Verklaring van achternamen C

C.

Ca, (de), Deca, de Cae, Decae, de Kaey, de Kay, Kai, Kay. Het Middelnederlandse cade (in het dialect kaai) betekent gebraden vet, uitgebakken vetkorst. Het kan dus gaan om een bijnaam (bijvoorbeeld een mager iemand) of een beroepsnaam (bijvoorbeeld vetsmelter).

Caasbeek, van, van de Caetsbeek, van de Caesbeek, van de Kaetsbeek: Plaatsnaam Gaasbeek in Tielt en Reningelst.

Caauwe, zie Kouwen. Spelling van de Vlaamse familienaam Cauwe. Middelnederlands cauwe ‘kraai’. Bijnaam, ook huisnaam.

Cabout, Cabbout. 1. Variant van Cobbaut, met voortonige a (vergelijk kabouter / Cobboud). 2. Spellingvariant van Cabaux, Cabeau(x).

Cabadès, Cabadais: Streeknaam Cabardès (Aude).

Cabaert, Kabbert: Wellicht variant van Cobbaert. Vergelijk Cobbaut/Cabbaut.

Cabal. Occidentaals cabal; machtig, rijk.

Cabanier. Bewoner van een cabane; hut.

Cabaraux. Frans Cabarel, van Oudfrans cabar: korf van gevlochten biezen.

Cabaret, Cabarez, Cabret: Frans cabaret ‘kroeg, drankhuis’. Beroepsbijnaam van de waard.

Cabarteux. Afleiding van Cabaret. Beroepsnaam van een waard.

Cabeau, Cabeaux, Cabiaux, Cabaux, Cabbai, Cabai, Cabaye, Cabay: Afleiding van cab-: kop, hoofd. Cabal/Cabau(x)/Cabaud van Occidentaals cabal: machtig, rijk? Of Cabel/Cabeau: haar (Gascogne)? Of Romaanse vorm van Nederlandse familienaam Cobbout/Cabbaut? Voor de voortonige vocaal, vergelijk kabouter = Middelnederlands cobboud, Duits Kobold. Cabai kan Luiks-Waals zijn, of de Picardische vorm.

Cabeke, van, Cabbeke: Plaatsnaam Kabbeek in Tienen, (Vlaams-Brabant) of Cabbecq in Roosbeek (Waals-Brabant).

Cabernel. Uit Caberel = Gabriel?

Cabie, Cabye, Caby), Cabij, Cabit: Waals cabéye: kamille)?

Cabillau, Cabillaud, Cabilliau, Cabliau, Backeljauw, Backeljau, Backeliau. Bijnaam uit de huisnaam of beroepsbijnaam van de kabeljauwvisser- of -verkoper. De variant Bakeljauw komt uit het Baskische bacallao, wat uiteindelijk hetzelfde betekent.

Caboche, Cabotse, Kabouche: Oudfrans caboc(h)e: bult, hoofd. Middelnederlands cabootse: vis met grote kop. Bijnaam voor iemand met groot hoofd.

Cabolet, Caboullet: afleiding van Cabeau, Cabbaut. Voornaam of kabouter? In Marche-lez-Ecaussines is Cabolet het mannetje in de maan (kaboutermannetje?).

Cabooter, de, de Caboter, de Cabootere: 1. Bijnaam voor een kabouter, iemand met de gestalte van een dwerg; vergelijk Cobbaut. 2. Reïnterpretatie van Caboot. Zie Cabot.

Cabosart, Cabossart. Afleiding van Caboche.

Cabotaire. Verschrijving van de Franse uitspraak van Caboter.

Caboor, Caboort, Cabboort, Kabboord, Kaboord: Verzwaarde vorm van Caboot, van Cabot, Picardisch variant van Frans Chabot ‘vis met grote kop’.

Cabooter (de), De Caboter, De Cabootere. 1. Bijnaam voor een kabouter: een klein persoon. 2. Zie ook bij Chabot.

Cabour, Cabourg. Plaatsnaam Cabourg, Calvados.

Cabouy, Caboi: Bijnaam. Noord Waals cabouyi: gedeukt, geblutst.

Cabri, Cabrit, Cabrissiau: Middenfrans cabril, cabrit: geitje.

Cabron. Frans cabron: geitenvel. Maar waarschijnlijk van Cambron.

Cabu, Cabus, Cabut, Cabouy, Cabuy, Cabuij, Cabuil. Naam uit het Franse cabus: cabuis(kool). Beroepsbijnaam van de kolenteler of bijnaam voor iemand met een groot hoofd. 

Cachard, Cachart. Beroepsnaam. Picardische varian van Chassart 2. Vergelijk Cacheux.

Cachet. Oudfrans cachet: verborgen hoekje, schuilhoek.

Cacheux, Lecacheur, Lecacheux, Casseur, Casseus: Picardisch voor Frans chasseur: jager. Beroepsnaam.

Cachoir, Cachoire. Picardisch cachoir(e): uiteinde, touwtje van een zweep, zweep. Hieruit dialect kletsoor, klassoor: zweep. Beroepsnaam voor koetsier of herder.

Cackaert, Caeckaert, Caekaert, Cacquaert, Cakar, Kackert, Kakkert, Kakert. Vadersnaam door "anticipatie" van de k ontstaan uit Jacquaert. Zie verder bij Jacquard.

Cadzand, van, van Cadsant, van Kazant: Plaatsnaam Cadzand (Sluis, Zeeuws-Vlaanderen):

Cadeau, Cadel, Cadiat: Oudfrans cadel, van Latijn capitale: hoofd-, sierletter. Beroepsnaam van de illuminator, kopiist.

Cadet, Cadez, Cadée, Cadei: Fran cadet: de jongste van het gezin. Bijnaam.

Cado, Cadot. Picardisch cadot: stoel. Beroepsnaam.

Cador, Cadoret. Bretonse naam, Catdoret, Cadored(us) 'hulp in de strijd.

Caducque. Niet van Oudfrans caduque: vallende ziekte, maar reïnterpretatie van Cadyck.

Cadyck. Afleiding van Bretons cat: strijd, gevecht. Cadic.

Caeldries. Plaatsnaam Kaaldries in Hamme, Oost-Vlaanderen.

Caelen, Caelens, Calens, Kaelen, Kalen, Kalin. 1. Vadersnaam uit Caerlen, een knuffelvorm van de voornaam Karel. 2. Misschien ook wel eens een variant van Callens. Zie Callens. 

Caenen, Kaanen, Caanen, Kanen. Vadersnaam uit het Middelnederlandse Canin: een knuffelvorm van Kerstiaen of Christianus.

Caeselem Caeseelem, van: Door assimilatie rz van z uit plaatsnaam Kaarzele in Waregem (West-Vlaanderen). Caersele; Kaerle; kerel, Germaanse sali; uit 1 ruimte bestaand huis.

Caes, Kaas, Kaes, Quaas, Kees. 1. Beroepsnaam van de kaashandelaar of - maker. 2. Vadersnaam, verkorte vorm van Nicasius.

(de) Caesstecker, (de) Caestecker, Caesteker, de Caesteeker, (de) Kaestecker, Kaesteker, Kastekker, Kastekkere, Kastekerre, Caistiker. 1. Beroepsnaam van de beambte die de kaas kwam keuren: er in steken. 2. Beroepsnaam van de kade-steker. Hij die kades, cades, cae stak (aanlegde) in het kustgebied.

Caesar, César, César, Cezard, Cezar, Cesarini, Cesari, Cesarinio: Vadersnaam. Als voornaam gebruikte cognomen Caesar, de naam van Gaius Julius Caesar (Rome 100-44, v. Chr.).

Caesbroeck, van. Vermoedelijk niet de plaatsnaam Kaasbroek in Westvleteren en Ichtegem (West-Vlaanderen), maar door Brabanse dialect uitspraak van Van Causbroeck.

Caessens, Casen, Casens, Caasen, Caessens, Kaesens, Kaesen, Kaezen, Kesenne, Kesen, Kaeses, Cassen, Kessens, Kessen, Casin, Cazin, Kaisin, Kaisen, Ouaisin, Kaysen, Kaizen, Keisen:. Casin, vleivorm van de heiligennaam Nicasius.

Caesstecker, de, (de) Caestecker, Caesteker, de Caesteeker, de Castecker, (de) Kaestecker, Kaesteker, Kastekkere, Kastekker, Kastekerre, Caistiker: Beroepsnaam van de kaaskeurder, die in de kaas steekt, prikt om hem te keuren. Vergelijk Duitse familienaam Kasbohrer: kaasboorder, Kâsestecher.

Caeymaex, Caymax. Afleiding van Kaai (= kassei)-make: beroepsnaam voor kaaienmaker, bestrater, straatmaker.

Caezeele, van, (van) Caeseele, (van) Caeyzeele, Cayzeele, van Cayzele, Caysele, van Cayezeele, (van) Cayeseele, Cayseele, Caijseele, van Cacyzecle, van de Cayseele, Cayzeele. Naam uit de plaatsnaam Kaarzele (Waregem, West-Vlaanderen).

Caffieaux, Caffiau, Caffiaux: Oudfrans chafaut, volkslatijn catafalicum: schavot, podium, steiger. Plaatsnaam.

Caflers. Plaatsnaam Cafflers, Pas-de-Calais.

Cafmeyer (de), (de) Caffmeyer. Beroepsnaam voor een kafboer; wellicht een dorser. Vergelijk Caf, Duits Spreuer, Strohmeier.

Cagni, Cagnie, Cagniet, Cagnet, Cagniez, Caignie, Caigny, Cagny, Caignet, Caignez, Caigniet, Caignié. 1. Naam uit het Oudfranse ca(i)gnet: hondje. Bijnaam. 2. Zie ook Decagny. 3. Zie ook Coigne.

Cagnon, Canion, Caniot, Kignon, Quingbon, Quignon, Quinon, Kinon, Kinjo, Kenyon: Picardische afleiding van volkslatijn cania: hondin. Vergelijk Caignaert.

Cahour. Plaatsnaam Cahors (Lot). De cahorsijnen, afkomstig van Cahors, waren in de middeneeuwen bekende bankiers, geldschieters en woekeraars. Of plaatsnaam Caours (Somme)?

Cahu. Vorm van Picardisch caiie, Oudfrans choe, chue: (kerk)kauw, bosuil, (kat)uil.

Caignaert, Cagnard, Cagna, Cagnart, Cagniart, Kaignaert, Quanjard, Keyngnaert, Keygnaert, Keingnaert, Keignaert, Keynaert, Cingnaert, Cigniaert, Cinjaere: Frans cagnard: luiaard, afleiding van volkslatijn cania: hondin. Hieruit ook Nederlands kanjer: zelf ingenomen iemand, baas, onhebbelijke.

Caignau, Cagneau, Cagniau, Cagneaux, Cagniaux, Canieau, Cania, Caniaux, Kinjo, Cagnell, Caniel, Quanjel, Canjels: Middenfrans caignel, van Middenfrans caigne, volkslatijn cania: teef; of van Picardisch kain: hond. Dialect caniau: hondje. Bijnaam.

Cail, Caille, Caeylde: 1. Frans caille: kwartel. Bijnaam. Caeylde is Oost-Vlaams. 2. Korte vorm van Van Caille.

Caille, Caillie, van, van der Caillen, van der Cailde, van Caille, Cuaille, van Callie, van Qualle, Qualle, Verqualie, Vercayie, Qualy, Cailly: Plaatsnaam. Variant van Coillie die in West-Vlaanderen kwalie wordt uitgesproken.

Caillau, Caillaux, Caillaud, Cailleau, Caillaux, Caillieau, Cailliaux, Chaillaut, Chaliaud, Calliau, Callau, Calliauw, Caliouw, Caljouw, Kaljouw, Caljon, Cailleeuw, Cailleuw, Calleeuw, Caillou, Cailloux, Cailliou, Callou, Calloud. Bijnaam uit het Oudfranse caillel, calieu: kleine kei. Of uit caillou: kei, steen.

Eventueel een plaatsnaam ?

Caillet, Caillé, Caillez, Cailliet, Cailliez, Callier, Chaillet, Chayet, Cailleton, Lecaillez, Lecaillé, Lecaillié, Leciallie, Lecailliez, Lecaillier: Afleiding van Oudfrans c(h)ail, Frans caillou: kei, steen.

Cailleux, Callieux, Callieu: Afleiding van Oudfrans cail-: steen, kei. Plaatsnaam: met stenen bedekte bodem.

Caillier, Cailliet, Cailliez, Lecaillie, Lecaillier, Lecailli, Lecailliez, Lecaille, Lecaillié: 1. Beroepsnaam. Oudfrans quaillier: jager op kwartels. Zie Caillet.

Caillon, Calyon: Korte vorm van Lecaillon of Decaillon.

Caillot, Chaillot, Chayot: afleiding van Oudfrans c(h)ail: kei, steen. Vergelijk Caillet.

Caillou, Cailloux, Cailliou, Callou, Calloud: Frans caillou: kei, steen. Vergelijk Caillau(x).

Caise, Caisse, Kaisse, Kaise, Kayse, Quaise: Vadersnaam. Korte vorm van Nicaise, Franse vorm van Sint Nicasius.

Cajot, Clajot, Ducajo, Ducaju, Ducazu, Ducassou, Ducousso. Cajot en Cageot zijn afleidingn van cage, dit uit het Latijnse cavea: kooi. Beroepsbijnaam van de kooienmaker, de kooier/kooiker. 

Cak, de, Kack: kak, drek, stront. Waarschijnlijk scheldnaam.

Calafato, Calefati, Calfat, Calfas: Italiaans calafato van (sinds 1371) Middenfrans calefas. Beroepsnaam van de kalfateraar, breeuwer, die de naden van een vaartuig dichtmaakt, teert.

Calais, Decallais, (van) Calays, (van) Cales, Calés: Plaatsnaam Calais, Nederlands Kales (Pas-de-Calais).

Calame. Middenfrans calame: schrijfpen. Beroepsnaam van de klerk of kopiist. Vergelijk Callemein.

Calandre, Calander, Calande. Oudfrans calandre: leeuwerik. Bijnaam.

Calant, Callandt, Callant, Callant, Klant. Picardisch, Middelnederlands en West-Vlaams calant: klant, kerel, kapoen. Bijnaam. 

Calay, Calai, Callaey, Callay, Callaij: Wellicht variant van Colloy/Collei, vleivorm van de voornaam Nicholaus.

Calbecq, Callepeck: Plaatsnaam Kallebeek in Hemiksem (Antwerpen) en Bazel (Ooost-Vlaanderen).

Calberson, Calverson: Engelse vadersnaam. Cuthbertson, zoon van Cuthbert, Oudengels cûd beorht; 'beroemd-schitterend'.

Calboutin. Vadersnaam, afleiding van Callebout.

Calbrecht, Calbert, Callebert, Callbert, Calembert, Kalber, Kalbert, Kelbaert, Caliber: Vadersnaam. Germaanse voornaam kald-berht; 'koud-schitterend': Caldobertus. Vergelijk Chaubert.

Calcken, van, van Calck, van Kalk, van Kalken, van Kalck: Plaatsnaam Kalken (Oost-Vlaanderen).

Calcoen, Calkoen, Callecoen, Kalkoen. Verschrijving uit Kalkoven: beroepsbijnaam van de kalkbrander. 

Calcus. Latinisering van Van Calcken?

Caldenborgh, van. Limburgse vorm van Koudenburg; zie Van Couwenburgh. Waarschijnlijk variant van Kaldenberg (berg en burg werden vaak verward). Zie Cauberg.

Caldenhoven, van. Plaatsnaam ,1208 Caldenhoven bij Dusseldorp.

Calembert. 1. Zie Calbrecht. 2. Romaanse aanpassing van Calenberg.

Calemont, van, van Caelemont, van Callemont: 1. Plaatsnaam Calemont: kale berg, in Dottenijs (Henegouwen). 2. Plaatsnaam in Limburg.

Calenberg, van, Calenberge, van, van Calenberghe, van Calenbergh, van Calemberge, (van) Caelenberhe, Caelenbere, van Caenenberg, Caenenberghe, Caenenbergh, van Callenberge, Callenberghe, Callenbergh, van Calbergh, Calberg, van Colberg. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Ka(a)lberg (onbegroeide berg). Er is een Kalberg in West Vlaanderen of Maarheeze, 1348 Valeberghen, in Oostrozebeke (West-Vlaanderen), Kaalberg in Moorsele, Kalenberg/Kaaldenberg in Zarlardinge en St.-Blasius-Boekel (Oost-Vlaanderen). 2. Er is een Kallenberg in St.-Pieters-Leeuw (Vlaams-Brabant). 3. En er zijn nog (bijna) gelijkluidende plaatsnamen op diverse plaatsen in Nederland en Duitsland.

Calebout, Callebout, Calebaut, Calbeau, Calibaut, Caillebeau, Caillibaud: Lijkt wel een Germaanse bald-naam te zijn, maar er is nergens een naam Kaldbold bekend. Is Callebout een aanpassing van de Franse familienaam Caillebeau, of is het omgekeerd? Of Caillebeau als caillebot: gewrongelde melk.

Calet, Caley, Cales, Callet, Callez, Calles, Callé, Kalee, Kalley: Afleiding van Oudfrans cale: platte ronde muts. Bijnaam.

Calfé, Calf, de: Met verscherpte v/f voor Calvé, spelling voor Calvet, Frans verkleinvorm van Latijnse calvus ‘kaal’. Middelnederlands caluw: kaal. 2. Zie Kalf(f).Bijnaam.

Califice, Calificis. Afleiding van Latijn calefacere: heet maken, verwarmen, aanvuren. Beroepsnaam van een stoker of bijnaam voor brandstichter.

Calie, Caljé: Beroepsnaam, Picardisch Callier, van Carlier, Carrelier, Frans Charlier ‘wagenmaker, voerman’.

Calimé, Calimez. Afleiding van Picardisch calame, van Latijn calamus: riet, schrijfveer, pen. Vergelijk Callemein. 2. Plaatsnaam Kales, Frans Calais (Pas-de-Calais).

Calkeren, van. Plaatsnaam Kalkar, Duitsland.

Callaert, Callaerts, Callaars, Kallaert, Kallaerts, Kallert, Calaerts, Calaes, Callar: Afleiding van Middelnederlands callen ‘praten’. Bijnaam voor een prater, babbelaar.

Calle, Kalle: Moedersnaam. Korte vorm van Sint Catharina, Katelijne.

Callebaut, Calebout, Calbeau, Calibaut, Caillebeau, Callibaud: Onzeker. Of een Middelnederlandse afleiding van de meisjesnaam Calle. Het zou ook een afleiding kunnen zijn van caillebot: gewrongelde melk. Een beroepsnaam in dit geval.

Callenfels: Plaatsnaam Kallenfels (Rijnland-Palts).

Callemein, Callemeyn, Callemeijn, Callemien, Callemin, Callemijn, Callemyn, Calemyn, Calemijn, Calemein, Calemeyn, Camein, Cameyn, Camyn, Camijn. Naam afgeleid uit het Picardische calame: riet, schrijfveer, pen. Beroepsbijnaam voor de schrijver of de pennenmaker.

Callenaere, Callemaers: = 1723 Kellenaere = 1730 Callenaere, van 1633 van de Kellenaere. Middenenderlands kelnare: kelder. Vergelijk Van de Kelder.

Callenfels. Plaatsnaam Kallenfels, Duitsland.

Callens, Kallen. Moedersnaam afgeleid van Calle, een verkorte vorm van Katelijne, Griekse Sint Catharina.

Callewaert, Calewaert, Calewaerts, Caelewaert, Caluwaerts, Caluwaert, Calluwaerts, de Caluwaert, Calwaert, Caluwaers, (de) Collewaert, Colwaert, Colloart, Calvaer, Calvert: Bijnaam voor een kaalhoofdige, afleiding van De Caluwe.

Callewier, Caluwier, Cailluyer, Calluière: Plaatsnaam La Caillouière: plaats waar keien, stenen liggen. La Callewiere in 1429 in Moeskroen; 1231 al Caliuire in Wattrelos.

Calliber: Spelling voor de Franse uitspraak van de familienaam Callebert, Calbert, naast Calbrecht. Germaanse voornaam kald-berht ‘koud-schitterend’: Caldobertus.

Calliste, Calicis, Calis, Colicis, Calice:Vadersnaam, Sint Calixtus, Waals Calisse.

Callot, Calotte, Calottens, Calottens, Calot, Caloo: Vadersnaam. Variant van Carlot, door assimilatie rl/ll, vergelijk Challes = Charles.

Calmeau, Chalumeau: Oudfrans/Oudpicardisch c(h)almel, Frans chalumeau, van Latijn calamus: rietje, (schrijf )veer, pen. Vergelijk Callemein, Calmet en Franse familienaam Chalemel.

Calmet, Calmes, Caumette, Chalmette, Chaumette, Chaumet, Chaumetel. Afleiding van Oudpicardisch calme, Oudfrans chalme, van Latijn calamus: riet, stro, (schrijf)veer, pen. Beroepsnaam. Vergelijk Callemein, Calmeau.

Calon, Caloen Van, Calonne, Calon, Calloens, Calloons, Caloone, De Callone, De Calonne, Calomne, Calomme: Plaatsnaam Calonne (Henegouwen, Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Calogne, Calloigne, Callogne, Callongie, Calange, Schaloigne, Lacollonge: 1. Oudfrans, Oudpicardisch c(h)allonge: rechtsvervolging, geschil. Engels challenge. 2. Verspreide Franse plaatsnaam Collonge(s), ook Calonges. Of van Cologne; Keulen. 3. Calogne kan hypercorrect zijn voor Calonne. Afleiding van Calogne is Calongette.

Caloin, Caloine, Caluyn, Callewyn: Duister. 1528 Catharina Calluyens, Schelle; 1617 Hans Calluijns, Aarts; 1766 quod scribitur in registre Calluyn (Antwerpiensis) ponitur in baptismali ejus ex parochie Sti Georgii Antw. Caloin.

Calonger, Calanger: Oudfrans chalengeor: eiser, klager (in rechte). Engels challenger.

Calozet. Bijnaam. Afleiding van calleux: eeltig. Zie Calu(s).

Calseijde, van de; van de Calsoij: Plaatsnaam Calseide, van Picardisch cauchee, Frans chaussée ‘straatweg, steenweg’, van Latijnse calciata.

Calster, van: 1. Plaatsnaam Kalster (Leuven, Vlaams-Brabant). 2. Zie ook Van Caster. Zie Caster. 3. Zie ook Van Calsteren. Zie Calsteren.

Calsteren Van, Vercalsteren, Kolster, Kolsteren. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Kalsteren (Vlaams-Brabant en Antwerpen). 2. Variant van Van Calster. Zie Calster.

Cateau, Calteuax. Calleteaux. Afleiding van Calet.

Calu, Calus, Calut, Callut, Callu, Kalut, Calluy, Caluy, Calluij, Caluij: Bijnaam. Frans calleux, van Latijn callosus: eeltig. Of Picardisch gedemouilleerde vorm van Cailleux? Maar zie ook Decalut.

Caluri: Verhaspeling van Caluwé?

Calus: Bijnaam. Frans calleux, Latijnse callosus ‘eeltig’.

Caluwe (de), (de/van) Caluwé, Calluwé, De Calwé, Callewaert, Calewarts, Calewaert, Caelewaert, Caluwaerts, Caluwaert, Calluwaerts, De Caluwaert, De Calwaert, Caluwaers, (de) Callewaert, Colwaert, Colloart, Canvaer, Calvert. Met verschoven accent uit de Caluwe. Bijnaam voor een kaalkop. Caluwe is de verbogen vorm van Middelnederlands calu ‘kaal, pover, mager’.

Calvaer, Calvat: Picardisch Calvard, afleiding van Latijn calvus: kaal. Vergelijk Callewaert.

Calvet, Calvété, Calvetti, Cavet, Cavez, Cavé, Cavey, Calvez, Le Calvé, Le Calvez, Caluet, Collewet, Chauvet, Chauvé, Chauvez, Chavet, Chavez, Chavé, Chaves: Afleidng van Latijn calvus: kaal. Bijnaam.

Calvi, Calvy, Calvo. Bijnaam, van Latijn calvus; kaal.

Calvin, Calvijn, Calvino, Calvin, Cauvain, Cauvin, Chauvain, Chauvin: Afleidng van Latijn calvus, Frans chauve: kaal. Vergelijk De Caluwe.

Camargo, de, Cammargo, Comergo: Spaanse plaatsnaam.

Cambeen: Aanpassing van Cambien, variant van Cambier.

Cambier, Cambiez, Camby, Cambie, Cambien, Canbien, Cambeen, Canbein, Kambier: 1. Beroepsnaam van de (bier)brouwer. Oudfrans cambier. Vergelijk Delcambe.1199 Terrici le Cambier, Doornik. 2. Beroepsnaam van de geldwisselaar, van Latijnse Cambium;‘wissel’.

Camblain. 1. Plaatsnaam Camblain (Pas-de-Calais). 2. Variant van Comblain.

Cambre, Chambre, Schembre,Chambers, Cambers, Schampers, Sampers, Samper, Sampe: Picardisch cambre, Frans chambre: kamer, eenkamerwoning. Vergelijk Delchambre, Kamers.

Cambrechts. Reïnterpretatie van Kaembergs.

Cambrésier, Cambresier, Cambrésy, Cambresy, Cambrusier, Cambruzzi, Cambroisier: Afkomstig van Le Cambrésis, de streek van Kamerijk (Cambrai/Nord).

Camelbeke, van, Camelbecke, Camelbeck, (van) Caemelbecke, Caemelbeke, van Cammelbeck, Camelbeeck, Camelbeek, Camelbecq, Cammelbeke, Cammelbeeck, Cammelbeek, (van) Caemerbeke, Camerbeke, Kamerbeek, van Comelbeke, van Comerbeke, Comerbecq, van Comlebeke, van

Kemmelbeke: Waternaam de Kemmel: 1317 Kemmelbeke.

Cameleyre. Kemmelaar, afkomstig van Kemmel (West-Vlaanderen).

Camenier, Camerier, Cameriere: Middelnederlands cameniere = cameriere: kamenier, hofdame.

Camerman, Camermans, Cammerman, Cammermans, Kamermans: Afleiding van Van der Kamer.

Cami. Een vooral Aalsterse familienaam en aangezien ook Cam(m)u in Aalst vrij frequent is, zal Cami wel ontrond zijn uit Camu.

Camin. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Jacques, Jacqueme, korte vorm van Jaquemin.

Camion. Picardische vorm voor chamion: wagen. Beroepsnaam van de wagenmaker of voerman.

Cammaart, Cammaert, Cammaerts, Cammaer, Cammart, Cammers, Camart, Caemaert: 1.Afleiding van werkwoord kammen. Beroepsnaam van de wolkammer. 2. Afleiding van Middelnederlands Cam ‘brouwerij’. Beroepsnaam van de brouwer.

Cammeren, van. 1. Variant van Van der Kamer. 2. Variant van Van der Cammen, Vercammen. Zie ook Van der Kamer 3.

Cammelot: Oudfrans chamelot, camelot ’naam van en soort stof (oorspronkelijk van kameelhaar)’. Beroepsbijnaam.

Camnitzer. Variant van Kemnitzer, afkomstig van Chemnitz (Saksen, Bohemen).

Camp, Camps. Van Latijn Campus; vlakte, veld, vadersnaam, Germaanse voornaam kamp-hari, adresnaam.

Camon, Camoen. Plaatsnaam Camon, Seine.

Campagne, Campagnie: 1. Plaatsnaam Campagne (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen). 2. Variant van Compagnie.

Campanella, Campanelli. Italiaanse beroepsnaam van de klokkenluider.

Campbell. Schotse familienaam van Gaëlisch caimbeal: scheve mond. Bijnaam.

Campen, van, Kampen. Plaatsnaam Kampen, Overijssel.

Campenhout, van: Plaatsnaam Kampenhout (Vlaams-Brabant).

Campeert. 1. zie Kampert. 2. Vondelingnaam. Een vondeling kreeg die naam in Brussel op 17 augustus 1787, met de betekenis van het werkwoord kamperen, in verband met het Oostenrijkse leger.

Camper: 1.Middelnederlands camper, kemper ‘kampvechter, kampioen’. Duits Kempfer. 2.Vadersnaam. Germaanse voornaam kamp-hari.

Campignon, Campenon: Variant van Campion?

Campin, Campain. Bijnaam. Frans compain: kameraad, gezel.

Campin, Campinne. Plaatsnaam Campine in Wizernes, Pas-de-Calais.

Campion, Champion: Bijnaam. Picardisch/Frans c(h)ampion: kampioen, kampvechter. Vergelijk Kampers.

Campion, Campione, Campioni is een Italiaanse familienaam, afgeleid van Campion.

Campisi. Italiaanse-Siciliaanse familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (tegenhanger van Van de Velde).

Campistron. Franse aanpassing van plaatsnaam Campistrous (Htes-Pyr.). De dramaturg Campistron ("Toulouse 1656) was afkomstig van Armagnac.

Campmans. Afleiding van Van der Kamp.

Campo, del, van, Campa: De volledige naam luidt del Campo genaamd Camp. Italiaanse pendant van van der Kamp.

Campstein, Campsteyn, Campsteijn. Naam uit kantsteen. Beroepsbijnaam van de metselaar. Of uit de plaatsnaam Kampstein (Oostenrijk).

Campus. Romaanse afleiding van plaatsnaam Camp; veld.

Camu, Camus, Camut, Cammu, Cammue, Le Camus, Camusat, Camusot, Camusel, Camulselle, Camuzet: Bijnaam Frans camus: iemand met korte, platte neus.

Canard, Canart, Kanaar. Frans canard; eend, Bijnaam, naar de waggelende stap.

Canaux, Cannau, Cannaux, Cannea, Canneaux. Naam uit het Oudfranse canel, het Middelnederlandse caneel: riet, kaneel. Beroepsbijnaam van de kaneelhandelaar of de rietsnijder.

Cancelier, Cancellier, Cancelierre, Cancillier, Canseliet, Chancelier: Picardisch cancelier, Frans chancelier, Middelnederlands canselier: kanselier, uitvaardiger van oorkonden, zegelbewaarder. Zie ook (de) Kestelier.

Canck, de, de Cancq: 1. Spelling voor De(s)camp(s). Zie Decliamp(s). 2. Toch kan de een lidwoord zijn.

Candal, Candalle, Candael, Candaele, Quandalle, Quandal: Plaatsnaam Quendal(l)e in Racquinghem en Quelmes (Pas-de-Calais).

Candel, Candelle, Candeel, Candiau, Candau: Oudpicardisch candel, Oudfrans chandelle, van Latijnse candela ‘kaars, toorts’. Beroepsnaam van de kaarsengieter.

Candelaerem van de(n), van de Candelaer, van de(n) Kandelaere, van de(n) Kendelare, Kendelaere, de Kandelaer, de Candeleer. 1. Beroepsnaam voor de maker van kandelaars. 2. Er is ook een plaatsnaam Kandelaar in Rotterdam.

Candelier, Candellier, Candeiller, Chandelier: Beroepsnaam. Oudfrans chandelier, Picardisch candelier: kaarsengieter.

Canderbeek, Canderbeeke, Canderbeke. Familienaam in Waals-Brabant. Verhaspeld uit Vanderbeek?

Candillon, Chandelon: Beroepsnaam. Oudfrans chandelon, chandillon, Picardisch candillon: kaarsengieter.

Candries, Candrix. Familienaam uit de plaatsnaam Kandries in Mark (Henegouwen), Kamdries in Hofstade (Vlaams-Brabant) en vooral de Kamdries/Kandries in Berg (Vlaams-Brabant). Candry door Franse spellingsuitspraak van Candrix?, een Dries (land dat om de zoveel tijd gewas droeg) in Edingen (Henegouwen, of van Kamdries; Dries in Hofstade.

Canelle, Caneele, Canel, Canelle, Canneel: 1. Beroepsnaam van de kaneelhandelaar, kruidenier. Zie ook Canaux. 2. Canneele was in de draperie de naam van de rosgrijze kleur. Beroepsnaam van de lakenverver.

Caneghem, van Canegem, van, van Caeneghem, van Caenegem, van Cannegem, van Caemeghem, van Coneghem, van Konnegem: Plaatsnaam Kanegem (West-Vlaanderen).

Canet, Kané, Kaneez, Canneyt, Caneyt, Canneijt, Chanet, Chanez, Chanes, Chaney: afleiding van Oudpicardisch cane, Oudfrans chane: kruik, kan, vochtmaat. Beroepsnaam.

Canevat, Canva, Canvat, Canvasse: Picardisch/Frans canevas: grof linnen, hennep, kanevas. Beroepsnaam.

Canfin, Canfyn, Canfijn, Camfyn, Camfijn, Camphin, Camphyn, Camphijn, Camphens, Campfens, Camfens: Plaatsnaam Camphin (Nord).

Cangé. 1. Plaatsnaam in Gaurain (Henegouwen). 2. Variant van Cange, met secundair accent.

Caniau, Caniaux, Canieau, Caniel. 1. Zie Caignau. 2. Variant van Canaux.

Caniere: Door assimilatie rn van n uit Carnière. Decannière, van Decarnière. Plaatsnaam Carnières bij Morlanwelz (Henegouwen) of bij Kamerijk (Nord). Carnière, van Latijnse Carpinaria ‘haagbeukenbos’.

Canipel, Caenepeel, Canepeel: Picardische variant van Canivel, van canif: mes.

Canneijt, van: Vooral West-Vlaamse familienaam. 1. Wellicht van Casnoit, plaatsnaam in Hérin bij Valensijn. Romaans cassanetum, Frans chênaie‘ eikenbos’. Of Canet in Marquise (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen). 2. Of plaatsnaam van Romaans cannetum ‘plaats waar riet groeit’, bijvoorbeeld Keneit, Caneit in Graach (Trier).

Caniëls, Caniel, Caniau, Caniauz, Canieau. 1. Naam uit het volkslatijn cania, het Picardische cain: hond(je). Bijnaam of beroepsbijnaam. 2. Variant van Canaux: zie daar. 

Canis, Kanis, Cansius, Canisius: Latiniseringen van De Hond(t) of Lechien. Raphaël de Hond, van 1583 tot 1585 Latijns schoolmeester in Arnemuiden, noemde zich Canisius. De vader van de Jezuïet Petrus Canisius (Nijmegen 1521 - Freiburg im Ùchtland 1597) heette Jakob Kanis.

Canivet, Canivez, Kanivé, Kennivé, Caenevet, Canivet, Ouenivet, Ouennevet: Frans canivet, van canif: mesje. Beroepsnaam van de messenmaker. Vergelijk Meskens.

Canler, Canlers, Canlaire: Plaatsnaam Canlers (Pas-de-Calais).

Cannaert, Cannaerts, (de) Cannart, Kannaerts. 1. Familienaam afgeleid van "Van der Canne". Het Goed ter Kanne op Kortrijk-Buiten, Marke en Zwevegem heeft lange tijd aan de familie Cannaert behoord. 2. Zie ook Canard; eend.

Cannepin, Caenepenne, Canepenne: Afleiding van Latijn cannabis: hennep. Oudfrans canepin: (hennepen) beurs, tas, zak. Beroepsnaam.

Canneyt, van, (van) Canneijt, van Caneyt: 1. Plaatsnaam, wellicht van Casnoit in Hérin bij Valencijn, Romaans cassanetum, Frans chênaie: eikenbos. Of Canet in Marquise (Pas-de-Calais) 2. Of Plaatsnaam van Romaans cannetum: plaats waar riet groeit, bijvoorbeeld Keneit, Caneit in Graach (Trier).

Cannie, Canny: 1. Gedemouilleerde vorm voor Cagnie. 2. Eventueel plaatsnaam Canny (Oise).

Cannoo: Cannoo is de dialectische uitspraak van Canoy, door assimilatie rn van nn uit Carnoy (vergelijk Caniere). Uit Latijnse Carpinetum ‘haagbeukenbosje’. Plaatsnaam Carnoy (Nord, Somme), Carnoie (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Cannuyère, Cannuyer: Variant van Calluyère (n-wisseling): plaats met keien; zie Callewier.

Canon, Canone, Canonne, Canoen, Quanonne, Quanone: Picardisch cano(i)ne, Frans Chanoine ‘kanunnik’.

Canonniers, Canoniers: Beroepsnaam van de kanonnier, de bediener van het kanon, het geschut.

Canse, Cansse, Kanse, Kansen, Lâchante: Frans chance, Picardisch cance, van Latijn cadentia: val van de dobbelsteen, van gelukkige worp bij het dobbelen, geluk, kans. Bijnaam voor de dobbelaar.

Canseliet. Variant de Cancelier (=chancelier)

Cansier, Cannesier, Quansier, Ouensier, Kensier: Canissier: rieten mand. Beroepsnaam van de mandenvlechter.

Cansière, Cansiere, Kensière, Quennessière: Plaatsnaam Canessière: plaats waar riet groeit. Ook plaatsnaam Cannessières (Somme).

Canson, Chanson, Chainson: Picardisch Canson, Frans chanson: lied, zang. Bijnaam voor een zanger. Maar de oudste vormen wijzen veeleer op een plaatsnaam op -eçon.

Cant (de), de Candt, (de) Kant, Cans. 1. Naam uit het Middelnederlandse cant: kant, zijde, rand, werkwoord kanten; afzomen van laken. Beroepsbijnaam voor de kleermaker. 2. Zie ook Dechamp(s).

Cante, van: Vlaamse familienaam ook van de(r) Kant, van de Cant. Plaatsnaam Kant ‘rand, grens, oever’.

Cantaert, Cantoort: Afleing van Picardisch canter: zingen. Naast Canteclaer komt in de Reinaert ook Cantaert als naam van een haan voor. Naam van een zanger. Vergelijk De Canter.

Cantamessa, Cantamesse, Cantamessi. Naam voor een kerkzanger, die de mis zingt.

Cantarel, Cantarell, Cantarella, Cantarelli, Cantareul. Bijnaam voor een zanger.

Cante, de. Kan een variant zijn van Decant = Dechamps, maar ook een Waalse aanpassing van De Canter.

Canter, de, Cantere, de, Canter, Canters, Kanters, Canther, Kantere, (de) Cantre, Conters, Conter, Decante, Cantré, Chantre, Kantor, (de) Kanter, Cahnter, de Quanter, Quanters, Lecantre, Lecante, Lechantre, Lechante, Luchantre, Lacante. Beroepsnaam voor de cantor/zanger/voorzanger in de kerk. De Franse vorm is Lecantre, de Waalse Lacante.

Cantfort, van, van Campfort, van Camfort, van Kantvoorde: Plaatsnaam Kantvoort ‘voorde aan de kant, de rand, de grens’. Plaatsnaam Kampfort (-Akkers) in Tielen, (Provincie Antwerpen).

Cantillion, Cantillon, Cantilland, Chantillon: Verzwaarde vorm (door n-epenthesis) van C(h)atillon; vergelijk Nederlands rantsoen, van Frans ration. Zie Castillion. Zie ook Cantineau(x).

Cantin, Cantyn. 1. Plaatsnaam Cantin (Nord). 2. Verschrijving voor Picardisch Frans Quentin, Sint Quintinus. 3. Variant van Cattin (met n-epenthesis). 4. Zie ook Cantens.

Cantineau, Cantineaux, Cantinaux, Cantiniau, Cantiniaux, Cantinieaux, Cantinieau, Cantigneuax, Cantigneau, Cantigniau, Cantignieaux, Cantignieau, Cantinjaeu, Cantinjau. Moedersnaam, knuffelvorm van de voornaam Catin, een knuffelvorm van Catharina.

Cantinier. Waarschijnlijk variant van Cantinieau.

Canton, Cantoni. Oudfrans canton: hoek. Voor wie aan de hoek woont.

Cap, (de): Vlaams ook Cappe, Kappe. Middelnederlands cappe, Latijnse cappa‘(mantel)kap’. Bijnaam voor iemand die een kap draagt of beroepsbijnaam voor de maker van kappen. Vergelijk Cappaert.

Capelaere, Cappelaere. Afkomstig van Kappel. Zie van Cappel.

Capals. Limburgse familienaam. Duister.

Capan, Capanne, Capanna, Cappan: Italiaans capanna: hut. Naar de woonplaats. Franse familienaam Caban(n)e.

Capel, Cappel, Kapel, Chappel, Chapel, Capeel, Cappeele, Capeau, Capéau, Capiaux, Capiau, Cappiau, Capieaux, Capieau, Chapaux, Chapeaux, Chapeau. Naam uit het Oudpicardische capel, het Oudnederlandse capeel, het Franse chapeau: hoed, hoofddeksel. Beroepsbijnaam van de hoedenmaker of bijnaam (bijvoorbeeld voor de drager ervan).

Capellot, Capelot, Coplo. Afleiding van Picardisch capel; hoed.

Capelle, van, de van Cappelle, van der Capel, Cappellen, vande Kapelle, van de Caperles: Plaatsnaam Kapelle (Zeeland) of Kapelle-op-de-Bos, Vlaams Brabant. Ook verspreide plaatsnaam ter Capelle, Kapel(le) ‘kapel’.

Capelleman, Capellemans, Cappeleman, Cappelleman, Cappelman, Cappelman, Cappeleman, Capellman, Kapelman: 1. Beroepsnaam van de kapelmeester, opzichter over een kapel; of kapelaan. 2. Afleiding van Van de(r) Capelle.

Capello: Italiaans capello ‘hoed’. Beroepsbijnaam voor de hoedenmaker.

Capenberg, Capenberghe, Capenbergs, Capenberghs. Plaatsnaam Kapenberg in Mortsel (Antwerpen), Capenberg, Opwijk (Vlaams-Brabant) en Oostakker (1234 Capenberghe). 2. Plaatsnaam Kapenberg in Höxter (Duitsland) of Cappenberg in Selm (Duitsland). Ook Kappenberg in Bork (Munster).

Capet, Capette, Capé, Chappey, Chapey: Bijnaam: kapmanteltje, kapje.

Capiaumont, Capiomont: Plaatsnaam Chapeaumont, Chapeau-Mont, Quenast (Waals-Brabant).

Capier. Zoals de Franse familienaam Chapier. Beroepsnaam van de maker van kappen, kapmantels.

Capillon, Capilion. Afleiding van Oudfrans capel; hoed.

Capiot, Capiod, Capiio, Capio, Capyo. Afleiding van cape; kap of verschrijving voor Capiau.

Caplé, Capelet. Afleiding van Capel.

Capmaker, de de Capmaecker, de Capmaeker. Beroepsbijnaam voor de maker van (mantel)kappen. 

Capon, Capone Cappon, Caponio, Caponi, Chappon, Chapon, Cappon, Kapon, Cappoen, Capoen, Cappuyns, Capuyns: Daarnaast Vlaamse Capoen, Middelnederlands capoen ‘kapoen, gesneden haan, stakkerd, van deugniet, schurk’, van Picardisch capon, Oudfrans chapon.

Caporal, Caporale, Caporali, Korporaal: Frans caporal, van Italiaans caporale: korporaal, brigadier.

Capouet. Capou is een Zuidfranse variant van Capon.

Capouilliez, Capouillet, Capouillé, Capouillez: Afleiding van Franse familienaam Capoul, van Occidentaals capolar: in stukjes hakken. Beroepsnaam van de kok die gehakt maakt.

Cappaert, Cappart, Capaert, Capart, Caphaert, Kapper, Kappert: Bijnaam voor iemand die een kap draagt, bijvoorbeeld een kloosterling, monnik, broeder, ook uitgetreden kloosterling.

Cappe, Kappe, (de) Cap. Bijnaam voor een kapdrager of beroepsnaam voor de maker van kappen. Cappelle.

Cappel, van, Kappel. Familienaam uit de plaatsnaam Kappel (kappel), korte vorm van Sint-Janskappel, (Frans-Vlaanderen) Oostkappel en Westkappel (Frans-Vlaanderen)

Capello, Capelli Capellini, Capelletti, Capelletto, Capello, Capeli, Capelini Capelluto, Capelouto: Italiaans capello: hoed. Vergelijk Capel.

Capper, Cappers, Capers, Kapers, Kaper: Bijnaam voor de drager van een kap (vergelijk Cappaert) of Beroepsnaam voor de maker van kappen.

Cappucio, Cappuci, Capucci, Capuccio. Italiaans cappucio; kap. Bijnaam of beroepsnaam.

Capras, Caprasse, Caprace. Vadersnaam, Sint Caprasius, Frans Caprais.

Capron, Cappron, Caperon, Capront, Caproens,Craproen, Crapoen, Chaperon, Chapron, Chapiron, Chapeyron: Oudfrans chaperon, Picardisch capron van Middelnederlands caproen: muts, (mantel)kap. 1. Beroepsnaam van de kapmaker. 2. Bijnaam voor de drager van een kap, eventueel een zotskap. Denk aan de opstand van de Witte Kaproenen in 1382.

Caquant, Caquan, Caucamps, Cocamps, Coquant, Carcan, Carkan, Karkan: Plaatsnaam Cacamp en variant met epenthetische r.

Caqueue, Quaqueux, Cacqueux, Chaqueue, Schaqueue: Plaatsnaam Caqueue in Ogy (Henegouwen), Chatqueue in Seraing (Luxemburg).

Cara, Carra, Karra, Kara: Waarschijnlijk Waalse vorm van Carraud/Carreau.

Carabin, Karabin, Caramin. Beroepsnaam voor een lichte ruiter met een karabijn gewapend. 

Carafa. Italiaans caraffa; karaf. Beroepsnaam.

Caramin. Wellicht variant van Carabin, door wisseling b/m.

Carbon, Carbonne, Carbone, Corbonne, Charbon, Schabon: Picardisch carbon, Frans charbon: (houts)kool. Beroepsnaam van de kolenbrander, die houtskool maakt. Vergelijk Carbonnier.

Carbonel, Carbonnel, Carbonnelle, Carbonelle, Carbonez, Carboneel, Carboneil, Carbonneaux, Charbonnel, Charbonel, Charbonneau: Afleidng van Frans, Picardisch c(h)arbon: kool. Beroepsnaam van de kolenbrander. Vergelijk Carbon.

Carbonnet, Carbonez, Corbonné: Afleiding van c(h)arbon: kool. Beroepsnaam van de kolenbrander. Vergelijk Carbon-nel(le).

Carbot, Carbotte. Aferesis van escarbot: tor, kever. Bijnaam.

Carcassonne. Plaatsnaam, Aude.

Cardea, Cardeau, Cardia: Vadersnaam. Korte vorm van Ricardeau, van Ricard. Vergelijk Cardin.

Cardijn, Cardyn. 1. Zie Cardin. 2. Vadersnaam. Uit Conradin, vleivorm van de Germaanse voornaam Koenraad. Zo blijkt de familie Cardijn uit Halle af te stammen van de Italiaanse militair Corradini, die in de laatste jaren van de 16de eeuw militair gouverneur van die stad was.

Cardin, Cardijn, Cardyn, Cardinet, Cardini, Chardin, Carden: Vadersnaam. Korte vorm van Picardisch Ricardin, Frans Richardin, vleivorm van Ric(h)ard, de Germaanse voornaam Rijkaard.

Cardinael, Cardinaels, Cardinaal, Cardinaals, Cardinal, Cardinale, Cardinaud, Cardinaux, Cardinas, Chardinal, Kardinaels, Kardynal, Caerdinael, Cardenal, Cardenas, Cardeynaels, Cardeijnaels, Cardinael, Cardinal, Caerendael: Bijnaam naar de gelijkenis of het verband met een kardinaal. Vergelijk Bisschop. Of naar een huisnaam, bijvoorbeeld 1699 Au Cardinal, Luik.

Cardock, Plaatsnaam Caradoc (Herefordshire) of de erin besloten Britse voornaam Cradoc.

Cardon, Cardoen, Cardoens, Caridon, Chardon, Cherdon, Sardons, Sardon, Serdongs, Serdons1. Familienaam afgeleid van het Frans-Picardische c(h)ardon (nog herkenbaar in de groente kardoen): kardoen, kaarddistel. Frans chardon ‘kaarddistel, wolkam’. Beroepsbijnaam van de wolkammer of van de kaardenmaker. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Ricardon, vleivorm van Ric(h)ard, de Germaanse voornaam Rijkaard. 3. Zie ook Serdon.

Cardot, Chardot, Sardo: Vadernaam. Korte vorm van Ric(h)ardot, vleivorm van Ric(h)ard. Vergelijk Cardon.

Cardozo: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Ricardo.

Cardron, Chardron Chardeyron: Variant van C(h)ardon met gepersevereerde r.

Caré: Oudfrans, Frans carré ‘vierkant’. Bijnaam voor iemand met geblokte gestalte, of iemand die vierkant, brutaal zijn mening zegt.

Careel, Careels, Carel, Carelle, Carreel, Carrel, Queyrel, Cairel, Carreaux, Carreau, Carraud, Caraux, Carriaux, Cariaux, Carrio, Cario, Cariat, Caria, Lecareaux, Quaireaux, Quairieau, Quaireaux, Quaria, Quariat, Quéreaux, Kero, Kéro, Querio, Quero, Querriaux, Querriau, Quérriaux, Quériat, Queriat, Caira, Careelman, Coreelman. 1. Naam uit het Oudfranse carrel, het Franse carreau, het Middelnederlandse quareel: tegel, gebakken steen. Beroepsbijnaam van de tegelbakker. 2. Of beroepsnaam uit het Oudfranse carrel: schoeisel.

Carette. Familienaam uit het Frans-Picardische carette: kar of wagen. Beroepsnaam van de wagenvoerder.

Carière, Carrière, Cariere, Quairière, Quariere, Guerrière, Descarrière, de Carrière: Verspreide plaatsnaam (Nord, Wallonie): steengroeve. Naam voor de eigenaar van een steengroeve of voor een steenhouwer.

Careelman, Careelmont. Verhaspeling van Karreman?

Carelsberg, Carelsbergh. Plaatsnaam Carlsberg bij Grûnstadt, Duitsland.

Carème, Carême, Caremme, Careme, Quaremme, Quareme, Quaresme, Quareme, Quarenne: Oudfrans quaresme, van Latijn quadragesima: veertigste dag voor Pasen, vasten, (ook) vastenavond. Bijnaam, vergelijk Vastenavond. Ook als voornaam.

Carette, Carrette, Carret, Charette, Charret: Picardisch carette, Frans charrette: wagen, kar. Beroepsnaam van de voerman. Vergelijk Carre.

Carillon, Corrillon, Corillon: Beroepsnaam van de beiaardier, die het carillon bespeelt.

Caron, Carron, Caroen, Lecaron, Quéron, Cayron, Charron, Charon, Charont, Charbon, Sarron, Saron, Cheront, Cheron, Chéron, Cherron, Siéron, Cheronneaux: Beroepsnaam. Oudfrans/Picardisch carron, Frans charron: wagenniaker, voerman; Waals tchèron.

Caris, Karys, Karisse, Kairis, Keeris, Kerris, Keris, Kerres, Keres. Vadersnaam, verkorte vorm van de Griekse heiligennaam Makarios.

Carissimo, Carissimaux, Carrissemaux, Carissemaux, Carrissimo, Carissemou, Carrisemou: Italiaans carissimo: liefste.

Carité, Charité, Charite, Queritet, Sarite: Oudpicardisch caritet, Picardisch carité, Frans charité: liefde, liefdadigheid. Bijnaam. Vergelijk Engels Charity.

Carkers. Middelnederlands carker: kerker. Beroepsnaam van de gevangenbewaarder?

Carlaire, Carleer, Carler, Charleer. Vadersnaam: noordoost-Franse variant van Charlier. Zie hieronder bij Carlier.

Carlebur: Misschien de plaatsnaam Karlburg (Beieren).

Carles, Carless, Carlès: 1. E.ngelse familienaam Carless, Carelesse: zorgeloos. 2. Vadersnaam. Picardisch vorm voor Charle(s).

Carlier, Carli, Carliez, Carly, Callie, Callier, Callié, Callies, Calliez, Calier, Calié, Calie, Caliez, Caljé, Calje, Lecarlier, (le) Charlier, Charliers, Charlie, Chalier, Chali, Chaliez, Challier, Scharlier, Schallier, Schallie, Sarlie, Sarly, Serlier, Serlie. Naam uit het Oudfranse charlier en het Picardische carlier: wagenmaker of voerman. Beroepsnaam van de wagenmaker of voerman.

Carlison: Vadersnaam. Zoon van Karel.

Carlot, Carlo, Carloo, Chariot, Charelost, Chalot, Charloteau, Charloteaux, Charlotaux, Charlotiaux, Charlotiau, Charlteaux, Charloteau, Charlotiaux: Vadersnaam. Vleivormen op -ot(el) van de voornaam Charles, Picardisch Caries.

Carls, Carlsen, Carlsohn, Carlsson, Carlson: Vadersnaam. Zoon van Karel.

Carlton. Feéquente Engelse plaatsnaam Carl(e)ton uit Karlatûn: omheinde vesting (town, tuin, Zaun) van de vrije kerel.

Carlu, Carlus. Familienaam uit de plaatsnaam Carlus (Tarn), Carlux (Dordogne).

Carluccio, Carlucci, Carlozzi, Carlotti: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Carlo = Karel.

Carme, de, Carmen, Carmes, Carme, Lecarme, Lecanne, Lecane, Lekanne, Lekane, Lekaene: Bijnaam Frans carme, Waals cane, van came: karmeliet. Vergelijk Carmeliet. Zie ook Ducarme, Van Carmere.

Carmeau, Carmaux, Carmiau, Carmiaux, Quarmeau, Quermia, Quernia, Karmel: 1. Afleiding van Picardisch carme, Latijn carpinus: haagbeuk. 2. Eventueel van Quaremiaus, van quadragesima, quaresme, quarême; zie Carême. Picardisch quaresmel, carmiô(s) vastenavond.

Carmelez, Carmelet, van Picardisch carme: haagbeuk.

Carmejoole: Plaatsnaam Carmagnole (Piëmont).

Carmeliet, Karmelita: Bijnaam voor een pater karmeliet of ex-karmeliet. Vergelijk Kermer, De Carme.

Carmen. Moedersnaam. Spaanse voornaam naar de feestdag van Nuestra Sefiora del Carmen: Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel. Zie de Carme.

Carmere, van. Middelnederlands carmer: karmeliet. Hier wellicht: van de Karmel.

Carmichael, Carmiggelt: Schotse Plaatsnaam Carmichael in Lanarks. Brits ker; ‘fort, vesting’.

Carmois, Carmoy, Ducarmois: Picardisch Carmoit, van Latijn carpinetum: plaats waar haagbeuk groeit. Plaatsnaam in Zullik, Meslin-l'Evêque, Moustier-lez-Frasnes en Stambruges (Henegouwen), Bever (Vlaams-Brabant). vergelijk Carnoy.

Carmon, Ducarmon: Plaatsnaam Carmont in Couthuin (Luxemburg).

Carnail, Carnaille, Carneillie: Oudpicardisch carnaille: het geheel van spieren. Bijnaam voor een gespierde kerel.

Carnas, Carna, Carnat. Plaatsnaam Carnas (Gard?)

Carnawal, Carnewael, Carnewal, Carnuwal, Carnevale, Carnevali. 1. Veel voorkomende Italiaanse familienaam uit Carnevale. Ene Vincenzo Carnaval verhuisde in 1592 van Genua naar Antwerpen. Wellicht een bijnaam voor een fervent feestvierder. 2. Zie ook Cornewal. 

Carneillie. Wegens de a ligt een variant van Carnaille het meest voor de hand, maar een variant. van Corneille is heel goed mogelijk, vanwege de

onvaste voortonige klinker (vergelijk Carrin = Corijn, Carael = Corael).

Carnel, Carniel, Carneau, Carneuax, Carneaud, Carniau, Carniaux, Charnel, Charnelle, Charneau, Charniau, Charniaux: Oudfrans charnel, Picardisch carnel: bloedverwant, vriend.

Carnevale, Carnevalli, Carnevali, Carnovale, Carnovali: Italiaanse bijnaam. Vergelijk Vastenavond. Ook voornaam, Carnevalis del Bene, Brescia.

Carnie, Carnier, Charnier, Charni, Karnier, Karny, Lécharny: Picardisch carnier, Oudfrans charnier: slager; ookslagerij, vleeshuis. Beroepsnaam.

Carnonckel, de, de Carnonkel, (De)carnoncle: Verhaspeling van een onbegrepen naam. Waarschijnlijk een plaatsnaam. Hypercorrect voor Quaregnon (Henegouwen)?

Carnotensis. Afkomstig van Chartres (Eure-et-Loir): 1127 Carnotum.

Carnoy, Carnoye, Ducarnois, Canoy, Cannoo, Cano, Carnotte, Carnot, Cannot, Cannoodt, Cannoot, Cannooo, Canoot. Familienaam uit de plaatsnaam Carnoy (uit het Latijnse carpinetum: haagbeukenbosje). Zie ook Cannois. Plaatsnaam in Bossuit (West-Vlaanderen).

Caro: Spelling voor Picardisch Carot, Frans Charot, verkleinvorm van car, char ‘wagen’. Beroepsbijnaam van de voerman.

Carol, Caral: Vadersnaam. Carolus, Latijnse vorm van de Germaanse voornaam Karel

Carolus, Caroli, Carol, Caroly, Carollo, Carolo. Vadersnaam uit Carolus, de Latijnse vorm van de Germaanse voornaam Karel.

Caron: Beroepsnaam. Oudfrans/Oudpicardisch carron, Frans charron ‘wagenmaker, voerman’.

Carot, Caro, Carroot, Karro, Karo, Charot, Sarot, Saro, Sarro: Picardisch, Franse afleiding van car/char: wagen. Beroepsnaam van de voerman.

Carous, Caroes. Variant van de Zuid Franse familienaam Carroux: wagenmaker.

Caroy, Carroy, Carroys: Picardische vorm van Franse charroi: wagenvervoer, wagen. Beroepsnaam voor de voerman. Of voor de ploeger, zoals Caroyer.

Caroyer, Caroyez, Carroyer, Carruyer, Carrouhy, Carouhy, Carouy, Karoui, Carovis, Cheruwier, Chéruwier, Cheruvier, Chéruvier, Cherruy, Cheruy: Beroepsnaam. Oudpicardisch caruier, Oudfrans cheruwier: landbouwer, van ploeger. Afleiding van Frans charrue: ploeg.

Carp, Carpe, Karp, Karpe, Karpen: Bijnaam. Frans carpe: karper. Vergelijk De Kerpel, Carpiaux.

Carpent. Oudpicardisch carpent: timmerwerk, gebint. Beroepsnaam van de timmerman. Vergelijk Carpentier. Of Waalse hypercorrecte verschrijving voor Carpin?

Carpentier, Carpentiez, Carpantier, Cerpentier, Charpentier, Scharpentier: Beroepsnaam. Picardisch carpentier, Frans charpentier ‘timmerman’.

Carpiaux, Carpeaux, Carpeau, Carpay, Carpaij, Carpreua, Carpreaux, Carpréaux, Carpréau, Carpriaux, Carpriau, Carpriéaux, Karpiel, Capreaux, Capriau, Copriau, (de) Caprio: Afleiding van Frans carpe, Oudpicardisch carpre: karper. Vergelijk Carpe, De Kerpel.

Carpin. Afleiding van Oudfrans, Frans carpe: karper. Vergelijk Carpiaux.

Carpreau: Uit carprel, verkleinvorm van Oudpicardisch carpre ‘karper’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Carre, Caer, Caere, Karre, Kerr, Kerre: Beroepsnaam van de voerman.

Carré, Carrée, Carree, Carret, Carrez, Carrey, Caré, Carez, Cares, Carey, Carey, Careje, Quarré, Quaré, Quarez, Quéré, Queré, Quère, Kairet, Kerré, Cayré, Lequarré, Lecarré, Lacarré: Oudfrans carré, quareit, Frans carré: vierkant. Vergelijk De Viercantte. Bijnaam voor iemand met geblokte gestalte, of iemand die vierkant, brutaal zijn mening zegt.

Carreer, Carrer, Carer, Carrere, Chareyre: Noordoostfranse ontwikkeling van -ariu tôt -eir, -er; vergelijk Carlaire. Variant van Carrier.

Carrier, Carriers, Carier, Carrie, Cary, Quairier, Querier: 1. Beroepsnaam. Frans carrier: steenhouwer. Soms variant van Carrière. 2. Picardisch carrier: voerman. Zie Charier.

Carrière: Verspreide plaatsnaam (Nord, Wallonië) met betekenis ‘steengroeve’. familienaam voor de eigenaar van een steengroeve of voor een steenhouwer. In 1454 bezit Jehan Quairière een steengroeve in Ecaussines (Henegouwen).

Carrin, Carin, Caryn, Carijn, Carein, Carreyn, Quaring, Quarin, Kerryn, Kerrijn, Carens, Karen, Corrin, Corin, Corain, Kooring, Corijns, Corijn, Coryn, Coryns, Corijnen, Coreynen, Corynen, Corryn, Corrynen, Corrijn, Corrijnen, Correynen, Creins, Creyns, Cryns, Creijns, Crijns, Crine, Crins, Creyne, Crynen, Crijnen, Kryn. Krynen, Krij, Krijen, Krijn, Krijns, Kriens, Krins, Kreynen, Creyne, Kreins, Krein, Kreings, Kringhs, Krings. Vadersnaam uit de heiligennaam Quirinus (Korijn is de West-Vlaamse vorm van Quirinus).

Carroen, Caron, Caroen, Lecaron, Quéron, Cayron, Charron, Charont, Charon, Charhon, Sarron, Saron, Cheront, Cheron, Chéron, Cherron, Siéron, Cheronneaux. Beroepsbijnaam uit het Oudfranse carron of het Franse charron: wagenmaker, voerman.

Carruet. Afleiding van Picardisch carue: ploeg. Zie Charue.

Carruthers. Plaatsnaam. Dumfriesshire.

Carsten, Carstens: Vadersnaam. Carsten is een variant van Kersten. van heiligennaam Christinus, verkleinvorm van Christianus of Christus.

Carsau, Carsauw, Cassauw, Cassauwers: Plaatsnaam Karsau (Duitsland).

Cartage, Cartache, Courtauche: Oudfrans quartage: meting, recht om het zout te meten. Beroepsnaam van de zoutmeter.

Carte, Carthé, Carté, Quartey: Oudfrans quarte: inhoudsmaat (kwart), vloeistofmaat (twee pinten). Vergelijk Cartel. De vorm Cart(h)é is waarschijnlijk afleiding vam quartet, maar ook samengetrokken zijn uit Carité.

Cartel, Cartia, Cartiaux, Carta: Oudfrans quartel, Middelnederlands quarteel, carteel: korenmaat (1/4). Beroepsnaam.

Carter: Engelse beroepsnaam, van Picardisch-Normandisch cartier ‘voerman’.

Carteron. Oudfrans quarteron: vierendeel (1/4 pond); ook wijnmaat. Vergelijk Vierendeel.

Carteus, Carteur, Kerteux: Bijnaam voor een kartuizer of iemand die zo ascetisch is als een kartuizer. Carteur is hypercorrect.

Cartier (de), Quartier, Quarteer, Quertier, Querter, Lequertier, Charetier, Chartier, Carty. Naam uit het Oudfranse c(h)arretier: voerman. Beroepsnaam. 

Cartigny, Cartignies: Plaatsnaam Cartigny (Somme), Cartignies (Nord).

Cartilier, Cartillier. Afleiding van Oudfrans quartel: inhoudsmaat (1/4), korenmaat. Beroepsnaam van de gezworen (koren)meter. Variant van Franse familienaam Cartelier, Cartheillier.

Carton, Charreton, Charton, Chariton, Querton, Cherton, Sertons, Serions: Beroepsnaam. Picardisch car(re)ton, Frans char(re)ton ‘voerman’.

Cartreul. Picardisch Cartreux, Frans chartreux: kartuizer. Vergelijk Carteus.

Cartuyvels, Cartuijvels: Limburgse familienaam. De oudste vorm, namelijk Cortuvel, kan het best als 'kort uvel' worden ontleed. Oudnederfrankisch uvel = Middelnederlands ovel, euvel, evel, Nederlands euvel, Duits ùbel: kwaad, slecht; kwaal. Bijnaam: korte kwaal?

Caruso, Carusone, Carusu, Carussi, Caruzzi. Italiaans caruso; jongen, knecht, boerenknecht.

Carvalho, Carwalho, Carvalheira: Plaatsnaam. Spaans Carballo, dialect carvallo, Portugees carvalho: eik.

Carver, Carvers, Carvels, de Kervel, de Kelver, Kelvert, Deckelver. 1. Afleiding van het Middelnederlandse carven: cerven. Beroepsnaam voor de kerver, die op de kerfstok kerft, die de boete bepaalt, die de belasting bepaalt. Wellicht ook de beeldsnijder. Vergelijk Kerfyser, De Kerf, Duits Kerber, Engels Carver. Let op de dissimilatie r/l en de klankverandering in Kelver, zoals in Engels Calver, van Carver en Brits kelver, van kervel 2. De familienaam is in de 19de eeuw verward met Ceurvels (familienaam uit de plaatsnaam Keurvels in Kontich, Lint en Boom.

Carville. Plaatsnaam, Seine-Mar., Calvados.

Carvin, (de) Kervyn, Kervijn, Kervine, Carwin, Kerwyn, Kerwijn: Plaatsnaam Carvin (Pas-de-Calais).

Cas, Casse, Case, Caese, Kas. Vadersnaam verkorte vorm van Nicasius.

Casaer, Casaert, Casa, Cassaert, Cassaer, Cassard, Cassar, Cassart, Quassaert, Quassart, Kassar. 1. Vadersnaam uit de Griekse heiligennaam Nicasius. 2. Of beroepsbijnaam van een bakker uit de oude gebaksnaam: Kassaerd.

Casagrabde, Casagrande. Italiaanse plaatsnaam; groot huis.

Casal, Cazal, Chazal, Zuidfranse en Spaanse afleiding van Casa.

Casanova, Casanovas, Cazanove, Chazanova: Italiaanse plaatsnaam: nieuw huis.

Casback, Kasbach, Cachbach: Plaatsnaam Katzbach (Beieren).

Casembroot, de: Plaatsnaam. 1514 Casenbroot, naam van een redoute bij Oostburg (Zeeuws-Vlaanderen). Vergelijk Duits Käsundbrot. Zie ook Wynenbroot.

Casert, Caserta, Cassert. Italiaanse familienaam uit de plaatsnaam Caserta in Campanië.

Caset, Cazet, Cazé, Casset, Casette, Cassez: Vadersnaam. Afleiding van Sint Nicasius.

Casetta: Door assimilatie rt van tt uit Caserta, van casa; huis, de plaatsnaam Caserta in Campanië (Italië). 1297 Aczo Casertanus (bisschop van Caserta, Frans Caserte).

Casier, Casiers, Kasier, Kasiers, Cazier, Casie, Casiez, Casy, Cazy, Cassier, Cassiers, Cassir, Chasier, Chazy. Familienaam afgeleid van het Oudfranse casier: kaashandelaar, kaasmaker. Beroepsnaam.

Casimir, Casiemier, Kasimier, Kasimir, Kazimierczak, Kazimierzak, Kazmierczal, Kazmirczak, Kazmirzak: Vadersnaam. Poolse Sint Casimir(us).

Casio, Casselo: In Pas-de-Calais komen in 1820 Casseloote en Casteloot voor. Wellicht van Casselot, van Ca(r)steloot; zie Kesteloot.

Casneuf, Casenave, (de) Cazenave, Cazeneuve, Cazeuneuve: Oudfrans case: landhuis + neuf: nieuw. Plaatsnaam Nieuw Huis. Vergelijk Casanova.

Casparie: Spelling voor Caspari. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Caspar, een van de drie koningen.

Casseel, Cazeel, Cazeaux, Cazaux, Caziaux, Casseau, Caussiau, Caussiax, Cassauwers, Carsau, Carsauw. 1. Vadersnaam (knuffelvorm) afgeleid van de heiligennaam Nicasius. 2. Mogelijk ook afgeleid van de plaatsnaam 'case' = huis.

Caspeele, van de. Plaatsnaam. Middelnederlands kerspel, karspel: kerspel, parochie.

Cassagne, Cassagnes, Cassan: Plaatsnam Cassagne (Dordogne, Hte-Garonne, Aveyron, Lot, Pyr.-Or.) of Cassaigne (Aude, Gers), Cassaignes (Aude) van Latijn cassanea: eikenbosje. Vergelijk Chassagne.

Cassalette. Wellicht Middenfrans casselette: kistje voor waardevolle voorwerpen.

Cassasus, Casasus, Cazassus: Variant van Zuidfrans Casadessus: huis daarboven.

Cassaubon. Plaatsnaam Cazaubon (Gers). Occidentaals Cazalbon: casal bon: goed huisje.

Casse. 1. Middelnederlands cas(se): kist of kast, vooral voor relikwieën of geld. West-Vlaams kasse: persoon die rondloopt met een kas op de rug om kleine waren te verkopen. Beroepsnaam van de cassenaer: bedelmonnik die met relikwieënkistjes rondliep of marskramer. Vergelijk Cassenaer. 2. Zie Cas.

Casseel, Cassel, Casel, Cazeel, Cazeaux, Cazaux, Caziaux, Casseua, Caseau, Coussiaux, Caussiau: 1. Vadersnaam van Sint Nicasius. 2. Plaatsnaam, afleiding van case: huis, bijvoorbeeld Ferme du Cazeau in Froyennes (Henegouwen)

Cassel, Kassel: 1. Vadernaam van Nicasius. Zie Casseel. 2. Korte vorm voor Van Cassel.

Cassel, van. 1. Plaatsnaam Kassel (Frans-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Kassel, Duitsland.

Casselman, Kasselman: Herkomstnaam van de Kasselaar, afkomstig van Kassel. 1. Plaatsnaam Kassel (Frans-Vlaanderen). 2. Kassel (Duitsland).

Casseman, Cassiman, Cassimans, Cassimon, Cassimons, Kasman, Casman. Afgeleid van het Middelnederlandse casse = kist, kast, relikwieënkast, geldkist. Beroepsnaam van de cassenaer : bedelmonnik of marskramer.

Cassenaer. Ook Nederlands Kassenaar, Beroepsnaam van de man die met een casse rondliep, een bedelmonnik of marskramer. Vergelijk Casse, Casseman. Is Carsenaer hypercorrect of oorspronkelijk? Dan eventueel uit Duits Karchner, Kirchner: koster.

Casserie, van de. Plaatsnaam Caserie: stel samenhorende woningen. Caserie bij Celles (Henegouwen).

Casseyen, Casières, Casieres, Casleris, Casiries, Casires, Cassiere: Oudfrans casière: kaasmakerij. Vergelijk Casier(s).

Casseyen, van der, van de Caseyde, Calseyde, Calseijde, van de Cassye, Casseye, van de Caseyn, van de Casyn, van der Cassyen, van de Catseye, Catseyen, Catseyn, Catseyne, Catsye, Catseyen, Catsijen, Castseij, Catsijne, Catsyne, Van de Katsey. Naam uit de plaatsnaam ter Calseide (Picardisch cauchee, Frans chaussée: plaats waar kasseien liggen). Varianten van deze naam komen onder andere voor in Komen, Moorsele, Waasten, Adegem. 

Castaigne, Castagne, Castagne, Castanie, Korstanje, (van) Corstanje: Plaatsnaam. Picardisch casta(i)gne, Frans châtaigne: kastanje(boom).

Castado, Castadot. Middenfrans castadot: pionier, soldaat.

Castagna, Castagnaro, Castagne, Castagnera, Castagnetti, Castigni, Castagnini, Castagnino, Castagno, Castagnola, Castenetto: Italiaans castagna: kastanje.

Castain, Castaing, Castin, Castan, Chastin, Chastang, Châtain, Châtinn: Picardisch castain, Frans châtain: kastanjebruin. Bijnaam. Of eventueel gedemouilleerde vorm van Casta(i)gne.

Castan. 1. Vadersnaam. Variant van de voornaam Gaston. 2. Variant van Castaing.

Castaneda, Castanheta: Spaanse, Portugese plaatsnaam: plaats met kastanjebomen.

Castanheira. Portugese plaatsnaam: plaats met kastanjebomen.

Castano, Castanon. Spaans castano; kastanje.

Casteele, van de(n), van de Casteel, van de Kasteele, van de Castel, van Castelle, van der Casteelen, van de Castecle. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Kasteel.

Casteele, van de, den, van de Casteel, van de Kasteele, van de Castel(le), van de Casteelen, van de Casteele: Verspreide plaatsnaam Kasteel.

Castegnier, Chastanier, Chastagner: Oudpicardisch castegnier, Oudfrans chastaignier: kastanjeboom. Plaatsnaam.

Castel, Castell, Castelle, Kasteel, Casteel, Casteele, Casteels, Castiels, (de) Catel, Catelle, Cattel, Cattell, (de) Cattelle, Casteau, Castiaux, Castau, Castieau, Cattiau, Cattiaux, Catiau, Catieau, Catteau, Catteaux, Cateau, Cattaux, Catteauw, Quateau, Catteeu, Catteuw, Catteuw, Kattouw, Chastel, Châtel, Chattel, Chatelle, Château, Chateau, Chateaux. Oudpicardisch castel, Oudfrans chastel, Frans château ‘kasteel’. Bijnaam voor de kasteelbewoner of voor iemand die in de buurt van een kasteel woont.

Castelain, Castellain, Casthelain, Cathelain, Castelein, Casteleyn, Castleyn, Casteleijn, Casselein, Kastelein, Kasteleyn, Kasteleijn, Kastelyn, Kastelijn, Castellin, Castelin, Castelyn, Castelyns, Castelijn, Castelijns, Kesteleyn, Kesteleijn, Kestelijn, Kestelyn, Kestelin, Cesteleyn, Castellan, Catellan, Cateland, Cattelain, Catelain, Cattelein, Catelein, Cattelin, Catelin, Catelyn, Catelyns, Cathelin, Catlin, Catelijn, Cathelijn, Cathelijns, Cathelyn, Cathelyns, Katlin, Châtelain, Châtelin, Chattlain, Chateleyn, Chatteleyn, Chattelin. Familienaam uit kastelein, uit het Picardische castelain, het Oudfranse chastelain: kasteelheer, slotvoogd, plaatsvervanger van de heer en later ook herbergier.

Castelberg, de. Huisnaam Kasselberg in Brugge en St.-Omaars. De heuvel waarop Kassel (Frans-Vlaanderen) gebouwd is. Plaatsnaam in Steenvoorde.

Castelet. Afleiding van Oudpicardisch castel: kasteel. Le Châtelet is een bekende plaatsnaam. Vergelijk Duchatelet.

Castellano, Castellan, Castellani, Castellana, Castellanos. Romaamse vormen van Latijn castellanus: kastelein, kasteelheer.

Castelman. Afleiding van plaatsnaam Castel in Attenhoven, Tienen, Zoutleeuw (Vlaams-Brabant). Vergelijk Casselman.

Castemiller, Castenmiller: Ontrond uit Duits Kastenmüller ‘molenaar die maalt voor de Kasten of graanschuur, tiendschuur’.

Caster, (van), van Kaster, van Kaester, van Caester, Castre, van Casteren, van Kasteren, van Calster, van Calsteren, Vercalsteren, Kolsteren, Casterman, Castermans, Castermane, Castermant, Castreman, Castremanne. 1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Kaster/Caster (diverse plaatsen). 2. Zie ook Calster en Calsteren.

Casteren, van, van Kasteren: Plaatsnaam Kasteren heette eerder evenwel Kirckasterle en Casterlo. Variant van Van Caster?

Casterman, Castermans, Castermanne, Castermant, Castremanne, Castreman: Afleiding van Van Caster.

Castiglia, Castiglione, Castiglioni. Afleiding van Italiaans Castelli; kasteel.

Castillion, Castillon, Chatillon, Catillon, Cattellion, Chattelion, Chatelion, Ducatillion, Ducatillon, Ducattillon, Du Castillon, Dechatillon: Oudfrans chastillon, Picardisch castillon: klein kasteel. Verspreide plaatsnaam, onder meer Castillon (Namen), Catillon-sur-Sambre (Nord). Omstreeks 1300 was Jacques de Châtillon landvoogd in Vlaanderen.

Catille. Bijnaam. Picardisch catille; twist.

Castricum, Castrikum, Kastercum. Plaatsnaam Castricum, Noord-Holland.

Castrique, Castricque, Castryck, Castrijck, Casterick, Castrickx, Catrycke: 1. Plaatsnaam Questrecques (Pas-de-Calais). 2. Variant van Le Castrée.

Castro (de), Castri, de Castri, lo Castro, li Castri, li Castro. Spaans-Portugese-Italiaanse-Joodse naam uit de veel voorkomende naam Castro: kasteel, versterking, burcht, legerplaats. Naar plaats van afkomst, bewoning.

Castrunuovo, Castronovo. Italiaanse plaatsnaam; nieuw kasteel. Vergelijk Neufchâteau.

Castrop, Costrop. Plaatsnaam Castrop, Duitsland.

Cat (de), De Cadt, (de) Kat, Katte, De Catte, Cats, Kats, Kets, Kadz. 1. Bijnaam naar de eigenschap van lenigheid/valsheid. 2. Bijnaam naar de huisnaam 'De Cat' of ' In de Cat'.

Catrij: Ook Catry, Catrie. Korte vorm van Oudfrans cocatris ‘krokodil, draak (fabeldier)’. 14de eeuw Catris, Caterie.

Catshoek, Cashoek, Kaashoek: Plaatsnaam Katshoek, zuidoostelijk van Kats (Zeeland). Cashoek door assimilatie (ts van s), Kaashoek door volksetymologie.

Castus. Latinisering; kuis. Vergelijk Castulus.

Casus. Vadersnaam. Variant van Casis, verkorte vorm van Nicasis, de heiligennaam Nicasius.

Cat, de, de Cadt, (de) Kat, (de) Kadt, Katte, de Catte: 1. Bijnaam naar een eigenschap (lenigheid, valsheid) van de kat. Vergelijk Dhondt. 2. Bijnaam naar de huisnaam.

Catel, Catelle, Decatel, Decatelle, (de) Cattelle, Cattell, Cattel, Cattle, Katiel: 1. Oudfrans c(h)atel, van Latijn capitale, Engels cattle, Middelnederlands cateel, cateil: stuk vee, roerend goed. 2. Zie Castel.

Catfolis. Catefolie. Misschien zinwoord uit Oudfrans catir, quatir. verbergen en faillie: loof, gebladerte. Bijnaam voor een landloper, vergelijk Sluphaghe.

Catoir, Catoire, Cattoire, Cattoir, Cathoir, Cotoire, Cathoor, Catoor, Cattoor, Cattoors, Cator, Catthoor, Descatoire, Descatoires, Decatoire, van de Cantoore: Oudfrans catoire ‘bijenkorf’. Beroepsbijnaam van de imker. Ook plaatsnaam.

Catoul, Catoulle, Cattoul: Moedersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Catharina.

Catrels, Cattrel, Catereels, Quatereel: Caterel, variant van Oufdrans couterel. Zie Coutereel(s).

Catry, Cattery, Catty, Cathry, Catrie, Catrix, Chatry, Cartry, Carthery. Familienaam uit de verkorte vorm het Oudfranse cocatris: draak (fabeldier), krokodil. Bijnaam of naar huisnaam.

Cathenis, Kathenis: 1. Plaatsnaam Cattignies in Pecq (Henegouwen). 2. Zie Kettenis(z).

Catherin, Catherine, Caterin, Caterina, Catrain, Catrin, Cattarain, Cathelain, Cathelin, Cathelyn, Cathelyns, Cathelijn, Cathelijns, Catelin, Catlyn, Catlyns, Catlijn, Catlin, Katlin, Cathelineau: Moedersnaam. Griekse heiligennaam Catharina, een van de populairste meisjesnamen in de middeleeuwen. Katelijne door wisseling van de liquidae l/r. Trynes, Tryneke, Trynekens, Trines, Trienekens zijn afleiding van Catharina.

Carthuyser. Bijnaam van de kartuizermonnik, of de ex-kartuizer. Vergelijk Karthauser, Carteus.

Catin, Cattin, Cattyn. Moedersnaam. Vleivormen van de voornaam Catherine.

Catinus, Katinus: Latinisering van Catin.

Catsberg. 1. Plaatsnaam Katsberg in Berten (Frans-Vlaanderen) en Godewaarsvelde (Frans-Vlaanderen). 2. Maar de Limburgse familienaam Catsberg zal wel teruggaan op de plaatsnaam Katsberg in Nederlands Limburg.

Cattaert. Afleiding van Middelnederlands catte: kat. Bijnaam.

Cattebeke (van). Naam uit de plaatsnaam Kattebeek in Bellegem (West-Vlaanderen), Anzegem, Deerlijk (Oost-Vlaanderen) of Kersbeek (Vlaams-Brabant).

Catteloin. Plaatsnaam blijkens: 1460 de Kateloin, Aubigny. Of variant van Cattelain of Cattellion?

Cattendijck, van, Cattendyck. Plaatsnaam Kattendijke (Zeeland), Kattendijk in Antwerpen (Antwerpen), Handzame, Oedelem (West-Vlaanderen) en St.-Margriete (Oost-Vlaanderen).

Cattenstadt, Catenstad, Cartenstart, Cartenstadt, Cartenstat, Carstentaet: Plaatsnam Cattenstedt (Duitsland) of Kathenstedt (Duitsland).

Cattermole. Engelse familienaam (Londen), ook Cattermoul. Wellicht uit Frans Quatre Moles: vier molens. Kan een plaatsnaam zijn, vergelijk Quatre-Moulins in Pecq (Henegouwen).

Catteville. Plaatsnaam, Manche.

Cattier, Cattie, Cattiez, Catty, Caty, Cathy, Canty, Kenty, Kentie: Frans Cat(t)ier, van Cathare, van Grieks katharos: ketter; vandaar Luiks-Waals catî: vagebond, landloper. Canty met n-epenthesis.

Cattoen, Cotoen, Caton, Katoen, Cathoin: 1. Oudpicardisch caton, Oudfrans chaton: jonge kat, katje. Bijnaam. Vergelijk Frans Chato. 2. Moedersnaam. Vleivorm van de voornaam Catharina.

Caulaert, Cauwelaert, van. Plaatsnaam Koude Laar: koude, verlaten laar. Plaatsnaam, 1271 Coudelaer in Wommelgem (Antwerpen), Couwelaar in Deurne (Antwerpen). Couwelaar of Kouwelaar in Bavel en Ginneken (Noord-Brabant).

Caubergh, Cauberg(van), Cauberghe, Cauberghs, Caubergs, Caubergts, Cauwberghs, Cauwbergs, Couwberghs, Couwbergs, Coubergs, Kaldenberg, Caldeberg, Caudenbergh, Caudenberg, van Kaudenberg, van Caudenberg, van Cautenberg, Kouwenbergh, Kouwenberg, van Couwenberg, Couwenberghe, Couwenbergh, Couwenberg,Couwenberghs, Couwenbergh, Van Kovenberghe, van Cowenberghe, Cowenbegh, (van) Cauwenberghe, Cauwenbergh, Cauwenberg, (van) Cauwenberghs, Cauwenbergs, Kauwenberghs, Kauwenberhs, Kauwenberghs, Kauwenberhs, Kauwenberchs, van Cauwemberg, Cauwenberghe, Cauwenbergh, Vancauwenberghe, van Kavemberg, van Canvenberghe, van Canverberghe, Coebergh, Cobergh, Koeberge, Kaembergs, van Camberg, Cambergue, Camberge, Caenberghs, Cabergs, Caberg, Caberghs, Caeberghs, Caebergs, Kaberghs, Kabergs, Caeynbergh, Caeenberghs, Cayenbergs, Caeyberghs, Caeybergh, Caeybergts, Cayberghs, Caybergts, Kayembergh, Kayeberg, Kayenbergh, Kayebergh, Kaeyenbergh, Kaijebergh,. De plaatsnaam 'Koudenberg' komt op zeer veel plaatsen voor (Brussel, Ninove, Nukerke, Pervijze, Zarren, Schelle, Hoeselt, St.-Blasius-Boekel, Molenstede, Lanaken, Diepenbeek, Maastricht,..). Vandaar dat de familienaam verspreid over België in veel variaties voorkomt (kaat = koud of verlaten).

Caucheteur, Caucheteux, Causcheteux, Chausteur, Causteur, Caustur, Casteur, Cocheteux, Cochteux, Cousteux, Costeur, Costeux: Beroepsnaam van de kousenmaker. Vergelijk De Cousemaker.

Cauchie, Cauchies, Cauchi, Cauchy, Decauchy, Caussy, Couchie, Cochie, Chaussée, Chaussy, Chaussis, Lachaussie, Duchaussée: Plaatsnaam. Oudfrans chalcie, Picardisch cauchie, Frans chaussée: straatweg, Zuid Nederlands. kassei. Vergelijk Van de Calseyde. La Cauchie is een plaatsnaam in Komen en Waasten en frequent in Pas-de-Calais, ook Cauchy (Pas-de-Calais).

Cauchois. Afkomstig van het land van Caux in Normandie.

Caudmont. Plaatsnaam Caumont (onder meer Aisne, Pas-de-Calais): kale berg, in Amengijs, Gallaix en Maulde (Henegouwen). Vergelijk Chaumont.

Caudrelier, (de) Caudrelier, Caudelier: Beroepsnaam. Oudfrans caudrelier: ketelslager. Vergelijk De Ketelaere.

Caudron, Caudront, Coudron, Coddorn, Codron, Codrons, Chaudron, Calderon, Calderone, Kalderon, Cadron, Gaudron, Gadron, Caudront, Codron.

Beroepsnaam uit het Picardische caudron, Frans chaudron; ketel; ketelsmid, ketellapper.

Caudry. Plaatsnaam Caudry (Nord).

Caufrier, Cauffrier, Caufriez. Beroepsnaam van de kalkbrander, eigenaar van een kalkoven. Picardisch Caufourier, Frans chaufournier.

Caule. Wellicht spelling voor Coole.

Caulet, Caulleit, Caullet. Afleiding van Oudpicardisch cals, caus: kalk. Beroepsnaam van de kalkbrander, kalkmaker. Vergelijk Caulier.

Caulier, Caulie, Cauliez, Caullier, Caulliez, Cauwelier, Couwelier. Familienaam uit het Picardische caulier: kalkmaker. Beroepsnaam. Zie ook Cavelier.

Caumartin, Camertijn, Camertyn, Cambertin, Cambretin: Plaatsnaam Caumartin (Somme).

Caupain, Caupin: Picardisch caud pain, Frans chaud pain: warm brood. Bijnaam.

Caure, Core: Plaatsnaam. oudfrans caure, van Latijn corylus, colurus: hazelaar.

Caurette, Corette, Corete, Coret, Corrette. 1. Naam uit Caure, dit uit het Oudfranse caur, van Latijnse corylus: plaats waar hazelaars groeien. 2. Variant van Carette: zie daar.

Caus: Vlaams ook Cousse, Causse, Kousen. Beroepsbijnaam van de kousenmaker. Middelnederlands couse, cause, van midden Latijn calcia, Picardisch cauce, Oudfrans chauce ‘beenbedekking of broek, kousen, schoenen’.

Causin, Caussin, Caussain, Caussyn, Causyn, Causijn, Calsyn, Calsijn: Frans Cahorsin, van plaatsnaam Cahors (Lot). Meestal in de betekenis van Middelnederlands cahorsijn, cauwersijn: geldschieter, woekeraar.

Causbroeck, van, van Causbrouck, van Causenbroeck, Kousbroeck en de Brabantse dialectvariant Van Caesbroeck. Naam uit de plaatsnaam Cousbrouck (wellicht ergens op de grens Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant). Dit uit kalwa? + broek.

Causijn: Caussin, van Frans Cahorsin, van plaatsnaam Cahors (Lot). Meestal in de betekenis van Middelnederlands cahorsijn, cauwersijn ‘geldschieter, woekeraar’.

(van) Cauter, Van de Cautere, van de Cautère, van de Kauter, van Cauter, van Cauteren, van Couter, van Couteren, van Kouter, van Kouteren, van Kauter, van Kauteren, van Caeter, Verkauter, Verkouter, Vercauter, Vercautere, Vercauteren, Vercautter, Vercouter, Vercoutere, Vercoutteren, Vercouteren, Vercoutter, Vercouttere, Vercoustre, Vercoutre. Plaatsnaam Kouter: bebouwd land, akker, van Latijn cultura. Verspreide plaatsnaam.

Cauwe, Caauwe, Kauw, Kouwen, Cauwel, Cauwels, Couwel, Couwels. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse cauwe: kraai, bijnaam (haarkleur, stem?) of huisnaam. 2. Cauwe, cuwe, keuwe komt ook uit het Oudfranse cuve: kuip. Beroepsbijnaam van de kuiper.

Cauwegom. Naam uit cauwe ( = ton, kuip, vat of koude, verlaten laar) + heim. Naam naar de woonplaats of beroepsbijnaam van de kuiper.

Cauwel, Cauwels, Couwel, Couwels. Afleiding van Cauwe.

Cauwelaars, Cauwelaers. 1. Bijnaam Kauwelaar, afl. van kauwelen, frequentatief van werkwoord kauwen: langzaam en langdurig kauwen, met lange tanden eten. Vergelijk West Vlaams kneeuwelen. 2. Korte vorm voor Van Cauwelaert.

Cauwen, van, Plaatsnaam Ten Kouden/Kouwen: koude, aan de wind blootgestelde plaats, verlaten plaats. Coude is de oorspronkelijke naam van Koudekerke (Frans-Vlaanderen). Ook plaatsnaam Couden, in 1655 Coudeheyde, 1456 Coude heyde, in Moorsele (West-Vlaanderen).

Cauwelaert, van, Caulaert, van. Familienaam uit de plaatsnaam Laer: koude, verlaten laar. Komt op diverse plaatsen voor.

Cauwer (de), de Couwer, Kouwer, de Cauwere, de Cauwert, de Cauwers, Covers, Kauer, Cauwert, Cauwerts, Kauert, Kauertz. Beroepsnaam voor kuiper, afgeleid van het Middelnederlandse cuwe of cauwe = ton, kuip, vat.

Cauwera, Caura. Bijnaam voor iemand die snel kauwt. Een rappe eter dus. 

Caux, Decaux, Cau, Kaux: Plaatsnaam Caux (onder meer Somme). Ook het land van Caux in Beneden-Normandië.

Cerenne, Cavrenne, Cavraine: Plaatsnaam Cavraine in Furfooz (Namen).

Cavalier. 1. Beroepsnaam. Frans cavalier: ruiter, bereden krijgsman. 2. Reïnterpretatie van Cavelier.

Cavelier, Caveliers, Cauwelier, Couwelier. Familienaam uit het Oudfranse chevelier: keldermeester. Beroepsnaam. Zie ook Caulier.

Cavenaile, Cavenaille, Cavenel, Cavenelle, Gavenelle: Wellicht plaatsnaam Couvenaille, bijvoorbeeld in Slins (Luxemburg) van Latijn communalia: algemene grond, gemene weide. Waals lès kèv'nayes in Dampicourt.

Cavalli, Cavallo, Cavallone, Cavalin, Cavalini, Cavalina, Cavalucci. Italiaans cavallo; paard, bijnaam of beroepsnaam.

Cavanna, Cavanas: Italiaanse plaatsnaam Cavanna, Italiaans capanna: hut.

Cave. Middelnederlands cave; kelder, gewelfd vertrek.

Caveel. Bijnaam. Picardisch cavel, van Latijn calvus: kaal. Vergelijk Chauvel.

Cavel, de, Cavele, de, de Caevel, de Caevele: Middelnederlands cavel(e): lot, loting, deel, aandeel (in grond), kavel. Beroepsnaam van de verloter, (ver)kavelaar. Vergelijk Kavelaars.

Cavens, Cavents. 1. Wellicht Brabants uitspraak van Cauwens. Zie bij Cauwe. 2. Mogelijk ook een variant van Coven(t)s. Zie bij Convent(s).

Caverne. Frans caverne; uitholling, holte. Plaatsnaam? Of klankverandering van Cavrenne.

Caverneels, Cavereel. Afleiding van Frans caverne; holte.

Cavers. 1. Afleiding van Middelnederlands caven: begroten, ramen. Beroepsnaam van een schatter? Of van werkwoord caven; van kaf ontdoen. Beoepsnaam van de wanner? 2. Schotse plaatsnaam in Roxburgshire.

Caversoons. Wellicht Plaatsnaam Caverson bij Caverçonval in Chocques (Pas-de-Calais).

Cavestro: Spaans Cabestro: halster. Beroepsnaam.

Cavey, Caveye, van de Cavey, Vandecaveye, van de Caveije, van de Cavaye, van de Cavez, van de Cavé. Naam uit het Picardische cavée: holle weg. Er is onder andere een Cavei/ye in Onnaing (Nord) en in Menen.

Cavigneaux, Cavignaux, Cavigniaux, Caviniaux: ook Cauvignaux. Bijnaam. Afleiding van Cavin, Calvin; kaal.

Cavillon, Wellicht plaatsnaam Caverson bij Caverçonval in Chocques (Pas-de-Calais).

Cavestro: Spaanse Cabestro: halster. Beroepsnaam.

Cavillot, Cawillot: afleiding van Oudpicardisch caville, Oudfrans cheville, Latijn cavicula: pen, bout, spil. Beroepsnaam.

Cavin, Cavyn, Cavynt, Cavijnt: Variant van Calvin, Picardisch Cauvin. Vergelijk Caveel, Calvin.

Cavro, Cavrot, Cavirot: Lees Caurot? Afleiding van Picardisch caure: hazelstruik. Vergelijk Cavrois.

Cavrois. Verschrijving voor Caurois: plaats waar hazelaren groeien. Afleiding op -oit, Latijns -etum van Picardisch caure: hazelstruik. Plaatsnaam Cauroy (Pas-de-Calais). Vergelijk Colruyt, Caure.

Caxton. Plaatsnaam, Cambridgheshire.

Cayau. Oudfrans caiel: hondje.

Cayeux, Kayeux, Keyeux: 1. Plaatsnaam Cayeux (Somme) of (Monchy-) Cayeux (Pas-de-Calais).

Cayphas. De Bijbelse voornaam Caiphas.

Caytant, Caytan, Cayton, Caijtan, Caeytant, Gaytant, Gaétan, Gaétan, Gaetano, Gaetani, Caetano: De West-Vlaamse Caytan (en varianten) stamt van Cesare Caetano = Gaetano, een soldaat in een Italiaans infanterieregiment die in 1626 in Kortrijk trouwt. Italiaans Gaetano/Caetano: uit Gaëta. Vadersnaam is uit te sluiten, aangezien de Italiaanse geslachtsnaam ouder is dan de H. Cajetanus (1480-1547).

Cazabonne, Casabona: Occidentaals, Italiaanse plaatsnaam Casa bonne/bona: goed huis. vergelijk Goedhuys.

Cazaerck. Verhaspeling van Casaert, door associatie metkazak of kozak. 1

Cazemier, Kazemier: Vadersnaam. Poolse heiligennaam Casimir(us).

Cecco, Cecconi, Ceccon, Cecconello, Ceccotti, Ceccano, Ceccarelli, Ceccarello, Ceccarini, Ceccaroli, Ceccaroni, Ceccato, Cecko, Cecchi, Cecchin, Cecchini, Cicchinato, Cecchelani, Cecchetelli, Cecchetti, Cecchetto, Cecotti: Italiaans Cecco, korte vorm (en afleiding) van Francesco.

Cecere. Zuid-Italiaanse familienaam. Wellicht zoals Cecco afleiding van de voornaam Francesco.

Celen, Celens, Celent, Célant, Celant, Ceelen, Seele, Seelen, Seelenne, Selen, Selens, Selenne, Sélenne, Sellens, Cillen, Cielen, Chielens, Sillen, Celis, Célis, Celisse, Celissen, Célissen, Selis, Sélis, Cellis, Celus, Cielissen, Cillis, Cilis, Cilissen, Cillissen, Zelis, Zelissen, Zélis, Sillis, Silles, Sel, Sell, Cel, Cels, Seel, Seels, Zels, Sells, Sels, Selles, Selle, De Selys. Vadersnaam, verkorte vorm van Marcelis, Sint Marcellus. Zie ook Sillen.

Céleste, Celeste, Celestre, Schelest: 1. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Celestis. 2. Plaatsnaam Chelers (Pas-de-Calais):

Celie, Célie, Cellie, Celly, Scillie. 1.Moedersnaam uit Cecilia. Korte vorm van de heiligennaam Cecilia of Marcilia. 2. Mogelijk een dialectische vervorming van Cellier: kelder (uit de woonplaats).

Celik, Çelik. Turkse naam; staal.

Celis, Célis, Celisse, Celissen, Célissen, Selis, Sélis, Cellis, Celus, Cielissen, Cillis, Cilis, Cilissen, Cillessen, Zelis, Zelissen, Zélis, Sillis, Silles, Sel, Selle, Cels, Cel, Seel, Seels, Zels, Sells, Sels, Selle, Selles, de Selys: Vadersnaam. Korte vorm van Marcelis, van Latijnse heiligennaam Marcellus. Ca. 1600 wordt Seels in Balen tot Zels en Zeels.

Celle, Célie, Cellie, Celi, Celly, Scillie: 1. Moedersnaam. Korte vorm van heiligenaam Cecilia. Of korte vorm van de voorrnaam Marcilia. 2. Eventueel dialect variant van Cellier of Sellier.

Cellerier, Célérier, Celerier, Céleri,Callarier, Celarier: Frans cellerier, van Latijn cellerarius: keldermeester.

Célot, Celot, Cellot. Vadersnaam. Korte vorm van Marcelot, afleiding van de voornaam Marcel.

Cenant, Cénant: Plaatsnaam Cenan = Senan (Yonne), Sénans = Cénans (Hte-Saône).

Cencigh. Plaatsnaam Sinzig, Duitsland.

Cendrier, Sandrie, Sandri: Beroepsnaam. Oudfrans cendrier: zeepzieder, leerlooier, die werkt met uitgeloogde as, potas. Vergelijk Duits Àscher.

Cense, Centse, Sentse: Frans familienaam Cense, bijnaam voor iemand die een pachtgoed huurt, een cijnspachter, cijnsboer. Frans ook Censier, Delacenserie.

Cenier, Ceni, Cenie: Variant van Frans Chénier: eikenbos. Plaatsnaam Cheniers (Marne).

Censer. Engelse familienaam, van Frans censier; pachter.

Censier, Censi, Sencie, Sensier, Senci, Sensier, Sensir, Sansier, Sancy, Chancy: Frans censier: cijnspachter, cijnsboer. Senci, Sensie, Sensi en (hypercorrect) Chancy kunnen spellingvarianten zijn van Sancy.

Cent. Vadersnaam, korte vorm van de voornaam Vincent.

Centner. Variant van Duitse familienaam Zentner, van Zehntner. Beroepsnaam van de tiendenaar of tiendheffer. Vergelijk Tindemans.

Cepeda, Cepedal, Cipido, Cipedo, Sipido. Spaanse familienaam uit de plaatsnaam cepo: boomstronk. Zou dus ook wel een bijnaam kunnen zijn. Maar de volgende familienaam komt uit Italie. Italiaans scipito: flauw?

Cercelet. Oudfrans cercelet, afleiding van cercel, Frans cerceau: ring, band, hoepel. Beroepsnaam van de kuiper.

Cerckel. Oudfrans cercle: band, hoepel. Beroepsnaam van de kuiper. vergelijk Cercelet.

Cerexhe, Serex, Serexhe: Plaatsnaam (Luik).

Cerezo. 1. Spellingvariant van Ceressiaux. Zie Séréssiat. 2. Spaans, Italiaans cereza, ceresa: kers. Beroepsnaam.

Cerfaux. Plaatsnaam Cierfa in Bovigny. Of variant van Franse familienaam Cherfault, van Gerfaud, Gerfault: giervalk?

Cerfon, Cerfont. Wellicht korte variant van Cerfontaine.

Cerfontaine, Cerfontein: Plaatsnaam Cerfontaine (onder meer Namen, Nord).

Cerise. Frans cerise; kers. Beroepsnaam van de verkoper ervan. Vergelijk Kriek.

Cerisey. Uit Franse familienaam Cerizet, afleiding van Cerise.

Cerisier, Cerisier, Serrisier, Serusier, Cherissier: Plaatsnaam Cerisier: kersenboom. Vergelijk Kriekeboom.

Cerny. Plaatsnaam Cerny (Seine-et-Oise, Aisne).

Cerouter, Cheroutre, Chirouter, Chiroutte: Vadersnaam. (Frans-Vlaanderen en West-Vlaanderen) Serwouter. De varianten met ch zijn hypercorrect.

Certijn, Certyn, Sertijn, Sertyn, Sertin, Serteyn, Sirtaine, Certain, Certin. Bijnaam naar het Middelnederlandse certein uit het Franse certain: zeker, zelfverzekerd, vastberaden.

Cerulus, Carulis, Cerules, Serulus: Latijn caerul(e)us (van caelum: hemel): hemelblauw, azuurblauw. Bijnaam. Latinisering.

Ceunebroec, van, Ceunebroecke Van, Ceunebroek, Ceunebroeke, Ceunebrouck, Ceunebroucke, (van) Ceulebroeck, Ceulebroek, Ceulebrouck, van Cuynebroeck, Cuynebrouck, van Ceunenbroeck, van Keunenbrouck, van Keulenbroeck, de Koninckbroeck, Keunebrock. Familienamen afgeleid van Koningsbroek, broek van de koning, in Maarke-Kerkem (Oost-Vlaanderen).

Ceunen, Ceuppens. 1. Van Kuiper, 2. Van Germaans Cono.

Ceurvels, Ceurvelt, Ceurvelts, Keurvels: Plaatsnaam Keurveld in Kontich, Lint en Boom (Antwerpen). Zie ook Carver(s) 2.

Cevaal: Uit Frans cheval ‘paard’. Bijnaam naar de huisnaam of beroepsbijnaam van de paardenkoopman.

Ceyssens, Ceysens, Ceijssens, Seyssens, Seyssen, Seysen, Sijssens. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de voornaam Vincent. 2. Kan ook een knuffelvorm zijn van Franciscus: zoon van Seys (Franceis). 

Ceyskens. Vadersnaam. 1. Afleiding van Ceys, van Franceis: François. Zie Seys. 2. Afleiding van Vincent; zie Ceyssens.

Chaam, van, van Kaam, van Kaem, van Caem: Plaatsnaam Chaam (Noord-Brabant).

Chabalier. Zuidfranse vorm van Chevalier: ruiter, ridder. Vergelijk Chaballe.

Chaballe, Chabalet. Occidentaalse vorm van Chebal(et).

Chabanne, Chabane, Chavanne, Chavane. Variant van Cabane; hut.

Chabaneau, Chabannel, Chabanel, Schabanel: Afleiding van chabane, cabane: hut.

Chabaud, Chabeau, Chabeaux, Chabault. Uit Occidentaals chabal; paard.

Chabot, Cabo, Cabot, Caboot, Cabotte, Chabote, Chaboteau, Chaboteaux, Chabotaux, Chabottaux, Chabotteau. Het Franse chabot is een vissoort met een grote kop. Bijnaam voor iemand met een groot hoofd.

Chabre. Franse dialect vorm van Chèvre: geit.

Chacon, Chacun: Frans chacun: iedereen. Vergelijk Alderweireldt, Toulmonde.

Chaffette, Chafette. Bijnaam Chaufette; stoofje.

Chaineux, Cheneux, Dechaineux, Dechêneux: Plaatsnaam Chaineux (Luxemburg), Cheneu in Villers-le-Tour (Henegouwen), Cheneux in La Gleize en Stavelot (Luxemburg): eikenbos.

Chainnieaux, Chameaux: 1. Franse variant van Picardisch Caignau. 2. Zie Chénau.

Chais, Chaix, Chait: Plaatsnaam Chaix (Vendée, Ain).

Chaland, Chalant, Chalanton. Oudfrans chalant: vriend, kennis, klant, (later) minnaar, vrijer. Equivalent van Picardische, Middelnederlandse Calant.

Chalbert, Schalbert, Scalbert, Escalbert: Vadersnaam. Niet-gevocaliseerde vorm van Germaanse voornaam Calbrecht, of variant van Chabert met epenthetische l.

Chaleur. Hypercorrect voor plaatsnaam Chaleux in Hulsonniaux (Namen).

Chaffart: Uit Frans Chauffard, afleiding van Frans chauffer ‘stoken’. Beroepsnaam van de stoker.

Chaigneau: Andere spellingen in België zijn: Chagnaud, Chaignaud, Chainniaux, Chainiaux, Chainnieaux, Chaineaux. 1. Franse variant van Picardisch caignau, middelfrans caignel, verkleinvorm van Middelfrans caigne, van volks Latijnse cania ‘teef’ of van Picardisch kain ‘hond’. Dialect caniau ‘hondje’. 2. Verkleinvorm van Frans chêne ‘eik’. Oudfrans chesneel ‘eikenbos’. Plaatsnaam Cheneau in Estinnes-au-Mont (Henegouwen) en Bonlez (Waals-Brabant).

Chalon, Chalhon, Chalom, Scalon, Schallon: Plaatsnaam Chalon-sur-Saône of Châlons-sur-Marne.

Chalsèche, Chalsège, Chalseche, Chalsege, Charlesèche: Plaatsnaam Chalsèche in Pepinster (Luik).

Chamaillard, Chatnillard: Afleiding van Oudfrans chamaillier: slaan, vechten.

Chamart. Plaatsnaam Chamard (Ardèche, Hte-Saône), Chamars (Eure-et-Loir).

Chambard, Chambart, Chambaere, Sambaer, Sambaere, Samba, Sambas, Chombar, Chombart, Chombaert, Chombaere, Sombaert. Chambard is een Frans dialect (oosten en Central Massif), een vorm van Oudfrans Jambart: bijnaam voor iemand met zware benen.

Chambaud, Chambeau, Chamaut, Chambault, Chombeau: Oudfrans chambal: beenbekleding, scheenplaat. Bijnaam.

Chambellan, Chambelland, Chambellant, Chamberlan, Chamberland, Chamberlant, Chamberlin, Chamberlain, Chambrelant. Chambrelan, Chambrelent, Chamburland, Chamburlant, Camberlin, Camberlijn, Camburlyn, Camburlain, Camburlein, Cambrelin: Oudfrans Chamberlain, Picardisch camberlin, Frans chambellan, van Nederlands kamerling: kamerheer. Beroepsnaam.

Chambon, Chanbon, Sambon: Verspreide plaatsnaam Chambon (onder meer Cher, Hte-Loire, Loiret). Maar blijkens de familienaam Chambonnet, Chambonneau naast Cambonnet, Cambaut veeleer bijnaam, afleiding van Zuidfrans cambe, chambe, Frans jambe: been. Vergelijk familienaam Longchambon: langbeen.

Chambrier, Schembri: Beroepsnaam Chambrier: kamerknecht, kamerdienaar.

Chamelot, Camelot: Oudfrans chamelot, camelot: naam van een soort stof (oorspronkelijk van kameelhaar). Beroepsnaam.

Chamizo, Chamizot, Chamisot: Afleiding van chamise (Auvergne) van Latijn camisia: klein hemd. De Duitse dichter Adalbert von Chamisso (1781-1838) was een geboren Fransman; von is het Duitse adelspartikel.

Chamois, Chamoy. Oudfrans chamois; kneuzing, buil. Bijnaam.

Chamon, Chamont. Plaatsnaam Chamont: chauve mont, kale berg (onder meer in Isère). Ook variant van Chaumont.

Chamorro, Chamorre, Chamorin: Spaanse bijnaam voor een kaalgeschoren of kort geknipt man. In de middeleeuwen een bijnaam voor de Portugezen, omdat ze hun haar kort droegen.

Champaigne, Champagne. 1. Naam uit de oude Franse provincie Champagne. 2. Of uit de verspreide gelijknamige plaatsnaam Champagne: veld.

Champagnac. Plaatsnaam. (Cantal, Char.-Mar., Corrèze, Dordogne, Hte-Loire, Hte-Vienne).

Champclaux. Plaatsnaam Champclos: afgesloten, omheind veld.

Champeaux, Champault, Champel, Campeau, Campel, Campeas: Verspreide plaatsnaam, afleiding van Frans champ, Picardisch camp: veld.

Champenois. Afkomstig van Champagne.

Champiomont. Plaatsnaam in Charneux, Limburg.

Champluvier. Wellicht Champlivier, uit plaatsnaam Champlive (Doubs).

Champon. Plaatsnaam afgeleid van champ: veld.

Champseix, Chansay: Plaatsnaam. Rotsachtig veld. Seix, van Latijn saxum; rots.

Champt. Verschrijving voor Champ; veld. Plaatsnaam.

Champy. 1. Plaatsnaam in Warnant (Namen). 2. Middenfrans champis: onwettig kind, bastaard.

Chalumeau, Calmeau, en wellicht ook Chamuleau: Door omkering van volgorde van klanken uit Chalumeau, van Oudfrans/Oudpicardisch c(h)almel, verkleinvorm van Latijnse calamus ‘rietje, (schrijf)veer’. Beroepsbijnaam van een schrijver, klerk.

Chan, Chen, Chang, Cham. Chinese naam; koning.

Chan. Verschrijving voor Champ; veld.

Chandel, Chandelle. Frans chandelle: kaars. Beroepsnaam van de kaarsengieter. Vergelijk Chandelier.

Chandesais, Chandeson: Zoals Frans Chandeysson afleiding van streeknaam Chandesse (Puy-de-Dôme).

Chandler. Engelse beroepsnaam: kaarsengieter.

Chanoine, Lechanoine, Canon, Canonne, Canone, Canoen, Quanonne, Quanone. Naam uit het Franse chanoine, het Picardische cano(i)ne: kanunnik.

Chanterie, Chantrie, Chantrey, Chantry, Sentrie. Misschien Oudfrans chanterie: kerkzang. Beroepsnaam. Maar waarschijnlijk veeleer dialect variant van Franse familienaam Chantrier: zanger.

Chantecler, Chanteclaire: Bijnaam naar de naam van de haan, voor iemand die helder zingt.

Chantel, Chantelet, Saintelet, Saintlet, Santels, Santelé, Santele, Tjantelé, Tjantele, T'Jantele, T'Jantèle, Sandelé, Sandele: Oudfrans chantel, Picardisch cantel, Middelnederlands canteel: kant, rand, uitgetand metselwerk, borstwering, schietgat; (ook) bodem, spon van een kuip. Afleiding op -et. Beroepsnaam.

Chantelou, Canteloup, Chantelot: Plaatsnaam Chanteloup: waar de wolven huilen. Vrij verspreid.

Chanterau, Chanteroux, Chantreau, Chantrel, Chantell, Chantrelle, Cantrelle, Contreau: Afleiding van Frans chantre, Picardisch cantre: zanger. Vergelijk Engels Chantrell.

Chantrain, Chantraine, Chantraint, Chantren, Chantrenne, Cantraine, Cantrijn, Cantryn, Cantrin, Contryn, Contrijn, Contraint, Contrain, Quantrain: 1. Oudfrans chanteraine, Picardisch cantraine: kikker, boomkikvors. Bijnaam naar de kwakende stem, het springen of het uitzicht. Vergelijk De Puydt. 2. Plaatsnaam: plaats waar kikkers kwaken, kikkerpoel; bijvoorbeeld; Cantraine, 1275 à Canteraine, Lessen. Henegouwen.

Chapele, Chapelle. 1. Beroepsnaam van de kapelaan, bedienaar van een kapel. 2. Variant (vrouwelijk) van Chapel; zie Capel.

Chapelet, Chopplet: Afleiding van c(h)apel: kapje, hoed. Bijnaam.

Chapelier, Chapellier, Chaplier, Lechapelier, Lechaplier, Sapelier, Sipelier, Capelier, Capeliez, Cappelier, Caplier, Cappeliez, Cappéliez: 1. Beroepsnaam van de hoedenmaker.; 2. Oudfrans c(h)apelier uit capellarius, Middelnederlands capellier: kapelaan.

Chapitre, Capitte, Capite, Capit, Sapit, Cappittel: Oudfrans chapitre, chapitle, Picardisch capitle: kapittel (van kanunniken). De reductie tre/tle tôt -t(e) is Waals. Bijnaam naar een verband met een kapittel. Kapittel kan als plaatsnaam op grondbezit van een kapittel wijzen, zoals in de in Ronse.

Chaplain, Chaplin, Chapelain, Caplain, Caplin, Cappellin, Keplin, Lecaplain, Kapelan, Kaplan, Kablan: Frans, Picardisch en Duitse vormen voor kapelaan, Oudfrans c(h)apelain, van Latijn capellanus.

Chapman. Engelse beroepsnaam; koopman.

Chapoix. Plaatsnaam Chapois in Gosselies (Henegouwen) en Leignon (Namen).

Chapoteau, Chapotel, Chapotot, Chopitea: Afleidng van Oudfrans chape: kap(mantel). Vergelijk Chapel, Capet. Bijnaam voor de drager van een kapje of de maker.

Chapuis, Chappuis, Chaput, Chapux, Chapuzier: Oudfrans chapuis(ier): timmerman, meubelmaker. Beroepsnaam.

Chapusette, Chapuzette. Beroepsnaam, afleiding van Chapuis.

Charanson. Frans charançon: kever, kalander. Bijnaam.

Charante, van. De eerste naamdrager, die zich in de Nederlanden vestigde, namelijk Adrien Isaacz, was afkomstig van La Rochelle aan de Charente (Charente-Mar.)

Charbout, Charbel, Carbo: Afleiding van charbe: hennep.

Charbonnier, Charbonier, Charbonnière, Carbonnier, Cherbonnier, Corbanie: Frans charbonnier, Picardisch carbonnier: kolenhandelaar, kolenbrander.

Chardavoyne. Met epenthetische r van Champ d'avoine: haverveld. Vergelijk Haverkamp.

Chardez. 1. Vadersnaam. Chardet, van Richard. 2. Zie Xhardez, Lexhardé.

Chard'homme, Chardhomme, Chardome, Chardôme, Chardonne: Waals tchâr d'âme: (letterlijk) vlees van een ziel, mensenziel; (negatie) pas char d'âme: geen mensenziel, niemand. Of reïnterpretatie van Chardon, of plaatsnaam Chardonne in Vaud.

Charier, Charrier, Charrié, Charry, Chary, Chari, Cherrier, Cherry, Chery, Chéry. Beroepsnaam van de voerman.

Chariot. Frans chariot: wagen. Beroepsnaam van de wagenmaker of voerman.

Charité: Bijnaam. Frans charité ‘liefde, liefdadigheid’. Engels Charity.

Charitius, Charisius, Oost-Duitse (Dantsig) vorm van Karius, Macharius. Of Charisius is een van de Corinthische martelaren (legende van Callistus).

Charle, Charles, Challe, Challes, Chasles, Chaerle, Chaerel, Chaerels, Charel, Sarels. Vadersnaam van de Germaanse voornaam Karel. 

Charlemagne, Charlemain, Chalmagne, Chamagne, Chalaman, Charmanne, Chermanne, Chermane: Bijnaam Charlemagne: Karel de Grote, grote Karel.

Charlet, Charlez, Charlé, Charlets, Charley, Chalet, Chalez, Challet, Carlet, Carlé, Carley, Carletti, Carletto, Cherlet, Sarlet, Sarlette, Sarleti, Sarlee, Sarlée, Charley, Scharlé, Scharly, Schalley, Schalleij, Schallée, Serle, Serlet, Serleth, Serletz. Vadersnaam uit de voornaam Charles. Zie daar verder. Carlet is Picardisch, Carletti Italiaans.

Charlin, Chalin, Charlent, Sarlin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Charles. Charlent is Waals hypercorrect.

Charmanne. 1. Verwaalsing van Nederlands Karreman: voerman. Waals cârmane. 2. Zie Charlemagne.

Charmant. Hypercorrecte en volksetymologische variant van Sermant.

Charment. Plaatsnaam Charmont (Marne, Seine-et-Oise).

Charmot. Afleiding van Frans charme; haagbeuk?

Charneux, Decharneux, Ducharneux, Sarmeux, Sarmeus: Plaatsnaam Charneux (Luik) van Latijn carpinetum: haagbeukenbos. Le Charneux in Fraipont, Jalhay (Luxemburg) en Harsin.

Charpentier, Lecharpentier, Charpantier, Cerpentier, Serpenti, Serpentier, De Carpentier, Carpentier, Carpentiers, Carpentiez, Kerpentier, Carpantier, Carpenter. Beroepsnaam naar het Franse en Picardische Charpentier, Carpentier: timmerman.

Charrault. Afleidng van Frans char: wagen. Oudfrans charreau: kuipwagen voor de wijnoogst, ook schuur, van plaatsnaam Le Charaud, Le Charault (Vienne).

Charrière, Cherrière, Cherriere: Frans charrière: dorpsstraat, straat waar wagens rijden. Vergelijk Waals Vlaams kariere, van Picardisch carrière: wagenweg.

Charrin, Sarin. Naam uit het Oudfranse charin: vervoer per kar. Beroepsbijnaam van de voerman. 

Charrion, Sarion, Carrion, Carion, Carreon, Corion, Coron: Afleiding van Frans char, Picardisch car: wagen. Beroepsnaam van de wagenmaker of de voerman. Vergelijk Carron.

Chartrain, Chartrin. Afkomstig van Chartres (Eure-et-Loir).

Chartron, Charteron, zoals Char(re)ton. Beroepsnaam van de voerman.

Chartry. Luxemburg Waalse vorm van Oudfrans chartrier: gevangenbewaarder. Beroepsnaam.

Charue, Charrue, Carrue, Carru, Carrus, Querut: Frans charrue, Picardisch carrue: ploeg. Beroepsnaam van de ploeger of ploegsmid. Of bijnaam naar de huisnaam.

Charvet, Chervet, Charvoz, Charvat: Bijnaam. Afeiding. van Zuidoostfrans charve: chauve, kaal.

Chase, Chasse. Frans chasse: jacht. Beroepsnaam voor de jager of jachtwachter.

Chaslain, Chaslin, Cheslain, Chasselein: Waals tchèslin, Frans châtelain: kasteelheer, kastelein. Vergelijk De Casteleyn.

Chassagne, Chasseigne. Plaatsnaam Chassagne(s) (diverse in Frankrijk) van Latijn cassanea: eikenbosje, of kastanjebosje. Vergelijk Cassagne(s).

Chassaing. Oudfranse plaatsnaam chassain, van cassaneus: eik.

Chassard, Chassart. 1. Plaatsnaam Chassart in Mellet en St-Amand (Henegouwen). 2. Afleiding van Oudfrans chacier: jagen, achtervolgen. Synoniem met Cacheux, Casseur, Chasseur.

Chassepierre, Chaspierre, Chaspière: Plaatsnaam Chassepierre: stenen huis.

Chasseur. Frans chasseur: jager. Beroepsnaam. Vergelijk Cacheux.

Chastre, Chaste. Verspreide plaatsnaam Chastre, van Latijn castra: legerkamp. Chaste door Waalse reductie.

Chastreux. Afleiding van Oudfrans chastrer, Frans châtrer: castreren. Beroepsnaam van de castreerder.

Chatelard. Plaatsnaam Châtelard (Savoie, Hte-Savoie, Creuse, Allier).

Chaton, Chatton. Afleiding van chat; kat. Bijnaam.

Chatorier, Chatterjee: Afleiding van Oudfrans chastoire: bijenkorf. Beroepsnaam van de maker ervan. Vergelijk Catoir(e).

Châtré, Châtre, Châtrer, Châtry. Oudfrans chastré, chastris: gecastreerd dier, schaap. Bijnaam voor een zachtaardige, zonder fut.

Chatterjee. zie Chatorier. Chatterjee zou evenwel uit Azië stammen.

Chau, Chiau, Choo. Familienaam uit de verspreide Franse plaatsnaam Chaux. 

Chau, Chiau, Choo. 1. Verspreide Franse plaatsnaam Chaux. Zie Dechaux. 2. Misschien korte vorm van Michaud.

Chaubert, Chaubet, Cobert, Chaber, Chabert, Chabi, Chabier, Chabar, Chabart, Scabers: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Kal(d)brecht, zie Calbrecht.

Chauderlot. Beopesnaam. Afleiding van c(h)auderlier: ketelsmid.

Chadier, Chaudiez, Chaudy, Chôdy, Chody: Beroepsnaam. Frans chaudier: kalkbrander.

Chaudière. Oudfrans caudière, Frans chaudoire: ketel. Beroepsnaam van de ketelslager. Vergelijk Ketels.

Chaudoir, Chodoir, Chodoire: Frans échaudoir: broeibak, broeivat, wasplaats van slager of verver. Beroepsnaam.

Chaudry, Chaudhary, Chaudhry, Choudhry, Choudry: Plaatsnaam, gehuchtnaam (Cher, Oise, Val-d'Oise).

Chauffard, Chouffart, Chuffart, Chaffart, Saffar, Safar, Saffa: Beroepsnaam van de stoker. Afleiding van Frans chauffer.

Chauffeur, Frans chaufour: kalkoven. Beroepsnaam van een kalkbrander. Vergelijk Chaufouraux, Decofour.

Chaufheid, Chauveheid, Chauvehé, Chauffé, Chafwehé, Chawehé, Chawehez: Plaatsnaam Chaufheid in Theux (Luik), Chauveheid in Chevron (Luik), Chauveheis in Bellevaux (Luik) van chauve heis, van Germaans haisj;ô 'kaal beukenbos'.

Chaufouraux, Chaufoureau, Chaufoureaux, Chauffeaux, Chauffouraux, Chanfreau, Cafriau, Souffreau, Souffriau, Souffreaux, Souffriou. Naam uit het Franse chaufour: kalkoven. Beroepsbijnaam van de kalkbrander.

Chauland. Beroepsnaam van de kalkmaker.

Chauliac. Plaatsnaam Chaulhac (Lozère, Ardèche, Hte-Vienne) van Latijn Cauliacum.

Chaumon, Chaumont, Schaumont: Verspreide plaatsnaam Chaumont: kale berg. Ook Romaanse vorm van Kolmont in Overrepen (Limburg): 1125 de Calvo Monte; zie Colmont.

Chaussard, Chaussart, Chaussa, Saussard: Afleiding van chausse: broek, kous. Beroepsnaam van de kousenmaker. Vergelijk Cousse.

Chaussegroux. Variant van Franse familienaam Chaussegros: die te grote kousen draagt of maakt. Vergelijk Corthose.

Chaussepied. Beroepsnaam van de schoenmaker of kousenmaker.

Chauset, Chausette. Afleiding van Frans chausse; kous. Bijnaam of beroepsnaam.

Chaussier, Chaussiez. Oudfrans chalcier, chaucier: kousenmaker. Vergelijk Chausse. Beroepsnaam.

Chousson. Afleiding van Oudfrans chais, chaus; schoen.

Chautnier, Chomy, Chomis: Afleiding van chaume: riet, dakstro. Beroepsnaam van de strodekker.

Chauvel, Chaveaux, Chaveau, Chavaux, Chaviaux, Chauwel, Chavel, Chavaux, Chouvel, Chovau, Chovaux. Naam uit het Frans-Romaanse chauve: kaal. Bijnaam.

Chauvenne. Variant van Chavenne, van chavène, chavane: hut.

Chauvier, Schavier, Schavy, Schaveye: Afleiding van Frans chauve: kaal. Bijnaam.

Chauvon. Afleiding van Frans chauve: kaal. Bijnaam.

Chavagne, Chavane, Chavanne. Plaatsnaam Chauvagne in Andenne (Namen), Chavanne (Hte-Saône, Loire, Savoie), Chavannes (Ain enz.), Chavagne(s) (llle-et-Vil., Maine-et-Loire, Vendée).

Chavais. Plaatsnaam, Maine-et-Loire.

Chavée, Chavee: 1. Plaatsnaam. Frans chavée: holle weg. Vergelijk Caveye, Schavey. 2. Eventueel verschrijving voor Chavet, Chavé.

Chavepeyre, Chavepeyer, Chaveperey, Chavepierre, Chavrepierre: De famille is in 1819 uit Cantal naar Roeulx (Henegouwen) gekomen. Plaatsnaam Cave pierre: holle steen; vergelijk Peyrecave.

Chavériat, Chavériat, Chavaria, Chavareau: Plaatsnaam Chavéria (Jura), Chaveyriat (Ain). Chavareau is dan hypercorrect (aangezien N. Waals ~ia, van -eau). Chaves Daguilar: Chaves is een Portugese plaatsnaam in Tras-os-Montes, van (aquis)Flaviis 'bionn ; van Flavius'. Zie ook Aguilar.

Chavet, Chavez, Chavé, Cavet, Cavez, Cavé, Cavey: 1. Afleiding van Oudfrans cave, chave: hol. 2. Zie Calvet.

Chavot. Verschrijving voor Chavaux.

Chayriguet, Cheyriguet: Zuidwestfranse familienaam Chayriguès. Chai de Riguet: (wijn)kelder van Hendrik? Of Chez Riguet.

Chawet. Bijnaam. Variant van Cha(u)vet.

Chaze van. Plaatsnaam Kasen, Nederlands Limburg?

Chazo: Plaatsnaam Chasot (Doubs).

Chechelen, van. Vanchechelen komt voor in Frans Vlaanderen en is waarschijnlijk een verhaspeling van Van Mechelen, door anticipatie van de ch.

Chef, Ché: Franse bijnaam Chef, uitspraak ché: hoofd.

Cheffer, Cheffert. Romaanse spelling van Duitse familienaam Schaffer. Beroepsnaam Schafer: schaapherder.

Chefneux. Plaatsnaam in Cheratte en Saive-et-Wandre (Luik).

Chehet. Plaatsnaam Jehay, Luxemburg.

Cheling. Romaanse uitspraak voor Duits Schilling; de muntnaam.

Chelli, Chelly: Waarschijnlijk variant van Celli of Celly, Luiks-Waals voor Cellier of Sellier.

Chemineau, Cheminay. Afleiding van Frans chemin; weg. Plaatsnaam. Vergelijk Duchemin.

Chénau, Chenaux, Chenaud, Chenault, Cheneau, Cheniau, Cheniaux, Chenneaux, Chennaux, Schena, Chainniaux, Chainiaux, Chainnieaux, Chaineaux, Chaignaud, Chaigneau, Chagnaud, Chesneau, Chesnaux, Chesne, Chene, Chena, Chenal, Quesnel, Quenel, Quennelle, Kenel: Afleiding van Frans chêne, Picardisch que(s)ne: eik. Of Oudfrans chesneel: eikenbos. Plaatsnaam Chainia in Crehen (Luik) en Meux (Namen); Chenia(t) in Baisy-Thy (Waals-Brabant), Huccorgne (Luik) en Somzée (Namen). Cheneau in Estinnes-au-Mont (Henegouwen) en Bonlez (Waals-Brabant).

Chenaye, Cheney, Chainaie, Chainaye: Plaatsnaam Chênaie: eikenbos. Chenay (Marne, Sarthe) en in Pondrôme (Namen).

Chenemont. Plaatsnaam Chênemont in Baisy-Thy (Waals-Brabant) en Corroy-le-Château (Namen).

Chenet, Cheney. Plaatsnaam Chenet in Honnay, Namen, en Remagne.

Cheneval, Chenevet. Afleiding van Oudfrans cheneve: hennep. Waarschijnlijk plaatsnaam: hennepveld. Vergelijk Chenevaz (Hte-Savoie), Chenevey (Frans Comté).

Chenevière. Plaatsnaam Chenevières (Meurthe-et-Mos.), Chennevières (Meuse, M.-et-Mos., Seine-et-Oise): hennepveld, hennepkwekerij.

Chennevier. Beroepsnaam van de hennepteler.

Cheneval, Chenevet. Afleiding van Oudfrans cheneve: hennep. Waarschijnlijk plaatsnaam: hennepveld. Vergelijk Chenevaz (Hte-Savoie), Chenevey (Frans Comté).

Chenevière. Plaatsnaam Chenevières (Meurthe-et-Mos.), Chennevières (Meuse, M.-et-Mos., Seine-et-Oise): hennepveld, hennepkwekerij.

Chenot, Cheno, Chesnot. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam (onder andere België en Frankrijk) Chêne: waar eik groeit.

Chenu, Chenut, Quenu, Schernus, Schenus, Chanu, Chanut: Oudfrans chenu, Oudpicardisch quenu: grijs. Bijnaam. Vergelijk De Grijze.

Cheppe. Plaatsnaam Cheppes, Marne.

Cher, Chère: 1. Franse bijnaam Cher: geliefd. 2. Verschrijving van Cherf : Cerf.

Cherequefosse, Cherquefosse. Oudfrans cherque, van Latijn circum; fosse: gracht, sloot. Vergelijk Oudfrans cherquemanage: grensbepaling. Waarschijnlijk plaatsnaam: omringende gracht, ringgracht, omwalling.

Chéradame, Aanpassing en reïnterpretatie van vadersnaam Seradaem: 's heren Adam.

Chéraft. Arabische familienaam. Wellicht van Cheri(e)f. Cherain: plaatsnaam.

Cherami, Cheramy: Bijnaam Lieve Vriend. Vergelijk Bonami, Goedvriend, Duits Lieberfreund.

Chérel, Cherelle, Chereau: Afleiding van Oudfrans cher, char: wagen, kar, (ook) karrenweg.

Cheret, Chairez, Seret, Sere, Serez, Serey, Seré, Séré, Serrée, Serré, Serre, Serree, Serret, Serrè, Serrés: 1. Variant van Charet, van char: kar. 2. Plaatsnaam Cheret in Embourg (Luik), Cheret (Aisne).

Cherfils. Bijnaam Lieve, geliefde zoon. Vergelijk Liefsoons 2.

Cherif, Cherief, Chérif, Chérief: Arabische familienaam, voornaam Cherif, van sharff;'edel'.

Cherik. Misschien Germaanse voornaam Zierik (Zegerik).

Cherix. Zwitserse familienaam. Misschien van plaatsnaam Chereix (Limousin).

Chérot, Cherot: Variant van Charot, van char: kar, wagen.

Cherpion. Dialect Frans charpillon, Luzemburg Waals tchèrpion, van Frans charpie: wolvlok. Beroepsnaam van de wolbewerker.

Cherret, Cherette, Cherte, Chereé, Cherette, Cherétté. Uit het Waalse tchèrètte: (charette) wagentje. Beroepsbijnaam van de voerman of de wagenmaker.

Cherubin, Cherubini, Cherubino, Chérubin: Vadersnaam. Voornaam naar de engelennaam: cherub, cherubijn, engel van de tweede rang na de serafijnen.

Cherville. Plaatsnaam, Marne, Eure-et-Loir.

Chesaux, Chessa, Chessaux, Chesseaux, Cheza: Verspreide plaatsnaam, Waals tchèzâ, Oudwaals chesal, afleiding van Latijn casa: huis.

Cheslet, Chesselet: Dialect vorm voor Châtelet.

Chession, Cession: Plaatsnaam, dialect vorm van Castillon, in Dinant (Namen), Fléron (Luik), Lorcé (Luik), Malonne (Namen) en Rendeux.

Chétine, Chetinne, Chetine: Plaatsnaam in Flémalle-Grande (Luik) en Rhisnes (Namen).

Cheu. Plaatsnaam, Yonne, of Cheux, Calvados.

Cheung, Chung, Yeung. Chinese naam; waar men naar hunkert.

Cheuva, Cheuvart. Variant van Frans Chauvard, afleiding van chauve; kaal.

Cheval, Cevaal, Cavael, Wuaval, Queva, Chavalle, Chaval, Chavalle, Chevaux, Chevau, Cheveau, Chévau, Chévaux: Frans cheval: paard. Bijnaam naar de huisnaam of beroepsnaam van de paardenkoopman.

Chevalier, Chevaliez, Chevaillier, Chevallier, Chevailliez, Chevaillié, Chevaillé, Chevallie, Lechevallier, Lechevalier, Quavallier: Frans chevalier ‘ridder’.

Chevallard. Afleiding van Cheval. Beroepsnaam van ruiter of paardenkoopman.

Chevet, Chévez: Oudfrans chevet: hoofdkussen.

Chevigné, Chevigne, Chevenier: Plaatsnaam Chevignet (Savoie), Chevigney (Doubs, Hte-Saône).

Cheville. Fans cheville: spil, plug, spie, bout. Beroepsnaam.

Chiapparo, Chiara, Shiara. Varianten uit het vadersnaam/moedersnaam Clarus/Clara.

Chevolet. Waals-Brabants tchivolèt, Frans chevalet (paardje): (schilders)ezel, drievoet, schraag. Bijnaam.

Chevreaux, Chevreau, Chevriaux, Chevreul, Chevreulle, Chevreuil, Chevreux, Cheuvreux, Chevere, Chevre), Quiévraux, Quiévrauxeux, Quievreux, Quivreux, Queverue: Oudfrans chevrel, Frans chevreau: geitenjong, geitenlam. Bijnaam De vorm op –euil verraadt verwarring met Frans chevreuil: ree. De vormen met qu- zijn Picardisch.

Chèvremont, Chevremont, Chêvremont: Verspreide plaatsnaam, bijvoorbeeld Vaux-sous-Chèvremont (Luik).

Chevrier, Cheverier, Chevry: Beroepsnaam van de geitenhoeder. Vergelijk De Geiter.

Chevrolet. Kan afleiding zijn van Chèvre of Chevreuil, maar is wellicht een reïnterpretatie van Chevalet/Chevolet.

Chevron, Cheveron, Quiveron, Quivron, Cuvron: 1. Plaatsnaam Chevron (Luxemburg). 2. Afleiding van Frans chèvre, Picardisch qui(è)vre: geit. Vergelijk Chevrot.

Cheyns, Cheys. 1. Vadersnaam. Variant van Gheyns, door verscherping g/ch. 2. Zie Seyns.

Chiaramonte, Chiaramonti, Chiaromonte: Italiaanse plaatsnaam, equivalent van Clermont.

Chiaro, Chiaru, Chiara, Chiradia, Chirel Chirello, Chirellaz, Chirelli, Chiretto, Chirini, Chirot, Chirotto. Italiaanse vaders-, moedersnaam. Chiaro/Chiara, Latijn Clarus/Clara 'helder, schitterend, illuster'.

Chibert. Vadersnaam. Waarschijnlijk hypercorrect voor Sibert.

Chicery. Plaatsnaam, Yonne.

Chicco. Spaanse vadersnaam uit Franciscus. 

Chico, Chicot. 1. Franse bijnaam voor iemand met een korte gedrongen gestalte. Vadersnaam. Vleivorm van Michiel. Zie Celen.

Chieux. Bijnaam. oudfrans cieu: blind. Franse familienaam Lecieu(x).

Chielens. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de voornaam Michiel. 2. Zie ook Celen. 

Chif, Chiffe, Chiff: 1. Waals tchîf. Hoofd, van Oudfrans chief, Latijn caput. 2. Frans chiffe: chiffon: lor, vod. 3. Waals tchife: wang.

Chigny. Plaatsnaam, Aisne, Marne.

Chiliade, Chiliatte: Wellicht zoals Chillard afleiding van Achille.

Chilot. Vadersnaam. Afleiding van (wellicht) de voornaam Achilles.

China. Vadersnaam. Oude voornaam. 1391 Chinnaez le Clerc, Kortrijk.

Chinet. Plaatsnaam Ciney (Namen) of Chiny.

Chlarie. Brugse familienaam die wellicht ontstaan is uit een verschrijving. Mogelijk uit Clarier. Of uit Charier. Zie daar verder.

Chinitor. Spaans ceñidor: gordel, band, buikriem. Beroepsnaam van de gordelmaker, riemsnijder. Vergelijk Duits Gürtler, Gördeler.

Chinon. Plaatsnaam. Waals chinon: struiken als afscheiding van velden.

Chinval. Plaatsnaam Sainval in Tilff, Luxemburg.

Chior. Vadersnaam, verkort van Mekhior.

Chirieleison. Bijnaam naar het kerkgebed Kyrie Eleison.

Chirillo. Vadersnaam. Griekse heiligennaam Cyrillus.

Chiry. Vadersnaam. Griekse heiligennaam Cyriacus.

Chisogne. Plaatsnaam in Tillet. Luik.

Chivoret. Afleiding van Oudfrans civoire; dak, gewelf.

Chmiel, Chmill, Chmielecki, Chmielenk, Chmielevski, Chmielina, Chmielnik, Chmielova, Chmielowice, Chmielowiec, Chmielowna: Slavisch smilny: liefdevol. Duitse spelling Schmie(h)l, Schmil(l).

Chobaux: Franse familienaam Chobeau(x) van Chobel, afleiding van het werkwoord chober ‘graan dorsen door de halmen ergens op te kloppen’. Het woord is oostelijk en is afgeleid van Duits schob, van schieben.

Chodé, Chode: Spellingvariant van Chaude, Chaudet, korte vorm van Michaudet, Franse afleiding van Michel/Michaud.

Choffray, Choffroy: Plaatsnaam Xhoffraix in Bévercé (Luik).

Choiset, Choisis, Plaatsnaam Choisy (Oise, Seine, Seine-et-Marne, Hte-Savoie), Choisies (Nord).

Chokier, Chéquier, de Chokier: Plaatsnaam Chokier (Luik).

Cholat. Vadersnaam. Variant van Collard.

Cholet, Chollet, Cholley, Choulet, Scholey, Cheullet, Cheulet, Chollot, Cholot: 1. Oudfrans cholet: kleine bal. Bijnaam. 2. Afleiding van Oudfrans chol, chou: kool. Beroepsnaam. 3. Soms wellicht van Jeho(u)let; vergelijk Choul.

Chollier, Choly: Afleiding van Oudfrans chol: kool. Beroepsnaam van de kolenteler.

Chômé, Chômez, Chômete, Chômeton, Chômetton. Spellingvariant van Chaumet, van chaume; riet, stro.

Choner. Franse spelling voor Duitse familienaam Schoner.

Chonquerez. Plaatsnaam Joncret, Henegouwen.

Chopin, Copineau, Choppin, Choppinette, Choupin, Chupin: 1. Oudfrans chopin: harde klap, slag. 2. Vooral de var. op -et en -eau kunnen afleidingen zijn van Oudfrans chopine, van Duits Schoppen: wijnmaat, -vat. Beroepsnaam van wijnhandelaar.

Choquart, Choucard, Choucart, Chukart, Chukchart: Bijnaam. Afleiding van Frans choquern van Middelnederlands schocken: schokken, stoten. Vergelijk Schokkaert.

Choquel, Choquelle,Schockeel, Sockeel, Schokelé, Schockelé, Schokkelé: 1. Afleidng van Oudfrans choque, coche, suche, Frans souche: boomstronk, wijnstok. Bijnaam naar de gedrongen gestalte (vergelijk Strobbe) of beroepsnaam voor de inner van de wijnaccijns (vergelijk Socquet). 2. Plaatsnaam Coquel, verspreid in Pas-de-Calais, onder meer Arien, Maresville, Rebecques, Wizernes.

Chot, Chots, Chotte, Chotin, Chotinet, Chotteau, Choteau, Chotiaux: Vadersnaam. Korte vorm van Michot, vleivorm van de voornaam Michel.

Chou, (le) Choux: Beroepsnaam van de kolenteler; groenteteler. Frans chou: kool.

Chouard, Choua, Chouartz: Afleiding van Oudfrans choue, Frans chouette: uil.

Chouiter. Waalse aanpassing van Duits Schwitter, van Germaanse voornaam Swindher; zie Swier(s).

Choupeaux, Choupaud. Waarschijnlijk variant van Chapeau.

Chrisnach. Plaatsnaam Christnach.

Chrisotomus. Vadersnaam. Griekse Sint Chrysostomus.

Christ, Christe, Krist, Kriste, Kriszt, Cristea, Christie, Christty, Christtis, Christou, Kriston, Kerst, Korst, Kost, Karst, Karste: 1. Vadersnaam. Korte vormen en afleidingen van de heiligennaam Christianus. 2. Bijnaam Christus.

Christiaans, Christiaansen, Christiaanse, Christiaens, Christijans, Christiaan, Christiaans, Christiaansen, Christiaanse, Christiams, Christiaen, Christiaens, Christiaenssen, Christiaensen, Christijans, Christiansssen, Chrisiansen, Christian, Christiaenen, Chritanne, Christiane, Christians, Christian, Christeaens, Christeans, Kistiaens, Cristiaens, Cristiaensen, Cristihiaens, Crystiaens, Kristiansen, Christian, Christiani, Christiany, Cristiano, Crestani, Chrétien, Crétien, Christien, Christ, Cerstiaens, Certiaens, Corstiaens, Costiaens, Corstiaans, Corstiaensen, Corstiansen, Caerstiaenssen, Caerstiaensen: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Christianus.

Christleven. Duitse piëtistische (18de eeuw) voornaam Christlieb; 'Christus-liefde'.

Christman, Christmann, Krismann: Vadersnaam. Duitse afleiding van de voornaam Christiaan.

Christoffel, Christoffels, Christofle, Cristophel, Christoff, Christoph, Christope, Kristoff, Kristof, Christopher, Cristoffers, Cristoffersen, Kristoffersen: Vadersnaam. Griekse heiligennaam Christophorus.

Christolijns, Christoleyns. Vadersnaam Vleivorm van een Christ-naam als Christoffel, Christiaan.

Christyn, Christyns, Christijn, Christijns, Christien, Christin, Christine, Kristink, Krisztin, Christeyns, Krastins, Christen, Christens, Cristen, Cristens, Kersting, Kesting, Kersten, Kerstens, Kersteens, Kersteyns, Kerstein, Kerstenne, Kestens, Carsten, Carstens, Carstensen, Karsten, Karstens, Kastens, Castens, Corsten, Corstens, Korsten, Korstens, Kürsten, Kursten, Kosten, Kostense, Costens, Coste, Costes, Custyns, Kusten, Christensen, Christensson, Christenson, Kristensen, Kristensson, Chrestensen, Krustinson. Vadersnaam uit de heiligennaam Christinus, een afleiding van Christianus of Christus.

Chumaher. Duits Schuhmacher; schoenmaker.

Churlet. Afleiding van Oudfrans churel: afval. Bijnaam voor een straatreiniger.

Chvartzman. Duits Schwarzmann. Bijnaam.

Chynsmans, Sysmans, Sijsmans, Seysmans. Beroepsnaam van de ontvanger van de (grond)rente, de schatting.

Citerne, Cisterne. Plaatsnaam Citerne (Somme), Cisternes (Puy-de-Dôme).

Ciardo, Ciardelli. Vadersnaam. Korte vorm van Ricciardo, Italiaans voor Rijkaard, Richard.

Cibois. Plaatsnaam in Niort-la-Fontaine (Mayenne).

Cibon, Cipont: Vadersnaam. Variant van Sibon, vleivorm van de Germaanse voornaam Sibert, Ze(ge)brecht.

Cicco, Ciccone, Cicconi, Ciccotto, Ciccotelli, Ciccarelli, Ciccarella, Ciccarello, Ciccaroni, Cicchini, Cicchielli, Cicchetti, Cichitti: Italiaans cicco: jongetje, knaap.

Cicou. Vadersnaam uit Sigoux, dit is de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam sigi-wulf.

Cieremans: Vadersnaam. Afleiding op –man van Germaanse voornaam Zierik. Zie Sierens.

Cicero, Ciceron, Cicéron: Naam van de Romeinse redenaar en staatsman Marcus Tullius Cicero (106-43 v.C.) van Grieks kiker : erwt, zou zoiets op zijn neus hebben.

Cicogna. Bijnaam. Italiaans cicogna: ooievaar. Vergelijk Ovaere.

Cicou. Vadersnaam. Sigoux, Romaanse vorm van Germaanse voornaam sigi-wulf; ' zege-wolf: Segulfus, Siculfus.

Cierkens, Cirquin, Serkyn, Serkeijn, Serkijn, Serkeyn, Serkeym, Surkyn, Surkeijn, Surkijn, Surkeyn, Surquin. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Zierik of Sier (sigi-rik). zie Sieren(s).

Cigé, Cige: Vadersnaam. Spelling voor Siger, Romaanse vorm van de voornaam Zeger.

Cigrand, Cigrang: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam sigi-hrabn; 'zege-raaf: Sig(i)ramnus.

Cijnsmans, Cynsmans, Cynman: Beroepsnaam van de ontvanger van de accijnzen, renteheffer.

Cilleman. Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Cecilia.

Cimetière. 1. Plaatsnaam: kerkhof. 2. Reïnterpretatie van Semmertier.

Cineger. Tsjechische naam Cinger, Duits Zinger: zigeuner. Vergelijk Italiaanse familienaam Zingarello: kleine zigeuner.

Ciot. Variant van Chiot; hondje?

Ciparisse. Oudfrans ciparis; cipres. Of uit Cyprus.

Cingel, van der: Variant van van Sing(h)el. Plaatsnaam Singel ‘muur of weg om een stad, rondlopende afsluiting’.

Ciplet, Siplet. Plaatsnaam Ciplet, Luik.

Ciply, Cieply, Siply, Sipli: 1. Plaatsnaam Ciply (Henegouwen). 2. Zie Supply.

Cipolla, Cipolat, Cipoletta, Cipoletti, Cipolina, Cipolini: Italiaans cipolla: ui.

Cipriano, Cipriani, Cyprien: Vadersnaam. Griekse heiligennaam Cyprianus ' van Cyprus afkomstig'.

Cirefice, Cirafici: Beroepsnaam van de wasmaker, kaarsengieter, ceras;was.

Cirillo, Cirilli. Vadersnaam. Italiaanse vorm van de Griekse heiligennaam Cyrillus.

Ciselet. Afleiding van Frans ciseau; beitel. Beroepsnaam.

Cissé. Plaatsnaam Cissé, Vienne.

Citron, Citroen. Beroepsnaam van de handelaar in citroenen.

Cirkel: Ook Cerckel, van Oudfrans cercle ‘band, hoepel’. Beroepsbijnaam van de kuiper.

Citters, van: Sitters zijn landen aan de Zandwetering noordoost van Olst, Overijssel. De Van Citterspolder is een polder aan de Westerschelde en de ingang van het Sloe bij Goes en Borsele (Zeeland). Maar deze polder blijkt vernoemd naar ene van Citters. Volgens Meertens kwam Cornelis van Ceters in de 16de eeuw uit Antwerpen naar Middelburg, waar zijn nageslacht zich van Citters noemde. Eventueel plaatsnaam Citterd, van Sittard (Nederlands Limburg, uitspraak zittert.

Civil, Civile, Civiel. Frans civil; burgerlijk, eenvoudig.

Claisman, Claeisman, Kleysman, Claeyman, Klajman: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Claeis, Nikolaas.

Clart, Claert. Plaatsnaam De Klaart in Menen en Wevelgem, Clart in Neerwaasten, Kleert in Diegem: heldere, open plaats in het bos, laar.

Clabaud, Clabau, Cabault, Clabaux, Clabeaux, Clabeau, Clybouw, Clibouw, Clabou, Clabout, Clabots, Clabot, Clabodts, Clabotz, Clabos, Clabost, Claebots, Glabots, Claerboets, Clarboets, Clareboets, Clarebots. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam hlud-bald; beroemd-moedig. De d-anlaut van Germaans hl- is Romaans. In 745 komt de naam Clodbaldus voor in een cartularium van de Sint-Bertijnsabdij in Sint-Omaars. De klinker a is wellicht te verklaren door contaminatie met Oudfrans clabaud(er). De i/y door voortonige positie. Clabots komt ook voor als Cla(e)rboets en Claerbots, door verwarring met de familienaam Claerbout en door r-epenthesis (vergelijk kornijn, vernijn).

Clabeck, (van) Clabecq, Clarebeek: Plaatsnaam Clabecq/Klabbeek (Waals-Brabant).

Claerbout, Claerboudt, Claereboudt, Clarebout, Clareboudt, Clarebout, Cleerebout, Cleerbaut, Clairebout, Clairbout, Clairbaut, Kleerbaut, Cleirbaut, Cleirbout, Clerebout, Clerbout, Clerbaut, Clerbaux, Claerboets, Clarboets, Clareboets, Clarebots, Clarembaux, Clarembau, Clarembeau, Clarembeaux, Clarenbeaux, Clarambaux, Clairambourg, Clairembourg, Clarenburg: Vadersnaam. Germaans naam waarvan het eerste lid van Latijnse clarus ‘luisterrijk, beroemd’.

Claerenberge, van. Plaatsnaam Klarenberg, Duitsland.

Claerhout, Claerhoudt, Claerhout, Clarhout, (van) Cleerhout: Plaatsnaam Claerhout, Klaarhout ‘helder bos’, bijvoorbeeld in Pittem (West-Vlaanderen).

Claes, Claessens, Claesen, Claesens, Claas, Claasen, Classen, Classens, Clasen, Clasens, Claçens, Clasens, Klaas, Klaes, Klaesen, Klaessens, Klaese, Klaesen, Klaasse, Klaasen, Klaase, Klaassens, Clahsen, Class Classe, Classen, Classens, Claszen, Klassen, Klasen, Klasens, Clees, Klees, Kleszcz, Klescz, Clesens, Clesse, Clessens, Klessens, Cloos, Kloos, Clos, Klos, Klose, Cloose, Cloosen, Cloese, Cloesen, Close, Closen, Cloes, Clos, Cloës, Clohse, Closse, Clossen, Clossens, Cleus, Cleusen. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Nicolaas.

Claeswinnen, Claesswinnen. Zoon van Claes Winne.

Claeskens, Clasquin, Claskin: Vadersnaam. Claeskin, van Claes.

Claeys, Claeis, Claeijs, Clays, Clay, Clayes, Clais, Claie, Klai, Klaye, Claeye, Kleij, Klej, Kley, Kleyens, Claeyé, Claisse, Claise, Glaisse, Glaise, Claix, Cleis, Cleys, Cleij, Cleijs, Kleys, Kleisz, Kleis, Kleiss, Klys, Klysz, Klais, Klaiss, Klaeysen, Klaysen, Klaaijsen, Klaijsen, Claeissone, Clayssen, Clayssens, Claeysen Clayens, Claeyen, Claeijssens, Claeysoone, Kleijssen, Kleijsen, Klijssen, Klijsen, Klis. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Nicolaas die in West-Vlaanderen nogal eens Sint Niklaai genoemd wordt.

Claeissone komt van Claei, Claeis, wat in West-Vlaanderen de verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland, Clausson in Neder-Duitsland, Nicholson in Engelland.

(van) Clappelaer, Clappelaers. Verdwenen familienaam uit de plaatsnaam (en hoeve) Clappelaer onder Lier.

Claikens, Claykens, Cleykens, Klaikens, Klaiklens, Klaykens, Kleikens, Kleijkens, Klykens, Klijkens: Vadersnaam. Claikin, van Clais, Niklaais.

Clain, Claine. Bijnaam, verfransing van Nederlands of Duits Klein.

Clairbos, Clairbois, Clerbois, Clerboix, de Clairboy: Plaatsnaam Clairbois: helder bos, in Boursin (Pas-de-Calais). Clorbus in Moeskroen.

Clairet, Claret, Cleret, Cléret, Cleray: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Clair, heiligennaam Clams.

Clairfays, Clairfayt, Declairfay, Declairfayt, Clerfays, Clerfayt, Clerfaijt, Clerfeyt, Declerfayt: Plaatsnaam Clairfayt (Namen), in Waudrez (Henegouwen). Clairfayts (Nord): helder beukenbos.

Clairot, Clero. Vadersnaam van de voornaam Clair.

Clamar, Clamart. 1. Plaatsnaam Clamart (Seine). 2. Afleiding van Oudfrans clamer: roepen, uitroepen, verklaren.

Claparède. Plaatsnaam (Aveyron): Occidentaals clapareda: rotsachtig terrein.

Clapéron, Claperon: Franse familienaam Clapeyron, afleiding van plaatsnaam Clapier (Hérault): steenhoop, rotsachtig terrein.

Claphouwer, Claphouwers. Beroepsnaam voor iemand die hout klooft, houwt. Middelnederlands claphout: gekloofd eikenhout, eikenplank. Vergelijk Klapholz.

Clappaert. Bijnaam voor een babbelaar of kwaadspreker. Zie ook Klapper(t).

Clapuite, Clapuyt: Beroepsnaam van de man die 'uteclept', d.w.z. de klokluider, of die 'uteclopt', de omroeper, die bekendmaakt met geklop, geklap.

Clara, Claras, Clarat, Claren, Clare, Klaar, Klaren, Klare, Clarenne, Clarenn, Claerens, Claeren, Cleuren, Kler, Kleren, Kleer, Kleeren, Cleeren, Cleerens, Kleiren, Cleire, Cleiren, Cleirens, Cleren, Clerens, Verclaire, Verclairen, Vercleren, Verkleeren. Moedersnaam naar de Latijnse heiligennaam Clara.

Claret, Clarez, Clarez, Claré, Clarret: 1. Oudfrans claret: wijn met honing en kruiden. Vergelijk Clarier. 2. Zie Clairet.

Clarier, Clari, Clarie, Clairy, Clary. Beroepsnaam voor de bereider van claret (wijn met honing en kruiden).

Clarisse, Clarissen, Clarijse, Clarijs, Clarys, Clarysse, Claryss, Claris, Clarist, Cleris, Clerisse, Clairis, Clarizia: Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Claricia, van Clara.

Clarijne: Moedersnaam De meisjesnaam Clarine is afgeleid van Clara.

Clark, Clarke, Clarck, Clarkson: Engelse pendant van De Klerk.

Clary. 1. Plaatsnaam Clary (Nord). 2. Zie Clarier.

Clason. Vadersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Nikolaas.

Classet, Classiot, Glacet, Glacé, Glace, Glachet, Classet, Classée, Classez: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Nicolas; vergelijk Closset.

Claude, Clade, Clode, Glaude, Glauden, Gelaude, Geloude, Glouden, Gilaude, Galaude, Glauw, Glad, Glade, Geladen, Geladé, Geladi, Gloden, Glode, Glod, Glodé, Glodt, Glodyn. Vadersnaam uit de Franse voornaam Claude uit het Latijnse Claudius. Franse uitspraak Claude, vergelijk Waals-Vlaams rinneglod, van reine claude.

Claudel, Claudin. Vadersnaam, afleiding van Claude.

Claudepierre. Vadersnaam dubbele voornaam Claude Pierre.

Claudisse. Vadersnaam. Waalse vleivorm van de voornaam Claude.

Claudo, Claudot, Glaudo, Glaudot. Vadersnaam. Afleiding van Claude.

Claus, Clause, Clausen, Claussen, Clauses, Clauss, Clausse, Claussen, Claussenn, Claussenne, Claussem, Clous, Cloude, Clauw, Clauws, Claux, Clouw, Klous, Klaus, Klauss, Klausz, Klauwens: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Nicolaus.

Clausier, Claeysier, Claysier. Franse familienaam Closier, Clausier, Clousier. Oidfrans closier: bewaker, portier, (ook) tuinman. Afleiding van clos: omheinde plaats. Claeysier is Waals Vlaams hypercorrect, wegens Claus =Claeys.

Clausset, Claussin, zie Closet. Claustriaux, Clautriau, Clautriaux: Afleiding van Oudfrans cloistre, van Latijn claustrum: omheining, klooster. Clautier: Franse beroepsnaam Cloutier: nagelmaker, nagelsmid.

Clausman, Clausmann. Naam afgeleid uit Claus, voor iemand die wellicht bij de groep/aanhang van ene Claus hoorde.

Clauwaert, Clauwaerts, Clauwaerdt, Clauwert, Clauwers, Clouwaert: Bijnaam van de klauwaard, de Vlaamsgezinde, naar de klauwende leeuw in het wapen van Vlaanderen.

Clauwens. Vadersnaam. Waarschijnlijk van Claus of Klawes.

Claux. 1. llaatsnaam, Frans Clos: omheining. Zie Duclos. 2. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Niclaux, Nicolaus.

Clauzé. 1. Closet, afleiding van Oudfrans clos: perkje, kleine afgesloten plaats. 2. Vadersnaam, afleiding van heiligennaam Nicolaus. Zie Closet.

Clavareau, Clavaveau, Clavero: Beroepsnaam. Afleiding van clavier: portier, de man die de sleutels houdt.

Claveaux, Clavel, Clavelle, Clavaux: Uit Oudfrans clavel ‘nagel’. Beroepsbijnaam.

Claverie, Clavery. Oudfrans claverie: plaats waar de sleutels bewaard worden.

Clavers. Waarschijnlijk variant van Lavers/Lauwers.

Clavie, Clavier, Clavir: Beroepsnaam van de portier, die de sleutels houdt.

Clayton. Engelse plaatsnaam. (Lancashire, Staffordshire, Sussex, Yorkshire).

Clé, Cle, Clee: 1. Zie Leclef. 2. Moedersnaam. Korte vorm voor Cleme = Clementia. 3. Clés, korte vorm van de voornaam Nicolas?

Clear, Cleare, Clears, Clearman. Engelse naam. 1. Moedersnaam uit de naam Claire, Clara. 2. Naam uit de plaatsnaam Clare (Suffolk, Oxfordshire) of uit Clere (Hampshire). 

Cléban, Clébant, Cleban, Clebant, Clevan: Latijn clibanus: oven. Beroepsnaam voor iemand die een oven heeft, een bakker.

Cleda, Cléda: Plaatsnaam Cléda(t), Occidentaalse vorm van claie: gevlochten omheining, rijshout.

Clee, van, de, van (de) Clee, van Clé: 1. Plaatsnaam Klee in Kuttekoven (Limburg). 2. Hypercorrect voor Verclemen.

Cleempoel, van, Cloempoel: Plaatsnaam Kleempoel: leempoel, bij Aalst, in Zemst (Vlaams-Brabant).

Cleemput, van Cleemputte, van Cleemput, van Klemput, van Kleemput, van Clemput, van Clemputte: Plaatsnaam Kleemput ‘kleiput’ in Adegem, Elverzele, Lokeren, Lovendegem (Oost-Vlaanderen).

Cleenewerck, Cleenewerk, Cleenwerck: Beroepsnaam voor de vervaardiger van klein werk, precisiewerk, fijn afgewerkte artikelen.

Cleer, de, de Kleer, de, Cleire, de Cleir, de Cleyre, Decler, Declère, Declair, Duclaire, de Claere: 1. Bijvoeglijk naamwoord cleer/claer: helder, schitterend, stralend. Vergelijk Leclair. 2. Zie Leclerc.

Cleijen, van der, van der Cleyen, vvan der Klijn, van der Kleij, van der Kley, van de Caleye, Vercleyen, Vercleyn, Verklije, Verkleij: Plaatsnaam Ter/Ten Kleie: kleiachtige, leemachtige plaats. Waals-Vlaams kaleie: klei. Plaatsnaam in Zuidpene (Frans-Vlaanderen), Adegem (Oost-Vlaanderen), Koolskamp, Lichtervelde (West-Vlaanderen) Appelterre, Zonnegem (Oost-Vlaanderen).

Cleinge, Clainge, Clinse: Waalse aanpassing van Kleine.

Clelland. Schotse familienaam Cleland. Plaatsnaam Clelland 'clay land' bij Motherwell (Glasgow).

Clem, Clemm, Clam: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Clemens.

Clembos. Waarschijnlijk plaatsnaam Klein Bos.

Clémer, Clémeur, Clemur, Clemer: Waalse aanpassing van Duits Klemmer: gierigaard, vrek. Of van Middelnederlands klemer: leemwerker, leemplakker.

Clemen, van. Hypercorrect voor moedersnaam Verclemen.

Clemens, Clemense, Clemense, Clemente, Clementi, Clementz, Clement, Clements, Klement, Klemens, Klement, Cleyman, Cleymans, Climent, Klimens, Kleman, Klemans, Klemann, Clemans, Clemang, Clemmink: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Clemens ‘zachtmoedig, genadig’.

Clemhout, Clemhaut. Plaatsnaam in Erwetegem, Oost-Vlaanderen.

Clemme. Moedersnaam, vrouwelijke vorm van Clemens.

Clemmen, Clemmens, Clemen, Klemen: 1. Vadersnaam. Vlaams Clemmin, vleivorm van heiligennaam Clemens. 2. Moedersnaam van vrouwelijke Clemme.

Clemmersseune. Moedersnaam. Zoon van Clemme.

Clemminck: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Clemens.

Clémot, Clamot, Glémot, Glemot: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Clemens.

Cléomède. Kleomedes is een Griekse sterrenkundige uit de 1ste eeuw voor. Chr.

Cleopater, Cleopatre: Kleopatra is de naam van zeven Egyptische koninginnen.

Cleophas, Clefas. Vadersnaam afgeleid van de Griekse heiligennaam Cleofas.

Clep, Cleppe, Kleppe, Klep, Clippe, Clip, Klippe, Klip. Het Middelnederlands cleppe betekent klep, ratel. Vermoedelijk betreft het de beroepsnaam van een omroeper of klokkenluider. Er bestaan nog een aantal varianten die allemaal naar die omroeper/klokkenluider verwijzen. Clepkens en Clipkens zijn aflleidingen van Cleppe.

Cler: Spelling voor Frans Clair, van Latijnse heiligennaam Clarus? Of spelling voor Frans Clerc ‘klerk’.

Clerck, (de), (de) Clerc, de Clercq, de Clerq, Declercq, de Clercque, de Clerque, de Klerck, de Klerk, de Klercq, de Klercq, de Clersk, Declercq, Clerckx, Clerq, Clerc, Clerq, Clercx, Clerx, Klerckx, Klerkx, Klerks, Klerx, Clercxkens. Uit het Latijn clericus: geestelijke die de lagere wijdingen (en dus een opleiding) ontvangen heeft. Aangezien in de middeleeuwe de geestelijkheid de enige geletterde stand was, kreeg klerk de betekenis; geleerde, dichter, schoolmeester, student, geletterde, geheimschrijver, griffier, schepenklerk, secretaris. Een beroepsnaam dus.

Cleijman, Cleijmans, Clijman: 1. Uit Kleinman(s). Bijnaam voor een kleine (man). 2. Zie Klemans.

Cleijn Brem, de: Plaatsnaam ‘klein bremveld’?

Clerdent, Clerdant, Clerdain, Clerdain, Clairdain, Clairedent, Clerdy, Klerdan. Bijnaam voor iemand met schitterende tanden (dents clairs).

Clerix, Clerinck, Clerinck, Clerink, Clerinsx, Clerick, Cleriyck, Clarick, Clierick, Clierik. 1. Vadersnaam uit de heiligennaam Clarus of uit Claerbout (Latijns-Germaans). 2. De vormen op -ick, -yck kunnen varianten zijn van Clerck.

Clerf. Franse spelling voor Clerc.

Clerfond. Plaatsnaam; heldere bron. Vergelijk Clairfontaine.

Clergeon. Afleiding van Frans Clerc.

Clericy, Clairicy: Afleiding van Clericus: klerk.

Clérin, Clerin: Vadersnaam. Vleivorm van Clair, heiligennaam Clarus.

Clerinck, Clerincx, Clerinx, Clerinsx, Clerick, Clerix, Cleryck, Clarick, Clierieck, Clieriek, Clierinck: 1. Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Clarus of van Claerbout. Vergelijk Nederlandse familienaam Klaring. 2. De vormen op -ick/-yck kunnen eventueel varianten zijn van Clerk, met svarabhaktivocaal.

Clermont, de, Clermon, Clermonts, de Claremont: Erg verspreide plaatsnaam Clermont: schitterende berg (onder meer Oise, Luik, Namen). Clermont-sur-Berwinne (Luik).

Clerquin, Clairquin: Moedersnaam van de voornaam Clara, Frans Claire.

Clerson. Vadersnaam. Vleivorm op -eçon van heiligennaam Clarus.

Cléser, Cléseur, Cleseur: Waalse aanpassing van Duitse familienaam Gleser= Gläser: glazenmaker.

Clesse, Clessens, Waals. (Bastogne) Clèsse.

Clette. Middelnederlands clitte: klit, klis. Bijnaam voor iemand die overal blijft hangen; of voor een doorzetter?

Cléty, Clety. Plaatsnaam, Pas-de-Calais.

Cleutjes. Afleiding van Cloot, zie Cloetens.

Clevenbergh, van Cleuvenberg, Cleuvenbergen: Plaatsnaam. Misschien Kleverberg in Wingst (Duitsland).

Clever, Clevers, Cleveur. Naam die wellicht komt uit het Kleber: 1. Variant van het Duitse Klaiber: metselaar. Beroepsnaam. 2. Verduitste vorm van klever: beven. Bijnaam. 3. Of uit de plaatsnaam Kleef: zie Kleef. 

Clewes, Clews, Cleves, Cleves, Clévis, Clevis: Vadersnaam. Variant van Nicolaus.

Cleyberch, Cleybergh. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam in Wulpen (Zeeland = verdronken eiland bij Cadzand), Bissezele (Frans-Vlaanderen) of Oedelem (West-Vlaanderen).

Cleymaet, Cleymoet: Plaatsnaam Kleimaat in Erwetegem (Oost-Vlaanderen): maailand op kleibodem.

Cleyman, Cleymans, Cleijman, Clijmans, Clymans, Clyman: 1. Afleiding van der Cleye. 2. Uit Cleinman(s). Zie Kleinmann. 3. Zie Clemens. 4. Cleyman(s) kan variant zijn van Claeyman.

Clibouw, Clybouw, Clijbouw: 1. Uit Clibaud, Romaanse vorm van Germaanse voornaam Clidebald. 2. Zie Clabau(d).

Clicheroux. Bijnaam van cliceroul; klokgelui.

Clicteur, Clicteux; Cliqueteur, van cliqueter (vergelijk Cliquet): rinkelen, rammelen, ratelen. Beroepsnaam van de belleman.

Clignet, Clignez, Cligniez, Cliegnet, Clygnet, Clinier, Clinet, Clinez: 1. Vadersnaam van Colli(g)net, afleiding van de voornaam Nicolas. 2. Eventueel van Frans clignet, Oudfrans clinet: clin d'oeil, oogwenk, knipoogje. Bijnaam.

Clijnen, Clynen, Klynen, Klijnen, Kleinen, Kleynen, Kleijnen, Cleynen, Cleijnen, Cleenen, Klenen. 1. Vadersnaam uit Kolijnen, van Colijn: knuffelvorm uit de heiligennaam Nicolaes. 2. Of vorm van Klein: zie daar.

Climme, de, Climmer, de, de Clinner: Middelnederlands climmer: klimmer; ook muntnaam.

Clin. 1. Plaatsnaam van Oudfrans clin; helling. 2. Waalse aanpassing van Klein.

Clinckspoor, Clinkspoor, Klingspor, Klinspoort, Klinsport: Beroepsnaam van de smid, die ruitersporen maakt, klinkt.

Clinard, Clinaz. Afleiding van Oudfrans cliner; zich buigen, groeten.

Clinkemaille, Clinkemaillie, Clinkemallie, Clinkemalie, Clinckmaillie, Clynkemaillie, Clynckemallie, Klinckemaillie, Klinkemaillie, Klinkemallie: Bijnaam. Zinwoord: klinken: doen rinkelen + maille/malie: muntstuk ter waarde van een halve penning. Bijnaam voor iemand die het geld laat rinkelen. Vergelijk Pincemaille, Gaingnemaille.

Clinquant. 1. Clincamp Picardische variant van plaatsnaam Clinchamp (Hte-Marne), Clinchamps (Calvados): hellend veld. 2. Oudfrans clinquant: lawaaimakend.

Clipet. Oudfrans clipet: klepel; ook Picardisch clipet: luide stem. Beroepsnaam voor de belleman, omroeper.

Crement, Cremens, Cremmens. Wellicht schrijfvariant van Clement, Clemens. Zie verder bij Clemens.

Cliblouw, Clybouw, Clijbouw. Vadersnaam uit Clibaud, dat is de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Clidebald (: beroemd-moedig).

Clichthove (van). Familienaam naar een hoeve in een dal gelegen, of hoeve met hoge wallen. Er was een Clichthove gelegen in Pervijze-Ramskapelle.

Clicteur, Clicteux. Naam uit het Franse cliqueteur, uit cliqueter: rinkelen, ratelen, rammelen. Beroepsnaam van de belleman.

Clijsters, Clysters. Uit het dialectisch Middelnederlands klijster: lijster (de zangvogel). Bijnaam voor een goede zanger.

Clinkspoor, Clinckspoor, Klingspor, Klinspoort, Klinsport. Beroepsnaam van de smid die ruitersporen maakt, klinkt.

Clippel, De Clippel, Clippele, (de) Klippel, Kluppels, Cluppel, Cluppels. 1. Bijnaam voor een kluppelaar. Iemand die zich verdedigt met een kluppel. 2. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. 3. Naam uit het Middelnederlandse clepel, clippel: klepel van de klok. Beroepsbijnaam voor de klokkenluider.

Cliquart. Afleiding van Oudfrans cliquier; lawaaimaker. Bijnaam.

Clique, Clique, Clicq, Clycq. 1. Naam uit het Oudfranse clique: klokgeklep. Beroepsbijnaam van de klokkenluider. 2. Of uit het Oudfranse clique: deurklink. Beroepsbijnaam.

Cliquet, Cliquot. 1. Oudfrans cliquet: gerinkel, geratel. Beroepsnaam voor de belleman, ratelaar. Vergelijk Ratel, Clicteur. 2. Afleidnig van Oudfrans clique: deurklink, grendel. In het 'Jeu de Saint-Nicolas' uit de 13de eeuw heet de dief Cliquet.

Clisse, Clissa, Clissen, Clissens, Clessens, Clesse: Moedersnaam van Latijnse heiligennaam Clarissia.

Clisse, van de, Clissen, van de, van der Chlissen, van der Klissen: Plaatsnaam. Middelnederlands clisse: klis, Middelnederlands; leem, kleiige aarde.

Clitandre, Clithander, Clithandere. Vadersnaam, Griekse voornaam.

Clits. Wellicht afleiding van Clette.

Cloarec, Cloërec: Bretonse beroepsnaam: klerk.

Clobert, Cloubert, Globert: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam hluth-berht; 'beroemd-schitterend': Hlodebertus, Glotbertus.

Clobours, Clobourse. Gesloten beurs. Bijnaam voor een gierigaard.

Clobus, Glabus: Vadersnaam van Clobes, Nederduits Klabes, van Klawes, Nikolaus.

Clochet, Clochette, Cloché, Cloquet, Cloquette, Clocquet, Cloqué, Closquet, Klocké: 1. Beroepsnaam van de klokluider of de belleman. Frans clochette, Picardisch cloquette: klokje. 2. Huisnaam. 3. Bijnaam voor een blinde, naar zijn belletje:

Clocheret, Clocherez, Clocherieux, Clochereux. Afleiding van clocher; torentje.

Clock, van der. Plaatsnaam in Duffel, Antwerpen.

Clockman, Clockmans, Decloquement, Descloquement: Beroepsnaam van de klokluider of de stadsbeambte die het stadshorloge onderhoudt.

Clodion, Claudin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Nicolas.

Cloeckaert, Cloeckaerts, Cloekaerts. 1. Naam uit het Middelnederlandse cloec. Bijnaam voor een schrander, vernuftig, verstandig, krachtig mens. 2. Mogelijk soms ook bijnaam uit het Middelnederlandse clocker: klokkenluider.

Cloet (de), Kloet, Cloutte, Clout, (de) Cloedt, Cloudt, Cloud, Cloets, Cloodts, Cloots, Cloot, Clooth, Kloote, Kloot, Kloots, Kleuts, Clot, Cloth, Clotte, Kloth, Kluth, Cloët, Kluit, Kluits, Cludts, Cluyts, Cludts, Cluts, van de(n) Cloot, van de Cloodt, van der Kloot, van de Kleut. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse cloot: klomp, kluit, (speel)bal. Soms als scheldwoord voor een lummel, een sukkel. 2. Plaatsnaam uit het Middelnederlandse cloot: kluit, klomp, klei, turf. Dit voor de namen met VAN. 3. Mogelijk ook vadersnaam uit een Germaanse clodo, hlue, hluth naam, vergelijk Clothilde (Chlodehilde) en Clovis (Chlodovech, Lodewijk). De familienaam Cloet moet als Kloot worden uitgesproken.

Cloetens, Clooten, Clootens, Clootz, Cloots, Kloots, Klootsema, Clootens, Cloetens, Cluytens, Kloos, Klosma, Clotinck, Cloetingh, (dorp Kloetinge bij Goes) Clotes, Clottens, Cleutinx, Cluyten, Cluytens, Cluijten, Cluijtens, Cluten, Kluten. Vadersnaam met Romaanse invloed uit een Germaanse hluth naam, vergelijk Clothilde (Chlodehilde) en Clovis (Chlodovech, Lodewijk).

Cloître, Frans cloître: klooster. Plaatsnaam. Vergelijk Van Clooster.

Cloix, Clais, Clos; omheining, afsluiting.

Clokeur. Waalse aanpassing van Cloker, zie Cluckers.

Clonen. Beroepsnaam voor de klompenmaker. Dialect kloon (Kempen): klomp. Nederduitse familienaam Klôhn, Klonhammer.

Cloof. Beroepsnaam van de (hout) klover, lattenklover.

Cloo, du: Spelling voor Duclos. Franse plaatsnaam Clos ‘omheining, omheind terrein’. Zie ook de Kloe.

Cloosterin. Na de afschaffîng van de kloosters werd op 8 juli 1787 in Brussel een vondeling Bruno Cloosterin genoemd: Klooster in!

Cloostermans, Kloosterman, Kloostermans, Klostermann, Closterman, van (der) Klooster, van (der/n) Clooster, ten Klooster, van ’t Klooster. 1. Afleiding van Van den Clooster. 2. Knecht, horige of pachter van een klooster.

Closter, Kloster. Familienaam uit de betrekkingen (knecht, horige, pachter of zelfs vondeling) met of de woonplaats bij het klooster.

Cloot, van de, den, van de Cloodt, van der Kloot, van de Kleut: Plaatsnaam. Middelnederlands cloot: kluit, klomp, hoop (aarde, klei, turf). Kloot in Hoeselt (Limburg).

Clooter, de Clootere, de, Kleuters, Cleuter, Cleuters, Kloter, Kloters: 1. Middelnederlands cloter: balspeler. Bijnaam. 2. De Clooter(e) kan ook de Vlaamse uitspraak weergeven van De Cloître.

Clopper De, Klopper, Kloppert. Bijnaam of beroepsnaam van een klopper. Dit kan vele betekenissen hebben: Bijvoorbeeld beroepsnaam van de klokluider; dialect kloppen: luiden (bijvoorbeeld de koster van Knokke klopt de Knokse klokke; Waals Vlaams de drie klopkes: de drie klokslagen). Vergelijk Klepper.

Clopterop. Reïnterpretatie van een plaatsnaam op -trop, klankverandering van -torp, -dorp. Vergelijk Hoenderop, Oosterop, van Klapdorp.

Closkin, Closquin. Vadersnaam uit Clos, die is dan weer afgeleid uit de heiligennaam Nicolaas. 

Closet, Close, Closon, (de) Closset, Closson, Clausset, Claussin, Clauzé, Klosé: Vadersnaam. Vleivormen van Clos, de heiligennaam Nicolaus.

Closjans. Vadersnaam Clos, Claus + Jan. Vergelijk Duits Claushans.

Closkin, Closquin: Vadersnaam. afleiding van Clos, heiligennaam Nikolaas. Vergelijk Claeskens.

Clospain, Cloespin: Vadersnaam. Vleivorm op -epin van de voornaam Nicolas. Vergelijk Closkin enerzijds en Hannep(a)in, Colpin anderzijds.

Closquet, Closket: Vadersnaam. Afleiding van Clos, Claus, heiligennaam Nikolaus. Vergelijk Closkin.

Clossart, Clossa, Closa. Vadersnaam van Clos, van Nicolaus.

Clotman, Clottemans, Cluytmans, Cluitmans, Kluitman, Kluitmann, Klutman. Naam uit het Middelnederlandse clot(te): bol, klomp. Mogelijk bijnaam voor een bol iemand.

Clowting: Engels familienaam Clouting, van middel Engels clouting, van het werkwoord to clout ‘oplappen, herstellen’.

Clumpkens: Verkleinvorm van klump ‘klomp’. Bijnaam naar de geblokte, gedrongen gestalte, naar het lompe voorkomen. Of beroepsbijnaam van de klompenmaker.

Cluny. Plaatsnaam Cluny, (Saône-et-Loire).

Cluyse, Cluysen, Cluyssen, Cluyssens, Kluysse. Vadersnaam, Limburgse vorm van Claes. Zie aldaar.

Clijneke: De Vlaamse familienaam Clyncke, spelling voor Clincke; zie Klink.

Cnevelaere, de, Cnevelare, de, Cnevelère: Beroepsnaam van de beul die de gevangenen knevelt, boeit. Duitse familienaam Knebeler.

Cnobloch. Duits Knoblauch; knoflook. Bijnaam.

Cnocke, van de, Verknocke, Vercnocke, Vercknoske: Verspreide plaatsnaam Knok(ke): kruispunt, heuveltop, bocht. Knokke (West-Vlaanderen).

Cnodder, de. Van Middelnederlands cnodden: knopen. Beroepsnaam van iemand die draden in weefsels bond of knoopte, die grove weefsels of matten knoopte. Vergelijk Engels Knotter, Duits Knutter.

Cnodtenberg. Duitse familienaam Knottenberg. Plaatsnaam; als een rots oprijzende berg, in Essen.

Cocquibus, Coquibus, Decoquibus, Decoquibut, Cogibus: Bijnaam. Oudfrans coquibus: gek, dwaas, idioot, sul, kwibus. Jehan Quoquibus, Soisson. In 1397 was er in St.-Omaars een Kokibusstraete. Vergelijk Coquillart.

Coderc, Couderc, Couder, Coudert, Coudère, Couderé: 1. Ook Coudeyre. Provencaals couderc: algemene weide. 2. Zie ook Coudroy.

Cosquer, Cousquer,Couscheir, Coucheir: Bretonse plaatsnaam Cosquer, van cozh ker : oude stad.

Covin, Couvin, Covyn, Covijn. Plaatsnaam Couvin, Namen.

Coates. Variant van Engelse familienaam Cote(s) van plaatsnaam Cote(s): kot, hok, hut, huisje.

Cobaux, Coubeau, Coubeaux, Coubaux, Coubauw, Cobo, Cobos: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Kobboud; zie Cobbaut 2.

Cnossen, Knossen, Knossens. Vadersnaam. Plaatsnaam Knossens bij Bolsward, eerder Knozens; van de bewoners van Knodso.

Cobbaut, Cabbaut, Cabaut, Cobaux, Coubeau, Coubeaux, Coubaux, Coubauw, Cobo, Cobos. 1. Naam uit het Middelnederlandse cobbout: kabouter. Bijnaam voor iemand met een kleine gestalte. De vijf laatste zijn wellicht Romaanse vormen. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam cuth-bald. 3. Her en der is Cobbaert ook ontstaan uit Cobbaut. Zie Cobert.

Cobben, Cobbe, Cobbé, Koben: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse voornaam Kodbert of Kodboud.

Cober, Cobert, Caubert, Kobert, Kobbert, Cobbaert, Cobbaerts, Cubert, Cuthbert, Cutburth: Vadersnaam. Germaanse voornaam Kodbrecht, naam van St.-Cuthbert (†687). Zie ook Cobbaut.

Coblence, Comblence: Plaatsnaam Coblence, Franse vorm van Koblenz.

Cochet, Coché, Coche, Cocher, Cochey, Cocheyt, Ducochet, Ducoche, Ducochez, Decochez, Couché, Coucheez, Coussee, Coussée, Cosset, Cossé, Cossee, Cossey, Coxet, Cocquet, Koket, Coquet, Coquette, Cockett, Cocket, Cockheit, Cockheyt, Cockheijt, Cocqueydt, Coetzee. Bijnaam afgeleid van het Franse coq: haan. Zie ook Cosset.

Cock, de, Cok, Cockx, Cock, ter, Hancock, Peacock. Beroepsnaam voor iemand die met hanen of pluivee werkt. Zie ook de volgende.

Cockaert, Cockaerts, Cockaers, Cocquaert, Cocquart, Coquart, Cocart, Cocca,Cokkaerts, Cokaerts, Kokaert, Kokart, Koka, Kokas, Kockaerts, Kockaer, Kockarts, Kockartz, Cochard, Cochart, Coukard, Koekaerts, Coekaert, Coekaerts, Coeckaerts, Couchart, Couchard, Kuckart, Kuckarts, Kuckaertz, Kuckartz, Kuckertz, Kukart. 1. Bijnaam uit het Oudfranse coc (haan), het Oudfranse cocart: onnozele hals, verwaande, opschepper. Of uit het Middelnederlandse cockaert: suffer, sul. 2. Vadersnaam uit Cochoul. Betekenis ? 3. Zie ook Crokaert(s).

Cockman, de. Beroepsnaam, van De Cock.

Cockmartin. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Caumartin.

Cockroft. Engelse familienaam Cockcroft, naar de woonplaats bij een neerhof. Engels cock: haan; croft: hoevetje.

Coclers. Wellicht Luikse aanpassing van Duitse familienaam Kugler.

Coclico. Middenfrans coquerico: haan, hanengekraai. Vergelijk Hanekroot.

Coco. Vadersnaam. Door reduplicatie van Colin.

Cocquereau, Cocquereaux, Cockqueriaux, Coquereau, Coquereaux, Coqueriaux, Quoquériaux, Cocquerelle, Cocquerel, Coquerel, Coquerelle, Coquerelles: Afleidng van Frans coq: haan. Bijnaam. Hieruit eveneens Engels Cockerill.

Cocquereaumont, Cocriamon, Cocriamont, Cocréamon, Cocréamont, Cocreamont, Cocreamon, Cauquereaumont, Cauqueraumont, Coquereelmont: Plaatsnaam Cocquereaumont in Moustier-lez-Frasnes (Henegouwen), Cocriamont in Blandain (Henegouwen), Verlaine (Luik), Mettet (Namen), Sart-Dame-Avelines (Waals-Brabant), Elzele (Henegouwen).

Coehorst, Cuhorts, Cohorst, Coehors, Koehorst, Kohorst, Kohors. Familienaam uit de plaatsnaam Koehorst (Dinklage, Duitsland). Koe: plaats waar koeien graasden. Horst voor hoogte, versterking en dikwijls overgegaan op boerderij. Koeienhoogte.

Codde, Codden, Coddens, Codd, Coddé. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de Germaanse voornaam Cuddo, zie bij Codde. 2. Of uit het Middelnederlandse codde: knots, knuppel. Bijnaam naar het voorkomen of voor de coddenaer: met een knots bewapende krijger.

Coddeville, Coudeville, Codeville, Coudevylle, Cudeville, Codevelle, Codvelle: Plaatsnaam Coddeville (Pas-de-Calais).

Codemus. Vadersnaam. Korte vorm van Griekse heiligennnaam Nicodemus. Vergelijk Italiaanse familienaam Nicodemi, Coderai.

Codts, de. Wellicht hypercorrect voor Middelnederlands cuts: koopman, verkoper.

Coduys, Coduijs: Onzeker. Spelling voor plaatsnaam Koudhuis? Vergelijk Duits Kalthausen. Of Waalse aanpassing van Coudyser?

Coe, de Koe; Bijnaam naar het rund, de koe. Vergelijk Kalf, Bontekoe.

Coekaert, Coekaerts, Coukart, Coukard, Coeckaerts: 1. Afleiding van koek. Bijnaam voor koekeneter of-bakker. 2. Zie Cockart.

Coelmont, Coulmont, Coulmant, Colmont, Colmonts, Colmon, Coelemonts, Coelemont, Colemonts, Colemont, Colemons, Colémont: 1. Plaatsnaam Co(e)lmont in Overrepen (Limburg), Colmont in Voerendaal (Nederlands Limburg). 2. Plaatsnaam Col(le)mont (Henegouwen?).

Coelus, Coeleis, Coelis, : Waarschijnlijk aanpassing van Engelse vadersnaam. Coles, Collis, zoon van Nikolaas. De vorm Coelens naar analogie van de talrijke namen op -ens. Coelen, Koelinga, Coeingh, Colinck, Koelinck, Koolsma, Coolsma, Coolen, Coole, Engelse Coles met Coleshill in Warwickshire, Koolskamp in West-Vlaanderen, met Kooltjes van de voornaam Kool en Cool.

Coemaet, Coemoth, Comoth, Comouth, Comuth, Koumoth, Komuth: Uit Quade maet. Bijnaam voor een bedrieglijk koopman, die een vervalste maat gebruikt.

Coemelck, Koeyemelk: Koeyemelk door volksetymologie van Coemelck, van koude melk. Voor de d-syncope, vergelijk Coebergh. Vergelijk Koldewey en Duits Kùhlbrei.

De Coen, De Coene, De Coun, De Coene. Bijnaam voor iemand die koen, dapper is. Vermoedelijk eerst uit de voornaam Koen.

Coenaert, Coenaerts, Coenart, Coenaers, Coenaes, Kunhart, Conaert, Conaerts, Conard, Conart, Connart, Connaert, Connaet, Coonar, Coonard, Coonaert, Coonart, Konat. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam kôn-hard: koen; sterk.

Coenegracht, Cenegrachts, Coengrachts, Coenegras, Koenegracht. Naam uit de plaatsnaam Koenegracht in Riemst (Limburg).

Coenemans. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Coen, Koen.

Coenraet, Coenraets, Coenraads, Konraad, Coenraads, Koenders, Coenders, Koenderman, Koendertse: Vadersnaam. Germaanse voornaam Koenraad: kôn-rêd‘koen-raad’: Conradus.

Coensel, de, de Cunsel: Verhaspeling, misschien van Duconseil die in 1820 in Pas-de-Calais voorkwam.

Coerdes: Vadersnaam. Duits familienaam Kordes, van de voornaam Konrad.

Coertjens, Courtjens, Cortjens, Cortiens, Kortges, Kortgès, Cartiens: Vadersnaam, afleiding van Koert : Koenraad.

Coester, de. 1. Bijnaam, Waals-Vlaams kwelster, kooster: grote lijster, bloklijster. Vergelijk Middelnederlands qualster: lijsterbessenboom. 2. Eventueel verschrijving van De Coster of aanpassing van Lecoester.

Coetsier, Coetsiers, Coutsier, Coutsiers, Koetsier. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse cautsiër, cauchier: stratenmaker, zuid Nederlands kasseier, Picardisch cauchie; straatweg.

Coeurderoi, Coeurderoy. Bijnaam coeur de roi: koningshart. Bijnaam voor een grootmoedig, royaal mens?

Coevorden, van. 1. Plaatsnaam Coevorden (Drenthe). Vancouver (Canada) werd in 1792 verkend door Georges Vancouver, die afstamt van Van Coevoorden. 2. Plaatsnaam Koevoort in Atrecht, Helmond.

Coeyer, de, Coeyere, de, de Coeijer, de Coëyer, de Coyer, Coyere, de Koeyer, Koeyers: Middelnederlandse beroepsnaam co(o)yer: eendenhouder, die de eenden in de kooi opsluit. Vergelijk Kooyman.

Coeyghem, van, van Coyghem: Plaatsnaam Kooigem (West-Vlaanderen).

Coffez, Coffé, Coffey, Cuffez, Couffez. Vadersnaam uit de knuffelvorm van Godefrois.

Coffigniez, Coffinier: 1. Lees Coffi(g)net, afleiding van Coffin. 2. Eventueel beroepsnaam Coffinier: mandenvlechter, verkoper van korven.

Coffineau, Coffernils: Vadersnaam van Coffinel, afleiding van Coffin.

Cogghe, Cogge, Cogen, Coghen, Cogh, (de) Coge, Coghe, Kog, Kogge, Coget, Cogez, Cogé, Cogee, Couget. 1. Naam uit het Middelnederlandse coge: pest. Bijnaam. 2. Middelnederlands cogge ‘breed platrond schip, oorlogs-, koopvaardij-of konvooischip’. Beroepsbijnaam van de schipper of huisnaam.

Cohen, Cohn, Kohen, Kohn, Cahen, Cahn, Cahan, Kahn, Kahan, Kahane, Kahana: Joodse naam van een priesterkaste.

Coheur. Afleiding van Waals cohe: tak; coh(e)ure: snoeisel, het snoeien. Familienaam voor een snoeier.

Cohrs, Cöhrs, Coërs: Vadersnaam. Duitse familienaam van Kohrt, Koenraad.

Cohy, Cowie: Franse familienaam Coyer, Coyez, Waals co(h)t: slijpsteenbakje (voor zeis) Beroepsnaam.

Cognard, Coignard, Congnard, Coëgnaerts, Coëgnarts, Ceugnart, Conjaerts, Conjaarts, Conjers, Coenjaerts, Conyard, Gougnart, Gouugnard, Coiffard. Afleiding van Oudfrans coife: hoofddeksel. Oudfrans coifart: maker, verkoper, drager van hoofddeksels. Vergelijk Cappaert.

Goignard: 1. Afleiding van Oudfrans coignier; stoten, slaan. Bijnaam. 2. Vadersnaam van Col(i)gnard; vergelijk Colgnet van Colinet. 3. Variant van Caignaert.

Coignau, Coigneau, Cogneau, Cogneaux, Cogniaux, Cogniau, Cogniat, Cognaut, Cognaux, Cougneau, Quignaux: Afleiding van Oudfrans coing: hoek.

Cognioul, Coignoul, Ouoniou: Bijnaam. Waals cognoûle: kornoelje, Cornus.

Coigne, Coignet, Coigné, Goigni, Coignez, Coognies,Ceugniet, Ceugniet, Ceugniez, Coeugnie, Coeuge, Cougnet, Cognie,Coisne, Coine, Coinne, Coynnie, Coyne, Coenye, Coeny, Coenije,Counye, Coye, Couneye, Cugny, Cugnet, Cuigniet, Cuignet, Cuigni, Cuignez, Ceuignet, Coeugriet, Cuingnet, Quignet, Quiniet, Cuiniez, Cuinie, Cuin-ié, Kygneé, Kynee, Kinnie, Kinjet, Kinget. 1. Naam uit het Oudfranse coing, coinget: hoek, hoekje. Naar de woonplaats. Coing, coinget is ook hak of bijl: beroepsbijnaam van de houthakker. 2. Sommige namen kunnen komen uit Caignet. Zie Cagni(e).

Coillie, van, van Coille, van Coile, Coille, van Coëllie, van Coeillie, van Coullie, van Collie, van Couillie, van Couille, van der Ceuille, van der Koille, van der Colle, van der Coilden, van der Colden, van der Coelden, Vercoille, Vercouillie, Vercouille, Vercoullie, Verkouille, Verkolje: Plaatsnaam in Oostnieuwkerke: Romaans collia, van collis: heuvel. Coilde is Oost Vlaams.

Cointre, de; le Coentré: Hypercorrecte vorm voor Lecointe. Oudfrans cointe, van Latijnse cognitus ‘wijs, ervaren, bevallig, aardig’. Bijnaam.

Cointrel, Cointreau. Bijnaam. Oudfrans cointerel: ijdel, behaagziek, koket, galant.

Coipel. Beroepsnaam. Oudfrans coispel: gesp. Vergelijk Beuckels.

Coja, Cojan, Cojean, Coia, Coïa: Bretons Cojan: oude Jan of Cojen: jonge stier?

Cokaiko, Cokaikô, Cockaicko, Cocaiko, Kokaiko: Plaatsnaam in Profondvaux en Saive (Luik): klanknabootsing van het hanengekraai.

Coksay. Luiks-Waalse afleiding (van -icel) van Coq: haan. Vergelijk Haantjes Col: 1. Zie Kool(e). 2. Bijnaam. Middelnederlands col(le): witte plek op het voorhoofd van paard of rund.

Colaes, Colase, Cola, Collache, Collage, De Colage, Collasse, Collas, Colla, Collassin, Colassin. Vadersnaam, verkorte vorm van Nicolaes. Collasin is de knuffelvorm.

Calagiovanni, Colaianni, Colajanni: Italiaanse dubbele vadersnaam. Nicolaas + Johannes.

Colans, Collant, Colland. Vadersnaam uit het Germaanse kun-land; geslacht- land. 

Colantoni, Colantonio. Italiaanse dubbele vadersnaam, Nicolaus + Antonius.

Corad, van, Waarschijnlijk de vadersnaam Collard met secundair voorzetsel. De plaatsnaam Kolaard in Gistel (West-Vlaanderen) of Collard in Geldenaken (Waals-Brabant) is waarschijnlijk de familienaam zelf.

Colardyn, Colardijn, Colardin. Vadersnaam. Vleivorm van Nikolaas met dubbel suffix ard-in.

Colaris, Collaris, Collaro: Latinisering van Collard? Of Italiaanse vorm?

Colau, Colaut, Coleau, Coleaux, Colau, Colaux, Colleaux, Colleau, Colliaux, Colliau, Colliay. Vadersnaam van Collel, van de voornaam Nicolas.

Colbach, Colback, Colbag, Colbecq: Plaatsnaam Colpach of Kollbach (Duitsland, Beieren).

Colbert, Colbers, Collebert. Romaanse vorm van Germaanse voornaam: Colobert; Colbert.

Colldenhoff. Plaatsnaam Coldenhove, Gelderland.

Colders, Coldre: Middelnederlands colre: ringkraag (Frans collier), kolder, kuras. Bijnaam of beroepsnaam.

Colditz. Plaatsnaam bij Leipzig.

Coléry, Colery, Collery. Vadersnaam, van Nicolas?

Coles, Colles, Colès, Collès: Vadernaam. Verkort van Nikolaus.

Colet, Colé, Colette, Coleye, Coley, Coleille, Collet, Collette, Collté, Collettee, Collettez, Colletteit, Collettey, Coletteye, Kollee, Kollé, Coulet, Colige, Collige, Colige, Coliche, Coulisse, Collège, Calège, Callège: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Nicolas.

Coletti, Coleto, Coletto. Italiaans van de heiligennaam Nicolaus.

Coley, Colley, Colleye, Colleije: Vadersnaam van de heiligenaam Nikolaus. 1. Zie Colet. 2. Uit Colai (Nikolaai): 3. Afleiding met suffix -ei/-oi.

Coulleit, Culée. Vadersnaam en moedersnaam uit de heiligennaam Nicolaus. 

Colfmaker, de, Colfmacker, de, Colfmaecker, de, Covemaeker, Covemacker, Covemaecker. Beroepsnaam voor de maker van geweerkolven, knuppels. Vergelijk Colfs. De vorm cove van Waals-Vlaamse uitspraak van kolve.

Colfs, Kolf, Kolff: 1. Middelnederlands colve: kolf, knuppel, knots. Beroepsnaam voor de kolfdrager, een klovenier. Vergelijk De Colvenare. 2. Beroepsnaam voor de kolvenmaker. Zie De Colfmaecker. 3. Overdrachtelijke bijnaam voor een dikke kerel, een lomperd. 4. Huisnaam. Wouter Colf (1550), stamvader van het geslacht Kolff, woonde in Nijmegen in 'De Drie Colven'. Er was ook een huis 'De Colve' in Bg.

Colhoven. Verspreide plaatsnaam Koolhof.

Colienne, Collienne: Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Nicolaus. De vrouwelijke uitgang –ienne.

Colin, Colins, Collin, Collins, Kolins, Calin, Colis, Colling, Collings, Colling Coling, Colijn, Colijns, Collyn, Collyn, Colyn, Collijn, Collijns, Colein, Colleyn, Coleyn, Collijs, Collys, Kolyn. Familienaam uit de heiligennaam Nicolaus.

Collaert, Collaerts, Collarts, Colaert, Colaers, Colaes, Colar, Colard, Colart, Collar, Collard, Colla, Collart, Collaer, Collaers, Coelarert, Coelart. Vadersnaam uit de heiligennaam Nicolaas.

Colina, Colnard, Colinia, Calingaert: Vadersnaam. Coli(g)nard, van Colin, van Nicolas. Vergelijk Colinet.

Colinet, Colinez, Collinet, Collinez, Colnet: Vadersnaam. Afleiding van Colin, vleivorm van de voornaam Nicolas. Vergelijk Colins.

Colinvaux. Plaatsnaam Gol(l)invaux in Ciney en Dorinne (Namen).

Coljon. Frans couillon; teelbal.

Colle, Colles: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Nicolaus.

Collet: Vadersnaam Colet, verkleinvorm van de heiligennaam Nicolas.

Colleville. Plaatsnaam Colleville, Seine-Mar. Calvados.

Collie, van, van Coille, van Coile, van Coille, van Coëllie, van Coeillie, van Coullie, van Collie, van der Ceuille, van der Koille, van der Colle, van der Coilden, van der Colden, van der Coelden, Vercoille, Vercouillie, Vercouille, Verkouille, Verkolje, van Caillie, van Caille, van der Caillen, van der Cailde, van Quaillie, van Quaille, Vanquaille, van Callie, van Quaelle, van Qualle, Verqualie, Vercayie, Qualy, Cailly. Familienaam uit de plaatsnaam Coillie in Oostnieuwkerke. 

Collier, Colliers, Collie, Colli, Colier, Colie, Coliez, Colje,Coulier, Coulie, Couliez, Couly, Coullier, Coulliez, Couillier,Cullier, Culier, Culié.

Naam uit het Middelfranse collier: halskraag; het Oudfranse colier: lastdrager, kruier. Beroepsnaam. Oudfrans colier: lastdrager, kruier (die lasten op zijn hais draagt)

Collignon, Colignon, Colinon: Vadersnaam. Waalse vleivorm van de voornaam Nicolas.

Collot d’Escury: Zoals Colet is Colot een vleivorm van de heiligennaam Nicolas. D’Escury gaat terug op de plaatsnaam Écury (driemaal in het departement van de Marne). David Collot was in 1607 heer van Escury en kwam in de 17de eeuw in Staatse dienst.

Collu. Bijnaam. Afleiding van Frans col, cou: hals. Vergelijk Lanchals.

Colma: Vadersnaam. Friese afleiding van de heiligennaam Nikolaas.

Colmadin. Wellicht van Cola(r)din. Of afeiding van Colmant? Of Zwitserse familienaam Kolmodin?

Colman, Colmans, Colmann, Colmant, Colment, Coolman, Cooleman, Coolman, Colleman, Coleman, Colemans, Koolman, Koolmann, Koelman, Koelmans, Koulmans, Kuylmans, Keulemans, Ceulemans, Kuilman: Vadersnaam. 1. Vleivorm van de heiligennaam Nikolaas. 2. Beroepsnaam voor de maker of verkoper van houtskool. 2. Zie ook Keulemans.

Colnot. Vadersnaam Colinot, van Colin, voornaam Nicolas.

Cologne, Coloigne, Colonne, Collogne: 1. Plaatsnaam Coulogne (Pas-de-Calais). 2. Cologne, Franse naam van Keulen.

Colombet, Collombon, Coulombez, Coulombel, Coulembeau: Afleiding van Oudfrans colomb: duif.

Colombier, Colenbie, Colenbier, Colembier, Colembie, Coulembier, Coelenbier, Coelembier, Coelumbier, Calenbier, Colonbie, Colomier, Coulommier, Colombie, Colombien, Collumbien, Colombeen, Colanbeen, Colombin, Ducoulombier, Ducolombier, Ducoulembier. 1. Familienaam uit de verspreide plaatsnamen Colombier en Coulommiers, van columbarium: duiventil. Vergelijk Duifhuizen. 2. Beroepsnaam Coulombier: duivenkweker. 

Colombin. 1. Vadersnaam, variant van Colombain, heiligennaam Colombanus. 2. Variant van Colombien = Colombier.

Colon, Colom, Colomb, Collomb, Coulomb, Coulombo, Couloume, Coullon, Collon, Coulhon: 1. Oudfrans colon, colomb: duif. Vergelijk (den) Duyver. Bijnaam voor een duivenkweker. 2. Oudfrans colon, Latijn colonus: boer, landbouwer. Beroepsnaam. 3. Vleivorm van de voornaam Nicolas. Vergelijk Colin(s).

Colonerus, Colonius, Colonis: Humanistennaam. Latinisering van De Keulenaer, Van Keulen. Pieter van Ceulen, de Gentse theoloog (16de eeuw), werd Petrus Colonius genoemd.

Colot, Coulot, Collo, Collot Collô, Colloz, Coloos, Coolos: Vadersnaam. Romaanse afleiding van de voornaam Nicolas.

Colpaart, Colpaert, Colpart, Colpor. Een kolpaard is en was een paard een paard met een kol, dat is een witte vlek of bles op het voorhoofd. Maar aangezien geen familienaam in de vorm Colpeert aangetroffen is, gaat het niet om een samen-stelling met 'paard', maar om een -aard-afleiding van Oudfrans colper: slaan. Bijnaam voor een vechtersbaas.

Colpin, Colpijn, Colpyn, Colpaint, Culpin, Colpé, Colpe, Colphijn, Colphyn: Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Nikolaus.

Colruyt, Corluyt, Corluy, Corley, Corroy, Coroy, Conroy, Ducoroy, Ducourroy, Conruyt, Corruyt. Familienaam uit de Romaanse plaatsnaam Corroit, dit uit coruletum: plaats waar hazelaren groeien. Heel wat plaatsnamen zijn hieruit ontstaan: Corroit (Henegouwen), Corroy (le Grand) (Somme, Marne, Namen, Waals-Brabant), Cauroy (Ardennes, Marne, Pas-de-Calais) en zelfs Koeruit in Opwijk en Koereit in Asse (Vlaams-Brabant).

Colsaerts, Collesaer. 1. Vadersnaam uit Collesard, dit is een Romaanse knuffelvorm van Nicolas. Zie daar verder. 2. Zie ook (mogelijk) Coolsaet.

Colsaux, Colsiat, Colsenet, Colsigneaux, Colsineaux. Vadersnaam. Vleivormen op -ecel, -inet, -i(g)nel van heiligennaam Nicolaus. Vergelijk Colsoul.

Colsen: Vadersnaam. Van Colson, Waalse vleivorm op –eçon van de voornaam Nicolas.

Colson, Colleson, Collisson, Coulson, Calson, Colsoul, Colsoulle, Colsaux, Colsiat, Colsenet, Colsigneaux, Colsineaux. Vadersnaam, knuffelvormen van de voornaam Nicolas, zie vorige.

Colucci. Vadersnaam, Italiaanse familienaam die afgeleid is uit de naam Nicolaes.

Colsaoul, Colsoulle. Vadersnaam. Waalse vleivorm van de voornaam Nicolas.

Colvenaer, de, Colvenaere, de, Colvenaert, Colvenaar, Calvenaere: Beroepsnaam van de kolfdrager, klovenier.

Colver (De). Beroepsnaam voor de kolvenmaker, kolvendrager. 

Com, van. Plaatsnaam Kemexhe, Luik.

Comandant. Beroepsnaam; bevelhebber, commandant, vergelijk Frans Commandeur.

Combel (de), Combelle, Decombel, Decombe, Decomble, Delcombel, Descombel. 1. Naam uit het Oudfranse combel(le): kleine vallei, dalletje. 2. Decombel kan ook komen uit de plaatsnaam Combles (Somme): top, heuvel.

Combescure. Plaatsnaam (Hérault, Lot).

Comblain, Comblein, Comblin, Comblen, Coblyn: 1. Plaatsnaam Comblain (Luik). 2. Eventueel = Camblain.

Comblet, Combe, Comblez, Comblé: Afleidng van Oudfrans comble: korenmaat; comblé: tot de rand gevulde maat. Beroepsnaam van de korenmeter. Combrexelle. Plaatsnaam, van Oudfrans combre; samenvloeiing.

Combris. Plaatsnaam Combris (Puy-de-Dôme), Combrit (Finistère). Oudfrans combre: samenvloeiing.

Combrouse. Plaatsnaam Combrouze, Aveyron.

Comelia, Coméliau: Van Oudfrans comblel: heuveltje?

Comeyne, Comeijne, Commeyne, Commeijne, Comein, Commeine, Comeine, Commenne, Commeene, Decommene, Delcommenne, Delcomenne, Delcomene, Delcommeune, Delcomenune: Plaatsnaam Commène, van Latijn communia: algemene weide.

Comhair, Comhaire, Camhaire: 1. Volgens Here, verwaalsing van Duits Kommher: kom hier. De familie zou uit Beieren stammen. Haar devies is 'Viens et trouverez'; 2. Eventueel = Commaire.

Cominette, Comminette. Moedersnaam, afleiding van Jacomin, vleivorm van de voornaam Jacques.

Commaire, Commère, Comère Commer, Comer, Comere, Comerre. Bijnaam uit het Franse commère: doopmeter.

Commandeur, Komdeur, Commadeur, Kommandeur: Frans familienaam voor een chef, een bevelhebber, die commandeert ‘bevelen geeft’.

Commee: Spelling voor Frans Commet, verkleinvorm van plaatsnaam Comme, van Combe, van Latijnse cumba ‘klein dal’.

Commer, de, Commere, de, Commers,Kommer,  Corner: 1. Middelnederlands commer: kommer, zorg, behoefte, schuld. Vergelijk Duits Sorge en familienaam Sorgeloos. 2. De familienaam wijst veeleer op een beroepsnaam: kommaker, maker van kommen, schotels. Commerce is een Waalse weergave van Commers. Of oude Nederlandse vadersnaam Kommer.

Commelin: Frans familienaam Commelin, afgeleid van de plaatsnaam Commelle (Saône-et-Loire, Isère, Loire) van Latijnse colomella, verkleinvorm van columna ‘kolom’. Maar vermoedelijk is Commelin hier veeleer vervormd uit Crommelin.

Comminne, Commine, Commien, Commyn, Comyn, Comijn, Comin. 1. Naam uit de plaatsnaam Comines (Nederlands Komen). 2. Verschrijving van Comeyne/Commenne. Zie daar. 3. Zie ook Comyn.

Commissaris, Comissaris: Middelnederlands commissaris ‘gelastigde, ambtenaar, commissaris’.

Commijs: Beroepsnaam Frans commis, Nederlands commies ‘bode, postmeester’.

Compagnes, Compagner, Compagne, Compaan, Compain, Compin, Compant, Compeyn, Kompan: Bijnaam. Oudfrans compaigne, Frans compagnie ‘gezelschap’. Middenhoogduits kompân, Latijn companio: gezel, kameraad.

Compagnon, Compagnion. Beroepsnaam compagnon; gezel. Vergelijk Gezelle.

Compagni, Compagnie, Compignie, Companie, Companjen, Company. Oudfrans compaigne, Frans compagnie: gezelschap. Bijnaam. Zie ook Campagn(i)e.

Comparin. Frans dialect variant van Compère; vergelijk Compar, Compeyron.

Compas. Waals compas; compagnon.

Compeer, Compère, Comper, Compere, Compper, Compeeren, Compeer, Compeers, Compart: Spelling voor Frans Compère ‘doopvader, peter’.

Compernol, Compernolle: 1. Middelnederlands kompernoel ‘kampernoelie’. 2. Door invoeging van m en r uit Coppenolle; zie Koppen(h)ol.

Compiegne. Plaatsnaam Compiègne (Oise).

Compiet: Wellicht variant van Kompier.

Complémentaire, Complémenple. Wellicht vondelingnaam: gevonden op een van de vijf bijkomende dagen van de republikeinse kalender.

Comte, Conte, Lecompte, Lecomte, Lecontre, Leconte, Lacompte, Lacomte, Lecompt, Laconte, De Compte. Naam uit het Franse comte: graaf. Dit voor een werknemer van de graaf, afstammelingen van de graaf. De graaf kan een edelman zijn, maar evengoed de verantwoordelijke voor een bepaald gebied.

Comté, Compté, Conté, Konté: Plaatsnaam Comté: graafschap, in Atrecht (Pas-de-Calais), Geldenaken, Petrem, Petit-Roeulx (Waals-Brabant), Vellereille-le-Brayeux (Henegouwen), Vielsalm. Vergelijk Van Graefschepe.

Comtesse, Contesse: Frans comtesse: gravin. Bijnaam, vergelijk Comte.

Comyn, Comijn, Comin, Commyn, Commien. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van Jacomijn, knuffelvorm van Jacques. 2. Zie ook Commine.

Coné: Vadersnaam. Frans Counet, Con(n)et, verkleinvorm van de voornaam Koen(raad), Frans Conrard.

Contzen, Conzen, Kontzen, Kunze, Koncz, Konz, Kunzi, Kuntze, Kuntz, Cuntz: 1. Vadersnaam. Duitse afleiding van Germaanse voornaam Koenraad, Conrad. 2. Con(t)zen en Kontzen kunnen ook teruggaan op de plaatsnaam Konzen (Duitsland).

Concannon. Picardisch concanon, Latijn concanonicus: medekanunnik.

Condyts, Condys, Condijts: 1. Condit, voltooid deelwoord van Oudfrans condir: kruiden. Beroepsnaam van kruidenhandelaar. 2. Qu'on dit, Oudfrans con dist: die men zegt, die men noemt, genoemd, bijgenaamd.

Conem. Waarschijnlijk Waalse spelling voor Conen.

Coniac. Plaatsnaam Cognac (Charente, Hte-Vienne).

Coniglia. Italiaans coniglio; konijn. Bijnaam.

Conil, Conill, Conilh, Ouonils: Oudfrans conil: konijn. Catalaans Conill. Vergelijk Konijn. Bijnaam.

Conijn, Konijn, Cenijn, Knijn, Lapien. Bijnaam, naar het dier naar een eigenschap.

Confurius. Zeldzame Nederlandse en Noord-Duitse familienaam. Wellicht schrijfvariant van de Bourgondische (vluchtelingen) familienaam Confuron waarvan de betekenis onbekend is. Tenzij in volgende ? Mogelijk verlatijnste naam uit confugere (vluchten), confundere (vermengen, verwarren). Of een Latijnse schrijfvariant van het Franse confu(s) (verward, verlegen, onduidelijk, duister, vaag,..).

Conobert. Vadersnaam. Germaanse voornaam kun-berht 'geslacht-schitterend': Con(i)bertus.

Conod, Conot, Conotte, Conotte, Connot. Vadersnaam. (moedersnaam -otte). Vleivorm van Germaanse voornaam Koen(raad).

Conscience. Bijnaam uit het Oudfranse conscience: kennis, bedoeling, verlangen.

Conséquence. Waarschijnlijk reïnterpretatie (van Conscience?).

Conserière, Conserrière, Conserriere, Consarriere, Coucharière: Waarschijnlijk beroepsnaam cousurière: naaister, kleermaakster. Zie Couturier.

Considérant. Van Frans considérer: in overweging nemen, overwegen. Bijnaam voor iemand die attent, coulant is.

Consigli, Consiglio. Italiaanse beroepsnaam consiglio; raad, raadsman.

Consemulder: Plaatsnaam Künsemüller bij Bielefeld (Noordrijn-Westfalen).

Console, Consoli, Consin, Consini, Conso. Italiaans console; consul.

Constant, Constandt, Constans, Constantin, Constatini, Constantinnidis, Constantino, Constandin, Constandindu, Costan, Costantin, Costentin, Coussantien, Konstant, Konstandin, Constantse, Constandse: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Constans ‘standvastig’ en afleiding Constanti(n)us. 2. De vormen op -in kunnen teruggaan op de plaatsnaam Constantin in Kain (Henegouwen).

Constance. Moedersnaam van Latijnse heiligennaam Constancia.

Consten, Konsten, Construm, Constum: Hypercorrect voor Costen; zie Costens? Of door klankverandering uit Contzen?

Contamin, Contamine. Plaatsnaam Contamine(s) (Isère, Hte-Savoie) van Latijn condominium: gemeenschappelijk eigendom.

Contant, Content, Contan, Contin: 1. Vadersnaam. Variant vande voornaam Constant. 2. Variant van familienaam Content. Bijnaam. Frans content ‘tevreden’.

Contard, Contat, Comptard, Comptaert, Comptaer, Comptdaer: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam gund-hard 'strijd-sterk': Guntardus, Cundhar. Ook Italiaanse familienaam Contardo. 2. Afleiding van Oudfrans conter, Latijn computare: tellen, rekenen; ook (zoals esconter): vertellen. Vergelijk De Rekeneire, De Telder.

Conte, le: Franse familienaam Lecomte, Leconte. Frans comte ‘graaf’; vergelijk de Graaf.

Contempré, Contempre. Plaatsnaam Cantimpré (Nord).

Conti, Conte, Contini, Contino. Italiaanse conte; graaf. Vergelijk Leconte.

Contignac. Plaatsnaam Cantillac, Dordogne?

Contois, Comtois, afkomstig van Franche-Comté.

Contor. Oudfrans conto(u)r: graaf, Edelman, van middenlatijn comitor.

Contreau. Variant van Cantreau, Picardisch voor Chantereau.

Contreras (de), Decontrerasse. Familienaam afgeleid van van Contreras een plaats in Burgos (Spanje). Contreras is dan weer afgeleid van 'omgeving'/'streek'. 

Convent, Convents, Convens, Covent, Covents, Covens, Couvent. 1. Naam uit het Middelnederlandse co(n)vent, Oudfrans convent, Fans couvent: kloostergemeenschap; bijeenkomst. Bijnaam voor iemand die op één of andere manier verband had met een convent of klooster. 2. Mogelijk afgeleid uit Coveliers: zie Cuvelier. 

Convers, Converse, Convert, Convié: Middenfrans, Middelnederlands convers: lekenbroeder; converse: lekenzuster. Bijnaam.

Contzen, Conzen, Kontzen, Kunze, Koncz, Konz, Kunzi, Kuntz, Kuntze. 1. Duitse vadersnaam uit de Germaanse voornaam Koenraad (kuni-rad), Conrad.

  1. Con(t)zen en Kontzen kunnen uit komen op de plaatsnaam Konzen (Noordrijn-Westfalen).

Cook, Cooke: 1. Engels familienaam Cook, Cooke(s). Beroepsnaam van de kok. Vergelijk (de) Kok. 2 Variant van Koek.

Coolegem. Familienaam uit de plaatsnaam Kolegem, Mariakerke (Oost-Vlaanderen).

Coolkens, Kulkens, Culquin: Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Nikolaus.

Coolput, van, Colput, Coolpot, Koolput. Put van de kolenbrander (plaatsnaam die onder andere voorkomt in Tielt (West-Vlaanderen) en Duffel/Weelde (Antwerpen).

Cools, Kools, Cool, Coolsen, Coolsma. 1. Leenwoord uit Engels; tof, kalm. Ambachtsheerlijkheid Cool bij Rotterdam. Zie volgende.

Coolsaet, Coolzaet, Koolzaed, Colsaet, Colzaerts, Kohlsaat. Beroepsnaam voor de teler of verkoper van koolzaad.

Coolsens, Coulsen: Vadersnaam. Vleivorm op -sin van Nicolaus.

Coombs: Uit Coombes, van Descombes. Plaatsnaam Combe ‘klein dal’. Of gewoon de Engels familienaam Coombs, Coombes, Combes, van plaatsnaam Combe, Coombe, Oudengels cumb ‘klein dal’.

Coop, Coops. 1. Bijnaam voor iemand die veel koopt, voor een koopman. 2. Zie Cop.

Cooper, Coopers. 1. Engelse beroepsnaam van de kuiper. 2. Zie Copers.

Coorde, de. 1. Middelnederlands coorde: touw. Beroepsnaam voor de touwslager. Vergelijk Cordier. 2. Zie Decordes.

Coorebyter, de, Coorebijter. Middelnederlands cornbiter: graanopkoper, graanhandelaar. Beroepsnaam.

Cooreman, Cooremans, Coreman, Coremans, Coorman, Corman, Cormann, Cormanne, Cormant, Korenman, Kornmann, Korman, Kormann,

Kooreman, Koremans, Koreman, Korremans, Koriman, Correman, Corremans, Coeremans, Ceurremans, Keuremans, Keuremennen,

Keuremenne, Kurman, Kurmann. 1. Uit het Middelnederlandse cornman: korenkoper, graankoopman. Beroepsnaam. 2. De namen zonder -n en de namen met eur wijzen ook op de betekenis keurmeester. Een aantal van de namen werden wellicht daarvan afgeleid.

Cooremeter, de. Beroepsnaam van de korenmeter.

Cooren, Coorens, Coren, Corens, Correns, Kooren, Koren, Koorn, Korn, Corne, Keuren, Ceuren, Ceurens, Ceuran, Cuerens, Curens. 1. Vadersnaam uit de Latijnse heiligennaam Cornelius. 2. Of uit het Franse corne: hoorn. Beroepsnaam voor de hoornblazer of bijnaam voor de hoorndrager. 3. Of uit het Middelnederlandse corn(e): coren, graan. Beroepsbijnaam van de graankoopman.

Coorevits, Coorevitz, Correvits, Corevits: Vanwege het ontbreken van oude attestaties vermoedelijk aanpassing van Slavische familienaam Kor(o)vic, Korvits, Horowitz. Boheemse plaatsnaam Horovice, afleiding van Slavisch gora: heuvel.

Coornaert, Coorenaert, Cornaer, Cornaert, Cornardt, Cornard, Corna, Cornart: 1. Frans cornard: qui a des cornes. Bijnaam van de hoorndrager, de bedrogen echtgenoot. 2. Afleiding van coren: koren. Beroepsnaam van de korenkoopman, graanhandelaar. Vergelijk Cooreman. 3. Vooral Oost Vlaamse plaatsnaam Coornaert: korenmarkt. De Gentse Korenmarkt heette oorspronkelijk Koornaard: 1276 in loco qui dicitur Cornard; 1337 an den Coernaert. Coorne, de. Waarschijnlijk Vlaamse aanpassing van Frans Décerne. Bijnaam voor een hoorndrager? Zie Coorens 2.

Coornhert. Plaatsnaam in Frans-Vlaanderen. Verhaspelde verschrijving van Coornhert, Coornaert.

Coos, Coose, Koos: Bijnaam. Middelnederlands cose: gevlei; of van Middelnederlands cosen: vertrouwelijk praten, liefkozen. Vergelijk Cosemans.

Cop, Copp, Coppe, Coppens, Coppé, Cops, Coppius, Kop, Kopp, Koppe, Koppen, Koppes Kops, Koop, Kopinga, Copinga, Koopsma, Koops, Coops, Kopen, Coop, Coops, Kopf, Kopff, Keup, Keups, Kuyps, Kups. 1. Het Middelnederlandse cop(pe) betekent: vaatwerk, schaal, beker, schedel, top, kruin, laatkop. Ook werd het als huis(herberg)naam gebruikt als in Ieper en Kortrijk. Bijnaam, beroepsnaam of huisnaam. Vadersnaam. 2.Vadersnaam, verkorte vorm van Jacob. Coppingsyke in Lincolnshire van de vadersnaam Coping.

Copier, Kompier: Kompier met epenthetische nasaal van Copier ‘kreupelbos’.

Coppejan, Coppejans, Copejan, Copejans, Koppejan, Koppejans, Copyans: Vadersnaam. Dubbele voornaam Coppe ‘Jakob’ en Jan ‘Johannes’.

Copain, Coppein, Coupain, Couppin, Coupin, Cospain, Cospin: 1. Romaanse spelling van Coppin=Jakob. Zie Coppyn. 2. Variant van Compain.

Copay, Copaye, Coupaye: Luiks-Waalse vorm van Oudfrans copel: top, hoogte; vergelijk Coppet 2.

Copeland, Coupland, Copland: Zinwoord: die land koopt. Bijnaam.

Copeleu, Couplent, Coupleux, Coupleur: Zinwoord: co(u)pe leu: snijd de wolf, steek de wolf neer. Bijnaam voor een wolvenjager. Vergelijk Duits Wolfschlàger.

Coperbac. Beroepsnaam van de kopersmid, koperslager, Joodse familienaam.

Copermans, Kouperman, Copperman, Coupremanne: Beroepsnaam van de koperslager, kopersmid. Nederduits Koppermann.

Copers, Coopers: 1. Middelnederlandse beroepsnaam coper: koopman. 2. Beroepsnaam van de kopersmid. Nederduits Kopper.

Coperslagers. Beroepsnaam van de koperslager, kopersmid.

Copersmet, Coppesmet: Beroepsnaam van de kopersmid.

Copienne, Coupienne: Vleivorm van de voornaam Jakob.

Copier, Coppy, Coppye, Coppije, Copy, Coppuy, Koppier: plaatsnaam Copier: kreupelbos.

Copine, Copinne, Coppine, Copinne. Vrouwelijke vorm van Copain.

Copineau, Copenaut, Copennaux: vadersnaam. Afleiding van Copin.

Copis, Cupis, Decupis, Kopinga: Vadersnaam Copus, korte vorm van Jacobus.

Coppeaux. 1. Oudfrans copel: hoogte; zie Copaye. 2. Oudfrans cospel, Frans copeau: punt, (schaaf)krul. Beroepsnaam.

Coppel, de. 1. Bijnaam voor een koppelaar. 2. Zie Kopel.

Coppenberghe, van. Plaatsnaam Koppenberg in Etikhove en Melden (Oost-Vlaanderen).

Coppenolle, (van), van Coppenole, van Copenolle, van Copenol, Vannecoppenolle, (van) Coppenholle, Coppenhol, Coppennolle, Copenolle, van Copernolle, van Coppernolle, Vancoppernolle, van Compernolle, (van) Compernol, Compernolle, van Capernolle, Koppenol, Capenol, Capenolle, van Coppenael. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Koppenol: inzinking met bolvormige heuvelrug. Zie ook Koppenaal.

Coppenrath. Wellicht oude vorm van laatsnaam Kuffenrath in Duren, Duitsland.

Copper, Coppers, Koppers, Koppert: 1. Beroepsnaam van de beul, de scherprechter. Afleiding van coppen: onthoofden. 2. Beroepsnaam van de aderlater. Afleiding van Middelnederlands cop: laatkop, laatbus. 3. Variant van Copers.

Coppet, Coppette, de Coppet, Copette, Copet, Coppé, Coppe, Copé, Cope, Coppez, Coppey, Coupé, Coupet, Coupez, Couppé, Couppe, Coupez: 1. Oudfrans coppeis: met een groot hoofd. Bijnaam. 2Oudfrans coupet, Waals copète: top.

Coppieters, Coppitters, Coppiters, Coppiers: Vadersnaam. (Ja)cob-Pieter. Maar mischien wel reïnterpretatie van Copier.

Coppola. Italiaans coppola; kap, hoofddeksel. Bijnaam.

Coppyn, Coppin, Copin, de Coppin, Coppijn, Copijn, Kopin, Coppins, Couppin, Coupin, Coppen, Ceppens, Copens, Koppen, Koppens, Koppenen, Koppes, Ceuppens, Ceupens, Cueppens, Keuppen, Keuppens, Cuppen, Cuppens, Coppens, Kuppens, Cuypens, Quppens. De Brabantse vormen zijn: Keppens, Keepen, Keepens, Keppenne, Kepenne, Keppene. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Jacob.

Coppoolse, Copoolse: Vadersnaam. Dubbele voornaam Cop ‘Jakob’ en Poolse ‘Pauwels, Paulus’.

Copus, Copuse. Vadersnaam. Wellicht van Jacopus.

Coquebert. Oudfrans Coquebert: domoor, gek. Bijnaam.

Coquel, Coquelle, Cocquelz, Coqueau, de Cocqueau, de Cocquéau, Coquay, Coquelet, Cocquelet, Cocqlet, Coqlet, Coclet, Coclez, Couquelet, Couclet,

Coquelin, Cocle, (de) Cokele, Cokl, Keukelinck, Keukelink, Keukeling. Naam uit het Oudfranse coc: haan. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Coquenet. Afleiding van Coquin of van Coq.

Coquenpot, Cocquempot, Coquempot, Cockenpot, Kockenpoo: Middelnederlands cokenpot: keukenpan, kookpan. Beroepsnaam voor de kok. Vergelijk Middelnederlands cokenvat.

Coquidez, Cockedy, Cokedy. Bijnaam van Oudfrans coquidet; gek, zot.

Coquillart, Coquillart, Coquillat, Coquilhat, Coquiart: Bijnaam. Oudfrans coquillart: gek, dwaas, idioot; bedrogen echtgenoot, (maar ook) minnaar, rokkenjager. Vergelijk Cocquibus.

Corba: Afleiding van Oudfrans corb, van Latijnse corvum, zoals ook Frans corbeau ‘raaf’. Bijnaam.

Coquin, Quequin, Coquoin: Oudfrans coquin, Middelnederlands cockijn: leegloper, landloper.

Coroy, Corroy. 1. Zie Colruyt. 2. Frans courroie: riem. Beroepsnaam voor de riemmaker, leerbewerker. Vergelijk Corroyeur.

Corael, Coraux, Corral, Carael, Caraël, Kraal: Oudfrans chorial, Picardishc coral: (koor)zanger, koorknaap. Waals-Vlaams koraal: misdienaar.

Corbay, Corbaye, Corbey, Corbeij, Coirbay: 1. Plaatsnaam Corbais (Waals-Brabant, Nederlands Korbeek). 2. Luiks-Waalse vorm van Corbeau.

Corbeel, Corbeels, Corbel, Corbelle, Corbiel, Korbiel, Corbaeu, Corbaeux: Oudfrans corbel, Frans corbeau ‘raaf’. Bijnaam naar het zwarte haar of huisnaam.

Corbi, Corbie. 1. Plaatsnaam Corbie (Somme). 2. Zie Corbier.

Corbier, Corbie, Corbi, Corbière: Plaatsnaam Corbier (Corrèze, Hte-Savoie, Seine-et-Marne), Corbière (verspreid): plaats waar raven nestelen.

Corbin, Corbineau. Afleiding van Oudfrans corb; raaf. Bijnaam.

Corbion, Corbillon, Coibion, Coibon, Ouoibion: Plaatsnaam Corbion en in Leignon (Namen); Coibion in Niverlée (Namen); Corbillon in Clermont (Luik).

Corda, Korda. Vondelingennaam: Macarius Corda werd op 2 februari 1823 gevonden in Antwerpen.

Cordeel, Cordeels, Cordel, Cordell, Cordeau, Kordel, Quardel: Oudfrans cordel, Middelnederlands cordeel, cardeel: touwtje. Beroepsnaam.

Cordeleeuw. Wellicht gebrekkige weergave van kordeke, Waals Vlaamse uitspr. van de Franse familienaam Cordelet, afleiding van Cordel.

Cordemans, Cuddeman, Cuddemans. 1. Beroepsnaam van de touwslager. 2. Of ook bijnaam Korteman: korte man. 

Corbreun. De familienaam Corbr(e)un kwam ca. 1825 in Kontich voor, van familienaam Corberon. Plaatsnaam Corberon (Côte-d'Or).

Corbusier, Corbusiere, Corbusy, Corbugy, Corbisier, Corbisez, Corbise, Corvoisier, Corvisier, Corbesiers, Corbesier, le Corbusier, le Corbesier, le Corbisier: 1. Beroepsnaam Corbisier: schoenmaker, van Oudfrans corvois: Corduaans leer, van Cordova. 2. Eventueel van Oudfrans corbisier: mandenvlechter.

Corcevay, Cucheval: Zinwoord: écorche veau: vil het kalf. Beroepsnaam van de runderviller. Vergelijk Poilvé.

Cordier (de), Le Cordier, Lucardie, Cordiez, Cordiée, Cordy, Cordi, Cordie, Cordis. Beroepsnaam van de touwslager. 

Cordijn, Cordyn, Cordeyn, Courdain: 1. Vadernaam. Frans Cordin = Corradin. 2. Door verzachting t/d van Co(u)rtin.

Codoba, Cordova. Spaanse plaatsnaam, Andalusie.

Cordon, Cordons. 1. Oudfrans cordon: koord, touw, lint. Beroepsnaam. 2. Variant van Cardon.

Cordonnier, Cordonni, Cordonier, Cordonny, Cordenier, Cordeny, Cordenij, Le Cordenner: Beroepsnaam. Frans cordonnier, door associatie met cordon, van Oudfrans cordoanier, van cordoan: Corduaans leer. Als naam voor de schoenmaker verdrong dit woord het Oudfranse sueur, van Latijn sutor, de schoennaaier (vergelijk De Zutter).

Corduant, Corduan, Cordevant: Middelnederlands cordu(w)aen, Oudfrans cordoan: Corduaans leer. Beroepsnaam van de bewerker van corduaan. Vergelijk Cordonnier.

Corduwener, Cordewener, Cordewiener, Cordewiner, Cordewin: Beroepsnaam. Middelnederlands corduanier, cordewanner: bewerker van Corduaans leer, maker van geitenleren schoenen, schoenmaker. Vergelijk Cordonnier.

Coreelman. Beroepsnaam van de tegelbakker. Zie Careel.

Corenbergh, van. Plaatsnaam Korenberg in Diegem. Vlaams-Brabant.

Corenland, van. Plaatsnaam Koreland; korenakker, bijvoorbeeld in Hooglede, Steenkerke, West-Vlaanderen.

Corenwinder, Corebunders, Colenbunders, Colebunders, Coolbunders. Beroepsnaam voor de winner, teler van koren, graanboer.

Corewijn, Corewyn, Correwyn, Correwijn, Carrewijn, Carreweyn, Carrewyn, Korwin, : Beroepsnaam van de graanboer, de korenwinner; winner, teler van koren’. Misschien = Carwin, Carvin.

Corff, Corfs, Curfs: Middelnederlands corf: korf, mand. Beroepsnaam van de mandenvlechter of van de korfdrager, sjouwer.

Corhay, Corriat, Coriat, Coria, Corrias, Corrieaux, Corriaux, Correas, Correa, Correia: Plaatsnaam. Afleiding van Waals côre: hazelstruik. Corhumel. Duits Korhummel; fokstier.

Corley. 1. Vadersnaam. Variant van heiligennaam Cornélius. 2. Zie Colruyt.

Cormenier. Plaatsnaam (Deux-Sèvres).

Cormier. Plaatsnaam Cormier: sorbeboom, peerlijsterbesboom (onder meer Eure, Seine-et-Oise, Seine-et-Marne).

Cormont, Cormon, Cormond. Plaatsnaam Cormont (Pas-de-Calais, Aisne, Loiret) en in Grune, Longlier.

Cornand, Cornant. Beroepsnaam van de hoornblazer, vergelijk Cornet.

Corneau, Cornia, Corniaux: 1. Variant van Cornaud: hoorndrager. Vergelijk Cornard. 2. Vadersnaam van Cornel.

Cornélius, Cornelis, Cornelius, Cornelus, Cornelussen, Cornelisse, Cornelissen, Cornelissenss, Cornelessen, Kornelis, Cornely, Corneli, Cornelisz, Cornelissens, Cornelisses, Cornelissis, Corneleze, Corneels, Corneel, Cornel, Cornelle, Coeurnelle, Curnel, Curnelle, Cürnel, Cornelis, Kornelius, Korneliussen, Cornelsen: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Cornelius.

Corneille, Corneillie, Cornellie, Corneli, Cornellie, Cornel, Cornelly, Cornely, Cornelje, Corneilde, Cornaille, Cornille, Cornil, Cornile, Cornillie, Cornet, (de) Cornette, Coronet, Corné, Cornez, Cornee, Lescornez, Lecornez: 1. Oudfrans cornet, Middelnederlands cornet(te): hoorn(tje), hoofdsieraad of kapsel in de vorm van een hoorn, muts met hoorntjes. Bijnaam naar de hoofd- of haartooi. 2. Bijnaam voor de hoorndrager. 3. Een kornet was ook de officier die in de ruiterijcompagnie de standaard droeg.

Cornier, Corniere. Middelnederlands cornier(e): hoek van een gebouw; Oudfrans cornière: hoekhuis.

Cornilleau, Cornéliau: Vadersnaam van de heiligennaam Cornélius.

Cornilli, Cornilier, Corniellie, Cornilly, Corniel, Cornilde. Vadersnaam uit de Franse vorm van de Latijnse heiligennaam Cornelius. Corn(e)ilde is de Oost- Vlaamse vorm.

Cornewal Van, Cornuwal, Carnuwal, Carnewael, Carnewal, Carnawal. Naam uit de Keltische plaatsnaam Cornwall (Groot-Brittanië). Frans Cornouailles. Zie ook Carnawal.

Cornips. Plaatsnaam Karnap (Duitsland)?

Corniquet. Afleiding van corne; hoorn, vergelijk Cornet.

Cornoedus. Wellicht latinisering van Carnoy, Carnot. Maar vermoedelijk verhaspeling van Carnotensis.

Cornoelje: Frans cornouille, van kornoelje. Bijnaam.

Cornu, Cornut: Middelnederlands cornuut, van Frans cornu, hoorn’. Bijnaam van de hoorndrager, bedrogen echtgenoot; dwaas, sukkel’.

Cornuel, Cornuwel, Cornwell: Frans Cornuel, van Cornu: hoorndrager, bedrogen echtgenoot; Waals-Vlaams kornuweel: mens van gemengd ras, bastaard.

Corombel, Corombelle. Oudfrans colombelle; kleine zuil, kolom.

Coron, Corron, Cauron, Curon: 1. Oudfrans coron: hoek, uiteinde dorp. Verspreide plaatsnaam. 2. Variant van Car(r)on.

Corouge, Courouge, Courange, Courage: Plaatsnaam Carouge, van Latijn quadruvium: viersprong.

Corradin, Corradini. Vadersnaam. Frans, Italiaanse vleivorm van Germaanse voornaam Koenraad.

Corrado, Corradi. Vadersnaam. Italiaanse vorm van de Germaanse voornaam Koenraad.

Correa, Correas, Correia. 1. Zie Corhay. 2. Portugese familienaam:

Corput, van de, den, der, Cornput, Kornput, Korput, van de, der. Naam naar een put, korren kan naar het geluid zijn of een soort net dat langs de bodem wordt voortgeduwd of naar een vlechtwerk, plankenwerk.

Corré: Vadersnaam. Door assimilatie uit Conré, Frans vorm van de Germaanse voornaam Ko(e)nraad.

Corroyeur, Conreur, Correur, Courreur, Coureur, Coreur, Cureur. Beroepsnaam uit het Oudfranse conreor, Frans corroyeur: lederbewerker.

Corset, Coursez: Oudfrans corset, afleiding van cor(p)s: lijfje. Bovenkledingstuk. Bijnaam.

Corstius, Corsius, Corsus, Kerstius. Vadersnaam, verlatijnste vorm van Cors(t) = Kerst = Christianus. Zie Christiaan.

Corswarem, (de), Corswaren, Coswarem. Familienaam uit de plaatsnaam Corswarem (Nederlands Korsworm) (oorsprong onbekend) Luxemburg of Luik.

Corsyn, Corsin. Van Middenfrans caorsin, van Middelnederlands ca(h)orsijn: geldschieter, woekeraar, wisselaar, eigenlijk afkomstig uit Cahors (Lot).

Cortail, Cortaille, Corteil, Corteille, Courteille: Verspreide plaatsnaam. Oudfrans cortille, courtil: tuin, omheind terrein.

Cortbeen, Kortebein: Bijnaam voor iemand met korte benen.

Cortebeeck, Cortebeek, Kortbeek. Familienaam uit de plaatsnaam Korbeek (Vlaams-Brabant) of Kortbeek in Aalten (Gelderland).

Corteborst. Waals-Vlaamse familienaam. Volksetymologisch en hypercorrect voor Cortenbosch.

Cortenberg, van Cortenbergh, van, (van) Cortembos, Corteborst: Plaatsnaam Kortenbos in Brustem, Kozen (Limburg), Hekelgem (Vlaams-Brabant), Hillegem, Massemen, Moorsel, Ophasselt en Roborst (Oost-Vlaanderen).

Cortenraede, Cortenraedt, Cortenray, Corteenray, Corteenraij: Plaatsnaam Korte Rade: korte rode (gerooid terrein). Vergelijk Langenrade, Brederode/Breidenrade.

Cortenstraten, van. Verspreide plaatsnaam Kortestraat.

Corteville, Courteville: 1. Middelnederlands cortwile: tijdverdrijf, amusement, plezier. Duitse familienaam Kurzweil. Bijnaam voor een onderhoudend mens. 2. Zie Courteville en Cortewilde.

Corthals, Korthals: Bijnaam voor iemand met een korte hals. Vergelijk Duits Kurzhals.

Corthose. Bijnaam voor de drager van korte kousen, laarzen. Duits Kurzhose.

Cortigny. Plaatsnaam Cartignies (Nord) of Cartigny (Somme)? Waarschijnlijk van Cottigny (r-epenthesis).

Cortis, Cortisse, Cortise: Plaatsnaam Kortijs (Limburg).

Cortvriend, Cortsvriendt, Cortvrient, Cortvrindt, Cortvrint, Corturint, Ceurtvriend. Familienaam, afgeleid van de bijnaam 'cortvriend' = iemand met een slecht karakter, waarmee je dus maar voor korte tijd bevriend kunt zijn.

Corveleijn, Corvillain, Corvilain, Corvellain, Corvelain, Corveleyen, Corvelyn, Corvelijn, Corvelijn: Uit de Franse familienaam Corvillain. Bijnaam court villain ‘kleine (korte) boer, dorper’.

Corijn, Coreen, Koorin, Quarin, Krijn, Krijnen, Crijnen, Krijnse, Krijnsen, Kriense, Krijntjes, Crijns, Crijnse, Crinse, Crince: Vadersnaam. Krijn, van Korijn, de volksnaam van de H. Quirinus.

Cosaert, Cousaert, Cousart, Cozar: Afleiding van Middenenderlands cosen: spreken, praten, liefkozen, vleien. Bijnaam voor een vicier.

Cost Budde: Dubbele toenaam. Vadersnaam. Cost, van Constantijn en Budde.

Cosemans, Coosemans, Coosmans, Cozemans, Koosemans, Kosemans, Coesemans, Coesman, Coisman, Coismans, Coysman, Kosman, Cosman, Cosmans, Cosaert, Cousaert, Cousart, Cozar, Coos, Coose, Coos. Bijnaam afgeleid van het Middelnederlandse cosen: praten, liefkozen, vleien.

Cosen, van. Van Cosem. Plaatsnaam Kozen, Limburg.

Cosme, Cosmes, Cosme, Cosmé, Côme, Cômes, Comes, Come, Comès: Vadernaam Corne. Franse vorm van Griekse heiligennaam Cosmas.

Cosijn, Coesijns, Koesen: Frans cousin, Zuid Nederlands kozijn, dialectisch kozen ‘neef’.

Cosnefroy. Vadersnaam. Hypercorrect voor Confroy, Romaanse vorm van Germaanse voornaam kôn-frîd 'koen-vrede': Gonfredus.

Cossart, Cossard, Cossaer, Cossaert, Coussart, Coussaert. Vadersnaam: Pikardische (Franse streek) variant van Gossaert, afgeleid van Goos, Goswijn.

Cosse. Misschien Waals cosse: gezel, makker, kameraad. Of Oudfrans cosse: peul, dop; zie Cosset.

Cosseaux, Cossiaux, Cossay, Decossaux, Decosseau, Decosseaux: Picardisch cossiau: peul, dop (van peulvruchten).

Cosset, Cossé, Cossee, Cosse, Cossez, Cossey, Coussee, Coussé, Coussee. 1. Naam uit het Oudfranse cosse: peul, dop (van erwt). Bijnaam voor een erwtendopper. 2. Cosset, van Cochet, tenzij Cochet hypercorrect is. 3. Vadersnaam Cosset = Gosset; vergelijk Cossart.

Cosson, Cossonnet, Cossonneau: 1. Waarschijnlijk van Frans cochon(net): varken(tje). 2. Eventueel van Oudfrans cocon, cosson, van Latijn cocionem: makelaar, koopman, opkoper, voortverkoper.

Costa, Da Costa, Kosta, De Costa. Italiaans, Spaans en Portugese naam uit Costa: helling, bergflank, kust, oever.

Costard. Afleiding van Oudfrans coste: oever. Vergelijk Delacoste.

Costes, Costens, Custyns: 1. Zie Christyn. 2. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Augustijn. 3. vadersnaam. Vleivorm van Latijnse heiligennaam Constaninus.

Costenoble (van), (van) Costenobel, Coustenoble, Coustenobbe, Constenoble, Croustenoble. Naam uit de oud Vlaamse vorm van Constantinopel: afkomstig van, meegedaan aan een kruistocht. 

Costerman, Costermans, Kosterman, Kostermans, Kostermann, Kuestermann, Kustermann, Keustermans, Kustermans, Ceustermans, Custermans, Kuystermans, Kuijstermans, Ceurstemont: Beroepsnaam. Afleiding van (de) Coster, de Kuster.

Costiaux, Cottiaux, Coteau, Cotteau, Cotteaux: 1. Plaatsnaam, Picardisch costel: kust, oever, helling. Vergelijk Delacoste. 2. Oudfrans costel, coltel, Frans couteau: mes. Zie Couteau. 3. Costiaux kan hypercorrect zijn voor Cottiaux (zie Cottel).

Costier, Costy, Costi, Corstier: 1. Oudfrans costier: verwant in een zijlinie. 2. Waals costier, costy: kleermaker.

Cot, de, de Codt, de Cotte: Middelnederlands cote, Oudfrans cot(t)e, Engels coat: mantel. Franse familienaam Cotte, Lacotte. Bijnaam voor de drager er van of beroepsnaam.

Cotard, Cotar, Cotart, Cottart, Cotta. 1. Vadersnaam. Korte vorm van Jacotard of Nicotard. 2. Uit Costard.

Cote, Côte: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Romaanse vleivormen Francote of Pirecote enz. Plaatsnaam Côte; zie Delacoste.

Van de Cotte. Familienaam uit het Middelnederlandse cot: hok, hutje, arme woning. Uit de woonplaats. 

Coter, de, Keuter, Keuters, Keuther, Keutter: Middelnederlands coter, keuter: bewoner van kleine boerderij, keuterboer.

Cotil, Cottils, Cotils, Cottille, Cotille, Cotyle, Coutil: 1. Plaatsnaam Cortil (Waals-Brabant, Namen), Cortils in Mortier (Luik) van Latijn curtile, van curtis: hoeve, hof. Vergelijk Cortaille, Decourtil. 2. De naam Cotyle werd in de 20ste eeuw door een familie gekozen ter vervanging van Cocu.

Cotte, van de. Plaatsnaam. Middelnederlands. cot: hok, hutje, arme woning.

Cottel, Cotelle, Cottele, Cotteaux, Cotteau, Cottiaux, Coteau: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Jacot of Nicot. 2. Afleiding van Oudfrans cote (Germaans kotta, Engels coat): overkleed. Oudfrans cotel: maliënkolder; of côtelé: dames- of herenkleed, korte mantel. 3. Zie Costiaux.

Cottem, (van), van Cotthem, van Cothem, van Cottom, van Cauthem, van Cautem. 1. Familienaam uit de plaatsnaam (Kottem), Cotthem in Oombergen, Erpe en Zonnegem (Oost-Vlaanderen). 2. Of uit gelijknamige plaatsnaam in Oudenburg (West-Vlaanderen). 

Cottet, Cotte. Vadersnaam. Korte vorm van Jacotet, van voornaam Jacques.

Cottiels, Cotteel, Cotteels: 1. Var. van Cottel 2. Waarschijnlijk variant van Cottils.

Coton, Cotton, Cottong, Couton: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Jacoton of Nicoton. 2. Frans coton, Middelnederlands cot(t)oen: katoen. Beroepsnaam voor de wever of verkoper van katoen. Vergelijk Coutenier.

Cotrez, Coutrez: Franse familienaam Cottret, van coteret, Oudfrans costerez: takkenbos. Beroepsnaam van houthakker.

Cotroux. Plaatsnaam in Sovet, Namen.

Cottijn, Cottyn, Cottin, Cotin, Couttin, Coutin, Cotten, Cottens, Cotens. Vadersnaam, verkorte vorm van Nicotin of Jacotin. Dit zijn knuffelvormen van Nicolas of Jacques.

Cottry, Cottrij: 1. Deze hoofdzakelijk Waals-Vlaamse familienaam = Catry. 2. Misschien variant van Franse familienaam Couterie, van Cousterie: kosterij, kosterswoning, kostersgoed. Vergelijk plaatsnaam Costerie;

Coubronne. Frequente plaatsnaam in Nord en Pas-de-Calais: koude bron. Vergelijk Duits Kaltenborn.

Coudeville: Plaatsnaam Coddeville (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Couchet. Oudfrans couche; draagbaar, draagbed.

Couchie, Couchy. Plaatsnaam Coucy (Aisne, Ard.). 2. Zie Cauchie(s).

Coudekerque, Couckercke, Couquerque: Koudekerke (Frans-Vlaanderen), uitspraak koekerke.

Coudrier. Plaatsnaam. Frans coudrier; hazelaar.

Coudroy, Coudray, Coudré, Coudre, Couderé, Coudère, Coudère, Couldrey, Caudroit: Franse plaatsnaam Coudraie: plaats waar hazelstruiken staan. Ook Ducoudray, Ducoudré.

Couet, Couez, Coué, Coët, Couwet, Couwez, Kowet, Cowé, Cowez, Kouwé, Cauwet, Cauuet, Cauet, Cawet, Cawez, Cauët, Keuwet, Keuwez, Cué, Quewet, Quewez, Quéwet. Naam uit het Oudfranse coué, dit uit het Latijn caudatus: met een staart. En uit het Luiks-Waalse cowèt: duivel, nietsnut. Bijnaam of huisnaam.

Couillard. 1. Afleiding van Oudfrans coille: teelbal. Scheldwoord als bijnaam. Vergelijk Nederlands kloot. Vergelijk Couilleit. 2. Reïnterpretatie van Collard.

Couilleit, Couillet, Coullez. Afleiding van Oudfrans coille; teelbal. Scheldwoord als bijnaam.

Coullet: Vadersnaam. Variant van Frans Colet, verkleinvorm van de voornaam Nicolas.

Coulaie, Coullée, Coulée, Coulée: Luiks-Waals coulêye, Frans culée: het achterste (cul), het meest afgelegen deel van een dorp, afgelegen gehucht, gat. Verspreide plaatsnaam, Luik.

Coulange. Plaatsnaam Coulange(s), Allier, Loir-et-Cher, Nievre, Yonne.

Coulbaut, Coulbeau, Coulbeaux. Hypercorrect voor Coubeau.

Coulon: Variant van Colon. 1. Oudfrans colon, colomb ‘duif’. Bijnaam voor een duivenkweker. 2. Oudfrans colon, Latijnse colonus ‘boer, landbouwer’. 3.V leivorm van de voornaam Nicolas.

Coulonval, Coulonveaux, Coulonvaux, Collonval, Colonval: Plaatsnaam Coulonval in Villers-le-Gambon (Namen).

Coumont. Plaatsnaam in Nassogne en Mohiville (Namen).

Coumou: Wellicht de Zuidoost-Franse familienaam Coumoul, van Occitaans comol ‘volle maat’. Beroepsbijnaam van de korenmeter.

Couneson, Counson. Vadersnaam. Waalse vleivorm op -eçon van voornaam Koen.

Couniot, Counot. Vadersnaam. Afleiding van voornaam Koen.

Counachamps. Plaatsnaam in Louveigné en Rouvreux (Luxemburg)

Counet, Connet, Conet, Koné: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam voornaam Koen.

Counhaye, Connehaye: Plaatsnaam in Hendrikkapelle en Clermont (Luxemburg).

Counotte. Moedersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Koen.

Coupigny, Coupiny, Decoupigny: Plaatsnaam Coupigny (Aisne, Marne, Pas-de-Calais).

Coupillie, Coupille, Coppillie, Copily: Oudfrans coupille: kleine tak. Bijnaam. Vergelijk Tack en Franse familienaam Coupillaud. Of een een verschrijving voor Coupigny.

Couplet, Couplez. Afleiding van Oudfrans copel: top, hoogte; Middenfrans coplet: top. Vergelijk Copay(e).

Couprie: Plaatsnaam Couperie (Gironde, Maine).

Courant, Curant, Kurandt, Kurant, Kurent: Oudfrans corant: vlug, levendig. Bijnaam.

Courault, Coureaux, Couraux, Courraud: 1. Plaatsnaam Coureau. Vergelijk Frans Ducoureau. 2. Oudfrans coral: lopend, vlug. Bijnaam.

Courbain, Courbin. Bijnaam naar de kromme, gebogen rug.

Courbe. 1. Bijnaam voor iemand met kromme rug. 2. Plaatsnaam: kromming, bocht (Aisne, Orne..).

Courbet, Courbez, Corbet, Corbett, Corbé, Corbe, Corbey, Corbeij, Corbex, Korbee: Bijnaam voor iemand met gebogen houding, een kromme.

Courbois. Plaatsnaam in Condé (Nord).

Courbon, Courbot. Bijnaam naar de gebogen houding, zoals Courbet.

Courden, Courdent, Courdain, Cordang, Cordens: Bijnaam Courte dent: korte tand.

Coureur, Courreur, Cureur. 1. Beroepsnaam van de loper, de bode, de koerier. 2. Zie ook Corroyeur.

Courjaret. Frans jarret, van Oudfrans. gare: been, dij. Vergelijk Courtecuisse, Cortbeen.

Courmont. Plaatsnaam, (Aisne, Hte-Saône).

Couronné, Cournet, Couronne, Corroene, Coroenne: 1. Oudfrans coroné: met tonsuur, kruinschering. Bijnaam voor een geestelijke. 2. Couronne is een verspreide huisnaam: De Kroon.

Courouble, Courouppe, Couroupe, Caroubel, Carobel, Corruble, Kordupel, Croubels, de Croebele, de Croubele, Kroebel: Plaatsnaam Quarouble (Nord), uitspraak couroupe.

Courrèges. Zuidfrans van Latijn corrigia, van Frans courroie: lint, band. Beroepsnaam.

Courrier, Courrière, Courier, Corriere, Corrier, Corriez, Corier, Corryé, Courroyer, Couroyer, Corroyer, Corroyez, Curier: Beroepsnaam van de koerier, de bode.

Courroux. Variant van Coureur; loper, bode.

Coursier, Courcy: Beroepsnaam van de loper, bode. Vergelijk Courrier.

Court, de la: Frans equivalent van van den Hove. Oudfrans cort, curt, van Latijnse curtis, cortis‘hof, hoeve’.

Courtant. Coûtant met epenthetische r? Of= Courdent?

Courte. 1. Vrouwelijk van court: kort. Bijnaam. 2. Plaatsnaam Courte: hoeve.

Courouble, Couroupple, Courouple, Caroubel, Carobel, Corruble, Kordupel, Croubels, de Croebele, de Croubele, Kroebel. Familienaam uit de plaatsnaam Quarouble (uitspraak couroupe - in Nord).

Courteau, Courteaux, Courtaut, Courtiaux, Courtial, Courtay, Courtel, Corteel. Naam uit het Franse court: kort. Bijnaam voor een klein persoon.

Courtecuisse, Courtequisse, Cortequisse: Bijnaam Courte cuisse: korte dij. Bijnaam voor iemand met korte bovenbenen. Oudfrans cul: (ook) benen.

Courtejoie, Courte joie: kortstondige vreugde. Kan een bijnaam zijn, misschien naar een huisnaam. Maar het oudste voorbeeld bevat geen t, zodat de familienaam weleens op een reïnterpretatie kan berusten. Misschien Oudfrans coroie, Frans courroie: riem, band.

Courtenay. Plaatsnaam (Loiret).

Courteville, Corteville: 1. Plaatsnaam Courteville in Tubersent en Ferques (Pas-de-Calais). 2. Zie Corteville.

Courthéoux, Courtheoux, Courtéhoux, Courtehoux: Plaatsnaam Courtioux (Hte-Vienne, Rhône) van courtil: afsluiting, hoeve.

Courtier, Cortier, Corti, Corthier, Courty, Corty, Lecourtier: Oudfrans corder, Frans courtier: makelaar. Beroepsnaam.

Courtin, Courtaein, Courtheyn, Courteyn, Courtyn, Courtijn, Cortin, Corteyn, Curtin, Carteyn: Bijnaam. Afleiding van Frans court ‘kort’, voor iemand die niet groot is.

Courtois, Courtoit, Courtoy, Cortois, Cortoys, Cortoos, Cartois, Cartoos, Lecourtois. Bijnaam uit het Franse courtois: hoffelijk, fijn, beschaafd. Het hondje in de Reinaert heette Cortoys.

Cousement, Coussement, Coussemant, Cossement, Couchement, Couchman: Beroepsnaam voor een schoenmaker. Oudfrans chakement, Picardisch cauchement: schoeisel.

Cousebant. Bijnaam naar de kousenband.

Couson, Cousson: Plaatsnaam Couson (Aisne, Montfaucon), Couzon (Allier, Loire, Rhône, Hte-Marne).

Cousot. Vleivorm van Cousin?

Cousse, Kouws, Cauche, Chauche, Chausse, Causse, Caus, Kaus, Kauss, Kausse, Kaussen, Kousen. Familienaam uit het Middelnederlandse cous, cause, van Middenlatijn calcia, Picardisch cauce, Oudfrans chauce: beenbedekking of broek, kousen, schoenen. Beroepsnaam. Van de kousenmaker. 

Coussemaker (de), (de) Coussemaecker, Couesemaeker, Cousemaeker, de Coussemaeker, de Coussemaker, de Kousemaeker, Kousemaker, Coussmaker, Coussemacker, Coussemaque, de Cosemaeker, de Cosemaker, de Coessemacker, Coessemaecker, de Causemaecker, de Causemaker, de Causemmaeckre, de Causemaecker, de Causmaecker, de Causmaeker, de Cauwsemaecker, de Cauwsemacker, Couwsemaeker.

Beroepsnaam van van de kousenmaker. De kous was een leren of zijden/stoffen beenbedekking.

Cousser, de. Beroepsnaam van de kousenmaker.

Cousine, de la: Occitaanse variant van de la Cuisine. Beroepsnaam van de keukenmeester. Vergelijk van der Keuken.

Coussement, Cousement, Coussemant, Cossement, Couchement, Couchman. Beroepsnaam van de schoenmaker uit het Oudfranse chalcement: schoeisel.

Coustry, Coustris. Beroepsnaam. Waals coustry, van coust(u)rier: naaier, naaister, kleermaker. Zie Couturier.

Coûtant, Coûtand, Courtant: Vadersnaam. Romaanse vorm van Latijnse heiligennaam Constans.

Coutard, Coutart, Coutaert, Cautaert, Coutaers, Coutaerts, Cotard, Cotar, Cotart, Cottart. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de voornamen Jacotard of Nicotard. 2. Mogelijk een beroepsnaam afgeleid van het Oudfranse 'cotte' = wapenrok/ herenrok: soldaat of kleermaker(handelaar).

Couteele, Couteel, Couteelle, Coutteel, Koutiel, Coutteau, Couteau, Couteaux, Coulteaux, Couttouw, Cultiaux: Oudfrans coutel, Frans couteau, van Middelnederlands couteel: mes. Beroepsnaam van de messenmaker. Vergelijk Coutelier, de Mesmaker.

Coutelier, Coutellier, Couttelier, Cotteleer: Beroepsnaam van de messenmaker. Vergelijk De Mesmaker.

Coutenier: Beroepsnaam. Oudfrans couttenier, cotonier ‘katoenhandelaar’ of ‘kantoeneerder, die met katoen vult of voert, die watteert’.

Coutereel, Coutereels, Couttreel, Coutreel, Coutureels, Coutiau, Cotau, Coutaux, Coutarel, Cautreels, Cauttreel, Cautreels, Cautreel, Cotereels, Cottereel, Cotereel, Cottriel, Coterelle, Corelle, Cottereaux, Cottereau, Cotrau, Cottriau, Coturiau. Naam uit het Oudfranse coterel: wapenrok, huurling die een wapenrok draagt, bandiet, rover. Beroepsnaam of bijnaam.

Couterman, Coutermans, Cauterman, Cautermans, Coetermans, Cotermans, Kautermans: Afleiding van Van de Cauter.

Coutier, Coutiez, Coutié, Courtier, Couthier, Couty, Cuttier: Afleiding van Oudfrans coûte: matras, gestikte deken, bedsprei. Beroepsnaam van de matrassenmaker, dekenstikker, Middelnederlands culctsticker.

Coutisse. 1. Plaatsnaam, Namen. 2. Plaatsnaam Coutiches (Nord).

Couttenier, (de) Cottenier, Cottenjé, Cottenje, Cottenjié, Cottenie, Cottenies, Cottenye, Cotteny, Coteny, Coutteeye, Couttenye. 1. Beroepsnaam uit het Oudfranse couttenier, cotonier: katoenhandelaar of katoeneerder (watteerder). 2. Zie ook Decottignie(s).

Couture, Coutuer, Couteur, Coutteure, Coteur, Cotur, Coture: 1. Plaatsnaam Couture, van Latijn cultura: akkergrond, landbouwgrond. La Couture (Pas-de-Calais). Vergelijk Van de Cauter. 2. Beroepsnaam van de kleermaker. Zie Couturier.

Couturier, Lecouturier, Cousturier, Cousserier, Couserier, Aucouturier: Beroepsnaam van de kleermaker.

Couvelaere, de, Couvelard, Couvelaire, Cuvelard: Middelnederlands covelaer: maker of drager van een kap, mantelkap (covel); ook geestelijke broeder, monnik.

Couvé, Couvee, Cové, Kevee: Spelling voor Frans Couvet, voltooid deelwoord van Oudfrans cover ‘koesteren, vertroetelen, verwennen’. Bijnaam.

Couvelance, Couvelence. Plaatsnaam Koblenz. Contaminatie van Frans Coblence en oude Nederlandse vorm Covlents.

Couvert. Voltooid deelwoord van Frans couvrir: bedekken, verbergen, veinzen. Vandaar Waals covièrt: geveinsd, achterbaks.

Couvet, Couvez, Couvee, Covet, Lecouvet, Lecovez, Lecover: Voltooid deelwoord van Oudfrans cover: koesteren, vertroetelen, verwennen. Bijnaam.

Couvreur, Couvruer, Couvreux, Coufreur, Couuvreur, Covereur, Découvreur. Couvreur is een Franse beroepsnaam couvreur: (lei)dekker.

Couwenburgh, van. Plaatsnaam Koudenburg: koude burg, burcht. 1. Coudenborch, Cauwerburg in Temse (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam op Schouwen (Zeeland). 3. Plaatsnaam in West-Vlaanderen, onder meer Esen en Werken. Zie ook Van Caldenborch.

Coux, du: Frequente Franse plaatsnaam Coux, van Latijnse cotes ‘puntige rots, klip’.

Couyon, Coyon: verschrijvingen voor Couillon, Oudfrans coillon, van coille: teelbal. Scheldwoord als bijnaam. Vergelijk Couillard.

Coward, Coaert, Coart, Couard: Oudfrans couart, coart, Engels coward, van Latijn cauda: staart. Bijnaam voor een bangerd, lafaard.

Coyet, Coyez, Coyette. Vaders-, moedersnaam.

Cryns, Creyns, Creijns, Crijns, Crine, Crins, Creyne, Crynen, Crijnen, Kryn, Krynen, Krijnen, Krijn, Krijn, Krijns, Kriens, Krins, Kreynen, Creyne, Kreins, Krein, Kreings, Kringhs, Krings: Vadersnaam. Heiligennaam Quirinus. Korijn is de Waals Vlaamse volksnaam van de heilige. Sint-Korijn of Sint-Corinus wordt vereerd in Hooglede en Kortrijk. De vorm Krings is te vergelijken met Frings. Zie ook Quirin.

Crabbe, Crabbé, Crab, Krab, Crabs, Crabts, Craps, Krabbe, Krabben. Bijnaam naar het dier 'krab' = wellicht iemand met een rare manier van lopen.

Er is natuurlijk ook de mogelijkheid van een beroepsnaam: verkoper of visser van schaaldieren. 

Crabeel, Crabeels, Crabau. Bijnaam uit het oude woord crabeel: tegenslag. Voor een pechvogel.

Crabus. Wellicht Bijnaam: ruig, ruw.

Craco, Cracco. Plaatsnaam Cracco in Bellinzona (Tessin, Tjechie). Jacobus del Cracho, Bellinzona. Jacob Cracc(h)o, Bellinzona, vestigt zich ±1767 in Roeselare.

Cracau: 1. Plaatsnaam Krakau in Galicië, Pools Krakowaalse. Ook plaatsnaam Cracau, Krakau, Krackow (Mecklenburg-Vorpommern, Pommeren). 2. Ook andere naam voor Kalkar (Noordrijn-Westfalen).

Craegs, Craeghs, Craeght, Craggs. Het Middelnederlandse craech betekent: hals, keel, strot. Ook ringkraag of halskraag. Een familienaam die wellicht afgeleid is van een bijnaam verwijzend naar een opvallende hals of naar het dragen van een opvallend kledingstuk. Bijnaam.

Craen, van (de). Familienaam uit de plaatsnaam Kraan (Nederlands-Limburg), De Kraan (Noord-Brabant) en wellicht nog op andere plaatsen.

Craenhals. Bijnaam voor iemand met een lange hals, naar de kraanvogel. Vergelijk Waals Vlaams kraanhalzen: trots het hoofd oprichten. Duits Kranhals.

Craesbeek, van, Craesbeekc, Craesbeck. Plaatsnaam Kraasbeek in Tielt (Vlaams-Brabant).

Craet, de, Kraat, Crate: Middelnederlands craet: het kraaien van de haan. Bijnaam. Vergelijk Kraai.

Craeyelmans. Afleiding van plaatsnaam Kraaiel in Wommelgem (Antwerpen)? Zie ook Kreyelmans.

Crayeveldt, van Craeyevelt, van, Craeyeveld, (van) Craeyveld, Crayeveldt, Craeyvelt, van Crayveld, Kraayeveld: Plaatsnaam Kraaiveld, bijvoorbeeld in Lauwe, Passendale, Waregem, Wingene.

Craeymeersch, van, Crayemeersch: Plaatsnaam Kraaimeers, als in Emelgem, Merkem, Zedelgem (West-Vlaanderen), Maldegem (Oost-Vlaanderen).

(van) Craeynest, Craeijnest, van: Verspreide plaatsnaam Craenest/Kraai(en)nest.

Crahay, Crahaij, Crahai, Crahait, Crehay, Krahay, Krahé: Plaatsnaam in Grupont: afgebrande grond, gerooid bos.

Crainich. Duitse bijnaam Kranich; kraanvogel.

Crakaert. 1. Afleiding van Middenenderlands craken: kraken, krakend geluid maken, lawaai maken, babbelen. Vergelijk De Crae(c)ker. 2. Zie Crokaert(s).

Cram, Crame, Cramm, Cramme: Middelnederlands cram(me), crame: kram, haak. Beroepsnaam voor iemand die krammen maakt of slaat.

Crama, Cramailh. Waals crama; Oudfrans cramail: heugel, haal, hangijzer. Beroepsnaam van de smid.

Cramazou, Cramazone. Italiaanse familienaam?

Crampon, Crampont. Plaatsnaam Crampon, Nord.

Crâne, (de), Crane (de), Craane, Cran, de Craen, Craene, de Craan, Craens, Kraan, Krahn, Kraenen, Craen, Craenen, Krane, Kranen, Krannen, Schraen, Schaenen, Lecrane. 1. Bijnaam naar de kraanvogel voor iemand met lange benen of lange hals. 2. Variant van Van Craen, zie bij Craen.

Cranem, van, van Craenem, van Craenen, van Crannem, van Cranen, van Craynhem, van Crénom, Crénon, van Crenom, Crenon: Plaatsnaam Kraainem (Vlaams-Brabant) of Kranem in Vissenaken (Vlaams-Brabant).

Cranenbroeck, van, Cranenbroek, van, van Craenenbroeck, Craenenbroek, Craenenbrouck, van Craenbroeck, van Kraenenbroeck, Cranembrouck, Craenembroeck, Cranenbrouck: Plaatsnaam Kranenbroek ‘moeras waar kraanvogels verblijven’. Plaatsnaam bij Mierlo, Steenberg en (Noord-Brabant), in Attenrode, Lembeek (Vlaams-Brabant), Ninove (Oost-Vlaanderen).

Craninx, Craninckx, Craeninckx, Kraninckx: Vadersnaam. Afleiding van een Germaanse hraban-naam, vergelijk Hrabanolt/Kranhold.

Cransberg: Duitse plaatsnaam Kransberg (Hessen) of Kranzberg (Beieren).

Cranshof, Cranshoff. Duitse plaatsnaam en familienaam Kranzhoff.

Crappe, Crapet, Crappez, Crapez, Crapé, Crappé, Krapez, Craps: 1. Middelnederlands crappe, crapmede: meekrap, kleurstof voor weefsels. Beroepsnaam van de lakenverver of bereider van meekrap. 2. Frans crape: puist, schub; crapet. Bijnaam naar de schubbige huid.

Craquelin. Frans craquelin van Nederlands krakeling: knappend gebak, koek. Beroepsnaam.

Cras, Kras: Bijnaam. Oudfrans cras: vet, dik.

Crasborn, Cratsborn, Cratzborn: Plaatsnaam in Weerst (Luik).

Cranzbühler: Afleiding van de Duits Plaatsnaam Kranzbühel. Büh(e)l ‘heuvel’.

Crassaert, Crassaerts, Crassart, Crasaert, Craessaert, Craessaerts, Crassa, Crassart, Crytsaerts. Familienaam afgeleid van het Oudfranse cras (gras): vet, dik. Wellicht een bijnaam. Of een aanpassing zijn van een Britse familienaam.

Crasset, Cresset, Gressé, Krassé: 1. Afleiding van Oudfrans cras, Frans gras: vet. Bijnaam voor een zwaarlijvige. 2. Oudfrans crasset: kaars, olielamp; craisset: lamp, toorts. Beroepsnaam.

Crassier, Gressier, de Crassier: Middelnederlands crassier, Frans graissier: vettewarier, handelaar in vetwaren.

Crassin, Crasson: Afleiding van Oudfrans cras: vet, dik. Vergelijk Grasset.

Crauwels, Crauwers, Crouwels, Krouwel, Kraul, Krauweel, Kreuwels, Kreuls, Creuwels, Creuels, Kruyels, Kruijels, Cruywels, Cruwels, Kröhle, Kroell, Kröell. Met Middelnederlands 'crauwel' en het Middelhoogduits 'kröuwel' betekenen: drietand, kromme gaffel, vleeshaak. De familienaam is wellicht een beroepsnaam (boer of beenhouwer) of mogelijk een huisnaam (de naam van een huis/herberg werd dikwijls overgenomen door de bewoners als familienaam). 

Cravat, Cravatte, Cravate, Chravatte, Crawat: Volksnaam. Frans Cravatte: Kroaat.

Cravillion, Cravillon, Cramillion, Cramilion: Afleiding van Frans crawille: haak.

Crawford. Plaatsnaam, Lanarkshire.

Craybeek, van, van Craybeck, van Craybek, van Crayebeck, (van) Craybex, Craeybeeckx, Craeybeckx, Crayebeckx, Craybeekx, Craybeek, Craybeckx, Craybeck, van Crabeekx, Crabeek, Crabeeck, Crabeck, Crabecq, Crabbeck, Crebeek, Crebeck, Crebec, Crebeyckx, Crebeyck, Crebeek: Plaatsnaam Kruibeke (Oost-Vlaanderen). Maar de familienaam is vooral Limburgs en zou dus wel op een Limburgse plaatsnaam terug kunnen gaan. 2. Beeknaam Kraaibeek in Frans-Vlaanderen en West-Vlaanderen.

Crayelynghe, van. Misschien plaatsnaam Kralingen, Zuid-Holland.

Crayer, de, Creyers: Bijnaam voor een kraaier, schreeuwer, roeper, omroeper.

Cré, Cre, Crede, Creed, Crez, Decré, Decrëe, De Cree, De Crée. Bijnaam of beroepsbijnaam (voor koster of voorbidder) voor wie het credo (die 12 artikelen opzegt. 

Crebouw. Aanpassing waarschijnlijk van Crabau.

Creel, Creël Creëlle, Crehel. 1. Naam uit het Franse en Duitse grille: krekel. Bijnaam. 2. Variant van de voornaam Kerniel, Corneel. 3. Zie ook Kraai.

Crem, (de), Crême, Crème, Creme, de Crem, Decraim, de Krem, Decrême, Decrêm, Decrem, Decreme, De Creem, (de) Criem, Decrenne. Via Wallonië ontstane varianten van (de) Cremer. Zie verder bij Kramer De.

Cremens, Crement, Cremmens: Misschien variant (l/r-wisseling) van voornaam Clemens, Clément.

Cremery, Cremerye, Cremmery, Cremmerye, Cremerije, Cremmelie, Cremelie, Cremelie: Plaatsnaam Crémery (Somme).

Creminger. Duitse familienaam Greminger?

Crener. Waarschijnlijk variant van Cremer.

Crêpez, Creppe, Creppez. Bijnaam. Oudfrans crespet, afleiding van crespe: met kroeshaar. Vergelijk Crispel.

Crépieux, Crepieux: Plaatsnaam (Ain, Rhône).

Creplet, Créplet: Afleidng van Oudfrans crespe: gekroesd. Bijnaam voor een kroeskop. Vergelijk Crispel.

Crépy. Plaatsnaam Crépy (Pas-de-Calais, Aisne, Oise).

Crequy, Crequit, Crequie, Criqui, Kreki, Kerrikie: Plaatsnaam Créquy (Pas-de-Calais).

Cresen, Cresens, Crésens, Cresis, Créées, Crécês: Variant van Gresens.

Crespeigne. Oudfrans crespigne: zondag voor de vasten, waarop pannenkoeken (crêpes) gegeten worden.

Cressely. Plaatsnaam, Seine-et-Oise.

Cressin, Quersin: Afleiding van Oudfrans cras, crais: dik, vet. Vergelijk Grasset, Gresset. Vergelijk Cresson/Querson voor de klankverandering in Quersin.

Cresson, Querson: Oudfrans cresson, Oudpicardisch kerson: waterkers, tuinkers. Beroepsnaam van de teler ervan.

Cressonnier, Croissonnier, Croisonnier, Croisonier: Beroepsnaam voor de teler of verkoper van waterkers (zie Cresson, Lacressonnière).

Cretel: Vadersnaam. Romaans Cretel, van Crestel, Cristel, vleivorm van de heiligennaam Christianus.

Creten, Cretens, Crétens, Créten, Creeten, Creytens. Bijnaam uit het Oost Middelnederlandse creten, creiten: plagen, kwellen. Vergelijk Nederduits Kre(e)ter, Kreiter: ruziemaker, twistzoeker.

Creteur, Créteur, Crèteur, Crêteur, Cretteur, Creteux: Afleiding van Oudfrans crester: het hoofd (de hanenkam) verheffen, trots zijn, hoogmoedig zijn. Bijnaam.

Crétin. Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Christianus.

Creton, Decreton: Oudfrans creton: stukje vet, stukje gebakken spek, uitgebakken vet. Bijnaam. Vergelijk Speck.

Creuz, Creutz. Duitse familienaam Kreutz, Kreuz. Huisnaam of plaatsnaam.

Creveau, Creveaux, Créviaux, Créviau, Cravau, Crebaels, Crebals. Variant van de Franse familienaam Crevel uit het Latijnse cribellum, het Franse crible: kleine zeef. Beroepsbijnaam van de zevenmaker.

Cretsaert, Creytsaert, Creytsaerts. Naam uit het Oudfranse crisser/grincer. Bijnaam voor een knorrig iemand.

Crèvecoeur, Crevecoeur, Crévecoeur, Crêvecoeur, Crefcoeur, Crèfcoeur: Verspreide plaatsnaam. Naam van kastelen en burchten: die het hart doet barsten, breken.

Crevel, Crevels. Middelnederlands crevele; jeuk, kriebeling. Bijnaam.

Creytsaerts. Crijtsaert, van Oudfrans crisser: grincer. Bijnaam voor een knorrig mens. Vergelijk Grignard.

Criar. Waarschijnlijk verschrijving voor Gruillard.

Crickemans. 1. Afleiding van Cricke. Zie Kruck. 2. Zie Kriekemans.

Crié, Criez. Afleiding van Oudfrans cri: faam, blaam, aankondiging. Bijnaam van de omroeper?

Crickx: 1.West-Vlaamse, midden Vlaams cricke, ontronde vorm van Middelnederlands Crucke (zie Crucke). 2. Variant van Crieckx; zie Kriek.

Criel, Krill, Kril, Krielen: 1. Frans en Duits Grille: krekel. Vergelijk Grillard/Krielaart. 2. Vadersnaam. Samengetrokken vorm van Kerniel, Corniel, van Cornelius. Vergelijk Kreel, Krelis.

Crikeler, Crikelaire, Crikelhire, Criquelière: 1. Kriekeleer, -laar: kersenboom, pruimenboom. Vergelijk Kriekeboom. 2. Eventueel variant van Krekeler.

Crimmers. Waarschijnlijk variant van Cremers.

Crimont. Plaatsnaam Crimont in Baisy, Neerheilissem, Waver (Waals-Brabant), Elzele, Gosselies, Lessen (Henegouwen).

Criquet, Krické: Middenfrans criquet: naam van verschillende insecten, als de krekel. Vergelijk Krekel(s).

Criquillon, Criquillion, Criquilion, Criquielion, Criquielon, Criquellion, Criquelion, Crickillon, Crikilion, Krikillion, Krikilion, Krékilion, Crekillie: Oudfrans Criquillon, crikellon: krekel. Vergelijk Krekel(s).

Crismer, Crisner: Stamt van een Beierse familie. Griesmeier: boer op een hof met kiezel.

Crispeels, Crispel, Crispeel, Crispeele, Criespiel, Crispiels, Krispeels, Chrispeel, Chrispeels, Chrispiels, Chrisels, Crespel, Crespaeu, Crespo, Crispoux, Crepel, Crepelle, Crepeele, Crepeau, Crepeaux, Crepaux, Crépaux, Crippiau, Cripiau, Crépillon: Bijnaam. Frans Crispel, Crespel, verkleinvorm van cresp(e), Frans crépé, crépu‘met kroeshaar, met borstelig haar’.

Crispin, Crispyn, Crispijn, Crispen, Chrispeyn, Crispeyn, Cruspin, Cryspin, Crespin, Crépin, Crepin, Crepain, Crepet, Creppy, Crépey, Crepule, Crepelle, Crepeele, Crepel. 1.Vadersnaam uit de heiligennaam Crispinus. 2. Familienaam uit de plaats Crépin in Pommeroeul (Henegouwen) of Crespin in Valencijn (Nord). 3. Oudfrans crepin: wafel.

Cristael, Cristaels, Christaels, Christael, Cristal, Kristal: 1. Vadersnaam. Afleiding van een Christ-naam, zoals Christophorus of Christianus. 2. Beroepsnaam voor wie bergkristal opgraaft?

Cristel, Kestelle, Kestel, Crestel, Cretelle, Cretel, Créteau: Patr. Vleivorm van heiligennaam Christianus. Kestel, van Kerstel.

Cristofori, Cristodfoli, Cristofalo, Cristofaro, Cristofani, Cristofano, Cristofoletti. Vadersnaam. Italiaanse vormen en afleidingen van Griekse heiligennaam Christoforus.

Crisveldt, Crisvelte. Plaatsnaam in Nukerke, Oost-Vlaanderen, Duitsland.

Crits, de, de Cridts: Middelnederlands krits: krab, kras; Waals Vlaams schurft. Bijnaam.

Crocaerts: Afleiding van Crook (zie op dat woord); vergelijk familienaam de Croock, de Kroock. Bijnaam voor iemand met lange, krullende lokken.

Crochard. Afleiding van Oudfrans croc: haak.

Crochon. 1. Afleiding van Oudfrans croc: haak. Beroepsnaam. 2. Vadersnaam?

Croegaert. 1. Afleiding van Middelnederlands croech: kruik. Beroepsnaam van de pottenbakker of kruikenhandelaar? Vergelijk Duits Kruger, Kriiger. 2. Misschien een variant van Croekaert.

Croeser, de. Afleiding van Middelnederlands croes(e), Middennoordduits krôs, krûs: kroes, kan, kruik, drinkbeker. Bijnaam voor een kroezenmaker, pottenbakker; of voor de drinkebroer, zuiper. Middenenderlands croesen: zuipen. Vergelijk Nederduits Schwenkkros, Leerenkraus, Fùllekroes.

Crohin, Crohain, Croain, Croën, Crouin, Crowin, Croin: Variant van de Belgische (Henegouwen) familienaam Crohin, Croën, Crouin, Crowin. Herkomst onduidelijk. Wel niet van Oudfrans groin; geknor.

Croibien, Croibier: Bijnaam naar iemands lijfspreuk 'je crois bien' (ik geloof wel)? Waarschijnlijk een reïnterpretatie (Cambien, Crombain).

Croisaerdt, Croeisaerdt: De Franse familienaam Croizard, van croix: kruis. Wellicht een muntnaam.

Croiseau, Croisiau, Croisiaux, Croisseaux, Croissieaux, Croisaux: Afleiding van Frans Croix. Plaatsnaam in Arquennes (Henegouwen), Bornival (Waals-Brabant).

Croiselet, Croizlet: Afleiding van croix: kruis. Of van croisel: lamp in kruisvorm.

Croiset, Croisé, Croisez, Croizet, Croisse: 1. Afleiding van croix: kruis. Eventueel. muntnaam. 2. Plaatsnaam Croisse (Seine-Mar.), Croisette (Nord, Pas-de-Calais).

Croisier, Croisy, Kroysier, Crosiers, Crozier, Creuhy, Krusy: 1. Frans croisier, Waals creûhî: kruisheer, kruisbroeder. 2. Of van Croisié, voltooid deelwoord van Oudfrans croisier: zich aanmelden voor de kruisvaart, een kruis als kenteken dragen. Bijnaam voor een kruisvaarder.

Croisille. Plaatsnaam Croisilles (Pas-de-Calais).

Croissant, Cressant, Cressent, Décroissant, Décroisson, Decresson: 1. Bijnaam naar het uithangbord 'Au Croissant' (In de halve maan). 2. Zie Cressent. 3. Plaatsnaam Croissant (Finistère).

Croix, Crois, Croy, Croij, Croye, Crooy, Crooij, Croo, Croos, Croes, Croës. Familienaam naar de plaatsnaam Croix : kruis.

Crombeke, Crombeecke: Plaatsnaam Krombeke (West-Vlaanderen), Krombeek (Susteren, Nederlands Limburg).

Crokaert, Crokaerts, Krockaert, Krokaert, Krokkaerts, Krokaerts, Crokart, Crocaerts, Croukaert, Crockaert, Crockart, Crockaerts, Croeckaert, Croekaert, Crakaert. Naam uit De Croock: bijnaam voor iemand met lange, krullende lokken. Of variant van Crochard: dit uit het Oudfranse croc: haak. Beroepsbijnaam of naam uit één of andere lichamelijke eigenschap.

Crollet, Crolet. Vondelingnaam. Antonius Crollet werd op 10 juli 1833 in Antwerpen gevonden. Hij overleed in 1904 in Wommelgem, waar de familienaam nu nog geconcentreerd is.

Crollard, Crola, Crollaer, Croulard: Bijnaam van Oudfrans croller: beven, bewegen, schudden.

Crolop. Duitse vadersnaam Krolop, Krolof, van Ro(e)lof.

Crombach, Crombag, Crombags, Crumbach: Plaatsnaam Crombach in Richterich (Duitsland) en bij Sankt Vith (Luxemburg). Ook verspreide Duitse plaatsnaam Krumbach.

Cromben, Crombeen, Crombain, Crombin. Bijnaam voor iemand met kromme benen. Duits Krummbein, Krumbeen.

Crombecq, Crombecque, Krumbeck, Crobeck: 1. Bijnaam naar de kromme bek, scheve mond. Vergelijk Middelnederlands crombecte: krombekkig. 2. Zie ook Van Krombeke.

Cromberge. 1. Bijnaam uit één of ander krom lichaamsdeel (bijvoorbeeld beck: mond). 2. In West-Vlaanderen is ook een plaats Krombeke die de oorsprong zou kunnen zijn. 

Crombois, Crombel: Afleiding van Oudfrans cron, cromb, van Nederlands krom. Bijnaam voor een kromme, bochel. Vergelijk Crombet.

Crombrugge. 1. Bijnaam voor iemand met een kromme rug, een bochel. 2. Zie (van) Crombrugge. 

Crombrugge, (van), van Crombruggen, van Crombrugghe, van Crombrughe, van Crombreucq, de Crombrugghe, de Crombrugge. Familienaam uit de plaatsnaam Krombrugge (Oost-Vlaanderen). Crombe; gebogen, krom, rucghe (heuvel)rug.

Cromé. Variant van Crombê (assimilatie mb/m) of van Crome.

Cromheeke, Cromheecke, Cromheeke: Vlaamse familienaam Cromeecke, van Vlaamse plaatsnaam Kromme Eik, bijvoorbeeld in Bellem, Lotenhulle (Oost-Vlaanderen), Sijsele (West-Vlaanderen), Nijlen (Antwerpen).

Crommelin, Cromlin, Crommelinckx, Crommelinck, Crommelijnck, Crommelink, Crommelynck, Crommelynckx, Cromelynck: In België ook Crommeling, Crommelinck. Afleiding van Romaans bijnaam voor een kromme, misgroeide.

Crommenhelleboogh, van. Plaatsnaam Kromme Elleboog, vrij verspreide naam voor een krom stuk land of een wegkromming.

Crommentuyn: Plaatsnaam: kromme afsluiting.

Crompvoets. Bijnaam voor iemand met kromme voeten.

Cromstrien, (van): Plaatsnaam Cromstrijen (Zeeland), sinds 1763 uitgestorven.

Crone, von der. Verspreide huisnaam Zur Krone, In de Kroon. Vergelijk Kroon.

Cronier, Crosnier. Beroepsnaam van de visser met de fuik?

Cronselaer, Cronselaar. Waals Vlaamse bijnaam kronselaar: knoeier? Of uit Duits Kranzler: kransenbinder?

Croo, de, du Croo, de Kroo, de Croot: Vlaamse uitspraak van Frans Decroix, Ducroix. Verspreide plaatsnaam Croix (Henegouwen, Nord).

Crook, (de) Croock, de Croocq, de kroock, de Krock, (de) Crock, (de) Crocq, Krook, Krok, Crok, Crokke, Kroken, Lecroq: 1. Middelnederlands crook, croke ‘lange lokken, krullende lokken, kuif’. Bijnaam, familienaam. 2. Aanpassing van Ducrocq. Zie aldaar.

Croonenbroeck. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Croonenborch.

Crooijmans: Een man-afleiding van de Cruyer, Kruijer ‘kruier, die met de kruiwagen kruit, vrachten vervoert’.

Crop, de, De Croppe, Croppen, Kropp, Krops: Bijnaam naar de krop, het kropgezwel onder de kin of naar de uitstekende adamsappel.

Croquesel, Croquecelle: Oudfrans croque oisel: die vogels slaat, klopt, vangt. Vergelijk Croquison.

Croquet, Croqeette, Croquez, Croquey, Crocquez, Croket, Croucquet, Crouquet, Crochet, Croche, Croché, Chrochelet, Ducroquetz, Ducroquet. 1. Familienaam uit croc: haak. Picardisch croquet, Frans crochet, crochelet, Beroepsbijnaam. 2. Familienaam uit de gelijknamige verspreide plaatsnaam in het Picardisch gebied, Atrecht, Vieil-Hesdin (Pas-de-Calais), Kamerijk (Nord), (Henegouwen)

Croquison. Oudfrans croque oison: die gansjes (ganzen) slaat, klopt, vangt. Vergelijk Hurtecant, Croquesel.

Cross, Crosse, Lacrosse, Crousse: Frans crosse: kruk, stelt. Bijnaam voor een gebrekkige. Vergelijk Kruck, Stelten.

Crosset, Crouset, Crousé, Crouzet, Crouzé, Crozée, Crozee, Crozet: Oudfrans creuset, afleiding van creux, van Latijn crossum: holte. Plaatsnaam.

Crotteux, Croteux. Plaatsnaam in Crotteux in Mons, Luik.

Crouc, Croughs, Crougs, Croughe, Croegs, Kroeg, Kroegs, Croux, Crox, Kroog, Kroch, Kruch: Middelnederlands croech, Duits Krug: kruik, boterpot. Beroepsnaam van de pottenbakker of van de waard. Vergelijk Cruycke, Kroegman.

Crouet, Croué, Crowet: Plaatsnaam, afleiding van crou(x), creux: holte.

Croufier, Croufer. Zinwoord. Beroepsnaam; ijzergieter.

Crousel, Crouzeau, Crusel, Crusiaux, Crusiau, Crusio: Afleiding van creux: holte? Of = Croiseau?

Croutelle, Crutelle, Crutel: Franse plaatsnaam Croutelle: grot (Vienne)? Of veeleer variant van Cretel. De naam komt ook voor als klankverandering van Courtel:

Croy, Croij: 1. Plaatsnaam Crouy (Somme). 2. Zie Croix.

Croymans, Croimans, Crooymans, Crooijmans: Beroepsnaam van de kruier; vergelijk De Cruyer 1.

Crozaz, Crouzat: Plaatsnaam Crozat in Alboussière (Ardèche), La Crosaz in Cognin, Le Crozat (Savoie).

Cru, de, Cruw, de, de Cruy, Cruw, Cruyen, Cruen: De glijders w/j verraden een vroegere intervocalische d. Uit Middenenderlands cmde = cruder: kruier. Zie De Cruyer.

Cruchon, Cruchot, Cruchet, Crusson: Afleiding van Frans cruche: kruik. Beroepsnaam van de pottenbakker.

Cruchten, (van), van Crughten, (van) Kruchten, van Krugten. Familienaam uit de plaatsnaam Krochten in Princenhage (Noord-Brabant), Kruchten (Rijnland-Palts), Cruchten (Groothertogdom Luxemburg) of Kruchten, Maasbracht (Nederlands Limburg).

Crucifix, Cruxifix, Kruysifix: Plaatsnaam Crucifix: plaats waar een kruisbeeld staat.

Crucis. Latijn afleiding van crux: kruis. Latinisering van Vercruysse of Del(a)croix.

Crucke, Crucq, Crickx: Middelnederlands crucke ‘kruk, staf, stelt’. Bijnaam voor iemand die op krukken loopt.

Crucq: 1. Crucq, Cruque is Picardisch voor Frans Cruche ‘kruik’. Vergelijk Kruik. 2. Zie Crucke.

Crugenaire, Crusemaire, Crusnaire, Cruseneer, Crusener, Crusnière, Crusniere: Waals en vervolgens Brabantse aanpassing van Nederduitse familienaam Krügener: (kroeg)waard, kastelein, (of ) pottenbakker. Zie ook Cruquenaire.

Cruisbeck, Crusbeeck, Crusbeck: Waarschijnlijk Waalse aanpassing van Nederduitse familienaam Krusbecker: kroezenbakker, pottenbakker.

Cruquenaire. Beroepsnaam van de kruikenbakker. Nederduits Krügener. Vergelijk Crugenaire.

Crusio: Spelling volgens de uitspraak van de Picardisch familienaam Crusiau(x) van Crusel, Crousel. Wellicht variant van Croiseau, afleiding van Croix.

Crusnière. 1. Plaatsnaam. Waals crusnîre: plaats waar waterkers groeit. Vergelijk Lacressonnière. 2. Crusnaire met ander suffix.

Cru De, Cruw De, De Cruy, Cruw, Cruyen, Cruen. Naam uit het Middelnederlandse crude: kruier. Beroepsnaam.

Crutsen, van, Cruts, Crutsens, Crutzen, Crutze, Crutzen, van Crusten: Plaatsnaam Krutsen.

Cruveiller, Crivilliers: Franse beroepsnaam Cruvelier, van Zuidfrans cruvel, crevel, Frans crible: zeef. Beroepsnaam van de zevenmaker.

Cruyenaere, Cruynaere, de, de Cruijnaere, de Crueynaere, de Crayenaere, Crudenaire, Crunaire, Kruyner, Kruidenier, Kruyniers, Cruyeniers: Beroepsnaam van de kruidenier, de handelaar in kruiden, kruiderijen of specerijen, de drogist of apotheker.

Cruybeke, Cruybeeck, Cruybeek, Cruijbeeck, Crubeck. Naam uit de plaatsnaam Kruibeke, Oost-Vlaanderen.

Cruycke, Cruque, Crucq, Kruuk, (de) Kruijk, Kruyk: Beroepsnaam voor de maker van kruiken, de pottenbakker, of een waard. Vergelijk Crouch, Krug, Kruger.

Cruyer, de, Cruder, Kruijer, de Kruyter: 1.Beroepsnaam van de kruier, die met de kruiwagen kruit, vrachten vervoert. 2. Afleiding van kruiden: met kruiderijen bereiden. Handelaar in kruiden. Vergelijk De Cruyenaere, Duits Kräuter.

Cruynaere, Cruyenaere, (de), De Cruijnare, de Crueynaere, de Crayenaere, Crudenaire, Crunaire, Kruyner, Kruidenier, Kruyniers, Cruyeniers. Beroepsnaam van de kruidenier, de handelaar in kruiden of specerijen, de drogist of apotheker. 

Cruypelandt, Cruypelant, Cruyepants, Cruyplandt, Cruyplant, Cruyplants, Creupeland, Creupelant, Creupelandt, Crupelandt. Bijnaam voor iemand die door het land kruipt, sluipt, loopt: een zwerver, een landloper.

Cruypelinck, Creupeling: Verhaspeling van de familienaam Cruypen(n)inck in de streek van Ronse.

Cruypenninck, Cruypennick, Cruypeninck, Crupeninck, Cruypeninck, Cruypeninck, Cruyppeninck, Cruypenlinckx: Kruidepenning: die zijn penningen kruidt. Bijnaam voor een vrek, die gierig is op zijn geld.

Cruyper, de. Bijnaam voor een kruiper, sluiper. Middenenderlands cruper: bespieder, spion.

Cruysbergh, Cruysberghs, Crusbergs, Cruijsberghs. Naam uit de plaatsnaam Kruisberg (berg met een kruis erop) in Brunssum, Kessel (Nederlands-Limburg), Doetinchem (Gelderland) en verspreid in de provincie Antwerpen.

Cruyskens. Afleiding van Cruys; kruis. Vleivorm van Van der Cruysse.

Cruyslant. Veldnaam van land door de gelovigen geschonken ter bestrijding van de kosten van een door Filips de Goede te ondernemen kruistocht. Kruisland. Plaatsnaam in Damme (West-Vlaanderen) en Komen (Henegouwen). Maar de plaatsnaam terra de cruce komt al in 1305 voor in Audinghen (Pas-de-Calais). Zie ook Kruislander.

Cruysman, Cruysmans, Kruisman: Afleiding van Van der Cruysse.

Cruyssaert. Afleiding van Van der Cruysse.

Cruysse, van der, Cruyssen van der, van der Kruisen, Kruissen, Kruisse, van de Kruis van (der) Kruyssen, van Kruijsse, van Cruijsen, van der Cruys, van der Cruyssen, van der Cruijs(sen), van de(r) Cruijs, van der Cruijce, Cruijcen, Cruycen, Cruyce, van der Chruysse, van der Cruiyssen, van der Chruche, van de Crux, van de Cruys, van de Cruyce, (van der) Kruys, van den Kruijs, van der Crussen, van der Creuse, van der Creusen, Creusen, Kreusen, Kruysse, Kruyssen, Vercruysse, Vercruyssen, Vercruijsse, Vercruijsssen, Vercruyse, Vercruysen, Vercruyce, Voorcruyce, Voorcruijce, Verkruysse, Vercruyssen, Vereruysse, Verkruijsse, Verchruijsse, Vercrusse, Vercrusse, Verkrusse, Vercrysse, van den Cruys, van den Cruijs, van den Cruyce, van den Cruijce,van den Cruysen, van den Cruyse, van den Cruche, Wandercruyssen, wan der Cruyssen, Kruijs, Kruysse, Kruys, Cruys, de Cruyssens, de Cruycens, de Cruyce, Cruisse, Crusse,.. Familienaam uit de zeer verspreide plaatsnaam Kruis, ter Cruce, Cruysse: kruis (vaak strafwerktuig, galg of schandpaal). Kroese, Kroeze kan er ook afgeleid zijn of van kroes; krullend. Kroeseklaas is de kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas.

Cruysweegs, Cruyswegs, Cruijsweegs, Gruysweegs, Kruysweegs, Kruiswegt: Verspreide plaatsnaam Kruisweg: viersprong. Plaatsnaam Kruisweg (Zuid-Holland, Utrecht, Groningen).

Cuber, de, Cubber (de), Decubber, de Kubber, Decubre. 1. Naam afgeleid van het Middelnederlandse cubbe = mand. Beroepsnaam van een mandenvlechter. 2. Of uit het Oost-Vlaamse en Brabantse kubber: mannetjesduif, doffer. Bijnaam voor bijvoorbeeld een fier iemand. 

Cubas, Cubat, Cubba: Variant van Franse familienaam Cubeau, van Cuveau: vat, kuip, ton. Beroepsnaam van de kuiper.

Cuche, Cuchet, Cusse, Cusset, Kussé, Kusé, Kuzee: Waals cuche: tak.

Cudell, Quidel: Middelnederlands cudele, cudel, cuil: bodem van een visnet of viskorf. Beroepsnaam.

Cueninberge, van, van Ceunienberghe: Waarschijnlijk plaatsnaam Koningsbergen (Duits Konigsberg, Russisch Kaliningrad) in Oost-Pruisen. Of plaatsnaam Konigsberg (Duitsland op vele plaatsen). Vergelijk evenwel de Nederlandse familienaam Van Konijnenburg.

Cuesta. Spaanse familienaam en plaatsnaam Cuesta; helling.

Cuf, de. Aanpassing van Frans Descuves?

Cugnion, Cugnon, Kunion, Ouingnon, Ouignon, Coignon, Cognon, Cougnon: 1. Plaatsnaam Cugnon. De plaatsnaam Cornillon (Luxemburg wordt in het Waals avègnon uitgesproken. 2. Oudfrans coignon: hoekje. Vergelijk Coignet. 3. Soms wellicht variant van Cagnon.

Cugnot, Cugnod. Afleiding van Oudfrans coing; hoek.

Cuijvers, Cuyvers, Cuyvers, Kuyvers. Beroepsnaam van de kuiper.

Cuisenaire, Cuisener, Cuisenier, Cuisinier, Cusenier, Quisenaire, Quisenaerts, Quizenaarts: Beroepsnaam. Frans cuisinier ‘keukenmeester, kok’.

Cuisin, Cuisine, Cuisinet: Beroepsnaam van de kok, de keukenmeester. Vergelijk Cuisenaire.

Cuissard. Afleiding van cuisse: dij. Bijnaam voor iemand met stevige dij en of naar het deel van het harnas dat de dijen bedekt.

Cuisset. Afleiding van Frans cuisse; dij. Bijnaam.

Cuitte. 1. Oudfrans cuite: vrij, bevrijd, vrijgesproken; zonder schulden. 2. Zie Kuit(en).

Cukier. Joodse familienaam. Pools cukier; suiker. Beroepsnaam.

Cukierblum. Joodse familienaam; suikerbloem.

Cukierfajn, Cukierfain. Joodse familienaam Zuckerfein: suikerfijn.

Cukierman: Joodse familienaam Zuckermann: suikerman, suikerverkoper.

Cujé: Spelling voor Cugnet, Cuinié, waarbij de palatale nasaal gn [?] tot palatale fricatief j gereduceerd is. Variant van Coignet, Coigné, verkleinvorm van Oudfrans coing ‘hoek’, ook ‘hak, bijl’. Beroepsbijnaam van een houthakker.

Culin, Cullin, Culling, Cillin, Cilling, Cullen, Culens. Vadersnaam, variant van Colin, knuffelvormen van Nicolaus.

Culit. Kuil. De vormen op -aerts zijn hypercorrect.

Culliford. Plaatsnaam Culford in Suffolk.

Culus, Culusse, Cullus, Cullusse: Volgens Carnoy latinisering van Cools. Of korte vorm van voornaam Hercules.

Cumming, Cummings, Cummins: Engelse vadersnaam van Bretonse oorsprong.

Cumont, Decumont: Plaatsnaam Cumont in Gosselies (Henegouwen), Roly (Henegouwen), Coulonvillers (Somme), Candor, Ecuvilly (Oise). De Aalsterse familie Cumont stamt uit Oisemont (Somme).

Cumptich, de. Plaastnaam Kumtich (Vlaams-Brabant).

Cunche. Misschien Waalse adaptie van Duits Kun(t)z.

Cunibert, Cuniberti. Vadersnaam. Germaanse voornaam kun-berht 'geslacht-schitterend': Cunibertus. H. Cunibert was bisschop in Keulen.

Cunningham. Engelse plaatsnaam, Ayrshire.

Cupido: De naam van de liefdegod Cupido is als familienaam totaal onwaarschijnlijk. Vermoedelijk een reinterpretatie van de Spaanse familienaam Cipido, Cipedo, een collectieve plaatsnaam, van cepo ‘boomstronk’.

Curé, Curet, Curez: Frans curé: pastoor.

Curiel, Curia, Curias: Vadersnaam. Verkleinvorm van Germaans kur-naam (bijvoorbeeld in Curinckx) of van Koenraad (over Curardus).

Currinckx, Currinckx, Ceurinckt, Kurinckx. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam kuri; keuze. Of Küurin(g) evenwel van de heiligennaam Quirinus. Of afleiding van de heiligennaam Cornélius; vergelijk Coorens?

Curio, Curioz. Familienaam uit Savooie. Afleiding van Curie, van Ecurie; paardenstal. Hoeve-naam.

Currie, Curry: Frans curie, van Latijn curia: curie (kerkelijke bestuursinstelling).

Curth, Curt. 1. Bijnaam; kort, 2. Duitse voornaam Kurt; Koenraad.

Curtis, Curtiss. Engelse familienaam van Oudfrans corteis, curteis, Frans courtois: hoffelijk, hoofs. Vergelijk Courtois.

Curtius. Humanistennaam. Latinisering van Kort, Kurz.

Cussac. Plaatsnaam Cussac (Cantal, Dordogne, Gironde, Hte-Loire, Hte-Vienne).

Cusse, Kusse: Waalse cuche ‘tak’? Of door verscherping (z/s) uit Middelnederlands cuse, cuese‘knots, kolf’. Bijnaam voor de knotsdrager. Ook familienaam Kuse, Keus.

Custine, Custinne. Plaatsnaam Custinne, Namen.

Cuthbert, Cutburth: Engelse familienaam. Germaanse voornaaum, Oudengels cuth-berht 'beroemd-schitterend'. Vergelijk Cobert, Calberson. St.-Cuthbert was abt en bisschop van Lindisfarne.

Cutsem, van, van Cutsen, van Coetshem, van Coetsem, van Koetsem, van Koetsen. Familienaam uit de plaatsnaam Kutsem (Cutsegem) in St.-Pieters-Leeuw (Vlaams-Brabant). 

Cutserode, van. Plaatsnaam in Opwijk (Vlaams-Brabant).

Cuvelé, Cuvele: Misschien Cuvelet, afleiding van cuve: kuip. Maar waarschijnlijk veeleer variant van Cuvelier.

Cuvelette. Afleiding van cuve; kuip. Beroepsnaam van de kuiper.

Cuvelier (de), Cuvelie, Cuvelié, Cuveljé, Cuveliers, Cuvellier, Cuveiller, Kuveiller, Cuvelliez, Cuvelliez, Cuverlier, Cuvillier, Cuvilier, Cuvilliez, Cuvillez, Cuville, Ceuvelier, Covelier, Coveliers, Covillers, Couvelier, Couvillers, Curveiller, Quveliers: 1. Beroepsnaam. Frans cuvelier, Waalse co(u)velier ‘kuiper’. 2. Sommigen (Cuvillier, -iez) gaan mogelijk terug op de plaatsnaam Cuvillers (Nord). 3. Een zoon van Joannes Quadflege (Quadflieg) trouwt in 1690 in Hermée (Luxemburg). De familienaam werd in de Voerstreek 'ko:vli: uitgesproken en Kofly, Couv(e)ly geschreven. De pastoor noteert de familienaam als Cuvelier. In 1775 krijgt de familienaam in Haacht de afleidingvorm Cuveliers.

Cuvelle, Cuveele, Cuvele. Oudfrans cuvele: kuipje. Beroepsnaam van de kuiper.

Cuvereau. Afleiding van cuve; kuip? Of Picardische variant van Chevreau.

Cuvry. Plaatsnaam Cuvry (Moselle)? Variant van Chevrier?

Cuyl, van. Plaatsnaam Kuil in Merkem, West-Vlaanderen, Belsele, Oost-Vlaanderen.

Cuylits, Cuylaerts, Kuylaerts, Kuijlaars, Kuijlaerts: Plaatsnaam.

Cuysens, Queysen, Quyssens, Quissens: 1. Duistere naam. 2. Kan een Bretonse vorm zijn van Coussen.

Cuytmans, Koytmans. Brouwer of verkoper van kuit, een lichte biersoort.

Cwaigenbaum. Jiddisch=Duits Zweigbaum.

Cwieczkenbaum. Duits Zwetschgenbaum: pruimenboom.

Cyfer, Cyffers, Cyfveer: Vadersnaam. Germaanse voornaam sig-frid 'zege-vrede'. Vergelijk Duits Sievers, Seif[f)ert, Seyffer.

Cygan, Cyganck. Familienaam Zygan, Czygan, Pools Cygan: Zigeuner, van dakloze, rondtrekkend reiziger.

Cygelman. Jiddisch Ziegelmann: tegelman. Beroepsnaam van de tegelbakker of tegeldekker.

Cygler. Jiddisch = Duits Ziegler, Nederlands Tegelaar. Beroepsnaam van de tegelbakker of tegeldekker.

Cymberknopf, Cymberknopff. Joodse familienaam = Duits Zimmerknopf.

Cymerman. Joodse familienaam. Duits Zimmermann.

Cymlich. Duitse bijnaam Ziemlich; betamelijk, passend, aangenaam.

Cypers. 1. Zie Sebrechts. 2. Afleiding van de voornaam Cipriaan.

Cytryn. Oudfrans citrin; citroen. Beroepsnaam.

Czajkowski, Czajkowska. Afleiding van Pools czajka; kieviet.

Cijsouw: West-Vlaamse familienaam Sissau, Syssauw, Cyssau. Uit Frans chincsaulx, Frans cinq saules ‘vijf wilgen’. Plaatsnaam Cissauin Eke (Frans-Vlaanderen) en Borre.

Czech, Czeck, Czeh, Cseh, Czekaj. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de Slavische voornaam: Ceslav. 2. Volksnaam voor een Tsjech.

Czerny, Czernysz, Czarny, Cserny, Csernik, Cserni, Csernok: Bijnaam. Tsjechisch cerny, Pools czarny: zwart.