael, Bernays, Biernaux, Bierna, Biernat, Biernath: 1. Vadersaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bern-wald; 'beer-heerser': Bernoldus. Zie ook Bernout(s). 2. In sommige gevallen kan Bernau(x) enz. ook wel door klankverandering een variant zijn van Brunau(x); vergelijk Burnel, Burniaux, Berneel. Zie ook Benneau. 3. Eventueel plaatsnaam Berneau (Luik).

Bernaville. Plaatsnaam Bernaville, Somme.

Berne. 1. Plaatsnaam Bernes (Seine-et-Oise). 2. Zie Bern(s).

Berner, Berners, Bernie, Bernier, Berny, Berni, Bernis, Birnie, Birni, Birny, Bény, Bennie, Besnier: Vadersnaam. Germaanse voornaam bern-hari; 'beer-leger': Bern(h)arius. Zie ook Bornier, Bermin.

Bernet. Vadersnaam, afleiding van Bernard of Bernaud.

Bernheim: Plaatsnaam Burgbernheim of Mainbergheim (Beieren).

Bernimolin, Bernimoulin. Plaatsnaam Bernimont in Assenois.

Berning, Barning, Bernink. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Bernard.

Bernique, Berniquet. Vadersnaam. Romaanse afleiding van de voornaam Bernard.

Bernkens. Vadersnaam, afleiding van de voornaam Bernard.

Bernolet. Vadersnaam. Romaanse vleivorm op -olet van de voornaam Bernard of van Bernoul, de Germaanse voornaam Bernolf.

Bernoully, Bournaillie, Bernaille, Bonnaillie: Vadersnaam? Afleiding van Bernoul, de Germaanse voornaam Bernolf, of van een andere bern-naam. Of veeleer een plaatsnaam als Bernouil (Yonne).

Bernout, Bernouts, Beernaut, Bernaut, Berenhaut: Vadersnaam. Germaanse voornaam bern-wald; 'beer-heerser': Bernoldus. Zie ook Bernau(s).

Bernrath. Vadersnaam. Germaanse voornaam bern-rêd; 'beer-raad': Berneradus.

Berns: Vadersnaam. Germaanse voornaam Berno of korte vorm van Bernard.

Bernstein, Barnstijn, Bernsztejn, Berensztejn, Bersztejn, Pernstein: 1. Beroepsnaam van de verkoper van barnsteen. 2. Duitse plaatsnaam Bärenstein, Bernstein, bijvoorbeeld in Dresden.

Bernu, Bernus, Bernusset: Gasconse Bernusse (Béarn), variant van Vernusse, plaatsnaam afgeleid van verne: els (boom).

Berode, Berodes, Berod, Bero, Béro, Beros, Beeroo, Berro, Berot, Berotte, Berote: Vadersnaam. Germaanse voornaam, variant van Beroud (zie Berwouts), vergelijk Gerbode = Gerboud, Manoud (Maenhout) = Mannoot (Benoot). Vergelijk Béraud.

Béron. Vadersnaam. Romaanse vleivorm van Germaanse ber-naam, zoals Bérard, Beroud.

Berou, Berouw, Berrou: Vadersnaam. Germaanse voornaam Beroud. Zie Berwouts.

Beroudia, Beroudiaux, Béroudia, Béroudiaux: Vadersnaam van Germaanse voornaam Beroud. Zie Berwouts.

Berque, Bierque, Berke: 1. Picardiche vormen van Berck. 2. Accentloze spelling van Berque. 3. Soms plaatsnaam Berck (Pas-de-Calais).

Berquet, Berquez, Berqué, Berque, Berké, Berke, Berguet: Afleiding van Oudfrans barge, berge: sloep, boot. Beroepsnaam van een bootsman of huisnaam.

Berquin, Berkein, (de) Barquin: Plaatsnaam Berkijn, oude naam van Noord-Berkijn (Vieux-Berquin).

Berrendorf. Duitse plaatsnaam Berndorf.

Berret, Berré, Béret: Vadersnaam van Germaanse ber-naam.

Berrevoet, Berrevoets: Bijnaam. Variant van Bar(re)voets. Bijnaam voor wie blootsvoets loopt. Vergelijk Duits Barfuss.

Berrier, Berrière, Beriere, Berryer, Berry, Béry, Berjé, Berjez: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-hari; 'beer-leger': Ber(h)arius, Bererius. 2. Zie Berruyer.

Berruyer, Berroyer, Berrier, Berryer, Berjé, Berjez: Afkomstig van Le Berry. Vandaar Oudfrans berruier: moedig ridder.

Berry: Béry, de Bery, Bairy: 1. Plaatsnaam Berry-au-Bac (Aisne). Eventueel Berry in Beauraing (Namen). Waals bê ri: mooie beek. 2. Zie ook Berrier.

Berscheid, Berschet: Plaatsnaam Berscheid in Duitsland.

Bert, de; de Bart, de Berdt, de Bard, de Bart, de Baert: Middelnederlands bart, bert ‘zeevis’. Bijnaam.

Bert, van. Plaatsnaam Beert, Vlaams-Brabant.

Berthold, Bertou: Vadersnaam. Bertoud. Germaanse voornaam berht-wald ‘schitterend-heerser’:

Bertard, Brettar: Vadersnaam. Germaanse voornaam berht-hard; 'schitterend-sterk': Bertardus.

Berte, Berthe, Barthe, Barte: Moedersnaam. De eenstammige Germaanse voornaam Berta: berhta 'schitterend'. De naam komt al in 995-1029 in het Gentse voor. Zie ook Beerten(s) 1.

Berteel, Berteele, Bertelle, Bertel), Bertelens, Bertelen, Bertulens, Borteele, Borteel, Bortele, Bourteele, Bartelen: 1. Vaders-, moedersnaam van Germaanse berht-naam. 2. Vadersnaam van Bartholomeus. Vergelijk Bartelse. 3. Sommige vormen zijn wellicht te verklaren door klankverandering uit Bretel.

Berteloot, Berteloit, Bertheloot, Berthelot, Bethelot, Biettlot, Bietlot, Biettelot, Bertulot, Bortolot: Vadersnaam. 1. Vleivorm op -lot van een bert-naam, zoals Bertolf, Bertoud, Robert, Albert. 2. Vleivorm van Sint Bartolomeus.

Bertem, van, van Bettem, Bettten: Plaatsnaam Bertem (Vlaams-Brabant).

Berten, van. Plaatsnaam Berten, Frans-Vlaanderen.

Bertet, Berthet, Berté, Berte, Bertee, Burtet, Bretez: Vadersnaam van een bert-naam, zoals Albert, Robert.

Berthelon, Bartholon, Bartholom: Vadersnaam. Vleivorm van een berht-naam. Vergelijk Berteloot. Of afleiding van Bertoul of Bartholomeus.

Berthiaume. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam berht; helm; schitterend-helm, Berthelmus.

Bertholet, Bertollin, Bertolin: Vadersnaam van Bertoul of Bartholomeus; vergelijk Bartelet.

Bertier, Berthier, Berther, de Bertier, Berti, Berty. 1. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bertht-hari; schitterend-leger. 2. Variant van Bartier. Zie daar.

Bertin, Bertijn, Bertyn, Bertein, Berteyn, Berteen, Bertinet, Bertinot, Burtin: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse berht-naam. Zie Beerten(s).

Bertinchamps, Bertainchand, Bertenchamps, Bertenchamp: Plaatsnaam in Grand-Manil (Namen), Haneffe (Luxemburg). Bertaincamp in Vloesberg. Bertjes. Vadersnaam van berht-naam, zoals Hubert.

Bertleff. Vadersnaam van de Germaanse voornaam Bertolf, vergelijk Berthold, zie Bertoud.

Bertling. Vadersnaam, van Bertholding, van de Germaanse voornaam Berthold, zie Bertoud.

Berto, Bertot, Berthot, Bertho, Bretot: Vadersnaam van berht-naam.

Bertolini, Bertolino. Vadersnaam. Italiaanse afleiding van Bertoli.

Bertoldus, Berting, Bertings, Berting, Bertjens, Bertram, Bertens, Alberts: Vadersnaam. Afleiding van een Germaans berht-naam. Vergelijk Bertin.

Bertolotti: Vadersnaam. Italiaanse familienaam. Afleiding van Bertolotto, verkleinvorm van een Germaans berht-naam. Pendant van Berteloot.

Berton, Berthon, Bertun, Barton, Bertonneau, Berthonnaud: Vadersnaam. Romaans accusatiefvorm van de Germaanse voornaam Berto.

Bertossi: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van Germaans bert-naam.

Bertou, Bertoul, Berthoux, Bertoux, Bertoe, Betout, Burthoul: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Bertolf: berht-wulf; 'schitterend-wolf. Latijn Bertulfus.

Bertoud, Bertou, Bertout, Berthoud, Berthold, Berthol, Bertiaux, Bertiau, Bertieaux, Bertia, Bertiaux, Bertia, Bertius, Bertieau, Bertieax, Bertiea, Berthault, Berthaut, -Berthaux, Bertheau, Bortiaux, Burtaux, Burteau, Burteaux: Vadersnaam. Germaanse voornaam berht-wald; 'schitterend-heerser', Nederlands Bertoud.

Bertouil, Bertouille, Berthouil, Berthuille, Bertuille: 1. Moedersnaam. Romaanse vrouwelijke vleivorm van Germaanse berht-naam. 2. Moedersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Bertoildis. Vergelijk Ardou(i)llie.

Bertran, Bertrandt, Bertrand, Bertrant, Bertrands, Bertrand, Bertranghs, Bertrangh, Bertrang, Bertram, Bertrams, Berttram, Berterame, Bertrem, Bertums, Beltran, Beltrame, Bertrains, Betrains, Beterams, Betrams, Betrane, Bettrang, Beeterens, Beterens: Germaanse voornaam berht-ram/hraban; 'schitterend-raaf: Bertram(nus), Bertrannus, Bertraven.

Bertozzi. Wellicht een Italiaanse vadersnaam afgeleid van een berht-wald-naam.

Bertrijn, Bertains, Bartrijn, Battrijn, Battryn: Vadersnaam. Berterin, vleivorm van Bertram of Bertier.

Bertron. Vadersnaam. Berteron, afleiding van Bertier of Bertram.

Bertrude. Moedersnaam. Germaanse voornaam berht-thrûth; 'schitterend-macht': Bertedrudis.

Bertry, Bertrix: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam berht-rîk 'schitterend-machtig'. 2. Plaatsnaam Bertrix of Bertry (Nord).

Bertijn: Vadersnaam. Vleivorm van Germaans Berht naam.

Bertsch, Bertsche, Bertsché, Bertschy, Betsch: Vadersnaam. Duitse afleiding van Germaanse voornaam Berthold.

Berus, Beyrus, Birus, Beeris: Plaatsnaam Bérus (Sarthe)? Of van Berens?

Bervaes. Bretonse familienaam Bervas, die onder meer in de plaatsnaam Kerbervas schuilt. Onzekere etymologie.

Bervelt. Plaatsnaam Beervelde (Oot-Vlaanderen). Of Beervelde in Destelbergen (Oost-Vlaanderen). Of reïnterpretatie van Berville?

Berville. Plaatsnaam (Calvados, Seine-et-Oise, Seine-Mar., Eure).

Berwald: Vadersnaam. Germaanse voornaam ber –wald ‘beer –heerser’: Beroldus, Beraudus. Nederlands Beroud en de familienaam Berwouts.

Berwart, Berwaert, Berwaer, Berwaer, Berwaert, Berrewaerts, Berrevaerts, Bérouard, Bierwart, Bierwaerts, Bierwert. Bierweert, Bierwertz, Bierrewaerts: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-ward 'beer-bewaarder': Berwardus. 2. Zie Bierwart.

Berwouts, Berode, Berod, Béro, Beros, Beero, Berro. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam ber-wald;beer-heerser.

Bes, Besse, Bessens, Besjes, Beskens: Moeders, vadersnaam., respectievelijk van Bezza/Bezzo, afleiding van berht-naam. Vergelijk Verbesselt.

Besancon. Plaatsnaam Besançon.

Besant, Besaen: 1. Middelnederlands bisant, besant: 1. Byzantijnse gouden of zilveren munt; 2. gouden of zilveren schijf in de heraldiek; 3. vergaderplaats van de besanters of vredestichters. 2. Middelnederlands besaen: bezaanleer, bereid schapenleer.

Besamps. Plaatsnaam Bassecamp?

Beschuyt, Beschuijt. Reïnterpretatie van plaatsnaam Bossuit (West-Vlaanderen):

Besem, Besems, Beesems: Middelnederlands bes(s)em ‘bezem’. Beroepsbijnaam van de bezembinder of de straatveger.

Besegher. Bijnaam de bezige.

Beselaere, van, (van) Becelaere, Becelare, Becelaert, van Beceleare, van Besselaere, Besselart, van Besxelaere: Plaatsnaam Beselare (West-Vlaanderen).

Beseler. Middennoordduits beseler, midden nedelrands baselaer, baseleer: lang mes, dolk, zwaard. Beroepsnaam of bijnaam. Vergelijk Bazelaire.

Besemmaker. Beroepsnaam van de bezembinder.

Besien, van, Vanbesien, van Bezin, van Bezien, van Bessien, van Bezeij: Uit van besiden ‘van bezijden’.

Besin Bezin: 1. Waals bèzinangstvallig, pietluttig man, treuzelaar. 2. Vadersnaam 3. Plaatsnaam Vezin (Namen).

Beskers: Vermoedelijk uit Beskens. Verkleinvorm van Moedersnaam/vadersnaam. Bes, zie Bessen.

Besnou. Vadersnaam. Variant van Bernoul, Romaanse vorm van Germaanse voornaam Bernolf. Vergelijk Besnard, Besnier.

Besselaar, van den, Bersselaar, van den. Plaatsnaam Besselaar, Sint-Oedenrode.

Besoens. Wellicht Limburgse variant van Besonhé: familienaam uit de plaatsnaam Besonhez (Luik).

Besombe, Besombes. Plaatsnaam Besombes in Monsempron (Lot-et-Gar.).

Besonhé, Besonhe, Besonhez, Besohé, Besohe: Pllaatsnaam Besonhez in Luik.

Bessaerts, Bessard. Door assimilatie van Bersa(e)rt; zie Biersard, Beersaerts.

Besselaer, van den, van den Bersselaar, van den Besselaar. Plaatsnaam Besselaar. Noord-Brabant. Het geslacht Van den Besselaar komt oorspronkelijk uit het dorp Besoyen, terwijl de naam waarschijnlijk is ontleend aan de buurschap Besselaar in Sint-Oedenrode.

Besseling, Besselink, Bessling, Bisselink: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse vleivorm Betso, Bezzo, van Berht-so.

Besselsen, Beszelzen, Bes, de, Besjes, Besse, Besch, Bes. Vadersnaam uit de voornaam Bessel.

Bessem, Bessems, Besem, Besème. Beroepsnaam voor een bezembinder of een straatveger.

Bessemans, Bessem, Bessems, Bessens, Besem, Besème. Beroepsnaam van de bezembinder.

Bessen: Moedersnaam/vadersnaam. van respectievelijk Bezza/Bezzo, sa/so-afleiding van een berht-naam.

Besson, Debesson, Bessonneau, Bessonnet: Oudfrans besson: tweeling.

Beste, de, (de) Best, den Besten: Bijnaam ‘de beste’. Reïnterpretatie van moedersnaam Bes.

Besten, van. Plaatsnaam Besten in Eggermühlen en Finnentrop.

Bestebroer: Bijnaam ‘beste broer’.

Besters. 1. Afleiding van Middelnederlands besten: toerijgen. Beroepsnaam. 2. Of uit Bastaerts?

Bestevaar. Bijnaam die zoveel betekent als: beste vader, grootvader, voogd. Vergelijk Frans Bompère.

Bestgen. Vadersnaam van Sint Sebastiaan. Duits Bäschge, Bäsge.

Besuyen, Bezuijen, Bezuiden: Plaatsnaam Bezuiden. Of variant van Van Bezooijen.

Betaille, Béteille, Beteille: Kan teruggaan op Oudfrans bestail(le), Frans bétail: vee. Maar waarschijnlijk variant van Bataille.

Bete, Beten, Beeten, Beetens, Bieten: Moeders- of vadersnaam met verschillende mogelijkheden. 1. Afleiding van Germaanse berht-naam: Betto, Betta. Eventueel door assimilatie uit Beerten(s). 2. Voornaam Elisabeth. 3. Gepalataliseerd uit Baten.

Betenheuser. Plaatsnaam Bettenhausen, Duitsland.

Beterman, Betermans, Bitterman, Biterman, Bettermann: Familienaam in Limburg en Vlaams-Brabant. Vergelijk Duits Biedermann: eerzaam man, betrouwbaar, voornaam burger.

Betist: Vadersnaam. Verdoft uit Batist, van Baptist. De naam van Johannes Baptista: Johannes de Doper.

Betke, Betcke: 1. Moedersnaam. Verkleinvorm van Bette, van Lijsebette = Elisabeth. Ook Betjes. 2. Vaders-, moedersnaam. Verkleinvorm van Betto/Betta, van Berhto/Berhta, verkort uit berht-naam. Zie ook Bette.

Betsch: Vadersnaam. Duitse afleiding van Germaanse voornaam Berthold.

Bets, van, van Bedts. Familienaam uit de plaatsnamen Geetbets of Walsbets uit Vlaams-Brabant. Of mogelijk uit Beets in Nederland (Noord-Brabant).

Bette, Beth, Beths, Bethe, Bets, Betten, Bettens, Bet: 1. Moedersnaam Bette, verkort uit Lijsebette = Elisabeth. 2. Vadersnaam/moedersnaam Betto/Betta, van Berhto/Berhta, van berht-naam.  Bettesone; zoon van Bette.

Bethuyne, Betthuyne, Botthuyne, Bothuyne, (de) Béthune, Bétune, Betune, Bethume, Pethune. Familienaam uit de plaatsnaam Béthune (Pas de Calais-Frankrijk).

Betjes, Bethge, Betgen, Bethke, Betker. 1. Moedersnaam afgeleid van Bette, een knuffelvorm van Elisabeth. 2. Vadersnaam, Nederduitse afleiding van Bertram of een andere Bertht-naam. 3. Verschrijving van het Nederduitse Baedeker: Böttcher : kuiper.

Bethlehem, Betlem, Bethléem, Bethlen, Beddeleem, Beddelem, Bedleem: Plaatsnaam Bethlehem, bijvoorbeeld abdij in Deutekom (Gelderland, bij Elkerzee (Zeeland), plaatsnaam in Herent (Vlaams-Brabant), Ramskapelle (West-Vlaanderen), Reninge (West-Vlaanderen), St.-Gillis (Vlaams-Brabant). maar ook in Kantens (Groningen), Deutekom (Gelderland) en bij Beetsterzwaag (Friesland).

Bets, Beths: 1. Moedersnaam. Afleiding van Bette. 2. De Bets, wellicht variant van De Baets. 3. Soms samentrekking van Behets:

Bets, van, van Bedts, (van) Beets: 1. Plaatsnaam Geetbets of Walsbets (Vlaams-Brabant). 2. Plaatsnaam Beets (Noord-Holland).

Betsbrugge, van, Besbrugge: Plaatsnaam Betsbrugge in Aarsele en Meulebeke.

Bette, Betten, Bettens, Bets, Bet, Beths, Beth: 1. Moedersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Elisabeth, Lijsebette. 2. Of van moedersnaam. Betto = Berhto / Betta = Ber(h)ta.

Bettendorf, Bettendorff. Plaatsnaam Bettendorf, als in Elzas, Beieren.

Bettenhove, Bettenof: Plaatsnaam Bettenhoven, Frans Bettincourt (Luik).

Bettesone, Betsens: vaders-, moedersnaam. Zoon van Bette.

Bettings, Betting, Bettink, Bettenh, Betten, Bettens, Betz, Bets; vadersnaam Bette. De verdronken plaats Betteweer in de Dollard,, Bettenwarfe bij Secriem in Harlingerland, Bettingburen in Stedingerland, Oldenburg.

: Vadersnaam. Afleiding van een Germaans berht-naam. Vergelijk Bethe, Betke.

Bettonville, Betonville, Betonville, Bettenville, Bettinville, Betinville, Bettonviel: Plaatsnaam Bettonville in Roclenge-sur-Geer (Provincie Luik).

Betuwe, de, Betuw, van, de Betue, de Betué: 1. Plaatsnaam Betuwe bij Tongeren (Belgisch-Limburg). 2. De streeknaam de Betuwe in Nederland.

Betz, Betzen, Betzgen, Betzing: Duitse vadersnaam. Vleivorm van Bernhard of Berchtold.

Betzhold, Bezold: Vadersnaam.1. Oostduitse afleiding. van voornaam Petrus. 2. Opperduits Betschold, van Berchtold.

Beubled, Beublet. Beroepsnaam Beau blé: mooi koren, graan. Vergelijk Duits Schönrogge, Schönweitz.

Beuckels, Beuchels, Bokels: 1. Middelnederlands bokel, beukel: knop (van een schild), gesp. Beroepsnaam van de gespenmaker; vergelijk Bouclier, de Beukelaere. 2. Huisnaam.

Beudeker, Buddeker, (de) Beuker, De Beuckere, de Beucker, Buekers, Beuckers, Beukers, Beukert, Beukering, van, Beudeker, Beuger, Bücker, Bueckers, Buckers, Bukkers, Bukers, Boeker. Naam uit het Nederduitse bodiker, het Oost Middelnederlandse bo(e)deker: kuiper.

Beuf, de; de Beu: 1.Vertaling van Frans Leboeuf. Bijnaam of huisnaam. Frans boeuf ‘os, rund’. 2. Uit Dubus ‘van den Bos’:

Beudels, Buddels: Middelnederlands bodel: gerechtsbode, beul. Zie ook (de) Beul(e).

Beudin. Vadersnaam. Variant van Boudin, vleivorm van Boudewijn.

Beuf, de. 1. Zie Leboeuf. 2. Reïnterpretatie van Dubus.

Beugel, van der: Plaatsnaam Beugel ‘kromming in een rivier’.

Beugelink, Beugeling: Afleiding van plaatsnaam Beugel. Het kan ook een beroepsnaam/bijnaam zijn uit bogel/beugel (: ijzeren ring). Bijvoorbeeld beugelmaker.

Beugels, Beugel, Beugles, Beugelmans: Beroepsbijnaam van de beugelmaker. Een beugel of bogel was een ijzeren ring. Bijnaam voor de speler van het kolfspel, het beugelen.

Beugen, van: Plaatsnaam Beugen in Boxmeer (Noord-Brabant).

Beuger, Beugher, de Bueger, Buegher, Beugre, de Buger: Middelnederlands bugger, Oudfrans bogre, van Latijn bulgarus: ketter, sodomiet. Bijnaam.

Beugnie, Beugnier, Beugnié, Beugniez, Beunier, Beuny: Variant van bonnier: bunder (landmaat)?. Of spelling voor Beugnies of Beugniet.

Beugnie, Beugnies, Bugni, Debeugny, Debuigne, Debuine, de Buyne, Debuisne, Debusne, Debugne, Debunne, Debune, de Burine, de Beunne, Debenne: Plaatsnaam Beugnies (Nord), Beugnies in Harmignies (Henegouwen). Eventueel Beugny (Pas-de-Calais), Bugny (Aisne), Buigny (Somme). (de familie De Bunne stamt uit Menen). Zie ook Debognies.

Beugniet, Beugnet, Beugnez, Beunet, Beignet, Bougnet, Buniet: Oudfrans buignet: beignet, poffertje. Beroepsnaam. Eventueel verschrijving voor Beugnier of Beugnies.

Beuke: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bucco, Bocco, een bakervorm van een Germaans burg-naam. Vergelijk de Friese voornaam Boeke.

Beukel: Middelnederlands bokel, beukel ‘knop (van een schild), gesp’. Beroepsbijnaam van de gespenmaker; vergelijk Frans Bouclier. Zie Beukelaar.

Beukelaer (de), Beukelaar, (de) Beuckelaer, Beuckelaere, Beukelaer, de Beucklaer, de Beuckeleer, de Beukeleer, de Bueckelaere, de Bueckelaer, Beuckelaers, Beukelaers, Beukeleers, Beukeleirs, Beucheleirs, Böckeler, Bockeler, Bockler. Naam uit het Middelnederlandse bokelare, buekelaere, beukelaar: schild met een bokel of knop. Wellicht beroepsbijnaam voor de maker ervan. Maar ook vanwege het lidwoord is een beroepsnaam voor de maker van bokels/beukels, gespen, waarschijnlijker. Vergelijk Bouclier.

Beuken, van der, van den Beuken, van der Buecken, van de Beucken, Beukenne, van de Bücken, van den Beuck, (van de) Beuque, Verbeucken, Verbeuken, Verbucken, Verbueken, Verbuken, Verbeukel, van den Biuck, van den Boick. 1. Naam uit de plaatsnaam Beuken, aan de beuk(en). 2. Sommige namen (bijvoorbeeld Van de Beuque) kunnen reïnterpretaties zijn van Van den Beulcke, Van de Beulque. Beukenhorst: Plaatsnaam: hoogte met beuken begroeid. Vergelijk Van Bokhorst.

Beukelman: Synoniem voor Beukelaar.

Beukeveld. Plaatsnaam; veld waar beuken groeien.

Beukema, Buikema, Buikstra: Vadersnaam. Fries-Groningse afleiding van Beuke (zie op dat woord).

Beukert: Vadersnaam. Germaanse voornaam Burchard, Burghard. Vergelijk Beuke.

Beukhout, van, van Beuckhout: Plaatsnaam Beukhout: beukenbos. Zie ook (van) Buggenhout, Bochout.

Beulaert: Variant van de Vlaamse familienaam Buylaert, Bullaert. Bijnaam voor iemand met een buil, bult, bochel.

Beul, (de) Beule, de, Beuel, Beuls, Buel, Buell, de Buel, (de) Buyl, de Buijl: Beroepsnaam van de (gerechts)beul, gerechtsbode.

Beulens: Gepalataliseerde variant Van Boelen.

Beullens, Bellens, Buellens, Buellen, Bullen, Beulence, Bullens, Bulen, Bulens, Bulin, Bulinss, Beulinckx, Buelinchx, Buellinck, Bulinx, Buelinck, Bueinkcx, Bullinck, Bullinckx, Bullynckx, Bullijnckx, Buylinckx, Buijlinckx, Fries Bullinga. 1. Vaders- of moedersnaam, verkort uit de Germaanse voornaam bodo of bolo. 2. Vadersnaam, knuffelvorm van Boudewijn, uit de Germaanse voornaam bald-win. 

Beumer, Beumers: Nederduits Böhmer ‘iemand die aan een slagboom woont’. Of volksnaam Bohemer.

Beumen, van. Streeknaam Böhmen, Nederlands Bohemen (Tsjechië).

Beumier. Waarschijnlijk variant van Beunier.

Beunders: Bunders, afleiding van bunder ‘landmaat’. Zie van den Bunder.

Beun, Beuns, Beune, de Beun, Beunens, Beunen, Beunnens, Bunnens, Bunn, Beunes, Beunis: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bun(n)o. De Waals-Vlaamse familie Beun stamt van ene Buns in Belle (Frans-Vlaanderen). Lieven Buns kwam in 1824 van Belle naar Kemmel; zijn kinderen werden ingeschreven als Buns, Beuns en Beun.

Beuning, Bueninck, Beuming, Buining, Buning, Buninge, Buyning, Buininga: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Buno (zie Beun(s). Vergelijk ook Bunk.

Beuningen, van. Plaatsnaam Beuningen (Gelderland)

Beunkens, Beunckens, Beunekens, Beuneken, Bunckens, Bunkens, Beumkes: Vadersnaam van Beun. Zie Beun(s), Beuning, Bunk.

Beurier, Beurrier, Burrier, Burriez, Burier, Burie, Buriez, Burié, Burry, Bury, Burri, Buri: Oudfrans burier, Frans beurrier: boterhandelaar. Beroepsnaam.

Beurden, van: Met d-invoeging uit van Beuren. Plaatsnaam. Middelnederlands buur, buer ‘huis, hok, schuur’, Duits das Bauer.

Beuren, van de(r), van Buerens,vVan Bueren, Beure, van der Beeuren, Beuren, van Beurden, Verbeure, Verbeuren. Familienaam afgeleid van het Middelnederlandse buur, buer = huis, hok, schuur. De naam was oorspronkelijk Van den Beure, want Middelnederlands buur is onzeker, vergelijk West-Vlaams het ovenbeur, -buur: ovenhuis. De plaatsnaam ter Beure komt onder andere voor te Rollegem en Ruiselede. Zie ook Verbeeren en Buren (Van).

Beurick, Buerik, Burick, Burrinck, Burrick. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam bod-rik; dienaar-machtig of bald-rik; moedig-machtig. 2. Mogelijk ook uit de plaatsnaam Burik, wellicht Bury (Henegouwen of Groot-Brittannië).

Beurkens: Vadersnaam. Verkleinvorm van bijvoorbeeld Beurik, de Germaans naam bod –rîk ‘dienaar –machtig’.

Beurs, Buers: Beroepsnaam van de beurzenmaker.

Beurs, de. Kan een beroepsnaam zijn voor een beurzenmaker; zie Beurs. Maar kan ook een reïnterpretatie zijn van Debeus, met hypercorrecte rs in plaats van s.

Beurskens, Burskens, Beurschgens, Beursgens: Verkleinvorm van beurs. Beroepsbijnaam van de beurzenmaker.

Beurts. Door d-syncope samengetrokken uit Beuderts (zie Boudard, Beudaert).

Beuselinck (de), Beuseling, Beuzelin. Vadersnaam, knuffelvorm uit de Germaanse voornaam Boso.

Beus, de. Waarschijnlijk variant van Debus. Zie Dubus.

Beuselinck, de, Beuseling, Beuzelin: Vadersnaam van Germaanse voornaam Boso. Vergelijk Buselin.

Beusenberg. Plaatsnaam Beuzeberg in Holten, Overijssel.

Beusichem, van; van Beuzekom, Beusekom: Plaatsnaam Beusichem in Buren (Gelderland), uitgesproken beuzekom. Vooral West-Vlaamse familienaam Beuselinck. Naar analogie van andere ling-namen uit Beuzelin, een lin-verkleinvorm van de Germaanse voornaam Boso.

Beute, Beuting, Beuten, Boote. Uit Duits vertaald betekent het prooi, vangst, ook slachtoffer. Een jager?

Beutens, Beuthe: Vadersnaam. Rijnlands-Limburgse afleiding van Germaanse voornaam Bodo.

Beutler. Duitse beroepsnaam Beutelmacher; buidelmaker, tassenmaker.

Beuve, Beuven, Beuvens: Vadersnaam. Gepalataliseerde vorm van de Germaanse voornaam Bovo.

Beuville. Plaatsnaam Beuville. (Calvados, Seine-Mar.).

Beuving, Beuvink, Bueving, Beving, Beuvens, Böving, Oldenbeuving. Adresnaam. Beuven is een naam voor veen, natte heide als bij Mierlo, Someren.

Beuzenberg: Plaatsnaam Beuseberg, Overijssel.

Beuze, Beusse, Beusen, Beuzet, Beussé: Gepalataliseerde vorm van de Germaanse voornaam Boso (en afleiding op -et). Vergelijk Beuselinck.

Beuzet. 1. Zie Beuze. 2. Plaatsnaam Beuzet (Namen).

Beuzit: Misschien de Belgische familienaam Beuzet. Verkleinvorm van de Germaanse voornaam of plaatsnaam Beuzet (Namen).

Bevaart: Bijnaam. Middelnederlands bedevaert, bevaert ‘bedevaart, buitenlandse reis’.

Bevaisieux. Verhaspeling van Debaisieux.

Bevelander: Afkomstig van Beveland (Noord-of Zuid-Beveland).

Bever, Bevers, Beever, Beevers, de Bever, Bevere, de Bevre, Debèvre, de Bevle: Bijnaam naar het dier.

Beveren, van, van Bevere, van Bever, van Beever, Vambeveren. Familienaam uit de plaatsnaam Bever, (Strombeek-), Bever (Vlaams-Brabant), Bevere, Beveren-Waas (Oost-Vlaanderen), Beveren-aan-de-IJzer, Beveren-Leie, Beveren in Oostkamp (West-Vlaanderen).

Beverloo: Plaatsnaam Beverlo in Beringen (Belgisch-Limburg). Ook Beverloo aan het Schoonebekerdiep ten westen van Wijerswold in Coevorden (Drenthe).

Beversluis, van Beversluys, van Beversleeys: Plaatsnaam Beversluis in Dentergem (West-Vlaanderen), Zuienkerke (West-Vlaanderen) en Rotselaar en Wezemaal (Vlaams-Brabant). Maar er is ook de Beversluisplaat, een griendplaat ten noorden van het Hollands Diep en het benedeneinde der Nieuwe Merwede.

Bevilacqua, Bevelacqua: Italiaanse bijnaam Drinkwater; vergelijk Boileau.

Beverwijk: Plaatsnaam Beverwijk (Noord-Holland).

Bevin: Engels Bevin, van Frans Beuvin, van Oudfrans boi vin ‘wijndrinker’.

Bewier: Buwier uit Franse familienaam Buyer?

Beijdervellen: Variant van Beijderwellen. Bij der Welle ‘bij de wel, bij de bron’.

Bexkens. 1. Afleiding van de plaatsnaam Beek. 2. Moedersnaam. Noord-Duitse voornaam Beke, korte vorm van, Elisabeth. 3. Afleiding van Be(c)k.

Beije: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaans beroepsnaam:

Beijen, Beijens: Vadersnaam. Beyens is de zoon van Beijen, van Beidin, gepalataliseerd uit Boidin, vleivorm. Zie Boidin.

Beijer: Herkomstnaam van de Beier, afkomstig uit Beieren.

Beijersbergen (van Henegouwen): Uitbreiding van de familienaam Bergen Henegouwen. Bergen (Frans Mons) is namelijk een stad in Henegouwen, sinds 1830 de hoofdstad van de provincie Henegouwen. Bergen behoorde aan het Beierse huis.

Beyerman. 1. Middelnederlands beierman: klokkenluider. Vergelijk beieren, beiaard. Beroepsnaam. 2. Reïnterpretatie van Beideman, afleiding van Beidin, Boudewijn. 3. Bijnaam voor een Beier. Vergelijk Duits Baiermann.

Beygaerden, van, Beygaert, Beijgaert: Plaatsnaam Bijgaarden (Vlaams-Brabant) of in Hoksem (Vlaams-Brabant).

Beylaardt, van, Beylard, van den Bijllaardt: Plaatsnaam Beylaar, later Ballaar, in Kaggevinne (Vlaams-Brabant).

Beylemans, Beijlemans, Bijlemans, Bylemans, Bilmans: 1. Moedersnaam. Afleiding van Belle = Isabele. Vergelijk Beyltjens. 2. Moedersnaam. Afleiding van Belie, Bille = Sibilia, Mabilia. Zie Biltjes. 3. Afleiding van bijl. Beroepsnaam van de bijlenmaker of houthakker. Vergelijk Byltjes.

Beylmakers. Beroepsnaam van de bijlenmaker.

Beyltjens, Beyltiens, Beylkens. Moedernaam uit het Middelnederlandse Beilkin, een voornaam afgeleid van Isabelle.

Beyn, Beynen, Beyne, Beijne, Beenens, Beenen, Bene, Bêne, Baine, Baines, Beine, Bein, Beens, Been, Beyns, Beyn, Beijns, Beijn, Beys. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bernhard of een andere bern-naam (vergelijk Benne, Behn). Eventueel Germaanse voornaam Baino, Baginus. Beins kan afleiding zijn, of uit Beinzo, Benzo.

Beijn, de: Aanpassing van Deben, Debin naar de plaatsnaam Ben, Waals bin, (Provincie Luik) of Bin in Lesterny (Luxemburg).

Beys, Beijs, Beis, Beyst, Beyss: 1. Variant van Beyts, door assimilatie ts/s. Zie Bouds. 2. Vadersnaam. Variant van Bey(e)ns, van Beidins. Zie Boudin. 3. Vadersnaam van Beyns. Zie Beyn. 4. Bijnaam. Zie Beye, Baye. 5. Van Boys, afleiding van Boye.

Beijsen, Beysen, Beijsens, Beyssens, Beysens, Boysen: Vadersnaam. Misschien Beise, van Germaanse voornaam Be(i)nzo, -so-afleiding van bagin-naam (vergelijk Beyn). Beysen is waarschijnlijk de ontronde vorm van Boysen, zoon van Boye, Friese en Nederduitse voornaam Boye, Boje.

Beijst: Met paragogische t uit Beis, of door omkering van volgorde van klanken uit Beits. Uit Beidin, van Boidin, van Boudewijn. Zie ook Beijsen.

Beyser, de. Kan een ontronde vorm zijn van De Buyser of een spelling voor De Bijser. Maar De Beyser komt al in de 14de eeuw in Gent voor (en toen kon ey niet staan voor ij).

Beyts, Beijts, Beitz, Beidts, Beydts: Vadersnaam. Variant van Bouts, korte vorm van Germaanse boud-naam zoals Boudewijn (vergelijk Weit = Wouter).

Beijstenveldt, van: Plaatsnaam Beistervelden in Bergeyk (Noord-Brabant).

Bezel, van. Plaatsnaam Beesel, Nederlands Limburg.

Bezema: Beroepsnaam van de bezembinder. Friese afleiding van bezem.

Bezemer, Besemer: Duitse beroepsnaam Besemer van de bezembinder of bezemveger.

Bezooijen, (van); Besoo, Bezuijen, Besuyen: Plaatsnaam Besoijen (Noord-Brabant).

Bezouwen Van, (van) Besouw, Van Besauw. Familienaam uit de plaatsnaam Besauwen in Vorst (Antwerpen).

Bezuijen, Besuyen, Bazuijn, Bazuine, Bezoen, Bazuin: 1. Uit Bezuiden. De plaatsnaam Bazuin in De Wolden (Drenthe) heette in 1415 Byzueden, 1418 by Suden, by Zuden, 1485 Bezueden, 1773 Basuien; ten zuiden van. 2. Variant van Bezooijen.

Bezuidenhoudt. Plaatsnaam Bezuidenhout, Zuid-Holland.

Bibbe: Vadersnaam. Germaans bakernaam Bibbo.

Bickel, Bickle. 1. Beroepsbijnaam van de bickelaer: de steenhouwer. 2. Ook uit de Duitse familienaam Bicke: korte vorm van de Germaanse voornaam burg-hard.

Bigel, Biegel. Oudhoogduits Biehl, Duits Büh(e)l: heuvel.

Biterman, Bitterman. 1. Bijnaam voor een bitter man. Vergelijk Bitters. 2. Zie Beterman(s).

Bianco, Bianchi, Bianchini: Italiaanse bijnaam bianco, uit Germaans blank: wit.

Biard, Biar, Biart, Bia, Bias, Bya: 1. Romaanse plaatsnaam Biard uit Bigard, Germaans bî-gardja: omheining. vergelijk Beygaert. Biars in Montroeul-sur-Haine (Henegouwen)? Waarschijnlijk ook voor Bijgaarden (Vlaams-Brabant). 2. Zie Beliard.

Biatour. Misschien Viatour, dialect uitspraak van plaatsnaam Villers-aux-Tours, Luik.

Bibard, Bibaer, Bibas: Bijnaam voor een drinker.

Bibel, Biebel, Biebl: Vadersnaam van Germaanse bakernaam Bibo.

Bibelmans, Bebelman, Bebelmans, Bebermans: 1. Afleiding van plaatsnaam Bibelen, (Bebelen) in Bilzen (Limburg). 2. Vadersnaam. Afleiding van Bebel, Duits afleiding van Babo, Babilo.

Bibersztein, Biberstein. Plaatsnaam Bieberstein in Duitsland.

Bibet. Oid Frans bibet: kleine vlieg. Bijnaam.

Bibot. Afleiding van Bibard? Of verschrijving voor Bibaut.

Bicler, Biccler. Zie Bigler.

Bicheroux, Bisscheroux, Bischeroux, Becheroux: l. Waals bicherou(l): drinkbeker. Beroepsnaam. 2. Of variant van plaatsnaam Micheroux (Luik).

Bicke, Bické, Bicque, Bique, Bickes, Bikx, Bik, Bickx: 1. Beroepsnaam van de steenhouwer. Naar Middelnederlands bicke: werktuig om te bikken, stenen te houwen, bikhamer. 2. Waarschijnlijk oorspronkelijk vadersnaam. Germaanse voornaam Bicco, bakervorm van Bighard of Burkhard.

Bickel, Bickle: 1. Beroepsnaam van de bickelaer: steenhouwer. Vergelijk Bicke. 2. Duitse familienaam Bickel, afleiding van Buck, korte vorm van Germaanse voornaam Burkhard.

Bickelmeijer: Variant Van Bichelmeijer, dat is de Duitse Bichelmeier ‘meier op een bichel’. Bichel is de Beiers ontronde vorm voor Bühl (bijvoorbeeld in Dinkelsbühl) van Oudhoogduits buhil, Middelhoogduits Bühel ‘heuvel’. Zie ook Biegel.

Bicker, Bikkers, Bijker: Beroepsnaam. Middelnederlands bicker: steenhouwer. Vergelijk Bicke 1.

Bidaine, Bitaine: Zoals Bedaine uit boudaine: dikke buik.

Bidart, Bida, Bidard, De Bidart, Biddaer, Bédart, Bédard, Bedart, Bedart: Midden Frans bidard: plunderende huurling.

Bidaud, Bidault, Bideault, Bidaux, Biddaut, Biddau, Bidel, Bindault: Beroepsnaam. Oudfrans bidel, bedel, Frans bedeau: pedel, bode, gerechtsbode, stadsbeambte.

Bidelot, (de) Biddeloo, Biddelo, Bidlot. Spelling van Frans familienaam Bidelot, in het Waalse (Malmedy) ‘schurk, schoft’.

Bidet, Bidez, Bidee, Bidée, Bidonnet, Bidon, Bido, Bidot: van Bidoul, Bidard of Bidaud. Of van Bide, een naam van bider: vlug lopen.

Bidoul, Bidouil, Bidou: vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bid-wulf. Vergelijk Bettulfus.

Bie, de, Debie, Deby, Debye, Debije, Biekens: Bijnaam naar het insect, de bij. Een of andere eigenschap, of houder van. Vergelijk Vliege, Miere.

Biebauw, Biebau, Biebouw, Bibeauw, Bibauw, Bibau, Biebaut, Bibaut, Biebout. 1. Vadersnaam. Franse vorm van de Germaanse voornaam Bitbald. 2. Uit het Franse Bibaud, bijnaam voor een drinker. 3. Bijnaam uit het West-Vlaamse bijdebauw: biebauw: boeman.

Bieber, Biber, Bibert: Duits Biber: bever. Vergelijk De Bever.

Biebuyck, Biebuyk, Bibuyck. Naam uit het Middelnederlandse biebuuc: bijenkorf. Beroepsbijnaam van de imker of huisnaam.

Biechtmans. 1. Afleiding van plaatsnaam Biecht bij Maastricht (Nederlands Limburg). 2. Bijnaam voor een priester die vaak biecht hoort of iemand die vaak te biecht gaat.

Biedermann, Biderman: Duitse bijnaam Biedermann: eerlijk, onbesproken man, man van eer.

Biefnot. Bievenot, van Bienvenot, Bienvenu, van Latijn Benevenutus: welkom. Vergelijk Italiaans Benvenuto, Benvenuti.

Biegel: Duitse plaatsnaam Biegel, zoals Beiers Bich(el) ontrond uit Bühl ‘heuvel’. Zie ook Bickelmeijer.

Biegeleisen, Bigelajzen, Bigeleisen: Duits Joodse familienaam. Reïnterpretatie (als Bügeleisen: strijkijzer) van Duits Biegeisen. Beroepsnaam van de smid, die ijzer buigt (Eisen biegt).

Biekens: Bijnaam. Verkleinvorm van de Bie; insect. Of variant van Bykens.

Bielde, van de. Plaatsnaam Bielde is de Oost Vlaamse vorm van Oudfrans bille: boomstronk. Plaatsnaam Bille in Adegem (Oost-Vlaanderen), Oedelem en Sijsele (West-Vlaanderen), Bilge in Rs., Bilde in Kuurne (West-Vlaanderen)

Bielefeldt, Bieleveld. Plaatsnaam Bielefeld, Duitsland.

Bielderman. Afleiding van plaatsnaam Bijler.

Bielen, Bielens: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam bil-naam, Bidilo? Of van Germaanse bil-naam (met ie in plaats van y). Zie ook bij Beele(n).

Bielmair, Bielmeier, Bilmeyer, Pilmeyer: Duitse familienaam Bie(h)lmeier, Bühlmeier: meier op de heuvel. Dialect ontronde vorm. De vorm met p door Opperduitse verscherping. Vergelijk Buhlmann.

Bielok: Middelnederlands beloke ‘omheining, omheind gebied, huis, erf’?

Biemans, Bieman Biemann: Beroepsnaam van de bijenteler, imker. Duits Bienemann. Vergelijk De Bie.

Biemen, van: Plaatsnaam Bimmen in Kleef (Noordrijn-Westfalen)?

Biemolt: Varianten van deze familienaam zijn: Biemholt, Biemold, Bimolt, Bijmholt, Bijmmold, Bijmold, Bijmolt. Plaatsnaam Bimolten (Nedersaksen).

Biemont. 1. Zie Beaumont. 2. Plaatsnaam Biémont, onder andere in Grand-Halleux (Luxemburg)

Bienaimé, Binaimé, Binaimée. Frans bien aimé: welbemind, teerbemind.

Biencourt. Plaatsnaam (Pas-de-Calais, Meuse, Somme).

Biene, Bienen (van), van Biene, van Biennen, van Bijnen: Plaatsnaam Bienen in Achel (Limburg) en in de regio Kleef (Duitsland), of uit Bienne (Henegouwen).

Bienefelt: Vermoedelijk vervorming van de Duitse plaatsnaam Bielefeld (Noordrijn-Westfalen).

Bienenstock, Binstok, Binsztock, Binsztok: Duits Bienenstock: bijenkorf. Vergelijk Biebuyck.

Bienfaisant. Bijnaam voor een weldoener.

Bienfait, Bienfet: Bijnaam voor iemand die mooi, welgemaakt is of voor een weldoener. Vergelijk Malfait, Bienfaisant.

Bienkens. Vadersnaam. Spelling voor Bijnkens (Limburg), maar kan net zo goed een verschrijving zijn voor Beenkens, met variant Beonckens/Biunkens, die eveneens Limburgs zijn.

Bienstman. Afleiding van Van Bienst.

Bievenu, Le Bienvenu: Frans bienvenu: welkom. Vergelijk Welcomme.

Bier. 1. Beroepsnaam van de bierbrouwer. 2. Bijnaam voor een bierdrinker.

Bier, de, Biere, de. Middelnederlands bierre, bierer: bierverkoper.

Bierbaum, Birenbaum, Birbaum, Bierbum, Beerbaum: Duits Bierbaum, midden Noordduits bêrbom: perenboom.

Bierbeek, van, Bierebeeck, Bierebeek, Bierbeck: Plaatsnaam Bierbeek (Vlaams-Brabant).

Bierberg. Plaatsnaam in Beieren.

Bierboom, Bierbooms, Birboom: Middelnederlands bierboom: boomgeld van het bier, geld dat bij het in- en uitvaren van de haven voor bierschuiten moest worden betaald. Beroepsnaam. Zie ook Bierbaum.

Bierenbroodspot: Bijnaam bierenbroodspot, lees bier-en-broods-pot‘ Roggebrood, in dun bier gebrokkeld en tezamen verwarmd, het dagelijks morgen-

en avondgerecht van onze voorouders’, of uithangbord. Vergelijk Casembroot.

Bierens, Bieres, Biering: Vadersnaam. Variant van Berens. Zie Beerens.

Bierhuys. Plaatsnaam in Oostkamp (West-Vlaanderen).

Bierlair, Bierlaire, Bierlier. Plaatsnaam Bierlaire in Gerpinnes, Henegouwen, en Malonne.

Bierling: Vadersnaam. Variant van Beerling, afleiding van Berilo, verkleinvorm van een Germaans ber-naam of afleiding van Berlandus, Berlindis.

Bierman, Biermans, Biermann, Biermanns, Biermant, Birman, Birmann, Birmanns, Bierreman. Beroepsnaam van de bierhandelaar of bijnaam voor een uitgesproken bierdrinker.

Biermez, Bierme. Plaatsnaam in Vloesberg, Henegouwen.

Bierny. Plaatsnaam in Lorcé (Luxemburg).

Biersard, Bierdat, Biersart, Beersaerts: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam berht-so-hard. Vergelijk Berzin(us) = Berhtold, Bersaud. 2. Plaatsnaam Biersard in Polleur (Luxemburg).

Bierset, Bierzet. Plaatsnaam Bierset (Luik).

Biertho. Waalse variant van Bertaut.

Biersteker, Bierstekers, Beerstecher: Beroepsnaam van de man die vaten bier aansteekt, die bier tapt.

Biert: Vadersnaam. Variant van Beert, Bert, korte vorm van een Germaans berht-naam.

Biervliet, (van) Bievliet: Plaatsnaam Biervliet (Zeeland).

Biesbroeck, Biesebroeck: Plaatsnaam Biesbroek ‘broek, moeras met biezen’. Er is een Biesbroek in Oekene (West-Vlaanderen).

Bierwart, Bierwaerts, Bierweerts, Bierwerts, Bierwertz, van Beerwar, van Berwaer, Berwart, Berwaers, Berwaerts, Berwaer, Berwaert, Berrewaerts, Berrevaerts, Bierrewaerts: 1. Plaatsnaam Bierwart, Waalse vorm voor Beauregard: mooi uitzicht. 2. Plaatsnaam Beaureward, Picardische vorm voor Beauregard. Zie ook Boerwaart 2. 1336 vicum de Biaurewart (nu Bellewaerde), Iper; 3. Zie ook Berwart.

Bies, Biese, Biessen, Biesen, Bieze, Biezen: 1. Beroepsnaam van de biezenvlechter. 2. Bijnaam naar Middelnederlands biese: bies, iets van weinig waarde. Zie ook Van der Biesen.

Biesback, Bilsback, Bisback, Bisbock. Naam uit de veel voorkomende (vooral in het Rijnland) plaatsnaam Biesbeek, Biesenbach: beek waar biezen groeien. 

Biesbroeck, Biesbroek, van, (van) Biesebroeck, Biesebroek, Biesbrouck, (van) Biesbrouck, (van) Bisebroeck, Bisebrouck, Bisbrouck, Biesbroucke: Plaatsnaam Biesbroek: moeras met biezen. In Oekene.

Bieselijden, Bieselyden. Brabantse ontronde vorm van Busleiden, van plaatsnaam Baschleiden: 802 Buchlide, Luxemburg.

Biesem, (van), Biesems, van Biessum, van der/n Biesen, van der Biessen, van der Bies, Vanderbiesen, Biessen, Biesen, van (der) Biezen, van der Bisse, van der Bise, van der Byse, van (der) Beesen, Verbiesen, Verbiese, Verbisen. Familienaam uit een plaatsnaam waar veel biezen groeien of uit de naam Biezen (waar ook biezen groeiden) in Vlaanderen en Nederland.

Bieseman, Biesemans, Biezemans, Biezeman, Biesman, Biesmans, Biestman, Bestman, Bijsmans, Bysmans, Bisman, Bismans, Bistmans. 1. Afleiding van Van den Biezen/Van der Biest: zie bij Biesem en bij Biest. 2. Afleiding van Biese. Zie daar. 3. Een enkele keer ontronde vorm van Buusman:

Biesen, van, der, den, Biessen, Biesen, van (der) Biezen, van der Bise, Bisse, van der Byse, van (der) Beesen, Verbiese, Verbiesen, Verbisen: 1. Plaatsnaam Biezen (Zeeland, Noord-Brabant) of ter/n Biezen: plaats waar biezen groeien, bijvoorbeeld bij Maldegem (Oost-Vlaanderen), in Watou (West-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Aldenbiezen/Oudenbiezen (Limburg): 1223 Bisen.

Bieshaar: Plaatsnaam Bieshaar in Amersfoort (Utrecht).

Biesheuvel. Plaatsnaam Biezenheuvel, Noord-Brabant.

Biest, (van der), Bijst, Biest, van der Biste, van der Bist, Verbiest, Verbist, Verbiste, Verbyst, Verbys, Ferbiest. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam 'biest' = een plaats waar veel biezen groeien. Deze plaatsnaam komt op zeer veel plaatsen in België voor.

Biestraeten, Biestraten. Plaatsnaam Biesstraat in Herdersem (Oost-Vlaanderen), Heythuysen (Nederlands Limburg) of Bieststraat in Hever (Vlaams-Brabant): straat waar biezen groeien.

Bieswal. Plaatsnaam Bieswal in Langemark, West-Vlaanderen en Herzele.

Bieze, Biezen, Biesen, Biese, Bies, Biessen: 1. Beroepsbijnaam van de biezenvlechter. Maar Middelnederlands Biese betekende ook ‘iets van weinig waarde’. 2. Verkort uit van Biesen.

Biezen, van, Verbiezen: Plaatsnaam Biezen (Sluis).

Biet. Vadersnaam van Robiet of Hubiet.

Biette, Biete, Biet, Bieten. Moedersnaam. Waalse vorm van de voornaam Berte.

Bigaré,Bigare, Begaeres, Biggaré, Bigarreau, Bigarelle, Bugaret:Frans bigarré: veelkleurig, bont. Bijnaam. Vergelijk Bonté.

Biggelaar, van den, van den Biglaer, van Beggelaer: Verkort uit van den Biggelaar. Plaatsnaam Biggelaar in Zundert (Noord-Brabant), Oekel en Rijsbergen (Noord-Brabant).

Bigler, Bichler, Biccler, Bicler: Biegler/Bichler, afleiding van plaatsnaam Biegel / Bichel, ontrond uit Duits Büh(e)l: hoogte, heuvel. Biehler, Duits Bühler: die op een hoogte woont.

Bignasse. Afleiding van bigne. Vergelijk Provencaals bugnasso. Bijnaam voor een heel eenvoudig mens.

Bignoot, van. Plaatsnaam Bignault in Houdeng-Aimeries (Henegouwen). Of van Van Buggenhout?

Bigo, Bigot, Bigotte, Bigos, Bygodt, Bygott, Begodt, Begot, Bego: 1. Oudfrans en Frans bigot. Bijnaam voor een kwezel. 2. Vloekwoord 'bij God'. Rollo, de eerste hertog van Normandie, kreeg deze bijnaam toen hij deze krachtterm gebruikte in aanwezigheid van Karel de Grote.

Bigonville. Plaatsnaam.

Bigorgne, Bigorne. Oudfrans bigorgne van Latijn bicornis: klein aambeeld. Beroepsnaam van de smid. Afleiding is Bigottin.

Bigwood. Engelse plaatsnaam; groot bos.

Bihain, Bihin, Bixhain, Bischain, Bisin, Bizin: Plaatsnaam Bihain.

Bijker, Bieker, Bijkersma, Bij, van der, IJmker, Ymker. Beroepsnaam van de bie of bijen houder.

Bijkerk, Bijdekerke, Bydekercke, Bydekerke, Beydekerken, Beydekerke. Familienaam naar de woonplaats bij de kerk.

Bijl, Byl, Bylle, Byle, Beils, Beyls, Beyl, Byls, Bijls. Moedersnaam: verkorte vorm van de voornaam Belia/ Bilia (Uit Amabilia of Sibilia).

Bijl, Byl, van der: Plaatsnaam De Bijl: veld in de vorm van een bijl.

Bijlen, van, van Bylen, van Beijlen, van Beylen. Naam uit de plaatsnaam Bijlen in Olen (Antwerpen).

Bijlmakers. Beroepsnaam van de bijlenmaker, bijlsmid. Vergelijk Duitse Beilschmied.

Bijnen, Bijn, Bijns, Byn, Byns, Beijns, Bien, Bijnens, Bynens, Bienens, Bienkens. Vadersnaam uit de voornaam Robijn of Albijn.

Bijser, de, de Byser, de Byzer, de Beyser, Beysere, de Bayser: Afleiding van Middelnederlands bisen: rondzwerven. Bijnaam voor een zwerver, landloper.

Bijsterveld, van Bijsterveldt, van Beysterveldt, Biesterveld, Biesterfeld: Verspreide plaatsnaam Bijsterveld: verwilderd, woest veld, hongerland. Bijsterveld (Noord-Brabant), Biesterveld (Nederlands Limburg), Biesterfeld (Duitsland).

Bijt, Byt, Bit: Bijnaam voor een bijter, ook figuurlijk: die kwetst, grieft. Zie De Byttere.

Bijvoet, Bijvoets, Byvoet, Buyvoets: 1. Bijnaam naar de kruidnaam: bijvoet, Artemisia. Ook plaatsnaam in Nokere (Oost-Vlaanderen). 2. Eventueel variant van Bivort, plaatsnaam Bijvoorde. Vergelijk Van Dievoort = Van Dievoet.

Bika, Bikar, Bica, Bicas, Bycka, Byca: Germaanse voornaam big-hard: Bickhardt.

Bikkems. Plaatsnaam Binkom, Vlaams-Brabant?

Bikker, Bick, Bik, de, Bikkel, Biek, : Beroepsnaam Middelnederlands bicker ‘steenhouwer’.

Bikschote, van. Plaatsnaam Bikschote (West-Vlaanderen).

Bil, (de): Bijnaam naar het lichaamsdeel, de bil, voor iemand met stevige billen. Soms eventueel spelling voor Bijl.

Bil, van den. Waarschijnlijk variant van Van der Bijl. Eventueel van den Bilt. Plaatsnaam De Bilt, Utrecht.

Bilcocq, Billecocq. Wellicht Pillecoq, een zinwoord (vergelijk Plumecoq). Oudfrans piller: roven + coq: haan. Bijnaam voor een kippendief. Vergelijk Duits Huhnerfànger.

Bilande, Bilander, Bilan, Bielande, Billant, Billand: Plaatsnaam. Middelnederlands bilant: aangeslibd land. Vergelijk Duits Biland. Plaatsnaam Bijland bij Millingen (Duitsland). Ook plaatsnaam Bilande in Waver (Waaals-Brabant).

Bilbaut, Bilbault, Billebaud: Oudfrans bille: bal, (ook) teelbal + Oudfrans baud: kranig, moedig, trots. Bijnaam voor een balspeler of naar de grote seksuele aandrift?

Bilde, de: De ld uit de Franse gemouilleerde l in Oudfrans bille ‘boomstronk’. Ook Vlaamse familienaam van de Bielde.

Bilderbeek, Billerbeck, Billerbeek. Plaatsnaam Billerbeck in Kreiensen en Schnega (Nedersaksen), in Horn-Bad Meinberg (Noordrijn-Westfalen) en stad in Noordrijn-Westfalen.

Bilem. Plaatsnaam Bilhem, Nord, Pas-de-Calais.

Billebeeck, Billebeck. Plaatsnaam Billerbeck bij Munster.

Billemont, van, Billemon, Billemont, Debillemont, Bilmont: Plaatsnaam Billemont in Celles (Henegouwen) en Mont-St-Aubert (Henegouwen).

Billen, Billens, Billenne, Bilen, Bilenne. 1. Zie Belie(n). 2. Vadersnaam. Variant van Bellin.

Billestrat, Billestraeten. Plaatsnaam Billestraat in Remersdal, Limburg, of Bellestraat in Lebbeke, Oost-Vlaanderen, en Mark, Henegouwen.

Billet, Billiet, Biliet, Bilet, Bile, Bylé, Byle: Vadersnaam. Verkort van Robillet, afleiding van Robert.

Billeweg, Belleweg. Plaatsnaam. Vergelijk Billestraet.

Billiau, Billiauw, Billiauws, Biliau, Billau, Billaux, Billaud, Billault, Billaut, Billeau, Billiaux, Billiald, Billiouw, Bilau, Pylau: Zoals Billiouw uit Billiau, Billaud, Billeau. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam bîl-wald ‘bijl-heerser’: Bellaldus. 2. Korte vorm van een Franse vleivorm op –illel, van illau van een naam op -bert, bijvoorbeeld Robillau.

Billig, Bilig, Billigh, Belligh, Bollig: Duitse familienaam Billig: rechtvaardig, passend. Bijnaam. De West-Vlaamse familienaam Belligh werd oorspronkelijk Billigh, Bylligh geschreven.

Billing, Billings, Billin: 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse bil-naam. Vergelijk Billinus, Billunc. 2. In Ht. was Jan Billinx genoemd naar zijn woonplaats 'in den Belick'

Billion, Billioen, Billon, Bilon, Bellion, Billiotte, Billiot), Billo, Bilo, Billot, Bilot, Byloo, Bylo, Billoo, Belliot, Bellio, Billoy, Billooye, Bylloo, Bylois, Bylo, Byloo, Bijlo, Beyloos, Beijloos: 1. Vadersnaam. Korte vormen van vleivormen op -illon, -illot, -illoi(s) van Romaanse namen op -bert, bijvoorbeeld Herbillon, Robillon. De vormen met één / kunnen door Picardisch demouillering worden verklaard; vergelijk Sicile = Cecille. 2. Moedersnaam. Korte vormen van Mabillon, Mabillot.

Bilius, Billius: Gelatiniseerde vorm van een naam met Bil-. Bilstein: Verspreide Duitse plaatsnaam Bilstein; of Bilstain (Provincie Luik).

Billouart, Billuart, Billoir, Billoire: Vadersnaam. Germaanse voornaam bîl-ward; 'bijl-bewaarder'.

Billouez, Bilouet, Bilouez, Bierlouet, Birlouet, Debilloëz, Byloës, Byloes, Bylos, Byloos, Bijloos, Beyloos, Beijloos: 1. Plaatsnaam Bilouez, (wellicht) in Elzele (Henegouwen). 2. Sommige vormen eventueel vadersnaam van Billou, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bîl-wulf: Bilulf.

Bilocq, Bilocque, Biloque, Billocq: Middelnederlands biloke: omheining? Of Waals biloke: kleine, ronde en zwarte pruim?

Bils. 1. moedersnaam. Afleiding van Bille = Mabelie? 2. Spelling-variant van Bijls.

Bilstein, Bildstein: 1. Verspreide Duitse plaatsnaam. 2. Plaatsnaam Bilstain (Luxemburg).

Biltjes, Byltjes, Bieltjes, Beltjens, Beltgens, Bultiens, Buldgen, Bilkin, Bilkyn, Bilquin: 1. Moedersnaam van de voornaam Amabilia of Sibilia. Zie Belie(n). 2. Zie Byltjes.

Bilterijst: Moedersnaam. Zoals de varianten Biltresse, Biltris, Bulterijs, van Beltresse, Beltris, van Beatrijs, Latijnse heiligennaam Beatrix.

Bilzen, van, (van) Bilsen: Plaatsnaam Bilzen of Munster-bilzen (Limburg).

Bimmel: Vermoedelijk variant voor van Bemmel.

Bimmerman, Bimmermann. 1. Wellicht herkomstnaam voor iemand uit Bohemen. 2. Mogelijk ook naam uit de Nederduitse plaatsnaam benne: moerasweiland. 3. En mogelijk zelfs de beroepsnaam van de bijenkweker.

Binamé, Binamée: 1. Verwaalsing van nood Duits: bijgenaamd. 2. Zie Bienaimé.

Binard, Binart, Binaer, Binnard: Vadersnaam. Korte vorm van bijvoorbeeld Lambinard, afleiding van Lambert, Lambin.

Bincom, van, Binckom, de Binckum: Plaatsnaam Binkom (Vlaams-Brabant).

Bindels, Bindel, Bindelle, Bundels, Bendels, Bendel. 1. Vadersnaam van een Germaanse persoonsnaam, afgeleid van Latijn bene; goed, del; zoon van of weinig. 2. Of van bent of bunt, soort gras. 3. Middelnederlands bindel(e): al wat gebonden is, bundel, gordel. Beroepsnaam van de bundelmaker, de binder. 5. Duits Bendel: lint. Beroepsnaam van de lintenmaker, lintenverkoper.

Binder, Binders. Beroepsnaam van de binder, de man die knevelt, boeit. Of een vatbinder (Duits Fassbinder) of kuiper.

Bindscheid. Plaatsnaam Binscheid, Duitsland.

Bineau. Vadersnaam. Korte vorm van Robineau, afleiding van Robin, vleivorm van Robert, of van Lambineau. Vergelijk Binet.

Binet: Vadersnaam. Korte vorm van een vleivorm op –inet van een bert-naam, bijvoorbeeld Robinet, Lambinet.

Bings. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Fabien

Bink, Binck: Vadersnaam. Friese voornaam Binke, verkleinvorm van Benno, bakervorm van de Germaanse voornaam Bernhard.

Binnebeeck, van, Binnebeek, van, van Binnenbeek, van Binnebeke. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam, Binnebeek, Binnenbeek (onder andere in Haacht).

Binnemans, 1. Afleiding van Van Ginderbinnen. 2. Voornaam Binneman.

Binneweg, Binnenweg. Plaatsnaam Binnenweg in Heffen (Antwerpen), Binneweg in St.-Joris-ten-Distel (West-Vlaanderen).

Binkhorst: Plaatsnaam Binckhorst in ‘Gravenhage (Zuid-Holland) of Binkhorst in Losse, Overijssel. Reeds in de 10de eeuw werd het erve Binkhorst bij Losser in Overijssel vermeld. Een vroegmiddeleeuws geslacht Van den Binckhorst zou haar naam echter aan de hofstede Binkhorst te Voorburg in Zuid-Holland ontleend hebben. In Heerhugowaard in Noord-Holland kennen we nog een buitenplaats Binckhorst, die in verband gebracht kan worden met de familie Binkhorst die in de 18de eeuw de heerlijkheid Oudkarpel verwierf en zich vervolgens Binkhorst van Oudcarspel en in Koedijk noemde.

Binnendijk: Plaatsnaam in Eemnes (Utrecht).

Binnendijk. Plaatsnaam in Eemnes, Utrecht.

Binneveld. Plaatsnaam Binneveld in Berg bij Vilvoorde.

Binnerts: Vadersnaam. Afleiding van Binnert, Bennert, van Germaanse voornaam Bernhard.

Binon, Binot, Binno, Bino: Vadersnaam. Romaanse vleivorm van een berht-naam. Korte vorm van Lambinon, Hubinot enz. Binquet, Bincquet: Variant met epenthetische n van Biquet, Biket. Of variant van Pinket.

Bins: Vadersnaam. Uit Binse, van Binzo, verkleinvorm van de bakernaam Binno, Benno, van Bernhard.

Binse. Plaatsnaam Binche, Henegouwen. Vergelijk Van Binst.

Binsbergen, van: Plaatsnaam Bensberg (Noordrijn-Westfalen).

Binsfeld, Binsveldt: Plaatsnaam Binsfeld. Ook in Nörvenich (Noordrijn-Westfalen) en bij Trier.

Binst, (van), van Bienst. Naam uit de plaatsnaam Bints/Binst. Dit zijn Middelnederlandse vormen van Binche (Henegouwen).

Biondina: Italiaans Bijnaam voor een blondine.

Binz, Bintz, Bints: Vadersnaam. Zoals Bienz een vleivorm van Berthold.

Bion, Byon, Bijon, Bio, Biot: Vadersnaam. Korte vormen van Lambion, Lambiot of Robion enz.

Biondo, Biond, Biondini, Biondino. Italiaans biondo, van Germaans blond. Bijnam voor een blondharige.

Bioul, Bihoul, Biou, Biout, Bioux: 1. Korte vorm van Lambioul, vleivorm van voornaam Lambert. 2. Plaatsnaam Bioul (Namen).

Biourge. Plaatsnaam Biourges in Orgeo.

Biquet, Biqué, Bicquet, Bicqué, Biké, Bické, Bicke, Bike, Bincquet, Binquet: Bijnaam. Afleiding van Picardisch bik: geit.

Birabeau, Birembaut, Birembaux: Bijnaam. Frans dialect bira-bèu, dat is tourne-beau.

Birch, Birchen. Duitse plaatsnaam. Midden Hoogduits Birche; berk. Vergelijk Berk.

Birencweig, Birencwejg, Birencwajg, Birenzweig: Joodse familienaam. Duits. Zo ook Birenholz naar de Joodse familenaam Birnholz; perenhout.

Birgel. Plaatsnaam in Duitsland.

Birgelen, van, van Beglen. Plaatsnaam Birgelen, Duitsland.

Birk, Birken. Verspreide Duitse plaatsnaam Birk, Birken; berk, berken.

Birkenwald. Duitse plaatsnaam; berkenbos.

Birker: Duitse familienaam, afleiding van Birk ‘berk’, naar de woonplaats.

Birlenbach. Plaatsnaam in Duitsland, Birkhoff: Verspreide Duitse plaatsnaam Birkhof ‘berkenhof’’.

Biro. Beroepsnaam Hongaars biro: rechter. De Hongaren Laszlo en Georg Biro verwierven in 1943 patent op hun ballpoint, zodat de balpen bij ons in de jaren 1945-55 de naam 'biro' droeg.

Biron, Biront. Plaatsnaam Biron in Soy, en Ciney, Namen.

Birza: Friese familienaam zoals Byrza, Birse, Birze, Birstra.

Bisan: Misschien uit balsaen, Middelnederlands balsane ‘vaan, windwijzer, wimpel, inzonderheid van een schip’, van Oudfrans baucent, bauçan.

Bisanz. Duitse naam voor Besançon.

Bisard, Bisaert, Bizart, Bizard, Bissard: Afleiding van Frans bis: donkergrijs. Bijnaam.

Bischoff, Bischof, Bischof. Duitse familienaam; bisschop.

Biseau, de, Bizeau, Bisiaux, Bisiau, Biessaux, Biesaux, Bissay, Lebizay, Bihay: Bijnaam. Afleiding op -el, Frans -eau, Waals -ay van Frans bis, Waals bîhe: donkergrijs, zwart. Vergelijk Biset = Bihet.

Biset, Bizet, Bihiet, Bihet, Bissez: afleiding van Frans bis: donkergrijs, zwart. Bijnaam.

Bishop. Engelse familienaam; bisschop.

Bison, Bisson, Bizon, Bihun, Bisot, Bissot, Bisso, Bizot, Biesot, Bihot: Bijnaam. Afleiding van bis, Waals bîhe: grijs. Vergelijk Biset.

Bisoux, Bizoux: Plaatsnaam Bisou in Dour (Henegouwen).

Bisqueret. Plaatsnaam in Bonneville. Namen,

Bisschop, (de), de Bisscop, de Biscop, de Bischop, de Bisshop, de Busschop, de Busshop, Desbisschop, Bisschop, Bisschops, Bischop, Biscops, Biscop, Busschops, Busschop, Buscop, Buskop, Biskup, Buscops, Buschop, Besschops: Bijnaam naar een verband, wellicht dienstverband, met een bisschop. 1376 Diederijc Bisscop, gheseint te Ludike opt ghenechte daer de bisschop sat. Deze man kreeg de naam Bisschop omdat hij als stadsbode geregeld naar de bisschop van Luik gestuurd werd.

Bisschot, de Bisschots: 1. De Nederlanse familie Bischot zou van een Hugenotenfamilie de/du Bichot afstammen. 2. Zie van Boesschoten.

Bissell, Bisselink: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse bakernaam?

Bissels. Waarschijnlijk ontronde vorm van Bussels.

Bissen. Bissener, Bissenius, Bisenius: Plaatsnaam in Wittem. Nederlands-Limburg

Bissezele, van. Plaatsnaam Bissezele (Frans-Vlaanderen).

Bisson. 1. Zie Bison. 2. Plaatsnaam Buisson: struik. Vergelijk Dubisson

Bisteau, Bistiau, Bistiaux. Oudfrans bestail, Frans bétail: vee. Beroepsnaam voor veefokker.

Bister, (de) Byster, de Bijster, Bejster: Middelnederlands bijster, bister: berooid, arm, uitzinnig, verbijsterd. Bijnaam.

Bistert, van: Plaatsnaam Bijstert: verwilderde plaats, woestenij, bijvoorbeeld in Wingene.

Bistoen, Biston. Bijnaam: jong kalf. Of via Bestoen uit Basto(e)n.

Bitter, de Bitters, Better: 1. Bijnaam voor iemand met een bitter of verbitterd karakter. 2. De Bitter kan een spelling zijn voor De Bytter.

Bitterberg: Plaatsnaam?

Bitterolf. Vadersnaam. Heldennaam uit de Dietrichsage: 'bitter, scherp-wolf.

Bittremieux, Bettremieux Betremieux, Bétremieux, Bertrumé, Beetemé, Bétermiez, Bétermier, Bétermieux, Bettremier, Bettremieu: Vadersnaam. Picardisch vorm van de Bijbelse voornaam Bartholomeus.

Bivort, de Bivort: Plaatsnaam Bijvoorde in Kerkom (Vlaams-Brabant). Zie ook Bijvoets.

Biwer, Biver, Bivert. Plaatsnaam Biwer.

Bizien. Bretonse familienaam die teruggaat op Budgen, afleiding van bud; overwinning.

Bjelland. Plaatsnaam Bjelland. Noorwegen.

Blaa, de: Variant van de Blauwe of de Blaaij.

Blaak, Blake, Blaeke, Blaecke: Van Middelnederlands werkwoord blaken ‘branden, in gloed staan, gloeien; schitterend flikkeren’.

Blaakman, Blaakmans: Afleiding van Blaak of Engels Blackman ‘zwarte man’.

Blaas, Blaasse, Blaes, Blaess, Blase, Blas, Blaze, Blaz, Blasse, Blass, Blause, Blees, Blese, Bles, Bloos, Bloes, Bleys, Bleijs, Bluys, Bluijs: 1. Vadersnaam. De heiligennaam Blasius. 2. Middelnederlands blase, blaes ‘blaas, bobbel’. Bijnaam. 3. Zie ook Pluche.

Blaaubeen. Bijnaam naar de blauwe kousen of broek; vergelijk Duits Blauärmel, Blohose; of naar de bleke benen, vergelijk Blauwvoet.

Blaauboer. Reïnterpretatie van Duits Blaubeurer, uit Blaubeuren (Beieren).

Blaaij, de, de Blaaey, (de) Blaeij, Blaey, de Blaij, de Blaa: Misschien spelling voor de Antwerpse uitspraak van de Blij ‘de vrolijke’. Zie de Bleijen.

Blach: Duitse bijnaam. Middelhoogduits blach ‘vlak, effen (met name van het gezicht)’.

Blache, Blace, Blacher, Blach, Blachère, Blachier: Zuidoostfranse plaatsnaam: jonge struiken, plaats waar eiken groeien.

Blackburn. Plaatsnaam in Lancashire.

Black, Blacke, Blacks. Engelse bijnaam Black; zwart.

Blackman, Blachman, Blaakman: Engelse bijnaam Blackman: zwarte man. Oorspronkelijk ook voornaam.

Blacquer, de. Bijnaam voor iemand die blaakt; synoniem met De Blaecke.

Bladel, van, van Bladeren, van Blaeren, van Blaere, van Blainck, van Blayel. Familienaam naar de plaatsnaam Bladel in Noord-Brabant. De variant Blaere uit Bladere, variant met l/r-wisseling.

Bladelin. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse blad-naam, zoals Bladardus, Bladerik. Bladalinus.

Bladt, Bladts, Blat, Blatt. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Blado, vergelijk Bladelin. 2. Bijnaam naar het blad, deel van een plant of bloem. Wellicht naar huisnaam of wapenschild. Vergelijk Lylghenblat, Nettelbladt, Enkelenblat, Kolblatt.

Blaecke, de. Bijnaam voor iemand die blaakt, die in gloed staat, die gloeit, schittert, flikkert, die met de ogen blaakt (Middelnederlands blaeckogen), die vlammende ogen heeft.

Blaer, de, Blaere, de, de Blaire. Familienaam uit het Middelnederlandse blaer: kaal; bloot, beroofd.

Blaesgen, Blaeske, Blaschke, Blesgen: Vadersnaam. Afleiding van Sint Blasius.

Blaffard, Blaffart. Bijnaam. Midden Frans blafard: bleek, vaal.

Blaimont, Blémont: Plaatsnaam Blairon in Quévy-le-Petit (Henegouwen). 2. Afleiding van Oudfrans blaire: bleek, met witte vlekken. Vergelijk Blairvacq.

Blairvacq, Blairvache, Blervacque, Blervaque, Blervacq: Koe met witte vlekken op de kop; vergelijk West-Vlaams blare.

Blairon. 1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Blairon in Henegouwen. 2. Afleiding van het Oudfranse blaire: bleek, met witte vlekken.

Blaise, Blaize, Blaisse, Blais, Bleize, Bleys, Bleijs, Blijs, Blys, Blees, Bleesing, Blesen, Blesma. Vadernaam uit Blaise, dit is de Franse vorm van Blasius. 

Blaisel, Blesseel, Blassiaux, Blassiau, Blassieaux: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Biaise.

Blajer. Duitse beroepsnaam Bleier; loodwerker, loodgieter.

Blakmoor: Engels plaatsnaam Blackmoor in Dorset en Hampshire.

Blancgarin. Klankverandering van Blancgrain: wit graan, wit koren. Bijnaam, vergelijk Blanpain.

Blanchet, Blanchez, Blancher, Blanchot, Blanchon, Blanco, Blanquet enz. 1. Afleiding van Frans blanc, van blank: wit. Vergelijk De Witte. Blanquet is Picardisch. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Blanco. Blanchon kan zelfs de Romaanse verbogen vorm zijn van Blanco. Vergelijk Blankaert.

Blanchy. Vadersnaam. Waalse vorm van Blanchier, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Blanker.

Blancmery. Met epenthetische n van bleckemerie: die de merrie vilt. Beroepsnaam van de paardenviller.

Blander, de, Blandere, de, (de) Blandre, Bland, de Blender, de Blangere, de Blanger. Beroepsnaam van de blander, de menger of brouwer van dranken. Vooral voor de honingdrank: mede.

Blangenois. Wellicht van Blandinois, inwoner van Blandain (Henegouwen)

Blangy, Deblangy: Plaatsnaam Blangy (Somme, Pas-de-Calais, Seine-Mar., Calvados).

Blanjean. Blanc; wit + voornaam Jean.

Blank, Blanken, Blanke, Blancken, Blancke, Blanch, Blanc, Blang, Blanche, Blenken, Blanksma, BlanksLeblanc, Leblan, Leblans, Liblanc, Dublancq, de Blanc, de Blan, (de) Blanck, de Blancq; Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Blanco. 2. Bijnaam naar de witte kleur van huid of haar.

Blankaart, Blankaert, Blankaerts, Blankart, Blankers, Blankert, Blanckaerts, Blanckaert, Blanckaert, Blancqua, Blanquart, Blanquauert, Blanquert, Blancaers, Blankwaard, Blenkers, Blancaert, Blancard, Blancaert, Blanca, Blachard, Blachar, Blachart, Blachaert, Blansaer, Blangchard: 1.Afleiding op –aard van het Nederlands woord blank ‘wit’, waaruit Frans blanc. Bijnaam naar de witte haar- of huidskleur. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam blank-hard ‘wit-sterk’. 3. Bijnaam naar het bezit van een wit paard, Blanchard.

Blanken: 1. Vadersnaam. Verbogen vorm van de Germaanse voornaam Blanco ‘blank’ 2. Bijnaam naar de witte kleur van haar of huid, vergelijk de Witte. Vergelijk Blankaart.

Blankenagel. 1. Beroepsnaam van de nagelsmid. Vergelijk Nagel. 2. Reinterpretatie van plaatsnaam Blankenhagen.

Blankenberg, van Blanckenberg, Blakenberge, van: Plaatsnaam Blankenberg in Hennef, Noordrein-Westfalen, Blankenberg(Gelderland) of Blankenberge (West-Vlaanderen).

Blankenburgh: Wellicht de verspreide Duitse plaatsnaam Blankenburg. Maar de naam kan wel uit Blankenberg zijn ontstaan, aangezien berg- en burg-namen vroeger geregeld verward werden. Vergelijk Kantelberg, van Canterbury (van burg).

Blankendaal. Adresnaam. Vooral in Tuitjehorn.

Blankenstein, van, Blankstein, Blankenstijn. Adresnaam. 1. Plaatsnaam Blankenstein in Duitsland, Saale-Rennsteig. 2. Reinterpretatie van plaatsnaam Blankstede in Meppel (Duitsland) 3. Blankstein eventueel Germaanse voornaam.

Blanker, Blankers: Vadersnaam. Germaanse voornaam blank-hari ‘blank-leger’. 2. Door verdoffîng uit Blankaer(t)s.

Blanksma: Vadersnaam. Friese naam, afgeleid van Blank; zie Blankaart, Blanken.

Blanpain, Blanpin, Blancpain, Blampain, Blampin, Painblanc, Paimblanc. Naam uit het Franse blanc pain: wittebrood. Beroepsbijnaam voor de bakker van wittebrood.

Blansaart: Geadapteerde uitspraak van Frans Blanchard, Romaanse vorm naast Blankaart.

Blanvillain, Blanvillan. Bijnaam blanc; wit, vilain; dorper.

Blarinckx, Blarings. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam blad-hari; 'zwaard-leger': Blatharius.

Blasius, Blasi, Blazy: Vadersnaam. Latijn Sint Blasius, die in de middeleeuwen vrij populair was.

Blasin. Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Blasius.

Blason, Blasson, Blaisot, Blaizot, Blezot: Vadersnaam. Frans vleivormen van Blasius.

Blaton, Deblaton: Plaatsnaam Blaton (Henegouwen).

Blatter. Duitse bijnaam Blatter; blaar, blaas, puist, gezwel.

Blau, Blauw, Blauwe, de, Blaue (de), (de) Blouw, Blouwe, den Blaaauwen, den Blaauwen, (de) Blaauw, de Blau, Debla, Deblauve, Blave. Bijnaam naar de "blauwe", bleke huidskleur. 

Blaü: 1. Duitse bijnaam: blauw. Vergelijk (de) Blauw(e). 2. Jan Blau was de naam van een vondeling, op 18 april 1636 op de Blauhanse Ruy gevonden in Antwerpen.

Blaude, Blaut, Blaute, Blauth: Vrouwelijke vorm bij Blaud, van Belard.Of = Blote?

Blauwart, Blauwaert, Bleauwart, Blawart, Blouard, Bluard, Bluart, Bleuwart, Bleuwrt: Bijnaam voor iemand die blauw, bleek van kleur is. Vergelijk De Blauwe.

Blauwbloeme, Blauwblomme, Blaublomme, Blouwblomme, Blauwblomme: Middelnederlands blauwbloeme: korenbloem. Vergelijk Duits Kornblum.

Blauwens. Afleiding van De Blauwe? Of uit Blauwers?

Blauwer, de, Blauwere, de, Blauwers. Beroepsnaam van de blauwverver.

Blaupot, Blauwpot. Blauw, de Blauwe, Blaauw, de Blaauwe, (den) Blauwen: Bijnaam naar de blauwe, bleke kleur.

Blauw. Bijnaam naar de blauwe, bleke kleur.

Blauwvoet, Blaevoet, Blavoet, Blavoute: Bijnaam voor iemand met blauwe, bleke voeten. Vergelijk Witvoet.

Blauwaert: Bijnaam naar de blauwe, bleke kleur. Vergelijk Blauw.

Blauwkamer: Wellicht een huisnaam, te vergelijken met de vaak voorkomende plaatsnaam Blauwhuis. In het Middelnederlands was een camere een eenkamerwoning.

Blavie, Blavier, Blévi, Blaivie. Beroepsnaam uit het Oudfranse blavier: graankoopman.

Blazer, Blaser, Blaeser, Blaaser, de Blazer, de Blezer, (de) Bleser, Bleeser, Bleezers, Bleezer, de Blaiser, de Bleyser, de Bleijser, de Blijzer, de Blecker, de. 1. Beroepsnaam. Afleiding van Middelnederlands blecken: villen, ontschorsen. 2. Beroepsnaam van de wolbereider, die de wol doet glanzen of verft. 3. Soms = De Bleeker.

Bleijzer: 1. Beroepsnaam Middelnederlands blaser ‘trompetter’. 2. Het Middelnederlandse betekende blazen ook pochen, opscheppen (dat is de feiten opblazen) of vlees blazen, een verboden middel dat de slagers toen aanwendden om het vlees aantrekkelijker te maken. Kan ook een bijnaam zijn.

Blécourt, de: Frans Plaatsnaam Blécourt (Haute-Marne, Nord).

Bleeken, van den, van den Blecken. Familienaam uit de plaatsnaam Bleken in Wuustwezel (Antwerpen) of Blikken onder andere in Kallo (Oost-Vlaanderen), Groede in Zeeland.

Blehen, Bléhen, Blehin, Bléhain, Blehain: Plaatsnaam Blehen (Luik).

Bleiberg, Bleyberg, Blaiberg: 1. Plaatsnaam Bleyberg, Blieberg, Bleiberg in Montzen (Luik), Gemmenich (Luik). Bleiberg (Plombières, Luik). 2. Variant van Bleyenberg.

Bleicher, Blaecher: Duitse beroepsnaam van de linnenbleker. Vergelijk De Bleeker.

Bleichfeld. Plaatsnaam Bleichfeld: bleek, veld of wei waarop gebleekt wordt.

Bleiman, Blajman: Duits Bleimann of vorm van Middelnederlands blideman: de maker of bediener van bliden, werptuigen. Blajman is in elk geval een spelling voor Duits Bleimann.

Blejwas, Blajwas: Duitse familienaam Bleiweiss: loodwit. Beroepsnaam van de verfmaker, kleurenmenger.

Bleker, Bleeker, Bleekere, de Bleecker, de Bleeckere, den Bleiker, Bleikertz, (den) Bleijker: Beroepsnaam van de bleker, linnenbleker.

Blekman: Vadersnaam. Variant van Bli(c)kman, afleiding van de Germaanse voornaam Blicker.

Blemberg, Blanbergh: Plaatsnaam Blamberg of Blaimberg (Beieren).

Blende, de, (de) Blinde, Blind, den Blinden, Deblinte: Bijnaam voor een blinde.

Blendeman, Blindeman: Bijnaam voor een blindeman.

Blerkom, van, Blerckom, van: Plaatsnaam Blekkom in Loksbergen (Limburg). Of van Blaricum (Noord-Holland).

Blereau, Blariau, Blariaux, Blarieaux, Blarieau, Blarel: 1. Afleidng van Oudfrans bler, blair: bleek, met witte vlekken (vergelijk Blairvacq). 2. Oudfrans blarel, Frans blaireau: das. Vergelijk Das.

Bléret, Baret: Bijnaam. Van Oudfrans bler, blair: bleek, donkergrijs.

Bléricq, van, van Blerck, Blerk: Plaatsnaam Blerick (Nederlands Limburg).

Blaro, Blerot. 1. Afleiding van bler, blair: donkergrijs. 2. Spellingvariant van Blereau.

Bles, van de, der, Blees, Bless. 1. Bijnaam voor iemand met een bles. 2. Variant van Blaas (zie daar).

Blesin, Blesing, Blésin, Blessing: Vadersnaam. Afleiding van Sint Blasius.

Blessenaar. Wellicht Duits Blessner uit plaatsnaam Blessen.

Blesgraaf: Plaatsnaam Bleskensgraaf (Graafstroom, Zuid-Holland): 1331 Blaskens Graveland, 1514 Blesgensgrave, lokale uitspraak Blesgraaf.

Blesing: Vadersnaam. Afleiding van Blase, heiligennaam Blasius. Zie Blaas.

Bleu, le, (de) Bleus, Bleux, Blux, Lebleu, Leblud, Leblu, Leblus, Lebluy, Dubleux, Dubloux, van Bleuy ,van Bleu. 1. Bijnaam naar een bleke, blauwige kleur, Frans pendant voor de Blauw(e). 2. Eventueel uit de plaatsnaam Bleu in Basècles (Henegouwen).

Bleuckx, Bleukx, Bleux: 1. Plaatsnaam Bleuk in Assent (Limburg), Betekom (Vlaams-Brabant), Blook in Gutschoven (Limburg). 2. Variant van Blockx.

Bleuel: Duitse familienaam Bleuel, van Middelhoogduits bliuwel, Duits Bläuel ‘stampmolen’. Beroepsbijnaam.

Bleuet, Bleuez, Blauwet: Afleiding van Frans bleu, Ofrans blau, blou: blauw, bleek. Bijnaam voor iemand met bleke kleur. Vergelijk De Blauwe.

Bleuset, Bleusé, Bleus, Bleuse, Bleuzet, Bleuze, Bleuzé: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Biaise, als spelling voor Blesé = Blaiset, Blaiez.

Bleuzé, Bleuze: Verkleinvorm, spelling voor Frans Bleuset, spelling voor Blesé, Blaiset. Verkleinvorm van voornaam Blaise ‘Blasius’.

Bleijber, den; Bleijeber: De naam is vermoedelijk ontstaan door een leesfout voor den Bleijker.

Bleijen, de, Blijie: Bijnaam voor de blije, de vrolijke.

Bleijenberg, Bleijenbergh, Bleyenberghe, Bleyenberg, Bleyenberge, (van), Bleydenbergh, (van) Blyenberg, Blyenbergh, (van) Blijenberg, (van) Bleijenbergh, Bleijenberg, Bleiberg, Bleyberg: Mogelijk verward met Bleienburg (zie Blijenburgh), want berg- en burg-namen worden vaak verward. Maar er is ook de plaatsnaam Blijenberg/Bleidenberg in Brussegem, Herfelingen, Oetingen (Vlaams-Brabant), Bleienberg in Moerbeke (Oost-Vlaanderen), Bleidenberg in Wilsele (Vlaams-Brabant).

Bleyenborms. Waarschijnlijk contaminatie van Noord-Duits Bleibom en Bleidorn, variant van Blobohm (zie Blibaum) en Blôdorn: bloeiende doornstruik.

Bleyenheuft. Duitse familienaam die zoveel betekent als loden (zwaar) hoofd.

Bleyfuesz. Duitse bijnaam Bleifufs: loden voet. Vergelijk Lootvoet.

Bleyswijck, Bleyswijk, Bleyswyck. Plaatsnaam Bleiswijk, Zuid-Holland.

Bliard, Bliart, Bléard: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam blîd-hard 'blij-sterk': Vergelijk Blitard.

Bliaux, Blyau, Blijau, Bléau, Bléhaut: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam blîd-wald 'blij-heerser': Blidaldus. 2. Bijnaam naar de naam van het kledingstuk, Ofudfrans bliau: tuniek.

Blibaum, Blijboom, Blyboom: Duits dialect vorm van Bleibaum, Blôhbaum: bloeiende boom.

Bliden, den, den Blyden, den Blijden: Bijnaam voor een blij, vrolijk mens. Zie ook Blij.

Bliek, (de); de Blieck, Blik: 1. Bijnaam naar de visnaam, de bliek, wellicht voor een opgewekt iemand. 2. Bliek was ook een voornaam.

Blieck, Blick, Bleich, Blech, Bloch, Block. Joodse familienaam. Alexander Beider omschrijft de herkomst van de naam in zijn boek A Dictionary of Jewish Surnames from Galicia. Galicië is een gebied in het huidige Polen en Oekraïne, en vermoedelijk de oorsprong van de naam. De naam spreidt zich van daar verder naar hoofdzakelijk Duitsland, Nederland en België. De naam is van Duitse Asjkenazisch Joodse afkomst en evolueerde met de migratie van de Joodse bevolking van land tot land.

Bliek, (de), (de) Blieck, (de) Blick, Blickx, Blik, (de) Blicq, Blicque, Leblicque, Leblicq. 1. Bijnaam naar de visnaam: bliek, wellicht voor een opgewekt iemand. Een visser/visverkoper ? 2. Bliek was ook een voornaam. In dat geval een vadersnaam.

Bliek, van (der): 1. Plaatsnaam Bliek in Stavenisse (Zeeland). Bleek; 2. Plaatsnaam. Spelling voor Van den Bleek? plaats wei waar linnen gebleekt wordt.

Blietz: Duitse familienaam, Duits Blitz ‘bliksem’. Bijnaam voor een vluggerd.

Blij, Bly, Blei, (de) Bley, de Bleye, de Bleije, Bleijen, Bleij, Bleyens, de Blaye, De Blay, de Blaey, de Blaay, de Blaaij. 1. Bijnaam voor een blij, vrolijk mens. 2. Beroepsbijnaam voor de bediener van de blijde: belegeringskatapult.

Blin, Blain, Bleyn: Vadersnaam. Samentrekking van Belin of korte vorm van Rob(e)lin.

Blinbaum, Blimbaum: Variant (met epenthetische n) van Duits Bleibaum; zie Blibaum.

Blind, (de) Blinde: Bijnaam voor een blinde.

Blindenbach: Duitse plaatsnaam.

Blindenberg, Blindenbergh. Waarschijnlijk volksetymologische vorm voor Bleydenbergh; zie (van) Bleyenberghe.

Blinder, Blindert. Een Duitse familienaam Blinder (blinde) is me niet bekend. Ongetwijfeld een reïnterpretatie van Duit Blender, beroepsnaam van de verver; of ook wel variant van Blander.

Blink, van der: Vermoedelijk uit van der Bliek, met n-invoeging.

Blinksma, Blinxma: Friese naam die zoon van Blinke betekent, van de voornaam Blin, Bliun,

Blinkhof: Niet gesitueerde plaatsnaam.

Blistain, Blistein, Blistin: Metathetische variant van Bilstain. Zie Bilstein.

Blitard, Bletard, Blétard: Vadersnaam. Germaanse voornaam blîd-hard; 'blij-sterk':. Zie ook Bliard.

Blitterswijk, van: Plaatsnaam Blitterswijck in Meerlo-Wanssum (Nederlands-Limburg).

Blitz, Blits: Duits Blitz: bliksem. Bijnaam voor een vluggerd.

Block, (de), (de) Blocq, (de) Blok, Blockx, Blox, Bloks, Blokx, Bloxs, Blox, Blokken, Blockken, Blocken, Bloch, Bloc, Blog, Bluck. 1.Bijnaam voor iemand met een geblokte, zware lichaamsbouw. 2.Het Middelnederlandse bloc was ook het toestel waarin de benen van misdadigers ingesloten werden. In dat geval een beroepsnaam.

Block, van den, der, van, den Bloock, van den Bloeck: Plaatsnaam Blok: afgesloten landstuk, omheind weiland.

Blockeel, Blokkeel, Blockel, Blocquel, Bloquel, Bloquaux, Blokiau, Bloquiau, Blocqeau, Bloqeau, Blocquiaux, Bloquiaux, Blouquiaux, Blouquiau, Bloukiaux. Familienaam uit het Oudfranse bloquel/blokiel: blok. Bijnaam voor iemand met een forse, geblokte lichaamsbouw.

Blockerij, Blockerije, Blockery, Blockerye, Blockerey, Blokery, Blokerye, Blokerije, Blocry: Plaatsnaam Blockerie in Moeskroen, Henegouwen, Ottignies (Waals-Brabant), Le Waast (Pas-de-Calais).

Blockhuys, Blockhuysen, Blockhausen, Blokhuis, Blockxhuysen, Blockousse, Blockouse, Blochouse, Blocouse, Blochousse, Blockus, Blocus, de Blochouse. Naam uit het Middelnederlandse blochuus: blokhuis, versterkt huis, vesting. Verspreide plaatsnaam.

Blocteur. Beroepsnaam Bloqueteur: die blokken maakt. Afleiding van Bloquet: blok.

Bloe, de. 1. Uit De Blode. Bijnaam voor een bloodaard. 2. Misschien weergave van Deblois.

Bloebaum. Duits Blöhbaum: bloeiende boom. Plaatsnaam. Vergelijk Blibaum. Ook Noord-Duits Blôboom.

Bloedberge. Plaatsnaam Bloedberg? Wellicht reïnterpretatie van Bloemberg.

Bloem, (de) Bloemmen, Bloemen, Bloeme, Bloume, Blom, van der, Bloemen, Blomme, Blommen, Blommers, Blomsma, Blommé, De Blomme, Blum, Blume, Blumen, de Bloem, (de) Bloom. 1. Bijnaam naar de bloem, in de betekenis ‘wat het beste is in zijn soort, een voortreffelijke persoonlijkheid’. Misschien ook bijnaam voor een bloemenliefhebber of een tuinier. Ook een huisnaam is mogelijk. 2. Moedersnaam. De meisjesnaam Bloem(e) is een oude Germaanse voornaam: Bloma. 3. Middelnederlands blomme‘(bloem)meel’. Beroepsbijnaam voor een molenaar of bakker. Bloemaert, Bloemarts, Bloemhart, Bluomhart, Bloemaerts, Bloemers, Bloemmaert, Blumart, Blommart, Blomart, (de) Blommaert, Blommaart, Blommaert, Blommaerts, Blommaers, Blommers, Blommerde, Bleumers, Bleumer. 1. Vadersnaam uit de voornaam Bloemaard. 2. Op een of andere manier afgeleid uit 'bloem en hart’. Zie bij bloem. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon) Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drenthe.'Van Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), en Blommerde, beide vadersnamen; verder nog Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer en in Duitsland Blumhart. De enkele wortel van deze naam Bloem was oudtijds ook als mannennaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagse geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland, Bloomington in Engeland, allen oude vadersnamen. Verder nog Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme, allen nieuwe vadersnamen. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met Blom.

Bloemberg. Plaatsnaam in Zuidwolde (Drenthe) of Blomberg (Duitsland).

Bloemendal, Bloemendaal, Bloemendael, ten: Plaatsnaam Bloemendaal (Noord-Holland). Blo(e)menda(a)l in Beernem, St.-Andries (West-Vlaanderen), Schoten (Antwerpen), Bever (Vlaams-Brabant), Bilzen, Halen, Waltwilder (Limburg). Maar ook Blumenthal bij Brachelen (Noordrijn-Westfalen). Bloemberg, Bloemberge, Blomberg, Blom. Adresnaam. Plaats bij Zuidwolde.

Bloemer, Bloemers, Blommer, Blommers: Variant van Blommaart; met achtervoegselsubstitutie.

Bloemhof, Bloemhoff, Blomhoff. Adresnaam als in Rotterdam

Bloemink, Bleumink, Bluemink, (Saksisch), Bloeming, (Frankisch). Vadersnaam uit de voornaam Bloeme.

Bloemkolk: Plaatsnaam, 1451 Blomenkolck bij Empe (Brummen, Gelderland) .

Bloemperk. Reïnterpretatie van Bloemberg. De Duitse familienaam Blumberg door een Zuid-Duitse immigrant in zijn dialect als Blumperk uitgesproken.

Bloeykens, Bluekens. Bijnaam uit het Middelnederlandse blodekin, blode: blo, bedeesd, bleu, laf.

Blois, Bloes, Leblois, Debloise, Deblois, Debloos, (de) Bloos: 1. Oudfrans bloi, blo: blauw, blond, bleek. 2. Oudfrans blois: lispelaar, stamelaar, stotteraar. 3. Oudfrans blois, blo(u)s: berooid, ontbloot (van). 4. Deblois kan de herkomst van Blois (Jura, Loir-et-Cher) aangeven.

Blok, (de), (de) Block, Bloks, Bloksma, Blokx, Blocks: Bijnaam voor een man met zware, grove, geblokte lichaamsbouw.

Blokdijk. Dijk en buurtschap bij Venhuizen, Noord-Holland.

Blokhuizen, van, Blokhuis: Middelnederlands blochuus, Middennoordduits Blokhûs,‘blokhuis, versterkt huis, vesting’. Verspreide plaatsnaam, bijvoorbeeld Blokhuizen in Niedorp (Noord-Holland).

Blokker. Afleiding van Middelnederlands blocken: in blok of stok (gevangenis) opsluiten. Beroepsnaam van de gerechtsdienaar of gevangenbewaarder.

Blokland: Plaatsnaam Blokland ‘blok, afgesloten, omheind land’. Blokland in Montfoort (Utrecht).

Blokpoel: Plaatsnaam Blokpoel, ‘poel aan een afgesloten landstuk’.

Blokzijl: Plaatsnaam in Steenwijkerland, Overijssel.

Blomhof. Plaatsnaam, bijvoorbeeld Bloemenhof in Koolkerke, West-Vlaanderen. Vergelijk Duits Blumenhoff.

Blömke. Noord Duitse afleiding van Blom; zie Bloem.

Blomjous: Verhaspeling van Frans Blangeot, Blanjot?

Blommekoper. Beroepsnaam van de bloemenhandelaar.

Blommaart, Blommaert, Blommert, Blomaard, Blomaert, Bloomaard: 1.Vadersnaam. Voornaam Bloemaard. 2. Afleiding van Bloem.

Blommestein, Blommestijn, van: Plaatsnaam. Kasteel Bloemensteyn, Blommesteyn, Bloemenstein, Bloemestein, Blommestein, in Culemborg (Gelderland). Ook Duitse plaatsnaam Blumenstein.

Blonde, de: Bijnaam voor een blonde, blondharige.

Blondé: Spelling voor Frans Blondet, verkleinvorm van blond.

Blondeel, Blondel, Blondelle, de Blondel, Blundell, Blandel, Blondeau, Blondeuax, Blondea, Blondieuax, Blondau, Blondaux, Blondia, Blontia, Blondelet, Blondlet. Afleiding van Blondel. Bijnaam voor iemand met (hoog)blond haar. Vergelijk (de) Blonde.

Blonde, de, Blond, Blonden, de Blon, de Blond, Deblond, Deblon, Blount, Leblond, Leblon, Leblong, Blong: 1. Bijnaam voor een blonde, blondharige. 2. Leblong, Blong kunnen ook uit Leblanc, Blanc ontstaan zijn. 1841 Joseph Blong was de zoon van John Blong, een Ier die van een Hugenoot Blanc afstamde. Er is een familie Deblon waarvan de stamvader Blan heette, dus: blanc: de witte, de bleke. Zie ook Bloem 5.

Blonder. Waarschijnlijk variant van de Blander.

Blondet, Blonde, Blondee: afleiding an Blond. Vergelijk Blondeel, Blondelet.

Blondin, Blandin. Afleiding van Blond. Zo ook Blondot.

Blandeau, Blandax, Blanda, Blandiaux: Bijnaam voor iemand met (hoog)blond haar Frans verkleinvorm op –el van blond. Zie de Blonde.

Blonk, Blonke: Bijnaam voor wie blonk is ‘stomp(zinnig), plomp, dom’.

Blontrock, Blomtrock. Bijnaam naar een gele, vale, rossige kleur van de rok (het bovenkleding stuk - dus niet de huidige vrouwenrok). Of verschrijving van Bontrok: iemand met een bontgekleurde rok (bovenkleding). Of beroepsbijnaam voor de maker van deze kledingstukken.

Bloois, van; van Blooijs: Plaatsnaam Blois (Jura, Loir-et-Cher).

Bloos: Aanpassing van Frans Blois. Bijnaam. Oudfrans Blois ‘lispelaar, stamelaar, stotteraar’ of Oudfrans Blois ‘berooid’.

Blootacker, Blootackere. Naam uit de plaatsnaam Blootacker (onbegroeide grond) in Brielen, Hooglede en Meulebeke (West-Vlaanderen).

Bloppoel, van: Door assimilatie (kp van pp) uit plaatsnaam Blokpoel.

Blot, Blote, de Blot, Bloden, Blaute, Blaut, Blauth, Blaude, Blade: Bijnaam bloot: bloot, naakt; arm, behoeftig. Bijnaam voor een arme, die sjofel gekleed loopt.

Blouckaers. Waarschijnlijk variant van Brouckaers (zie Broekaert), met l/r-wisseling. Of variant van Boeckaerts, met /-epenthesis.

Blouse. Wellicht variant van Bleuse.

Bloyaert, Bloyart, Bloeyaert: Wellicht afleiding van Middelnederlandse werkwoord blaaien: waaien, wapperen, zwaaien, blaken.

Blumfeld, Blumenfeld. Plaatsnaam in Tengen. Baden-Württemberg.

Blumberg. Duitse plaatsnaam, vergelijk Bloemberg.

Blumenfrucht, Blumenfrocht. Duitse Joodse familienaam; bloemenkrans.

Blumental, Blumenthal. Verspreide Duitse plaatsnaam. Vergelijk Bloemendaal.

Blumfarb; Duits Joodse familienaam; bloemkleur.

Blumlein. Duitse afleiding van Blume; bloem.

Blüth, Blyth: Duitse bijnaam Blüte: bloesem.

Bluts, de, Bludts. Middelnederlands blutse; blaar, buil. Bijnaam.

Blyckaerts, Blykaerts, Blijckaerts, Bleykaerts: Vadersnaam. Germaanse voornaam blîk-hard; 'glans-sterk'. Vergelijk Blijkers.

Blyckers, Blyckers, Blijcker, Blijkers. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam blîk-hari; 'glans-leger': Blicherus. 2. Eventueel variant van Bleekers.

Blijenburgh, van: Plaatsnaam Bleyenburg in De Lier (Zuid-Holland). Of variant van Bleijenberg (zie op dat woord).

Blijleven, Blijlevens, Blylevens, Bleileven, Bleylevens: Bijnaam voor iemand die blij en gelukkig leeft.

Blyweert, Bleijweert, Blijweert, Bleyweert, Bleyaert, Blyaert, Bleijaert: Bijnaam voor een blije, vrolijke waard. Vergelijk Duits Frühwirt, waarschijnlijk van Frohwirt.

Boast: Vadersnaam. Hebreeuwse voornaam Boas, Boaz. Ook familienaam Boasson.

Bobbaerts, Bobbaers, Boebaert, Bouba, Boba. Vadersnaam van de Limburgse of Nederduitse naam Bobard, Bub(b)ert, Bob(b)ert. Waarschijnlijk afkomstig van de Germaanse naam Bodobert (= gebieder-stralend). Kan evenwel variant zijn van Bouvaert, met hypocoristische verscherping (v/b). Maar kan ook van Rob(a)ert worden verklaard, met anticipatie van de b; vergelijk Engels Bob, van Robert.

Bobbeleer, de. Variant van De Dobbeleer.

Bobeau, Bobea, Bobault, Bobel: Afleiding van Oudfrans bobe: bedrog. Of van Oudfrans bobert: simpel, dom, verwaand. Vergelijk Bobelin.

Bobel. 1. Middelnederlands bobbel: blaar, buil. Bijnaam. Vergelijk Buyle. 2. Zie Bobeau.

Bobelin, Bobelijn, Bobeleyn, Bobelyn, Bombelijn, Bombelyn, Bomelijn, Bommeleyn, Bommelyn. Bijnaam uit het Oudfranse bobelin: dom, simpel, maar ook verwaand, hoogmoedig.

Bober. Pools-Russische familienaam. Russiche bijnaam bobr; bever.

Bobillon. 1. Afleiding van Oudfrans bobert; vergelijk Bobelin. 2. Variant van Robillon, van Robert, met anticipatie van de (vergelijk Engels Bob). 3. Misschien dialect variant van Babilon.

Bobin, Bobine. 1. Bijnaam van een dwaze, verwaande; vergelijk Bobeau, Bobelin. 2. Vadersnaam. Variant van Robin met b-anticipatie; vergelijk Engels Bob.

Bobon, Bobot, Boubet: 1. Afleiding van Oudfrans bobert: verwaand, dwaas. Vergelijk Bober, Bobelin. 2. Bobon kan de verbogen vorm zijn van de Germaanse bakernaam Bobo, van Robert.

Bobrijk: Vermoedelijk een leesfout voor Bokrijk, Plaatsnaam (Belgisch-Limburg).

Boccauw, Boccave, Boucauw, Bekouw, Baccauw, Buccauw: Boccauw / Boucauw is normaal de aanpassing van Bocaux/Boucaut (zie Bocquiaux), maar deze zeldzame familenaam komt in dezelfde streek voor als: 1368 Jan Backaus; 1407 Jan Bauchau; 1422 Jan Baccau, Ronse; 1420 Bille Baccau. Dit kan de Franse familienaam Bacaud zijn, van de Germaanse voornaam bag-wald. Maar zelfs een 16de eeuwse Baccau kan een variant zijn van Bocaux, door voortonige versterking; vergelijk 1369 Baccude in plaats van Becude.

Bochar, Bochart, Bochard, Bouchard, Boucha, Bouchart, Boucha, Bouchat, Boucharts, Boucaert, Bouça, Buchart, Buchard, Butchart, Butsaert, Bucar, Bocart, Bocar, Boca, Boccard, Boccar, Bocca, Boccart, Bockaert, Boucard, Boucar, Boucart, Bocquaert, Bocquart, Boekaerts, Boekaert, Boeckaerts, Boeckaert, Boecquaert, Bouckaert, Boukaert, Boucquaert: 1. Franse en Picardische vormen van de Germaanse voornaam Burghard: Burcardus, Borcardus, Buchardus, Buccardus. 2. Zie ook Boekaert(s).

Bochem, Bochen: Duitse plaatsnaam Bochen, Bocheim of Bochum.

Bocholtz, Bochholts, Bochkoltz, Bockholtz, Bockholts, Bockoltz, Bockhals: 1. Plaatsnaam Bochholt, Maaseik, Bocholz (Nederlands Limburg). 2. Eventueel afleiding van Bocholt.

Bocholt, van, van Boecholt, (van) Boekholt, van Boegeld, van Bogget: Plaatsnaam Bocholtz (Limburg). Vergelijk Bouchout, eveneens: beukenbos. In aanmerking komen eventueel ook Bocholt bij Munster of in Essen of zelfs Bockholt in Recklinghausen of in Schermbeck.

Bochoms, Bouchoms, Bockkom: Plaatsnaam Bochum (Duitsland). Zie ook Bochem.

Bochtmans. Afleiding van Verbocht.

Bockhaeven, Bockhaeve, Bockhave, van, van Buckhaven, Verbockhaven, Bauckhage. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Bokhage, Bukhage (met v/g-wisseling): beukenhaag. 2. Soms mogelijk een variant van Van Bokhoven. Noord Duits hâve = hove. Zie Bokhoven.

Böckling, Boeckling. Duitse familienaam uit Böckl(e)in, Bock: bok. Bijnaam.

Bockrijk, Bockrijck, van, van Bockryck, van Boeckrijck, Boeckryck: Plaatsnaam Bokrijk (Limburg).

Bockstaele, van, Bockstael, (van) Bockstal, van Bokstal, Bokstaele, (van) Bockstale, Bockstaele, Bockstael, van Backestal, van Bokestal, Bockestael, Bockstaele, Bokestael, Boxstal, (van) Bockxstaele, van Bockxtaele, van Bocquestal, van Boquestals, van Boquestaels, van Boquestal, (van) Boekestael, Boeckstael, Boekstael, (van) Boxstael, Boxtaele, Boxtael, (van) Bocxsta, Boxtael, Boxtaelle, Bocxta, van Bostal, Boektaels, Bocktaels, Backstal. Familienaam uit de plaatsnaam Bokstal in Machelen, Balegem, St.-Lievens-Houtem, Vinkt (Oost-Vlaanderen) en St.-Kwintens-Lennik (Vlaams-Brabant).

Bocksteins, Boxteyns, Boxsteyn, Boxsteijns, Boeckstijns, Boecksteyns, Boeckyns, Boxstens, Boxtens, Boecksteens, Boeckstens, Boxstaens, Boeckxstaens, Boeckstaens, Boekxtaens, Boecxstaens, Boecstaens, Boextaens, Boestans. Plaatsnaam Bokstuin in Duffel.

Bocktaels, Boektaels: Waarschijnlijk variant van (van) Bockstal. Maar er is een plaatsnaam Bocketal in Ibbenburen, Duitsland.

Bockwoldt. Noord-Duitse plaatsnaam, Duits Buchenwald; beukenbos.

Boclinville. Plaatsnaam Boclainville in Bornai.

Bocquenet, Bocqueneau. 1. Afleiding van Oudfrans boc, Frans bouc: bok. Vergelijk De Bock. 2. Afleiding van bosk: bosje, struikgewas. 3. Afleiding van Boskin. Vergelijk familienaam Bouquinet, Bouquenet.

Bocquiaux, Bocquia, Bockiau, Bokiau, Boquia, Boquiat, Bocaux, Boquel, Bouquieau, Bouquieax, Bouquiau, Boucquiaux, Boucquiau, Boucqieaux, Boucqueau, Boucquêau, Bouqueaux, Bouqueau, Boucaut, Boucau, Bouault, Boucaux, Boukos, Bouko, Boccauw, Boucauw, Bekouw, Baccauw, Buccauw, Bouchaud, Bouchaut, Bouchaux, Bousseau, Boussauw: 1. Plaatsnaam. Oudfrans boschel, Picardisch bosquel: bosje, struikgewas. Vergelijk Bocage, Boquet. Plaatsnaam Bosquel (Somme), Bouqueau in Chapelle-à-Wattines (Henegouwen), Bosqueau in Quévy-le-Petit (Henegouwen). 2. Afleiding van Oudfrans bouc: bok. 3. Eventueel vadersnaam. Picardisch en Franse vormen van Germaanse voornaam burg-wald; 'burg-heerser': Burgoaldus, Burcold, Bugaldus.

Boddaer, Boddaert, Boddaerd, Bodaer, Bodaert, Boa, Bodart, Buddaert, Buda: Vadersnaam. Boudaerd, Germaans naam balth-hard ‘moedig-sterk’: Baldhard.

Bodarwé, Bodarwe, Bodarué: Plaatsnaam in Faymonville (Luik).

Bodde. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bodo, Budde, Butte, Botte, zo ook Buttinghe, Bottinga en Bottenga.

Bodin, Boddin, Bodyn, Bodijn, Bodden, Boddens, Budin, Budyn, Budain, Budding, Buddingh, Budden, Budde: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Bod(d)o, Buddo, Botte.

Boddenberg, Bodenbergen: Oost Vlaamse variant van Bottenberg. Typisch voor een deel van Oost Vlaanderen is namelijk de verzachting (stemhebbend worden) van p, t en k tussen gekleurde klinker en doffe e.

Boddengins: Zeeuwse aanpassing van de Belgische familienaam Bodenghien, Bodenghein, Boudengen, Boddengeen. Plaatsnaam Boisdinghen, St-Omaars (Bodinghem) bij Sint-Omaars (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen) of Boudenghien in Vloesberg (Henegouwen). Eventueel van Boisdenghien ‘bos van Edingen’ (Henegouwen).

Bodderij, Bodrij: Vadersnaam. Variant van Romaans Boudry, Boudri, waaruit ook Vlaamse Bouderij. Romaans vorm van de Germaans voornaam Bouderik: balth-rîk ‘moedig-machtig’.

Boddingius: Latinisering van Vadersnaam. Bodding, afleiding van de Germaanse voornaam Bod(d)o, Buddo.

Bode, (de), de Boode, (de) Bo, Boode, Booden, Boden, Booen, Boo, Boi, Boie, Booi, de Booy, de Boo, de Boeye, Boey, Boeij, Boeije, Boy, Boye, Boden, Booen, de Boe: Beroepsnaam van de (stads)bode, gezant. Hieruit ook door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord De Bo.

Bodegom, van, Bodeghem, van Bodeghan, van Beughem, van, Buchem, de Beughem, Beugoms. Plaatsnaam, wel naar Sint Martens Bodegem, Brussel, of Booigem bij Serskamp, in 1148 Boedeghem, of Beugem bij Moorsel, 14de eeuw Bodegem.

Bodein, Bodeyn, Bodeijn, Boudein, Boudeyn: Vadersnaam. Vlaamse aanpassing van Franse Boudin of Boddin. Vergelijk Nederlands trein, van Frans train.

Boddin, Bodin, Bodyn, Bodijn, Bodd, Bodde, Bodden, Boddens, Budin, Budyn, Budain, Bidding, Biddingh, Budde, Budden, Booyink. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bod(d)o (: gebieder).

Bodegem, van: Plaatsnaam Sint-Maartens-Bodegem (Vlaams-Brabant).

Bodegraven: Plaatsnaam Bodegraven (Zuid-Holland).

Bödeker, Böddecker: Beroepsnaam. Noord Duits bôdeker, Duits Bottcher: kuiper.

Bodelier. 1. Franse familienaam Baudelier/Boudelier: trijpverkoper. 2. Variant van Bottelier.

Boden, Booden, Booen. 1. Vadersnaam. Verbogen vorm van de Germaanse voornaam Bodo, Bode. 2. Zie (de) Bode.

Bodenghien, Bodengien, Bodenghein, Boudengen, Boddengeen: Plaatsnaam Boisdinghen (Bodinghem) bij St.-Omaars (Pas-de-Calais); of Boudenghien in Vloesberg (Henegouwen, zie Debaudrenghien); eventueel spellingvariant van Boisdenghien.

Bodenhorst. Plaatsnaam Badenhorst in Elsdorf.

Bodenstab. Beroepsnaam van de kuiper, naar het kromhout waarmee de bodem van de vaten aangedrukt wordt.

Bodenstein, Bodensztein. Plaatsnaam in Duitsland.

Bodeux, Bodeu, Bodeus, Bodeur, Bodeus, Bedeur: Plaatsnaam (Basse)Bodeux (Luik).

Bodewes, Boddeus, Bodewitz, Bodewus, Bodewitz, Bodewits. Beroepsnaam. Vadersnaam. Bodewes is een polder in Groningen.

Bodifée, Bodifee: Bijnaam. Zinwoord met Oudfranse werkwoord bouter: slaan, kloppen en Oudfrans fe, fed (van Latijn fatum): duivel. Vergelijk Boussifet, Fichefet en Noord Duits Bokendûvel, Hannover; Slâ(den)düvel, Wismar; Bîtdendüvel, Schuddendüvel, Schreckendüvel, Brunswijk; Jagenduvel, Rostock; Vretendüvel, Gottingen. Allemaal bijnamen voor vechtjassen, ijzervreters, die de duivel te lijf zouden gaan.

Bodineaux, Bodinaux, Bodino. Vadersnaam uit Bo(u)din, Baudin. Zie bij Boudin.

Bodinckhuysen, van. Plaatsnaam in Duitsland?

Bodmann, Botman, Bodmann, Bottemanne, Bottemannen, Botschuyver, Botschuyver: Duitse familienaam Bodemann. Samenstelling met Middennoordduits bode, Duits Bude ‘klein huis’ of van de botverkoper, botvisser?

Bodkaert. Vervorming van Bockaert.

Bodmer, Bodner. Afleiding van Duitse plaatsnaam Bodem, Boden.

Boe, de (de) Bou: 1. Bijnaam de Boe, van de Boude. Middelnederlands bout, boud ‘stout, koen, kalm, zelfverzekerd’. 2. Zie de Bode. 3. Zie Debou.

Boeckenhove, (ver), Boeckhoven, Bouckenhove, Bouckenove, Bouckehove, Boekenoogen, Bouckenhooghe, Bouckenooghe, Bouckenoghe, Bouckenooge, Boucknooghe, Bouckencoghe. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Boekenhof = beukenhof. Het Boekenhof is een hoeve in Westvleteren en de naam zal wellicht ook elders voorkomen.

Boeckling, Boeckeling, Boechling, Boecling: Duits Böckl(e)in ‘bokje’, verkleinvorm van Bock. Bijnaam, zie Böckling.

Boeckman, Boeckmans, Bouckmans, Boekman, Boekmans, Bockmans, Bokmans. 1. Afleiding van Van de Boeke (dat is woonplaats in de buurt van een beuk). Vergelijk Noord Duits Böckmann, Büchmann 2. Bijnaam naar de dierennaam Bok.

Boeckmeyer, Boekmeyer, Boekmeijer. Familienaam uit het Nederduitse Böckemeyer, Buckmeier of het Duitse Buchmeier: een meier, boer die bij beuken woonde.

Boeddecker, Boedtker: Beroepsnaam. Oost Middelnederlands boedeker: kuiper. Zie ook Bôdeker.

Boeddenghaus: Duitse plaatsnaam Böddinghausen in Plettenberg (Noordrijn-Westfalen).

Boeding: Vadersnaam. Zoals Boudin, afleiding van Germaans boud-naam, vooral Boudewijn. Eventueel Vlaamse aanpassing van Franse familienaam Boudin of Bod(d)in (vergelijk Vlaams Tring, van Frans train).

Boehm, Boehme, Böhm, Böhme, Boemen, Boehmer, Boemer, Bomer, Böhmer, Bömer, Bemers. In oorsprong Duitse familienaam: volksnaam voor de Bohemer.

Boehlen, Boehling: Vadersnaam. Duitse afleiding van een Germaanse bald-naam.

Boehm, Boehme, Böhm, Böhme: Duits Böhme, volksnaam van de Bohemer.

Boehringer. Plaatsnaam Böhringen.

Boei, (de) Boeij, (de) Boeije, de Boeje, de Boij, (de) Booij, Boeyen: Middelnederlands boy(e), boey(e) ‘broer, jongen, jochie, knaap, kameraad’, Engels boy, West-Vlaamse boetje, boeten. Ook vadersnaam. Boye, Bojeis een Friese en Nederduitse voornaam.

Boek, Boeke, van den, van den Boeck, van der Boek, van Bock, van Boucq, Vamboucq, Vambourg, Vamboug: Plaatsnaam Ten Boeke: bij de beuk. Boekaert, Boekaerts, Boeckaerts, Boeckaert, Boecquaert, Bouckaert, Boukaert, Boucquaert, Boecquaert, Bokar, Boka. 1. Familienaam uit (van den) Boeke: uit de plaatsnaam ten Boeke: beuk. 2. Uit Bochar(t): vadersnaam uit het Germaanse burg-hard.

Boeke: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bucco, Bocco, bakervorm van een burg-naam.

Boekel, van, van Boeckel, van Bockel, van Boekelen: Familienaam uit de plaatsnaam St.- Blasius-Boekel, St.-Denijs-Boekel (Oost-Vlaanderen), Boekel in Olen (Antwerpen) of de plaatsnaam Boekel (Noord-Brabant, (Noord-Holland). Boekel: uit beuk? Boekelman, Boekelmans is er een afleiding van.

Boekema, Bokma: Vadersnaam. Friese afleiding van de Germaanse voornaam Boeke, Boek. Boecksoone, Boucksoone; zoon van Boek. Boek, Boeke is waarschijnlijk de oud-Germaanse naam Bucco die als Bokke (waarvan de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden bij de Friezen in volle gebruik is. In de vorm vinden we deze naam Boeckx in Vlaanderen, Boekema, Boekma en Boeken in Friesland. Bucing en Bocing kwamen reeds als echt vadersnaam bij de Angelsaksen voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen zelfden naam afgeleid zijn is wel waarschijnlijk.

Boekenoogen, Bouckenooge, Bouckenoge, Bouckenooghe, Bouckenoghe, Bouckenhooghe, Bouckencogne, Boucknooghe, Boeckenhove, Bouckenhove, Bouckehove, Bouckenove: Waarschijnlijk bijnaam met betekenis bokkenoog, hoewel we in Ronse veeleer bok dan het Brabantse boek verwachten. De variant -(h)ove is te verklaren door v/g-wisseling. In 1742 werd in Marcq-en-Baroeul (Nord) Boukenoghe verward met Bouquesnoy.

Boekhof, Boekhoff. Plaatsnaam Boekhof: beukenhof. Bockhof, Bockhoff.

Boekhorst, Boukhors, te Boekhorst, van Bokhorst, Boekhorst: Plaatsnaam: hoogte met beuken begroeid. Boekhorst en bij Noordwijk (Zuid-Holland). Bokhorst (Noord-Brabant, Gelderland).

Boekhout, (van), Boekholt, van, Boekhold, Bouchaut, van Bouchaute: Verspreide plaatsnaam Boekhout ‘beukenbos’ en talrijke varianten.

Boekhorst, Boukhorst, te Boekhorst, van Bokhorst, Bockhorst. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam: hoogte met beuken begroeid (Friesland, Zuid-Holland, Gelderland, Noord-Brabant).

Boekhoven: Plaatsnaam Boekhoven ‘beukenhof’.

Boekwijt. Beroepsnaam van de teler of verkoper van boekweit. Vergelijk Duitse familienaam Bokweit.

Boel, (de) Boele, Boelen, Boelens, (de) Boël, Boels, Bools: Vaders- of moedersnaam 1. Germaanse voornaam Bodilo/Bodila, verkleinvorm van Germaanse voornaam Bodo. 2. Germaanse voornaam Bolo, etymologisch hetzelfde als Middelnederlands boel(e) ‘verwante, zwager; geliefde, minnaar, minnares, bijzit’, Duits Buhle ‘minnaar, minnares’. 3. Het Middelnederlandse boele is een variant van 'bodel' = beul. In dit geval een beroepsnaam.

Boel, de, (de) Boël, Boels, Bools: 1. Middelnederlands boel(e): verwante, voile of halve broer, zwager; (meestal) geliefde, minnaar, minnares, bijzit. Middelnederlands boele, van bodel: beul. Zie (de) Beul(e).

Boel, van de, Vandeboel. Naam uit het Middelnederlandse bule, het Limburgse boel: heuvel, hoogte? Vergelijk Duits Bühl.

Boelaere, van. Plaatsnaam (Nerder, Over) Boelare in Petegem, Eeklo (Oost-Vlaanderen) en Lendelede (West-Vlaanderen).

Boelaert, Boelaerd, Boelaers, Boelaerts, Boellaard, Boullard, Boulard, Boulaert, Boulart: 1. Bijnaam. Afleiding van Middelnederlands werkwoord boelen: boeleren. Spotnaam voor een boeleerder, (overspelige) minnaar. Zie ook (de) Boel. 2. Eventueel = Boulard. 3. Soms variant van Bollaert.

Boelanders, Bouland, Boulanders, Boulant, Boulan, Boulent, Bohland, Boland, Böhland, Bulland. Naam uit de plaatsnaam Bolland (Luik), Bolande in Reinfeld en in Scharbeuts (Sleeswijk-Holstein), Bolanden (Rijnland-Pfalz en Baden-Wurtemberg), Bolland bij Achim (Nedersaksen) of bij Wismar (Brandenburg).

Boelen, Boelens, van, Boels, Beuls, Boeles, Boele, Boils, Bools, Bollen, Bolen, Bolens, Boelema, Boelma, Boelsma, Boelen, Boele, Boels, Bulens, Boelsen, Boelings, Boeltjes, Boeltjens, Boelken: Vaders-, of moedersnaam. 1. Germaanse Bodilo/Bodila, van de voornaam Bodo, Friese voornaam Boeles. 2. Germaanse voornaam Bolo, etymologisch hetzelfde als Boel (betekenis 1) 'minnaar', Duits Buhle 'minnaar, minnares'. Zie ook (de) Boel, waarvan Boel(en) eveneens een afleiding kan zijn. 3. Boelens en Bollens werden verward.

Boelhouwer: waarschijnlijk van Duits Bullauer, plaatsnaam Bullau. Vermoedelijk is het een volksetymologische re-interpretatie van Duitse Bullauer, van de plaatsnaam Bullau (Hessen).

Boelman, Boelmans, Boilmans, Booleman, Bolleman, Beulemans, Buelman: 1. Afleiding van Middelnederlands boel: broer, zwager, geliefde, minnaar, minnares, bijzit. Vergelijk Boels. 2. Afleiding van Middelnederlands bodel: beul, gerechtsdienaar. 3. Vadersnaam. Zie Boelen(s).

Boeljes, Boeltjes: Verkleinvorm van Boel.

Boelpaep, Boelpaepe, (de) Boulpaep, Boulpijp, Boulpyp, (de) Bulpaep. Bijnaam voor een pape, priester die boelt, boeleert: een rokkenjager dus. Ten tijde van het ontstaan van familienamen was het celibaat niet echt verplicht.

Boendale, van. Plaatsnaam Boendaal in Elsene.

Boender, Boenders, Bonder: 1: Middelnederlands bo(e)nder ‘bunder (landmaat)’; zie Bunder. Beroepsbijnaam van de landmeter. 2. Afleiding van werkwoord boenen ‘schuren, boenen’. 3. In Drenthe is Bonder een afleiding van Bon(de), de dialectische vorm van de Duitse plaatsnaam Bunde (Nedersaksen).

Boendermaker: Beroepsnaam. Een bundermaker heeft niet veel zin. Misschien ‘bundelmaker’?

Boënne: Spelling voor dialectische uitspraak met scherp lange o van Boone.

Boerboom, Boereboom, Borinboim, Buerbaum: Boom waaronder de buurt, de buur(t)schap samenkomt. Duits Burbaum.

Boer, de(n) Boer, Boere, Boeren, Boeree, Buhre, Derboer, Boers, Boersen, Boertien, Boertje, Boering, Bours, Bour, Bource, Bors, Boor, Bor: 1. Beroepsnaam van de boer, landbouwer, landman. Nederduits Buhr, Duits Bauer, Engels Boor. Vergelijk Geboers, Nederduitse familienaam Niebuhr. 2. Vadersnaam op basis van de voornaam Boer(e). 3. De naamsvorm Boeré ofwel door accentverschuiving uit Boere, ofwel ontstaan uit Bourey/Bouree, een vadersnaam op basis van een franstalige vorm van de Germaanse persoonsnaam Baldred.

Boer, van den, vander Boeren: 1. Limburgse familienaam. Oostelijke variant van Middelnederlands Buur ‘huis, hok, schuur’. 2. Variant van Van den Borre. Zie bij Born.

Boeraeve, Boerave, Boerhaave, Boerhave, Boeraive. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam balt-hrabn; stoutmoedig-raaf. De vorm Boerave, van Bouderave door d-syncope; vergelijk West-Vlaams schoere, van schouder.

Boerboom, Boereboom, Borinboîm, Buerbaum. Familienaam naar de woonplaats bij de Duitse Burbaum: boom waaronder de buurt samenkomt.

Boeren, Boerens, Buren, Burens, Boeres, Borence. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Boro (= van Burchart).

Boerendans: Plaatsnaam,1725 Olden Boerendans, bij Bathmen Overijssel. Dans betekent hier ‘dorsvloer, dorsveld’, aangezien vroeger met de voeten gedorst werd.

Boerkamp, Boerenkamp, Boerkamps. Adresnaam. Plaatsnaam, 1501 Boercamp in Weerselo (Overijssel), Buirkamp in Colmschate (Deventer, Overijssel), Burkamp in Lùbbecke. Vergelijk Kamp, van de, der.

Boerewaart, Boerewaard, Boerenweirt, Boereweirt. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam bûr-ward; woning-bewaarder': 2. Veeleer reinterpretatie van de Picardische plaatsnaam Beaureward, dat is Frans Bauregard: mooi uitzicht. Zie ook Bierwart.

Boerjan, Bourjan, Borjans, Bourian, Boriane, Borianne, Borrianne, Burian, Boréan, Borean: 1. Bijnaam Boerjan. Vergelijk Duits Bauerhans, Baurian, Bauerjahn, Burhenne. 2. Soms eventueel uit de plaatsnaam Bouriannes (Cantal).

Boerlijst: Onduidelijk. Misschien verhaspeling van Bourlet, van Frans bourrelet ‘gevuld kussen’. Beroepsbijnaam van de tuig- en zadelmaker.

Boerma, Boerman, Boermans, Boerema, Burema, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, Boersema, Boersma, Boerman, Bourmann, Bourmanne, Bourmans, Boormans, mogelijk ook Burema, Buurma, Buirema en Buirma: Middelnederlands boerman ‘boer’. Vergelijk Nederduits Bu(h)rmann.

Boerop, Boerhoop: Nedersaksische plaatsnaam met dorp/drop als tweede element, vergelijk Nierop, van Niedorp. Misschien Bottrop (Noordrijn-Westfalen) of Bottorf (Nedersaksen).

Boersma: Friese afleiding van plaatsnaam Boer in Franekeradeel (Friesland).

Boerrigter, Baurichter, Burrichter, Boermeester. Een boerrichter of buurrichter is in Overijssel een vertegenwoordiger van het markebestuur in een buurschap. Indirect duidt de familienaam op bewoning van een erve genaamd Boerrigter, aantoonbaar bij een familie Boerrigter die van het erve Boerrigter, voorheen Assink, te Getelo, boven Mander (Tubbergen), afkomstig is. Verder treft men de boerderijnaam onder andere aan bij De Lutte (Losser) en bij Tusveld (Borne).

Boerssen, Boeren, Boers, vadersnaam, Boers zoon. Indien b. v. in dezelfde plaats twee mannen wonen, die beiden Jan De Boer heten, maar de een is een zoon van Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik—dan noemt de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Al gauw was het Jan Willemsz en Jan Hendriksz.

Boes, Boese, Boesen, Boessen, Boesten, Boës, Bous, Bouss, Bousse, Boussen, Boosten, Boessens: Vadersnaam. Germaanse voornaam Boso.

Boes, de: (de) Boës: 1. Zie De Boose. 2. Aanpassing van Debois. 3. Variant van De Baes. 4. Boes is Vlaamse aanpassing van Bouche.

Boeschepe, van. Plaatsnaam, Frans-Vlaanderen.

Boeseghem, van. Plaatsnaam Boezegem, Frans-Vlaanderen.

Boëseken: Vadersnaam. Verkleinvorm van de Germaanse voornaam Boso, zie Boes.

Boesewinkel: Plaatsnaam. 1381 dat huys to Bosewinkele, Goor, Overijssel.

Boesinghe, van. Plaatsnaam Boezinge, West-Vlaanderen.

Boesman, Boesmans, Bousmans, Bousman, Bousmanne: 1. Afleiding van Germaanse voornaam Boso. Zie Boes. Vergelijk Buisman. 2. Zie Boschman(s).

Boesschoten, van, Busschot, Busschots, Busschodts, Bisschot: Plaatsnaam Boeschoten in Barneveld (Gelderland) Boeschote in Daknam (Oost-Vlaanderen) of Booischot in Heist o/d Berg (Antwerpen).

Boessenkool. Bijnaam Kabuiskool; vergelijk Duits Surkol (zuurkool), Rokol. Boes, van kabûs is de Saksische vorm voor kabuis.

Boesveld, Boesveldt, Boesfeld, Boosveld. Adresnaam. Plaatsnaam bij Brummen, van boos veld?

Boeteman, Boetman, Boetmans: Afleiding van Middelnederlandse werkwoord boeten: beteren, repareren; schadeloos stellen; als boete verbeuren, verliezen. Beroepsnaam voor iemand die netten boet? Of bijnaam van een boeteling?

Boeten, Boetens. 1. Spellingvariant van Bouten(s). 2. Zie Booten.

Boeters: Boeter is een afleiding van het Middelnederlands werkwoord Boeten ‘beteren, repareren, schadeloos stellen’. Maar vermoedelijk is het een spelling van Bouters, de Germaans mansnaam balth-harja ‘moedig-leger’. Vergelijk Boeting.

Boetes: Vadersnaam. Spelling voor Bouts of Boets, van de Germaans mansnaam Bodo.

Boeting: Spelling voor Bouting, afleiding van een Germaans boud-naam. Vergelijk Boeters.

Boets, Boedts, Boet, Boete, Boët, Boëte, Boots, Boot, Boodts, Bootz, Bods, Bots: 1.Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bodo. Maar in veel gevallen ook var. van Bouts 2. Familienaam uit het Middelnederlandse boete: ton. Bijnaam of beroepsbijnaam. 3. Het Middelnederlandse boete betekent ook grove schoen. Bijnaam of beroepsbijnaam. 4. Het Middelnederlandse butse, botse betekent buil, besmettelijke ziekte: bijnaam.

Boets, de, Bots, Bods, Budts, Buts, Buedts, Bueds, Buets: De ts van Picardisch ch in bo(u)che: pestbuil, besmettelijke ziekte, buil, wonde. Middelnederlands butse, botse. Vergelijk Buyle.

Boetskens, Boetzkes: Moedersnaam. Limburgs afleiding van Bâte, Beatrijs.

Boeve, (de), Boef, (den) Boef, Boeft, Bouff, Bouve, den Boef, Bove, Beauve, Buve, Buvens: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bovo, etymologisch hetzelfde woord als Duitse Bube, Nederlands boef. De vadersnaam kon achteraf als bijnaam opgevat worden, namelijk als Middelnederlands zelfstandig naamwoord boef, boeve ‘knaap, knecht, boef’, vandaar het lidwoord.

Boever, Boevere, de, de Boevre, de Boeure, de Bouver, de Bouvere, de Bouvre, de Bouver: Beroepsnaam van de paardenknecht, oorspronkelijk de koewachter; vergelijk Frans Bovier, Bouvier.

Boevinger. Plaatsnaam Bövingen in Much, Duitsland.

Boeijan: Vermoedelijk door assimilatie uit Boerjan.

Boeijkens, Boeykens, Boeyckens, Boykens: 1. Verkleinvorm van Boei, Boy, Bode (zie op dat woord). 2. Of vadersnaam. Van Boidekin, verkleinvorm van Boudewijn.

Boeynants, van den, van den Boyenas, Boeynaems, Boeynams, Boenants, Boonants, Boonans, Bonas, Boeyenas. Naam uit de plaatsnaam Bodenhals in Mechelen.

Boezeman: Zoals Boesman, afgeleid van de Germaanse naam Boso.

Boffe, Boffé, Bof, Boff, Poffe, Poffé, Boffen, Buffe, Beuffe: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bovo, met hypocoristische verscherping v/f. Zie ook Boffin(g). Of bakervorm van een Germaanse voornaam zoals Bodefrid: Boffo. Zie ook Bouffet.

Boffenrath. Plaatsnaam in Homburg.

Boffin, Boffing, Buffin: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Bovo (zie Boffe) of van de Germaanse voornaam Boffo, Buffo, bakervorm van bijvoorbeeld Bodefrid.

Bogaard, (van den), (van den) Boogaar, van den Boogard, Boogaardt, Bogardt, Bogaart, Boogaerde, Boogaert, Bogaerd, Bogaarts, Bogaartz, Bogert, Bogers, van Bogget, van den Bogaard, Bogaart, Bogaert, Bogaerde, van Bogaert, van den Boogaard, Bogaardt, Bogaart, Bogert, Boogaart, Bogaarts, Bogaart, Bogaert, Board, Bogerd, Boogert, van den Boomgaard, Bongarth, Vandenbogaerde, Boomgaard, Boomgaerden, Boomgaerts, Bomgaert, Bomgaars, Bomgard, Bomgartz, Boongaert, Boongaards, Boongaerts, Boongart, Boongaers, Boongartz, Boongers, Bungart, Bungartz, Bungard, ungerd, Boegaert, Boegaerts…: Erg verspreide plaatsnaam Boomgaard. Dit kan dus verband houden met woonplaats, eigendom of zelfs met het beroep.

Bogen, Boegen: Beroepsnaam van de boogmaker of boogschutter. Vergelijk Boog.

Boggende, de(n), Boggende, van bokkende, boekende, bokkede, boekede, volkstalige varianten van boekweit. Beroepsbijnaam. Vandaar de varianten van de familienaam: Boggendekoeck, Boggendebouck, Boeckweijtekoeck, Boeckenekoeck. Vergelijk Duitse familienaam Bokweit.

Bogget, van: Uit van Bogaard of uit van Bocholt.

Boghe. 1. Beroepsnaam van de boogschutter of de boogmaker. Vergelijk Boog(h)mans, Boog. 2. Bijnaam, van Elleboog.

Bogte: Wellicht uit Bogget.

Bogo. Als het niet om een vreemde familienaam gaat, dan wellicht variant van Bigo, met voortonige klinkerversterking.

Bohemen, van. Böhm. Afkomstig uit Bohemen, Tsjechie.

Bohain, Bohin, Bohyn, Bohijn, Bohen, Bouhain, Behein, Behin: Plaatsnaam Bohain (Aisne).

Bohant, Bohen, Bouhend, Behan, Behen: Plaatsnaam Bohan (Namen). 1226 lueta domina de Bouhang.

Boheme, Bohem, Bohems: Bohême, Franse naam van het Tsjechische Bohemen.

Bohen, Behen: Verschrijving voor Bohain of Bohant.

Bohet, Bohez, Boheé, Bohee, Bohets, Bouhez, Bouhé, Behets, Behits, Debehets. Afleiding familienaam van het Luiks-Waals boh= bos. Dit gaat terug op het Oudfranse bosquet: bosje. Zoiets als Van den Bos dus. De familienaam is over Berg (Limburg) naar Brabant getrokken.

Boheur. Plaatsnaam Boheux in Stavelot (Verviers), afleiding (Latijn -etum) van Luiks-Waals boh: bos. Vergelijk Bohet.

Böhl, Böhle, Bohl, Bohle, Bohlen, Böhlen, Böhling, Bool: Duits Bohle. 1. Bijnaam, Middennoordduits bôl ‘broer, verwante, geliefde’. 2.Vadersnaam. Nederduitse korte vorm van de voornaam Baldwin.

Bohij: Waalse familienaam Bohy, ook Bouxhy, Boxy, waarin de xh-spelling een h weergeeft. Waals bouhy is afgeleid van Latijnse boscus ‘struik’.

Bohn, Bohn, Bohné, Bohnen, Bohnes, Böhne, Böhnen, Boehne, Böhnke, Boehnke: Duitse equivalent van Nederlands Boon, Boone(n).

Bohnefeld. Duitse plaatsnaam; bonenveld.

Bohner, Böhner: 1. Duitse beroepsnaam van de bonenplanter, -handelaar. 2. Vadersnaam= Bohnert; vergelijk Bonaert.

Böhning. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Bohn. Zie Boonen.

Bohrer, Böhrer, Bohrmann: Beroepsnaam van de boorder.

Boigelot, Boisgelot. Plaatsnaam Boisgelot in Maillen (Namen).

Boidin, Boiten, Boijdens: Vleivorm van de Germaans naam Boudewijn, waarbij de gepalataliseerde l van bold- in een i overgegaan is.

Boignet. 1. Zie Beugniet. 2. Oudfrans boignet: sikkel. Beroepsnaam.

Boisier, Boissier, Bosier, Bosiers, Bouzier, Bossier, Bossiers, Bossy, Bossi. 1. Beroepsnaam uit het Oudfranse bois(s)ier: houtbewerker. 2. Bijnaam van een bedrieger (Oudfranse boisier).

Boileau, Boislève, Boisleux, Boileux: Boit l'eau. Bijnaam voor de waterdrinker of onthouder. Vergelijk Engels Drinkwater, Duits Trinkwasser.

Boillot, Boillod. 1. Afleiding van boille, van Latijn botulus: buik. Bijnaam voor iemand met dikke buik. 2. Variant van Bouillot.

Boin, Boyne, Boinet, Boinon: 1. Vadersnaam van Bodin en afleidingen. 2. Picardisch boin = bon; vergelijk Boinerbe, Boins jours, Boins tans, Boins voisins.

Boinnard, Boisnard, Boisart: 1. Afleiding van Boin uit Bodin(us). 2. Of variant van Bonnard (vergelijk Boin 2.).

Boinville. Plaatsnaam. (Eure-et-Loir, Seine-et-Oise, Meuse).

Boirs, Boirts. Plaatsnaam Boirs, Luik, Nederlands Beurs, Waals Bwer.

Boire, Boiret, Boiron, Boireau, Boireaux: 1. Noordfranse plaatsnaam Boire: drinkplaats, wed. 2. Zuidfranse boire: buizerd; stommeling, stompzinnig mens.

Boirie. Plaatsnaam Boiry, 4 maal in Pas-de-Calais.

Bois. Franse plaatsnaam Bois; bos. Zie Dubois.

Boissacq, Boisacq. Plaatsnaam Boissac (Hte-Vienne).

Boisard, Boissard, Boissart, Boisart, Boizard, Besard, Besa), Beuzard, Beuzart: 1. Beroepsnaam. Oudfrans boisart (van bois): boswachter, vorster. 2. Oudfrans boisart: bedrieger. Bijnaam. Vergelijk Boisier.

Boisier, Boissier, Bosier, Bosiers, Bouzier, Bossiers, Bossier, Bossy, Bossi: 1. Beroepsnaam. Oudfrans bois(s)ier: houtbewerker. 2- Bijnam voor een bedrieger. Van Oudfrans boisier.

Boisschot. Plaastnaam Booischot (Antwerpen). Zie ook Van Boesschoten.

Boisselier. Afleiding van Oudfrans boistel, bocel, boisiel, Frans boisseau: korenmaat. Beroepsnaam van de korenmeter. Vergelijk Boistel.

Boistel, Boistelle, Boisteaux, Boistay, Boiteaux, Boiteau, Boittiaux, Boitiaux, Boitelle, Boitel, Boissel, Boissaux, Boisseau, Bosseaux, Bosseau, Bossaux, Bossauw, Bossouw: Oudfrans boistel, bocel, Frans boisseau: korenmaat. Vergelijk Bosteels. Beroepsnaam van de korenmeter.

Boite, Boitte, Boiten. 1. Vadersnaam, korte vorm van de voornaam Boudewijn. 2. Of uit het Franse boite: kistje (marskramerskistje).

Boitelle: Uit Boistelle. Oudfrans boistel, Frans boisseau ‘korenmaat’. Beroepsbijnaam van de korenmeter.

Boitieux, Boiteux. Bijnaam. Frans boiteux: mank, kreupel, hinkend.

Boite, Boitte, Boiten: Vadersnaam. Variant van Boide, korte vorm van de voornaam Boudewijn.

Boitout. Vadersnaam. Boitoul, variant van Boudoul. Vergelijk Botulfus.

Boivin, Bolvin, Boulvain, Boulvin. Bijnaam uit "boit-le-vin": wijndrinker.

Bok, (de (n); de Bock, de Bouck, de Bouk, Deboucq, de Nocq, (de) Buck, de Buc, de Bucq, de Bucke, Buc, Bucx, Buks, Boks, Bochs (de) Bokx, Box, Bock, Bockx, Boex, Boeckx, Boux, de Boks, de Boeks, de Bokx, (de) Buck, de Boeck: 1 Bijnaam naar de dierennaam, de bok, dialectisch buk. 2. Vadersnaam uit de oorspronkelijk Germaanse voornaam Bucco, Bocco: knuffelvorm van een burg-naam. 3. Beroepsnaam voor de slager.

Bokelaar, Bookelaar, Beukelaar: Middelnederlands bokelare, buekelare‘ beukelaar, schild met een bokel of knop’. Het kan dus een beroepsbijnaam zijn voor de maker van beukelaren. Maar een beroepsnaam voor de maker van beukels of gespen is waarschijnlijker

Böker, Böcker: Duitse familienaam, samengetrokken uit Bödecker, Bödeker, Duits Böttcher. Beroepsnaam van de kuiper.

Bokhoven, van, van Bockhoven, van Bochove, Bucquove, Verboeckhoven, Verboekhoven. Familienaam uit de plaatsnaam Boekhoef in Tielt (West-Vlaanderen), Bokhoven (Noord-Brabant) of Boekhof in Komen (Henegouwen).

Bokken, Bocken, Bockens, Boeken, Boeckens, Bucken, Buckens, Beuken, Beukens, Beuk, Beuke, Beukes), Beuckx, Beucken, Beuckens, Beukenne, Bueken, Buekens, Bueckens, Buckens, Buken, Bukens, Buck, Bucken, Bück, Bücken, Buckinx. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bucco, Bocco, een knuffelvorm van een burg-naam.

Bokkers: Afleiding van bokker van oostelijk Middelnederlands bodeker ‘kuiper’. Vergelijk Böker.

Bokkum, van, Verbokkum, van Bokkem: Plaatsnaam Bokum (Friesland, Groningen) en in Ten Bokum, Denekamp, Overijssel. Eventueel Bochum (Noordrijn-Westfalen).

Boksenbaum, Boksenbojm: Duits Buchsbaum : buksboom, bosboom. Vergelijk Bosboom, Buchsbaum.

Bokstel, van, van Bostel, (van) Boxtel, Boxsel: Plaatsnaam Boxtel (Noord-Brabant).

Bol, Bolle, Bollen, Bols: 1. Middelnederlands bolle ‘bol, bollebrood; ronde bal, hoofd’. De naam kan dus een beroepsbijnaam zijn voor een bakker, een bijnaam voor een balspeler of voor iemand met een rond hoofd. Het kan ook een huisnaam zijn. 2. Vadersnaam. Zoals Bal 1, van Baldo of een balth-naam.

Bolderdijk. Variant van Nederlandse familienaam Bilderdijk, met ronding i/o na b. Vergelijk plaatsnaam Bilderdam (Zuid-Holland).

Bolderman: Afleiding van de Germaanse voornaam Bolder, Balder.

Bolders, Bolder: Vadersnaam. Germaans naam baltha-harja ‘moedig –leger’, dat is Balder, Bolder, Bouder. Plaatsnaam (Zichen-Zussen-) Bolder (Limburg). 2. Zie Balder.

Boldingh: Vadersnaam. Afleiding van een Germaanse bald/bold-naam, zoals Boudewijn.

Bolesma, Bolsma, Bolesmona, Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bolle, Bol, Bolsius, Engels Bollington; vadersnaam; mannen van Bole, Bolle, Boele of BulleBolhuis, van, Bulthuis, Bolland. Adresnaam. Borg in Groningen. Plaatsnaam Bolland met rivier van die naam in Belgische gemeente Herve.

Bolier: Bijnaam. Oudfrans bolier ‘bedrieger’.

Bolinne, Bolline, Bolinne. Plaatsnaam Bolinne, Namen.

Bolink, Bolk, Bolijn: Zoals Bollinckx afgeleid van een Germaans bald/bold-naam.

Bolk, Bolcke: Plaatsnaam Bolk, Blok: omheind land. Vergelijk Bulcke, Bolckmans.

Boll, Boell, Poil, Poil, Poell: Duitse familienaam met meerdere mogelijkheden. 1. Plaatsnaam Boll: ronde heuvel. 2. Plaatsnaam Poil: poel. 3. Vadersnaam. Germaanse voornaam Boldwin.

Bolkenbaas: Samenstelling met Middelnederlands bolc ‘soort schelvis’. Wellicht beroepsnaam van een visser of vishandelaar.

Bollaert, Bollaerts, Bollaert, Bollard, Bollars, Bollert, Bolaert, Bolaers, Bolars, Bolhaar. 1. Beroepsnaam van de gerechtsbode, gerechtsdienaar of beul. 2. Bijnaam voor een opschepper, een windbuil. 3. Afleiding van Bolle. Zie daar. 4. Vadersnaam uit Boudewijn.

Bollée: Vernederlandste spelling van de Franse naam Bollet, Boulet, verkleinvorm van Frans boule ‘bal, bol’, ook ‘bolvormig brood’; vergelijk Bol.

Bolleire. 1. Bijnaam uit het Franse boule: voor een balspeler. 2. Beroepsnaam van de gerechtsbode, beul. 3. Vadersnaam uit bol-hard.

Bolle, Bolen, Bolens, Bol, Bols, de Bol, de Bolle, de Bollen. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse bolle: brood, bal, hoofd. Beroepsbijnaam van de bakker of bijnaam van een balspeler of voor iemand met een rond hoofd. 2. Kan ook ontstaan staan uit een huisnaam.3. Vadersnaam uit een bald-naam.

Bollekens. Afleiding van Bolle, met zelfde betekenissen; ook huisnaam. Zie ook Bullekens.

Bolleman, Bolman: Vadersnaam. Afleiding van een Germaans bold-naam? Of Boelman, afleiding van Middelnederlands boel‘ broer, zwager, geliefde, minnaar, minnares, bijzit’.

Bollen, Bollens. 1. Verbogen vorm van Bolle. 2. Uit Bollin(s), vleivorm van Germaanse bald-naam. 3. Zie ook Balle(n). 4. Zie Boelen(s)

Bollenberghe, Bollenberg, van Bolberghe: 1. Plaatsnaam Bollenberg; bolle berg, in Lubbeek (Vlaams-Brabant) en Borgloon (Limburg). 2. Zie Van Baelenberghe, Boulemberg.

Bollendonk. Waarschijnlijk reïnterpretatie (r/l-wisseling) van plaatsnaam Borndonk in Paal (Limburg) en Beringen (Limburg).

Bollinck, Bolling, Bollingh. 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam (Bald-, Bol-). Zie Ballen, Bolen. 2. Eventueel variant van Ballinckx.

Bollu, Bollue, Bollut, Bolue, Boulu: Plaatsnaam Berkenbos? Of afleiding van bol: klei(aarde).

Bolluijt, Boluijt: Door assimilatie rl/ll uit Borluit, Middelnederlands Borluut. Middelnederlands borlen, burlen ‘brullen’ + luut‘luid’. Bijnaam voor een lawaaimaker, schreeuwer.

Bolmer, Bolmers: Vadersnaam. Germaans naam balth-mêr ‘moedig-beroemd’: Baldemarus.

Bomont. Plaatsnaam in Remilly (Ard.) en oude vorm van Beaumont-en-Beine, Bosmont (Aisne), Bourmont (Hte-Marne).

Bologna, Bolognese, Bolognesi: Italiaanse plaatsnaam Bologna. Bologne: Frans vorm van Bologna. 2. Plaatsnaam in Habay-la-Neuve, Haillot (Namen). 1289 Henris de Boloigne, Namen. 3. Zie Boulogne.

Bolomeij: Variant van Bolomé, van Boulonnais, afkomstig van Boulogne-sur-Mer (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen), Nederlands Bonen.

Bolsaie, Bolsée, Bolsee, Bolsez, Bolzaie, Bolzee: Plaatsnaam Boisée in Ans (Luik). Luik.

Bolsenbroek. Ook familienaam Polse(n)broek. Wellicht plaatsnaam Polsbroek (Utrecht): 1155 Pulsebroch.

Bolsens, Bolssens: Vadersnaam. Vleivorm op –sin, -sen van een Germaans bald-naam.

Bolster, de. 1. Middelnederlands bolster: kaf. Vergelijk Caf. 2. Middelnederlands bolster: bulster, strozak. Vergelijk Duits Kaffsack. Bijnaam voor een karakterloos mens, zonder fut.

Bolt, Bolte, Bolten, Boldt, Boltz, Bolz, Bölting, Boltje, Boltjes. Vadersnaam, verkorte vorm en/of knuffelvorm van een bald-naam.

Bolus, Bolhuis, van Boles: Plaatsnaam Bolhuis in Schaffen (Vlaams-Brabant).

Bom (de): Middelnederlands bomme ‘vat, ton’. Beroepsbijnaam van de kuiper of bijnaam naar een fysieke eigenschap.

Bomal, Bomhals, Baumal, Boumal, Bemal, Bémol: Plaatsnaam Bomal (Waals-Brabant) en in Namen.

Boman, Bomans, Boeman, Boemans, Boomans, Boymans, Boymann, Boiman, Boeymans. 1. Uit 'bodeman' (komt uit bode) : beroepsnaam. 2. Variant van Bouman (zie daar).

Bombart, Bombaert, Bombaerts, Bombaers, Bomba: Midden Frans bombarde, Middelnederlands bombaerde: werptuig, slingertuig, soort kanon. Beroepsnaam.

Bombay, Bombaye, Bombey. Naam uit de Luikse plaatsnaam Bombaye (Bombeek, Bolbeek in het Nederlands).

Bombeke, Bombeeck, Bombeek, Bombeeke, Bombeck, Bombecke, Boembecke, Boembeke. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Boembeke, Volkegem, Michelbeke (Oost-Vlaanderen). 2. Uit de plaats Bolbeek, Bolbeeck (Bombaye in het Frans) (Luik). 3. Variant van Bambeke. Zie daar.

Bombelijn, Bommeleijn, Bommelijn, Bomelijn: Met epenthetische nasaal m, van Bobelijn, Oudfrans Bobelin ‘dom, simpel, verwaand, hoogmoedig’. Bommelijn door assimilatie mb van m.

Bomberghen, van, Bomberg: 1. Plaatsnaam Bamberg (Beieren). Vergelijk Bambergen. 2. Plaatsnaam Boomberg, bijvoorbeeld in Merksplas (Antwerpen).

Bomberna, Bomberen: Frans Bon Bernard: goede Bernhard. Vergelijk Boncolas, Bondrieux: goede Andréas, Bonestève, Bonjean.

Bomblé, Bombled, Bomblet, Bombez, Bonbled, Bonblet: 1. Franse beroepsnaam Bon blé: goed koren. Vergelijk Bongrain, Duits Gutkorn. 2. Variant van familienaam Bob(e)let, met zelfde betekenis als Bobelin. Zoals Bombelijn met epenthetische nasaal.

Bomboir, Bomboire,, Bombo, Bomboi. Plaatsnaam, Bombois in Ebly: banbois, dat is banbos. Vergelijk Bambust.

Bomer, Boomer: Afleiding van Middelnederlands bomen. Beroepsnaam van de slagboomwachter of van de man die opboomt, die de ketting op de kettingboom windt, die garen op de weversboom brengt.

Bomeree, Bomeré, Bommere, Bomere, Bommeré, Bommerez, (de) Bommarez. Naam uit de plaatsnaam Bomerée in Montigny-le-Tilleul (Henegouwen).

Bommel (van). Familienaam uit de plaatsnaam Bommel (Zuid-Holland), Maasbommel of Zaltbommel (Gelderland).

Bömer, Bömers: Variant van Duits Böhme, met –er-uitgang, zoals in Nederlands Bohemer.

Bomersomme, Bomerson: Plaatsnaam Bommershoven (Limburg).

Bomert. Zoals Duits Baumert. 1. Boomgaard, vergelijk Bonaertz. 2. Variant van Boomer.

Bomhof, Bomhoff. Adresnaam. Plaats in Hengevelde.

Bommel, van: Plaatsnaam Bommel, Maasbommel of Zaltbommel (Gelderland, Zuid-Holland).

Bommelaer, Bommelaere. Afkomstig van Bommel.

Bommelé, Bommele, Bommeljé: Door assimilatie mb van mm (vergelijk Bommelijn) uit Bomblé. Beroepsbijnaam Frans bon blé ‘goed koren’. Vergelijk familienaam Bongrain, Duits Gutkorn.

Bommenee: Plaatsnaam Bommenede op Schouwen (Zeeland).

Bomon, Bomont, Bornons: 1. Spelling voor Beaumont. 2. Variant van Boumont.

Bompar, Bompard. Variant van Bonpar, Latijn bonus par; goede gezel.

Bompas. Plaatsnaam (Ariège, Pyr.-Or.).

Bon, (vanden), van (de) Bon, van den Bon, van den Bonne. Familienaam uit de de plaatsnaam Bon/Ban rechtsgebied, beschermd gebied, beschermde plaats. Er zijn plaatsen als Ban(m)beke, Ban(m)brugge. Zie ook Boom (sommige zijn wellicht hieruit afgeleid). Of van Frans, Lebon ‘de goede’.

Bonier, Bonnier, Bonni, Bonnie, Bonny, Bony, Bonnij, Bouny, Bonjé: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de voornaam Bonarius. Zie Bonnaerens. 2. Oudfrans bonier, van Latijn bonarium: bunder (landmaat). Vergelijk Van den Bunder.

Bonabot. Frans familienaam Bonabeau, van Bon Abel; goede Abel.

Bonaert, Bonaerts, Bonaers, Boonaard, Boonaerts, Boonaert, Bona, Bonar, Bonnard, Bonnast, Bonnert. 1. Vadersnaam uit het Latijnse bonus (goed) en het Germaanse hard (sterk). 2.Via 'boongaard' soms ook een variant van Bogart (zie daar).

Bonamie, Bonami, Bonamis, Bonamy, Bonnamie, Bounaimi: Bijnaam. Frans bon ami ‘goede vriend’. Vergelijk familienaam Goedvriend, Gutfreund.

Bonald, Bonnal: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bonaldus.

Bonami, Bonamis, Bonamy, Bonamie, Bonnami, Bounaimi: Frans bon ami: goede vriend. Vergelijk Goedvriend(t).

Bonardel, Bonnardeaux. Afleiding van Bonard.

Bonaugure. Bijnaam uit het Franse bon + augure: goed voorteken. Bijnaam voor iemand die deze naam om één of andere reden verdiende.

Bonaventure, Bonnaventure: Oudfrans bonaventure, bonne aventure: gelukkige geburtenis. Vergelijk Goetgeluck.

Bonchoux. Plaatsnaam Bonijoux, Waals bonëchou in Boneffe.

Boncourt, Boncourre: 1. Plaatsnaam Boncourt (Aisne, Eure, Meuse, Eure-et-Loir, Meurthe-et-Mos.). 2. Variant van Beaucourt, met epenthetische nasaal.

Bondele, Bondelé: 1. Middelnederlands bondel: bundel, bos. Beroepsnaam, wellicht voor de houthakker. 2. Zie Baudet.

Bondroit, Brondoit: Bijnaam Bon droit: goed recht. Vergelijk Duits Gutrecht.

Bondue, Bondu, Bondue, Bonduwe, Bonduelle, Bonduel, Bonduau, Bondueaux, Bondeweel, Bondewel, Bonduwel, Bonduwelle, Bantuelle, Boudeweel: Oudfrans bondu, van bonde: bol, bal, stop (van een vat). Bijnaam voor een dik, kort, lijvig persoon.

Bondewel, Bonnewel: Variant van de familienaam Bonduwel, Bonduel, verkleinvorm van Oudfrans bijvoeglijk naamwoord, bondu, van bonde ‘bol, bal, stop (van een vat)’. Bijnaam voor een kort, dik, lijvig persoon.

Bonef, Bonif: Plaatsnaam Boneffe (Namen).

Bonebakker: Ongetwijfeld een volks etymologische verhaspeling van Boonacker, of van Duits Bohnenberger.

Bonehill. Plaatsnaam in Stafford, Engeland.

Bonenfant, Bonnenfant: Bijnaam. Franse equivalent van Goekint.

Boneschansker: Afkomstig van Booneschans (Groningen).

Bonet, Boné, Bonnet, Bontgens, Bontjes, Bonné, Bonnez, Bonnes, Bonnett, Boonnet, Boonet, Debonnet, Debonné, Debonnez, Dubonnet, Desbonnets, Desbonnet, Desbonnez: Vadersnaam. 1. Afleiding van Germaanse voornaam Bono, Bona. Zie Boonen. 2. Romaanse afleiding op -onet van een berht-naam, bijvoorbeeld van Libonet, Lambonet. Bonfils: Bon fils: goede zoon, goed kind. Vergelijk Bonenfant.

Bonfond, Bonnefond, Bonnefont, Bonafont, Bonafons: Plaatsnaam Bonfond in Jupille (Luik). Font: bron, fontein. Wellicht van Beaufont: mooie bron; vergelijk Bellefond, Bellefontaine, Duits Schönborn, Schönbrunn. Voor de epenthetische n, vergelijk Bonkain, Bonnejonne.

Bonfrère. Frans Bon frère: goede broer. Of variant van Beaufrère, met epenthetische n.

Bongaars, Bongers, Bongaerts, Bongaarts, Bongard, Bongartz: Afleiding van Boomgaard, met variant Boongaard.

Bongenaar: Middelnederlands bongenaer ‘trommelaar’.

Bongiovanni. Italiaanse bijnaam; goede Jan. Vergelijk Bonjean.

Bongrain. Franse beroepsnaam Bon grain; goed graan.

Bonheure, Bonheur, Bonneure, Bounhoure, Bonhoure, Bonnaure, Bonneu, Bonneux, Bonnu, Bonu, Bizeuz, Beneu, Beneux, Bonné: Frans bonheur ‘geluk’, van bon ‘goed’ + heur‘ lot, kans, geluk’. Oudfrans van Latijnse augurium. Bonheur(e) is synoniem met Bonaugure, Goedgelu(c)k, Gutglück. Bijnaam.

Bonhof: Plaatsnaam Bonhof (Noordrijn-Westfalen, Beieren) of Bonnhof (Beieren). Afkomstig van Bonhof is Dietrich Bonhoeffer, de Duitse theoloog.

Bonhomme, de Bonhome, Bonnehomme, Bonomme, Bonhemme, Bonemme, Boneme, Boinem: Bijnaam Frans Bon homme: goede man, goed mens. Vergelijk Goemans.

Boniface, Bonifacio, Bonifazia, Bonifaz, Bonniface, Bonifas, Boonefaes, Bonefaes, Benofas, Bonefaas, Boonevaas: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Bonifatius. Faasse van Faas, van Bonifatius met de geslachten Fasinga, Fazinge en Faasma, en als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faesen, Fase en zelfs Vase..

Bonin, Boning, Bonnin, Bonnyns, Bonnijns, Boningue, Bonningue, Bonningre, Boontje, Boning (in Engeland), Boninga (in Groningerland), Böning (in Duitsland), Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verkleinvorm, zijn van de oud Germaanse vorm Bono, Bone afgeleid. En evenzo de plaatsnamen Boninghall, in Salopshire, Engelland; Boningue, zoals een dorp heet in Artesie (Frankrijk); Boneburg, een gehucht bij Greetsyl in Oost-Friesland.

Böning, Bonink: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Bono.

Boninghe, Boninge, van de, Boningue, (de) Bonningue, Bonningues, Bonningre: Plaatsnaam Bonningues-lès-Ardres of Bonningues-lez-Calais (Pas-de-Calais).

Bonivert, Boniver, Boniverd, Bonivers, Bonhivert, Bonhiver, Bonhiver, Bonhyver, Bonnivert, Bonnivers, Bonniver, Bonnivair, Bonnevier: Vadersnaam Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bonibert, Bonivertus.

Bonjean, Bonnejonne: Bonjean: Goede Jan. Soms van Beaujean (variant Beljonne), vergelijk Bonkain.

Bonjour, Bongiorno: Frans, respectievelijk Italiaans groetformule: goedendag. Bijnaam voor een vriendelijk mens. Vergelijk Duits Gutenmorgen, Gutentag, Eengels Good(en)day.

Bonkain. Picardisch Beaukain: mooie hond, met n-epenthesis (vergelijk Moncaré, Monbaliu). Bijnaam. Vergelijk familienaam Boquien.

Bonlarron, Bonlaron. Bijnaam, goede moordenaar? Of reïnterpretatie?

Bonmariage. Bijnaam voor iemand die in de echt gelukkig is.

Bonnaerens, Bonnarens, Bonnarens. Anthrop. Germaans Bonarius, Boneris.

Bonnameaux, Bonnameaux, Bonameau, Bounameaux, Bounameau: Afleiding van Waals bouname: Frans bonhomme. De familienaam Bonave komt voor in Cantal. Plaatsnaam Bonnaves in Saint-Projet-de-Salers (Cantal) Bounameau Bergen.

Bonne, Bonnes, Bons: 1. Middelnederlands bonne ‘stop op een vat, deuvel’. Beroepsbijnaam voor de brouwer, tonnelier, 2. Vaders-, moedersnaam uit oude voornaam Bono/Bona.

Bonnecandeille. Picardisch Bonne candelle; goede kaars. Beroepsnaam.

Bonnechère, Bonchère, Bonecher, Boncher, Boncire, Bonnesire, Bonsire, Bonsire: Oudfrans bonne chière: goed gezicht, gelaat, figuur; goed onthaal. Bijnaam voor een vriendelijk, goed geluimd persoon.

Bonnecompagnie. Bijnaam voor een goede gezel, iemand die prettig is in het gezelschap.

Bonnefous. Plaatsnaam Bonne Fous? Fous: uitholling, inzinking, kloof. Meer waarschijnlijk van Bonnefoy.

Bonnefoy, Bonnefois, Bonifay, Bonnaffé, Bonnafy, Bonafé, Bonafede, Bonafe: Bijnaam Bon + Oudfrans fei, foi: geloof, trouw, vertrouwen. Bijnaam voor iemand die te vertrouwen is of die goedgelovig is.

Bonnel, Bonnelle, Bonneels, Bonneel, Banneel, Bonneaux, Bonneau, Bonneaud, Bonnaud, Bonnay: Afleiding van Frans bon: goed.

Bonnelance. Bonne lance: goede speer, lans. Beroepsnaam van de wapensmid.

Bonnema, Bonneman. 1. Aflleiding van plaatsnaam Bonn. 2. Of veeleer variant van Bohnemann; zie Boonman.

Bonnema, Bonne, Bons, Bon, Boons, Bonsen, Bonné, Bonema, Bonninga. Friese adresnaam. Vadersnaam, van Bonne; gebieder, of van een persoon als Bonika; kleine strijder die kan doden.

Bonnemayers. Duitse bijnaam Bohnenmeier; boer die bonen plant.

Bonnemains. Bijnaam Bonne main: goede hand. Voor een handig man? Vergelijk Engels Goodhand.

Bonnemaison. Plaatsnaam. Vergelijk Goedhuys.

Bonnenge, Bonnenga. Waarschijnlijk verfranste vorm van Boninge of van Friese naam Bonne.

Bonner. Afkomstig van Bonn.

Bonnet: Vadersnaam. Romaanse verkleinvorm op –et van Germaanse voornaam Bono of verkleinvorm op –onet van een berht-naam, bijvoorbeeld Libonet, Lambonet.

Bonneval, Bonnevalle, Bonnavaud: Plaatsnaam Bon(ne) Val(le): goed dal, goede vallei. Bonneval (Eure-et-Loir, Hte-Loire..), Bonnevaux (Loir-et-Cher..), Bonneveau (Loir-et-Cher).

Bonnevie, Bonvie: Bijnaam voor een levenslustige. Vergelijk Goedleven, Blylevens.

Bonneville. Plaatsnaam (Namen) en in Frankrijk (onder meer Somme).

Bonnewijn, Bonnewyne, Bonnewyn, Bonneweyn, Bennewyn. Familienaam met onduidelijk afkomst. Mogelijk een variant van Bonnevie (bijnaam voor een levensgenieter).

Bonnewit. Familienaam Bonewit. Combinatie van voornaam Bone en Witte.

Bonninghausen: Plaatsnaam Bönninghausen (Noordrijn-Westfalen).

Bonnier, Bonier, Bonni, Bonnie, Bonny, Bony, Bonnij, Bouny, Bonjé. 1. Vadersnaam uit de Romaanse vorm van de voornaam Bonarius. 2. Naam uit het Oudfranse bonier (het Latijnse bonarium): landmaat bunder. Naar woonplaats.

Bonno: Vernederlandste spelling van de Franse familienaam Bonneau, Bonnaud, van Bonnel, verkleinvorm van Frans bon‘goed’.

Bonny, Bonnink, Bonninga in Friesland, Bonning in Engeland, Borry en Bornia = Borringa in Friesland.

Bonomo, Bonomi, Buonomo. Italiaanse bijnaam Uomo buona; goed mens.

Bonpain. Bijnaam Bon pain; goed brood.

Bonquet, Boncquet: Variant van Bocquet, met n-epenthesis.

Bonroy, Bonrooy, Boonroy, Boorroy. Plaatsnaam, uit Oost-Brabant, uit Boonrode: gerooid bonenveld.

Bonsacque. Beroepsnaam Bon sacquet: goed zakje, tasje.

Bonsecour. Plaatsnaam Bon-Secours in Blaton (Henegouwen), Corbais (Waals-Brabant), Péruwelz (Henegouwen), Zittert-Lummen (Waals-Brabant).

Bonsel, Bonsels. Duitse bijnaam Bünzel, Bonzel, Bonsel: geijkt wijnvat, afleiding van Bunze. Bijnaam voor een kleine dikkerd.

Bonsema, Bonsma: Friese afleiding van plaatsnaam Bonsum, Bansum, gehucht bij Bierum, Bansema- heerd. (Groningen).

Bonsen. Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Bone.

Bonsir, Bonsire, Boncire, Bonnesire, Bonesire: 1. Bijnaam Bon Sire: goede heer. 2. Eventueel variant van Bon(ne)chère.

Bont, van, van Bonté, van Bondt, Verbond, Verbon, Verbunt: Plaatsnaam Bent, Bunt: bentgras, hard gras. Plaatsnaam Beunt bij Lier; Bunt in Aalter en Bellem (Oost-Vlaanderen).

Bonté, Bonte, de Bont, Bontje, de Bond, de Bondt: 1. Bijnaam naar de bonte, veelkleurige kleding. 2. Oorspronkelijk wellicht een vadersnaam. Zie Bonten(s).

Bontenbal: Huisnaam?

Bonten, Bontens, Boenten, Bunten, Bünten, Bontein, Bonteins, Bontinckx, Bontinck, Bonting, Bontingh, Bontijnck, Buntinck, Buntinckx, Buntincx, Buntinc, Bunting, 2. Bonte, Bont, Bond, de, de Bonte, de Bondt, de Bond. 1. Vadersnaam van de oude Germaanse voornaam Bont, Bonte, Bontko. Of uit de heiligennaam Bonitus. Die uit het Latijnse bonus: de goede. 2. Bijnaam naar veelkleurige bonte kleding. Ook mogelijk dezelfde vadersnaam als boven.

Bontekoe. Bijnaam naar het uithangbord. In de 16de eeuw was Antonis W. Bontekoe zeepzieder in de 'Bonte Koe' in Amsterdam.

Bontemps, Bontems, Bontant: Bon temps: goede tijd, goed weer. Bijnaam voor iemand die vrolijk, levenslustig is. Vergelijk Engels Fairweather.

Bontenakel. Plaatsnaam Beutenaken, Bontenaken, in Overijse en Asse (Vlaams-Brabant), oorspronkelijk eigendom van de heren van Montenaken (Limburg). Let op de wisseling van de bilabialen m/b.

Bontenbal. Waalse verhaspeling? Vergelijk 1273 Jehan Bontebar.

Bontet, Bonté, Bontez: 1. Afleiding van Germaanse voornaam Bont; vergelijk Bonten(s). 2. Uit Bonnetet, van Bonet; vergelijk Frans Bonnetot.

Bonthuys. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Bontius.

Bontinck, Bontinckx, Bontingh, Bonting, Bontijnck, Buntinckx, Buntinck, Buntincx, Buntinx, Bunting: Vadersnaam. Afleiding van oude Germaanse voornaam Bont; zie Bonten(s).

Bontius. 1. Latinisering van Bont. 2. Zie Bontjes.

Bontjes, Bontyes, Bontgens, Bontgès, Bontius, Bontkes: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Bont. Vergelijk Büntgens. Zie Bonten(s), Bontinckx.

Bontooge. Bijnaam voor iemand met zwakke ogen. Middelnederlands namelijk bont: zwak, schemerig. Misschien ook wel veelkleurig.

Bontribert. Waals, verhaspeling van Bontridder.

Bontridder (de), de Bonteridder, de Brontridder, Bondridder, Bondrider, Bontridert. Naam uit het Middelnederlandse bont: pelswerk. Bont was een teken van adellijke geboorte of ridderschap. Bijnaam voor een ridder die bont draagt als teken van zijn waardigheid.

Bonus. Latinisering van De Goede, Lebon of Boone. Of spelling voor Bonu?

Bonvalet, Bonvalot, Bonvarle, Bonvarlet, Bonvarlé, Bonvarlez: 1. Bijnaam te vergelijken met Goedgebeur: goede kerel, goede vent. Vergelijk ook Vallet = Varlet en Beauvallet. 2. Bonvarlet kan trouwens een variant zijn van Beauvarlet, met n-epenthesis. Henricus Beauvarlet (Rijsel 1565) heet in zijn overlijdensacte (Veurne 1623) Bonverlé; andere varianten zijn Bonva(r)let, Bonvarlé.

Bonvin. Bijnaam voor een drinker van goede wijn.

Bonvoisin, de Bonvoisin: Bijnaam voor een goede buur. Vergelijk Goetgebeur.

Boo, de: Zoals West-Vlaamse de Bo, door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit de Bode. Beroepsnaam van de stadsbode, gezant.

Boog, van der: Door assimilatie uit van der Borg.

Boog, Booghs, Boogh, Boghe: Beroepsnaam van de boogmaker of boogschutter. Zie Boog(h)mans.

Boogmans, Booghmans, Boogemans, Boghemans, Bogemans, Bögemann, Boghmans, Boochmans, Boeghemans, Boegemans, Buegman, Bochman, Bogman, Bogmans, Boogerman: Beroepsnaam van de bogenmaker of boogschutter.

Booiman, Boymans, Boymann, Boeymans, Boiman : 1. Vadersnaam. Afleiding van Boid = Boudewijn. 2. Variant van Bomans.

Boom, de, Booms, Boome: Bijnaam naar de grote, flinke gestalte. Of verkort uit van den Boom.

Boom, van den/der, Verboom, Verboon, van (den), van den Boome, van den Boomen, van den Bum, van (der) Bom, Verbomme, van (der) Boon, van (de) Bon, van der Bonne, van der Bon: Plaatsnaam of huisnaam (de) Ten Boom of Boom op diverse plaatsen in Vlaanderen. Zie ook Bon.

Boomaars, Boomaerts, Bomaes: Afleiding van Middelnederlands bo(o)men. Zie (de) Boomer. Ook beroepsnaam van de boomzager.

Booman, Boomman: 1. Boman, van Bodeman, afleiding van de Bo(de). 2. Boomman, afleiding van den Boom.

Boomer, de, Boomers, Bomers, Bommers, Bomere: 1. Beroepsnaam van de slagboomwachter, de man die de (sluit)boom open- en dichtdoet. Vergelijk Duits Bo(o)mer, Bäumer; Baumer: die aan een slagboom woont, tolinner. 2. Beroepsnaam van de man die de ketting op de kettingboom windt, die opboomt; van Middelnederlands bo(o)men: garen op de weversboom brengen.

Boomputte. De stamvader is de vondeling Petrus Boomputte (1712-86), die in Munte tussen de wortels van een boom gevonden werd.

Boomsluiter: Beroepsnaam van de bediener, sluiter van de slagboom.

Boomsma: Friese afleiding van van den Boom? Of volksetymologisch van Boonsma, Bons(e)ma.

Boomstyger. Bijnaam voor iemand die in de bomen klautert. Duits Baumsteiger.

Boon, (de), Boone, Boonen, Bonen, Boons, Boen, Boens, Bone, Boene, Boënne: 1. Verwijzing naar het volksvoedsel bij uitstek 'bonen': mogelijk afgeleid van een beroepsnaam die ernaar verwijst, kweker, planter, of misschien wel gebruikt als misprijzende naam voor iemand die dan maar vergeleken werd met de geringe waarde van een boon. Mogelijk is er zelfs een verbinding met de vroegere manier van stemmen door middel van een boon. 2. Vadersnaam, afgeleid van Bonifacius of van Bono (Germaanse vooornaam). Ook wel Boon, van Boudin, vleivorm van Boudewijn. 3. Beroepsnaam voor een bonenplanter, -teler of -dorser.

Boonen, Bonen: 1. Vadersnaam. Middelnederlands vleivorm Bonin of afleiding van Germaanse voornaam Bono. 2. Zie Boon.

Boonacker. Verspreide plaatsnaam; bonenveld. Ook Duits Bohnacker.

Boonchan. Thaise familienaam.

Boonekamp, Bomekamp: Plaatsnaam Bonekamp (Limburg): bonenveld.

Boonkens, Bonneke, Boontje: Afleiding van Boon. Zie Boon, Boonen.

Boonman: Beroepsnaam van de bonenplanter. Eventueel reinterpretatie van Bo(h)nemann; die op een hoogte woont. Afleiding van Middennoordduits bone, Duits Buhne; hoogte.

Boonmee. Indische en Thaise naam.

Boonstoppel. Naam die verwijst naar een plaatsnaam, Boonstoppel: stoppelveld van een bonenakker. Dit onder andere in Oedelem, Torhout, Zande en Zevekote (West-Vlaanderen).

Booresack. Borsack is een fréquente familienaam in Posen-Pommeren. Wellicht afleiding van de voornaam Boris, van Borislaw. Vergelijk Borisyak (Oekraïne).

Boonstra, Boomstra: Uit Boornstra, in Friese spelling Boarnstra, afgeleid van de Boarn, uitgesproken boan, boon, rivier in Opsterland en Utingeradeel. De betekenis is ‘born, wel, bron’. Of afleiding van plaatsnaam Oosterboorn of Oldeboorn, Fries Boarn. Het nageslacht van 1739 Tomas Tettes uit Oldeboorn heet Boonstra.

Boorsma: Friese afleiding van Boor, van der, Boer, Bor. Duits Bohr.

Boose, de, (de) Boos, de Booze, Booz, de Boes, de Boës: Middelnederlands bose: boos, slecht, dom, onnozel. Bijnaam naar het karakter.

Booser, Boosere, de, de Booseré, de Boozeré: 1. Bijnaam voor een kegelaar. Middelnederlands bosen, boossen: kegelen. Vergelijk De Kegel, de Kegelaire. 2. De Boosere kan uit De Booseré (met secundair accent) worden verklaard, maar gaat waarschijnlijk terug op Boseret.

Boosten, Boost: Uit Beoosten, voor wie ten oosten woont. Vergelijk Bezuyen.

Boot, (de(n), de Boodt, Boods, Boodts, de Boedt, (de) Boet, Boodts, Bootz, Boot, Boots, Bods, Boedts, Boeds, Boets. Onduidelijk bijnaam. 1. Uit het Middelnederlandse boot: boot. 2. Uit het Middelnederlandse boot: ton. 3. Uit het Middelnederlandse bo(o)t: botdrager (muntnaam). 4. Zie Boets.

 Booten, Boeten, Boetens: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Bodo, met verscherping d/t. 2. Variant van Bouten(s).

Bootsgezel, Bootsman, Boosman: Beroepsnaam van de bootsgezel, matroos.

Bootsma: Bootsema, afgeleid van de gehuchtnaam Boazum in Hartwerd (Friesland).

Booz, Boz: 1. Zie De Boose. 2. Plaatsnaam Booze in Trembleur (Luik)? 

Borbely, Borbély: Hongaarse familienaam Borbély, van Latijn barbarius: barbier, baardscheerder.

Borboux. 1. Zie Barboux. 2. Plaatsnaam Borboux in Thimister (Luik).

Borch, Borgh, Borghs, Borgs, Beurghs, Burg: 1. Korte vorm voor Van der Borch; zie Van der Borgt. 2. Vadersnaam. Korte vorm van een burg-naam: Burgo.

Borchers: De naam kan als vadersnaam worden verklaard, als afleiding van Borchert, de Germaans mansnaam Burghard. Maar vermoedelijk is het een spellingvariant van Borgers.

Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf.

Borchmans, Borghmans, Borgman, Borgmans, Borckmans, Borgermans, Burgman, Burgmans, Burgerman. Naam afgeleid van Van der Borch. Zie bij Borg(t) (van der).

Bordeau, Bordeaux, Bordau, Bordo, Bordat, Bordât, Bordâs, Bordas, Bourdeaux, Bourdeau, Bourdau, Bourdaux, Bourdiau, Bourdiaux, Bourda, Dubourdeau, Burdo, Burdot. Familienaam uit het Oudfranse borde(l): houten gebouwtje, houten huisje, hoeve. Heel wat plaatsen in België en Frankrijk danken hieruit hun ontstaan.

Bordeman, Boerdeman, Boortman: Hypercorrecte vormen van Borreman, met dissimilatie rr/rd.

Borderie, Borderé: Plaatsnaam Borderie, afleiding van borde: houten huis, hoevetje.

Bordessoule, Bordessol: Plaatsnaam Borde Soûle: borde seule, alleenstaande houten woning.

Bordesvieilles. Plaatsnaam Bordevieille. (Hérault): oud huis.

Bordet, Bordes, Bourdet, Bourdes, Burdette, Burdet: Afleiding van Oudfrans borde (van Nederlands bord/berd: plank): houten huisje. Vergelijk Bordier, Bordeaux.

Bordewin. Waarschijnlijk Waalse verhaspeling van Boudewijn.

Bordier, Bourdier, Bordy, Bordi, Bourdy: Afleiding van borde (vergelijk Bordet). Bewoner van een houten landhuisje.

Bordin, Bourdain, Bordeyne, Bordignon, Bourdin, Bourdinon, Bourdignon, Bourdillon. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Burdinus (deze naam kwam ca. 1000 reeds in Cluny voor). 2. Mogelijk ook afgeleid van het Oudfranse borde: zie Bordeau(x).

Bordinckx. Vadersnaam. Zie Bordin 1.

Bordui: Misschien door verlies van een syllabe uit de familienaam Bordeaud’hui, de plaatsnaam Bourdeaud’hui in Anvaing (Henegouwen). Of spelling voor Bordi, van Bordier, bewoner van een borde ‘houten huisje’.

Borduin: Variant van Bordewin, wellicht met r- invoeging uit Boudewijn.

Boreham. Plaatsnaam Boreham, Essex.

Borek, Boreque: 1. Frequente Oostduitse plaatsnaam Bor(r)ek van Slavisch bor: spar(renbos). Vergelijk Bork. 2. Vadersnaam van de voornaam Boroslaw.

Boret, Borez, Boré, Boree, Borret, Borré, Borree, Borrey, Borrye, Borreij, Bauret, Beuret, Beurey. 1. Vadersnaam, verkorte vormen van Lamboret of Liboret. Deze zijn dan weer afgeleid van Lambert of Libert. 2. Mogelijk ook uit het Franse bouret; kuipje, tobbe. Beroepsnaam van de kuiper. 3. Eventueel variant van Bouré.

Boreux, Boreur, Borreux. Plaatsnaam Boreux in Bertrix en Mazée.

Borg, Borgt, (van der/den); van de(r) Borgh, van der Borch, van der Borcht, van de(r) Borght, van der Borcht, van der Borght, van den Borgt, Verbocht, Voorbogt, van den/r Borck, van der Borst, van (de) Burg, van den/der Burg, van (der) Burgh, van (de(r) Burg, van der Burght, van der Burgt, Verburght, Verburgt, Verbeurgt, Verbeurght, Verbeurt, (van der) Borgt, van der Borg, van der Burgt, Verburg, Verburgh, …: Verspreide plaatsnaam, familienaam ter Borch(t)/Burch(t)‘burcht, burg’.

Borgenicht. Duitse bijnaam voor iemand die niet (uit)leent, die geen geld leent.

Borgemester: Beroepsnaam van de burgemeester.

Borger, de, de Borgher, Borghers, Borgers, Borchers, den Burger, Burger, Burgers, Burgher: 1. Middelnederlands borger ‘burger, poorter’. 2. Middelnederlands borger geldschieter, schuldeiser’.

Borgerink, Borgrink. Saksische vadersnaam uit de voornaam Borger (uit burg).

Borger, Borgher (de), Borghers, Borgers, Borchers, den Burger, Burger, Burgers, Burgher. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse borger: burger, erkend stadsinwoner. 2. Het Middelnederlandse borg betekend ook 'pand'. Dit groeide uit tot borgen: op krediet uitlenen. Een borger is dus ook een geldschieter: voorloper van het banksysteem. 3. Beroepsbijnaam, verkorte vorm van borgemeester: burgemeester.

Borghgraaf, de Bourgraaf, Burggraaf, Burggraaff, Burggrave, Burggraf, Borggraeve, Borggrave (de), (de) Borgraeve, de Borggraef, de Borghgraeve, de Borghraeve, de Borggraeven, (de) Borchgraeve, Borchgrave, Borghgraef, (de) Burgrave, Burggrave, Burggraene, (de) Burghgrave, Burghgraeve, Burgraeve, Burghraeve, Burghrave, Bourgraff, Burgraff. Uit het Middelnederlandse borchgrave: burggraaf. De variant Burggraene is te verklaren door verkeerde lezing van de goed op een n lijkende v/u.

Borghans. 1. Uit Duits Burghans, Vadersnaam Burg-Hans. 2. Zie Berkans.

Borghouts: Spelling voor Borgoud, de Germaans naam Borgwald: burg-wald ‘burcht-heerser’.

Borghsteijn, Borghstijn: Variant van Burkstein, van Bursztein, Pools-Joodse vorm van Duits Bernstein.

Borghten. Vadersnaam. Vleivorm van Borchart.

Borgies, Borgies, Bourgie, Bourgies, Bourgi: Plaatsnaam, waarschijnlijk in Henegouwen.

Borglevens, Borghlevens. Wellicht naam uit de plaatsnaam Borxleben in Thüringen.

Borgnet, Borgniet, Borgniez, Bornet, Borné: Afleiding van borgne: scheel. Zie Leborgne.

Borgwald, Borghouts: Vadersnaam. Germaanse voornaam burg-wald 'burcht-heerser': Burgo(a)ldus.

Borgwardt. Vadersnaam. Germaanse voornaam burg-ward 'burcht-bewaarder'.

Boribon. Waarschijnlijk verhaspelig van Borinboim.

Borighem. 1. Plaatsnaam Boeregem in Ouwegem/Huise, Wortegem en Zevergem (Oost-Vlaanderen). 2. Eventueel Boudergem (zie Debaudrenghien).

Borin, Burin, Burhin, Borrijn, Borryn, Bourin, Bourinau: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaansebûr-naam, zoals Boro, Burwaldus, Burowardus. 2. Zie ook Beaurain(g).

Boris, Bories, Borys: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Sint Liborius. 2. Slavische voornaam Boris, van Borislaw.

Bork, Borck: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Burgo. 2. Oostduitse plaatsnaam Bor(c)k in Pommeren, Lausitz, van Slavisch bor: pijnboom, spar. 3. Vadersnaam Bor(c)k, van Boruslaw. 4. Verkort uit van Van der Borck; zie Van der Borgt.

Borkelman, Borkelmann. Afleiding van plaatsnaam Borkel (Noord-Brabant).

Borkhuis, Borkes. Plaatsnaam Borkhausen, Duitsland.

Borkienstein. Plaatsnaam Borkenstein, Pommeren.

Borlet, Borleé, Borlee, Borle, Borlez, Bourlet, Boerlé, Bourlee, Bourlez, Borlet, Borlé, Borlee, Borlez, Berlé, Berlez, Burlet, Burley, Beurlet. 1. Familienaam uit het Franse bourrelet: gevuld kussen. Beroepsnaam van de Bourrelier: tuig- en zadelmaker. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Borlez in Luxemburg.

Borlon. 1. Plaatsnaam Borlon. 2. Variant van Bourlon.

Borloo, Borloz, Bourloo: 1. Plaatsnaam Borlo (Limburg). Of plaatsnaam Bouveloo in Wortegem (Oost-Vlaanderen). 2. Bo(u)rloo: verschrijving voor Bourleau.

Borluut. Bijnaam voor een lawaaimaker, een schreeuwer. Mdden Nederlands borlen/burlen: brullen + bijwoord luut: luid.

(van) Borm, Van Burm, Borm, Borms, Burm, Burms, Burrems, Buerms, Beurms. Afgeleid van de plaatsnaam Bornem (provincie Antwerpen) en van de dialectische uitspraak burrem.

Borgman: Afleiding van van der Borg.

Borgmeijer: Meier van een burg, burcht.

Born. Plaatsnaam Born, Nederlands Limburg of Noord Duitse plaatsnaam Born; bron, waterput.

Born, van de, den, Borne, van den Booren, Boorn, van de(n) Borren, van de (n) Borre, van der Born, van den Boore, van der Boeren, Boren, van den Burre, (van den) Boren, Bore, Verborne, van Borren, Borre, Borne, Borné, Borre: Verspreide plaatsnaam Born: bron, waterput. Plaatsnaam Born (Nederlands Limburg), waternaam de Borre in Duinkerke (Frans Vlaanderen).

Bornem, van. Plaatsnaam (Antwerpen). Zie ook Van Borm.

Borner. 1. Duitse afleiding van plaatsnaam Born, iemand die bij een waterput woont. 2. Variant van Berner, met geronde klinker; vergelijk Bernard.

Borgo: Vernederlandste uitspraak van Bourgois, Bourgoy, van Frans Bourgeois‘ burger, poorter’.

Borgs: Borg, Borch kan een korte vorm zijn van van der Borg, maar ook vadersnaam, namelijk een korte vorm van een burg-naam, zoals Burghard, Borchert.

Borket: Vernederlandste vorm van Borguet, Bourquet, verkleinvorm van de plaatsnaam Bourg ‘burg’. Bourguet in Thiembronne en Tilques (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Borm: Plaatsnaam Bornem (Provincie Antwerpen, met dialectisch uitspraak burrem. Maar Borm kan even goed uit Born ‘bron’ worden verklaard.

Borman, Borremans: Afleiding op –man van van den Borre.

Born, van den, der, ook in Zwamborn, Noteborn, Wisseborn, Boegborn. Plaatsnaam Born, Limburg, in de Belgische provincie Luik, in Saksen-Anhalt etc. Born, bron.

Börngen. Vadersnaam. afleiding van Born: waterput, bron.

Bornier, Borny, Bornij: 1. Zie Brunier. 2. Variant van Bernier, door ronding na een b.

Bornkessel. Bijnaam of beroepsnaam; ketel van een waterput.

Borns: Variant van Borms, afleiding van Borm.

Bornstein, Bornsztajn, Bornsztejn, Borenstein, Borenstain, Borenztein, Borenszstein, Borensztein, Borensztain, Borsztein: Duitse plaatsnaam. Middennoordduits bornstên: grote rotssteen.

Borojé. Plaatsnaam Boroje, fréquent in Bosnië'-Herzegovina.

Borreil. Waarschijnlijk variant van Bureille. Of = Borrel?

Borrekens, de, Porrekens: 1. Vleivorm van Van den Borre. 2. Plaatsnaam Bornekin: kleine (water)put.

Borren, (van) Born, van de(n), van den Boorn, van den Booren, van de(n) Borre, van den Borren, van der Born, van den Boore, van der Boeren, van der Boren. Vadersnaam. Friese voornaam Borren.

Borrewater. Beroepsnaam van de brandewijnbrander, jeneverstoker. Middelnederlands zinwoord bernewater: die water bernt, brandt (vergelijk brandewijn). Water betekent hier: sterke drank, alcohol. Nederduits Barmwater.

Borrizé, Borrezée, Borezee, Borrozee: Waarschijnlijk van Borzée

Borrie, Bourdry: Vadersnaam. Borry, Bourry, van Boudry, van Bourdry met geanticipeerde r. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bouderik: balth-rîk ‘moedig-machtig’.

Borsel, van, van Borsele, van Borselen, van Borssele: Plaatsnaam Borsele (Zeeland).

Borsboom: Hypercorrecte vorm van Bosboom ‘bosboom, buksboom’.

Borst, (de): Bijnaam naar het lichaamsdeel borst, vergelijk Frans Poitrine, Duits Brust.

Borst, van der. 1. Plaatsnaam Burst (Oost-Vlaanderen). 2. Zie (van der) Borg(t).

Borstel. 1. Bijnaam voor iemand met borstelig haar, stekelhaar. 2. Duitse plaatsnaam Borstel.

Borsten. Hypercorrect voor Bosten.

Borstlap. Reïnterpretatie van Borslap, zinwoord: beurslapper, die de (geld)beurs oplapt, tassen lapt. Vergelijk Nederduits Stoppesack.

Bortel, van, Bortels, Beurtels, Beutels: Plaatsnaam Bortelen in Zevenaar (Gelderland)? Of Borteldonk in Nispen (Noord-Brabant) of Bortlo in Limburg?, Bortelbrug in Broechem. Bort; berk, lo; open plek.

Borzé, Borze, Borze, Borzee: 1. Plaatsnaam Borzée in La Roche. 2. Voltooid deelwood van Oudfranse werkwoord borser: zwellen. Bijnaam voor een dikkerd, een opgeblazen (wellicht ook figuurlijk) mens.

Bos, van de(n)/der Bos, in de(n) Bosch, van den Bosch, van de(n) Bossche, van den Bosse, van den Bossen, ten Bosch, van den Bussche, van der Busse, van den Beussche, van den Beusch, van den Bosse, von den Busch, Varderbussche, van dan Bosse, van den Boosche, van den Bosche, Vanebosse, van den Busshe, van den Bosshe, vandem Beuche, Vanbenbussche, Vanvenbusshe, de Busshe, de Busse: Heel erg verspreide plaatsnaam (den) Bos(ch), ten Boss(ch)e ‘bos’. Ook wel Den Bosch voor ’s-Hertogenbosch. (Noord-Brabant).

Bosboom, Borsboom. Familienaam uit de plaatsnaam Bosboom: bosboom, buksboom.

Boseret, Bosret, Boseré, Bosserez, Bosseray, Bossrez, Bouserez, Bousret, Bousrez, de Booseré, de Boozeré, Debusseré: Plaatsnaam Buisseret/Boseret, van Latijn buxus: buks(boom), bosboom. Zie De Buisseret. Zie ook Bouchery.

Boschelle, Bosschele, van den, Bosquelle: Plaatsnaam. Oudfrans boschel, bosquel: bosje, struikgewas. Plaatsnaam Bosquel (Somme). 1470 le hault et la basse Boeskelle, Borgworm. Bosschelle in Balegem, Hakendover, Montenaken, Vliermaal. Zie ook Bocquiaux 1 en Duvosquel.

Bosard, Bosa, Bosart, Bozard, Boza, Bozart, Bousar, Bousaerd, Bousard, Busard, Busar, Buzza, Buzzard, Buza, Buzard, Buzzat: 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Boso. 2. Eventueel hypercorrecte variant van Bossard.

Bosbeke, van. 1. Plaatsnaam Bosbeek in Brussegem (Vlaams-Brabant) en Nederename (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Borsbeek (Antwerpen), met assimilatie rs/s.

Bosboom, Borsboom: Plaatsnaam Bosboom: bosboom, buksboom. Vergelijk Boksenbaum.

Boschman, Boschmans, Bosman, Bosmans, Bossemane, Bosseman, Bossmann, Boosmans, Boosman, Boesmans, Boesman, Bousmans, Bousman, Bousmanne, Boussemanne, Busmans, Busman, Buscheman, Buschmann, Buschman, Beusmans, Buxman: Afleiding van Van den Bossche/Bussche. Vergelijk Bosschaert.

Boscoen. Waarschijnlijk variant van Boxoen.

Bosdijk: Plaatsnaam in Wissenkerke en Oostburg (Zeeland).

Bosems. Wellicht variant van Bossems.

Bosendorf. Plaatsnaam Bossendorf, als in Elzas.

Boset, Bozet, Bossee, Bossée, Bousset, Bouset, Bousé, Bousez, Bouzet, Bouzez, Buset, Busé, Busez, Buzet, Busset, Bussé, Bussey, Boussette, Bousette, Bouzette: 1. Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse voornaam Boso. 2. Afleiding van Oudfrans bos, bois: bosje, struikgewas Zie ook Buisset.

Boshamer, Boshom: Een boeshamer is een ‘lichte hamer met ronde kop’. Boes van het werkwoord boezen‘kloppen, slaan’. Beroepsnaam van de smid, die de hamer klopt, slaat. Ook Duits Bosshammer. Engels bushhammer.

Boshart, Bosshardt, Bosshard: Vadersnaam. Duitse equivalent van Bossaert uit Burchard.

Boshouwers, Boshowers: Beroepsnaam van de boshoeder ‘boswachter’.

Boshuizen, Boshuis: Plaatsnaam Boshuizen bij Leiden (Zuid-Holland), in Venray (Nederlands-Limburg en Dilzen (Belgisch-Limburg).

Boskelion, Boskeljon: Aanpassing van Frans Bosquillon, van Oudfrans boschillon ‘houthakker’.

Boskin, Bosquin, Bosquain, Boquain, Bouquin, Buskens, Busken, Buskens, Busquint, Busquin, Busqain, Buscain, Boesges: 1. Vadersnaam. Afleiding van Bossaert = Burchard. Zie Bossaerts, Bossens. 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Boso.

Boslooper: Naam voor de bode die met de bos of bus rondging.

Bosly, Bosny: Beroepsnaam Bosselier: houtvlotter (die de stammen samenbindt).

Bosma, Bosman, Bosmans, Bochman, Boschma: Afleiding van van den Bos(ch).

Bosnaar: Uit Bossenaar, afkomstig van Den Bosch? Of variant van Bosselaar?

Bosquet, Bosqué, Bosqée, Bosqee, Bosquette, Bosché, Bosschey, Bocquet, Bocque, Bocqué, Bocquez, Bocket, Bocqet, Boquet, Boque, Boqué, Boquez, Bousquet, Boucquet, Boucqué, Boucquez, Boucquey, Boucket, Boucké, Bouckez, Bouket, Bouquette, Bouquet, Bouqué, Bouuez, Busquet, Bucquet, Buquet, Buqué, Bucket, Bochet, Bochez, Bouchet, Bouché, Bouchez, Buchet, Buché, Buchez, Bubocquet, Buboquet, Dubouchet, Dubochet: Plaatsnaam. Oudfrans bosquet, Oudpicardisch busquet: bosje, afleiding van Oudnederlands bosk, Germaans busku: struikgewas. Dus: bosje. Vergelijk Bocage.

Bosquillon, Bosquion, Bocquillion, Bocquillon, Boquillion, Boquillon, Boucquillon, Bouquillon, Bouquelloen, Boucquelloens, Boucquelloen, Bouchillioen, Bouckeljoen, Boucellyoen, Bouchillioen, Bouckeljoen, Bouckellyoen, Backelion, Bakelion: Beroepsnaam. Oudfrans boschillon: houthakker.

Bossaert, Bossaerts, Bossard, Bossart, Bossaer, Bossert, de Bossart, Boussard, Boussaert, Boussart, Boussaer, Boussa, Bussaer, Bussaert, Bussa, Bussart, Bosshardt: 1. Vadersnaam. Via Frans Bo(u)chard uit de Germaanse voornaam Burchard, Burghard. Ook Bosse- Burchard. 2. Jongere vorm van Bosschaart.

Bossand: 1. Moedersnaam. Frans Bauchant, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam balth-swind ‘moedig-sterk, heftig’: Baldswind. 2. Frans Beauchamp(s)‘ mooi veld’.

Bosschaart, Bosschaert, Bosschaert, Boschaert, Bosschart, Bosscharts, Bosschaart, Bosgaerd, Bosquart, Boscart, Busschaert, Busschaerts, Busquart, Busquart, Beuscart, Beuscar, Beuschaert, Beusschart, Beuschart, Beusquart, Basschaert, Busgaard: Afleiding op –aard van van den Bossche/Busche.

Bosschelle, Boschelle (van den), Bosquelle. Naam uit het Oudfranse boschel, bosquel: bosje, struikgewas. Er is een Bosquel (Somme). Bosschelle (Balegem, Oost-Vlaanderen), Hakendover (Vlaams-Brabant), Montenaken en Vliermaal (Limburg).

Bosschem, Bosschen: Plaatsnaam Bosschem in Dikkelvenne (Oost-Vlaanderen). Of Buxem, Busc(h)am in Moorsele, Menen en Gullegem.

Bosscher, de, de Bosschere, de Bosscherère, (de) Boscher, Bosker, de Bossker, de Bosker, de Boskre, Deboschère, Deboskère, Debosque, Deboske, Bossers, Bosser, de Booscher, de Bousser, de Buuschere, de Busscher, de Bhuschere, Busscher, de Bussere, de Busser, Bussers, (de) Beuscher, de Buysscher, de Basschere: Beroepsnaam. Middelnederlands bosscere ‘houthakker’.

Bosscheyde, de. Waarschijnlijk aanpassing van Dubosquet, Dubochet. Of plaatsnaam Boscheyde in St-Jean-Sart (Luik)?

Boschman, Boschmans. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam: bos, bussche.

Boskin, Bosquin, Bosquaein, Boquain, Bouquin, Busken, Buskens, Büskens, Busquin, Busquint, Busqain, Buscain, Boesges. 1. Vadersnaam uit Bosschaert: zie daar. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Boso.

Bosquet, Bosqeé, Bosqeée, Bosquee, Bosquette, Bosché, Bosschey, Bocquet, Bocque, Bocqué, Bocquez, Bocket, Bocqet, Boquet, Boque, Boqué, Boquez, Bousquet, Boucquet, Boucqué, Boucquez, Boucquey, Boucket, Boucké, Bouckez, Bouket, Bouquet, Bouquette, Bouquetté, Bouuettez, Busquet, Bucquet, Buquet, Buqué, Bucket, Bochet, Bochez, Bouchet, Bouché, Bouchez, Buchet, Buché, Buchez, Bubocquet, Buboquet, Dubouchet, Dubochet. Naam uit het Oudfranse Bosquet, het Oudpicardische Busquet, deze dan weer uit het Oudnederlandse bosk, het Germaanse busku: struikgewas. Dus: bosje. Een soort Franstalige tegenhanger van Van den Bosch.

Bossaer, Bossaert, Bossard, Bossart, Bossaer, Bossaers, Bossert, De Bossart, Boussard, Boussaert, Boussart, Boussaer, Baussa, Bussaert, Bussaer, Bussart. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam burg-hard. Dit via een Franstalige omweg langs Bouchard. 2. De vormen met Bos- en Bus- kunnen ook afgeleid zijn uit Bosschaert. Zie hieronder.

Bosschaert, Bosschaerts, Boschaert, Bosscharts, Bosschart, Bosschaart, Bosgaerd, Bosquart, Boscart, Busschaerts, Busschaert, Busquert, Busquart, Beuscart, Beuscar, Beuschaert, Beusschart, Beuschart, Beusquart, Basschaert. Afleiding van de familienaam Van den Bossche (naar de plaatsnaam).

Bosschem, Bosschen, van Bosseghem. Familienaam uit de plaatsnaam Bosschem in Dikkelvenne, Buxem in Moorsele, Menen en Gullegem. 

Bosschieter, Bosgieter, Busschieter: Middelnederlands busseschieter: kanonnier, hij die uit een bus of met een geweer schiet.

Bosse. Vadersnaam. Vorm met verscherping (Bosso) uit Germaanse voornaam Boso; of uit Bozo, -so afleiding van de voornaam Bodo. Of van Germaanse voornaam Burchard (zie Bossaerts).

Bosseghem, van. Variant van de plaatsnaam Bosschem met interpretatie sch = sg. In Cent evenwel werden Van Bosseghem en Van Boeseghem door elkaar gebruikt.

Bossel, Bossele, van, van Bussel, Bussele: Plaatsnaam. 1Bosselaar, bij Rijkhoven (Limburg), 1275 Bosulo: bos van Boso. Bosselen in Bilzen en Kleine-Spouwen (-Belgisch- Limburg). 2. Borssele (Zeeland).

Bosselaar, Bosselaers, Bosseler, Busselaar, Butzelaar: Plaatsnaam Bosselaar in Kleine-Spouwen (Belgisch-Limburg) of Boslar ( = Bosselaar) bij Gulik (Noordrijn-Westfalen). Ook plaatsnaam, Bosselen bij Rijkhoven (Belgisch-Limburg), 1275 Bosulo: bos van Boso. Bosselen in Bilzen en Kleine-Spouwen (Limburg). 2

Bosseloir, Bosseloirs, Bosloirs, Bosloers, Bosseloo, Boschioos: Picardisch bochlôre, van boch'ler, Frans bosseler: (metaal) drijven.

Bossens, Bossin, Bosse, van de, den, Bossen, Bossyns, Bossijns, Borsen, Burssens, Bursens, Buersens, Bussens, Bussen, Busse, Bussing, Bussink, Bosshammer, Boschammer: Beroepsnaam van de smid, die de hamer klopt, slaat. Zinwoord met Midden Hoogduits bözen: kloppen.

Bossicard, Bossicart. 1. Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Bouchard, Bochard, Bossard, Boccard = Burk-hard? Vergelijk Boucicaut, Bouciqueau. 2. Met epenthetische i uit Bosquart, Boscart = Bosschaert. Vergelijk Bouchiquet 2.

Bossiroy, Bossuroy: Inwoner van Bossière (Namen)?

Bosstraeten, Bosstraten, van, (van) Bostraeten. Naam uit de plaatsnaam Bosstraat in Berlaar, O. L. V. Waver (Antwerpen) en Erpe (Oost-Vlaanderen).

Bossu, Bossus, Bossut, Bossue, Bossuit, Bossuyt, Bossuijt: 1. Frans bossu: bultenaar, bochel. Bijnaam voor iemand met een hoge rug. 2. Zie ook Bossuyt en Boussu(s).

Bossuwé, Bossuwe, Bossue: Frans Bossuet, afleiding van Bossu.

Bossuyt, van, van Bossuijt, Bossuit, Bossut: 1. Plaatsnaam Bossuit (West-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Bossut (Waals-Brabant).

Busink, Bossink. Vadersnaam (via het Frans) uit de Germaanse voornaam burg-hard.

Bost, van. 1. Bost en Borst zijn varianten van Burst (Oost-Vlaanderen): 2. Plaatsnaam Roborst (Oost-Vlaanderen). 3. Bost bij Tienen, of in Boutersem, Lovenjoel, Vertrijk of Webbekom (Vlaams-Brabant). Zie ook (van der) Borst 1.

Bosteel, Bosteels, Basteels, Boostels, Boosteels. Naam uit het Middelnederlandse bosteel, het Oudfranse boistel: deze uit het Latijnse bustellus = schepel. Beroepsbijnaam van de korenmeter. Engels bushel.

Bosterhaudt, Bosterhaut, van. Plaatsnaam Bosterhout in Meulebeke, St.-Baafs-Vijve en Wg.

Bosters: Variant van Basters, van Basterts, afleiding van basterd ‘bastaard’.

Bosval. 1. Plaatsnaam Bousval, Waals-Brabant. 2. Zie Beauval.

Bosveld: Plaatsnaam bij Borgharen (Nederlands Limburg) of Sterksel (Noord-Brabant). Bosveld in St.-Blasius-Boekel, Hechtel (Limburg), Liedekerke, Ronse en Zandbergen.

Boswell. Verengelste plaatsnaam Beuzeville-la-Giffard (Seine-Inf.).

Boswinkel: Plaatsnaam bij Enschede, Overijssel. Ook bij Goor, Overijssel, Ruiselede en Wielsbeke, West-Vlaanderen.

Boswijk: 1737-1817 Geert Lucas Boswijk (Veendam, 1737-1817) neemt in 1811 voor het eerst deze naam aan.

Bot, Both, Bots, Bott: 1. Vadersnaam. Uit Bodo, Germaanse voornaam of korte vorm van een bodo-naam, zoals Radbod, Sigibod. Ongetwijfeld vaak ook uit Boud (Bald-). 2. Vadersnaam. Korte vorm van Lambot, Hubot, Romaanse afleiding van bert- naam. 3. Zie (de) Bot.

Bot, (de), de Bodt, Both, Bots, Botte, de Bod, Bootte: 1. Bijnaam naar de visnaam, de bot, die vergeleken kan worden met Pladijs, Harinck. 2, Of bijnaam voor iemand die bot is, plomp, ongemanierd. 3. Middelnederlands bot(te): strobos, bundel. 4. Beroepsnaam voor een schoenmaker. Middelnederlands en Oudfrans bote: grove schoen, Frans botte. 5. Bot, zonder lidwoord, kan eventueel een vadersnaam zijn van Bodo.

Botbijl, Bodbijl: Bijnaam naar een ‘botte bijl’? Vermoedelijk een volksetymologische re-interpretatie.

Boterberghe, Boterberg, Boterberge, Botterberg, Botterberge, Botterberghe, Botelberge, Bottelberghs, Bottelbergs, Bottelberghse, Bottenberg: Plaatsnaam Boterberg in Bekkerzeel, Laken en Beersel (Vlaams-Brabant). Het boter-deel kan komen van 'bot-stomp' of van Bouter, een Germaanse voornaam. Berg verwijst naar heuvel. Ook huisnaam.

Boterdael, Boterdaele, van, van Boterdal, Boterdale, Botterdaele, Boeterdael: Plaatsnaam Boterdaal in Denderwindeke en Liedekerke (Oost-Vlaanderen) Ninove. Zie Boterberghe.

Boterenbrood. Bijnaam voor een bakker of eter van geboterd brood. Duits Butterbro(d)t. Duits Butterbrot 'boterham' is pas16de eeuws.

Boterhoek. Plaatsnaam in Eeklo, Assebroek en Oostvleteren.

Botermans, Boterman, Botermann, Boutremans, Boutreman, Botterman; Beroepsnaam van de boterhandelaar.

Botermet, van de, der. Plaatsnaam. Britse vorm van Botermarkt. Niet helemaal uit te sluiten is een reïnterpretatie van Botermeet: maai-, weiland dat veel boter oplevert, vette wei.

Boterpot. Beroepsnaam van de boterhandelaar. Vergelijk Boterman.

Botervlieghe. Middelnederlands botervliege: vlinder. Vergelijk Engelse familienaam Butterfly.

Bothet, Botthé, Bottez, Boutet, Boutez, Bouté, Bouttet, Boutté, Bouthez, Bouthé, Butez: 1. Vadersnaam. Verkorting van een Romaanse vleivorm op -ot-et van een bert-naam, bijvoorbeeld Lambotet. 2. Botté/Beauté komt ook wel als verfransende verschrijving voor van Botte.

Botilde. Moedersnaam Bautilde, van Germaansee voornaam Balt(h)ildis.

Botin, Bottein, Bottin, Boting, Botinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots. Vadersnaam; de zoon van heer Boidekin, Bodekyn, verkleinvorm van de oude mannenvoornaam Bode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden vorm is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik.De -inga-vorm is Fries.

Botje: Wellicht spelling voor Frans Bottier. Oudfrans botier, botiller ‘bottelier, keldermeester’.

Botman, Botmans, Botmanne, Botteman, Bottemanne, Bottemane, Bottemenne, Bottemene: 1. Middelnederlands botte: draagkorf. Beroepsnaam van de korfdrager of korvenmaker. De Henegouwse familienaam Botteman(ne) gaat terug op Boiteman, afleiding van de voornaam Boudewijn.

Boton, Botton: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Lamboton of Liboton, vleivorm (met stapelsuffix -ot-on) van respectievelijk Lambert, Libert. 2. Zie Bouton.

Botspoel. Waarschijnlijk vervorming van Polspoel.

Bottart, Botta, Botha, Bota: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam bald-hard (zie Boudard).

Böttcher, Böttecher, Bottecher, Bottcher, Böttger, Boettger, Boerttiger, Bodger, Bödges, Bodges: Beroepsnaam. Duits Böttcher: kuiper. Nederduits Bôdeker.

Botte, Botten. 1. Moedersnaam. Vleivorm (dim.) van een bert-naam, zoals Lambotte. 2. Zie (de) Bot.

Botteel, Botteaux, Botteau, Bottieau, Bottiau, Bottiaux, Bouteau, Boutiau, Boutteau, Bouttiau, Boutay, Buttel, Butel: 1. Oudfrans bottel, van botte: laars, schoeisel. Beroepsnaam voor de maker of verkoper van laarzen, of bijnaam voor de drager ervan. 2. Oudfrans botel, van bot(e): pad. Vergelijk Boutriaux.

Bottema, Botma, Bottinga, Boddema. Vadersnaam. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Bod(d)o (: gebieder).

Böttcher, Bötcher Böttecher, Bottecher, Bottcher, Böttger, Boettger, Boerttiger, Bodger, Bödges, Bodges. Beroepsnaam uit het Duitse Böttcher: kuiper.

Botteldooren, Botteldoorn, Botteldoorne. Middelnederlands botteldoorn: wilde roos, eglantier. Plaatsnaam.

Bottemanne, Botteman: Henegouwse familienaam die teruggaat op Boiteman, afleiding van voornaam Boudewijn.

Botter: Nederduits botter, Duits Butter ‘boter’. Beroepsbijnaam van de boterhandelaar.

Botterweck. Bijnaam voor de bakker van fijn wittebrood (Limburgs en Nederduits). Duitse familienaam Butterweck, Butter-wegge. Weck(en), Wegge is een langwerpig brood(je).

Bottier, Botti, Botty, Bothier, Bothy, Boty, Bouthier, Boutier, Bouttier, Bouthy, Bouty, Bouti: 1. Oudfrans botier = botiller: bottelier, keldermeester. Vergelijk Bouteiller. Afleiding van Oudfrans bot: grote fles. 2. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Baldhari.

Botting, Bottin, Botten, Botinga: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Bodo, met verscherping d/t.

Bottu, Boutu. Naam uit het Oudfranse bote: schoen, laars. Wellicht beroepsbijnaam.

Botvliet: Wetering aan de grens van Heinenoord (Zuid-Holland).

Bouas. Variant van Franse familienaam Bouasse, augmentatief van Frans boue: slijk, moeras. Plaatsnaam: moerassig, zompig terrein.

Boubaker, Boubekeur, Boubker: Arabische familienaam Boubake(u)r, van Abou Bakr: man met de wijfjeskameel, ook naam van de schoonvader van Mohammed en eerste kalief (632-634).

Bouccin, Boucsain, Boucsin, Bauxain, Bouxin, Buxin: Vadersnaam. Vleivorm op -sin/-ecin van Germaanse voornaam Bucco, Burghard.

Boucha, Bouchat, Bouça, Bouha: 1. Oudfrans bouchât: tonnetje, vaatje. Bijnaam of beroepsnaam. 2. Zoals Frans Boschat afleiding van bosc-: struikgewas, bosje. 3. Variant van Bouchard.

Bouchaud, Bouchaut, Bouchaux, Bousseau, Boussauw. 1. Familienaam afgeleid van het Oudfranse boche: bouche: mond. Bijnaam voor iemand met een kleine mond. 2. Mogelijk ook afgeleid van het Oudfranse boschel: bosje, struikgewas. Naar woonplaats.

Bouche, Labouche: 1. Oudfrans bouche : bundel, bos. 2. Oudfrans boc(h)e: bult, buil, puist, wonde. Bijnaam. 3. Oudfrans boche, Frans bouche: mond. Bijnaam. Vergelijk Beck, Muylle.

Bouchelet, Bouchelle, Boucherle: Afleiding van Bouche of Bouchard.

Bouchenies, Bougenies: Plaatsnaam Boucherie in Anderlues (Henegouwen) of Bouchegnies in Wasmes (Henegouwen).

Boucher, Bouchier, Bouché, Bouchet, Bouche, Bouchéi, Bouchez, Bouchy, Leboucher, Debouchez, Bocher, Bochet, Bochez, Bossier, Bossiers,

Boussier, Bouss, Boussé, Boussy, Boussy: Beroepsnaam 1. Slager. Frans boucher, van bouc ‘bok’, oorspronkelijk de handelaar in bokkenvlees. Boucher heeft Oudfrans maiselier, maceclier verdrongen 2. Oudfrans bouchier ‘beul’. Beroepsnaam. Afleiding van Boucher is Boucherot, Boucheron, Boucherai, Bouchereau, Boukerrou.

Bouchery, Boucherij, Boucherie, Boucherit, Bouchrit, Boussery, Boussrij, Bouserie, Bousery, Beuserie, Buserie, (de) Buyserie, Debuijserie, de Buyzerie, de Bouserie, Deboiserie, Boiserie, Debooserie, Debusseré. Deze namen kunnen uit diverse bronnen komen. 1. Uit de Germaanse voornaam burg-rik. 2. Uit de plaatsnaam Bouquerie in St.-Omaars: slagerij. 3. Uit de plaatsnaam Bouxherie in Theux: struikgewas. 4. Uit de plaatsnaam Bu(i)gerie in Amengijs (Henegouwen).

Boucheseche. Bijnaam Bouche sèche: droge mond.

Bouchiquet, Bouciqué, Boucique, Bouchequet, Bousquet, Bousekeyt, Boussekey, Boussekeyt. Wellicht ontstaan uit Bosquet, of één van zijn varianten. Zie bij Bosquet.

Bouchon. Bochon, Boutchon, Bouhon, Bohon, Buchon: Plaatsnaam Bouchon, Waals bouhon, Frans buisson, van midden Latijn boscionem: struikgewas.

Bouchonville. Plaatsnaam Buissonville (Namen), uitspraak bouchon.

Bouchout (van), de Bouchout, Bouckhout, (van) Boeckhout, Boekhoudt, Boekhout, van Boekhoud, van (de) Bouchaute, Bochaute, van Boghoute, van Boghout, Bockhodt. Familienaam uit de plaatsnaam Boekhout (en vele varianten): beukenbos. Er is er één in Binkom, Meise, Pepingen, Bochout (Vlaams-Brabant), in Meerhout, Bouchout (Antwerpen), in Oosterzele, Ronse, Eeklo, Velzeke, Waasmunster, Scheldewindeke (Oost-Vlaanderen), in Tielt (West-Vlaanderen), in Jeuk, Gingelom (Limburg).

Boucke. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bucco, van Burghard.

Bouckenaere. Afleiding van Middelnederlands boeke, boke: beuk. Naar de woonplaats bij een beuk. Vergelijk Duits Buchner, Büchner. Bouckenville. Plaatsnaam Bouconville (Ardeche, Meuse, Aisne).

Bouckzoone, Boecksoone, Boeksoone, Bocksoen, Boxoen: Vadersnaam. Zoon van Boeck, de Germaanse voornaam Bucco, bakervorm van Burkhard. In Nederlands ook Boeksoone.

Bouclier, Boucly: Zelfde verklaringen als voor De Beukelaere. 1. Beroepsnaam van de maker van gespen (Frans boucle). 2Beroepsnaam voor de maker van schilden (Frans bouclier). 3. Boucly, eventueel plaatsnaam (Tincourt-)Boucly (Somme).

Boucqué, Boucque: Afleidingen voor Bouquet. Maar Boucque kan ook een spelling zijn voor Boucq.

Boucquelet, Bouclet, Bocquelet, Bockelee, Bocquillet: 1. Bijnaam. afleiding op -elet van Oudfrans boc, Frans bouc: bok. Vergelijk De Bock. 2. Afleiding van de plaatsnaam Bosquel: bosje. Vergelijk Bocquiaux.

Boucqueneau, Boucquenaux, Boucquegneau, Bouquegneau, Boucgniau, Boucneau. 1. Knuffelbijnaam uit het Oudfranse boc: bok. 2. Afleiding van Bosc: bosje. Naar woonplaats. 3. Of een naam uit Boskin. Zie daar.

Boudain, Boudein, Boudeing, Boudeyn. Vadersnaam. Franse verschrijving en Vlaamse aanpassing van Boudin. Zie Bodein.

Boudard, Boudart, Boudaer, Boudar, Baudartius, Boutard, Beudaert, Beudart, Buewaert, Bewaert, Buard, Boidart, Boytard, Buydaert, Buijdaert, Buytaert, Buytart, Buytaerd, Buytaers, Buijtaert, Boddaer, Boddaert, Boddaerd, Bodaer, Bodaert, Bodar, Bodard, Bodar, Bodart, Buddaert, Buda, Boytas. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam bald-hard; koen-sterk.

Boudault, Boudaud, Boudeaux, Boudaux, Boudia, Budai, Buday: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam bald-wald 'stoutmoedig-heerser': Baldaldus.

Boudeling: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Boudewijn.

Boudeloot, Bouderloo, Beaudelot, Baudelot: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Boudewijn.

Boudens: Vadersnaam. Afleiding van Middelnederlands Boudin, vleivorm van de voornaam Boudewijn.

Boudericksx, Boudericx, Bourickx, Bauwerlinck, Bauwelinckx, Bauwelinck: Vadersnaam. Germaanse voornaam Bouderik: bald-rîk 'moedig-machtig'.

Boudesocque, Boudsocq: Boutesocq, zinwoord van bouter: stoten, slaan + soc: ploegschaar. Beroepsnaam van de ploegsmid.

Boudeville. Plaatsnaam, Eure, Seine-Mar.

Boudewijn, Boudewijns, Boudewijnse, Balduwijns: Vadersnaam. Germaanse voornaam balth-win ‘stoutmoedig-vriend’.

Boudin, Bouden, Boudens, Boen, Boens, Bauden, Baudens, Beaudin, Baudin, Baudinne, Baudine, Baudenne, Bauwin, Bawin, Bouwyn, Bauwens, Bawens, Bauens, Bouwen, Bouwens, Baweins, Bauttens, Bautens, Boutten, Bouttens, Bouten, Boutin, Boidin, Boidin, Boijdens, Boyde, Boydes, Boien, Boyen, Boyens, Boijen, Boijens, Boeyden, Boeyens, Boeijens, Boeijen, Baeyens, Baeyens, Bayen, Baaijens, Baeijens, Baijens, Baayens, Beyens, Beyns, Beijens, Beijns, Byens, Buidin, Buydens, Buyens, Bijens, Bouds, Boudt, Boudts, Bout, Bolt, Bouts, Bouter, Boutz, Baudts, Bauts, Boute, Boids, Boitz, Boidts, Boits, Beyts, Buit, Buydts, Buyts, Budts, Buts, Buedts, Bued, Buets. Vadersnaam: knuffelvorm van Boudewijn (uit bald-win). In de vleivorm Boudin verdofte de tot in -en (Boudens), waarna de gesyncopeerd werd of vervangen door de glijder (Bouwens/Bauwens). Bij verscherping van tôt ontstond Boutens. Door palatalisering van de in Bold- verklaart de vleivorm Boidin, van Boydens (vergelijk Waals-Vlaams suiferke, van sulferke). Fonetische verschuivingen (palatalisatie en ontronding) verklaren de vormen met oi/ui/ei (vergelijk bij Aernouts: Noid/Nuyt/Neyt).

Boudinet, Boudenez, Boudinar, Baudinet, Baudinez, Beaudinet: Vadersnaam. Afleiding van Boudin.

Boudinot, Boudenoodt, Boudenoot, Bodino, Baudinot, Boutinot: Vadersnaam. Romaanse vleivorm met stapelsuffix -inot van Boud-naam.

Boudiny. Luiks-Waalse vorm van Frans Boudinier; verkoper of maker van worsten.

Boudolf. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam bald-wulf; moedig-wolf.

Boudoul, Boudoux, Boudou, Boudouck Boudount, Baudoul, Baudoux, Baudou, Baudout, Beaudoux, Beadoul, Beadout, Bodoux, Boddou: Vadersnaam. Romaanse vorm van Boudolf.

Boudré, Boudrez, Boudrey, Bouderez, Bouré, Bourée, Bouret, Bouretz, Bourez, Bourey, Bourre, Bourré, Bourree, Bourret, Bourrez, Boerez, Boeree, Boerré, Boeré, Baudrez, Bodderez, Boderez, Bodere, Badré, Bourdrez: Vadersnaam. Romaanse vormen van Germaanse voornaam bald-rêd; 'moedig-raad': Baldrad.

Boudreaux, Boudereaux, Boudriaux, Boudraa: Vadersnaam. Afleiding van Boudier, de Germaanse voornaam Balder. Vergelijk Boudron.

Boudron, Bourdron, Boidron, Boutron, Botron: Vadersnaam. Franse vleivorm van Boudier, de Germaanse voornaam Balder.

Boudry, Boudri, Bouderij, Boudrij, Bourry, Boury, Bourrij, Bourrij, Bourri, Bouri, Boedrie, Boedri, Boedrij, Boedry, Bodry, Baudrit, Baudri, Baudrriz, Baudry, Boderie, Boderi, Baudrier, Baudrie, Beaudry, Baudery, Beaury, Baury, Borie, Bori, Borrie, Borri, Borry, Bory, Borrij, Badri, Baldry. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bouderik (bald-rik; moedig-machtig).

Bouds, Boudt, Boudts, Bouts, Bout, Boutz, Baudts, Bauts, Boute, Boids, Boitz, Boidts, Boits, Beyts, Buit, Buydts, Buyts, Budts, Buts. Vadersnaam, verkorte vorm van Boudewijn (Bals-wine) of van een andere boud-naam.

Boudt, de, Debout: 1. Wellicht: de Boude, zie de Boe, (de) Boute. 2. Lees: Deboudt = Dibbaud.

Bouet, Boué, Bouez, Boët, Bowé, Bowetz. 1. Mogelijk naam uit het Oudfranse bovet (dit is een afleiding van buef: koe, os). Beroepsbijnaam.

  1. Maar wellicht uit Bohet. Zie bij Bohet.

Bouffard,, Bouffart, Bouffa, Boffa: Afleiding van Oudfrans bouffer: de wangen bol blazen, schrokken, gulzig eten. Bijnaam. Vergelijk Buffart.

Bouffet, Boffé, Bouffé: Afleiding van Boffe.

Bouffioulx, Bouffioux, Bouffiaux, Bouffioux. Plaatsnaam Bouffioulx, Henegouwen.

Boufflers, Boufler: Plaatsnaam, Boufflers (Somme).

Bouflet, Bouflette. Afleiding van Boffe.

Boufrid. Vadersnaam. Germaaanse voornaam Bodefrid.

Bouftay. Luiks-Waalse vorm voor Frans Bouffeteau, afleiding van Bouffet.

Bougard, Bougart, Bougeard, Boguard, Bogard, Boga, Bogat, Beaugarde, Baugard: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam burg-hard.

Bougeâtre. Wellicht hypercorrect voor Bougeard of Boujat.

Bougelet. Plaatsnaam in Deny en Trognée (Luik).

Boughman. 1. Engelse familienaam Bowman, beroepsnaam van de bogenmaker of boogschutter; vergelijk Boghemans. 2. Familienaam uit de USA, die zou teruggaan op Duits Bachmann

Bouguereau, Bougria, Bouguerra: Bijnaam, van Oudfrans bogre: ketter.

Bouharmont. Plaatsnaam in Beyne-Heusay, Luik.

Bouhaye. Waalse plaatsnaam, bou(c)haye van bouhon, Frans buisson: struik.

Bouhisse. Plaatsnaam, Luiks-Waals bouhis: kreupelbos.

Bouholle, Bouhou, Bouhout, Bouhoui: Plaatsnaam Bouhoille in St-Remy-lez-Dalhem (Waals-Brabant).

Bouillard, -Bouillart, Bouilliart, Bouilliaert, Bouhya, Boujat, Bouja, Boulliard, Boulliart, Bouliar, Bulliard, Bouljaer: Afleiding van Frans bouille: modderpoel. Plaatsnaam.

Bouillenne, Boullienne: Plaatsnaam Bouillennes in Fléron (Luxemburg).

Bouillet, Bouilliez, Bouillez, Bouillier, Bouilli Bouillé, Bouyet, Bouyez, Bouyer, Bouille, Bouye: Frans bouille: modderpoel. Afleiding op -et. Plaatsnaam Bouyet in Bouvignes (Namen). Vergelijk Delbouille.

Boulangier, Boulanger, Boulangé, Boulanger, le Boulanger, le Boulangé, le Boulengé, Boulanighuier, Boulanighier, Boulinguer, Boulinguiez, Boulnaguez, Bolangier, Bolanger, Bollengier, Bollangyer, Bollangier, Bollingier, Balanger, Bollansée, Bollansee, Bollansee, Bulanger. Beroepsnaam van de bakker uit het Franse boulanger.

Boulard, Boulaert, Boulart, Boulat, Boullart, Boulard, Boulard, Boulaert. 1. Bijnaam uit het Franse boule: bol, bal of uit het werkwoord bo(u)ler: rollen. Wellicht bijnaam voor een balspeler. 2. Bijnaam uit het Oudfranse boler: bedriegen.

Boulet, Boulez, Boulé, Boulert, Boullet, Boullez, Boullé, Bolet, Bolez, Bolette, -Boley, Bolette, Bollet, Bolletté, Bolletez. Naam uit het Franse boule: bol, bal, bolvormig brood. Wellicht beroepsbijnaam van de bakker.

Boulin, Boulain, Bolain, Bolin, Bollijn, Bolijn, Boleyn, Bolyn, Bollein. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam bald/bold of bol.

Bouillon, Bouillion, Boullion, Bouion, Boulion, Bulion, Bouyon, Boyon, Bouljon, Bollion, van Billoen: 1. Plaatsnaam Bouillon. 2. Plaatsnaam. Oudfrans boillon: waterkolk.

Bouilly, Bouih, Bouyi, Bouy: 1. Plaatsnaam Bouilly (Aube, Isère, Marne, Yonne, Loiret). 2. Variant van Bouillier ( Bouillet) of Boully (Boulier) is niet altijd uit te sluiten.

Bouin, Bouinot, Bowin: 1. Vadersnaam. Uit Boudin of Bodin. 2. Plaatsnaam Bouin (onder meer Pas-de-Calais).

Boujonnier, Bougenier, Bougenière: Afleiding van Oudfrans boujon: pijl; loden merkteken voor stoffen. Beroepsnaam van de pijlenmaker of de lakenkeurder.

Boulad, Boulade. Plaatsnaam Boulade in St-Georges, Luik?.

Boulboul, Boulboulle. Plaatsnaam Boulboulle in Flémalle-Haute (Luik) en Mons (Luik).

Boulemberg, Boulemberq, Boulembercq, Boulenberg, Boulimberg: Plaatsnaam in St-Martin-Boulogne (Pas-de-Calais):

Boulert. Variant van Boulaert of Romaanse vorm van plaatsnaam Nederboelare (Oost-Vlaanderen.

Boulet, Boulez, Boulé, Boulert, Boullet, Boullez, Boullé, Bolet, Bolez, Bolette, Boley, Bollette, Bollet, Bollé, Bollez: Afleiding van Frans boule: bol, bal, ook bolvormig brood, van boulanger. Waarschijnlijk beroepsnaam van een bakker.

Boulier, Boulie, Bouliez, Boullier, Bollier, Bolier, Boully, Bouly, Boulij, Bolly, Boly, Bolli, Boli, Bollies, Bollie, Bullier, Bully: 1. Oudfrans bolier: bedrieger. 2. Eventueel variant van Bouillier (zie Bouillet) of (vooral Bo(u)l(l)y, Bol(l)i) van Bouilly.

Bouligny. Plaatsnaam, Meuse.

Boulin, Boulain, Bolain, Bolin, Bollijn, Bolijn, Bolyn, Boleyn, Bollein: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse bald/bold- of bôl-naam; vergelijk Bollens, Boelens.

Boulle. Frans boule: bal, bol. Bijnaam. Vergelijk Bal.

Boulogne, Boulongne, Boulonne, Déboulonne, Bologne, Belonje: Plaatsnaam Boulogne-sur-Mer, Nederlands Bonen (Pas-de-Calais). Er is ook Boulogne-sur-Helpe (Nord).

Boulon, Bulon, Bulone: Variant van Boulonne = Boulogne? Of van Bouillon? Of van boule? Of vleivorm van Germaanse voornaam Bolo (zie Boulot)?

Boulonnais, Boulonnois, Boullonnais, Boullonnois, Boulnois, Bolomé, Bolome, Bolomet, Bolomey: Uit Boulogne-Sur-Mer, Nederlands Bonen (Pas-de-Calais).

Boulot, Bollo, Bollot, Boulos, Bullot, Bulot: 1. Afleiding van boule: bal, bol. Vergelijk Bollekens. 2. Afleiding van Germaanse voornaam Bolo, Bulo.

Boulouard, Boulevard: Waarschijnlijk niet van midden Frans boulevard, van Middelnederlands bolwerc: bolwerk, vesting. Waarschijnlijk reïnterpretatie, misschien van Picardisch Beaureward (zie Bierwart), vergelijk Boerewaart.

Boulof, Bouloffe. Waals bouloufe: kort, dik mannetje.

Boulton, Bolton, Boltong: Bouleton, afleiding van Boulet.

Bouma, Bouman, Boumans, Bouwens, Bouwer, Buma, Bouwma, Bauma, Bauw, Bouw, Bouman, Boumans, Boumanne, Bouwman, Bouwmans, Bauwmans, Bauman, Baumans, Baumann, Beauman. 1. Vadersnaam afgeleid van Boudewijn. 2. Beroepsnaam voor de Middelnederlandse bouman = landbouwer of tuinman. Van de laatste ook Bouwknecht, Bouwknegt, Bauknecht, Bouwmeester, Goedknegt.

Boumon, Boumont, Boulmont, Boulmant: 1. Plaatsnaam Boumont in Vierset (Luik). 2. Variant van Beaumont.

Bouquelle. Uit Bosquelle, afleiding van bosc-. Oudfrans boschel: bosje. Zie Van den Boschelle.

Bouquet, Bouqette, Bouqué, Bouque, Bouquez, Boucquet, Boucqué, Boucquez, Boucquey, Bouket, Boucket, Boucké, Bouckez: 1. Bijnaam of beroepsnaam. Afleiding van Frans bouc: bok. Vergelijk (de) Bok. 2. Zie Bosquet. 3. Frans Bocquet, van Bosquet ‘bosje’, verkleinvorm van Germaans busku, Oudnederlands bosk ‘struikgewas’, van ‘bosje’.

Bouquin. 1. Zie Boskin. 2. Morlet verklaart de familienaam als afleiding van bouc: bok.

Bour, Bourg. 1. Oudfrans bore: bastaard. Bijnaam. 2. Oudfrans bore, Frans bourg: burg, stad. Plaatsnaam Our in Paliseul. 3. Vadersnaam. Germaanse voornaam Burgo. 4. Eventueel Romaanse spelling voor Nederlands Boer.

Bourbon. Plaatsnaam Bourbon (Saône-et-Loire, Allier).

Bourceau. 1. Naamwijziging van Pourceau. 2. Zie Bourseau(x).

Bourcier, Borsje: Beroepsnaam. Frans Boursier ‘beurzenmaker’ of ‘rentmeester, kashouder, ontvanger’.

Bourcy, Boursy, Borcy, Borsi, Borsy: Plaatsnaam Bourcy in Longvilly.

Bourdeaudhui, (de) Bourdeaud'Hui, Bourdeaud'Huy, Bourdeaud'hui, Bourdeaud'huy, Bourdeauduc, Bourdeauducq, Bourdauduc, Bourdaudue, Bourdaudhui, Bourdaud'Hui, Bourdonduc, Bourdoduc, Bourdiaudhy, Bourdiaudhij, Bourdiaud'huy, Bourdiaud d'Huy, Bordeau d'Huy, Bordeaud'huy, Bordeaud'hui, Bordeaud'Huy, Bourdon'hui, Bouldauduc. 1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Bourdeaud'hui in Anvaing (provincie Henegouwen). 2. Volgens Jozef Bourdeaudhui komen deze naamdragers echter uit de streek van Valenciennes. Op het eind van de 16de eeuw kwam Péronne Bourdeaudhui in Frasnes terecht. Vandaar verspreidde de familienaam zich in België.

Bourdon, Bordon: 1. Oudfrans bordon: pelgrimsstaf. Bijnaam voor een pelgrim. Vergelijk Palsterman. 2. Oudfrans bordon: muziekinstrument, bastoon. Bijnaam naar de bromstem of voor een muzikant. 3. Vadersnaam. Variant van Bordin 1, met ander suffix.

Bourdouch, Bourdousch, Bourdousche, Bourdoux, Boudouxh, Bourdouxhe, Bourdoud, Bourdonge, Bourdange, Burdoux: Bijnaam Waals bourdouh: buiteling, tuimeling.

Bouré, Bourée, Bouret, Bouretz, Bourez, Bourette, Bourey, Bourré, Bourrée, Bourree, Bouret, Bourez, Boerez, Boeree, Boeré, Boerré: 1. Zie Boudré. 2. Oudpicardisch bouret: kuipje, tobbe. Beroepsnaam van een kuiper. 3. Eventueel variant van Boret.

Bourel, Bourelle, Boureau, Boureel, Bourrel, Bourreau, Borrel, Borel, Borelle, Borreel, Borriau, Borrias, Borriale, Borreale, Boero: 1. Oudfrans bourrel, Frans bourreau: beul. Beroepsnaam. Vergelijk De Beul. 2. Oudfrans borrel: harnas, gareel. Beroepsnaam van de gareelmaker. Vergelijk Bourlier.

Bourgault, Bourgau, Bourgaux, Burgaud: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam burg-wald 'burcht-heerser': Borgoldus. 2. Zie Bourgel.

Bourg, Bourges. Plaatsnaam Bourges.

Bourgeois, Bourgeos, Lebourgois, Bourgousi, Bourgois, Bourgoy, Bourgeais, Bourgeix, Bourgeys, Borgheys, Borghuis, Borgey, Borgeys, Borgeijs, Borghys, Borghijs, Borgys, Borgy, Bourgoo, Borgoo, Borgo, Burgho, Bourgeus. Familienaam uit het Franse bourgeois: burger, poorter. Vergelijk De Borger, de Poorter. Bo(u)rg(o) is de Vlaamse aanpassing van Bourgois, waarvan oi als scherplange gerealiseerd en gespeld werd (vergelijk Lannoy = Lannoo).

Bourget, Bourges, Borgé, Borgez, Borges, Bourguet, Borguet, Bourqué, Burguet: 1. Plaatsnaam. Afleiding van bourg: burg. Bourguet in Thiembronne en Tilques (Pas-de-Calais). 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse burg-naam.

Bourgeuil, Bourgeuille. 1. Plaatsnaam Bourgueil (Indre-et-Loire). 2. Variant van Bourguel(le) is misschien waarschijnlijker.

Bourgmeyer. Wel spelling van Duits Burgmeyer: boer die het land bewerkt van een burcht.

Bourgogne, van, Debourgogne, Debourgoigne, van Bourgognie, van Bourgonie, van Bourgoegnien, van Bourgoenien, van Bourgongnes, Bourgoignie, Borgonie, Borgoni, Bregonje, Bergoignie, Burgoyne: Streeknaam, het oude hertogdom Bourgondië, Frans Bourgogne. Ook plaatsnaam in Eernegem, Zonnebeke (West-Vlaanderen) en Hazebroek (Frans-Vlaanderen).

Bourgoin, Bourgouin, Bourguin, Bourgain, Bourgom, Bergoënd, Bergoend, Bourgonjon, Borgonjon, Borganjon, Bourguignon (de), Bourguignon, Bourguignont, Bourguinon, Bourguignion, Bourguignan, Bourguigon, Bourgignon, Bourgoignon, Bourgunons, Bourgonjon, Bourgonion, Bourgenjon, Bourgonje, Bourgoujon, Bourgoujan, Borguignon, Borgugnons, Burgugnons, Burgunons, Burguinions, Burginjon, Burgenjon, Burgonjon, Burguinon, Buginion, Burgunons, Burgenon, Bergognant, Bourguillioen, Borgilion, Borgilioen, Borgilion, Borgeljoen, Borgions: Bourguignon, volksnaam van de Bourgondiër, afkomstig van Bourgondië, Frans Bourgogne.

Bouricas, Bourikas, Bourichat, Bouriche, Bourichon, Bouriquet. Afleiding van Latijn burrus, Frans bourre: bruin

Bouriez, Bourriez, Bourrier: 1. Waarschijnlijk synoniem met Bourlier: zadelmaker. Beroepsnaam. 2. Plaatsnaam Bourie in Couthuin (Luik)?

Bourillon, Burillon, Burlion, Burléon, Burleon, Bourion, Burrion, Burion: Frans bourrillon, afleiding van Oudfrans borrel: harnas, zadel van lastdier. Beroepsnaam van de Bourrelier of zadelmaker. Afleiding van bourre, Latijn burra: grove wol, wolafval om kussens mee te vullen, op te stoppen.

Bourivain, Bourivin. Waals (Malmedy) bourivin: bars, nors, ruw. Bijnaam.

Bourland. 1. Plaatsnaam Souriant (Nord). 2. Variant van Bourlond.

Bourlart, Bourlard, Bourla, Bourlat, Borla, Burla. Naam uit het Oudfranse borrel. Beroepsnaam zoals het Oudfranse borrelier: maker van paardentuig.

Bourleau, Bourleaux, Bourlau, Bourlay, Bourloo, Borloo, Borloz, Burlaud: Afleiding van Oudfrans borrel zoals Bourlet.

Bourlet, Bourlé, Bourle, Bourlez, Borlet, Borlé, Borle, Borlee, Borlez, Berlé, Berlez, Burlet, Burley, Beurlet: Frans bourrelet: gevuld kussen. Beroepsnaam van de bourrelier: tuig- en zadelmaker.

Bourlier, le Bourlier, Bourrellier: Beroepsnaam. Oudfrans borrelier, Frans bourrelier: tuig- en zadelmaker.

Bourlon, Bourlond. 1. Plaatsnaam (Pas-de-Calais) en in Zullik en Hellebeek (Henegouwen). 2. Variant van Borlon.

Bournons. 1. Variant van Bernon: dit uit de vadersnaam Bernard. Zie Bernaerts. 2. Variant van Burnon: verbogen vorm van de Germaanse voornaam Bruno. Zie Bruin.

Bourgel, Bourghelle, Bourghelles, Bourguelle, Bourguel, Bourkel, Bourgault, Bourgaux, Bourgeau, Bourgeaux, Burgaud, Bergeus: Afleiding van Bourg: burg, burcht. Plaatsnaam Bourghelles (Nord).

Bournazel. Plaatsnaam (Aveyron, Tarn) van bornicellumafleiding van born 'bron'.

Bournonville, Burnonville, Bournouville: Plaatsnaam (Pas-de-Calais).

Bourotte. Luiks-Waals bouroute; kleine munt.

Bourqué. 1. Bourquet, van Bouriquet. 2. Plaatsnaam Bourquet in Wierre-au-Bois (Pas-de-Calais), zoals Bourguet (in plaats van Bourget).

Bourquin. 1. Afleiding van Germaanse bûr-naam; zie Burel 2. Bauduin dit Bureal Burquin de Huy, Luik. 2. Borkin, afleiding van bourg, naam van de inwoner van Saint-Hubert. 3. In Vauffelin was Bourquin in 1530 de verfransing van de voornaam Burki, van Burkhard.

Bourry, Bourrij, Bourij, Boury, Bourri, Bourit, Bouri: 1. Variant van Boudry. 2. Variant van Bouriez, Bourrier.

Bour, Bours, Bource: Frans bourse: beurs. Beroepsnaam van de beursmaker. Vergelijk Boursier, Beurskens.

Bourseau, Bourseaux, Bourseaut, Bourceau: 1. Afleiding van bourse: beurs. Vergelijk Beurskens. Beroepsnaam. 2. Plaatsnaam Boursault (Marne).

Boursier, Boursie, Boursiez, Bourcier: 1. Beroepsnaam van de beurzenmaker. 2. Beroepsnaam van de rentmeester, kashouder, ontvanger.

Boursin, Plaatsnaam Boursin (Pas-de-Calais).

Boursiquet. Hypercorrect voor Bouchiquet.

Boursky. Slavische familienaam.

Boursois, Boursoit. Plaatsnaam Borsoi in Gerin (Namen), (Bois-et-) Borsu (Luik): 1146 Bossoit; ook Borsu in Gesves (Namen) en Verlaine (Luzemburg) van bruscetum: struikgewas.

Bourson. Afleiding van bourse; beurs.

Bourtambour, Bourtambourg, Bourtembour, Bourtembourg: Plaatsnaam Burtombour in St-Georges (Luik?).

Bousema, Bouwsma: Friese vadersnaam. Bou(w)sma, afgeleid van de voornaam Baue, Boue uit de Germaanse voornaam Bavo of Bovo.

Bousin, Bouzin, Buzin, Busain, Busin, Buzeyn, Bezeijn: Vadersnaam. Romaanse vleivorm van Germaanse voornaam Boso. Vergelijk Boset.

Boussac, Bosack, Bosak: Plaatsnaam Boussac (Hte-Loire, Lot, Aveyron, Cantal, Creuse).

Boussemaere, Boussemare, Boussemaer, Bousenaert, Boussemart, Bousfemaere, Boessemaere, Bossemaere, Bossemaer, Boussemeart. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Boso, zie Boes, Boes-mer; beroemd.

Boussen, Boursen: Vadersnaam. van de Germaanse voornaam Boso, Boso. Boursen is een hypercorrecte spelling.

Boussifet. Zinwoord : Oudfrans buschier (van Oudnederlands bûschen): kloppen, slaan + Oudfrans fe(d): duivel. Sla de duivel. Naam voor een vechtjas. Vergelijk Bodifee. Vergelijk Boucheleu = Bouteleu.

Boussin. Vadersnaam. Variant van Bousin of Bossin.

Boussingault. Plaatsnaam. Oudfrans gault, van Germaans wald; woud. Bos van Boussin.

Boussu, Boussus. 1. Plaatsnaam Boussu (Henegouwen, Namen). 2. Variant van Bossu.

Boussy, Bousy, Boossy. Dialect vorm van Bouchy.

Bout, van den, van den Boudt, Verbout: Een van- naam is een herkomstnaam. Middelnederlands Bout betekent ‘ijzeren of houten bout; pijl; schenkel; teellid’. Misschien een plaatsnaam in die vorm? Vanbout(e) komt alleen in Henegouwenvoor. Vervorming waarschijnlijk = Vamboucq.

Bout, Boute, (de), Boutte, Bouten, Boute, Baute, Baut, Lebout, Leboutte: 1. Vadersnaam. Korte bald/bold-naam (Baldo), of verkorting van een ermee samengestelde naam (bijvoorbeeld Baldwin, Boudewijn). 2.Bijnaam voor iemand die boud is, dat wil zeggen ‘stoutmoedig, moedig, rustig, kalm’. Vergelijk stout en boud.

Bouteca, Bottecaer, Bottega, Botega, Bottegal, Bottégat: Picardisch boute ca(t). Oudfrans bouter: slaan + Picardisch cat: kat. Bijnaam voor iemand die katten slaat, wegjaagt. Vergelijk Bouteleux, Schietekat.

Boutefeu, Boutfeux, Boutfeu, Bouttefeux, Boutefeux: Oudfrans boute feu: brandstichter.

Boutefoy, Battifoy: Wellicht variant van Boutepois, met wisseling p/f. Zinwoord: Frans bouter: slaan, stoten + pois: erwt. Beroepsnaam van de erwtenstoter, -dorser, -handelaar. Vergelijk Duits Erbstôsser.

Bouteil, Bouteille, Bouteileje, Boutoille, Bououil, Boutuil, Bouteiller (de), Bouteillez, Bouteillier, Boutillez, Boutillier Bouthillier, Boutelier, Bouteliere, Bouteligier, Bouttellegier, Boutellegier, Boutelegier, Boutlegier, Bouttelisier, Bouttelizier, Bottelier, Botelgier, Bottelegier, Lebouteiller. Naam uit het Franse bouteiller, het Middelnederlandse bottelier. Beroepsnaam voor de bottelier, keldermeester of opperschenker. Maar ook voor de flessenmaker en de flessenhandelaar. Of voor de man die drank bottelt, op flessen trekt.

Bouteleux, Boutilleux: Zinwoord boute leu: sla de wolf. Bijnaam voor een wolvenvanger. Franse variant Bouteloup.

Boutemy, Boutmy, Bouttemy, Bouthemy: Boutemie is een zinwoord. Oudfrans bouter: kloppen, slaan + Oudfrans mie: nauwelijks, weinig, zelden. Bijnaam voor iemand die zelden slaat, vecht, eventueel ironisch bedoeld. Vergelijk Seldenslach.

Bouttcher, Boutcher. Aanpassing van Engels Butcher, Frans Boucher 'slager'.

Bouten, Boutens: Vadersnaam. Variant van Bouden(s), met verscherping d/t.

Bouter, Bouters, Bouterse, Bauters, Buijterse: Vadersnaam. Germaanse voornaam balth-hari ‘stoutmoedig-leger’. Baltherus.

Bouthors. Zinwoord. Oudfrans bo(u)ter: slaan, kloppen + hors: buiten. Bijnaam voor iemand die buiten slaat, vecht, een straatvechter of straatrover. Vergelijk Duits Strassenräuber.

Boutigny. Plaatsnaam Boutigny (Seine-et-Marne, Seine-et-Oise, Eure-et-Loir) of Boutignies in Grand-Reng (Henegouwen).

Boutique, Bouttique: Waarschijnlijk niet van Oudfrans boticle, Frans boutique uit Provencaals botica, Spaans bodega, Latijn apotheca: voorraadkamer, pakhuis, wijnkelder, bewaarplaats, winkel. Veeleer reïnterpretatie van Bouteca.

Boutkan: Uit Boutken, verkleinvorm van een boud-naam ?

Boutkens, Beaudequin, Baudequin, Bauckens, Bauckes, Baukes, Baukens, Baukus, Baeckenfs, Baecken, Bauquens, Boisdequin, Boidequin, Boitquin, Buytkens, Butkens, Butjens, Buttiens, Buttiëns, Buttjens, Buttgen, Biitgens, Biittgen, Beutjens, Boutquin, Botquin, Bodequin, Batkin: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Boudewijn.

Boutmans, Bouteman, Boutemans, Boutement, Bouttemann, Bouttemant: 1. Vadersnaam. Afleiding van Boud(ewijn). Vergelijk Boumans. 2. Beroepsnaam van de boutenmaker, ook pijlenmaker.

Bouton, Boutons, Botton, Boton, Boutton. 1. Naam uit het Oudfranse boton, het Franse bouton: knoop. Beroepsbijnaam voor de knopenmaker. 2. Of uit het Franse bouton: puist, knobbel. Bijnaam.

Boutreur. Variant van Boutreux/Boutroux, van Boute roue: paaltje dat moet verhinderen dat de wagenwielen de muur raken. Overdrachtelijk voor een klein mannetje.

Boutriau, Boutriaux, Bourtereau, Botterieaux, Botteriaux, Bottriaux, Bottreaux, Bottero, Botero, Bothorel: Oudfrans boterel: kleine pad. Bijnaam. Franse familienaam Boterel, Botereau.

Boutry, Boutrey, Boutrix, Bouttery, Bouttry, Bouttij: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam bôt-rîk; 'boete-machtig'. Of variant van Boudry.

Boutsen, Baussens, Botson, Bodson, Botsen. 1. Vadersnaam uit Boutszoon: zoon van Boudewijn. 2. Mogelijk ook een knuffelvorm van Boudewijn. Dan

ook weer patroniem uit dezelfde naam.

Boutteville. Plaatsnaam Bouteville, Charente.

Bouvaert, Bouuaert, Bouuart, Bouvard, Bouvart, de Boüard, Boùùaert, Boûûaert, Bouûaert, Boûuaert, Bovaert, Bovart, Boeva: Vadersnaam. Germaanse voornaam bov-hard; 'knecht-sterk'.

Bouvain, Bouvin: Variant van de familienaam Boivin, Boulv(a)in ‘boit (le) vin’, Bijnaam voor een wijndrinker.

Bouvlet, Boeuvelet, Beuvelet, Bieuvelet, Bieuvlet, Bievelet, Beuvelot, Bévalot: 1. Afleiding op -elet van Frans boeuf, dialect Waals bieu: koe, os. Bijnaam. 2. Vadersnaam van Germaanse voornaam Bovo. Vergelijk Bouvet.

Bouvencourt. Plaatsnaam Bouvancourt (Marne), Bouvaincourt of Bouvincourt (Somme).

Bouveret, Bovré, Bouveron, Bouveroux, Bouveroul, Bouvroux, Boveroux, Boveroul, Boveroulle, Bovroul, Bovroux: 1. Afleiding van Bouvier. 2. Vadersnaam van Germaanse voornaam Bovo; vergelijk Bouvet. 3. Of een afleiding van Oudfrans beveor, Frans buveur: drinker.

Bouvet, Bouvez, Bouvé, Bovet, Bove, Bovee, Bouvé, Buvé, Bouwet, Bouwez. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bovo. 2. Afleiding van het Franse boeuf: koe, os. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Bouvier, Bouvie, Bouviez, Bouvy, Bouvij, Lebouvier, Bovier, Bovi, Bovie, Bovir, Bovit, Bovij, (le) Bovy, Bowie. Beroepsnaam van de koewachter.

Bouvigne, Bouvignies: Eigenlijk twee verschillende plaatsnamen, namelijk Bouvignes-sur-Meuse (Namen) en Bouvignies (Henegouwen, Nord) of Bouvigny (Pas-de-Calais, Meuse). Aangezien de twee familienamen in Henegouwen voorkomen, zal het wel om Bouvignies gaan.

Bouville. Plaatsnaam (Seine-et-Oise, Seine-Mar., Eure-et-Loir).

Bouvrois, Bouvroy. Afleiding van Bouvier, Bovo of Buveur. Vergelijk Bouveret.

Bovijn, Bovyn, Boving, Boven, Bovens, Bouvijn, Bouvyn, Bouvin, Bouving, Bouvain. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bovo.

Bouvrie, de; de Bouvré: Frans familienaam Debouv(e)rie. Plaatsnaam Bouverie ‘runderstal, rundveebedrijf’.

Bouw, de, de Bauwe, de Bauw, de Bae. Bijnaam uit het Middelnederlandse boud(e), bouwe; stout, onversaagd.

Bouwel, van, van Bouwelen, van Bauwel, van Bouvelen, Bouwels, Bovele, Bauweleers, Bauwelers, de Beauwelaëre: Plaatsnaam Bouwel (Provincie Antwerpen).

Bouwens, Bouwense, Bauwens: Vadersnaam. Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord en hiaatvulling met de glijder w (vergelijk oude, van ouwe) van Boudens.

Bouwer, de. Beroepsnaam van de landbouwer. Middelnederlands bouwer; boer. Duits Bauer.

Bouweraerts, Bouweraertz, Bauweraetts, Bouweraets, Brauweraerts: Vadersnaam. Boudraad, Germaanse voornaam balth-rêd; ‘moedig-raad(gever)’: Baldrad.

Bouwhuis, Bouhuys, Bouhuijs, van den Bouwhuysen, Bouwhuijsen: Plaatsnaam Bouwhuis. Middelnederlands bouhuus ‘boerderij, hoeve’. Bouwhuis bij Hellendoorn, Overijssel, Zwolle, Overijssel, Groenlo (Gelderland), in Doetinchem (Gelderland). Vergelijk Bauhaus in Nentershausen.

Bouwman, Bouwmans, Bouma, Bauwman, Boumand, Boumen: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Boudewijn. 2. Beroepsnaam. Middelnederlands bouman ‘landbouwer, tuinman’.

Bouwmeester, Bouwmeister, Baumeister: Beroepsnaam van de bouwmeester, opzichter van openbare gebouwen. Ook Duits Baumeister.

Bouxsam, Bouxom, Boucksom, Bouckson, Bucsan, Buxant: Duitse familienaam Buchsam: beukenzaad.

Bouyssonnie. Plaatsnaam Buissonnier, afleiding van buisson: struik(gewas).

Bouzendorff. Plaatsnaam Butzendorf.

Bouzeyene. Arabische familienaam, misschien zoals Bouziane, van bû-ziyân 'mooi'.

Boven, Bovene, van: Iemand die hogerop woont. Vergelijk Van Buyten, Derboven.

Bovendaerde, Bovend'Aerde, Bovendeerd, Bovendeerdt, Bovend'eerdt, Bovendeaardt, Bovendeur, Boventer. Familienaam naar de woonplaats boven, voorbij de aard.

Bovenistier, Bovenisti, Bovenisty. Plaatsnaam Bovenistier (Luik).

Bovenkamp, van den: Wellicht plaatsnaam Bovenkamp ‘hoger gelegen kamp, veld’. Maar de naam kan zijn ontstaan door verkeerde lezing van Bonenkamp ‘bonenveld’, aangezien vroeger de letters n en v goed op elkaar leken.

Bovenkerk: Plaatsnaam Bovenkerk in Amstelveen (Noord-Holland) en Vlist (Zuid-Holland).

Bovenmans. Afleiding van Van Boven, van Ginderhoven.

Bovenrade. Plaatsnaam Boverath in Heinsberg (Duitsland) en Daun. Duitsland.

Boventer. Ook Duits Bovender, Boventer, zie Bovendaerde. Eventueel uit de plaatsnaam Bovenden, Duitsland?

Boverhoff: Plaatsnaam? Bovenhof ‘opperhof’?

Bovesse. Plaatsnaam, Namen.

Bovie: Picardisch of Waalse variant van Bovier, Bouvier, Beroepsnaam van de koewachter. Vergelijk de Boever.

Bovijn, Bovyn, Boving, Boven, Bovens, Bouvijn, Bouvyn, Bouvin, Bouving, Bouvain: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Bovo.

Bovoy, Bouvoie: 1. Verschrijving voor Beauvois. 2. Plaatsnaam in Witternesse (Pas-de-Calais)

Bowring, Bowering. Oudengels bûring, afleiding van bûr (Engels bower, Duits Bauer): woning, (buiten)verblijf.

Bowland. Plaatsnaam, Lancashire.

Bowman. Engelse beroepsnaam. Pendant van Boogman(s), Boghemans.

Bown. Plaatsnaam Bohon (La Manche).

Boxelaar, van; van Boxelaer, Boxelaere: Plaatsnaam Bokselaar in Lokeren (Oost-Vlaanderen).

Boxberger. Afleiding van de plaatsnaam Bocksberg (Duitsland) of Boksbergen bij Olst(Overijssel).

Boxel, van. Familienaam uit de plaatsnaam Boxel, Tilburg.

Boxem, (van), Van Bossom, van Boxom, Boksem: Plaatsnaam Boksem in Grimbergen (Vlaams-Brabant). Of plaatsnaam Boksum (Menaldumadeel, Friesland).

Boxho. Luiks-Waals bok'hô: bokking.

Boxlaer, van, van Boxelaere, van Boxelaer, van Bocxelaer, van Bocxaer, van Bockxlaer, van Bocxlaer,vVan Bockxelaere, van Bockxelaer, van Boexlaer, van Boxclaer. Familienaam uit de plaatsnaam Bokselaar (Lokeren) of Boxtelaar (Kasterlee en Gierle).

Boxman: Vadersnaam. Uit Boksma, Boxma, Friese afleiding van de plaatsnaam Boksum (Friesland).

Boxmeer, van. Plaatsnaam Boxmeer (Noord-Brabant).

Boxtel, van. Familienaam uit de plaatsnaam Boxtel, Noord-Brabant.

Boxus. Latinisering (klankverandering sk/ks) van plaatsnaam Bosquet: bosje, struikgewas: boscus.

Boxy, Bohy, Bohij, Bouxhy, Bouhy, Bouyi, Bouy, Boiy, Bouchy, Boussy, Bousy, Boossy: Waals bouhy, afleiding van Latijn boscus, Waals bousche: struik.

Boy, de, Boye, de, (de) Booij, (de) Booy, (de) Boi, Booi, Boyé, Boyens, Boyen, Boijns, Boijn, Boien, Boie, Boeijen, Boeyen, (de) Boeye, Boey, Boeije, Boeij, Boeyé, Boeyens, Boeye: 1. Middelnederlands boy(e), boey(e): broer, jongen, jochie, knaap, kameraad. Engels boy, West Vlaams boetje, boeten. Ook vadersnaam. Boye, Boje is een Friese en Nederduitse voornaam (zie Boysen). 2. Zie ook (de) Bode. 3. Soms is De Boey, van Du Boey, van Dubois.

Boyaval, Boyenval: Plaatsnaam Boyaval (Pas-de-Calais).

Boyce. Variant van Engelse familienaam Boy(e)s, Oudengels boia: jonge man, knecht. Vergelijk (de) Boy(e).

Boyé. 1. Verschrijving voor Boyer. 2. Variant van Boye met secundair accent.

Boyer, Boyez, Boyé, Bouyer, Bouyez, Bouyère, Bouyère, Boeyé, Bouhiere, Bouhier, Bouhière, Bouhyère : Plaatsnaam Bouhier, Boulère, Bo(u)yer, Bouyère, van Latijn bovarium, bovaria: runderfokkerij, runderboerderij, koeienweide. 1217 in campo de Bouiers, Prouvy. Plaatsnaam Boyer (Loire, Saône-et-Loire), Boyères (Indre-et-Loire).

Boytack. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Boudewijn.

Boijenas, van den: Vervorming van de familienaam van den Boeynants. Plaatsnaam Bodenhals in Mechelen.

Boijenk, Boyenks, Böing: Vadersnaam. Afleiding van de Germaans voornaam Boio.

Boy, Boye, (de), (de) Booij, (de) Booy, (de) Boi, Booi, Boyé, Boyen, Boyens, Boijns, Boijn, Boien, Boie, Boeijen, Boeyen, (de) Boeye, Boey, Boeije, Boeij,

Bozko: Misschien een spelling voor Frans Bosquaut, van Bosquel, verkleinvorm van bosc ‘bos, struikgewas’.

Bozon, Bosson, Bousson, Buzon, Busson: Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Boso.

Bozuwa: Misschien vervorming van Bouwsma.

Braadbaart. Nederlands Joodse familienaam, waarschijnlijk van breedbaard, zie Breebaert.

Braak, van den Braecke, Braeke, Braeken, Brakema, Braaksma, Verbraak, Verbraecken, Verbracken, Verbraeken, Verbraeke: Plaatsnaam Braak, Middelnederlands brake, braek ‘braakland’.

Braakenburg: Plaatsnaam Braakenburg in Arnemuiden (Zeeland).

Braakhekke: Plaatsnaam: hek aan een braakveld.

Braakman, Braakmans, Braeckmans, Braeckman, Brackman, Brackmans, Brakman, Brachmann, Brachman, Breeckmans, Breckmans,

Braquegnies, Bracquegnies, Brekmann: 1. Afleiding van werkwoord braken ‘breken, (vlas) braken; akkerland ploegen en braak laten liggen’. 2. Afleiding van van der Braken. Plaatsnaam, Middelnederlands brake, braek ‘braakland’. 3. De Braakman was ook een tak van de Honte of Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen, van Biervliet tot Philippine.

Braam, Braams, Braamse, Bramsen, Bramse, Braem, Braeme, Brame, Bramme Braems, braem, Breem, Breems, Brembs, Braham, Brahm: Vadersnaam. 1. Korte vorm van de Bijbelse voornaam Abraham. 2. De naam braam kan ook afgeleid zijn uit de braamstruik.

Braan: Vermoedelijk variant van Braam.

Braanker: Met achtervoegselsubstitutie (-er in plaats van -aar(d) uit de familienaam Branquaer, Brankart, Picardisch Brancard ‘grote tak’. Vergelijk Tak.

Braat, Braet: Samengetrokken uit Middelnederlands baraet, beraet ‘bedrog, list, bediegerij, bedrieglijk spel, goochelspel; drukte, verwarring, rumoer’, van Oudfrans barat.

Brabançon, Barbanson, Barbenson, Barbason, Barbasan, Barbazon, Barbazan, Le Barbenchon: Franse volksnaam van de Brabander.

Brabander, Brabandere, de, Brabanders, de Brabanter: Volksnaam van de Brabander, afkomstig uit het hertogdom Brabant.

Braband, van, van Brabant, van Brabande, van Braband, Brabandt, Brabant, Brabants, de Brabant, de Brabandt, Braibant, Braibans, Brebenat, Brebant, Brébant: Afkomstig van het hertogdom Brabant (nu de provincies Provincie Antwerpen Noord-Brabant, Vlaams-Brabant, Brussel en Waals-Brabant, het land ten oosten van de Leie werd van de 9de tot de 12de eeuw Brabant genoemd. Daarenboven bestaan er talrijke Brabant-toponiemen).

Brabander, Brabandere (de), Brabanders, de Brabanter. Volksnaam van de Brabander, iemand afkomstig uit het Hertogdom Brabant.

Brabander, van, Brabandere, van. 1. Contaminatie van Van Brabant en De Brabander(e). 2. Mogelijk familienaam uit de plaatsnaam Brabander (Venray, Nederlands-Limburg) of De Brabandere in Oostburg (Zeeland).

Braber, den; Brabers: Zeeuwse vorm voor de Brabander.

Brabon, Brabin: Engelse familienaam Braban(t), Brabon, Brabin, uit Brabant.

Brach, Braach, Brachfeld: Duitse plaatsnaam: braakliggend veld.

Brachet, Bracher, Brachais, Brachot, Brachotte, Braquet, Braquez, Bracqler, Bracqué, Bracquez, Bracké, Brackez: Bijnaam. Oudfrans brachet, Picardisch braquet: kleine brak (hond). Vergelijk Brak.

Brachthuizen. Plaatsnaam Brachthausen. Duitsland.

Bracké: Spelling voor Bracqué, van Picardisch Braquet ‘kleine brak(hond). Of gewoon Bracke met een accent aigu.

Brackmyn, Brakmeyn, Brakmyn, Brakmeijn, Brakmijn: Luikse familienaam. Wellicht vervorming van Brackman.

Braonnier, Braconier, de Braconier, Brakonier, de Brackenier, Bracquenier, Braquenier, Braquenié, Brackeniers, Brackenier, Brackeneer, (de) Braecke, Braeckennier, Bracquené, Bracquéné, Bracquene, Bracquiné, Bracqume: Beroepsnaam van de jager, jachtmeester, die met brakken (jaaghonden) jaagt. 1383 Jean le Braconnier (brengt de brakken van de hertog terug).

Bracops. Bracop, van bra: wenkbrauwen + cop: hoofd. Bijnaam voor iemand met een hoofd dat opvalt door de grote, borstelige wenkbrauwen. Vergelijk Nederduits Brakopp.

Bracquemond. Plaatsnaam Bracquemont, Seine-Mar.

Bradefer, Bradfer. Bijnaam Bras de fer: ijzeren arm, sterke arm.

Braden, van den. Waarschijnlijk Waalse verhaspeling van Van den Branden.

Brader, de. Beroepsnaam van de brader, de houder van een gaarkeuken, de kok. Een braderie was oorspronkelijk een gaarkeuken.

Bradier, Bradi, Brady: Beroepsnaam van de brader, kok. Midden Frans brader, van Middelnederlands braden. Bradi, Brady is Luxemburg Waals.

Bradley. Plaatsnaam (Lincolnshire, Berkshire): breed bos.

Braeke, Braeken: Variant van Bracke of van Braak.

Bracken, van (der), van de(n) Braak, van den Braek, (van) Bracken, in de Braekt, in de Braek, Verbraak, Verbraken, Verbraek, Verbraekken, Verbraeck, Verbraecken, Verbracken, Verbracke, Braken, Braeken, Braeke, Braack, Braach. Familienaam uit de veel voorkomende plaatsnaam Braak. Middelnederlands brake, braec: braakland. Braak, Eersel, De Braak, landgoed bij Paterswolde, Braak, polder bij Obdam, Braak, een waterloop in Noord-Holland.

Braekers, Brackers: 1. Beroepsnaam. Afleiding van Middelnederlands braken: breken, (vlas) braken; akkerland ploegen om het als braakland te laten liggen. Vergelijk Braakman, Duits Bracher. 2. Variant van Braeken.

Braekeveld, Braekevelt, Braeckeveldt, Braeckevelt, Braeckvelt, Brackeveldt, Brackevelt, van Braeckevelt, van Braekevelt, van Brackevelt. Reïnterpretatie van Braqueval. De familie Braquaval is afkomstig uit de streek van Moeskroen en trekt in de 16de eeuw naar de streek van Tielt, waar de familienaam op het eind van de 17de eeuw Brakeveld wordt.

Braembussche, van (den), van den Braambussche, van (den) Brambussche, Breembosch. Familienaam uit de plaatsnaam Braambos/Breembos: talrijk in West-Vlaanderen, in Alsemberg (Vlaams-Brabant), in Noord-Brabant (Nederland), Breembos, Nuenen.

Braemscheute, van der. Vondelingennaam; gevonden in een braamstruik.

Braemt (van der), Verbraemt. Familienaam ter Braemt, naar een plaats waar veel bramen groeiden.

Braes, Braas, Bras, Brass, Braz. 1. Naam uit het Middelnederlandse bra(e)s: arm, vadem. Bijnaam voor de meter. 2. Vadersnaam uit Braens, verkorte vorm van Abraham. 3. Familienaam uit de plaatsnaam Bra, de Lienne doorstroomt het dorp dat soms ook met Bra-sur-Lienne wordt aangeduid (Luik) of Bras, bij Libramont, Bras bij Bastenaken (Luxemburg). 4. Bijnaam uit het Nederduitse brâsch: lawaai.

Braggaar, Bragard, Bragar, Braga: Spelling voor Bragard, afleiding van Oudfrans braguer; ‘tooien, versieren, (zich) opschikken’. Bijnaam voor een opschepper, snoever.

Bragge: Misschien variant van Brakke, Bracke.

Bragt, van: Plaatsnaam Bracht/Brecht, van Germaans brakti, afleiding van breken ‘breking, hoogte’. Brecht (Provincie Antwerpen) en in Balegem (Oost-Vlaanderen). Bracht bij Aken, Dusseldorp, Munster (Noordrijn-Westfalen), die Hohe Bracht bij Siegen (Noordrijn-Westfalen).

Brahy. Luiks-Waalse vorm van Brahier. Beroepsnaam van de mouter.

Braitbart, Braibart, Brajbart, Braybart: Duitse beroepsnaam: breedbaard. Zie Breebart.

Braillar. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans braillier; schreeuwen.

Braillet, Braillon, Bralion: Afleiding van Braillard.

Braipson, Brepson, Brepsant: Dialect vorm van Brabançon.

Braive, Braiwe. Plaatsnaam Braives, Luxemburg.

Brak, (de), Brakke, Bracke, de Brack, Bracken, Brackx, Braks, Braeckx, Bracque, Bracq: Middelnederlands bracke ‘brak, speurhond, jachthond’. Oudfrans braque, van Germaans brakko. Bijnaam voor een jager.

Brake, ter, Braken. Adresnaam. Plaatsnaam Brake in Nedersaksen.

Brakel, van (den) Brakel, van Braekel, Braeckel, van Braekele, Brakels, de Braekel, Verbraeckel, Verbraekel, Verbrakel: Plaatsnaam Brakel (Gelderland Noord-Brabant, Noordrijn-Westfalen), ook Op -en Nederbrakel (Oost-Vlaanderen).

Brakeleer, de, Brakelaer, Braeckeleer, Brackelaere, Brackelere, Brackelère, Braekelaere, Braekeleer, Braekeleire, Braekeleir, Brakeleirs, de Brackelaere, de Braekelaere, de Braekelaer, Braekelaere, Braekeleer, Braekelleir, Braekeleire, Braekler, (de) Braquelaire, Bracquelaire, Brackquelaire, Desbraquelaire, Broquelaire, (de) Brackelaere, Brackelar, Brackeleer, Brackeleiere, Brackeleir, Brackeler, Brackelaire, Brackelère, Debranquelaire, Breekler, Breckler, Brakelman, Braeckelmans. Familienaam voor iemand afkomstig uit Brakel (Oost-Vlaanderen).

Brakelman, Braeckelmans: Afleiding van de plaatsnaam Brakel. Vergelijk Brakeleer.

Brakenburg, Braakenburg: Wellicht plaatsnaam Brackenborough (Lincolnshire).

Brakenhoff: Plaatsnaam Brackenhofen, plaatsnaam Brackenhofen in Betzenweiler, Brakerhof (Wissingen, Duitsland) Duitse familienaam Brakenhofer. Ook naam van verschillende boerderijen in de streek van Castricum (Noord-Holland).

Bral, (de) Braal: Samengetrokken uit Beral. Vadersnaam. uit Frans Béral, Bérault, Béraud, Romaans vorm van de Germaanse voornaam ber-wald ‘beer-heerser’: Beraldus.

Brameyer. Duits Brandmeier: meier, boer op een Brand (zie van den Brande).

Brammertz. Plaatsnaam Brammer, Duitsland.

Bramslevens. Dubbele vadernaam uit Braam + Lievens. Zie bij beiden.

Branchart, Brancar, Brancart, Brancaart, Branca, Brancard, Brancquart, Branquart, Branckaerts, Branckaer, Brancaers, Brankart, Brankaer, Brankaerts, Branquaer, Bracquaert, Braquaert: Afleiding van branche, Picardisch branque: tak. Frans branchard, Picardisch brancard: grote tak. Bijnaam. Picardisch ook overdrachtelijk: mannelijk lid, penis. Vergelijk Tack.

Branche, Branque, Labranche: Frans branche, Picardisch branque: tak. Bijnaam. Vergelijk Tack, Branchart.

Branckotte, Branckaute, Branchaute: Afleiding van Picardisch branque: tak. Vergelijk Brancard.

Brand, (de) Brandt, Brandts, Brands, Brandsen, Brande, Bransen, Brants, Brant, Brans, Brandts, Brandsma, Brantsema, Bransma, Brans, Brandsen, Brantz, Bran, Brans, (de) Brandt, de Brant, Brande, Gerbrands, Brens, Bronts, Brontz: Vadersnaam. Germaanse voornaam Brando ‘brand, zwaard’ of korte vorm van een brand-naam, zoals Eilbrand, Engebrand, Heribrand, Hildebrand.

Brande, Branden, van de(n), van de (r/n) Brand, van den Brandt, van den Brant, Vandenbrant, van Brandt, van den Branden: 1. Verspreide plaatsnaam (of beroepsnaam) ten Brande‘ plaats waar brandstof gehaald werd of verbrand terrein’ of waar het brandde (of waar iemand het kolenbrandersberoep uitoefende). 2. Een enkele keer komt Brant van Braemt (zie aldaar). 3. Familienaam uit de plaatsnaam 'Den Brand' (Retie).

Brandeis, Brandais. Plaatsnaam Brandeis in Bohemen.

Brandel, Brandelet, Borndellet, Brondel, Brondeel: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Brando.

Brandelard, Brandelaer, Brandeleer. Afleiding van Oudfrans brandeler, Frans branler: schudden, waggelen, wankelen. Bijnaam.

Brandenberg, Brandemberg: Plaatsnaam Brandenberg (als in Beieren). Het kan evenwel een variant zijn van Brandeburg, aangezien berg- en burg-namen vaak verward werden. Canterbury (van burg) bijvoorbeeld heette in het Nederlands Kantelberg.

Brandenburg, Brandenburger, Brandeburg, Brandebourg, Brandebourger: Plaatsnaam Brandenburg aan de Havel, in het land Brandenburg (Duitsland). Maar er is ook een plaatsnaam Brandenburg in het Groot-Hertogdom, waar de familienaam juist erg frequent is.

Brander, Branders, de Brandere, Branger, Brangers, Brandes, Brenders, de Brender, Brenters, Bronder, Bronders: Beroepsnaam van de ijker, die brandtekens aanbrengt. Of bijnaam van een brandstichter. Vergelijk Duits Brenner; iemand die bossen rooit door ze uit te branden. Brandi, Brandhuy: Vadersnaam. Afleiding van latinisering van Germaanse brand-naam, bijvoorbeeld Gerbrandi, Gerbrandy.

Branderhorst: Plaatsnaam, samengesteld met horst ‘kreupelhout, struikgewas, begroeide hoogte’.

Brandes: Door assimilatie rs van s uit Branders.

Brandhof. Plaatsnaam Brandhof in Merkem (West-Vlaanderen) en Nieuwenrode (Vlaams-Brabant). Ook Duitse plaatsnaam en familienaam.

Brandi, Brändli: Vadersnaam. Zuidduitse afleiding van Germaanse Brand-naam.

Brandin, Brandoit. Vadersnaam. Vleivorm van Brand.

Brandjes: Verkleinvorm van Brand.

Brandkamp. Plaatsnaam; afgebrand veld.

Brandligt. Plaatsnaam Brandlecht in Nordhorn.

Brando. Italiaanse vadersnaam van Germaanse voornaam Brando.

Brandon. Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van Germaanse voornaam Brando.

Brandstädter, Brandstätter, Brandstetter, Brandsteder, Brandsteert, Bransteert, Bronsteede. Bewoner van een brandstede: plaats waar brandstof bewaard wordt; verbrand gerooid terrein. Plaatsnaam Brandstätt, Brandstatt die vooral voorkomt in Beieren en Oostenrijk.

Brandwein, Brandwain. Duitse familienaam Brantwein(er) voor de wijnbrander.

Brandwijk, van, Brandwyk: Plaatsnaam Brandwijk (Zuid-Holland).

Brangers: Variant van Branders, met kustdialectische wisseling van intervocalise nd van ng.

Bransbercq. Familienaam in Henegouwen. Wellicht plaatsnaam Braunsberg, nu Pools Braniewo.

Branson. 1. Vadersnaam. Brançon, Romaanse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Brandzo, afleiding van een Brand-naam, zoals Hildebrand, Willebrand. 2. Plaatsnaam Branchon (Namen).

Banteghem, Brantegem (van), van Branteglem. Naam uit de plaatsnaam Brantegem (brant-heim) in Erembodegem, Haaltert, Kerksken, Mere, Vlierzele (Oost-Vlaanderen) en Baffe (Henegouwen).

Branten. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse Brand-naam, zoals Hildebrand.

Braquaval, Bracaval, Brackevalle, Brackeva, Brakeva. Naam uit de Moeskroense plaatsnaam Bracaval.

Brarens, Brarers: Vadersnaam. Noord-Friese voornaam Brar, naast Oost-Fries Bror, van Broeder, Broer.

Bras, Braes, Braas, Brass, Braz, Brasch, Brasz: 1. Naam uit Frans bras, Middelnederlandse bra(e)s: arm, vadem. Bijnaam voor de (land)meter. Ook als naam voor een maat. 2. Of uit het Nederduitse bijnaam brâsch: lawaai, voor een luidruchtig iemand. 3. Zie ook Braes. Eventueel Duitse familienaam Bras, zie Brasch. 4. Plaatsnaam, zie Debras.

Brasch, Bras: Nederduitse bijnaam uit Middelnederlands brasch: lawaai.

Braschkin. Russischefamilienaam. Slavische afleiding van Brasch, van de voornaam Bratomil of van Slavisch brat: broeder.

Brasfort, Braffort: Bijnaam Bras fort: sterke arm. Vergelijk Bradfer.

Brasier, Brazier: Afleiding van Frans braise: gloeiende houtskool. Beroepsnaam van de kolenbrander.

Brassart, Brassaert, (A) Brassard, Abrassart: Oudfrans brassart: armplaat (van wapenrusting). A Brassard = Au brassard: met de armplaat.

Brassel, Brasselle, Bresseel, Bressel, Bresseau, Bressau, Brassea, Brasselet: Oudfrans bracel: pois, armband; armplaat (wapenrusting).

Brasser, (de) Bresser, Bressers, Breser: Bijnaam voor de brasser, slemper, drinkebroer.

Brasseur, Lebrasseur: Franse beroepsnaam van de brouwer.

Brassine, Brassinne, Brassinnes, Brassiène, Brassiene, de la Brassinne, Brassine, Labrassine, Delbrassinne, Delbrassine, de Brasinne, Brassine, Delbressine, Debressine: Oudwaals brassine: brouwerij. Plaatsnaam (la) Brassine in Thines (Waals-Brabant), Sprimont (Luik), (Les) Brassines in Bombaye (Luik). Vaak beroepsnaam van een brouwer:

Braspenning, Braspennings, Braspenningx, Braspenninc, Braspenninincx, Braspenninxs, Braspennigx. Een braspenning was een zilveren munt ter waarde van 10 duiten. Het was een brouwpenning die de waarde had van de accijns voor een 'brouwte (brouwsel)' bier. De familienaam is de beroepsbijnaam van een brouwer, een belastingontvanger.

Braten. Noorse familienaam.

Bratman. Waarschijnlijk van Engels bradman; brede man.

Brattinga. Friese naam aangenomen door Sjoerd Sybolts in de eerste helft van de 18de eeuw. Hij woonde toen aan de Bratte 3 te Heeg. De Bratte is een vaart tussen Idzegaster Poel en De Lijtste Gaastmeer. De streek wordt ook wel de Burd genoemd en ligt tussen Heeg en Gaastmeer. De naam “Bratte” is wellicht verwant/afgeleid van “barte”. Een barte is een over een vaarwater gelegen vervoerbare brug zonder leuning, waarvan het dek uit twee houten liggers met beplanking bestaat. Ze kan worden verwijderd als een schip moet passeren. Over de Brat-sloot heeft wellicht een barte gelegen.

Brau, Braus, Braux: 1. Plaatsnaam Bras, Waals brau. 2. Zie Braud.

Braud, Braude, Brault, Braut, Braudé, Baule, Brau, Braux. Vanders naam uit de samentrekking van Beraud, Berode (zie Berwouts).

Brauman, Braumann. Duitse beroepsnaam van de brouwer.

Braun, Braune, Braum: Duitse bijnaam, pendant van de Bruin(e). Of vadersnaam van de Germaanse voornaam Bruno, vergelijk Brauns.

Brauner. Vadersnaam. Germaanse voornaam brûn-hari 'bruin-leger'. Brunarius.

Braunreuter: Afleiding van een Beierse Plaatsnaam Braunreuth ‘bruine rode, bruin gerooid terrein’.

Braunschweig. Plaatsnaam in Duitsland, Nederlands Brunswijk.

Braunshausen. Plaatsnaam in Duitsland.

Braunstein, Bronstein, Bronsztain, Brunstein: 1. Vadersnaam. Duitse pendant van Bruynsteen. 2. Plaatsnaam Braunstein, Brunstein, Brunsteen.

Bräutigam, Brautigam: Duitse verwantschapsnaam: bruidegom. Vergelijk Bruygoms.

Braux. 1. Zie Braud. 2. Plaatsnaam Braux (Basses-Alpes, Ard., Aube, Côte-d'Or, Marne, Hte-Marne). 3. Zie Brau.

Bravenboer: Bijnaam, vergelijk familienaam den Braven.

Bravin, Bravais: Afleiding van Brave, Brau, van Latijn barbarus: wild. Occidentaals :stier

Bravo. Wellicht van Italiaans bravo; moedig, flink, uitstekend.

Brawerman, Brawermann, Braverman. Beroepsnaam van de brouwer.

Braxel. Hypercorrect voor Praxel, afleiding bij Praxer: voerman op moeilijke bergtrajecten.

Braxhoofden. Wellicht plaatsnaam Hoofd: werk van rijshout en steen dwars op de oever, bijvoorbeeld de Delflandse Hoofden.

Bray, Braye, Braije, Braie, Brai, Braeye, Braeije, Breye, Brey, Breij: 1. Plaatsnaam Bray (Henegouwen), brago, Gallo-Romeins: moeras, slijk. Zie Debray, Dubray. 2. Eventueel van Oudfrans braie: korte broek. Bijnaam naar de kleding. 3. Eventueel van Oudfrans braie: zakvormig visnet. Beroepsnaam.

Brayeur, Brayer, Bréeur, Breeur: Afleiding van Oudfrans braier, broier, Frans broyer: malen, verbrijzelen, braken. Beroepsnaam, wellicht van de vlasbraker.

Brayette. Afleiding van braie; korte broek. Bijnaam.

Brebels. Naam uit Breebol voor iemand met een (brede bol) breed hoofd, vergelijk Breethooft.

Brebion. Afleiding van Frans brebis: ooi, schaap. Bijnaam. Vergelijk Schaep.

Brecht. 1. Vadersnaam. Korte vorm van een brecht-naam, Germaans berht; 'schitterend' in bijvoorbeeld Albrecht, Robrecht. 2. Korte vorm voor Van Brecht.  Verbrechte; zoon van vrouw Brecht.

Brecht, van (der), van der Breght, van Braght, van Bragt, (van der) Bracht. Familienaam uit de plaatsnaam Brecht/Bracht die uit het Germaanse brakti, afleiding van breken; breking, hoogte. Er is onder andere een Brecht in (Antwerpen) en in Balegem (Oost-Vlaanderen). Bracht bij Aken, Munster, Dusseldorp; die Hohe Bracht bij Siege.

Brechtmans. Afleiding van de familienaam Van Brecht.

Breckx, Brecx, Brex: Vadersnaam, afleiding van Brecht. Vergelijk Imbreckx = Imbrechts.

Brecville. Zinwoord: Oudfrans breker, van Nederlands breken + ville: stad, dorp, hoeve, landhuis. Bijnaam voor iemand die in landhuizen inbreekt.

Breda, van, Bredas, Brédas, Brédat, van Breda: Plaatsnaam Breda (Noord-Brabant).

Bréda, Brédat, Brédas: 1. Zie Breda. 2. Waalse vorm voor Brédart of Bredaut.

Bredael. Plaatsnaam Briedal bij Koblenz:

Bredam, Breedam, van. Plaatsnaam Breedam; brede dam, bijvoorbeeld 1353 in den Breeden Dam, Varsenare.

Bredael. Naam uit de plaatsnaam Briedel bij Koblenz.

Brédart, Bredart: 1. Oudluiks bredair: lang mes. 2. Waalse hypercorrecte vorm voor Breda of Bredaut.

Bredel, Bredaut, Bredo, Brédo, Bridel, Brido: Oudfrans bredel, bridel: breidel. Zie Breydel. Zie ook Bridou(x) 2.

Bredenkamp. Plaatsnaam Brede Kamp: breed veld, breed afgeperkt stuk land. Vergelijk Breedveld.

Breder: Vergrotende trap voor de Bree.

Brederode, Breder, van, van Brero: Plaatsnaam Brederode in Velzen (Noord-Holland) ‘uitgestrekt gerooid land’.

Bree, de; de Breed, Breet, Bredius, Breden, den Breejen, Debree, Debré, Debre, den Breejen: Bijnaam voor iemand met brede, sterke lichaamsbouw, een breedgeschouderde.

Bree, van, de, den, der, Verbree, van Brée, Vambre: Plaatsnaam Bree (Belgisch-Limburg) of in Haaksbergen, Overijssel en Rietveld (Zuid-Holland).

Breebaert, Breebaart, Brebart, Brebar, Brébart, Braadbaart: Bijnaam: met brede, volle baard.

Breede, Breeden, van den, van (den) Breen, van Breën. Familienaam uit de plaatsnaam Ten Brede in Opwijk (Vlaams-Brabant) en Lebbeke (Oost-Vlaanderen). 1415 Lodewijck van den Breeden.. op een stede gheleghen ten Breeden, Opwijk. Ten Breeden, tussen de Breestraat en de beek, was in de 16de eeuw nog bewoond door Van den Breen. Afgeleid van Ten Brande; plaats waar brandstof gehaald werd?

Breedenraedt, Brennenraedts: Beroepsnaam van een lid van de brede raad, ook wijde raad genoemd: grote raad. In tegenstelling tot de nauwe raad: geheim raadsman.

Breederland: Plaatsnaam ‘breed land’.

Breedijk, Bredijk. Plaatsnaam met een brede dijk als te Helmond. Bredijk in Zevekote.

Breedsteen. Plaatsnaam Brede Steen. Vergelijk Duits Breit(en)stein.

Breedstraet, van der Breetstraeten: Verspreide plaatsnaam Brede Straat, Breestraat.

Breedveld, Breedeveld, Brederveld: Plaatsnaam Breedveld in Groot-Bijgaarden (Vlaams-Brabant), Tourneppe of Dworp (Waals-Brabant), Breeveld in Schilde en Borsbeek (Antwerpen) en Woerden (Zuid-Holland). Een Nederlandse famille gaat terug op de plaatsnaam Breetvelt bij Zevenhuizen.

Breekpot, Breeckpot, Breckpot, Brepot, Brépot: Bijnaam voor een pottenbreker. Vergelijk Frans Brisepot, Duits Brekenap.

Breekweg. Zinwoord: die een wegge, wigge 'brood' breekt, afbreekt. Vergelijk Scheurwegs, Frans Brisemiche.

Breel: Plaatsnaam Brel, Breel, ontrond uit Broel, of uit Breuil ‘moerassig land’.

Breeman, Breemans, Breman, Mremans: Afleiding van van Bree of bijnaam ‘brede man’.

Breemersch, Breemeersch, van, van Bremeersch, Breemeesch, Bremeesch, Bremeels: Plaatsnaam Breemeers, Breemeersen: brede meers, beemd, onder meer in Oostkamp.

Breemes: Plaatsnaam Brêmes(Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen) of uit Bremers‘ van Bremen’ of Breems, van Braems?

Brehmen, Bremen, (van) Breemen: Plaatsnaam Bremen, de hanzestad, of Brehmen (Saksen), Bremen, Duitsland.

Breems, Brembs, Brems. 1. Naam uit de plaatsnaam Bremen (Duitsland). 2. Of zie Braam.

Breen, Breens Breëns, : Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit (den) Breden of verkort uit van Breen.

Breen, van: Plaatsnaam ten Breeden. 1415 Lodewijck van den Breeden.. op een stede gheleghen ten Breeden, Opwijk.

Breepoel: Plaatsnaam Breepoel‘ brede poel’. Ook familienaam Brepoels, Brepols.

Breesnee: Bijnaam ‘brede snee’?

Breethooft. Bijnaam voor iemand met groot, breed hoofd. Duits Breitkopf.

Breetvelt, Breederveld, Breedveld: Plaatsnaam Breeveld in Woerden (Zuid-Holland), Breetveld bij Zevenhuizen.

Breetwaeter, Breetwater, van. Familienaam uit de plaatsnaam Breedwater in St.-Omaars (Pas-de-Calais), (nu het Minnewater) in Brugge en als Breewater erg verspreid.

Breeveld. Plaatsnaam, Zuid-Holland, zie ook Breedveld.

Breeweg: Plaatsnaam Breedeweg in Groesbeek (Gelderland) en Bredeweg, IJsselmonde (Zuid-Holland).

Breeze, Breese, Bresen: Vadersnaam. Variant van Brose (Ambrosius) of Bryse (Brixius). Vergelijk Breuskin.

Breezypn van. Verdwenen naam uit brede + zijpe.

Brefort, Brefort, Breevaart: 1. Plaatsnaam Bredevoort (Gelderland). 2. Variant van Brasfort?

Bregentzer. Afleiding van de plaatsnaam Bregenz, Oostenrijk.

Brégy, Bregy. Plaatsnaam. Oise.

Brehain. Plaatsnaam Bréhain (Moselle, Meurthe-et-Mos.), Brehen in Marilles (Waals-Brabant).

Brehm Brehme. Plaatsnaam Brehm, Duitsland, Brehme.

Brehmen, Bremen, (van) Breemen. Familienaam uit de plaatsnaam Bremen, Brehmen: die op diverse plaatsen in Duitsland voorkomt. Bremer, Bremmer, Bremmers, Bremers, van Bremen.

Breidenbach, Brijdenbach, Breydenbach, Brydenbach: Plaatsnaam Breidenbach (Duitsland).

Breier, (de) Breyer, Breijer, Breyere, Breyre: Beroepsnaam van de wever of vlechter. Afleiding van Middelnederlandse werkwoord brei(d)en. 2. Beroepsnaam: bereider van maaltijden.

Breiltgens. Afleiding van Noordwest-Duitse vorm Breil voor Brühl: broel, beemd.

Breinig, Breinich. Plaatsnaam Breinig bij Aken.

Breine, Breine, van Braine. Plaatsnaam, ’s Gravenbrakel, Frans Braine-le-Comte (graaf), Eigenbrakel, Frans Braine-l’Alleud, Waals-Brabant, Kasteelbrakel, Frans Braine-le-Château, Waals-Brabant, Woutersbrakel, Frans Wauthier-Braine, Waals-Brabant, Woutersbrakel ontstond uit de in de 13de eeuw aan de gemeente gegeven Latijnse naam Brania Walteri, die vermoedelijk verwijst naar de ridder die hier woonde en het goed bezat. Oorspronkelijk heette de rivier de Hain Brakel (Frans: Braine), waarmee het zijn naam aan drie Waalse dorpen gaf. In Ophain heette het ook ri d'Ophain. Ophain, dat oorspronkelijk Op-heim betekende, werd in het Waals begrepen als op de Hain en zo ging men de rivier de Hain noemen. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt het riviertje soms ook verward met de Hene (Frans: Haine), waar het niets mee te maken heeft.

Breit, Breidt. Duitse bijnaam. Vergelijk De Bree.

Breitenstein, Breitstein, Breitsztein, Braitsztain, Bratsztein: Verspreide Duitse plaatsnaam. Vergelijk Breedsteen.

Breithof, Breithoff. Plaatsnaam Breithof? Of reïnterpretatie van Breithoft (zie Breethooft)?

Brejean, Bréjean: Variant van Franse familienaam Bregeand, Bretons Bregeon, Brejon: brouwer; afleiding van bregie: gerst waarmee hier gebrouwen wordt.

Brekel, van den, van den Breekel: 1. Plaatsnaam Brekel (Overijssel). 2. Variant voor Van Brakel.

Brekelmans, Breekelmans: 1. Afleiding van van (den) Brekel. Plaatsnaam Brekel, Overijssel. 2. Dialect variant van Brakelmans.

Breker, Breek: Beroepsnaam. Middelnederlands breker ‘die breekt, die vis gromt’. Het kan ook een bijnaam zijn voor een inbreker.

Brel. Plaatsnaam Brel uit Breil, Breuil: moerassig land. Vergelijk Broel. Brel in Templeuve (Henegouwen).

Bremaker, de, de Bremaecker, de Bremaeker, Debremaeker, (de) Bremacker, Brémacker, de Braemaeker, de Braemaker. Naam uit het Zuidoost Vlaamse breemaker: opschepper. Bijnaam. Vergelijk Duits sich breitmachen: gewichtig doen, zich laten gelden.

Bremdonckx. Brendonck: Plaatsnaam Breendonk (Antwerpen) of in Brasschaat (Antwerpen).

Bremekamp: Plaatsnaam. Ook Breemerkamp, Bremerkamp. ‘Bramenkamp’.

Bremer, Breemer, Bremers, Brehmer: Van Bremen of Brehmen.

Bremhorst. Plaatsnaam; hoogte met brem begroeid.

Bremken. Vadersnaam. Bra(e)mkin, afleiding van de Bijbelse voornaam Abra(ha)m.

Bremont, Bremond, Brémont, Brimont: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam ber-mund; 'beer-bescherming': Bermundus, Bremundus. 2. Plaatsnaam Brimont (Marne).

Brempt, van (den), van den Bremden, van den Bremd, van den Brem, van den Breemt, van (den/r) Brempt, van den Brembt, van Bremdt, Bremt, van den. Naam uit de plaatsnaam Bremt: plaats waar brem groeit: op diverse plaatsen.

Brendel: Vadersnaam. Verkleinvorm van de Germaans voornaam Brand.

Brene, Brenne. 1. Oude vorm van de Duitse beroepsnaam Brenner: kolenbrander, die een bos rooit door het te branden; vervaardiger van houtskool. 2. Plaatsnaam Brennes (Hte-Marne).

Brenard, Brenart, Brenaert. 1. Klankverandering van Bernard. 2. Zie Breyna(e)rt.

Brendan. Vadersnaam. Ierse voornaam Brendan/Brandaan. De Ierse abt Brandanus (485-576) werd een legendarische en zelfs literaire fïguur.

Brendel, Brendels, Brentel: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Brand.

Brendjens, Brendgens, Brentjens: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Brand, Hildebrand enz.

Brenet, Brenette, Brenez, Brainez: Vadersnaam. Klankverandering van Bernet. Vergelijk Brenard.

Brennan. 1. Oudengels. brennehand: brand de hand. Bijnaam van de beul die de gerechtelijke foltering moest uitvoeren, het branden van de hand. 2. Of veeleer door assimilatie (nd/ri) uit Brendan?

Brenneisen. Beroepsnaam van de smid, die het ijzer brandt, in het vuur doet gloeien.

Brenning, Brenninck ,Brennink, Brennig, Brenig, Brennecke, Brenneke, Brenke, Brennigke: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Brant. Variant van Brending, Brendeke, Branding, Brändink, zo ook bij de samengestelde naam Brenninkmeyer.

Breny, Brenu. 1. Plaatsnaam Breny (Aisne). 2. Luxemburg Waalse vorm van Brenier = Bernier.

Brenkelen, van: De naam is ontstaan door een leesfout voor van Breukelen (Utrecht).

Brenk, van. Adresnaam. Plaats in Rijnland-Palts of van Brink, dorpscentrum.

Brepoels, Brepols: Plaatsnaam Brepoel, Breepoel, Breepoels: brede poel. In Molenstede (Vlaams-Brabant).

Bres, de: Verkort uit de Bresser.

Bresijn, Brezins: Vadersnaam. Vleivorm van Brixius (vergelijk Brissinck) of Ambrosius (vergelijk Breeze).

Breslau, Breslauw, Breslav, Breslaw: Plaatsnaam Breslau in Silezië, Pools Wroclaw.

Breshouwer: Vermoedelijk een vervorming van de Nederlands familienaam Brethouwer ‘houwer, zager van planken’.

Bressan, Bressand, Bressant. Afkomstig uit La Bresse, Vosges.

Bresseleers, Brasseler. Familienaam uit brasseren, brassen: bijnaam voor een brasser.

Bressem, van, van Bressen. Familienaam uit de plaatsnaam Breisem in Kumtich (Vlaams-Brabant).

Bresson, Berson: Vadersnaam. Vleivorm van Brice, Brès, de heiligennaam Brictius.

Bressoux, Bresou, Bresoux, Bresous, Brésous, Bersoux, Bersou, Bersoul: Bressoux is een plaatsnaam (Luik), Waals bersoû (klankverandering), ook in La Gleize, Francorchamps, Waismes (Luik). Maar de familienaam komt hoofdzakelijk in Henegouwen voor; alleen Bersoux komt in Luik (6x) voor. Daarom is deze familienaam wel een variant van de Henegouwse familienaam Brisoux.

Brest. Plaatsnaam, Bretagne.

Bresto: Variant van de Belgische familienaam Bristot, dat is Frans brise tout ‘die alles breekt’.

Brestrich. Oostduitse, Slavische plaatsnaam.

Bretagne. Afkomstig van het hertogdom Bretagne.

Bretel, Breteau, Britelle, Britel, Brotelle, Bruteau: 1. Beroepsnaam. Bretelle: schouderriem. Of Bretel = Bridel: breidel? 2. Breteau en Bruteau kunnen metathetische variant zijn van Berteau.

Breton, Bretton, Brette, Bret, Breth, le Breton, Britton, Lebreton, Lebriton, Bourton, Burtont, Burton, Leburton, le Bret, Lebrett: Bret(on), herkomstnaam van de Breton, uit Bretagne. Bretonnet, Bretones is er een afleiding van.

Brettler. Ontronde vorm van Brotler.

Breuck, de. Debreuck = Dubreucq.

Breugel, van, van Brugel, Breugelmans, Breugelman, Breughelmans, Brogelmans, Bruegelmans, Bruglemans, Brügelmann: Plaatsnaam Breugel dat is een moerassig en/of bosrijk gebied. (Noord-Brabant). Verscheidene dorpen ontlenen ook hieraan hun naam: Breugel (Noord-Brabant), Brogel (Limburg).

Breuillard, Breuillé, Breulet, Brouilliard, Brouillard: Afleiding van Oudfrans breuil, broil: bos, struikgewas, bosachtig moerassig terrein.

Breukeleers, Breuckelaers, Breuckeleers: 1. Afkomstig van Breukelen. 2. Maar misschien wel variant van Beukelaers met r-epenthesis (vergelijk Brauweraerts).

Breukelen, van. Plaatsnaam, Noord-Brabant, Utrecht.

Breukelman: Afkomstig van Breukelen (Noord-Brabant, Utrecht). Of gewoon reinterpretatie van Breugelman.

Breukink. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse burg-naam. Vergelijk Brock. Nederlandse familienaam Brokking.

Breulheid, Breulhez. Plaatsnaam breul; broel + Waals hé: beukenbos, beboste helling.

Breuls, Brels. Naam uit de plaatsnaam Broel, Breugel: natte weide, beemd.

Breuls, de Tiecken. Adellijke familie. 1. Breuls: zie hierboven. 2. Tiecken verwijst wellicht naar een kleinere plaatsnaam. Of mogelijk ook verwijzend naar een familienaam (bijvoorbeeld langs moederskant): Tiecke. Deze naam komt nog in Nederland en in België voor en is een afleiding van Theobald.

Breuseghem, Breusegem, (van), van Brusegem, Brusegan. Familienaam uit de plaatsnaam Brussegem (Vlaams-Brabant).

Breuskin, Bruskin, Brusquin: Vadersnaam van de heiligennaam Ambrosius.

Breuze, van, (van) Breuse, Wambreuse, Wambeuze: Plaatsnaam Breuze in Kain en Mourcourt (Henegouwen).

Breval, Breuval, Briaval, Brival: Plaatsnaam Bréval (Seine-et-Oise).

Brever, Brevers, Bréver, Brévers, Brévert: Waalse aanpassing en spelling (v=u) van Breuer(s).

Brevery. Plaatsnaam Breuvery, Marne.

Brevet, Brevot, Brevé: Bijnaam. Verkleinvorm op –et van Frans bref ‘kort, klein’. Vergelijk Lebref, de Cort(e).

Breviel: Vervorming van de Franse en Belgische familienaam Brecville. Een zinwoord, samengesteld uit Oudfrans breker, van Nederlands breken + ville ‘stad, dorp, landhuis’. Bijnaam voor iemand die in landhuizen inbreekt.

Brévière, Brevière, Breviere: Plaatsnaam Brévière (Oise, Calvados).

Breij, Brey, Breye: 1. Korte variant van de Breijer; wever, vlechter. 2 Uit Bray, plaatsnaam (Henegouwen). familienaam Debray, Dubray.

Breydel, Breydels, de Breyel, de Breijel: Bijnaam naar de breidel, de teugel of toom van een paard. Beroepsnaam voor de paardenknecht, ruiter of voerman of voor de breidelmaker. Palfreniers heetten in het Middelnederlands ook 'ghesellen te breidele'.

Breynaert, Breynart, Breynaerts, Brainard, Brainart, Brinaert, Brina, Brijnaert, Brynaert, Brynart, Bruynaert, Bruijnaers, Brenard, Brenaerd, Brenaert, Brenart, Brenort. Naam uit de plaatsnaam Braine (Franstalige variant van Brakel), Breyne. Zie ook Brunard.

Breijaert: Vernederlandste vorm van Briard (zie Briars).

Breijer: Beroepsnaam van de breier ‘wever, vlechter’.

Breyre. 1. Waals, Malmedy: brèyîre, Frans bruyère: heide. 2. Zie Breier.

Breyssem, Breysem. Plaatsnaam Breissem in Kumtich, Vlaams-Brabant.

Brezing. Vadersnaam. 1. Duits dialect ontronde vorm van Brôsing, afleiding van Ambrosius. 2. Zie Brissinck.

Briac. Naam van een lerse heilige, die in Boubriac (Bretagne) in de 6de eeuw stierf.

Brialmont, Briaimont, Briamont: Plaatsnaam in Chênée en Tilff (Luik).

Briard, Briart, Briade, Brias, Briat, Briatte, Bréard, Bréart, Breard, Breart, Breyaert, Breijaert: 1. Herkomstig van Brie, streek ten oosten van Parijs. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Aubriart, afleiding van Aubry.

Bribosi, Bribosia. Waalse vorm (Namen) op –ia, van -iau, -d, van bribozè: vuil maken, bekladden, bemorsen, vooral het gezicht zwart maken. Nijvels bribouzé: vuil. Bijnaam.

Briaire: Variant van Briars? Of Franse uitspraak van Breijer?

Briars, Breas: Briard, afleiding van de Plaatsnaam Brie, streek ten oosten van Parijs.

Bricard, Bricar, Bricart, Brika, Brikat, Bryckaert, Brichard, Brichart: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans bric, Germaans bricco: gek, zot.

Briceno, Bricenõ. Vadersnaam uit Bricio, dit uit het Keltische Brice. Zie verder bij Brixius.

Brichand, Brichant. Variant van Bréjean of leesfout voor Brichaud? Gaat in geen geval terug op 1267 Nicholes Bricham.

Breas, zoals de Belgische familienaam Brias, eigenlijk Bria, van Briard.

Bridé, Briedé: Spelling voor Frans Bridet, verkleinvorm van bride ‘breidel’.

Brichet, Briché, Bricher, Brichot, Brixho, Bricot, Brico, Brocotte, Brisset, Brissez, Brisé, Brissé, Bricon, Brisson, Brison, Brisot, Brisquet, Briquet, Bricquet, Briket, Briké, Brihet. Vadersnaam, knuffelvormen van de voornaam Bric(h)e, dit uit de heiligennaam Brictius/Brixius.

Briquet, Brusket: Vadersnaam. Picardische variant van Frans Brichet, vleivorm van Briche, de heiligennaam Brictius. Brusket is een geronde variant van Brisquet. Vergelijk Brik.

Bricheux, Plaatsnaam in Bra, Luik.

Bricoult, Bricout, Bricoux, Bricou, Bricoup. 1. Afleiding van Oudfrans bric: gek, zot. 2. Plaatsnaam Bricoult in Thulin (Henegouwen).

Bricourt. 1. Plaatsnaam in Apremont (Ardeche). 2. Variant van Bricoult.

Bricteux, Brickteu: Beroepsnaam Briqueteur (Waals brikteu), Frans briquetier: steenbakker.

Bricusse. Vadersnaam. Variant van Brix(ius).

Bride. Beroepsnaam. Frans bride: breidel. Vergelijk Breidel.

Bridelance, Bridelence. Variant van Briselance (metz/rf-wisseling zoals Bazelaire/Baudelaire). Zinwoord: die de lans breekt. Bijnaam voor een ridder die aan toernooien deelneemt. Vergelijk 1400 Willem Breecspeere, Kortrijk, Engels Breakspear.

Bridoux, Bridou, Bredoux, Broutout, Broutoux, Brutout, Brutoux: 1. Vadersnaam Wellicht door dissimilatie van Blidoul, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Blidolf, Blidulf(us). 2. Beroepsnaam. Afleiding van Frans bride: breidel. Vergelijk Bredel.

Briefjes, Brieve, Brieven: Beroepsbijnaam van de schrijver, geheimschrijver, klerk. Zo ook Brievere, Brievere, de.

Briel, van de(n), van den Briele, van Briel, van de (n) Bril, Brill, Bril, Brils, Briels, Briël, Brielman, Brilmans, Brilman, Brilleman. Plaatsnaam Brielle; moerassig terrein (Zuid-Holland): 1316 ten Briele, 1345 den Briel, maar ook (den) Briel in Wulpen, een verdronken eiland bij Cadzand (Zeeland):

Brielsman: Afleiding van van den Briel.

Brien, O'Brien, Brienne, Briand, Brian, Briannt, Bryanft, Bryans, Briaen: Vadersnaam. Keltische voornaam. Iers Brian. Engelse familienaam Brian, Frans Brian(d).

Brienen, van, van Brien, Briene, Brijnen. Vadersnaam, plaatsnaam Brienen bij Kleef, Kleve.

Brienesse. Ontronde vorm van Nederlandse familienaam Bruinis, met variant Breunesse, Breunis, Bruijnis. Plaatsnaam Bruinisse (Zeeland).

Brienne, Bruienne, Bruyenne, Bruyennes: 1. Plaatsnaam Brienne (Saône-et-Loire, Aube, Ard.). 2. Zie Brien.

De Brier, Brierre, Briere, Brière, Briers, Bryere, Bryers, Brieders. 1. Limburgse vorm van brouwer. Beroepsnaam. 2. Zie ook Broeder.

Brière, Brierre, Briere, Bryere: 1. Grafîe voor Bruyère. 2. Waalse aanpassing van Brière uit Briedere; zie De Brier.

Bries. 1. Zie Briers. 2. Spellingvariant van Brys, vadersnaam uit de heiligennaam Brixius.

Briet, Briët, Briëtez, Brietez, Brieté, Brietee, Briais. Vadersnaam, verkorting van Abriet/Aubriet, dit zijn afleidingn uit de voornaam Albert, Aubry, Alberik.

Briffaux, Brifaut, Briffaut, Briffoz. Bijnaam uit het Oudfranse brifaud: slokkop, gulzig iemand.

Briffaers, Briffaerts, Briffa, Briffart, Bruffaerts: Afleiding van Oudfrans brifer: gulzig eten, schrokken. Bijnaam voor een gulzig eter. Vergelijk Briffaut. Briffeuil. Plaatsnaam Briffoeil in Wasmes-Audemez (Henegouwen).

Brigaerts, Briga: De vorm op -aert kan hypercorrect zijn via Waals Briga voor Brigaud, maar kan ook een afleiding zijn van Oudfrans brigue: twist, ruzie, net zoals Brigaud.

Brigand, Bregand, Bregant, Brégand, Bringand: Midden Frans brigand: krijger te voet, soldaat.

Brigaude, Brigoode, Brigode, Brigou, Brigoude, Brigonde, Brigotte, Brygo: 1. Bijnaam. Afleiding van briguer: twisten, ruziemaken. 2. Plaatsnaam. Zie De Brigode.

Briggheman, Breggeman, Bregman, Brigmane, Brickman, Brickmanne, Bricmaan, Bricman, Bricmanne, Bricmant, Bricquemanne, Briquemanne, Briqmane, Bricqmane, Bricqman, Bryckman, Brykman: 1. Ontronde vorm van Bruggeman. De vormen met k zijn te verklaren door Waalse aanpassing. 2. Waalse verschrijvingen voor Brekman/Breeckmans; zie Braakman.

Brigitta, Brigitte: Moedersnaam. Voornaam Brigitta, gelatiniseerde vorm van Oudiers Brigit.

Brigué, Brigue, Brigé, Brige, Brigez: Oudfrans briguet: zoon van adellijke vader en niet adellijke moeder. Of variant van Briquet?

Brik, Brike, Bricq, Bricke, Brick, Brik, Briks, Brics, Brix: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Brictius. Brixius.

Brikelet, Briclet, Briquelet: Vadersnaam. afleiding van Brique, Sint Brictius. Vergelijk Briket.

Bril, de, Brille, Brill, Brils, Bryl, Bryll: 1. Beroepsnaam van de brillenmaker. Vergelijk familienaam Brilleman, Brilmaker. Of bijnaam voor een drager van een bril. 2.Verkort uit van den Bril, van van den Briel.

Brilleman, Brilmans, Brilman. 1. Beroepsnaam van de brillenmaker. 2. zie ook Briel.

Brilantstein. Duits Joodse naam; briljantsteen.

Brillant. Frans brillant; schitterend.

Brillard, Brillat, Brillet, Brillez, Brilliet, Brillois, Brilloit, Brillon, Brillion, Brillot, Brillo, Brilot: Afleiding van Oudfrans bril: val, valstrik om vogels te vangen. Ook Oudfrans brillet. Bijnaam van de vogelvanger.

Brilleman, Brilman, Brilmans. 1. Beroepsnaam van de brillenmaker. 2. Zie Brielman.

Brillens. Hypercorrect voor Brils.

Brilleslijper. Beroepsnaam van de slijper van brillenglazen.

Brilmaker, Brilmacker, Brilmaecker, Brilmakère: Beroepsnaam van de brillenmaker.

Brilmayer, Brimeyer, Brumeyers: Duits Brielmeier, Brùlmeier: meier op een Bruni.

Brimbert. Vadersnaam. Ontrond (Henegouwen) van Germaanse voornaam Brunbert?

Brimbois. Afleiding van brimbe: zaak van weinig waarde?. Of veeleer van Brisbois, met epenthetische nasaal.

Briment. 1. Zie Bremont. 2. Plaatsnaam Brimont (Marne).

Brimioul, Brimioulle. Brumioul: Plaatsnaam in Ans (Luik).

Brimmel. Duitse ontronde vorm van Brummel, Nederduits Brümmel (Hamburg). Bijnaam voor een brommer, brombeer.

Brin. Wellicht van Berin, vleivorm van Bernard, of door dissimilatie van Benignus.

Brine, Bryne: Ontronde vorm van Brune, Bruine?

Brink, (ten); van den, der Brink, te(n) Brinke, Brinks, Brings, Brinksma, Brinkers, Brinck, van Brincken, Tenbicq, Teblick, Téblick: Oostelijke plaatsnaam Brink‘ (gras)rand, open ruimte bij een erf of in een dorp, dorpsplein’.

Brinckman, Brinckmans, Brinkman, Brinkmann, Brynckman, Bringman, Bringmans, Brengman, Brinkmans, Bringhmans. Afgeleid op – man van Van den Brink.

Brinkenberg: Oostelijke plaatsnaam.

Brinkerhof. Plaatsnaam in Schalksmuhle, Duitsland.

Brinkers, Brenkers. Bewoner van een brink.

Brinkhaus: Overijsselse plaatsnaam Brinkhuis, bijvoorbeeld in Hengelo Overijssel.

Brinkhof, Brinkhoff, Brinkhuis, Brinkerhof. Adresnaam als te Norg, Rinteln, Duitsland.

Brinkhuis, Brinkhuizen, Brinkhuyzen, Brinkhuysen. Plaatsnaam; huis op een brink, Brinkhuis in Hengelo en Reutum.

Brinon. Plaatsnaam (Nièvre, Cher).

Briois, Brior: Afkomstig van Brie.

Brion, Brioen, Bryon, Brijon: Vadersnaam. Korte vorm van Abrion, Romaans vleivorm van de voornaam Albert. Briot, Brio(d): Vadersnaam. Korte vorm van Abriot; vergelijk Brion.

Briou, Brioul, Briol: 1. Variant van Bridoux? 2. Korte vorm van Abrioul, vleivorm van Albert (vergelijk Brion). Of Abriou(x) als Zuidfranse vorm voor avril: april.

Briquemont, Bricmont, Bricmond: Plaatsnaam Briquemont in Mont-Gauthier (Namen).

Briqueneer. Misschien van Briconnier, zoals Oudfrans briconie: gekheid, van Oudfrans bricon: gek, dwaas, deugniet.

Brisbois, Brisebois, Brébois, Brebois: 1. Brise bois: die (in) het bos (in)breekt, die inbreuk pleegt op de boswetten, houtdief, stroper, Duits Waldfrevler. 2. Plaatsnaam Brichebo in Vezin (Namen), Briexbois (Luik).

Brisac, Brisack, Brisacque, Brisacq, Brisaeck, Brizacq, Bresacq: Plaatsnaam Brisach, de in Frankrijk gebruikelijke vorm voor Breisach in de Breisgau (Elzas), die in het lokale dialect Brisach uitgesproken wordt.

Brisard, Brisart, Brisar, Brisaert, Brisaer, Brizard, Brizar, Brésart, Brésar, Brésard, Bresart. 1. Afleiding uit het Franse briser: breken (bijnaam of beroepsbijnaam). 2. Zie ook Brissaud en Brissard.

Brisbart, Brisbaert, Brysbaert, Brijsbaert: Frans Brisebarre: die de slagboom, afsluiting doorbreekt, dus: inbreker, rover.

Brisco, Briscot, Brisko, Briskot, Brixho, Brixko: 1. Brise cou: die zijn nek breekt. Bijnaam voor een waaghals. 2. Plaatsnaam Briscol in Erezée: gevaarlijke plaats waar men zijn nek dreigt te breken. Waals brîhcô.

Brisepot. Bijnaam voor een pottenbreker, vergelijk Breekpot.

Brisfer, Brisfert. Brise fer: die ijzer breekt. Bijnaam voor een sterke kerel. Duits Brecheisen.

Brismail, Brysemael, Bresmael, Bresmal: Zinwoord: briser: breken + Oudfrans mail: hamer, strijdhamer, knots. Dapper krijger, die wapens breekt. Vergelijk Bridelance.

Brismez, Brismé, Brisme, Brismee, Brismet, Brismer: Bijnaam brise: breek + Oudfrans mes, van Latijn mansum: woning, huis. Bijnaam van een inbreker, die in huizen inbreekt, die huisbraak pleegt. Vergelijk Middelnederlands huusbreker. Zie ook Brismoutier.

Brismoutier, Brismoutiez, Briesmoutier: Zinwoord: Brise: breek + moutier: munster, kerk. Bijnaam voor een (Middelnederlands) kerkbreker, kerkdief, die in kerken inbreekt. Vergelijk Brismez.

Brisoux, Brisol, Bressoux, Bresoux, Bresou, Bresous, Brésous, Bersoux, Bersou, Bersoul: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Brisolf.

Brissard, Brissa, Brissart, Bressard, Bressart, Brichard, Brichart, Brixka, Briska. 1. Vadersnaam. Eventueel hybridische voornaam uit Brixius + Germaans wald: Briceoldus. Of veeleer afleiding op –el (Luxemburg Waals -ay) van de voornaam Brice. vergelijk Brichet.
Brissaud, Bressau, Bresseau, Brescheau, Brisau, Brichaut, Brichau, Brihay, Brihaye. 
1. Vadersnaam uit Brixius + wald. 2. Of vadersnaam uit Brice.

Brissinck, Bryssinckx, Bryssinck, Brijssinckx, Brijssinck, Briessinckx, Briessinck, Bressinck, Bressink, Brezing. 1. Vadersnaam, afleiding van de voornaam Brijs, van Sint Brictius. 

Bristot. Zinwoord: brise tout: die alles breekt.

Brisville. Zinwoord: brise ville: die in het landhuis inbreekt. Vergelijk Brecville, Brismez, Middelnederlands huusbreker.

Brisy, Brissy: 1. Plaatsnaam Brisy in Cherain, Brissy (Aisne). 2. Spellingvariant van Brixy.

Brit, de. 1. Volksnaam van de Brit. 2. Debrit spelling voor Debrie?

Brito (de), Britte, Britten, Bridts, Brits, Bryt. Vadersnaam, de volksnaam van de Britten werd ook als volksnaam gebruikt.

Brits, Bridts: 1. Vadersnaam. Picardisch Bric(h)e, van Sint Brictius. Zie ook Brike. 2. Middelnederlands britse, Oudfrans briche: damschijf. Vergelijk De Dammer. 3. Zie Brito.

Britsom, van, van Bristom, van Bristum: Plaatsnaam Britsum (Friesland).

Brixius, Bryxis, Brixhe, Brix, Briche, Brice, Bryche, Bryce, Brisse, Brise, Bries, Brijsens, Brijs, Bryssche, Brys, Brysens, Brysz, Brysse, Bryse, Brijssens, Brijsse, Bryssens, Bryssen, Breyssens, Breysens, Breijssens, Breijsens, Briesse, Briese, Briesen, Breesch, Brees, Breës, Brice. Vadersnaam uit de heiligennaam Brictius/Brixius. Brys en Bries zijn Vlaamse verschrijvingen van de Franse vorm Brice. Tot in de 16de eeuw konden Brijs en de afleiding Brijssinck naast elkaar voorkomen.

Brixy, Brissy, Brisy, Bressy: Vadersnaam. Sint Brictius.

Brizee, Brizu: Brisé is een variant van Brichet, verkleinvorm van Brice, De heiligennaam Brictius.

Brodehoux, Broudehoux, Broudeou, Broudeoux, Brodéoux, Broudioi, Broidioi, Brodioi: Zinwoord: broude hourt. Het tweede element is Oudfrans hort, horde: afsluiting, hek. Wellicht beoepsnaam van de vlechter van heggen.

Brohon, Brouhon, Brouxhon, Brouckson, Brouckxon, Brouckx, Broecx, Broeckx, Broekson, Fries Broekema, Broeksma, Broeksema, Broenes (allen zoon van Broek, Broeke of Bruco): Oudfrans brohon uit volkslatijn brachionem: oude, kleine, verschrompelde boomstronk, afgeknotte boom. Bijnaam te vergelijken met Stubbe, Strobbe, wellicht naar de gedrongen gestalte. Waals on vî brohon: een oude vrijgezel. Oudfrans brohon betekent evenwel ook: beer, sperwer. De Waalse xh-vai. doet denken aan een oorspronkelijke vorm metsk, zoals Oudfrans broce, van Latijn bruscia (vergelijk Brosse). Maar waarschijnlijk zijn Brouxhon/Brouckson hypercorrecte verschrijvingen.

Brobald. Vervorming van Duits Bro(t)beil: kerfstok van de bakker.

Brocaard, Brocard, Brocart, Brocar, Brocas, Broccard, Brocca, Broccart, Brocka, Brockaret, Brockart, Broka, Brokart, Broucquart, Brocha, Brochard, Brochart, Brutsaert. 1. Vadersnaam uit het Germaanse burg-hard, Burchardus. 2. Of afleiding van het Oudfranse broc, broche: puntig voorwerp, spijker, (doek)speld, haak. Beroepsbijnaam.

Brocaille, Brocal, Brocalle: Hypercorrect voor broussaille: struikgewas?

Brocatus: 1. Latinisering van Brugman(s). 2. Latinisering van Brocard of van Brocadet, van Brocard, Brocades = Brocadet, immigranten uit Frankrijk.

Broche, Brochet, Broxhez, Broché, Brocher, Brocquet, Broquet, Brocké, Brokké: Oudfrans broc(he): puntig voorwerp, (doek)speld, haak; en afleiding op -et. Vergelijk Brocard 2.

Brochier, Brocher, Brukier, Britsiers, Lebrocquy: Oudfrans brocher, Oudpicardisch brokier: maker van spijkers, naalden, haken, wapens (lansen). Vergelijk Brochard, Broche.

Brock, de, de Broeck: Eigenlijk Debrock, Debroc(q), Debrouck, van Dubrocq. Plaatsnaam Broc, Romaanse vorm van Nederlands Broek ‘moeras’.

Brok, Brock, Brocq, Broc, Brocken, Brocke, Brokken, Brok, Broks, Brokx, Brox, Brockx, Broek, Broeke, Broecke, Broeken, Brouck, Broucke, Broeckx, Broex, Broecks, Brouckx, Broux, Broeks, Broeksz, Broekx, Brux; Vadersnaam. Germaanse voornaam Brucco, Brucho, een metathetische vorm voor Burgo ‘burg’, een korte vorm naast de voornaam Burghard, vergelijk Bruchardus, Brokardus = Burcardus. Vergelijk Serbrock.

Bröcker, Brocker: Nederduitse afleiding van plaatsnaam Brock ‘broek, moeras’.

Brockhaus, Brockhans, Broeckhaus, Broeckhans, Broekhaus: Verspreide plaatsnaam Brockhaus(en) (Duisland). Vergelijk Van Broekhuizen.

Brocking, Bröcking: Vadersnaam. Zoals Nederlandse familienaam Brokking, afleiding van Germaanse voornaam Brucco. Zie Brock.

Brocteur. Waals broqueteur: werkman in debrouwerij, slechte werkman, (ook) vrouwenloper Of reïnterpretatie van Bricteux.

Brocvielle, de Broqueville, Brocquevielle, Broquevielle, Broequevielle: Deze familienaam kwam in 1820 in Pas-de-Calais ook in volgende varianten voor: Brocquevie(i)lle, Broc(q)vielle, Brocuvielle, Brocviel, Broquevielle. Waarschijnlijk niet de plaatsnaam Bricqueville (Calvados, Manche), maar veeleer een variant van Brecville.

Broddin, Brodin. Afleiding van Brode.

Brodahl. Plaatsnaam Brudahl, Noorwegen of Brudal, Denemarken.

Brodbeck, Brobeck, Brobecker: Beroepsnaam. Middenhoogduits brotbecke: broodbakker.

Brode. Binaam. Oudfrans brode: laf, verwijfd.

Brodel. Brodelle, Brodelet, Brodeau, Brodeaux, Broddelet, Broddele, Broddelez, Broddelé, Broddlé: Afleiding van Brode.

Broden. Midden Hoogduits Brode: gebrekkig, zwak. Of hypercorrecte (vernederlandste) vorm van Brode.

Broder, Broders, Bröders: Nederduits voor Bruder: broer.

Brodesser. Duits Brotesser: broodeter, gast. Vergelijk Broothaer(t)s.

Brodeur. Beroepsnaam van de borduurder.

Brodhaag. Duitse familienaam Brothag, Bijnaam voor een broodeter; vergelijk Brodesser.

Brodie, Brody: Brodier, synoniem met beroepsnaam Brodeur.

Brodur, Brodure. 1. Beroepsnaam van de borduurder. Of zelfs variant van Brodeur. 2. Oudfrans burdure: toernooi. Vergelijk Tournoy.

Brodehoux, Brodeehoux, Broudeou, Broudeoux, Brodéoux, Broudiol, Broidioi, Brodioi, Brodeaux. Familienaam uit het zinwoord broude hourt: uit het Oudfranse vlecht-hek. Wellicht beroepsnaam voor de heggenvlechter.

Broecheler. Afleiding van de plaatsnaam Brogel. Vergelijk Duits Brugler, van plaatsnaam Brügel, Brühl: Brogel, Broel.

Broechem. Plaatsnaam Broechem (Antwerpen).

Broeder, de(n), Broeders, Brouder, Broer, Broere, Broertjes, Broeren, Broere, Broers, Broerse, Bruers, Bruers, Bruurs, Brieders, de Brier, Briere, Brière, Briers, Bryere, Bryer, Broersen, Broersma, Broersema: Bijnaam, Middelnederlands broeder ‘broer, ambtsbroeder, confrater, collega; ordebroeder, geestelijke’. Bijnaam. De vorm met is gepalataliseerd, die met ie ontrond (vergelijk dialect broer/bruur/brier).

Broer, Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Borders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens (van de verkleinvorm Brörke), enz. Vadersnaam Brothar.

Broederlam. Vadersnaam. Broeder Lambrecht.

Broedermans, Brodermans, Broermann, Broerman: Afleiding van broeder. Vergelijk Broers. Ook Duits Brudermann.

Broekaart, Broeckaart, Broeckaert, (de) Broekert: Afleiding met achtervoegsel –aard van van den Broek(e).

Broek, Broeke, Brok, den, Brokken: verkort uit van den Broek(e). Of vadersnaam van de voornaam Brok, van Bruco, Bruchardus, Brokardus.

(van de(n), der Broeck, Broeke, van (de(n), ten Broek, ten Broeke, van (den) Broeck, van de(n) Broecke, van den Broucke, Broekema, Broeksma, Broekstra, Broeksema, van de(n/r) Broeck, Broecke, van Broeck, van den Broech, van den Broecx, van den Brock, van den Brocke, van den Brouc, van dem Broucke, van de(n) Brouck, Boucke, van de(m) Broucq, van den Broucque, van den Brouche, van Broucq, Vambrouck, Wanbrouck, Vanebrouck, Wannebrouck, Vambroug, Wandebrouk, Wandebroucq, Wannebroucq, van den Breuck, van der Breucq, Verbreucken, Verbreuk, Verbreuken, Verbrouck, Verbroekken, Verbroeken: Heel verspreide plaatsnaam Broek ‘moeras, waterland’.

Broekaert, Broeckaert, Broechaert, Broekhaer, Broekaer, Broukart, Brouckaert, Brouckaers, Broucquart, Brouchaers. 1. Variant van Broeck (van de(n), Zie daar. 2. Of van Brocard. Zie bij Broca(rd).

Broekhoven, (van) (van) Broeckhove, Broeckhoven, (van) Brockhoven, Broechoven, Brochoven, de Brouckhoven, de Brouchoven, Broekhof, Broekhoff. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (hoeve in of bij het broek): Plaatsnaam Broekhoven in Noorderwijk, (Provincie Antwerpen), Morkhoven (Provincie Antwerpe)n, Riethoven (Noord-Brabant), Tilburg (Noord-Brabant), Meersen (Nederlands Limburg).

Broekhuizen, van, Broekhuis, Brookhuis, Broekhuijs, Broekhuys, Broekhuijsen, Broeckhuysen, Broekhuyzen, Brockhus: Plaatsnaam Broekhuizen; huis bij een moeras Plaatsnaam in St.-Omaars (Pas-de-Calais): 1300 Brouchus; in Maldegem (Oost-Vlaanderen). Broekhuizen (Nederlands Limburg, Drenthe, Overijssel, Utrecht), Broekhuysen in Straelen (Duitsland). Vergelijk Brockhaus.

Broekkamp, Brokamp: Broekkamp is de naam van landen ten zuidoosten van Mierlo (Noord-Brabant). Ook plaatsnaam Brokamp (Nedersaksen).

Broekman, Broekmans, Broeckman, Brockmans, Broeckmans, Brockman, Brokman, Brockmann, Broicmans, Brueckman, Breuckman, Bruekmann: Afleiding met man-achtervoegsel van van den Broek(e).

Broekmeijer, Broeckmeyer, Broeckmeijer, Broeckmaeyer: Beroepsnaam. Meier, pachter, boer bij een broek, moeras.

Broeksma, Broekstra: Friese afleiding van de plaatsnaam Broek, onder andere in Akkerwoude en Joure (Friesland).

Broeksmit. Smid die aan een broek (moeras) woont. Duits Brokschmied.

Broeksteeg. Familienaam naar de woonplaats Broeksteeg, Haaren: wegje naar het broek (lager gelegen moerassig gebied).

Broele, van de(n), vanden Broele, van den Brole, Broel, van den Broere. Familienaam uit de plaatsnaam Broel (met varianten Brogel, Bruul, Briel): moerassig terrein. Onder meer in Kortrijk, Izegem, Menen.

Broelinckx. Afleiding van de plaatsnaam Broel?

Broguet, Broget. Waarschijnlijk variant van Broquet.

Broens, Broën, Broen, Broenen, Bron, Brons, Broonen, Broun, Brounts, Brouns, Brouhns, Brooms, Bruhn, Brauns, Brounx. Vadersnaam: Limburgse vormen van de Germaanse voornaam Bruno. Zie ook Bruinen, Brone.

Brognet, Brognez, Brogné, Brogniet, Brogniez, Broigniez, Bronet, Brognaux, Brognaux, Brogniaux, Brognion, Brognon: Afleiding van Oudfrans broigne: kuras. Beroepsnaam van de harnasmaker. Vergelijk Brognier.

Brognier, (de) Brogniez, Broigniez, Bronier, Brogniard, Brognard, Brogniart, Brognart, Brongniart, Brogna: Afleiding van Oudfrans broi(g)ne: kuras, pantser. Beroepsnaam van de harnasmaker of bijnaam voor een geharnaste ridder.

Brogniez, Broigniez: Spellingvariant van Brognier of Brognet.

Brohart, Brouha, Broussard, Brossard, Brousart, Brussaard, Brussa: Afleiding van Waalse plaatsnaam Broh, Frans Brousse, Latijn bruscia: struikgewas. Zie Brohet.

Bohet, Bohe, Bohé, Bohee, Bohez, Bohette: Plaatsnaam. Afleiding van Waals Broh, Frans Brousse, Latijn bruscia: struikgewas. Brohet in Rouveroy (Henegouwen).

Broich, Broichmann. Noordwestduitse plaatsnaam Broich, Duits Bruch, Nederlands Broek: moeras. Vergelijk Broekman(s).

Broier. Spelling van Duits Breuer of Frans Broyer.

Bronchart, Bronchard, Bronchaert, Bronsard, Bronsart, Broncar, Broncard, Broncart, Bronkart, Bronkaer, Bronkaerts, Broncaerts, Bronckaert, Broncars, Broncaars, Broncaers, Broncart, Broncers, Bronquart, Brondchaer. Bijnaam uit het Picardische Bronquart, het Franse Bronchard, afleiding van Oudfrans broncher; buigen, nijgen, knikken. Picardisch Bronquart; halsstarrig, koppi, dwars. Soms ook afleiding van Middelnederlands bronken; pruilen. Bijnaam voor een buigzaam, koppig of een pruilerig iemand.

Broja. Pools-Russische familienaam.

Brokké: Spelling voor de Franse familienaam Bro(c)quet, verkleinvorm van brocq ‘broek(land)’.

Brokking, Breukink, Brukin, Brukink: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse burg-naam.

Brolet. Plaatsnaam. Afleiding van breuil: broel, moeras; of van Waals broûlî: slijk.

Broman, Bromans, Broomans, Brooymans, Broymans, Brooijmans, Brodmann, Brodman. Beroepsnaam voor de bakker of de broodverkoper.

Brokmeier: Beroepsnaam Meier, pachter, boer bij een broek ‘moeras’.

Brom, Bronne, Brooms, Brum, Brons, Bron: Middelnederlands broem, brom ‘brem’. Bijnaam voor een bromboer, bremboer, een arme boer bij wie veel brem op de akker groeit. De voorouders van Joh. Brahms (1833-97) heetten Bramst en waren dus bremboeren.

Brom, van den. Plaatsnaam Bro(e)m: brem, bijvoorbeeld in Leffinge, Middelkerke, Ruddervoorde (West-Vlaanderen).

Brombacher: Afkomstig van Brombach (Beieren, Baden-Württemberg, Hessen).

Brombard, Brombart. Verfransing van Duitse Braunbart; bruine baard.

Bromberg, Bromberger. Plaatsnaam Bromberg. Duitsland, Polen.

Brommelle, Brommels, Broumels: 1. Plaatsnaam Brommelen (Nederlands-Limburg). 2. Zie Brummel.

Bromley. Plaatsnaam Bromley (Essex, Hertfordshire, Kent, Staffordshire).

Bron, Bronne: 1. Germaanse voornaam Bronno, Bruno. 2. Zie Brom.

Bronchain, Bronsain, Bronsin, Bronzin: Afleiding van Oudfrans bronche: stronk, stam, tak, struik. Vergelijk Strobbe.

Brondeel. 1. Vadersnaam, Vlaamse aanpassing van de Germaanse voornaam Brando (ook Brandel(let), Brondel(et). 2. Later verward met Blondeel door de r/l-wisseling (bijnaam naar de blonde haarkleur).

Brondsema, Brontsema komt met Bruntink, Brunten en Brunt, Bronnema, Bronsema en Brons van de vadersnaam Bront of Brunt, van Bronnert, Brunnart of Brunhart.

Bronkema; vadersnaam Bronke, Brunnico, Bronno.

Brone, de, Brône, Bronne, Broné, Broonen: Luiks-Waalse aanpassing van Duits Braune of Limburgs Broen. Vadersnaam of bijnaam.

Bronfort. Duitse familienaam en plaatsnaam Bromfort; bremvoorde.

Brongers, Brongersma: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Brunger. 2.Variant van Bronder, met kustdialectische wisseling van nd/ng tussen twee klinkers.

Bronius: Latinisering van de familienaam Brone, Braun ‘bruin’ of Brünjes, verkleinvorm van de Bruin.

Bronninge, Bronninga, Bronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, Brontsema en Brons van de persoonsnaam Bronno.

Bronk, Bronke: Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bronk (mogelijk uit Brord). Zie Bron 1.

Bronkhorst, Bronkers: Plaatsnaam Bronkhorst. (Gelderland).

Brons: Afleiding van Bron? Of uit Bronts.

Bronsdijk: Plaatsnaam. Misschien reinterpretatie van Bronswijk.

Bronsveld. Plaatsnaam Braunsveld in Keulen.

Bronsvoort: Plaatsnaam Groot Bronsvoort aan de Bronsvoorderdijk in Bathmen, Overijssel.

Bronswijk: Plaatsnaam Brunswijk, Duits Braunschweig (Nedersaksen). Maar er is ook een Bronswijk ten oosten van het Pekelerhoofddiep (Groningen).

Bronze. Plaatsnaam in Laroche.

Bronzwaar, Bronzwaer, Bronswaer. Bijnaam in Limburg: brûn-zwart. Vergelijk Duits Braunschwarz.

Brood, Broods, Brod, Brodt, Brot: Beroepsbijnaam van de broodbakker.

Broodhaers. Zie Broothaerts. Broodhuis, Broodhuys: Hypercorrecte reïnterpretatie van Broodhaers, aangezien ui in het Brabantse vaak a

uitgesproken wordt. Er bestaat ook in het Duits geen familienaam Brothaus.

Brooke, Brookes. Engelse plaatsnaam Brook(e); broek(land), moeras, beemd.

Broodman, Brooymans: Beroepsnaam van de broodbakker of –verkoper. Ook Vlaamse familienaam Bromans.

Broos, Bros, Brosens, Broses, Brose, Broese, Broes, Breus, Breuze, Brosch, Brösch, Breus, Breuse, Breuze, Brues, Brus, Brooze, Broze: Vadersnaam. Korte vorm van Ambroos, de heiligennaam Ambrosius. Vergelijk Brozius.

Brootcorens, Brootcoorne, Brootcorne, Brocorens, Broodcoorens, Broodcooren, Broodcoren, Broodcorens, Brood-koorn, Brodescoren, Brodcorne, Brodkom, Broetcorne, Brotcorne, Brottecorne, Brotecorne, Bratcorne, Broctkooren, Brocktcooren, Brockthoren: Middelnederlands broodcoren: tarwe. Bijnaam voor bakker of mulder.

Broothaerts, Broothaers, Broothaars, Broothars, Broodhaers Broodthaerts, Broodthaers, Broodthaerts. Naam uit het Middelnederlandse brootate: kostganger, inwonende bediende (letterlijk: broodeter). Vergelijk Duits Brodesser.

Broquet, Brocquet, Brocké, Brokké: 1. Plaatsnaam. Afleiding van brocq: broek(land). Vergelijk Dubrocq, Dubruqué. 2. Zie Broche.

Bröselmeijer. Een meier of pachter met de voornaam Brösel, van Ambrosius.

Brosens, Brusin: Vadersnaam. Vleivorm van heiligennam Ambrosius. Vergelijk Broos. Ook Broset is er een afleiding van.

Brösicke, Brosicke, Braesicke: Nadersnaam. Nederduitse afleiding van Sint Ambrosius. Braeseke, Bräseke is een ontronde vorm.

Brosig, Brusich Brussich: Vadersnaam. Afleiding van Sint Ambrosius.

Brosius, Broosus, Brosi, Brusis: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Ambrosius.

Brosse, Brossé, Brosette, Brossez, Brousse, Brussê, Brussee, Brusse: 1. Oudfrans bro(u)ce, van Latijn bruscia: struikgewas. Brossé = afleiding Brosset. Vergelijk Brohet. 2. Brossé, Brossez, Brussê, Brusse kan eventueel uit Broché worden verklaard.

Brossel, Brusseel, Brusselle, Bruselle, Bruselles, Naam uit het Oudfranse bro(u)ce: struikgewas.

Brost, Brosten. Saksische variant van Duits Prost(en).

Brötler, Brettler: Middenhoogduits broetelaere: bakker.

Brotman, Brotmann. Broodbakker.

Brotsztein. Waarschijnlijk verhaspeling van Bronstein.

Brouard, Brouart, Bruard, Bruaart, Bruwaert: Afleiding van Oudfrans brou, Middelnederlands bru: brij, brouwsel, soep, pap. Bijnaam voor de bereider of eter ervan. Vergelijk Bru, Brouaux.

Broucker, Brouckere de, de Brouckère, Broucker, Broekers, de Brueucker, de Breuckere, de Breuker, Breukers, Breucker, de Bruecker, de Brueker, Bruekers, Desbreucers, de Bruyckere, de Bruycker, de Bruyker, de Bruijker, de Bruiker, de Bruijckere, de Bruijcker, de Brucker, Bruckers, de Brycke, de Brycker. 1. Het Middelnederlandse broker, broeker, breuker betekent misdadiger, wetsovertreder. In dit geval een bijnaam dus. 2. Beroepsnaam voor de opzichter of bewoner van een broek of moeras, Engels brooker. 3. Volgens Lind uit het Latijnse brocarius: beroepsnaam voor een pachter, een (klein)handelaar. Middelnederlands bruker: pachter, kleinhandelaar.

Brouckmeersch. Plaatsnaam Broekmeers: moerassige beemd.

Broucson, Brouckxon, Broxson: De oudste naamdrager van de Oostendse famille Brouckxon werd in 1756 in Oostvleteren geboren als Broucksou / Brouckxau; de vader was afkomstig van Stabroek. Zie Broucksou.

Broucksou, Brouckxou, Broucqsault, Broquesoy: Plaatsnaam Broucksou in Jalhay (Luik).

Brouerius: Latinisering van (de) Brouwer.

Brouet, Brouez, Brouwet, Browet, Brouwez, Brouhouet, Bruet, Bruez, Bruey, Brewee, Brewée, Browaeis, Broways, Browayes, Browaeijs, Brouwaeys, Bruwaeys, Brewaeys, Breways, Brevvaeys. Naam uit het Oudfranse brouet, het Middelnederlandse brou(w)et: vloeibare spijs, bouillon, brouwsel. Beroepsbijnaam voor. (en dat kan gaan van bier, over soep tot saus).

Brouette, Berwette. 1. Frans brouette: kruiwagen. Beroepsnaam van de wagenmaker of de voerman, de kruier. 2. Eventueel vrouwelijke vorm van Brouet.

Broughton. Frequente Engelse plaatsnaam.

Brouillard, Brouilliard. Zie Breuillard. 2. Eventueel afleiding van Oudfrans broillier: mengen. Midden Frans brouillard: die de zaken in de war brengt.

Brouillaud, Brouyaux, Bruyaux, Bruliau: Plaatsnaam. Afleiding van bruil, breuil: broel, moerassig terrein.

Brouillet, Brouillé, Bruillet, Bruiez: Plaatsnaam. Oudfrans brueillet: bosje, van brueil, broil: bos, struikgewas. Zie Brûlé 2.

Broumels: 1. Plaatsnaam Brommelen(Nederlands Limburg. 2 Duitse bijnaam Brummel, Nederduits Brümmel ‘brombeer, knorrepot’.

Brousmiche. Waarschijnlijk van Frans Brisemiche: breekbrood (mik). Bijnaam voor iemand die het brood met hompen afbreekt, die uit het vuistje eet. Vergelijk Scheurwegs. Of van Waals brouser: zwart maken? Bijnaam voor een bakker die het brood te zwart bakt, laat aanbranden.

Broust, Brout: 1. Oudfrans broust, Frans brout: jonge scheut. 2. Oudfrans brost: het weiden. Beroepsnaam van de veehoeder; vergelijk Broutin.

Brouta, Broutta. Waalse vorm van Broutard, afleiding van Frans brouter: weiden. Beroepsnaam van de veehoeder, herder.

Broutin, Broutain, Brutin, Brutyn, Brutijn, Bruteyn, Brutein, Brutting, Bruttin: Naam voor de veehoeder, die het vee naar de wei brengt; afleiding van Oudfrans brost: het weiden (Frans brouter).

Brouw, De Brauw, De Broeu, De Breeuw: Van het werkwoord brouwen. Beroepsnaam van een brouwer. Vergelijk Duits Bräu. Zie ook Debroeij.

Brouw, op den: familienaam op Ellemeet (Schouwen). Brauw ‘opgehoogd stuk grond met gewas bezaaid’, ‘smal hoog pad tussen akkers’. Vergelijk Engels brow ‘oeverrand’.

Brown, Browne, Brouwne, de Browne. Engelse familienaam Brown; bruin. Kan zoals Bruin, Braun zowel vadersnaam Bruno als bijnaam zijn.

Brouwer, Brouwers, Brouer, Browers, Brouvers, de Brauwer, Brauwere, Brauwers, Brauers, Brauer, Brâuer, Brawers, Breeuwers, Breeuwer, Breeur, Breuwer, Breuer, Breur, de Brûler, de Bruiër, Bruiers, Bruier, Bruyers, Bruyer, de Broeyere, Broyer, de Broeijer, Dombrower: Beroepsnaam van de brouwer. Uit de Middelnederlandse variant van bruwer is bruier te verklaren (vergelijk duwen/douwen, dialect duien) en daaruit Bro(e)ijer.

Brouwershaven, (van): Plaatsnaam Brouwershaven (Zeeland).

Browaeis, Brouways, Browayes, Browaeijs, Brouuwaeys, Bruwaeys, Brewaeys, Breways, Brevvaeys: Deze naam heeft hetzelfde spreidingsgebied als de familienaam Brouet, namelijk Henegouwen en het zuiden van Oost-Vlaanderen. Moeten we uitgaan van Browet, waarvan Broways een Romaanse spellingvariant is, vervolgens in Oost-Vlaanderen door spellinguitspraak Browaais uitgesproken. Vergelijk plaatsnaam Brouet = Brou(w)ay, Pas-de-Calais.

Broyard, Broyart. Afleiding van Oudfrans broier: braken, breken. Beroepsnaam van de vlas- of hennepbraker.

Brozius: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Ambrosius.

Bru, Brue, de Brue, Debrue, Debru: 1. Middelnederlands bru: brouwsel, brij, soep. West Vlaams bru: deeg van meel, gegeten met botersaus. Bijnaam. 2. Zie Debru.

Bruck, Bruk, Brücken, Brück: Verspreide Duitse plaatsnaam Brücke(n): brug.

Bruch. Duitse plaatsnaam Bruch: broekland, moeras. Vergelijk Broich, Van den Broeke, Brooke.

Bruchem, van. Plaatsnaam Bruchem, Bommelerwaard.

Brücher, Brucher: Bewoner van broekland. Zie Bruch. Vergelijk De Broucker(e) 2.

Brucherseifer. Afleiding van de plaatsnaam Bruchertseifen. Duitsland.

Bruchhage. Plaatsnaam Bruchhagen, Duitsland.

Bruckenburg. Duitse plaatsnaam.

Brucker, Bruckers, De Brucker. 1. Zie bij Broucker(e) de2. Naam uit het Duits Brucker: wie aan de brug woont, inner van de tol.

Bruckert. Vadersnaam. Duits Bru(c)khard, klankverandering van Burchard.

Bruckman, Bruckmann, Bruckmans, Brukmann: 1. Afleiding van de plaatsnaam Brücke: brug. Vergelijk Bruggeman. 2. Variant van Brockmann, afleiding van Brok, Broick, Bruch: broekland, moeras. Vergelijk Broekman. Bruckner, Bruckner: Afleiding van Duitse plaatsnaam Brucke(n): die aan een brug woont of van die plaats afkomstig is.

Bruder, Brüder, Brouder, Bruderer, Bruderlin: Duitse familienaam Broeder. Bruderlin is afleiding.

Bruel, van den Bruele, Bruil, Broijl: Verspreide plaatsnaam Bruul (Broel, Brühl, Briel, Brogel) ‘(vaak bosachtig) moerassig terrein’.

Brug, van der, van (der) Bruggen, Verbruggen, Verbrugge, ten Brugge, ten Bruggen, Aangeenbrug: Heel verspreide plaatsnaam ter Brugge(n).

Bruge, Bruges, de, Bruge: Plaatsnaam Bruges, Franse vorm voor Brugge.

Brugge, Brugghe, Bruegghe, Breugghe, Breughe, Bruige, Bruge, Bruges, Brugs, Bruggen, Brüggen: Korte vorm van Van Brugg(h)e of Van der Brugg(h)e(n).

Brugge, Brugghe, Brugghen, Bruggen, van der, den, van der Brigghe, Brigge, van der Breggen, Verbrugghe, Verbrugghen, Verbrugge, Verbruggen, Verbreugghe, Verbreugh, Voorbruggen, Vorbruggen, Vertbrugghe, Verlrugghe, Verbrigghe, Verbrigge, Ter Bruggen: Heel verspreide plaatsnaam ter Brugg(h)e. Brigge met tot ontronde is de Vlaamse-kuststreek vorm; vergelijk Engels bridge.

Bruggeling, Bruggink: 1. Familienaam van de bewoner van de stad Brugge. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam brigh-inga.

Bruggeman, Bruggemans, Brugman, Bruggheman, Brugghemans, Brughman, Brugmans, Brugemans, Bruggemann, Brugemann, Brügeman, Brüggeman, Brügman, Brugma, Briggeman, Bregman, Breggen, van der, Breg: Afleiding met het achtervoegsel –man van Brugge of van der Brugge. Briggeman met kustdialectische ontronding (u van i), vergelijk Engels bridge. Of voor iemand die bij een brug woont of een brugwachter.

Bruggencate, ten: Plaatsnaam Kate ‘kot’ bij een brug.

Brugghen, Brugge, Bruggen, van der/n, van der Brigghe, Verbrugghen, Verbrugghe, Verbrugge, Verbreugghe, Verbreugh,Voorbruggen, Vorbruggen, Vertbrugghe, Verlrugghe, Verbrigghe, Verbrigge, Ter Bruggen. Familienaam afgeleid van de (woonplaats of beroep dat te maken had met) zeer verspreide plaatsnaam ‘brug(ge)/brig(ge)’'.

Bruggink: Plaatsnaam in Lochem (Gelderland):

Brugsma, Brugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts, Brugs, Borgrink, Burgerding, Burgers, Borcherts, Burga en de plaatsnaam Burchum (Burch’s heim), een dorp op het noord Friese eiland Föhr, vadersnaam Brucht, Brugt en zelfs als Brug geschreven, ook als Bruchtert, Burgert (Burghart, Borchart).

Brühann. Nederduits bruwhan: brouwjan, brouwer Jan, brouwknecht.

Brühl, Bruhl, Brohl: Plaatsnaam Bruhl: natte wei, moerassig terrein; vergelijk Broel. Verspreide plaatsnaam, bijvoorbeeld Bruhl, Brohl (Duitsland).

Bruhwijler, Bruhwyler. Plaatsnaam Bruchweiler, Duitsland.

Bruin, de, de Bruine, de Bruijne, de Bruijn, Bruijns, de Bruyn, de Bruyn, de Brun, Bruns, Bruynsz, Bruins Slot, de Brunne, de Brune, (de) Broen, Debruyne, Braun. Bijnaam naar de bruine kleur (van huid, haar of.).

Bruin, (de); Bruinen, de Bruine, de Bruijn, (de) Bruijne, Bruyn, Bruynen, Bruijnen, Bruijn, Bruijns, Brunne, Brune, Bruiyninckx, Bruininckx, Bruininckx, Bruinincx, Bruininks, Bruyninckx, Bruyninck, Bruynings, Bruynincx, Bruyninx, Bruynix, Bruijninckx, Bruijnincx, Bruijnings, Bruynninck, Brunings, Bruning, Brunink, Bruninckx, Bruninx, Brunninx, Breuning, Breunig, Broenink, Bruins, Bruyns, Bruijns, Bruens, Bruun, Brun, Bruns, Bruijnooge, Bruynooge: 1. De vormen zonder lidwoord kunnen vadersnaam. zijn, de Germaanse voornaam Bruno ‘bruin’. Denk aan Bruun de beer in de Reinaert. 2. Bijnaam naar de bruine kleur (van haar, huid of kleren).

Bruin, de, de Bruine, de Bruijn, de Bruijne, de Bruyne, de Bruyn, de Brun, de Brunne, de Brune, (de) Broen: Bijnaam naar de bruine kleur (van haar, huid of kleren).

Bruinaars: Vadersnaam. Germaanse voornaam brûn-hard ‘bruin-sterk’: Brun(h)ardus.

Bruinenberg, Bruineberg, Brunenberg. Plaatsnaam Brunenberg, onder andere te Grathem, Limburg.

Bruinhorst, van de. Plaatsnaam Bruinhorst: bruin kreupelhout, bruine begroeide hoogte.

Bruinings, Bruijning, Bruning, Bruijn, Bruijne, Bruyne, Bruining, Bruintjes, Bruin, de, Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsma, Brunings, Brunia, Brunsema, Bruininkweerd, van Bruyningen, Bruyninckx, Bruinink, Bruininga: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Bruno.

Bruinishof, Bruinshoofd: Vermoedelijk plaatsnaam, een hof-naam, vergelijk Duits Braunshof.

Bruinisse, Bruinissen, van; Bruines, (van) Bruinesse, Bruinessen, Breunisse, Breunesse: Plaatsnaam Bruinisse, Zeeland.

Bruinoge, Bruinooge, Bruijnooge, Bruinooghe, Bruynooghe, Bruyynoghe, Bruynooge, Bruijnooghe: Bijnaam voor iemand met bruine ogen.

Bruinsslot, Bruinslot. 1789 Jan Bruins Slot, Hoogeveen (zoon van) Pieter Egberts Slot en Femmegien Jans Bruins.

Bruire, van de. Plaatsnaam Bru(w)iere: heide. Of gewoon vertaling van De la Bruyère. Zie Bruyère.

Bruinsma: Vadersnaam. Friese afleiding van de Germaanse voornaam Bruno.

Bruinzeel, Bruijnzeel: Vadersnaam. Romaans afleiding op –icellus van Germaanse voornaam Bruno. Frans Brunseaux.

Bruis, Bruijs: Vadersnaam. Zeeuwse voornaam.

Bruisschaert. Afleiding van Middelnederlands bru(i)schen: bruisen, stormen. Bijnaam voor iemand met bruisend karakter.

Brujeere, la: Labrujeere is een spelling van de Frans familienaam Labruyère. Plaatsnaam Bruyère ‘heide’.

Bruk: Duitse plaatsnaam Brücke ‘brug’? Of de Bruk, van Dubrucq, Dubreucq ‘van den Broek’?

Brukin: Variant van Brokking of uit Bruunkin (zie Brunke).

Brulmans, Brullemans, Bruellemans, Bruelemans, Bruelman, Brolman: Afleiding van Van den Brûle. Vergelijk Brielman.

Brul, de. 1. West Vlaams br(e)ul, briel: rommel. 2. Zie Van den Brule.

Brulard, Brulart, Brulaert, Bruelaert: Afleiding van Van den Brule of Dubrule. Ook Waalse plaatsnaam Brûle: Broel, Bruul.

Brulé, Brûlé, Brulet, Brulée, Brule, Brulee, Brulez, Brûlez, Brullez, Brullé, Brulle. 1. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Brûlé: verbrand land.

  1. Familienaam uit de plaatsnaam Bruillet, afgeleid uit Bruil, Broel. 3. Zie ook Brulez.

Brule, van den, van den Brulle, van den Brul, van den Breul, (van den) Brul, (van den) Bruel, Bruele, (van den) Bruelle, Bruil, Bril, Bruijl, Dubrulle, Dubrul, Debrule, Debrusle, Debruille, Debrulle, Dubruille, Debruel, Debruelle, DeBruler, Dubruel, Breuil, Bruels, Bruls, Brül, Brülle, Brul, Brulle, Brulls, Brull, Brülls, Brüll, Bruil, Brullemans, Brulmans, Bruellemans, Bruelemans, Bruelman, Brolman. 1. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Bruul, Brûlé: verbrand land, blijkens brûler, van brusler, van Latijn brustulare; bosachtig moerassig terrein. 2. Plaatsnaam Bruillet, van Bruil, Breuil: broel. Zie Brouillet. 3. Zie Bruiez.

Brule, van den, van den Brul, Brulle, (van de) Brui, (van den) Bruele, Bruel, (van den) Bruelle, Oubrulle, Dubrule, Dubrul, Debrusle, Debruille, Debrulle, Dubruille, Debruelle, Debruel, Dubruel, Breuil, Bruels, Bruls, Brülle, Brül, Brulle, Brul, Brulls, Brull, Brulls, Brull: Verspreide plaatsnaam Bruul (= Broel, Bruhl, Briel, Brogel): (vaak bosachtig) moerassig terrein. Romaans Bruille, Brulle, Breuil. Vergelijk Van den Broele.

Brulez, Brulé, Bresch, Brees, Breës, Brys. 1. De Waals-Vlaamse familie Brulez stamt af van De Buré. Dit uit de plaatsnaam Buré in St-Pancré (Meurthe en Mos.) of Buré (Orne). Of Burey (Eure, Meuse). We kunnen ons de evolutie als volgt voor-stellen: de Burees, (de) Brees, gereïnterpreteerd als de al bekende familienaam, respectievelijk Brys en Brûlé. 2. Zie ook Brulé.

Brulin, Brulein, Bruling: Wellicht van Oudfrans brasier, Frans brûler. Plaatsnaam; verbrand land. Plaatsnaam Brulin in Blaimont (Namen), Les Brulins in Wiesme (Namen) en Jumet (Henegouwen). Le Brulin in Drocourt (Pas-de-Calais). Brulain (Deux-Sèvres).

Brulje, de: Aanpassing van Debruille, Dubruille. Plaatsnaam Bru(i)lle, Breuil, Romaanse variant Van Bruul, Broel; zie Bruel.

Bruloot, Brullot: Plaatsnaam Le Brûlot in Terwanen (Pas-de-Calais). Of brûlot: afleiding van breuil: broel.

Brumagne. Plaatsnaam in Lives (Namen).

Brumant. Brimant: Oudfrans brument: verloofde, bruidegom; trouwens, van Middelnederlands bru(ut)man: bruid-man. Vergelijk Bruygoms.

Brummelaar, ten: Afkomstig van Brummelen (zie op dat woord) of van Brummen (Gelderland).

Brummelen, van, Brummel, Brummelman, Brummelhuis, Prummel: Plaatsnaam Brommelen (Nederlands Limburg).

Brumenil. Plaatsnaam, wellicht Bréménil (Meurthe-et-Moselle).

Brumloop. Plaatsnaam. Oude vorm van Braunlauf in Thommen (Luik).

Brummel, Brommels, Broumels: Duitse bijnaam Brummel, Nederduits Brummel. Bijnaam voor een brombeer, knorrepot.

Brummelen, van: Plaatsnaam Brommelen (Nederland).

Brümmer, Brummer, Brum)er, Brum, Brumme: 1. Bijnaam voor een brombeer, knorrepot. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam brun-mer; 'bruin-beroemd': 1066 Brumarus, Brumerus, Domesday Book.

Brunard, Bruynaert, Bruijnaers. Vadersnaam, uit het Germaanse Brun-hard; bruin-sterk, Brunhardus.

Brun, van den: Vermoedelijk een van reinterpretatie van de Bruin.

Brunchault, Brundseaux, Bruynsseels, Bruynseels, Bruynzeels, Bruynzeel, Bruijnseels. 1. Vadersnaam uit de Franse naam Brunseaux, of de Romaanse afleiding op –icellus van Germaanse voornaam Bruno. 2. De verklaring kan ook zijn: een "bruine" sella. Dat is de vestiging van Bruno of een bruine berg. Deze verklaring lijkt voor de Vlaamse vormen het meest logisch.

Brunclair, Brunclaire. Reïnterpretatie (met n-epenthesis) van Broquelaire, Franse spelling voor de dialect uitspraak (met o-achtige a) van Brakeleer.

Brunebarbe. Bijnaam naar de bruine baard.

Bruneere, la: Verhaspeling van la Brujeere.

Brunelle, Brunel, Brunelles, Bruneel, Bruniels, Bruniel, Bruineel, Bruyneels, Bruyneel, Bruyniel, Bruyneil, Bruynneel, Bruijneels, Bruijneel, Bryneel, Brugniel, Brunaux, Brunau, Bruneau, Brunieuz, Bruneau, Brunaux, Brunouw, Brugnaut, Brugniau, Brugniaux, Breniaux. Bijnaam naar het Franse brunel: de bruine. Bruneel is een Vlaamse aanpassing van Frans Brunel: de (kleine) bruine. Afleiding op -el, Frans -eau, Picardisch -iau.

Brunke: Vadersnaam. Verkleinvorm van de Germaanse voornaam Bruun, Bruno.

Brunenberg, Bronnenberg, Bronneberg. Familienaam uit de plaatsnaam Brauneberg (Rijnland-Palts) of uit Brunembert (Pas-de-Calais).

Bruneval, Brunneval, Brunevalle: Plaatsnaam (Saint-Jouin-) Bruneval (Seine-Mar.).

Brunfaut, Dubrunfaut: Plaatsnaam Brunfaut in Opzullik (Henegouwen).

Brunier, Bruinjé, Bruynjé, Bruijnse, Bronier, Brunie, Bruni, Burnier, Burny, Bornier, Bornij, Beurnier. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam brun-hari; bruin-leger.

Brunin, Brunnin, Brunain, Brunin, Bruenin, Breuinin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Bruno.

Brunner, Brünner, Bronner, Broner: Duitse familienaam: iemand die aan een waterput woont.

Brunninghausen. Plaatsnaam Brüninghausen. Duitsland.

Bruno. 1. Germaanse voornaam Bruno. Vergelijk Bruin(en). 2. Verschrijving voor Bruneau of Brunot.

Bruno, Brunot, Burnod, Burnotte: Bijnaam. Afleiding van brun: bruin. Of vadersnaam van de voornaam Bruno.

Brunon, Burnon: vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Bruno. Bruinssins; zoon van Bruno.

Brunquers. Waalse aanpassing van Bruckers (zie De Brouckere), met n-epenthesis.

Brunschot, van. Plaatsnaam in Boxtel en Esch, Noord-Brabant.

Brunselaar, Bronselaer: Plaatsnaam Brunslar in Westfalen, Brunselaar in Raalte (Overijssel).

Brunskog. Plaatsnaam in Vårmland (Zweden).

Brunson. Vadersnaam. Afleiding Bruneçon van Germaanse voornaam Bruno.

Brunsperger. Afleiding van plaatsnaam Brunsberg, Duitsland.

Brunswijck, Brunswyck, Brunswick, Bruynswijck, Bruynswyck, Bronswijk, Brosswick, Branswijck, Branswijk, Branswyck, Branswyk, Branswick, Bransewijck, Braenswyck: Plaatsnaam Brunswijk, Duits Braunschweig.

Bruon. Waarschijnlijk variant van Brouhon.

Brus, de, Brusche: Middelnederlands broosch, West Vlaams brusch: broos, breekbaar, zwak.

Brussaard: Variant van Frans Broussard, Brossard, afleiding van Frans brousse, Latijnse bruscia ‘struikgewas’.

Brussel, van; van Brusselen, van Brusselt, van Breussel, van Bruyssel, van Bruysel, van Bruijssel: Plaatsnaam Brussel.

Brusselaars, Brusselaers, Brusseleers, Brusseler, Brusselers, Brusselairs. Brusselaar, afkomstig van Brussel.

Brusse, Brussee, Brussée, Brussen, Brussé, Brus, Bruijs, Brys, Brusche, Bros, Bruss: Oudfrans bro(u)ce, van Latijnse bruscia ‘struikgewas’. Brussé, van Brossé, Brosset, verkleinvorm.

Brusselman, Brusselmans, Brusselmanne, Bruselman, Bruxelman, Bruxelmans, Brucelmane: Brusselaar.

Brusteghen Van, Van Bruysteghem, Van Bruystegem. Familienaam uit de plaatsnaam Brussegem (Vlaams-Brabant).

Brustem, van, van Brustum: Plaatsnaam Brustem (Limburg).

Brusten, Bruisten, Bruystens, Bruijstens. 1. Vadersnaam, knuffelvorm uit de Germaanse voornaam Bruinsteen. Zie bij Bruynsteen. 2. Mogelijk ook uit de plaatsnaam Brustem.

Bruviere: 1. Bijnaam naar de vogelnaam, Middelnederlands bruwier, van Oudfrans bruhier, bruier ‘buizerd’. 2. Plaatsnaam Bruyère, Oudpicardisch bruwire ‘heide’; zie la Brujeere.

Bruwaene, van, van (de) Bruane, Bruaene, van den Bruane, Bruwaene, Bruwaene, van den Bruwaen, van Brouaene. Familienaam uit een plaatsnaam in Meulebeke, Rumbeke, Ruiselede en Beveren. Uit beider-waen: wachter op hoop.

Bruwier, Bruwiere, Bruwière, Bruwiers, Bruweer, Bruvier, Bruyer, Bruyere, Bruyère, Bruyerre, Bruyeer, Bruhière, Bruhiere, Bruhiery, Brui. 1. Bijnaam uit het Oudfranse bruhier: buizerd of het Middelnederlandse brewier, bruwier, brouwier: wouw (vogel). Iemand met zeer scherpe ogen bijvoorbeeld 2. zie ook Bruyère. 

Bruyère, Bruyèr, Bruyères, Bruyèrere, Bruyèrer Bruyèrre, Bruyèreeer, Bruère, Bryère, Bruhière, Bruhiere, Bruyr, Bruyre, Bruwier, Bruwiere, Bruweer, Bruvier, Broyère, Brouyir, Brouir, Brouwier, Brouwir, (de) La Bruyère, De(l)bruyère, (de la) Brière, Labrujere, Delbrayère, Delbrouir, Delbrouwire, Desbruyères, Desbrueres. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Bruyère: heide. Zeer verspreide plaatsnaam.

Bruyant, Bruant, Brouand: Frans bruyant: luidruchtig, lawaaierig. Bijnaam.

Bruygoms, Bruijgoms: Verwantschapsnaam Bruidegom. Vergelijk Duits Bräutigam, Nederduits Brüd(i)gam.

Bruyland, Bruylandts, Bruylant, Bruyland, Bruylants, Bruyllants, Bruijlants, Bruijlant, Bruijlands, Bruijlandts. Vadersnaam uit de naam Brulant: naam uit ridderromans (een Saraceense koning).

Bruynbaert, Bijnaam naar de bruine baard. Vergelijk Brunebarbe, Duits Braunbart. Of naar de huisnaam.

Bruynbroeck, van, Bruynbroeck, Brunbrouck, Bruyenbroeck, Bruyenbroek, Bruyenbrouck, Bruyenbrouk; Plaatsnaam Bruinbroek: bruin moeras, in Langemark en Torhout. Bruinsbroek in Galmaarden (Vlaams-Brabant).

Bruyndonck, Bruyndoncx, Bruyndonc, Bruyndonx, Bruyndonck, Bruyndonckx, Bruijndonck, Bruijndoncx, Bruyendonck. Familienaam uit de plaatsnaam Bruindonk: bruine (donkere) verhevenheid uitstekend boven het landschap.

Bruynkens, Bruyntjens, Brunjes: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Bruno, Middenenderlands Bruun.

Bruynooghe, Bruynoghe. Bijnaam; bruine ogen.

Bruynserade. Waarschijnlijk aanpassing van Duitse plaatsnaam Braunsrath; 1202 Brunsrode.

Bruynsteen, Bruijnsteen, Bruijnesteijn. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam brûn-stain 'bruin-steen': Brunstenus.

Bruijcker, Bruijckere, de; de Bruickere, de Bruijcke, Bruker: Middelnederlands bruker ‘pachter, kleinhandelaar’. Middelatijn brocarius, Engels broker.

Bruijnede: Vermoedelijk van de Bruijne.

Bruijs, Bruijs: Bijnaam voor iemand met bruisend karakter, een levendige kerel. Vergelijk Bruisschaert, Duits Braus. Middenhoogduits brus: lawaai, ge(d)ruis, gebruis.

Bruijsschaard, Bruisshaard: Ook Vlaamse familienaam Bruisschaert, afgeleid van het Middelnederlands werkwoord bruuschen ‘bruisen, stormen’. Bijnaam voor iemand met een bruisend karakter.

Brydorpe, van, (van) Breijdorpe: Plaatsnaam Brijdorpe (Schouwen-Duiveland, Zeeland).

Brijs, Brijsse, Brijsens: Vadersnaam. Uit Brice, de Franse vorm van de heiligennaam Brictius.

Bryselbout, Brysebout, Brisbout: Middelnederlands britse: borstplaat, armplaat + bout: ijzeren bout. Beroepsnaam van de wapenmaker, harnasmaker.

Bryskere. Middelnederlands brisscere, briesschere: brieser. Bijnaam voor iemand die briest, huilt, brult.

Brijssinck: Vadersnaam. Afleiding van Brijs.

Bubb. Engelse naam van Viking origine. De eerste spelling was wellicht Buh: een plaats om schapen en vee te houden. Soms kan het door verschrijving ook afgeleid zijn van de familienaam Budd: Oudengelse bijnaam voor een dikkerd.

Bubbe. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Bovo of knuffelvorm van Robrecht (=Poppe).

Bubberman: Afleiding van vadersnaam. Bubbert, van Robert; vergelijk Engels Bob, van Rob.

Buch, Buche. Duitse plaatsnaam Buch(e); beuk, beukenbos.

Bucher: Duits familienaam afgeleid van Buche ‘beuk’.

Buche, Oudfrans buce, Noordfrans bûche, Middelnederlands buse, buusse: breed schip met twee masten voor het vervoer van zware lading, haringschuit. Vergelijk Buis. Beroepsnaam voor de schipper.

Buchler, Buchler, Bücheler, Büchler, Buecheler: 1 Van plaatsnaam Büchle: kleine beuk. 2. Zoals Buchner van plaatsnaam Buche: beuk. 3. Buhler, afleiding van Büh(e)l: heuvel.

Buchalter. Duitse afleiding van de plaatsnaam Buchhalde : beukenhelling.

Buchbinder, Buhbinder: Niet de beroepsnaam van een boekbinder, maar van een kuiper, die de duigen tot kuipen bindt. Middennoordduits bûkbant: hoepel; vergelijk biebuuc: bijenkorf. Vergelijk Duits Fassbinder, Bûddenbender.

Bucheister. Duits Buchheister; beukenheester, beukenbosje.

Buchel, Buchau, Busseau, Bussieaux, Bussiaux: Oudfrans boucel, Middelnederlands butseel: vaatje, leren wijnzak, pens, buik. Bijnaam.

Buchelet, Buchelot. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Burchard.

Buchem, van. 1. Variant van Van Boegheim, - Boechem, -Bugheym. Verspreide Duitse plaatsnaam Buchheim. 2. Zie van Bodeghem.

Bucher. 1. Duits Buche: beuk. 2. Frans Bûcher: houthakker. Beroepsnaam.

Buchert. Vadersnaam. Variant van de Germaanse voornaam Burchard.

Bucholtz, Bucholz, Büchholz, Bucholc, Buchole: Verspreide Duitse plaatsnaam Buchholz: beukenbos. Vergelijk Boeckhout, Bocholt.

Buchin, 1. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Bu(r)chard. Vergelijk Busquin, Buchelot. 2. Afleiding van busk-. Zie Busquin 1. = Bouquin.

Buchkremer. Duitse beroepsnaam van de boekhandelaar. Duits Krämer, Kremer: kleinhandelaar. Vergelijk Cremer.

Buchman, Buchmann, Bucheman, Bochmann, Bückmann: Duitse afleiding van de plaatsnaam Buche: beuk(enbos).

Buchmüller, Buchmuller. Duitse beroepsnaam van een molenaar bij een beuk(enbos).

Buchner, Bochner, Buckner: Afleiding van Duitse plaatsnaam Buche(n), Büchen: beuk(enbos).

Buchsbaum, Buxbaum, Buesbaum, Buschbaum: Plaatsnaam. Duits Buchsbaum: buksboom. Vergelijk Boksenboom, Bosboom.

Buchsenschmidt. Bucksenschmidt: Duitse beroepsnaam Büchsenschmied: smid die schietbussen, geweren maakt.

Buchwald. Verspreide Duitse plaatsnaam; beukenbos.

Bücker, Buecker, Bueckers, Bucker, Buckers, Bukkers, Bukers. 1. Zie Beudeker. 2. Of uit het Picardische Bouquier: slager.

Buckerier. Verhaspeling van van den Buerie. 1754 J.B. vanden Burri, Gothem = 1778 J.B. Bucarierrrie, Sleidinge; zijn 5 kinderen heetten Bucarier en in 1811 genoteerd als Buckerier.

Buckhurst. Plaatsnaam: met beuken begroeide hoogte. Bukhorst in Gendringen, Putten (Gelderland), Bukhorst, Zalk. Vergelijk Van Bokhorst.

Buckley. Plaatsnaam, Somerset.

Buckman: Afleiding van beuk of van bok.

Budde, Budding, Buddingh: Vadersnaam. Van de Germaanse voornaam Bod(d)o, Buddo.

Buddenbruck. Plaatsnaam Buddenbrock, Buddenbrook (Pommeren, Silezië). Bekend door de roman 'Buddenbrooks' van Thomas Mann.

Budenaers, Budenaerts, Budeners, Budennaers: Duitse Bödener, Budner: keuterboer, kleine boer. De naam gaat soms terug op Buteners; zie Buttenaere.

Budinger, Buddinger: Afkomstig van Budingen (Vlaams-Brabant) of Büdingen (Duitsland).

Budke.Vadersnaam. afleiding van Nederduitse voornaam Budde. Vergelijk Buttgen.

Budna. Slavische familienaam.

Bue, de: Debue, van Debus, van Dubus. Plaatsnaam (le) Bus, van Germaans busku ‘struikgewas, bosje’.

Buekenberghs, Buckenberghs, Bukenberghs, Bukenbergs, Bikkenbergs, Bikkembergs: Plaatsnaam Beukenberg in Everberg (Vlaams-Brabant), Tongeren (Limburg), B(e)ukenberg in Olmen (Antwerpen). In de parochieregisters van Beverlo en Oostham (Limburg) komen de ontronde vormen (Bik-) als variant voor van Bueken- en Buckenbergs.

Buël, van; van Buul: Plaatsnaam Budel (Noord-Brabant): 1573 Buel.

Bueri, van de, Bueri, van de, van den Buerie, van de(n) Beurie, van de(n) Burie, Vandenburie, van de Bourie, van de Borie, (van de(n) Bourry, van den Buverie, Debunderie, van de Bunderie, van de Bundrie, van de Benderie, van de Binderie. Naam uit het Picardische burie: wasserij, washuis. Beroepsbijnaam.

Buet, Bué, Bue, Buwez, Buez: 1. Afleiding van Oudfrans buie, bue: kruik. Beroepsnaam of bijnaam. 2. Of Oudfrans buée: was, gewassen linnen. 3. Variant van Bouet, Boë't.

Buffa, Buffat, Buffard: 1. Afleiding van Oudfrans buffer: blazen. Vergelijk Boufard. 2. Eventueel vadersnaam. Zie Buffin.

Buffel, Buffels, Boffel: 1. West-Vlaams buffel: slag, stoot; Frans buffle, afleiding van Middelnederlands buffe, boffe: slag. Bijnaam. 2. Bijnaam naar de diernaam. 3. Of buffel: beul, scherprechter.

Buffet, Dubuffet, Dubuffez, Puffet: 1. Oudfrans bufet: tafel, buffet, aanrecht, kabinet. Beroepsnaam van de meubelmaker. 2. Beroepsnaam van de bufetier: wijnhandelaar.

Bufkens, Beufkens, Bufquin: Vadersnaam van Boffe/Buffe.

Bugg, Bugge. Vadersnaam. Duitse korte vorm van de Germaanse voornaam Burkhard. Vergelijk Duits Buggensohn.

Buggenhout (van), Buggenhoud, Buggenhoudt, Buggenhaut, Buggenhout, van Bugenhout, (van) Buckenhout, Buckenhoudt, Buekenhoudt, Buekenhout, Bueckenhoudt, Bueckenhout, van Buekenhout, Beukenhoudt, Beukenhout. Familienaam uit de plaatsnaam Buggenhout (Oost-Vlaanderen). Of gewoon uit een plaatsnaam Beukhout: beukenbos.

Buggenum, van, (de) Buggenoms: Plaatsnaam Buggenum (Nederlands-Limburg).

Bugghensele, van. Plaatsnaam in St.-Michiels (West-Vlaanderen).

Bugnard, Bougniart: Afleiding van Oudfrans buigne: buil op het hoofd, veroorzaakt door slagen.

Bugnits. Slavische familienaam Bugnitz, Bognitz, Bognic.

Buguin, Bughin: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Buggo, bakervorm van Burghard.

Bühl. Heuvel. Bielman is dialect ontrond, vergelijk Pilmeyer, Bielmair.

Buhl, Buhler, Bühl, Bühler, Bueler: Twee verschillende namen, die vaak verward worden. Buhler, van Buhle: geliefde. Bijnaam voor een minnaar.

Buhler, van plaatsnaam Bühl: heuvel.

Buhlmann, Buhlmann, Bielman: Duits Buhlmann, van plaatsnaam.

Buhne, Buhner, Bühne Bühner, Buhnen: Plaatsnaam Bühne, Buhnen, Bühner, Buhn. Duitsland.

Buhren, Buhr, Bühring, Bührmann, Burman, Bürmann: Nederduits Buhr, Bur: boer; en afleiding Buhrke, Buhrke, Bu(u)rke: Nederduits van Buhr: boer.

Buick, Buik, Buyckx, Buyck, Buijckx, Buijck, Buycx, Buijks, Buycks, Buyck. Bijnaam voor iemand met een dikke buik. Vergelijk Duits Bauch.

Buicke, van den, van den Bulk, Bulke, van (den) Buick, van dem Bulcke, de Buicke, van den Bulte, Bulten, van den Beulck, Beulcke, (van den) Bilcke, Beulcke, (van de) Beulque, (van de) Beuque, Beulques, Bullock, Buluk: Plaatsnaam, Middelnederlands blok, bile, bulc: omsloten weide, ingesloten land.

Buijlaert, Buylaert, Buylaere, Builaert, Beulaert, Bullaert. 1. Bijnaam voor iemand met een buil, een bochel. 2. Of variant van Boelaert.

Buijtendorp. Plaatsnaam Butendorf in Bottrop.

Buirette, Burette, Burettes, Burrettet, Burrettez, Burretté. Familienaam uit het Oudfranse buiret(te): kleine kruik. Beroepsnaam van bijvoorbeedl de pottenbakker.

Buis, Buise, Buisen, Buisse, Buize, Buist, Bust, Buijs, Buijsse, Buijse, Buijsen, Buijze, Beuijs, Buys, Bueys, Buyse, Buse, Buysens, Buysens, Buyze, Buyzens, Buize, Buijze, Buissin, Buissink: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Buso/Boso (=boos-trots) die voorkomt in de plaatsnaam Buizegem, Antwerpen, Buizingen, Vlaams-Brabant. 2. Een enkele keer korte vorm voor Van Buysingen.

Buisine, Buiseine, Busine, Busyne, Buseine, Buseyne, Buseijne, Beusinne, Bussene, Bessine, Besene: Oudfrans buisine, boisine, Middelnederlands basune, basine; ‘bazuin, trompet’. Beroepsbijnaam van de muzikant.

Buisman, Buijsman, Buysmans: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Buso/Boso. Zie Buis.

Buisset, Buissez, Buissin: Vadersnaam. Afleiding van Frans buis: buksboom; of van bos, bois: bosje. Vergelijk Boset.

Buisson, Bouisson, Dubuisson, Dupusson, Dupisson, Debuisson, Debisson, Desbuissons, Desbuisson, Debusson, Dubuson, Dubousson, Albuisson: 1. Erg verspreide plaatsnaam Buisson: struik, heester. 2. Later ook reïnterpretatie van Italiaanse familienaam Buzzone.

Buitelaar. Beroepsnaam van de buitelaar, jongleur, kunstenmaker.

Buitendag. Wellicht reïnterpretatie van Duits.

Buiter, Buter: Afleding van Middelnederlands buten: ruilen, buit maken. Middelnederlands buter. Beroepsnaam van de (ruil)handelaar. Of bijnaam voor wie op buit jaagt; vergelijk vrijbuiter.

Buitinga, Butinga, Buitenga. Afleiding van de voornaam Buite.

Buitink, Buijtink, Buytink, Buijink: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Boudewijn. Vergelijk Buytaert.

Buisma. Van de voornaam Busscha, Busch.

Buisrogge, Buijsrogge: Zinwoord: Middelnederlands busen ‘kloppen, slaan’ + rogge. Beroepsnaam van de man die de rogge klopt, dorst. Vergelijk Duits Klopperoggen, Stoterogge.

Buissing, Buysing, Buesink: Vadersnaam. Afleiding van Buis.

Buitendijk, Buytendyk, Buytendijk, Buijtendijk. Plaatsnaam Buitendijk, bijvoorbeeld bij Enter, Overijssel. Ook Butendiek (Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen).

Buitenhuis, Buitenhuys: Frequente Gelderse familienaam. Ook plaatsnaam Buitenhuizen (Drenthe, Assendelft, De Wolden).

Buitenkamp, Buitkamp. Plaatsnaam, bijvoorbeeld Buitenkampen bij Notter (Wierden, Overijssel). Plaatsnaam Buitenkant in Beilen (Drenthe). Maar wellicht veeleer van Buitenkamp; zie Buitkamp.

Buitenkant, Buitekant. Familienaam uit de plaatsnaam Buitenkant (buurt in Amsterdam).

Buiter, Buter, Büter, Buijter, Buyter, Vrijbuiter. Wanneer de familienaam Buiter uit het middelnederlandse werkwoord buten/bueten/buyten kan worden verklaard, kan de naam verwijzen naar de betekenissen ruilhandelaar, iemand die buit maakt (vergelijk vrijbuiter) of, als variant van boeter, een hersteller, bijvoorbeeld van netten of zeilen (vergelijk nettenboeter, ketelboeter). Vanuit het Duits (Büter/Beuter) zou daar de betekenis 'imker' bij kunnen komen.

Buitink, Buiting: Vadersnaam. Afleiding van Buit, van Boit, Boid, van Boldwin, Boudewijn. Zie Boidin.

Buizer, Buyser: In de middeleeuwen was de buizer of buccinator de ambtenaar die het jus cornandi had. Bij het afbakenen van woeste grond, bij schenking of verkoop, moest hij op de vier hoeken op de hoorn of buse blazen.

Bukkens, Buck, de, Bück, Bucks, Buckman, Bückman, Bücking, Bucking: Vergelijk Vlaamse familienaam Bueken(s), Buckens, Bucken, Buckinx. Vadersnaam. Germaanse voornaam Bucco, Bocco, een bakervorm van een Germaans burg-naam.

Bukviel, de: Vervorming van de Belgische familienaam de Broqueville, Brocvielle, een vooral in het Pas-de-Calais frequente naam. Misschien de Plaatsnaam Bricqueville (Calvados, Manche). Of gewoon een variant van Brecville (zie Breviel).

Bul, (de): Middelnederlands bulle‘stier’.

Bulck, van den, Bulk, Bulcke (van den), Vandenbulcke, van den Bulke, van den Bulk, van (den) Bulck, van dem Bulcke, de Bulcke, van den Bulten, van den Bulte, van de Bult, van de Bulten, van den Beulcke, Beulckee, (van den) Bilcke, Beulcke, (van den) Beulque, (van de) Beuque, Beulques, Bulckaert, Bulkaert, Bolkaerts, Bolkaers, van den Bloke, van den Block, Blockmans: Plaatsnaam. Middelnederlands blok