Verklaring van achternamen K

K.

Kaa, van der; van der Kaaij, van der Caaiy, van der Kaay, Kade, van der, Verkade, Kaymans, Caemans, Cayman, Cayeman, Cayman, Caymant. Plaatsnaam. Middelnederlands ca(e), caeye ‘kaai, kade, lage dijk, aanlegplaats’.

Kaai, Kaye, Kayen, Kai, Fries Kaei. Vleivorm van Klaas, Nicolaas.

Kaag. Familienaam uit de plaatsnaam Kaag, Koog: polder. Afleiding er van is Kaagman.

Kaaks: 1. Middelnederlands cake, caec ‘kaak, kin, wang’. Bijnaam. 2. Middelnederlands cake, caek ‘schandpaal’. Bijnaam voor wie aan de kaak gestaan heeft of voor een gerechtsdienaar.

Kaak. 1. Middelnederlands cake, caec: kaak, kin, wang. Bijnaam naar het lichaamsdeel? 2. Middelnederlands cake, caek: kaak, schandpaal. Bijnaam voor iemand die aan de kaak gestaan heeft of beroepsnaam voor een gerechtsdienaar? 3. Nederduits Kaa(c)k: kok. Beroepsnaam.

Kaal, de Kale, de Cale, Cael. I. Bijnaam voor een kaalhoofdige, een kale. Vergelijk de Caluwe. 2. Kale, Kaal en Cael kunnen ook varianten zijn van Karel.

Kaam, van; van Caem: Plaatsnaam Chaam (Noord-Brabant).

Kaan, Caan: Oudfrans cane ‘wijfje van de eend’. Bijnaam.

Kaandorp, van. Plaatsnaam Kaandorp, bij Heiloo.

Kaar: Wellicht spelling voor de Franse familienaam Cart, verkort uit Ricart, Picardisch vorm van de voornaam Richard.

Kaart, de: Spelling voor Decarte, van plaatsnaam Quartes (Henegouwen) of Quarte in Pont-sur-Sambre (Nord).

Kaas, Kas, Caes, Kees. 1.Beroepsbijnaam van de kaasmaker of kaashandelaar.. 2.Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Nicasius.

Kaashoek. Veldnaam, Zeeland.

Kaaskooper. Beroepsnaam van de kaashandelaar.

Kaastra. Volgens overlevering zou deze geslachtsnaam niets anders zijn dan een quasi-verhollandsching van de geslachtsnaam Keestra; even als kaas de Hollandsche vorm is van Kees.

Kabbedijk, Cappendijck, Cappendijk: Wellicht verhaspeling van de plaatsnaam Krabbendijke (Zeeland).

Kaboort: wellicht variant van Chabot. Zie daar.

Kabus: Vernederlandste spelling van Cabus. Frans cabus ‘kabuis(kool)’. Beroepsbijnaam van de kolenteler. Of bijnaam voor iemand met een groot hoofd.

Kachele, Kaechélé: Afleiding van Middenhoogduits kachel(e): aarden pot, vaatwerk. Beroepsnaam van de pottenbakker.

Kaczmar, Kaczmarek, Kaczmarczyk, Kaczmarcyk, Kaczmarzijk, Kaczmarczowski, Kaczmarczski, Kaezemareck, Kaezmareck: Beroepsnaam. Pools kaczmarz: waard, kastelein, van Duitse familienaam Kretschmar, Krechtsmer.

Kadijk. Kadijk: lage dijk, kade. Plaatsnaam in Bergambacht (Zuid-Holland), Teteringen (Noord-Brabant), Hoofdplaat, Poortvliet (Zeeland en Voorst (Gelderland).

Kaefer, Kefer, Kefert. Duitse bijnaam Kafer; kever.

Kaekebeke, Kaeckenbeeck, Kakebeke, Kakebeeke, Kaeckebeke, (van) Caekebeke, Kaekebeke, Caeckebeke, Cackebeke, Caekelbeke, van Ouaekebeke, van Ouackebeke, van Ouakebeke, van Ouaquebeke: 1. Plaatsnaam Kokebeke/Kakebeke in St.-Maria-Lierde (Oost-Vlaanderen), Kakebeeke, Kloetinge, Zeeland: 2. Plaatsnaam Kwakenbeek in St.-Kw.-Lennik (Vlaams-Brabant). 3. Plaatsnaam Kwaakbeek in Westerlo (Antwerpen).

Kaekenberg, van, Kaekenbergh, van, Kaekenberghe, van Cakenbergh, Cakenberghe, Cakenberge, van Caekenberg, Caekengergh, Caekenberghe, van Caekenberghe, Cackenbergh, Cakenberghe, Kakenberg, Cakembergh, Cakelbergh, Caekelberg, Caekelbergh, Caekelbergh, Caekelbergs, Caeckelberghs, Kaekelbergh, Kakelbergh, Kaekelbergh. Familienaam uit de plaatsnaam Kakenberg in St.-Gillis-Dendermonde, Kakelenberg in Schendelbeke of Kakerberg in Nederbrakel (Oost-Vlaanderen).

Kaemmel. Duitse familienaam Kammel. Beroepsnaam van de wolkammer. Duits Kammel: wolkam.

Kaer, van, Kaert, van, van Caer: Plaatsnaam Kaart in Brasschaat (Antwerpen). Eind18de eeuw werd de familienaam Van Kaer gereïnterpreteerd als Fouquart: de afstammelingen heten verder allemaal Fouquaert

Kaers, Caers, Quaars, Keersse, Keerse, Keirsse, Keirse, Keisse, Kersse. Beroepsnaam van de kaarsengieter. Vergelijk Frans Chandelle.

Kaertkemeyer. Nederduits Karkmeier, Duits Kirch(en)meier: beheerder van kerkgoed.

Kaerts, Caerts, Kets: Samentrekkingen van Keyaerts.

Kaesemans, Kasman, Keseman, Caesemans, Cazeman, Chasman: Beroepsnaam van de kaasmaker of kaashandelaar.

Kaesteeker, de; Kaaisteker, Kaaijsteker: Variant van de Vlaamse familienaam Kaestecker, (de) Caesstecker. Beroepsnaam van de kaaskeurder, die in de kaas steekt, prikt om hem te keuren. Vergelijk Duits Käsbohrer ‘kaasboorder’, Käsestecher.

Kaethoven, (van) Caethoven. 1. Naam uit de plaatsnaam Kaathoven (Noord-Brabant). 2. Zie ook Queathoven.

Kaezemaeker, de, de Kaezemaker, de Kaezemacker, (de) Caesemaecker, Caesemaeker, de Caesemacker, de Caesemaker, de Casemacker, de Caesmaeker, Kaesmacher, Keesemaecker, Keesemaeker, Keesmekers: Beroepsnaam van de kaasmaker.

Kaf, Caf: Het woord kaf werd gebruikt voor wat weinig waarde had. Of beroepsnaam voor een kafboer, vergelijk Cafmeyer.

Kagelmann, Cagelmans: Nederduits Kagelmann, variant van Kogelmann. Beroepsnaam voor de maker van kapmantels. Middelnederlands cogel: kap(mantel). Vergelijk Duits Kagelmacher.

Kagenaar: Beroepsnaam voor een kaagschipper, schipper op een caegh, kaag(schuit), kaagman, schip waarmee men op haringvangst ging in 1500-1700.

Kahl, Kahle, Kahlerft, Kahlmann. Duitse bijnaam voor een kale.

Kahlen, Kalen, Kalhen. Plaatsnaam Kahlen (Nedersaksen, Pommeren, Mecklenburg).

Kahlenberg, Kallberg, Kalberg: Verspreide Duitse plaatsnaam: kaleberg.

Kaho: Spelling voor Frans Cahot, van Cadot ‘kleine hond’.

Kahn, Kahne, Kahnes, Kaens: 1. Zie Cohen. 2. Vadersnaam. Duitse variant van Kohn, Konrad. 3. Vadersnaam. Friese voornaam Kaan, van Johannes of moedersnaam Johanna. Hamburgse familienaam Kahnke.

Kaibeck, Keibeck, Keybeck: Plaatsnaam op beek, wellicht keibeek, beek met keien. Maar vergelijk Duits Kaibach.

Kain, Kains, Kaim, Ouain, Ouin, Oueins, Gain, Caïn: 1. Picardisch (le) Kain = le Kien, Lechien. Bijnaam de Hond. Vergelijk Lekain. 2. Zie Dequin.

Kainscop. Waalse vervorming van Kaaskoper.

Kaiserergruber, Reïnterpretatie van Kiesgruber, die bij een Kiesgrube 'kiezelgroeve' woont. Duitse plaatsnaam Kiesgrube.

Kaison, Keeson: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Nicaise.

Kaiss, Kaisz, Kaisse: Kais, Kayss is een West-Zwabische diftongering van Duits Käse: kaas. Zie ook Caise.

Kakert, Kakkert, Kackert: 1. Zie Cackaert. 2Of variant van Kaker, met paragogische t.

Kaker, Kaaker, Kaacker: 1. Variant van Nederduits Kaa(c)k, Kock, Duits Koch: kok. Beroepsnaam. Zie Kaak 3. 2. Nederduits Kä(c)ker, Middennoordduits kôker, Duits Köcher: koker, foedraal. Beroepsnaam. Vergelijk De Koker.

Kalbfleisch. Duitse beroepsnaam van de slager.

Kalbusch, Kalbus, Kalbush. Duitse plaatsnaam; kaal bosje.

Kalderckerken, van, Kaldeckerke, van, Kalderkerke, van. Duitse plaatsnaam Kaldenkirchen.

Kaldenbach. Plaatsnaam; koude beek. Zie Kaltenbach.

Kaldenberg. Plaatsnaam; koude berg. Vergelijk Cauberg.

Kaket, Kaquet, Vaquet, Caque. Vadersnaam romaanse afleiding met anticipatie van de k - van de voornaam Jacques, Jakob.

Kaland, Kalland, Caland, Calant: Middelnederlands en Picardisch calant, kalant ‘klant, kerel, snaak’.

Kalb, Calb. Duitse bijnaam Kalb; kalf.

Kaldenberg: Plaatsnaam ‘koude berg’. Vergelijk Kouwenberg. Caldenberch in Hoeselt (Belgisch-Limburg), Duits Kaltenberg (Beieren, Noordrijn-Westfalen).

Kalhorn: Duits familienaam ook Kallhorn, variant van Gellhorn ‘die de hoorn laat klinken’.

Kalf, Kalff, Calf, Calff, de Calf, Kelfkens, Kalb. Bijnaam voor een kalf van een mens, een eenvoudige van geest, naïeveling. Plaatsnaam ’t Kalf in Zaandam, ’t Kalf in Sint-Gillis-Waas. Bijnaam naar de huisnaam.

Kalfsvel: Beroepsnaam voor de viller van kalveren. Vergelijk Duits Kalbfell, Frans Poilvé.

Kalhauge, Kallehauge, Kallage: Wellicht variant van Slavisch Kallauka, Kallauke: Sorbisch kalawka: wilde peer.

Kalhöfer. Duitse naam Kalthofer, van plaatsnaam Kalthof.

Kalis, Calis, Galis: 1. Vadersnaam. Calis is een Waalse vorm van Calliste, de heiligennaam Calixtus. 2. Plaatsnaam Kales, Frans Calais (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Kalisch, Kaliz, Kalisz. Poolse plaatsnaam; moeras.

Kalishoek. Plaatsnaam in Zedelgem (West-Vlaanderen) en Zevenbergen (Noord-Brabant).

Kalisvaart. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam: de vaart van ene Kalle (wellicht ergens in Zuid-Holland).

Kaljé: Spelling voor Frans Caillet, verkleinvorm van Oudfrans cail, chail, Frans caillou ‘kei, steen’.

Kaljouw, Caljouw: Aanpassing van de Frans familienaam Cailleau, van Oudfrans caillel, caliel, caliau, Frans caillau ‘kleine kei’. Bijnaam.

Kalk: Beroepsbijnaam van de kalkmaker, kalkbrander, kalker.

Kalker, Kalcker: Beoepsnaam van de kalker, pleisteraar, stukadoor, of van de kalkmaker.

Kalkebren, van. Verhaspeling van Van Kalken.

Kalkhuis. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (waar?): plaats waar je kalk kon kopen, of een witgekalkt huis.

Kalkeren, van: Verhaspeling van van Kalken, Plaatsnaam (Oost-Vlaanderen)? Of Plaatsnaam Kalkar (Noordrijn-Westfalen).

Kalkhoven: Hypercorrecte spelling voor Kalkoven. Beroepsbijnaam voor de kalkbrander, eigenaar van een kalkoven. Kalkoven is ook een plaatsnaam in Dordrecht (Zuid-Holland).

Kalkmaker, de. Beroepsnaam van de kalkmaker- brander.

Kalkman, Kalkmann, Kalechman, Kalichman: Beroepsnaam van de kalkmaker, kalkbrander.

Kalkoven, Kalkhoven, Calcove, Calcôve: Beroepsnaam naar de kalkoven van de kalkbrander.

Kalksteen. Vondelingnaam. Op 13 februari 1822 werd in Antwerpen om 5.15 uur Scholastique Kalksteen gevonden.

Kalle, Calle: Moedersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Catharina, Katelijne.

Kalleman, Calmant, Kalmans, Kalman: Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Kalle, Calle = Katelijne.

Kallemein, Kallemeijn, Kallemijn, Kalmijn, Callemeijn: Afleiding van Picardisch calame ‘riet, schrijfveer, pen’. Beroepsbijnaam.

Kallenbach. Duitse plaatsnaam.

Kallenberg: Ook familienaam van Calenberg(e). Plaatsnaam Kaleberg ‘kale, onbegroeide berg’, bijvoorbeeld Kalenberg (Drenthe, Overijssel).

Kallewaard, de Caluwaert: Bijnaam voor een kaalhoofdige, afleiding op –aard van de Caluwe.

Kaller, Caler, Calers: 1. Van Middelnederlands callen: spreken, praten, babbelen. 2. Eventueel variant van Kallert.

Kalman, Kalmans, Kalmann Kallmann: 1. Duitse Joodse familienaam, Callomon. 2. Aflleiding van plaatsnaam. 3. Voornaam Koloman.

Kalmeijer, Kalmar: Duits Kaltmeier, Kahlmeier of Kallmeyer, van plaatsnaam Calne: vuil water?

Kalmthout, van; (van) Calmhout: Plaatsnaam Kalmthout (Provincie Antwerpen).

Kals, Kalse, Cals: Vadersnaam, voornaam Kal, van Karel (vergelijk Caelens)? Of van Calbert, Calleboud?

Kalsbeek, van, Calsbeek, Kalfsbeek: Misschien de plaatsnaam Kalsbach (Noordrijn-Westfalen).

Kalscheur, Kalschuer: Duitse plaatsnaam Kaltscheuer ‘koude schuur’.

Kalstad. Duitse plaatsnaam Kallstandt.

Kaltenbach. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Kalter: Middelhoogduits kalter, Duits Kelter ‘wijnpers’. Beroepsbijnaam van de druivenperser.

Kaltenberg. Duitse plaatsnaam. Plaatsnaam Caldenberch in Hoeselt, Limburg.

Kaltenborn, Kaltenbrunner. Duitse familienaam van frequente plaatsnaam Kaltenbronn, Kaltenbrunn, Kaltenborn: koude bron.

Kalter. Middenhoogduits kalter, Duits Kelter: wijnpers. Beroepsnaam van de druivenperser. Vergelijk Keltermann.

Kalterherberg. Plaatsnaam in Monschau. Duitsland.

Kaltofen: Duitse plaatsnaam Kaltofen (Saksen).

Kamler, Kammler. Duitse beroepsnaam Kämmler: (wol)kammer.

Kam, de, de Cam, Kamm: 1. Beroepsbijnaam van de kammaker of kammer. 2. Decam kan een spelling zijn voor Frans Decamp(s), Descamps.

Kam, van der, van (der) Cam, van der Camme, Camme, van der Cammen, Vercamme, Vercammen, Vercam, Verkammen, Verkem: 1. Plaatsnaam. Middelnederlands camme ‘brouwerij’. 2. Van Kam/Van Cam kan een variant zijn van Van Chaam.

Kamel, Kamele, Kamel dit Camel: Bijnaam naar de huisnaam: kameel.

Kamenter: Misschien verhaspeld uit Duits Kemenater, Kemeneder ‘bewoner van een (Middelhoogduitse) kemenâte, dat is een kamer met stookplaats’. Vergelijk familienaam van Kemenade, de Kemmeter.

Kamer, Kamers. Verkort van Van der Kamer of Kamerling.

Kamer, van (de); van de Kammer, van der Camer, van Caimere, Verkaemer, Verkamer, Vercaemer, Vercamer, Vercamere, Vercammer, Vercambre: 1. Frequente plaatsnaam ter Kamer ’eenkamerwoning’. 2. Van de Kamer is ook de naam voor de kamerdienaar, kamerling, 3. Uit "Ter Kameren" bij Brussel: abdij, bos. 4. Verschrijving van Vercammen. Zie Kam.

Kamerbeek, Cammelbeeck. Plaatsnaam?

Kamerik: Plaatsnaam Kamerik (Utrecht).

Kamerling, Camerlinck, Camerlinx, Camerlinckx, Camerlynck, Camerlijnck, Camerlengo, Caemerlynck, Kemerlinkx, Kemerlinc, Kemeling, Kämmerling. 1. Naar uit het Middelnederlandse camerlinc: kamerdienaar, kamerheer, schatbewaarder. Beroepsnaam. Vergelijk Frans Chambellan, Engels Chamberlain. 2. Zie ook eventueel Kamer Van der.

Kamerman, Kamermans: Afleiding van van de Kamer, ook wel beroepsnaam van de kamerling, kamerdienaar.

Kaminski. Afleiding van Poolse plaatsnaam Kamien.

Kamhout, Kamhoot: 1.Volgens Meertens naam van een schippersfamilie. Een kamhout was een deel van een houten zeilschip, een schegbord. 2. Beroepsbijnaam van een wever, of de maker van weefkammen.

Kammaker, de. Beroepsnaam van de maker van haar-, wol- of weefkammen.

Kamman, Kammans, Cammans, Camman: 1. Beroepsnaam van de kammaker. 2. Afleiding van van der Cammen, Vercammen.

Kammellander, Kammerlander. Van Duitse plaatsnaam Kamerland.

Kammen van. Plaatsnaam (? ) beroepsnaam.

Kammer (de), Cammers, Kammer, Kämmer. Beroepsnaam van de wolkammer.

Kammerer. Duitse beroepsnaam van de kamenier, kamerheer.

Kammeraad: Aangezien het woord kameraad ‘gezel’ niet voor het eind van de 16de eeuw voorkomt, verklaart Brechenmacher de familienaam Kamerad, van Kammrad ‘molenkamrad’van Middelhoogduits kamprat. Bijnaam voor een molenaar.

Kamminga, Kammenga, Cammenga, Kamstra, Kampstra, Kamsma, Camstra, Kamst: Friese familienaam, eerder Cammingha, Cammenga, 13de eeuw Canga, Kanga tot Kamga, wellicht door assimilatie uit Kampinga, afleiding van de voornaam Kamp(e), Kemp(e).

Kamoen, Kammoun, Kamoun, Camoen: De oudst bekende voorvader is Arnoldus Camun, ca. 1630 in het Spaans garnizoen in Sint-Niklaas (Oost-Vlaanderen). Zeldzame Spaanse familienaam Camún, variant van de frequentere familienaam Camon. (Catalonië, Aragon). Mogelijk afkomstig uit de bijnaam Camône, de plaatsnaam Camos (Galicië) of Camon (Ariège) ?

Kampl, Kampfl. Afleiding van Kamp(f), zie Kemp.

Kamp, Kamps, Camps, Camp, Campé: 1. Beroepsnaam voor de kammaker. 2. Zie Kemp. 3. Korte vorm en afleiding van Van (de) Kamp.

Kamp, van de, der, van (den) Camp, Campe, (van de) Camp, van der Kemp, op den Camp, Opdekamp. Familienaam uit de plaatsnaam Kamp: (uit het Latijn Campus): open veld, afgeperkt stuk land. Plaatsnaam Kampen (Zeeland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Nedersaksen, Sleeswijk-Holstein).

Kampenhout, van, van Campenhout, Vampenhoud, Campenhoudt, Campenhault, Campenhaut, van Camphenhoudt, Kappenhoudt. Familienaam uit de plaatsnaam Kampenhout (Vlaams-Brabant).

Kamper, Kampers, Campe, Kamp, Campers, van der Kemp, op den Camp, Kemper, Kempers, Kempeers, De Kemper, Kimpers, Kijmpers, Kympers. 1.Uit het Middelnederlandse camper: kampvechter, kampioen. 2.Vadersnaam uit de Germaanse voornaam 'kamp-hari': Kampert.

Kamp, van der, Campen. van der Kemp, op den Camp: Plaatsnaam Kamp, Latijnse campus ‘open veld, afgeperkt stuk land’. Plaatsnaam Kampen, Zeeland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Duitsland.

Kamperdijk. Plaatsnaam Kampdijk in Uithoven, Limburg?

Kampert, Kempart, Campaert, Campeert: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam kamp-hard. Duits Kamphert. Vergelijk Kemp, 2. Variant van Kamper; zie Kampers. 3. Afleiding van Van Camp.

Kampfrooth: Verschoven vorm van Middelhoogduits kamprat; zie Kammeraad.

Kamphoff, Kamphof: Plaatsnaam, vermoedelijk in Overijssel of plaatsnaam Campow?

Kamphuis, Kamphuys, Kamphuijs, Kamphuisen, Campheus: familienaam uit de plaatsnaam ‘huis op een kamp of veld’. Plaatsnaam Kamphuis bij Deurningen, Raalte, Overijssel en Veldwijk (Gelderland), Kamphuizen bij Oestgeest (Zuid-Holland). Vgl. Duits Kamphaus.

Kamphorst, Camphorst, Kemphorst, zie Kamp van den, der. Adresnaam.

Kampman, Kampmann, Kamperman, Kampen, van Kemperman, Camperman, Kamper, Kampermann: Afleiding van Plaatsnaam Kamp ‘omheind veld’.

Kamps, Kamp, Camp, Camps, Campe, Camp, Campé: 1. Uit Kams, afleiding van Kam. Beroepsbijnaam van de kammaker. 2. Afleiding van van de Kamp, uit de plaatsnaam Kamp. 3. Zie kempt.

Kampschöer: Plaatsnaam kampschuur ‘veldschuur’.

Kampwart: Beroepsnaam ‘veldwachter’.

Kamsma: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Kamp(e). Vergelijk Kamminga.

Kan, (de); (de) Canne, de, Can, Kann, Kannen: Beroepsbijnaam van de tingieter, potgieter. Vergelijk Duits Kannegiesser, Kannekens. Zie ook Dechamps.

Kan, van de, van de Can, van Kann, van Kan, van Cann, van Can, van Cangh, van Cang, Vanckan, Vanekan: 1. Plaatsnaam De Kan in Vn.; ter Kanne in Ktr.-Marke.2. Plaatsnaam Kanne (Belgisch-Limburg). 3. Eventueel variant van Van (de) Kamp.

Kanaar: Nederlands spelling van de Franse familienaam Canard ‘eend’. Bijnaam naar de waggelende stap.

Kandel: 1. Duits familienaam Kandel van Middelhoogduits kanel, kandel ‘watergeul’. 2. Oudpicardisch candel, van Latijnse candela ‘kaars, toorts’. Ook de spelling Kandèl komt trouwens voor. Beroepsbijnaam van de kaarsengieter.

Kandlbinder. Duitse beroepsnaam van de krammer van vaatwerk, hechter van aardewerk, kannen. Vergelijk De Napbinder. Middenhoogduits Kandel: Kanne.

Kandouche, Kandouz. Marokkaanse vadersnaam uit de voornaam Kandouz (betekenis nog onbekend).

Kane, Caen, Caene, Canne, Cane, Kaan, Caan, Kaens: Wellicht Oudfrans cane: wijfje van de eend.

Kanel, von. Waarschijnlijk een jongere von-naam. Bijnaam Kanel: kaneel. Beroepsnaam van de kruidenier. Vergelijk Caneele.

Kanger: Vervorming van Kanner ‘kannengieter, tingieter’?

Kanguis, Kanguise. Waalse aanpassing van Duits Kanngieser.

Kannegieter, Kannegiesser, Kanngiesser, Cannegieter, Kannengiesser, Kannengieser, Kannegieser, Kangiester, Kangister, Kangheister, Kangeister: Beroepsnaam van de potgieter, tingieter. Vergelijk familienaam Potgieter, Duits Kanngiesser.

Kannekens, Kanninga, Cannenga. Afleiding van vadersnaam Kanne, Kanneke, Cankena, Canning en Cannington in Engeland, plaatsnamen Cantrup (Kandorp) bij Bassum in Hannover, Kanning, dorp bij Ernshofen in Oostenrijk, Caneghem (Kaningheim) in West-Vlaanderen, Canum (Kanna-heim) en Canhusen in Oost-Friesland. Of bijnaam naar de huisnaam of beroepsnaam voor de potgieter.

Kannemans, Kennemans. 1. Beroepsnaam van de pot-, tingieter. 2. Afleiding van plaatsnaam Kanne (Limburg).

Kannenberg. Plaatsnaam. Saksen-Anhalt.

Kanner. Beroepsnaam van de kannengieter, tingieter. Vergelijk Duits Kännler.

Kanning, Kanninga: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Johannes.

Kanora. Willekeurige vondelingennaam. Alle naamdragers stammen af van Ambrosius Kanora die op 08.12.1838 in Antwerpen te vondeling werd gelegd.

Kanse: Frans chance, Picardisch cance, van Latijnse cadentia ‘val van de dobbelsteen, door gelukkige worp bij het dobbelen, geluk, kans’. Bijnaam voor de dobbelaar.

Kant, van de, der, van Cant, van Cante, van de Cant: 1. Plaatsnaam Kant: rand, grens, oever. 2. Eventueel variant - met paragogische t - van Van de Kan.

Kant, (de): Middelnederlands cant ‘kant, zijde, rand’. Werkwoord kanten ‘afzomen van laken’. Beroepsbijnaam voor een kleermaker.

Kanters, Canters, Kenters, Kenter, Cantel: Beroepsnaam van de cantor, zanger, voorzanger in de kerk. Picardisch Lecantre.

Kanzler, Känzler, Kenzeleer, Kenzeler: Duitse beroepsnaam Kanzler, Kenzler: kanselier, hoofd van de kanselarij. Vergelijk Cancelier.

Kapler, Kappler, Kappler, Keppler, Kappeler, Käppner, Keppner, Kepener, Kepner: Duitse beroepsnaam. 1. Kappler, Kappler: kapelaan. 2. Hoedenmaker, maker van kappen. Vergelijk C(h)apelier.

Kap, Kappen, Cap, Kapma, Kaap, Kapp, Kappenmaker. Beroepsnaam voor de kappenmaker.

Kapelle, Kapel, Capelle, Cappele: 1. Beroepsbijnaam voor de kapelaan of kapelmeester, iemand aan wie de zorg voor een kapel is toevertrouwd. 2. Korte vorm voor van der Capelle, de la Capelle. 3. Plaatsnaam Kapelle (Zeeland).

Kapias: Aanpassing van de Picardisch familienaam Capiaux, Cappiau, van Oudpicardisch capel, Frans chapeau ‘hoed’. Beroepsbijnaam voor de hoedenmaker of bijnaam.

Kapper, Kappers, Kappert, Kaper, de, Kapers, Kapper, Kapr, van Middelnederlands Cappaert. Bijnaam voor iemand die een kap draagt, bijvoorbeeld een kloosterling, monnik, broeder, ook uitgetreden kloosterling.

Kapsenberg: Verhaspeling van plaatsnaam Kapenberg (Noordrijn-Westfalen)?

Kapitein, Kaptijn, Kapiteyn, Kapiteijn, Kapitan, Kapitany, Kapitanj, Capitaine, Capieyn, Capityn, Capiteyns, Capitanio, Capitano, Capitani, Capitanio, Capitanini, Capitant, Capitaao, Capteyn, Kaptein, Kapteyn, Lecapitaine: Beroepsnaam van de kapitein: bevelhebber, aanvoerder.

Kapp. Duitse familienaam. Middenhoogduits Kappe: kapoen. Zie Capon.

Kappel. 1. Duitse plaatsnaam Kappel: kapel. 2. Zie (van) Cappel.

Kappenburg. Duitse plaatsnaam Kapenberg.

Kappenstein. Duitse plaatsnaam.

Kappes, Kaps: Duits Kappus, van Middenhoogduits kabess: kabuis (kool). Beroepsnaam.

Kar, van de, der, Verkarre, Vercarre, Vercaeren, Verkaeren, Verkaar. Naam uit een zandig stuk land, onder andere De Karre (Maldegem, Oost-Vlaanderen).

Karbowiak, Karbownik, Karbowski. Poolse beroepsnaam. Karbowy; opzichter.

Karcher. Duitse beroepsnaam van de voerman. Afleiding van Middenhoogduits karrech, van Latijn carruca: kar, wagen.

Kardol, Kardal: Misschien de Zuid-Franse familienaam Cardol(le), Cardoux ‘soort steenkool’.

Kardos: Hongaarse beroepsbijnaam voor de zwaardenmaker. Hongaars kardos ‘zwaard’, een Turks leenwoord.

Kardux: Vervorming van Kardos?

Karels, Karel, Karelse, Karelsen, Carel, Carelse, Carels, Caarls, Caals, Carl, Carle, Carles, Karl, Karlsson, Karlson, Carli. : Vadersnaam, Germaanse voornaam Karel.

Karfloi. Zuidduits, Oostenrijk, voor bloemkool.

Karg. Duitse bijnaam. Middenhoogduits karc: slim, leep; (later) karig, krenterig.

Karger, Kerger, Karriger, Kariger: 1. Verbogen vorm van Karg. 2. Variant van Karcher, Kercher.

Karhof: Plaatsnaam Karhof (Beieren, Hessen).

Karlberger, Karlberg. Plaatsnaam Karlberg, Saksen-Anhalt.

Karler. Duitse beroepsnaam Kerler, Karrer: voerman.

Karlin, Carlens, Caerlens, Caerlen: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Karel.

Karlowski, Karlovic, Karlicsek, Karliesek, Karlisek. Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Karel.

Karlshausen. Duitse plaatsnaam. Rijnland-Palts.

Karmalker; Beroepsnaam voor de bereider van karnemelk.

Karman, Karremans, Karreman, Karman, Karmane, Kerremans, Kermans, Carremans, Carmans, Careman, Caremans, Carmanne, Carmane: Beroepsnaam van de karreman, voerman, vergelijk Carre, Cartier, zie ook Keereman.

Karmé. Spelling voor Picardisch Carmet, afleiding van carme, van Latijn carpinus: haagbeuk.

Karolinski, Karolinsky, Karolczak, Karolczuk, Karolczyk: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Karel.

Karp, Karpf: Nederduitse en Hoogduitse vorm van Duits Karpfen: karper. Bijnaam voor visser of vishandelaar.

Karpenkopf. Bijnaam voor iemand met een kop als van een karper. Vergelijk Duits Karpfenhaupt.

Karpinski, Karpinsky. Afleiding van Poolse plaatsnaam Karpin(o), Karpno.

Karpoff, Karpowitz, Karpowicz. Russische afleiding van karp; kaper.

Karrenberg. Plaatsnaam Karnberg.

Kars, Quaars: Kars met verkorte klinker uit Kaars. Beroepsbijnaam van de kaarsengieter.

Karsman, Karsmans, Kersemans, Kersmans. 1. Beroepsnaam van de kaarsengieter. 2. Beroepsnaam van de kersenteler of -verkoper. Vergelijk Kriekemans.

Karsens, Karssens, Karssen, Karsen, Karsing. Vadersnaam uit de oude voornaam Karst, een afleiding van Christianus.

Karstaedt. Duitse plaatsnaam Karstedt.

Karthauser, Karthaus, Karthäuser, Karthaeuser, Kartheuser, Kartheiser, Karteuzer, Corteyzer, Cortyzer, Cortyser: Bijnaam van de kartuizer. Vergelijk Carteus, Cathuyser.

Kasander: Moedersnaam van de voornaam Cassandra. In de Griekse mythologie dochter van Priamus en Hecuba.

Kasberg, Kasbergen, Kasberger. Plaatsnaam Kasberg, Beieren, Noordrijn-Westfalen

Kasdorp: Duitse familienaam Castorp, van plaatsnaam Castrop (Noordrijn-Westfalen).

Kasegem, van. Plaatsnaam.

Kaslander. Afleiding van plaatsnaam.

Käsmacher. Duitse beroepsnaam van de kaasmaker.

Kasman, Cassimans, Catseman, Catsman: Afleiding van Middelnederlands casse ‘kist, kast, relikwiekast, geldkist’. Beroepsnaam van de cassenaer‘ bedelmonnik; marskramer’. Catseman is hypercorrect.

Kaspar, Kaspers: Vadersnaam. Caspar, naam van een van de drie koningen.

Kasparmans, Caspermans: vadersnaam. Afleiding van Kasper, naam van een van de Drie Koningen.

Kaspereit. Vadersnaam. Litouwse afleiding van de voornaam Kaspar.

Kasprzak, Kasprzyk, Kasprzijk, Kasprzycki, Kasperczak, Kasperczyk, Kasperski, Kasparowicz, Kasparow, Kasprowiak, Kasprowski: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Kaspar.

Kasse, Casse. Middelnederlands cas(se) ‘kist of kast, vooral voor relikwieën of geld’. Beroepsbijnaam van de cassenaer ‘bedelmonnik die met relikwieënkistjes rondliep of marskramer’.

Kasselaers. 1. Kasselaar, van plaatsnaam Kassel (Frans-Vlaanderen). Vergelijk Casselman. 2. Variant van Kesselaers, van Kerselaer(s).

Kasseyeman. 1. Beroepsnaam van de 'kasseier', de straatmaker. 2. Afleiding van Van der Calseyden, Van der Kasseien.

Kassirer, Kaszirer: DUits Joodse familienaam Kassierer: kassier.

Kasteele, van de; van de Kassteelle, van de Kassteele, van Kasteel, Kasteelen, van de Casteel, van de Casteele, Casteels: Verspreide plaatsnaam Kasteel.

Kastelein, Kasteleijn, Kastelijn, Casteleijn: Oudfrans chastelain, Picardisch castelain, van kastelein ‘kasteelheer, slotvoogd, plaatsvervanger van de heer; bedrijfsboer, herbergier’.

Kästner. Zoals Kastmeister, Kastmann, beambte belast met het toezicht op de graanschuur, later rentmeester, tienden inner.

Kat, de; Katte: Bijnaam naar een eigenschap (lenigheid, valsheid) van de kat. Vergelijk (de) Kater.

Kate, ten, ten Cate, ten Kaate, Kaat, ten Katen: Plaatsnaam Kat‘ kade, aarden wal’; Saksische kate ‘kleine boerenwoning, hut, huisje’.  Vergelijk Ten Cate, Ten Kate, Barnkothe, Doornkate, Damkot.

Kater, (de) Cater, de Caters, Chater, Kather: 1. Bijnaam naar de dierennaam, de kater. 2. Middelnederlands cater: proviandmeester.

Katerbeck. 1. Plaatsnaam Katerbeek in Herent (Vlaams-Brabant). 2. Zie Katterbach.

Kathagen. Frequente naam van afgelegen steegjes en hoekjes.

Katoen, Cattoen. 1. Oudpicardisch caton, Oudfrans chaton ‘jonge kat, katje’. Bijnaam. Vergelijk Frans Chaton. 2. Moedersnaam. Vleivorm van de vornaam Catharina.

Kats, (van) Cats, Katz,, Kaatz, Kadz, Katc, Kets: 1. Joodse familienaam, van Kahen-zedek 'priester van de gerechtigheid'. 2. Bijnaam. Duits Katze. Vergelijk De Cat. 3. Plaatsnaam Kats (Zeeland).

Katté. Verkort van Ducaté; zie Ducastel(le).

Kattenburg. Plaatsnaam in Beilen, Drenthe, en Leens, Groningen, Amsterdam.

Katterbach, Katerbeck: Plaatsnaam Katterbach (Noordrijn-Westfalen, Beieren).

Katterberg, Katerberg, Plaatsnaam Katernberg, Noordrijn-Westfalen

Kattus. Latinisering van Kat.

Katsman: Afleiding van van Kats.

Kattekamp: Plaatsnaam Katenkamp (Nedersaksen).

Kattenberg: Plaatsnaam in Oirschot (Noord-Brabant).

Kattouw: Nederlands spelling van de Picardisch familienaam Catteau(x), Cattaux, van Catteauw, Catteeuw, Kattouw. Uit Oudpicardisch castel, Oudfrans chastel, van Frans château ‘kasteel’. Vergelijk van de Kasteele.

Katvis: Volks etymologische reinterpretatie.

Katwijk, van: Plaatsnaam (Zuid-Holland).

Katzenellenbogen, Katzenelenbogen, Kacenelebogen, KacenelenbogenPlaatsnaam Katzenelnbogen (Rijnland-Palts).

Katzenstein, Katzensteiner. laatsnaam Katzenstein (Beieren).

Katznelson. Volkseytmologisch van Katzenelnbogen.

Kauffeld: Re-interpretatie als feld-naam van de Duits familienaam Kaufel. Beroepsnaam van Middelhoogduits köufe l‘handelaar, makelaar’.

Kaufer, Käufer: Beroepsnaam van de koopman, Kaufmann.

Kaufman, Kauffman, Kauffmann, Caufman, Cauffmann, Cauffman: Duitse beroepsnaam Kaufmann ‘koopman’.

Kaul, Kaulen. Duitse plaatsnaam. Middennoordduits Kule: kuil, groeve, holte. Ook familienaam Terkuhlen, Zurkaulen.

Kauwer, de; Kouwer, (de) Cauwer: Afleiding van Middelnederlands cuwe, cauwe ‘kuip, vat’. Beroepsnaam van de kuiper.

Kavelaars, Cavelart: Beroepsnaam, afleiding van Middelnederlands cavelen ‘loten, het lot werpen, bij loting verdelen of toewijzen; ramen, begroten’. Vhl. De Cavel.

Kay, Kaye, Kaie, Caye, Cay, Kaije, Caije, Lakaye, Lakay, Laquaye, Laquay, Lacquaye, Laquaie, Lequay, Lakeye. 1. Beroepsnaam voor een lakei (oorspronkelijk een voetsoldaat). 2. Bijnaam ook het Waalse caye: lor, vod. Bijvoorbeeld voor iemand die zich slecht gedraagt. 3. Kay(e) en Caye kunnen soms een variant zijn van De Kaey. Zie bij Ca. 4. Mogelijk ook moedersnaam uit de Middeleeuwse voornaam Kaye. 5. Of een verschrijving van Lacaille. Zie daar.

Kayarts, Kayaerts, Kayarts, Caeyers. Brabantse variant van Keyaerts.

Kaya, Kaija, Kaynak, Karakaya, Kahya, Akkaya. De familienaam Kaya is afkomstig uit Turkije. Kaya is een mannelijke naam van Turkse afkomst en betekent klif of rots massa. De vrouwelijke naam Kaya is van Syrische afkomst enbetekent mooi.

Kaymans, Caemans, Caeyman, Cayeman, Caymant, Cayman: Afleiding van Van der Kade, Van der Kaai.

Kazemi. Arabische naam naar Musa al-Kazim (+1183), de zevende imam van de Sjiieten, die als een heilige vereerd wordt. Kazim betekent: hij die zijn angst onder controle heeft.

Kazemier: Vadersnaam. Casimir. Poolse heiligennaam Casimir(us).

Kebers, Keber. Duitse dialect variant van Kefer: Kàfer, Nederlands kever (vergelijk Haber = Hafer, Nederlands haver).

Keck, Kech, Kesche, Kesch: Duitse bijnaam Keck: levendig, moedig, energisch.

Kedzia, Kedziora, Kedzier, Kedzierawki: Poolse bijnaam, van Russisch kudravy: met gekruld haar.

Kee: Vadersnaam. Korte roepnaam voor Cornelis.

Keeble. Engelse familienaam, van Oudengels cybbel: knuppel. Bijnaam voor een lomperd; vergelijk De Clippel.

Keeleman: Afleiding van van der Kelen.

Keelhoff. Plaatsnaam Kehlhof in Bruckberg, Beieren.

Keeling. Variant van Nederduitse familienaam Kelling. Middennoordduits kelling: smart, pijn. Of van Nederduitse plaatsnaam Kel: moeras.

Keels. Aanpassing van Duitse familienaam Koelsch, Kölsch, dat is Keuls, uit Keulen.

Keen, Keene, Keens, Keenes, Keane, Kean, Kéan: Vadersnaam. Korte vorm van Oudengelse voornaam zoals Kenward, Kenway. Oudengels cène, Middenengels kene: wijs, moedig, trots.

Keepers. Wellicht afleiding van Engelse beroepsnaam Keeper: bewaker, (gevangen)bewaarder.

Keer, van, de, Keere, van de, van Kier, van der Keren, van de Kerre, van de Keire, Verquere, Verqueren, Verquerre, Verqueire, Verquiere, Verkeert. Verspreide laatsnaam Keer: bocht, wending.

Keerman, Keereman, Kerremans, Kermans de: 1. Afleiding van Van (de) Keer. 2. Variant van Karreman.

Keer, de, de Keere: Verkort van Van de Keere? Of regressieve spelling voor De Kiere?

Keerberghen, Keerbergen, van, van Kerberghen, Kerberghem, van Keerberg, van Kebergen, Keerberghs, Keerbergs. Familienaam uit de plaatsnaam Keerbergen (Vlaams-Brabant).

Keereweer. 1. Bijnaam voor iemand die altijd weerkeert, terugkeert? Ook herbergnaam in Rekkem (West-Vlaanderen). Vergelijk Duits Wiederkehr. 2. Uit Kerwer, Kerver.

Keerle, de, (de) Keirel, (de) Keirle, de Keyrel, de Kerle, Kerrels, Kerels, Cheyrels, Kierle, Mekerle, Mekeirle, Mekeirle, Mekeirel: Bijnaam. Een kerel was een vrij man die niet tot de ridderstand behoorde, een man van lage geboorte, plattelandsbewoner.

Keersbilck (van), (van) Keersebilck, van Keersbulck, van Keirsbilck, Keirsbilk, Keirsbilcke, Keirsbelck, van Kiersbilck, (van) Keirsbulck, Keirsebilck, Keirsbilck, Keirsbelik, Keirsebilk, van Kersbilck, Kiersebinck, (van) Kersbulck, van Kesbeulque, van Keirsebinck, van Keirsdelck, Kisbilck, Kesbulg, Kisbulck, Verkeersbilck. Naam uit de plaatsnaam Kers-bilk: omheinde plaats waar waterkers groeit.

Keersgieter (de), de Kersgieter, (de) Kerschieter, (de) Keirsgieter, de Keerschieter, Keersgieter Keerchieter, (de) Keirsschieter, Keirschieter, De Keirgieter, de Kerchiester, Kerchieter, Kergieter. Beroepsnaam van de kaarsengieter.

Keersmaecker, de, Kaersmaeker, de, de Keersmacker, Keersmaker, Keersmakers, (de) Keersemaeker, Keersemaker, De Keirsmaeker, Keirsmaker, de Kersmaeker, Kersmacker, Keersemaekers, Keersemekers, Keersmaeckers, Keersmaekers, Keersmackers, Keersmakers, Kersemaekers, Kerssemakers, Kersemaekers, Kersemakers, Kersemaekers, Kersemakers, Kersmackers, Keirsmaeckers, Keirsmackers, Keirsmakers, Keerssemeeckers, Keerssemeeckers, Keesmekers, Keerssemeckers, Keesemaecker, Keesemaeker, Kaarsemaker, Karssemakers, Karsmakers: Beroepsnaam van de kaarsengieter.

Keerssen, van der. Waarschijnlijk Waalse verhaspeling (van der Keere?)

Keerstok, Keerstock. Keerstockt. Keernstok: stok waarmee gekarnd wordt in de staande karn. Vergelijk dialect ïererf=karnemalk. Beroepsnaam. Duitse familienaam Kernstock.

Kees, Keesen: Vadersnaam. 1. Variant van Kaesen, Caesen, vleivorm van de heiligennaam Nicasius. 2.Vleivorm van Kees, van de voornaam Cornelis.

Keesje. Vadersnaam, afleiding van Kees. Zie Kees 2. Keesman: Keersman, met assimilatie rs/s. Beroepsnaam van de kaarsenrnaker, kaarsenman.

Keetbaas: Beroepsnaam Keetbaas ‘baas van een keet, voorlopige hut van dijkwerkers’.

Kef. Duitse variant van Middenhoogduits kaf; kaf. Zie Caf.

Kefel. Middelnederlands kevel; kever, rups. Bijnaam.

Kefer, Kefert, Keefer, Kéfer, Keffer: 1. Kefer spellingvariant van Käfer. Zie Kaefer. 2. Waalse aanpassing van Keiffer.

Kegel, (de) Kegels, De Keghel, Keghels, Keghel, Keighel: Bijnaam voor de kegelaar, kegelspeler.

Kegelaar, Kegelaer, Kegelaers, Kegelaars, Kegeleers, Kegeleirs, Kegelart, Kegelaert, de Kegelaer, Kegeleer, Kegelaire: Bijnaam van de kegelaar, kegelspeler. Duits Keg(e)ler.

Kegemeutter. Verschrijving van Regemeuter. Zie van Regenmortel.

Kehl. Keel: 1. Plaatsnaam Kehl in Baden. 2. Verspreide plaatsnaam Kehl: enge, smalle kloof, smal watertje.

Kegge, Keg: Ook Kiggen. Middelnederlands kegge, kigge ‘ijzeren wig’. Beroepsbijnaam.

Keiem, van. Plaatsnaam Keiem, West-Vlaanderen.

Keiffer. Duitse bijnaam Keifer; kijver, twistzoeker, ruziemaker.

Keijdener, Keijdeners, Keydener, Keydeners. 1. Verschrijving van het Duitse Kätner: keuterboer (beroepsnaam). Dit volgens Debrabandere. 2. Volgens de heer Tom Keijdener, werd de naam voor het eerst gebruikt in 1778 in Borgharen. De oorspronkelijke stamvader heette Nicolaus Geidler, die afkomstig was uit Deidesheim in de Pals. Het zou dan weer een verschrijving kunnen zijn van Geissler wat zoveel betekent als flaggelant, geselbroeder.

Keijman. Variant van Kooyman, (ontronding oi/ei) of Kaymans (palatalisering ai/ei).

Keikes: Bijnaam. Keikens, verkleinvorm van Kei, zie Keij.

Keil, Keyl, Keyls, Keijl, Keylen. 1. Duitse familienaam uit het Middelhoogduitse kîl, het Duitse keil. Bijnaam voor een lomperd, een kortaangebonden iemand. 2. Variant van Kegel (vergelijk Middelnederlands segel, van seil, regen, van rein), maar dit is eigenlijk hetzelfde woord als Duits Keil. Middelnederlands kegel/keil: kegel; keg, wig.

Keim, Keime, Kiehm: 1. Vadersnaam. Voornaam Kîmo ‘spruit, afstammeling’. 2. Bijnaam. Middelhoogduits kîme ‘kiem, scheut, spruit’. Vergelijk Spruit.

Keimes, Keymis, Keijmis, Kimus, Kimmes, Kimesse. Keimis/Kimus zijn latiniseringen van het Rijnlandse keim: weg, straatweg. Een uit Duitsland afkomstige variant van zoiets als Verstraten.

Keinath, Keinert. Vadersnaam. Duitse vormen van Konrad.

Keiserie. Wellicht reinterpretatie van plaatsnaam Caserie in Gaternisse (Zeeland), Passendale (West-Vlaanderen), bij Celles (Henegouwen).

Keisman, Kejzman, Kejsman: Aanpassing van Duits Käsmann, Kesemann: kaasman, kaasmaker, kaashandelaar. Vergelijk Kaesemans.

Keister, de, de Keyster, de Keysder, de Keesters, de Kester, Kuysters, Cuesters, Keusters, Ceusters, Ceuster, de Cuester, de Keuster, de Ceuster, Cersters, Kersters, Kesters, Kester, Cesters, Cester: Beroepsnaam. Oudfrans coistre: koksjongen. Vergelijk Middelnederlands keisterlinc: soort gebak.

Keitelman. Beroepsnaam Ketelman; ketelslager. Duits Kesselmann.

Keizer, (de), Keiser, (de) Keisere, de Keyser, Deckeyser, Dekeyzer, Keijzere, Keijzer, de Keijser, Keijzer, Keijzers, Keisers, Keysers, Keyzer, Keyzers, Keijsers, De Kijser, de Kyser, Kyzer, Kaier, Kaiser, Kayser, Kaijser: 1. Bijnaam, wellicht voor de keizer in een schuttersgild. Vergelijk de Koning. 2. Naar de huisnaam als ‘In den Keiser’. Pieter Jacobsz vestigde zich in Geervliet (Zuid-Holland) en werd in 1636 herbergier van het huis De Keijser. Hij noemde zich voortaan Pieter Jacobsz Keijser.

Kekem, van, Kekum Van: Plaatsnaam Kedichem in Leerdam, (Zuid-Holland), uitspraak kekum.

Keeken, van. Plaatsnaam Keeken bij Kleef.

Kekenbosch. Plaatsnaam Kiekebos in O.-L.-V.-Tielt (Vlaams-Brabant) of Kickebougsveld in St.-Laureins-Berchem (Vlaams-Brabant). Kiekenbos ook in Ichtegem, Lendelede en Snellegem.

Kekens. Variant van Kiekens of Keykens.

Kelber. Plaatsnaam Kelbra, Saksen.

Kelborg, van. Deze familienaam komt slechts éénmaal voor (Luik). Waarschijnlijk verhaspeling van Van Keerberg.

Kelchtermans, Kelgtermans, Kelkermans: Afleiding van plaatsnaam Kelchteren in Houthalen (Limburg). Keldenich: Plaatsnaam (Duitsland).

Kelder, van de, Kelder, Kelders, Kalders, Calders. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Kelder: kelder, herberg, wijnhuis. Of beroepsbijnaam van de keldermeester. 2. Jan Kelder werd op 13.05.1636 gevonden in de Kelderstraat te Antwerpen.

Kelderman, Keldermans: Afleiding van van de Kelder. De stamvader van de architectenfamilie Keldermans, namelijk Jan van Mansdale die men heet Kelderken, ca. 1400 steenhouwer, woonde in ’t Kelderken in Brussel.

Kele. Variant van Kehl 2 of van Van der Kelen?

Kelebek. Plaatsnaam Keelbek, Saksen-Anhalt.

Kelegom, van, (van) Kelekom, (van) Kelecom, van Killegem, van Keilegom. Familienaam uit de plaatsnaam Kelegem in Schepdaal (Vlaams-Brabant).

Kelem. Kelem is een variant van Kelen = Kielen= Kuylen. Zie Koolen.

Keleman, Kelemans, Kelemen. Afleiding van Van der Kelen.

Kelen, van der; van der Keelen, van der Keel, van der Kellen, van der Keilen, van der Kel, van der Ceelen, van der Celen: Plaatsnaam Keel, Kel; ‘buis, pijp, geul; (ook) smalle strook, stuk land tussen twee sloten’. De familie stamt van het hof ter kelen in Gaasbeek (Vlaams-Brabant). Keel onder meer in Pulle en Massenhoven, Antwerpen.

Keles. Variant van Keels, Keyls of Regels?

Kelf, van, van Keleffe, van de(r) Kelft, van Kelst, van Quelef, Quelefs, Queleff. Familienaam uit de plaatsnaam Kelfs in Herent, Wakkerzeel (Vlaams-Brabant) en Wijchmaal (Limburg).

Kelfkens. Afleiding van Kalf. Bijnaam.

Kelle, Kelle. 1. Nederduitse plaatsnaam Kel, Oostnederlands kelle: watergeul, kloof, holle weg, moeras. Vergelijk Van der Kelen. Plaatsnaam Kell in Angerlo (Gelderland). 2. Duits Kelle: scheplepel. Beroepsnaam van de lepelmaker.

Kellen, Kellens, Kellinckx, Killens, Kilkens. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam ‘rik-wald’;machtig-heersend. Ricaldus of Ricoaldus, vergelijk Kallen.

Kellemers, Kelleneers, Kellner, Kelner, Kellener, Kallner, Kenler: Beroepsnaam. Middenenderlands kel(le)nare, Duits Kellner: keldermeester.

Keller, Kellers, Kellerman, Kellermann: Duits Keller ‘kelder’.

Kelleter, Kellenter: Duits Kelter: wijnpers, druivenpers. Beroepsnaam van de wijnperser. Duitse beroepsnaam Réitérer, Keltener.

Kelly, Kelley: Iers O’Kelly, O’Ceallaigh, afstammeling van Ceallach ‘oorlog’; op het eiland Man MacKelly; in Schotland plaatsnaam Kelly: in Engeland plaatsnaam Kelly in Devon, Cornisch cell i‘; bos(je)’.

Kelmes. Plaatsnaam Kelmis, Luik.

Keltermann. Duitse beroepsnaam van de Keltener; wijnperser.

Kmlel, de, Kemele, de, Kernels: Bijnaam naar de eigenschappen van de kameel, dialect kernel, bijvoorbeeld lange benen of grote gestalte. Ook huisnaam, bijvoorbeeld in Ieper.

Kemenade, van, Vankemenade, Van (de) Kimmenade, van Cimmenaede, Kiemeneij, Kiemeney, Kemna. Familienaam uit het Middelnederlandse kemenade, kimmenade: kamer met stookplaats, later ook hofstede. Frans cheminée, van Latijn caminata; hofstede, (boeren)woning. Nederduits Kemna(h), van Kemnade. Huisnaam. Kemenade is onder andere een plaatsnaam in Son (Noord-Brabant).

Kemink, Keemink. Vadersnaam. Waarschijnlijk = Fries Kamminga.

Kemland. Plaatsnaam Kammeland in Michelbeke (Oost-Vlaanderen) en Vollezele (Vlaams-Brabant): land van de kam of brouwerij.

Kemme. Nederduitse naam Kempe? Plaatsnaam Kemme? Beroepsnaam van de wolkammer?

Kemmelbeke, van: Waternaam de Kemmel. (West-Vlaanderen).

Kemmel, van, Kemmele, van, van Keemel: Plaatsnaam Kemmel (West-Vlaanderen).

Kemmers, Kemmer, Kemmeren: Beroepsnaam van de (wol)kammer. Middenhoogduits kemmer, Duits Kammer.

Kemmerich. Duitse plaatsnaam in Lingenbach.

Kenmeter, de. Duitse familienaam van Kemenater, Kemeneder: bewoner van een (Middenhoogduits) kemenâte. Zie Kemenade.

Kemnitz. Verspreide Slavische plaatsnaam, Kemnitz in Ostprignitz of Chemnitz (Saksen) (zie Camnitzer).

Kemp, Kempe, Kempen, Kampf, Kämpfe, Kampf, Kemps, Kems, de Kemp, De Kempe, (de) Kimpe, Kimpen, Kimps, Lekimpe, Camp, Campe, Campé, Camps, Cams, Kamp, Kamps, Kampen, Campen, Campens, Caems, Kump, Kumpen, Kumps, Kums, Cumps, Cums, Compe, Compen, Compens, Compes,

Comps: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Campo ‘kamper, vechter’. Vooral Zeeuwse voornaam Kempe. 2. Middelnederlands kampe, kemp(e), kimpe ‘kamper, (kamp)vechter, kampioen, strijder’. 3. Middelnederlands kemp(e)‘bijzit’. Bijnaam voor het kempekind, onecht kind, bastaard. 4. Kemp, variant van Middelnederlands canep ‘hennep’. Bijnaam voor de hennepteler. Vergelijk Duits Hanf, Hanfstengel, Hanfbauer.

Kempen: Kempen kan de verbogen vorm zijn van Kempe, of een korte vorm van van Kempen.

Kempen, van, der, van der Kimpen, Verkimpe, Verkimpen, Verkimpinck, Verkempinck, Verkempynck: 1. Streeknaam de Kempen in Brabant en Limburg. 2. Plaatsnaam Kempen (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Kempenaar, Kempenaars, De Kempenaer, Kempenaere, Kempenaert, Kempeart, Kemepeneer, Kempener, Kempeneers, Kempenheer, Kempenaer, Kempenaers, Kempenart, Kempenaerts, Kempeneer, Kempeneers, Kempener, Kempeners, Kempenaire, Kempenière, Kempeniere, Kempner, Kempineers, Kempiners, Kempinaeire, Kempinair, De Kampener, De Campenaere, Campeneere, Campeneire, Campenaire, Campenaerts, Campenart, Campenaere, Campener, Campinaire, Campenaire, Campenière, Kimpinaire, Kimplaire: Naam van de Kempenaar, afkomstig van de Kempen.

Kempers, Kemper, Kempermans: Variant van Kamper(s). Middelnederlands camper, kemper ‘kampvechter, kampioen’. Duits Kempfer.

Kemperink. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Kamper. Vergelijk Kampers 2, Kampert.

Kempinck, Kempynck, Kempijnck, Fries Kempinga. 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Campo. Zie Kemp 1. Fries Kamping. 2. Plaatsnaam Kemping (Gelderland).

Kempken, Kempkens, Kempkes, Kempgens, Kempchen, Kempk: 1. Afleiding van Kemp. 2. Plaatsnaan, afleiding van kamp: veld. Kempgen, Kempchen in Gilsdorf, Duitsland.

Kemplaire. Waalse verhaspeling van Kempinaire.

Kempter, Kimpter: Aflleiding van plaatsnaam Kempten (Beieren).

Kemsbeeck, van. Reïnterpretatie van Van Kemseeck.

Kemseke, van, van Kemseeck, van Kemscke, van Kemsche, Kimzeke, Kemzeke, van: Plaatsnaam Kemzeke (Oost-Vlaanderen).

Kendra, Gendera. Poolse familienaam Kendera.

Kenens, Keenen, Kenen, Keenens, Kenes, Kens, Kenees, Cenens, Kennens, Kennes, Kennis, Kenis, Ouenis, Keynen, Kynen, Kienen, Kiene, Kinnen, Verkennis: Vadersnaam Kenen, vleivorm van de voornaam Christianus.

Kengen, Kenge: Misschien ontronde vorm van Noors-Deens Kongen ‘koning’.

Kenhove, van, Kenhoven, van, Kennof. Familienaam uit de plaatsnaam Keunhove in Hondegem (Frans-Vlaanderen) of Keunhof in Sluis (Zeeland).

Kenkel. Waarschijnlijk ontronde vorm van Duitse familienaam Kunkel. Middenhoogduits kunkel, van Latijn conucula: spindel, klos, spil. Bijnaam voor een lang opgeschoten man. Vergelijk Duits Kenkelin, van Kunkelin. Zie ook Konkel.

Kenler. Klankverandering van Kelner.

Kenne, van, van Kinne: Aanpassing van De Kenne, Duquenne.

Kennedy: Ierse familienaam C(e)inneidigh ‘lelijk hoofd’.

Kenner, Kenners. Hypercorrect voor Kennes.

Kenneth, Kennet, Kennett: Vadersnaam. Engelse voornaam Kenneth, van Gaëlisch Caioneach 'mooi, knap'.

Kense, Kenze: Bij vadersnaam. Kenen, vleivorm van de voornaam Christianus.

Kent. Plaatsnaam. Engels graafschap. Of plaatsnaam Keent (Nederlands-Limburg, Noord-Brabant).

Kentane. Wellicht aanpassing van de Franse familienaam Quintana, Quintaine: pop gebruikt bij het oefenen voor het steekspel.

Kentie: Wellicht aanpassing van de Franse familienaam Quintier. Beroepsnaam van de ambtenaar die de cijns ontvangt, namelijk le quint of het vijfde van de opbrengst.

Kentin: Vadersnaam. Frans Quentin, de Latijnse heiligennaam Quintinus.

Kepiro, Kipero: Misschien (?) door verkeerde uitspraak van Chapiro, Schapiro, Jiddische familienaam: afkomstig uit Spiers, Duits Speyer (Rijnland-Palts)
Keppel, van, Keppels, Kippel, Kappel. Plaatsnaam Keppel, Overijssel.

Keppens, Keepen, Keepens, Keppenne, Kepenne: Vadersnaam. Brabantse vorm van Cuppens, Coppens.

Kepper, de, Keppers. Beroepsnaam van de kapper, houwer.

Kerbusch. Plaatsnaam Kehrbusch in Erkelenz (Duitsand).

Kerckx. Afleiding van Ker(c)k(e), korte vorm van Van (der)Kerk(en).

Kerdraon. Bretonse familienaam Ker + Traon 'dal'.

Kerf, de, Kerf, Kerff, Kerfs. 1. Bijnaam voor iemand met een kerf, een litteken in het aangezicht. 2. Of variant van Carver(s).

Kerchaert, Kerckhaert, Kerckaert, Kerkaert, Kerchaert, Kerckx, de Kerk, de Kerck, de Kerken: Kerkaert is een -aard-afleiding van van der Kerke(n).

Kerf, de: 1. Bijnaam voor iemand met een kerf, een snee, een litteken in het gezicht. 2. Beroepsbijnaam van de kerver. Vergelijk Carvers.

Kerfyser, Kervyser, Kersyser: Zinwoord: die het ijzer kerft. Bijnaam van een ridder, krijger die in het ijzer (harnas, schild) kerft. Vergelijk Taillefer.

Kergen. Verscherpte en ontronde vorm van Gorgen? Of van Gerken?

Kérignard. Bretonse familienaam Kerignard, plaatsnaam in Sarzeau (Morbihan) of Keringar (Finistère).

Kerjouan. Bretonse plaatsnaam: landgoed van Jouan, Jean.

Kerk, de, de Kerck, de Kerken: Korte vorm voor Van der Kerken. Zie Kerckx.

Kerkaert, Kerckaert, Kerckhaert, Kerchaert: Afleiding van Van der Kerken.

Kerken, van der, van Kerck, van Kerck, Van Kerk, Kerk van de, Kerke, Verkerk, Verkerken, Verkercke, Verkerke. Verspreide familienaam, afgeleid van de woonplaats in de buurt van de kerk of een beroepsactiviteit die met de kerk te maken had: Plaatsnaam ter Kerke, Kerk.

Kerkeneers, Kerkeners, Kelkeneers, Kelkeners, Kerckenaere, Kerkenaere. Naam uit het Middelnederlandse kerkenaer: kerkdienaar, koster.

Kerkens, Kerkenne: Kerreken, Brabantse afleiding van kar.

Kerkhof, van de, den der Kerkhove, van de Kerckhove, van de Kerckhoven, van de Kerchove, (van) van der Kerchove, Kerckhof, Kerckhove, van Kerckhoven,, Kerkhoff, Van de(n) Kerkove, Van Kerchhove, Van de Kerhove, Kerckhove, Kerkhoven, Kerkhofe, Kerkchof, Kerkckhofs, Kerkhofs, Kerckhoffs, Kerckhoff, Kirkhoven, Kirkhove, Kircove, Kerchove, Kerckhoven, Kerhove, Kerchoeve, Kerckhoove, Kerckhoeve, Kerhofs, Kerkovre, Kerkove, Kerkoff, Kerkofs, Van Kerkhoven, (van) Kerkchoven van Kerchove, van Kerchoven, van Kerckoven, van Kerckove, van Kerkove, van kerkoven, (van) Kerkckhove, van Kerkckhoven, van Kerchove, van Kerchoven, van Kerckove, van Kerkcoven, van Kerkoven, van Kerkchove, de Kerckove, de Kerkchove, de Kerchove,....1.Familienaam naar de verspreide plaatsnaam: kerkhof, begraafplaats rond een kerk. 2. Familienaam naar de plaatsnaam Kerkhove (Oost-Vlaanderen) of Kerkhoven (Nederland en Limburg). 2. Plaatsnaam Kerkhove (Oost-Vlaanderen), Kerkhoven (Noord-Brabant, Nederland-Limburg, Belgisch Limburg).

Kerkman, Kerkmans, Kerckmans. 1. Uit het Middelnederlandse kercman: geestelijke. 2. Afleiding van Van der Kerken. Zie Kerken.

Kerkdijk, Kerdijk. Adres-, plaatsnaam.

Kerkmeer, Karmeyer, Kergenmeyer, Kiermeyer, Kiermeer, Kiermer, Kiermaire, Kermaire, Kermer: Beroepsnaam van de kerkmeier: meier in een kerkgebied, beheerder van kerkelijk goed. Vergelijk Duits Kirchmeier, Kerchmeier. Voor de vorrn Karmeyer, vergelijk karspel, kerspel = Duits Kirchspiel: parochie. Kierme(e)r wellicht Oudduits Kirmer, van Kirmeier (vergelijk Kirmes, van Kirchmesse: ker(k)mis).

Kerkmeijer: Beroepsnaam van de kerkmeier ‘meier in een kerkgebied, beheerder van kerkelijk goed’. Vergelijk Duits Kirchmeier, Kerchmeier.

Kerkom, van, van Kerkem, van Kerckhem, van Kerckem: 1. Plaatsnaam Kerkom (Vlaams-Brabant). 2. Kerkom (Limburg).

Kerkovius. Latinisering van Kerkhof.

Kerkovre. Waals hypercorrect voor Kerkove.

Kerkstoel. Vondelingennaam.

Kerkvliet: Waternaam bij Polsbroek (Utrecht).

Kerkvoorde, van, den, van Kerkvoort, (van) Kerckvoorde, van Kerkfort, van Kerkvoort: Plaatsnaam Kerkvoorde bij Evergem (Oost-Vlaanderen).

Kerlen, Kerling: Vadersnaam. Afgeleid van de Germaanse voornaam Karel.

Kerm, van, Kerme, van. Plaatsnaam Kermt, Limburg.

Kermarrec. Bretonse familienaam. Plaatsnaam; gehucht, domein van de ruiter.

Kermesse, Kermis, Kermisch, Kermiche: Bijnaam naar de ker(k)mis, voor een kermisvierder of iemand die op kermissen optreedt. Vergelijk Nederduits Selemisse, Vromisse, Hogemisse.

Kern, Kernen, Keerns, Kerns, Kerren, Kerrens, Kerres, Kerris, Kerens, Keren, Keerens, Keeren, Kehrens, Kehren, Keirens, Cerrens, Kernus, Kirens: Middelnederlands kern(e), keern(e)‘pit, kern, zaadkorrel’. 1. Beroepsbijnaam of bijnaam voor een puike kerel. Vergelijk Duits Kern. 2. Vadersnaam Keren, van heiligennaam Quirinus. Vergelijk Carrin, Ker(r)inckx.

Kerner: Duitse beroepsnaam van de voerman = Middelnederlands carrenere.

Kerpel, de, Kerpelt, de Kelper, (van) Carpels, Kalpers. Bijnaam of beroepsnaam naar de visnaam karper. Fervent visser, verkoper, kweker. In het Westvlaams karpel of kerpel, in Brabant kelper.

Kerpel, van. Plaatsnaam. 1343 Carpen.

Kerrebijn: Variant van de familienaam Carabin, Karabin ‘lichte ruiter, gewapend met karabijn’.

Kerrebroeck, van, Kerrebroek, van, (van) Kerrebrouck, van Karrebroeck, Carrebrouck: Plaatsnaam Karrebroek, Kerrebroek: moeras met teenwilgen; in Lokeren, Aalst, Lebbeke (Oost-Vlaanderen).

Kerremanshoek. Plaatsnaam naar de familienaam Kerremans.

Kerrinck, Kerrinckx, Kerinckx. Vadersnaam uit de heiligennaam Quirinus. Vergelijk Carrin.

Kersschaever, van, Kerschaever, van, Kerschaver, van, van Kershaver, Kersehaver, Kerschaven: Plaatsnaam Kersgaver: gaver waar waterkers groeit. Een gaver in drassige grond. Vlaamse familienaam (van) Kers(s)cha€ver.

Kersavond, van, Kersvont. Bijnaam Kerstavond, vergelijk Kersdag. (vondelingennaam).

Kers, Kerssens, Kersse, Kerssen, Kersjes, Kessens: 1. Beroepsbijnaam van de kersenteler of –handelaar. Vergelijk Duits Kirsch. 2. Spelling voor Keers ‘kaars’ of van Kers-Kerres.

Kersbergen, van, Kersberg, Kersberger, Kerszberg, Kersberch, Karsbergen, Carsbergen. 1. Plaatsnaam, ridderhofstad bij Zeist, nu Kersbergen. 2. Duitse familienaam Kerschberg(er) van plaatsnaam Kerschberg (Beieren).

Kersbulck: Vlaamse familienaam (van) Keers€bilck, van Keersbulck, met nog veel andere spellingvarianten. Plaatsnaam Kersbilk ‘bilk, blok, omheind stuk waar waterkers groeit’.

Kerschkamp. Duitse plaatsnaam Kirskamp in Velbert.

Kerschot, Kersschot: Plaatsnaam Ke€rschot in Hoogstraten en Rijkevorsel (Antwerpen).

Kersdag. Naam van de kerkelijke feestdag: Kerstdag. Vergelijk Duits Weihnacht, Engels Christmas.

Kersebeeck, van, Kersbeeck, Kerssebeeck, (van) Kersbeeck, Kersbeek, Kèsebeeck, Kesbeke, van Kesbeeck, Kissembeek: 1. Plaatsnaam Kersbeek (Vlaams-Brabant): beek waar waterkers groeit. 2. Een enkele keer reïnterpretatie van Kors.

Kerseboom, Kesseboom, Kersseboom, Karsseboom: 1. Naar de woonplaats bij een kersenboom of bijnaam voor kersenteler. Vergelijk Kerselaer(s), Kirschenbaum.

Kerselaer, Kerselaers, Kerslaers, Kerseleers, Kersselaers, Keselaer, Keyseler, Kersclaers, Kesselaers. Bijnaam voor de kersenteler/-verkoper of uit de verspreide plaatsnaam Kerselaer: kersenboom. Zie ook Kesselaers.

Kersteman, Kesteman, Questeman, Kasteman, Casteman, Castaman: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Kerstiaan, Latijnse heiligennaam Christianus. Vergelijk Duits Christmann; Kesteloot = Casteloot (van kerst = karst). 2. Eventueel bijnaam. Christen.

Kerstens, Kersten, Kerstjens: Vadersnaam. Kersten is de Nederlands vorm voor de heiligennaam Christinus, verkleinvorm van Christianus of Christus. Kerstjens is de verkleinvorm.

Kerstgens, Kerstges, Kerschgens, Keschtges, Keischgens, Kersjes, Kerstjes, Kerskens, Karskens: 1. Vadersnaam. Afleiding van Kerst, Christ, van heiligennaam Christianus. Vergelijk Duits Christle, Christel, Krischke. 2. Afleiding van kerse: kers. Bijnaam voor kersenteler of-koopman. Vergelijk Duits Kirschenbeifier, Kirschenesser. Familienaam Kirschke (Silezië).

Kerte, de. Dekerte is waarschijnlijk een Waals/Oost-Vlaamse aanpassing van Descarte(s).

Kerten, Kertens. Waarschijnlijk variant van Kürten, Cortens.

Kerzman, Kerzmann. Duitse beroepsnaam van de kaarsengieter.

Keser, Kézer, Kezer: Beroepsnaam. Nederduits Keser = Kieser: keurder, proever.

Kesnig. Plaatsnaam, Duitsland, Limburg.

Kesselaers, Kesselaar: 1. Inwoner of afkomstig van Kessel. 2. Door assimilatie rs/ss uit Kerselaar, bijnaam voor een kersenteler of verspreide plaatsnaam Kerselaar ‘kersenboom’.

Kessner, Kessener, Kesneer, Kesner: Variant van Duitse familienaam Kastner, Kestner. Middenhoogduits kastenaere, kestener: beheerder van de graanschuur (Kornkasten), inner van de graantienden, belastingen, rentmeester.

Kes: Door assimilatie rs/s uit Kers? Variant van Kees? Of van Kos, Kors (Corstiaan, van Christiaan)?

Kest. Door assimilatie rs/s van Kerst.

Keskin. Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Nicasius.

Kestelier, de. Middenvlaams kenselier, Middelnederlands canselier, Picardisch cancelier: hoofd van de kanselarij, uitvaardiger van oorkonden, grootzegel-bewaarder, kanselier.

Kesteloot, Kestelot, Kersloot, Casteloot, Castelot, Cerstelotte: Vadersnaam. Kersteloot, afleiding op –lot van de voornaam Kerstiaan, Christianus.

Kestenbaum, Kesztenbaum, Kösten: Duitse plaatsnaam Kestenbaum: kastanjeboom.

Kesteren, van. Plaatsnaam Kesteren (Gelderland) of Kester (Vlaams-Brabant).

Kestermans, Kestetnont, Kestertnont, Kestremond, Kestremont: Afleiding van Van Kester(en).

Kesternich, Kesternick. Duitse plaatsnaam Kesternich.

Kesters. 1. Plaatsnaam Kester (Vlaams-Brabant). 2. Zie De Keister.

Kestier. 1. Zie Questier. 2. Variant van Kastier, van Casier.

Kesting. Door assimilatie rs/ss van Kersting; zie Christyn.

Kestre. Plaatsnaam Kester (Vlaams-Brabant) of variant van De Keister?

Kervink, (van) Kervinck, Korving, Kurvink: Plaatsnaam Carvin (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Kesbeke: Door assimilatie rs > s uit plaatsnaam Kersbeek (Vlaams-Brabant) ‘beek waar waterkers groeit’.

Kessel, Kexel: Duitse beroepsbijnaam Kessel van de ketelsmid. Vergelijk Ketel.

Kessel, van; van Kesselen, Kessels: Plaatsnaam Kessel (Provincie Antwerpen Noord-Brabant, Nederland Limburg, Vlaams-Brabant, Noordrijn-Westfalen). Of Kessel-lo (Vlaams-Brabant).

Kest: Door assimilatie rs > s uit Kerst.

Kesteloot, Kesteloo, Kestelot, Kersloot, Castelot, Casteloot, Cerstelotte: Vadersnaam. Kesteloot, van Kersteloot, verkleinvorm op –lot van de voornaam Kerstiaan, Christianus. (zoon van).

Kert: Variant van Kürt of Kort?

Ketel, van den. Huisnaam De Ketel, naar het uithangbord van de ketelsmid of de brouwer (brouwketel).

Ketel, Ketele: Beroepsbijnaam van de ketelsmid. Of bijnaam naar de huisnaam.

Ketel, van, Ketel, Ketele (de), Quetel, Ketels, Kettel, Kettels, Kettelle, Ketelle, Ketelsen: Huisnaam de Ketel, naar het uithangbord van de ketelsmid of brouwer (brouwketel). De Ketel was ook de naam van een polder bij Moerdijk (Noord-Brabant).

Ketelare, de, (de) Ketelaere, De Ketelacre, de Keteleer, de Keteler, Ketelaar, Ketelaars, Ketelaer, de Ketelaere, Ketelaers, Ketelaerts, Ketelars, Keteleers, Keteleer, Ketelers, Ketelair, Keetlair, Ketelaire, Kettelair, Kettler, Kesseler, Kessler, Keszler, Kesler. Beroepsnaam van de ketelaar, ketellapper, ketelsmid. Duits Kessler.

Ketelbant. Beroepsnaam van de ketelbinder, kuiper, die hoepels maakt om ketels en vaten. Vergelijk Duits Fassbinder.

Ketelbutter, de, Ketelbuters, Ketelbueters: Middelnederlands ketelboeter, ketelbueter: ketellapper. Beroepsnaam.

Ketellaper. Beroepsnaam van de ketellaper.

Ketelslagers, Ketelslegers, Kettelslegers, Keterslegers: Beroepsnaam van de ketelsmid.

Keter, de, Keters. Onduidelijk.

Kethulle, de la, Catulle: Plaatsnaam Keithulle in Huise (Oost-Vlaanderen).

Kets, (van); Ketz: Plaatsnaam Kets (Noord-Holland).

Ketser, Katsers, Katzer: 1. Beoepsnaam. Middelnederlands ketser: onderverkoper, koopman. 2. Bijnaam voor een kaatser, balspeler.

Ketsman, Keytsman: 1. Afleiding van Van Kets. 2. Beroepsnaam van de ketser; zie Ketser.

Kettenmann. Kettmann. Beroepsnaam van de smid die kettingen maakt.

Kettenhoven. Plaatsnaam Kattenhofen, Moselle.

Kettenis, Kettenisz, Ketteniss, de Kettenis, Kathenis, Cathenis. Plaatsnaam Kettenis, Eupen.

Kettenmeyer. Ontronde reïnterpretatie van Oudhoogduits Kottemeier: eigenaar van een kotte: graanschuur. Familienaam Kettemer.

Ketter, Ketzer: Bijnaam. Middenenderlands catter, Duits Ketzer: ketter, iemand die afwijkende meningen verdedigt, ongelovige, slecht mens.

Ketterer. Moedersnaam, van Katharina?

Ketteridge. Engelse vadersnaam. Germaanse voornaam ketil-rîk, Angelsaksisch Cytelric.

Ketterizsch. Ontrond van plaatsnaam Kôtteritzsch.

Ketterij, van de: 1787 Cornelis Jacobse van de Ketterij, Arnemuiden, was zoutmeter en dus werkzaam in de keterie, namelijk in de zoutketen.

Ketting: Aanpassing van Frans Quétin, van de voornaam Quentin.

Keufgens. Afleiding van Middelnederlands, Middennoordduits kuve: kuip, vat. Beroepsnaam van de kuiper.

Keukelaer, Keukelaere, de, Keukelare, Keukeleere, Keukelaire, Keukeleire, Keukelaar, Keukeleire, Keukelier, de Keuckelaere, Keuckeleire, de Ceukeleer, Ceukelaere, Ceukelaire, Ceukeleire, Ceukelier, De Ceuckelare, Ceuckeleire, Ceuckelier, Cucelaire, Kokelaere, Cocllelaer, Colelaer, Colelaere, Coquelaere, de Koekelare, Koekeloere, Koeckelaers, Gokelaere, Kokenler. Familienaam uit het Middelnederlandse cokelare: tovenaar, goochelaar. Duits Gaukler.

Keukenbroeck, van: Plaatsnaam, misschien Kogenbroich (Noordrijn-Westfalen).

Keukelinck, Keukelin, Keukeling. 1. Zie Coquelin. 2. Ook variant of afleiding van Keukelaere.

Keuken, van der, van Kueken, van Kuiken: Beroepsnaam voor de kok, iemand verbonden aan de keukendienst, aan een gaarkeuken. Vergelijk (de) Kok.

Keulebroek, van: Door wisseling van n/l van van Keunebroeck. Plaatsnaam Koningbroek in Maarke-Kerkem (Oost-Vlaanderen).

Keuleers, Keulers, Keuller, Ceulaers, Keulartz, Ceuleers, Ceulers, Cuelers, de Ceulaer, de Keulhart, de Ceulaerde, de Ceular, Culer. Vadersnaam. Variant met gepalataliseerde vocaal (o/eu) van Colaerts. Zie Collaert(s).

Keulemans, Ceulemans, Ceulemants, Cuelemans, Cuelemants, Culemans: 1. Afleiding van de stadsnaam Keulen: Keulenaar. Vadersnaam. 2. Variant van Colemans, afleiding van Nikolaas. Zie Colman

Keulen, (van); Ceulen, van Colen, van Kolen, van Kol, van Koll: Plaatsnaam Keulen, Duits Köln (Noordrijn-Westfalen).

Keulenaar (de), Keulenaer, Keulenaere, de, (de) Keuleneer, de Keuleneir, Keuleneire, Keuleneers, Keulener, de Kueleneer, Keulenner, Ceulenaere, Ceulenaers, Cuelener, (de) Ceulenaer, Cueleneer, (van) Culemaere, Cuelenaire, de Ceulener, Ceuleneere, Cueleneire, Cuelenaere, Cullenaire, Culnaire, Deculenaire: Keulenaar, afkomstig van Keulen.

Keur: 1607 Herman den Cuer = 1609 Herman Melchiors Cour = Harmen de Dachcour, Zutphen. Het voorzetsel de is dubbelop, want Dachicourt = d’Achicourt, Plaatsnaam in Pas-de-Calais.

Keurentjes: Vadersnaam. Verkleinvorm bij voornaam Cornelius.

Keurlinckx, Ceurlinx: Keurlingen waren door het lot aangewezen soldaten. Maar wellicht gaat het om een variant van Curinckx (met diss. r/rl en invloed van het -ling-suffix).

Keuterick, Keuterickx, Ceuterick, Cueterickx, Ceutrick, Ceutrickx, Kotterinck, Kotterik. Afleiding van het Middelnederlandse coter, keuter: bewoner van een kleine boerderij, keuterboer.

Keutgens, Koetje, Kuetgens, Keutiens, Köttgen. Vadersnaam. Verkleinvorm van de vornaam Kurt, Konrad.

Keuvelaar: Middelnederlands covelaer ‘geestelijke broeder, monnik’, die een covel, cuevel ’kap, mantelkap’ draagt’.

Keuwer, de. Afleiding van Middelnederlands cuwe, keuwe: kuip, vat. Beroepsnaam van de kuiper.

Kevelaer, Kevelaerts, Kevelaers, Kevelaars, Keevelears: Afleiding van Middelnederlands kevel: tandeloos. Bijnaam.

Kevelar, van. Plaatsnaam Kevelaer. Duitsland.

Kevenaar: Misschien door wisseling l/n uit Kevelaer, afleiding van Middelnederlands kevel ‘tandeloos’.

Kever, de, Kevers, Kever, Kaivers: Bijnaam naar enige gelijkenis of verband met een kever.

Keij, Key, Keij, Keyen, Keijen, de Keye, de Key: Bijnaam naar een of andere gelijkenis met een kei (bijvoorbeeld kale schedel)? Of vroeg Nederlands keye ‘dwaas’. Of West-Vlaamse kei ‘gierigaard, koppigaard’.

Keyaert, Keyaerts, Keyaertz, Keijaerts, Keijrts, Keijers, Keyerts, Keyers, Kayaerts, Kayart, Kayarts, Caeyers zijn Brabantse vormen van bovenstaande. 1. Bijnaam voor een dwaas, een gek. 2. Verkorte vorm van Van de Keyaert: plaatsnaam die duidt op de aanwezigheid van veel keien. Vergelijk Callewier. 3. Vorm van Keyngnaert. Plaatsnaam in Oudenburg, uitgesproken Keiaard.

Keyberg, Keybergh, (van) Keyenberg), (van) Keyenbergh, (van) Keijenberg, Keijenbergh: 1. Verspreide plaatsnaam Keiberg. Maar deze Brabantse familienaam gaat waarschijnlijk op een Brabantse plaatsnaam terug, bijvoorbeeld 1328 supra Keybergh, Lv. 2. Keienberg soms dialect van 1340 Coudenberghe, Kumtich.

Keybus, van den, Vandekeybus, van de, (den) Keijbus. Familienaam uit de plaatsnaam Keebus(ch) in onder andere Dikkebus (West-Vlaanderen) en mogelijk ook in de Noorderkempen.

Keyderner, Keydeners, Keijdern, Keijdeners. Wellicht aanpassing van Duits Kàtner: keuterboer.

Keykens, Keykens, Keijken, Keijkens, Keikens: Afleiding van Key. Bijnaam.

Keymacker. Beroepsnaam van de kaaimaker; stratenmaker. Vergelijk Caeymaex.

Keymolen (van), (van) Keymeulen, (van) Keijmolen, Keijmeulen, van Keijmeulen, van Kemeulen, Keymol, Keimeul, Ceymolen, Ceymeulen, Keymolden. Familienaam uit de plaatsnaam Keimolen in Kaster (West-Vlaanderen) en Kruishoutem (Oost-Vlaanderen). Of wat het meest logisch lijkt op basis van de verspreiding van de naam Keymolen en varianten: naar de wijk Keimolen in Moorsel bij Aalst (Oost-Vlaanderen). In datzelfde dorp was ook een steengroeve voor zandsteenwinning. Dit maakt deze locatie nog waarschijnlijker.

Keijl: 1. Duits familienaam Keil, Middelhoogduits kil, Duits Keil‘ wig, keil’. Bijnaam voor een lomperd. 2. Variant van Kegel (vergelijk Middelnederlands segel, van zeil). Middelnederlands kegel, keil ‘kegel; keg, wig’.

Keijmel: Spellingvariant van de familienaam (de) Kemel. Bijnaam naar de gelijkenis met een kameel (lange benen?). Ook huisnaam, bijvoorbeeld in Ieper. De Zeeuwse Keijmels stammen van Salzburgse immigranten. De Zeeuwse naam is een aanpassing van Duits Kaimel, Kämel, Kaiml, Kambl ‘kameel.

Keyn, de, de Keyne, Dekeijn, Dekeine, Dekein, Kein: 1. Vlaamse aanpassing van De Kain. Zie Dequin. 2. Misschien aanpassing (met vertaling van lidwoord) van Picardisch Lekain : Lechien, de Hond. Zie (de) Kien. 3. Eventueel Vlaamse. aanpassing van Duquaine. Zie Duchêne.

Keijn: Uit Dekeijn, Dekein, aanpassing van De Kain, Dequin. Plaatsnaam Kain (Henegouwen).

Keijster, de: Ook de Keister. Beroepsnaam. Oudfrans Coistre ‘koksjongen’.

Keyzerswaard, van, van Keyserwer: Plaatsnaam Kaiserwerth (Duitsland).

Kezel, de; de Kesel, Kesele; Bijnaam. Middelnederlands Kezel ‘kiezelsteen, kei’. Een behendige werper? Vergelijk Keij. Vergelijk de Duits familienaam Kesel = Kiesel.

Khan, Nanhekhan, Hassankhan, Ramlakhan, Khanna, Mahawat Khan, Qan. De familienaam Khan is ondermeer afkomstig uit Pakistan, Afghanistan, India, Brits Guyana en Suriname. Betekent heerser in Mongools en Turks, vrouwelijke vorm is Khatoun.

Khaouiry. Arabische naam met 'mogelijk' betekenis: weldadig, gul of priester/imam.

Kibbe, Kiebbe: 1. Vadersnaam. Bakernaam. 2. Variant van Kiepe?

Kicheleer. Beroepsnaan. Duits Kiechler, Zwabische ontronde vorm van Küchler: koekenbakker.

Kichelmächer. Duits dialect ontronde vorm van Küchelmacher: koekenbakker. Beroepsnaam. Vergelijk Kicheleer.

Kichels, Kiggels, Kikels. Verdwenen familienaam die wellicht teruggaat op het Duitse küchel (: koek). Beroepsbijnaam van de koekenbakker.

Kick, Kickx, Kicq, Kiek, Kik, Kiec, Kix: Afleiding van werkwoord kikken: een kik geven. Bijnaam voor een zwijgzaam iemand?

Kiebach. Ontronde vorm van Duitse plaatsnaam Kühbach (Beieren).

Kieboom, van den, Kieboom, Kiebooms: Plaatsnaam Kieboom, van Kienboom ‘dennenboom, sparrenboom’.

Kieffer, Kiefer, Kifer: 1. Nederduitse en Oudduitse bijnaam. Afleiding van Middenhoogduits kîfen: kijven, twisten. Vergelijk Keifer. 2. Duitse ontronde vorm van Kufer: kuiper. Of van Kiefer; dennenboom?

Kiehl, Kihl: Ontronde vorm van Duits Kühl: koel, rustig, onverschillig, onverstoorbaar. Bijnaam.

Kieft, van der: Plaatsnaam Kieft(e)in Raalte, Overijssel en Deventer Overijssel.

Kiekebosch: Volksetymologische vervorming van de Vlaamse familienaam Kiekepoos, die zelf al een aanpassing is van Frans Quiquempois, Quiquenpois, Quinquenbois. Plaatsnaam Quicampois, een molen in Bazuel bij Kales (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen): Oudfrans cui qu’en post ‘tot spijt van wie ’t benijdt’.

Kiekeman, Kiekemans. Beroepsnaam van de poelier, pluimveehandelaar. Vergelijk Kiekens.

Kieken, Kiekens, Kiecken, Kieckens, Kicken, Kickens, Kuiken, Kuyken, Kuykens, Kuyckens, Kuijken, Kuijckens, Cuijkens, Cuyken, Cuykens, Cuyckens, Scuijkens, Keukens. Zuidnederlands kieken, Nederlands kuiken. Beroepsnaam van de poelier, de pluimveehandelaar.

Kieken, van. Familienaam in Frans-Vlaanderen. Plaatsnaam?

Kiekheben. Nederduits Kiekheben: kiek hâven. Nederduits heven, hâven, Engels heaven: hemel. Bijnaam voor iemand die naar de hemel kijkt. Vergelijk Duits Sternldker, Himmelseher.

Kiel: Middelnederlands kidel, kedel ‘kiel, wijd en kort overkleed’. Bijnaam naar het kledingstuk.

Kiel, van. 1. Plaatsnaam Kiel (Antwerpen). 2. Plaatsnaam Kiel (Duitsland). Kielbaey: Engelse familienaam.

Kiela: Misschien aanpassing van Frans Quillard, Quillat ‘kegelaar, kegelspeler’.

Kielder: Misschien uit Duits Kieler, afkomstig van Kiel (Sleeswijk-Holstein).

Kieldonck, van, van Kildonck, Kilsdonck: Plaatsnaam Keldonk (Noord-Brabant).

Kielen: Wellicht vadersnaam, van Kilianus.

Kielich. Ontronde vorm van Duits Kulich, van Oostduits-Slavisch Kulicke, afleiding van Pools kula: bol of kulik, kulig: meeuw.

Kielman: 1. Killeman, afleiding van kil ‘koud’. 2. Afleiding van Plaatsnaam Kiel (Coevorden, Provincie Antwerpen, Sleeswijk-Holstein).

Kielstra: Friese afleiding van Kielen of van Kiel.

Kien, de. Aanpassing van Picardisch Lekien: de Hond.

Kienhuis, Kienhorst, Kien, Kienhuize. Adres-, plaatsnaam.

Kienzel, Kincel, Kinczel, Kinzl, Kienzle, Kienzlé, Kintzele, Kintzelé: Vadersnaam. Duits dialect (Zwaben) ontronde vorm van Künzel, Kunzel, afleiding van Kunz, Konrad.

Kiep, Kiepe, Kip, Kipp, Kippes, Kips: 1. Middenenderlands kiepe: korf, mand, rugkorf. Beroepsnaam van de mandenvlechter. Vergelijk De Kieper. 2. Middelnederlands kip, kijp, Middennoordduits kip: pak of bundel huiden of vlas. Beroepsnaam.

Kieper, de, de Kieber, (de) Kiper, Kippers, Kippes: Afleiding van Middelnederlands kiepe: korf, mand. Beroepsnaam van de mandenvlechter. Vergelijk Corvers, Nederduits Kieper, Kiepenheuer.

Kieret: Nederlands spelling van de Frans familienaam Quiret, verkleinvorm van de heiligennaam Quirinus.

Kiers, Keers, Keersch, Krijnen, Krynen. Vadersnaam bij de voornaam Kier/Keer, verbogen met een -s (van Kierszoon). De oorsprong van deze voornaam is onduidelijk. De naam is mogelijk in verband te brengen met Quirinus, al zou men dan eerder de naamvorm Krien of Krijn verwachten. Kan afgeleid zijn van kaars of van kers, de laatste twee met Quirinus.

Kierszenczweig. Joods-Duitse familienaam Kirschenzweig: kersentwijg.

Kies, Kis, Kiss, Kisz, Kiz. Naam uit de verspreide Duitse plaatsnaam Kies: kiezelgrond.

Kiesecoms, Kiesekoms: Plaatsnaam Kiezegem (Vlaams-Brabant).

Kiesel, Kissel, Kiessel, Kieszl, Kieselstein, Kisselstein, Kiselstein: Bijnaam. Middenhoogduits kisel: kiezelsteen, hagelsteen. Vergelijk De Kezel.

Kiesenberg: Plaatsnaam (Beieren).

Kiesewetter, Kizeweter: Bijnaam voor iemand die het weer observeert, weerprofeet. Duits kiesen: keuren.

Kiesler, Kisler, Kissler: Afleiding van plaatsnaam Kies, Kiesel: kiezel.

Kiessling, Kisling: Duits Kiesling, Middenhoogduits kiselinc: kiezelsteen. Vergelijk Kiesel, De Kezel.

Kieviet, (de) Kievit, Kievitt, Kievith, Kievits, Kiewiet, de, Kiewit, Kiewitz, Kiewitt, Kiviet, Kivits, Kivit, Kieft: Bijnaam naar de vogelnaam, de kieviet. Vergelijk Duits Ki(e)bitz. De vogel speelde een grote rol in het volksgeloof.

Kiggen, Kegge: Middelnederlands kigge, kegge: ijzeren wig. Beroepsnaam.

Kijvere, de, de Kyver, de Kyvere: Aanpassing (met vertalingvan lidwoord) van Picardisch Laquièvre, Frans Lachèvre: de geit. De reïnterpretatie 'kijver' is te begrijpen via Picardische uitspraak kivre.

Kik: Afleiding van het werkwoord kikken ‘een kik geven’.

Kikkert, Kickert, Kikker, Kikkers: 1. Familienaam afkomstig van de plaatsnaam Kikkert, die voorkomt bij Delft (Zuid-Holland), bij Enkhuizen (Noord-Holland) of een andere plaatsnaam elders (Kikkert zou een rustig gelegen plaats in één van voorgaande gemeentes kunnen zijn). 2. Mogelijk is de familienaam afgeleid van de voornaam Kik, een koosvorm van Keke (Cornelis). In dit geval een vadersnaam. 3. Mogelijk verwijst de naam ook naar de kikker (het dier), dat in de vorm van een huisnaam, hetzij een uithangbord, hetzij een bijnaam overgegaan is op een familienaam.

Kil: Bijnaam, kil ‘koud’. Vadersnaam, bakernaam? Of korte vorm van heiligennaam Kilianus.

Kilbaert, Kilbert. Misschien variant van Gilbert, metg/k- verscherping.

Kilesse, Kileste, Kelles: Waalse familienaam. Misschien Waalse aanpassing van Duits Kilius = Kilian.

Kilianus, Kilian, Kilians, Killian: 1. De lexicograaf Cornelis van Kiel (Duffel ± 1530, Antwerpen, 1607) latiniseerde zijn naam tot Cornélius Kilianus Dufflaeus. 2. Vadersnaam. Heiligennaam Kilianus, van Keltische oorsprong.

Kiliç, Kilic, Kiliçaslan, Kiliçkaya, Kiliçoglu, Erciliç, Karaciliç. De familienaam Kiliç of Kilic is afkomstig uit Turkije, betekent zwaard.

Killem, van. Plaatsnaam Killem, Frans-Vlaanderen.

Killemaes, Kilemoes, Killemoes, Kielemoes, Kielmoes: Uit Killemans, Kielemans. 1. Bijnaam. Afleiding van kil: koud. 2. Afleiding van plaatsnaam Kiel (Antwerpen, Duitsland). 3. Drager van een kiel. Vergelijk Kiel.

Killingbroeck. Engelse plaatsnaam Killingbrook?

Kilsdonk, van. Plaats- adresnaam, Dinther, Oosterhout.

Kimenai: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord (ai < ade) uit Kimmenade, van van Kemenade, ook Kemna. Middelnederlands kemenade, kimmenade ‘kamer met stookplaats; hofstede, boerenwoning’, uit Latijnse caminata, waaruit ook Frans Cheminée ‘schoorsteen’. Nederduits Kemna(h) van Kemnade. Plaatsnaam in Son (Noord-Brabant).

Kimmel, Kimel, Kiemmel: Ontronde vorm van Duits Kümmel ‘karwij, komijn (kruid)’. Bijnaam.

Kimmer. Duitse beroepsnaam van de kuiper.

Kimmlingen. Plaatsnaam. Rijnland-Palts.

Kin, Kinne: 1. Bijnaam voor iemand met opvallende, uitstekende of scherpe kin. Engels Chin(n).

Kinaple, Kinable, Kinabel. 1. Familienaam in Limburg en Luik. Nederduits kienappel, Duits Kienapfel: pijnappel. Ook Scandinavische familienaam Kienapel, Kinapel, 2. De naam kan hypercorrect zijn voor Kinappe, aangezien -ape als -able werd opgevat.

Kinappe, Kinappen, Kinapen, Kinapenne, Kinaupenne: 1.Verwaalsing van Knapen. 2. Eventueel door Waalse pl/p-reductie, van Kinaple.

Kinard, Kinart, Kinaert, Kinarz, Kinat, Kina, Kinas, Kinnard, Kinnar, Kinnart, Kinnaer, Kinnaert, Kinnear, Kinnaes, Kinna, Quinard, Quinart, Quinna, Quenard. Vadersnaam uit voornamen als Jacquin/Jackin, Florquin/Florkin, Rasquin/Raskin, Josquin/Joskin,.. waarbij het voorste naamgedeelte wegviel. De verkleinvorm kin/quin bleef bewaard en groeide uit tot een zelfstandige familienaam.

Kind, (de); (de) Kindt, Kindts, Kints, Kint: Ook Kint, naast logischer ’t Kint, Tkint. Middelnederlands kint‘ kind, jongeling; jong ridder, knecht, dienaar’.

Kindekens, Kindgen, Kintgen, Kentjens: Bijnaam. Afleiding van Kind. Middelnederlands kindekin was ook een maat, een vaatje, ton.

Kinderdijk: Plaatsnaam in Alblasserdam en Nieuwlekkerland (Zuid-Holland).

Kinderen, (van) der Kinderen, Kinder, de Kindere, (de) Kinders, Kinder, Derkinderen, (van) der Kindere, Kinderen, van de Kinderen, Verkindere, Verkinderen, Verkindre, Verkindet, Verkindert, Verkyndere, Verkynderen, Verkyndt, Verkainder, Verkaindere,: Eigenlijk Derkinderen, afleiding meervoud ‘van de kinderen’;(van… de vadersnaam zelf is weggevallen) vergelijk Frans Desenfants, Lesenfants, Auxenfans.

Kindermans, Kindermann. Afleiding van de vorige familienaam.

Kinet, Kinnet, Quinet, Quinez. Verkorte vorm/knuffelvorm van Jacquinet, Frankinet, Rasquinet.

Kinique, Kiniques. Waals kinike: balletje, teelbal. Bijnaam. Vergelijk Cloet.

Kinkartz, Kickartz, Kinker, Kinck: Afleiding van Middelnederlands quinken: zich snel bewegen, op en neer gaan, flikkeren, schitteren. Vergelijk Quinke.

Kinkin, Kikin: Vadersnaam. Dubbel suffix -kin. Dus vleivorm van een vleivorm op -kin, zoals Florkin, Raskin enz. Vergelijk Kinet.

Kinon, Quinon, Quiingnon, Quignon, Kignon: Vadersnaam. Afleiding op -kin (-quin), bijvoorbeeld Florkin, Renkin, Wilkin; of korte vorm van bijvoorbeeld Jacquinon, Hackinon. Voor Quignon, vergelijk Quinet = Quignet.

Kinot, Kinots, Kino, Kinoo, Quino. 1.Vadersnaam, knuffelvorm van een -kin,-quin-uitgang, zoals bijvoorbeeld in Florquin, Josquin. 2. In de Westhoek wordt Kino(o) met een scherpe-lange O uitgesproken, zodat het daar ook een afleiding kan zijn van Quesnoy: plaatsnaam uit het Picardisch kaisnoit: eikenbos.

Kingma, Kingmans: Vadersnaam. Afleiding van de Friese voornaam Kinge, vleivorm uit de kindertaal voor Rinse, Rinske, van Rein-naam.

Kinket: Vernederlandsing van de Frans familienaam Quinquet. Verkleinvorm van Oudfrans quinque ‘kolfspel’. Bijnaam voor een speler. Oudfrans quinquette is ook de naam van een vis. De quinquet ‘olielamp, petroleumlamp’ (1789), werd uitgevonden door de fysicus Argand omstreeks 1782, maar vervaardigd en geperfectioneerd door de apotheker Quinquet, die er zijn naam aan gaf.

Kinsbergen. Plaatsnaam. 1391 Kinsberghe bij Dalfsen (Overijssel).

Kinsch. Wellicht spelling voor Kins-Kints.

Kinschot, van den, Kinschots: Plaatsnaam Kinschot in Tnh. en Hoogstraten (Antwerpen).

Kinsman. Middelnederlands kinne; verwant. Vergelijk Engels kinsman.

Kinsy, Plaatsnaam Quincy (onder meer Meuse, Seine-et-Marne, Aisne)?

Kint, Kints, Kins, Kyns, Tkinddt, Tkindt, Tkindt, Tkint, t'Kindt, t’Kint, ‘Tkindt, 't Kint, Kinds, Kintz, Kindt, Kindts, D'Kindt, (de) Kyndt, Dekindt, de Kijndt, Kyndts. Dit zijn allemaal varianten van dezelfde Middelnederlandse naam kint. Dit kan onder andere afgeleid zijn van: kind, aankomende jongen of meisje, jong ridder, jongeman van aanzienlijke geboorte, dienaar, adellijke bastaard.

Kintz. 1. Zie Kints. 2. Vadersnaam. Duits Kinz, ontrond van Kunz, Kûnz van Konrad.

Kip, Kips: Middelnederlands kip, kijp, Mnd. Kip ‘pak of bundel huiden of vlas’. Beroepsbijnaam.

Kipgen. Rijnlands afleiding van Kip(p) (zie Kiepe) of van Middennoordduits kipp: punt, tip (bijvoorbeeld van muts, vandaar vaak veldnaam).

Kippenberger. Limburgse of Nederrijnse plaatsnaam?

Kippersluis (van), Kippersluys. Familienaam naar de plaatsnaam Kippersluis: een sluis met een kantel(kipper)mechanisme. De plaats moet gelegen zijn (of is) in de buurt van Utrecht.

Kiraly. Hongaarse afleiding van Pools Krol: koning, van Karol; Karel de Grote.

Kirbach, Kirpag. Duitse plaatsnaam van Kirchbach, onder meer in Beieren.

Kirberg, Kirberger. Duitse plaatsnaam.

Kirbis, Kirbisch. Ontrond van Duits Kurbis: pompoen. Beroepsnaam.

Kirch. Duitse plaatsnaam Kirche: kerk. Of hypercorrect voor Kirsch?

Kirchberger. Verspreide Duitse plaatsnaam Kirchberg.

Kirchen, Kirchens. Verspreide Duitse plaatsnaam Kirchen, van Kirchheim.

Kirchhof, Kirchhoff, Kirchhofer, Kirchhöfer: Duits Kirchhof: kerkhof. Plaatsnaam.

Kirchman, Kirchmann. Pendant van Kerkman.

Kirchner. Duitse beroepsnaam van Middenhoogduits kirchenaere: koster. Vergelijk Kerkeneers.

Kirkels, Kierkels: Duitse plaatsnaam Kirkel.

Kirkland, Kirtland, Kertland: Plaatsnaam Kirkland.

Kirkpatrick. Kerk genoemd naar Sint Patrick.

Kirpestein, Kerpestein: Vermoedelijk met ingelaste pe uit Kirstein.

Kirstein: Spelling voor Duits Kirschstein. 1. Reïnterpretatie van Kirsten, Kersten. 2. Bijnaam Kirschenstein ‘kersenpit’. Vergelijk ook Kryksztein.

Kirschstein, Kirsstein, Kirchenstein: 1. Vadersnaam. Reïnterpretatie van Kirsten, Kersten. 2. Bijnaam Kirschenstein: kersenpit. Vergelijk Kryksztein.

Kirschen, Kirsch, Kirsz, Kiers, Kiersz: Duitse bijnaam Kirsche: kers. Vergelijk Kers. Maar verwarring met Kirch(en) is in het Rijnland niet uitgesloten.

Kirschfink, Kirschvinck, Kirschvink, Kirschwink, Kirsfinck: 1. Bijnaam naar de kersvink: groenling, vlasvink. 2. Of in N.-W.-Duitsland Kirchvink: kerkvink, bijnaam voor iemand die een kerkelijke prebende heeft.

Kirschke. Reïnterpretatie en klankverandering van Krischke, afleiding van Krischan, Christian. Vergelijk Kerstgens, Kerskens.

Kirschner, Kirsner. 1. Rijnlandse uitspraak van Kirchner. 2. Ontrond van Kürschner: bontwerker, pelswerker.

Kirsten, Kirstein, Kirscht, Kirschten: Vadersnaam. Voornaam Christianus.

Kirth, Kirt, Kirten: Vadersnaam. Ontrond van Kurt, Kürten: Konrad.

Kirvel, Kirfel: Wellicht Middenhoogduits, Nederlands kervel. Bijnaam.

Kiser: Hypercorrecte spelling voor Keiser.

Kisner, Kistner. Duitse beroepsnaam van de kisten-, kastenmaker.

Kisling, Kiessling. Duitse familienaam uit het Middelhoogduitse kiselinc: kiezelsteen. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Kissen. Waarschijnlijk variant van Kessen.

Kist, Kiste. Beroepsnaam van de kistenmaker.

Kistenmaker, Kistemaker, Kistemaeckers, Steenkist: Beroepsnaam van de kistenmaker, timmerman, meubelmaker.

Kisteman, Kistemann, Kisterman: Duitse beroepsnaam van de kistenmaker.

Kistenborgh. Waarschijnlijk een Nederlandse plaatsnaam.

Kistenkas. Beroepsnaam voor de kistenmaker.

Kisters. 1. Beroepsnaam van de kistenmaker. Vergelijk Kistenmaker. 2. Variant van Kesters.

Kiters: Verhaspeling van Gieters? Verkeerde lezing van de familienaam Cieters.

Kits. Vadersnaam. Afleiding van een bakernaam. Vergelijk Kitzen.

Kitslaar. Wellicht aanpassing van Duits Kitzler, Kitschler, afleiding van Kitschold, Kitzo = Christian.

Kittel. Duitse bijnaam Kittel: kiel, overkleed? Vergelijk Kiel.

Kitzen: Vadersnaam. Duitse voornaam.

Klaerchen, Klârgen: Moedersnaam. Afleiding van heiligennaam Clara.

Klaasen, Klaasse, Klasen, Klaassen, Klaassens, Klaaszens, Klaessen, Klasema, Klazes, Klasinga, Klasing Clausing, Nicolai, Claassen, Claassens, Claes, Claessens, Claessen, Classen: Vadersnaam. Van de korte vorm Klaas van de heiligennaam Nik(o)laas.

Klaaijsen, Klaaijssen, Klaaijzen, Klaeijsen, Claeijs, Claeijsens, Clais, Claij, Claijes: Vadersnaam. van Klaais, korte vorm van de voornam Niklaais, de heiligennaam Nikolaas, die in het West-Vlaamse ook wel Sint-Niklaai genoemd wordt.

Klagsbald. Vervorming van Duitse plaatsnaam Glaswald?

Klainbaum. Duits Kleinbaum; kleine boom.

Klajnhendler. Bijnaam en vadersnaam. Duits Kleinhendl: klein Jantje. Vergelijk Kleinjans, Duits Kleinhendlin, Kleinhenne, Kleinhensel.

Klammer, Klammers. Vadersnaam. Nederduitse voornaam Clamer.

Klanderud. Plaatsnaam in Eldskog Vinger (Noorwegen).

Klap, Klappe: 1. Bijnaam voor een prater, babbelaar. Middelnederlands en Vlaamse klap ‘gepraat’, Zeeuws klapper ‘klikspaan’. 2. Bijnaam voor iemand die met een klap of klepper rondloopt? Melaatsen moesten hun komst aankondigen met een ratel.

Klapdoor, Klapthor: Nederduits Klapdor ‘klapdeur in een afsluiting’.

Klapdorp, van, (van) Clapdorp, van Clapdurp. Familienaam uit de plaatsnaam Klapdorp, de oude naam van Sint-Pauwels (Oost-Vlaanderen).

Klaperzon. Duits Klapperzahn. Bijnaam voor iemand die klappertandt.

Klapholz. Hoogduitse vorm van Nederduits Klapholt, Middelnederlands claphout: stuk gekloofd eikenhout, eikenhouten plank. Beroepsnaam, wellicht van de duigenklover.

Klapper, Klappert, Klafert, Klaffert, Kleffert, Klefer: Middelnederlands, Nederduits klapper, Hoogduits Klaffert: babbelaar, kletser, kwaadspreker. Vergelijk Clappaert.

Klaps, Klapp. 1. Bijnaam voor een prater, een babbelaar. 2.Bijnaam voor iemand die met een klep, een klapper rondloopt. Melaatsen moesten hun aankomst bijvoorbeeld met een ratel aankondigen.

Klapwijk: Plaatsnaam (Zuid-Holland). De Klapwijkse Vaart loopt ten oosten van Pijnakker (Zuid-Holland).

Klaren, Cleeren: Moedersnaam. Verbogen vorm van de meisjesnaam Clare, Clere, van heiligennaam Clara.

Klarenbeek, Clarebeeck: Plaatsnaam Klarenbeek in Apeldoorn (Gelderland), ook in Middelburg (Zeeland), Voorst (Gelderland) en Doornspijk (Gelderland).

Klares. Vadersnaam. Rijnlandse vorm van Latijnse heiligennaam Hilarius,

Klarfeld. Duitse plaatsnaam.

Klashorst, van de: Variant van de familienaam Glashorst. Plaatsnaam.

Klatte, Klatt, Klatter: Nederduitse bijnaam voor iemand met borstelig haar, een klattenkopp, iemand die er verwaarloosd uitziet.

Klausener, Klausner. 1. Duitse bijnaam voor een kluizenaar. 2. Naar de woonplaats aan een Klause: kluis. Plaatsnaam Clausen (Zuid-Tirol).

Klausing. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Klaus.

Klaver: Bijnaam naar de klaver. Naar de woonplaats bij een klaverveld of voor de klaverboer (Duits Kleebauer). Of naar het bijgeloof aan het gelukbrengende klaverblad. (Duits Kleeblatt). Vergelijk Duits Klee.

Klaveren, van: Naar een van de vele plaatsnamen met klaver, bijvoorbeeld Clavere in Wimille (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen). Of naar de klaverwei van een veehouder.

Kleef (van), (van) Cleef, van Cleven, van Cleve, Cleven, van Clève, van Cleff, van Clef, Kleve, Vercleven. Familienaam uit de plaatsnaam Kleef/Kleve aan de Neder-Rijn (Noordrijn-Westfalen).

Klawitter. Litouws-Oost-Pruisische familienaam. Afleiding van plaatsnaam klava: esdoorn of van vadersnaam Klawa, van Nikolaus?

Klawuhn, Klawunn, Klawonn, Klawon; Vadersnaam. Litouwse afleiding van de voornaam Nikolaus.

Kleber, Kléber, Klébert, Kliber: 1. Variant van Duits Klaiber: metselaar. Beroepsnaam. 2. Verhoogduitste vorm van Klever (Vergelijk beben/beven) van plaatsnaam Kleve: Kleef (Nederrijn).

Kleck, Klecker, Kleker, Klak: Plaatsnaam Kleck, Middenhoogduits Mac: spleet, kloof.

Klee. 1. Duits Klee: klaver. Vergelijk Klaver. 2. Vadersnaam Klee, van Klewe/Clewi, van heiligennaam Nikolaus.

Kleeblatt. Bijnaam naar het bijgeloof aan het klaverblad.

Kleefeld. Verspreide Duitse plaatsnaam Kleefeld: klaverveld; vaak verward met Kleifeld: kleiveld.

Kleemann: 1. Afleiding van Duits Klee ‘klaver’, zoals familienaam Claevermans. 2. Afleiding van Duits Vadersnaam. Klee, van Klewe, Clewi, van heiligennaam Nikolaus. 3. Variant van Clément. Vergelijk Clemans, zie Clemens.

Kleerkoper, Kleerekoper. Beroepsnaam van de opkoper van oude kleren.

Kleermaecker, de, Kleermaeker, de, Kleermaker, de, de Cleermaeker, de Cleermaecker: Beroepsnaam van de kleermaker.

Klei, van der; van der Kleij: Plaatsnaam Klei in Ulrum (Groningen, Zuid-Holland).

Kleiboer, Kleijer, Kleyer, Klijer: Beroepsnaam van de boer op leemgrond, vergelijk Nederduitse Kleibauer.

Kleibrink. Nederduitse plaatsnaam open ruimte, plein met klei.

Kleikers, Kleijers. Vervorming van Kleikens.

Klein, van der, Kleins, Kleine, Kleyn, Klijn, van der Kleijne, (de) Cleijn, Kleijn, de Klein, de Kleine, de Kleijn, de Kleyn, (de) Clein, de Cleyn, Clayn, Kleen, Cleen, De Cleene, De Cleen, Clens, (de) Klyn: Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk Frans Petit. Zie ook Klyn. Kleynhens, Cleynhens; zoon van Hens, Hans, Johannes.

Klein, van der; van der Kleijn: De familienaam Klein met secundaire vander-aanloop? Of reinterpretatie van van der Klei?

Kleindop, Kleindopp. Familienaam uit de plaatsnaam Kleindorp, Nederlands-Limburg en Gelderland.

Kleinbannink: Bijnaam. Klein en Vadersnaam. Bannink (zie op dat woord).

Kleinbard. Bijnaam Klein + voornaam Bart. Vergelijk Duitse Kleinbrecht.

Kleinberg, Kleineberg, Klejnberg, Clemberck, Clénebert: Plaatsnaam Kleine Berg. Kleinberg (Beieren).

Kleinblatt. Wellicht reïnterpretatie van Kleeblatt.

Kleinbongartz. Plaatsnaam Kleine Boomgaard.

Kleienbreugel, van Kleynenbruegel, van Cleynnenbreugel, van Cleyenbreugel, van Cleynenbrugel, van Cleijnenbreugel: Plaatsnaam Kleine-Brogel (Limburg).

Kleinendorst: Bijnaam voor iemand die weinig dorst heeft. Vergelijk de familienaam Grootendorst.

Kleinepier: Bijnaam. Klein en Vadersnaam. Pier, Frans Pierre ‘Pieter’. Vergelijk Jongepier.

Kleiner, Klaine, Klainer, Klaines, Klenner, Klener, Cleners, Klenes, Cleenders, Klinder, Kliner: Bijnaam voor de kleinere. Kleiner kan ook Duitse verbogen vorm zijn van klein. Vergelijk Klein.

Kleinfeld, Klajnfeld, Klainfeld: Duitse plaatsnaam Kleinfeld (Beieren).

Klein Hisselink: Bijnaam. Klein en Vadersnaam. Hisselink, afleiding van Hissel, van Hitzel, verkleinvorm van de Germaanse voornaam Hizzo, verkleinvorm van een hild-naam.

Kleinhout. Plaatsnaam Klein Hout: klein bos? Of reïnterpretatie van Kleinod?

Kleinjan, Kleinjans, Kleijnjans, Kleynjans, Clenjans, Cleynhens, Cleijnhens, Cleijnhens, Clynhens, Clynans: Bijnaam. Klein en voornaam Jan. Bijnaam voor een kleine Jan of voor de zoon van een Jan, kruising van bijnaam en vadersnaam.

Kleij, van der, Kley, van der, Kleij, van, Kley van, Klei, Kleijer, Kleyer, Verkleij, Verkley. Adres-, plaatsnaam als bij Leens, de grondsoort.

Kleinman, Kleinerman, Kleinermans, Kleinermann, Kleinermanns, Klemans, Klemann, Cleymans, Clynmans, Clijmans, Clyman, Clymans. Kleinman, bijnaam voor een kleine man.

Kleinod. Duitse bijnaam Kleinod: kleinood, juweel.

Kleinpeter. Bijnaam Kleine Peter.

Kleinpoort. Familienaam in Frans-Vlaanderen. Ongetwijfeld een verhaspeling. Van Clinckspoor?

Kleynnaert, Kleynaert, Kleinert, Clenaert, Kleijn, Kleyn, Klijn, Kleijnen, Kleynen. 1. Bijnaam voor een klein iemand. 2. Bijnaam en vadersnaam voor kleine Aart.

Kleinschmidt, Kleinschmit, Kleinschmiede: Duits. Beroepsnaam van de kleinsmid, slotenmaker.

Kleinsimon. Bijnaam Kleine Simon.

Kleinsorge, Kleinsorg. Bijnaam voor iemand met weinig zorgen, een onbezorgd man. Vergelijk Sorgeloos, Ohnsorg.

Kleinstück, waarschijnlijk synoniem met Kleinod.

Kleinveld, Klynveld: Plaatsnaam Klein Veld. Vergelijk Kleinfeld.

Kleipas. Duitse familie en plaatsnaam Kleinpass; kleine doorgang.

Klein Wassink: Bijnaam. Klein en vadersnaam. Wassink (zie op dat woord). Ook plaatsnaam Kleinwassink, Grootwassink (Gelderland, Overijssel).

Kleisma: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornam Kleis, van Klaais, van heiligennaam Nicolaas.

Kleist: Duitse familienaam, van plaatsnaam Kleist in Pommeren (nu Polen).

Klels. Luxemburgse naam. Wellicht klankverandering van Klesl, afleiding van Nikolaus.

Klemans, Kleemans: 1. Afleiding van Duits Kleemann. 2. Uit Kleenman ‘kleine man’. 3. Vadersnaam. Clemans = Clemens.

Klemkerk: Plaatsnaam Klemskerke (West-Vlaanderen).

Klemm, Klemme, Klemming: Vadersnaam. Korte vorm en afleiding van de voornaam Clemens.

Klepfisch. Duits Kleefïsch, van Clevisch, afleiding van plaatsnaam Kleef, Kleve.

Kleppe: Middelnederlands Cleppe ‘klep, klepper, ratel’. Beroepsbijnaam voor een omroeper of klokluider.

Klepper, Klippert, Klipper, Cleppert: 1. Bijnaam voor iemand die kleppert, klappert; of beroepsnaam van de klepper, die de klok klept, klokluider. 2. Middelnederlands clepper, clipper: muntnaam. 3. Variant van Klapper(t), blijkens Middelnederlands clapper = clepper.

Klepzig. Duitse plaatsnaam.

Klerer. Duitse beroepsnaam van de bleker, ook vervaardiger van stijfsel (voor de was).

Klerk, (de); (de) Klerck, Klercq, Klerks, Klerkx, de Clerck, de Clerk, (de) Clercq, de Clerq, Le Clerqx, le Clerq, Clerqx, Clerx: Uit Latijnse clericus ‘geestelijke die de lagere wijdingen heeft ontvangen’. Aangezien in de middeleeuwen de geestelijkheid de nagenoeg enige geletterde stand was, die kon lezen en schrijven, kreeg klerk de betekenis ‘geleerde, dichter, schoolmeester, student, geletterde, geheimschrijver, griffier, schepenklerk, secretaris’.

Klerken, van. Plaatsnaam Klerken, West-Vlaanderen.

Klesper, Klespert. Duitse plaatsnaam Klespe, Noordrijn-Westfalen.

Klesser. Duitse beroepsnaam Kleszer, Klösser, Glöszner, van Gläsz(n)er 'glasblazer, glazenier'.

Klettenberg. Plaatsnaam Klettenberg, Keulen.

Kleunen, van, van Kluijne. Nog ongeïdentificeerde plaatsnaam. De naam zou begin 19de eeuw in ’s-Heerenhoek (Zeeland) aangenomen zijn.

Kleutghen, Kleutgen, Klütgen, Klütgens, Klüttgens: Bijnaam. Afleiding van kloot. Zie Cloet. Vergelijk Nederduits Klutke.

Kleven, van; van Kleef, Cleven: Plaatsnaam Kleef/Kleve aan de Nederrijn (Noordrijn-Westfalen).

Klever, Kleuver: 1. Middennoordduits klever: klaver. 2. Afleiding van plaatsnaam Kleve: Kleef, Noordrijn-Westfalen.

Kleveringe, Klevering, Clevering, Cleveringa, samengetrokken van Klefhardinga Cleringa en Klering, vadersnaam van oude Germaanse voornaam Klefhart, Cleffehart, van Cleffo, Clafo en de naam Hart. Het was reeds bij de Langobarden in gebruik. Immers Claffo, zo heette de zesde, en Cleph (wat de- zelfde naam is in een andere spelling), de elfde koning van dat oud-Germaans volk. Oudhoogduitse woord klaphôn, in het oud-Noorse woord klappa, waar het begrip van slaan, stoten in ligt opgesloten en waar ook het woord anaklaf, dat aanval betekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus een krijgshaftige betekenis. Maar ook het hedendaagse woord kleven, ofschoon nu slechts in een zeer gewyzigde betekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelijk mee samen hangen. Van den mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde bijzondere Friese vadersnaam ontleend, maar ook de vadersnamen in algemene vorm Klevering en Clevering, benevens het nog meer samengetrokken Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagse geslachtsnamen. Opmerkelijk is het dat al deze zes zo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheems zijn. Zeer waarschijnlijk stammen al deze nu verschillende geslachten van één en hetzelfde oorspronkelijke geslacht Klefhardinga af en dus ook van één en dezelfde stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsingo. Het schijnt dat een tak van dit oud-Friese geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan de gemeenschappelijke uittocht van Angelen, Saksen en Friezen naar Groot-Brittannië. We vinden althans ditzelfde vadersnaam, in de vorm Clavering, nog heden ten dage als de naam van een Engels geslacht. Van Cleffo is de hedendaagse geslachtsnaam Kleefsma ook afkomstig en van den verkleinvorm Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze zelfde vadersnaam gaf ook oorsprong aan de plaatsnaam Kleffens (dat is waarschijnlijk een samentrekking van Kleffingen), zoals een gehucht heet bij ’t dorpje Raart in West-Dongeradeel bij Dokkum. En weer door middel van die plaatsnaam aan de naam van het in Oostergo gezeten geslacht Van Kleffens, waarvan de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeuw, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden en toen die geslachtsnaam aannamen. Nog zijn als plaatsnamen, aan de vadersnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland); Klieverink, een havesate bij Oldenzaal in Twente, en Kleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.

Klewais. De familienaam is geconcentreerd in Tienen, naam van een immigrant uit Burgenland in 1870. Waarschijnlijk van Klewes, van Nicolaus. Vadersnaam.

Kleijkamp: Plaatsnaam Kleikamp ‘kleiveld’.

Kleynaert, Kleynnaert, Kleinert, Clenaert: 1. Bijnaam. Afleiding van Hein. 2. Bijnaam + vadersnaam. Kleine Aart: kleine Arnoud. Vergelijk Grootaert.

Kleijnenberg: Plaatsnaam Kleine Berg, bijvoorbeeld Kleinberg (Beieren).

Kleijnis: Wellicht spelling voor Kleins, afleiding van Klein.

Kleijweg: Plaatsnaam Kleiweg ‘pad op leemgrond’. Of Kleinweg?

Klich, Kliche. Slavische korte vorm van de voornaam Clement.

Kleire, de. Wellicht uit De Cleire.

Klift, van der, van der Clift, Klif: Plaatsnaam. Middelnederlands Clif ‘(rots) helling, steilte, klip’. De Klif was een zandbank voor Duinkerke.

Kligsberg. Waarschijnlijk variant van Kling(s)berg; zie Klingenberg.

Klijnstra, Klijnsma, Kleinsma. 1. Friese afleiding van klein, voor een klein iemand. Klijn, klien of klyn, in het oosten ook bekend als kluun of kluin, is de benaming van zekere soorten veen, zowel laagveen als hoogveen, waarvan turf van goede kwaliteit wordt gemaakt. De naam zou kunnen zijn aangenomen door een klijntrekker of baggeraar. Beroepsnaam.

Klima, Klimas, Klimis, Klimesch, Klimes, Kliems: Vadersnaam. Zuid-Oostduits dialect vorm van de voornaam Clemens.

Klimke, Klimek, Klimmek: Vadersnaam. Slavische vleivormen van de voornaam Clement.

Klimmenboom: Bijnaam voor iemand die in de bomen klimt. Vergelijk Duits Baumsteiger.

Kling, Klinge, Clinge: Plaatsnaam (De) Klinge ‘binnenduin’ (Zeeland, Oost-Vlaanderen).

Klinck, Klincke, Klincken, Klink, Klinke, Clinck, Clincke, Clinckx, Clynck, Clyncke, Clijncke, Clijnk. Beroepsbijnaam voor de maker, de smid van een (Middelnederlandse) clincke: ijzeren staaf, bout, (deur)klink. Ook Engelse familienaam Clink.

Klinckaert, Klinkers, Klinkert, Klingaers, Klinger, Klingers, Klingert, Clinckaert, Clinckart, Clenckaerts, Clinquart, Clinckers, Clainquart: 1. Bijnaam naar de clinkaert, de oude Bourgondische muntnaam, de goudmunt. 2. Afleiding van werkwoord clinken: weerklinken, doen klinken, een naam zijn voor een klokluider. Of een bijnaam voor een smid of voor iemand die het geld laat rinkelen, vergelijk Clinckemaille. 3. Clinken betekende ook: omroepen, luid verkondigen, bekendmaken. Beroepsnaam voor een omroeper of belleman, Middelnederlands clincker. Zie ook Klingele. 4. Middelnederlands clinkaert: klinker, straatsteen. Beroepsnaam voor een stratenmaker. 5. Beroepsnaam voor iemand die nagels klinkt. Vergelijk Klinkc(e).

Kling, Klinge, Klingen: Plaatsnaam Klinge (Zeeland, Overijssel), Klingen (Groningen, Beieren en meer in Duitsland). Verspreide plaatsnaam: dal, ravijn in bos.

Klingbeil, Klingbiel, Klinkenbijl: Beroepsnaam van de bijlsmid, naar de klank bij het smeden. Vergelijk Klinkhammer.

Klingberg, Klingenberg, Klingenberger, Klinenberger: Verspreide Duitse plaatsnaam Klingenberg (als in Beieren).

Klingele, Klingels: Beroepsnaam voor de omroeper, de belleman, die klingelt. Vergelijk Klingeleers, Klinckaert 3.

Klingeleers, Klingler. Bijnaam voor iemand die klingelt, luid klinkt. Of beroepsnaam van de omroeper, de bellenman.

Klingelhoets: Bijnaam voor een nar of grappenmaker die eenhoed met (klinkende) belletjes draagt. Vergelijk Klingelvoets en Duits Klingelhut.

Klingelvoets, Klingenfuss: Duits ook Klingelfuss. Bijnaam voor iemand die zijn voetstappen laat weerklinken; of naar de mode om aan de gebogen schoenneus belletjes te dragen.

Klink, Klinken, van: Plaatsnaam Klink in Wessem (Nederlands-Limburg).

Klinkenberg: Plaatsnaam Klinkenberg (Gelderland, Zuid-Holland), Sleeswijk-Holstein).

Klingenbach. Duitse plaatsnaam in Ruppenrod.

Klingenbeck. Plaatsnaam klinkende, schallende beek; vergelijk Klingenberg(er), zie Klingberg.

Klingestijn. Duitse plaatsnaam Klingenstein.

Klinkenberg, Klinkenberg, Klenkenberg, Kleinkenberg: Plaatsnaam Klinkenberg (Zuid-Holland, Gelderland, Duitsland).

Klinkerland. Veldnaam, Zeeland.

Klinkhamer, Klinkhamers, Klinkhammer, Klinkhommer, Klinckhaemers, Klinckhamers. Beroepsnaam voor de smid. Zinwoord: die de hamer laat weerklinken. Vergelijk Duits Klinghammer, Klingebeil.

Klinkspoor: Beroepsnaam van de smid die ruitersporen maakt. Clinckerspours, Beoostenblide;

Klint. Hamburgse familienaam Klindt. Verspreide Duitse plaatsnaam Klint: steile oever.

Kliphuis: Plaatsnaam op -huis? Ook Klippus.

Klip, van der, Klippe, van de. Plaatsnaam. Middelnederlands clip(pe)‘klip, rots, grot, hol’. Plaatsnaam Klip in Bierum (Groningen). Ook Klippe in Balegem (Oost-Vlaanderen), Dadizele, Sint-Pieters-op-de-Dijk, Westende (West-Vlaanderen).

Klippel: Ook (de) Clippel, Clippele. 1. Bijnaam voor een knuppelaar. Vergelijk Klippelaar. 2. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. 3. Middelnederlands clepel, clippel ‘klepel van ene klok’. Beroepsnaam van de klokluider, klepper.

Klippelaar, de; Klippelaer, de Klippeleyer, de Clippelaar, Clippelaar, Clippeleiere, Clippeleir, Clippeleyr, de Cleppeleir, de Cleppelaar: Bijnaam voor een knuppelaar, iemand die een knuppel hanteert of maakt. Ook wel klepper, klokluider.

Klockaerts, Clokaerts, Clockaerts, Cloeckaert, Cloekaerts: Afleiding van Middelnederlands clocken, synoniem met docker: klokluider. Beroepsnaam. Vergelijk Cluckers.

Klocke, Klock, Kloc, Kloks, Klok, de Clock, de Klock: 1. Beroepsnaam van de klokgieter of klokluider. 2. Spellingvariant van Kloek.

Klockhaus, Klokhuis. Bijnaam voor de klokgieter.

Klockner, Klöcker, Klöckner, Kluckers, Klucker, Kluckers: Duitse beroepsnaam. Variant van Glöckner: klokkenluider.

Kloe, de: Zoals Decloe, Decloo, vernederlandste vorm van Declou(x), Desclous, Ducloux, Desclos. Franse plaatsnaam Clos ‘omheining, omheind terrein’. Zie ook du Cloo.

Kloek, Kloeck, Kloick, Klock, Kloc, Klok, Kloks, Cloeck, Kloekke, Kluck, Kloeg: Nederlands spelling van Duitse bijnaam Klug, van Middelhoogduits kluoc ’fijn, teder’, van ‘slim’. Middelnederlands cloec, clooc, doc: slim, gevat, behendig, dapper, kloek. Bijnaam.

Kloen. Indien spelling voor Duits Klön: vooral Hamburgse familienaam Klöhn. Bijnaam van klönen: kloppen. Vergelijk Klönhammer.

Kloevekorn: Nederduitse familienaam Klövekorn, Klöfkorn ‘die koren klooft’. Beroepsnaam van een graanpletter.

Klok, Klokke: Beroepsbijnaam van de klokgieter of klokluider. 1636 Pieter Gerritsz Clock (woonde in) ‘De Gulden Clock’, Hoorn, Noord-Holland.

Klokgieters. Beroepsnaam van de klokkengieter.

Klomp, Klompe, Clomp, Clompen, Klumpen: 1. Bijnaam naar de geblokte, gedrongen gestalte, naar het lompe voorkomen. Vergelijk Blok. 2. Beroepsbijnaam van de klompenmaker.

Klompenburg, van: Met epenthetische nasaal (m) uit van Kloppenburg (zie op dat woord).

Klompers, Clompers, Klumper, Clumper: Beroepsnaam van de klompenmaker, Middelnederlands clomper.

Klompkes. Afleiding van Klomp.

Klônhammer, Klonhammer: Beroepsnaam van een smid, die met de hamer klopt. Nederduits klönen: slaan.

Kloof, van der. Plaatsnaam Kloof?

Kloos, Klos, Klosse, Klösges, Klohs: Vadersnaam. Variant van Klaas, van Nikolaas.

Klooster, (ten, der); van (den) Klooster, van de(r) Klooster, van ’t Klooster, van (der, den) Clooster, Vanclooster, ten Klooster, van ’t Klooster, Closter, Kloster: Naar de betrekkingen met of de woonplaats bij een klooster.

Kloosterdam: Plaatsnaam ‘dam bij een klooster’? Of veeleer vervorming van Kloosterman.

Kloosterman, Kloosterboer: Afleiding van van (den) Clooster. Of knecht van een klooster of pachter van kloostergoed.

Kloostermeyer. Duitse familienaam Klostermeyer: beheerder van de inkomsten van een klooster.

Kloosterziel: Vooral Overijsselse familienaam. Plaatsnaam Kloosterzijl, een sluis bij het Zwartewaterklooster (Rouveen, Ooverijssel). Oostelijk Middelnederlands sijl ‘waterloop; afwateringssluis, schutsluis’. Ook plaatsnaam Kloosterzelstrang, water ten zuiden van Klooster in Zwartsluis en Staphorst, Overijssel.

Kloot, Kloote, Kloet, (de) Cloet, Cloedt, (de) Clout: Ook de familienaam Cloet/Kloet met Middelnederlands oe-spelling moet als kloot worden uitgesproken. Middelnederlands cloet, cloot ‘klomp, kluit, (speel)bal’. Vaak een scheldwoord voor een lummel, sukkel, sul.

Kloot, van der; van de Kleut: Plaatsnaam. Middelnederlands Cloot ‘kluit, klomp, hoop (aarde, klei, turf)’. Kloot in Hoeselt (Belgisch-Limburg), de Kleut in Barneveld (Gelderland).

Klootwijk: Plaatsnaam Klootwijk in Woudrichem (Noord-Brabant).

Klop, Klopp: Bijnaam voor iemand die klopt, slaat. Mogelijk beroepsnaam. Vergelijk Kloppert.

Klopfenstein. Beroepsnaam van iemand die met de hamer op steen klopt, steenhouwer. Ook Kloppstein.

Klopfer, Klopfert, Klopper, Kloppert: Duitse beroepsnaam, ook Klopfer, Klôpper. Vergelijk De Clopper.

Klopman, Klopmann, Kloppmann. Beroepsbijnaam voor iemand die beroepshalve met een hamer werkt.

Klopmeijer: Beroepsnaam.

Klöppel, Klöpfel: Beroepsnaam. Nederduits Klöppel, Duits Klöpfel: houten hamer, klopper, klepel.

Kloppenburg: Plaatsnaam Cloppenburg (Nedersaksen). Ook 1475 Cloppenborch bij Dulder, Overijssel, 1453 Kloppenborch bij Oldenzaal, Overijssel.

Kloppert, Klupper, de Clopper. Bijnaam of beroepsnaam van een klopper. Dat kan een klokkenluider zijn, vergelijk Klepper.

Kloprogge: Beroepsnaam: die de rogge klopt, dorst.

Kloss, Klosz. 1. Duitse pendant van Klo(o)t; zie (de) Cloet. 2. Vadersnaam. Variant van Klos : Klaas.

Klossok: Vadersnaam. Slavische Klossek, afleiding van Klaus, Nicolaus, Niklaas.

Klotz, Klutz, Glotz: Duitse bijnaam Klotz ‘klomp’. Bijnaam voor een lomperd.

Kluytten. Waalse uitspraak van Cluyten.

Klouwers: Afleiding van Middelnederlands Clauwen ‘klimmen’.

Kluber, Klubert. Duitse beroepsnaam van de houtklover.

Kluft, van der, van der Klugt, Kloft. 1. Duitse plaatsnaam Kluft; kloof, spleet, ravijn. Ook Zaanse plaatsnaam Kloft: gespleten stuk land.

Kluge, Klug, Kluger, Klugmann, Klugman: Duitse bijnaam Klug, van Middenhoogduits kluoc: (oorspronkelijk) fijn, teder, (later) slim.

Klugkist. Bijnaam Klug + voornaam Kist = Kerst, Christiaan.

Kluit, Kluits: 1. Zie de Cloet, Middelnederlands clute, cluut ‘kluit, klont, bal, kogel’, ablautende vorm van kloot. 2. Kluits is ook de naam van een familie in De Panne die Klùtsch heette, maar haar naam liet wijzigen.

Klütsch. Van Sorbisch kluc, Tsjechisch klfc: sleutel.

Kluitman, Kluitmans, Kluytmans, Kluijt, Kluyt, Gludemans. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam hlue/hluth. 2. Zie zeker ook bij Clotman.

Kluiver, (de) Klivers, Kluvers, Kluvers, Kluivert, Klüver, Kluwer, Knuvers, Knüver, Knuiman, Knuivers: Beroepsnaam van de kluiver, oorspronkelijk de gerechtsbode, de beul die de gevangene de (duim)schroeven aanzet, in de klauw (Middelnederlands cluve, Middennoordduits kluve, kluwe) spant, in het blok zet.

Klumper, Klompers. Beroepsnaam van de klompenmaker, Middelnederlands clomper.

Klunder, de, de Clunder: Bijnaam. Afleiding van Middelnederlands clonen, cleunen ‘kloppen,vechten’; Middennoordduits Klundern ‘stommelen, lawaai maken’.

Kluin, Kloen, Kluinhaar, Klijnstra, Klunder. Klijn, klien of klyn, in het oosten ook bekend als kluun of kluin, is de benaming van zekere soorten veen, zowel laagveen als hoogveen, waarvan turf van goede kwaliteit wordt gemaakt. De naam zou kunnen zijn aangenomen door een kluintrekker of baggeraar; vergelijk de familienaam Kluinsteker.

Klundert, van de: Plaatsnaam Klundert (Noord-Brabant): Ook plaatsnaam De Klundert in Edam (Noord-Holland).

Klunker. Duitse bijnaam van Middenhoogduits glunkern: bengelen, slingeren.

Kluppenberg: Variant van Kloppenberg = Kloppenburg (zie boven) (Berg-en burg-namen worden vaak verward).

Klupsch, Klups. Variant van Oostduits-Slavisch Klopsch: boertje of van Tsjechisch chlup: haar.

Klüser, Klüsener, Kluser: Kluizenaar. Vergelijk Klausner.

Klusmeier. Synoniem met Duits Klusemann, afleiding van plaatsnaam Klus: kluis.

Klut, Klutsch, Klütsch: Sorbisch kluc, Oudsorbisch kluc, Tsjechisch kli'c: sleutel.

Kluijfhout: Bijnaam, zinwoord ‘die hout klooft’. Vergelijk Nederlands kloofhout, Duits Klobenholz.

Kluvers, Klûver, Kluwer, zie (de) Kluiver, Kluysen, van der; van der Kluizen, van der Kluyzen, van (der) Cluyzen, van Cluysen, van der Cloosen, van der Clause(n): Middelnederlands cluse: kluis, kluizenaarswoning, klein huis. Verspreide plaatsnaam.

Kluyskens, Kluijskens, Kluskens. 1. Afleiding vander Kluysen. 2. Limburgse vadersnaam uit Claus, Clauskens.

Klyn, Klijn, Klein, Kleyn, Kleijn. 1. Vadersnaam uit Kolijn, Colijn: knuffelvorm van de heiligennaam Nicolaes. 2. Zie ook Klein.

Klijberg: Plaatsnaam Kleiberg in Wulpen (Zeeland), in Brunssum (Nederlands-Limburg), Oedelem (West-Vlaanderen) en Bissezele (Frans-Vlaanderen).

Klijn, Klyn, Klein, Kleyn, Kleijn, Klijnsoon: Vadersnaam. Klijn, van Kolijn, vleivorm van de heiligennaam Nicolaas. Klijnsoon is dus niet ‘kleinzoon’, maar de zoon van K(o)lijn.

Klynhoff. Plaatsnaam Kleinhof.

Knaack. Nederduitse vorm voor Kno(c)ke, Duits Knochen. Beroepsnaam voor de beenhouwer: slager.

Knaap, Knaape, Knape: Een knape was een knaap of schildknaap, maar ook een handwerksknecht, in de leer bij een meester.

Knaap, van der: Zoon van een Knaap.

Knabel, Knaebel. Duits Knäbel, afleiding van Knabe. Zie Knapen.

Knaepkens, Cnaepkens, Cnapkens, Kneepkens. Familienaam uit Knaap: knaap, schildknaap, handwerk leerling.

Knaff, Knaf. Wellicht verschoven vorm van Knapp(e); zie Knapen.

Knapen, Knaap, Knaapen, Knaab, Knaep, Knaepen, Cnapen, Knab, Knabe, Knabben, Knappe, Knap, Knapp, de Knaap, de Knaep, (de) Cnaep, Knaeps, Knaps, Cnaeps. Beroeps(bij)naam voor een schildknaap of voor een handwerk knecht in leer bij een meester.

Knappenberg, Knappenbergh, Knaepenberg, Knaepenbergh: Duitse plaatsnaam Knappenberg in Tating.

Knauer. Silezische familienaam. Middenhoogduits knûre: knoop, knoest. Bijnaam voor een lomp, knoestig man.

Knauf, Knauff, Knoeff, Knof: Duitse familienaam. Middenhoogduits knouf: knoop. Vergelijk Knoop, Knopf.

Knaus, Knaust, Knausz, Knoest: Duitse bijnaam Knaus, van knûs; knoest, knoop, knuist, stronk’. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte, of voor een knoestige kerel.

Knebel. Duits Knebel; knevel.

Knegt, (de), Knecht, De Knegt, Knegtel, Knechtel, Knights, Knight. Een knecht was een jongeman (vergelijk West-Vlaamse knecht ‘jongen’), een ondergeschikte, handwerksgezel, knecht of schildknaap (Engels knight). Vergelijk Leenknecht.

Kneip, Kneipe, Kneipp: Middenhoogduits knîp: (schoenmakers)mes. Beroepsnaam. Vergelijk De Knijf.

Kneissler, Kneisel, Kneizl: Duits Kneissel, Kneussel, Knäussel, afleiding van Knaus. Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk Strobbe, Stubbe, Knuysen.

Knelissen. Vadersnaam van Cornelissen.

Kneller, Knel, Knell: Duitse bijnaam voor een lawaaimaker

Kneppel. Variant van Middenenderlands cleppel, clippel: knuppel. Bijnaam. Zie De Clippel 1. en 2, Knuppel.

Knetsch: Sorbisch knez, knjez ‘heer, leenheer; geestelijke, pastoor’.

Knevels, Kneuvels, Cneuvels, de Kneuvel, de Kneuvele, de Cneuvel, Kneffel. 1. Beroepsnaam van de knevelaar: de beul. 2. Bijnaam voor een knoestige, sterke kerel.

Knez, Knezevic, Knes, Knezovic: Tsjechisch Knize: prins.

Knibbe, Knibber, de, Kribbe, de Kribber: Zoals de Knibber, afleiding van Middelnederlands cnibben, waarvan knibbelen frequent is. Bijnaam voor een kibbelaar, kijver. Let op de wisseling n/r. De naam zou evenwel teruggaan tot een in de 12de eeuw uit Engeland naar Vlaanderen gevluchte Knib.

Knieper, Knipper, Knippert, Knepper: Nederduitse beroepsnaam van een knijper of knipper, die met de kniptang werkt, zoals een riemmaker, schoenmaker. Vergelijk Knip(p).

Knieriem, Knierim, Cnyrim: Beroepsbijnaam van de schoenmaker.

Knijf, de, de Knyf, (de) Knijff, Kinif, Quinif, de Kneef, de Cnijf, de Cnyf, de Cneef. Naam uit het Middelnederlandse cnijf: lang, puntig, mes, dolk. Engels Knife. Bijnaam voor een lang, mager iemand. Of iemand met een scherp gezicht. 2. Of beroepsbijnaam van de messenmaker.

Knijpijzer. Wellicht naam uit cnijt+isan. Wellicht beroepsnaam voor een smid die messen, scharen en/of brandhaken maakte.

Kniknie. 1. Bijnaam voor iemand met een (knik) knieprobleem of iemand die beroepshalve veel moet buigen. 2. Naam die duidt op een verwantschap (lid-horend bij) met (denk aan evenknie) ?

Knippen, Knipper, Knip, Knipp, Knips, Kniebs, Knipping. Beroepsbijnaam voor iemand die knipt, met een knipschaar of kniptang werkt. Vergelijk Knipscheer.

Knippenberg, van, Knippenbergh, Knippenburg: Voormalige plaatsnaam Knippenberg ten noorden van Essen (Noordrijn-Westfalen).

Knipscheer: Middelnederlands cnipschare, cnipscheer ‘(knip)schaar’. Beroepsbijnaam. Maar de naam komt ook voor als reïnterpretatie van de Duits familienaam Knippschild.

Knobbaert, Cnobbaert: Afleiding van knobbe: knoest, dikte, uitwas. Bijnaam voor een knoestige, iemand met een bult. Vergelijk Knobbe.

Knobbe, Knobe, Knoben, Knubbe, Knubben, Knobel, Knöbl. Bijnaam uit het Middelnederlandse knobbe, knubbe: knoest, knoop, knobbel. Bijnaam voor een knoestig, kortgebouwd iemand.

Knobelsdorf, van. Verspreide Duitse plaatsnaam Knobelsdorf(f ) (ook in Silezië).

Knock, de, Knoche: Middelnederlands cnoke: knook, kneukel, been, knoest, knobbel. Bijnaam naar iemandsknokig voorkomen of naar een uitwas of bult. Vergelijk Knobbe.

Knockaert, Knockert, Knockaers, Knookaert, Knocquaert, Cnockkaert, Cnockaert, Cnocquarts. 1. Naam uit het Middelnederlandse cnoke: knook. Bijnaam. 2. Of een afleiding van Van de Cnocke. Dit uit de nogal verspreide plaatsnaam Knok(ke): kruispunt, heuveltop, bocht. Zoals in Knokke (West-Vlaanderen).

Knoden, Knodt, Knood, Knoodt, Knot, Knott, Knötgen. Familienaam uit het Middelhoogduitse knote: knoop, knoest. Bijnaam voor een knoestig, gedrongen mens.

Knoester: Afleiding van knoest. Zie Knausz.

Knokenhouwer. Beroepsnaam. Middenenderlands cnokenhouwer: beenhouwer, vleeshouwer, slager.

Knol, Knoll, Knols, Knolle: Middelhoogduits knolle ‘knol, aardklomp’. Bijnaam voor een plompe, logge dikkerd, boer.

Knollenberg, Knollenburg. Duitse plaatsnaam Knollenberg.

Knook: Middelnederlands Cnoke ‘knook’. Bijnaam naar iemands knokige uitzicht, uitwas of bult.

Knoop, (de) Knoops, Knops, Knop, Knops, Knopjes, De Cnoop, Cnoops, (de) Knop, Knopp, Knopes, Cnop, Cnops, Knopf, Knof: 1. Middelnederlands cnoop; cnop(pe)‘ knoop, knobbel, knoest’. Bijnaam. Vergelijk Knuijt, Knoester, Knook. 2. Beroepsbijnaam voor de knoper of knopenmaker.

Knooren, Knoors, Knorr, Knor, Knorsch, Knors, Knarren: Middenederlands cnorre: knoest, kwast, uitwas, bult, knobbel. Bijnaam voor een knoestig mens, met bult of knobbel. Vergelijk Knobbe, Knoop, De Knuyt.

Knöpfler. Duitse beroepsnaam van de knopenmaker.

Knopfmacher. Duitse beroepsnaam van de knopenmaker.

Knöpke. Afleiding van Knop.

Knopman, Knufman: Beroepsnaam van de knoper of knopenmaker. Vergelijk Knoop 2.

Knopper, de, Knoppersen: 1. Beroepsnaam van de knopenmaker. Vergelijk Knopfmacher, Frans Boutonnier. 2. Beroepsnaam van de knoper of wever van grove weefsels, of van de afnopper, de man die het weefsel ontdoet van nopjes of knoopjes.

Knopsgerits. Dubbele familienaam, Knops + vadersnaam Gerrits.

Knotterus: Wellicht latinisering van Knot, de Knoot.

Knudsen, Knutson, Knutsson: Vadersnaam. Zoon van Knud, Deense voornaam van Latijnse Canutus.

Knuit, (de) Knuijt, Kneut, Knoot: Middelnederlands cnote ‘knoest, klomp, knuppel’; Middelhoogduits knode, knote, Duits Knoten ‘knoop, knoest’. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte; ook lomperd.

Knulst: Familienaam uit het Middelnederlandse cnuust: knoest, knots. Bijnaam, wellicht naar lichamelijke eigenschap. Vergelijk Knausz.

Knüppel, Knuppel: Nederduitse bijnaam: knuppel. Vergelijk Kneppel, De Clippel. Bijnaam voor een lomperd.

Knüttel, Knittel, Knitelius: Middenhoogduits knùttel: korte dikke knuppel, vergelijk Knuppel. Bijnaam voor een lomperd, lompe vlegel, boerenkinkel.

Knuysen, Knuyzen: 1. Bijnaam naar het knoestige uitzicht, iemand met knoest of bult. Vergelijk Knobbe. 2. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte: 'een knuist groot'. Vergelijk Knaus(t), de Knuyt.

Knuyt, (de), Knuijt, de Knuydt, de Cnuydt, de Kenuydt, de Kneudt, (de) Cneudt, (de) Cneut, de Cnud, (de) Knudde, de Knud, de Knudt, (de) Cnudde, Cneude, Knuth, Knuts, Knust, Cnuts, Kneuts, Knuets. 1. Naam uit het Middelnederlandse cnot(t)e: knoest, knuppel. Bijnaam voor een gedrongen iemand. 2. Mogelijk ook uit cnuut: kraai. Bijnaam naar bijvoorbeeld haarkleur.

Knijff, (van), de Knijf, de Cnyf, de Kneef. Middelnederlands Cnijf ‘lang puntig mes, dolk’, Engels Knife. Bijnaam voor een lang mager mens, met een scherp gezicht. Of beroepsbijnaam voor de messenmaker. Het voorzetsel van is secundair.

Kobus: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Jacobus.

Kolgraf, Kohlgraf. Reïnterpretatie van Nederduits Kohlrave: koolraaf.

Korevaar, Koorevaar. Nederduits Kordvahr: Kord der vater : Koenraad de vader.

Köberl, Koeberl: Afleiding van Middenhoogduits kober: draagkorf. Beroepsnaam.

Kobia. Moedersnaam. Korte vorm van Jakobia.

Koblenzer. Afkomstig van Koblenz.

Kobus, Kobessen, Kobs: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Jacobus.

Koç, Koçak, Akkoç, Alkoç, Aslankoc, Aslancoç. Turkse naam die geassocieerd wordt met een schild.

Koch: Duitse beroepsnaam, pendant van (de) Kok. Zo ook Kok, Kock, de, Kocken.

Kockerols. Familienaam uit de plaatsnaam Cocroux in Biez (Waals-Brabant) of Cockroux in Oupeye (Luik).

Kockhoven: Plaatsnaam Kokhove. Er is een Cocove in Recques (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen):

Kockuijt, Cockhuijt, Cockguijt, Cocquit, Coquit, Kockuyt, Kochuyt, Koekuyt, Koeckhuyt, Koeckuyt, Couckuijt, Couckuit, Couckhuyt, Couckuyt, Couchuyt, Coucquyt, Koukuyt, Kouckhuyt, Cocquit, Coquyt, Cocquydt, Cocquyt, Cocquijt, Cockuyt, Cockhuyt, Cochuyt, Coequyt, Cockheyt, Cocheyt, Cocqueydt, Cocqu, Cocu, Cochu, Coqu: Variant Kockuyt, Koekuyt, Cockuyt, Couckuyt. Middelnederlands cockuut, cockuyt, cochuut, Oudfrans cocu ‘koekoek’. Aangezien deze vogel in een vreemd nest eieren legt, werd de vogelnaam een bijnaam, scheldnaam voor een luiaard. Deze opvatting zou dan zijn verschoven tot ‘die vreemde eieren uitbroedt’, vandaar ‘bedrogen echtgenoot’, le Cocu. Of koekoek en cockuut zijn twee verschillende woorden (Vergelijk Frans coucou en cocu, Engels cuckoo en cuckold), die achteraf voor één woord werden gehouden. Oudfrans cucut betekende: hoorndrager, gehoornd.

Kodde, Codée, Codde en met accent Coddé. 1. Vadersnaam. Korte Germaanse voornaam Cuddo. 2. Middelnederlands Codde ‘knots, knuppel, kodde’. Bijnaam naar het fysieke voorkomen of voor de koddenaar, de met een knots gewapende krijger. Beroepsbijnaam voor de koddenmaker ‘knotsmaker’ of de knotsdrager, de gerechtelijke ambtenaar.

Koeckhoven, van Koekhoven, van, van Cochoven, Koekhoven, Koekhofs, Koeckhofs: Plaatsnaam Koekhoven in Merksplas en Rijkevorsel (Antwerpen).

Koedam. Plaatsnaam Kuhdamm in Bahrenfleth (Duitsland).

Koedijk. Plaatsnaam bij Alkmaar. Noord-Holland, Terneuzen, Zeeland, Armboutscappel, Duinkerke, Frans-Vlaanderen, Audruicq, Pas,-le-Calais.

Koegmans. Samenstelling met Middelnederlands cooch, coich: buitendijks land? Waarschijnlijk veeleer reïnterpretatie van Coemans.

Koejemans. Koeymans, Koeiman. Volksetymologische re-interpretatie van Koemans, doordat Koeman als ‘koeman’ gelezen werd, in plaats van ‘koman’.

Koek, de; Coeck, Couque, Couqué, Kokke, Koke, Kooken, Koek, Koeke, Koeken, Kocken, Kokke, Kokken, Kook, Koeck, Koecke, Kocke, Koke, Koeks, Koeckx, Koekx, Coeck, Coecke, Coeke, Coeckx, Coekx, Couck, Coucke, Couque, Coucq, Caucke, Cooke, Cooken, Koock, Kuck, Kuk, Kück, Kuke. 1. Beroepsbijnaam van de koekenbakker. 2. Mogelijk ook uit Kok, naar het beroep.

Koekebakker: Beroepsnaam van de koekenbakker.

Koekelberg, Koekelbergh (van), Koekelbergs, Koeckelberg, Koeckelberghs, Coekelberg, Coekelbergh, Coekelberghs, Coekelgerghs, Coeckelberg, Coeckelbergh, Coeckelberghs, Couckelberq, Coukelbergs, Koeckelelenberg, Koecklengerbergh, Koecklenberg, Koecklengherh, Koeklenberg, Coeckelenberg, Coeckelenbergh, Kokelberg, Cockelbergh, Cockelbergh, Cokelberghs, Cokelberg, Kokkelenberg, Kokelenberg, Kocklenberg, Koklenberg, Kockelberg, Kockelbergh, Cokkelberg, Cokkerlbergh, van Quoklenbergh, van Conkelberghe, van Conkelberge. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam Koekelberg in Brussel, Berchem, Haacht, Kester, Herfelingen (Vlaams-Brabant), Herzele, Melsele, Munkzwalm (Oost-Vlaanderen) en Kokelberg in Ronse (Oost-Vlaanderen).

Koekelkoren, Koekelcoren, Koekkelkoren, Kokkelkooren, Kokkelkoren, Kokkelkorn, Kockelkoren, Kockelkorn, Kuckelkorn: Duitse familienaam Kuckel-korn, Kockelkorn. Duits Kockelskôrner, Nederlands kokkelkorrels, -zaden, Middenlatijn coculae orientales of indici, dat is oosterse of Indische korrels. Kockel, van Cocculus, afleiding van coccus: kern, zaad, graantje. Het zijn de zaden van de Anamirta cocculus, die op Malabar en de Indonesische eilanden groeit. Deze korrels worden gebruikt in de homeopathie en om vissen en vogels te bedwelmen.

Koekenbeek, van. Plaatsnaam Koekenbeek in Sint-Renelde (Waals-Brabant).

Koekendorp: 1540 Arie Jansz Couckendorp woonde op de boerderij Couckendorp in Zuidland (Zuid-Holland), vermoedelijk zo genoemd omdat er veekoeken werden gemaakt.

Koekoek, Koekoeks, Koekkoek, Koukoek, Koeckoeck, Koekoex, Koekoeckx, Koeckoeckx. Bijnaam voor een luiaard of een bedrogen echtgenoot. Vergelijk Kockuijt.

Koekman: Beroepsnaam van de koekenbakker.

Koelewijn: Varianten zijn: Kollewijn, Collewijn, Koldewijn, Koldewey. 1. Middelnederlands wey ‘wei, hui van de melk’. De naam is dus een re-interpretatie als ‘koele wijn’ in plaats van ‘koele wei’. Vergelijk Zoetemelk, Zoetewei. 2. Plaatsnaam Koelewei in Hontenisse (Zeeland).

Koelink, Kölling: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Nikolaus; vergelijk Colins, Koolen.

Koelman, Koelmans. Zie Colman(s). Maar een Nederlandse familie Koeleman stamt van Anthonius Kuhlman, °± 1715 in Goldenstadt. Afleiding van plaatsnaam Kuhle: kuil, groeve.

Koelhuis: Re-interpretatie van Koolhuis ‘huis bij een koolhof of moestuin’. Vergelijk plaatsnaam Koolhof, bijvoorbeeld 1496 den Coelhoff in Voorst (Gelderland); Duitse plaatsnaam Kohlhaus (Beieren, Hessen).

Koelman, Koeleman: 1. Zie Colman. 2. 1735 Johann Heinz Kuhlemann (kwam uit Ehrenburg (Nedersaksen) naar Edam en heette hier) Jan Hendriksz Koeleman (vader van) Kuhleman is een afleiding van Duits Kuhle ‘kuil, groeve’.

Koen, Koene, Koenen, Koens, Koone, Koonen, Kuenen, Coen, Coene, Coenen, Coens, Koenn, Kon, Konne, Könn, Koens, Kons, Coen, Coensen, Coone, Con, Cone, Coohn, Coune, Counen, Couenen, Coun, Couns, Kohn, Kohnen, Koohn, Kohne, Köhn, Köhne, Köhnen, Koonen, Konen, Coonen, Cohn, Cohnen, Conen, Conens, Keune, Keun, Keunen, Kun, Kunnen, Kune, Kuen, Kuenen, Cunin, Cuenen, Cunen, Ceunens, Ceunen, Ceunis, Cuens, Koeune, Kuin, Cuinen, Cuynen, Cuyns, Kühne, Kühn, Kuhne, Kuhn, Kuehn, Kuhnen, Kuenhen, Kuhnhenn, Kuhni: 1. Vadersnaam. De Germaans eenstammige naam Cono, Kono;‘koen, dapper’. 2. Zie ook de Koene, Coen(e). Koen (Kuno) kan echter ook als naamstam op zichzelf gedacht worden. Kuene (en Kuenen, dat ook voorkomt, naast Kühnen, Kühne en Kühn op Hoogduitse wijze gespeld) is de Brabantse uitspraak en spelwijze van dezelfde naam.

Koener, Koeners, Koenders, Konder, Coenders, Kohner, Kuunders: Vadersnaam. Germaanse voornaam kôn-hari 'koen-leger': Gonherus.

Koenders, Koendertse, Kuunders: Vadersnaam. Met ingevoegde d (vergelijk donder, van donre) uit Koeners. Germaanse voornaam kôn-hari‘ koen –leger’.

Koene, (de), (de) Coene: Bijnaam voor wie koen, dapper, moedig is. Wellicht oorspronkelijk vadersnaam. Koen, maar achteraf als bijnaam opgevat, met lidwoord.

Koenig, Koenigs, König, Königs, Konig, Konigs, Kongs, Konik, Konic, Koniq, Konyk, Conicq: Duitse bijnaam König: koning. De vorm Konik is Zuid-Duits.

Koenigsfeld. Duitse plaatsnaam Königsfeld (verspreid).

Koenraad, Koenraads, Koenraadt, Koenraets, Coenraad, Coenraard, Coenraed, Coenraet, Coenraets, Coenraard, Coenraerds, Coenderaet, Coendraet, Coenderaert, Condaert, Conderaerts, Konrath, Konrad, Konradt, Conraads, Conrad, Conrads, Conradt, Conratd, Conrath, Conraths, Conratte, Conradi, Conradie, Conrady, Conrard, Conrardy, Conrod, Conroth, Conrotte, Coonraat, Conradi, Conradie, Canrady, Conrard, Canrardy, Conerardy, Connerade, Connerotte, Counerotte, Condrotte, Cornerotte, Corneroutte, Connrot, Contrardy, Couraet, Couraets, Coura, Courrar, Courrard, Courard. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Koenraad; kôn-rêd 'koen-raad': Conradus.

Koentges, Kontges: Vadersnaam Koentje, afleiding van Germaanse voornaam Koen.

Koerhuis, Koertshuis, Koer. Plaatsnaam, als Koert-huis te Deventer, van koeren, koerter; torenwachter.

Koert, Coort, Koerdt, Koertge: Vadersnaam van Germaanse voornaam Koenraad.

Koers, Koerts, Kurtz, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty, Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders, in Brabant Kuenen, Kuene, Kune: Variant van Kors. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Koenraad; kôn-rêd 'koen-raad': Conradus.

Koert: Vadersnaam. Germaanse voornaam Koenraad, Konrad.

Koert, van: Wellicht de naam Koert met secundair voorzetsel van.

Koerver, Koeruer, Korver, Korver, Koerfer: Beroepsnaam. Nederduits Körver: mandenvlechter. Vergelijk Körber, Corvers.

Koesemans: Variant van Kosemans, Cosemans. Afleiding van Middelnederlands cosen ‘spreken, praten, liefkozen, vleien’. Bijnaam.

Koether. Duits Köter, Köther: keuterboer.

Koetsdijk: Plaatsnaam. Koets(e): 1. Vadersnaam. Zoals Duits Kotz(e), vleivorm van de voornaam Konrad. 2. 1782 Johannes Matthias Koets, Groningen (is de zoon van een Duitser) Johannes Kutsch. Wellicht van Pools kucza ‘loofhut, tent’, Slowakisch kuca ‘hut’.

Koetsenruijter: Uit Duits Kutschenreiter, Kotschenreiter, Kotschenreuter, afleiding van plaatsnaam Katschenreuth (Beieren).

Koetsier: 1. Beroepsnaam van de stratenmaker, Zuid Nederlands kasseier, van Middelnederlands cautsiër, cauchier, van Picardisch cauchie, cauchée ‘straatweg’. 2. Aangezien het woord koetsier in het Nederlands pas in 1627 opduikt, kunnen alleen jonge familienamen op dit beroep teruggevoerd worden.

Koetsveld, van, van Koersveld: Plaatsnaam Koesveld in St.-Gillis-Waas (Oost-Vlaanderen); eventueel Coesfeld (Duitsland).

Koettlitz. Plaatsnaam Köttlitz (Beieren).

Koeveringe, Koeveringen, van: Plaatsnaam Koevering in Sint-Oedenrode en Steenbergen (Noord-Brabant). Koeveringe is ook de dialectische vorm van Coevorden (Drenthe).

Koevoet, Koevoets, Coevoet, Coevoets, Koeijvoets, Koeyvoets, Koefoed, Covoet: 1. Bijnaam naar het lichaamsgebrek, de horrelvoet, klompvoet, paardenvoet. Of huisnaam. In Keulen ‘de Pede bovis; naar de huisnaam ‘ad Pedem Bovis’, Vergelijk Duits Kuhfuss, Pferdefuss, Rindsfuss, Frans Piedboeuf.

Koeymans, Koeijmans, Koeiman: Reïnterpretatie van Coemans.

Koeijer, (de); Koeijers, de Coeijer: Middelnederlands beroepsnaam co(o)yer ‘eendenhouder, die de eenden in de kooi opsluit’.

Koffeman, Kofman, Koff, de, Kofferman. Beroepsnaam. Variant van Duits Kaufmann.

Kofler. Duits Koffler, Kofler, oude vorm van Kaufler: uitdrager, opkoper, kleinhandelaar.

Kögel. Duitse hypercorrecte vorm voor Kegel; zie Kogelenberg, van: plaatsnaam, misschien Kugelberg in Ludwigsburg.

Kogel, Kogels, Cogels: Middelnederlands cogele: kap, mantelkap. Bijnaam, vergelijk Cappe.

Kögelsberger. Duitse hypercorrecte vorm voor Kegelsberger, van plaatsnaam.

Kogelenberg, (van): Misschien de plaatsnaam Kugelberg in Ludwigsburg (Baden-Württemberg).

Kogeler: 1. Afleiding van Middennoordduits kogel, Middelhoogduits gugel ‘kap, hoofddeksel’. Beroepsnaam voor de hoedenmaker. 2. Spellingfout voor Kögeler. Kögeler: Door klinkerronding uit Kegeler ‘kegelaar’ (zie boven).

Kohl, Kohle, Kohlen, Köhl, Köhlen: 1. Bijnaam van de kolenteler, koolbouwer. Vergelijk Waals-Vlaams koolkapper, Keuls Kappesboor: kleine boer aan de rand van de stad die zijn groenten in de stad verkoopt (Keuls kappes: (kabuis)kool). 2. Vadersaam. Korte vorm van de voornaam Nikolaus; zie Kool(e), Koolen.

Kohlberger, Kohlenberger, Kolberg: Verspreide Duitse plaatsnaam Kohlenberg.

Köhler, Kohler, Koller, Köller: Duitse beroepsnaam van de kolenbrander.

Kohlman, Kohlmann, Kaulman, Kaulmann: Afleiding van Kohl.

Kohlmeyer. 1. Afleiding van Kohl. Vergelijk Kohlmann. 2. Variant van Kollmeyer.

Kohlschein, Kohlscheen. Verhaspeling (door verscherping) van Gol(d)stein.

Kohnemann. Vadersnaam. Afleiding van Kohn.

Kohnenmergen. Misschien verhaspeling van Duits Kohlmorgen, Kaldemorgen (Essen): koude, koele morgen. Bijnaam.

Kohschulte: Duits Kuhschulte ‘beheerder van een boerderij met koeien’; vergelijk Duits Köhmeier.

Kok, (de); (de) Kock, (de) Cok, (de) Cock, de Cocq, le Cocq, le Coq, Koks, Kokke, Cox, de Koch, (de) Cok, (de) Cocq, de Cook, Decooq, Koock, Kook, de Koek, (de) Couck, (de) Cok, Coc, Coq, Koq, Koks, Cox, (de) Coux, Cocks, Cocx, (de) Cockx, Kokx, Kox, Kocks, Kokx, Ko, Kocx, Koch, Kochs, Choxkx, Koksma: 1. Beroepsnaam van de kok. 2. Beroepsnaam Middelnederlands coc, scarpcoc ‘beul, scherprechter’. 3. Le Cocq kan een vertaling zijn van de Cock, maar de Cock is ook soms vertaald uit Lecocq ‘de haan’. Het wapenschild van de families De Cock vertoont vaak een haan.

Kokelaar, Keukelaar: Middelnederlands cokelare ‘tovenaar, goochelaar’. Duits Gaukler.

Koker, de; de Cooker, de Coker, (de) Kooker, De Kocker, de Koecker, de Cocker, de Cockere, de Kokere,dDe Kokert, Decockère, Keucker, Keuker, de, Kocker, de, Kockere, Keuker: 1. Beroepsbijnaam naar de koker, het foedraal, bijvoorbeeld pijlkoker, naaldenkoker, brievenkoker. Het kan een bijnaam zijn voor de bode, die de brieven in zijn koker draagt: 2. Eventueel afleiding van werkwoord coken‘koken’. Synoniem met (de) Kok. 3. Mogelijk zijn er ook mensen uit Coker in Somerset (Engeland) het kanaal overgestoken en hebben zo de naam naar Vlaanderen gebracht.

Koker, van den. Deze familienaam komt in Luxemburg voor. Verhaspeling van De Koker.

Kokje: Wellicht uit te spreken kokjee en te begrijpen als Nederlands spelling van de Normandische familienaam Coquier ‘poelier’, afleiding van coq ‘haan’.

Kokkelink: Verkleinvorm van Kok. Ook plaatsnaam; 1475 Kokeling in Nutter, Overijssel.

Koldenhof: Oost-Nederlands Plaatsnaam Koldenhof ‘koud hof’. Koldenhave in Brummen (Gelderland). Er is ook de Duitse plaatsnaam Koldenhof (Mecklenburg-Vorpommern). Vergelijk Kolthof, Kouwenhoven.

Kolb, Kolbe, Kolp: Duitse bijnaam, pendant van Kolff, Colfs.

Kolbach, Kohlbacher: Plaatsnaam Kolbach im Breisgau.

Kolbus, Kolbusch, Kolbusz: Plaatsnaam Kohlbusch in Stolberg, Duitsland.

Kolchmidt, Koschmider, Korsmit, Corrsmit, Corsmit: Kolschmidt, van Nederduits Koldeschmid: koudsmid, dat is een ketelsmid, kopersmid (die zonder vuursmeedt), Duits Kaltschmied. De verhaspeling tot Korsmit door de bekende //r-wisseling.

Koldewey, Koldewijn, Koldewwyn, Kaldewaij, Kollewijn, Collewijn, Colluyng, Koelewijn: 1. Middelnederlands wey: wei, hui van de melk. Koele wei. Vergelijk Coemelck, Soetemelk, Soetewey. De vormen met-wijn kunnen jongere volksetymologische reïnterpretaties zijn. 2. De oostelijke vormen (kolde-) kunnen op een plaatsnaam Koude Wei teruggaan. of Koldewey van plaatsnaam Kaltenweide. Er is een plaatsnaam Coudeweede in Duinkerke (Frans-Vlaanderen). Bovendien zijn er talrijke plaatsnamen Koldewey/Koldewee (als in Overijssel, Gelderland). 3. Er is ook nog een plaatsnaam Colwède, een bos tussen Pihen en Rodelinghem (Pas-de-Calais).

Koldijk. Plaatsnaam Koldijk in Grouw (Friesland).

Kole, Kol, van, Kool, Koolen, Kolen, Koole, Kolman, Koll, Kollen, van, Akol, Kul, Kül, Kuyl, Cuijle, Kools, Coolsen, Cools, Colle, Collé, Kolner: 1. Vadersnaam. Korte vormen van de voornaam Nikolaas, Nikolaus. 2. Naast de van oudsher in Nederland aanwezige familienaam Kol is er door immigratie een Turkse naam Kol bijgekomen.

Kolenberg. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Kolenberg in Zelem (Limburg). 2. Variant van Kohlenberg: een verspreide Duitse plaatsnaam. 3. Variant van Koelenberg: plaatsnaam in Broekom, Val-Meer en Kerniel (Limburg), Koulenberg in Klimmen (Nederlands-Limburg) en Koelberg in Geluwe (West-Vlaanderen).

Kolenbrander, Colenbrander. Beroepsnaam van de kolenbrander, de houtskoolbrander.

Kolfer: Beroepsnaam van de kolvenmaker of kolfdrager.

Kolff: Middelnederlands colve ‘kolf, knuppel, knots’. Beroepsbijnaam voor de kolfdrager of voor de kolvenmaker. Of overdrachtelijke bijnaam voor een dikke kerel, lomperd. °1550 Wouter Colff, woonde in Nijmegen in ‘De Drie Colven’ en is stamvader van een geslacht Kolff.

Kolfschoten. Familienaam, vooral in de Gelderse vallei.

Kolgen, Kölgen: Vadersnaam. Afleiding van Koll.

Kolibos. Griekse familienaam.

Kolk, van Kolk, van de, der Kolk, Kolkman: Plaatsnaam Kolk ‘kolk, diepte, kuil’.

Kolkman. Afleiding van Van der Kolk.

Koll, Kolle. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Kolo. 2. Bijnaam. Nederduits kole: hoofd, kop. 3. Variant van Kohl(e).

Kollaart, Kolar, Koolhaard, Koolaard: Vadersnaam. Nederlands spelling van Frans Collard, afleiding van voornam Nicolas.

Kollem, van, van Collem: 1. Plaatsnaam Kolem (Antwerpen). 2. Variant van Van Kollum.

Kollenberg, Kollenburg, van: Aangezien berg en burg vaak verward worden, misschien de plaatsnaam Kallenberg (Baden-Württemberg, Noordrijn-Westfalen): Of variant van Kolenberg of Kohlenberg.

Köllmann, Kollman, Kollmann, Kolman: 1. Vadersnaam. Voornaam Coloman. 2. Variant van Kohlmann.

Kollros. Duitse bloemnaam Kohlrose: onder meer klaproos, kollebloem.

Kollum, van. 1. Pllaatsnaam Kollum. 2. Variant van Van Kollem.

Kolmeijer, Kollmeyer, Kolmer, Collemeijer, Collemijer, Corlemeijer en de verdwenen vorm De Comer, De Colmere: Nederduitse familienaam Kollmayer, wellicht uit Kohlmeier ‘meier op een koolhof, hoeve waar kool geteeld wordt’ of uit 1430 Koldemeyer (Denemarken) ‘meier op een koudenhof’. Of een naam van Duitse origine uit Koldemeyer/Kohlmeyer: toezichter bij het kolenbranden.

Kölner, Kolner, Kollner, Koellner, Kölln, Köllner: Keulenaar.

Kolp: Andere spelling voor Duits Kolb ‘kolf’. Zie Kolff.

Kolsteeg, Kolsteegje, Kolsté, Te Kolsté: Kolsteeg is een reïnterpretatie ('steeg') van plaatsnaam Kolstee, van Kolstede. Vergelijk Duitse familienaam Kohlstetter, van plaatsnaam Kohlstetten.

Kolthof: Oost-Nederlands Plaatsnaam Kolthof ‘koud hof’: 1297 Coldehof in Denekamp, Overijssel, 1385 Coldehof in Delden, Overijssel, 1475 Coldehof in Wierden Overijssel, 1401, Kolthof in Enschede Overijssel.

Kolvenbach. Duitse plaatsnaam.

Kolijn, Collijn, Colijn: Vadersnaam.; Vleivorm van de heiligennaam Nikolaas.

Kome,van, Komen van: plaatsnaam Komen, Henegouwen.

Komejan: Bijnaam Koman Jan ‘koopman Jan’?

Komkommer. Nederlandse/Joodse familienaam. Bijnaam of beroepsnaam voor de eter of teler van komkommers.

Kammander. Beroepsnaam van de commandeur, hoofd van eencommanderij (Duits Kommende), ridderorde. Duits Komtur, Nederduits Kommdùr, Van Latijn commendator.

Kommer, Kommers, van den Kommer: Door dialectische uitspraak van van den Kamer. 1. Middelnederlands commer ‘kommer, zorg, behoefte’. 2. Met lidwoord veeleer beroepsnaam van de ‘kommaker, schotelmaker’. Afkomstig van Kommerscheidt (Noordrijn-Westfalen).

Kompels: Zoals Duits Kümpel, verkleinvorm van Kunibald, Kunibert?

Kompier. Met epenthetische nasaal uit Copier.

Kondré, Kondre, Condereys, Condreys, Condrys: Vadersnaam Gondrez, Romaanse vorm van Germaanse voornaam Gondraad (zie Gondraet).

Könecke. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Konrad.

Konhäuser, Konheiser: Kornhäuser, afleiding van Kornhaus: korenhuis, graanhalle, korenschuur.

Konieczy, Konieczij, Konieczna, Konietzny, Konietna: Oudpools konieczny: op het eind wonend.

Koning, (de); (de) Kooning, de Konink, Konings, de Coninck, Köning, König, de Keuning, de Keuninck, de Koninckx, de Koninck, Konink,dDe Konning, Konninck, de Kooning, Kooninck, de Coninck, de Coning, de Coningh, Conincq, Conynck,Con-ijnck, de Cooninck, De Conninck, de Connink, Conningh, Conninckx, Decninck, Deconincke, Deconinque, (de) Keuninck, de Keunynck, Keunijnck, de Ceuninck, Ceunynck, Ceunijnck, Ceuninckx, de Cueninck, Ceununck, de Ceuminck, de Keninck, Kenninck, Keuningh, Keunings, Ceuninckx, Ceuninkx, Ceunique, Konings, Koninckx, Koninckx, Koninck, Konix, Konicx, Koning, Koningx, Könings, Coninck, Conin, Conynck, Coninckx, Conincx, Coninsx, Coninx, Coning, Conings, Coning, Coningx, Cooninx, Koonings, Conninckx, Conninx, Coninck, Conckx, Conix, Konix: Bijnaam ‘koning’, bijvoorbeeld voor het hoofd van een gild of de koning in een boogschuttersgild.

Konijn, Konyn, Keun, Keunen, Conijn, Conin; Middelnederlands conijn, cuennijn, Waals-Vlaams keun: konijn. Beroepsnaam voor een konijnenfokker of bijnaam voor prognatie of de manier van kauwen.

Konijnenburg, van, Knijnenburg, Knijnenberg: Plaatsnaam Konijnenberg in Biervliet, Oostburg (Zeeland) en in Apeldoorn (Gelderland).

Konijnendijk: Plaatsnaam, wellicht in Geervliet (Zuid-Holland).

Königsdorff, Köningsdorf: Plaatsnaam Königsdorf (Beieren).

Koningstein, Konigstein, Königstein, Kenigstein, Kenigsztejn, Koningstein: Plaatsnaam Königstein (Beieren, Hessen, Saksen, Sleeswijk-Holstein).

Koningsveld, van: Plaatsnaam Koningsveld bij Pijnakker (Zuid-Holland).

Koningswinter. Nederlandse vorm voor Duitse plaatsnaam Kônigswinter.

Konkel, Kunkel, Kunkels. Laatmniddennederlands konckel, kunkel, Duits Kunkel: spinrokken. Beroepsnaam.

Kono. 1. Japanse naamvariant van Kawano (betekent "veld bij de rivier" - naam uit West-Japan, het eiland Shikoku en het eiland Ryukyu) of van Takano (betekent "hoog gelegen veld", naam uit Oost-Japan). Kawano en Takano worden in Japan dikwijls uitgesproken als Kono. Indiaanse naam: eekhoorn die een pijnboompit doorbijt. Ook als voornaam. 3. Nigeriaanse naam: mijn beurt.

Konsdorf, Konsdorff. Duitse plaatsnaam Consdorf.

Könst, Konst, Kunst: Vadersnaam. 1. Door omkering van volgorde van klanken ts/st uit Duits Könz, Konz, Kunz, vleivorm van de voornaam Konrad. Kunst kan trouwens ook volksetymologisch worden verklaard uit Cuns = Koens. 2. Verkort uit Constant.

Konter, Kunder: Bijnaam. Middelnederlands conder ‘ondier, wangedrocht’. Vergelijk Duits Kunter, Kunder, van Middelhoogduits kunder, kuntier‘ ondier’.

Koninckxloo, van, Koninxloo, van, van Koningsloo, van Coningsloo, van Coninckxloo, Conincksloey: Plaatsnaam Koningslo in Vilvoorde (Vlaams-Brabant).

Konteyne. Misschien aanpassing van Cantraine, Cantrijn, van Contryn. Ook beïnvloed door Fonteyne.

Koob, Koop, Koops, Coops, Koppe, Koppen, Kopinga, Copinga, Koopsma: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Jacobus.

Kooger: Afkomstig van De Koog op Texel (Noord-Holland).

Kooy, Kooy, Kooij. Vaders-, moedersnaam of beroepsnaam, zie Kooyman.

Kooi, (van der) Kooij, van der Kuij: Voor de eendenfokker of kooienmaker, of die woont bij een plaatsnaam De Kooi Gorinchem, Zuid-Holland. De Kooy, Den Helder, Noord-Holland.

Kooiman, Kooijman, Kooijmans, Cooijman: 1. Afleiding van Middelnederlands Kooye ‘(schaaps)kooi, eendenkooi’. Beroepsnaam van de kooier, die loslopend vee in de kooi opsluit. Of eendenfokker of kooienmaker. 2.Variant van Coman = Koopman.

Kooistra: Friese afleiding van Kooi; zie Kooiman.

Kooken: 1. Verbogen vorm van Koeke ‘koek’, zie de Koek. 2. Uit van der Koken/Keuken, bijnaam voor een kok.

Kool, de: Bijnaam voor een kolenbrander of kolenteler? Of Vdersnaam. Kool met volks etymologisch secundair lidwoord?

Koole, Kool, Coole, Cool, Cole, Coel, Coël, Col, Colle, Coll, Ceule, Kuijl, Kuijle, Kuylle, Kuyl, Kools, Cools, Cols, Coelst, Coels, Couls, Ceuls, Kuyls, Cuijl, Cuyl, Cuyls, Cuylle, Cuyle, Kuyle, Kulle. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Nikolaas.

Koolen, Kolen, Coolen, Coolens, Koelen, Coellen, Coelen, Coel, Colen, Colens, Keulen, Ceulen, Kuylen, Kuijlen, Cuylen, Collen, Collens. Vadersnaam uit Kolen/Colin, een knuffelvorm van de heiligennaam Nikolaus/Nicolaus.

Koolbergen, van, van Colenberghe, van Collenberghe, van Collenberg: 1. Plaatsnaam Koelenberg in Geluwe (West-Vlaanderen). 2. Kolenberg in Zelem (Limburg). 3. Plaatsnaam Colembert (Pas-de-Calais).

Koolbrant, Koolbrandt, Coolbrand, Coolbrandt, Colebrants, Colebrant, Colbrandt, Colbrandt. 1. Beroepsnaam van een kolenbrander of houtskoolmaker. Ook Duits Kohlbrandt. 2. Mogelijk ook afgeleid van Germaanse voornaam: Colbrand.

Koolegem: Plaatsnaam Kolegem in Mariakerke (Oost-Vlaanderen).

Koolhaas, Kohlhaas: Middennoordduits Kôlhase ‘sprinkhaan’. Bijnaam voor een levendig, beweeglijk mens.

Koolmees, Koolmoes. Duitse familienaam Kohlmeise, van Middennoordduits koilmoese: koolgroente, koolmoes.

Koolstra, Coolsma: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Nikolaas.

Koolwijk: Plaatsnaam Koolwijk in Herpen (Noord-Brabant) en Stolwijk (Zuid-Holland).

Koop, Koops, Koopen, Koopstra, Kop: Bijnaam voor een koper of koopman. Vergelijk Nederduits Dürekoop, Duits Teuerkauf.

Koopal. Bijnaam voor iemand die alles koopt. Vergelijk Duits Kaufauf.

Koophamel. Beroepsnaam van de handelaar in hamels. Vergelijk Paardekooper.

Koopman, Koopmans, Koopmansch, Koopmann, Coopman, Coopmans, Koppeman, de Copman, de Coopman, Kopman, Copmans, Copman, Kooman, Koomen, de, Komen, Koomand, de Cooman, de Coman, (de) Cuman, de Cueman, Coman, Comans, Cooman, Coomans, Comanne, Commane, Commans, Coeman, Coemans Koemans, Koeman, Kouman, Koman, Couman, Coumanne, Coumans, Coumant, Kouhmane: Beroepsnaam van de koopman. De vormen zonder p door assimilatie pm > m. In Koemans staat de Middelnederlandse oe-spelling voor lange o. Zie ook Kooyman.

Koopstra: Friese afleiding van Koop, van de voornaam Jacob.

Koorde, van der: Vermoedelijk, zoals de Vlaamse familienaam Decoorde, een vertaling van de Henegouwse familienaam Decorde(s), de Cordes, van plaatsnaam Cordes (Henegouwen).

Kooring. Weergave van de dialect Franse uitspraak van Corin; vergelijk Vlaams Firmin(g). Zie Carrin.

Koorn, Koornstra, Koorstra, Korenstra: 1. Vadersnaam, van Latijnse heiligennaam Cornelius. Bijnaam voor de hoorndrager. 3. Middelnederlands corn(e), coren‘ koren, graan’. Beroepsbijnaam van de graankoopman.

Koornhuyse, van den, van den Koarnhuyse, van den Koornuise: Plaatsnaam Korenhuis: korenhalle, waar het graan verkocht werd. Ook wel beroepsnaam.

Koornneef, Koorneef, Koreneef, Pierneef, Marneef. Uit 'neef van een persoon met de familienaam Koorn' of wellicht uit 'neef van Cornelis', welke voornaam bij de eerste generaties in de 17de eeuw voorkomt. Zou Koornneef en spellingvarianten de tegenhanger kunnen zijn van Korevaar? Andere samenstellingen van een voornaam met -neef: Pierneef en de niet meer voorkomende achternaam Arendneven. Wat te denken van de Russische naam Korneev (spreek uit Kornejev)?

Koot, De Coodr, De Coot, Decoodt, Decoot, Coots, Coet, Coët, Coets, Koets: Middelnederlands coet ‘koet’. Bijnaam naar de vogelnaam. Mogelijk afgeleid van een vogelvanger of iemand die de vogelgeluiden goed kon nabootsen.

Koot, van; van Kooten, van Koote, van Koten: Plaatsnaam. Middelnederlands Cote ‘hut, huisje, schuur’. Plaatsnaam Koten in Aardenburg, Zeeland: 1351 buten Ardenburch ten Coten. ±1300 Pieters land van Coten, Ozemondskerke (verdwenen dorp bij Oostburg in Zeeuws-Vlaanderen). Cothen, Utrecht.

Kooter, de, Koter, Kötter, Koote. Beroepsnaam, vergelijk Keuterboer; koter; kind.

Kootstra: Friese afleiding van van Koot. Eventueel van Koten.

Kooyman, Kooijman, Kooijmans, Kooiman, Kooiker, Cooyman, Cooymans, Cooijmans, Cooijman, Koymans, Coyman, Coymans, Coemans, Coeyman, Coeijmans, Coeimans, en de Friese vorm Kooistra, Kooi, Kooy, Kooij. 1. Vadersnaam of moedersnaam uit één of andere knuffelvorm op -koie, als Alecoya, Odecoia. 2. Familienaam afgeleid van het Middelnederlandse kooye: schaapskooi, eendenkooi. Beroepsnaam van de kooier, kooiker: wie loslopend vee opsluit, eenden vangt in een eendenkooi, kooien maakt. 3. Variant van Coman: koopman.

Kop, Koppe: 1. Het woord Middelnederlands cop(pe) had verschillende betekenissen ‘vaatwerk, schaal, schotel, drinkschaal, beker; schedel, kruin, top, kop; laatkop’. Vaak ook huisnaam. 2. Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Jacob.

Kop, van de: Plaatsnaam Kop in Heerewaarden (Gelderland).

Kopacs, Kopacsi, Kopacz, Kopacki, Koppatz, Kopatz, Koppatsch, Poolse bijnaam van kopac: hakken, graven

Kopec, Kopecky, Kopetzh, Kopetzki, Kopetzsky, Kopetsky. Pools kopec: rook, roet. Bijnaam.

Kopeinig. Familiemaan in Luxemburg. Waarschijnlijk van plaatsnaam Kôppernig aan de Neisse.

Kopel. 1. Duits Koppel, Köppel, afleiding van Jakob. 2. Middelnederlands coppel: maat voor droge waren (vijgen, rozijnen), wijn. 3. Middelnederlands coppel, Nederduits. koppel: algemene weide.

Koper, Kooper, Kopper: Nederlands koper, Nederduits kopper: koper. Beropepsnaam van de kopersmid. Vergelijk Duits. Kupfer.

Koperberg, Koperenberg, Kooperberg: Plaatsnaam Koperberg bij Oldenzaal (Overijssel), Koperenbergpolder bij Willemsdorp (Zuid-Holland).

Koperdraad. Beroepsnaam van de draadtrekker, maker van koperdraad.

Köpke, Kopke: 1. Vadersnaam. Nederduitse afleiding van de voornaam Jakob. 2. Afleiding van Kop.

Köpp, Köppe, Köppen, Koppe, Kopp, Koepp, Koep, Koepges: Vadersnaam. Duitse korte vorm van de voornaam Jakob. Zie ook Cop.

Kopmels: Vadersnaam. Kop, van Jakob en Vadersnaam. Mels, van Melis. Vergelijk Koppejan.

Koppelen, van. Duitse plaatsnaam Koppeln.

Koppel, van de, der, Koppels, Koppelman, Koppelmans, Koppele te, ten, Koppelle, Koppelmann, Ossenkoppele, Köppel, Goppel. 1. Beroepsnaam. Afleiding van coppel: koppel, band, juk. 2. Afleiding van plaatsnaam Koppel: algemene weide. Ook Duits Koppelmann. 3. Bijnaam voor een koppelaar.

Koppelaar: Bijnaam voor een koppelaar. Maar het kan natuurlijk een afleiding zijn van het werkwoord Middelnederlands coppelen ‘verbinden, vastmaken, koppelen; samenvoegen’. Of, zoals Duits Kuppler, afleiding van plaatsnaam Koppel ‘algemene weide’.

Koppen, van: Noorse plaatsnaam Koppen in Hordaland?

Koppenhagen, van, Cobbenhagen, Coppenhague, Copenhague: Plaatsnaam Kopenhagen (Denemarken).

Koppenaal, Koppenhol, Koppenol. Vadersnaam uit de dubbele voornaam Koppe (van Jacob) en Nol (uit bijvoorbeeld Arnold). Zie ook Coppenolle.

Koppendrayer: Beroepsnaam van de draaier van houten koppen.

Koppenhol, Koppenol, Coppenolle: Vlaamse varianten zijn van Coppernolle, van Compenolle, (van) Compernolle. Verspreide plaatsnaam Koppenol ‘inzinking met bolvormige heuvelrug’.

Koppers, Koppert, Koppes, Coppers, Kappers. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Jacob, of van midden Noord-Duits kopper, van Latijn cuprum; koper, een koperslager of bereider?

Korb. Duitse beroepsnaam van de korvenmaker. Vergelijk Corff.

Körber, Korber, Koerber, Korper, Corper, Kerber, Körfer, Koerfer, Korfer: Duitse beroepsnaam Körber: mandenvlechter. Vergelijk Koerver, Corvers. Kerber is ontrond (o/e).

Korbmacher, Korfmacher: Duitse beroepsnaam van de korvenmaker, mandenvlechter.

Korbijn, Corbijn: Franse familienaam Corbin, afleiding van Oudfrans corb ‘raaf’. Bijnaam.

Kordelaar, van. Limburgse familienaam. Plaatsnaam Korteraar (Zuid-Holland)?

Kordes, Kordus, Kordys: Vadersnaam. Duitse vorm van de voornaam Konrad.

Kordt, Korth: 1. Spellingvariant van Kort; zie (de) Korte. 2. Vadersnaam. Variant van Kurt = Konrad.

Koreman, Kooreman: 1. Middelnederlands cornman ‘korenkoper, graankoopman’. Beroepsnaam. Oost-Vlaanderen, Baarland, Zeeland. 2. Beroepsnaam van de keurmeester, keurder.

Korenberg, Kornberg: Plaatsnaam in Diegem (Vlaams-Brabant).

Korenblit. Duits/Joodse familienaam, ontrond van Kornbliite: korenbloesem, korenbloem. Vergelijk Korenblum.

Koreneef, Koorenneef: Vermoedelijk volks etymologisch voor de Duits familienaam Korneffel, van Middelhoogduits Karnöffel ‘naam van een kaartspel’.

Korenhof. Plaatsnaam in Herentals en Geel, Antwerpen, Duitsland.

Korevaar: Nederduits Kordvahr ‘Kord der Vater, Koenraad de vader’.

Korf, Korff: Beroepsbijnaam van de korvenmaker, mandenvlechter. Zie de Korver.

Korhuyt: Hypercorrecte spelling voor Korruit, de in België voorkomende familienaam Corruyt, van Colruyt. Romaans plaatsnaam Corroit, van coruletum ‘hazelarenbosje’.

Koridon: Corydon is een herdersnaam bij Publius Vergilius Maro (°-70). De naam komt ook voor bij Vondel.

Korlvinke. Soort vink die kornel, kornoelje eet? Vergelijk Duitse familienaam Kurlbaum, Middelnederlands corneboom, Cornus. Vergelijk Kirschfink.

Körndörffer: Duitse familienaam Korndörfer, afkomstig van Korndorf (Nedersaksen).

Kormannshaus. Huis van de Kor(n)mann: korenman.

Kormeier. Duitse beroepsnaam Kornmeier: beambte belast met het toezicht op de korenschuur, het korenhuis.

Kornberg. 1. Plaatsnaam in Duitsland, bijvoorbeeld Beieren. 2. Zie Korenberg.

Kornblum, Korenblum, Corbloem: Duits/Joodse familienaam: korenbloem.

Korne, de: Spelling van de West-Vlaamse familienaam Decoorne, van Frans Decorne. Bijnaam voor de hoorndrager? Of uit Decorme, van Franse Plaatsnaam Corme(s)?

Körner, Korner: Duitse beroepsnaam van de korenhandelaar.

Kornfeld. Duits/Joodse familienaam; korenveld.

Korngold. Duits/Joodse familienaam.

Korngut. Duits/Joodse familienaam.

Kornreich. Bijnaam voor iemand die rijk werd door de graanhandel? Vergelijk Kornt(h)euer.

Korntheuer, Kornteuer. Bijnaam voor een graanwoekeraar; letterlijk: duur koren.

Kornwolf. Duitse bijnaam voor een graanwoekeraar.

Korpak. Waalse uitspraak van plaatsnaam Korbach. Duitsland.

Korpel: Frans Corpel, zoals Oudfrans corbel, van Frans corbeau, verkleinvorm van Oudfrans corp, corb ‘raaf’.

Korperich, Koerperich: Plaatsnaam Korperich (Rijnland-Palts) of Körprich (Duitsland).

Korpershoek, Kurpershoek: Plaatsnaam Korpershoek bij Schipluiden (Zuid-Holland). Vergelijk Familienaam Kerpershoek.

Korporaal, Corporaal: Frans caporal, van Italiaans caporale ‘korporaal, brigadier’.

Korput, van de, van den, der Corput: Plaatsnaam. Middelnederlands correput: put, poel waarin krengen en dierlijkafval gegooid werden. Middelnederlands corre: kreng. Synoniem met Oost-Vlaams Pensenpoel

Kors, Cors, Korres, Koersen, Koers, Coors, Cours: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Christianus (vergelijk Corstjens) of eventueel Cornelis.

Korshuize, Korsehuijse, Korsuize: Vermoedelijk geen plaatsnaam, maar een volksetymologische vervorming. Misschien Duits Kurzhose?

Korsman, Kors, Kortsen, Koers, Korssen, Kos, Koors: Vadersnaam. Afleiding van Kors(t), van Corstiaan, van Kerstiaan ‘Christianus’.

Korstanje, Korstanije, Corstanje, Karstanje: Met epenthetische r uit kastanje, van Picardisch casta(i)gne, van Latijnse castanea. Naar de woonplaats bij een kastanjeboom.

Korsten, Kosten, Kostense, Kossen, Kosse, Kosten, Korssen: Vadersnaam, van Kersten, vleivorm van heiligennaam Christinus, Christianus.

Korstjens, Corstjens, Corstiëns, Corsiens, Kurstjens, Cortsjens, Carstgens, Castien: Vadersnaam. Variant van Kerstiaan(s), Christiaens. Zie ook Corstiaens, Christyn. Castien uit te spreken: kastjen.

Kortbeek, Cortebeek: Plaatsnaam Kortbeek in Aalten (Gelderland). Of Korbeek (Vlaams-Brabant):

Kort, van, Van Kut. Naam uit de plaatsnaam "Het Kort" in Wommelgem (Antwerpen).

Korte (de), (de) Kort, Korten, de Corte, de Cort, Corte, de Cordt, de Cord, Korth, Kordt, De Curte: Bijnaam ‘de korte’, naar de kleine gestalte.

Kortekaas: Bijnaam. Vergelijk Duits Hartkäse, Schönekäs, Halbkes.

Kortenbout. Waarschijnlijk vervorming van Kortenhout. Bijnaam Korte Boud ‘Boudewijn’?

Kortenhorst. Plaatsnaam Kort + Horst; struikgewas, begroeide hoogte.

Kortenhof: Plaatsnaam Kortenhoef (Noord-Holland).

Korteknie: Bijnaam. Vergelijk Kortbeen.

Korteland: Plaatsnaam Kortland bij Alblasserdam (Zuid-Holland).

Kortelink: Bijnaam, afleiding van (de) Kort.

Korten, Kort, Courtens: Vadersnaam. Van de voornaam Koenraad, Konrad.

Korter, de: Vervorming van de Korte.

Korteweg: Frequente plaatsnaam Korte Weg, bijvoorbeeld in Oostburg en Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen):

Korthals, Corthals, Cothals, Corthols. Bijnaam voor iemand met een korte hals. Duits Kurzhals.

Korthof: Plaatsnaam Kortenhoef (Noord-Holland), plaatselijk ook Korthoef.

Korthout, Korthoudt, Corthout, Corthouts, Corthoudt, Corthaut, Corthauts, Kortenhout: Plaatsnaam Korthout ‘kort bos’. Vergelijk Langhout.

Korthuis, Korthuys, Kortus: Plaatsnaam Korthuis in Diest (Vlaams-Brabant).

Korting: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Kort, Kurt, van Koenraad.

Kortjanse; de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes.

Kortland. Plaatsnaam Kort land.

Kortlang: Vermoedelijk volks etymologisch uit Kortland; zie Korteland.

Kortleve, Kortleven, Corteleven, Cortleven: Bijnaam voor iemand die zich vaak over het korte leven beklaagt? Vergelijk Duits Kurzleben.

Kortman, Kortmann, Cortman, Corteman, Courtrnans, Curteman: Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk De Corte.

Kortschot: Plaatsnaam.

Kortvriend, Cortvriendt, Cortvriend: Bijnaam voor iemand met een slecht karakter, met wie je slechts korte tijd bevriend kunt zijn.

Kortwijk. 1. Soms variant uit de plaatsnaam Kortrijk (West-Vlaanderen). Ook de familienaam Kortrijk komt in Nederland verspreid voor. 2. Ook afgeleid uit de plaatsnaam (in Drenthe) Cortewijcke (wijk: smal verveningskanaaltje) in Hoogeveen.

Kortzorg. Bijnaam voor iemand met weinig zorgen. Vergelijk Sorgeloos, Ohnsorg.

Korven, van. Wellicht plaatsnaam Korvel, Noord-Brabant.

Korver, Korvers, (de); Corver, Coerver, Coervers, Corvers, Corfers, Curver, Curvers, Curfs, de Kurver, Kurvers: Beroepsnaam van de korven-of mandenmaker; of mandendrager, sjouwer. Curvers kan mogelijk terggaan op Carvers, zie daar.

Korvorst, Ceurvorst: 1. Middelnederlands coorvorst, cuervorst: keurvorst; (ook naam van) gouden munt. Vergelijk Duitse familienaam Kurfurst. 2. Bijnaam. Korte Vorster? 3. Reïnterpretatie van Korvers/Kurvers is niet uit te sluiten.

Kos, Kost, Cos: Vadersnaam. Kosse is een Zeeuwse voornaam, waarschijnlijk van Constantinus. Of door assimilatie van Kors, Kerst, Corstiaan: Kerstiaan.

Kosch, Kosche, Kosc: Bijnaam van Pools-Tsjechisch Kos: korf.

Kosinski, Kosynski, Kosijnkski, Kosijnssky: Van Poolse plaatsnaam.

Kosman, Kusman, Kossmann, Cosmann, Cosman, Cohsmann, Costnans, Cossmann, Kostman: 1. Vadersnaam. Zuid-Duits Kosmann, van heiligennaam Cosmas. 2. Variant Van Kos, Ko(o)semans, Coesman, Cosemans. Afleiding van Middelnederlands cosen ‘spreken, praten, liefkozen, vleien’.

Koster, (de), Kosters, Kösters, de Coster, Kusters, de Kostere, Kosters, Köster, Koester, Costers, de Coster, de Costere, de Costerd, de Costre, de Coester, de Cuester, de Keuster, de Ceuster, Keusters, Kuster, Küster, Küsters, Ceuster, Custer, Custers, Cuesters, Ceursters, Kuysters, Cursters, Costerman, Costermans, Kosterman, Kostermans, Kostermann, Kuestermann, Kustermann, Kuestermans, Kustermans, Ceustermans, Custermans, Kuystermans, Kuijstermans, Ceurstemont: Beroepsnaam van de koster.

Kostering, Kosterink, Kosterinks. Plaatsnaam in Weerselo, Wilsum (Overijssel).

Kot: Middelnederlands cote, Oudfrans co(t)e, Engels coat ‘mantel’. Franse familienaam Cotte, Lacotte. Beroepsbijnaam of bijnaam.

Kotemans, Cotemans, Kotmans, Cotman, Cotmans, Cootman, Cootmans, Coetmans. Afleiding van Koot. Bewoner van een kot, een hut, een huisje.

Köther. Duits Kother, Koter (Westfaals), zoals Nederduits Kät(h)er: keuterboer, bewoner van een stulpje, keuterij.

Kotkamp: Plaatsnaam. Uit Kortkamp?

Kotoun: Spelling voor Coton. 1. Vadersnaam. Korte vorm van Jacoton of Nicoton. 2. Frans coton, Middelnederlands cot(t)oen ‘katoen’. Beroepsbijnaam voor de wever of verkoper van katoen.

Kottenhoff. Plaatsnaam. Misschien Kotterhof in Kürten; Kotthoff in Meschede (Duitsland).

Kotting. Misschien variant met -ing-suffix van Cottijn.

Kottman, Kottmann. Bewoner van een kot, stulpje. Duitse pendant van Kotemans.

Kottong. Indien inheems: aanpassing van Coton?

Kotvis: Volks etymologische aanpassing van de Poolse familienaam Kotwitz, Kotowicz, afleiding van Slavische kotu ‘kat’.

Kötz, Kotz, Koetz, Kotzmann: Vadersnaam. Duise vleivorm van Konrad.

Kotzer: Beroepsnaam van de vervaardiger van (Middenhoogduits) kotze: grove wollen stof. Familienaam Kotze.

Koudstaal, Koutstaal. Beroepsnaam van de koudsmid, de ketel- of kopersmid, die zonder vuur smeedt. Vergelijk Koudyzer. Nederduits Koldenagel.

Koudyzer, Koudijzer, Koudijs, Koudeijs, Koudeys, Kaltschmidt, Kouijzer, Koudzer, Kouwijzer, Coudijzer, Coudyzer, Coudijser, Coudyser, Caudijzer, Caudyser, Couwyzer, Couyzer, Couwijzer, Couwyser, Couhysder: Beroepsbijnaam van de koudsmid, de kopersmid, ketelsmid. Duits Kalteisen.

Kauhmane. 1. Zie Koopman(s). 2. Marokkaanse familienaam.

Koulberg. Plaatsnaam. Koulenberg in Klimmen (Nederlands-Limburg). Koelberg in Geluwe (West-Vlaanderen) of Duitse plaatsnaam Kohlberg.

Koulischer. Verbogen vorm van Duits Kaulich = Keilich, Oostmiddelduitse bijnaam: kleine man van gedrongen gestalte.

Kouprianoff. Vadersnaam. Slavische afleiding van heiligennaam Cyprianus.

Kousmaker, Kouseemaker, de Kousemaeker, Koussemaker, de Cousemacker, de Coussemaker, de Cousemaker, de Cousemaeker, de Causemaker, de Causeaecker, de Causmaecker: Beroepsnaam van de kousenmaker. De kous was de leren of zijden beenbekleding. Zie Caus.

Kouter, de: Wellicht verkort uit van de Kouter. Of aanpassing van Frans Lecoutre ‘de koster’.

Kouteren, van, van Cauteren, Vercouteren, Vercautere, Vercauteren: Frequente plaatsnaam Kouter ‘bebouwd land, akker’, van Latijnse cultura.

Kouters. Plaatsnaam Kouter, zie de Cauter.

Kouwen, Kouwe, Kouwes, Caauwe, Cauven: Middelnederlands cauwe ‘kraai (vogel)’. Bijaam of huisnaam.

Kouwenberg, (van); Couwenbergs, Cauwenberghs: Plaatsnaam Kouwenberg (Tilburg, Noord-Brabant). Verspreide plaatsnaam Koudenberg, onder meer in Brussel.

Kouwenhoven, Couwenhoven, Koldenhof, Van Koldenhoven, Kollenhof. Oude familienaam van de Nederlands-Duitse grens (?) waarvan de betekenis niet geheel duidelijk is: 1. Uit de plaatsnaam Koudenhove(n)/Kaldenhof (verlaten hoeve of hoeve met zware, natte grond (?)): diverse bij de Duits-Nederlandse grens en Coudenhove in Delft (Zuid-Holland). 2. Beroepsbijnaam voor een bakker: koude bakker (naar de koude oven).

Kouwenoord: Plaatsnaam Koude Oord bij Oeffelt (Noord-Brabant).

Köver, Kover: Bijnaam van de keuterboer, die een Nederduitse kove, een stulpje, bewoont.

Kowac, Kowatz, Kowatsch, Kovacs, Kovac, Kovats, Kovacic, Kovacevic: Kroatische en Hongaarse afleiding van Kowal: smid

Kowal, Kowalik, Kowalska, Kowalski, Kowalsky, Kowlzik, Kowalczyk, Kowalczykowski, Kowarski, Kowalewski, Kovalewsky, Koval: Beroepsnaam Pools, Sorbisch, Wendisch kowal: smid.

Koyermans, Kuyermans, Keyerman: Beroepsnaam van de kooier, die het loslopende vee in de (gemeente) kooi opsluit, schut, kooit.

Kozak, Kozakevich, Kozakiewicz, Kozakiewitz: Volksnaam: Kozak.

Kozelj, Koziej, Kozielski, Koziel: Bijnaam. Oudpools koziel: geitenbok.

Kozijns, Kozyns, Cozyns, Cosijns, Cosens, Koosens, Cosyn, Cosyns, Cosijn, Cosijns, Cosin, Cosins, Cosijnse, Cossyns, Cossijns, Coseyns, Coezijn, Cousin, Cousins, le Cousin, Cousinne, Cossin, Cousain, Cousein, Couzyn, Cousun, Cousijns, Coussin, Coussens, Cousens, Coessens, Coesens, Coossens, Cossens, Koesen, Kosen. Familienaam afgeleid van het Franse cousin, het Zuid-Nederlandse kozijn en het West-Vlaamse kozen: neef.

Kozlowski, Kozloff, Koslowski, Koslovski, Kosolosky, Koziol: Van Poolse plaatsnaam Kozlow.

Kraai, (de) Kraay, de Kraey, Kraeye, Kraaij, (de) Craey(e), de Craie, de Crae, de Cra, (de) Craye, Craueije, Craije, Vercraeye: 1. Bijnaam naar een eigenschap van de kraai, bijvoorbeeld een prater, zwartharig. Of bijnaam naar het stemgeluid. 2. Huisnaam. Of plaatsnaam.

Kraaijenbrink, Kraaienbrink, Kraayenbrink, Kragenbring: Plaatsnaam. Vergelijk Nederduits Krei(en)nbrink.

Kraaijenvanger. Bijnaam Kraaienvanger. Vergelijk Nederduits Kraagvanger.

Kraaikamp, van, Kraaykamp, Kreijkamp: Plaatsnaam. Vgl. Kraayeveld. Nederduitse familienaam Kreienkamp(f ), Krakamp. Kreyenkamp in Zwischenahn (Duitsland).

Kraak, Kraack, Krack, de Craecke, de Craeke: 1. Middelnederlands crake, craek ‘schip, kraak’. 2. Van het werkwoord craken ‘krakend geluid maken, babbelen’. Vergelijk de Kraker. Middennoordduits Krack; ‘kraai’, synoniem met de Kraker.

Kraakman. Afleiding van Kraken. Synoniem met De Kraker.

Kraal, Kral, Krale, Kraall. Beroepsnaam, voor een kralen,-, koralenmaker.

Kraan, Krane, de Craene, (de) Crane, Cranen: Bijnaam naar de kenmerken van de kraanvogel: lange benen, lange hals, slankheid.

Kraan, van der. Plaatsnaam De Kraan, Noord-Brabant, of Kraan, Nederlands-Limburg.

Kräânzl, Kraentzel: Duitse afleiding van Kranz. Zie Krans.

Kraass. Duitse familienaam Krass(e), van Middenhoogduits krasse: grondeling. Bijnaam.

Kraats, van der; van de Craats: Plaatsnaam De Kraats in Ede (Gelderland).

Kraay, van, van Kraaij. Plaatsnaam.

Kraaijenbrink: Plaatsnaam Kraijenbrink in Varsseveld (Gelderland). Vergelijk Nederduits Krei(e)nbrink.

Kraaijenoord: Plaatsnaam ,597 Creyenoert in Barneveld (Gelderland).

Kraaijeveld: Plaatsnaam Kraayenveld bij Delden (Gelderland): Ook Kraaienveld in Zandvoort (Noord-Holland).

Kraayenhagen. Plaatsnaam Kreyenhagen in Schnega (Duitsland).

Kraaijenoord. Plaatsnaam. 1597 Creyenoert, hofstede in Barneveld, Gelderland.

Kraaijmes: Door assimilatie rs van s uit plaatsnaam Kraaimeers, onder meer in Emelgem, Merkem, Zedelgem (West-Vlaanderen), Maldegem (Oost-Vlaanderen).

Krabbe, Krabbé, Krabben, van der, Crabbe: 1. Bijnaam naar het schaaldier, de krab. Wellicht naar de eigenaardige manier van lopen. 2. Plaatsnaam, Zuid-Holland.

Krabben, van der, van der Crabben, van der Krap, van der Crab: Plaatsnaam De Krabbe, bijvoorbeeld in St.-Jan-in-Eremo (Oost-Vlaanderen); ook De Crab(be), streek ten westen van Dordrecht.

Krachmans, Krachtmans, Kraghmann, Kragmans, Craecmans, Cracman: Middenederlands crake: voetboog. Beroepsnaam van de krakenmaker.

Kracht, Kragt, Kragten, Kraft, Krafft: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Kraft ‘kracht, weermacht’: Kraft; 2. Bijnaam naar de lichaamskracht.

Kracht, van der, van de, der Kragt: Variant voor Van der Gracht. Vergelijk Nederduits Von der Kracht = von der Gracht.

Krakeel: Plaatsnaam Krakeel in Hoogeveen (Drenthe) en Nijeveen en Meppel (Drenthe).

Krah, Krahe, de Krahe, Krähe: Duitse familienaam Krahe: kraai. Vergelijk Craeye.

Krähenbühl. Nederduitse plaatsnaam: kraaienheuvel. Vergelijk Duits Krayenberg, Kraibuhler.

Kräher. Duitse bijnaam voor een schreeuwer.

Krahy. Waalse beroepsnaam die beantwoordt aan Frans graissier: vethandelaar.

Krajweski. Pools: die aan het eind van een dorp woont.

Krakau, Krakow, Krakowsky, Kroakowski, Krakowczyk: 1. Plaatsnaam Krakau (Galicië), Pools Krakow. Ook verspreide plaatsnaam Cracau, Krakau, Krackow (Pommeren).-2. Ook andere naam voor Kalkar (Duitsland).

Kraker, de de Cracker, de Craeker, de Craekere, de Craecker, de Craeckere. Naam uit het werkwoord kraken: kraken, krakend geluid maken, lawaai maken,ledebraken, martelen. Bijnaam voor een lawaaimaker of beroepsnaam van een beul?

Kralingen, van. Plaatsnaam, bij Rotterdam.

Kram: Middelnederlands cram(me), crame ‘kram, haak’. Beroepsbijnaam voor iemand die krammen maakt of slaat.

Kramer, (de), Krämer, Kramers, Kraamer, Krahmer, de Craemer, (de) Cramer, Cramers, Kremer, Kremers, Kraemer, de Kremer, Kremers Kreemers, Kremeer, de Craemere, Craemers, Crammer, Krammer, de Creemer, de Cremer, de Cremers, Creemers, de Creymer: Beroepsnaam van de kramer, kleinhandelaar, winkelier.

Kramerkrings. Luikse familienaam, verhaspeling van Kamerlings.

Kramerhoffer. Afleiding van Duitse plaatsnaam Kramerhof.

Kramp, Krampe, Krampen, Kremp, Krempp, Krempf, Cramp, Crampe: Middelnederlands crampe ‘kramp’. Bijnaam voor iemand die aan krampen leed of voor een misgroeid mens. Duits Krampf.

Krampiltz. Uit Krampitz, Krampetz, van Pools krepy. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte,

Kranck, Kranckx. 1. Nederlands krank: ziek, zwak, armoedig, pover, ellendig. 2. Nederduits Krank(e), van Nederduits Kraneke, Duits Kranich: kraanvogel.

Kranenborg, Kranenburg: Plaatsnaam Kranenburg (Gelderland, Gelderland). Huisnaam in Brugge.

Kranendonk, Van Craenendonck: Plaatsnaam Cranendonck ten zuiden van Sterksel (Noord-Brabant), Kranendonk (Vlaams-Brabant) en in Mönchen-Gladbach (Noordrijn-Westfalen).

Kranewitter. Afleiding van Beiers-Oostenrijkse plaatsnaam Kranewitt, Oudhoogduits kranawitu: jeneverstruik, letterlijk: kraanvogelboom.

Kranich. Duitse bijnaam Kranich: kraanvogel. Vergelijk (de) Crâne.

Krans, Crans,Craens, de Crans, Kranskens, Cranskens, Crasquin, Cransquint, Crasquin, Krantz, Kranz, Kranc, Cranz, Kranzen, Krens. Plaatsnaan (?) Krans: Bijnaam naar een hoofdkrans, haarkrans. Of naar het uithangbord.

Kransvelt, Kransveld, Kransfeld, Cransveld, Cransfeld: Plaatsnaam Kransveld in Mol (Antwerpen) (Duitsland).

Kranzler, Kräânzler, Krânzler, Krenzler: Beroepsnaam van de kransenmaker, kransenbinder.

Kras: Spelling voor de bijnaam Cras. Oudfrans cras ‘vet, dik’.

Krasilnikov, Krassilchikoff: Afleiding van Russisch krasilnik: lakenverver

Krasnik, Krasnici, Krasnicki, Krasnikoff, Krassnikof: Russische bijnaam Krasnik: mooi, knap.

Krat, Cratte: Variant van Kraat, (de) Craet, Crate. Middelnederlands Craet ‘het kraaien van de haan’. Vergelijk Kraaij.

Kratz, Kratzer. Bijnaam voor iemand die krabt.

Krau. Bijnaam voor iemand die krauwt, krabt, die jeuk heeft, schurftige. Vergelijk Crowin, Krouwer.

Kraus, Kraussen, Krausen, Krausz, Krauz, Krauze Kruse: Duits familienaam met iemand met kroeshaar. Kruse is Nederduits Vergelijk Kroes.

Krauskopf. Duitse bijnaam voor iemand met kroeshaar, een kroeskop. Vergelijk Kraus.

Kraut, Krauth, Kràutli, Craut: Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Kruid. Kräutli is een Zwitserse afleiding.

Krautstengel. Bijnaam naar de gestalte. Zuidduits Kraut: kool. Vergelijk Duitse familienaam Kohlstock.

Krauwel, Krouwel, Crauwels, Crouwels. Middelnederlands crauwel ‘drietand, kromme gaffel, vleeshaak’. Beroepsbijnaam of huisnaam.

Krawiecki, Krawczyk: Beroepsnaam. Pools krawiec: kleermaker; krawczyk: (leerling) kleermaker.

Krawinckel, Krawinkel, Krawenkel, Craewinkels, Kraewinkels, Kranwinkel, Kraamwinkel, Krewinkel, van Craywinckel, van Craywinkel,van Craijwinkel: Plaatsnaam Kraaiwinkel: kraaienhoek. Krawinkel in Geleen, Neerbeek, Neunkirchen (Duitsland); Krehwinkel in Velbert, Kramwinkel in Bochum (Duitsland); Kreiwinkel in Molenstede bij Diest; Cruijwinkel in Vorst (Antwerpen).

Krayem. Plaatsnaam Kraainem, Vlaams-Brabant?

Krazenberg: Varianten van de plaatsnaam zijn Kraassenberg, Kra(a)ssenburg, Kratsenberg, allemaal in de Achterhoek.

Krebbers. Variant van krabber? Middelnederlands crabben: 1. krabben; 2. krakelen.

Krebs, Krebes, Kreps, Kripps, Krips, Kriebs, Krieps: Duitse bijnaam Krebs: kreeft; vergelijk Kreeft.

Kreef, Kreeft, Kreft, De Creeft, Creyf, Creve, Crève, Crêve. Uit het Middelnederlandse creeft, creift: kreeft. Bijnaaam voor de kreeftenvanger, of naar de rode gezichtskleur, of naar de wijze van lopen. Of huisnaam, zoals in van der Kreeft. Vergelijk Ecrevisse, Crabbe, Krebs. Nederduits Kreft, Krevet.

Kreeft, van der. Huisnaam. Vergelijk Krebs.

Krefeld, Kreveld, Kreevels: Plaatsnaam Krefeld (Duitsland).

Kreglinger, Kreglinge. Slavische plaatsnaam Kregelin, Pommeren.

Kreijl, van. Plaatsnaam Kreiel (Limburg), Kreil (Noord-Holland), Kreyl (Noord-Brabant), Kreyel (Nedelrands-Limburg).

Kreikamp: Door sluiting van de a tot e voor i uit de plaatsnaam Kraaikamp ‘kraaienveld’. Kraayenkamp in Barneveld (Gelderland). Nederduitse familienaam Kreienkamp(f), Krakamp.

Kreike. Nederduitse variant van Kreke, Kreeck: kriek.

Kreilman. Afleiding van Krail, Duits dialect ontronde vorm van Kreuel, Middenhoogduits krôuwel: krauwel, haak met omgebogen tanden. Vergelijk Crauwel(s).

Kreis, Kreiss, Kreisz, Kraize, Kriese, Kries, Kreisman, Krajzman, Krajsman: Duitse familienaam Kreis(z), Kraisz: grensscheiding.

Kreisch, Kreischer, Kriescher, Krischer. Duitse bijnaam van een krijser, schreeuwer.

Kreisel, Kreyssel, Kreyhsel, Kreiszels, Kriesels: Afleiding van Middenhoogduits kreiz: geschreeuw, geroep, lawaai. Vergelijk Kreischer. Bijnaam.

Kreit, Kreydt: Bijnaam. Middennoordduits krête, kreit: twist, strijd, ruzie, vete. Dan stond men in het krijt, rondte omgeven door krijt.

Kreitz. Plaatsnaam bij Neufi (Duitsland).

Kreke, van de, der, van de Kreeke: Waternaam Kreek in IJsselmonde (Zuid-Holland), Standdaarbuiten (Noord-Brabant), ’s-Gravenzande (Zuid-Holland), Oud Heinenoord (Zuid-Holland), Nieuw Beijerland (Zuid-Holland).

Kreker, Krekels, Krickel, Krickels, Kriekels, Kreckel, Krichel: Middenenderlands crekel, criekel: krekel. Bijnaam naar het stemgeluid als van een krekel, of voor een knorrig mens. Vergelijk Criquillon, Krekeler.

Krekelberg, Krekelbergh, Krekelberghe: Plaatsnaam Krekelberg in Ronse, Oost-Vlaanderen, Hoeven, Boom, Antwerpen, St. Kornelis-Horebeke, St. Maria-Oudenhove, Velzeke, Oost-Vlaanderen, in Cadier en Keer, Banholt. Ook familienaam in Nederlands-Limburg naar een plaatsnaam in Echt, Schinnen, Schinveld.

Krekeler. Bijnaam voor een knorrig, gemelijk mens. Afleiding van Middelnederlands crekelen: murmelen, knorren, gemelijk zijn.

Krello: Spelling voor Crelot, Crélot, Grelo. Verkleinvorm van Oudfrans graile, grele, van Latijnse gracilis ‘mager, spichtig’. Bijnaam.

Krentz, Krenz, Kreintz, Kreinze, Krainz, Kranjc, Krens, Krenc: Oostduitse-Slavische plaatsnaam Kreinitz, Krentsch, van Middenhoogduits greniz(e): grens.

Krengel, Kringels: Middenhoogduits kringel, krëngel: krakeling. Beroepsnaam.

Krepel: Bijnaam. Middelnederlands Crepel ‘verminkt, gebrekkig; kreupel’. Vergelijk Duits Krüppel.

Kress, Kresse. Duits Kresse; grondeling. Bijnaam of huisnaam. Of van Kres; waterkers, plant.

Kretels, Krettels. Vadersnaam. Ontrond van Krötel, dafleiding van Germaanse hrôd-naam.

Krets, Kretz, Crets, Cretskens, Krits. Bijnaam (omwille van jeuk of huiduitslag) of huisnaam (het dier) uit het Middelnederlandse kretsen: krabben, Duits kratzen. Vergelijk Waals-Vlaams krits: huiduitslag, schurft. Vergelijk Kretzer(s), Kratz(er).

Kretschmann: Verduitste vorm van Kretschmer, van Middelhoogduits kretschmar, van Slavisch, Tsjechisch krcmár ‘waard, kastelein’.

Kretschmer, Kretschmar, Kretzschmar, Krcmar, Krichmar: Beroepsnaam. Middenhoogduits kretschmar, van Slavisch, Tsjechisch krcmar: waard, kastelein.

Kretzer, Kretzers, Cretser, Gretzer, Gretser: Afleiding van Middelnederlands cretsen: krabben. Bijnaam.

Kreukniet, Kreuk, de, Kreukels, Krook: Bijnaam: zinwoord ‘die niet kreukt’.

Kreule, Kreulen: Vergelijk Duits familienaam Kreul, Kreuel, van Middelhoogduits kröuwel, krewel, kreul, Middennoordduits en Middelnederlands crauwel ‘drietand, kromme gaffel, vleeshaak’. Beroepsbijnaam of huisnaam.

Kreuzer, Kreutzer, Kreutser, Creutzer: 1. Afleiding van plaatsnaam Kreu(t)z. 2. Middenhoogduits kriuzer: kruisvaarder. 3. Muntnaam.

Kreuer. Variant van Keuls Kreuder, Nederduits Krüder: kruidenier, kruidenhandelaar.

Kreupeling. Bijnaam voor een kreupele.

Kreusch. Waarschijnlijk Duitse regressievorm van Kreisch.

Kreuteler. Variant van Duits Kreuterer, Kräuterer: kruidenier, kruidenhandelaar.

Kreutz, Kreuze: Duitse plaatsnaam Kreuz: Kruis. Kreu(t)zberg: verspreide Duitse plaatsnaam.

Kreutzkatnp. Duitse plaatsnaam Kreuzkamp

Krevelen, van: Plaatsnaam Krefeld (Noordrijn-Westfalen)?

Kreye, Kreyen. 1. Afleiding van kraaien: schreeuwen. Vergelijk de Crayer. 2. Variant van Kraai, Craeye (door palatasering ai/et).

Kreyelmans, Creygelmans, Creyelmans, Creylman, Krelman, Crijleman, Krijgelmans, Krygelmans, Cregelman, Kregersman. 1. Naam uit de plaatsnaam Kreiel (Limburg) of Kraaiel in Wommelgem (Antwerpen). 2. Variant van Kreilman: dit uit het Duitse krail (krauwel, haak met omgebogen randen). Beroepsbijnaam. Zie verder bij Crauwels.

Kreyenberg. Plaatsnaam Kraaienberg (Gelderland) en in Berendrecht (Antwerpen) en Berlare (Oost-Vlaanderen).

Krichelberg. Plaatsnaam in Kerkrade, Nederlands-Limburg. Vergelijk Krekelberg 2.

Krick, de, (de) Crick, Kricke, Krické, Krick, Krickx, Krix, Krikke, Krikken, Kruk, Kriek. 1. Familienaam uit het Waals-Vlaamse cricke, uit cruck: kruk, stelt. Bijnaam voor iemand die op krukken loopt. 2. Kan ook een spellingvariant zijn van Kriek: bijnaam voor een kersenteler.

Kriekaard, Krieckaart, Kriekckaert, Kriekeert, Krieckaert, Crikart, Crickard: Afleiding van kriek. Beroepsnaam van een kersenteler of -koopman. Vergelijk Kriekemans.

Kriegel, Kriegels, Krigel: 1. Middelnederlands crigel: hardnekkig, koppig, lichtgeraakt, korzelig, kregelig. Bijnaam. 2. Eventueel variant van Krekel(s).

Krieger, (de), Kryger Kriger, (de) Krijger, de Kreijger, Kriger, Krier, Kreij: 1. Duitse bijnaam, Middelhoogduits krieger ‘kamper, vechter, krijger’. Ook Middelnederlands criger ‘doorzettend mens, strijder, krijgsman’. 2. Duitse Krieger kan een ontronde vorm zijn van Krüger.

Kriegsman, Krijgsman: Beroepsnaam van de krijgsman. Vergelijk Krieger, Krijger.

Kriek, Krieken, Crieckx, de Kreek: 1. Middelnederlands krieke, Nederduits kreke, kreek ‘kriek; kers, pruim’. Beroepsbijnaam voor de kersenteler of -handelaar, fruithandelaar. 2. Een enkele eer naar de woonplaats.

Kriekeboom, Crikboom, Crickboom, Cricboom, Cricquebaume, Criquebaume, Krichbaum: Plaatsnaam Kriekeboom: kersenboom. Zie ook Kerseboom.

Kriekemans, Krieckemans, Crieckemans, Criekemans, Krikemans, Crickemans, Crikemans. Beroepsnaam van de kersen/kriekenteler of handelaar.

Krieken van: Vermoedelijk volks etymologisch voor van Grieken. Plaatsnaam Grieken bij Rijnsburg (Zuid-Holland) of Grieken in Vlaams-Brabant.

Kriekenberg. Plaatsnaam in Duisburg en Heverlee (Vlaams-Brabant).

Kriekinge, van, Kriekingen, van, van Krikingen, van Criekingen, van Criekinge, van Cricckinge, van Crickinge, van Krieckenge: Plaatsnaam.

Krielen: Vadersnaam. Samengetrokken uit Kerniel, Corniel, van Cornelius.

Kriesels: Duits Kreisel, verkleinvorm van Middelhoogduits kreiz ‘geschreeuw, geroep, lawaai’. Bijnaam.

Krift, van der: Misschien uit van der Kraft, van van der Graft/Gracht.

Krijger, (de), De Kreyger, de Kreijger, Kryger, Criegers, Krijgsman, Krygsman. Beroeps of beroepsbijnaam voor de krijgsman uit het Middelnederlandse criger: doorzetter, strijder, krijgsman, soldaat.

Krijgh, Krieg: Middelnederlands crijgh, crijch, Middennoordduits kriec, Duits Krieg: strijd, twist, tweedracht, halsstarrigheid. Bijnaam.

Krijgsman, Krygsman: Bijnaam van de krijgsman, strijder; vergelijk De Krijger.

Krijntjes. Vadersnaam. Afleiding van Krijn, heiligennaam Quirinus.

Krikken. Spelling voor Krieken.

Krimpen van. Plaatsnaam Krimpen aan den IJssel.

Krings, Kringhs, Krink: 1. Plaatsnaam Kring, De Kring in Kortrijk. Ringvormige weg of sloot. Duitse familienaam Kring: dorpsplein. 2. Kring(h)s kan zoals Krins op Carrin teruggaan.

Kringels. Middelnederlands cringel: krul. Vergelijk Krul. Bijnaam. 2. Zie Krengel.

Krinkelen, van. Plaatsnaam Krinkel; bocht, kronkel.

Krinkels, Krenkel: Middenenderlands crinkel: vouw, plooi. Of een variant van Kringels/Krengel?

Kripeler, Krippeler. Variant van Duits Krippner. Beroepsnaam van de maker van kribben, voederbakken.

Krippendorff. Duitse plaatsnaam Krippendorf.

Krisinger. Variant van Duits Kreisinger, Krusinger, van plaatsnaam Creufien, vroeger Krussingen (Beieren).

Kristelijn, Kristalijn, Christ, Krist: Vadersnaam. Verkleinvorm op –lijn van de voornaam Christiaan. Wellicht uit Duits Christlein.

Kristus. Vadersnaam. Christelijke voornaam naar Jezus Christus.

Kröber. Plaastnaam Kröbern of plaatsnaam Kroben (Posen).

Krocké, Krokké: Spelling voor Frans familienaam Croquet. 1. Picardisch croquet, Frans crochet ‘haak’. 2. Verspreide plaatsnaam in Noord-Frankrijk.

Kroegman: Afleiding van kroeg ‘kruik’. Beroepsnaam van de pottenbakker of de handelaar in vaatwerk.

Kroes, Kroese, Kroesen, Kroeze, Kroezen, Kroeske, Croes, Croese, Croës, Crous, Crousse, Crouse, Croze, de Crose, Kroos, de Kroes, (de) Creus, Kreus, Creuse, Creuz, Creuze. 1. Beroepsnaam naar het Middelnederlandse croes: kruik, kroes. Waard of handelaar in vaatwerk. 2. Bijnaam naar croes: krullend. Iemand met krulhaar. Vergelijk Kraus.

Kroeseklaas: Bijnaam van een Klaas met kroeshaar.

Koesemeijer, Kroesemeier. Meier die kroezen maakte of verkocht. Vergelijk Nederlands Kruikemeier, Duits Krugmeier.

Kroezen, Creuse, Creusen, Kruijzen, Kruissen. Familienaam uit croes: krullend, met kroeshaar. Een bijnaam dus.

Kroft, van der, Kruft, Croft, Krogt, van der, Vercroft. "Een aardige parallel met donk levert krocht (kroft) op, Angelsaksisch, Engels croft 'small enclosed field, pasture'. In Noord-Holland betekent het 'tussenveld, nog niet uitgegraven stuk land te midden van veenderijen', maar ook 'hoge zandgrond, akker in de duinen'. Le Franck van Berkhey noemt onder de 'veele groote valleijen en moerassen' in Kennemerland 'De vlakke Kroften'. Behalve in Noord-Holland (vooral de Zaanstreek, Tessel, Terschelling, Wieringen), waar het woord inheems is, komt het hier en daar in veldnamen voor in Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Brabant.

Krohmer, Kromer, Kroemmer: Krömer, Westfaalse geronde variant van Kremer, Kramer.

Krohn, Krohne. Middennoordduits krân, krôn: kraanvogel. Bijnaam. Vergelijk De Crâne.

Krom, (de), (de) Kromme, (de) Crom, Crommen, Crome, Cromé, Cromps, Crompt, Crump, Crum, Crombe, Crombé, Crombet, Crombez, Lecron, Lecrond, Lecront, Lecrompe, Lacrampe, Lecrompé, Lecrompe, Lecrombs, Lecrom, Lecroms: Bijnaam voor een kromme. Vergelijk Crommelinckx. Middelnederlands crom, ook cromb en cromp, van Frans Crombet en Lecrompe.

Krombach, Krumpak: Verspreide Duitse plaatsnaam Krumbachals in Beieren.

Krombeke, Crombeke, Crombecq, Crombecque, Decrombecque, Decrombèque: Plaatsnaam Krombeke (West-Vlaanderen).

Krombeen, Crombeen, Krambeen: Bijnaam voor iemand met kromme benen. Vergelijk Duits Krummbein.

Kromboom, Cromboom. Familienaam uit de plaatsnaam Kromme Boom (waar een kromme boom groeide), onder andere in Poperinge.

Kromhout, Cromhout, Cromphoudt, Cromphout, Cromphaut, Cromphouldt, Crompaute, van Cromphout, Cromphaut, Crompot, Crouphaut, Krumholz: Beroepsbijnaam van de wagenmaker, velgenhouwer, scheepsbouwer, wielmaker, kuiper, naar het ervoor gebruikte kromhout. Vergelijk Duits Krummholz, Krumphold(t). Het Kromhout was er, namelijk een scheepsbouwwerf. Soms huisnaam, wellicht van een wagenmaker. 2. Plaatsnaam inSteenhuize (Oost-Vlaanderen).

Krommedam: Plaatsnaam Crommendam bij Enter Overijssel.

Krommenhoek: Plaatsnaam Kromme Hoek in Baarle-Nassau (Noord-Brabant), Kruisland (Noord-Brabant), Made (Noord-Brabant), Scherpenzeel (Gelderland). Krommenhoeke in Biggekerke (Zeeland).

Kromschee: Plaatsnaam Krumscheid (Rijnland-Palts).

Kronacker. 1. Plaatsnaam Kronacker (Beieren). 2. Bewuste wijziging van Kronacher, van plaatsnaam Kronach (Beieren).

Kronemeijer: Meier op een goed ‘De Kroon’?

Kronenberg, Kronenberger: 1. Plaatsnaam Kronenberg (Nederlands-Limburg, Noordrijn-Westfalen), ook op De Peel. 2. Variant Van Kronenburg.

Kronengold. Waarschijnlijk Duits/Joodse familienaam.

Kröner, Kroner: Nederduitse bijnaam van de kletser, twister.

Kroonenburg, van, (van) Kronenburg, van Kroonenborg, van Cronenborch, Croonenborch, Croneburg, Croonenburg, Kronenberg, Kroenenberger, Kroonenberg, Croonenborg, Croonenborghs, Croonenberghs, Crooneberghs, Cronenbergh: Plaatsnaam Kronenburg, Noordrijn-Westfalen.

Kroonberg, Kronenberger, Kronenberg, Cronenberg, Kroonenberg, Croonenberghs, Crooneberghs, Crunemberg, Crunenberg: 1. Plaatsnaam Kronenberg (Nederlands-Limburg, Noordrijn-Westfalen). 2. Variant van Van Kroonenburg.

Kroon, (de), Kroone, Kroonen, Kronen, (de) Croon, Croone, de Cronne, Croonen, Croone, Croonne, Croon, Croons, Croene, Croenen, van der Crone: Naam uit de gelijknamige veldnaam of de heel verspreide huisnaam (In de Kroon). Duits ‘Zur Krone’.

Krooshof: Bijnaam Kroeshoofd?

Krooswijk. Plaatsnaam in Zevenbergen, Noord-Brabant

Kroothoep: Spelling voor Zuid-Duits Kruthaup, Duits Kohlkopf‘(krop van de ) kool’. Zuid-Duits krût ‘Kraut’, dat is ‘kool’, vergelijk Sauerkraut ‘zuurkool’. Bijnaam.

Kropman. Bijnaam voor iemand met een kropgezwel of opvallende adamsappel. Vergelijk De Crop, Duits Kropfman.

Krott, Crott. Middenhoogduits krot, krot(t)e, Duits Kröte: pad, kikvors. Oud scheldwoord.

Krouwer, Crauwers: Bijnaam voor iemand die krabt, klauwt, Vergelijk Krau.

Krucke, Kruk, Crucke, (de) Crucq, Krux. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse crucke, cricke voor iemand die op krukken loopt. 2. Kan ook een variant zijn van Cruycke: beroepsbijnaam voor pottenbakker of waard. In Henegouwen is Crucq trouwens een Picardisch vorm (Craque) voor Frans Cruche.

Krücker. Bijnaam voor iemand die op krukken loopt; vergelijk Kruck.

Kruf, Kruft,: Plaatsnaam Kruft (Rijnland-Palts).
Krug, Krugt, Krügel : Duits Krug ‘kruik’. Beroepsbijnaam voor de pottenbakker. Krüger, Kreugel: Kreugel is een variant (r/l) van Kreuger, Kröger, Krueger, Krüger, Kruger, Krueger, Kreuger, Kroeger, Kroger, Croger, Krugers, Kruiger, Hakenkruger: Beroepsnaam van de handelaar in vaatwerk (Duits Krug ‘kruik, kroeg), de pottenbakker of kastelein (Middennoordduits Krûch ‘kroeg’).

Kruid, Kruit, Kruys, Kruyt, Kruydt, Kruijt, Kruth, Krut, Cruydt, Cruyts, Cruyt, Cruits: Beroepssnaam van de kruidenhandelaar, kruidenier. Vergelijk De Cruyenare.

Kruidenier, Kruyniers: Beroepsnaam van de kruidenier, kruidenhandelaar, drogist.

Kruidl. Aanpassing van Duits Kräutl, afleiding van Kraut: kruid, kool. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Kruid.

Kruif, de, (de) Kruijf, de Kruyf, de Kruyff, Cruijff: Middelnederlands Cruuf ‘krullend, kroes’. Bijnaam voor iemand met kroezen haar, krulhaar.

Kruijer, Kruyer, Turfkruijer, Turfkruyer, Tafelkruijer, Tafelkruyer, Hourkruijer, Houtkruyer, Kreuijer. Cruyer, Kruijer ‘kruier, die met de kruiwagen kruit, vrachten vervoert’. Beroepsnaam.

Kruijne, Kruijntjens, Kruyntjens: Variant en afleiding van Krohn(e): kraanvogel. Vergelijk Kruyen. Vergelijk Nederduits Kro(h)nke.

Kruik, (de) Kruijk: Beroepsbijnaam voor de maker van kruiken, de pottenbakker of een waard. Vergelijk Krug, Krüger.

Kruiningen, van; van Cruijningen: Plaatsnaam Kruiningen (Zeeland).

Kruip. Bijnaam voor een kruiper, sluiper. Zie Cruyper.

 

Kruiper. Zie Cruyper. Beroepsnaam rietdekker. Geuzennaam, voor niet onderdanig willen zijn. 

Kruis, Kruize, Kruse, Kruijs, van der, Kruys, van de, der. 1. Persoon wonend bij een plek die bekend staat als (Het) Kruis, wellicht in verband met een kruis ter plaatse of met een afbeelding van een kruis op een uithangbord; bijvoorbeeld een huisnaam als het Dubbele Kruis, het Gulden Kruis, het Andrieskruis of het Jeruzalemskruis (zie hieronder). 2. Beroepsbijnaam voor de vervaardiger van kruisen (die wellicht een pand bewoonde alwaar een kruis uithing en daarom Het Kruis werd genoemd, zodat naamsverklaring 1 en 2 samenvallen).

Kruisbrink, Kruisselbrink: Verspreide plaatsnaam (Gelderland, Overijssel): dorpsplein met een kruis. Ook Kruisbrinkse Laak, zijtak van de Wolfstraatse Laak (Gelderland).

Kruisdijk, van, van Kruysdijk: Plaatsnaam Kruisdijk in Groede (Zeeland), Herwen (Gelderland), Oostburg (Zeeland), Sluis (Zeeland), Oudenburg, Nieuwpoot, Vlamertinge, Zandvoorde, West-Vlaanderen.

Kruisen, van der, van (der) Kruijssen, Kruijssen, Kruijsse, Kruijs, Kruijsen, Kruijze, Kruis, Kruisse, Kruissen, Kruse, Vercruijsse, Vercruijssen, Verkruijsse, Verkruijssen: Verspreide plaatsnaam Kruis, ter/ten Cruce/Kruise, Cruijsse ‘kruis (vaak het strafwerktuig, de galg, de schandpaal).

Kruisifikx, Kruysifiks: Plaatsnaam Crucifix ‘plaats waar een kruisbeeld staat’.

Kruisinga, Kruizinga: Friese afleiding van Kruis, Kruising, Kruissink, Kroesinga, Krusinga, Kroezinga. Cruisema, huis Cruisema bij Hoogkerk.

Kruiskamp. Plaatsnaam in Den Bosch (Noord-Brabant). Veld aan een kruispunt. Vergelijk Kreutzkamp.

Kruislander. Plaatsnaam Kruisland, Noord-Brabant.

Kruis Voorberghe, Kruijs Voorberge, Kruijsvoorberge: Dubbele toenaam.

Kruiswijk: Misschien van Kruisdijk.

Kruit, van der, van der Kruijt: Plaatsnaam? Vergelijk De Cruijt in Koolskamp (West-Vlaanderen). Of beroepsnaam van de kruidenhandelaar; vergelijk Kruid.

Kruit, Kruijt, Kruid. Beroepsbijnaam van de kruidenhandelaar, kruidenier.

Kruithof: Plaatsnaam. Middelnederlands cruuthof ‘moestuin, (planten)tuin’. Bijvoorbeeld in Nukerke, Oost-Vlaanderen.

Kruitwagen, Krutwage: Middenederlands crudewagen: duwwagen, schuifkar, (later) kruiwagen. Beroepsnaam van de voerman.

Kruthöffer, Kruhöffer. Höffer betekent eigenaar van een hoeve. Een Kruthöffer is dus de eigenaar van een kruidentuin. Een soort beroepsnaam dus. Vergelijk met het Nederlandse Kruidhof.

Krul, Kruls, Crul, Cruls, Crulle, Krols, Krol, Krüll, Krülls, Crols, Crol, Croels, Crals, Cruyl: Bijaam voor iemand met krullend haar. Duits Kroll.

Krummeich: Duitse plaatsnaam Krummeich ‘kromme eik’. Vergelijk de Vlaamse familienaam Cromeecke, Cromhee(c)ke.

Krumm, Krumme, Krummes, Krumers, Krumpen: Duitse bijnaam voor een kromme, bochel.

Krummenacker. Plaatsnaam Kromme Akker.

Krumpman. Duitse bijnaam van een kromme, gebochelde.

Krunkelsven, van, (van) Krunckelsven, van Crunkelsven, van Kriekelsvenne, van Kreunkelven, van Krunkelveldt, van Krunkeveld, van Krinkelveldt: Plaatsnaam Kriekelsveld in Zonhoven (Antwerpen), Krickensveld in Nieuwerkerken (Oost-Vlaanderen).

Krupa, Kruppa: Pools krupa: gepelde gerst, gort. Vergelijk Schelhaver. Of Slavisch: grof, lomp, onbehouwen. Bijnaam.

Krupp. Duitse bijnaam voor een kruiper, sluiper. Vergelijk Kruip. Deze familienaam komt al in de 16de eeuw in Essen (Roer) voor.

Kruseman. Bijnaam voor een man met kroeshaar. Vergelijk Kruse, Kraus(e).

Krütgen, Krutgen, Kruttgen: Afleiding van Krut = Duits Kraut. Vergelijk Kruid.

Kruthoffer. Houder van een Kruthof: moestuin. Vergelijk Kruithof.

Krutmann. Afleiding van Krut, Duits Kraut: kruid. Beroepsnaam van de kruidenier.

Krutwig. Vadersnaam. Germaanse voornaam hrôd-wîg 'roem-strijd': Hrodwig.

Krutzen: Variant van Duits Kreuzen, van Kreuz ‘kruis’.

Kruyder, Kroeders: Beroepsnaam van de kruidenbereider, kruidenhandelaar, kruidenier. Duits Kräuter. Kroeders is oostelijk.

Kruyen, Kruijen: Deze familienaam komt vooral in Luik voor, afkomstig uit Limburg. Gerond uit Krijen, van Krijn, van heiligennaam Quirinus; zie Carrin.

Kruyfhooft, Kruijfhooft: Bijnaam voor iemand met kroeshaar, krulhaar. Vergelijk Kruif.

Kruijter, de; Kreiter: Duits Kreiter, ontrond uit Kreuter, Kräuter ‘kruidenhandelaar, kruidenier’.

Krygier. Poolse familienaam, van Krüger.

Kryksztein. Duitse pendant van Middelnederlands criekensteen: kersenpit, kriekensteen. Bijnaam.

Krijntjes: Vadersnaam. Verkleinvorm van Krijn.

Krysztofiak, Krystofiak. Vadersnaam. Poolse afleiding van Griekse heiligennaam Christophorus.

Krystek, Krijstek, Krstic: Vadersnaam. Poolse afleiding van heiligennaam Christianus.

Krijtenberg: Plaatsnaam Krijtenberg in Bakel (Noord-Brabant), Vechel (Noord-Brabant) en Wijhe, Overijssel.

Krzesinski, Kresinski. Wellicht Slavische vadersnaam uit de voornaam Kristaen (=Kresin).

Kuba, Kube, Kubiack, Kubiak, Kubik, Kubicki, Kubeczka, Kubitza, Kubitz, Kubisz, Kubis, Kubaszijnski: Vadersnaam. Slavische afleiding van heiligennaam Jakob.

Kübbeler, Kubbeler: Duitse beroepsnaam Kübler: kuiper.

Kübel, Kibel: Duits Kubel: kuip. Beroepsnaam van de kuiper.

Kubben, Kube: Middelnederlands cubbe: mand, ben; ook aalfuik. Beroepsnaam voor een mandenvlechter of visser.

Kubber, (de); de Cubber, de Kobber, Cobbers: Bijnaam. Oost-Vlaamse en Brabants kubber ‘doffer, mannetjesduif’.

Kuborne, Kuborn. Plaatsnaam Kuhborn bij Diekirch (Duitsland).

Kucharczyk, Kuchareck, Kucharski. Poolse beroepsnaam; kok.

Küchler, Kuchler. Duitse beroepsnaam van de koekenbakker.

Kucinski, Kuczynski: Poolse beroepsnaam: keukenmeester?

Kues. Plaatsnaam Cues, nu Bernkastel-Cues (Duitsland).

Kuetgen, Koetgens. Kûchenberg: Duitse plaatsnaam.

Kuetgens, Keutgen, Keutgens, Keutiens, Koetgens, Koetgen, Köttgen, Kottke: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Kurt, Konrad.

Küfer, Kuffer, Kuffner, Kufner. Duitse beroepsnaam van de kuiper.

Kufferaht. Duitse plaatsnaam.

Kugler, Kugener: Bijnaam van de balspeler, kegelaar.

Kuhl, Kuhlmann, Kühlmann, Kühl, Kuehl, Kuhlen: 1. Duitse bijnaam Kühl ‘koel, rustig, onverschillig’ 2. Plaatsnaam Kuhle: kuil, groeve.

Kühneweg: Duitse plaatsnaam, wellicht van Kuhweg (Nedersaksen).

Kuhlewind, Kuhlevind: Duitse bijnaam Kühl(e)wind: koele wind

Kühmayer. Beroepsnaam van de boer die koeien houdt; vergelijk Nederduits Kohmann.

Kühnemann, Kuhnemant: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Kuhn: Koen.

Kuhnemund, Kuhnemund: Vadersnaam. Germaanse voornaam Kunimund.

Kuhnert, Kunert, Kühnert: Vadersnaam. Duitse vorm van Germaanse voornaam kön-hard. Zie Coenaert(s).

Kuhweide. Duitse plaatsnaam Kuhweide; koeweide.

Kuif. Bijnaam voor iemand met een kuif.

Kuick, Kuijcks: Middelnederlands kuuc ‘goochelaar’.

Kuik, van, van Kuyck, van Kuyk, van Kuijck, van Kuijk, van Cuck, van Cuyk, van Cuijck van Cuijk, van der Koijk, Verkijk, van Kooijk, van Queuk. Familienaam uit de plaatsnaam Kuik, Cuijk (Noord-Brabant).

Kuil, van der, van Kuijl, van der Kuyl: Plaatsnaam Kuil(e)‘kuil, groeve, hol’ in Schijndel (Noord-Brabant), Texel (Noord-Holland), Udenhout (Noord-Brabant), Zaandam (Noord-Holland).

Kuilenburg, van: Plaatsnaam Kuilenburg, Culemborg (Gelderland).

Kuiler: Afleiding van plaatsnaam Kuil.

Kuip, van der: Wellicht naar de huisnaam van een kuiper.

Kuiper, de, de Kuyper, de Kuypere, de Kuijper, de Cuyper, de Cuypere, de Cuijpere, de Cuijper, de Cuiper, de Cueper, Decuypère, Dequiper, de Cupere, de Cuupere, Kuipersma, Kuipers, Kuypers, Kuyper, Kuijpers, Kuijper, (de) Cuyper, Cuypers, Cuijpers, Cuipers, Cuiper, Cuppers, Cupers, Cüpper, Keupers, Ceuppers, Cuepers, Keubers, Kuper, Kupers, Küper, Küpers, Kupper, Kuppers, Küppers, Küpper, Cuperus, Kuperus, Kuiperi, Couperus: Beroepsnaam van de kuiper, kuipenmaker.

Kuit, Kuiten, Kuyt, Kuijtte, Kuijten, Kuijt, Kuyte, Kuyten, Cuyt, Cuijt, Cuitte, Keuten: Beroepsbijnaam van de kuitenbrouwer, dun bier zonder hop.

Kuitenbrouwer, Kuytenbrouwer: Beroepsnaam van de kuitbrouwer, brouwer van dun bier zonder hop.

Kuiters, Kuiter. Beroepsnaam van de kuitbrouwer; zie Kuiten­brouwer.

Kuitert: Ook Kuiter, Kuiters. Beroepsnaam van de kuitbrouwer.

Kuivenhoven: Plaatsnaam (Zuid-Holland)?) Dialect voor Kouwenhoven?

Kuklik: Afleiding van Tsjechisch kukla ‘kap, hoofddeksel, hoed’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Kulbertus. Vadersnaam. Latinisering van Germaanse voornaam Colobert.

Kulderij. Wellicht vervorming uit kuil: leemkuil, zandkuil,.. Naar plaats van afkomst, woonplaats.

Kulenkamp. Duitse plaatsnaam Kuhlenkamp.

Kulincx, Kuling: Vadersnaam. 1. Kulling van oude voornaam Kollo. 2. Afl.eiding van heiligennaam Nikolaas. Zie Culin 2.

Kullman, Kullmann, Kulmann: Vadersnaam. Duitse vleivorm van Konrad.

Kulzer. Afleiding van plaatsnaam Kûlz (Rijnland-Palts) of Kulz (Beieren).

Kumberger. Plaatsnaam Kumberg, Beieren.

Kummel, Kümel, Kümmel, Kummich: Duits Kûmmel: karwij, komijn. Bijnaam naar de kruidnaam, wellicht voor de kruidenier.

Kunder, de: 1. De Kunder is een riviertje in Stellingwerf en een dorpje in Overijssel. 2. Zie Konter.

Kummer, Kummert. Duitse bijnaam Kummer; kommer, zorg.

Kumpf. Middenhoogduits kumpf: kleine maat. Bijnaam voor een kleine grove kerel.

Kunisch, Kunsch. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Konrad.

Kunstner, Kunster. Middenhoogduits kunster, kûnstener: die kunde, kennis bezit, kunstenaar.

Kunst, de. Reïnterpretatie van Cuens, gepalataliseerde afleiding -vorm van Koen.

Kuntzel: Vadersnaam. Duits Kunz(e)l, verkleinvorm van Kunz, vleivorm van de voornaam Konrad.

Kuntziger, Kuntzinger, Kuntziger, Kuenstlinger, Kunstlinger, Kintzinger, Kintziger, Kinzinger, Kentziger, Kinsinger: 1. Vadersnaam Kunzi(n)ger: iemand uit het geslacht van Kunz: Koen. Kinzinger is een ontronde vorm; vergelijk Kinz = Kunz. 2. Plaatsnaam Kuttnzig (Duitsland). De familienaam is trouwens erg frequent in Luxemburg.

Kunzle, Kunzli, Kunzel, Kuntzmann, Kunzmann: Vadersnaam, afleiding van Kunz.

Kuperman, Kupferman, Kuppermann: Duitse beroepsnaam: kopersmid.

Kuperblum. Duits, Joodse familienaam; koperen bloem.

Kuperszmidt. Beroepsnaam van de kopersmid, koperslager.

Kupersztein, Kupersztejn. Duits, Joodse familienaam; kopersteen.

Kupersztyck. Nederduits Joodse vorm voor Duits Kupferstich; ets, gravure.

Kuperus: Beroepsnaam. Zoals Couperus latinisering van Kuper, de Kuiper.

Kuperwaser. Duits, Joodse familienaam.

Kupferberg, Kuperberg, Kupperberg: Verspreide Duitse plaatsnaam.

Kupfermunz. Duitse bijnaam (Joods?): koperen munt. Vergelijk Duits Kupfergeld, Kupferhelbling.

Kupfferschlaeger, Kofferschläger, Kofferschlager: Beroepsnaam van de koperslager, kopersmid.

Kurowski, Kurkowski. Poolse plaatsnaam, van kurcze: kip.

Kurec, Kurkiewicz: Poolse bijnaam kurek: haan.

Kuringen, van, Verkuringen: Plaatsnaam Kuringen (Limburg).

Kurfmakers: Beroepsnaam van de korvenmaker, mandenvechter. Vergelijk Duits Korbmacher.

Kuringen Van, Verkuringen. Familienaam uit de plaatsnaam Kuringen (Limburg).

Kurlandsky, Kurlenda: Slavische afleiding van Kurland.

Kurrels. Dialect voor Karels?

Kurrer. Afleiding van Middenhoogduits kurren: onduidelijk spreken, mompelen.

Kurt, Kurth. Vadersnaam. Duitse korte vorm van de voornaam Konrad. Kurtzen: Verbogen vorm van Kurz? Of klankverandering van Kursten?

Kurtem. Waarschijnlijk spelling voor Kurten, Kürten, Kurt(h)en, Korten, Corten(s), Courtens, Coerten: Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse voornaam Kurt: Koenraad. Vergelijk Coertjens.

Kürten, Kurthen, Kurten, Korten, Corten, Cortens, Courtens, Coerten. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Kurt.

Kurtz, Kurz, Curtz: Duitse bijnaam Kurz ‘kort’. Vergelijk (de) Kort.

Kurtzweg. Duitse plaatsnaam. Vergelijk Korteweg.

Kurz, Kurtzemann, Kurts, Kurc, Kurdz, Curtz: Bijnaam. Duits kurz: kort. Vergelijk De Corte, De Kort.

Kuse, Keus, Kuys, Kuijs. Uit het Middelnederlandse cuse, cuese: knots. Bijnaam voor de cusendragher: knots- of roededrager als teken van waardigheid. Vergelijk oude familienaam die Cusere.

Kusee, Kuzee, Cusee: Plaatsnaam Cutsee ‘water van Kudo’ in Wemeldinge (Zeeland).

Kusseler. Waarschijnlijk de Nederduitse familienaam Küseler, bijnaam voor een leegloper, nietsdoener. Vergelijk Ledeganck.

Kusemeier: Meier die als teken van zijn waardigheid een cuse ‘roede, knots’ draagt; zie Kuus.

Kussen, van der. Verhaspeling van Van der Kruissen?

Kusseneers, Kussner, Kussener, Kusners, Cusseneers, Cusner, Cusnir, Kuszner, Kuzner: Beroepsnaam. Middelnederlands curseneer: pelswerker, bontwerker, van Middelnederlands corsene, cursene: pels. Duits Kürschner, Kürssner, van Oekraïens Kushnir.

Kustermans: Ook Kostermans, Kosterman, Costermans, Costerman, Custerans, Custerman. Afleiding van koster/kuster.

Kut, van. Wellicht variant van ofwel Van Kort (zie Kort Van), ofwel Van Koot (zie daar).

Kuterna. Vondelingnaam?

Kuth, Kutt, Kütt: Vadersnaam. Korte vorm van een Germaanse voornaam, bijvoorbeeld Koenraad, Kurt.

Kutsch, Kutscher, Kutschera, Kutsche, Kutscherat. Tsjechisch kucera: haarlok.

Küttner, Kutner, Kuttner, Kittner: Middenhoogduits kuttener: drager van een pij, monnik.

Kustusz: Spelling voor Kustos, Latijnse Custosi ‘wachter; koster’.

Kutz, Kütz: Vadersnaam. Duits vleivorm van Konrad.

Kuup: Beroepsbijnaam van de kuiper, kuipenmaker.

Kuus, Kuijs, Keus, Keuss, Keuskamp: 1. Ook Vlaamse Kuse. Middelnederlands cuse, cuese ‘knots, kolf’. Bijnaam voor de cusendragher ‘knotsdrager, iemand die als teken van zijn waardigheid een roede of knots draagt’ (vergelijk Kusemeier). Familienaam die Cusere. 2. De toenaam van 1740 Johannes Wilhelmus Harminhuys werd verbasterd tot Kuys.

Kuyer, de, (de) Kuijer: Beroepsnaam van de kooier, de eendenhouder of de man die loslopend vee kooit, opsluit. Vergelijk Koyermans, Kuyermans.

Kuvel. Wellicht uit het Frans afkomstige naam, verhaspelde vorm van Cuvelier (de). Zie daar.

Kuyk, Keuk, Kuyck, Kuik, Kuijck, Kuyks, Kuyckx, Kuykx, Cuk, Cuick, Cuyckx, Cuykx, Cuyck, Cuycks, Cuyx, Cux, Ceulx, Ceux, Kux. Familienaam uit het Middelnederlandse kuuc: goochelaar.

Kuylen, van der, van der Cuylen, van der Keulen, van der Koelen, Verkuil, Verkuijl, Verkuijlen, Verkuylen, Verkoelen, Verkoulen, Vercoelen, Vercoulen. Familienaam uit de plaatsnaam Kuil. Kuil in Belsele (Oost-Vlaanderen), Kuilen in Genk (Limburg).

Kuijer, de: Beroepsnaam van de kooier ‘eendenhouder, man die loslopend vee kooit, in de kooi opsluit’.

Kuijk, (van); van Kuyck, van (der) Kuik, van Cuijck: Plaatsnaam Kuik (Noord-Brabant).

Kuijken, Kuiken, Cuijkens: Daarnaast Vlaamse Kieken(s). Beroepsbijnaam van de poelier, pluimveehandelaar.

Kuyp, van der. Plaatsnaam Kuip in Lier (Antwerpen), De Kupe in Geluwe, Volkerinkhove (West-Vlaanderen), Pollinkhove (Frans-Vlaanderen)

Kuysscher, de, Kuyscher, de. 1. Afleiding van Middelnederlands cuusschen: schoonmaken, opruimen. 2. Of veeleer reïnterpretatie van Kuyser? Of van De Kuyssche?

Kuyser, Keusser, Keuser: Middelnederlands cusere, cusendrager: knotsdrager, iemand die een staf draagt als teken van zijn waardigheid. Vergelijk Kuse.

Kuyssche, de, de Cuis: Bijnaam. Middelnederlands cuusch: zuiver, zindelijk, schoon, rein, kuis, eerbaar. Vergelijk 839-848 Gerbertum qui cognominabatur Castus, (Grieks voor rein, zuiver) Werden.

Kwaaitaal. Bijnaam voor een kwaadspreker? Of veeleer volksetymologisch van Català: Catalaan.

Kwaak, de, Kwak, Kwakman, Quaak, Quaek, Quaeck, Quach, Quax, Quak: Bijnaam voor iemand met een kwakende stem.

Kwaak, van der: Plaatsnaam, polder in Nieuw-Helvoet (Zuid-Holland).

Kwaden, van der, van der Quaden: Plaatsnaam Kwade: kwaad, slecht terrein.

Kwadrat. Duitse plaatsnaam Quadrath.

Kwakernaat, Kwakernaak. Plaatsnaam Kwakernaak in Meerkerk en Arkel (Giessenlanden, Zuid-Holland). Quakernaec is ook de naam van een kade in Rotterdam.

Kwakkel, Quackels. Bijnaam naar de vogelnaam kwakkel, kwartel. Nu nog spotnaam.

Kwakkelaar, Quakkelaar, Quakelaar: Afleiding van vroeg Nederlands quackelen ‘schudden, trillen’, ook ‘beuzelen, kletsen’. Wellicht veeleer frequent van quacken ‘kwaken, kwekken’. Vergelijk Kwaak.

Kwakkelstein: Plaatsnaam. 1591 Pieter Claesse van Quackestein, Nootdorp (Zuid-Holland).

Kwakkenbos: Plaatsnaam. 17de eeuw Jan Claasz Quackenbos, Oud Ade (Zuid-Holland).

Kwant, Kwanten, Quandt, Quant, Quanten, Quantens, Quante,: Middelnederlands Quant ‘gezel, kameraad, guit, snaak’. Bijnaam.

Kwanters: Met hypercorrecte r van Quantes, afleiding van Quant.

Kwast, (van der): Plaatsnaam Kwast ‘tak met blaren, pluim, kwast, knoest’. De Oost-Duitse plaatsnaam Quast betekent ‘bos’

Kwekelberg, van Kwikkelberghe, (van) Quekelberghe, Quekelberge, van Queckelberche: Plaatsnaam Kwikkelberg in Binkom (Vlaams-Brabant). Maar de oudste vindplaatsen van de familienaam verwijzen naar Oudenaarde (Oost-Vlaanderen).

Kwekkeboom: Zeeuwse plaatsnaam ‘lijsterbes, rode kornoelje’. Vergelijk Twents kwekweboom, Fries kwitsebeam, Engels quickbeam, Duits Quickenbaum.

Kweldam: Plaatsnaam. 1635 Queldam in de Wieringerwaard (Noord-Holland).

Kwembeke. Misschien aanpassing van Duitse plaatsnaam Nieder-of Oberquembach.

Kwik, Kwick, Kwiek, (de) Quicke, Quick, (de) Quik, Quix, de Quyck, Quicken, Quicque, Quique, Qvick, Queck, Quecq, Quek, Quekke, de Quidt, Dequidt, Ouix. Bijnaam uit het Middelnederlandse quic, quec: levendig, vlug, kwik. Vergelijk Engelse familienaam Quick, Quicke, Duits Quck, Quick.

Kwikenborne, (van) Ouickenborre, van Quickemborne, van Quickeborne, van Quickelborne, Quickelborné: Plaatsnaam Kwikborre: levendige bron. Quecborn in Diest, Kwikkeborre in Dendermonde en Lede (Oost-Vlaanderen).

Kwikkelberghe, van, Kwikkelberge, van, van Kwikelberge, Kyquemberg: Plaatsnaam Kwikkelberg in Binkom (Vlaams-Brabant).

Kwist, Quist: familienaam uit Tholen afkomstig, ontleend aan de Walcherse veldnaam ’t Quistken, een stuk grond waarover een kwestie bestond, waarover getwist werd.

Kyquemberg. 1. Plaatsnaam Kiekenberg (Friesland). 2. Zie Van Kwikkelberghe.

Kytspotter, de, de Kydtspotter: Familienaam in Frans-Vlaanderen. De oudste vorm Quitspotter wellicht door klankverandering uit Quistpotter, misschien vervormd uit Quisteboud, Cent.

Kwisthout: Bijnaam voor een timmerman die kwistig omspringt met het hout, die het hout verkwist. Vergelijk Frans Gâtebois.