Verklaring van achternamen C

C.

Ca, (de), Deca, de Cae, Decae, de Kaey, de Kay, Kai, Kay. Het Middelnederlandse cade (in het dialect kaai) betekent gebraden vet, uitgebakken vetkorst. Het kan dus gaan om een bijnaam (bijvoorbeeld een mager iemand) of een beroepsnaam (bijvoorbeeld vetsmelter).

Caasbeek, van, van de Caetsbeek, van de Caesbeek, van de Kaetsbeek: Plaatsnaam Gaasbeek in Tielt en Reningelst.

Caauwe, zie Kouwen. Spelling van de Vlaamse familienaam Cauwe. Middelnederlands cauwe ‘kraai’. Bijnaam, ook huisnaam.

Cabout, Cabbout. 1. Variant van Cobbaut, met voortonige a (vergelijk kabouter / Cobboud). 2. Spellingvariant van Cabaux, Cabeau(x).

Cabadès, Cabadais: Streeknaam Cabardès (Aude).

Cabaert, Kabbert: Wellicht variant van Cobbaert. Vergelijk Cobbaut/Cabbaut.

Cabal. Occidentaals cabal; machtig, rijk.

Cabanier. Bewoner van een cabane; hut.

Cabaraux. Frans Cabarel, van Oudfrans cabar: korf van gevlochten biezen.

Cabaret, Cabarez, Cabret: Frans cabaret ‘kroeg, drankhuis’. Beroepsbijnaam van de waard.

Cabarteux. Afleiding van Cabaret. Beroepsnaam van een waard.

Cabeau, Cabeaux, Cabiaux, Cabaux, Cabbai, Cabai, Cabaye, Cabay: Afleiding van cab-: kop, hoofd. Cabal/Cabau(x)/Cabaud van Occidentaals cabal: machtig, rijk? Of Cabel/Cabeau: haar (Gascogne)? Of Romaanse vorm van Nederlandse familienaam Cobbout/Cabbaut? Voor de voortonige vocaal, vergelijk kabouter = Middelnederlands cobboud, Duits Kobold. Cabai kan Luiks-Waals zijn, of de Picardische vorm.

Cabeke, van, Cabbeke: Plaatsnaam Kabbeek in Tienen, (Vlaams-Brabant) of Cabbecq in Roosbeek (Waals-Brabant).

Cabernel. Uit Caberel = Gabriel?

Cabie, Cabye, Caby), Cabij, Cabit: Waals cabéye: kamille)?

Cabillau, Cabillaud, Cabilliau, Cabliau, Backeljauw, Backeljau, Backeliau. Bijnaam uit de huisnaam of beroepsbijnaam van de kabeljauwvisser- of -verkoper. De variant Bakeljauw komt uit het Baskische bacallao, wat uiteindelijk hetzelfde betekent.

Caboche, Cabotse, Kabouche: Oudfrans caboc(h)e: bult, hoofd. Middelnederlands cabootse: vis met grote kop. Bijnaam voor iemand met groot hoofd.

Cabolet, Caboullet: afleiding van Cabeau, Cabbaut. Voornaam of kabouter? In Marche-lez-Ecaussines is Cabolet het mannetje in de maan (kaboutermannetje?).

Cabooter, de, de Caboter, de Cabootere: 1. Bijnaam voor een kabouter, iemand met de gestalte van een dwerg; vergelijk Cobbaut. 2. Reïnterpretatie van Caboot. Zie Cabot.

Cabosart, Cabossart. Afleiding van Caboche.

Cabotaire. Verschrijving van de Franse uitspraak van Caboter.

Caboor, Caboort, Cabboort, Kabboord, Kaboord: Verzwaarde vorm van Caboot, van Cabot, Picardisch variant van Frans Chabot ‘vis met grote kop’.

Cabooter (de), De Caboter, De Cabootere. 1. Bijnaam voor een kabouter: een klein persoon. 2. Zie ook bij Chabot.

Cabour, Cabourg. Plaatsnaam Cabourg, Calvados.

Cabouy, Caboi: Bijnaam. Noord Waals cabouyi: gedeukt, geblutst.

Cabri, Cabrit, Cabrissiau: Middenfrans cabril, cabrit: geitje.

Cabron. Frans cabron: geitenvel. Maar waarschijnlijk van Cambron.

Cabu, Cabus, Cabut, Cabouy, Cabuy, Cabuij, Cabuil. Naam uit het Franse cabus: cabuis(kool). Beroepsbijnaam van de kolenteler of bijnaam voor iemand met een groot hoofd. 

Cachard, Cachart. Beroepsnaam. Picardische varian van Chassart 2. Vergelijk Cacheux.

Cachet. Oudfrans cachet: verborgen hoekje, schuilhoek.

Cacheux, Lecacheur, Lecacheux, Casseur, Casseus: Picardisch voor Frans chasseur: jager. Beroepsnaam.

Cachoir, Cachoire. Picardisch cachoir(e): uiteinde, touwtje van een zweep, zweep. Hieruit dialect kletsoor, klassoor: zweep. Beroepsnaam voor koetsier of herder.

Cackaert, Caeckaert, Caekaert, Cacquaert, Cakar, Kackert, Kakkert, Kakert. Vadersnaam door "anticipatie" van de k ontstaan uit Jacquaert. Zie verder bij Jacquard.

Cadzand, van, van Cadsant, van Kazant: Plaatsnaam Cadzand (Sluis, Zeeuws-Vlaanderen):

Cadeau, Cadel, Cadiat: Oudfrans cadel, van Latijn capitale: hoofd-, sierletter. Beroepsnaam van de illuminator, kopiist.

Cadet, Cadez, Cadée, Cadei: Fran cadet: de jongste van het gezin. Bijnaam.

Cado, Cadot. Picardisch cadot: stoel. Beroepsnaam.

Cador, Cadoret. Bretonse naam, Catdoret, Cadored(us) 'hulp in de strijd.

Caducque. Niet van Oudfrans caduque: vallende ziekte, maar reïnterpretatie van Cadyck.

Cadyck. Afleiding van Bretons cat: strijd, gevecht. Cadic.

Caeldries. Plaatsnaam Kaaldries in Hamme, Oost-Vlaanderen.

Caelen, Caelens, Calens, Kaelen, Kalen, Kalin. 1. Vadersnaam uit Caerlen, een knuffelvorm van de voornaam Karel. 2. Misschien ook wel eens een variant van Callens. Zie Callens. 

Caenen, Kaanen, Caanen, Kanen. Vadersnaam uit het Middelnederlandse Canin: een knuffelvorm van Kerstiaen of Christianus.

Caeselem Caeseelem, van: Door assimilatie rz van z uit plaatsnaam Kaarzele in Waregem (West-Vlaanderen). Caersele; Kaerle; kerel, Germaanse sali; uit 1 ruimte bestaand huis.

Caes, Kaas, Kaes, Quaas, Kees. 1. Beroepsnaam van de kaashandelaar of - maker. 2. Vadersnaam, verkorte vorm van Nicasius.

(de) Caesstecker, (de) Caestecker, Caesteker, de Caesteeker, (de) Kaestecker, Kaesteker, Kastekker, Kastekkere, Kastekerre, Caistiker. 1. Beroepsnaam van de beambte die de kaas kwam keuren: er in steken. 2. Beroepsnaam van de kade-steker. Hij die kades, cades, cae stak (aanlegde) in het kustgebied.

Caesar, César, César, Cezard, Cezar, Cesarini, Cesari, Cesarinio: Vadersnaam. Als voornaam gebruikte cognomen Caesar, de naam van Gaius Julius Caesar (Rome 100-44, v. Chr.).

Caesbroeck, van. Vermoedelijk niet de plaatsnaam Kaasbroek in Westvleteren en Ichtegem (West-Vlaanderen), maar door Brabanse dialect uitspraak van Van Causbroeck.

Caessens, Casen, Casens, Caasen, Caessens, Kaesens, Kaesen, Kaezen, Kesenne, Kesen, Kaeses, Cassen, Kessens, Kessen, Casin, Cazin, Kaisin, Kaisen, Ouaisin, Kaysen, Kaizen, Keisen:. Casin, vleivorm van de heiligennaam Nicasius.

Caesstecker, de, (de) Caestecker, Caesteker, de Caesteeker, de Castecker, (de) Kaestecker, Kaesteker, Kastekkere, Kastekker, Kastekerre, Caistiker: Beroepsnaam van de kaaskeurder, die in de kaas steekt, prikt om hem te keuren. Vergelijk Duitse familienaam Kasbohrer: kaasboorder, Kâsestecher.

Caeymaex, Caymax. Afleiding van Kaai (= kassei)-make: beroepsnaam voor kaaienmaker, bestrater, straatmaker.

Caezeele, van, (van) Caeseele, (van) Caeyzeele, Cayzeele, van Cayzele, Caysele, van Cayezeele, (van) Cayeseele, Cayseele, Caijseele, van Cacyzecle, van de Cayseele, Cayzeele. Naam uit de plaatsnaam Kaarzele (Waregem, West-Vlaanderen).

Caffieaux, Caffiau, Caffiaux: Oudfrans chafaut, volkslatijn catafalicum: schavot, podium, steiger. Plaatsnaam.

Caflers. Plaatsnaam Cafflers, Pas-de-Calais.

Cafmeyer (de), (de) Caffmeyer. Beroepsnaam voor een kafboer; wellicht een dorser. Vergelijk Caf, Duits Spreuer, Strohmeier.

Cagni, Cagnie, Cagniet, Cagnet, Cagniez, Caignie, Caigny, Cagny, Caignet, Caignez, Caigniet, Caignié. 1. Naam uit het Oudfranse ca(i)gnet: hondje. Bijnaam. 2. Zie ook Decagny. 3. Zie ook Coigne.

Cagnon, Canion, Caniot, Kignon, Quingbon, Quignon, Quinon, Kinon, Kinjo, Kenyon: Picardische afleiding van volkslatijn cania: hondin. Vergelijk Caignaert.

Cahour. Plaatsnaam Cahors (Lot). De cahorsijnen, afkomstig van Cahors, waren in de middeneeuwen bekende bankiers, geldschieters en woekeraars. Of plaatsnaam Caours (Somme)?

Cahu. Vorm van Picardisch caiie, Oudfrans choe, chue: (kerk)kauw, bosuil, (kat)uil.

Caignaert, Cagnard, Cagna, Cagnart, Cagniart, Kaignaert, Quanjard, Keyngnaert, Keygnaert, Keingnaert, Keignaert, Keynaert, Cingnaert, Cigniaert, Cinjaere: Frans cagnard: luiaard, afleiding van volkslatijn cania: hondin. Hieruit ook Nederlands kanjer: zelf ingenomen iemand, baas, onhebbelijke.

Caignau, Cagneau, Cagniau, Cagneaux, Cagniaux, Canieau, Cania, Caniaux, Kinjo, Cagnell, Caniel, Quanjel, Canjels: Middenfrans caignel, van Middenfrans caigne, volkslatijn cania: teef; of van Picardisch kain: hond. Dialect caniau: hondje. Bijnaam.

Cail, Caille, Caeylde: 1. Frans caille: kwartel. Bijnaam. Caeylde is Oost-Vlaams. 2. Korte vorm van Van Caille.

Caille, Caillie, van, van der Caillen, van der Cailde, van Caille, Cuaille, van Callie, van Qualle, Qualle, Verqualie, Vercayie, Qualy, Cailly: Plaatsnaam. Variant van Coillie die in West-Vlaanderen kwalie wordt uitgesproken.

Caillau, Caillaux, Caillaud, Cailleau, Caillaux, Caillieau, Cailliaux, Chaillaut, Chaliaud, Calliau, Callau, Calliauw, Caliouw, Caljouw, Kaljouw, Caljon, Cailleeuw, Cailleuw, Calleeuw, Caillou, Cailloux, Cailliou, Callou, Calloud. Bijnaam uit het Oudfranse caillel, calieu: kleine kei. Of uit caillou: kei, steen.

Eventueel een plaatsnaam ?

Caillet, Caillé, Caillez, Cailliet, Cailliez, Callier, Chaillet, Chayet, Cailleton, Lecaillez, Lecaillé, Lecaillié, Leciallie, Lecailliez, Lecaillier: Afleiding van Oudfrans c(h)ail, Frans caillou: kei, steen.

Cailleux, Callieux, Callieu: Afleiding van Oudfrans cail-: steen, kei. Plaatsnaam: met stenen bedekte bodem.

Caillier, Cailliet, Cailliez, Lecaillie, Lecaillier, Lecailli, Lecailliez, Lecaille, Lecaillié: 1. Beroepsnaam. Oudfrans quaillier: jager op kwartels. Zie Caillet.

Caillon, Calyon: Korte vorm van Lecaillon of Decaillon.

Caillot, Chaillot, Chayot: afleiding van Oudfrans c(h)ail: kei, steen. Vergelijk Caillet.

Caillou, Cailloux, Cailliou, Callou, Calloud: Frans caillou: kei, steen. Vergelijk Caillau(x).

Caise, Caisse, Kaisse, Kaise, Kayse, Quaise: Vadersnaam. Korte vorm van Nicaise, Franse vorm van Sint Nicasius.

Cajot, Clajot, Ducajo, Ducaju, Ducazu, Ducassou, Ducousso. Cajot en Cageot zijn afleidingn van cage, dit uit het Latijnse cavea: kooi. Beroepsbijnaam van de kooienmaker, de kooier/kooiker. 

Cak, de, Kack: kak, drek, stront. Waarschijnlijk scheldnaam.

Calafato, Calefati, Calfat, Calfas: Italiaans calafato van (sinds 1371) Middenfrans calefas. Beroepsnaam van de kalfateraar, breeuwer, die de naden van een vaartuig dichtmaakt, teert.

Calais, Decallais, (van) Calays, (van) Cales, Calés: Plaatsnaam Calais, Nederlands Kales (Pas-de-Calais).

Calame. Middenfrans calame: schrijfpen. Beroepsnaam van de klerk of kopiist. Vergelijk Callemein.

Calandre, Calander, Calande. Oudfrans calandre: leeuwerik. Bijnaam.

Calant, Callandt, Callant, Callant, Klant. Picardisch, Middelnederlands en West-Vlaams calant: klant, kerel, kapoen. Bijnaam. 

Calay, Calai, Callaey, Callay, Callaij: Wellicht variant van Colloy/Collei, vleivorm van de voornaam Nicholaus.

Calbecq, Callepeck: Plaatsnaam Kallebeek in Hemiksem (Antwerpen) en Bazel (Ooost-Vlaanderen).

Calberson, Calverson: Engelse vadersnaam. Cuthbertson, zoon van Cuthbert, Oudengels cûd beorht; 'beroemd-schitterend'.

Calboutin. Vadersnaam, afleiding van Callebout.

Calbrecht, Calbert, Callebert, Callbert, Calembert, Kalber, Kalbert, Kelbaert, Caliber: Vadersnaam. Germaanse voornaam kald-berht; 'koud-schitterend': Caldobertus. Vergelijk Chaubert.

Calcken, van, van Calck, van Kalk, van Kalken, van Kalck: Plaatsnaam Kalken (Oost-Vlaanderen).

Calcoen, Calkoen, Callecoen, Kalkoen. Verschrijving uit Kalkoven: beroepsbijnaam van de kalkbrander. 

Calcus. Latinisering van Van Calcken?

Caldenborgh, van. Limburgse vorm van Koudenburg; zie Van Couwenburgh. Waarschijnlijk variant van Kaldenberg (berg en burg werden vaak verward). Zie Cauberg.

Caldenhoven, van. Plaatsnaam ,1208 Caldenhoven bij Dusseldorp.

Calembert. 1. Zie Calbrecht. 2. Romaanse aanpassing van Calenberg.

Calemont, van, van Caelemont, van Callemont: 1. Plaatsnaam Calemont: kale berg, in Dottenijs (Henegouwen). 2. Plaatsnaam in Limburg.

Calenberg, van, Calenberge, van, van Calenberghe, van Calenbergh, van Calemberge, (van) Caelenberhe, Caelenbere, van Caenenberg, Caenenberghe, Caenenbergh, van Callenberge, Callenberghe, Callenbergh, van Calbergh, Calberg, van Colberg. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Ka(a)lberg (onbegroeide berg). Er is een Kalberg in West Vlaanderen of Maarheeze, 1348 Valeberghen, in Oostrozebeke (West-Vlaanderen), Kaalberg in Moorsele, Kalenberg/Kaaldenberg in Zarlardinge en St.-Blasius-Boekel (Oost-Vlaanderen). 2. Er is een Kallenberg in St.-Pieters-Leeuw (Vlaams-Brabant). 3. En er zijn nog (bijna) gelijkluidende plaatsnamen op diverse plaatsen in Nederland en Duitsland.

Calebout, Callebout, Calebaut, Calbeau, Calibaut, Caillebeau, Caillibaud: Lijkt wel een Germaanse bald-naam te zijn, maar er is nergens een naam Kaldbold bekend. Is Callebout een aanpassing van de Franse familienaam Caillebeau, of is het omgekeerd? Of Caillebeau als caillebot: gewrongelde melk.

Calet, Caley, Cales, Callet, Callez, Calles, Callé, Kalee, Kalley: Afleiding van Oudfrans cale: platte ronde muts. Bijnaam.

Calfé, Calf, de: Met verscherpte v/f voor Calvé, spelling voor Calvet, Frans verkleinvorm van Latijnse calvus ‘kaal’. Middelnederlands caluw: kaal. 2. Zie Kalf(f).Bijnaam.

Califice, Calificis. Afleiding van Latijn calefacere: heet maken, verwarmen, aanvuren. Beroepsnaam van een stoker of bijnaam voor brandstichter.

Calie, Caljé: Beroepsnaam, Picardisch Callier, van Carlier, Carrelier, Frans Charlier ‘wagenmaker, voerman’.

Calimé, Calimez. Afleiding van Picardisch calame, van Latijn calamus: riet, schrijfveer, pen. Vergelijk Callemein. 2. Plaatsnaam Kales, Frans Calais (Pas-de-Calais).

Calkeren, van. Plaatsnaam Kalkar, Duitsland.

Callaert, Callaerts, Callaars, Kallaert, Kallaerts, Kallert, Calaerts, Calaes, Callar: Afleiding van Middelnederlands callen ‘praten’. Bijnaam voor een prater, babbelaar.

Calle, Kalle: Moedersnaam. Korte vorm van Sint Catharina, Katelijne.

Callebaut, Calebout, Calbeau, Calibaut, Caillebeau, Callibaud: Onzeker. Of een Middelnederlandse afleiding van de meisjesnaam Calle. Het zou ook een afleiding kunnen zijn van caillebot: gewrongelde melk. Een beroepsnaam in dit geval.

Callenfels: Plaatsnaam Kallenfels (Rijnland-Palts).

Callemein, Callemeyn, Callemeijn, Callemien, Callemin, Callemijn, Callemyn, Calemyn, Calemijn, Calemein, Calemeyn, Camein, Cameyn, Camyn, Camijn. Naam afgeleid uit het Picardische calame: riet, schrijfveer, pen. Beroepsbijnaam voor de schrijver of de pennenmaker.

Callenaere, Callemaers: = 1723 Kellenaere = 1730 Callenaere, van 1633 van de Kellenaere. Middenenderlands kelnare: kelder. Vergelijk Van de Kelder.

Callenfels. Plaatsnaam Kallenfels, Duitsland.

Callens, Kallen. Moedersnaam afgeleid van Calle, een verkorte vorm van Katelijne, Griekse Sint Catharina.

Callewaert, Calewaert, Calewaerts, Caelewaert, Caluwaerts, Caluwaert, Calluwaerts, de Caluwaert, Calwaert, Caluwaers, (de) Collewaert, Colwaert, Colloart, Calvaer, Calvert: Bijnaam voor een kaalhoofdige, afleiding van De Caluwe.

Callewier, Caluwier, Cailluyer, Calluière: Plaatsnaam La Caillouière: plaats waar keien, stenen liggen. La Callewiere in 1429 in Moeskroen; 1231 al Caliuire in Wattrelos.

Calliber: Spelling voor de Franse uitspraak van de familienaam Callebert, Calbert, naast Calbrecht. Germaanse voornaam kald-berht ‘koud-schitterend’: Caldobertus.

Calliste, Calicis, Calis, Colicis, Calice:Vadersnaam, Sint Calixtus, Waals Calisse.

Callot, Calotte, Calottens, Calottens, Calot, Caloo: Vadersnaam. Variant van Carlot, door assimilatie rl/ll, vergelijk Challes = Charles.

Calmeau, Chalumeau: Oudfrans/Oudpicardisch c(h)almel, Frans chalumeau, van Latijn calamus: rietje, (schrijf )veer, pen. Vergelijk Callemein, Calmet en Franse familienaam Chalemel.

Calmet, Calmes, Caumette, Chalmette, Chaumette, Chaumet, Chaumetel. Afleiding van Oudpicardisch calme, Oudfrans chalme, van Latijn calamus: riet, stro, (schrijf)veer, pen. Beroepsnaam. Vergelijk Callemein, Calmeau.

Calon, Caloen Van, Calonne, Calon, Calloens, Calloons, Caloone, De Callone, De Calonne, Calomne, Calomme: Plaatsnaam Calonne (Henegouwen, Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Calogne, Calloigne, Callogne, Callongie, Calange, Schaloigne, Lacollonge: 1. Oudfrans, Oudpicardisch c(h)allonge: rechtsvervolging, geschil. Engels challenge. 2. Verspreide Franse plaatsnaam Collonge(s), ook Calonges. Of van Cologne; Keulen. 3. Calogne kan hypercorrect zijn voor Calonne. Afleiding van Calogne is Calongette.

Caloin, Caloine, Caluyn, Callewyn: Duister. 1528 Catharina Calluyens, Schelle; 1617 Hans Calluijns, Aarts; 1766 quod scribitur in registre Calluyn (Antwerpiensis) ponitur in baptismali ejus ex parochie Sti Georgii Antw. Caloin.

Calonger, Calanger: Oudfrans chalengeor: eiser, klager (in rechte). Engels challenger.

Calozet. Bijnaam. Afleiding van calleux: eeltig. Zie Calu(s).

Calseijde, van de; van de Calsoij: Plaatsnaam Calseide, van Picardisch cauchee, Frans chaussée ‘straatweg, steenweg’, van Latijnse calciata.

Calster, van: 1. Plaatsnaam Kalster (Leuven, Vlaams-Brabant). 2. Zie ook Van Caster. Zie Caster. 3. Zie ook Van Calsteren. Zie Calsteren.

Calsteren Van, Vercalsteren, Kolster, Kolsteren. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Kalsteren (Vlaams-Brabant en Antwerpen). 2. Variant van Van Calster. Zie Calster.

Cateau, Calteuax. Calleteaux. Afleiding van Calet.

Calu, Calus, Calut, Callut, Callu, Kalut, Calluy, Caluy, Calluij, Caluij: Bijnaam. Frans calleux, van Latijn callosus: eeltig. Of Picardisch gedemouilleerde vorm van Cailleux? Maar zie ook Decalut.

Caluri: Verhaspeling van Caluwé?

Calus: Bijnaam. Frans calleux, Latijnse callosus ‘eeltig’.

Caluwe (de), (de/van) Caluwé, Calluwé, De Calwé, Callewaert, Calewarts, Calewaert, Caelewaert, Caluwaerts, Caluwaert, Calluwaerts, De Caluwaert, De Calwaert, Caluwaers, (de) Callewaert, Colwaert, Colloart, Canvaer, Calvert. Met verschoven accent uit de Caluwe. Bijnaam voor een kaalkop. Caluwe is de verbogen vorm van Middelnederlands calu ‘kaal, pover, mager’.

Calvaer, Calvat: Picardisch Calvard, afleiding van Latijn calvus: kaal. Vergelijk Callewaert.

Calvet, Calvété, Calvetti, Cavet, Cavez, Cavé, Cavey, Calvez, Le Calvé, Le Calvez, Caluet, Collewet, Chauvet, Chauvé, Chauvez, Chavet, Chavez, Chavé, Chaves: Afleidng van Latijn calvus: kaal. Bijnaam.

Calvi, Calvy, Calvo. Bijnaam, van Latijn calvus; kaal.

Calvin, Calvijn, Calvino, Calvin, Cauvain, Cauvin, Chauvain, Chauvin: Afleidng van Latijn calvus, Frans chauve: kaal. Vergelijk De Caluwe.

Camargo, de, Cammargo, Comergo: Spaanse plaatsnaam.

Cambeen: Aanpassing van Cambien, variant van Cambier.

Cambier, Cambiez, Camby, Cambie, Cambien, Canbien, Cambeen, Canbein, Kambier: 1. Beroepsnaam van de (bier)brouwer. Oudfrans cambier. Vergelijk Delcambe.1199 Terrici le Cambier, Doornik. 2. Beroepsnaam van de geldwisselaar, van Latijnse Cambium;‘wissel’.

Camblain. 1. Plaatsnaam Camblain (Pas-de-Calais). 2. Variant van Comblain.

Cambre, Chambre, Schembre,Chambers, Cambers, Schampers, Sampers, Samper, Sampe: Picardisch cambre, Frans chambre: kamer, eenkamerwoning. Vergelijk Delchambre, Kamers.

Cambrechts. Reïnterpretatie van Kaembergs.

Cambrésier, Cambresier, Cambrésy, Cambresy, Cambrusier, Cambruzzi, Cambroisier: Afkomstig van Le Cambrésis, de streek van Kamerijk (Cambrai/Nord).

Camelbeke, van, Camelbecke, Camelbeck, (van) Caemelbecke, Caemelbeke, van Cammelbeck, Camelbeeck, Camelbeek, Camelbecq, Cammelbeke, Cammelbeeck, Cammelbeek, (van) Caemerbeke, Camerbeke, Kamerbeek, van Comelbeke, van Comerbeke, Comerbecq, van Comlebeke, van

Kemmelbeke: Waternaam de Kemmel: 1317 Kemmelbeke.

Cameleyre. Kemmelaar, afkomstig van Kemmel (West-Vlaanderen).

Camenier, Camerier, Cameriere: Middelnederlands cameniere = cameriere: kamenier, hofdame.

Camerman, Camermans, Cammerman, Cammermans, Kamermans: Afleiding van Van der Kamer.

Cami. Een vooral Aalsterse familienaam en aangezien ook Cam(m)u in Aalst vrij frequent is, zal Cami wel ontrond zijn uit Camu.

Camin. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Jacques, Jacqueme, korte vorm van Jaquemin.

Camion. Picardische vorm voor chamion: wagen. Beroepsnaam van de wagenmaker of voerman.

Cammaart, Cammaert, Cammaerts, Cammaer, Cammart, Cammers, Camart, Caemaert: 1.Afleiding van werkwoord kammen. Beroepsnaam van de wolkammer. 2. Afleiding van Middelnederlands Cam ‘brouwerij’. Beroepsnaam van de brouwer.

Cammeren, van. 1. Variant van Van der Kamer. 2. Variant van Van der Cammen, Vercammen. Zie ook Van der Kamer 3.

Cammelot: Oudfrans chamelot, camelot ’naam van en soort stof (oorspronkelijk van kameelhaar)’. Beroepsbijnaam.

Camnitzer. Variant van Kemnitzer, afkomstig van Chemnitz (Saksen, Bohemen).

Camp, Camps. Van Latijn Campus; vlakte, veld, vadersnaam, Germaanse voornaam kamp-hari, adresnaam.

Camon, Camoen. Plaatsnaam Camon, Seine.

Campagne, Campagnie: 1. Plaatsnaam Campagne (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen). 2. Variant van Compagnie.

Campanella, Campanelli. Italiaanse beroepsnaam van de klokkenluider.

Campbell. Schotse familienaam van Gaëlisch caimbeal: scheve mond. Bijnaam.

Campen, van, Kampen. Plaatsnaam Kampen, Overijssel.

Campenhout, van: Plaatsnaam Kampenhout (Vlaams-Brabant).

Campeert. 1. zie Kampert. 2. Vondelingnaam. Een vondeling kreeg die naam in Brussel op 17 augustus 1787, met de betekenis van het werkwoord kamperen, in verband met het Oostenrijkse leger.

Camper: 1.Middelnederlands camper, kemper ‘kampvechter, kampioen’. Duits Kempfer. 2.Vadersnaam. Germaanse voornaam kamp-hari.

Campignon, Campenon: Variant van Campion?

Campin, Campain. Bijnaam. Frans compain: kameraad, gezel.

Campin, Campinne. Plaatsnaam Campine in Wizernes, Pas-de-Calais.

Campion, Champion: Bijnaam. Picardisch/Frans c(h)ampion: kampioen, kampvechter. Vergelijk Kampers.

Campion, Campione, Campioni is een Italiaanse familienaam, afgeleid van Campion.

Campisi. Italiaanse-Siciliaanse familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (tegenhanger van Van de Velde).

Campistron. Franse aanpassing van plaatsnaam Campistrous (Htes-Pyr.). De dramaturg Campistron ("Toulouse 1656) was afkomstig van Armagnac.

Campmans. Afleiding van Van der Kamp.

Campo, del, van, Campa: De volledige naam luidt del Campo genaamd Camp. Italiaanse pendant van van der Kamp.

Campstein, Campsteyn, Campsteijn. Naam uit kantsteen. Beroepsbijnaam van de metselaar. Of uit de plaatsnaam Kampstein (Oostenrijk).

Campus. Romaanse afleiding van plaatsnaam Camp; veld.

Camu, Camus, Camut, Cammu, Cammue, Le Camus, Camusat, Camusot, Camusel, Camulselle, Camuzet: Bijnaam Frans camus: iemand met korte, platte neus.

Canard, Canart, Kanaar. Frans canard; eend, Bijnaam, naar de waggelende stap.

Canaux, Cannau, Cannaux, Cannea, Canneaux. Naam uit het Oudfranse canel, het Middelnederlandse caneel: riet, kaneel. Beroepsbijnaam van de kaneelhandelaar of de rietsnijder.

Cancelier, Cancellier, Cancelierre, Cancillier, Canseliet, Chancelier: Picardisch cancelier, Frans chancelier, Middelnederlands canselier: kanselier, uitvaardiger van oorkonden, zegelbewaarder. Zie ook (de) Kestelier.

Canck, de, de Cancq: 1. Spelling voor De(s)camp(s). Zie Decliamp(s). 2. Toch kan de een lidwoord zijn.

Candal, Candalle, Candael, Candaele, Quandalle, Quandal: Plaatsnaam Quendal(l)e in Racquinghem en Quelmes (Pas-de-Calais).

Candel, Candelle, Candeel, Candiau, Candau: Oudpicardisch candel, Oudfrans chandelle, van Latijnse candela ‘kaars, toorts’. Beroepsnaam van de kaarsengieter.

Candelaerem van de(n), van de Candelaer, van de(n) Kandelaere, van de(n) Kendelare, Kendelaere, de Kandelaer, de Candeleer. 1. Beroepsnaam voor de maker van kandelaars. 2. Er is ook een plaatsnaam Kandelaar in Rotterdam.

Candelier, Candellier, Candeiller, Chandelier: Beroepsnaam. Oudfrans chandelier, Picardisch candelier: kaarsengieter.

Canderbeek, Canderbeeke, Canderbeke. Familienaam in Waals-Brabant. Verhaspeld uit Vanderbeek?

Candillon, Chandelon: Beroepsnaam. Oudfrans chandelon, chandillon, Picardisch candillon: kaarsengieter.

Candries, Candrix. Familienaam uit de plaatsnaam Kandries in Mark (Henegouwen), Kamdries in Hofstade (Vlaams-Brabant) en vooral de Kamdries/Kandries in Berg (Vlaams-Brabant). Candry door Franse spellingsuitspraak van Candrix?, een Dries (land dat om de zoveel tijd gewas droeg) in Edingen (Henegouwen, of van Kamdries; Dries in Hofstade.

Canelle, Caneele, Canel, Canelle, Canneel: 1. Beroepsnaam van de kaneelhandelaar, kruidenier. Zie ook Canaux. 2. Canneele was in de draperie de naam van de rosgrijze kleur. Beroepsnaam van de lakenverver.

Caneghem, van Canegem, van, van Caeneghem, van Caenegem, van Cannegem, van Caemeghem, van Coneghem, van Konnegem: Plaatsnaam Kanegem (West-Vlaanderen).

Canet, Kané, Kaneez, Canneyt, Caneyt, Canneijt, Chanet, Chanez, Chanes, Chaney: afleiding van Oudpicardisch cane, Oudfrans chane: kruik, kan, vochtmaat. Beroepsnaam.

Canevat, Canva, Canvat, Canvasse: Picardisch/Frans canevas: grof linnen, hennep, kanevas. Beroepsnaam.

Canfin, Canfyn, Canfijn, Camfyn, Camfijn, Camphin, Camphyn, Camphijn, Camphens, Campfens, Camfens: Plaatsnaam Camphin (Nord).

Cangé. 1. Plaatsnaam in Gaurain (Henegouwen). 2. Variant van Cange, met secundair accent.

Caniau, Caniaux, Canieau, Caniel. 1. Zie Caignau. 2. Variant van Canaux.

Caniere: Door assimilatie rn van n uit Carnière. Decannière, van Decarnière. Plaatsnaam Carnières bij Morlanwelz (Henegouwen) of bij Kamerijk (Nord). Carnière, van Latijnse Carpinaria ‘haagbeukenbos’.

Canipel, Caenepeel, Canepeel: Picardische variant van Canivel, van canif: mes.

Canneijt, van: Vooral West-Vlaamse familienaam. 1. Wellicht van Casnoit, plaatsnaam in Hérin bij Valensijn. Romaans cassanetum, Frans chênaie‘ eikenbos’. Of Canet in Marquise (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen). 2. Of plaatsnaam van Romaans cannetum ‘plaats waar riet groeit’, bijvoorbeeld Keneit, Caneit in Graach (Trier).

Caniëls, Caniel, Caniau, Caniauz, Canieau. 1. Naam uit het volkslatijn cania, het Picardische cain: hond(je). Bijnaam of beroepsbijnaam. 2. Variant van Canaux: zie daar. 

Canis, Kanis, Cansius, Canisius: Latiniseringen van De Hond(t) of Lechien. Raphaël de Hond, van 1583 tot 1585 Latijns schoolmeester in Arnemuiden, noemde zich Canisius. De vader van de Jezuïet Petrus Canisius (Nijmegen 1521 - Freiburg im Ùchtland 1597) heette Jakob Kanis.

Canivet, Canivez, Kanivé, Kennivé, Caenevet, Canivet, Ouenivet, Ouennevet: Frans canivet, van canif: mesje. Beroepsnaam van de messenmaker. Vergelijk Meskens.

Canler, Canlers, Canlaire: Plaatsnaam Canlers (Pas-de-Calais).

Cannaert, Cannaerts, (de) Cannart, Kannaerts. 1. Familienaam afgeleid van "Van der Canne". Het Goed ter Kanne op Kortrijk-Buiten, Marke en Zwevegem heeft lange tijd aan de familie Cannaert behoord. 2. Zie ook Canard; eend.

Cannepin, Caenepenne, Canepenne: Afleiding van Latijn cannabis: hennep. Oudfrans canepin: (hennepen) beurs, tas, zak. Beroepsnaam.

Canneyt, van, (van) Canneijt, van Caneyt: 1. Plaatsnaam, wellicht van Casnoit in Hérin bij Valencijn, Romaans cassanetum, Frans chênaie: eikenbos. Of Canet in Marquise (Pas-de-Calais) 2. Of Plaatsnaam van Romaans cannetum: plaats waar riet groeit, bijvoorbeeld Keneit, Caneit in Graach (Trier).

Cannie, Canny: 1. Gedemouilleerde vorm voor Cagnie. 2. Eventueel plaatsnaam Canny (Oise).

Cannoo: Cannoo is de dialectische uitspraak van Canoy, door assimilatie rn van nn uit Carnoy (vergelijk Caniere). Uit Latijnse Carpinetum ‘haagbeukenbosje’. Plaatsnaam Carnoy (Nord, Somme), Carnoie (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Cannuyère, Cannuyer: Variant van Calluyère (n-wisseling): plaats met keien; zie Callewier.

Canon, Canone, Canonne, Canoen, Quanonne, Quanone: Picardisch cano(i)ne, Frans Chanoine ‘kanunnik’.

Canonniers, Canoniers: Beroepsnaam van de kanonnier, de bediener van het kanon, het geschut.

Canse, Cansse, Kanse, Kansen, Lâchante: Frans chance, Picardisch cance, van Latijn cadentia: val van de dobbelsteen, van gelukkige worp bij het dobbelen, geluk, kans. Bijnaam voor de dobbelaar.

Canseliet. Variant de Cancelier (=chancelier)

Cansier, Cannesier, Quansier, Ouensier, Kensier: Canissier: rieten mand. Beroepsnaam van de mandenvlechter.

Cansière, Cansiere, Kensière, Quennessière: Plaatsnaam Canessière: plaats waar riet groeit. Ook plaatsnaam Cannessières (Somme).

Canson, Chanson, Chainson: Picardisch Canson, Frans chanson: lied, zang. Bijnaam voor een zanger. Maar de oudste vormen wijzen veeleer op een plaatsnaam op -eçon.

Cant (de), de Candt, (de) Kant, Cans. 1. Naam uit het Middelnederlandse cant: kant, zijde, rand, werkwoord kanten; afzomen van laken. Beroepsbijnaam voor de kleermaker. 2. Zie ook Dechamp(s).

Cante, van: Vlaamse familienaam ook van de(r) Kant, van de Cant. Plaatsnaam Kant ‘rand, grens, oever’.

Cantaert, Cantoort: Afleing van Picardisch canter: zingen. Naast Canteclaer komt in de Reinaert ook Cantaert als naam van een haan voor. Naam van een zanger. Vergelijk De Canter.

Cantamessa, Cantamesse, Cantamessi. Naam voor een kerkzanger, die de mis zingt.

Cantarel, Cantarell, Cantarella, Cantarelli, Cantareul. Bijnaam voor een zanger.

Cante, de. Kan een variant zijn van Decant = Dechamps, maar ook een Waalse aanpassing van De Canter.

Canter, de, Cantere, de, Canter, Canters, Kanters, Canther, Kantere, (de) Cantre, Conters, Conter, Decante, Cantré, Chantre, Kantor, (de) Kanter, Cahnter, de Quanter, Quanters, Lecantre, Lecante, Lechantre, Lechante, Luchantre, Lacante. Beroepsnaam voor de cantor/zanger/voorzanger in de kerk. De Franse vorm is Lecantre, de Waalse Lacante.

Cantfort, van, van Campfort, van Camfort, van Kantvoorde: Plaatsnaam Kantvoort ‘voorde aan de kant, de rand, de grens’. Plaatsnaam Kampfort (-Akkers) in Tielen, (Provincie Antwerpen).

Cantillion, Cantillon, Cantilland, Chantillon: Verzwaarde vorm (door n-epenthesis) van C(h)atillon; vergelijk Nederlands rantsoen, van Frans ration. Zie Castillion. Zie ook Cantineau(x).

Cantin, Cantyn. 1. Plaatsnaam Cantin (Nord). 2. Verschrijving voor Picardisch Frans Quentin, Sint Quintinus. 3. Variant van Cattin (met n-epenthesis). 4. Zie ook Cantens.

Cantineau, Cantineaux, Cantinaux, Cantiniau, Cantiniaux, Cantinieaux, Cantinieau, Cantigneuax, Cantigneau, Cantigniau, Cantignieaux, Cantignieau, Cantinjaeu, Cantinjau. Moedersnaam, knuffelvorm van de voornaam Catin, een knuffelvorm van Catharina.

Cantinier. Waarschijnlijk variant van Cantinieau.

Canton, Cantoni. Oudfrans canton: hoek. Voor wie aan de hoek woont.

Cap, (de): Vlaams ook Cappe, Kappe. Middelnederlands cappe, Latijnse cappa‘(mantel)kap’. Bijnaam voor iemand die een kap draagt of beroepsbijnaam voor de maker van kappen. Vergelijk Cappaert.

Capelaere, Cappelaere. Afkomstig van Kappel. Zie van Cappel.

Capals. Limburgse familienaam. Duister.

Capan, Capanne, Capanna, Cappan: Italiaans capanna: hut. Naar de woonplaats. Franse familienaam Caban(n)e.

Capel, Cappel, Kapel, Chappel, Chapel, Capeel, Cappeele, Capeau, Capéau, Capiaux, Capiau, Cappiau, Capieaux, Capieau, Chapaux, Chapeaux, Chapeau. Naam uit het Oudpicardische capel, het Oudnederlandse capeel, het Franse chapeau: hoed, hoofddeksel. Beroepsbijnaam van de hoedenmaker of bijnaam (bijvoorbeeld voor de drager ervan).

Capellot, Capelot, Coplo. Afleiding van Picardisch capel; hoed.

Capelle, van, de van Cappelle, van der Capel, Cappellen, vande Kapelle, van de Caperles: Plaatsnaam Kapelle (Zeeland) of Kapelle-op-de-Bos, Vlaams Brabant. Ook verspreide plaatsnaam ter Capelle, Kapel(le) ‘kapel’.

Capelleman, Capellemans, Cappeleman, Cappelleman, Cappelman, Cappelman, Cappeleman, Capellman, Kapelman: 1. Beroepsnaam van de kapelmeester, opzichter over een kapel; of kapelaan. 2. Afleiding van Van de(r) Capelle.

Capello: Italiaans capello ‘hoed’. Beroepsbijnaam voor de hoedenmaker.

Capenberg, Capenberghe, Capenbergs, Capenberghs. Plaatsnaam Kapenberg in Mortsel (Antwerpen), Capenberg, Opwijk (Vlaams-Brabant) en Oostakker (1234 Capenberghe). 2. Plaatsnaam Kapenberg in Höxter (Duitsland) of Cappenberg in Selm (Duitsland). Ook Kappenberg in Bork (Munster).

Capet, Capette, Capé, Chappey, Chapey: Bijnaam: kapmanteltje, kapje.

Capiaumont, Capiomont: Plaatsnaam Chapeaumont, Chapeau-Mont, Quenast (Waals-Brabant).

Capier. Zoals de Franse familienaam Chapier. Beroepsnaam van de maker van kappen, kapmantels.

Capillon, Capilion. Afleiding van Oudfrans capel; hoed.

Capiot, Capiod, Capiio, Capio, Capyo. Afleiding van cape; kap of verschrijving voor Capiau.

Caplé, Capelet. Afleiding van Capel.

Capmaker, de de Capmaecker, de Capmaeker. Beroepsbijnaam voor de maker van (mantel)kappen. 

Capon, Capone Cappon, Caponio, Caponi, Chappon, Chapon, Cappon, Kapon, Cappoen, Capoen, Cappuyns, Capuyns: Daarnaast Vlaamse Capoen, Middelnederlands capoen ‘kapoen, gesneden haan, stakkerd, van deugniet, schurk’, van Picardisch capon, Oudfrans chapon.

Caporal, Caporale, Caporali, Korporaal: Frans caporal, van Italiaans caporale: korporaal, brigadier.

Capouet. Capou is een Zuidfranse variant van Capon.

Capouilliez, Capouillet, Capouillé, Capouillez: Afleiding van Franse familienaam Capoul, van Occidentaals capolar: in stukjes hakken. Beroepsnaam van de kok die gehakt maakt.

Cappaert, Cappart, Capaert, Capart, Caphaert, Kapper, Kappert: Bijnaam voor iemand die een kap draagt, bijvoorbeeld een kloosterling, monnik, broeder, ook uitgetreden kloosterling.

Cappe, Kappe, (de) Cap. Bijnaam voor een kapdrager of beroepsnaam voor de maker van kappen. Cappelle.

Cappel, van, Kappel. Familienaam uit de plaatsnaam Kappel (kappel), korte vorm van Sint-Janskappel, (Frans-Vlaanderen) Oostkappel en Westkappel (Frans-Vlaanderen)

Capello, Capelli Capellini, Capelletti, Capelletto, Capello, Capeli, Capelini Capelluto, Capelouto: Italiaans capello: hoed. Vergelijk Capel.

Capper, Cappers, Capers, Kapers, Kaper: Bijnaam voor de drager van een kap (vergelijk Cappaert) of Beroepsnaam voor de maker van kappen.

Cappucio, Cappuci, Capucci, Capuccio. Italiaans cappucio; kap. Bijnaam of beroepsnaam.

Capras, Caprasse, Caprace. Vadersnaam, Sint Caprasius, Frans Caprais.

Capron, Cappron, Caperon, Capront, Caproens,Craproen, Crapoen, Chaperon, Chapron, Chapiron, Chapeyron: Oudfrans chaperon, Picardisch capron van Middelnederlands caproen: muts, (mantel)kap. 1. Beroepsnaam van de kapmaker. 2. Bijnaam voor de drager van een kap, eventueel een zotskap. Denk aan de opstand van de Witte Kaproenen in 1382.

Caquant, Caquan, Caucamps, Cocamps, Coquant, Carcan, Carkan, Karkan: Plaatsnaam Cacamp en variant met epenthetische r.

Caqueue, Quaqueux, Cacqueux, Chaqueue, Schaqueue: Plaatsnaam Caqueue in Ogy (Henegouwen), Chatqueue in Seraing (Luxemburg).

Cara, Carra, Karra, Kara: Waarschijnlijk Waalse vorm van Carraud/Carreau.

Carabin, Karabin, Caramin. Beroepsnaam voor een lichte ruiter met een karabijn gewapend. 

Carafa. Italiaans caraffa; karaf. Beroepsnaam.

Caramin. Wellicht variant van Carabin, door wisseling b/m.

Carbon, Carbonne, Carbone, Corbonne, Charbon, Schabon: Picardisch carbon, Frans charbon: (houts)kool. Beroepsnaam van de kolenbrander, die houtskool maakt. Vergelijk Carbonnier.

Carbonel, Carbonnel, Carbonnelle, Carbonelle, Carbonez, Carboneel, Carboneil, Carbonneaux, Charbonnel, Charbonel, Charbonneau: Afleidng van Frans, Picardisch c(h)arbon: kool. Beroepsnaam van de kolenbrander. Vergelijk Carbon.

Carbonnet, Carbonez, Corbonné: Afleiding van c(h)arbon: kool. Beroepsnaam van de kolenbrander. Vergelijk Carbon-nel(le).

Carbot, Carbotte. Aferesis van escarbot: tor, kever. Bijnaam.

Carcassonne. Plaatsnaam, Aude.

Cardea, Cardeau, Cardia: Vadersnaam. Korte vorm van Ricardeau, van Ricard. Vergelijk Cardin.

Cardijn, Cardyn. 1. Zie Cardin. 2. Vadersnaam. Uit Conradin, vleivorm van de Germaanse voornaam Koenraad. Zo blijkt de familie Cardijn uit Halle af te stammen van de Italiaanse militair Corradini, die in de laatste jaren van de 16de eeuw militair gouverneur van die stad was.

Cardin, Cardijn, Cardyn, Cardinet, Cardini, Chardin, Carden: Vadersnaam. Korte vorm van Picardisch Ricardin, Frans Richardin, vleivorm van Ric(h)ard, de Germaanse voornaam Rijkaard.

Cardinael, Cardinaels, Cardinaal, Cardinaals, Cardinal, Cardinale, Cardinaud, Cardinaux, Cardinas, Chardinal, Kardinaels, Kardynal, Caerdinael, Cardenal, Cardenas, Cardeynaels, Cardeijnaels, Cardinael, Cardinal, Caerendael: Bijnaam naar de gelijkenis of het verband met een kardinaal. Vergelijk Bisschop. Of naar een huisnaam, bijvoorbeeld 1699 Au Cardinal, Luik.

Cardock, Plaatsnaam Caradoc (Herefordshire) of de erin besloten Britse voornaam Cradoc.

Cardon, Cardoen, Cardoens, Caridon, Chardon, Cherdon, Sardons, Sardon, Serdongs, Serdons1. Familienaam afgeleid van het Frans-Picardische c(h)ardon (nog herkenbaar in de groente kardoen): kardoen, kaarddistel. Frans chardon ‘kaarddistel, wolkam’. Beroepsbijnaam van de wolkammer of van de kaardenmaker. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Ricardon, vleivorm van Ric(h)ard, de Germaanse voornaam Rijkaard. 3. Zie ook Serdon.

Cardot, Chardot, Sardo: Vadernaam. Korte vorm van Ric(h)ardot, vleivorm van Ric(h)ard. Vergelijk Cardon.

Cardozo: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Ricardo.

Cardron, Chardron Chardeyron: Variant van C(h)ardon met gepersevereerde r.

Caré: Oudfrans, Frans carré ‘vierkant’. Bijnaam voor iemand met geblokte gestalte, of iemand die vierkant, brutaal zijn mening zegt.

Careel, Careels, Carel, Carelle, Carreel, Carrel, Queyrel, Cairel, Carreaux, Carreau, Carraud, Caraux, Carriaux, Cariaux, Carrio, Cario, Cariat, Caria, Lecareaux, Quaireaux, Quairieau, Quaireaux, Quaria, Quariat, Quéreaux, Kero, Kéro, Querio, Quero, Querriaux, Querriau, Quérriaux, Quériat, Queriat, Caira, Careelman, Coreelman. 1. Naam uit het Oudfranse carrel, het Franse carreau, het Middelnederlandse quareel: tegel, gebakken steen. Beroepsbijnaam van de tegelbakker. 2. Of beroepsnaam uit het Oudfranse carrel: schoeisel.

Carette. Familienaam uit het Frans-Picardische carette: kar of wagen. Beroepsnaam van de wagenvoerder.

Carière, Carrière, Cariere, Quairière, Quariere, Guerrière, Descarrière, de Carrière: Verspreide plaatsnaam (Nord, Wallonie): steengroeve. Naam voor de eigenaar van een steengroeve of voor een steenhouwer.

Careelman, Careelmont. Verhaspeling van Karreman?

Carelsberg, Carelsbergh. Plaatsnaam Carlsberg bij Grûnstadt, Duitsland.

Carème, Carême, Caremme, Careme, Quaremme, Quareme, Quaresme, Quareme, Quarenne: Oudfrans quaresme, van Latijn quadragesima: veertigste dag voor Pasen, vasten, (ook) vastenavond. Bijnaam, vergelijk Vastenavond. Ook als voornaam.

Carette, Carrette, Carret, Charette, Charret: Picardisch carette, Frans charrette: wagen, kar. Beroepsnaam van de voerman. Vergelijk Carre.

Carillon, Corrillon, Corillon: Beroepsnaam van de beiaardier, die het carillon bespeelt.

Caron, Carron, Caroen, Lecaron, Quéron, Cayron, Charron, Charon, Charont, Charbon, Sarron, Saron, Cheront, Cheron, Chéron, Cherron, Siéron, Cheronneaux: Beroepsnaam. Oudfrans/Picardisch carron, Frans charron: wagenniaker, voerman; Waals tchèron.

Caris, Karys, Karisse, Kairis, Keeris, Kerris, Keris, Kerres, Keres. Vadersnaam, verkorte vorm van de Griekse heiligennaam Makarios.

Carissimo, Carissimaux, Carrissemaux, Carissemaux, Carrissimo, Carissemou, Carrisemou: Italiaans carissimo: liefste.

Carité, Charité, Charite, Queritet, Sarite: Oudpicardisch caritet, Picardisch carité, Frans charité: liefde, liefdadigheid. Bijnaam. Vergelijk Engels Charity.

Carkers. Middelnederlands carker: kerker. Beroepsnaam van de gevangenbewaarder?

Carlaire, Carleer, Carler, Charleer. Vadersnaam: noordoost-Franse variant van Charlier. Zie hieronder bij Carlier.

Carlebur: Misschien de plaatsnaam Karlburg (Beieren).

Carles, Carless, Carlès: 1. E.ngelse familienaam Carless, Carelesse: zorgeloos. 2. Vadersnaam. Picardisch vorm voor Charle(s).

Carlier, Carli, Carliez, Carly, Callie, Callier, Callié, Callies, Calliez, Calier, Calié, Calie, Caliez, Caljé, Calje, Lecarlier, (le) Charlier, Charliers, Charlie, Chalier, Chali, Chaliez, Challier, Scharlier, Schallier, Schallie, Sarlie, Sarly, Serlier, Serlie. Naam uit het Oudfranse charlier en het Picardische carlier: wagenmaker of voerman. Beroepsnaam van de wagenmaker of voerman.

Carlison: Vadersnaam. Zoon van Karel.

Carlot, Carlo, Carloo, Chariot, Charelost, Chalot, Charloteau, Charloteaux, Charlotaux, Charlotiaux, Charlotiau, Charlteaux, Charloteau, Charlotiaux: Vadersnaam. Vleivormen op -ot(el) van de voornaam Charles, Picardisch Caries.

Carls, Carlsen, Carlsohn, Carlsson, Carlson: Vadersnaam. Zoon van Karel.

Carlton. Feéquente Engelse plaatsnaam Carl(e)ton uit Karlatûn: omheinde vesting (town, tuin, Zaun) van de vrije kerel.

Carlu, Carlus. Familienaam uit de plaatsnaam Carlus (Tarn), Carlux (Dordogne).

Carluccio, Carlucci, Carlozzi, Carlotti: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Carlo = Karel.

Carme, de, Carmen, Carmes, Carme, Lecarme, Lecanne, Lecane, Lekanne, Lekane, Lekaene: Bijnaam Frans carme, Waals cane, van came: karmeliet. Vergelijk Carmeliet. Zie ook Ducarme, Van Carmere.

Carmeau, Carmaux, Carmiau, Carmiaux, Quarmeau, Quermia, Quernia, Karmel: 1. Afleiding van Picardisch carme, Latijn carpinus: haagbeuk. 2. Eventueel van Quaremiaus, van quadragesima, quaresme, quarême; zie Carême. Picardisch quaresmel, carmiô(s) vastenavond.

Carmelez, Carmelet, van Picardisch carme: haagbeuk.

Carmejoole: Plaatsnaam Carmagnole (Piëmont).

Carmeliet, Karmelita: Bijnaam voor een pater karmeliet of ex-karmeliet. Vergelijk Kermer, De Carme.

Carmen. Moedersnaam. Spaanse voornaam naar de feestdag van Nuestra Sefiora del Carmen: Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel. Zie de Carme.

Carmere, van. Middelnederlands carmer: karmeliet. Hier wellicht: van de Karmel.

Carmichael, Carmiggelt: Schotse Plaatsnaam Carmichael in Lanarks. Brits ker; ‘fort, vesting’.

Carmois, Carmoy, Ducarmois: Picardisch Carmoit, van Latijn carpinetum: plaats waar haagbeuk groeit. Plaatsnaam in Zullik, Meslin-l'Evêque, Moustier-lez-Frasnes en Stambruges (Henegouwen), Bever (Vlaams-Brabant). vergelijk Carnoy.

Carmon, Ducarmon: Plaatsnaam Carmont in Couthuin (Luxemburg).

Carnail, Carnaille, Carneillie: Oudpicardisch carnaille: het geheel van spieren. Bijnaam voor een gespierde kerel.

Carnas, Carna, Carnat. Plaatsnaam Carnas (Gard?)

Carnawal, Carnewael, Carnewal, Carnuwal, Carnevale, Carnevali. 1. Veel voorkomende Italiaanse familienaam uit Carnevale. Ene Vincenzo Carnaval verhuisde in 1592 van Genua naar Antwerpen. Wellicht een bijnaam voor een fervent feestvierder. 2. Zie ook Cornewal. 

Carneillie. Wegens de a ligt een variant van Carnaille het meest voor de hand, maar een variant. van Corneille is heel goed mogelijk, vanwege de

onvaste voortonige klinker (vergelijk Carrin = Corijn, Carael = Corael).

Carnel, Carniel, Carneau, Carneuax, Carneaud, Carniau, Carniaux, Charnel, Charnelle, Charneau, Charniau, Charniaux: Oudfrans charnel, Picardisch carnel: bloedverwant, vriend.

Carnevale, Carnevalli, Carnevali, Carnovale, Carnovali: Italiaanse bijnaam. Vergelijk Vastenavond. Ook voornaam, Carnevalis del Bene, Brescia.

Carnie, Carnier, Charnier, Charni, Karnier, Karny, Lécharny: Picardisch carnier, Oudfrans charnier: slager; ookslagerij, vleeshuis. Beroepsnaam.

Carnonckel, de, de Carnonkel, (De)carnoncle: Verhaspeling van een onbegrepen naam. Waarschijnlijk een plaatsnaam. Hypercorrect voor Quaregnon (Henegouwen)?

Carnotensis. Afkomstig van Chartres (Eure-et-Loir): 1127 Carnotum.

Carnoy, Carnoye, Ducarnois, Canoy, Cannoo, Cano, Carnotte, Carnot, Cannot, Cannoodt, Cannoot, Cannooo, Canoot. Familienaam uit de plaatsnaam Carnoy (uit het Latijnse carpinetum: haagbeukenbosje). Zie ook Cannois. Plaatsnaam in Bossuit (West-Vlaanderen).

Caro: Spelling voor Picardisch Carot, Frans Charot, verkleinvorm van car, char ‘wagen’. Beroepsbijnaam van de voerman.

Carol, Caral: Vadersnaam. Carolus, Latijnse vorm van de Germaanse voornaam Karel

Carolus, Caroli, Carol, Caroly, Carollo, Carolo. Vadersnaam uit Carolus, de Latijnse vorm van de Germaanse voornaam Karel.

Caron: Beroepsnaam. Oudfrans/Oudpicardisch carron, Frans charron ‘wagenmaker, voerman’.

Carot, Caro, Carroot, Karro, Karo, Charot, Sarot, Saro, Sarro: Picardisch, Franse afleiding van car/char: wagen. Beroepsnaam van de voerman.

Carous, Caroes. Variant van de Zuid Franse familienaam Carroux: wagenmaker.

Caroy, Carroy, Carroys: Picardische vorm van Franse charroi: wagenvervoer, wagen. Beroepsnaam voor de voerman. Of voor de ploeger, zoals Caroyer.

Caroyer, Caroyez, Carroyer, Carruyer, Carrouhy, Carouhy, Carouy, Karoui, Carovis, Cheruwier, Chéruwier, Cheruvier, Chéruvier, Cherruy, Cheruy: Beroepsnaam. Oudpicardisch caruier, Oudfrans cheruwier: landbouwer, van ploeger. Afleiding van Frans charrue: ploeg.

Carp, Carpe, Karp, Karpe, Karpen: Bijnaam. Frans carpe: karper. Vergelijk De Kerpel, Carpiaux.

Carpent. Oudpicardisch carpent: timmerwerk, gebint. Beroepsnaam van de timmerman. Vergelijk Carpentier. Of Waalse hypercorrecte verschrijving voor Carpin?

Carpentier, Carpentiez, Carpantier, Cerpentier, Charpentier, Scharpentier: Beroepsnaam. Picardisch carpentier, Frans charpentier ‘timmerman’.

Carpiaux, Carpeaux, Carpeau, Carpay, Carpaij, Carpreua, Carpreaux, Carpréaux, Carpréau, Carpriaux, Carpriau, Carpriéaux, Karpiel, Capreaux, Capriau, Copriau, (de) Caprio: Afleiding van Frans carpe, Oudpicardisch carpre: karper. Vergelijk Carpe, De Kerpel.

Carpin. Afleiding van Oudfrans, Frans carpe: karper. Vergelijk Carpiaux.

Carpreau: Uit carprel, verkleinvorm van Oudpicardisch carpre ‘karper’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Carre, Caer, Caere, Karre, Kerr, Kerre: Beroepsnaam van de voerman.

Carré, Carrée, Carree, Carret, Carrez, Carrey, Caré, Carez, Cares, Carey, Carey, Careje, Quarré, Quaré, Quarez, Quéré, Queré, Quère, Kairet, Kerré, Cayré, Lequarré, Lecarré, Lacarré: Oudfrans carré, quareit, Frans carré: vierkant. Vergelijk De Viercantte. Bijnaam voor iemand met geblokte gestalte, of iemand die vierkant, brutaal zijn mening zegt.

Carreer, Carrer, Carer, Carrere, Chareyre: Noordoostfranse ontwikkeling van -ariu tôt -eir, -er; vergelijk Carlaire. Variant van Carrier.

Carrier, Carriers, Carier, Carrie, Cary, Quairier, Querier: 1. Beroepsnaam. Frans carrier: steenhouwer. Soms variant van Carrière. 2. Picardisch carrier: voerman. Zie Charier.

Carrière: Verspreide plaatsnaam (Nord, Wallonië) met betekenis ‘steengroeve’. familienaam voor de eigenaar van een steengroeve of voor een steenhouwer. In 1454 bezit Jehan Quairière een steengroeve in Ecaussines (Henegouwen).

Carrin, Carin, Caryn, Carijn, Carein, Carreyn, Quaring, Quarin, Kerryn, Kerrijn, Carens, Karen, Corrin, Corin, Corain, Kooring, Corijns, Corijn, Coryn, Coryns, Corijnen, Coreynen, Corynen, Corryn, Corrynen, Corrijn, Corrijnen, Correynen, Creins, Creyns, Cryns, Creijns, Crijns, Crine, Crins, Creyne, Crynen, Crijnen, Kryn. Krynen, Krij, Krijen, Krijn, Krijns, Kriens, Krins, Kreynen, Creyne, Kreins, Krein, Kreings, Kringhs, Krings. Vadersnaam uit de heiligennaam Quirinus (Korijn is de West-Vlaamse vorm van Quirinus).

Carroen, Caron, Caroen, Lecaron, Quéron, Cayron, Charron, Charont, Charon, Charhon, Sarron, Saron, Cheront, Cheron, Chéron, Cherron, Siéron, Cheronneaux. Beroepsbijnaam uit het Oudfranse carron of het Franse charron: wagenmaker, voerman.

Carruet. Afleiding van Picardisch carue: ploeg. Zie Charue.

Carruthers. Plaatsnaam. Dumfriesshire.

Carsten, Carstens: Vadersnaam. Carsten is een variant van Kersten. van heiligennaam Christinus, verkleinvorm van Christianus of Christus.

Carsau, Carsauw, Cassauw, Cassauwers: Plaatsnaam Karsau (Duitsland).

Cartage, Cartache, Courtauche: Oudfrans quartage: meting, recht om het zout te meten. Beroepsnaam van de zoutmeter.

Carte, Carthé, Carté, Quartey: Oudfrans quarte: inhoudsmaat (kwart), vloeistofmaat (twee pinten). Vergelijk Cartel. De vorm Cart(h)é is waarschijnlijk afleiding vam quartet, maar ook samengetrokken zijn uit Carité.

Cartel, Cartia, Cartiaux, Carta: Oudfrans quartel, Middelnederlands quarteel, carteel: korenmaat (1/4). Beroepsnaam.

Carter: Engelse beroepsnaam, van Picardisch-Normandisch cartier ‘voerman’.

Carteron. Oudfrans quarteron: vierendeel (1/4 pond); ook wijnmaat. Vergelijk Vierendeel.

Carteus, Carteur, Kerteux: Bijnaam voor een kartuizer of iemand die zo ascetisch is als een kartuizer. Carteur is hypercorrect.

Cartier (de), Quartier, Quarteer, Quertier, Querter, Lequertier, Charetier, Chartier, Carty. Naam uit het Oudfranse c(h)arretier: voerman. Beroepsnaam. 

Cartigny, Cartignies: Plaatsnaam Cartigny (Somme), Cartignies (Nord).

Cartilier, Cartillier. Afleiding van Oudfrans quartel: inhoudsmaat (1/4), korenmaat. Beroepsnaam van de gezworen (koren)meter. Variant van Franse familienaam Cartelier, Cartheillier.

Carton, Charreton, Charton, Chariton, Querton, Cherton, Sertons, Serions: Beroepsnaam. Picardisch car(re)ton, Frans char(re)ton ‘voerman’.

Cartreul. Picardisch Cartreux, Frans chartreux: kartuizer. Vergelijk Carteus.

Cartuyvels, Cartuijvels: Limburgse familienaam. De oudste vorm, namelijk Cortuvel, kan het best als 'kort uvel' worden ontleed. Oudnederfrankisch uvel = Middelnederlands ovel, euvel, evel, Nederlands euvel, Duits ùbel: kwaad, slecht; kwaal. Bijnaam: korte kwaal?

Caruso, Carusone, Carusu, Carussi, Caruzzi. Italiaans caruso; jongen, knecht, boerenknecht.

Carvalho, Carwalho, Carvalheira: Plaatsnaam. Spaans Carballo, dialect carvallo, Portugees carvalho: eik.

Carver, Carvers, Carvels, de Kervel, de Kelver, Kelvert, Deckelver. 1. Afleiding van het Middelnederlandse carven: cerven. Beroepsnaam voor de kerver, die op de kerfstok kerft, die de boete bepaalt, die de belasting bepaalt. Wellicht ook de beeldsnijder. Vergelijk Kerfyser, De Kerf, Duits Kerber, Engels Carver. Let op de dissimilatie r/l en de klankverandering in Kelver, zoals in Engels Calver, van Carver en Brits kelver, van kervel 2. De familienaam is in de 19de eeuw verward met Ceurvels (familienaam uit de plaatsnaam Keurvels in Kontich, Lint en Boom.

Carville. Plaatsnaam, Seine-Mar., Calvados.

Carvin, (de) Kervyn, Kervijn, Kervine, Carwin, Kerwyn, Kerwijn: Plaatsnaam Carvin (Pas-de-Calais).

Cas, Casse, Case, Caese, Kas. Vadersnaam verkorte vorm van Nicasius.

Casaer, Casaert, Casa, Cassaert, Cassaer, Cassard, Cassar, Cassart, Quassaert, Quassart, Kassar. 1. Vadersnaam uit de Griekse heiligennaam Nicasius. 2. Of beroepsbijnaam van een bakker uit de oude gebaksnaam: Kassaerd.

Casagrabde, Casagrande. Italiaanse plaatsnaam; groot huis.

Casal, Cazal, Chazal, Zuidfranse en Spaanse afleiding van Casa.

Casanova, Casanovas, Cazanove, Chazanova: Italiaanse plaatsnaam: nieuw huis.

Casback, Kasbach, Cachbach: Plaatsnaam Katzbach (Beieren).

Casembroot, de: Plaatsnaam. 1514 Casenbroot, naam van een redoute bij Oostburg (Zeeuws-Vlaanderen). Vergelijk Duits Käsundbrot. Zie ook Wynenbroot.

Casert, Caserta, Cassert. Italiaanse familienaam uit de plaatsnaam Caserta in Campanië.

Caset, Cazet, Cazé, Casset, Casette, Cassez: Vadersnaam. Afleiding van Sint Nicasius.

Casetta: Door assimilatie rt van tt uit Caserta, van casa; huis, de plaatsnaam Caserta in Campanië (Italië). 1297 Aczo Casertanus (bisschop van Caserta, Frans Caserte).

Casier, Casiers, Kasier, Kasiers, Cazier, Casie, Casiez, Casy, Cazy, Cassier, Cassiers, Cassir, Chasier, Chazy. Familienaam afgeleid van het Oudfranse casier: kaashandelaar, kaasmaker. Beroepsnaam.

Casimir, Casiemier, Kasimier, Kasimir, Kazimierczak, Kazimierzak, Kazmierczal, Kazmirczak, Kazmirzak: Vadersnaam. Poolse Sint Casimir(us).

Casio, Casselo: In Pas-de-Calais komen in 1820 Casseloote en Casteloot voor. Wellicht van Casselot, van Ca(r)steloot; zie Kesteloot.

Casneuf, Casenave, (de) Cazenave, Cazeneuve, Cazeuneuve: Oudfrans case: landhuis + neuf: nieuw. Plaatsnaam Nieuw Huis. Vergelijk Casanova.

Casparie: Spelling voor Caspari. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Caspar, een van de drie koningen.

Casseel, Cazeel, Cazeaux, Cazaux, Caziaux, Casseau, Caussiau, Caussiax, Cassauwers, Carsau, Carsauw. 1. Vadersnaam (knuffelvorm) afgeleid van de heiligennaam Nicasius. 2. Mogelijk ook afgeleid van de plaatsnaam 'case' = huis.

Caspeele, van de. Plaatsnaam. Middelnederlands kerspel, karspel: kerspel, parochie.

Cassagne, Cassagnes, Cassan: Plaatsnam Cassagne (Dordogne, Hte-Garonne, Aveyron, Lot, Pyr.-Or.) of Cassaigne (Aude, Gers), Cassaignes (Aude) van Latijn cassanea: eikenbosje. Vergelijk Chassagne.

Cassalette. Wellicht Middenfrans casselette: kistje voor waardevolle voorwerpen.

Cassasus, Casasus, Cazassus: Variant van Zuidfrans Casadessus: huis daarboven.

Cassaubon. Plaatsnaam Cazaubon (Gers). Occidentaals Cazalbon: casal bon: goed huisje.

Casse. 1. Middelnederlands cas(se): kist of kast, vooral voor relikwieën of geld. West-Vlaams kasse: persoon die rondloopt met een kas op de rug om kleine waren te verkopen. Beroepsnaam van de cassenaer: bedelmonnik die met relikwieënkistjes rondliep of marskramer. Vergelijk Cassenaer. 2. Zie Cas.

Casseel, Cassel, Casel, Cazeel, Cazeaux, Cazaux, Caziaux, Casseua, Caseau, Coussiaux, Caussiau: 1. Vadersnaam van Sint Nicasius. 2. Plaatsnaam, afleiding van case: huis, bijvoorbeeld Ferme du Cazeau in Froyennes (Henegouwen)

Cassel, Kassel: 1. Vadernaam van Nicasius. Zie Casseel. 2. Korte vorm voor Van Cassel.

Cassel, van. 1. Plaatsnaam Kassel (Frans-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Kassel, Duitsland.

Casselman, Kasselman: Herkomstnaam van de Kasselaar, afkomstig van Kassel. 1. Plaatsnaam Kassel (Frans-Vlaanderen). 2. Kassel (Duitsland).

Casseman, Cassiman, Cassimans, Cassimon, Cassimons, Kasman, Casman. Afgeleid van het Middelnederlandse casse = kist, kast, relikwieënkast, geldkist. Beroepsnaam van de cassenaer : bedelmonnik of marskramer.

Cassenaer. Ook Nederlands Kassenaar, Beroepsnaam van de man die met een casse rondliep, een bedelmonnik of marskramer. Vergelijk Casse, Casseman. Is Carsenaer hypercorrect of oorspronkelijk? Dan eventueel uit Duits Karchner, Kirchner: koster.

Casserie, van de. Plaatsnaam Caserie: stel samenhorende woningen. Caserie bij Celles (Henegouwen).

Casseyen, Casières, Casieres, Casleris, Casiries, Casires, Cassiere: Oudfrans casière: kaasmakerij. Vergelijk Casier(s).

Casseyen, van der, van de Caseyde, Calseyde, Calseijde, van de Cassye, Casseye, van de Caseyn, van de Casyn, van der Cassyen, van de Catseye, Catseyen, Catseyn, Catseyne, Catsye, Catseyen, Catsijen, Castseij, Catsijne, Catsyne, Van de Katsey. Naam uit de plaatsnaam ter Calseide (Picardisch cauchee, Frans chaussée: plaats waar kasseien liggen). Varianten van deze naam komen onder andere voor in Komen, Moorsele, Waasten, Adegem. 

Castaigne, Castagne, Castagne, Castanie, Korstanje, (van) Corstanje: Plaatsnaam. Picardisch casta(i)gne, Frans châtaigne: kastanje(boom).

Castado, Castadot. Middenfrans castadot: pionier, soldaat.

Castagna, Castagnaro, Castagne, Castagnera, Castagnetti, Castigni, Castagnini, Castagnino, Castagno, Castagnola, Castenetto: Italiaans castagna: kastanje.

Castain, Castaing, Castin, Castan, Chastin, Chastang, Châtain, Châtinn: Picardisch castain, Frans châtain: kastanjebruin. Bijnaam. Of eventueel gedemouilleerde vorm van Casta(i)gne.

Castan. 1. Vadersnaam. Variant van de voornaam Gaston. 2. Variant van Castaing.

Castaneda, Castanheta: Spaanse, Portugese plaatsnaam: plaats met kastanjebomen.

Castanheira. Portugese plaatsnaam: plaats met kastanjebomen.

Castano, Castanon. Spaans castano; kastanje.

Casteele, van de(n), van de Casteel, van de Kasteele, van de Castel, van Castelle, van der Casteelen, van de Castecle. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Kasteel.

Casteele, van de, den, van de Casteel, van de Kasteele, van de Castel(le), van de Casteelen, van de Casteele: Verspreide plaatsnaam Kasteel.

Castegnier, Chastanier, Chastagner: Oudpicardisch castegnier, Oudfrans chastaignier: kastanjeboom. Plaatsnaam.

Castel, Castell, Castelle, Kasteel, Casteel, Casteele, Casteels, Castiels, (de) Catel, Catelle, Cattel, Cattell, (de) Cattelle, Casteau, Castiaux, Castau, Castieau, Cattiau, Cattiaux, Catiau, Catieau, Catteau, Catteaux, Cateau, Cattaux, Catteauw, Quateau, Catteeu, Catteuw, Catteuw, Kattouw, Chastel, Châtel, Chattel, Chatelle, Château, Chateau, Chateaux. Oudpicardisch castel, Oudfrans chastel, Frans château ‘kasteel’. Bijnaam voor de kasteelbewoner of voor iemand die in de buurt van een kasteel woont.

Castelain, Castellain, Casthelain, Cathelain, Castelein, Casteleyn, Castleyn, Casteleijn, Casselein, Kastelein, Kasteleyn, Kasteleijn, Kastelyn, Kastelijn, Castellin, Castelin, Castelyn, Castelyns, Castelijn, Castelijns, Kesteleyn, Kesteleijn, Kestelijn, Kestelyn, Kestelin, Cesteleyn, Castellan, Catellan, Cateland, Cattelain, Catelain, Cattelein, Catelein, Cattelin, Catelin, Catelyn, Catelyns, Cathelin, Catlin, Catelijn, Cathelijn, Cathelijns, Cathelyn, Cathelyns, Katlin, Châtelain, Châtelin, Chattlain, Chateleyn, Chatteleyn, Chattelin. Familienaam uit kastelein, uit het Picardische castelain, het Oudfranse chastelain: kasteelheer, slotvoogd, plaatsvervanger van de heer en later ook herbergier.

Castelberg, de. Huisnaam Kasselberg in Brugge en St.-Omaars. De heuvel waarop Kassel (Frans-Vlaanderen) gebouwd is. Plaatsnaam in Steenvoorde.

Castelet. Afleiding van Oudpicardisch castel: kasteel. Le Châtelet is een bekende plaatsnaam. Vergelijk Duchatelet.

Castellano, Castellan, Castellani, Castellana, Castellanos. Romaamse vormen van Latijn castellanus: kastelein, kasteelheer.

Castelman. Afleiding van plaatsnaam Castel in Attenhoven, Tienen, Zoutleeuw (Vlaams-Brabant). Vergelijk Casselman.

Castemiller, Castenmiller: Ontrond uit Duits Kastenmüller ‘molenaar die maalt voor de Kasten of graanschuur, tiendschuur’.

Caster, (van), van Kaster, van Kaester, van Caester, Castre, van Casteren, van Kasteren, van Calster, van Calsteren, Vercalsteren, Kolsteren, Casterman, Castermans, Castermane, Castermant, Castreman, Castremanne. 1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Kaster/Caster (diverse plaatsen). 2. Zie ook Calster en Calsteren.

Casteren, van, van Kasteren: Plaatsnaam Kasteren heette eerder evenwel Kirckasterle en Casterlo. Variant van Van Caster?

Casterman, Castermans, Castermanne, Castermant, Castremanne, Castreman: Afleiding van Van Caster.

Castiglia, Castiglione, Castiglioni. Afleiding van Italiaans Castelli; kasteel.

Castillion, Castillon, Chatillon, Catillon, Cattellion, Chattelion, Chatelion, Ducatillion, Ducatillon, Ducattillon, Du Castillon, Dechatillon: Oudfrans chastillon, Picardisch castillon: klein kasteel. Verspreide plaatsnaam, onder meer Castillon (Namen), Catillon-sur-Sambre (Nord). Omstreeks 1300 was Jacques de Châtillon landvoogd in Vlaanderen.

Catille. Bijnaam. Picardisch catille; twist.

Castricum, Castrikum, Kastercum. Plaatsnaam Castricum, Noord-Holland.

Castrique, Castricque, Castryck, Castrijck, Casterick, Castrickx, Catrycke: 1. Plaatsnaam Questrecques (Pas-de-Calais). 2. Variant van Le Castrée.

Castro (de), Castri, de Castri, lo Castro, li Castri, li Castro. Spaans-Portugese-Italiaanse-Joodse naam uit de veel voorkomende naam Castro: kasteel, versterking, burcht, legerplaats. Naar plaats van afkomst, bewoning.

Castrunuovo, Castronovo. Italiaanse plaatsnaam; nieuw kasteel. Vergelijk Neufchâteau.

Castrop, Costrop. Plaatsnaam Castrop, Duitsland.

Cat (de), De Cadt, (de) Kat, Katte, De Catte, Cats, Kats, Kets, Kadz. 1. Bijnaam naar de eigenschap van lenigheid/valsheid. 2. Bijnaam naar de huisnaam 'De Cat' of ' In de Cat'.

Catrij: Ook Catry, Catrie. Korte vorm van Oudfrans cocatris ‘krokodil, draak (fabeldier)’. 14de eeuw Catris, Caterie.

Catshoek, Cashoek, Kaashoek: Plaatsnaam Katshoek, zuidoostelijk van Kats (Zeeland). Cashoek door assimilatie (ts van s), Kaashoek door volksetymologie.

Castus. Latinisering; kuis. Vergelijk Castulus.

Casus. Vadersnaam. Variant van Casis, verkorte vorm van Nicasis, de heiligennaam Nicasius.

Cat, de, de Cadt, (de) Kat, (de) Kadt, Katte, de Catte: 1. Bijnaam naar een eigenschap (lenigheid, valsheid) van de kat. Vergelijk Dhondt. 2. Bijnaam naar de huisnaam.

Catel, Catelle, Decatel, Decatelle, (de) Cattelle, Cattell, Cattel, Cattle, Katiel: 1. Oudfrans c(h)atel, van Latijn capitale, Engels cattle, Middelnederlands cateel, cateil: stuk vee, roerend goed. 2. Zie Castel.

Catfolis. Catefolie. Misschien zinwoord uit Oudfrans catir, quatir. verbergen en faillie: loof, gebladerte. Bijnaam voor een landloper, vergelijk Sluphaghe.

Catoir, Catoire, Cattoire, Cattoir, Cathoir, Cotoire, Cathoor, Catoor, Cattoor, Cattoors, Cator, Catthoor, Descatoire, Descatoires, Decatoire, van de Cantoore: Oudfrans catoire ‘bijenkorf’. Beroepsbijnaam van de imker. Ook plaatsnaam.

Catoul, Catoulle, Cattoul: Moedersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Catharina.

Catrels, Cattrel, Catereels, Quatereel: Caterel, variant van Oufdrans couterel. Zie Coutereel(s).

Catry, Cattery, Catty, Cathry, Catrie, Catrix, Chatry, Cartry, Carthery. Familienaam uit de verkorte vorm het Oudfranse cocatris: draak (fabeldier), krokodil. Bijnaam of naar huisnaam.

Cathenis, Kathenis: 1. Plaatsnaam Cattignies in Pecq (Henegouwen). 2. Zie Kettenis(z).

Catherin, Catherine, Caterin, Caterina, Catrain, Catrin, Cattarain, Cathelain, Cathelin, Cathelyn, Cathelyns, Cathelijn, Cathelijns, Catelin, Catlyn, Catlyns, Catlijn, Catlin, Katlin, Cathelineau: Moedersnaam. Griekse heiligennaam Catharina, een van de populairste meisjesnamen in de middeleeuwen. Katelijne door wisseling van de liquidae l/r. Trynes, Tryneke, Trynekens, Trines, Trienekens zijn afleiding van Catharina.

Carthuyser. Bijnaam van de kartuizermonnik, of de ex-kartuizer. Vergelijk Karthauser, Carteus.

Catin, Cattin, Cattyn. Moedersnaam. Vleivormen van de voornaam Catherine.

Catinus, Katinus: Latinisering van Catin.

Catsberg. 1. Plaatsnaam Katsberg in Berten (Frans-Vlaanderen) en Godewaarsvelde (Frans-Vlaanderen). 2. Maar de Limburgse familienaam Catsberg zal wel teruggaan op de plaatsnaam Katsberg in Nederlands Limburg.

Cattaert. Afleiding van Middelnederlands catte: kat. Bijnaam.

Cattebeke (van). Naam uit de plaatsnaam Kattebeek in Bellegem (West-Vlaanderen), Anzegem, Deerlijk (Oost-Vlaanderen) of Kersbeek (Vlaams-Brabant).

Catteloin. Plaatsnaam blijkens: 1460 de Kateloin, Aubigny. Of variant van Cattelain of Cattellion?

Cattendijck, van, Cattendyck. Plaatsnaam Kattendijke (Zeeland), Kattendijk in Antwerpen (Antwerpen), Handzame, Oedelem (West-Vlaanderen) en St.-Margriete (Oost-Vlaanderen).

Cattenstadt, Catenstad, Cartenstart, Cartenstadt, Cartenstat, Carstentaet: Plaatsnam Cattenstedt (Duitsland) of Kathenstedt (Duitsland).

Cattermole. Engelse familienaam (Londen), ook Cattermoul. Wellicht uit Frans Quatre Moles: vier molens. Kan een plaatsnaam zijn, vergelijk Quatre-Moulins in Pecq (Henegouwen).

Catteville. Plaatsnaam, Manche.

Cattier, Cattie, Cattiez, Catty, Caty, Cathy, Canty, Kenty, Kentie: Frans Cat(t)ier, van Cathare, van Grieks katharos: ketter; vandaar Luiks-Waals catî: vagebond, landloper. Canty met n-epenthesis.

Cattoen, Cotoen, Caton, Katoen, Cathoin: 1. Oudpicardisch caton, Oudfrans chaton: jonge kat, katje. Bijnaam. Vergelijk Frans Chato. 2. Moedersnaam. Vleivorm van de voornaam Catharina.

Caulaert, Cauwelaert, van. Plaatsnaam Koude Laar: koude, verlaten laar. Plaatsnaam, 1271 Coudelaer in Wommelgem (Antwerpen), Couwelaar in Deurne (Antwerpen). Couwelaar of Kouwelaar in Bavel en Ginneken (Noord-Brabant).

Caubergh, Cauberg(van), Cauberghe, Cauberghs, Caubergs, Caubergts, Cauwberghs, Cauwbergs, Couwberghs, Couwbergs, Coubergs, Kaldenberg, Caldeberg, Caudenbergh, Caudenberg, van Kaudenberg, van Caudenberg, van Cautenberg, Kouwenbergh, Kouwenberg, van Couwenberg, Couwenberghe, Couwenbergh, Couwenberg,Couwenberghs, Couwenbergh, Van Kovenberghe, van Cowenberghe, Cowenbegh, (van) Cauwenberghe, Cauwenbergh, Cauwenberg, (van) Cauwenberghs, Cauwenbergs, Kauwenberghs, Kauwenberhs, Kauwenberghs, Kauwenberhs, Kauwenberchs, van Cauwemberg, Cauwenberghe, Cauwenbergh, Vancauwenberghe, van Kavemberg, van Canvenberghe, van Canverberghe, Coebergh, Cobergh, Koeberge, Kaembergs, van Camberg, Cambergue, Camberge, Caenberghs, Cabergs, Caberg, Caberghs, Caeberghs, Caebergs, Kaberghs, Kabergs, Caeynbergh, Caeenberghs, Cayenbergs, Caeyberghs, Caeybergh, Caeybergts, Cayberghs, Caybergts, Kayembergh, Kayeberg, Kayenbergh, Kayebergh, Kaeyenbergh, Kaijebergh,. De plaatsnaam 'Koudenberg' komt op zeer veel plaatsen voor (Brussel, Ninove, Nukerke, Pervijze, Zarren, Schelle, Hoeselt, St.-Blasius-Boekel, Molenstede, Lanaken, Diepenbeek, Maastricht,..). Vandaar dat de familienaam verspreid over België in veel variaties voorkomt (kaat = koud of verlaten).

Caucheteur, Caucheteux, Causcheteux, Chausteur, Causteur, Caustur, Casteur, Cocheteux, Cochteux, Cousteux, Costeur, Costeux: Beroepsnaam van de kousenmaker. Vergelijk De Cousemaker.

Cauchie, Cauchies, Cauchi, Cauchy, Decauchy, Caussy, Couchie, Cochie, Chaussée, Chaussy, Chaussis, Lachaussie, Duchaussée: Plaatsnaam. Oudfrans chalcie, Picardisch cauchie, Frans chaussée: straatweg, Zuid Nederlands. kassei. Vergelijk Van de Calseyde. La Cauchie is een plaatsnaam in Komen en Waasten en frequent in Pas-de-Calais, ook Cauchy (Pas-de-Calais).

Cauchois. Afkomstig van het land van Caux in Normandie.

Caudmont. Plaatsnaam Caumont (onder meer Aisne, Pas-de-Calais): kale berg, in Amengijs, Gallaix en Maulde (Henegouwen). Vergelijk Chaumont.

Caudrelier, (de) Caudrelier, Caudelier: Beroepsnaam. Oudfrans caudrelier: ketelslager. Vergelijk De Ketelaere.

Caudron, Caudront, Coudron, Coddorn, Codron, Codrons, Chaudron, Calderon, Calderone, Kalderon, Cadron, Gaudron, Gadron, Caudront, Codron.

Beroepsnaam uit het Picardische caudron, Frans chaudron; ketel; ketelsmid, ketellapper.

Caudry. Plaatsnaam Caudry (Nord).

Caufrier, Cauffrier, Caufriez. Beroepsnaam van de kalkbrander, eigenaar van een kalkoven. Picardisch Caufourier, Frans chaufournier.

Caule. Wellicht spelling voor Coole.

Caulet, Caulleit, Caullet. Afleiding van Oudpicardisch cals, caus: kalk. Beroepsnaam van de kalkbrander, kalkmaker. Vergelijk Caulier.

Caulier, Caulie, Cauliez, Caullier, Caulliez, Cauwelier, Couwelier. Familienaam uit het Picardische caulier: kalkmaker. Beroepsnaam. Zie ook Cavelier.

Caumartin, Camertijn, Camertyn, Cambertin, Cambretin: Plaatsnaam Caumartin (Somme).

Caupain, Caupin: Picardisch caud pain, Frans chaud pain: warm brood. Bijnaam.

Caure, Core: Plaatsnaam. oudfrans caure, van Latijn corylus, colurus: hazelaar.

Caurette, Corette, Corete, Coret, Corrette. 1. Naam uit Caure, dit uit het Oudfranse caur, van Latijnse corylus: plaats waar hazelaars groeien. 2. Variant van Carette: zie daar.

Caus: Vlaams ook Cousse, Causse, Kousen. Beroepsbijnaam van de kousenmaker. Middelnederlands couse, cause, van midden Latijn calcia, Picardisch cauce, Oudfrans chauce ‘beenbedekking of broek, kousen, schoenen’.

Causin, Caussin, Caussain, Caussyn, Causyn, Causijn, Calsyn, Calsijn: Frans Cahorsin, van plaatsnaam Cahors (Lot). Meestal in de betekenis van Middelnederlands cahorsijn, cauwersijn: geldschieter, woekeraar.

Causbroeck, van, van Causbrouck, van Causenbroeck, Kousbroeck en de Brabantse dialectvariant Van Caesbroeck. Naam uit de plaatsnaam Cousbrouck (wellicht ergens op de grens Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant). Dit uit kalwa? + broek.

Causijn: Caussin, van Frans Cahorsin, van plaatsnaam Cahors (Lot). Meestal in de betekenis van Middelnederlands cahorsijn, cauwersijn ‘geldschieter, woekeraar’.

(van) Cauter, Van de Cautere, van de Cautère, van de Kauter, van Cauter, van Cauteren, van Couter, van Couteren, van Kouter, van Kouteren, van Kauter, van Kauteren, van Caeter, Verkauter, Verkouter, Vercauter, Vercautere, Vercauteren, Vercautter, Vercouter, Vercoutere, Vercoutteren, Vercouteren, Vercoutter, Vercouttere, Vercoustre, Vercoutre. Plaatsnaam Kouter: bebouwd land, akker, van Latijn cultura. Verspreide plaatsnaam.

Cauwe, Caauwe, Kauw, Kouwen, Cauwel, Cauwels, Couwel, Couwels. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse cauwe: kraai, bijnaam (haarkleur, stem?) of huisnaam. 2. Cauwe, cuwe, keuwe komt ook uit het Oudfranse cuve: kuip. Beroepsbijnaam van de kuiper.

Cauwegom. Naam uit cauwe ( = ton, kuip, vat of koude, verlaten laar) + heim. Naam naar de woonplaats of beroepsbijnaam van de kuiper.

Cauwel, Cauwels, Couwel, Couwels. Afleiding van Cauwe.

Cauwelaars, Cauwelaers. 1. Bijnaam Kauwelaar, afl. van kauwelen, frequentatief van werkwoord kauwen: langzaam en langdurig kauwen, met lange tanden eten. Vergelijk West Vlaams kneeuwelen. 2. Korte vorm voor Van Cauwelaert.

Cauwen, van, Plaatsnaam Ten Kouden/Kouwen: koude, aan de wind blootgestelde plaats, verlaten plaats. Coude is de oorspronkelijke naam van Koudekerke (Frans-Vlaanderen). Ook plaatsnaam Couden, in 1655 Coudeheyde, 1456 Coude heyde, in Moorsele (West-Vlaanderen).

Cauwelaert, van, Caulaert, van. Familienaam uit de plaatsnaam Laer: koude, verlaten laar. Komt op diverse plaatsen voor.

Cauwer (de), de Couwer, Kouwer, de Cauwere, de Cauwert, de Cauwers, Covers, Kauer, Cauwert, Cauwerts, Kauert, Kauertz. Beroepsnaam voor kuiper, afgeleid van het Middelnederlandse cuwe of cauwe = ton, kuip, vat.

Cauwera, Caura. Bijnaam voor iemand die snel kauwt. Een rappe eter dus. 

Caux, Decaux, Cau, Kaux: Plaatsnaam Caux (onder meer Somme). Ook het land van Caux in Beneden-Normandië.

Cerenne, Cavrenne, Cavraine: Plaatsnaam Cavraine in Furfooz (Namen).

Cavalier. 1. Beroepsnaam. Frans cavalier: ruiter, bereden krijgsman. 2. Reïnterpretatie van Cavelier.

Cavelier, Caveliers, Cauwelier, Couwelier. Familienaam uit het Oudfranse chevelier: keldermeester. Beroepsnaam. Zie ook Caulier.

Cavenaile, Cavenaille, Cavenel, Cavenelle, Gavenelle: Wellicht plaatsnaam Couvenaille, bijvoorbeeld in Slins (Luxemburg) van Latijn communalia: algemene grond, gemene weide. Waals lès kèv'nayes in Dampicourt.

Cavalli, Cavallo, Cavallone, Cavalin, Cavalini, Cavalina, Cavalucci. Italiaans cavallo; paard, bijnaam of beroepsnaam.

Cavanna, Cavanas: Italiaanse plaatsnaam Cavanna, Italiaans capanna: hut.

Cave. Middelnederlands cave; kelder, gewelfd vertrek.

Caveel. Bijnaam. Picardisch cavel, van Latijn calvus: kaal. Vergelijk Chauvel.

Cavel, de, Cavele, de, de Caevel, de Caevele: Middelnederlands cavel(e): lot, loting, deel, aandeel (in grond), kavel. Beroepsnaam van de verloter, (ver)kavelaar. Vergelijk Kavelaars.

Cavens, Cavents. 1. Wellicht Brabants uitspraak van Cauwens. Zie bij Cauwe. 2. Mogelijk ook een variant van Coven(t)s. Zie bij Convent(s).

Caverne. Frans caverne; uitholling, holte. Plaatsnaam? Of klankverandering van Cavrenne.

Caverneels, Cavereel. Afleiding van Frans caverne; holte.

Cavers. 1. Afleiding van Middelnederlands caven: begroten, ramen. Beroepsnaam van een schatter? Of van werkwoord caven; van kaf ontdoen. Beoepsnaam van de wanner? 2. Schotse plaatsnaam in Roxburgshire.

Caversoons. Wellicht Plaatsnaam Caverson bij Caverçonval in Chocques (Pas-de-Calais).

Cavestro: Spaans Cabestro: halster. Beroepsnaam.

Cavey, Caveye, van de Cavey, Vandecaveye, van de Caveije, van de Cavaye, van de Cavez, van de Cavé. Naam uit het Picardische cavée: holle weg. Er is onder andere een Cavei/ye in Onnaing (Nord) en in Menen.

Cavigneaux, Cavignaux, Cavigniaux, Caviniaux: ook Cauvignaux. Bijnaam. Afleiding van Cavin, Calvin; kaal.

Cavillon, Wellicht plaatsnaam Caverson bij Caverçonval in Chocques (Pas-de-Calais).

Cavestro: Spaanse Cabestro: halster. Beroepsnaam.

Cavillot, Cawillot: afleiding van Oudpicardisch caville, Oudfrans cheville, Latijn cavicula: pen, bout, spil. Beroepsnaam.

Cavin, Cavyn, Cavynt, Cavijnt: Variant van Calvin, Picardisch Cauvin. Vergelijk Caveel, Calvin.

Cavro, Cavrot, Cavirot: Lees Caurot? Afleiding van Picardisch caure: hazelstruik. Vergelijk Cavrois.

Cavrois. Verschrijving voor Caurois: plaats waar hazelaren groeien. Afleiding op -oit, Latijns -etum van Picardisch caure: hazelstruik. Plaatsnaam Cauroy (Pas-de-Calais). Vergelijk Colruyt, Caure.

Caxton. Plaatsnaam, Cambridgheshire.

Cayau. Oudfrans caiel: hondje.

Cayeux, Kayeux, Keyeux: 1. Plaatsnaam Cayeux (Somme) of (Monchy-) Cayeux (Pas-de-Calais).

Cayphas. De Bijbelse voornaam Caiphas.

Caytant, Caytan, Cayton, Caijtan, Caeytant, Gaytant, Gaétan, Gaétan, Gaetano, Gaetani, Caetano: De West-Vlaamse Caytan (en varianten) stamt van Cesare Caetano = Gaetano, een soldaat in een Italiaans infanterieregiment die in 1626 in Kortrijk trouwt. Italiaans Gaetano/Caetano: uit Gaëta. Vadersnaam is uit te sluiten, aangezien de Italiaanse geslachtsnaam ouder is dan de H. Cajetanus (1480-1547).

Cazabonne, Casabona: Occidentaals, Italiaanse plaatsnaam Casa bonne/bona: goed huis. vergelijk Goedhuys.

Cazaerck. Verhaspeling van Casaert, door associatie metkazak of kozak. 1

Cazemier, Kazemier: Vadersnaam. Poolse heiligennaam Casimir(us).

Cecco, Cecconi, Ceccon, Cecconello, Ceccotti, Ceccano, Ceccarelli, Ceccarello, Ceccarini, Ceccaroli, Ceccaroni, Ceccato, Cecko, Cecchi, Cecchin, Cecchini, Cicchinato, Cecchelani, Cecchetelli, Cecchetti, Cecchetto, Cecotti: Italiaans Cecco, korte vorm (en afleiding) van Francesco.

Cecere. Zuid-Italiaanse familienaam. Wellicht zoals Cecco afleiding van de voornaam Francesco.

Celen, Celens, Celent, Célant, Celant, Ceelen, Seele, Seelen, Seelenne, Selen, Selens, Selenne, Sélenne, Sellens, Cillen, Cielen, Chielens, Sillen, Celis, Célis, Celisse, Celissen, Célissen, Selis, Sélis, Cellis, Celus, Cielissen, Cillis, Cilis, Cilissen, Cillissen, Zelis, Zelissen, Zélis, Sillis, Silles, Sel, Sell, Cel, Cels, Seel, Seels, Zels, Sells, Sels, Selles, Selle, De Selys. Vadersnaam, verkorte vorm van Marcelis, Sint Marcellus. Zie ook Sillen.

Céleste, Celeste, Celestre, Schelest: 1. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Celestis. 2. Plaatsnaam Chelers (Pas-de-Calais):

Celie, Célie, Cellie, Celly, Scillie. 1.Moedersnaam uit Cecilia. Korte vorm van de heiligennaam Cecilia of Marcilia. 2. Mogelijk een dialectische vervorming van Cellier: kelder (uit de woonplaats).

Celik, Çelik. Turkse naam; staal.

Celis, Célis, Celisse, Celissen, Célissen, Selis, Sélis, Cellis, Celus, Cielissen, Cillis, Cilis, Cilissen, Cillessen, Zelis, Zelissen, Zélis, Sillis, Silles, Sel, Selle, Cels, Cel, Seel, Seels, Zels, Sells, Sels, Selle, Selles, de Selys: Vadersnaam. Korte vorm van Marcelis, van Latijnse heiligennaam Marcellus. Ca. 1600 wordt Seels in Balen tot Zels en Zeels.

Celle, Célie, Cellie, Celi, Celly, Scillie: 1. Moedersnaam. Korte vorm van heiligenaam Cecilia. Of korte vorm van de voorrnaam Marcilia. 2. Eventueel dialect variant van Cellier of Sellier.

Cellerier, Célérier, Celerier, Céleri,Callarier, Celarier: Frans cellerier, van Latijn cellerarius: keldermeester.

Célot, Celot, Cellot. Vadersnaam. Korte vorm van Marcelot, afleiding van de voornaam Marcel.

Cenant, Cénant: Plaatsnaam Cenan = Senan (Yonne), Sénans = Cénans (Hte-Saône).

Cencigh. Plaatsnaam Sinzig, Duitsland.

Cendrier, Sandrie, Sandri: Beroepsnaam. Oudfrans cendrier: zeepzieder, leerlooier, die werkt met uitgeloogde as, potas. Vergelijk Duits Àscher.

Cense, Centse, Sentse: Frans familienaam Cense, bijnaam voor iemand die een pachtgoed huurt, een cijnspachter, cijnsboer. Frans ook Censier, Delacenserie.

Cenier, Ceni, Cenie: Variant van Frans Chénier: eikenbos. Plaatsnaam Cheniers (Marne).

Censer. Engelse familienaam, van Frans censier; pachter.

Censier, Censi, Sencie, Sensier, Senci, Sensier, Sensir, Sansier, Sancy, Chancy: Frans censier: cijnspachter, cijnsboer. Senci, Sensie, Sensi en (hypercorrect) Chancy kunnen spellingvarianten zijn van Sancy.

Cent. Vadersnaam, korte vorm van de voornaam Vincent.

Centner. Variant van Duitse familienaam Zentner, van Zehntner. Beroepsnaam van de tiendenaar of tiendheffer. Vergelijk Tindemans.

Cepeda, Cepedal, Cipido, Cipedo, Sipido. Spaanse familienaam uit de plaatsnaam cepo: boomstronk. Zou dus ook wel een bijnaam kunnen zijn. Maar de volgende familienaam komt uit Italie. Italiaans scipito: flauw?

Cercelet. Oudfrans cercelet, afleiding van cercel, Frans cerceau: ring, band, hoepel. Beroepsnaam van de kuiper.

Cerckel. Oudfrans cercle: band, hoepel. Beroepsnaam van de kuiper. vergelijk Cercelet.

Cerexhe, Serex, Serexhe: Plaatsnaam (Luik).

Cerezo. 1. Spellingvariant van Ceressiaux. Zie Séréssiat. 2. Spaans, Italiaans cereza, ceresa: kers. Beroepsnaam.

Cerfaux. Plaatsnaam Cierfa in Bovigny. Of variant van Franse familienaam Cherfault, van Gerfaud, Gerfault: giervalk?

Cerfon, Cerfont. Wellicht korte variant van Cerfontaine.

Cerfontaine, Cerfontein: Plaatsnaam Cerfontaine (onder meer Namen, Nord).

Cerise. Frans cerise; kers. Beroepsnaam van de verkoper ervan. Vergelijk Kriek.

Cerisey. Uit Franse familienaam Cerizet, afleiding van Cerise.

Cerisier, Cerisier, Serrisier, Serusier, Cherissier: Plaatsnaam Cerisier: kersenboom. Vergelijk Kriekeboom.

Cerny. Plaatsnaam Cerny (Seine-et-Oise, Aisne).

Cerouter, Cheroutre, Chirouter, Chiroutte: Vadersnaam. (Frans-Vlaanderen en West-Vlaanderen) Serwouter. De varianten met ch zijn hypercorrect.

Certijn, Certyn, Sertijn, Sertyn, Sertin, Serteyn, Sirtaine, Certain, Certin. Bijnaam naar het Middelnederlandse certein uit het Franse certain: zeker, zelfverzekerd, vastberaden.

Cerulus, Carulis, Cerules, Serulus: Latijn caerul(e)us (van caelum: hemel): hemelblauw, azuurblauw. Bijnaam. Latinisering.

Ceunebroec, van, Ceunebroecke Van, Ceunebroek, Ceunebroeke, Ceunebrouck, Ceunebroucke, (van) Ceulebroeck, Ceulebroek, Ceulebrouck, van Cuynebroeck, Cuynebrouck, van Ceunenbroeck, van Keunenbrouck, van Keulenbroeck, de Koninckbroeck, Keunebrock. Familienamen afgeleid van Koningsbroek, broek van de koning, in Maarke-Kerkem (Oost-Vlaanderen).

Ceunen, Ceuppens. 1. Van Kuiper, 2. Van Germaans Cono.

Ceurvels, Ceurvelt, Ceurvelts, Keurvels: Plaatsnaam Keurveld in Kontich, Lint en Boom (Antwerpen). Zie ook Carver(s) 2.

Cevaal: Uit Frans cheval ‘paard’. Bijnaam naar de huisnaam of beroepsbijnaam van de paardenkoopman.

Ceyssens, Ceysens, Ceijssens, Seyssens, Seyssen, Seysen, Sijssens. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de voornaam Vincent. 2. Kan ook een knuffelvorm zijn van Franciscus: zoon van Seys (Franceis). 

Ceyskens. Vadersnaam. 1. Afleiding van Ceys, van Franceis: François. Zie Seys. 2. Afleiding van Vincent; zie Ceyssens.

Chaam, van, van Kaam, van Kaem, van Caem: Plaatsnaam Chaam (Noord-Brabant).

Chabalier. Zuidfranse vorm van Chevalier: ruiter, ridder. Vergelijk Chaballe.

Chaballe, Chabalet. Occidentaalse vorm van Chebal(et).

Chabanne, Chabane, Chavanne, Chavane. Variant van Cabane; hut.

Chabaneau, Chabannel, Chabanel, Schabanel: Afleiding van chabane, cabane: hut.

Chabaud, Chabeau, Chabeaux, Chabault. Uit Occidentaals chabal; paard.

Chabot, Cabo, Cabot, Caboot, Cabotte, Chabote, Chaboteau, Chaboteaux, Chabotaux, Chabottaux, Chabotteau. Het Franse chabot is een vissoort met een grote kop. Bijnaam voor iemand met een groot hoofd.

Chabre. Franse dialect vorm van Chèvre: geit.

Chacon, Chacun: Frans chacun: iedereen. Vergelijk Alderweireldt, Toulmonde.

Chaffette, Chafette. Bijnaam Chaufette; stoofje.

Chaineux, Cheneux, Dechaineux, Dechêneux: Plaatsnaam Chaineux (Luxemburg), Cheneu in Villers-le-Tour (Henegouwen), Cheneux in La Gleize en Stavelot (Luxemburg): eikenbos.

Chainnieaux, Chameaux: 1. Franse variant van Picardisch Caignau. 2. Zie Chénau.

Chais, Chaix, Chait: Plaatsnaam Chaix (Vendée, Ain).

Chaland, Chalant, Chalanton. Oudfrans chalant: vriend, kennis, klant, (later) minnaar, vrijer. Equivalent van Picardische, Middelnederlandse Calant.

Chalbert, Schalbert, Scalbert, Escalbert: Vadersnaam. Niet-gevocaliseerde vorm van Germaanse voornaam Calbrecht, of variant van Chabert met epenthetische l.

Chaleur. Hypercorrect voor plaatsnaam Chaleux in Hulsonniaux (Namen).

Chaffart: Uit Frans Chauffard, afleiding van Frans chauffer ‘stoken’. Beroepsnaam van de stoker.

Chaigneau: Andere spellingen in België zijn: Chagnaud, Chaignaud, Chainniaux, Chainiaux, Chainnieaux, Chaineaux. 1. Franse variant van Picardisch caignau, middelfrans caignel, verkleinvorm van Middelfrans caigne, van volks Latijnse cania ‘teef’ of van Picardisch kain ‘hond’. Dialect caniau ‘hondje’. 2. Verkleinvorm van Frans chêne ‘eik’. Oudfrans chesneel ‘eikenbos’. Plaatsnaam Cheneau in Estinnes-au-Mont (Henegouwen) en Bonlez (Waals-Brabant).

Chalon, Chalhon, Chalom, Scalon, Schallon: Plaatsnaam Chalon-sur-Saône of Châlons-sur-Marne.

Chalsèche, Chalsège, Chalseche, Chalsege, Charlesèche: Plaatsnaam Chalsèche in Pepinster (Luik).

Chamaillard, Chatnillard: Afleiding van Oudfrans chamaillier: slaan, vechten.

Chamart. Plaatsnaam Chamard (Ardèche, Hte-Saône), Chamars (Eure-et-Loir).

Chambard, Chambart, Chambaere, Sambaer, Sambaere, Samba, Sambas, Chombar, Chombart, Chombaert, Chombaere, Sombaert. Chambard is een Frans dialect (oosten en Central Massif), een vorm van Oudfrans Jambart: bijnaam voor iemand met zware benen.

Chambaud, Chambeau, Chamaut, Chambault, Chombeau: Oudfrans chambal: beenbekleding, scheenplaat. Bijnaam.

Chambellan, Chambelland, Chambellant, Chamberlan, Chamberland, Chamberlant, Chamberlin, Chamberlain, Chambrelant. Chambrelan, Chambrelent, Chamburland, Chamburlant, Camberlin, Camberlijn, Camburlyn, Camburlain, Camburlein, Cambrelin: Oudfrans Chamberlain, Picardisch camberlin, Frans chambellan, van Nederlands kamerling: kamerheer. Beroepsnaam.

Chambon, Chanbon, Sambon: Verspreide plaatsnaam Chambon (onder meer Cher, Hte-Loire, Loiret). Maar blijkens de familienaam Chambonnet, Chambonneau naast Cambonnet, Cambaut veeleer bijnaam, afleiding van Zuidfrans cambe, chambe, Frans jambe: been. Vergelijk familienaam Longchambon: langbeen.

Chambrier, Schembri: Beroepsnaam Chambrier: kamerknecht, kamerdienaar.

Chamelot, Camelot: Oudfrans chamelot, camelot: naam van een soort stof (oorspronkelijk van kameelhaar). Beroepsnaam.

Chamizo, Chamizot, Chamisot: Afleiding van chamise (Auvergne) van Latijn camisia: klein hemd. De Duitse dichter Adalbert von Chamisso (1781-1838) was een geboren Fransman; von is het Duitse adelspartikel.

Chamois, Chamoy. Oudfrans chamois; kneuzing, buil. Bijnaam.

Chamon, Chamont. Plaatsnaam Chamont: chauve mont, kale berg (onder meer in Isère). Ook variant van Chaumont.

Chamorro, Chamorre, Chamorin: Spaanse bijnaam voor een kaalgeschoren of kort geknipt man. In de middeleeuwen een bijnaam voor de Portugezen, omdat ze hun haar kort droegen.

Champaigne, Champagne. 1. Naam uit de oude Franse provincie Champagne. 2. Of uit de verspreide gelijknamige plaatsnaam Champagne: veld.

Champagnac. Plaatsnaam. (Cantal, Char.-Mar., Corrèze, Dordogne, Hte-Loire, Hte-Vienne).

Champclaux. Plaatsnaam Champclos: afgesloten, omheind veld.

Champeaux, Champault, Champel, Campeau, Campel, Campeas: Verspreide plaatsnaam, afleiding van Frans champ, Picardisch camp: veld.

Champenois. Afkomstig van Champagne.

Champiomont. Plaatsnaam in Charneux, Limburg.

Champluvier. Wellicht Champlivier, uit plaatsnaam Champlive (Doubs).

Champon. Plaatsnaam afgeleid van champ: veld.

Champseix, Chansay: Plaatsnaam. Rotsachtig veld. Seix, van Latijn saxum; rots.

Champt. Verschrijving voor Champ; veld. Plaatsnaam.

Champy. 1. Plaatsnaam in Warnant (Namen). 2. Middenfrans champis: onwettig kind, bastaard.

Chalumeau, Calmeau, en wellicht ook Chamuleau: Door omkering van volgorde van klanken uit Chalumeau, van Oudfrans/Oudpicardisch c(h)almel, verkleinvorm van Latijnse calamus ‘rietje, (schrijf)veer’. Beroepsbijnaam van een schrijver, klerk.

Chan, Chen, Chang, Cham. Chinese naam; koning.

Chan. Verschrijving voor Champ; veld.

Chandel, Chandelle. Frans chandelle: kaars. Beroepsnaam van de kaarsengieter. Vergelijk Chandelier.

Chandesais, Chandeson: Zoals Frans Chandeysson afleiding van streeknaam Chandesse (Puy-de-Dôme).

Chandler. Engelse beroepsnaam: kaarsengieter.

Chanoine, Lechanoine, Canon, Canonne, Canone, Canoen, Quanonne, Quanone. Naam uit het Franse chanoine, het Picardische cano(i)ne: kanunnik.

Chanterie, Chantrie, Chantrey, Chantry, Sentrie. Misschien Oudfrans chanterie: kerkzang. Beroepsnaam. Maar waarschijnlijk veeleer dialect variant van Franse familienaam Chantrier: zanger.

Chantecler, Chanteclaire: Bijnaam naar de naam van de haan, voor iemand die helder zingt.

Chantel, Chantelet, Saintelet, Saintlet, Santels, Santelé, Santele, Tjantelé, Tjantele, T'Jantele, T'Jantèle, Sandelé, Sandele: Oudfrans chantel, Picardisch cantel, Middelnederlands canteel: kant, rand, uitgetand metselwerk, borstwering, schietgat; (ook) bodem, spon van een kuip. Afleiding op -et. Beroepsnaam.

Chantelou, Canteloup, Chantelot: Plaatsnaam Chanteloup: waar de wolven huilen. Vrij verspreid.

Chanterau, Chanteroux, Chantreau, Chantrel, Chantell, Chantrelle, Cantrelle, Contreau: Afleiding van Frans chantre, Picardisch cantre: zanger. Vergelijk Engels Chantrell.

Chantrain, Chantraine, Chantraint, Chantren, Chantrenne, Cantraine, Cantrijn, Cantryn, Cantrin, Contryn, Contrijn, Contraint, Contrain, Quantrain: 1. Oudfrans chanteraine, Picardisch cantraine: kikker, boomkikvors. Bijnaam naar de kwakende stem, het springen of het uitzicht. Vergelijk De Puydt. 2. Plaatsnaam: plaats waar kikkers kwaken, kikkerpoel; bijvoorbeeld; Cantraine, 1275 à Canteraine, Lessen. Henegouwen.

Chapele, Chapelle. 1. Beroepsnaam van de kapelaan, bedienaar van een kapel. 2. Variant (vrouwelijk) van Chapel; zie Capel.

Chapelet, Chopplet: Afleiding van c(h)apel: kapje, hoed. Bijnaam.

Chapelier, Chapellier, Chaplier, Lechapelier, Lechaplier, Sapelier, Sipelier, Capelier, Capeliez, Cappelier, Caplier, Cappeliez, Cappéliez: 1. Beroepsnaam van de hoedenmaker.; 2. Oudfrans c(h)apelier uit capellarius, Middelnederlands capellier: kapelaan.

Chapitre, Capitte, Capite, Capit, Sapit, Cappittel: Oudfrans chapitre, chapitle, Picardisch capitle: kapittel (van kanunniken). De reductie tre/tle tôt -t(e) is Waals. Bijnaam naar een verband met een kapittel. Kapittel kan als plaatsnaam op grondbezit van een kapittel wijzen, zoals in de in Ronse.

Chaplain, Chaplin, Chapelain, Caplain, Caplin, Cappellin, Keplin, Lecaplain, Kapelan, Kaplan, Kablan: Frans, Picardisch en Duitse vormen voor kapelaan, Oudfrans c(h)apelain, van Latijn capellanus.

Chapman. Engelse beroepsnaam; koopman.

Chapoix. Plaatsnaam Chapois in Gosselies (Henegouwen) en Leignon (Namen).

Chapoteau, Chapotel, Chapotot, Chopitea: Afleidng van Oudfrans chape: kap(mantel). Vergelijk Chapel, Capet. Bijnaam voor de drager van een kapje of de maker.

Chapuis, Chappuis, Chaput, Chapux, Chapuzier: Oudfrans chapuis(ier): timmerman, meubelmaker. Beroepsnaam.

Chapusette, Chapuzette. Beroepsnaam, afleiding van Chapuis.

Charanson. Frans charançon: kever, kalander. Bijnaam.

Charante, van. De eerste naamdrager, die zich in de Nederlanden vestigde, namelijk Adrien Isaacz, was afkomstig van La Rochelle aan de Charente (Charente-Mar.)

Charbout, Charbel, Carbo: Afleiding van charbe: hennep.

Charbonnier, Charbonier, Charbonnière, Carbonnier, Cherbonnier, Corbanie: Frans charbonnier, Picardisch carbonnier: kolenhandelaar, kolenbrander.

Chardavoyne. Met epenthetische r van Champ d'avoine: haverveld. Vergelijk Haverkamp.

Chardez. 1. Vadersnaam. Chardet, van Richard. 2. Zie Xhardez, Lexhardé.

Chard'homme, Chardhomme, Chardome, Chardôme, Chardonne: Waals tchâr d'âme: (letterlijk) vlees van een ziel, mensenziel; (negatie) pas char d'âme: geen mensenziel, niemand. Of reïnterpretatie van Chardon, of plaatsnaam Cha