Verklaring van achternamen L

L.

Laager-Scherer. Dubbele Duitse familienaam uit: Laager/Lager: uit de plaatsnaam lage(r) (lager gelegen of gewoon "plaats") en Scherer: beroepsnaam van de baardscheerder, lakenscheerder, droogscheerder…..

Laagland: Plaatsnaam in Idaarderadeel (Friesland) en Doniawerstal (Friesland).

Laak, van (de(r), van Laecke, van Laeke, van Laecken, van Laeken, van Lake, van Laken, van der Laaken, van Laerken, van Larken, Lake, van de Laeken, Verlaecke, Verlaeken, Verlaeken, Verlaek, Verlaak, Verlaeck, Verlaeckt, Verlack, Verlackt, Verlaet, Verlat, Lakeman, Lakemans, Laekemans, Laekemans, Laackmann, Laeckmann, Lackman, Lackmann, Lacman, Lacqueman, Lacquemans, Lacquemanne, Lacquemant, Lacquement

Familienaam uit de plaatsnaam Lake/Laeck: Plaatsnaam ten/ter Lake ‘poel, plas, waterloop in moerassig terrein’. Laak (Drenthe, Gelderland Nederlands-Limburg, Overijssel), in Ruinen (Drenthe), Den Haag (Zuid-Holland), enz., ter Lake in Dinslaken (Noordrijn-Westfalen), in Assebroek, Knesselare, Prémesques (Nord), Quelmes (Pas-de-Calais).

Laan, (van der, vander), Terlaan, van (der) Laenen, Verlaan, Verlanen, van Lanen: Plaatsnaam Laan ‘laan, weg met bomen, akkerweg’. De Laan in Limmen (Noord-Holland), Pijnakker (Zuid-Holland), Ter Laan (Groningen), De Laan (Noord-Brabant).

Laar, van (de); van Laare, van (de) Laer, (van) Laere, van Lare, van de Lair, von der Lahr, van Lafejre, van Laere, van Lare, Laarman, Laarmans, Laarmann, Laermans, Laremans, Laeremans, Laeremens, Laermemans, Leerman, Leirman, Verlare: Verspreide plaatsnaam Laar ‘open plek in een bos, bosweide, bosachtig moerassig terrein’. Plaatsnaam Laar (Gelderland Noord-Brabant, Nederlands-Limburg, Overijssel, Utrecht, Vlaams-Brabant).

Laarhoven, van, van Laerhoven: Plaatsnaam Laerhoef (laar-hove) in Hoogstraten (Provincie Antwerpen).

Laarhuis: Plaatsnaam in Woolde (Hengelo, Overijssel) 1538-1563 Herman Laerhuis, Delden-Deventer (hij bezit het Laarhuis in Woolde).

Laarman, Laarmans, Laarmann, Laermans, Laremans, Laeremans, -mens, Laermemans, Leerman, Leirman: Afleiding van van (de) Laar.

Laarschot, van de, van de Laerschot: Plaatsnaam in Liempde (Noord-Brabant).

Laat, de; de Laet: Middelnederlands laet ‘laat, horige, vrijgelaten eigenhorige’.

Laat, van der, van (der) Laet. Plaatsnaam De Laat in Geel, Antwerpen, en Zoniënbos (Vlaams-Brabant) Waarschijnlijk van Van der Laakt.

Labalue, Laballue, Leballue, Lebalue, Lebalus: Bijnaam. Luiks-Waals Abalow’e kever.

Laban, Labanc: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Laban.

Labarbe. Bijnaam voor een gebaard man.

Labarque. Oudfrans, Frans barque: boot(je). Beroepsnaam voor een zeevaarder of visser? Maar misschien variant van de familienaam Labarge, Bargue: hooimijt.

Labarerrie, Labarrère: Plaatsnaam Barrière: slagboom. Vergelijk Delabarre.

Labarthe, La Barthe, zie Labat, Labath. Labasse: Plaatsnaam. Waals basse: kleine poel, plas.

Labath, Labate, L’Abbate, Labarthe, La Barthet: L’Abat(e), Zuid-Franse vorm voor l’Abbé. Zie l’Abée.

Labay, Labaye, Labaij, Labaeye, Labaie, Delabaye, Delabaije, de Labais, Delabbé, Delabbe, de Labeij, de Labey, Labeye, Labey, Labée: L'abbaye: naar de woonplaats in of bij een abdij.

Labbé, L'Abbé, Labbe, Labé, Labee, L'Abee, Labedz, Labed, Labeye, Labey, Abé: Oudfrans abbé: abt. Vergelijk Dabt.

Labbeke: Als beke-naam Labeke gereinterpreteerde Franse naam Lebecq, Lebèque. Bijnaam. Frans bec ‘bek’.

Labeeuw: Vlaamse aanpassing van Picardisch Labiau, van Frans Labeau, Lebeau. Bijnaam. Frans beau ‘mooi’.

Labehaut. Plaatsnaam in Ghoy, Henegouwen.

Labenne. Frans benne; rieten mand. Beroepsnaam.

Labens, Laebens, Labijn, Labyn, Labeen, Lebyn: Vadersnaam. Vleivorm van de Bijbelse naam Laban; vergelijk 1655 sente Labekens boom, Tielt.

Labe, Labesse, Laibaisses: Frans Labbesse, abes(se), Labaisse ‘abdis’.

Labeur: Frans labeur ‘werk, landbouwarbeid’. Beroepsbijnaam.

Labhaie, Labhaye, Laphaye: Plaatsnaam, 1350 Labehaie in Xhendremael (Luik).

Labout, Labots: 1. Uit Lapout, het zinwoord laphout‘ die hout lapt, met hout werkt’. 2. Vadersnaam. Met voortonig versterkte klinker uit Germaanse voornaam Lieboud.

Labi, Labie, Laby, Labye, Labby, Labbie, Delabie, Delaby, Delabye, Delabij, Delabby. Familienaam uit het Oudfranse abie/abeie: abdij. Naar woon- of werkplaats.

Labiche, Labis, Labisse, Labiese, Labies, Labieze, Lebiest: Frans biche: hinde. Bijnaam naar de zachtheid.

Labil, Labille. Oudfrans bille: boomstronk. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. Vergelijk Strobbe, Stubbe.

Labiouse. Plaatsnaam La Biousse in La Versanne (Loire).

Labit, Labitte, Labyt, Labyte, Labijt: Oudfrans bite: grof gekanthouwde steen. Beroepsnaam van de steenhouwer.

Labiwez, Labiwoit, Labyois, Laboit, Labioit, Labioi, Labiois, Labio, Labiod, Labilloy: Plaatsnaam Labywé in Baulers (Waals-Brabant). De vormen op -oi zijn Waalse hypercorrecties.

Lablanche, Lablans: Bijnaam. Vrouwelijke vorm van Leblanc: de Witte.

Labonne. 1. Vrouwelijke vorm van Lebon. 2. Waalse variant van Laborne.

Labonté, Labonte. Variant van Bonté met volksetymologisch lidwoord.

Laborge. Variant van Labarge (zie Labarque)? Of Labourse?

Laborie, Labourie, Laboury, Labory, Laboyrie, Lambori, Lambory, Lambry: 1. Variant van Labo(u)rier, synoniem met Laboureur. 2. Franse plaatsnaam Borie: landhuis, boerderij.

Laborne, Labonne: Plaatsnaam La Borne in Thuin (Henegouwen) en Nijvel (Waals-Brabant): grenspaal.

Laboucher, Labouchere, Labouchère, Labuchere, Labucher, Labuchère, Labusière: Plaatsnaam La Bouchère (Nord, Orne) en in Chimay (Henegouwen) of Labuissière (Henegouwen) van buxarias: plaats waar buksboom groeit, Buxus. Vergelijk familienaam Labusquière, Bussière.

Laboue, Laboux. Plaatsnaam Boue; moeras, slijk.

Laboul, Laboulle, Leboulle: Bijnaam Boule: bol, naar de rondheid, of voor een speler. Vergelijk Bolle.

Labour, Labours. 1. Oudfrans labor, Frans labeur: arbeid, labeur, landbouw. Bijnaam van een arbeider of landbouwer. 2. Labours kan een spelling zijn voor Labourse.

Labourdette. Plaatsnaam. Afleiding van Oudfrans borde: landhuis. Vergelijk Delaborde.

Labouret, Labouré, Laboureix: Afleiding van Oudfrans labor: arbeid, labeur, landbouw. Bijnaam van een landbouwer.

Laboureur, Lelaboureur: Beroepsnaam van een werkman, meestal een landbouwer.

Labourse. Beroepsnaam van de beurzenmaker.

Labrie: Samengetrokken uit Laborie, Labourie, van Labourier ‘landbouwer’.

Labout. Beroepsnaam van timmerman. Zinwoord laphout 'die hout lapt, met hout werkt'.

Labrique. Plaatsnaam La Brique in Vloesberg (Henegouwen) en Sorée (Namen).

Labrouck, Labro dit Labrouck, Labrot, Labreau: Plaatsnaam Labroek in Ninove (Oost-Vlaanderen), Labrouck in Foret (Luik). Brô is Waalse variant van broûk, broek: moeras.

Labrousse, Labroche, Labrouche, Labrosse, Labroue, De Labrouhe: Plaatsnaam Bro(u)sse: struikgewas.

La Broyé, Labroy: Plaatsnaam Labroye (Pas-de-Calais), Labroie in Rozenaken (Henegouwen) van arboreta: boomgaard.

Labruijère, Labrujère: Franse plaatsnaam Bruyère ‘heide’. Pendant van van der Heide, waarvan de naam soms als vertaling voorkomt.

Labry, Labrie, Labrie, La Brijn, Labree, de Brie, Labrijn. Naam uit Saône-et-Loire en Lotharingen. Naam uit de plaatsnaam l'abri: beschermde plaats. Of uit la brie: moerassig gebied of heuvel (afhankelijk van de Franse regio). Vele varianten in Nederland. Misschien soms vadersnaam uit de Latijnse naam Laberius.

Labrijn: Uit Labrin, samengetrokken uit Frans Labourin ‘landbouwer’? Of uit Lebrin, Picardisch uitspraak van Frans Lebrun ‘de Bruin?’ Volgens Meertens zou Labrijn van de Normandische eilanden afkomstig zijn en oorspronkelijk Le Brit ‘de Breton’ geheten hebben.

Labuche. 1. Frans bûche: houtblok. Beroepsnaam van de houthakker, Frans bûcheron. 2. Plaatsnaam La Bûche in Harchies (Henegouwen). 3. Variant van Labouche (vergelijk Labouchere=Labuchere).

Labus. 1. Door assimilatie van laetbus: laatbus, bus gebruikt bij het aderlaten. Beroepsnaam van de aderlater, arts. 2. Aanpassing van Labuche.

Labijt: Frans Labi(te). Oudfrans bite ‘grof gekanthouwde steen’. Beroepsbijnaam van de steenhouwer.

Lacaf, Lacaff, Lakaff: Waarschijnlijk variant van Lacave (met verscherping v/fj.

Laçage, Lacafejyse, Lacaeijse, Lacaes, Lacaze: Plaatsnaam La Cage in Neufvilles (Henegouwen): holte, diepte. De Vlaamse aanpassing met -aai-klank is te verklaren uit Picardisch caige.

Lacaille, Lecail, Lecaille, Lakaille. Bijnaam uit het Franse caille: kwartel. Bijnaam naar een bepaald ? gedrag.

Lacanne. Oudfrans cane: kan, kruik, vochtmaat. Beroepsnaam. Vergelijk (de)Kan.

Lacant, Lacante: Waalse vorm voor Picardisch Lecantre. Beroepsnaam van de cantor, zanger, voorzanger in de kerk.

Lachaert. Familienaam afgeleid uit het werkwoord lachen. Bijnaam voor een lacher, een vriendelijk iemand.

Lacart, Lackar, Lacquart, Lacqua: Afleiding van Van de Laak, van den Lake.

Lacassaigne, Lacassagne, Laccasaigne: Zuidfrans cassaigne, Frans cassagne, Romaans cassanea: plaats waar eiken groeien. Laçasse: 1. Plaatsnaam Zuidwest-Frans casse: eik. 2. Oudfrans casse: kookpan. Beroepsnaam.

Lacaze. 1. Variant van Laçage. 2. Plaatsnaam Lacaze (Lot, Tarn).

Lach. Vadersnaam. Tsjechische vleivorm van Slavisch Ladislav.

Lachaert. Afleiding van werkwoord lachen. Bijnaam voor een lacher.

Lachaise, Lachaize. Plaatsnaam Lachaise (onder meer Charente).

Lachard, Lascar, Laskar, Lasker (deze laatste hoort misschien niet in het rijtje) naam uit het Oudfranse lasche: los, ontspannen, zacht, maar laf. Bijnaam. Zie ook bij Lasker.

Lachaud, Lachaux: Verschrijvingen voor plaatsnaam La Chau(d), Chaux in Massif Central en Z.-W.-Frankrijk. Calm, chaume: stro, riet. Waarschijnlijk ook een plaatsnaam in Luik.

Lachenal, Lassinal: Frans chenal: irrigatiekanaal.

Lâcher, Lacher. Bijnaam voor iemand die graag en veel lacht.

Lacheron, Lacharon, Lacharron, Lasseront, Lasseron: Oudfrans laceron: veter, snoer, strik, strop, lus, band, lint. Beroepsnaam.

Lachman, Lachmann. 1. Bijnaam voor een lacher? 2. De Duitse familienaam van Middenhoogduits lâche: grensteken, grenspaal. Of van Middenhoogduits lâche: plas, poel en dus Hoogduitse pendant van Nederduits Laackmann; zie Lakeman(s).

Lachner. Duitse afleiding van de plaatsnaam Lachen, onder andere in Beieren.

Lachterman. Variant van Lachman? Of van Middelnederlands lachter: schande, krenking, smaad. Bijnaam voor de lachteraer: kwaadspreker.

Lackner, Lakner, Duitse afleiding van plaatsnaam Lacken (Beieren). Of Waalse uitspraak van Lachner.

Lacomble, Lacomblet, Lacomblé, Lacomblez: Plaatsnaam Comble, Oudfrans combele: klein, smal dalletje. Vergelijk Combel. Lacomble kan ook wel een Waalse hypercorrecte vorm zijn voor Lacombe.

Lacoppe. Waals cope: koppel, zwenghout, inhoudsmaat; ook uithangbord.

Lacour, Lacourte, la Corte, Lacourt, Lacor: 1, Korte vorm van Delacourt ‘van den Hove’. 2. Vanwege de fréquente verwarring van la/le kan de familienaam ook een variant zijn van Lecour(t). De uitgang -te kan dan worden verklaard door congruentie met het vrouwelieke La-. Eventueel invloed van Nederlands De Corte.

Lacouronne. Bijnaam naar het frequente uithangbord.

Lacreman. Waarschijnlijk door verkeerde lezing van Laeremans.

Lacres, Lacrês: Plaatsnaam Lacres (Pas-de-Calais)?

Lacressonnière. Plaatsnaam Cressonnière (Nord, Pas-de-Calais): plaats waar waterkers, tuinkers groeit.

Lacroix, Lacroi, Lacrois, Laccroix, Lacroux: 1. Zie Delacroix. 2. L'acrois. Oudfrans acros: wreed, verschrikkelijk. Bijnaam.

Lacus. Duitse plaatsnaam Lackhausen: 1200 Lachusen?

Ladavid. Moedersnaam. Vrouw of dochter van David.

Laddyn. Vadersnaam. Korte vorm van Coladin, van Colardin. Vergelijk Ladon.

Lademacher. Duitse beroepsnaam van de timmerman die Middennoordduits laden, dats is kisten, kasten, schrijnen maakt.

Ladenberg: Wellicht de plaatsnaam Ladenburg (Baden-Württemberg).

Laden, Ladent, Ladan, Ladant, Ladang, Ladangh, Ladam, Ledent, Ledens, Ledant, Ledain. 1. Bijnaam uit het Franse dent: tand (opvallende tanden of tandarts?). 2. Zie ook Ledain.

Ladeuze. Plaatsnaam Ladeuze, Henegouwen.

Ladon, Ladot, Lados. Vadersnaam. Korte vorm van Coladon, Caladot, van Colardon, Calardot, afleiding van Colard. Vergelijk Geradon, van Gérardon.

Ladrague. Bijnaam. Oudfrans drague; ekster. Vergelijk Lagace.

Ladrie, Ladry, Ladril, Ladrille: 1. Zie Deladrière. 2. Eventueel van Oudfranse plaatsnaam Ladrie: leprozenhuis.

Ladsous, Ladesou, Ladrisou, Deladessous, De Ladessous, De Ladersous, Laderjoes. Familienaam uit de plaatsnaam Là-dessous: daar beneden. Dit in Blaregnies en in Gozée (Henegouwen).

Ladurée, Laduree, Laduron, L'aduré. Oudfrans aduré: gehard, krachtig, moedig.

Laekemaeker. Beroepsnaam van de lakenwever.

Laemmle, Lammelin: Verschrijving van Duits Lâmmle, afleiding van Lamm. 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert. Vergelijk Lammekens. 2. Bijnaam naar het lam of huisnaam.

Laender, de, de Lander, Landers, Laeners, Laner. Naam uit het Middelnederlandse laenre: slechtvalk of lannervalk (ook wel steenvalk genoemd). Bijnaam naar de vogel of beroepsbijnaam van de valkenier.

Laenen, Laenens, Lanens, Lanen, Lane, Lanes, Laanen, Laane, Laan. Moedersnaam Lane, verkorte vorm van de Latijnse heiligennaam Juliana.

Laerbeke, van, van Larebeke, van Laerebeke, van Laerbeecke: Plaatsnaam Laarbeke in St.-Martens-Lierde (Oost-Vlaanderen), Jette, Elsene. Laarbeek bij Vlezenbeek (Vlaams-Brabant). Leerbeek (Vlaams-Brabant).

Laere, de, Delaere, de Larre. Waarschijnlijk vervlaamste vorm van Delard, Pas-de-Calais. Zie bij Dulaar.

Laeren, van. Plaatsnaam Laarne, Oost-Vlaanderen.

Laeres, van, van Laeris: Misschien plaatsnaam Laires (Pas-de-Calais).

Laes, Laas, Las. Verkorte vorm van de Bijbelse voornaam Elia(s) of korte vorm van Colaes=Nicolaas.

Laet, de, de Laat, de Laedt, Laets, Laatsch, Slaets, Slaats, Slaedts, Sladts, Slaes,Sluydts, Sluyts, Sluijts. Familienaam uit het Middelnederlandse laet: horige, laat, vrijgelaten eigenhorige.

Laethem, van, van Latem. Plaatsnaam Latem in Bierbeek (Vlaams-Brabant), St.-Maria-Latem of St.-Martens-Latem (Oost-Vlaanderen). Eventueel Plaatsnaam Lathum (Gelderland).

Laey, de, de Laei, de Laeij, de Laeye, de Laye, de Lay, de Laije, de Laij, Lay, Laye. Frans lai, lay: leek, burger, séculier; onkundige in een vak. Vergelijk De Leeck.

Laface. Reïnterpretatie van Lafosse.

Lafartin, Lafertin: Waaarschijnlijk door verscherping familienaam Lavardin, Laverdin, naar plaatsnaam Lavardin/Laverdin (Loir-et-Cher, Sarthe). Veeleer dan La Fertin, vrouw van Fartin, vleivorm van Germaanse fard-naam.

Lafaut. 1. Korte vorm van De la Fau; zie Delfau(d) 2. Zie Lefau(l)x.

Lafère, Lavère, Lafarre: La Fère, Lafere, Lefer(e). Frans Bijnaam Lefer voor een levenskrachtige of hardvochtige figuur.

Lafeuillade. Plaatsnaam La Feuillade (Dordogne, Charente), Frans feuillée: gebladerte, loof.

Lafeuille. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Lafaille.

Laffolay. Bijnaam L'affolé: radeloos, wanhopig; of Oudfrans l'afolé: gewond, verminkt.

Lafille, Laffile: Verwantschapsnaam La Fille: de dochter. Vergelijk Lefils.

Lafineur, Laffineur, Laffineux, Laffineuse: Beroepsnaam van de affineur. Wellicht in ruimere betekenis van Oudfrans afiner: zuiveren, verfijnen.

Lafit, Lafitte, Laffite, Laffitte. Plaatsnaam Lafitte (Tarn-et-Gar., Lot-et-Gar., Hte-Gar.).

Laflere, Laflère, Leflere: Waals-Vlaamse familienaam. Waarschijnlijk variant van de eveneens Waals-Vlaamse familienaam Lafere, met l-perseveratie.

Lafleur, de Fleur, Delfleur, de Floor, Duffluer, Dufloer: Frans fleur: bloem. Bijnaam, wellicht naar een huisnaam.

Lafon, Lafont, Lafond, La Fong, Laffon, Laffont. Familienaam uit de Oudfranse plaatsnaam font: bron.

Lafollete. Afleiding, vrouwelijk van fou; gek. Bijnaam. Vergelijk Follet.

Lafon, Lafont, Lafond, La Fong, Laffont, Laffon: Plaatsnaam. Oudfrans font: bron.

Lafooij: Aanpassing van Lavoye, van Delvoie ‘van den Wege’.

Laforce, la Fors: Uit Delaforce, van Delforce. Plaatsnaam La Force ‘versterkt kasteel’.

Lafortune. Bijnaam. Frans fortune; fortuin, geluk.

Lafrance. Herkomstnaam La France; Frankrijk.

Lafruit, Lafrut, Lafru, Lafrux: Waalse plaatsnaam afru, van Latijn adfrictum: gerooid land, rode. Lafrut of Lafry in Ferrières (Luik).

Lafuste, Laffut, Laffutte, Lafut: Wellicht van Lefust. Oudfrans fust, Frans fût: vat. Beroepsnaam van de kuiper. Vergelijk (de) Fuster.

Laga, Lagae, Lagha, Lagauw. Volgens onderzoeker Peene komt het uit Del Aga. Gilis Van der Vaet, overleden ca. 1547 te Heule had voorgaande schrijfwijze. Deze evolueerde in 1579 in Heule tot Jan Van le Haet. Die naam werd dan weer het slachtoffer van de West-Vlaamse g/h verschuiving: Jan van le Gaet. Via een aantal tussenvormen was het in 1604 al Jan Lega. Het veelvuldig voorkomen van naamvarianten in het Scandinavisch gebied zou kunnen wijzen op een oorsprong in (zuid) Scandinavië. Het zou dan een soort vadersnaam zijn: beschermer van (Gods) wet Zie ook Lava.

Lagaaij, Lagaij: Ook Lagay, van Legaey, van Frans Legai. Bijnaam. Oudfrans gay, gai ‘vrolijk, levendig, lustig, opgewekt’.

Lagace, Lagac, la Gasse: Lagace, Lagasse = l’Agace. Oudfrans agace ‘ekster’. Bijnaam voor een prater. Vergelijk Vlaamse familienaam Axters.

Lagacysse. Verkeerde lezing van Lagaeysse.

Lagaert, Lagard, Lagaet. 1. Komt mogelijk uit het werkwoord lagen: ruilen, verruilen. Bijnaam. 2. In veel gevallen zal de naam echter afkomstig zijn uit het voornamelijk Oost-Vlaamse Laga(e). Zie bij Laga(e).

Lagage, Lagagie, Lagaese, Lagase, Lagaize, Lagaisse, Lagaise, Lagerisse, Lageirse, Lagaeysse, Lagaysse, Lagayesse, Lageiste: 1. Oudfrans gage: pand. Beroepsnaam van de pander, de gerechtsbode of beambte die een panding verricht. Vergelijk Louage, Pandelaers. 2. Uit Delaga(i)ge. Plaatsnaam Gage in Neufvilles (Henegouwen), Ga(i)ges (Henegouwen) en in Gondregnies (Henegouwen3. Lagaisse en Laga(e)ysse kunnen eventueel op Lagache teruggaan; zie Lagasse. Maar een verwarring is net zo goed mogelijk.

Lagalis, Lagaly: Oudfrans agali: beleefd. Bijnaam.

Lagamme, Moedersnaam. Lajeanne van de voornaam Jeanne: Johanna. Vergelijk Gamme, Jamme.

Lagappe, L’agab. Oudfrans agab: grap, scherts, plagerij, spotternij; of Oudfrans la gabe: zelfde betekenis. Bijnaam.

Lagarde: Verkort uit Frans Delagarde. Plaatsnaam La Garde ‘wachtpost, uitkijkpost’.

Lagasse, Lagache, Lagace, Laguasse, Lagaesse, La Gaesse, Lagauche, La Gauche, Lagatie, Lagassy, Legacie, Lagacé, Lagas, Lagast, Lagaste dit Lagasse, Legas, Legasse, Legast, Legaste, Laguesse, Lagesse, Lages, Agache, Agasse, Aguesse. Naam uit het Oudfranse agace, het Picardische agache, het Luiks-Waalse aguèsse: ekster. Bijnaam voor een prater.

Lagaune. Picardische variant van Lejaune, Lejeune: de jonge (niet: de gele).

Lagauw. 1. Zie Legau(lt). 2. Zie Laga(e). 3. Waals-Vlaamse verwarrring met Lahaut.

Lagemaat, van de; Legemaate, Legemate, Leegemate: Plaatsnaam Lage/Lege Maat ‘laag liggend maailand, weiland’. Vergelijk Lage Meten in Bergen-op-Zoom (Noord-Brabant).

Lageman, Lagerman: 1. Bijnaam van de belager; vergelijk Lagers. 2. Variant van Lachman?

Lagendijk, Lagendyk: Plaatsnaam Lagedijk in Katwoude (Noord-Holland), Schagen (Noord-Holland), Wervershoof (Noord-Holland) en Lage Dijk in Haarlemmerliede (Noord-Holland).

Lagenhoek: Plaatsnaam in Geertruidenberg (Noord-Brabant).

Lageot, Lajot, Lajeot: Afleiding van Lage, van plaatsnaam l'Age: haag.

Lagerwaard, Lagerwaart, Hoogerwaard, Waard, van der. Plaatsnaam Waard als Hoeksche Waard.

Lagers, Laager: Middelnederlands lager: belager.

Lagerwey, Lagerweij: Plaatsnaam Lage Wei(de) in Cadzand (Zeeland), Lage Weide in Utrecht, Lage Weeën bij Oldemarkt, Overijssel.

Laget: Deze familienaam komt vooral in Oost-Vlaanderen voor, maar blijkt toch Waals te zijn: Wellicht uit Frans Laguet, van l’aguet ‘wachtpost’.

Lageuse. Spelling voor Laguesse?

Lagneau, Lagneuax, Lagnau, Lagnaux, Lagna, Lagniau, Lagniaux, Lagnieaux, Longneaux, Longniaux, Laigneaux, Laigneoux, Laignelle, Laignele, Lenjou, Lainel, Leaignel, Leignel, Lengyel, Lenyel, Lingnau, Ligneel, Lignel, le Néel, Lynneel, Lyneel, Lijnneel, Lognay, Lognais. Naam uit het Oudfranse a(i)gnel. Frans agneau: lam, schaap. Bijnaam voor iemand met een zacht karakter of huisnaam.

La Grappe. Oudfrans grape; haak, klauw. Bijnaam.

Lagrave. 1. Zie (de) Graaf. 2. Pllaatsnaam (Tarn, Isère): grind.

Lagraviere, La Gravière: Plaatsnaam. Oudfrans gravière: plaats met grind.

Lagrillière, Lagrilliere. Plaatsnaam Grillère: plaats met krekels.

Laguerre. Frans guerre: oorlog, strijd. Bijnaam voor een strijdlustig, combattief mens? Vergelijk Krieg, Bataille.

Lahaine, Laheyne, La Heijne: Wel niet de waternaam La Haine, Nederlands de Hene (Henegouwen), maar variant van Franse familienaam Lahaigne. Oudfrans baigne: grimas, grijns. Bijnaam.

Lahak, Lahac, Lahacque, Lahaque: Oudfrans hache, Oudpicardisch en Waals hake: haakbus; ook hak, bijl. Beroepsnaam.

Lahanier. Beroepsnaam. Oudfrans ahanier; landbouwer.

Lahey: Uit Lahaie, korte vorm naast Delahaie. Plaatsnaam La Haie ‘haag, bosje’. La Haie is ook de Frans naam voor Den Haag (Zuid-Holland). Meestal Frans pendant van van der Hage(n).

Laheijne: Uit Lahaine, van Franse familienaam Lahaigne. Oudfrans haigne ‘grimas, grijns’. Bijnaam.

Lahr: Plaatsnaam (Beieren, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Lahier, Lahy, Lahye, Lahire, Lahir, Laï, Lai: Een variant van Laillier (zie Lailler) is vanwege de oude h-vormen vrij twijfelachtig.Of een afleiding van Waals lahe, Frans laisse 'lijn, band'.

Lahnstein. Plaatsnaam Ober- en Niederlahnstein, Duitsland.

Lahon. Afleiding van Oudfrans lasche, van Latijn lascus, laxus, Frans lâche: los, ongespannen, zacht, laf.

Lahor. Verschrijving voor Lahors, van Delahors, de là-hors: van Ginderbuiten.

Lahorte, Laherte, Laheurte: Plaatsnaam. Oudfrans horde: paalwerk, palissade?

Lahoussée. Plaatsnaam Houssaie: plaats waar hulst groeit.

Lahr. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Lahure. 1. Bijnaam Hure voor iemand met borstelig haar. Vergelijk Huret, Hurel. 2. Plaatsnaam La Hure in Vloesberg (Henegouwen).

Laigle. Frans aigle; arend. Bijnaam of huisnaam.

Lailler, Lalli, Lallier, Laly: Beroepsnaam L'ailler: verkoper of teler van look (Frans ail).

Laime. Vervorming van Laine.

Lainier, Leyniers, Laignez, Leignée, Laygnez, Leny, Lenie, Leni, Liny, Lini: Beroepsnaam. Frans lainier: wolbewerker. Vergelijk Lanier.

Lair, Laire, Lhair, L'Hair, Leir, Leire, Leirens, Leyre, Leer, Leerens, Lere, Lerens. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Hilarius. 

Lairesse, Léresse, Le Reste: Plaatsnaam in Ougrée (Luik).

Lairin, Lairain, Lairein. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Hilaire. Vergelijk Laire en familienaam Hilairin.

Laisnez, Laisné, Laine, Lainet, Lainez, Laine, Lenez, Lenné: Bijnaam: de oude(re), de oudste. Vergelijk De Oude.

Laitat, Laitar. Afleiding van lait: melk. Vergelijk létat: melkvarken.

Laitem, Laithem, Delaitemps, Letems, Lethem, Letent, Leutem, Lietem, Liétem. 1. Naam uit het Franse laid temp: slecht weer. Bijnaam voor iemand met een slecht humeur. Vergelijk (de) Fortemps, Duits Roweder 2. Zie ook Latem Van. Deze mogelijkheid is voor een aantal varianten (Lait(h)em, Leutem, Lethem) niet uit te sluiten. 

Laixheau, Laixhau, Laixhay, Laixhaye: Plaatsnaam in Herstal en Jupille (Luik).

Lake, van, Laken, van, van laecken, van Laeken, van Lacken, van Laerken, van Larken, van Larcken. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Laken (Brussel). 2. Uit Van den Laken, zie ook van de Laak.

Lakeman, Lakemans, Laekeman, Laekemans, Laackmann, Laeckmann, Lackmann, Lackman, Lacman, Lacquemansm Lacqueman, Lacquemanne, Lacquemant, Lacquemment: Afleiding van Van (der) Laak. Ook Nederduits. Vergelijk Lacart.

Lakerveld: Plaatsnaam ten zuiden van Laak in Ohé en Laak (Nederlands Limburg), Lexmond (Zuid-Holland) en de Vijfherenlanden (Zuid-Holland).

Lakiere, Laquière, Lacquière, Dekière, (de) Kiere, Dequire: Plaatsnaam. oudfrans quiere: kant, hoek.

Lakké: Frans familienaam Lacquet, verkleinvorm van lac ‘meer’.

Lako, Laco: Naam van een hofstede Le Quoy in West-Zeeuws-Vlaanderen.

Lal, Lale. Van werkwoord lallen. Bijnaam voor een laller, die onduidelijk praat.

Lalkens: Vadersnaam. Lallekens, regressievorm voor Lollekens, verkleinvorm van de Friese voornaam Lolle. Zie Lolkema.

Lalouette, Lallouette, L'alouette: leeuwerik. Bijnaam.

Laloyer, Lalloyer, Laluyé, Laluyer: L'aloet, afleiding van Oudfrans aloe: leeuwerik. Vergelijk Laloyaux.

Lala. Luiks-Waalse verschrijving voor Lalau of Lallard.

Lalanne. Plaatsnaam. (Gers, Htes-Pyr.).

Lalbrecht. Verhaspeling van Lambrecht.

Laliere, Lalierre. Vrouwelijke vorm van Lailler?

Laline, Lalinne, Lalienne. Moedersnaam L’Alienne van de voornaam Aline, Adeline.

Lalisse. Waternaam La Lys; de Leie?

Lalleman, Lallemand, L’Allemand, Lalleman, Lallemant, Lallemang, Lallemens, Lallement, Laleman, Lalemand, Lalement, Lalmand, Lalman, Lalmant= l’Allemand ‘de Duitser’. Alleman is oorspronkelijk de volksnaam van de Alamannen. Aangezien deze Duitsers (Elzas) de naaste buren waren van de Fransen, werd Allemand is de Franse naam voor de Duitser.

Laloire, Laleure, Lalor: L'aloire, Waals alôre, Frans alouette: leeuwerik. Bijnaam. Vergelijk Lallouette, Leeuwerck.

Laloubee, Laboubee: Wellicht met accentverschuiving van de familienaam Lalobe.

Laloyaux, Lalouel: Oudfrans aloel: leeuwerik. Bijnaam.

Lamain: 1. Plaatsnaam Lamain (Henegouwen). 2. Bijnaam. Frans main;‘hand’.

Laloyaux. Familienaam afgeleid van het Oudfranse 'oloel' = leeuwerik. Wellicht een bijnaam komende van muzikale eigenschappen.

Lamacq. Ongetwijfeld van Lamarque.

Lamaille, Lamaye: Bijnaam. Waals maye: muntstuk.

La Marié. Bijnaam. Frans marié: pas getrouwd.

Laman, Lamant, Lamand, Lamend, Laemant: 1. Franse bijnaam. L’amant ‘de minnaar’. 2. Soms van Leman, vertaling van de Man.

Lamaurice, Lamauris, Lamaurisse: Moedersnaam bij de voornaam Maurice? Of reïnterpretatie van Lamouris.

Lamb. Engelse vadersnaam. Korte vorm van Lambert.

Lambelin, Lamblin, Lamblain, Lemblin, Lambelein, Lamelyn, Lamlin, Lamelyn, Lamelijn, Lemmelyn, Lemmelijn, Lemmerling, Lemmerlijn. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lambrecht. 

Lambach. Duitse plaatsnaam, Beieren.

Lambaux, Lambeau, Lambeaux, Lombeau, Lambay: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam land-balth 'land-stoutmoedig': Lan(t)boldus. 2. Afleiding op -el van de voornaam Lambert (Lambel/ Lambeau).

Lambe de Harewude. 1. Plaatsnaam in Sheffield. 2. Engelse bijnaam Lamb: Lam.

Lambeens. 1. Zie Langbeen. 2. Zie Lambin. Vergelijk Engelbeen = Ingelbin.

Lambenne. Moedersnaam bij de voornaam Lambert?

Lambercy, Lambersy: Plaatsnaam Lambrechies in Gaurain (Henegouwen) of Lamberchies in La Bouverie (Henegouwen).

Lamberg. Variant van Lamberg, door klankverandering, van Lambrecht.

Lambermon, Lambermont, Lambemont, Lambremont: Plaatsnaam Lambermont (Luik).

Lambert, Lambertz: Vadersnaam. Romaans vorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lambertijn, Lambertyn, Lammertijn, Lammertyn, Lammertin, Lammertini, Lammerteyn, Lamertin, Lamerteyn, Lamertyn, Lamerten, Lammertink. Vadersnaam, vleivorm van Lambert, Lammert, Lambrecht.

Lambertus, Lambert, Lamberty, Lamberta. Vadersnaam. Italiaanse, respectievelijk Latijnse vormen van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lambier, Lambiet, Lambié, Lambie, Lamby, Lambij. 1. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Lambrecht. Picardisch Lambiert, Waals lambiè. Zie Lambrecht. 2. De familienaam Langbeen uit Zuid-Oost-Vlaanderen werd in de 19de eeuw verschreven tot Lambier. 

Lambillion. Lambillon, Lambion, Lambilliotte, Lambiliotte, Lambilliot, Lambiliote Lambiliote, Lambilotte, Lambilot, Lambiotte, Lamblotte, Lamblot: Vadersnaam. Vleivorm op -illon, -illot(e), -lot van de voornaam Lambrecht.

Lambin, Lambein, Lambeens, Lombin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambert, Lambrecht.

Lambinet, Lambinon: Vadersnaam. Vleivormen met de stapelsuffïxen –in-et en -in-on van de voornaam Lambrecht. Vergelijk Lambin.

Lamblet, Lambelé, Lambolet, Lambley, Lambley, Lambele, Lamble: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert.

Lamboo, Lambo, Lambot, Lambotte, Lembo, Lampo, Lampo: Vadersnaam. Frans verkleinvorm Lambot van de Germaanse voornaam Lambert (landa-berth).

Lambois, Lambooy, De Lamboy, Lombois, Lonbois, Lambooij: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambrecht.

Lamborelle, Lemborelle, Lambrau, Lamprau, Lamboray: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert. Vergelijk Lambret. 2. Of veeleer van Oudfrans lapriel, Frans lapereau, Middenenderlands lampreel: konijntje. De m is de zo fréquente epenthetische nasaal (vergelijk pampier). De b is te verklaren door associatie met de voornaam Lambert.

Lambori, Lambory. Variant met epenthetische nasaal van Laborie.

Lambrecht, Lambrechts, Lambrechtse, Lambrechtsen, Lambrechs, Lamberechts, Lamberegts, Lambregt, Lambreght, Lambregts, Lambrecht, Lambregchts, Lambregtse, Lambreghts, Lambreghs, Lambreghse, Lambrexhe, Lambreckx, Lambrecks, Lambreck, Lambrecq, Lambretchts, Lambrecth, Lambrecths, Lambrichts, Lambricht, Lambrichs, Lambrich, Lambrigtse, Lambrigt, Lambrights, Lambright, Lambericts, Lambricks, Lambriks, Lambricks, Lambrick, Lambrix, Lambrik, Lamprecht, Lemberechts, Lembrechts, Lembreght, Lembreghts, Lembregt, Lembrik, Lombrechts, Lambert, Lamberts, Lambertz, Lambertz, Lambers, Lambeir, Lamber, Lamberg, Lambart, Lambaere, Lambaerts, Lambaert, Delambert, Lampers, Lember, Lembert, Lempere, Lemper, Lamperth, Lampert, Lampaert, Lampert, Lampertz, Lempart, Lempert, Lambaets, Lambeets, Lamerichs, Lamerigts, Lammerich, Lammerts, Lammert, Lamert, Lammerz, Lemmaert, Lammer, Lammers, Lamers, Laemers, Lemmer, Lemmers, Lemmerz.: Vadersnaam. Germaanse voornaam land-berht ‘land-schitterend’: Landebert, Lambertus, Lambrect, Lambret. De vormen met Lem- zijn Brabants-Limburgs; die met -m(m)- zijn ontstaan door assimilatie, mb/mm.

Lambremont: Plaatsnaam Lambermont (Provincie Luik).

Lambret, Lambrette, Lambré, Lambrey, Lambre, Lembrez, Lombrez, Lombri, Lombrette, Lampret, Lampre, Lompret: Afleiding van Germaanse voornaam Lambert. Vadersnaamr. De vormen op -ette kunnen moedersnaam zijn, maar ook de verwaalste uitspraak van Lambrecht weergeven.

Lambreth. Spellingvariant Lambrecht of Lambret.

Lambrey. 1. Zie Lambret(te). 2. Eventueel van plaatsnaam Lambrey (Hte-Saône).

Lamé, Lame, Lamee, Lammé, Lamme, Lametz, Lammey, Lamey: Oudfrans l'amé: de beminde, geliefde. Bijnaam. Vergelijk Laimé.

Lameijer. 1 Grafïe voor Lameir; zie Lemaire.- 1. Er is een Duitse familienaam La(h)meyer: Lohmeyer, dat is meier in een bos.

Lameijn, Lameijns: 1. Vadersnaam. Spelling voor Lamyn(s), van Lammin(s); zie Lammens. 2. Eventueel Lameijn, Lamein, van Lamain.

Lamelle, De la Mole: van der Molen. Vergelijk Delmeule.

Lamette. Oudpicardisch mette: grens (van terrein)

Lametz. 1. Plaatsnaam, Ardèche, 2. Zie Lamé.

Lamesch. Waarschijnlijk door assimilatie van Lamensch.

Lami, Lamis, Lamisse, Lamie, Lamy: Bijnaam L'ami: de vriend. Oudwaals amice.

Lamiable. Bijnaam. Oudfrans amiable, Frans aimable: vriendelijk, beminnelijk.

Laminé. Variant van Laminne met secundair accent.

Lamiot. Bijnaam afleiding van Frans ami: vriend. Zie ook Amiot, Amiet 2.

Lamirand, Ladmirant, Lamerandt, Lamerand, Lammerant, Lamerant: Oudfrans amirant: émir, admiraal. Vergelijk Lamoral.

Lamiroy. Regressievorm van Lamire, die niet l'admiré: de bewonderde betekent, maar Middenfrans l'amiré: admiraal, bevelhebber.

Lamme, Laame, Lamm, Lam, Lamps, Lams, Lans, Lampe, Lamp, Lemme, Lemm, Lems: Vadersnaam. Korte vormen van de voornaam Lambrecht.

Lammekens, Lamkin, Lemke, Lemkens, Lemken, Lamquin, Lampke, Lembcke, Lämmchen: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht.

Lammen, Lammens, Lamens, Lamensch, Laamens, Lamyns, Lamijns, Lameyn, Lameyns, Lemmen, Lemmens, Lemmes, Lamping, Lampin, Lampens, Lampen, Lempens, Lempen: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lammer, Lammers, Lamer, Lamers, Laemers, Lemmers, Lemmer, de Lamper, Lampers, Lempere, Lemper, Lempêre: 1. Afleiding van Middelnederlands lam(p): lam. Beroepsnaam van de schaapherder, die lammeren hoedt. Vergelijk De Geeter.

Lammeretz, Lameretz, Lamerets: Vadersnaam. Spelling voor Duits Lammertz, Lambertz, Lampertz.

Lämmerhirt, Lammerhiert: Duitse beroepsnaam van de schaapherder.

Lammerinks, Lammersma, Lammertsma. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht.

Lammerman. Beroepsnaam van de schaapherder. Vergelijk Lammers, Duits Lämmermann.

Lamittens. Verdwenen familienaam: mogelijk vadersnaam, knuffelvorm van Lamyns, dat is weer een knuffelvorm van Lambrecht. 

Lamiroy. Verschrijving van Lamiré, dit uit het Middelfranse l'amiré: admiraal, bevelhebber. 

Lammens, Lammen, Lamens, Lamensch, Laamens, Lamyns, Lamijns, Lameyn, Lameyns, Lemmen, Lemme, lemmens, Lampin, Lamping, Lampen, Lampens, Lempe, Lempens: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lammerée: Vadersnaam. Door assimilatie mb/mm uit Lambré, Lambret, verkleinvorm van de voornaam Lambert.

Lammeren, van: Plaatsnaam Lamperen (Noord-Brabant).

Lammerink: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht. Ook verspreide plaatsnaam in Overijssel. †1341 Lambertus Lambertynck, leenman van het goed Lambertinck in Markelo Overijssel.

Lammerts, Lammertsma, Lammers, Lammer,Lam, Lamme, ’t Lam, Lem, Witlam, Cheuk-A-Lam, Lammerse, Lemmers, Lamer, Lamers, Laemers, Lemmer, Lemmers, De Lamper, Lampert, Lamper, Lampers, Lemper, Lepere, Lempère: 1. Vadersnaam. Uit Lamberts, Lambrecht)s), respectievelijk met assimilatie mb/mm en verscherping b/p. 2. Afleiding van Middelnederlands lam(p) ‘lam’. Beroepsnaam van de schaapherder, die lammeren hoedt. 3. Toename van de familienaam, of de familienamen, Lam is mede te danken aan immigratie uit Hongkong, China en Vietnam; Lam is ook een Aziatische naam.

Lamont, Lammont, Lamon, Lamond, Lamonte, Laemont, Van Lamoen, Lamoen, Lamoens. Familienaam uit de plaatsnaam L'amont: stroomopwaarts, hoger gelegen land. Er is onder andere een Lamont in Kwaremont (Oost-Vlaanderen).

Lamoot, Lamot. 1. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambrecht. 2. Zie Delamote.

Lamote: Verkort uit Delamote. Plaatsnaam Mot(t)e, van mota ‘hoogte, heuveltje’, gewoonlijk met kasteel erop en door gracht omgeven.

Lamor, Lamort, La mort: de dood. Bijnaam voor iemand die er als de dood (Vaams Pietje de Dood, Nederlands Magere Hein) uitziet. Of variant van Lemort.

Lamoral, Lamiral, L'Amiral, Amirault, Lamiraux: Middenfrans amira(i)l, amiré, van Arabisch emir, émir: bevelhebber, admiraal.

Lamouche, Lemouche, Lamoque, Lamocq, Lamock, Mouche, Mouque, Moucq, Mouck, Moxhe, Mox: Bijnaam. Oudfrans mosche, Latijn musca, Picardisch mo(u)que, Frans mouche, Waals mo(x)he: vlieg. Vergelijk Vliege. Vergelijk ook Mouchet/Mo(u)quet.

Lamouline, Lamoline, Lamolinne: Plaatsnaam La Mouline: de molen in Izel en St-Pierre-Chevigny (Luxemburg). Waarschijnlijk ook elders.

Lamour, Lamouret, Lamourette, Lamoret, Amoré: Frans amour: liefde. Bijnaam voor een verliefde, minnaar. Vergelijk Lamoureux.

Lamoureux, Amoureus: Bijnaam voor een hartstochtelijke minnaar, een Don Juan.

Lamoury. Lamourij, Lamouris, Lamory, Lamury: L'Amoury. Vadersnaam Amoury, zie Amaury.

Lamovte. Verkeerde lezing van Lamonte, of van Lamoute, van Lamote?

Lampaert: Vadersnaam. Variant van Lambert, Lampert.

Lampe: Vadersnaam. Uit Lambe, korte vorm van de voornaam Lambrecht.

Lamperen, van, van Lammeren. Plaatsnaam Lamperen, Noord-Brabant.

Lampier: Frans Lampire. Plaatsnaam Lempire (Aisne, Meuse).

Lampoie, Lambol: Vadersnaam. Waalse vleivorm van Germaanse voornaam Lambert.

Lamproi, Lamproie, Lamproy, Lamproye, Lamproe, Lamploy, Lemploi, Lempoy: Vadersnaam. Afleiding op -ôye van voornaam Lambert. Vergelijk Lambois.

Lamprou. 1. Variant van Lamprau. Naam uit het Oudfranse lampriel, het Franse lapereau, het Middelnederlandse lampreel: konijntje. Bijnaam of beroepsbijnaam (kweker). 2. Vadersnaam uit een Franstalige variant (bijvoorbeeld Lampreu) van Lambert. 3. Naam uit het Oudfranse emperere, het Franse empereur (l'empereur): keizer. Bijnaam (bijvoorbeeld uit een schuttersgilde). 

Lamquet, Lenquet, Lenquette: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Lambrecht.

Lamrinck, met Lamring en Lammerding, is oorspronkelijk Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mannen voornaam.

Lams, Lamse, Lamsens, Lems, Lemse, Lemsen, Lemzen, Lemson, Lemsom, Lensom, Lansens, Lanssen, Lanssens: Vadersnaam. 1. De vleivorm op –sin van de Germaanse voornaam Lambrecht. 2. De varianten met Lem kunnen ook korte vormen zijn van Adelem of Willem.

Lamson, Lampson, Lamsoul, Lamsoulle: Vadersnaam. Vleivormenop -eçon, -eçoul van de voornaam Lambrecht.

Lamstaes. Familienaam in Frans-Vlaanderen. Onduidelijk.

Lamswaard, van: Plaatsnaam Lamswaarde in Hontenisse (Zeeuws-Vlaanderen).

Lamury. 1. Beroepsnaam. Waals l'amury: l'armurier, Middenfrans armeurier: wapenmaker. Vergelijk Larmoyer. 2. Of veeleer variant van Lamoury.

Lamusse, Lameuse: Waals voor L'aumusse. Middenfrans aumusse, van Middenlatijn almutia: kapmantel van kanunnik, van muts.

Lan. Romaanse spelling voor Lang? Of plaatsnaam Laon?

Lannoye, Lanoye, Lanoy, Lanoij, Lanije, Lanois, Lanoyt, Lanoi, Lanoit, Lannootje, Lanootje, Lanotte, Lano, Lannoo, Lanoo, Lannoeye, Lannoey, Lanoey, Lanoeye, Launay, Launois, Launoy, Lonnay, Lonay, Lhonai, Lhonnay, Lonnoy: 1. Plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise): Latijn alnetum, Frans aunaie: elzenbos. Zie ook Delaunay. De verschrijvingen Lannoo(t) en Lanotte zijn Vlaamse aanpassingen, aangezien Picardisch oi ongeveer samenviel met onze scherplange o (vergelijk foire: foor). 2. In Verrebroek komt Lannoey voor als reïnterpretatie van Lernould.

Lancaster, Lankester; de Lancastre: Engelse plaatsnaam.

Lance. Lans, Lanse. 1. Beroepsnaam voor de maker of drager van lansen. Vergelijk Lancet. 2. Van Lanzo, Lantso, afleiding van Germaanse land-naam. 3. L'ance. Middenfrans anse: handvat?

Lancel, Lancelle, Lanselle, Lanciaux, Lancia, Lansiaux, Lansay: Vadernaam, voornaam Ancel met proditisch lidwoord. (!').

Lancelevé. Bijnaam voor iemand die de lans opneemt, naar de lans grijpt? Vergelijk Duits Zuckmesser, Zuckschwert.

Lancelin. Vadersnaam. Voornaam Ancelin met proditisch lidwoord. Of afleiding van Lancelot.

Lancelot, Lanselot, Lansloot, Lanslots, Landslots: Vadersnaam. Lanseloot, Lancelot, naam uit de ridderromans.

Lancereau. Oudfrans lancerel, afleiding van lance: lans. Bijnaam voor een slanke.

Lanchals. Bijnaam voor iemand met een lange hals.

Lancier, Lanciers, Lanssiers, de Lansier. Beroepsnaam uit het Middelfranse lancier: lansier (soldaat die met een lans vocht), maker van lansen. 

Lanckaert, Lankart, Lancart, Lanquart: Picardisch hypercorrect voor Lanchart. Vergelijk Middenpicardisch Lankier = Lancier. Afleiding van lance: lans.

Lancke. Hypercorrect voor Loncke, wegens de o-achtige klank van korte a, vooral voor velare nasaal.

Lancker, van, Lanckere van, van Lanker, van Lanckeren, van Lancre. Familienaam komende uit de samentrekking van de plaatsnaam Langacker (onder andere in Oudenaarde). 

Lancker, de, Lankers, Lanckers. Variant van De Lonker. Vergelijk Lancke. 2, De Lancker van Delancre.

Lanckmuer. Vondelingnaam: (gevonden aan de) lange muur? Schotse familienaam Langmoor?

Lancpaep. Bijnaam voor een lange, grote paap, priester.

Lanckriet (van), Langkriet, Lankriet, Lancriet. Deze familienaam die na 1620 in Vlaanderen verschijnt wordt dan geschreven als Lancry, Lancly, Lancryet en Lancriet. Zie hieronder bij Lancry. Zie ook Langerijt Van de. 

Lancksweirdt, Lancksweirt, Lanczweirt, Lancsweerd, Lancsweerdt, Lancksweert, Lancsweert, Lanksweerdt, Lanckxweerdt, Langsweirdt, Langsweirt, Lanszweert, Lansweerdt, Lansweert, Landsweerdt, Landsweert, Landssweers: Middelnederlands lanc zweert: lang zwaard. Bijnaam voor de zwaardenmaker of zwaard vechter. Vergelijk Longuepée.

Lanckvrind. Bijnaam voor iemand met vriendschappelijk karakter, met wie je lang bevriend kunt zijn. Vergelijk Cortvriend.

Lankweerd. Verhaspeling van Lancksweert.

Lançon, Lancon, Lanson: 1. Vadersnaam Lançon (Ardèche). 2. Spellingvariant van Lamson. 3. Vadersnaam Romaanse verbogen vorm van Germaanse voornaam Lanzo (zie Lance 2.).

Lancry, Lancri. Vadersnaam: Romaanse vorm (Pas-de-Calais) van de Germaanse voornaam lang+rik; lang-heerser. 

Land, van der,’t: 1759-1815 Lippe Lucas nam in 1811 de naam van der Land aan.

Land, Lande: Vadersnaam. Korte Germaanse voornaam Lando.

Landa: Tsjechische familienaam, van Mikulanda, variant van Mikuláš ‘Nikolaas’.

Landegem, Landeghem, van; Landegent: Plaatsnaam Landegem (Oost-Vlaanderen).

Landau, Landauer, Landeau, Landouw: Plaatsnaam Landau in de Faits.

Landdreter, Landtreter: Duitse familienaam Landreiter: bereden bode, bode te paard, landruiter. Vergelijk Minnebo.

Landeck. Duitse plaatsnaam.

Landeloos, Landerloo, Landerloos: Bijnaam voor iemand zonder landbezit.

Lande, Landen, van de, der. 1. Naam die verwijst naar ‘land’ (plaatsnaam). 2. Of uit de plaatsnaam Landen (Vlaams-Brabant).

Landenberg, Landeberg, Lanberg. Duitse plaatsnaam in Winterthur.

Landenne. Plaatsnaam. Luxemburg.

Landers, Lander. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam land-hard 'land-sterk': Landardus, 2. Zie De Laender.

Lander, van. Waarschijnlijk van Van Landen.

Landerwijn, Landerwyn. Vadersnaam. Landewijn, met epenthe-tische r. Germaanse voornaam land-win 'land-vriend': Landuinus.

Landewijck, van, Landewijk, van, van Landwyck, van Landewyck: Plaatsnaam Landwijk in Donk (Limburg).

Landgoed. Plaatsnaam? Waarschijnlijk een reïnterpretatie.

Landgraf, Landsgraeve: Familienaam van een landgraaf.

Landi, Landier, Landy, Lanthier, Lantier, Lantiez, Lanty, Lenti, Lentier. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-hari 'land-leger': Landarius.

Landman, Landmann, Landtman, Lantman, Lanesman, Landsman, Lansmans, lansman, Lansmanne: Middenenderlands lant(s)man: landman, buitenman, landbewoner; ingezetene, landsman.

Landmeter, (de), Landtmeeters, Landtmeters, Landmeters, Delantmeter, Landmeeters, Landmesser: Beroepsnaam van de landmeter.

Landmeyer. Beroepsnaam van de meier, boer te lande. Of reïnterpretatie van Langenmeyer.

Lando. Spelling voor Frans uitspraak van Landau.

Landolphe, Landolfi, Landolsi. Vadersnaam. Germanse voornaam land-wulf 'land-wolf : Landulfus.

Landouzy. Wellicht verhaspeling van Landercy/Landurcy.

Landoy. Uiterst zeldzame naam met een onduidelijke betekenis, mogelijk: 1. Naam uit de Oudengelse plaatsnaam Landon: lange heuvel. Of uit Land: bosrandbewoner, iemand die op het land woont. Gezien het bijna geïsoleerd voorkomen op één plaats aan de Belgische kust betreffen het hier mogelijk afstammelingen van een Engelse inwijkeling. Dan is de naam wellicht een variant van Lando (mogelijke betekenissen hierboven). 2. Familienaam afgeleid van de Franse plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise). Komt van het Latijnse alnetum en het Franse aunaie: elzenbos. 3. Of uit de Germaanse naam Andoward(and+wardan).

Landré: Vadersnaam. Frans L’André ‘Andreas’.

Landre, Landres. Plaatsnaam Landres (Ardèche, Meurthe-et-Mos.) of Romaanse vorm van Landen (Vlaams-Brabant).

Landrecy, Landercy, Landurcy: Plaatsnam Landrecies (Nord) of eventueel Landrecy in My (Luxemburg).

Landrie, Landrieux, Landerieu, Landurieux, Landreau, Landrieau, Landriau, Landureau, Landrin, Landurain, Landrain, Landresse: Vadersnaam L'Andrieu, L'Andreau, L'Andrin. Zie André. Landr(a)in kan ook vleivorm zijn van Landry.

Landroux. Vadersnaam L'Androu. Franse vorm van de voornaam André.

Landru. Moedersnaam. Germaanse voornaam land-thrûth 'land-macht1: Landetruda.

Landry, Landri, Landrie, Landerie: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-rîk 'land-machtig': Landrik, Landricus.

Landschoote, van, Landschoot, van, van Landtschoote, van Lantschoot, van Landtschoote, van Lanschot, Landschoot, Landschot, Lantschot, Lanscotte: Plaatsnaam Landschoot volketymologisch uit plaatsnaam Langschoot ‘lange afgeperkte ruimte, lange beboste hoek hogere grond die in moeras uitspringt’. Plaatsnaam in Eksaarde (Oost-Vlaanderen) en Berlaar (Provincie Antwerpen.

Landser, Lanser. Duitse familienaam Lanzer, van plaatsnaam Lanz.

Landsberg, Landesberg, Landsbergier, Langsberg, Lansberg, Lansbergh, Lansbergen. Familienaam afgeleid van de in Duitsland veel voorkomende plaatsnaam Landsberg. Landsbergier, van Landsberger.

Landsheer, (de), Landsheere, de, (de) Landshere, (de) Landtsheer, Landtsheere, (de) Lantsheer, Lantsheere, Lantheere, Lansheer: Middelnederlands lanthere ‘vorst, heer, landheer, landeigenaar’.

Landstra. Friese vadersnaam uit de Germaanse voornaam Land(o).

Landsuser. Middelnederlands land(s)huzere: bewoner van het landhuis (van een kasteleel).

Landsvreugt, Landsvreugd. Waarschijnlijk een reïnterpretatie, misschien van Lantsoght / Landsucht.

Landuit (van), (van) Landuydt, Landuyt, (van) Landuijt, Landeut. Naam uit de plaatsnaam Landuit in Denderleeuw, Lede, Melsele, Mere en Zegelsem (Oost-Vlaanderen), Kasteelbrakel (Waals-Brabant).

Landvogt. Beroepsnaam naar het middeleeuwse ambt van landvoogd: stadhouder.

Landwehr, Landwier: Middenhoogduits lantwer: landverdediger, grenswachter.

Landzaat. Middelnederlands lantsate: ingezetene van het land, cijnsboer, pachter.

Lane, Laanen: Moedersnaam Lane is de korte vorm van de meisjesnaam Juliane, Latijnse heiligennaam Juliana.

Langbein: Duitse bijnaam voor iemand met lange benen.

Lanfroy, Lanfroot: Vadersnaam Lanfroit, Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-frith 'land-vrede': Landefred, Lantfridus.

Lanfry. Vadersnaam. Romanse vorm van Germaanse voornaam Lamfricus.

Langaskens. Vadersnaam + bijnaam. Verschrijving van Langhanskens: lange Hans.

Langbeen, Langbehn, Langben, Langbein, Lanckbeen, Lankbeen, Lambeens. Bijnaam voor iemand met lange benen.

(de) Lang, Lange, (de) Langen, Delanghe, de Langh, Langhe, (de) Leng, Langman, Lelangue, Delangue, Langh, Lanck, Langens, Slanghen, Slangen: Bijnaam voor iemand van grote gestalte.

Langerhans, Langhans. Bijnaam + vadersnaam. Lange Hans.

Langanke. Lang Hanneke. Vergelijk Langehenkel.

Langebeek, Langebeke, Langebeeke: Plaatsnaam Lange Beek, onder meer veldnaam in Walcheren.

Langaskens. Waarschijnlijk van Langhanskens : lange Hansje. Vergelijk Langhans, Langehenkel.

Langbank. Bijnaam of beroepsnaam. De betekenis van bank is hier niet duidelijk: zitbank, rechtbank, toonbank? Er is een plaatsnaam Langbank in Schotland.

Langbeen, Langbehn, Langbin, Langbein, Lanckbeen, Lancbeen, Lambeens: Bijnaam naar de lange benen.

Langbord. Verhaspeling van Langborst. Bijnaam voor iemand met groot bovenlijf. Vergelijk Nederduits Hoborst.

Langbroek, Langbroeck. Plaatsnaam Langbroek: lang moeras.

Langewerf, Langerwerf. Plaatsnaam Langewerf bij Pereboom (Dussen, Noord-Brabant).

Lange, van. Plaatsnaam Lange, Gelderland.

Langebeeke. Plaatsnaam Lange Beek. Onder meer veldnaam in Walcheren.

Langehenkel. Bijnaam Lange + voornaam Henkel, afleiding van Johannes.

Langejan: Bijnaam Lang+ voornaam Jan.

Langelaan van, Langerlaan. Plaatsnaam in vele plaatsen.

Langeler, Langelaar: Plaatsnaam Langelaar in Nunen (Noord-Brabant).

Langelet, Langelez, Langeles, Langele, Longelé, Longelez, Longeles, Longele, Longeles, Lengellé, Lengelle, Linguelet, Lingelet: 1. Afleiding van Oudfrans angel, Frans ange: engel. Bijnaam of huisnaam. 2. De n mouillé (gn) werd in het Picardisch vaak met ng weergegeven, bijvoorbeeld ligne/linge, agnelin/angelin zodat wellicht ook Lagnelet gelezen kan worden. Agnelet, afleiding van Oudfrans aignel: lam (zie Lagneaux).

Langelund: Plaatsnaam Lang(e)land, Longland?

Langemaire: Spelling voor Langmeier, Langenmayer ‘grote meier’. Er is ook een plaatsnaam Langmair in Beieren.

Langen, de, van, Lange, Slangen, Langens. Bijnaam naar de lange gestalte.

Langenacker, van, van Langenaker, van Langenakker, Langenaeker, Langenaeken, Langenaken, van Languemackers, van Languemakers, van Lanquenakers, Langenaeken, Langenaekens, Langenaken, Langenakens, Langenacken, Langenackers, Langenakers, Langenaeker, Languenakers, Languenaeken, Langenhaek, Lanckacker, Lanckaker: Familienaam uit de plaatsnaam Lang(en)akker (letterlijk een lange akker) in Geluwe (West-Vlaanderen), Helderen en Wellen (Limburg).

Langenauer. Frequente Duitse plaatsnaam Langenau.

Langenbach: Frequente Duitse plaatsnaam Langenbach (Beieren, Baden-Württemberg, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts)Vergelijk Langebeek.

Langenberg, (van den) (van den) Langenbergh, Langeberger, Slangenberg. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Langenberg in Lichtaart en Wortel (Antwerpen). 2. Familienaam uit de verspreide Duitse plaatsnaam Langeberg. (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Rijnland-Palts, Sleeswijk-Holstein.).

Langendam: Plaatsnaam Langendam in Hulst (Zeeland): Zie ook Slangenburg.

Langenbick, van. 1. Verspreide plaatsnaam Lange Bilk, Bulk. Vergelijk van den Bulke/Bilke. 2. Plaatsnaam Langenbick in Wipperfurth (Noordrijn-Westfalen)

Langenbruch. Noordrijn-Westfalen. Vergelijk Langbroek.

Langendoen, Langedoen: Geapocopeerde (weglating van een klank op het eind van een naam) vorm van de plaatsnaam Langendonk. Lange(n)donk in Haacht (Vlaams-Brabant), Kampenhout, Kasterlee, Herentals, Olen (Provincie Antwerpen, Knesselare, Schellebelle, Wetteren (Oost-Vlaanderen), Lummen, Paal (Belgisch-Limburg). Plaatsnaam Langdonk (Noord-Brabant).

Lagendijk, van, Langedijk, Langendijck van, Langendyck : Plaatsnaam Langendijk (Noord-Brabant, Roosendaal en Nispen, Rucphen, Noord-Holland), Langedijk (Zuid-Holland), Eveneens een verspreide plaatsnaam in West-Vlaanderen, Pas-de-Calais.

Langendonk, van, Vanlangendonck, van Langhendonc, Langendonck, Langendonckt, Langhendonck, Langendock, Langendonck, Langedock, van Lagendock. Familienaam afgeleid uit de plaatsnaam Langedonk, Langendonk (lange zandrug) in Haacht (Brabant), Kampenhout (Brabant), Kasterlee (Antwerpen), Herent (Brabant). Ook in Nederland is er een Langdonc in Rozendaal-Langdonk.

Langendorf. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Langendries, Langhendries, Langhedries, Langhendris, Langhenaries, Landries. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Langdries in Ulbeek (Nederlands-Limburg), Landries in Aaigem (Oost-Vlaanderen). De plaatsnaam komt wellicht uit lange (uitgestrekte) + dries. 2. Mogelijk is het soms een vadersnaam uit Lange Dries, van Andreas. Vergelijk Langewauters, Duits Jungandreas, Langheinrich, Langjorg, Langmartin.

Langenhaeck. Reïnterpretatie van Van Langenacker.

Langenhof: Plaatsnaam Langenhof (Nedersaksen). Vergelijk van Langenhove.

Langenhorst: Plaatsnaam (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Sleeswijk-Holstein) en in Ottersum (Nederlands Limburg) en Wassenaar (Zuid-Holland).

Langenhove, van, Langenhoven, van, Lanhove, Lanove, van Languenhove, van Langenhof, Langenhoff. Familienaam uit de plaatsnaam Langenhove (lange hoeve), onder andere in Opwijk (Vlaams-Brabant) en Langenhof (Nedersaksen).

Langenhuijsen. Plaatsnaam. Vergelijk Langenhausen (Nedersaksen).

Langenkamp. Verspreide Duitse plaatsnaam; lang veld.

Langemayer, Langenmayr, Langenmeier, Langmeier, Langemeier: Duitse bijnaam; grote meier.

Langenscheid. Plaatsnaam Langenscheid (Rijnland-Palts). Verspreide Nederduitse plaatsnaam Langenschede: lange scheiding, grens.

Langensieper. Westfaalse plaatsnaam : lange moerassige plaats. Vergelijk Langensiefen, Noordrijn-Westfalen.

Langenstrass. Duitse plaatsnaam; lange straat.

Langenus, Lanckneus, Langnese. Bijnaam naar een lange neus. Middelnederlands nese; neus. Duits Langnase.

Langer, Langers, Lenger, Lengers, Lenges: Bijnaam voor een lange.

Langeraad, van: Plaatsnaam Langenrade (Overijssel, Sleeswijk-Holstein).

Langeraap. Friese familienaam; lange raap.

Langeraar, Langeraert: Bijnaam lang + vadersnaam. Gerard. Zie van Langerak.

Langeraert, van, Langeraerd, Langeraar: 1. Plaatsnaam Langeraar in Ter Aar (Zuid-Holland). 2. Zie Langerak.

Langeraet, Langenraedt: 1. Plaatsnaam Langenrade (Overijssel). 2. Zie Langera.

Langerak, van Langeraert, Langeraert, Langeraet, Langeraar, Langenaerde, Langenraedt, Langeraet: Plaatsnaam Langerak ‘lang recht gedeelte van een vaarwater’ (Drenthe, Gelderland, Zuid-Holland).

Langereis, Langerijs, Langereijs, Langereys. Plaatsnaam en kanaal Langereis bij Opmeer.

Langeroiert: Bijnaam Lang + voornaam Roeier, Royer, de Germaanse voornaam hrôth-hari ‘roem-leger’.

Langerijt, van de, van de Langeryt, (van) Lanckriet. Familienaam uit de plaatsnaam Lange Riet/Rijt: lange waterloop, langwerpig nat land (onder andere Lange Rijt in Brecht (Antwerpen). Vergelijk Langenried (Beieren).

Langerock, Lanckrock, Landrock: Bijnaam voor iemand met lange rok; vergelijk Blontrock, Duits Langenmantel.

Langeslag: Plaatsnaam Langeslag in Heino, Overijssel.

Langeveld, (van) Langeveld, van Lankveld, Lankvelt, Langeveld, Langevelte: Plaatsnaam Lange Veld in Noordwijk en Noordwijkerhout (Zuid-Holland) en Wierden Overijssel. Ook frequent Langeveld, St.-M.-Bodegem, Merchtem, Wilsele, Opwijk (Vlaams-Brabant), Ressegem, Zèle (Oost-Vlaanderen).

Langevin, L’Angevin; bewoner van Anjou.

Langewauters, Langewouters. Vadersnaam, zoon van Lange Wouter.

Langewisch: Duits amilienaam Langewiesche, plaatsnaam samengesteld met Middennoordduits wisch(e), Duits Wiese ‘weide’.

Langezaal, Langesaal. Duitse plaatsnaam Langensall.

Langford. Plaatsnaam Langford, Norfolk.

Langfuss, Langfus. Duitse bijnaam Langfuss; lange voeten.

Langhor, Langhoor, Lanckohr, Langohr, Langhorne: Bijnaam naar de lange oren.

Langhout: Plaatsnaam Langhout ‘lang bos’. Vergelijk Korthout.

Langlais, Langlet, Langleit, Langlez, Langley, Lenglais, Lenget, Lenglez, Longiez, Longlé, Langlois, Langloys, Lenglois, Linglez, Linglet, Delanglez: Franse herkomstnaam L'Anglais: de Engelsman.

Langlands. Langlant: Engelse familienaam, ook Longland. Plaatsnaam: lang stuk land.

Langlart, Lenglaert, Lenglaert, Linglart, Langelaar, Langelaère, Lenselaer: L'Anglard. Vadersnaam. Germaanse voornaam angil-hard 'Angel-sterk': Angelhardus.

Längle: afleiding van Lang.

Langmak. Nederduits Langmaack, lange Markward.

Langman, Langmans, Langhmans, Longmans, Lancmans, Lancman, Lankman, Langermann, Langerman: Bijnaam voor een lange man, man met grote gestalte. Vergelijk De Lange.

Langmulller. Bijnaam + beroepsnaam. Lange Mulder.

Langouce. Bijnaam. Oudfrans angouche, angoisse: angst.

Langrand, Lengrand, Lingrand: Vadersnaam. Voornaam Engrand met lidwoord. Zie Enguerrand.

Langsam. Langzam. Bijnaam voor een langzame, trage.

Langsdorf. Plaatsnaam.

Langstraat: Heel frequente plaatsnaam Langstraat in Bergen (Nederlands Limburg), Ooltgensplaat (Zuid-Holland), Meijel (Nederlands Limburg, Deurne (Noord-Brabant), streek tussen Geertruidenberg en Den Bosch (Noord-Brabant). Langestraat in Menaldumadeel (Friesland).

Langue. Romaanse aanpassing van Lang. Vergelijk Delangue.

Langui, Languy, Langie, Langhi, Langhuie. Bijnaam uit het Middelfrans languis: kwijnend, ziekelijk.

Languillier. Beroepsaam van de palingvisser of handelaar.

Langwith, Langwieder: Plaatsnaam Langwied (Beieren), Langwieden (Rijnland-Palts).

Langwagen: Beroepsbijnaam van een wagenmaker?

Langwerden: Plaatsnaam Langwerd in Baarderadeel (Friesland).

Laniau, Lanniaux, Lanniau: 1. Zie Lanneau. 2. Verschrijving voor Lagneau.

Lanier, de, Lani, Laniez, Lannier, Lanni, Lannie, Lenie, Leni, Leny, Liny, Lini, Delaneer, (de) Lanneer, De Lanner, Lanners. 1. Beroepsnaam van het Oudfranse lanier = wolbewerker. 2. De vormen zonder lidwoord, beroepsnaam afgeleid van l'ânier = de ezeldrijver. 3. Het Oudfranse lanier, lenier = soort valk. Mogelijk een bijnaam of zelfs afgeleid van de beroepsnaam valkenier. 4. Het Oudfranse lanier en lenier betekent ook lui, traag, schuchter, laf: in dit geval een bijnaam. Zie ook Deligny.

Lanin, Laning, Lanning. Vadersnaam. Afleiding van Julianus. Vergelijk Laenen.

Lanius, Lanis. Latinisering van vleeshouwer.

Lankamp: Plaatsnaam Lankamp in Denekamp, Overijssel; lang veld. Of spelling voor plaatsnaam Langkamp. Lange Kampen in Hardenberg Overijssel en Duiven (Gelderland), Langekampveen in Gasselte (Drenthe).

Lankes, Lankens, Langhkens: Modersnaam Laenkens, afleiding van de voornaam Lane, Juliane. Zie Laenen(s).

Lankester, Langkester: Spelling voor de Engels plaatsnaam Lancaster.

Lankhorst: Plaatsnaam in Staphorst, Overijssel en Olst, Overijssel.

Lankveld, van. Plaatsnaam.

Lanneau, Laneau, Lannaud, Lannaus, Lannaux, Lanaux, Lonniaux, Lanniaux, Lanniau, Laniau, Lanneeuw, Lanneuw, Leneeuw, Laneuw: 1. Oudfrans anel: ketting, ring. Frans l'anneau: de ring. Beroepsnaam of huisnaam. Vergelijk Ring, De Rinck. Zie ook Lonay. 2. L'auneau, afleiding van aune: els. Plaatsnaam. 3. Heel wat vormen kunnen ook teruggaan op Lagneaux.

Lannoo, Lano, Lanoo. Vanwege de tweetoppige o veeleer een verschrijving van Lanoi dan van Lanneau. Zie Lannoye.

Lannoy, Lannoy, Lannoye, Lanoy, Lanoye, Lanoij, Lanoije, Lanois, Lanoyt, Lanoi, Lanoit, Lannoot, Lannoote, Lanoot, Lanoote, Lanotte, Lano, Lannoo, Lanoo, de Lannoie, Lannoeye, Lannoey, Lanoey, Lanoeye, Launay, Lanois, Lanoy, Lonnay, Lonay, Lhonai, Lhonnay, Lonnoy: Plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise): 1211 del Ausnoi. Latijnse alnetum, van Frans aunaie, aunoie ‘elzenbos’.

Lanoizelé, Lanoizelet, Lanoizele: Plaatsnaam Lanoiselée: plaats waar notenbomen groeien.

Lanquetot. Plaatsnaam, Seine-Mar.

Lans, van der, Lensink, Lansing, Lansink: Plaatsnaam. Lanse(n): Vadersnaam. 1. Zoon van Lam, van Lambrecht. 2. Van de voornaam Lancelot.

Lansens, Lanssens, Lanssen, Lansen. 1. Spellingvariant van Lamsens. 2. Vleivorm van Lancelot.

Lansenbergh, Lanzenberg: Lantzenberg in Welkenraedt (Luik) en Duitse plaatsnaam Lanzenberg (Beieren, Oostenrijk).

Lanser: Uit Landser. Duits familienaam Lanzer, van plaatsnaam Lanz.

Lansquenet. Beroepsnaam van Duits Landsknecht.

Lansu, Lansue, Variant van Lassue met epenthetisch n.

Lansu, Lansue, Lançut: Met epenthetische n uit Lassue uit Laseu, Picardisch voor Laseur, Leseur(re) ‘naaier, schoenmaker’.

Lantair, Lanteir. Waalse aanpassing van Landheer.

Lantenois, Lantenoy, Lantonnois, Lentenois: Bijnaam. Oudfrans antenois: een jaar oud, van dom, dwaas.

Lantarens. Middelnederlands lanterne: lantaarn. Bijnaam (eventueel huisnaam) of beroepsnaam. Vergelijk Lanternier.

Lantermann. Uit Duits Latermann; (ader) laten.

Lanternier. Beroepsnaam van de lantaarndrager of –aansteker.

Lantez. Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse land-naam. Vergelijk Lantin 1, Lantier.

Lantin, Lantain, Lanthin: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse land-naam (vergelijk Lantheaume). 2. Plaatsnaam Lantin (Luik).

Lanting, Lantinga: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam “Lande’; Land.

Lantoine, Lantoin, Lanthoine. Vadersnaam L’Anthoine; Antonius.

Lantheaume. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-helm; land-helm. Lantelmus.

Lantremange. Plaatsnaam, Luik.

Lantsoght, Lansoght, Landsoght, Lantshoght, Landtsucht: Middenenderlands lancsocht: ingewandspijnen, koliek, buikkrampen. Bijnaam.

Lanuit. 1. Bijnaam. Frans nuit: nacht. Vergelijk Middernacht. 2. Variant van Lanoit.

Lanvenhote, van. Verhaspeling, Frans-Vlaanderen, van Van Langenhove?

Lanvin, Lenvain: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-win 'land-vriend': Landuinus.

Lanzendorf, Lanzendörfer: Verspreide plaatsnaam (Beieren).

Lanzke. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Lanzo, zie Lance.

Laoust, Laout: 1. Oudfrans aost, Middenfrans aoust, Frans août: oogst, het oogsten. Beroepsnaam van de oogster. 2. Eventueel spelling voor Lhoest.

Laout. Eventueel Waalse spelling voor Laoutre.

La Paglia, Lapaglia: Italiaanse beroepsnaam: stro. Vergelijk Lapaille. strobinder. Vergelijk Stroobant, Lepailler. 2. Plaatsnaam La Paille (Hte-Marne, Puy-de-Dôme).

Lap, Lapp, Laps, Labs, Lappe, Lappen: Beroepsbijnaam voor een kleerlapper of schoenlapper. Of bijnam voor een in lappen, lompen gekleed man. Vergelijk Frans Lambeau.

Lapaix. Wellicht bijnaam voor een vreedzaam mens.

Lapidaire: Oudfrans lapidaire ‘steenhouwer’. Beroepsnaam.

Laperche, Laperches, Lapers, Laperse, Le Percq, Lapercque, Lapercq, Leperck: Frans perche: pers, staak, mast, roede. Bijnaam of beroepsnaam; zie Perche 2.

Laperteaux, Lapertaux. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans apert; open, handig, slim, levendig.

Lapetite. Bijnaam voor een kleine vrouw.

Lapidaire. Oudfrans lapidaire; steenhouwer. Beroepsnaam.

Lapie, Lapy: La Pie: ekster. Bijnaam, vergelijk Lagache, Axters.

Lapien: Nederlands spelling voor Lapinne, van Delépine, dat is de l’épine, Frans pendant van van (den) Doorne.

Laplagne, Laplane. Plaatsnaam La Plagne, van Latijn planea: vlak terrein, plein.

Laplume. Beroepsnaam van de pluimenhandelaar of pluimer. Vergelijk Pluim.

Lapman, Lappeman. Beroepsnaam. Synoniem met De Lapper.

Lapomme, Lepomme, Lapon: Reïnterpretatie van Frans Lapaume. Oudfrans paume: palm(tak), pelgrimstocht. Bijnaam voor een pelgrim. Vergelijk Palmen.

Laporta, Porta. Italiaanse familienaam, equivalent van Laporte.

Laport, Laporte: Frans Laporte, van Delaporte, Delporte. Plaatsnaam. Frans Porte ‘poort, deur’. Pendant van van der Poorten.

Lapostol, Lapostolle, Lapôtre, Lapotre, Lapot, Lapouter: Oudfrans Apostel.

Lapouille, Lapoulle, Fouille: Oudfrans poille, Waals pouye, Frans poule: kip. Bijnaam, beroepsnaam of huisnaam.

Lapouyade, Lapougeade, Lapuyade: Occidentaalse plaatsnaam: helling. Ook Poujade. Lapouyade (Gironde).

Lapper, de, de Lepper, de Leppere, Leppers: Beroepsnaam van de kleer-of schoenlapper, die kleren of schoenen oplapt, opknapt. Eventueel ketellapper.

Lapraille, Laprèle, Leprail: Plaatsnaam praille, prêle, van Latijn pratella: kleine weide.

Lapré, Lapre. Variant van Lapraye, plaatsnaam, weide.

Laprudence. Moedersnaam. Heiligennaam Prudentia?

Lapsin, Lapsins. Vadersnaam van Lampsin, Lamsin. Zie Lamsens.

Larbalette, Labalette: L'arbalète: de kruisboog. Beroepsnaam van de kruisboogschutter. Vergelijk Larbale(s)trier.

Larbanais, Larbanoix, Larbanois. Volksnaam Arbanoix, Frans Albanais; Albanees.

Larbouillat. Bijnaam. Luiks-Waals harbouya; treuzelaar.

Larbrisseau. Frans arbrisseau; boompje. Plaatsnaam.

Larbuisson. Plaatsnaam in Charneux, Limburg.

Larcher, Larché, Larcier, Larcy, Larsy, Archer, Archie: Franse beroepsnaam archer: boogschutter, of boogmaker.

Larchevêque. Bijnaam. Frans archevêque: aartsbisschop.

Larciel. Variant van Larsil?

Larcier. 1. Zie Larcher. 2. Plaatsnaam Larcier in Kasteelbrakel (Waals-Brabant).

Larcin, Larcint, Larsin: L'arsin. Oudfrans arsin: brandhoop kolen.

Lard. Frans lard: spek. Bijnaam voor een spekslager of speketer.

Larda, Lardat. Waals Lardard, afleiding van Lard.

Lardé, Lardet. 1. Oudfrans lardé: stuk vlees. Vergelijk Lard. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Alardet, afleiding van Alard. Vergelijk Lardin.

Lardel, Lardau, Lardaux, Larda, Lardat. 1. Oudfrans lardel: stuk spek, stuk vlees. Vergelijk Lard, Lardé. 2. Afleiding van de voornaam Alard.

Lardeur. Beroepsnaam van de lardeerder of spekslager.

Lardin, Lardon, Lardot, Lardo, Lardoz. 1. Afleiding van lard: spek, varkensvlees. Vergelijk Lard(é). Lardon. 2. Korte vorm van Alardin, Colardin, -on,-ot.

Laren, Laerens. Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Hilarius. Zo ook Laret?

Lareppe. Plaatsnaam in Ohey (Namen); rouchi reppe: kreupelhout.

Larger, Largher. Wellicht spelling voor Larget.

Largefeuille. Waarschijnlijk reïnterpretatie van L'Aigrefeuille, van Latijn acrifolium: hulst. Vergelijk Arfeuille en Larfouillut.

Largent. Frans argent; zilver, geld. Bijnaam voor de zilversmid.

Largepret. Plaatsnaam Large Pré: brede wei; vergelijk Breemeersch? Maar wellicht volksetymologisch voor Largepied: brede voet. Vergelijk Duits Breitfuss.

Larget, Largetaeu, Largeais. Afleiding van Large.

Largillier, Largilier, Largillière, Larzillière: 1.Beroepsnaam argilier: kleiwerker, lemer, leemwerker. 2. Plaatsnaam Argilière: kleiput, kleigroeve. L'Argillier (Puy-de-Dôme), L'Argillière (Oise), Arziilières (Marne).

Laridaen: familienaam Laridan, van Loridan, van Frans Lorédan, van Italiaans Loredano, Loretano ‘afkomstig van Loreto in Italië’.

Larisch. Vadersnaam Larsch. Duitse korte vorm van Laurentius.

Larmande. Moedersnaam. Vrouwelijk bij Remond, Germaanse voornaam Reimond.

Larminiaux, Larmignat, Lerminiaux, Lerminiau, Lerminieau, Lermineau, Lermigneau, Lermigneaux, Lerminiaux, Lerminaux, L'Herminiaux, L'Hermignaux, Lhermigneaux: L'Erminaus. Frans erminaus: tovenaar. Bijnaam.

Larminier, Lherminier, Lerminier, Larmonier, L'Herminez, Lherminez, Lerminez, L'hermenez. Naam uit het Franse hermine: hermelijn. Het Oudfranse herminet: hermelijnen mantel. Beroepsnaam van de bontwerker, de pelsenmaker.

Laarmoyer, Larmoyeux, Lermoyeux. Oudfrans armoier, armoieur; wapenmaker.

Larmuseau, Larmusia, Larmusiaux, Larmusieau, Larmusseau, Lermusiau, Lermusiaux, Lermusiau, Lermuseau, Darmusiau, Darmusieau: Afleiding van Frans larmuse: kleine grijze hagedis. Bijnaam voor een klein behendig mens.

Larnau, Larno, Lerno: Vadersnaam L'Arnaud, Germaanse voornaam Arnoud. Of variant van Lernould.

Laroc, Larock, Laroche, Larocque, zie Laroche. Delaroche, Delaroque, Delrock, Delroc, Delrocque, Delrocq, de Larroque, Larock, Laroc, Larocque, Larroque: Verspreide plaatsnaam La Roche: rots (onder meer Luxemburg). Roc, Roque is Picardisch, Laroque in Chercq (Henegouwen).

Larochaymond. Paatsnaam La Roche Aymond: rots genoemd naar Eimond of Heimo (vergelijk le Rocher Bayard in Dinant en de Vier Heemskinderen). Plaatsnaam in Mainsat (Limousin)?

Laroes, Laros, Laernoes, Laernaes: 1. Frans Larousse, bijnaam voor een roodharige vrouw, een rosse. 2. De familie Laros uit Delft en Noordwijk stamt van 1630 Pierre Petyt = Petit de la Roche, Breda. De naam is hier een aanpassing van Frans Laroche. Laernoes met n-invoeging.

Laroij, Larooij: 1.Variant van Lerooij, van Leroi ‘de koning’. Zie Leroy. 2.Verkort uit de la Roy, de la Ruye; Plaatsnaam Ruy(e)‘beek’.

Larmuseau, Larmulau, Larmulaux, Larmuleau, Larmusseau, Lermusieau, Lermusiau, Lermusieaux, Lemuseau, Darmusiea, Darmusiau. Naam uit het Franse larmuse: kleine grijze hagedis. Bijnaam voor een klein behendig mens.

Larondelle, La Rondelle: Oudfrans arondel, afleiding van Oudfrans aronde: zwaluw. Bijnaam.

Larose, la Rose, Larroze, Laroose, Larooze, Larosse: 1. Bijnaam naar de bloemnaam, de roos, vaak huisnaam. 2. Variant van Larousse, met name Larosse.

Larouillère. Waarschijnlijk spellingvariant van Laroyère; zie Delaroyère.

Laroumagne. Zuid-Franse plaatsnaam (la) Roumagne, van villa Remania. Roumagne (Tarn-et-Garonne), La Romagne (Ard., Maine-et-Loire). Ook familienaam Laroumanie, Laromanie.

Larousse, Larosse: Bijnaam voor een roodharige vrouw, een rosse.

Laroussel, Larouselle: Bijnaam: roodharige vrouw. Vergelijk Ro(u)ssel.

Laroussi, La Rôtie: Plaatsnaam La Roussie (Dordogne).

Larraigné, Larangé, Larrangé, Larrange, Larange: Spellingvariant van de Franse familienaam Laragne, Laraigne, variant van Ara(i)gne. Oudfrans ara(i)gne: spin. Bijnaam.

Larroumetz. Plaatsnaam Larroumet (Z.-W.-Frankrijk): braamstruik.

Larsson, Larson. 1. Zie Larson. 2. Variant van Larsen.

Larsen, Larssen. Vadersnaam. Scandinavische vorm voor voornaam Lars.

Larsimont. Lasimont, Larcimont: Plaatsnaam Arsimont (Namen).

Larson, Larcon, Larsson, Lerson, Larsonneur, Larsonnier: Oudfrans arçon: boogje. Beroepsnaam van de bogenmaker. Ook Larçonneur.

Larsy, Larcy. 1. Zie Larcher. 2. Plaatsnaam. Luiks-Waals arzi: kleiput.

Lartigue, Lartige, Larticle: Plaatsnaam Lartigue (Gironde). L'artigue: braakland; zie Artigues. Larticle is Waals hypercorrect.

Lartillier, Lartiller, Latelier, Lartelier: Beroepsnaam. Oudfrans artillier: maker van schiettuigen, van geschut, (ook) schutter. l'Artilleur (arbalétrier: kruisboogschutter).

Larzarin. Vadersnaam. Lazarin (met r-epenthesis), vleivorm van de voornaam Lazarus.

Lasance, Lassance, Lassence: Verspreide plaatsnaam in Luxemburg. Accense: gepacht of gegeven goed.

Lascar, Laskar. Variant van Frans Lachard. Afleiding van Oudfrans lasche: los, ongespannen, zacht, laf. Bijnaam.

Laschet, Laschette, Lachet, Lachette, Laeschet. Familienaam uit de plaatsnaam Laschet, dat is Latescheid: laathof, in Eupen en in Homburg (Luik).

Lascot. Anagram van Colas.

Lasker, Lask, Laski, Laska, Lasky (Poolse variant). Joodse naam uit de Poolse plaatsnaam Lask(o) (in Sieradz). Hij komt ondertussen in heel wat landen voor. Zie ook bij Lachard.

Lasne. Bijnaam. Oudfrans asne, Frans âne, van Latijn asinus: ezel. Vergelijk Lasnet.

Lasnet. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans asne; ezel.

Lassau, Lassaux, Lassaut, Lasseu, Lasseux, Lassauw, Lassouw: 1. Zie Delasaux. 2. Uit Lassel; zie Lasseel.

Lassche: Heel frequente Overijsselse familienaam met name in Enschede en Vollenhove. Bijnaam. Middelnederlands lasch ’slap, los, zwak’. Vergelijk Duits Lasch.

Lasseel, Lassau, Lassuax, Lassaut, Lasseau, Lasseaux, Lassay. Familienaam uit de plaatsnaam Assel (Hasselt) of Lassay in Luik. Vadersnaam Assel met lidwoord, L’Assel. Vergelijk Lasselin.

Lasselin. Vadersnaam. L'Asselin. Zie Asselin, Lasseel. Of van Lancelin.

Lassen, Lassens, Lahssen, Lahcene, Lahcen, Lhassen: Vadersnaam. Door assimilatie rs/ss van Lahrsen, Larssen.

Lasser, Laszer. Duitse beroepsnaam van de (ader) later.

Lasseret, Lasserez. Afleiding van Oudfrans laceur: maker van linten. Zie Lacheron.

Lasserre, Lasser, Lasseer: Plaatsnaam Lasserre (Ariège, Aude, Hte-Gar., Lot-et-Gar. Basses-Pyr., Ardèche, Aveyron).

Lasset, Lassez, Lassé, Lacet, Lacey, Lachet, Lazet: 1. Oudfrans lasset: ongelukkig. Bijnaam. 2. Middenfrans lacet: strik, strop, lus. Beroepsnaam.

Lassiaz. Naam uit Savooie. Plaatsnaam Siaz, van Latijn seca: bergkam.

L’Asiette. Reïnterpretatie van La(s)chette.

Lassine. Waarschijnlijk verkort van De la Sinne, als reïnterpretatie van Delsinne, de Lessines.

Lassmann, Lassman, Lassman. Vadersnaam. Duitse vleivorm van Slavische voornaam Ladislav.

Lassoudris, Lassoudry, Lasudry, Lassudry: Occidentaalse familienaam Lassudr(er)ie, afleiding van sudre, Occidentaals cas sujet van Frans sueur: schoenmaker.

Lassue, Lasué, Lassuyt, Lasuyt, Lassuyt: Het ligt bijna voor de hand om deze familienaam als variant te beschouwen van Lassus (zie Delassus). Maar de familienaam komt in de 18de eeuw in het Tieltse voor, duidelijk als variant van Laseur, via Picardisch Laseu. Mogelijk daarom dat Lassue en Las(s)uy(t) spellingen zijn voor Laseu. Het omgekeerde is niet uit te sluiten: 18de eeuws Laseur in Ruiselede kan een reïnterpretatie zijn van Las(e)u.

Last: Beroepsbijnaam van de lastdrager of bijnaam voor een lastig mens.

Lastdrager. Beroepsnaam van de lastdrager.

Lasters. Vervorming van Lasschaerts, afleiding van Middenenderlands lasch: slap, zwak. Vergelijk Lascar.

Lat, de. Beroepsnaam van de lathouwer.

Latache, Lataque, Lattaque, Latak: Oudfrans tache, Picardisch taque: vlek. Bijnaam voor iemand met een vlek.

Latair, Lateir, Laterre: Waalse uitspraak van Later.

Latapie. Z.-W.-Franse plaatsnaam Latapie: lemen muur.

Lataster: Latastère, Plaatsnaam in Tilh (Landes)? Of wellicht veeleer plaatsnaam Lutaster in Thimister (Provincie Luik). Ster ‘rode, gerooid land’.

Latair, Lataire, Lateir, Laterre. Waalse variant van Later De.

Latdorp: Plaatsnaam Lattrop in Denekamp, Overijssel of Latrop (Noordrijn-Westfalen), met matathesis.

Latem, van, van Lathem, van Laeten, van Laten, van Laethem, van Laetem, Laethem, van Latum, van Laethum, van Laethen, (van) Lautem, (van) Lauten, Laton, van, Latton, van Laton, Verlathem, Verlaten, Verlaten. Familienaam uit de plaatsnaam Latem (Bierbeek -Vlaams-Brabant), St.-Maria-Latem en St.-Martens-Latem (Oost-Vlaanderen) of uit Lathum (Gelderland).

Later, de; de Laater, de Laeter, de Laetere, de Latere: 1. Beroepsnaam van de bloed-of aderlater, chirurgijn. Zie ook Delattre. 2. Soms ook Frans de l’Atre ‘van den Kerkhove’.

Lateste. Bijnaam. Oudfrans teste, Frans tête: hoofd. Vergelijk Hooft.

Latet. Van Oudfrans lat(e), van Nederlands lat. Beroepsnaam. Vergelijk Lateur.

Lathouwer, de, de Latthauwer, (de) Lathauwer, Lathouwers, de Laethauwer, Lathouders: Beroepsnaam van de lathouwer, lattenklover, Uttenklover. Zie ook Delattre.

Lathrop. Plaatsnaam Latrop (Noordrijn-Westfalen), Lattrop (Overijssel).

Latignies, Latigny, Lattignies, Latinies, Latinie, Latinis, Latini, Lateny: Er is een plaatsnaam Latigny in Saint-Père (Nièvre): Maar aangezien deze familienaam hetzelfde spreidingsgebied heeft als Lattinne, is het er waarschijnlijk een regressievorm van; zie Delatinne.

Latombe, Latomme, Deletombe, Deltombe, Deltomme, Letombe: Plaatsnaam Tombe: tumulus, (graf )heuvel.

Latomme: Door assimilatie mb/mm van Latombe. Plaatsnaam Tombe ‘tumulus, (graf)heuvel’.

Latouche, Letouche, des Touches, Destouches. Familienaam afgeleid van de Oudfranse 'tosche/tousche': bosje. Zo is er onder andere de plaats Estouches in het gebied Seine-Oise.

Latré, Latre, Latrez, Latrée, Lattré, Lattre, Lattrez. Naam uit Letteret, uit het Franse latte: lat. Uit het Luiker Waalse lat(e)rê: plafondlatje. Beroepsbijnaam van de lathouwer of bijnaam voor een lang, mager persoon.

Latrèche, Latrech, Latreche, Latrach: Plaatsnaam La Trace (Seine-et-Marne, Saône-et-Loire), van Latijn trichia: gevlochten haag.

Latruwe. Vervlaamsing van de Franse naam La Truie. Kijk bij Letroye.

Latte (de), Latten. 1. Naam uit het Middelnederlandse latte: lat, daklat, panlat. Beroepsbijnaam van de lathouwer of bijnaam voor een lang, mager persoon. 2. Delatte kan een Waalse variant zijn van Delattre of De Later (zie Later).

Latter, de. 1. Afleiding van Middenenderlands latten: (een dak) van latten voorzien. Vergelijk Latteur. 2. Vernederlandste spelling voor Delattre.

Latteur, Latteux, Lateur,Lelatteur, Lelateur, Delatteur, Delateur. Beroepsnaam uit het Oudfranse latter: met latten beslaan, latten klieven. Waalse variant van (de) Lathouwer.

Latz. Duits Latz; klep (van broek) gulp. Bijnaam.

Lau, la, de, Laue, Lauer. Bij de al langer in Nederland aanwezige familienaam Lau, die mogelijk van Duitse oorsprong is, heeft zich de Chinese naam Lau gevoegd. 1. Zie De Lauw(e). 2. Middennoordduits louwe, lowe, Duits Lôwe: leeuw. Bijnaam. 3. Vadersnaam van de voornaam Laurentius.

Laub. Verspreide Duitse plaatsnaam; loofwoud.

Laubain, Laubin. Oudfrans albain, Middenfrans aubain, van Germaans ali-ban: tot een andere stam behorend, vreemdeling.

Laubach, Laubacher. Verspreide Duitse plaatsnaam Laubach. Lau-bach: lobeek, bosbeek.

Laubenthal, Lobental. Plaatsnaam Laubenthal, Beieren.

Laublin. Zuidduitse familienaam, sinds de 16de eeuw in Zwitserland. De gezusters Loveling zijn trouwens van Zwitserse afkomst. Afleiding van Duits Laube: luifel, uitbouw (Middenenderlands love).

Laubner, Laubener, afleiding van Duitse plaatsnaam Lauben.

Laude. Naam uit de Germaanse voornaam Ludo, Lode (naam uit het Germaanse Liud).

Laudens, Laudes, Laudus. Schrijfvariant van Lodens. Zie bij Lodens. Of uit de voornaam Lode.

Laudert. Plaatsnaam Luderode in de Hunsruck (Duitsland).

Laudet, Laudin, Ladin, Lodez. Vadersnaam. Afleiding van Laude.

Laudisoit, Lodigeois: Audigeois, wellicht vleivorm van Germaanse voornaam Audigier, Aldger.

Laudus, Laudy, Laudij. 1. Latinisering van Laude. Zie daar. 2. Verschrijving van Laude(n)s. Zie daar.

Lauenstein. Plaatsnaam (Beieren, Saksen, Nedersaksen), van Löwenstein.

Lauer. Duitse bijnaam. Middenhoogduits lûre: sluw, listig mens.

Lauff, Lauf, Laufer, Lauffer, Laeufer, Laeuffer, Laoufer, Laufert, Lauffs, Laufs: Bijnaam, beroepsnaam van de loper, bode.

Laufenberg. Duitse plaatsnaam.

Laukens, Laukes, Lauwkens: vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Laurentius.

Lauks, Laugs, Laux: Vadersnaam. Duitse gediftongeerde vorm van de voornaam Lukas. Ook Lau(c)ke(s), Lauxmann.

Lauman, Laumans, Laumen. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Laumont, Laumond. Plaatsnaam in Eben-Emael (Luik) en Wavreille (Namen).

Launer. Duitse familienaam Lohner; dagloner.

Lauptman. Waalse verhaspeling van Laubmann.

Laure. 1. Moedersnaam van Laura, vooral populair geworden door Petrarca 's sonnetten voor Laura. 2. Spelling van Lauré; zie Laurel.

Laurence, Laurensse, Delorance, Deleurence: Moedersnaam Laurentia.

Laurenceau, Laurencin. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Laurens.

Laurentius, Laurens, Laurense, Laurensse, Laurents, Laurensis, Laurencis, Lourens, Lourense, Lourus, Lawcence, Laurent, Laurand, Laurent, Laurend, Leaurent, Laurenti, Laurenttii, Laurenty, Laurensy, Laureins, Laureyn, Laureyns, Laureijn, Laureijns, Laureeys, Laurenynssen, Laurenssens, Laureyssen, Laureyssens, Laureysen, Laureysens, Laureijssen, Laureijsen, Laureijssen Laureijssens, Laurijsen, Laurijsens, Lavrijssen, Lauryssen, Vrijsen, Laurijssen, Laurijssens, Lauryssen, Lauryssens, Laurysen, Lauryssens, Laurys, Laurysse, Lauwrijs, Lauwrys, Lauwreys, Lauwreyssen, Lauwreyssens, Louwerens, Lauwereins, Louwereyns, Louwereijns, Louwerens, Louwerijns, Louweryns, Louweres, Louwe, Lauwerensens, Lauwerenssens, Lauwerensen, Lauwereys, Lauwereyssen, Lauwereijs, Lauwerijs, Lauwerijsen, Lauwerijssen, Lauwerijssens, Lauwerys, Lauweryst, Lauwerysen, Lauweryssen, Lauweryssens, Lauvrys, Lauvrijs, Lavreys, Lavreysen, Lavreeijsen, Lavrys, Lavrysen, Lavrijs, Lavrijs, Lavrijssen, Lorent, Loran(, Lorand, Lorreng, Lorang, Lorent, Lorend, Lorens, Lorentsen, Lorentz, Lorentzen, Lorentzzen, Lorenzon, Lorenzo, Lorenzi, Lorensi, Lorinz, Lorinc, Lorincz, Lorenc, Lörincz, Loreis, Leurent, Leurant, Leuris: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Laurentius; ‘uit Laurentum, stad in Latië’. De vorm Lauwerijns kan worden verklaard uit de vleivorm Lauwerin, maar kan ook een Brabantse spelling zijn voor Lauwereins, Laurens.

Lauret, Louret, Louweret, Lauré, Loret, Loré, Lorré, Lorrez, Lorez, Lores, Laures, Laurez, de Lauré: Vadersnaam. Franse verkleinvorm op –et van de voornaam Laurent, Laurentius.

Laurette, Lorette, Lourette: Moedersnaam. Vrouwelijke afleiding van de voornaam Lauren.

Laurier, Lauriers, Laurie, Lauwerie, Lauwerier, Lauwerière, Lauwarier, Lauwrier, Loriers, Lorie, Lorié, Lori, Lori, Leurier. Uit het Franse laurier: laurier. Vergelijk Duits Lorbeer. Beroepsbijnaam voor de kruidenhandelaar of bijnaam naar de huisnaam.

Lauriks, Lauweriks, Lauwerikx, Lawriks: Vadersnaaam. Waarschijnlijk van de voornaam Laurentius, Vergelijk Oost-Duits-Silezisch Lauri(s)ch, Duits Lar(i)sch.

Laurin, Laurinc, Leurin, Lurinckx, Lurinx, Lorin, Loryn, Lorein, Loreing, Loreyn, Laeveren. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Laurentius.

Laurin, Laurinc, Leurin, Lurincx, Lurinx, Lorin, Lorrijn, Lorryn, Lorein, Loreing, Loreyn, Laeveren: Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Laurentius.

Lauritzen, Loorits: Deens-Sleeswijks vadersnaam. Zoon van Laurentius.

Laus, Lause, Lauws, Slaus. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de voornaam Nicolaus. 2. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Laurentius. Zie Lauwer.

Lausberg. Plaatsnaam Lausberg (Duitsland). Of variant van Lousberg.

Lausch, Lauscher. Duitse bijnaam voor een luisteraar, spion. lausers: Duitse fmailienaam Laus(s)er: wildstroper.

Lausee: Spelling van de Franse familienaam Lauzet. Plaatsnaam (Alpes-de-Hte-Provence) ?

Laut, Laute, Lauthe, Lauth. Duitse bijnaam voor de luitspeler.

Lautenbach, Loutenbach: Verspreide Duitse plaatsnaam Lautenbach.

Lauter, Lauters, Lauterman, Lautermann, Lautermans, Louterman, Luttermann, Lotterman, Loterman: Lauter/Lutter: verspreide Duitse waternaam.

Lauterbach. Erg verspreide plaatsnaam; heldere beek.

Laterboren. Plaatsnaam Lauterborn; zuivere, heldere bron.

Lauvau, Lauvaux, Lauveaux, Delauvaux: 1. Centraal Waals lauvau: daar beneden. 2. Zie Laval.

Lauvergnat, Lauverjat: Plaatsnaam Lavergnat, afeleiding van de boomnaam verne: els. Lavernat (Sarthe).

Lauwe, de, (de) Louw, de Lou ,Lauw, Lau, Laue, Lau: Bijnaam naar het lauwe, onverschillige karakter.

Lauw, van, Lauwe, van, van Louwe. Plaatsnaam Lauwe, West-Vlaanderen.

Lauwers, Louwers, Louwerse, Louwers, Louwes, Louws, Louwe, Louwé, Lowes, Lauer: 1. Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Laurentius. 2. Beroepsnaam de Lauwer ‘leerlooier’. 3. Beroepsnaam van de advocaat ‘causidicus’. Vergelijk Engels lawyer.

Lauwaert, Lauwaerts, Lauwaers, Lauwaet, Louward, Louwaert, Louwart, Loward, Lowart, Lowaertz, Lorwartz, Louard, Louart, Louat, Luwaert, Lovaert, Lavaert, Lavaerts, Laevaerts. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse laeu: lauw, vadsig, onverschillig, lui. Ook Luiks-Waals loyâ: lui. 2. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Lauwen, Lauwens, Laeven, Laevens, Laven, Lavens, Lauvens, Louwinck, Louwink, Lovink. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Lauwer, Lauwers, Lauersen, Laursen, Louwers, Louwerse, Lauer, Lauers, Laevers, Lavers, Laus, Leuwer, Leuwers, Leurs, Leus. 1. Vadersnaam: verkorte vorm van Laurentius. 2. Zie ook (de) Lauwer.

Lauwer, de, de Laever. 1. Beroepsnaam van de leerbereider, de looier. Middelnederlands: lauwer. 2. Zie ook Lauwers.

Lauwick, Lauwyck, Lauwijck, Lauwych, Louwyck, Lowyck, Lowijck, Lawik. 1. Zie Lodewick(x). 2. Familienaam uit de plaatsnaam Lawik/Lowik. Lawik in Woumen (West-Vlaanderen) en Lowik in Markelo (Overijssel).

Lave, Lavens, Laevens. Vleivorm van een Germaanse voornaam, zoals Lavoldus.

Laviënne, de: Variant van de familienaam Delavenne, Deliveine. 1. De l’avoine, van plaatsnaam Oudfrans aveine, avesne, avenne, van Latijnse avena ‘haver, haverveld’. Het kan ook een beroepsnaam zijn van een haverkoopman. 2. Avenne(s), Avesne(s) is een frequente veldnaam in Noord-Frankrijk. Romaans avesna ‘weiland’, vergelijk Oudengels Æfesn.

Lava, Leva. 1. Variant van Laga. 1632 Charles Laga (Heule) is de vader van Petronella Laga, maar de volgende kinderen heten Lava en Leva. (Zie Laga). 2. Zie Laval.

Lavache, Livache: Bijnaam. Frans vache: koe.

Lavachery, Vacherie, Fâcherie, Vacquerie: Plaatsnaam Vacherie: koestal. Lavacherie (Luxemburg), Vacquerie (Pas-de-Calais).

Laval, Lawal, Lavalle, Vale, Lava, Lavaud, Lavau, Lavaut, Lavea, Laveaux, Laviaux, Lavaux, Lavay, Delaval, Delavalle, Delava, Delavaud, Delavault, Lelavaux, Lelavau, Lalavaud, Lelavault, Lavalette. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Laval, Lavau(x): lager, stroomafwaarts gelegen plaats. Zie Val, Leveau.

Lavancé, Lavanché, Lavancier, Lavancy, Lavency: Plaatsnaam Lavancy in Montriond (Hte-Savoie), Lavancher in Chamonix.

Lavand’homme, Lavendhom, Lavendhomme, Lavend’homme, Lavend'home, Lavendomme: Hoofdzakelijk Henegouwse familienaam. Waarschijnlijk aanpassing met lidwoord van familienaam Van Domme.

Lavandier, Lavandy, Lavendy, Lavender: Beoepsnaam. Oudfrans lavandier, Middenendelrands lavendier: (was)bleker, wasser.

Laven, Lavens, Laevens, Laeven, Lauvens, Lauven, Leavens. 1. Knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lavoldus (uit de oude Germaanse mannennaam Laaf, Lave + old. Vergelijk Waals-Vlaams Lavekensakker 2. Zie Lauwen(s).

Laventure, Laventurier, Lavanturier: Bijnaam vooreen aventurier, rondtrekkend koopman, reiziger, trekker. Vergelijk Aventure.

Laverdisse. Misschien d'Averdisse met substitutie van d'door /'. Plaatsnaam Averdisse (Namen).

Laveren. Vadersnaam. Brabantse vorm voor Lauwerin, vleivorm van Laurentius. Vergelijk Lavers.

Laverge, Le Verge, Laverze, Leverze. Plaatsnaam of huisnaam uit het Franse verge: roede (oude landmaat). Of beroepsnaam van de landmeter.

Laversin, Laverseyn. Plaatsnaam Laversine(s) (Aisne, Oise). Plaatsnaam Laversenne: landmaat, stuk land.

Lavet, Laveyt. Vadersnaam? Afleiding van een Germaanse voornaam? Vergelijk Laven.

Laviane, Lavainne. Plaatsnaam La Viane in Ronquières (Henegouwen).

Lavieillle, Lavielle. 1. Bijnaam. Variant of vrouwelijke vorm van Le Vie(i)l: de oude. 2. Bijnaam voor de vedelaar. Vergelijk De Vedelaere. Oidfrans viele: vedel.

Laville. 1. Korte vorm van Delaville; zie Delville. 2. Varian van Lavie(i)lle.

Laviolette, Laviollette. Frans violette: vaak naam van soldaat of knecht, ook uithangbord.

Lavin: Ook Lavain, van Levain. Bijnaam. Oudfrans vain ‘zwak, uitgeput, leeg’.

Lavis, Lavisse. Plaatsnaam. Waals lavi: bevloeid, geïrrigeerd terrein.

Lavit. Plaatsnaam, van Latijn vitis: wijngaard (Tarn-et-Garonne).

Lavocat. Beroepsnaam L'avocat: advocaat.

Lavoine, Lavaine, Laveine, Laveyne, Lavenne, Lavennes, Lavennen. 1. Frans avoine, Oudfrans aveine; haver. Beroepnaam van de haverteler of –kooopman. 2. Plaatsnaam, zie Delaynne.

Lavoir, (van, de) de Lavoir: Plaatsnaam Lavoir (Provincie Luik). Of (le) Lavoir ‘wasplaats’ in Zutkerque (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen), Verlaine (Provincie Luik), Floreffe.

Lavoisier, Lavogez: Dialect variant (en hypercorrecte g-spelling) van l'avaissier: notenboom.

Lavooij: Spelling van Lavoye, van Levoye, van Del(e)voy(e) ‘van de Wege’. Frans voie, van Latijnse via ‘weg’.

Lavoine, Lavaine, Laveine, Laveyne, Lavenne, Lavennes, Lavennen. 1. Naam uit het Franse avoine (: haver) voor de teler of de koopman. 2. Mogelijk uit de plaatsnaam Delevenne.

Lavolé, Lavollle, Lavolllée: Frans avolé: verwaande, vreemdeling.

Lavril, Lavrit, Lavry, Lavery: L'avril. Familienaam naar de naam van de maand april. Zie April.

Lavrillé, Lavrille. Variant van Lavril, met secundair accent.

Law, Laws. Plaatsnaam. Oudengels hlaw; heuvel.

Lawarée, Lawarrée, Lawaree, Lawarie, Lawalrée, Lawalrree, Lawairée, Lavarée, Lavarie: Bijnaam. Waals èwaré: verbaasd, verstomd.

Lay, Lays, Laijs, Laijs: Korte vorm van Nikolaais, Nicolaas. VgL Laes.

Laycock. Plaatsnaam Laycock, Yorkshire.

Layton. Plaatsnaam Layton (Lancastershire, Yorkshire), Leyton (Essex).

Lazonder: Plaatsnaam Lasonder bij Enschede, Overijssel.

Lazaron, Lazaroms, Lazeroms. Vadersnaam. Oudfrans lazaron; melaats.

Lazeu. De vorm Lazeu ontstond uit de Spaanse familienaam (de) Lazon.

Lebacq, Lebacqz, Le Bacq, Leback, Lebac. 1. Verfranste vorm van De Baek(e). Zie bij Baek(e). 2. Of verfransing van De Back. Zie Bak. 3. Of Waalse verschrijving van De Backer. Zie bij Backer(e) (de).

Leander: Vadersnaam. Griekse voornaam Leander.

Leautaud: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam leud-wald ‘lieden-heerser’: Leutaldus, Leotaldus.

Le Boulch. Bretonse familienaam Le Boulc'h, Le Boulh. Bretons boulc'h: gewond, met hazenlip.

Le Bussy. Luiks-Waals voor Le Boucher of Le Bûcher: slager, beul of houthakker.

Le Calvé, Le Calvez: 1. Zie Calvet. 2. Bretons Calvez: timmerman.

Le Castrée. Van Middelnederlands quaet streke. Bijnaam voor een kwade strijker, een koren- of lakenmeter die bij het strijken fraude pleegt. Wellicht bijnaam voor iemand die een vervalste kan of maat gebruikt. Castricque kan eventueel hierop teruggaan.

Le Chatelier. Plaatsnaam Le Châtelier (nder meer Marne).

Le Clair, Leclair, Leclaire, Leclairq, Leclère, Leclerre, Lecler, Lecleire, Lecleir, Lecleer: 1. Frans bijvoegijk naamwoord clair: helder. Vergelijk De Cleer. 2. Zie Leclère.

Le Clech, Leclecq: Bretonse familienaam Le Clec'h, Le Clech. Beroepsnaam van de klokkenluider.

Lebbe: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse voornaam Liebrecht ofLieboud.

Le Clément. Vadersnaam Clément met lidwoord.

Le Corre. Variant van Lecoeur?

Le Cos. Bretons Cozh; oud.

Le Docte, Ledocte, Ledocq, Ledoc, Ledock, Ledoque, Ledacte, Ledac: Franse bijnaam docte: geleerd.

Le Du. 1. Zie Leducq. 2. Bretons Du: zwart.

Le Gain. 1. Zie Lechien. 2. Ook Bretonse familienaam Le Cain: mooi, moedig.

Le Gal, Le Gall. Bretonse familienaam Gall: vreemdeling, Fransman.

Le Goff, Legoff: Bretonse beroepsnaam Goff: smid.

Le Grode. Waalse aanpassing van De Grote.

Le Guen. Bretonse familienaam Gwenn: blan