Verklaring van achternamen F

F.

Faak, Fak, Fagg: Vadersnaam. Germaanse voornaam Facco, van Falco.

Faas, Faase, Fase, Faasse, Faassen, Faesen, Faessen, Faasen, Faes, Facen, Foes: Vadersnaam. 1. Korte vorm van de voornaam Servaas, heiligennaam Servatius. 2. Korte vorm van heiligennaam Bonifatius, Bonifaas. Fries Faes, Faasma, ie Faasma state, Faasma-tille.

Fabbricatore, Fabricatore. Italiaanse beroepsnaam; hand-werkman, vakman.

Fabeck. Plaatsnaam Vaalbeek, Vlaams-Brabant.

Fabel, Fable. Bijnaam naar de "fabel" voor een fabeldichter of een fabel-, sprookjesverteller. 

Faber, Fabère, Faberé, Fabre, Fabré, Fabri, Fabris, Fabbri, Fabbro, Fabrij, Faberij, Fabry, Fabrys, Favry, De Faveri, Favre, Faver, Favere, Faveere, Faveers, Faur, Faure, Defaure, Fore, Foor, Fevrij, Favery, Favry, Feverijs, Feverij, Faivre, Lefevre, Lefèvre, Levevre, Lefever, Lefevere, Lefaivre, Lefeuvre, Lefeure, Lefeve, Leféver, Leféve, Lefebvere, Lefebvre, Lefèbre, Lefébe, Lefefvre, Lefeivre, Leffebure, Lefebure,Leffebvre, Lefèbre, Lefebre, Lafèbre, Lefeber, Laffeber, Lafeber, De Feuer, Fevre, Fèvre, Fever, Fevere, Defevere, Defever, Defèvre, Defebvre, Defevre, Dufebvre, Defebere, Defebure, Feber. Beroepsnaam van de smid uit het Franse fèvre, het Latijnse faber. Faberij is een spelling voor Fabri, de afleidingvorm. Ofschoon faber tôt fèvre geëvolueerd was, hebben 16de eeuwse humanisten ten onrechte de b van faber opnieuw in de naam ingelast, zodat de hypercorrecte spelling Lefèb(v)re onstond. Aangezien vroeger voor de v en de u slechts één letterteken bestond, werd de naam ook als Lefebure gelezen.

Fabersma; van Latijn faber; smid.

Fabert. 1. Romaanse spellingvariant van Faber. 2. Zie Faubert.

Fabes: Uit Fabers?

Fabian, Fabiano, Fabiani, Fabbian, Fabjan, Fabien: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Fabianus.

Fabribeckers, de. Samengestelde familienaam Fabri = Beckers.

Fache, Faches. 1. Zie Defache. 2. Of verkorte vadersnaam uit de voornaam Bonifache/Bonifaas/Bonifatius.

Fabrice, Fabrici, Fabrizio, Fabrizi, Frabrizzi: Italiaanse familienaam: werkman, vakrnan, smid.

Fabrikant. Vergelijk Italiaans Fabricante, Fabricatore. Beroepsnaam van een fabrikant, werkman, handwerkman, vakman.

Fabrique, Fabriek: Oudfrans fabrique, Latijn fabrica: gebouw, werkplaats; ook handwerk. Beroepsnaam voor de handwerkman, smid. Vergelijk Fabrikant.

Fabris, Fabrys: Spelling voor Fabri of van Fabrissa, Latijnse vrouwelijke vorm van faber: smid. Vergelijk Favresse.

Fabritius, Fabritus, Fabricius: Humanistennaam, bijvoorbeeld naam van de Nederlandse schilder Carel Fabritius (Beemster 1622 - Delft 1654). Latinisering van De Smit/Lefèvre. Latijn faber: smid.

Fabron, Fabronius, Fabrono, Fabronot. Beroepsnaam. Romaanse afleiding van Faber; smid.

Faccio, Faccioli, Facciolini, Facciolo, Facciotti, Faccini, Faccinetto, Facciani, Facchini, Facchinetti, Facchiano, Fazioli, Fazio, Fazius, Fazzini, Fazzi, Fazzino, Fassino: Italiaanse vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Bonifatius, Bonifazio, Bonifacio.

Fâché. Vadersnaam. 1. Afleiding van de voornaam Boniface. 2. Zie Fauquet.

Fache, Faches. 1. Zie Defache. 2. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Bonifac(h)e.

Fachin: Vadersnaam. Variant van Fassin, Romaans vleivorm van de voornaam Boniface, heiligennaam Bonifatius.

Fack, Facq, Facques, Facqu, Fake, Fak, Faque, Faack, Faeck, Faecq: 1. Plaatsnaam Facque; zie Defacque. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Facco, van Falco.

Fackelman. Duitse familienaam Fackelmann. Beroepsnaam van de fakkelmaker, vervaardiger van toortsen.

Fackere, van de. Misschien vertaling van Defacq(ue)of van Delavacquerie?

Facon: Variant van Faucon, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Falco ‘valk’.

Fadda, Faddar. Misschien Engelse familienaam Fadder; Father.

Faduer, Fedaeux, Faudeux: Beroepsnaam. Waals fâdeû, Frans faudeur: kolenbrander.

Fadli. Beroepsnaam van de kleermaker. Zwitsers-Duitse afleiding van Duits Faden: draad. Vergelijk Duits Faden, Fedele.

Faelen. Van Middelnederlands Falin, Fallein, van Romaans Falin.

Faems. Bijnaam Faam? Vergelijk Frans Famé.

Faenza, Faienza. Plaatsnaam in Italie.

Faffin, Fafin. Bijnaam voor een hakkelaar, babbelaar.

Fafchamps, Fafchams, Fafchand, Fafichamps: Plaatsnaam Favechamps, Fafchamps in Trembleur en Mortier (Luik).

Fafournoux. Plaatsnaam in Vallore-Montagne (Puy-de-Dôme).

Fagard, Fagart, Fagas, Faga, Fagat, Faguard, Fagardo. 1. Afleiding van Fagot (uit het Oudfranse mutsaard, bos rijshout). Bijnaam voor een houthakker, een sprokkelaar. 2. Of van een Germaans-Scandinavische Fagi-naam. 3. Of variant van Fagnard (zie daar).

Fagardo. Italiaanse familienaam. Germaanse voornaam Faghard?

Fagel, Faghel: 1. Oudfrans Fagel ‘reistas, bedelzak’. Bijnaam voor een pelgrim of rondtrekkend bedelaar. 2. Eventueel Duits familienaam Vagel, Fagel ‘vogel’.

Fagès, Fages, Fagis: Frans dialect variant van Latijn fagea: beukenbos.

Fagginger: Wellicht spelling voor Fachinger, afkomstig van Fachingen (Rijnland-Palts).

Fagnard, Fagart, Fagniart, Fagniard, Fania, Faniard, Faignaert, Faignart, Faignard, Faignaert, Finjaer, Fanar, Fana. Naam uit de plaatsnaam Fagne: veenland.

Faggio, Faggioli, Fagioli, Fagioletti, Faggiai, Faggiano, Faggian, Faggiana, Fagiana, Fagotto, Faé, Fae, Faedo, Faieta, Faiet: Italiaanse plaatsnaam Faggio: beuk.

Fagneaux, Fagnaux, Fanneau, Faneau, Feigneaux, Feigneau: Afleiding van plaatsnaam Fagne, Waals fègne: veenland.

Fagneray, Fagnray. Afleiding op -ère van plaatsnaam Fagne, Henegouwen, Namen. Bewoner van veenland.

Fagnant, Fagnan, Fagniant. Oudfrans faignant: slordig, lui. Bijnaam.

Fagnard, Fagbiart, Fagnart, Fagniard, Fainiard, Fania, Faignaert, Faignart, Faignard, Faingnaert, Finjaer, Fanard, Fanna: Afleiding van plaatsnaam Fagne: veenland, ven. Bewoner van een ven.

Fagne. Plaatsnaam. Romaanse fagne; veenland.

Fagnolle. Plaatsnaam Fagnolle, Namen. Zie ook Fagnoul.

Fagnot, Faignot, Faignond, Faniot, Fanio, Faino: Afleiding van plaatsnaam Fagne: veenland, ven. Vergelijk Fagneaux.

Fagnoul, Fagnoull, Fagboule, Fagnou, Fanjul, Faenoul: Plaatsnaam. Waalse afleiding van fagne: veen. Zie ook Fagnolle.

Fagny. Plaatsnaam Fagny (Luxemburg), Faigny (Aisne) of Feignies (Nord).

Fagot, Fagoo: Oudfrans fagot: mutsaard, bos rijshout. Bijnaam voor houthakker of-sprokkelaar.

Faguenne, Féguenne, Feuenne: Waals faguène: houtbos, takkenbos.

Fahn, Faen, Fahnert: Plaatsnaam. Nederduits fan, van: veenland, ven.

Faict, Fait, Feijt, Feyt. Naam uit de plaatsnaam Fay, dit uit het Latijnse fagetum: beukenbos.

Fahrenberg. Plaatsnaam in Duitsland.

Fahrenholz. Plaatsnaam in Duitsland.

Faict, Fait, Feijt, Feyt, Faiet, Fayet. Plaatsnaam Fay, van Latijn fagetum; beukenbos. Verkleinvorm van Waals fay ‘beuk’. Zie ook Fait.

Faidherbe, Faidherbes, Faiderbe, Federbe: Frans faix d'herbe: grasbundel. Beroepsnaam van de hooier.

Faigniet, Faignet. Afleiding van plaatsnaam Fagne; veenland, ven.

Faille, (van der), van der Faeillie, Verfaille, Ferfaille, Verfaillie, Verfaellie, Verfallie, Delafaille, delle Faille, (de) Lafaille, Faillie, Failly, Faelli. Familienaam naar de plaatsnaam Faille, Falie: perceel grond in falie; mantel, kap (L) vorm. Verspreide naam in West-Vlaanderen. 

Failon. Plaatsnaam Failon in Barvaux, Namen.

Fainke, Feinquen: Waalse aanpassings van Vinke(n).

Fairon. Plaatsnaam (Comblain) Fairon, Luik.

Faisant, Faizant: Frans faisan: fazant. Bijnaam. Vergelijk Duits Fasant.

Fait: Romaanse plaatsnaam Fay, Waalse Fayi, van Latijnse fagetum ‘beukenbos’.

Falet: Franse familienaam Fallet, verkleinvorm van Oudfrans falve, van Oudnederlands falw ‘vaal(kleurig), rossig’.

Faitre. Plaatsnaam. Frans faîte: top, spits.

Faithful. Engelse bijnaam; oprecht, eerlijk.

Faitro, Fétrop, Fétro, Fétrot, Fetro: Bijnaam. Fait-trop: die te veel doet, die overdrijft. Vergelijk Faitot.

Fajerman. Duitse dialect vorm van Fuermann; vuurman, brandmeester. Beroepsnaam. Vergelijk De Vierman.

Fajgenblat. Joodse familienaam Feigenblatt; vijgenblad.

Fajngold. Joodse familienaam Feingold. Beroepsnaam van de vergulder. Middenhoogduits fînen: polijsten, vergulden.

Fajnholc. Duits Joodse familienaam Feinholz.

Fajnzylber, Fajnzylbergh. Duits Joodse familienaam Feinsilber; fijn zilver.

Fajtman, Fajtmann. Variant van Duits Vogtmann: voogd. Duits Veit, Feit = Voit, Vogt.

Falhaber: Duits familienaam Faulhaber, bijnaam voor een landbouwer die slechte haver op zijn akker heeft.

Falke: Duits pendant van Valke (zie op dat woord).

Faloise, Falloise, Falloisse. 1. Variant van Falaise. 2. Oudfrans faloisse: zandige plaats (etymologisch = Falaise, Falise).

Falaise, Falaize, Fallaise, Falloise, Falloisse, Falesse, Faleys: Plaatsnaam. Frans falaise: steile rots. Zie Falise.

Falau, Falaux, Fallaux, Falleau, Fallea, Fallay: Vadernaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Falwald.

Falcier. Bretonse beroepsnaam Falch(i)er: maaier.

Falck, Falcq: 1. Zie Valck(e). 2. Vadersnaam. Slavische vleivorm van Valentin.

Falcman. Spelling van Duitse familienaam Folzmann, van de voornaam Volz, vleivorm van Germaanse volk-naam.

Falco, Falcone, Falconi, Falcotti, Falconetti, Falchi, Falchetto: Italiaanse vadersnaam. Germaanse voornaam Falco Valk'.

Falconieri, Falcomer, Falconer: Beroepsnaam. Italiaanse pendant van Valkenaar.

Faleme. Komt naast Falewee voor in Duinkerke. Waarschijnlijk variant met wisseling m/w.

Falgoneer, Falcomer: Verhaspeling van Valkeneer. Of Italiaans Falconer, van Falconieri.

Falleyn, Fallein, 1. Uit Follein, zie Follin. 2. Zie ook Falin. 

Falin, Faling, Fallein, Falleyn, Faelen. Faelens, Faeles. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Falho, naam van oost- en Westfalen. 

Falise, Falisse, Falize, Falisé, Falys, Falyse, Fallise, Lafalise, Lagalize, Laffalize, Valise, Valis, Valijs, Valij, Valys, Valy: Plaatsnaam. Waals falise, Frans falaise, van Germaans falisa, Duits Fels: steile rots. Falize in Suarlée (Namen), Falise in Rinxent, Wissant, Torbinghen, Ostrohove (Pas-de-Calais).

Falkenbach, Falkenback, Falckenbach. Plaatsnaam. Beieren en meer in Duitsland.

Falkenberg, Falkembergh: plaatsnaam (verschillende in Duitsland, Lotharingen). Eventueel variant van Valkenberg. Vergelijk Falkenburg.

Falkenburg: Plaatsnaam, (verschillende in Duitsland). Of Valkenburg (Zuid-Holland, Nederlands-Limburg).

Falkenstein. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Fallet, Phalet. Afleiding van Oudfrans falve, van Oudnederlands falw; vaal (kleurig) rossig. Bijnaam.

Falleur, de. Luikse glazeniersfamilie die afstamt van: 1650 Martin Faller, Forbach/Lotharingen.

Falleyn, Fallein. 1. Uit Follein - met verzwaarde voortonige klinker – van Frans Foll(a)in, van fol, fou: gek. Vergelijk Follet. 2. Zie Falin.

Fallon. Fallot, Falot. 1. Vadersnaam, van Germaanse voornaam Falho. 2. Wellicht achteraf gereïnterpreteerd als bijnaam. Afleiding van Frans falot, van Middelnederlands vaal: grijs(geel), grauw.

Fallourd. Bijnaam voor een bedrieger. Oudfrans falorde; bedrog.

Falmagne. Plaatsnaam, Namen.

Falter, Felterre, Felter: 1. Duitse familienaam Velltor, van Falltor: valdeur, ophaalbrug. 2. Vadersnaam. Velter = Walter.

Faltin, Feltin. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Valentin.

Famechon, Famchon. Plaatsnaam Famechon, Somme, Pas-de-Calais.

Famerée, Fammerée Fammeree, Famerie, Famrée, Famery, Fémery: Dissimilatie van plaatsnaam Frameries (Henegouwen).

Famais, Fameis, Famaey: Oudfrans fameis: uitgehongerd. Bijnaam.

Famel, de. Middelnederlands famel, van Latijn famulus: dienaar.

Famelart, Famelard, Faemelaer, Famelaer: Oudfrans famelart: uitgehongerd.

Famenne. Streek tussen Condroz en Ardèche, Luxemburg.

Fament. Variant van Famenne?

Fanal. Franse familienaam Fenal, van foin. Beroepsnaam van de hooier.

Fanchamps. Variant met voortonige n van plaatsnaam Fauchamps in Mortier (Luik).

Fançon, Fanson, Fanchon: 1. Oudfrans fançon, van enfançon: klein kind. Bijnaam. 2. Plaatsnaam Fanson in Xhoris (Luik).

Fang, Fanger, Fänger: Van Duitse plaatsnaam Fang.

Faniel, Fanielle, Phaniel: Fagniel, afleiding van plaatsnaam Fagne: veenland.

Fanius, Fanis. Vadersnaam, van heiligennaam Epifanius?

Fank, Fanck. Luxemburgse variant van Duitse Fink.

Fannes, van Nés, van Es. 1754 Jan Baptist van Nes, Leuven.

Fanoy, Fannoye, Fannoy, Fannoije: Fagnoy, Waals fanwè, collectieve plaatsnaam van fagne ‘veenland’.

Fanon. Waals (Malmedy) fanon; banier, vaan.

Fanselow, plaatsnaam Vanselow, Pommeren.

Fant, Fante, Fantini, Fantino, Fantozzi, Fantuzzi, Fantuzzo: Italiaanse bijnaam: knaap, jongen, jongeman.

Fanthorpe. Nederduitse equivalent voor Van Dorpe.

Fantinel, Fantin, Fantinon. Afleiding van Frans enfant; kind.

Fanuel, Fanuël, Phanuel, Falluel, Falluël: Bijbelse voornaam Fanuel, Phanuel? Of veeleer verschrijving voor Faniel.

Farable, Frabel: Oudfrans ferable, foirable, bijnaam feest-. Wellicht met betekenis feestdag.

Faraud, Feraut, Féraux, Fereau, Fraud, Frau, Féray, Feray: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Feraldus.

Farazijn, Farazyn, Farasyn, Farasijn, Farrazijn, Farezyn, Faresin, Faresyn, Faresijn, Pharazyn, Pharazijn, Pharasyn, Pharasijn: Waals-Vlaamse familienaam, aanpassing dsParizij van Frans Parisien 'Parijzenaar', door wisseling van de labialen p/f en suffixsubstitutie.

Zie ook Formesyn.

Farber, Färber, Ferbert, Ferber: Duitse beroepsnaam Färber: verver.

Farcy, Farchy, Farci, Farsi: Oudfrans farsi: (op)gevuld. Bijnaam naar de dikke buik.

Fardeau, Fardeuax, Fardel: Oudfrans fardel, Frans fardeau: pak, last, lading. Beroepsnaam van de drager.

Fardoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Fardulfus.

Farges, dialect variant van Forge; smederij.

Farin. 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Faro. 2. Zie Ferin.

Farina. Italiaanse beroepsnaam; bloem, meel. Vergelijk Farine.

Farine. Frans farine: bloem, meel. Beroepsnaam van mulder of bakker.

Farineua, Farineaux, Farinaux, Farinas, Farina, Farinas, Farinelle, Farinelle, Farinon, Fareneau: afleiding van Frans farine: bloem, meel. Beroepsnaam voor een molenaarof bakker.

Fariseau, Phariseau: Pariseau, variant Parisseau(x) van Parisel, metp/f-wisseling, afleiding van de voornaam Paris, van Patricius.

Farkas, Farcas: Hongaars farkas: wolf. Bijnaam. Ook met verengelste (Farkash) en verfranste (Farkache) spelling. Zie ook Verrecas.

Farla: Variant van de familienaam Ferla(t), naar een plaats waar de Ferula ‘schermbloemige plant’ groeit.

Farmer. Engelse beroepsnaam. Pachter (van belastingen) landbouwer.

Farnir. Waalse vorm van Farnières, plaatsnaam in Grand-Halleux (Luxemburg).

Faroux, Farous, Farouz, Farroul: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam fara-wulf; Varen-wolf: Farulfus.

Faro: De Engels familienaam Farrar, Farrer, Farrow, Faro, variant van Ferrer ‘smid’.

Farx, Farks, Faringa, Farnia, mogelijk ook Vaartjes, Engelse Faringdon en Farrington; vadersnaam Farre, Fare, Faro; smid.

Farstad. Plaatsnaam Fahrstedt, Duitsland.

Farvaque, Farvacque, Farvacques: Plaatsnaam Farvacq in Ellignies (Henegouwen) of Fervaques in Fonsommes (Aisne); La Fervaque in Péronne (Somme).

Fasano, Fasanotti. Italiaanse bijnaam; fazant.

Fasold, Fahsold, Fasoul, Fasol, Fasoel, Fassold: Vadersnaam. Germaanse voornaam Fasold uit de sage. Fasoul, romanisering van Fasolf.

Fasquel, Fasquelle. Plaatsnaam Fasquelle in Campagne-les-Boulonnais, Pas-de-Calais.

Fas, Vass, Fasz. Duitse familienaam Fass; vat, ton. Bijnaam of beroepsnaam.

Fassbender, Fassbinder, Fassbaender, Fasbender, Fasbinder, Faszbender, Fahsbender, Fatzbender, Vasbinder, Vasbindère, Vassbinder, Vastbinder, Vastbinders, Vastenbind. Duitse beroepsnaam Fassbinder: kuiper.

Fasseel, Fasseaux, Fasseau, Fassiaux, Fassiau, Fassieaux, Fassieau, Fasciaux: Middelnederlands fasceel, Oudfrans faissel, Frans faisceau, van Latijn fascellus, afleiding van fascis: (takken)bos, bundel. Beroepsnaam.

Fassin, Fachin, Facin, Facchin, Faccin, Facchim, Faxcim, Fachinat. Vadersnaam, knuffelvorm van Bonifacius.

Fässler, Fessler, Fesler, Fassmann: Duitse beroepsnaam van de kuiper.

Fasol: Vadersnaam. Germaanse voornaam Fasold uit de sage.

Fasotte, Fasot. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van de voornaam Boniface.

Fastré, Fastre, Fastres, Fastrés, Fastrez, De Fastré, Fastrez, Festré, Festre, Fatrez, Fautré, Fautrès, Fautre, Fautrez, Fautret, Fautray, Fautres, Fétré.

Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Vastraad (fast-red).

Fat, de. Oudfrans fat: gek, zelfvoldaan, zelfîngenomen mens.

Fatoux, Fatou. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam fast-wulf; Vast-wolf: Fastulfus.

Fattore, Fattorini, Fatori. Italiaanse beroepsnaam; rentmeester, meier die een landbouwbedrijf leidt.

Fatzinger. Waarschijnlijk van Faschinger, van Fasching: Faschang, vastenavond.

Faubel, Fauxbel: Vadersnaam. Spelling van Fobel, afleiding van Fobert.

Faubert: Spellingvariant van Fobert. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Volkbrecht.

Faucard, Faucaer, Fackaert, Facca, Faquaet, Fauchard, Fauchart: Vadersnaam. Germaanse voornaam falk-hard 'valk-sterk'.

Faucher, Fauquier, Fouquier: Vadersnaam. Franse en Picardische vormen van Germaanse voornaam, respectievelijk falk-hari; Valk-leger' en fulk-hari 'volk-leger'. Maar de namen werden wel verward (vergelijk Fauconnier = Fouconnier).

Faucheur, Faucheux, Focheux, Fauqueur, Fauqueux, Faucqueur, Focqueur, Foqueur, Fockeu, Facqueur, Fackeure, Fasseur, Faseur. Beroepsnaam uit het Franse faucheur, het Picardische fauqueur: maaier.

Fauchille. Frans faucille: sikkel. Beroepsnaam voor de maaier.

Fauchon, Fochon: Hypercorrect voor Faucon.

Faucogney. 1. Plaatsnaam Faucogney (Hte-Saône). 2. Spelling voor Fauconnier.

Faucompret, Faucomprex, Faucompert, Fauconprez, Facompré: Plaatsnaam Faconpré in Evelette. Weide, meers van Falco.

Faucon, Falcon, Facon, Facko, Fauconneau, Faucouneau: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Falco; Valk' en afleiding. Vergelijk Valck(e). 2. Eventueel beroepsnaam van de valkenier, Frans Fauconnier.

Fauconier, Fauconnier, Fockenier, Fockenié, Fosquenier, Faulconer, Fouconnier, Faucogney. Beroepsnaam van de ambtenaar die voor de jachtvalken zorgde. Equivalent van De Valkenare.

Faufra, Fafra: Waalse variant van Favreau; zie Faverel.

Fauque, Fauck, Faucq, Fauche. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Falko (valk). 

Fauquembergue, Defaucambergue, Fauquembert, (van) Fockenberghe, Fockenbergue, Fouquemberg, Fouquem-bert, Vonkenberg: Plaatsnaam Fauquembergues (Valkenberg) bij St.-Omaars (Pas-de-Calais).

Fauquenoy, Fauquenoi, Fauquenois, Fauquenoit, Fauquenoy, Fockenoy, Focquenoy, Focquenoey: Plaatsnaam Eikenbos (Quesnoy) van Falko.

Fauquet, Fauquez, Fauquette, Fauqeé, Fauchet, Fauché, Fauchey, Faquet, Faket, Fâché: 1. Vadersnaam, van Falquet, afleiding van Germaanse voornaam Falko. 2. Eventueel plaatsnaam Fauquez, bijvoorbeeld in Itter en Virginal (Waals-Brabant).

Faus. Variant van Faust of van Faux?

Faussemagne. Plaatsnaam Faussimagne, Hte-Loire.

Faust. Duitse familienaam Faust; vuist. Vergelijk De Vuyst.

Faut, Faute. Faut kan een spellingvariant zijn van Faux, maar Faute niet. Misschien weergave van Waalse uitspraak van Fautre, variant van Fautré.

Fauter. Variant van Falter. Middenhoogduits vout, oude variant van Vogt: voogd.

Fauvart, Fauvaert, Favard, Favart, Fava: Bijnaam. Afleiding van Frans fauve: rosachtig, vaalrood. Vergelijk Fauvaux.

Fauvaux, Fauveau, Fauveaux, Faviau, Fauviaux, Favieau, Fauviel, Fauvielle, Fauxvaux, Favaux, Favay, Faveau, Faveaux, Faveeuw, Faveuw, Fovelle, Fovel, Foveau, Foveaux, Foviaux: Oudfrans fauvel, dira, van fauve: rosachtig, vaalrood; (ook) bedrieger.

Fauvil, Fauville, Fauvie, Faville: Plaatsnaam Fauville (Eure, Seine-Mar.).

Faux, Faulx, Faut: 1. Verspreide plaatsnaam Faux, van Latijn fagus: beuk. Faux in Court-St-Etienne (Waals-Brabant) of (Bois de) Faux in Marchiennes (Nord). 2. Plaatsnaam Faulx, van Germaans falisa: rots.

Favejee: Vernederlandste spelling van Frans Favier, van Fauvier, afleiding van fauve ‘vaalkleurig’.

Faverel, Favrelle, Favrel, Faurel, Favoreel, Favorel, Favorelle, Faveraeu, Favereaux, Favreau, Favriau, Favray, Favraux, Faveriau, Faveriaux, Favériau, Faverio, Favero, De Favereau. Familienaam uit het Oudfranse faverel: smidje. Beroepsnaam voor de smid.

Faverge, Fauvergue, Fauverghe, Fauvergenne, Fauverque, Fauvercq, Fauvarque, Fauvage, Favauge, Favache: Oudfrans favarge: smidse. Plaatsnaam of beroepsnaam voor de smid. Favergeon is een afleiding van Faverge.

Faverly. Afleiding op -elier van fèvre: smid.

Faversienne, Fauvergenne: Plaatsnaam Farciennes, Henegouwen, 1314 Favrechines. Eventueel plaatsnaam, 649, Fabricinio (Pas-de-Calais).

Favet, Favette, Favez, Faveijts, Favyts, Faveijts, Favijts, Favaits. 1. Naam uit het Oudfranse fave, het Franse fève: boon. Of het Waalse favète: paardenboon. Beroepsbijnaam voor de kweker, de handelaar. Of bijnaam: zie verder bij Boon. 2. Of variant van Fauvet. Zie bij Fovet. 

Faveur. Reïnterpretatie van Favaux.

Favier, Faviez. Variant van Franse familienaam Fauvier, van fauve: vaalkleurig.

Favos, Favot, Favotte. 1. Afleiding van Oudfrans fave: boon. 2. Favot, Favos kan spellingvariant zijn van Faveau.

Favresse. Beroepsnaam. Vrouwelijk voor favre, fèvre: smid.

Favret, Fauret, Fauré, Faures, Fevret: Beroepsnaam. Afleiding van favre, fèvre: smid.

Favril, Favry, Fouvry: 1. Plaatsnaam Favril, Favry, van fabrile: smidse of fabarile: bonenveld. Plaatsnaam (Nord) en in Festubert (Pas-de-Calais), Noiseux (Namen) en Transinne (Luxemburg). 2. Dat de familienaam Favril nu nog in Bellegem en Rollegem (West-Vlaanderen) voorkomt, waar Fav(e)reel vroeg voorkwam, zou Favril veeleer van Faverel te verklaren zijn.

Fayen, Fayens, Feyen, Feyens, Fey, Feijs, Feyenne, Fey, Feye. Knuffelvorm van een frithu-naam.

Feber, de; le Feber: Lefeber door een verkeerde lezing van Frans Lefèbvre, een humanistisch hypercorrecte spelling voor Lefèvre ‘de smid’.

Feddema, Feddinga, Feddema, Fedden, Feddens: Vadersnaam. Friese naam Fedde, een afleiding van een Germaans frithu-naam, zoals Frederik.

Federmann: Duitse familienaam afleiding van Fede ‘veer, pluim’. Beroepsnaam van de Federer ‘handelaar in pluimen, ganzenveren, schrijfveren’.

Feelders: Verscherpte vorm van Veelders, wat een variant kan zijn van Velders ‘vilder’ of van Vijlders ‘vijler’.

Feenstra, Veenstra: Friese afleiding van plaatsnaam Veen, bijvoorbeeld Het Veen (Oosterbroek, Groningen).

Feest, van der: Door v/f-verscherping uit van der Vest. Plaatsnaam Vest ‘versterking, bolwerk, kasteel, burg’.

Fehres: Afleiding van de Duits familienaam Fehr, van Middelhoogduitse vere ‘schipper, veerman’.

Feiertag, Fajertag, Faiertag, Faiërtag: Duits Feiertag: feestdag. Bijnaam.

Feig, Feige, Faik, Faïk, Fajga, Fajka: Duitse dialect en Jiddische vormen van Duits Feige. Zie Vijgen.

Feigenbaum, Faigenbaum, Fajgenbaum: Duits Feigenbaum: vijgenboom, maar ook een perenboom met vlezige vruchten.

Feijtel. Waarschijnlijk verschrijving van Duits Veit(e)l, van de voornaam Veit, heiligennaam Vitus of Oostmiddenduits van Voit = Vogt: voogd.

Feike, Feickens: Vadersnaam. Afleiding van Feie, bakervorm van Germaanse frithu-naam

Feikema: Vadersnaam. Friese afleiding van de Friese voornaam Feie, Feike, bakervorm van Germaans frith-naam, zoals Frederik, met r-reductie.

Feile, Feilen, Feilner, Feiler, Feihle: Duits Feile: vijl. Beroepsnaam van de vijlder of vijlensmid.

Feiner, Fajner: Duits Feiner, van Middenhoogduits fînen: fijnmaken, polijsten, vergulden. Beroepsnaam.

Feinschneider, Fajnsznajder: Duitse beroepsnaam van de houtsnijder.

Feinstein, Faynsztein. Duitse (Jiddische) familienaam. Beroepsnaam van de slijper van edelstenen.

Feist, Feis, Faist, Faist, Faihst, Feest, Fees, Fajs: Duitse bijnaam Feis(t), Middenhoogduits veisst: vêt, dik, zwaarlijvig.

Feiter, de, (de) Feijter: 1.Vadersnaam. Foiter/Feiter met f door hypocoristische verscherping uit Wouter/Woiter. 2. Maar aangezien de naam al vroeg met een lidwoord voorkomt, is de naam vermoedelijk veeleer te verklaren uit een soortnaam. Middelnederlands feyte r‘dader, misdadiger’.

Feitsma: Vadersnaam. Zoals Feitema een Friese afleiding van de voornaam Feit, bakervorm van Germaans frith-naam.

Fel, Lefel: Bijnnaam. Oudfrans en Middelnederlands fel: wreed, hardvochtig, ruw, fel.

Feldhaus: Duitse plaatsnaam (Nedersaksen).

Felens, Feleus: Vadersnaam. Afgeleid van Germaanse voornaam Velo, van filu ‘veel’. Vergelijk de Limburgse (Belgisch-Limburg) familienaam Veling(s). Of te lezen als Felius?

Feleus: Feleus door verkeerde lezing van de n in Felens? Of veeleer te lezen als Felius = Filius.

Felisi: Vadersnaam. Foute spelling van de Italiaans familienaam Felici. Latijnse heiligennaam Felix.

Felix: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Felix.

Felon, Fellon, Felloen, Felhoen, Lefelon: Oudfrans fellon, Middelnederlands felloen: verschrikkelijk, wreed. Bijnaam. Vergelijk Fellot.

Felot, Fellot, Fillot, Filot: Afleiding van Oudfrans fel: verschrikkelijk, wreed, fel. Vergelijk Fellon.

Feller, Fell. 1. Naam van Duitstalige origine uit fell (huid) voor de huidenkoopman of de vilder. 3. Naam uit de plaatsnaam Fell (bij Trier - Rijnland-Palts) of Fellen/Felln (Beieren). 3. Vadersnaam uit de Luikse variant van Valère.

Felber, Felberbaum, Felberman: Plaatsnaam. Middenhoogduits ve'lwe: wilg.

Felbier: Bijnaam voor de brouwer of drinker van sterk bier.

Felczer. 1. Duitse beroepsnaam Velzer: passementmaker. 2. Variant van Pfalzer, afkomstig van de Pfalz: Palts.

Feld, Felden, Felde. Duitse familienaam naar de woonplaats aan een veld. Vergelijk Van de Velde.

Feltz, van der: Duitse plaatsnaam Fels ‘rots’. Feltz is ook de Duitse naam van La Roche (Provincie Luxumburg).

Feldberg. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Feldbusch, Feldbüsch: Plaatsnaam.

Felder. Afleiding van plaatsnaam Feld; veld.

Feldhaus, Feldhausen. Plaatsnamen, Duitsland.

Feldheim. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Feldhun, Feldhuns. Duitse Feldhuhn; patrijs.

Feldkamp. Duitse plaatsnaam.

Feldman, Feldmann, Feltman. Duits Feldmann; die op het veld woont, werkt.

Feldstein. Duitse, waarschijnlijk Joodse, familienaam; veldsteen.

Felgenhauer. Beroepsnaam; velgenmaker, wagenmaker.

Felier, Feliers, Filliers, Filiers, Filie, Felies, Fliers, Flier, Flies, Fleers, Fleer, Vliers: Beroepsnaam van de spinner. Afleiding van Frans filer: spinnen.

Félix, Felix, Phlix, Felis, Félis, Felice, Felicio, Felici, Felicque, Felique, Félique: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Félix.

Fell. Duitse beroepsnaam van de huidenkoper, bontwerker.

Felleman, Fellemans, Fellemann. Afleiding van De Felle. Zie ok Fellman.

Fellens, Fellens, Fellin, Felling, Fellingue, Felingue, Felinque. Vadersnaam Fellen/Fâllin, vleivorm van de voornaam Valentin. Zie ook Felling(er).

Feller, Faller: Vadersnaam. Luikse vorm van de voornaam Valère.

Fellin, Fellinger, Felingue, Fellingue, Felinque: Plaatsnaam Felling (Beieren).

Fellman, Fellmann, Felleman, Fellner, Felner: Duitse beroepsnaam van de huidenkoper of van de vilder.

Fels, Feltz, Felz, Velz, Felsen: Duitse plaatsnaam Fels: rots. Feltz is ook de Duitse naam van La Roche (Luxemburg).

Fels, van der. Waarschijnlijk=Van der Felt.

Felsenhart. Duitse familienaam; hard als rots.

Felsenstein, Felzenstajn, Felzenstein, Felztajn: Duitse Joodse familienaam: rotssteen.

Felt, van der. Waarschijnlijk variant van Van der Velde.

Feltin, Feltrini. Italiaanse afleiding van plaatsnaam Féltre.

Felu, Félu: Plaatsnaam Feluy (Henegouwen).

Femont. Waarschijnlijk variant van Ferment.

Fenaille. Bijnaam; vod, prul.

Fenard, Fenaert, Fenart, Fena, Fenat, Fanard, Fanna: Afleiding van Oudfrans fener, Middenfrans faner: hooien. Beroepsnaam.

Fenasse, Fennaes: Pejoratieve afleiding op -acia, -asse van Frans foin, Latijn fenum: hooi. Ook plaatsnaam La Fenasse, Les Fenasses (Hérault).

Fenaux, Fénaux, Feneau: Afleiding van Frans foin: hooi. Beroepsnaam van de hooier of hooihandelaar.

Fendrych. Duitse beroepsnaam Fähnrich: vaandrig.

Fenendael. Plaatsnaam Veenendaal, Utrecht.

Fenet, Fenez. Oudfrans fené: van geelroze kleur als van een verlepte roos, van fener, Frans faner: verwelken.

Feneuil, Feneulle: Oudfrans fenoil, fanueil, Frans fenouil: venkel. Bijnaam of beroepsnaam.

Fenger. Limburgse vorm van Middelnederlands vanger, venger. Vergelijk Duits Fänger. Naam van een dierenvanger, vogelvanger.

Fenier. Franse beroepsnaam van de hooier of hooihandelaar.

Fenix. Fenicx: Naam van de mythologische vogel die uit zijn as herrijst. Bijnaam voor een buitengewoon, fenomenaal mens, iemand met zeldzame gaven. De familie stamt van Venicx, Vennix, Ven(n)ickx, zie Fenlon: Franse familienaam Fénelon. Plaatsnaam in Ste-Mondane (Dordogne).

Fennema: Vadersnaam. Friese afleiding van een bakervorm van Frederik of een andere frith-naam.

Fenner, Fenners, Fender: Middenhoogduits venre, venner: vaandrig.

Fennet: Misschien door assimilatie rn van nn uit Fernet, van Ferronnet, verkleinvorm van Frans Ferron ‘smid, ijzerhandelaar’.

Fens, Fenske, Vens, Fesny, Fennis: Vadersnaam. Korte vorm van de Latijnse heiligennaam Vincent(ius). Vergelijk Feys.

Fenijn: 1. Frans venin ‘gif, venijn’. Bijnaam. 2. Vadersnaam. Vleivorm van Vene, bakervorm van Germaans frith-naam.

Fer. 1. Frans fer: ijzer. Beroepsnaam van de ijzerhandelaar of smid. 2. Vadersnaam. Korte vorm van bijvoorbeeld Ferrand.

Ferbuijt: Variant van Ferbu(s) van Ferrebo, van ferre bos ‘ferre boeuf’, naam van de hoefsmid die ossen beslaat.

Ferdinand, Ferdinant, Fernandes, Fernand, Feridnande, Fernande, Vernant, Ferdinandus, Ferdinandusse, Fernande, Fernandez, Ferand, Ferrand, Ferand, Ferrando, Ferrandz, Ferrandi, Ferrandio, Ferrant, Ferrante, Fierant, Ferant, Verant, Virant, Vrand, Farran, Farrant, Farrand, Frand, Frant: Vadersnaam. Zoon van Ferdinandus, de Latijnse vorm van Ferdinand, geromaniseerd uit de Germaanse voornaam Vredenand: frith-nand ‘vrede-moedig, dapper’.

Feremans, Ferremans, Ferman, Fermans, Ferdman: Vadersnaam. Afleiding van Ferdinand of van Ferri, Romaanse vorm van Vrederik.

Ferage, Ferauge, Feroge, Féroce, Ferauche, Farauche, Faroche, Fourage, Fouraschen, Vorage, Ferange, Ferasse, Ferras, Farasse, Varrase, Varasse, Varras, Varas, Warasse, Waras: 1. Bijnaam. Oudfrans fer(r)age, ferasche, farasche, forasche: wild, hard, ongevoelig. 2. Plaatsnaam Ferage: smidse, in Hulsonniaux (Namen).

Ferain, Ferrain, Fiérain, Fièrain: 1. Plaatsnaam Fiérain in Lambermont, Jalhay en Wegnez (Luik), Férin (Nord). 2. Oudfrans fer(a)in: wild, woest, hard. Bijnaam.-3. Vadersnaam. Zie ook Ferin.

Feraine. Vrouwelijke vorm van Ferain 2.

Ferard, Fera, Ferat, Ferard, Ferrard, Farard, Farrar, Feeraert, Feeaerdts, Frard: Vadersnaam. Variant van Frérard.

Ferbu, Ferbus, Ferbuyt:, een zinwoord ferre bos = ferre boeuf, naam van de hoefsmid, die ossen beslaat.

Fercocq, Fercot: Bijnaam Ferre Coq? Vergelijk 1398 Bilgecoc.

Ferdin, Ferdyn, Verdin, Verdingh, Verding, Verdijn, Verdyn: Vadersnaam. Korte vorm of vleivorm van voornaam Ferdinand.

Ferdinand, Ferdinant, Fernand, Feranndes, Ferdinande, Fernande, Vernant, Ferdinandusse, Ferdinandus, Fernandez, Fernande, Ferran, Ferrand, Ferand, Feran, Ferrando, Ferrandez, Ferrandi, Ferrandiono, Ferrante, Ferrant, Fierant, Ferant, Verant, Virant, Vrand, Farrent, Farran, Farrand, Frand, Frant: Vadersnaam. Romaanse en korte vormen van de Germaanse voornaam frith-nand 'vrede-dapper': Fredenand. Fer(di)nande kan moedersnaam. zijn.

Ferenc, Ferincz, Ferencz, Ferencz, Ferencak: Hongaarse vadersnaam van de voornaam Frans.

Ferguson: Vadersnaam. Ferguson is de zoon van Fergus, Ferguut, naam uit de Brits-Keltische romans. Keltisch fer gusti ‘mannelijke keuze, hoogste keuze’.

Ferens, Feringa, Ferenga, Veringa, Feeringa, Feersema, Veersema. 1. Vadersnaam, Fere, Feer of Veer; overzetten of veer, ing; behorend tot. 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse frithu-naam. Vergelijk Ferremans.

Ferhildema, Fries ver; vrouw, zoon van vrouw Hilde. Hildema als geslachtsnaam van oud Germaans Hildis, Hilda.

Ferin, Feryn, Ferijn, Ferrin, Ferryn, Ferring, Farin, Vérin, Verein, Verin, Frin, Fryns, Frijns, Frings, Frins. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Severinus. 2. Soms is het ook een knuffelvorm van een Germaanse fer- far of frithu naam. 

Fergloute. Verfranste spelling voor Vercloete, van van der Cloete; zie van de(n) Cloot.

Ferin, Feryn, Ferijn, Ferrin, Ferryn, Ferring, Farin, Vérin, Verein, Verin, Frin, Fryns, Frijns, Frings, Frins: 1. Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Severinus. 2. In sommige gevallen kan Ferin een vleivorm zijn van een Germaanse fer- of far- of frithu-naam. Vergelijk Ferens, Ferremans.

Ferket: Vadersnaam. Variant van Firket, Firquet, verkleinvorm van Fier, van Olivier.

Ferla, Firla, Farla, Verlae, Verla: Naar een plaats waar de Ferula groeit. Vergelijk Ferlât.

Ferleu. Misschien van Filleux, met r-epenthesis (vergelijk Fernijn, van venijn). Of door klankverandering, van Frans Frileux?

Ferlin, Ferling, Ferlings. Naam uit het Oudfranse ferlin: kleine munt ter waarde van 1/4 penning. Bijnaam of beroepsnaam. 

Fermie, Fermier. Frans fermier: landbouwer, boer. Beroepsnaam.

Fermine, Ferminne. 1. Plaatsnaam Fermine in Izier (Luxemburg). 2. Moedersnaam. Vrouwelijk bij Latijnse heiligennaam Firminus. Zie Firmin.

Fermin: Vadersnaam. Van Firmin, Latijnse heiligennaam Firminus.

Fermont, Fermondt, Vermondt, Vermont, Vermon, Vermond, Vermonden, Vermoes, Dufermont, Dufourmont: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam far-mund of frith-mund: Feremundus, Fri(du)mundus. 2. Familienaam afgeleid (vooral de twee laatsten) van de plaatsnaam Fermont( ijzerberg) die op diverse plaatsen in het Franstalige deel van de wereld voorkomt. Uit de stamboom Vermonden blijkt dat hij ontstond van Vermont, van Fremond. 3. Plaatsnaam. Zie Dufermont 1.

Fernagut, de, Ferragut, Vernagut, Ferguson, Vergisson, Vergison: Vadersnaam. Ferguut, naam uit de Brits-Keltische romans. Keltisch fer gusti 'mannelijke keuze, hoogste keuze'.

Fernémont, Fernemont: Plaatsnaam in Franc-Waret (Namen), enz.

Fernet, Ferné, Fernez, Ferney: 1. Ferronnet, afleiding van Ferron, Ferroni. Van Oudfrans werkwoord ferner: straffen, berispen.

Ferneuse, Fermeus, Fermeuse: Plaatsnaam Fosse Ferneuse in Amiens (Somme) enz.

Ferney. 1. Fernay, van Frenay (klankverandering). 2. Zie Fernet.

Fernhout, Fernholz. Plaatsnaam Vernhout (Noord-Brabant) en bij Wisch (Gelderland). Fernholte in Attendorn (Duitsland).

Fernie, Fernier, Ferny. Beroepsnaam van Frans ferronnier: smid.

Ferooz. Plaatsnaam in Beuzet, Namen.

Ferot, Férot, Ferooz, Ferro, Ferroz: Vadersnaam. Afleiding van een Germaanse voornaam zoals Ferrand, Ferry of Feraud.

Féroumont, Feroumont: Plaatsnaam in Les Avins en Bois-et-Borsu (Luik).

Ferraille, Feraille, Ferailles. 1. Familienaam uit het Franse ferraille: schroot, oud ijzer, klein grut. Bijnaam of beroepsnaam. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Ferailles in Biesme. 

Ferrari, Ferraro, Ferraris, Ferari, Ferary: Italiaanse beroepsnaam van de smid.

Ferrasse: 1. Bijnaam. Oudfrans fer(r)age, ferasche ‘wild, hard, ongevoelig’. 2. Plaatsnaam Ferage ‘smidse’ in Hulsonniaux (Namen).

Ferré, Ferret, Ferrette, Ferrest, Ferès, Féré, Fer, Ferette, Ferey. Familienaam uit het Oudfranse ferré: ijzer. Bijnaam naar een karaktertrek of misschien ook wel de beroepsnaam van iemand die met ijzer werkt. 

Ferreira, Ferreiro, Ferreyra, Fereyra, Ferera, Ferere, Ferreras, Ferrerro, Ferrero: Portugese beroepsnaam van de (hoef)smid.

Ferremans, Feremans, Ferman, Fermans, Ferdman. Vadersnaam uit Ferri, Ferrand (uit Ferdinand). 

Ferrer, Farrer, Farrow: Engelse beroepsnaam: smid. Ferrer kan ook Zuidfrans zijn.

Ferri, Ferry, Fery, Ferrij: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam frith-rîk 'vrede-machtig', Nederlands Vrederik, via Ferricus metathetische vorm van Fredericus: Frideric, Frerricus.

Ferrie, Ferrier, Ferrié, Ferler: Franse beroepsnaam van de (hoef)smid.

Ferrière, Ferriere, Ferrre, Ferire, Ferir, Feryr: Plaatsnaam Ferrières (Luik). Verspreide plaatsnaam: ijzergroeve.

Ferro, Ferroz, Fierro: 1. Zie Ferot. 2Italiaanse beroepsnaam Ferro: ijzer.

Ferron, Ferront, Feron, Feront, Ferond, Ferong, Faron: Oudfrans ferron: smid (voor grof smeedwerk), ijzerhandelaar. Beroepsnaam.

Ferry, Ferrij, Fery: 1. Zie Ferri. 2. Luiks-Waalse vorm van Ferrier.

Ferstenberg, Fersztenberg, Firsztenberg: Ontronde vorm van de verspreide Duitse plaatsnaam Fürstenberg.

Ferté. Verspreide plaatsnaam Ferté, van Latijn firmitas: versterking, vesting.

Fertig. Duitse bijnaam; klaar voor de vaart, vaardig, gereed.

Fertin, Fertein, Fertens, Fertinel, Fretin. 1. Naam (beroepsbijnaam of bijnaam) uit het Oudfranse fretin: kleine munt. 2. Of variant uit Ferdin (= Ferdinand, die daar). 3. Zie ook Defretin. 

Fertom, Ferton, Fertons. Oudfrans ferton: kleine zilveren munt. Ook Middelnederlands vi(e)rdonc: zilvergewicht, kleine munt. Niet helemaal te onderscheiden van Middenenderlands vierdinc: vierde deel van een maat of gewicht.

Festjens, Festiens, Festyens, Feskens, Feske, Festen, Vestjens, Vestens. Vadersnaam uit een Germaanse voornaam: bijvoorbeeld Vast-raad. 

Ferwerda: Afleiding van de plaatsnaam Ferwerd (Friesland).

Fesingher. De familienaam is al aanwezig in Holsbeek vanaf 1721. Uit Duits Fiefünger, ontrond uit de plaatsnaam Fussingen, of Füssing (Beieren), Füssinger (Duitsland).

Fessard. Bijnaam voor iemand met flinke billen.

Feteris. Mogelijk schrijfvariant van de knuffelvormen Fe(i)ter, Fouter: uit Wouters (zie daar. Of naam van vreemde origine (Middellands-Zeegebied).

Fessel, Fesel, Fesl: Duits Fässle, van Fafi: vat, ton. Beroepsnaam of bijnaam.

Fest. Duitse familienaam Fest. Middenhoogduits veste: sterk, standvastig, vast. Bijnaam.

Festjens, Festiens, Festyens, Feskens, Fesken, Festen, Vestjens, Vestens: Vadersnaam. Afleiding van een Germaanse voornaam zoals Vastraad, vergelijk Festraets? Of = Vaeskens?

Fette, de la: Frans Delafête? Volks etymologische vertaling van van der Feest?

Feunekes, Feuneman, Funneman, Fohn, Fun. Vadersnaam uit de voornaam Fenne. 

Feyaert, Feynaerts, Feynarts, Feijnaerts, Feijaert, Fayaerts, Fayard, Feyants, Feynants, Fijan. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam fagi-hard. 2. De naamvarianten zijn in de regio Berg-Nederokkerzeel (Vlaams-Brabant) echter geëvolueerd uit Feyens. Dus zie bij Fayen en Fyen(s).

Fetis, Fettis, Fidis: Bijnaam. Oudfrans faitis: mooi, welgemaakt.

Fett, Fetten, Fets, Fettes: Vadersnaam. Zoals Nederlandse familienaam Fessens, Fedden, Feddes, van een bakervorm van Germaanse frith-naam. Feddo = Fredo; Feddo = Fretherik.

Fetter. Duitse verwantschapsnaam Vetter: oom (vaders broer), neef.

Fettweis, Fettweiss, Fetteweis: Duitse plaatsnaam Vettweiss.

Fétu, Fétu: Frans fétu: strootje, strohalmpje. Bijnaam voor een schrielhannes, kriel.

Feuchaux. Plaatsnaam Feschaux, Namen.

Feucht. Plaatsnaam. Beierse vorm van Fichte; spar, den.

Fuer, de, Fajr: Duits Feuer, dialect Faier: vuur. Beroepsnaam voor de vuurmaker, eventueel de smid.

Fuereisen, Feiereisen, Feyereisen: Vuurijzer. Beroepsnaam van de smid.

Fuerstein, Fajersztajn, -Fajerzstein, Fajerstein, Fajersztejn, Feierstene: Vuursteen. Beroepsnaam van de vuurmaker.

Fuerwerker. Beroepsnaam van de vuurmaker, werker.

Feuillet, Feuilette, Fueillard, Feuilat, Feuilleaux, Feuillaux, Fouillot: Afleiding van Oudfrans foil(le), fueil(le): blad, tak, lover; blad papier.

Feussels, Feusels. Duister.

Feutry, Fautrier, Foutry: Beroepsnaam. Oudfrans feutrier: viltwerker.

Février, Fevrier, Feuvrier, Fevery, Fevry, Fevrij, Feverijs, Feverij: Frans, respectievelijk Waalse naam van de maand februari. Vergelijk Janvier.

Feyaert, Feyaerts, Feyarts, Feijaert, Feijarts, Fayaerts, Fatard: Vadersnaam. Germaanse voornaam fagi-hard? Of synoniem met De Feyer? Of Waals fayart: sukkelaar, zwakkeling?

Feyants, Feynants, Fijan: Wellicht variant van Feyens of Feyaerts.

Feyenklahsen, Feyhenklassen. Vadersnaam. Dubbele familienaam, Fayen + Klasen.

Feyer, de, Feyer, Feyers: Uit De Feyder? Zie ook Feyaerts.

Feyerick. Vadersnaam. Germaanse voornaam Vegerik.

Feij, Feijen: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse frith-naam.

Feijtel, (de): 1. Zonder lidwoord kan Feijtel een variant zijn van Duits Veit(e)l, verkleinvorm van de voornaam Veit, heiligennaam Vitus. 2.Variant van de Feijter.

Feyer De, Feyer, Feyers. Mogelijk een beroepsnaam voor de handelaar in veren, schrijf(ganzen-)veren. Ook een vondelingennaam. Of variant van Feyens. 

Feys, Feijs, Feis, Veis, Veys, Veijs. 1. Vadersnaam uit Veis, Feis, Feinse, verkorte vorm van Vincent (vergelijk veinster, van venster). 2. Vadersnaam: verkorting van de Franse voornaam Gervais/ Servais. 3. Vadersnaam: knuffelvorm uit een Germaanse frithu-naam: bijvoorbeeld Feike. 

Feyt, Feyts, Feijt, Feijts, Feith, Feit, Feidt, Feitt, Feydt, Feyth, Fuyts: Vadersnaam. 1. Korte vorm van Feiter, van Wouter. 2. Duitse familienaam Feit = Veit(h) van heiligennaam Vitus.

Feyten, Feytens, Feijten, Feiten, Fuytinck. Vadersnaam afgeleid van de Germaanse voornaam Wouter (waldan). Wouter evolueerde in de 12de 13de en 14de eeuw naar Fouter, Feiter. 

Feyter, de, Feyere, de, Feiter, de Feyteer, de Feijter, (de) Feyder, de Fuytere. 1. Vadersnaam uit Foiter/Feiter. Dit evolueerde in de 14de eeuw (en vroeger) uit Wouter/Woiter. Zo werd onder andere Wouter van Wesenpoele. Foitre van Wesenpoele. 2. Het meestal en reeds vroeg voorkomen van het lidwoord 'de' kan er echter op wijzen dat de naam van het Middelnederlandse feyter komt. Feyter: dader, misdadiger. 

Feytmans, Feytema, Feites. Vadersnaam. Vleivorm op -man van Feiter, Feites, Feit.

Feytons, Feytong, Feytongs, Feyetons, Feytand. Wellicht vadersnaam uit de Franse vorm Vitton van de heiligennaam Vitus.

Feytray, Feijtraij: Deze zeldzame familienaam komt alleen in Wg. (West-Vlaanderen) voor. Waarschijnlijk verhaspeling van de familienaam van een vrij recente immigrant. Misschien van Fétré of Vitrey. PlaatsnaamVitrey (Hte-Saône, Meurthe-et-Moselle); of Vitrai (Orne) of Vitray (Allier, Eure-et-Loir).

Fheilde, Fheile. Franse familienaam Feuille, plaatsnaam De là van gemouilleerde is Oost-Vlaander portefuilde, van portefeuille. Vergelijk Feillet, van Feuillet

Fiacre. Vadersnaam. Heiligennaam Fiacrius, Ierse heilige.

Fias, Fiasse. Oudfrans fillastre, Luiks-Waals fiyasse: schoonzoon. Vergelijk Beaufils.

Fibbe: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse naam, bijvoorbeeld Fidubert, Filibert.

Fichant. Tegenwoordig deelwoord van Frans ficher: steken met puntig voorwerp.

Fiche. 1. Beroepsnaam. Frans fiche: ijzeren pin. 2. Zie Fisch.

Fichefet. Naam uit het Oudfranse zinwoord fichier (vastbinden) + Oudfrans fe(d) (duivel). Bijnaam voor iemand die niet voor de duivel vervaard is, een onverschrokken iemand.

Ficher, Fichère, Fichers: Verwaalsing van Duits Fischer.

Fichet, Ficquet, Fiquet, Ficot, Fikot: afleiding van Oudfrans fiche: ijzeren pin, punt. Beroepsnaam.

Ficheux. Plaatsnaam Ficheux, Pas-de-Calais.

Fichof, Fishof. Duitse familienaam Fischhof, plaatsnaam in Allersberg en Iphofen, Beieren.

Ficheroux: Variant van Ficheroulle, van Fécheroulle, verkleinvorm van Waals fetchîre ‘varen’.

Ficht, Fichte, Fichten, Fichtner, Fichter, Fiechtner: Duitse plaatsnaam, boomnaam Fichte: spar, den.

Fick, Ficks, Ficq, Fix, Fieckens, Fiekens: Vadersnaam. Bakervorm van Germaanse voornaam Frederik. Vooral Nederduits Vicko. Vergelijk Fecken.

Ficker, Fickers, Fiekers, Ficquere, Ficquère, Ficart. Naam uit het Middelnederlandse ficken: slaan, beuken. Bijnaam of ?Beroepsbijnaam.

Fictels. Aanpassing van Duitse familienaam Fichtel, van de boomnaam Fichte: spar, als plaatsnaam.

Fidèle, Fedele, Fedeli: 1. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Fidelis. 2. Bijnaam, Frans Fidèle; Italiaans fedele: trouw.

Fidelman. Duitse beroepsnaam Fiedelmann: vedelspeler, vedelaar.

Fiddelaar, Fiddelaer, Vedeleer. Beroepsbijnaam voor de vedel- of vioolspeler.

Fidder, Fedder. Klankvariant van de Duitse naam Fedder, Vedder?

Fiebig, Fibich: Duitse familienaam Viebig: die aan een veeweg woont.

Fieder, Fiederer, Fiedermann: Duitse beroepsnaam van de man die pijlen van veren voorziet. Of variant van Feder(er). Fiedermann kan ook een herinterpretatie zijn van Fiedelmann.

Field, Fields. Engelse plaatsnaam Field; veld. Vergelijk Van de Velde.

Fielding. Engelse familienaam. Afleiding van field; veld.

Fiegen: Variant van familienaam Vijgen, Viegen, Fijgen. Beroepsbijnaam van de vijgenhandelaar.

Fielz. Duitse familienaam. Variant van Filz. Bijnaam voor een gierigaard.

Fieman: Variant van Fijman, Feijeman. Afleiding van Feij.

Fiere, Fierens, Fierse: Vadersnaam. Verkort uit de voornaam Olivier.

Fieret: Vadersnaam. Franse verkleinvorm op –et van de voornaam Olivier.

Fierloo, Fierloos, Fierlous: De naam gaat terug op Vierloos, vermoedelijk een voornam, een afleiding van Olivier.

Fierman, Fiermans, Fieremans, Firemans. Vadersnaam, variant van Fier, dit uir Olivier.

Fiers, Fierz, Fies. Vadersnaam uit Fier (met v/f verscherping), een verkorte vorm van de voornaam Olivier. Zie ook Vierin.

Fieu, Fieux, Fieuw, Fieuws, Lefieuw, Fiey, Duffieux, Defieu, Defieuw. Naam uit het Picardische fieu: zoon, knaap. Zoiets als "de zoon van," waarbij in de loop van de tijd weggevallen is. 

Fiévet, Fiévé, Fiévez, Fiévetz, Fievet, Fievé, Fieve, Fievez, Fievey, Fievyts, Fievijts, Fiefvet, Fiefvez, Fivet, Fivé, Fivée, Five, Fivee, Fivez, Fyvé, Fivey, Fevez, Vivet, Vivez, Vive, Vivex, Vivey, Vivey, Vyvey, Vyveij. Het Oudfranse fiéfé/fiévet is leenman, leenknecht. Een soort beroepsnaam dus. Deze familienaam werd trouwens in de middeleeuwen gebruikt ter vertaling van De Leenknecht

Figelet: Verfransende reinterpretatie van de Elzassische familienaam Figelé, van Duits Figele, van Latijnse heiligennaam Vigilius.

Figliolo, Figlioli, Figliola. Afleiding van Italaainse figlio, figlia; zoon, dochter.

Figueira, Figuera, Figueras, Figueiredo, Figuereo, Figuerola, Figueroa: Spaanse Portugese plaatsnaam: vijgenboom.

Figuet, Figgé, Figge, Figgeys, Figys, Figijs: Figuet, afleiding van Frans figue: vijg.

Figuier. Plaatsnaam Figuier; vijgenboom.

Fijak, Fiesack, Fisack: Aanpassings van Franse familienaam Figeac, plaatsnaam (Lot, Gironde, St-Emilion).

Fikkert: Afleiding van Middelnederlands ficken ‘slaan, beuken’. Bijnaam. Of plaatsnaam,1675 Viccert ‘vicariegoed’ bij Almelo, Overijssel.

Fikman. Vadersnaam. Zoals Duits Fickemann, afleiding van de voornaam Ficke. Zie Ficks.

Fikse: Vadersnaam. Zoon van Ficke, bakervorm van de Germaanse voornaam Frederik. Vooral Nederduits Vicko.

Filak: Misschien verkorting van de Russische familienaam Filakhtov, Filatov, verkort uit Feofilaktov. Grieks Theophylaktos.

Filée: Spelling voor Frans Filet. 1.Verkleinvorm van fil ‘draad’. Beroepsbijnaam. 2. Oudfrans fillet ‘klein kind’. 3. Plaatsnaam Filée in Goesnes, Jallet (Namen).

Filemon: Vadersnaam. Voornaam uit de Griekse mythologie: Filemon en Baukis. Ook Bijbelse voornaam.

Filibert: Vadersnaam. Germaanse voornaam fil-berht ‘veel-schitterend’: Filbertus.

Filippone. Italiaanse vadersnaam (knuffelvorm) afgeleid uit de voornaam Philip. 

Filius, (van) Felius, Feleus: Latijnse filius ‘zoon’. Vergelijk Nederlands Zoons, Frans Lefils.

Filkin, Filtjens, Philtjens, Philtiens. Vadersnaam uit Filips. Zie verder bij Philippus. 

Filleul, Filhol, Fillieul, Filieul, Fillieux, Filieux, Filieu, Filleux, Filleur. Naam uit het Oudfranse fileul, variant van fils: zoon, petekind.

Findhammer: Zinwoord ‘vindt de hamer’. Bijnaam voor een smid. Vergelijk Findeisen.

Filot, Fillot, Filo: 1. Piardisch fillot, synoniem met filleul: zoon, petekind. 2. Soms variant van Fel(l)ot.

Fillemotte, Filmotte, Philemotte. Vadersnaam Villemot(te)= Willemot.

Filaine. Plaatsnaam Filaines, Indre.

Filans, Filanse, Filaens, Filansif. Onduidelijk.

Filbig, Filbiche, Filbrich: Duitse familienaam Vilbig (München). Plaatsnaam Velbich, van Middenhoogduits velwe: wilg.

Filet, Filez, Filee, Filée, Filleft, Fillé, Fille, Fillee: 1. Afleiding van fil: draad. Beroepsnaam. 2. Oudfrans fillet: klein kind. 3. Plaatsnaam Filée in Goesnes, Jallet (Namen).

Filia, Filiaert, Filliaert, Filliard, Fiaert, Fiard, Fia: Frans Fillard. Afleiding van Oudfrans fil: zoon, jongen.

Filibert, Filiber, Philbert, Philibert, Philleberts, Fielibert: Vadersnaam. Germaanse voornaam fil-berht 'veel-schitterend': Filbertus.

Filkin, Filtjens, Philtjens, Philtiens: Vadersnaam. Afleiding van Filips.

Fillion, Fillon, Filon, Flion, Fléon, Fyon, Fioen, Fion: Afleiding van Oudfrans fil: zoon, jongen.

Fillatre, Filhastre, Lefilliatre: Oudfrans fillastre: schoonzoon. Vergelijk Fiasse, Fillatreau, Beaufils.

Fillatreau, Filiatreault: Afleiding van Fillatre.

Fillaud. Afleiding van Oudfrans fil; zoon, jongen.

Fillebeen. Franse familienaam Fil(le)bien. Zinwoord file bien: die goed spint.

Fillenbaum. Duitse familienaam Fellenbaum: slagboom.

Filleul, Filhol, Fillieul, Fillieux, Filieux, Filieu, Filleux, Filleur: Oudfrans filuel, van fil(s): zoon, petekind.

Filsfils, Fifils, Fifis, Fifi, Fifies, Fify, Vivys, Vivijs: Bijnaam, verdubbeling van fils: zoon.

Filz. Duitse bijnaam voor een gierig, grof mens.

Fimmere, Fimmers. Vadersnaam. Variant van Wimmer.

Fin. 1. Vondelingnaam ca. 1800 in Leuven. 2. Zie Lefin.

Fincour, Faincoeur, Faincoeur, Fancoeur, Vainqueur: Bijnaam voor iemand met een fijngevoelig hart.

Findeisen, Findeis, Finneisen, Finqueneisel: Duitse bijnaam van een smid: die het ijzer vindt.

Finel, Fineau, Finaut, Fynaut, Fijnaut: Afleiding van Frans fin: fijn, geslepen; ook voortreffelijk, keurig. Vergelijk Fynaerts, Finet.

Finet, Finé, Finez, Finné, Fynet, Finit, Finot, Finel, Fineau, Finaut, Fijnaut. Bijnaam uit het Franse fin: fijn, geslepen, wijs (bedachtzaam, verstandig, schrander, slim), volmaakt, voortreffelijk, verfijnd, zacht, beminnelijk, keurig, teder.

Fineuse. Plaatsnaam in Grandvoir. Luxemburg.

Finfe. Plaatsnaam Fenffe in Ciergnon, Namen.

Fingerhut, Fingrhut. Beroepsnaam van de kleermaker of maker van vingerhoeden.

Fink, Finke, Finken, Finck, Fincke, Fincken, Finck, Finkh, Finche: Duits bijnaam Fink ‘vink’.

Finkel, Finkels, Finckel. Beierse afleiding van Fink; vink.

Finkelmans. Afleiding van Middenenderlands vinkel: venkel. Beroepsnaam van de venkelkweker, -verkoper. Vergelijk Venckeleer.

Finkelstein, Finkchtein, Finksztajn, Finksztein, Finkszteyn, Finksztejn, Finchelstein, Finkielsztein, Finkielsztejn, Finkielstejn, Finkeilsztajn: Joods-Duitse familienaam: fonkelsteen. Misschien van Silezische plaatsnaam Finkenstein.

Finkenflugel, flugel: Duitse bijnaam. Vergelijk Vinckevleugel.

Fino, Finot. 1. Zie Finet. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Goffinot?

Finocchio, Finocchiaro, Fenocchi. Italiaans Finocchio; venkel.

Finoulst, Finoelst, Vinoulst: Finoul? Korte vorm van Goffinoul (vergelijk Goffioul)?

Finson: Vadersnaam. Frans Vinçon, Vinchon, Vinson. Romaans vleivorm van de voornaam Vincent. Zie ook Vintioen.

Finsy, Finsij, Finschi: Wellicht plaatsnaam Vincy (Aisne, Seine-et-Marne).

Fintelman: Wellicht Duits Findelmann ‘vondeling’; vergelijk Duits familienaam Findelkind.

Fiocchi, Fiocco: Italiaans fiocco: vlok, strik.

Fiol, Fiolle, Fiole, Fioole, Fiolet. Verschrijving en reïnterpretatie (fiole: flesje) van Filleul, Filhol. Vergelijk Fion = Fillon en familienaam Fillol.

Fiore, Fiori, Fiorio, Fiorelle, Fiorellini, Fiorello, Fioretti, Fiorido, Fiorilli, Fiorin, Fiorini, Fiorine, Fiorito, Fioriti, Fioroni, Fiorot, Fiorotto: Italiaaans flore: bloem. Ook vaders-, moedersnaam, van Latijn Flos, Floris, Florentius.

Fiorentin, Fiorentini, Fiorentino. Italiaanse herkomstnaam; Florentijn, van Florence/Firenze.

Fir, Fire, Firre: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Olivier; vergelijk Firket, Firlet. 2. Waals fîr: fief, leen.

Firket, Firquet, Ferket, Fekête, Verket. Vadersnaam afgeleid van Fier (afkorting van Olivier).

Firlefijn, Firlefeyn, Firlefyn, Fierlafijn, Fierlfyn, Fierlefyn: Vadersnaam van Philippin, met p/f-wisseling en r-epenthesis.

Firlet, Firley, Firlej: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Olivier.

Firman, Firmans, Firmani: 1. Middenhoogduits vierman: lid van een groep, collège van vier. 2. Variant van Fiermans.

Firmin, Fermyn, Farmin, Frumin: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Firminus.

Firnkes. Duitse bijnaam Firnkâs, ontrond uit Fûrmkâs: die de kaas vormt (in een kaaskop).

Firoel. Vadersnaam Firoul, Waalse vleivorm van Olivier.

Fis, Fisch, Fiche, Fix, Fischels, Fischel, Fischell, Fishel, Fiszel: Duits Fisch en afleiding Fischel: vis(je). Vergelijk De Visch.

Fischbach, Fischback, Fichbach, Fisbach: Verspreide Duitse plaatsnaam. Ook Fisbach in Xhoffraix (Luxemburg)

Fischenich. Plaatsnaam in Duitsland.

Fischer: Duitse beroepsnaam van de visser.

Fischgrund. Duits Joodse familienaam; visgrond.

Fischler, Fixler: Duitse beroepsnaam van de vishandelaar.

Fischli, Fischlin. Duits Zwitserse afleiding van Fisch.

Fischman, Fischmann, Fiszman, Fixman: Duitse beroepsnaam van de visser of vishandelaar.

Fischweiler. Duits Joodse familienaam: visdorp. Misschien herinterpretatie van Fischweiher: visvijver.

Fisenne, Fizaine. Plaatsnaam Fisenne in Soy, Luxemburg.

Fishburn. Plaatsnaam, Durham.

Fisher. Engelse beroepsnaam van de visser. Of=Fischer.

Fisse. Spellingvariant van Fils; zoon.

Fissel, Fichelle, Fichel, Fixelles, Fissieuax, Fissiaux, Fichaux, Fichaud: Bijnaam naar de diernaam, de bunzing, wellicht vanwege de sluwheid. Oudfrans fissel, Oudpicardisch fîchel, Picardisch fichau, Middenenderlands fissau.

Fiol, Fiolle, Fiole, Fioole, Fiolet. Verschrijving van Filleul of Filhol. Zie bij Filleul. 

Fisset, Fissete, Fisette, Fiset, Ficette: Variant van Fichet(te).

Fisson. Dialect vichon; das.

Fisbin, Fiszban. Duits Fischbein. Beroepsnaam voor de verkoper van walvisbeel, baleinen.

Fitdevoye, Fitdevoie, Fitvoye, Futvoye, Futvvoie, Fudoye, Fudvoy: Plaatsnaam Fidevoye in Yvoir (Namen).

Fittelaer, Fittelaere, Fitellaer, Fittler, Feteler, Fethler, Fetler: Limburgse vorm van Vedelaer? Vergelijk Fi(e)deler. Zie de Vedeleer.

Fitters. 1. Vadersnaam. Variant van Witters (v/fj. Vergelijk Fimmers. 2. Duits Vitter: a. Alemannisch Vetter: neef. b. Variant vanViktor.

Firket, Firquet, Ferket, Verket. Vadersnaam afgeleid van Fier (afkorting van Olivier).

Fitzgerald. Vadersnaam. Engels fitz, van Oudfrans fiz: zoon. Zoon van Gerald, Geroud.

Fitzke, Fitschen: vadersnaam. Afleiding van Fitz, heiligennaam Vitus of Vincentius.

Fitzpatrick. Vadersnaam. Zoon van Patrick.

Flaas, van der, van de(r) Flaes, Vervlaest: Plaatsnaam Vlaast (vooral Antwerpen en Noord-Brabant), collectief voor Vlaas: waterplas, poel, ven. Vergelijk Vlaas.

Flabart, Flaba, Flabat, Flabo: Vadersnaam. Germaanse voornaam flath-balth; vergelijk Fla(d)bertus.

Flach, Flack, Flak: Duits Plaatsnaam Flach ‘vlak, effen’. Flachet, Oudfrans flachet; flesje, vergelijk Flacon.

Flachs, Flaks, Flakss, Flahs, Flaes, Flass, Flas, Fiasse: Duits Flachs, Middenhoogduits fla(h)s: vlas. Beroepsnaam van de vlaskweker, handelaar.

Flacon, Flasschoen: Oudfrans flascon: kleine fles. Beroepsnaam.

Flagey. Franse familienaam Flaget, afleiding van Oudfrans flajel; fluit.

Flagothier, Flagothiers, Flagontier, Flagotier: Plaatsnaam Flagothier in Esneux (Luik).

Flahau, Flahaut, Flahault, Flaux, Flahou. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam flad-wald, Fletuualdus.

Flaherty. Verengelst van Galic O'Flaithbheartaigh, afstammend van Flaithbheartach 'die zich edelmoedig gedraagt'.

Flamée, Flamé, Flame, Flamee, Flamey, Flameyghe, Flameigh, Flamez. Franstalige variant van Flamand, Flamain: Vlaming. 

Flahou. Vadersnaam. Rommanse vorm van Germaanse voornaam flad-wulf: Flidulfus. Of variant van Flahau.

Flajolet, Flajollet. Afleiding van Oudfrans flajol, Frans flageolet; bekfluit, kleine fluit. Bijnaam voor de fluitspeler.

Flam, Flamme, Laflamme, Flaam, Flama, Flam, Flamme: Frans flamme: vlam. Vergelijk De Vlam.

Flamache, Flamasche, Flamaxhe. Luiks-Waals flamaha; vonk. Bijnaam.

Flamand, Flamang, Flamant, Flaman, Flamang, Flamend, Flament, Flamen, Flameng, Flamain, Flamaing, Flamein, Flameyn, Flammand, Flamment, Flammang, Flammant, Flement, Flamien: Frans naam voor de Vlaming, afkomstig van het graafschap Vlaanderen. Zie (de) Vlaminck.

Flambeau. Beroepsnaam. Frans flambeau; fakkel, toorts.

Flambert, Flamberd. Vadersnaam. Germaanse voornaam Flambertus of Flandebertus.

Flamcour, Flamcourt, Flamencourt, Flamecourt, Flammecourt: Plaatsnaam Flamecourt in Vloesberg (Henegouwen).

Flamé, Flame, Flamee, Flamez, Flamey, Flameygh, Flameyghe. Via de variant Flamein, Flamain geadapteerd van Flamen, Flamand.

Flamerie. 1. Plaatsnaam Vlamerie in Clermont-lez-Aubel (Luik). 2. Variant van Frammery (r/z)?

Flaminne, Flamine. Plaatsnaam Flamine in Ligny, Namen.

Flaming, Flaminck, Flamming: Nederduitse variant van Vlaming. Flam(m)ing kan ook de Vlaamse aanpassing zijn van Flamain(g).

Flanagan. Iers O'Flannagain, afstammeling van Flannagan 'rood-moed'.

Flandre, Flandres, Deflander, Deflandre, De Flander. Uit het Frans: herkomstbenaming vor wie afkomstig is van Vlaanderen.

Flanderin, Flanderinck, Flanderinck; Vlaming.

Flandois, Flandroy, Flandroyt, Flandroit. Herkomstnaam van Flandre; Vlaanderen.

Flanquart. Misschien variant van Planquart met wisseling pl/fl, vergelijk fleurus van pleuritis.

Flapper, Flap. Bijnaam, voor iemand die veel beweegt of ganzenvanger?

Flausch. Middenhoogduits vlûs(ch), vlies: schapenvacht. Beroepsnaam.

Flauw, Flouw: Waals Vlaamse familienaam. Waarschijnlijk aanpassing van Franse familienaam Flaud/Floud. Germaanse voornaam Flodowald/Hlodowald.

Flaveau. Oudfrans flavel: klepper van een melaatse; bekfluit, flageolet.

Flavien. Latijnse heiligennaam Flavianus.

Flavigny, Flavignie. Plaatsnaam Flavigny (Aisne, Cher, Marne, Meurthe-et-Mos., Côte-d'Or).

Flavion. Plaatsnaam Flavion, Namen.

Flawinne, Flawine. Plaatsnaam Flawinne, Namen.

Fléaux. Franse beroepsnaam Fléau: vlegel.

Flèche, Fleche, Flechet, Fléchet: Frans flèche: pijl, en afleiding en beroepsnaam.

Flécheux. Beroepsnaam van de boogschutter.

Fleck, Flecken. Duitse familienaam. middenhoogduits vlëc: stuk land, plaats.

Fleckenstein. Duitse plaatsnaam.

Flecy, Flessie, Flaisie, Defléchy. Naam uit de plaatsnaam Fléchy (Oise).

Flecyn, Flecijn, Flesyn: Familienaam Flechin in St.-Omaars. Plaatsnaam Flechin (Pas-de-Calais)

Fleisch, Fleis, Fleix, Flesch, Fles, Flaitz, Flaiz: Duitse beroepsnaam Fleisch, voor de Fleischer: slager.

Fleischacker, Fleiszaker, Flajszakier: Duitse beroepsnaam.

Fleischer. Nederduitse familienaam van de slager.

Fleischhacker. slager. Vergelijk Fleischhauer. Fleischauër, Fleisch(h)euer, Fleischhuiers, Fleisheuer: Duitse beroepsnaam Fleischhauer, equivalent van De Vleeschhouwer.

Fleischman, Fleischmann, Fleischner. Duitse beroepsnaam van de slager.

Flem (de). 1. Zie Deflem. 2. Zie Vlam De.

Flemal: Plaatsnaam Flémalle (Provincie Luik).

Fleming: Volksnaam van de Vlaming.

Flener, Floener, Floenert. Duitse vadersnaam Flehnert, van Flanhardt.

Flere. Plaatsnaam Flère in Cornesse (Luik).

Fléron, Fleron, Flairon: Plaatsnaam Fléron (Luik)

Flesch, Fleschen, Fles, Flasque: Bijnaam. Middenenderlands flassche (flaske): fies. Vergelijk Flasschoen.

Flessenkemper, Flessenkämper: Afleiding van Nederduits Flaskamp: vlasveld. Ook familienaam Flaskamp. Plaatsnaam Flasskamp in Schalksmuhle (Duitsland).

Fletcher, Flitser: Engelse familienaam, van Oudfrans flécher: maker van pijlen.

Fleteren, van, Vanfleteren, van Vleteren, van Sleteren. Familienaam uit de plaatsnaam Vleteren (Oost- en West-Vlaanderen) of Vleteren (Flêtre - Frans-Vlaanderen). 

Fleurbayx, Fleurbaey, Fleurbay, Fleurbaay, Fleurbaaij, Fleurbaeij, Fluerbieijs: Plaatsnaam Fleurbaix (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Fleuriot, Fleurot, Floriot, Florio: Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Florentius.

Fleurbayx, Fleurbaey, Fleurbay, Fleurbaay: Plaatsnaam Fleurbaix (Pas-de-Calais)

Fleurinck, Fleurynck. 1. Vadersnaam. Afleiding van Fleuris, Florentius. Vergelijk Florin. 2. Variant van Vlerick met suffïxsubstitutie; vergelijk Fleurick.

Fleurkens: Vadersnaam/moedersnaam. Verkleinvorm van voornaam Floris, respectievelijk Flora.

Fleuru, Fleurus. Plaatsnaam Fleurus, Henegouwen.

Fleusus, Fleussu, Flusu, Fleusy, Flussie, Flossie, Flossy, Flossij: Plaatsnaam Fleussu in Raatshoven (Luik).

Fleuvy. Plaatsnaam Flévy (Moselle).

Fleyt De. Variant van De Fruyt. Zie bij Fruit. 

Flick, Flicx: Ook Duitse familienaam Flick(e). Wellicht bakervorm van oude Germaanse voornaam, bijvoorbeeld. Frederik.

Flieg, Flieger. Duitse bijnaam voor een onrustig mens; vergelijk Vliege 1. Maar wellicht beantwoordt de Duitse familienaam Flieger aan De Vlieger(e).

Flier, van de, der, Fliers, Flierman, Fleer, Fliervoet, Flies: Flier is samengetrokken uit Felier, van Filier ‘spinner’. Beroepsnaam.

Flierenburg, (van): Plaatsnaam Vlierenberg bij Groesbeek (Gelderland).

Flierman, Fledderman: Afleiding van Flier, Vlier, naar de woonplaats bij een vlierboom. Of een vorm van Fierman?

Flikweert: Afkomstig uit Noord-Duitsland.

Flindt, Flind. Bijnaam. Middelnederlands vlint: kei(steen), Engels flint: vuursteen.

Flink, Flinker, Flinck: Bijnaam voor een flinke kerel.

Flinsback. Plaatsnaam Flinsbach, Duitsland.

Flips, Flipse: Vadersnaam. Samengetrokken uit Philips.

Flisch, Flis. Duits flitsch: werpspeer, pijl. Beroepsnaam van de schutter.

Flise. Plaatsnaam Flize, Ardèche.

Flissebaalje: Frans fichebaille?

Flobert, Flaubert: Vadersnaam. Noordfranse vorm (fl<hl) van Germaanse voornaam hluth-berht 'beroemd-schitterend': Hlodebertus, Flo(de)bertus.

Floch, Floche. Oudfrans floche, vlok, wolafval, ruwe stof. Beroepsnaam. Vergelijk Vlok.

Floegel, Flögl, Fliegel: Duitse familienaam Flügel: vleugel. Soms veldnaam. Vergelijk Vleugels.

Flohil, Flohel: Het tweede lid ‘hil’ is de Noordzee-Germaanse variant van hul ‘heuvel’.

Flohimont, Flohimond, Floymont, Floymon: Plaatsnaan Flohimont in St-Pierre-en-Ardenne (Luxemburg).

Floin, Flon: Plaatsnaam Floing (Frans departement Ardèche ).

Flokman, Flockman, Flockmans: Beroepsnaam van de handelaar in vlokken, wolafval, ruwe wollen stof. Vergelijk Vlok.

Flon, Flont. 1. Uit het Provençaalse flon: beek. 2. Bijnaam uit het Waalse flon: taart, vla. Of beroepsnaam voor de bakker. 

Flonet. Oudfrans fla(o)net, afleiding van flan: via. Bijnaam of beroepsnaam.

Floo, du: Frans familienaam Duflot, Duflos, Duflo, Deflo. Plaatsnaam Le Flos ‘vijver, waterplas’.

Floor, Flor, Flore, Floors, Fleur, Fleurs, Flouhr, Flour, Floers, Floes, Vloors. Vadersnaam. Korte vorm van Floris, van Latijnse heiligennaam Florentius (zie Florus). Of moedersnaam voornaam Flora, Flore.

Floreal, Florea, Floréal, Florial, Fleurial: Vadersnaam, afleiding van de Latijnse heiligennaam Florentius.

Florizoone, Forison, van de vadersnaam Floris.

Floorman, Floerman, Floermans, Fleurman: Vadersnaam. Afleiding van Floris, Floreins, Florentius.

Floquet, Flouquet: Oudfrans flocket: vlok, kuif. Beroepsnaam voor de koper van vlokken, wolafval. Of bijnaam voor iemand met een kuif. Vergelijk Oudfrans flocu.

Floren, Flooren, Fleuren. Moedersnaam van Flore, heiligennaam Flora, zie Flore.

Florance, Florence, Flaronage, Florentie. 1. Moedersnaam. Vrouwelijke vorm van Latijnse heiligennaam Florentina. Vergelijk Florens. 2. Plaatsnaam Florence, Firenze in Italie, soms Florentië genoemd.

Florens, Flourens, Flourent, Florenti, Florent, Florentty, Florentz, Fleurent, Fleuren, Fleurant, Fleran, Floris, Florus, Flores, Floru, Florue, Floruc, Fleurus, Fleuru, Flérès, Fleres: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Florentius, van Latijn florens 'bloeiend'. Florens kan ook afleiding zijn van Floren.

Florentijn, Florenty, Florentyn, Florentin, Florenten: Vadersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Florentius.

Florie: Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Floria.

Florentz. 1. Zie Florens. 2. Florenz, Duitse naamvorm voor Firenze (Italie), Florence.

Florenville, Florville. Plaatsnaam Luxemburg.

Florisse, Floris, Floresse, Florus, Florussen, Florusse: Vadersnaam. Voornaam Floris, van heiligennaam Florentius, van Latijnse florens ‘bloeiend’.

Floret, Florée, Flore, Floré, Floree, Fleuret, Fleuré. Vadersnaam afgeleid van de Latijnse heiligennaam Florentius.

Florian, Floriaen, Floreani, Floreanckh, Floreancgh, Floreancig: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Florianus.

Floridor. Vadersnaam. Waarschijnlijk hybridische voornaam, contaminatie van een Flor-naam met Alidor, Polydor, Theodoor enz. Floridor was ook de acteursnaam van Josias de Soûlas, sgr. de Primefosse (Parijs 1608-1671).

Florijn, Florein, Florin, Florins, Floreyn, Florijn, Florine, Florines, Floury, Flory, Fleury, Flooren, Floren, Fleuren: Vadersnaam. Uit Florin, vleivorm van de heiligennaam Florentius. Deze komt uit het Latijnse florens: bloeiend, van aanzien.

Florimont. Plaatsnaam (Belfort, Dordogne), in Les Waleffes (Luik).

Florines, Florine. 1. Plaatsnaam Florennes (Namen): 2. Moedersnaam van Florin.

Florisoone, Florizoone, Florizone, Florissoone, Florisse, Florissen, Florussen: Vadersnaam. Zoon van Floris, Florens. Moedersnaam. Zoon van Flore.

Florival. Plaatsnaam Florival in Ottenburg (Vlaams-Brabant), Eerken of Orbais (Waals-Brabant). Eventueel Florivaux in Villers (Namen).

Florkin, Florquin, Florquins, Florquyn, Florkan, Florequin, (de) Fleurquin, Fleurke: Vadersnaam, afleiding op Middenenderlands kin, van Frans quin, van heiligennaam Florentius.

Flos, Floss: 1. Duits familienaam Floss ‘vliet, vloed, stromend water’. Duitse tegenhanger van Vervloet. 2. Uit Frans Duflos, zie du Floo.

Flossie, Flossy, Flossij, Flussie. Familienaam uit de plaatsnaam Fleussu in Raatshoven (Luik) of Florsies (Henegouwen). Zie Fleusus.

Flostroy, Fostroy: Plaatsnaam Flostoy (Namen).

Flothman, Flothmann. Nederduitse vorm van de Duitse familienaam Flossmann: houtvlotter, vlotvoerder. Beroepsnaam.

Flotow, von, de. Plaatsnaam Vlotho (Duitsland) of (Grofi) Flotow (Duitsland).

Flotte. Plaatsnaam. Char.-Mar.

Fluchard. Afleiding van Luiks-Waals siflutchi: binnensluipen.

Fluche, Flucher. Duits Flucher, Flü(c)her, van plaatsnaam Fluh, Middenhoogduits Fluoh: kale, steile rotswand.

Fluckiger, Fluckiger: Plaatsnaam Fluckigen in Rohrbachgraben (Zwitserland).

Fluder. Variant van Duitse familienaam Floder. Zwabische plaatsnaam Vlader, Vloder: moeras.

Flügge, Floëge, Fluck, Fluk: Duitse bijnaam, ook Fluck. Middenhoogduits fluck: wakker, kwik, vlug.

Fluhr, Flouhr, Flou)r: Duitse familienaam Flur: veld. Meestal voor de Flurer: veldwachter.

Fluit, Fluijt, Fluyt, Fleeijt, Flûte: Bijnaam van de fluitspeler, Beroepsnaam van de muzikant.

Fluiter, de: Beroepsnaam van de fluitspeler, muzikant.

Fluks, Flux: Afleiding van Duitse bijnaam Fluck, Flück, van Middelhoogduits fluck ‘wakker, kwik, vlug’.

Flusin, Fluzin: Occidentaals floissina, van Latijn fluxina: kussensloop. Beroepsnaam?

Flute, Flûte: Bijnaam voor iemand met lange benen.

Fobe, Foppen: Vadersnaam. Bakervorm van de Germaanse voornaam Volkbrecht/Volkbert of Volkboud.

Foblets, Fobelets, aubelets, Vobelet, Fouble. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Fobert (fulk-brecht). 

Fobe, Fobbé, Fobé, Foppen Foppens, Foppema, Fopma, Foppes, Foppens. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Volkbrecht of Volkbout.

Fober, Fobert, Foubert, Fouber, Foebert, Faubert, Fabert, Fauberg. 1. Vadersnaam, Fries Foppe, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam fulk-brecht. 2. Of uit het Oudfranse Fobert, Fobaert: nar, dwaas, lobbes.

Fonsny, Fosny. Waalse plaatsnaam; modderpoel.

Fobelets, Foblets, Faubelets, Vobelet, Fouble: Vadersnaam. Afleiding van Fobert.

Fobert, Fober, Fouber, Faubert, Foebert, Faubert, Fabert, Fauberg: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Volkbrecht. Zie Volbrecht. 2. Achteraf wellicht geherinterpreteerd als Oudfrans fobert, Middenenderlands fobaert: nar, dwaas, sul, lobbes.

Foccroulle, Focroulle, Focroule, Fockeroulle, Focroul: Plaatsnaam Focroulle in Rouvreux (Luik).

Focant, Focan, Fokan, Faucan, Faucant, Fauquant, Fauquand, Vacant, Vakante: 1. Plaatsnaam Focant (Namen). 2. Eventueel vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse voornaam Falko 'valk': Falcoanus.

Fockedeij, Fockedey, Fackeldey: Vadersnaam. Zeeuwse familienaam Noordzee-Germaanse vorm van de Germaanse voornaam fulk-dag ‘volk-dag’.

Fodor. Vadersnaam. Russchische voornaam Fe(o)dor; Theodoor.

Foekking. Vadersnaam van Germaanse voornaam Fulco.

Fogelbaum. Duits Joodse familienaam; vogelboom.

Fogielhut. Dialect van Vogelhaupt; vogelkop, bijnaam.

Fofuenne. Waalse uitspraak van Limburgse familienaam Fogen.

Fohal, Fohalle, Foxhalle, Foxhal: Plaatsnaam. Luiks-Waals fohale; kleine sloot, gracht.

Foidar, Foidart. Plaatsnaam Foidart in Luik.

Foiret. Afleiding van foire; jaarmarkt?

Foissey, Foissy. Plaatsnaam Foissy (Côte-d'Or, Yonne).

Foissac. Plaatsnaam, (Aveyron, Gard).

Foix, Foi, Fois. Plaatsnaam Poix (Ariège).

Fokke, Focke, Fok, Focque, Fokke, Fokken, Fokkens, Foeke, Foeken, Foucque, Fouque, Fouques, Foex, Fox, Vock, Vok, Fukken: Vadersnaam. Korte Germaanse voornaam Fulco, Folko ‘volk’ met assimilatie lk/kk.

Fokke, Fokké: Vadersnaam. Spelling voor Focquet, Romaanse verkleinvorm van Germaans fulk-naam (zie Fokke).

Fokkelman, Fokkeman: Vadersnaam. Afleiding van Fockel, verkleinvorm van Nederduits-Fries Focke of van Fockel van een Volk-naam. Christiaan Jans Vockelman, geboren in 1754 in Warburg (Noordrijn-Westfalen), vestigde zich in Pieterburen (Groningen).

Fokkema: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Fokke.

Fokker, Fokkers: 1. Bijnaam. Middelnederlands focker ‘bedrieger, fopper’. 2. Vadersnaam. uit Folker.

Fol. Oudfrans fol, Frans fou; gek. Bijnaam.

Folbroeck. Plaatsnaam Volbroek; vergelijk Am Vollbruch in Bielefeld (Duitsland).

Folichon. Plaatsnaam in Provence.

Folie, Folli, Folly: 1. Bijnaam. Oudfrans folie: waanzin, zotheid. 2. Middelnederlands foelge, folie, van Oudfrans foille: blad (onder meer geslagen metaal); ook verfstof, aluin gebruikt door lakenververs en verfmakers, aluin uit Foglia in Klein-Azië, Frans alun de feuille. 3. Plaatsnaam La Folie; zie Delefolly.

Folkersman, Folkerman, Folkersma, Volkersma, Folkertsma. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Volker of Volkert.

Folkner, Fölgner, Foelgner: Vadersnaam. Duitse familienaam Volkner, fulk-naam.

Folkringa, oorspronkelijk Fulkhardinga, van de vadersnaam Fulkhart, Folkert.

 Follaets, Folla, Follart, Follard, Folliard, Foulard, Foulart: Afleiding van Middelnederlandse werkwoord folen: grappen maken, stoeien, schertsen, spotten. Of afleiding van Frans fou: gek.

Folland. Bijnaam Folant, van Oudfranse werkwoord foler; gek doen.

Follens, Folens, Foele, Foelen, Vollens, Vollen. Vadersnaam, knuffelvorm van een Germaanse voornaam zoals bijvoorbeeld Volboud (vol-boud) of Volbrecht (vol-brecht). 

Follet, Follez, Follé, Follett, Folley, Foley, Folliet, Folliot, Foliez: Afleiding van Oudfrans fol, Frans fou: gek. Bijnaam.

Folletête. Bijnaam folle tête: dwaashoofd, gek.

Follin, Foulain. Familienaam uit het Oudfranse fol, Frans fou: gek. Bijnaam.

Follman, Follmann, Folman: Vadersnaam. Germaanse voornaam Volkmann; vergelijk Vollmar, van Volkmar.

Fondse, Fonse: Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse voornaam Alfons, van adel-funs of al-funs ‘de alles wagende’.

Fölsinger, Folzinger: Vadersnaam. Afleiding van Völz, vleivormvan Germaanse Volk-naam.

Foltin, Folletin. Afleiding van Oudfrans fol; gek.

Folville. Plaatsnaam Folleville, Eure, Somme.

Fonrijn, Fonrijn. Naam uit het Duitse "Vom Rhein": van de Rijn. Naar de vroegere woonplaats. 

Fombelle. Plaatsnaam Font belle; mooie bron. Vergelijk Schönbrunn.

Fomin. Waals faumin; steel van de zeis. Beroepsnaam.

Fonbonne. Plaatsnaam Fontbonne (Cantal, Ardèche): goede bron.

Foncez, Foncé, Foncin, Fonchain, Foncon, Fonson: Afleiding van Oudfrans fons, van Latijn fundum: grondbezit, landbezit.

Foncoux. Waals voor Froncourt, plaatsnaam in Fumay.

Fondaire, Fondair, Fonder, Fondeur, Fondu: Beroepsnaam. Frans fondeur: (ijzer)gieter. De vormen op -aire/-er gaan terug op de onderwerpsvorm (cas-sujet), die op -europ de voorwerpsvorm (cas-régime) fundorem.

Fonderie, Fodderie. Plaatsnaam Fonderie; ijzer gieterij.

Fongers. Vadersnaam Fonger, van funs-ger; wagend-speer.

Fonlupt. Plaatsnaam (Puy-de-Dôme) van Font Luc: bron in het bos. Luc, van Latijn lucus: bos.

Fonrijn, Fonryn: Duits Vom Rhein: van de Rijn.

Fonseca, da, de. Spaanse en Portugese familienaam. plaatsnaam Fonseca, dat is fons sicca: uitgedroogde bron.

Font, Fond. Plaatsnaam Font; bron.

Fontier, Fonthier. Wellicht synoniem met Fontenier.

Fontan, Fontana, Fontanella, Fontanel. Italiaanse familienaam; fontein; bron.

Fontebasso. Italiaanse plaatsnaam; diepe bron.

Fontaine, Fonteine, Fonteijnen, Fonteijn, Fontijn, Fontijne, Fonteyne: Frequente plaatsnaam, Frans Fontaine, van Nederlands Fontein(e)‘fontein, bron, waterput’. Ook Delafontaine.

Fontenai, Fontenay, de Fontenay, Fontenoij: Frequente plaatsnaam Fontenoy, Fontenay, collectief bij fontaine ‘plaats waar veel bronnen zijn’. (Aube, Yonne, Seine, Manche, Seine-et-Oise, Eure enz.),

Fonteneau, Fontenelle. Verspreide plaatsnaam (onder meer Namen, Aisne), afleiding van fontaine: bron.

Fontenier. Beroepsnaam. Frans fontainier: toezichter over de waterputten, waterfitter.

Fontenoy, Fontinois, Fontinoy: Plaatsnaam zoals Fontenai, van Latijn fontanetum: plaats met bronnen.

Fonteny, Fontini, Fontiny: 1. Plaatsnaam Fonteny in Loupoigne, Thines of Oud-Genepiën (Waals-Brabant). Ook in Frankrijk (onder meer Moselle).

Fontes, Fontesse. Waarschijnlijk plaatsnaam, van Frans font; bron.

Fonteyne, van den, Fonteyn, van den, van de Fonteyne, Fonteijne, Fonteijn, van de(n) Fontyne, Fontijne, Fontein, Fontyne, Fontyn, Fontijn: Verspreide plaatsnaam Fontein(e): fontein, bron, waterput. Zie ook Delafontaine.

Fontignie, Fontignies, Fontigny, Fontiny, Fontini, Fonteignie, Fontenie: Plaatsnaam Fontignies in Buvrinnes (Henegouwen) of Fontigny in Ransart (Henegouwen).

Fonville. Plaatsnaam Fonville, Eure-et-Loir.

Fonzé, Fonze: Plaatsnaam Fonzê in Aywaille en Nandrin (Luik). Frans dialect fonze: kloof.

Foo. Verschrijving voor Faux? Of Vlaamse uitspraak van Foi?

Foole: Verscherpte (f < v) vorm van Middelnederlands vole, vo ‘veulen’. Beroepsbijnaam voor een paardenkoopman of bijnaam voor een levendige kerel.

Fooij: Uit Frans Foy. 1. Oudfrans foie ‘lever’. Vergelijk Duits Leber. Bijnaam voor een slager 2. Middelnederlands fooye, foy(e), voye, van Frans voie, Latijnse via ‘weg, reis, tocht’.

Foquet, Foqué, Focuet, Fokké, Focket, Foket, Foucquet, Fouquette, Fouchet, Fouché, Fourchet, Focketijn, Focketyn: Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse fulk-naam.

Forain, Forin, Faureins: 1. Frans forain: vreemdeling; wellicht bijnaam van een bourgeois forain: buitenpoorter. Ook Middenenderlands forein, forijn. 2. Vondelingnaam van 1808 Joseph Albert Forain, Opvelp.

Fordel. Nederlandstalige variant van de Duitse familienaam Vordel : voordeel (bijnaam).

Forbras. Bijnaam Fort bras; sterke arm. Vergelijk Brasfort.

Forcé, Force, Forcez. Waals Vlaams hypercorrect voor Fossé, Fossez.

Fordel. Duitse familienaam Vordel; voordeel.

Fordham. Plaatsnaam (Cambridgeshire, Essex, Norfolk).

Forée: Spelling voor Frans Forêt, Forez, Foré, van Oudfrans forest ‘woud, aan de vorst toebehorend domeingoed’.

Foreest, van. Plaatsnaam Foreest, van Oudfrans forest: woud, aan de vorst toebehorend domeingoed. Vergelijk Forest.

Forest, Forrest, Forêt, Foret, Forez, Foré, Fore, Forret, Forrz, Forré, Forre, Fouret, Fourez, Fouré, Fourré. 1. Naam uit het Middelnederlandse foreest (dit uit het Oudfranse forest): woud, aan de heer behorende domein. Zie Van Foreest. Forest is ook de Franse naam voor Vorst. 2. For(r)est/Forêt kan hypercorrect zijn voor For(r)et/Fourez, -et. A. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Folradus. B. Variant van Fauret; zie Favret.

Forestier (de), Fourestier, Forissier: Beroepsnaam. Oudfrans forestier: vorster, boswachter.

Forgeot, Fourgeot, Fourgeau, Fourgeaux, Fourgo, Forgo. 1. Naam uit forge: smidse, beroepsbijnaam van de smid. 2. Of door vervorming van forge naar Fargeau, van Latijnse naam Ferreolus: bijnaam, de ijzeren.

Forgeron. Franse beroepsnaam van de smid.

Forges. Spellingvariant voor Forge of Forget.

Forget, Forgé, Forger: afleiding van forge: smidse. Beroepsnaam van de smid; vergelijk Forgeot.

Forgeur, Fourgeux, Leforgeur: Beroepsnaam. Middenfrans forgeur: smid.

Forgon, Fourgon: Oudfrans forgon: pook, haardijzer. Beroepsnaam.

Forman, Formann, Fourman, Fourmann, Formans: 1. Duitse familienaam Formann, Vormann = Fuhrmann, dat is voerman. 2. Zie Froment.

Formanoy, Formenoy: Zonder lidwoord, van De Formanoi(r). Plaatsnaam Formanoir in Templeuve (Henegouwen). Fort manoir ‘versterkt kasteel’.

Formesyn, Formesijn, Formeseyn: Variant van Farazijn met epenthetische nasaal.

Fornasier. Afleiding van Oudfrans fornage: oven, fornuis. Beroepsnaam van stoker, bakker, kok. Vergelijk Fournage.

Forneville, Fornoville: Plaatsnaam Fourneville (Calvados).

Fornhoff. Duitse familienaam, ook Vornoff, dat is vorm Hof: vor dem Hof, voor de hoeve.

Fors, Forst. Verspreide plaatsnaam Forst, Vorst, zoals Frans forêt, van Latijn forestis: bos, foreest.

Forseille, Forseilles, Forcielle, Forcelle: Plaatsnaam Forseille in Héron (Luik).

Forssman. Duits Forstmann, afleiding van Förster: vorster, boswachter, houtvester.

Förster, Forster, Foerster, Ferszter, Ferster: Duitse beroepsnaam van de vorster, boswachter. Förster is ook Engels.

Forsthoff. Verspreide Duitse plaatsnaam Forsthof: hof in het bos.

Forsythe, Forsyth. Vadersnaam. Verengelste vorm van de Gaëlische voornaam fear-sithe 'man-vrede'.

Fortgens: Fortjen, van midden Nederlands Voordekin, afleiding (verkleinvorm) van van den Voorde.

Fortemps (de), Fortems, Fortamps, Fortan. Bijnaam uit het Franse fort temps: sterk weer. Bijnaam voor iemand met een goed humeur. 

Fortez, Fortes, Forte, Fortes, Forté: Middenfrans fortet, van fort: sterk.

Forthomme. Frans Fort homme: sterke man. Bijnaam.

Fortier, Fortie, Fortje, Fourtier: Oudfrans fortier: boswachter. Beroepsnaam.

Fortimps. Spelling voor Fortemps of Fortin.

Fortin, Fortain. Bijnaam. Afleiding van fort; sterk, krachtig.

Forton, de. Bijnaam. Afleiding van fort; sterk, krachtig.

Fortpied. Bijnaam voor iemand met zware voeten.

Fortrie, Fortry, Fortrei: Verkort uit Delaforterie. Plaatsnaam la Forterie ‘versterkte plaats, vesting, fort’.

Fortuin, Fortun, Fortuijn: De Oost-Vlaamse familienaam Fortuin is een aanpassing van de Henegouwse Fortun, een hypercorrecte vorm voor Fortin (vergelijk Picardisch brin ‘brun’), ook beïnvloed door Fortuné ‘Fortunatus’. De vraag is wel of al die Nederlandse Fortuins uit Oost-Vlaanderen komen.

Fortuné, Fortunato, Fortunati, Fortuna, Fortunas: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Fortunatus 'door het lot begunstigd'.

Fortz. Duitse bijnaam Vorz, Duits Furz: wind, scheet, veest.

Forville, Forvilly: Plaatsnaam Forville (Namen).

Forzée. Plaatsnaam Forzée in Buissonville (Namen).

Foschi, Fosco, Foscolo; Latijn fuscus, Italiaans fosco: donker(kleurig).

Foskoms. Wellicht variant van plaatsnaam Vossem, Vlaams-Brabant.

Fossard, Fossart, Fossaert, Fossa, Fassaert, Fassart: Afleiding van Oudfrans fosser: graven, delven. Beroepsnaam van de delver.

Fossé, du: Frans Dufossé, Dufosset. Plaatsnaam Fosset, verkleinvorm van Fosse ‘gracht, sloot’.

Fosselard, Faslart: Afleiding van Middenfrans fosseler: sloten graven. Vergelijk Fossard.

Fosselle. Plaatsnaam. Afleiding van Fosse: sloot, gracht; bijvoorbeeld in Châtelet (Henegouwen).

Fossen: 1. Zie Vossen. 2. Fosse(n) van Forse, van Fortse, of uit Frans Force ‘versterkte plaats, vesting’. Of de ui de voornaam Wilgefortis in Wemeldinge?

Fossépré, Fosseprez, Fosséprez: Plaatsnaam.

Fosseur. Beroepsnaam van de graver, van Oudfrans fosser.

Fossi, Fossier, Fossy. Beroepsnaam van de graver, delver.

Fossion, Fossillon, Focillon. Van Faucillon, afleiding van Frans faucille: sikkel. Beroepsnaam. Zie Fauchille.

Fossoul. Plaatsnaam Fosseroulle in Huccorgne (Luik).

Fossum: Noorse familienaam. Plaatsnaam Fossum in Soknedal.

Fosté, Falsté, Vosté, Voste: Waarschijnlijk van Fossetet, afleiding van Fosset.

Fostier, Fostiers, Fostiez, Fostié, Fostie, Fosty, Vostier: Beroepsnaam. Frans fossetier: graver, delver.

Föteler, Foeteler: Misschien gerond van Fedler: vedelaar.

Fouad Abd El Aal. Egyptische naam, Fouad; koning van Egypte, abd; slaaf, El Aal; God.

Fourmarier, Foumarier. Oudfrans formarié: iemand die een formariage gesloten heeft, dat is Latijn foris maritagium, huwelijk met een horige van een andere heer.

Fouarge, Fouage. Oudluiks, li fwadje: smidse. Vergelijk Faverge.

Fouassier, Fouassin: Beroepsnaam: bakker van haardkoeken. Zie Fouache.

Fouache. Frans fouace: haardkoek, askoek. Bijnaam voor een bakker van zulke koeken.

Fouant. Bijnaam. Oudfrans fouan; mol. Vergelijk De Mol.

Fouard, Fouat, Fouyat, Fouya, Fuyat, Fuya: 1. Afleiding van fouer: graven. Beroepsnaam. 2. Frans foyard: beuk.

Foucaud, Foucault, Foucaut, Foco, Fourcault: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam fulk-wald: Fulcaudus.

Foucher, Fouchier, Fouché, Foussier, Foesier, Focquier: Vadersnaam. Frans/ Picardische vorm van Germaanse voornaam Volker.

De Fouschier: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Volker: fulk-hari ‘volk-leger’.

Foucoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam fulk-wulf: Folculfus.

Foudelman. Wellicht van Duits Vodermann: hij die voedert.

Fourdin, Fourdain, Fordijn, Fordeyn, Fordyn. Vadersnaam uit een Germaanse froth-naam. 

Fougère, Faugère: Plaatsnaam Fougère: varen.

Founie, Fougnies. Plaatsnaam Foigny, Aisne.

Foulon, Foulont, Foullon, Folon, Follong, Follon, Lefoulon: Beroepsnaam. Frans foulon: volder, voiler.

Fourbisseur, Forbiseur: Beroepsnaam van de zwaardveger. Vergelijk Swertvaeger.

Fourcart. Variant van Foucart met epenthetische r.

Fourcroy, Fourcroye, Fourcroix, Fourcroi, Fourquoy. Plaatsnaam Fourcrois in Blandain (Henegouwen), Fourcroy in Conteville en Wancourt (Pas-de-Calais)

Fourdin, Fourdain, Fordijn, Fordeyn, Fordyn: Vadersnaam. Klankverandering van Frodinus, afleiding van Germaanse frôth-naam 'vroed, wijs'. Vergelijk Fourment.

Fourdinier, Fourdrinier, Fourdrignier, Fourdigniez, Fourdriniez: Plaatsnaam Fourdinier: pruimenboom.

Fourdrain, Fourdaine: Plaatsnaam Fourdrain (Aisne).

Foureau, Foureaux, Fouriau, Forro, Fourreaux, Furaux, Fourre: Oudfrans forel: bos, woud; vergelijk Duforeeuw.

Fourie, Fourier, Foury, Fourrier, Foerie, Foerier, Foriers, Forier, Foriez, Forrier, Forys, Fory, Fourier, Forir. 1. Naam uit het Middelnederlandse fourrier: foerier, beamte die belast was met de zorg voor ligging en slaapplaatsen in het kasteel. Beroepsnaam. 2. Beroepsnaam van de stoffeerder die zitting en ruggen van meubels opvult. 

Fourfooz. Plaatsnaam Furfooz, Namen.

Fourleignie, Fourleignie, Fourleignies, Fourlinnie: Bijnaam voor een ontaarde, van Oudfranse werkwoord forligner: afwijken van de voorvaderlijke deugden.

Fourmestraux, de, Fourmentreau, Fourmentraux, Fourmaintraux, Fourmantrauw, Fourmantrau, Fourmantrouw, Formantrouw, Voermantrouw: Plaatsnaam Fourmestraux (Nord).

Fourmoi, Fourmois, Fourmoy. Picardisch fourmoi; houtbijtel. Beroepsnaam.

Fourmy. 1. Frans fourmi: mier. Bijnaam voor een vlijtig mens. Vergelijk Miere, Duits Ameis. 2. Eventueel plaatsnaam Fourmies (Nord). 3. Variant van Fourmier = Fournier.

Fournage, Fournaise: Oudfrans fornage: oven, fornuis. Beroepsnaam van bakker of kok. Vergelijk Fornasier.

Fournel, Fournell, Fournelle, Fournal, Furnelle, Fourneau, Fournaux, Fourneaux, Ferneeuw, Fernoo, De Fornel, Defourneaux, Fourmeau, Fourmeaux, Fourmau, Fourmaux, Fourmaut, Formeau, Forno, Furno. Naam uit het Oudfranse fornel, Frans fourneau: oven. Beroepsbijnaam van de bakker. Mogelijk ook van de potten- of tegelbakker. 

Fourner, Forner: Variant van Fournier of spellingvariant van Fournet.

Fournet, Fournez, Fornet, Formet: Oudfrans fournet: oven. Beroepsnaam.

Fournie, Fournier, Fourniez, Fournié, Fourny, Fourni, Fourgny, Foursny, Fornier, Forni, Furniere, Furnier, Furnière, Fourmier: Oudfrans fournier, afleiding van four ‘oven’. Beroepsnaam van iemand die een oven heeft, bakker. Ook beroepsnaam van de ovenbouwer:

Fourni, Fournil, Fourny. Frans fournil; ovenhuis, bakhuis.

Fourniret, Fourneyron: afleiding van Fournier.

Fournival. Plaatsnaam. Oise.

Fourquin. Vadersnaam. Afleiding van een oude Germaanse voornaam zoals Formarus, Formundus.

Fourré, Fourrez, Fourrey, Fouret, Fourez, Fouré: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam fulk-rêd 'volk-raad': Ful(c)radus, Folradus.

Fouss, Fousse. Waarschijnlijk spelling van Duits Fuss; voet.

Foutre. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam wald-rêd 'heerser-raad': Waldradus.

Foutrel. Plaatsnaam Fourreau, Seine-Mar.

Foutrin, Foutrein, Foutren, Foutreijn. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Wouter. Vergelijk Wautrin, Feytens.

Fouw, (de): familienaam Defauw, de Fauw, van Defau, Dufaux. Plaatsnaam. Oudfrans fou, fau, Waalse faw van Latijnse fagus ‘beuk’.

Fouwé. 1. Oudfrans fouet (met glijder w), van Oudfrans fou, fau: beuk, van beukentwijgje, zweep. 2. Oudfrans foee, Frans fouée (van feu): brandstapel, houtstapel, bos brandhout (vergelijk Fagot). Of Oudfrans foee: het graven, sloot, heerlijk recht (op werk in de wijngaard).

Fouwels. Wellicht Engelse familienaam Fowls, Fowells; Vogels.

Fovet, Fové, Fouvez, Fauvet, Fauvette, Fauvet. Bijnaam uit fauve: rosachtig, vaalkleurig.

Fouyon. Luiks-Waals foyon; mol. Bijnaam.

Foy, Fooy, Fooij: 1. Oudfrans foie: lever. Vergelijk Duits Leber. Bijnaam voor een slager? 2. Middelnederlands fooye, foy(e), voye: reis, weg, tocht. 3. Variant van Foix.

Fraboni. Italiaanse beroepsnaam van Frabroni, afleiding van Fabro; smid.

Fraassen, (van): Plaatsnaam Frassem in Bonnert (provincie Luxemburg), Fransum (Groningen) of veeleer Vrasene (Oost-Vlaanderen).

Fraayenhove, van Fraaijenhove, van Fraaijenhoven, van Fraeijenhove: Uit van Froyenhove(n). Plaatsnaam Vroonhof, Vroenhof ‘herenhof’.

Fradciewicz, Frachowicz, Frackowiack, Frackowiak: Vadersnaam. Poolse afleiding van heiligennaam Franciscus.

Frade, de. Hypercorrect voor De Fraeye.

Fraenen, van der. Oost-Vlaamse familienaam. Vermoedelijk vertaling van Dufrane (Henegouwen).

Fraey, de, Fraeye, de, de Fraije, Fraeuje, de Fray, Fraye, Fraeye, Fraeije, (de) Fraeys, Fraeijs, Freys, (de) Vray, de Vraij, Vraie, Vrais. Bijnaam uit het Middelnederlandse fra(e)y, vra(e)y: waar, oprecht, flink, mooi, pronkerig, behaagziek. 

Fraeybaert. Bijnaam voor iemand met fraaie, mooie baard. Vergelijk Schoonbaert.

Fraeyman, Frayman, Fraeijman, Fraijman, Freyman, Froeyman, Froyman: Afleiding van De Fraeye

Fragnière, Freni, Frenier, Frenière: Plaatsnaam Frainière (Namen): essenbos. Vergelijk Fraigneux.

Fraichefond. Plaatsnaam Fraichefont: frisse bron. Vergelijk Duits Kaltenbrunn.

Fraiermauer, Frajermauer: Waarschijnlijk van Freimeier: bewoner van een vrijhof.

Fraikin, Fraiquin, Fréquin, Friquin. 1. Bijnaam afgeleid uit De Fraeye. Zie verder bij Fraey(e) De. 2. Vadersnaam uit een Germaanse frith-naam als Vrederik. 

Fraineux, Fraisneux, Fraigneux: Plaatsnaam Fraineux in Nandrin, La Reid, Yernée (Luik): essenbos.

Fraipont, de, Fraipon, Fraiponts, Freypons, Frépont, Fripont, Fripons, Fripon, Frimpong, Frempong: Plaatsnaam Fraipont (Luik).

Fraiture, Fraiteur, Frateur, Fretteur, Freteur, Defraiture, Defraiteur, Defrétur. Familienaam uit de plaatsnaam Fraiture (Luxemburg, Luik), dit uit het Latijnse fractura: braak(land).

Frajdenrajch, Fraidenraich, Frajderajh, Fraideraih. Duits Freudenreich: rijkaan vreugde.

Frambach, Frambachs, Franback, Framba. Duitse reïnterpretatie van Waals frambâhe: framboos, blauwe bosbes.

Frammery, Frambry, Fremery, Framerée: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van germaanse voornaam fram-rîk 'moedig-heersend'. 2. Eventueel plaatsnaam Frameries (Henegouwen).

Frammont. Variant van Fromont of Froment.

Francella: Moedersnaam. Vrouwelijke vorm van Italiaans Francello, verkleinvorm van de voornaam Francesco, van Franciscus.

Franchier, Franhier, Francher: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam frank-hari 'vrij-leger': Francherius.

Francaux. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Franco.

Franchimont: Plaatsnaam Franchimont (Namen) en in Theux (Provincie Luik).

Francesco, Francisco, Francescato, Francescatto, Francescone, Francescon, Francesconi, Franceschi, Franceschini, Franceschin, Franceschino: Vadersnaam. Italaainse vorm en afleiding van heiligennaam Franciscus. Italiaans Francesco: Fransman.

Franchimont. Plaatsnaam, Namen en in Theux, Luik.

Franchini, Franchin, Franchino, Franchioly, Franchitti. Vadersnaam. Italiaanse afleiding van Germaanse voornaam Franco.

Francissej: Vadersnaam. Vervorming van een of andere vorm van de voornaam Franciscus.

Franco: Vadersnaam. Latijnse, Italiaanse, Spaanse of Portugese vorm van de Germaanse voornaam Frank, Vrank. Of spelling van Frans Francot, vleivorm van de Germaanse voornaam Frank.

Franckson, Franckçon, Frankson, Francson: Vadersnaam. Zoon van Frank, Germaanse voornaam Franco: Vrank. Vergelijk Duits Frankensohn. Of Romaanse afleiding op -eçon:

Franclemont, Frankelemont, Franckelemon, Franklemon: Plaatsnaam. Misschien van Franchimont of Francemont in Lambermont (Luik).

Franco, Francot, Francotte, Francotay, Frango, Frangot: Vadersnaam. Franse vleivormen van Germaanse voornaam Frank.

François, Francoisse, Francoise, Francoy, Fransooijs, Fransoo, Franso, Franzo, Francoys, Fransoey, Françoise, Françoys, Francooy, Francoil, Franchois, Francoo, Francooijs, Fransois, Fransooi, Defrançois, Francis, Francisse, Francisse, Fransis, Frantzes, Frantzis, Franceus, Franceux, Françus, Franssus, Franssema: Vadersnaam. Franse vorm François van de heiligennaam Franciscus, met de betekenis ‘le François, le Français, de Frank, de Fransman’.

Francon, Françon: Vadersnaam Francon, van Franconem, verbogen vorm van Germaanse voornaam Franco.

Francus, Franki, Frankie, Frans, Franckie, Francqui, Franqui, Franchi, Franci. Vadersnaam, de Latijnse vorm van de voornaam Frank (zie daar). 

Francoul, Francou, Francout, Froncoux: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van germaanse voornaam frank-wulf; 'vrij-wolf of vleivorm op -oui van Frank. 2. Plaatsnaam Francourtin, Geldenaken (Waals-Brabant)

Francus, Franki, Frankie, Franckie, Francqui, Franqui, Franchi, Franci, Frangi: Vadersnaam. Latinisering (en afleiding -i) van Germaanse voornaam Franco, Frank.

Franeaux, franaeu, Franiau, Franiaux, Franneau, Fragnaud, Fragniaux, Fragneau, Fragnay, Frasnay, Frenay, Frenaij, Fresneau: Afleiding op -el, Frans -eau, Picardisch-iau, Luiks-Waals -ay van Frans frêne: es. Vergelijk Dufrêne.

Franek: Vadersnaam. Tsjechische vorm Fran?ek, van de voornaam Frank, Franciscus.

Franje, Fraanje, Freijne, Freen: Nederlands spelling voor Fragne, Frêne, van Defragne, Dufragne, Dufraigne, Dufrègne, Defrène, de Frene, de Freijne. Plaatsnaam Oudfrans fraisne, Frans frêne ‘es’.

Frank, Franke, Franken, Frankenne, Frankema, Frenken, Franck, Franc, Franckh, Francken, Francke, Francque, Frencken, Frenck, Frenk, Frenks, Frenk, Frinke, Frinken, Francq, Francque, Franque, Francquen, Franko, Franco, Franckx, Francks, Franks, Francs, Francx, Franx, Vrancken, Vranckenne, Vranken, Vranckx, Vranck, vrancx, Vranx, Vranchx, Vrans, Vrencken, Vrenken,Vrinck, Wrincq: Vadersnaam. Germaanse voornaam Franco, volksnaam van de Franken/Vranken ‘de vrijen, de stoutmoedigen’. Nederlands Vrank.

Frank, van; van Francken: 1. Plaatsnaam Franck in Welkenraedt (Luxemburg). 2. Streeknaam Franken (Beieren).

Frankaert, Frankar, Franckaert: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Franco; zie Frank.

Frankel, Frankl, Fränkel, Fraenke, Frenke, Frenkiel: Vadersnaam. Afleiding van Frank.

Frankaert, Frankaerts, Francard, Francar, Franca, Francort, Franckaerts, Franckaert, Franckard, Frankart, Frankart, Franchard, Francard, Fransaerts, Fransaert, Francart, Francart, Franqaert, Franqaer, Vranckaerts, Vranckaert, Vrankaert, Vrancaert: Afleiding van Germaanse voornaam Franco, Vrank. Fransaert is de Vlaamse aanpassing van Franchard. In de 18de eeuw werd ook de naam Frossar(d) (waarschijnlijk van Froissard) als Fransaer(t) geherinterpreteerd. Maar Frossaert kan net zo goed van Fronsaert = Fransaert zijn ontstaan. Zie ook Franquet.

Frankenberg. Verspreide Duitse plaatsnaam, onder meer in Aken.

Frankenthal, Frankental. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Frankehout: Plaatsnaam? Wellicht volksetymologisch voor Frankoud, Vrankoud, van Germaanse voornaam frank-wald.

Frankenhuis, van Frankenhuijsen, Frankhuisen: Plaatsnaam 1381 Frankenhuys bij Saasveld (Overijssel) 1381 Vrankenhuys bij Eibergen (Gelderland) Of Frankhuis in Zwolle Overijssel.

Frankignoulle, Frankignoul, Frankinoulle, Frankinouille, Franckinioulle, Frankinioulle, Franquignoul, Franquenoul: Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse voornaam Frank.

Frankin, Franckinet, Frankinet, Franquinet, Franquin, Franquien: Vadersnaam. Vleivormen van de Germaanse voornaam Franco, Vrank.

Frank, Franke, Franken, Frankenne, Franck, Franc, Franckh, Francke, Franckn, Frencken, Frencken, Frinke, Frinken, Francq, Francque, Franque, Francquen, Franko, Franco, Franckx, Francks, Franks, Francs, Francx, Franx, Vrancken, Vranckenne, Vranken, Vranckx, Vranck, Vrancx, Vranx, Vranchx, Vrans, Vrencken, Vrenken, Vrinck, Wrincq. Vadersnaam van de Germaanse voornaam Franco, volksnaam van de Franken (de vrijen, de stoutmoedige). 

Frankevijlle, Frankevijle: Plaatsnaam Franqueville (Aisne, Eure, Somme).

Franklin, Francklin. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Frank.

Frankvort, Frankefort, Frankfurter: Plaatsnaam Frankfort, Duits Frankfurt am Main of Frankfurt an der Oder.

Frankreter. Duits Frankenreiter, van plaatsnaam Frankenreuth (Beieren( Frankenreute (Duitsland).

Frankrijker, de, Fransman, van Frankrijk.

Franquet, Franqué, Francket, Franket, Francqué, Fransquet, Fransket, Francet, Frances, Frances, Francé, Franshet, Franchet, Franchetti, Froncquet, Fronquet, Fronket: Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse voornaam Franko, Vrank.

Franqueville, Francq)ville, Francqueville, Franckeville, Francville, Frankeveyele, Frankevyle, Frankevijle, Francavilla: Plaatsnaam Franqueville (Aisne, Eure, Somme).

Franquien. 1. Plaatsnaam Franquien in Wannebecq, Wannebeek (Henegouwen) .2. Eventueel variant van Frankin.

Frans, Franse, Fransche, Fransens, Fransen, Franssens, Franssen, Franses, Fransing, France, Francen, Francenne, Frache, Frach, Fransck, Franz, Franze, Franzen, Frantzen, Frantz, Frandsen, Frantsen, Fraenz, Frensch, Frens, Frenssen, Frensen, Frenzen: Vadersnaam. Vernederlandste korte vorm van de voornaam François, Franciscus.

Franskin, Fransquin. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Frans.

Fransman. 1. Naam van de Fransman. 2. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Frans.

Fransolet, Franzolet: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam François.

Franson, Frasson. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam François.

Franzin. Wellicht Waalse uitspraak van Duits Franzen.

Franzl, Franzil, Frentzel, Frenzel: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Franz.

Frapper, Frapier. Oudfrans frapier: lawaai, drukte. Bijnaam voor een lawaaimaker.

Frapart, Frappart, Frappas, Frappat: Afleiding van Frans frapper: slaan, kloppen.

Frappez, Frappet, afleiding van Oudfrans frap: slag, stoot. Bijnaam.

Fraselle, Frasselle, Frazelle, Frizelle: Zoals Franse familiemaam Fresel(le), Frezel van Oudfrans fresel(e): franje, versiering, lint, galon. Bijnaam of beroepsnaam.

Fraser: Schotse uit Normandië afkomstige familienaam.

Frass, Frasse, Fraas, Fraats, Frahs, Fras: Duitse familienaam Frass, Bijnaam. Middenhoogduits vräss, Duits Frass: veelvraat, vreter.

Frater, Fraters, Fraeters: Brabantse uitspraak van Fr(e)yters.

Fraueberg, Frauenberger. Verspreide Duitse plaatsnaam Frauenberg.

Frauenfelder: Afleiding van de frequente Duitse plaatsnaam Frauenfeld.

Frauenhofer. Verspreide Duitse plaatsnaam Frauenhofen, vaak van Fro(h)nhofen; vroonhof.

Frauenkrone. Duitse bijnaam; vrouwenkroon.

Frauenrath. Duitse plaatsnaam.

Frauman. Reïnterpretatie van Fraymann of Vromant.

Frayssignes. Plaatsnaam Fressignes (Creuse) of Frayssinhes (Aveyron, Lot), van Latijn. fraxinea, Frans frênaie: essenbos.

Frebourg. Plaatsnaam Fribourg, Franse naam van Freiburg im Breisgau of Freiburg im Ùchtland (Zwitserland). Eventueel Freiburg in Lotharingen.

Frébute, Frébutte, Frebutte: Oud-Luxemburg Waals vribute, zoals Frans flibustier, van Middelnederlands vributer: vrijbuiter, straatrover.

Freché, Freches, Frechet, Frechette, Fréché, e Fréchet, Frêches, Frehé: 1. Plaatsnaam Frèchè in Bioul (Namen) van Waals frè(c)h van Germaans frisk, Middelnederlands versch: vochtig. 2. Of veeleer variant van Fri(s)quet/Frichet. Bijnaam voor een fris, levendig, levenslustig mens.

Frechen. Plaatsnaam Frechen, Duitsland.

Frechier. Plaatsnaam Frèchî: moerassige plaats, in Cerfontaine (Namen), Jamioulx (Henegouwen).

Frechkop. Verwaalsing van Duits Frischkopf. Bijnaam voor iemand met een helder, fris hoofd.

Freckwinkel. Plaatsnaam in Königswinter (Duitsland).

Frecourt, Friscourt: Plaatsnaam Frécourt (Hte-Saône) of Frecourt (Luxemburg).

Frederiks, Frederiksen, Frederikse, Freriks, Fridericks, Frederix, Frederyck, Frederi, Frederickx, Frederik, Frederi, Frederricks, Frederic, Fredericq, Frederirique, Frederico, Frederici, Freder -ricy, Fréderix, Frédéric, Frédérich, Frédéri, Frédéricq, Frédéricx, Frédéririex, Frederiksen, Fredriksen, Frederikson, Frederikssons, Fredich, Fredichson, Fryderyk, Frydryck, Frydrak, Freriks, Frerichs, Freerickx: Vadersnaam. Germaanse voornaam frith-rîk ‘vrede-machtig’. Een Zeeuws geslacht Frederiks stamt af van †1792 Johann Samuel Friedrichs uit Merseburg en liet zich in 1811 Frederiks noemen. Freerkszen; zoon van Freerk.

Free, Frée: Deze familienaam alleen in Antwerpen (lox). Eengelse familienaam Free: vrij?

Freeke: Vadersnaam. Roepnaam bij de voornaam Frederik.

Freekenhorst: Plaatsnaam, samengesteld met horst ‘begroeide hoogte, kreupelhout’.

Freeling. Engelse equivalent van Vrielinck.

Freeman: Engels familienaam ‘vrij man’. Vergelijk Freiman.

Freest, de, Defreyst, Defryst, Defrijst: Samengetrokken van De Foreest/Duforest? Of variant van De Vreest = De Vreese? Vergelijk Fryst.

Fregeres: Fregères, van Frans Frugières, plaatsnaam (Haute-Loire).

Frehen, Vrehen. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Frederik (Frithu-rik).

Freher: Wellicht hypercorrecte spelling voor Freer, van voornaam Frederik.

Fréhis, Fréhisse, Frehis, Frehisse: Plaatsnaam Frehisse in Queue-du-Bois (Luik). Van Waals frèch: vochtig, van Oudnederlands frisk: vers, fris.

Frei, Freye, Frey, Freij, Frej, Fry, Frye. Duitse familienaam uit frei: vrij. Bijnaam die zowel "vrijgeboren" als "zorgeloos" kan betekenen. 

Freiermuth. Freimuth. Duitse bijnaam Freier Mut. Bijnaam voor een vrijmoedige.

Freiberg, Freyberg, Friberg: Plaatsnaam (Beieren).

Freidt, Freid, Freyt: Vadersnaam van Godefreid: Godefroid.

Freifeld. Duitse plaatsnaam.

Freiheit. Duitse plaatsnaam.

Freihoff. Plaatsnaam Freihof in Stödtlen (Baden-Wurtemberg) en Büchlberg (Beieren).

Freilich, Frajlich, Frajlick, Fraylich, Freylich, Frejlich: Bijnaam voor iemand die vrij en ongehinderd is, vrijelijk leeft.

Freilinger, Freyling, Freylinger: Duits Freiling, pendant van Vrielinc.

Freiman, Frijman, Freyman, Freymann, Frayman, Fraymann, Frajman, Friman, Frimann, Frieman: Duits Freimann, Freier Mann ‘vrije man, niet-horige’. Vergelijk Freeman.

Freitag, Freytag, Freijtag. Duitse familienaam naar de weekdag vrijdag. Bijnaam of vondelingennaam.

Frel, de: Uit Frans Duforel, Duforeau, variant van Duforêt, Deforêt ‘van den Bos’. Oudfrans forel, verkleinvorm van Oudfrans forest ‘bos, woud’.

Frelier: Met r-invoeging uit Felier, van Filier. Beroepsnaam van de spinner. Afleiding van Frans file ‘spinnen’.

Freling, Frelin, Frelink, Frelinckx, Frelinex, Frelinx, Frelik, Vadersnaam. Afleiding van Germaanse Vrede-naam, zoals Frederik.

Framault, Fremaul, Frémal, Frémalle, Frémolle, Fremolle, Fremaut, Frémaut, Fremaux, Fremau, Fremeaux, Fremeau, Frémeaux, Fromeau, Fremat, Frema, Frémat, Frimât, Fremout, Frimaut, Frimout, Fremouw, Fermaut, Vermout: Vadersnaam. Romaanse vormen en Vlaamse aanpassings ervan, van Germaanse voornaam frum-wald 'nut-heerser': Frumold, Fromoldus, Fromout, Vromaut.

Fremersdorff. Plaatsnaam Fremersdorf (Duitsland).

Fremerij: Fremery, variant van Frammery. 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam fram-rîk ‘moedig-heersend’. 2. Eventueel plaatsnaam Frameries (Henegouwen).

Frémicourt. Plaatsnaam Frémicourt (Pas-de-Calais).

Fremineur, Frémineur: Frans frère-mineur: minderbroeder. Bijnaam. Middelnederlands fremineur.

Frémon, Frémont, Frimont, Frimonts, Fremond: 1. Plaatsnaam Frémont in Harsin (Luxemburg) van froid mont: koude berg. 2. Zie Fremund.

Fremund, Fremond, Frémon, Frémont, Fraimund, Frimonts, Frimont: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam frith-mund Vrede-bescherming': Fri(du)mundus. Zie ook Fermont. 2. Zie Frémont.

Fremouw, Frima: Aanpassing van Fremaul(t), Fromeau. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam frum-wald ‘nut-heerser’: Fumold, Fromoldus, Frolmout, Vromaut.

Fremy, Frémy, Fremie: Variant (Luik) van Premier, Romaanse vorm van Germaanse voornaam fram-hari: Framerius.

Frenaai: Plaatsnaam Frênaie, van Latijnse fraxinetum ‘essenbos’.

Frenchum. Misschien variant van Franchomme.

Frendag. Variant (met epenthetische n) van Nederduits Friedag: vrijdag. Vergelijk dialect vrindag.

Frennet, Frenet, Frainet. 1. Afleiding van frêne: es. Franstalige variant van Van Es. Zie bij Esse. 2. Schrijfvariant van Frênaie: zie bij Dufrenov.

Frensdorff: Duitse plaatsnaam Frensdorf (Beieren, Nedersaksen).

Frérar, Frérard, Frerar, Frerart: 1. Vadersnaam. Afleiding van Fréry, Romaanse vorm van Germaanse voornaam Vrederik. 2. Afleiding van Frans frère: broer.

Frere De, Defrere, Defrère, Defraire, Desfrère, Frères, Frère, de, Lefrère, Fraire. 1. Naam uit het Franse frère: kloosterbroeder, minderbroeder, broer. 2. Uit de Romaanse vorm van de Limburgse plaatsnaam Vreren. 

Frèrejean, Fréjean: Bijnaam + vadersnaam. Broer/Broeder Jan.

Fréret, Fréres, Fraré, Frare: afleiding van frère: broer.

Frérot, Frérot, Frérotte: 1. Frérot, afleiding van frère: broer. 2. Vadersnaam. Afleiding van Fréry.

Fréry, Fréry, Fréri, Frérie, Fréderie: Vadersnaam. Romaanse vorm van germaanse voornaam Vrederik, Frederik.

Fresard, Frésart, Fressart, Frissard, Frissart, Frissaer: Vadersnaam. Afleiding van Fré(déric)

Freschel, Freichel, Freichels: Duitse bijnaam Frechel, Frechle, afleiding van frech: levendig, moedig, durvend.

Frésinaux, Frésinaut, Frésina, Frecinaux: Plaatsnaam Frèhinia, Waalse vorm van Klein-Vorsen in Montenaken (Limburg), afleiding van Fresin, Nederlands Vorsen.

Frésing. Plaatsnaam Friesing (Beieren, Stiermarken).

Fréson, Freson, Fraison, Frésom, Fresson, Fersons, Ferson, Frécon, Frechon: Bijnaam. Afleiding op -eçon van Frans frère, Waals fré: broer. Waals fréçon: kameraad.

Fret: Verkleining van Foret; zie Forée.

Fréter. Nederduitse bijnaam, Nederlands vreter, Duits Presser.

Freudenberg, Freudberg, Frajdenberg: Plaatsnaam Freudenberg (als in Beieren).

Freundt, Freund, Frajnt, Frunt: Duitse bijnaam Freund: vriend.

Freundlich, Freindlich. Duitse bijnaam; vriendelijk.

Freusberg: Re-interpretatie van de Plaatsnaam Freusburg (Rijnland-Palts).

Frevelshausen. Plaatsnaam Frebershausen, Duitsland.

Freij, Freië, Frije: Bijnaam. Duitse Frei ‘vrij’

Freydiger. Duitse familienaam Freidiger, van Middenhoogduits vredic: (over)moedig, trouweloze, misdadiger.

Freysen: Vadersnaam. Uit Vreysen, van Lavreysen, Laureisen. Zoon van Laureis, Laurens, Laurentius.

Freijser, Freijzer, Frijser, Freyser, Freyzer: Duitse familienaam Freiser ‘woesteling’.

Freyters, Frijters, Fryters: 1. Beroepsnaam. Afleiding van Middelnederlands friten, froyten: roosteren, braden, fruiten. 2. Variant van Fruyter, zie Fruitier.

Frezin, Fresin, Fréchin: 1. Plaatsnaam Fresin, Franse vorm van Vorsen (Limburg). 2. Variant op -in van Oudfrans fresel: franje, galon, lint.

Friant, Friand. Bijnaam uit het Oudfranse friant: levendig, gulzig, vurig. 

Friart, Friar, Friard, Friat, frias, Friadt, Fréard, Fréart, Freart: Vadersnaam Romaanse vorm van Germaanse voornaam Fridohart.

Frich, Friche. 1. Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse voornaam Frederik. Vergelijk Frick. 2. Plaatsnaam. Oudfrans fresche, Middenfrans friche van Germaans frisk, Middelnederlands versch: braakland.

Frick, Ericke, Ericq, Fric, Frikx, Frik, Fricq, Frix, Frieg, Frique, Frich, Friche, Fricot, Frigo, Frécot, Vadersnaam, verkorte vorm van de Germaanse voornaam Frederik (frithu+rik). 

Frickel, Frickele, Frickelo: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Frederik, Duits Frick.

Fricker. 1. Vadersnaam. Afleiding van Frick. 2. Afleiding van plaatsnaam Frick (Aargau).

Fricot, Frigo, Frécot: Vadersnaam. Romaanse verkleinvorm van Germaanse voornaam Fricco, bakervorm van Frederik, Vrederik.

Frie: Nederlands spelling van Engels Free ‘vrij’.

Fried, Freidr, Friet, Frieden, Friede, Frid, Frit, Fritte,, Frite: Vadersnaam. Duitse korte vormen van een Fried-naam, zoals Friedrich of Gottfried.

Friederichs, Friedrichs, Friedrich, Friederichsen, Frydrych, Friedenreich: Vadersnaam. Duitse vorm van de Germaanse voornaam Frederik.

Friedberg, Friedberger. Fridenbergs. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Friedhoff, Friedhofen. Duitse plaatsnaam Friedhof; omheinde hof, van kerkhof.

Friedland, Friedlander, Friedländer, Friedlender, Fridlender, Frydland, Friland: Plaatsnaam Friedland (Duitsland).

Friedlich. Bijnaam voor iemand met vreedzaam karakter? Of reïnterpretatie van Friedrich?

Friedlingstein. Duitse plaatsnaam.

Friedman, Friedmann, Frydman, Fridmann, Fridman: Vadersnaam. Germaanse voornaam frith-man 'vrede-man': Vredeman.

Frières. Plaatsnaam Prières (Aisne).

Fries, de. De klankwettige Nederlandse vorm voor de Fries (van Friesland) is De Vries(e). Daarom: De Fries vermoedelijk van Défrise.

Friesen, Friese, Fries, Fris, Frist, Fryst, Frys, Frijsen, Friesema: Vadersnaam. Germaanse voornaam Friso ‘Fries, Vries’. Of gewoon de volksnaam van de Fries. Duits Friese.

Friesewinkel. Plaatsnaam in Büsum en Westerdeichstrich (Duitsland).

Frigne. Wellicht korte vorm van Defraigne.

Frikkee: Nederlandse spelling van de Frans familienaam Friquet, van Frisquet. Bijnaam. Middelfrans frisquet ‘levendig, opgewekt’, verkleinvorm van Oudfrans frique, frische, van Oudnederlands, dat is Middelnederlands frisch.

Friling, Frieling: 1. Vadersnaam. Duitse afleiding van Germaanse voornaam Frederik; -ing-afleiding van Frilo, Friedilo. 2. Middelnederlands vrilink: vrij man. Vergelijk Vrielinck.

Frints. Duitse vadersnaam Frinz, van heiligennaam Severinus.

Frinzel. Vadersnaam. Afleiding van Frinz, van Severinus.

Friob. Ontronde vorm van Nederduits fruh op: vroeg op. Bijnaam voor iemand die vroeg opstaat. Vergelijk Fruhauf.

Friskorn: Duitse familienaam Frischkorn, voor een graanteler of korenkoopman.

Frion. Oudfrans frion: groenvink, kneu. Bijnaam.

Frison, Frisone, Fryson, Friesson, Frisson, Frisan, Friso, Fritzson. 1. Naam uit het Franse Frison: de Fries. 2. Vadersnaam uit de Franse vorm van de Germaanse voornaam Friso. Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinvorm ook als Frieske en Vrieske, is een oud-Germaanse mannenvoornaam, die ook thans nog wel in gebruik is en dan nog meest in Friesland. Behalve Frisia zijn van deze naam nog de volgende vadersnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, Friesma, Vriesema, Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en Frese, benevens het verlatijnste Fresenius, dat oorspronkelijk de vadersnaam Fresen is.

Frippiat, Fripiat, Frupiat: Waalse afleiding van Frans fripier: oudekleerkoper.

Frisch, Frisz, Frysz, Frischen, Frische, Frisschen, Frischmann, Frischman, Friszman: 1. Vadersnaam. Duitse korte vorm en afliding van Germaanse voornaam Friedrich. 2. Frisch kan spellingvariant zijn van Fris; zie Friesen. 3. Bijnaam Fris, Middelnederlands en Duits frisch: fris, levendig, monter. Vergelijk Frisque, Frisquet.

Frischer. Duitse beroepsnaam: die het ruwe ijzer tot staven verwerkt

Frise, Frize: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Friso.

Frisée, Frisee, Frisaye, Frésé, Fresé, Fresez: Plaatsnaam Frisée in Schaltin (Namen).

Frising. 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Friso 'Pries'. Vergelijk Friese familienaam Friesinga. 2. Plaatsnaam Friesing (Beieren).

Frisof: Aanpassing van Duitse familienaam Frischauf, Bijnaamvoor iemand die fris opstaat; vergelijk Duits Frühauf voor iemand die vroeg opstaat.

Frison, Frisone, Fryson, Friesson, Frisson, Frisan, Friso, Fritzson: 1. Frans Frison: Pries. Vergelijk De Vrieze. 2. Vadersnaam. Franse vorm van Germaanse voornaam Friso 'Pries'.

Frisque, Frique: Bijnaam. Middenfrans frisque: fris, levendig. Vergelijk Frisch 3.

Frisquet, Fresquet, Friquet, Frichet, Friché: Bijnaam. Middenfrans frisquet: levendig, opgewekt. Afleiding van Oudfrans frique, frische (Middelnederlands frisch, Nederlands fris).

Frissyn, Frissijn, Frissen, Frisse: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Friso of van Germmaanse bakernaam Frizzo, van frithu-naam (bijvoorbeeld Frederik, vergelijk Frisschen).

Frist. Variant van Fris of klankverandering van Fritz.

Frits, Fritz, Fretz, Fryckze, Frycz, Fritzsche, Fritsch, Fritsche, Fritsche, Fritschke, Fritschké, Fritzius: Vadersnaam. Duitse afleiding van de Germaanse voornaam Friedrich, Frederik.

Frobel, Frobe, Frebel, Friebel, Friebe: 1. Plaatsnaam Fröbel, van Slavisch vrba: wilg. 2. Slavisch wrobel: mus.

Fröberg: Duits familienaam Frohberg, van plaatsnaam Frohburg (Saksen).

Frocz, Frosz, Froesch, Froes, Froës, Froès, Frois: 1. Frosch, zie hiervoor. 2. Duits Fross, Frohs, dialect variant van Frass.

Froehlich, Frölich, Fröhlich, Frohlich, Frolich: Duitse bijnaam fröhlich: vrolijk.

Froeling, Frôhling, Frühling, Froehlinger, Froeliger: Nederduits Frö(h)ling: vrolijke kerel. Zie ook Froehlich.

Froger, Froget: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam frôd-ger; ‘wijs-speer’.

Frogneux, Frognu, Frongnut, Frognet, Frognier: Bijnaam naar het stuurse karakter.

Fröhling. zie Froeling. Frohman(n): Duitse familienaam van Frommann, Fronmann: 1. Vroonman, horige. 2. Vrome, degelijke man. 3.Voornaam Vroman.

Froidebise, Froidbise. 1. Plaatsnaam Froidebise: koude wind, een plaats die aan de noordenwind blootgesteld is; in Amay, Hoei, Borgworm (Luik), Andenne, Floreffe, St-Servais (Namen), Leuze (Henegouwen). 2. Zonder voorzetsel wellicht een bijnaam voor iemand met een koud karakter. Vergelijk Duits Kaltwetter.

Froidecoeur, Froudcoeur. Bijnaam voor een koel, ongevoelig mens, koel van hart. Of van Froidcourt?

Froideville, Froidville. Plaatsnaam Froidville in Stavelot en Rahier (Luik).

Froidart, Froidar. Variant van Foidart, met r- epenthesis.

Froidcourt, de, Fradcourt, Fradcour. Plaatsnaam Froide-Cour in Stoumont (Luik).

Froidevaux. Plaatsnaam Froidvau in Dinant (Namen).

Froidthier, Fradier: Plaatsnaam in Clermont-sur-Berwinne (Luik).

Froissard, Froissart, Frossard, Frouchart, Fruchart, Frutsaert, Froissan, Froisan: Afleiding, respectievelijk tegenwoordig deelwoord van Oudfrans froiss(i)er: breken, van Middelnederlands frotseren: kneuzen, kwetsen, verbrijzelen.

From, Fromm, Frommen, Fromme, Frommert, Frommer, Fromes, Froner, Frumer, Frahm: Duitse bijnaam Fromm, van Middenhoogduits vrum, vrom, zoals Middelnederlands vroom: flink, rechtschapen, braaf. Vergelijk Frohmann, de Vroom.

Fromage, Formage: Beroepsnaam van de kaasmaker of -handelaar.

Froment, Fruman, Fromentin, Fromantin, Fourment, Fourmon, Fourmont, Formont, Forment, Formans, Forman, Ferment, Fourmentin, Fourmantin, Formatin, Formentini, Formentin, Fermentin: 1. Frans froment: tarwe. Door klankverandering: fourment. Beroepsnaam van molenaar of bakker. 2. Reinterpretatie van Fromont.

Fromentau, Fromental, Fromanteau, Fourmentel, Fourmantel, Fermentel, Fermantel, Dufourmantelle, Dufourmantel, Dufourmentelle, Dufourmentel, Duformentelle: 1. Plaatsnaam Froidmanteau in Micheroux (Luik), Buvrinnes, Maulde (Henegouwen), Fromenteau (Côte-d'Or), Le Fromentel in Auchy-au-Bois (Pas-de-Calais). Le Formentelle in Monchy-Lagache en Mons-en-Chaussée (Somme). 2. De vormen zonder du-aanloop kunnen afleidingen zijn van Froment.

Fronsacq, Fromsacq: Plaatsnaam Fronsac (Gironde, Hte-Garonne).

Fronsée, Fromsee, Fronzée, Fronzee: Variant van Francet, afleiding van de voornaam Frank of François.

Front, Fronteau, Frontin, Frontain. Bijnaam. Oudfrans front; voorhoofd.

Fronville, Franvil: Plaatsnaam Fronville (Namen, Hte-Marne).

Frosch, Frosz, Fros, Frusch, Fruch, Vrusch, Froes, Froesch, Fröschel, Fröszel: Duitse bijnaam Frosch ‘kikvors, kikker’. Bijnaam voor iemand die springt? Of naar de huisnaam?

Froyen, Froeyen, Froeijen, Froyman, Freyens, Freyen: 1. Vadersnaam. Korte vorm van een naam die op -froy eindigt, zoals Godefroid. 2. Middelnederlands froy is een oudere variant van Middelnederlands fra(e)y. Zie deFraeye, Fraeyman. 3. Brabants-Limburgse variant van Vroyen. Zie De Vroede.

Froyenhoven, van, van Fraeyenhoven, van Fraeyenhove, van Frayenhove, van Fraevenhoven: Plaatsnaam Vroonhof, Vroenhof: herenhof. Zie Van Vroenhoven.

Froyere, de, Froyer, de, De Froyer van de Fraeyer: die zich mooi maakt, zich oppronkt.

Frucht, Fruchter, Früchter, Frugte: Duitse familienaam: vruchtgebruiker.

Früh, Frih: Duits Früh: vroeg, en dialect ontronde vorm frih. Bijnaam.

Frühauf: Fruhauf, Frieauff: Duitse bijnaam voor iemand die vroeg op is. De vorm met ie is ontrond.

Frühbauer: Duitse bijnaam: boer die vroeg aan het werk gaat.

Frühschulz: Schout die vroeg aan het werk gaat.

Frühwirth: Vroege waard, die vroeg werkt.

Fruit, Fruyt, De Fruydt, Fruijt. Brabantse variant van Froyt: dit is een verkorte vorm van Godfried.

Fruit, de (de) Fruyt, de Fruydt: 1. Beroepsnaam van de fruithandelaar. Vergelijk (de) Fruytier. Maar waarschijnlijk is de niet het Nederlandse lidwoord, maar het Franse voorzetsel de en gaat het om een Frans naam Defruit. 2. Eventueel reïnterpretatie van vadersnaam Fruit.

Fruitema: Vadersnaam. Friese afleiding van een Germaanse voornaam Frudo.

Fruithof, Fruythof: Plaatsnaam Fruithof: fruittuin, boomgaard; in Berchem en Boechout (Antwerpen)

Fruitier, de, Fruytier, Dufruytier, Fruytnier, Fruijtier, de: Beroepsnaam van de fruitverkoper, fruitboer. De fruitier was in de Middeleeuwen ook de beambte die belast was met de zorg voor het fruit voor de vorstelijke of grafelijke tafel, de dessert meester.

Fruitman. Beroepsnaam van de fruithandelaar.

Frulleux, Fruleux. Wellicht variant van Franse familienaam Frileux, met ronding van i > u of l (vergelijk Frupiat). Bijnaam: kouwelijk.

Frumy. Bijnaam Dialect variant van Fourmey; mier.

Fruy. Variant van Froy, van Godefroy.

Frijters: Beroepsnaam. Afleiding van Middelnederlands friten ‘roosteren, braden, fruiten’.

Frylinck, Frijlinck. Variant van Vrielinck of Friling.

Fuchs, Fucks, Fuks, Fucz, Fux, Fuscks: Duits Fuchs: vos.

Fuente. Spaanse plaatsnaam Fuente, van Latijn fons; bron.

Fuger. Middenhoogduits vuoger; die zich voegt, schikt, organiseert.

Führer, Fuehrer, Fuhrer, Furrer, Furre, Fuhrmann, Fuhrman, Fuhrmans, Furman: Duitse beroepsnaam van de voerman.

Fuggle: Duitse bijnaam Füg(e)le, verkleinvorm van Fug, Füge. Middelhoogduits vuoc, vüege ‘aangenaam, passend, behoorlijk, fatsoenlijk’.

Fulbert. Vadersnaam. Germaanse voornaam fulk-berht 'volk-schitterend': Ful(c)bertus.

Fulco, Fulgoni. Vadersnaam. Germaanse voornaam Fulco; Volk.

Fulcra, Fulcran. Vadersnaam. Germaanse voornaam fulk-hrabn 'volk-raaf : Fulcranus.

Füller, Fuller: Duitse beroepsnaam: voiler, volder.

Fülop, Fulop: Hongaarse vadersnaam Fülop: Filip.

Fumal, Fumalle. Plaatsnaam Fumal. Luik.

Fumet. Afleiding van Oudfrans fum; rook, damp. Bijnaam.

Fumier, Fumière, Fumiere, Fumire: Plaatsnaam. Frans fumier: mesthoop, mestvaalt, drekhoop. Of overdrachtelijke bijnaam.

Funk: Duits familienaam Funk(e) ‘vonk’. Bijnaam voor een smid, naar de vonken bij het smeden.

Fund, Funder. Duitse bijnaam voor een vondeling.

Funfschilling. Duitse bijnaam; vijf schellingen (munt).

Furdelle. Bijnaam. Waals furdèle: dwaze streek.

Furet, Furez. Bijnaam. Frans furet; fret, snuffelaar.

Furlan, Fulano, Furlani, Furlanis, Fulanetto, Forlani. Afkomstig van Friuli.

Furnemont, Furnémont: Plaatsnaam Fernelmont in Noville-les-Bois (Namen).

Furnon. Vadersnaam. Korte vorm van Godfurnon.

Fürst, Furst: Duitse bijnaam. Oudhoogduits furisto, Middenhoogduits vurste: de voorste, de eerste, de voornaamste.

Furth, van, Fuhrt, Verforth, Verfort, Verfürth, Verfüürt, Verfuurt, Verfuurden, Vervuurt. Varianten van de veel voorkomende Duitse plaatsnaam Furt(h): voorde, doorwaadbare plaats. De meeste aan de Neder-Rijn. 

Fusillier, Fusilier, Fusulier, Fusiller, Fusillé, Fuzellier, Fuzeiler: Beroepsnaam. Middenfrans fuselier: maker van spillen, klossen, spoelen.

Fuss. Duitse bijnaam Fuss; voet.

Fuster, de. Afleiding van Oudfrans fust: vat, ton, kuip. Beroepsnaam van de kuiper.

Fustin. Afleiding van Oudfrans fust; vat, ton?

Fuykschot: Misschien de waternaam Fuiksloot in Haarlemmerliede (Noord-Holland)

Fukkink, Fokkink. Saksische vadersnaam afgeleid van de voornaam Fokke (Friese verkorting van de Germaanse voornaam folk).

Fusyck. Beroepsnaamvan de fysicus, de arts, geneesheer.

Futer, Futterman: Duits Futter: voeder. Beroepsnaam van de voederaar, voederhandelaar.

Futselaar, Futselaer. Middelnederlands futselare: beuzelaar, knoeier.

Fyen, Fyens, Fijen, Feijns, Feyens, Feyen, Feyenne, Feijens, Feijen, Feyes, Feye, Fey: Moedersnaam van Sofien, afleiding van Griekse heiligennaam Sophia.

Fijma: Vadersnaam. Andere spelling voor Feima, Friese afleiding vanFei. Zie Feij.

Fijn, de, Vijn, du, Ven, Fyn, de: Bijnaam voor wie fijn, keurig, voortreffelijk is.

Fijnaerts, Fynnaert, Fijnaerts, Fijnnaert: 1. Afleiding van Middenenderlands fîjn: voortreffelijk, keurig, edel. 2. Plaatsnaam Fijnaart (Noord-Brabant).

Fijn van Draat: Bijnaam voor een draadtrekker, die fijne draden maakt.

Fijnaut, Fijnout, Fijnhout, Fijnhaut: Uit Finaut, van Fineau, van Finel. Verkleinvorm van Frans fin ‘fijn, geslepen; voortreffelijk, keurig’.

Fijneman: Bijnaam voor iemand die fijn is, zie de Fijn. Vergelijk Duits Feinemann

Fyen, Fyens, Fijen, Fijens, Feyen, Feyens, Feyenne, Feijen, Feijens, Feyes, Fey, Feye. Moedersnaam uit de Griekse naam Sophia.

Fijma: Vadersnaam. Andere spelling voor Feima, Friese afleiding van Fei. Zie Feij.