Verklaring van achternamen L

L.

Laager-Scherer. Dubbele Duitse familienaam uit: Laager/Lager: uit de plaatsnaam lage(r) (lager gelegen of gewoon "plaats") en Scherer: beroepsnaam van de baardscheerder, lakenscheerder, droogscheerder…..

Laagland: Plaatsnaam in Idaarderadeel (Friesland) en Doniawerstal (Friesland).

Laak, van (de(r), van Laecke, van Laeke, van Laecken, van Laeken, van Lake, van Laken, van der Laaken, van Laerken, van Larken, Lake, van de Laeken, Verlaecke, Verlaeken, Verlaeken, Verlaek, Verlaak, Verlaeck, Verlaeckt, Verlack, Verlackt, Verlaet, Verlat, Lakeman, Lakemans, Laekemans, Laekemans, Laackmann, Laeckmann, Lackman, Lackmann, Lacman, Lacqueman, Lacquemans, Lacquemanne, Lacquemant, Lacquement

Familienaam uit de plaatsnaam Lake/Laeck: Plaatsnaam ten/ter Lake ‘poel, plas, waterloop in moerassig terrein’. Laak (Drenthe, Gelderland Nederlands-Limburg, Overijssel), in Ruinen (Drenthe), Den Haag (Zuid-Holland), enz., ter Lake in Dinslaken (Noordrijn-Westfalen), in Assebroek, Knesselare, Prémesques (Nord), Quelmes (Pas-de-Calais).

Laan, (van der, vander), Terlaan, van (der) Laenen, Verlaan, Verlanen, van Lanen: Plaatsnaam Laan ‘laan, weg met bomen, akkerweg’. De Laan in Limmen (Noord-Holland), Pijnakker (Zuid-Holland), Ter Laan (Groningen), De Laan (Noord-Brabant).

Laar, van (de); van Laare, van (de) Laer, (van) Laere, van Lare, van de Lair, von der Lahr, van Lafejre, van Laere, van Lare, Laarman, Laarmans, Laarmann, Laermans, Laremans, Laeremans, Laeremens, Laermemans, Leerman, Leirman, Verlare: Verspreide plaatsnaam Laar ‘open plek in een bos, bosweide, bosachtig moerassig terrein’. Plaatsnaam Laar (Gelderland Noord-Brabant, Nederlands-Limburg, Overijssel, Utrecht, Vlaams-Brabant).

Laarhoven, van, van Laerhoven: Plaatsnaam Laerhoef (laar-hove) in Hoogstraten (Provincie Antwerpen).

Laarhuis: Plaatsnaam in Woolde (Hengelo, Overijssel) 1538-1563 Herman Laerhuis, Delden-Deventer (hij bezit het Laarhuis in Woolde).

Laarman, Laarmans, Laarmann, Laermans, Laremans, Laeremans, -mens, Laermemans, Leerman, Leirman: Afleiding van van (de) Laar.

Laarschot, van de, van de Laerschot: Plaatsnaam in Liempde (Noord-Brabant).

Laat, de; de Laet: Middelnederlands laet ‘laat, horige, vrijgelaten eigenhorige’.

Laat, van der, van (der) Laet. Plaatsnaam De Laat in Geel, Antwerpen, en Zoniënbos (Vlaams-Brabant) Waarschijnlijk van Van der Laakt.

Labalue, Laballue, Leballue, Lebalue, Lebalus: Bijnaam. Luiks-Waals Abalow’e kever.

Laban, Labanc: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Laban.

Labarbe. Bijnaam voor een gebaard man.

Labarque. Oudfrans, Frans barque: boot(je). Beroepsnaam voor een zeevaarder of visser? Maar misschien variant van de familienaam Labarge, Bargue: hooimijt.

Labarerrie, Labarrère: Plaatsnaam Barrière: slagboom. Vergelijk Delabarre.

Labarthe, La Barthe, zie Labat, Labath. Labasse: Plaatsnaam. Waals basse: kleine poel, plas.

Labath, Labate, L’Abbate, Labarthe, La Barthet: L’Abat(e), Zuid-Franse vorm voor l’Abbé. Zie l’Abée.

Labay, Labaye, Labaij, Labaeye, Labaie, Delabaye, Delabaije, de Labais, Delabbé, Delabbe, de Labeij, de Labey, Labeye, Labey, Labée: L'abbaye: naar de woonplaats in of bij een abdij.

Labbé, L'Abbé, Labbe, Labé, Labee, L'Abee, Labedz, Labed, Labeye, Labey, Abé: Oudfrans abbé: abt. Vergelijk Dabt.

Labbeke: Als beke-naam Labeke gereinterpreteerde Franse naam Lebecq, Lebèque. Bijnaam. Frans bec ‘bek’.

Labeeuw: Vlaamse aanpassing van Picardisch Labiau, van Frans Labeau, Lebeau. Bijnaam. Frans beau ‘mooi’.

Labehaut. Plaatsnaam in Ghoy, Henegouwen.

Labenne. Frans benne; rieten mand. Beroepsnaam.

Labens, Laebens, Labijn, Labyn, Labeen, Lebyn: Vadersnaam. Vleivorm van de Bijbelse naam Laban; vergelijk 1655 sente Labekens boom, Tielt.

Labe, Labesse, Laibaisses: Frans Labbesse, abes(se), Labaisse ‘abdis’.

Labeur: Frans labeur ‘werk, landbouwarbeid’. Beroepsbijnaam.

Labhaie, Labhaye, Laphaye: Plaatsnaam, 1350 Labehaie in Xhendremael (Luik).

Labout, Labots: 1. Uit Lapout, het zinwoord laphout‘ die hout lapt, met hout werkt’. 2. Vadersnaam. Met voortonig versterkte klinker uit Germaanse voornaam Lieboud.

Labi, Labie, Laby, Labye, Labby, Labbie, Delabie, Delaby, Delabye, Delabij, Delabby. Familienaam uit het Oudfranse abie/abeie: abdij. Naar woon- of werkplaats.

Labiche, Labis, Labisse, Labiese, Labies, Labieze, Lebiest: Frans biche: hinde. Bijnaam naar de zachtheid.

Labil, Labille. Oudfrans bille: boomstronk. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. Vergelijk Strobbe, Stubbe.

Labiouse. Plaatsnaam La Biousse in La Versanne (Loire).

Labit, Labitte, Labyt, Labyte, Labijt: Oudfrans bite: grof gekanthouwde steen. Beroepsnaam van de steenhouwer.

Labiwez, Labiwoit, Labyois, Laboit, Labioit, Labioi, Labiois, Labio, Labiod, Labilloy: Plaatsnaam Labywé in Baulers (Waals-Brabant). De vormen op -oi zijn Waalse hypercorrecties.

Lablanche, Lablans: Bijnaam. Vrouwelijke vorm van Leblanc: de Witte.

Labonne. 1. Vrouwelijke vorm van Lebon. 2. Waalse variant van Laborne.

Labonté, Labonte. Variant van Bonté met volksetymologisch lidwoord.

Laborge. Variant van Labarge (zie Labarque)? Of Labourse?

Laborie, Labourie, Laboury, Labory, Laboyrie, Lambori, Lambory, Lambry: 1. Variant van Labo(u)rier, synoniem met Laboureur. 2. Franse plaatsnaam Borie: landhuis, boerderij.

Laborne, Labonne: Plaatsnaam La Borne in Thuin (Henegouwen) en Nijvel (Waals-Brabant): grenspaal.

Laboucher, Labouchere, Labouchère, Labuchere, Labucher, Labuchère, Labusière: Plaatsnaam La Bouchère (Nord, Orne) en in Chimay (Henegouwen) of Labuissière (Henegouwen) van buxarias: plaats waar buksboom groeit, Buxus. Vergelijk familienaam Labusquière, Bussière.

Laboue, Laboux. Plaatsnaam Boue; moeras, slijk.

Laboul, Laboulle, Leboulle: Bijnaam Boule: bol, naar de rondheid, of voor een speler. Vergelijk Bolle.

Labour, Labours. 1. Oudfrans labor, Frans labeur: arbeid, labeur, landbouw. Bijnaam van een arbeider of landbouwer. 2. Labours kan een spelling zijn voor Labourse.

Labourdette. Plaatsnaam. Afleiding van Oudfrans borde: landhuis. Vergelijk Delaborde.

Labouret, Labouré, Laboureix: Afleiding van Oudfrans labor: arbeid, labeur, landbouw. Bijnaam van een landbouwer.

Laboureur, Lelaboureur: Beroepsnaam van een werkman, meestal een landbouwer.

Labourse. Beroepsnaam van de beurzenmaker.

Labrie: Samengetrokken uit Laborie, Labourie, van Labourier ‘landbouwer’.

Labout. Beroepsnaam van timmerman. Zinwoord laphout 'die hout lapt, met hout werkt'.

Labrique. Plaatsnaam La Brique in Vloesberg (Henegouwen) en Sorée (Namen).

Labrouck, Labro dit Labrouck, Labrot, Labreau: Plaatsnaam Labroek in Ninove (Oost-Vlaanderen), Labrouck in Foret (Luik). Brô is Waalse variant van broûk, broek: moeras.

Labrousse, Labroche, Labrouche, Labrosse, Labroue, De Labrouhe: Plaatsnaam Bro(u)sse: struikgewas.

La Broyé, Labroy: Plaatsnaam Labroye (Pas-de-Calais), Labroie in Rozenaken (Henegouwen) van arboreta: boomgaard.

Labruijère, Labrujère: Franse plaatsnaam Bruyère ‘heide’. Pendant van van der Heide, waarvan de naam soms als vertaling voorkomt.

Labry, Labrie, Labrie, La Brijn, Labree, de Brie, Labrijn. Naam uit Saône-et-Loire en Lotharingen. Naam uit de plaatsnaam l'abri: beschermde plaats. Of uit la brie: moerassig gebied of heuvel (afhankelijk van de Franse regio). Vele varianten in Nederland. Misschien soms vadersnaam uit de Latijnse naam Laberius.

Labrijn: Uit Labrin, samengetrokken uit Frans Labourin ‘landbouwer’? Of uit Lebrin, Picardisch uitspraak van Frans Lebrun ‘de Bruin?’ Volgens Meertens zou Labrijn van de Normandische eilanden afkomstig zijn en oorspronkelijk Le Brit ‘de Breton’ geheten hebben.

Labuche. 1. Frans bûche: houtblok. Beroepsnaam van de houthakker, Frans bûcheron. 2. Plaatsnaam La Bûche in Harchies (Henegouwen). 3. Variant van Labouche (vergelijk Labouchere=Labuchere).

Labus. 1. Door assimilatie van laetbus: laatbus, bus gebruikt bij het aderlaten. Beroepsnaam van de aderlater, arts. 2. Aanpassing van Labuche.

Labijt: Frans Labi(te). Oudfrans bite ‘grof gekanthouwde steen’. Beroepsbijnaam van de steenhouwer.

Lacaf, Lacaff, Lakaff: Waarschijnlijk variant van Lacave (met verscherping v/fj.

Laçage, Lacafejyse, Lacaeijse, Lacaes, Lacaze: Plaatsnaam La Cage in Neufvilles (Henegouwen): holte, diepte. De Vlaamse aanpassing met -aai-klank is te verklaren uit Picardisch caige.

Lacaille, Lecail, Lecaille, Lakaille. Bijnaam uit het Franse caille: kwartel. Bijnaam naar een bepaald ? gedrag.

Lacanne. Oudfrans cane: kan, kruik, vochtmaat. Beroepsnaam. Vergelijk (de)Kan.

Lacant, Lacante: Waalse vorm voor Picardisch Lecantre. Beroepsnaam van de cantor, zanger, voorzanger in de kerk.

Lachaert. Familienaam afgeleid uit het werkwoord lachen. Bijnaam voor een lacher, een vriendelijk iemand.

Lacart, Lackar, Lacquart, Lacqua: Afleiding van Van de Laak, van den Lake.

Lacassaigne, Lacassagne, Laccasaigne: Zuidfrans cassaigne, Frans cassagne, Romaans cassanea: plaats waar eiken groeien. Laçasse: 1. Plaatsnaam Zuidwest-Frans casse: eik. 2. Oudfrans casse: kookpan. Beroepsnaam.

Lacaze. 1. Variant van Laçage. 2. Plaatsnaam Lacaze (Lot, Tarn).

Lach. Vadersnaam. Tsjechische vleivorm van Slavisch Ladislav.

Lachaert. Afleiding van werkwoord lachen. Bijnaam voor een lacher.

Lachaise, Lachaize. Plaatsnaam Lachaise (onder meer Charente).

Lachard, Lascar, Laskar, Lasker (deze laatste hoort misschien niet in het rijtje) naam uit het Oudfranse lasche: los, ontspannen, zacht, maar laf. Bijnaam. Zie ook bij Lasker.

Lachaud, Lachaux: Verschrijvingen voor plaatsnaam La Chau(d), Chaux in Massif Central en Z.-W.-Frankrijk. Calm, chaume: stro, riet. Waarschijnlijk ook een plaatsnaam in Luik.

Lachenal, Lassinal: Frans chenal: irrigatiekanaal.

Lâcher, Lacher. Bijnaam voor iemand die graag en veel lacht.

Lacheron, Lacharon, Lacharron, Lasseront, Lasseron: Oudfrans laceron: veter, snoer, strik, strop, lus, band, lint. Beroepsnaam.

Lachman, Lachmann. 1. Bijnaam voor een lacher? 2. De Duitse familienaam van Middenhoogduits lâche: grensteken, grenspaal. Of van Middenhoogduits lâche: plas, poel en dus Hoogduitse pendant van Nederduits Laackmann; zie Lakeman(s).

Lachner. Duitse afleiding van de plaatsnaam Lachen, onder andere in Beieren.

Lachterman. Variant van Lachman? Of van Middelnederlands lachter: schande, krenking, smaad. Bijnaam voor de lachteraer: kwaadspreker.

Lackner, Lakner, Duitse afleiding van plaatsnaam Lacken (Beieren). Of Waalse uitspraak van Lachner.

Lacomble, Lacomblet, Lacomblé, Lacomblez: Plaatsnaam Comble, Oudfrans combele: klein, smal dalletje. Vergelijk Combel. Lacomble kan ook wel een Waalse hypercorrecte vorm zijn voor Lacombe.

Lacoppe. Waals cope: koppel, zwenghout, inhoudsmaat; ook uithangbord.

Lacour, Lacourte, la Corte, Lacourt, Lacor: 1, Korte vorm van Delacourt ‘van den Hove’. 2. Vanwege de fréquente verwarring van la/le kan de familienaam ook een variant zijn van Lecour(t). De uitgang -te kan dan worden verklaard door congruentie met het vrouwelieke La-. Eventueel invloed van Nederlands De Corte.

Lacouronne. Bijnaam naar het frequente uithangbord.

Lacreman. Waarschijnlijk door verkeerde lezing van Laeremans.

Lacres, Lacrês: Plaatsnaam Lacres (Pas-de-Calais)?

Lacressonnière. Plaatsnaam Cressonnière (Nord, Pas-de-Calais): plaats waar waterkers, tuinkers groeit.

Lacroix, Lacroi, Lacrois, Laccroix, Lacroux: 1. Zie Delacroix. 2. L'acrois. Oudfrans acros: wreed, verschrikkelijk. Bijnaam.

Lacus. Duitse plaatsnaam Lackhausen: 1200 Lachusen?

Ladavid. Moedersnaam. Vrouw of dochter van David.

Laddyn. Vadersnaam. Korte vorm van Coladin, van Colardin. Vergelijk Ladon.

Lademacher. Duitse beroepsnaam van de timmerman die Middennoordduits laden, dats is kisten, kasten, schrijnen maakt.

Ladenberg: Wellicht de plaatsnaam Ladenburg (Baden-Württemberg).

Laden, Ladent, Ladan, Ladant, Ladang, Ladangh, Ladam, Ledent, Ledens, Ledant, Ledain. 1. Bijnaam uit het Franse dent: tand (opvallende tanden of tandarts?). 2. Zie ook Ledain.

Ladeuze. Plaatsnaam Ladeuze, Henegouwen.

Ladon, Ladot, Lados. Vadersnaam. Korte vorm van Coladon, Caladot, van Colardon, Calardot, afleiding van Colard. Vergelijk Geradon, van Gérardon.

Ladrague. Bijnaam. Oudfrans drague; ekster. Vergelijk Lagace.

Ladrie, Ladry, Ladril, Ladrille: 1. Zie Deladrière. 2. Eventueel van Oudfranse plaatsnaam Ladrie: leprozenhuis.

Ladsous, Ladesou, Ladrisou, Deladessous, De Ladessous, De Ladersous, Laderjoes. Familienaam uit de plaatsnaam Là-dessous: daar beneden. Dit in Blaregnies en in Gozée (Henegouwen).

Ladurée, Laduree, Laduron, L'aduré. Oudfrans aduré: gehard, krachtig, moedig.

Laekemaeker. Beroepsnaam van de lakenwever.

Laemmle, Lammelin: Verschrijving van Duits Lâmmle, afleiding van Lamm. 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert. Vergelijk Lammekens. 2. Bijnaam naar het lam of huisnaam.

Laender, de, de Lander, Landers, Laeners, Laner. Naam uit het Middelnederlandse laenre: slechtvalk of lannervalk (ook wel steenvalk genoemd). Bijnaam naar de vogel of beroepsbijnaam van de valkenier.

Laenen, Laenens, Lanens, Lanen, Lane, Lanes, Laanen, Laane, Laan. Moedersnaam Lane, verkorte vorm van de Latijnse heiligennaam Juliana.

Laerbeke, van, van Larebeke, van Laerebeke, van Laerbeecke: Plaatsnaam Laarbeke in St.-Martens-Lierde (Oost-Vlaanderen), Jette, Elsene. Laarbeek bij Vlezenbeek (Vlaams-Brabant). Leerbeek (Vlaams-Brabant).

Laere, de, Delaere, de Larre. Waarschijnlijk vervlaamste vorm van Delard, Pas-de-Calais. Zie bij Dulaar.

Laeren, van. Plaatsnaam Laarne, Oost-Vlaanderen.

Laeres, van, van Laeris: Misschien plaatsnaam Laires (Pas-de-Calais).

Laes, Laas, Las. Verkorte vorm van de Bijbelse voornaam Elia(s) of korte vorm van Colaes=Nicolaas.

Laet, de, de Laat, de Laedt, Laets, Laatsch, Slaets, Slaats, Slaedts, Sladts, Slaes,Sluydts, Sluyts, Sluijts. Familienaam uit het Middelnederlandse laet: horige, laat, vrijgelaten eigenhorige.

Laethem, van, van Latem. Plaatsnaam Latem in Bierbeek (Vlaams-Brabant), St.-Maria-Latem of St.-Martens-Latem (Oost-Vlaanderen). Eventueel Plaatsnaam Lathum (Gelderland).

Laey, de, de Laei, de Laeij, de Laeye, de Laye, de Lay, de Laije, de Laij, Lay, Laye. Frans lai, lay: leek, burger, séculier; onkundige in een vak. Vergelijk De Leeck.

Laface. Reïnterpretatie van Lafosse.

Lafartin, Lafertin: Waaarschijnlijk door verscherping familienaam Lavardin, Laverdin, naar plaatsnaam Lavardin/Laverdin (Loir-et-Cher, Sarthe). Veeleer dan La Fertin, vrouw van Fartin, vleivorm van Germaanse fard-naam.

Lafaut. 1. Korte vorm van De la Fau; zie Delfau(d) 2. Zie Lefau(l)x.

Lafère, Lavère, Lafarre: La Fère, Lafere, Lefer(e). Frans Bijnaam Lefer voor een levenskrachtige of hardvochtige figuur.

Lafeuillade. Plaatsnaam La Feuillade (Dordogne, Charente), Frans feuillée: gebladerte, loof.

Lafeuille. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Lafaille.

Laffolay. Bijnaam L'affolé: radeloos, wanhopig; of Oudfrans l'afolé: gewond, verminkt.

Lafille, Laffile: Verwantschapsnaam La Fille: de dochter. Vergelijk Lefils.

Lafineur, Laffineur, Laffineux, Laffineuse: Beroepsnaam van de affineur. Wellicht in ruimere betekenis van Oudfrans afiner: zuiveren, verfijnen.

Lafit, Lafitte, Laffite, Laffitte. Plaatsnaam Lafitte (Tarn-et-Gar., Lot-et-Gar., Hte-Gar.).

Laflere, Laflère, Leflere: Waals-Vlaamse familienaam. Waarschijnlijk variant van de eveneens Waals-Vlaamse familienaam Lafere, met l-perseveratie.

Lafleur, de Fleur, Delfleur, de Floor, Duffluer, Dufloer: Frans fleur: bloem. Bijnaam, wellicht naar een huisnaam.

Lafon, Lafont, Lafond, La Fong, Laffon, Laffont. Familienaam uit de Oudfranse plaatsnaam font: bron.

Lafollete. Afleiding, vrouwelijk van fou; gek. Bijnaam. Vergelijk Follet.

Lafon, Lafont, Lafond, La Fong, Laffont, Laffon: Plaatsnaam. Oudfrans font: bron.

Lafooij: Aanpassing van Lavoye, van Delvoie ‘van den Wege’.

Laforce, la Fors: Uit Delaforce, van Delforce. Plaatsnaam La Force ‘versterkt kasteel’.

Lafortune. Bijnaam. Frans fortune; fortuin, geluk.

Lafrance. Herkomstnaam La France; Frankrijk.

Lafruit, Lafrut, Lafru, Lafrux: Waalse plaatsnaam afru, van Latijn adfrictum: gerooid land, rode. Lafrut of Lafry in Ferrières (Luik).

Lafuste, Laffut, Laffutte, Lafut: Wellicht van Lefust. Oudfrans fust, Frans fût: vat. Beroepsnaam van de kuiper. Vergelijk (de) Fuster.

Laga, Lagae, Lagha, Lagauw. Volgens onderzoeker Peene komt het uit Del Aga. Gilis Van der Vaet, overleden ca. 1547 te Heule had voorgaande schrijfwijze. Deze evolueerde in 1579 in Heule tot Jan Van le Haet. Die naam werd dan weer het slachtoffer van de West-Vlaamse g/h verschuiving: Jan van le Gaet. Via een aantal tussenvormen was het in 1604 al Jan Lega. Het veelvuldig voorkomen van naamvarianten in het Scandinavisch gebied zou kunnen wijzen op een oorsprong in (zuid) Scandinavië. Het zou dan een soort vadersnaam zijn: beschermer van (Gods) wet Zie ook Lava.

Lagaaij, Lagaij: Ook Lagay, van Legaey, van Frans Legai. Bijnaam. Oudfrans gay, gai ‘vrolijk, levendig, lustig, opgewekt’.

Lagace, Lagac, la Gasse: Lagace, Lagasse = l’Agace. Oudfrans agace ‘ekster’. Bijnaam voor een prater. Vergelijk Vlaamse familienaam Axters.

Lagacysse. Verkeerde lezing van Lagaeysse.

Lagaert, Lagard, Lagaet. 1. Komt mogelijk uit het werkwoord lagen: ruilen, verruilen. Bijnaam. 2. In veel gevallen zal de naam echter afkomstig zijn uit het voornamelijk Oost-Vlaamse Laga(e). Zie bij Laga(e).

Lagage, Lagagie, Lagaese, Lagase, Lagaize, Lagaisse, Lagaise, Lagerisse, Lageirse, Lagaeysse, Lagaysse, Lagayesse, Lageiste: 1. Oudfrans gage: pand. Beroepsnaam van de pander, de gerechtsbode of beambte die een panding verricht. Vergelijk Louage, Pandelaers. 2. Uit Delaga(i)ge. Plaatsnaam Gage in Neufvilles (Henegouwen), Ga(i)ges (Henegouwen) en in Gondregnies (Henegouwen3. Lagaisse en Laga(e)ysse kunnen eventueel op Lagache teruggaan; zie Lagasse. Maar een verwarring is net zo goed mogelijk.

Lagalis, Lagaly: Oudfrans agali: beleefd. Bijnaam.

Lagamme, Moedersnaam. Lajeanne van de voornaam Jeanne: Johanna. Vergelijk Gamme, Jamme.

Lagappe, L’agab. Oudfrans agab: grap, scherts, plagerij, spotternij; of Oudfrans la gabe: zelfde betekenis. Bijnaam.

Lagarde: Verkort uit Frans Delagarde. Plaatsnaam La Garde ‘wachtpost, uitkijkpost’.

Lagasse, Lagache, Lagace, Laguasse, Lagaesse, La Gaesse, Lagauche, La Gauche, Lagatie, Lagassy, Legacie, Lagacé, Lagas, Lagast, Lagaste dit Lagasse, Legas, Legasse, Legast, Legaste, Laguesse, Lagesse, Lages, Agache, Agasse, Aguesse. Naam uit het Oudfranse agace, het Picardische agache, het Luiks-Waalse aguèsse: ekster. Bijnaam voor een prater.

Lagaune. Picardische variant van Lejaune, Lejeune: de jonge (niet: de gele).

Lagauw. 1. Zie Legau(lt). 2. Zie Laga(e). 3. Waals-Vlaamse verwarrring met Lahaut.

Lagemaat, van de; Legemaate, Legemate, Leegemate: Plaatsnaam Lage/Lege Maat ‘laag liggend maailand, weiland’. Vergelijk Lage Meten in Bergen-op-Zoom (Noord-Brabant).

Lageman, Lagerman: 1. Bijnaam van de belager; vergelijk Lagers. 2. Variant van Lachman?

Lagendijk, Lagendyk: Plaatsnaam Lagedijk in Katwoude (Noord-Holland), Schagen (Noord-Holland), Wervershoof (Noord-Holland) en Lage Dijk in Haarlemmerliede (Noord-Holland).

Lagenhoek: Plaatsnaam in Geertruidenberg (Noord-Brabant).

Lageot, Lajot, Lajeot: Afleiding van Lage, van plaatsnaam l'Age: haag.

Lagerwaard, Lagerwaart, Hoogerwaard, Waard, van der. Plaatsnaam Waard als Hoeksche Waard.

Lagers, Laager: Middelnederlands lager: belager.

Lagerwey, Lagerweij: Plaatsnaam Lage Wei(de) in Cadzand (Zeeland), Lage Weide in Utrecht, Lage Weeën bij Oldemarkt, Overijssel.

Laget: Deze familienaam komt vooral in Oost-Vlaanderen voor, maar blijkt toch Waals te zijn: Wellicht uit Frans Laguet, van l’aguet ‘wachtpost’.

Lageuse. Spelling voor Laguesse?

Lagneau, Lagneuax, Lagnau, Lagnaux, Lagna, Lagniau, Lagniaux, Lagnieaux, Longneaux, Longniaux, Laigneaux, Laigneoux, Laignelle, Laignele, Lenjou, Lainel, Leaignel, Leignel, Lengyel, Lenyel, Lingnau, Ligneel, Lignel, le Néel, Lynneel, Lyneel, Lijnneel, Lognay, Lognais. Naam uit het Oudfranse a(i)gnel. Frans agneau: lam, schaap. Bijnaam voor iemand met een zacht karakter of huisnaam.

La Grappe. Oudfrans grape; haak, klauw. Bijnaam.

Lagrave. 1. Zie (de) Graaf. 2. Pllaatsnaam (Tarn, Isère): grind.

Lagraviere, La Gravière: Plaatsnaam. Oudfrans gravière: plaats met grind.

Lagrillière, Lagrilliere. Plaatsnaam Grillère: plaats met krekels.

Laguerre. Frans guerre: oorlog, strijd. Bijnaam voor een strijdlustig, combattief mens? Vergelijk Krieg, Bataille.

Lahaine, Laheyne, La Heijne: Wel niet de waternaam La Haine, Nederlands de Hene (Henegouwen), maar variant van Franse familienaam Lahaigne. Oudfrans baigne: grimas, grijns. Bijnaam.

Lahak, Lahac, Lahacque, Lahaque: Oudfrans hache, Oudpicardisch en Waals hake: haakbus; ook hak, bijl. Beroepsnaam.

Lahanier. Beroepsnaam. Oudfrans ahanier; landbouwer.

Lahey: Uit Lahaie, korte vorm naast Delahaie. Plaatsnaam La Haie ‘haag, bosje’. La Haie is ook de Frans naam voor Den Haag (Zuid-Holland). Meestal Frans pendant van van der Hage(n).

Laheijne: Uit Lahaine, van Franse familienaam Lahaigne. Oudfrans haigne ‘grimas, grijns’. Bijnaam.

Lahr: Plaatsnaam (Beieren, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Lahier, Lahy, Lahye, Lahire, Lahir, Laï, Lai: Een variant van Laillier (zie Lailler) is vanwege de oude h-vormen vrij twijfelachtig.Of een afleiding van Waals lahe, Frans laisse 'lijn, band'.

Lahnstein. Plaatsnaam Ober- en Niederlahnstein, Duitsland.

Lahon. Afleiding van Oudfrans lasche, van Latijn lascus, laxus, Frans lâche: los, ongespannen, zacht, laf.

Lahor. Verschrijving voor Lahors, van Delahors, de là-hors: van Ginderbuiten.

Lahorte, Laherte, Laheurte: Plaatsnaam. Oudfrans horde: paalwerk, palissade?

Lahoussée. Plaatsnaam Houssaie: plaats waar hulst groeit.

Lahr. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Lahure. 1. Bijnaam Hure voor iemand met borstelig haar. Vergelijk Huret, Hurel. 2. Plaatsnaam La Hure in Vloesberg (Henegouwen).

Laigle. Frans aigle; arend. Bijnaam of huisnaam.

Lailler, Lalli, Lallier, Laly: Beroepsnaam L'ailler: verkoper of teler van look (Frans ail).

Laime. Vervorming van Laine.

Lainier, Leyniers, Laignez, Leignée, Laygnez, Leny, Lenie, Leni, Liny, Lini: Beroepsnaam. Frans lainier: wolbewerker. Vergelijk Lanier.

Lair, Laire, Lhair, L'Hair, Leir, Leire, Leirens, Leyre, Leer, Leerens, Lere, Lerens. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Hilarius. 

Lairesse, Léresse, Le Reste: Plaatsnaam in Ougrée (Luik).

Lairin, Lairain, Lairein. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Hilaire. Vergelijk Laire en familienaam Hilairin.

Laisnez, Laisné, Laine, Lainet, Lainez, Laine, Lenez, Lenné: Bijnaam: de oude(re), de oudste. Vergelijk De Oude.

Laitat, Laitar. Afleiding van lait: melk. Vergelijk létat: melkvarken.

Laitem, Laithem, Delaitemps, Letems, Lethem, Letent, Leutem, Lietem, Liétem. 1. Naam uit het Franse laid temp: slecht weer. Bijnaam voor iemand met een slecht humeur. Vergelijk (de) Fortemps, Duits Roweder 2. Zie ook Latem Van. Deze mogelijkheid is voor een aantal varianten (Lait(h)em, Leutem, Lethem) niet uit te sluiten. 

Laixheau, Laixhau, Laixhay, Laixhaye: Plaatsnaam in Herstal en Jupille (Luik).

Lake, van, Laken, van, van laecken, van Laeken, van Lacken, van Laerken, van Larken, van Larcken. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Laken (Brussel). 2. Uit Van den Laken, zie ook van de Laak.

Lakeman, Lakemans, Laekeman, Laekemans, Laackmann, Laeckmann, Lackmann, Lackman, Lacman, Lacquemansm Lacqueman, Lacquemanne, Lacquemant, Lacquemment: Afleiding van Van (der) Laak. Ook Nederduits. Vergelijk Lacart.

Lakerveld: Plaatsnaam ten zuiden van Laak in Ohé en Laak (Nederlands Limburg), Lexmond (Zuid-Holland) en de Vijfherenlanden (Zuid-Holland).

Lakiere, Laquière, Lacquière, Dekière, (de) Kiere, Dequire: Plaatsnaam. oudfrans quiere: kant, hoek.

Lakké: Frans familienaam Lacquet, verkleinvorm van lac ‘meer’.

Lako, Laco: Naam van een hofstede Le Quoy in West-Zeeuws-Vlaanderen.

Lal, Lale. Van werkwoord lallen. Bijnaam voor een laller, die onduidelijk praat.

Lalkens: Vadersnaam. Lallekens, regressievorm voor Lollekens, verkleinvorm van de Friese voornaam Lolle. Zie Lolkema.

Lalouette, Lallouette, L'alouette: leeuwerik. Bijnaam.

Laloyer, Lalloyer, Laluyé, Laluyer: L'aloet, afleiding van Oudfrans aloe: leeuwerik. Vergelijk Laloyaux.

Lala. Luiks-Waalse verschrijving voor Lalau of Lallard.

Lalanne. Plaatsnaam. (Gers, Htes-Pyr.).

Lalbrecht. Verhaspeling van Lambrecht.

Laliere, Lalierre. Vrouwelijke vorm van Lailler?

Laline, Lalinne, Lalienne. Moedersnaam L’Alienne van de voornaam Aline, Adeline.

Lalisse. Waternaam La Lys; de Leie?

Lalleman, Lallemand, L’Allemand, Lalleman, Lallemant, Lallemang, Lallemens, Lallement, Laleman, Lalemand, Lalement, Lalmand, Lalman, Lalmant= l’Allemand ‘de Duitser’. Alleman is oorspronkelijk de volksnaam van de Alamannen. Aangezien deze Duitsers (Elzas) de naaste buren waren van de Fransen, werd Allemand is de Franse naam voor de Duitser.

Laloire, Laleure, Lalor: L'aloire, Waals alôre, Frans alouette: leeuwerik. Bijnaam. Vergelijk Lallouette, Leeuwerck.

Laloubee, Laboubee: Wellicht met accentverschuiving van de familienaam Lalobe.

Laloyaux, Lalouel: Oudfrans aloel: leeuwerik. Bijnaam.

Lamain: 1. Plaatsnaam Lamain (Henegouwen). 2. Bijnaam. Frans main;‘hand’.

Laloyaux. Familienaam afgeleid van het Oudfranse 'oloel' = leeuwerik. Wellicht een bijnaam komende van muzikale eigenschappen.

Lamacq. Ongetwijfeld van Lamarque.

Lamaille, Lamaye: Bijnaam. Waals maye: muntstuk.

La Marié. Bijnaam. Frans marié: pas getrouwd.

Laman, Lamant, Lamand, Lamend, Laemant: 1. Franse bijnaam. L’amant ‘de minnaar’. 2. Soms van Leman, vertaling van de Man.

Lamaurice, Lamauris, Lamaurisse: Moedersnaam bij de voornaam Maurice? Of reïnterpretatie van Lamouris.

Lamb. Engelse vadersnaam. Korte vorm van Lambert.

Lambelin, Lamblin, Lamblain, Lemblin, Lambelein, Lamelyn, Lamlin, Lamelyn, Lamelijn, Lemmelyn, Lemmelijn, Lemmerling, Lemmerlijn. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lambrecht. 

Lambach. Duitse plaatsnaam, Beieren.

Lambaux, Lambeau, Lambeaux, Lombeau, Lambay: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam land-balth 'land-stoutmoedig': Lan(t)boldus. 2. Afleiding op -el van de voornaam Lambert (Lambel/ Lambeau).

Lambe de Harewude. 1. Plaatsnaam in Sheffield. 2. Engelse bijnaam Lamb: Lam.

Lambeens. 1. Zie Langbeen. 2. Zie Lambin. Vergelijk Engelbeen = Ingelbin.

Lambenne. Moedersnaam bij de voornaam Lambert?

Lambercy, Lambersy: Plaatsnaam Lambrechies in Gaurain (Henegouwen) of Lamberchies in La Bouverie (Henegouwen).

Lamberg. Variant van Lamberg, door klankverandering, van Lambrecht.

Lambermon, Lambermont, Lambemont, Lambremont: Plaatsnaam Lambermont (Luik).

Lambert, Lambertz: Vadersnaam. Romaans vorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lambertijn, Lambertyn, Lammertijn, Lammertyn, Lammertin, Lammertini, Lammerteyn, Lamertin, Lamerteyn, Lamertyn, Lamerten, Lammertink. Vadersnaam, vleivorm van Lambert, Lammert, Lambrecht.

Lambertus, Lambert, Lamberty, Lamberta. Vadersnaam. Italiaanse, respectievelijk Latijnse vormen van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lambier, Lambiet, Lambié, Lambie, Lamby, Lambij. 1. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Lambrecht. Picardisch Lambiert, Waals lambiè. Zie Lambrecht. 2. De familienaam Langbeen uit Zuid-Oost-Vlaanderen werd in de 19de eeuw verschreven tot Lambier. 

Lambillion. Lambillon, Lambion, Lambilliotte, Lambiliotte, Lambilliot, Lambiliote Lambiliote, Lambilotte, Lambilot, Lambiotte, Lamblotte, Lamblot: Vadersnaam. Vleivorm op -illon, -illot(e), -lot van de voornaam Lambrecht.

Lambin, Lambein, Lambeens, Lombin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambert, Lambrecht.

Lambinet, Lambinon: Vadersnaam. Vleivormen met de stapelsuffïxen –in-et en -in-on van de voornaam Lambrecht. Vergelijk Lambin.

Lamblet, Lambelé, Lambolet, Lambley, Lambley, Lambele, Lamble: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert.

Lamboo, Lambo, Lambot, Lambotte, Lembo, Lampo, Lampo: Vadersnaam. Frans verkleinvorm Lambot van de Germaanse voornaam Lambert (landa-berth).

Lambois, Lambooy, De Lamboy, Lombois, Lonbois, Lambooij: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambrecht.

Lamborelle, Lemborelle, Lambrau, Lamprau, Lamboray: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambert. Vergelijk Lambret. 2. Of veeleer van Oudfrans lapriel, Frans lapereau, Middenenderlands lampreel: konijntje. De m is de zo fréquente epenthetische nasaal (vergelijk pampier). De b is te verklaren door associatie met de voornaam Lambert.

Lambori, Lambory. Variant met epenthetische nasaal van Laborie.

Lambrecht, Lambrechts, Lambrechtse, Lambrechtsen, Lambrechs, Lamberechts, Lamberegts, Lambregt, Lambreght, Lambregts, Lambrecht, Lambregchts, Lambregtse, Lambreghts, Lambreghs, Lambreghse, Lambrexhe, Lambreckx, Lambrecks, Lambreck, Lambrecq, Lambretchts, Lambrecth, Lambrecths, Lambrichts, Lambricht, Lambrichs, Lambrich, Lambrigtse, Lambrigt, Lambrights, Lambright, Lambericts, Lambricks, Lambriks, Lambricks, Lambrick, Lambrix, Lambrik, Lamprecht, Lemberechts, Lembrechts, Lembreght, Lembreghts, Lembregt, Lembrik, Lombrechts, Lambert, Lamberts, Lambertz, Lambertz, Lambers, Lambeir, Lamber, Lamberg, Lambart, Lambaere, Lambaerts, Lambaert, Delambert, Lampers, Lember, Lembert, Lempere, Lemper, Lamperth, Lampert, Lampaert, Lampert, Lampertz, Lempart, Lempert, Lambaets, Lambeets, Lamerichs, Lamerigts, Lammerich, Lammerts, Lammert, Lamert, Lammerz, Lemmaert, Lammer, Lammers, Lamers, Laemers, Lemmer, Lemmers, Lemmerz.: Vadersnaam. Germaanse voornaam land-berht ‘land-schitterend’: Landebert, Lambertus, Lambrect, Lambret. De vormen met Lem- zijn Brabants-Limburgs; die met -m(m)- zijn ontstaan door assimilatie, mb/mm.

Lambremont: Plaatsnaam Lambermont (Provincie Luik).

Lambret, Lambrette, Lambré, Lambrey, Lambre, Lembrez, Lombrez, Lombri, Lombrette, Lampret, Lampre, Lompret: Afleiding van Germaanse voornaam Lambert. Vadersnaamr. De vormen op -ette kunnen moedersnaam zijn, maar ook de verwaalste uitspraak van Lambrecht weergeven.

Lambreth. Spellingvariant Lambrecht of Lambret.

Lambrey. 1. Zie Lambret(te). 2. Eventueel van plaatsnaam Lambrey (Hte-Saône).

Lamé, Lame, Lamee, Lammé, Lamme, Lametz, Lammey, Lamey: Oudfrans l'amé: de beminde, geliefde. Bijnaam. Vergelijk Laimé.

Lameijer. 1 Grafïe voor Lameir; zie Lemaire.- 1. Er is een Duitse familienaam La(h)meyer: Lohmeyer, dat is meier in een bos.

Lameijn, Lameijns: 1. Vadersnaam. Spelling voor Lamyn(s), van Lammin(s); zie Lammens. 2. Eventueel Lameijn, Lamein, van Lamain.

Lamelle, De la Mole: van der Molen. Vergelijk Delmeule.

Lamette. Oudpicardisch mette: grens (van terrein)

Lametz. 1. Plaatsnaam, Ardèche, 2. Zie Lamé.

Lamesch. Waarschijnlijk door assimilatie van Lamensch.

Lami, Lamis, Lamisse, Lamie, Lamy: Bijnaam L'ami: de vriend. Oudwaals amice.

Lamiable. Bijnaam. Oudfrans amiable, Frans aimable: vriendelijk, beminnelijk.

Laminé. Variant van Laminne met secundair accent.

Lamiot. Bijnaam afleiding van Frans ami: vriend. Zie ook Amiot, Amiet 2.

Lamirand, Ladmirant, Lamerandt, Lamerand, Lammerant, Lamerant: Oudfrans amirant: émir, admiraal. Vergelijk Lamoral.

Lamiroy. Regressievorm van Lamire, die niet l'admiré: de bewonderde betekent, maar Middenfrans l'amiré: admiraal, bevelhebber.

Lamme, Laame, Lamm, Lam, Lamps, Lams, Lans, Lampe, Lamp, Lemme, Lemm, Lems: Vadersnaam. Korte vormen van de voornaam Lambrecht.

Lammekens, Lamkin, Lemke, Lemkens, Lemken, Lamquin, Lampke, Lembcke, Lämmchen: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht.

Lammen, Lammens, Lamens, Lamensch, Laamens, Lamyns, Lamijns, Lameyn, Lameyns, Lemmen, Lemmens, Lemmes, Lamping, Lampin, Lampens, Lampen, Lempens, Lempen: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lammer, Lammers, Lamer, Lamers, Laemers, Lemmers, Lemmer, de Lamper, Lampers, Lempere, Lemper, Lempêre: 1. Afleiding van Middelnederlands lam(p): lam. Beroepsnaam van de schaapherder, die lammeren hoedt. Vergelijk De Geeter.

Lammeretz, Lameretz, Lamerets: Vadersnaam. Spelling voor Duits Lammertz, Lambertz, Lampertz.

Lämmerhirt, Lammerhiert: Duitse beroepsnaam van de schaapherder.

Lammerinks, Lammersma, Lammertsma. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht.

Lammerman. Beroepsnaam van de schaapherder. Vergelijk Lammers, Duits Lämmermann.

Lamittens. Verdwenen familienaam: mogelijk vadersnaam, knuffelvorm van Lamyns, dat is weer een knuffelvorm van Lambrecht. 

Lamiroy. Verschrijving van Lamiré, dit uit het Middelfranse l'amiré: admiraal, bevelhebber. 

Lammens, Lammen, Lamens, Lamensch, Laamens, Lamyns, Lamijns, Lameyn, Lameyns, Lemmen, Lemme, lemmens, Lampin, Lamping, Lampen, Lampens, Lempe, Lempens: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Lambrecht.

Lammerée: Vadersnaam. Door assimilatie mb/mm uit Lambré, Lambret, verkleinvorm van de voornaam Lambert.

Lammeren, van: Plaatsnaam Lamperen (Noord-Brabant).

Lammerink: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lambrecht. Ook verspreide plaatsnaam in Overijssel. †1341 Lambertus Lambertynck, leenman van het goed Lambertinck in Markelo Overijssel.

Lammerts, Lammertsma, Lammers, Lammer,Lam, Lamme, ’t Lam, Lem, Witlam, Cheuk-A-Lam, Lammerse, Lemmers, Lamer, Lamers, Laemers, Lemmer, Lemmers, De Lamper, Lampert, Lamper, Lampers, Lemper, Lepere, Lempère: 1. Vadersnaam. Uit Lamberts, Lambrecht)s), respectievelijk met assimilatie mb/mm en verscherping b/p. 2. Afleiding van Middelnederlands lam(p) ‘lam’. Beroepsnaam van de schaapherder, die lammeren hoedt. 3. Toename van de familienaam, of de familienamen, Lam is mede te danken aan immigratie uit Hongkong, China en Vietnam; Lam is ook een Aziatische naam.

Lamont, Lammont, Lamon, Lamond, Lamonte, Laemont, Van Lamoen, Lamoen, Lamoens. Familienaam uit de plaatsnaam L'amont: stroomopwaarts, hoger gelegen land. Er is onder andere een Lamont in Kwaremont (Oost-Vlaanderen).

Lamoot, Lamot. 1. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Lambrecht. 2. Zie Delamote.

Lamote: Verkort uit Delamote. Plaatsnaam Mot(t)e, van mota ‘hoogte, heuveltje’, gewoonlijk met kasteel erop en door gracht omgeven.

Lamor, Lamort, La mort: de dood. Bijnaam voor iemand die er als de dood (Vaams Pietje de Dood, Nederlands Magere Hein) uitziet. Of variant van Lemort.

Lamoral, Lamiral, L'Amiral, Amirault, Lamiraux: Middenfrans amira(i)l, amiré, van Arabisch emir, émir: bevelhebber, admiraal.

Lamouche, Lemouche, Lamoque, Lamocq, Lamock, Mouche, Mouque, Moucq, Mouck, Moxhe, Mox: Bijnaam. Oudfrans mosche, Latijn musca, Picardisch mo(u)que, Frans mouche, Waals mo(x)he: vlieg. Vergelijk Vliege. Vergelijk ook Mouchet/Mo(u)quet.

Lamouline, Lamoline, Lamolinne: Plaatsnaam La Mouline: de molen in Izel en St-Pierre-Chevigny (Luxemburg). Waarschijnlijk ook elders.

Lamour, Lamouret, Lamourette, Lamoret, Amoré: Frans amour: liefde. Bijnaam voor een verliefde, minnaar. Vergelijk Lamoureux.

Lamoureux, Amoureus: Bijnaam voor een hartstochtelijke minnaar, een Don Juan.

Lamoury. Lamourij, Lamouris, Lamory, Lamury: L'Amoury. Vadersnaam Amoury, zie Amaury.

Lamovte. Verkeerde lezing van Lamonte, of van Lamoute, van Lamote?

Lampaert: Vadersnaam. Variant van Lambert, Lampert.

Lampe: Vadersnaam. Uit Lambe, korte vorm van de voornaam Lambrecht.

Lamperen, van, van Lammeren. Plaatsnaam Lamperen, Noord-Brabant.

Lampier: Frans Lampire. Plaatsnaam Lempire (Aisne, Meuse).

Lampoie, Lambol: Vadersnaam. Waalse vleivorm van Germaanse voornaam Lambert.

Lamproi, Lamproie, Lamproy, Lamproye, Lamproe, Lamploy, Lemploi, Lempoy: Vadersnaam. Afleiding op -ôye van voornaam Lambert. Vergelijk Lambois.

Lamprou. 1. Variant van Lamprau. Naam uit het Oudfranse lampriel, het Franse lapereau, het Middelnederlandse lampreel: konijntje. Bijnaam of beroepsbijnaam (kweker). 2. Vadersnaam uit een Franstalige variant (bijvoorbeeld Lampreu) van Lambert. 3. Naam uit het Oudfranse emperere, het Franse empereur (l'empereur): keizer. Bijnaam (bijvoorbeeld uit een schuttersgilde). 

Lamquet, Lenquet, Lenquette: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Lambrecht.

Lamrinck, met Lamring en Lammerding, is oorspronkelijk Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mannen voornaam.

Lams, Lamse, Lamsens, Lems, Lemse, Lemsen, Lemzen, Lemson, Lemsom, Lensom, Lansens, Lanssen, Lanssens: Vadersnaam. 1. De vleivorm op –sin van de Germaanse voornaam Lambrecht. 2. De varianten met Lem kunnen ook korte vormen zijn van Adelem of Willem.

Lamson, Lampson, Lamsoul, Lamsoulle: Vadersnaam. Vleivormenop -eçon, -eçoul van de voornaam Lambrecht.

Lamstaes. Familienaam in Frans-Vlaanderen. Onduidelijk.

Lamswaard, van: Plaatsnaam Lamswaarde in Hontenisse (Zeeuws-Vlaanderen).

Lamury. 1. Beroepsnaam. Waals l'amury: l'armurier, Middenfrans armeurier: wapenmaker. Vergelijk Larmoyer. 2. Of veeleer variant van Lamoury.

Lamusse, Lameuse: Waals voor L'aumusse. Middenfrans aumusse, van Middenlatijn almutia: kapmantel van kanunnik, van muts.

Lan. Romaanse spelling voor Lang? Of plaatsnaam Laon?

Lannoye, Lanoye, Lanoy, Lanoij, Lanije, Lanois, Lanoyt, Lanoi, Lanoit, Lannootje, Lanootje, Lanotte, Lano, Lannoo, Lanoo, Lannoeye, Lannoey, Lanoey, Lanoeye, Launay, Launois, Launoy, Lonnay, Lonay, Lhonai, Lhonnay, Lonnoy: 1. Plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise): Latijn alnetum, Frans aunaie: elzenbos. Zie ook Delaunay. De verschrijvingen Lannoo(t) en Lanotte zijn Vlaamse aanpassingen, aangezien Picardisch oi ongeveer samenviel met onze scherplange o (vergelijk foire: foor). 2. In Verrebroek komt Lannoey voor als reïnterpretatie van Lernould.

Lancaster, Lankester; de Lancastre: Engelse plaatsnaam.

Lance. Lans, Lanse. 1. Beroepsnaam voor de maker of drager van lansen. Vergelijk Lancet. 2. Van Lanzo, Lantso, afleiding van Germaanse land-naam. 3. L'ance. Middenfrans anse: handvat?

Lancel, Lancelle, Lanselle, Lanciaux, Lancia, Lansiaux, Lansay: Vadernaam, voornaam Ancel met proditisch lidwoord. (!').

Lancelevé. Bijnaam voor iemand die de lans opneemt, naar de lans grijpt? Vergelijk Duits Zuckmesser, Zuckschwert.

Lancelin. Vadersnaam. Voornaam Ancelin met proditisch lidwoord. Of afleiding van Lancelot.

Lancelot, Lanselot, Lansloot, Lanslots, Landslots: Vadersnaam. Lanseloot, Lancelot, naam uit de ridderromans.

Lancereau. Oudfrans lancerel, afleiding van lance: lans. Bijnaam voor een slanke.

Lanchals. Bijnaam voor iemand met een lange hals.

Lancier, Lanciers, Lanssiers, de Lansier. Beroepsnaam uit het Middelfranse lancier: lansier (soldaat die met een lans vocht), maker van lansen. 

Lanckaert, Lankart, Lancart, Lanquart: Picardisch hypercorrect voor Lanchart. Vergelijk Middenpicardisch Lankier = Lancier. Afleiding van lance: lans.

Lancke. Hypercorrect voor Loncke, wegens de o-achtige klank van korte a, vooral voor velare nasaal.

Lancker, van, Lanckere van, van Lanker, van Lanckeren, van Lancre. Familienaam komende uit de samentrekking van de plaatsnaam Langacker (onder andere in Oudenaarde). 

Lancker, de, Lankers, Lanckers. Variant van De Lonker. Vergelijk Lancke. 2, De Lancker van Delancre.

Lanckmuer. Vondelingnaam: (gevonden aan de) lange muur? Schotse familienaam Langmoor?

Lancpaep. Bijnaam voor een lange, grote paap, priester.

Lanckriet (van), Langkriet, Lankriet, Lancriet. Deze familienaam die na 1620 in Vlaanderen verschijnt wordt dan geschreven als Lancry, Lancly, Lancryet en Lancriet. Zie hieronder bij Lancry. Zie ook Langerijt Van de. 

Lancksweirdt, Lancksweirt, Lanczweirt, Lancsweerd, Lancsweerdt, Lancksweert, Lancsweert, Lanksweerdt, Lanckxweerdt, Langsweirdt, Langsweirt, Lanszweert, Lansweerdt, Lansweert, Landsweerdt, Landsweert, Landssweers: Middelnederlands lanc zweert: lang zwaard. Bijnaam voor de zwaardenmaker of zwaard vechter. Vergelijk Longuepée.

Lanckvrind. Bijnaam voor iemand met vriendschappelijk karakter, met wie je lang bevriend kunt zijn. Vergelijk Cortvriend.

Lankweerd. Verhaspeling van Lancksweert.

Lançon, Lancon, Lanson: 1. Vadersnaam Lançon (Ardèche). 2. Spellingvariant van Lamson. 3. Vadersnaam Romaanse verbogen vorm van Germaanse voornaam Lanzo (zie Lance 2.).

Lancry, Lancri. Vadersnaam: Romaanse vorm (Pas-de-Calais) van de Germaanse voornaam lang+rik; lang-heerser. 

Land, van der,’t: 1759-1815 Lippe Lucas nam in 1811 de naam van der Land aan.

Land, Lande: Vadersnaam. Korte Germaanse voornaam Lando.

Landa: Tsjechische familienaam, van Mikulanda, variant van Mikuláš ‘Nikolaas’.

Landegem, Landeghem, van; Landegent: Plaatsnaam Landegem (Oost-Vlaanderen).

Landau, Landauer, Landeau, Landouw: Plaatsnaam Landau in de Faits.

Landdreter, Landtreter: Duitse familienaam Landreiter: bereden bode, bode te paard, landruiter. Vergelijk Minnebo.

Landeck. Duitse plaatsnaam.

Landeloos, Landerloo, Landerloos: Bijnaam voor iemand zonder landbezit.

Lande, Landen, van de, der. 1. Naam die verwijst naar ‘land’ (plaatsnaam). 2. Of uit de plaatsnaam Landen (Vlaams-Brabant).

Landenberg, Landeberg, Lanberg. Duitse plaatsnaam in Winterthur.

Landenne. Plaatsnaam. Luxemburg.

Landers, Lander. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam land-hard 'land-sterk': Landardus, 2. Zie De Laender.

Lander, van. Waarschijnlijk van Van Landen.

Landerwijn, Landerwyn. Vadersnaam. Landewijn, met epenthe-tische r. Germaanse voornaam land-win 'land-vriend': Landuinus.

Landewijck, van, Landewijk, van, van Landwyck, van Landewyck: Plaatsnaam Landwijk in Donk (Limburg).

Landgoed. Plaatsnaam? Waarschijnlijk een reïnterpretatie.

Landgraf, Landsgraeve: Familienaam van een landgraaf.

Landi, Landier, Landy, Lanthier, Lantier, Lantiez, Lanty, Lenti, Lentier. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-hari 'land-leger': Landarius.

Landman, Landmann, Landtman, Lantman, Lanesman, Landsman, Lansmans, lansman, Lansmanne: Middenenderlands lant(s)man: landman, buitenman, landbewoner; ingezetene, landsman.

Landmeter, (de), Landtmeeters, Landtmeters, Landmeters, Delantmeter, Landmeeters, Landmesser: Beroepsnaam van de landmeter.

Landmeyer. Beroepsnaam van de meier, boer te lande. Of reïnterpretatie van Langenmeyer.

Lando. Spelling voor Frans uitspraak van Landau.

Landolphe, Landolfi, Landolsi. Vadersnaam. Germanse voornaam land-wulf 'land-wolf : Landulfus.

Landouzy. Wellicht verhaspeling van Landercy/Landurcy.

Landoy. Uiterst zeldzame naam met een onduidelijke betekenis, mogelijk: 1. Naam uit de Oudengelse plaatsnaam Landon: lange heuvel. Of uit Land: bosrandbewoner, iemand die op het land woont. Gezien het bijna geïsoleerd voorkomen op één plaats aan de Belgische kust betreffen het hier mogelijk afstammelingen van een Engelse inwijkeling. Dan is de naam wellicht een variant van Lando (mogelijke betekenissen hierboven). 2. Familienaam afgeleid van de Franse plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise). Komt van het Latijnse alnetum en het Franse aunaie: elzenbos. 3. Of uit de Germaanse naam Andoward(and+wardan).

Landré: Vadersnaam. Frans L’André ‘Andreas’.

Landre, Landres. Plaatsnaam Landres (Ardèche, Meurthe-et-Mos.) of Romaanse vorm van Landen (Vlaams-Brabant).

Landrecy, Landercy, Landurcy: Plaatsnam Landrecies (Nord) of eventueel Landrecy in My (Luxemburg).

Landrie, Landrieux, Landerieu, Landurieux, Landreau, Landrieau, Landriau, Landureau, Landrin, Landurain, Landrain, Landresse: Vadersnaam L'Andrieu, L'Andreau, L'Andrin. Zie André. Landr(a)in kan ook vleivorm zijn van Landry.

Landroux. Vadersnaam L'Androu. Franse vorm van de voornaam André.

Landru. Moedersnaam. Germaanse voornaam land-thrûth 'land-macht1: Landetruda.

Landry, Landri, Landrie, Landerie: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-rîk 'land-machtig': Landrik, Landricus.

Landschoote, van, Landschoot, van, van Landtschoote, van Lantschoot, van Landtschoote, van Lanschot, Landschoot, Landschot, Lantschot, Lanscotte: Plaatsnaam Landschoot volketymologisch uit plaatsnaam Langschoot ‘lange afgeperkte ruimte, lange beboste hoek hogere grond die in moeras uitspringt’. Plaatsnaam in Eksaarde (Oost-Vlaanderen) en Berlaar (Provincie Antwerpen.

Landser, Lanser. Duitse familienaam Lanzer, van plaatsnaam Lanz.

Landsberg, Landesberg, Landsbergier, Langsberg, Lansberg, Lansbergh, Lansbergen. Familienaam afgeleid van de in Duitsland veel voorkomende plaatsnaam Landsberg. Landsbergier, van Landsberger.

Landsheer, (de), Landsheere, de, (de) Landshere, (de) Landtsheer, Landtsheere, (de) Lantsheer, Lantsheere, Lantheere, Lansheer: Middelnederlands lanthere ‘vorst, heer, landheer, landeigenaar’.

Landstra. Friese vadersnaam uit de Germaanse voornaam Land(o).

Landsuser. Middelnederlands land(s)huzere: bewoner van het landhuis (van een kasteleel).

Landsvreugt, Landsvreugd. Waarschijnlijk een reïnterpretatie, misschien van Lantsoght / Landsucht.

Landuit (van), (van) Landuydt, Landuyt, (van) Landuijt, Landeut. Naam uit de plaatsnaam Landuit in Denderleeuw, Lede, Melsele, Mere en Zegelsem (Oost-Vlaanderen), Kasteelbrakel (Waals-Brabant).

Landvogt. Beroepsnaam naar het middeleeuwse ambt van landvoogd: stadhouder.

Landwehr, Landwier: Middenhoogduits lantwer: landverdediger, grenswachter.

Landzaat. Middelnederlands lantsate: ingezetene van het land, cijnsboer, pachter.

Lane, Laanen: Moedersnaam Lane is de korte vorm van de meisjesnaam Juliane, Latijnse heiligennaam Juliana.

Langbein: Duitse bijnaam voor iemand met lange benen.

Lanfroy, Lanfroot: Vadersnaam Lanfroit, Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-frith 'land-vrede': Landefred, Lantfridus.

Lanfry. Vadersnaam. Romanse vorm van Germaanse voornaam Lamfricus.

Langaskens. Vadersnaam + bijnaam. Verschrijving van Langhanskens: lange Hans.

Langbeen, Langbehn, Langben, Langbein, Lanckbeen, Lankbeen, Lambeens. Bijnaam voor iemand met lange benen.

(de) Lang, Lange, (de) Langen, Delanghe, de Langh, Langhe, (de) Leng, Langman, Lelangue, Delangue, Langh, Lanck, Langens, Slanghen, Slangen: Bijnaam voor iemand van grote gestalte.

Langerhans, Langhans. Bijnaam + vadersnaam. Lange Hans.

Langanke. Lang Hanneke. Vergelijk Langehenkel.

Langebeek, Langebeke, Langebeeke: Plaatsnaam Lange Beek, onder meer veldnaam in Walcheren.

Langaskens. Waarschijnlijk van Langhanskens : lange Hansje. Vergelijk Langhans, Langehenkel.

Langbank. Bijnaam of beroepsnaam. De betekenis van bank is hier niet duidelijk: zitbank, rechtbank, toonbank? Er is een plaatsnaam Langbank in Schotland.

Langbeen, Langbehn, Langbin, Langbein, Lanckbeen, Lancbeen, Lambeens: Bijnaam naar de lange benen.

Langbord. Verhaspeling van Langborst. Bijnaam voor iemand met groot bovenlijf. Vergelijk Nederduits Hoborst.

Langbroek, Langbroeck. Plaatsnaam Langbroek: lang moeras.

Langewerf, Langerwerf. Plaatsnaam Langewerf bij Pereboom (Dussen, Noord-Brabant).

Lange, van. Plaatsnaam Lange, Gelderland.

Langebeeke. Plaatsnaam Lange Beek. Onder meer veldnaam in Walcheren.

Langehenkel. Bijnaam Lange + voornaam Henkel, afleiding van Johannes.

Langejan: Bijnaam Lang+ voornaam Jan.

Langelaan van, Langerlaan. Plaatsnaam in vele plaatsen.

Langeler, Langelaar: Plaatsnaam Langelaar in Nunen (Noord-Brabant).

Langelet, Langelez, Langeles, Langele, Longelé, Longelez, Longeles, Longele, Longeles, Lengellé, Lengelle, Linguelet, Lingelet: 1. Afleiding van Oudfrans angel, Frans ange: engel. Bijnaam of huisnaam. 2. De n mouillé (gn) werd in het Picardisch vaak met ng weergegeven, bijvoorbeeld ligne/linge, agnelin/angelin zodat wellicht ook Lagnelet gelezen kan worden. Agnelet, afleiding van Oudfrans aignel: lam (zie Lagneaux).

Langelund: Plaatsnaam Lang(e)land, Longland?

Langemaire: Spelling voor Langmeier, Langenmayer ‘grote meier’. Er is ook een plaatsnaam Langmair in Beieren.

Langen, de, van, Lange, Slangen, Langens. Bijnaam naar de lange gestalte.

Langenacker, van, van Langenaker, van Langenakker, Langenaeker, Langenaeken, Langenaken, van Languemackers, van Languemakers, van Lanquenakers, Langenaeken, Langenaekens, Langenaken, Langenakens, Langenacken, Langenackers, Langenakers, Langenaeker, Languenakers, Languenaeken, Langenhaek, Lanckacker, Lanckaker: Familienaam uit de plaatsnaam Lang(en)akker (letterlijk een lange akker) in Geluwe (West-Vlaanderen), Helderen en Wellen (Limburg).

Langenauer. Frequente Duitse plaatsnaam Langenau.

Langenbach: Frequente Duitse plaatsnaam Langenbach (Beieren, Baden-Württemberg, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts)Vergelijk Langebeek.

Langenberg, (van den) (van den) Langenbergh, Langeberger, Slangenberg. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Langenberg in Lichtaart en Wortel (Antwerpen). 2. Familienaam uit de verspreide Duitse plaatsnaam Langeberg. (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Rijnland-Palts, Sleeswijk-Holstein.).

Langendam: Plaatsnaam Langendam in Hulst (Zeeland): Zie ook Slangenburg.

Langenbick, van. 1. Verspreide plaatsnaam Lange Bilk, Bulk. Vergelijk van den Bulke/Bilke. 2. Plaatsnaam Langenbick in Wipperfurth (Noordrijn-Westfalen)

Langenbruch. Noordrijn-Westfalen. Vergelijk Langbroek.

Langendoen, Langedoen: Geapocopeerde (weglating van een klank op het eind van een naam) vorm van de plaatsnaam Langendonk. Lange(n)donk in Haacht (Vlaams-Brabant), Kampenhout, Kasterlee, Herentals, Olen (Provincie Antwerpen, Knesselare, Schellebelle, Wetteren (Oost-Vlaanderen), Lummen, Paal (Belgisch-Limburg). Plaatsnaam Langdonk (Noord-Brabant).

Lagendijk, van, Langedijk, Langendijck van, Langendyck : Plaatsnaam Langendijk (Noord-Brabant, Roosendaal en Nispen, Rucphen, Noord-Holland), Langedijk (Zuid-Holland), Eveneens een verspreide plaatsnaam in West-Vlaanderen, Pas-de-Calais.

Langendonk, van, Vanlangendonck, van Langhendonc, Langendonck, Langendonckt, Langhendonck, Langendock, Langendonck, Langedock, van Lagendock. Familienaam afgeleid uit de plaatsnaam Langedonk, Langendonk (lange zandrug) in Haacht (Brabant), Kampenhout (Brabant), Kasterlee (Antwerpen), Herent (Brabant). Ook in Nederland is er een Langdonc in Rozendaal-Langdonk.

Langendorf. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Langendries, Langhendries, Langhedries, Langhendris, Langhenaries, Landries. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Langdries in Ulbeek (Nederlands-Limburg), Landries in Aaigem (Oost-Vlaanderen). De plaatsnaam komt wellicht uit lange (uitgestrekte) + dries. 2. Mogelijk is het soms een vadersnaam uit Lange Dries, van Andreas. Vergelijk Langewauters, Duits Jungandreas, Langheinrich, Langjorg, Langmartin.

Langenhaeck. Reïnterpretatie van Van Langenacker.

Langenhof: Plaatsnaam Langenhof (Nedersaksen). Vergelijk van Langenhove.

Langenhorst: Plaatsnaam (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Sleeswijk-Holstein) en in Ottersum (Nederlands Limburg) en Wassenaar (Zuid-Holland).

Langenhove, van, Langenhoven, van, Lanhove, Lanove, van Languenhove, van Langenhof, Langenhoff. Familienaam uit de plaatsnaam Langenhove (lange hoeve), onder andere in Opwijk (Vlaams-Brabant) en Langenhof (Nedersaksen).

Langenhuijsen. Plaatsnaam. Vergelijk Langenhausen (Nedersaksen).

Langenkamp. Verspreide Duitse plaatsnaam; lang veld.

Langemayer, Langenmayr, Langenmeier, Langmeier, Langemeier: Duitse bijnaam; grote meier.

Langenscheid. Plaatsnaam Langenscheid (Rijnland-Palts). Verspreide Nederduitse plaatsnaam Langenschede: lange scheiding, grens.

Langensieper. Westfaalse plaatsnaam : lange moerassige plaats. Vergelijk Langensiefen, Noordrijn-Westfalen.

Langenstrass. Duitse plaatsnaam; lange straat.

Langenus, Lanckneus, Langnese. Bijnaam naar een lange neus. Middelnederlands nese; neus. Duits Langnase.

Langer, Langers, Lenger, Lengers, Lenges: Bijnaam voor een lange.

Langeraad, van: Plaatsnaam Langenrade (Overijssel, Sleeswijk-Holstein).

Langeraap. Friese familienaam; lange raap.

Langeraar, Langeraert: Bijnaam lang + vadersnaam. Gerard. Zie van Langerak.

Langeraert, van, Langeraerd, Langeraar: 1. Plaatsnaam Langeraar in Ter Aar (Zuid-Holland). 2. Zie Langerak.

Langeraet, Langenraedt: 1. Plaatsnaam Langenrade (Overijssel). 2. Zie Langera.

Langerak, van Langeraert, Langeraert, Langeraet, Langeraar, Langenaerde, Langenraedt, Langeraet: Plaatsnaam Langerak ‘lang recht gedeelte van een vaarwater’ (Drenthe, Gelderland, Zuid-Holland).

Langereis, Langerijs, Langereijs, Langereys. Plaatsnaam en kanaal Langereis bij Opmeer.

Langeroiert: Bijnaam Lang + voornaam Roeier, Royer, de Germaanse voornaam hrôth-hari ‘roem-leger’.

Langerijt, van de, van de Langeryt, (van) Lanckriet. Familienaam uit de plaatsnaam Lange Riet/Rijt: lange waterloop, langwerpig nat land (onder andere Lange Rijt in Brecht (Antwerpen). Vergelijk Langenried (Beieren).

Langerock, Lanckrock, Landrock: Bijnaam voor iemand met lange rok; vergelijk Blontrock, Duits Langenmantel.

Langeslag: Plaatsnaam Langeslag in Heino, Overijssel.

Langeveld, (van) Langeveld, van Lankveld, Lankvelt, Langeveld, Langevelte: Plaatsnaam Lange Veld in Noordwijk en Noordwijkerhout (Zuid-Holland) en Wierden Overijssel. Ook frequent Langeveld, St.-M.-Bodegem, Merchtem, Wilsele, Opwijk (Vlaams-Brabant), Ressegem, Zèle (Oost-Vlaanderen).

Langevin, L’Angevin; bewoner van Anjou.

Langewauters, Langewouters. Vadersnaam, zoon van Lange Wouter.

Langewisch: Duits amilienaam Langewiesche, plaatsnaam samengesteld met Middennoordduits wisch(e), Duits Wiese ‘weide’.

Langezaal, Langesaal. Duitse plaatsnaam Langensall.

Langford. Plaatsnaam Langford, Norfolk.

Langfuss, Langfus. Duitse bijnaam Langfuss; lange voeten.

Langhor, Langhoor, Lanckohr, Langohr, Langhorne: Bijnaam naar de lange oren.

Langhout: Plaatsnaam Langhout ‘lang bos’. Vergelijk Korthout.

Langlais, Langlet, Langleit, Langlez, Langley, Lenglais, Lenget, Lenglez, Longiez, Longlé, Langlois, Langloys, Lenglois, Linglez, Linglet, Delanglez: Franse herkomstnaam L'Anglais: de Engelsman.

Langlands. Langlant: Engelse familienaam, ook Longland. Plaatsnaam: lang stuk land.

Langlart, Lenglaert, Lenglaert, Linglart, Langelaar, Langelaère, Lenselaer: L'Anglard. Vadersnaam. Germaanse voornaam angil-hard 'Angel-sterk': Angelhardus.

Längle: afleiding van Lang.

Langmak. Nederduits Langmaack, lange Markward.

Langman, Langmans, Langhmans, Longmans, Lancmans, Lancman, Lankman, Langermann, Langerman: Bijnaam voor een lange man, man met grote gestalte. Vergelijk De Lange.

Langmulller. Bijnaam + beroepsnaam. Lange Mulder.

Langouce. Bijnaam. Oudfrans angouche, angoisse: angst.

Langrand, Lengrand, Lingrand: Vadersnaam. Voornaam Engrand met lidwoord. Zie Enguerrand.

Langsam. Langzam. Bijnaam voor een langzame, trage.

Langsdorf. Plaatsnaam.

Langstraat: Heel frequente plaatsnaam Langstraat in Bergen (Nederlands Limburg), Ooltgensplaat (Zuid-Holland), Meijel (Nederlands Limburg, Deurne (Noord-Brabant), streek tussen Geertruidenberg en Den Bosch (Noord-Brabant). Langestraat in Menaldumadeel (Friesland).

Langue. Romaanse aanpassing van Lang. Vergelijk Delangue.

Langui, Languy, Langie, Langhi, Langhuie. Bijnaam uit het Middelfrans languis: kwijnend, ziekelijk.

Languillier. Beroepsaam van de palingvisser of handelaar.

Langwith, Langwieder: Plaatsnaam Langwied (Beieren), Langwieden (Rijnland-Palts).

Langwagen: Beroepsbijnaam van een wagenmaker?

Langwerden: Plaatsnaam Langwerd in Baarderadeel (Friesland).

Laniau, Lanniaux, Lanniau: 1. Zie Lanneau. 2. Verschrijving voor Lagneau.

Lanier, de, Lani, Laniez, Lannier, Lanni, Lannie, Lenie, Leni, Leny, Liny, Lini, Delaneer, (de) Lanneer, De Lanner, Lanners. 1. Beroepsnaam van het Oudfranse lanier = wolbewerker. 2. De vormen zonder lidwoord, beroepsnaam afgeleid van l'ânier = de ezeldrijver. 3. Het Oudfranse lanier, lenier = soort valk. Mogelijk een bijnaam of zelfs afgeleid van de beroepsnaam valkenier. 4. Het Oudfranse lanier en lenier betekent ook lui, traag, schuchter, laf: in dit geval een bijnaam. Zie ook Deligny.

Lanin, Laning, Lanning. Vadersnaam. Afleiding van Julianus. Vergelijk Laenen.

Lanius, Lanis. Latinisering van vleeshouwer.

Lankamp: Plaatsnaam Lankamp in Denekamp, Overijssel; lang veld. Of spelling voor plaatsnaam Langkamp. Lange Kampen in Hardenberg Overijssel en Duiven (Gelderland), Langekampveen in Gasselte (Drenthe).

Lankes, Lankens, Langhkens: Modersnaam Laenkens, afleiding van de voornaam Lane, Juliane. Zie Laenen(s).

Lankester, Langkester: Spelling voor de Engels plaatsnaam Lancaster.

Lankhorst: Plaatsnaam in Staphorst, Overijssel en Olst, Overijssel.

Lankveld, van. Plaatsnaam.

Lanneau, Laneau, Lannaud, Lannaus, Lannaux, Lanaux, Lonniaux, Lanniaux, Lanniau, Laniau, Lanneeuw, Lanneuw, Leneeuw, Laneuw: 1. Oudfrans anel: ketting, ring. Frans l'anneau: de ring. Beroepsnaam of huisnaam. Vergelijk Ring, De Rinck. Zie ook Lonay. 2. L'auneau, afleiding van aune: els. Plaatsnaam. 3. Heel wat vormen kunnen ook teruggaan op Lagneaux.

Lannoo, Lano, Lanoo. Vanwege de tweetoppige o veeleer een verschrijving van Lanoi dan van Lanneau. Zie Lannoye.

Lannoy, Lannoy, Lannoye, Lanoy, Lanoye, Lanoij, Lanoije, Lanois, Lanoyt, Lanoi, Lanoit, Lannoot, Lannoote, Lanoot, Lanoote, Lanotte, Lano, Lannoo, Lanoo, de Lannoie, Lannoeye, Lannoey, Lanoey, Lanoeye, Launay, Lanois, Lanoy, Lonnay, Lonay, Lhonai, Lhonnay, Lonnoy: Plaatsnaam Lannoy (Nord, Oise): 1211 del Ausnoi. Latijnse alnetum, van Frans aunaie, aunoie ‘elzenbos’.

Lanoizelé, Lanoizelet, Lanoizele: Plaatsnaam Lanoiselée: plaats waar notenbomen groeien.

Lanquetot. Plaatsnaam, Seine-Mar.

Lans, van der, Lensink, Lansing, Lansink: Plaatsnaam. Lanse(n): Vadersnaam. 1. Zoon van Lam, van Lambrecht. 2. Van de voornaam Lancelot.

Lansens, Lanssens, Lanssen, Lansen. 1. Spellingvariant van Lamsens. 2. Vleivorm van Lancelot.

Lansenbergh, Lanzenberg: Lantzenberg in Welkenraedt (Luik) en Duitse plaatsnaam Lanzenberg (Beieren, Oostenrijk).

Lanser: Uit Landser. Duits familienaam Lanzer, van plaatsnaam Lanz.

Lansquenet. Beroepsnaam van Duits Landsknecht.

Lansu, Lansue, Variant van Lassue met epenthetisch n.

Lansu, Lansue, Lançut: Met epenthetische n uit Lassue uit Laseu, Picardisch voor Laseur, Leseur(re) ‘naaier, schoenmaker’.

Lantair, Lanteir. Waalse aanpassing van Landheer.

Lantenois, Lantenoy, Lantonnois, Lentenois: Bijnaam. Oudfrans antenois: een jaar oud, van dom, dwaas.

Lantarens. Middelnederlands lanterne: lantaarn. Bijnaam (eventueel huisnaam) of beroepsnaam. Vergelijk Lanternier.

Lantermann. Uit Duits Latermann; (ader) laten.

Lanternier. Beroepsnaam van de lantaarndrager of –aansteker.

Lantez. Vadersnaam. Romaanse afleiding van Germaanse land-naam. Vergelijk Lantin 1, Lantier.

Lantin, Lantain, Lanthin: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Germaanse land-naam (vergelijk Lantheaume). 2. Plaatsnaam Lantin (Luik).

Lanting, Lantinga: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam “Lande’; Land.

Lantoine, Lantoin, Lanthoine. Vadersnaam L’Anthoine; Antonius.

Lantheaume. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-helm; land-helm. Lantelmus.

Lantremange. Plaatsnaam, Luik.

Lantsoght, Lansoght, Landsoght, Lantshoght, Landtsucht: Middenenderlands lancsocht: ingewandspijnen, koliek, buikkrampen. Bijnaam.

Lanuit. 1. Bijnaam. Frans nuit: nacht. Vergelijk Middernacht. 2. Variant van Lanoit.

Lanvenhote, van. Verhaspeling, Frans-Vlaanderen, van Van Langenhove?

Lanvin, Lenvain: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam land-win 'land-vriend': Landuinus.

Lanzendorf, Lanzendörfer: Verspreide plaatsnaam (Beieren).

Lanzke. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Lanzo, zie Lance.

Laoust, Laout: 1. Oudfrans aost, Middenfrans aoust, Frans août: oogst, het oogsten. Beroepsnaam van de oogster. 2. Eventueel spelling voor Lhoest.

Laout. Eventueel Waalse spelling voor Laoutre.

La Paglia, Lapaglia: Italiaanse beroepsnaam: stro. Vergelijk Lapaille. strobinder. Vergelijk Stroobant, Lepailler. 2. Plaatsnaam La Paille (Hte-Marne, Puy-de-Dôme).

Lap, Lapp, Laps, Labs, Lappe, Lappen: Beroepsbijnaam voor een kleerlapper of schoenlapper. Of bijnam voor een in lappen, lompen gekleed man. Vergelijk Frans Lambeau.

Lapaix. Wellicht bijnaam voor een vreedzaam mens.

Lapidaire: Oudfrans lapidaire ‘steenhouwer’. Beroepsnaam.

Laperche, Laperches, Lapers, Laperse, Le Percq, Lapercque, Lapercq, Leperck: Frans perche: pers, staak, mast, roede. Bijnaam of beroepsnaam; zie Perche 2.

Laperteaux, Lapertaux. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans apert; open, handig, slim, levendig.

Lapetite. Bijnaam voor een kleine vrouw.

Lapidaire. Oudfrans lapidaire; steenhouwer. Beroepsnaam.

Lapie, Lapy: La Pie: ekster. Bijnaam, vergelijk Lagache, Axters.

Lapien: Nederlands spelling voor Lapinne, van Delépine, dat is de l’épine, Frans pendant van van (den) Doorne.

Laplagne, Laplane. Plaatsnaam La Plagne, van Latijn planea: vlak terrein, plein.

Laplume. Beroepsnaam van de pluimenhandelaar of pluimer. Vergelijk Pluim.

Lapman, Lappeman. Beroepsnaam. Synoniem met De Lapper.

Lapomme, Lepomme, Lapon: Reïnterpretatie van Frans Lapaume. Oudfrans paume: palm(tak), pelgrimstocht. Bijnaam voor een pelgrim. Vergelijk Palmen.

Laporta, Porta. Italiaanse familienaam, equivalent van Laporte.

Laport, Laporte: Frans Laporte, van Delaporte, Delporte. Plaatsnaam. Frans Porte ‘poort, deur’. Pendant van van der Poorten.

Lapostol, Lapostolle, Lapôtre, Lapotre, Lapot, Lapouter: Oudfrans Apostel.

Lapouille, Lapoulle, Fouille: Oudfrans poille, Waals pouye, Frans poule: kip. Bijnaam, beroepsnaam of huisnaam.

Lapouyade, Lapougeade, Lapuyade: Occidentaalse plaatsnaam: helling. Ook Poujade. Lapouyade (Gironde).

Lapper, de, de Lepper, de Leppere, Leppers: Beroepsnaam van de kleer-of schoenlapper, die kleren of schoenen oplapt, opknapt. Eventueel ketellapper.

Lapraille, Laprèle, Leprail: Plaatsnaam praille, prêle, van Latijn pratella: kleine weide.

Lapré, Lapre. Variant van Lapraye, plaatsnaam, weide.

Laprudence. Moedersnaam. Heiligennaam Prudentia?

Lapsin, Lapsins. Vadersnaam van Lampsin, Lamsin. Zie Lamsens.

Larbalette, Labalette: L'arbalète: de kruisboog. Beroepsnaam van de kruisboogschutter. Vergelijk Larbale(s)trier.

Larbanais, Larbanoix, Larbanois. Volksnaam Arbanoix, Frans Albanais; Albanees.

Larbouillat. Bijnaam. Luiks-Waals harbouya; treuzelaar.

Larbrisseau. Frans arbrisseau; boompje. Plaatsnaam.

Larbuisson. Plaatsnaam in Charneux, Limburg.

Larcher, Larché, Larcier, Larcy, Larsy, Archer, Archie: Franse beroepsnaam archer: boogschutter, of boogmaker.

Larchevêque. Bijnaam. Frans archevêque: aartsbisschop.

Larciel. Variant van Larsil?

Larcier. 1. Zie Larcher. 2. Plaatsnaam Larcier in Kasteelbrakel (Waals-Brabant).

Larcin, Larcint, Larsin: L'arsin. Oudfrans arsin: brandhoop kolen.

Lard. Frans lard: spek. Bijnaam voor een spekslager of speketer.

Larda, Lardat. Waals Lardard, afleiding van Lard.

Lardé, Lardet. 1. Oudfrans lardé: stuk vlees. Vergelijk Lard. 2. Vadersnaam. Korte vorm van Alardet, afleiding van Alard. Vergelijk Lardin.

Lardel, Lardau, Lardaux, Larda, Lardat. 1. Oudfrans lardel: stuk spek, stuk vlees. Vergelijk Lard, Lardé. 2. Afleiding van de voornaam Alard.

Lardeur. Beroepsnaam van de lardeerder of spekslager.

Lardin, Lardon, Lardot, Lardo, Lardoz. 1. Afleiding van lard: spek, varkensvlees. Vergelijk Lard(é). Lardon. 2. Korte vorm van Alardin, Colardin, -on,-ot.

Laren, Laerens. Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Hilarius. Zo ook Laret?

Lareppe. Plaatsnaam in Ohey (Namen); rouchi reppe: kreupelhout.

Larger, Largher. Wellicht spelling voor Larget.

Largefeuille. Waarschijnlijk reïnterpretatie van L'Aigrefeuille, van Latijn acrifolium: hulst. Vergelijk Arfeuille en Larfouillut.

Largent. Frans argent; zilver, geld. Bijnaam voor de zilversmid.

Largepret. Plaatsnaam Large Pré: brede wei; vergelijk Breemeersch? Maar wellicht volksetymologisch voor Largepied: brede voet. Vergelijk Duits Breitfuss.

Larget, Largetaeu, Largeais. Afleiding van Large.

Largillier, Largilier, Largillière, Larzillière: 1.Beroepsnaam argilier: kleiwerker, lemer, leemwerker. 2. Plaatsnaam Argilière: kleiput, kleigroeve. L'Argillier (Puy-de-Dôme), L'Argillière (Oise), Arziilières (Marne).

Laridaen: familienaam Laridan, van Loridan, van Frans Lorédan, van Italiaans Loredano, Loretano ‘afkomstig van Loreto in Italië’.

Larisch. Vadersnaam Larsch. Duitse korte vorm van Laurentius.

Larmande. Moedersnaam. Vrouwelijk bij Remond, Germaanse voornaam Reimond.

Larminiaux, Larmignat, Lerminiaux, Lerminiau, Lerminieau, Lermineau, Lermigneau, Lermigneaux, Lerminiaux, Lerminaux, L'Herminiaux, L'Hermignaux, Lhermigneaux: L'Erminaus. Frans erminaus: tovenaar. Bijnaam.

Larminier, Lherminier, Lerminier, Larmonier, L'Herminez, Lherminez, Lerminez, L'hermenez. Naam uit het Franse hermine: hermelijn. Het Oudfranse herminet: hermelijnen mantel. Beroepsnaam van de bontwerker, de pelsenmaker.

Laarmoyer, Larmoyeux, Lermoyeux. Oudfrans armoier, armoieur; wapenmaker.

Larmuseau, Larmusia, Larmusiaux, Larmusieau, Larmusseau, Lermusiau, Lermusiaux, Lermusiau, Lermuseau, Darmusiau, Darmusieau: Afleiding van Frans larmuse: kleine grijze hagedis. Bijnaam voor een klein behendig mens.

Larnau, Larno, Lerno: Vadersnaam L'Arnaud, Germaanse voornaam Arnoud. Of variant van Lernould.

Laroc, Larock, Laroche, Larocque, zie Laroche. Delaroche, Delaroque, Delrock, Delroc, Delrocque, Delrocq, de Larroque, Larock, Laroc, Larocque, Larroque: Verspreide plaatsnaam La Roche: rots (onder meer Luxemburg). Roc, Roque is Picardisch, Laroque in Chercq (Henegouwen).

Larochaymond. Paatsnaam La Roche Aymond: rots genoemd naar Eimond of Heimo (vergelijk le Rocher Bayard in Dinant en de Vier Heemskinderen). Plaatsnaam in Mainsat (Limousin)?

Laroes, Laros, Laernoes, Laernaes: 1. Frans Larousse, bijnaam voor een roodharige vrouw, een rosse. 2. De familie Laros uit Delft en Noordwijk stamt van 1630 Pierre Petyt = Petit de la Roche, Breda. De naam is hier een aanpassing van Frans Laroche. Laernoes met n-invoeging.

Laroij, Larooij: 1.Variant van Lerooij, van Leroi ‘de koning’. Zie Leroy. 2.Verkort uit de la Roy, de la Ruye; Plaatsnaam Ruy(e)‘beek’.

Larmuseau, Larmulau, Larmulaux, Larmuleau, Larmusseau, Lermusieau, Lermusiau, Lermusieaux, Lemuseau, Darmusiea, Darmusiau. Naam uit het Franse larmuse: kleine grijze hagedis. Bijnaam voor een klein behendig mens.

Larondelle, La Rondelle: Oudfrans arondel, afleiding van Oudfrans aronde: zwaluw. Bijnaam.

Larose, la Rose, Larroze, Laroose, Larooze, Larosse: 1. Bijnaam naar de bloemnaam, de roos, vaak huisnaam. 2. Variant van Larousse, met name Larosse.

Larouillère. Waarschijnlijk spellingvariant van Laroyère; zie Delaroyère.

Laroumagne. Zuid-Franse plaatsnaam (la) Roumagne, van villa Remania. Roumagne (Tarn-et-Garonne), La Romagne (Ard., Maine-et-Loire). Ook familienaam Laroumanie, Laromanie.

Larousse, Larosse: Bijnaam voor een roodharige vrouw, een rosse.

Laroussel, Larouselle: Bijnaam: roodharige vrouw. Vergelijk Ro(u)ssel.

Laroussi, La Rôtie: Plaatsnaam La Roussie (Dordogne).

Larraigné, Larangé, Larrangé, Larrange, Larange: Spellingvariant van de Franse familienaam Laragne, Laraigne, variant van Ara(i)gne. Oudfrans ara(i)gne: spin. Bijnaam.

Larroumetz. Plaatsnaam Larroumet (Z.-W.-Frankrijk): braamstruik.

Larsson, Larson. 1. Zie Larson. 2. Variant van Larsen.

Larsen, Larssen. Vadersnaam. Scandinavische vorm voor voornaam Lars.

Larsimont. Lasimont, Larcimont: Plaatsnaam Arsimont (Namen).

Larson, Larcon, Larsson, Lerson, Larsonneur, Larsonnier: Oudfrans arçon: boogje. Beroepsnaam van de bogenmaker. Ook Larçonneur.

Larsy, Larcy. 1. Zie Larcher. 2. Plaatsnaam. Luiks-Waals arzi: kleiput.

Lartigue, Lartige, Larticle: Plaatsnaam Lartigue (Gironde). L'artigue: braakland; zie Artigues. Larticle is Waals hypercorrect.

Lartillier, Lartiller, Latelier, Lartelier: Beroepsnaam. Oudfrans artillier: maker van schiettuigen, van geschut, (ook) schutter. l'Artilleur (arbalétrier: kruisboogschutter).

Larzarin. Vadersnaam. Lazarin (met r-epenthesis), vleivorm van de voornaam Lazarus.

Lasance, Lassance, Lassence: Verspreide plaatsnaam in Luxemburg. Accense: gepacht of gegeven goed.

Lascar, Laskar. Variant van Frans Lachard. Afleiding van Oudfrans lasche: los, ongespannen, zacht, laf. Bijnaam.

Laschet, Laschette, Lachet, Lachette, Laeschet. Familienaam uit de plaatsnaam Laschet, dat is Latescheid: laathof, in Eupen en in Homburg (Luik).

Lascot. Anagram van Colas.

Lasker, Lask, Laski, Laska, Lasky (Poolse variant). Joodse naam uit de Poolse plaatsnaam Lask(o) (in Sieradz). Hij komt ondertussen in heel wat landen voor. Zie ook bij Lachard.

Lasne. Bijnaam. Oudfrans asne, Frans âne, van Latijn asinus: ezel. Vergelijk Lasnet.

Lasnet. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans asne; ezel.

Lassau, Lassaux, Lassaut, Lasseu, Lasseux, Lassauw, Lassouw: 1. Zie Delasaux. 2. Uit Lassel; zie Lasseel.

Lassche: Heel frequente Overijsselse familienaam met name in Enschede en Vollenhove. Bijnaam. Middelnederlands lasch ’slap, los, zwak’. Vergelijk Duits Lasch.

Lasseel, Lassau, Lassuax, Lassaut, Lasseau, Lasseaux, Lassay. Familienaam uit de plaatsnaam Assel (Hasselt) of Lassay in Luik. Vadersnaam Assel met lidwoord, L’Assel. Vergelijk Lasselin.

Lasselin. Vadersnaam. L'Asselin. Zie Asselin, Lasseel. Of van Lancelin.

Lassen, Lassens, Lahssen, Lahcene, Lahcen, Lhassen: Vadersnaam. Door assimilatie rs/ss van Lahrsen, Larssen.

Lasser, Laszer. Duitse beroepsnaam van de (ader) later.

Lasseret, Lasserez. Afleiding van Oudfrans laceur: maker van linten. Zie Lacheron.

Lasserre, Lasser, Lasseer: Plaatsnaam Lasserre (Ariège, Aude, Hte-Gar., Lot-et-Gar. Basses-Pyr., Ardèche, Aveyron).

Lasset, Lassez, Lassé, Lacet, Lacey, Lachet, Lazet: 1. Oudfrans lasset: ongelukkig. Bijnaam. 2. Middenfrans lacet: strik, strop, lus. Beroepsnaam.

Lassiaz. Naam uit Savooie. Plaatsnaam Siaz, van Latijn seca: bergkam.

L’Asiette. Reïnterpretatie van La(s)chette.

Lassine. Waarschijnlijk verkort van De la Sinne, als reïnterpretatie van Delsinne, de Lessines.

Lassmann, Lassman, Lassman. Vadersnaam. Duitse vleivorm van Slavische voornaam Ladislav.

Lassoudris, Lassoudry, Lasudry, Lassudry: Occidentaalse familienaam Lassudr(er)ie, afleiding van sudre, Occidentaals cas sujet van Frans sueur: schoenmaker.

Lassue, Lasué, Lassuyt, Lasuyt, Lassuyt: Het ligt bijna voor de hand om deze familienaam als variant te beschouwen van Lassus (zie Delassus). Maar de familienaam komt in de 18de eeuw in het Tieltse voor, duidelijk als variant van Laseur, via Picardisch Laseu. Mogelijk daarom dat Lassue en Las(s)uy(t) spellingen zijn voor Laseu. Het omgekeerde is niet uit te sluiten: 18de eeuws Laseur in Ruiselede kan een reïnterpretatie zijn van Las(e)u.

Last: Beroepsbijnaam van de lastdrager of bijnaam voor een lastig mens.

Lastdrager. Beroepsnaam van de lastdrager.

Lasters. Vervorming van Lasschaerts, afleiding van Middenenderlands lasch: slap, zwak. Vergelijk Lascar.

Lat, de. Beroepsnaam van de lathouwer.

Latache, Lataque, Lattaque, Latak: Oudfrans tache, Picardisch taque: vlek. Bijnaam voor iemand met een vlek.

Latair, Lateir, Laterre: Waalse uitspraak van Later.

Latapie. Z.-W.-Franse plaatsnaam Latapie: lemen muur.

Lataster: Latastère, Plaatsnaam in Tilh (Landes)? Of wellicht veeleer plaatsnaam Lutaster in Thimister (Provincie Luik). Ster ‘rode, gerooid land’.

Latair, Lataire, Lateir, Laterre. Waalse variant van Later De.

Latdorp: Plaatsnaam Lattrop in Denekamp, Overijssel of Latrop (Noordrijn-Westfalen), met matathesis.

Latem, van, van Lathem, van Laeten, van Laten, van Laethem, van Laetem, Laethem, van Latum, van Laethum, van Laethen, (van) Lautem, (van) Lauten, Laton, van, Latton, van Laton, Verlathem, Verlaten, Verlaten. Familienaam uit de plaatsnaam Latem (Bierbeek -Vlaams-Brabant), St.-Maria-Latem en St.-Martens-Latem (Oost-Vlaanderen) of uit Lathum (Gelderland).

Later, de; de Laater, de Laeter, de Laetere, de Latere: 1. Beroepsnaam van de bloed-of aderlater, chirurgijn. Zie ook Delattre. 2. Soms ook Frans de l’Atre ‘van den Kerkhove’.

Lateste. Bijnaam. Oudfrans teste, Frans tête: hoofd. Vergelijk Hooft.

Latet. Van Oudfrans lat(e), van Nederlands lat. Beroepsnaam. Vergelijk Lateur.

Lathouwer, de, de Latthauwer, (de) Lathauwer, Lathouwers, de Laethauwer, Lathouders: Beroepsnaam van de lathouwer, lattenklover, Uttenklover. Zie ook Delattre.

Lathrop. Plaatsnaam Latrop (Noordrijn-Westfalen), Lattrop (Overijssel).

Latignies, Latigny, Lattignies, Latinies, Latinie, Latinis, Latini, Lateny: Er is een plaatsnaam Latigny in Saint-Père (Nièvre): Maar aangezien deze familienaam hetzelfde spreidingsgebied heeft als Lattinne, is het er waarschijnlijk een regressievorm van; zie Delatinne.

Latombe, Latomme, Deletombe, Deltombe, Deltomme, Letombe: Plaatsnaam Tombe: tumulus, (graf )heuvel.

Latomme: Door assimilatie mb/mm van Latombe. Plaatsnaam Tombe ‘tumulus, (graf)heuvel’.

Latouche, Letouche, des Touches, Destouches. Familienaam afgeleid van de Oudfranse 'tosche/tousche': bosje. Zo is er onder andere de plaats Estouches in het gebied Seine-Oise.

Latré, Latre, Latrez, Latrée, Lattré, Lattre, Lattrez. Naam uit Letteret, uit het Franse latte: lat. Uit het Luiker Waalse lat(e)rê: plafondlatje. Beroepsbijnaam van de lathouwer of bijnaam voor een lang, mager persoon.

Latrèche, Latrech, Latreche, Latrach: Plaatsnaam La Trace (Seine-et-Marne, Saône-et-Loire), van Latijn trichia: gevlochten haag.

Latruwe. Vervlaamsing van de Franse naam La Truie. Kijk bij Letroye.

Latte (de), Latten. 1. Naam uit het Middelnederlandse latte: lat, daklat, panlat. Beroepsbijnaam van de lathouwer of bijnaam voor een lang, mager persoon. 2. Delatte kan een Waalse variant zijn van Delattre of De Later (zie Later).

Latter, de. 1. Afleiding van Middenenderlands latten: (een dak) van latten voorzien. Vergelijk Latteur. 2. Vernederlandste spelling voor Delattre.

Latteur, Latteux, Lateur,Lelatteur, Lelateur, Delatteur, Delateur. Beroepsnaam uit het Oudfranse latter: met latten beslaan, latten klieven. Waalse variant van (de) Lathouwer.

Latz. Duits Latz; klep (van broek) gulp. Bijnaam.

Lau, la, de, Laue, Lauer. Bij de al langer in Nederland aanwezige familienaam Lau, die mogelijk van Duitse oorsprong is, heeft zich de Chinese naam Lau gevoegd. 1. Zie De Lauw(e). 2. Middennoordduits louwe, lowe, Duits Lôwe: leeuw. Bijnaam. 3. Vadersnaam van de voornaam Laurentius.

Laub. Verspreide Duitse plaatsnaam; loofwoud.

Laubain, Laubin. Oudfrans albain, Middenfrans aubain, van Germaans ali-ban: tot een andere stam behorend, vreemdeling.

Laubach, Laubacher. Verspreide Duitse plaatsnaam Laubach. Lau-bach: lobeek, bosbeek.

Laubenthal, Lobental. Plaatsnaam Laubenthal, Beieren.

Laublin. Zuidduitse familienaam, sinds de 16de eeuw in Zwitserland. De gezusters Loveling zijn trouwens van Zwitserse afkomst. Afleiding van Duits Laube: luifel, uitbouw (Middenenderlands love).

Laubner, Laubener, afleiding van Duitse plaatsnaam Lauben.

Laude. Naam uit de Germaanse voornaam Ludo, Lode (naam uit het Germaanse Liud).

Laudens, Laudes, Laudus. Schrijfvariant van Lodens. Zie bij Lodens. Of uit de voornaam Lode.

Laudert. Plaatsnaam Luderode in de Hunsruck (Duitsland).

Laudet, Laudin, Ladin, Lodez. Vadersnaam. Afleiding van Laude.

Laudisoit, Lodigeois: Audigeois, wellicht vleivorm van Germaanse voornaam Audigier, Aldger.

Laudus, Laudy, Laudij. 1. Latinisering van Laude. Zie daar. 2. Verschrijving van Laude(n)s. Zie daar.

Lauenstein. Plaatsnaam (Beieren, Saksen, Nedersaksen), van Löwenstein.

Lauer. Duitse bijnaam. Middenhoogduits lûre: sluw, listig mens.

Lauff, Lauf, Laufer, Lauffer, Laeufer, Laeuffer, Laoufer, Laufert, Lauffs, Laufs: Bijnaam, beroepsnaam van de loper, bode.

Laufenberg. Duitse plaatsnaam.

Laukens, Laukes, Lauwkens: vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Laurentius.

Lauks, Laugs, Laux: Vadersnaam. Duitse gediftongeerde vorm van de voornaam Lukas. Ook Lau(c)ke(s), Lauxmann.

Lauman, Laumans, Laumen. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Laumont, Laumond. Plaatsnaam in Eben-Emael (Luik) en Wavreille (Namen).

Launer. Duitse familienaam Lohner; dagloner.

Lauptman. Waalse verhaspeling van Laubmann.

Laure. 1. Moedersnaam van Laura, vooral populair geworden door Petrarca 's sonnetten voor Laura. 2. Spelling van Lauré; zie Laurel.

Laurence, Laurensse, Delorance, Deleurence: Moedersnaam Laurentia.

Laurenceau, Laurencin. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Laurens.

Laurentius, Laurens, Laurense, Laurensse, Laurents, Laurensis, Laurencis, Lourens, Lourense, Lourus, Lawcence, Laurent, Laurand, Laurent, Laurend, Leaurent, Laurenti, Laurenttii, Laurenty, Laurensy, Laureins, Laureyn, Laureyns, Laureijn, Laureijns, Laureeys, Laurenynssen, Laurenssens, Laureyssen, Laureyssens, Laureysen, Laureysens, Laureijssen, Laureijsen, Laureijssen Laureijssens, Laurijsen, Laurijsens, Lavrijssen, Lauryssen, Vrijsen, Laurijssen, Laurijssens, Lauryssen, Lauryssens, Laurysen, Lauryssens, Laurys, Laurysse, Lauwrijs, Lauwrys, Lauwreys, Lauwreyssen, Lauwreyssens, Louwerens, Lauwereins, Louwereyns, Louwereijns, Louwerens, Louwerijns, Louweryns, Louweres, Louwe, Lauwerensens, Lauwerenssens, Lauwerensen, Lauwereys, Lauwereyssen, Lauwereijs, Lauwerijs, Lauwerijsen, Lauwerijssen, Lauwerijssens, Lauwerys, Lauweryst, Lauwerysen, Lauweryssen, Lauweryssens, Lauvrys, Lauvrijs, Lavreys, Lavreysen, Lavreeijsen, Lavrys, Lavrysen, Lavrijs, Lavrijs, Lavrijssen, Lorent, Loran(, Lorand, Lorreng, Lorang, Lorent, Lorend, Lorens, Lorentsen, Lorentz, Lorentzen, Lorentzzen, Lorenzon, Lorenzo, Lorenzi, Lorensi, Lorinz, Lorinc, Lorincz, Lorenc, Lörincz, Loreis, Leurent, Leurant, Leuris: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Laurentius; ‘uit Laurentum, stad in Latië’. De vorm Lauwerijns kan worden verklaard uit de vleivorm Lauwerin, maar kan ook een Brabantse spelling zijn voor Lauwereins, Laurens.

Lauret, Louret, Louweret, Lauré, Loret, Loré, Lorré, Lorrez, Lorez, Lores, Laures, Laurez, de Lauré: Vadersnaam. Franse verkleinvorm op –et van de voornaam Laurent, Laurentius.

Laurette, Lorette, Lourette: Moedersnaam. Vrouwelijke afleiding van de voornaam Lauren.

Laurier, Lauriers, Laurie, Lauwerie, Lauwerier, Lauwerière, Lauwarier, Lauwrier, Loriers, Lorie, Lorié, Lori, Lori, Leurier. Uit het Franse laurier: laurier. Vergelijk Duits Lorbeer. Beroepsbijnaam voor de kruidenhandelaar of bijnaam naar de huisnaam.

Lauriks, Lauweriks, Lauwerikx, Lawriks: Vadersnaaam. Waarschijnlijk van de voornaam Laurentius, Vergelijk Oost-Duits-Silezisch Lauri(s)ch, Duits Lar(i)sch.

Laurin, Laurinc, Leurin, Lurinckx, Lurinx, Lorin, Loryn, Lorein, Loreing, Loreyn, Laeveren. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Laurentius.

Laurin, Laurinc, Leurin, Lurincx, Lurinx, Lorin, Lorrijn, Lorryn, Lorein, Loreing, Loreyn, Laeveren: Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Laurentius.

Lauritzen, Loorits: Deens-Sleeswijks vadersnaam. Zoon van Laurentius.

Laus, Lause, Lauws, Slaus. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de voornaam Nicolaus. 2. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Laurentius. Zie Lauwer.

Lausberg. Plaatsnaam Lausberg (Duitsland). Of variant van Lousberg.

Lausch, Lauscher. Duitse bijnaam voor een luisteraar, spion. lausers: Duitse fmailienaam Laus(s)er: wildstroper.

Lausee: Spelling van de Franse familienaam Lauzet. Plaatsnaam (Alpes-de-Hte-Provence) ?

Laut, Laute, Lauthe, Lauth. Duitse bijnaam voor de luitspeler.

Lautenbach, Loutenbach: Verspreide Duitse plaatsnaam Lautenbach.

Lauter, Lauters, Lauterman, Lautermann, Lautermans, Louterman, Luttermann, Lotterman, Loterman: Lauter/Lutter: verspreide Duitse waternaam.

Lauterbach. Erg verspreide plaatsnaam; heldere beek.

Laterboren. Plaatsnaam Lauterborn; zuivere, heldere bron.

Lauvau, Lauvaux, Lauveaux, Delauvaux: 1. Centraal Waals lauvau: daar beneden. 2. Zie Laval.

Lauvergnat, Lauverjat: Plaatsnaam Lavergnat, afeleiding van de boomnaam verne: els. Lavernat (Sarthe).

Lauwe, de, (de) Louw, de Lou ,Lauw, Lau, Laue, Lau: Bijnaam naar het lauwe, onverschillige karakter.

Lauw, van, Lauwe, van, van Louwe. Plaatsnaam Lauwe, West-Vlaanderen.

Lauwers, Louwers, Louwerse, Louwers, Louwes, Louws, Louwe, Louwé, Lowes, Lauer: 1. Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Laurentius. 2. Beroepsnaam de Lauwer ‘leerlooier’. 3. Beroepsnaam van de advocaat ‘causidicus’. Vergelijk Engels lawyer.

Lauwaert, Lauwaerts, Lauwaers, Lauwaet, Louward, Louwaert, Louwart, Loward, Lowart, Lowaertz, Lorwartz, Louard, Louart, Louat, Luwaert, Lovaert, Lavaert, Lavaerts, Laevaerts. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse laeu: lauw, vadsig, onverschillig, lui. Ook Luiks-Waals loyâ: lui. 2. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Lauwen, Lauwens, Laeven, Laevens, Laven, Lavens, Lauvens, Louwinck, Louwink, Lovink. Vadersnaam uit de heiligennaam Laurentius.

Lauwer, Lauwers, Lauersen, Laursen, Louwers, Louwerse, Lauer, Lauers, Laevers, Lavers, Laus, Leuwer, Leuwers, Leurs, Leus. 1. Vadersnaam: verkorte vorm van Laurentius. 2. Zie ook (de) Lauwer.

Lauwer, de, de Laever. 1. Beroepsnaam van de leerbereider, de looier. Middelnederlands: lauwer. 2. Zie ook Lauwers.

Lauwick, Lauwyck, Lauwijck, Lauwych, Louwyck, Lowyck, Lowijck, Lawik. 1. Zie Lodewick(x). 2. Familienaam uit de plaatsnaam Lawik/Lowik. Lawik in Woumen (West-Vlaanderen) en Lowik in Markelo (Overijssel).

Lave, Lavens, Laevens. Vleivorm van een Germaanse voornaam, zoals Lavoldus.

Laviënne, de: Variant van de familienaam Delavenne, Deliveine. 1. De l’avoine, van plaatsnaam Oudfrans aveine, avesne, avenne, van Latijnse avena ‘haver, haverveld’. Het kan ook een beroepsnaam zijn van een haverkoopman. 2. Avenne(s), Avesne(s) is een frequente veldnaam in Noord-Frankrijk. Romaans avesna ‘weiland’, vergelijk Oudengels Æfesn.

Lava, Leva. 1. Variant van Laga. 1632 Charles Laga (Heule) is de vader van Petronella Laga, maar de volgende kinderen heten Lava en Leva. (Zie Laga). 2. Zie Laval.

Lavache, Livache: Bijnaam. Frans vache: koe.

Lavachery, Vacherie, Fâcherie, Vacquerie: Plaatsnaam Vacherie: koestal. Lavacherie (Luxemburg), Vacquerie (Pas-de-Calais).

Laval, Lawal, Lavalle, Vale, Lava, Lavaud, Lavau, Lavaut, Lavea, Laveaux, Laviaux, Lavaux, Lavay, Delaval, Delavalle, Delava, Delavaud, Delavault, Lelavaux, Lelavau, Lalavaud, Lelavault, Lavalette. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Laval, Lavau(x): lager, stroomafwaarts gelegen plaats. Zie Val, Leveau.

Lavancé, Lavanché, Lavancier, Lavancy, Lavency: Plaatsnaam Lavancy in Montriond (Hte-Savoie), Lavancher in Chamonix.

Lavand’homme, Lavendhom, Lavendhomme, Lavend’homme, Lavend'home, Lavendomme: Hoofdzakelijk Henegouwse familienaam. Waarschijnlijk aanpassing met lidwoord van familienaam Van Domme.

Lavandier, Lavandy, Lavendy, Lavender: Beoepsnaam. Oudfrans lavandier, Middenendelrands lavendier: (was)bleker, wasser.

Laven, Lavens, Laevens, Laeven, Lauvens, Lauven, Leavens. 1. Knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lavoldus (uit de oude Germaanse mannennaam Laaf, Lave + old. Vergelijk Waals-Vlaams Lavekensakker 2. Zie Lauwen(s).

Laventure, Laventurier, Lavanturier: Bijnaam vooreen aventurier, rondtrekkend koopman, reiziger, trekker. Vergelijk Aventure.

Laverdisse. Misschien d'Averdisse met substitutie van d'door /'. Plaatsnaam Averdisse (Namen).

Laveren. Vadersnaam. Brabantse vorm voor Lauwerin, vleivorm van Laurentius. Vergelijk Lavers.

Laverge, Le Verge, Laverze, Leverze. Plaatsnaam of huisnaam uit het Franse verge: roede (oude landmaat). Of beroepsnaam van de landmeter.

Laversin, Laverseyn. Plaatsnaam Laversine(s) (Aisne, Oise). Plaatsnaam Laversenne: landmaat, stuk land.

Lavet, Laveyt. Vadersnaam? Afleiding van een Germaanse voornaam? Vergelijk Laven.

Laviane, Lavainne. Plaatsnaam La Viane in Ronquières (Henegouwen).

Lavieillle, Lavielle. 1. Bijnaam. Variant of vrouwelijke vorm van Le Vie(i)l: de oude. 2. Bijnaam voor de vedelaar. Vergelijk De Vedelaere. Oidfrans viele: vedel.

Laville. 1. Korte vorm van Delaville; zie Delville. 2. Varian van Lavie(i)lle.

Laviolette, Laviollette. Frans violette: vaak naam van soldaat of knecht, ook uithangbord.

Lavin: Ook Lavain, van Levain. Bijnaam. Oudfrans vain ‘zwak, uitgeput, leeg’.

Lavis, Lavisse. Plaatsnaam. Waals lavi: bevloeid, geïrrigeerd terrein.

Lavit. Plaatsnaam, van Latijn vitis: wijngaard (Tarn-et-Garonne).

Lavocat. Beroepsnaam L'avocat: advocaat.

Lavoine, Lavaine, Laveine, Laveyne, Lavenne, Lavennes, Lavennen. 1. Frans avoine, Oudfrans aveine; haver. Beroepnaam van de haverteler of –kooopman. 2. Plaatsnaam, zie Delaynne.

Lavoir, (van, de) de Lavoir: Plaatsnaam Lavoir (Provincie Luik). Of (le) Lavoir ‘wasplaats’ in Zutkerque (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen), Verlaine (Provincie Luik), Floreffe.

Lavoisier, Lavogez: Dialect variant (en hypercorrecte g-spelling) van l'avaissier: notenboom.

Lavooij: Spelling van Lavoye, van Levoye, van Del(e)voy(e) ‘van de Wege’. Frans voie, van Latijnse via ‘weg’.

Lavoine, Lavaine, Laveine, Laveyne, Lavenne, Lavennes, Lavennen. 1. Naam uit het Franse avoine (: haver) voor de teler of de koopman. 2. Mogelijk uit de plaatsnaam Delevenne.

Lavolé, Lavollle, Lavolllée: Frans avolé: verwaande, vreemdeling.

Lavril, Lavrit, Lavry, Lavery: L'avril. Familienaam naar de naam van de maand april. Zie April.

Lavrillé, Lavrille. Variant van Lavril, met secundair accent.

Law, Laws. Plaatsnaam. Oudengels hlaw; heuvel.

Lawarée, Lawarrée, Lawaree, Lawarie, Lawalrée, Lawalrree, Lawairée, Lavarée, Lavarie: Bijnaam. Waals èwaré: verbaasd, verstomd.

Lay, Lays, Laijs, Laijs: Korte vorm van Nikolaais, Nicolaas. VgL Laes.

Laycock. Plaatsnaam Laycock, Yorkshire.

Layton. Plaatsnaam Layton (Lancastershire, Yorkshire), Leyton (Essex).

Lazonder: Plaatsnaam Lasonder bij Enschede, Overijssel.

Lazaron, Lazaroms, Lazeroms. Vadersnaam. Oudfrans lazaron; melaats.

Lazeu. De vorm Lazeu ontstond uit de Spaanse familienaam (de) Lazon.

Lebacq, Lebacqz, Le Bacq, Leback, Lebac. 1. Verfranste vorm van De Baek(e). Zie bij Baek(e). 2. Of verfransing van De Back. Zie Bak. 3. Of Waalse verschrijving van De Backer. Zie bij Backer(e) (de).

Leander: Vadersnaam. Griekse voornaam Leander.

Leautaud: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam leud-wald ‘lieden-heerser’: Leutaldus, Leotaldus.

Le Boulch. Bretonse familienaam Le Boulc'h, Le Boulh. Bretons boulc'h: gewond, met hazenlip.

Le Bussy. Luiks-Waals voor Le Boucher of Le Bûcher: slager, beul of houthakker.

Le Calvé, Le Calvez: 1. Zie Calvet. 2. Bretons Calvez: timmerman.

Le Castrée. Van Middelnederlands quaet streke. Bijnaam voor een kwade strijker, een koren- of lakenmeter die bij het strijken fraude pleegt. Wellicht bijnaam voor iemand die een vervalste kan of maat gebruikt. Castricque kan eventueel hierop teruggaan.

Le Chatelier. Plaatsnaam Le Châtelier (nder meer Marne).

Le Clair, Leclair, Leclaire, Leclairq, Leclère, Leclerre, Lecler, Lecleire, Lecleir, Lecleer: 1. Frans bijvoegijk naamwoord clair: helder. Vergelijk De Cleer. 2. Zie Leclère.

Le Clech, Leclecq: Bretonse familienaam Le Clec'h, Le Clech. Beroepsnaam van de klokkenluider.

Lebbe: Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse voornaam Liebrecht ofLieboud.

Le Clément. Vadersnaam Clément met lidwoord.

Le Corre. Variant van Lecoeur?

Le Cos. Bretons Cozh; oud.

Le Docte, Ledocte, Ledocq, Ledoc, Ledock, Ledoque, Ledacte, Ledac: Franse bijnaam docte: geleerd.

Le Du. 1. Zie Leducq. 2. Bretons Du: zwart.

Le Gain. 1. Zie Lechien. 2. Ook Bretonse familienaam Le Cain: mooi, moedig.

Le Gal, Le Gall. Bretonse familienaam Gall: vreemdeling, Fransman.

Le Goff, Legoff: Bretonse beroepsnaam Goff: smid.

Le Grode. Waalse aanpassing van De Grote.

Le Guen. Bretonse familienaam Gwenn: blank, wit, rein.

Le Hanaff, Hénaf, Hénaff): Bretonse familienaam Le Héna(n)ff: de oudste.

Le Hir. Bretonse familienaam Hir; lang leven.

Le Hodey. Bijnaam. Oudfrans Waals hodé: vermoeid.

Lehon: Oudfrans bon, Frans homme: man. Vergelijk De Man.

Le Jean, Lejan, Lejean: Reïnterpretatie van Lejon(g)/Lejosne.

Le Landais. Afkomstig van de Landes (Z.-W. Frankrijk).

Le Lorrain, Lelorain, Lelaurain, Lorraine, Lorrain, Loraine, Lorain, Lauraine, Loreing, Lorein, Loreyn, Lorreyn, Loreynen, Loreyne: Volksnaam: Lotharinger, Frans Lorrain.

Lelsz, Friese voornaam Lelle, Lello, zie het dorp Lellens in Fivelgo en lellingen in Luxemburg en Lelm (Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.

Le Maguer, Le Magueresse. Bretonse familienaam mag: voeden, opvoeden.

Le Mainsons. Afkomstig van Le Mans, Sarthe.

Le Marée. Bretonse familienaam Mardi; paard.

Le Marinel. Afleiding van Oudfrans marin; zeeman, matroos. Beroepsnaam.

Le Moal. Bretonse familienaam Moal; kaal.

Le Néel. Verschrijving voor Leignel, Laigne ?

Le Nezet. Bretonse familienaam; krom, scheef.

Le Paon, Lepan, Lepaon: Bijnaam. Frans paon: pauw. Vergelijk De Pauw.

Le Pare. Bretonse familienaam Park; omheind veld, perk.

Le Paul. Lepaulle, Le Poole, Lepeau, Lapeau, Lapauw, Lapouw: Vadersnaam Paul met lidwoord le. Pau is een Franse dialect vorm van Paul.

Le Paulmier, Paumier: Bijnaam naar de palm van pelgrims of kruisvaarders. Vergelijk De Palmenaere.

Le Poigneur. Bijnaam van de vuistvechter. Vergelijk Poignard.

Le Pyge. Oudfrans pige: bil. Bijnaam naar het lichaamsdeel.

Le Rigoleur. Waarschijnlijk een schertsend bedoelde reïnterpretatie (grappenmaker) van Rigole, Rigolet.

Le Serrurier. Bretonse familienaam. Afkomstig van Le Berry. Vergelijk Berruyer.

Lewenkron, Leuwenkron, Levenkron: Waarschijnlijk huisnaam Leeuwenkroon: gekroonde leeuw. Of plaatsnaam Löwenkrone (Duitsland).

Léal, Léale, Leale, Leal. Oudfrans le(i)al, Frans loyal: legaal, wettelijk, van goede hoedanigheid.

Léandre, Leandrin, Leandri. Vadersnaam. Griekse voornaam Leander.

Léanne, Leanne: Moedersnaam. Korte vorm van Valériane of Juliane.

Lebbinck: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Liebrecht of Lieboud. Zie Lebbe.

Laecourt, van, Leaucour, Léaucour, Léaucourt: Plaatsnaam Leaucourt in Hérinnes (Henegouwen).

Léautier, Liottier: Vadersnaam. Rommanse vorm van Germaanse voornaam leud-hari 'lieden-leger': Liut(h)arius, Leotarius.

Lebacq, Lebeacqz, Leback, Lebac. 1. Bijnaam. Vertaling van De Baek(e). 2. Vertaling van De Back. Zie Bak. 3. Waalse aanpassing van De Backer.

Lebain. Oudfrans bai(e)n: gespleten (erwt, boon). Bijnaam?

Lebar, Le Bars: 1. Bretonse familienaam: bard, zanger, minnestreel. 2. Zie Baars.

Lebas. Bijnaam. Frans bas: laag, klein, zwak. Vergelijk Lehaut.

Lebay. Waalse variant van Lebeau.

Lebbe, Leb, Lebe. Vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse voornaam Liebrecht of Lieboud.

Lebé, Lebée, Lébé, Lebe, Lébe, Lèbe: 1. Variant van Lebecq. Bé = Bec. 2. Zie Lebbe. 3. Zie Lebay.

Lebecq, Lebec, Lebecque, Lebèque, Lebesque, Lebeque, Le Beck, Lebecke, Lebeck, Lebeke, Lebek, (van) Labeke, Labbeke, Labik: 1. Bijnaam. Frans bec: bek. Vergelijk Bek. 2. Waalse aanpassing van De Becker.

Lebedelle. Oudfrans bedel, Frans bedeau: pedel, bode. Zie Bidaud.

Lebedew, Lebedewa, Lebedeff, Lebedof. Russisch Joodse familienaam, van lebed; zwaan.

Lebegue, Lebègue, Lebegge, Bègue, Lebaigue: Bijnaam voor een stotteraar of broddelaar.

Lebel, Bel, Lebelt, Lebelle, Labelle, Lebeaux, Lebeau, Lebau, Beaud, Beau, Beaux, Lebé, Labeau, Labaut, Labiaux, Labiau, Labeeuw, Labeeu, de Bel, de Beil, (de) Beyl: Bijnaam. Oudfrans bel, Frans beau: mooi. Vergelijk Moeyaert, de Fraeye.

Leber. Duitse afleiding van plaatsnaam Le of Lew. Middenhoogduits le; heuvel. Vergelijk Law.

Leber, Lebert, Lebeer, Le Berre, Le Ber: 1. Oudfrans ber van Germaans baro: belangrijk, aanzienlijk, moedig; zelfstandig naamwoord baron. 2. Verfransing van De Béer. 3. Verfransing van De Bert. 4. Eventueel reïnterpretatie van Libert, waarin li als lidwoord werd opgevat. 5. Bretons Berr: kort.

Lebbing, Lebbink, Leppink. Vadersnaam uit de voornaam Leppe/Lebbe, een Noord Nederlandse, Friese vorm van een Lieb-naam. - ink is Saksisch, -ing is Germaans: lieden van.

Lebecq, Lebec, Lebecque, Lebèque, Lebesque, Lebeque, le Beck, Lebecke, Lebeck, Lebeke, Lebek, (van) Labeke, Labbeke, Labik. 1. Bijnaam uit het Franse bec: bek. 2. Verschrijving van De Becker: zie Backer. 3. Uit de plaatsnaam Lebbeke.

Leber, Lebert, Lebeer, le Ber, le Berre. 1. Naam uit het Oudfranse ber (dit uit het Germaanse baro). 2. Verfransing van De Beer. 3. Verfransing van De Bert: uit baert, bert, zeevis, beroepsbijnaam. 4. Verschrijving van Libert (Romaanse vorm van de Germaanse vorm Liebrecht- (liede-brecht). 5. Naam uit het Bretonse berr: kort, klein.

Lebeseur, Besure, Bizeur: Bijnaam Le Baiseur: kusser, zoener.

Lebichot. Bijnaam. Frans dialect bichot; geitje.

Lebière, Lebire, Lebiere: Oudfrans bière: draagbaar. Beroepsnaam.

Lebigre. Normandisch bigre, van Germaanse bikari; imker.

Lebis. Bijnaam. Oudfrans bis; donkergrijs. Vergelijk Biseau.

Leblouck. Vertaling van De Block.

Lebon: Bijnaam. Frans bon ‘goed’.

Leboeuf, Lebuf, Duboeuf, (de) Boeuf, Lebeuffe, Lebeuf, Debeuf, de Beuf, de Buf. 1. Bijnaam of huisnaam uit het Oudfranse buef: os. 2. De varianten met de of du komen mogelijk ook uit een plaatsnaam: Boeuf in Dottenijs (Henegouwen), Lesboeufs (Somme).

Lebois, Leboy, Le Boey: Plaatsnaam Bois: bos.

Lebon, Debon, Bon, Libon, Libong. Bijnaam uit het Franse bon: goed. De Goede.

Leborgne, Leborne, Borgne, Laborne: Bijnaam voor een schele.

Lebordais, Lebourdais. Bewoner van een borde: landhuisje, hoevetje. Vergelijk Bordier.

Lebouc, Leboucq, Boucque, Boucq, Leboc, Lebosq, Lebucq: Bijnaam naar de diernaam, de bok. Vergelijk De Bock.

Lebout, Leboutte, Lebutte, Lebot, Lebotte: 1. Oudfrans bot(e): pad. Bijnaam. 2. Zie (de) Boute.

Lèbre, Lebre: Bijnaam. Occidentaals voor Frans lièvre: haas.

Le Brech, Lebrec: Bretonse familienaam. Bijnaam; gevlekt, gespikkeld, of: arm (lichaamsdeel).

Lebret: Bret, Breton, volksnaam van de Breton.

Lebrun, Lebrum, Lebron, Labrune, Le Bruyn: Bijnaam naar de bruine kleur van haar, huid of kleren. Vergelijk De Bruyne.

Lecaillé, Lecaillié, Lecailliez, Lecallez, Lecallie, Lecallier. 1 Zie Caillier. 2. Beroepsnaam Lescaillier; zie Escallier: leidekker. Of L'escaillet, afleiding van Oudfrans escaille: schalie, lei. Beroepsnaam. Vergelijk Lécaillon.

Lécaillon, Lecaillon: L'escaillon. Oudfrans escaillon: trede, trap. Of Oudpicardisch escaillon, van Oudnederlands skalja, Zuidnederlands schalie: lei. Beroepsnaam. Ook Oudpicardisch escaillon: notendop; vergelijk Notschaele.

Lecart, Lecarte, Lecaer, Lecarré, Lekar: Lequart(e). Oudfrans quart(e): inhoudsmaat (1/4). Vergelijk Vierendeels.

Lecerf, Lecerff, Lecher, Lecherf, Leser, Leserf, Cerf, Decherf, Decerf, Deserf, Dechert, Decher, Deschères, Decercq, Ducerf, Dussert: Frans cerf: hert. Bijnaam of huisnaam. Vergelijk De Hert.

Lecervoisier. Beroepsnaam. Oudfrans cervoisier: brouwer.

Leceuvre, Leceuve, Lecoeuvre, Lecuivre: 1. Oudfrans cuevre: pijlkoker. Beroepsnaam. 2. Zie Lecuivre.

Lecuex. Indien met uitspraak lekeu, zie Lekeu(x). Met uitspraak lesseu, zie Leseur(re).

Lechner: Duitse familienaam. Middelhoogduits Lêhenære ‘bewoner van een leenhof, leengoed’.

Leclerc, Leclercq: Frans clerc, van Latijnse clericus ‘geestelijke, klerk’. Zie (de) Klerk.

Leclou: Oudfrans cloe, Picardisch clau, van Latijnse clavus, Frans clou ‘spijker, nagel’. Beroepsbijnaam.

Lecluse, l’Ecluse, le Kluse, Lecluize, Lecluijse, Lecluijze: Plaatsnaam L’Ecluse ‘sluis’. Lécluse (Nord), L’Ecluse, Nederlands Sluizen (Waals-Brabant). L’Ecluse is ook de Franse vertaling van de gemeente Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Vergelijk van der Sluis.

Leceuvre, Leuceuve, Lecoeuvre, Lecuivre. 1. Familienaam uit het Oudfranse cuevre: pijnkoker. Beroepsnaam van de maker of de gebruiker. 2. Uit het Franse cuivre: koper. Beroepsnaam van de kopersmid.

Lechanteur, Chanteur, Chanteux: Frans chanteur: (kerk)zanger. Beroepsnaam. Vergelijk Lechantre.

Léchât, Lâchât, Lasat, Lecat, Lecae, Leca, Lecas, Lekas, Ducat: Frans chat, Picardisch cat: kat. Bijnaam. Vergelijk De Cat.

Lechêne, Lechein, Lekenne, Lekene, Lekène, Lequesne, Lequenne, Lequene: Plaatsnaam Le Chêne, Picardisch kêne: eik. Vergelijk Duchêne, Duquenne.

Lechien, Lechein, Lekien, Lesquien, Lequien, Lekain, Le Cain, Lequain, Lequen, Lequint, Lequin, Lequim: Bijnaam. Frans Le Chien, Picardisch Le Kien: de Hond.

Lechner, Lehner: Middenhoogduits lêhenaere, van Lehen: leen. Bezitter van een leengoed. Vergelijk De Leenheer.

Lechopier. Beroepsnaam. Oudfrans eschopier; winkelier.

Leck, Lecq: Bijnaam voor een smulpaap. Vergelijk Duits Lecker.

Leclef, Leclée, Leclet, De Cleve, Declèves, Declef, Clef, Clée, Clé, Cle, Clee. 1. Familienaam uit het Franse clef, clé: sleutel. Beroepsnaam voor de slotenmaker. Vergelijk Duits Schlussel. 2. Zie ook Clé.

Leclère, Leclerk, Leclerck, Leclercque, Leclercq, Leclercque, Leclercqz, Leckerlcqs, Leclers, Leclère, Lecler, Leclerre, Lecleire, Lecleir, Leclaire, Leclair, Le Clair, Leclaircq, Leclairq, Lecleer, Declère, Decler, Declair, de Cleer, de Kleer, de Cleire, de Cleir, de Cleyre, de Cleyr: Frans clerc, van Latijn clericus: geestelijke, klerk. Zie De Clerck. Bovenstaande naamvormen kunnen ook varianten zijn van Le Clair. Zie ook De Cleer.

Leclipteur, Leclipteux, Clipteux, Sclipteux: Beroepsnaam. Middenfrans clipteur: maker van duigen, kuiper.

Leclou, Lecloux, Leclau: Oudfrans cloe, Picardisch clau, van Latijn clavus, Frans clou: spijker, nagel. Beroepsnaam. Vergelijk De Nagel.

Lecluselle. Plaatsnaam L'Ecluselle, afleiding van écluse: sluis.

Lecoq, Lecoq, Lecok, Lecoque, Lecock, Lacocque, Lacoque, Ducocq, Ducoq, Duquoc, (de) Cocq, Coq, Koq: 1. Frans Coc: haan. Vergelijk De Haan. Bijnaam. 2. Vertaling en aanpassing van De Coc(k).

Lecoeur, de Ceur: 1. Le Coeur: het Hart. Bijnaam of huisnaam. 2. Picardisch hypercorrect voor Lekeu.

Lecointe, Lacointe, Lecontere, Lecointre, Cointe, Cointé, Cointre, Cointré, Coindre. 1. Naam uit het Oudfranse cointe: wijs, ervaren, aardig. Bijnaam. 2. Soms variant van Lecomte. Zie bij Comte.

Lecole, Lecolle. Beroepsnaam van de scholaster, schoolmeester. Vergelijk Lecol(l)ier.

Lecolier, Lecollier. Frans écolier: scholier, leerling. Vergelijk Scholiers.

Lecomartin, Le Comartin, Lecomarteyn. Verdwenen familienaam uit de buurt van Mons die mogelijk teruggaat op Lecot (uit het latijn cocus: kok) en Marteyn (een oude variant van de voornaam Martinus). Zoiets als Martijn de kok. Beroepsbijnaam, kruising van beroeps- en vadersnaam.

Leconnetable. Beroepsnaam. Oudfrans conestable, van Latijn cornes stabuli: stalmeester, grootofficier. Engels Constable.

Lecossois. Frans L'écossais; de Schot.

Lecot. 1. Spellingvariant van het Waalse Lecoustre (zie Lekeu(x) of van Lescot (zie bij Lescot). 2. Volksvertaling van De Coot. Zie bij Koot.

Lecoste. Waarschijnlijk variant van Lecoustre (met Waalse reductie van -tre), of variant van Lacoste.

Lecot. 1. Spellingvariant van Lecos (zie Lekeu(x) of van Lescot. 2. Vertaling van De Coot. Zie Koot.

Lecouffe, Lacouf, Lacoffe: 1. Waalse variant (met r-reductie) van Le Coffre. Beroepsnaam van de schrijnwerker, meubelmaker, die koffers maakt. 2. Waalse variant (met l- reductie) van Franse familienaam Lecoufle, van Oudfrans escofle: wouw (roofvogel). Bijnaam.

Lecourt, Lecour, Court, Lacourte, Lacourt: Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk de Corte.

Lecoutre, Lecouttre, Lecouttere, Lecoutere, Lecouter, le Coûter, Lacoutere, Lecoustre, Lecoester, Lecouester, Lecoste, Lecosse, de Coutere, de Couter, de Couttere, Lequestre, Lequeutre: Oudfrans coustre, costre, van vulgair Latijn custor(em) van custodem: bewaarder, koster. Beroepsnaam.

Lecrique. Waalse vertaling van De Kricke of De Krieck.

Lecris, Lecrit, Lecry: Beroepsnaam van de (om)roeper.

Lécrivin, Lécrivain, Lecrivin, Lecrivain: Beroepsnaam van de schrijver, griffier, geheimschrijver, klerk.

Lectius. Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Alexius.

Lecuivre, Leceuve, Leceuvre, Lecoeuvre: 1. Frans cuivre: koper. Beroepsnaam van de kopersmid. 2. Zie, Leceuvre.

Lecutier, Lecutiez. Beroepsnaam. Middenfrans escutier, van Latijn scutarius: (wapen)schilder, maker van schilden.

Lecuy, Lecuit: Waarschijnlijk een variant van de familienaam Lecoy. Bijnaam. Oudfrans coi(te), van Latijn quietus: rustig, kalm.

Lecuyer, le Cuyer, Lecuyer, Lecouyer, Lecoyer: 1. Beroepsnaam. Oudfrans escuier, ecoier, Frans écuyer: schildknaap. 2. Variant van Lescouhier; zie Escoyer.

Leda, van. Plaatsnaam? Variant voor Lede? Of verhaspeling?

Ledain, Ledin, Ladeyn, Dain, Ledaine, Ledeine, Ledène, Ledeene, Ledene. 1. Bijnaam uit Frans daim: damhert (jager, kledingstuk ? 2. Zie ook Laden.

Ledaine, Ledeine, Ledène, Ledeene, Ledene: Variant van Ledain en aanpassing. Vergelijk (de) Deyn(e) 2.

Lede, van, van Lee: Plaatsnaam Lede (2x in Oost-Vlaanderen), Lendelede of Hooglede (West-Vlaanderen).

Lede, Ledez, Leddet, Ledet: Oudfrans dé: dobbelsteen. Beroepsnaam voor de maker of bijnaam voor de dobbelaar. Vergelijk Teirlinck.

Ledeboer. Oost-Nederlandse familienaam uit Lengerich (Westfalen), Ledebur in Tecklenburg (Duitsland). Plaatsnaam: buurtschap van Lede? Of Ledeburg (Duitsland). Vergelijk Engelse plaatsnaam Ledbury, 1241 Ledebur.

Ledecq, Ledeck, Ledèque: Waalse aanpassing van De Decker.

Ledeghem, van, Ledegem, van. 1. Plaatsnaam Ledegem (West-Vlaanderen). 2. Ledeg(h)em kan een reïnterpretatie zijn van Ledeg(h)en.

Ledeganck, Lediggang, Bijnaam voor een leegloper, een burger zonder betrekking of ambacht. Waals-Vlaams leegganger.

Ledegen, Ledeghen, Ledeighen, de Leeg: Bijnaam voor een leegloper, die 'leeg' is, werkloos.

Leder, Leers: Beroepsnaam van de leersnijder of leerbewerker.

Leder, Lederer. Duitse beroepsnaam van de leerlooier.

Lederhandler. Duitse beroepsnaam van de leerhandelaar.

Lederman, Ledermann, Leerman. Duitse beroepsnaam van de leerbewerker of leerhandelaar.

Ledewyn, Ledewijn. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-win 'lieden-vriend': Ledoinus, Ledevinus.

Ledit, Ledy: Frans le dit: de genaamde, bijgenaamd. Bijnaam. Vergelijk Dictus 2.

Ledosseray, Ledoseray. Waals doz'rê: koorknaap, sopraan.

Ledouble, Ledouppe, Double, Doubbel, Doubel: Frans double: dubbel; vergelijk Dobbels, Den Dubbelden.

Ledoux, Ladou, Ladoe. Bijnaam gegeven aan iemand met een zachtaardig, zoet karakter. Van het Franse doux; zacht, zoet.

Ledoyen, Doyen: Frans doyen: deken. Vergelijk De Deken.

Ledroit, Le Dret: Bijnaam. Frans droit: recht, in fysieke of morele zin.

Ledrun, Ledrus, Ledrut, Ledroux, Ledrou: Oudfrans dru: vriend, geliefde, minnaar, minnares. Bijnaam. Vergelijk Druits.

Leducq, Leduc, Leduck, le Duck, le Duc, Ducq, le Duc, le Du, Deduc: Frans duc: hertog. Bijnaam.

Ledune: Wellicht vertaling van de Dunne, zie Dun.

Ledure, Ledur, Dur. Bijnaam. Frans dur: hard, hardvochtig, ongenadig.

Lee, Ley. Engelse plaatsnaam Lee; bos, laar.

Lee, (de), (de) Lee, Delée, Delee, de Lé, Dele: Middelnederlands bijvoeglijk naamwoord leet, (verbogen) leede (vergelijk met lede ogen): onaangenaam, hatelijk, gehaat, verwenst. Bijnaam.

Lee, van der, van der Leede, Vanderlée, van Dirlé, Verlee, Verlée, Verlé, Verlez, Virlee, Virlée, Virlet, Virlez, Verleden, Verledens. 1. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Lede: gegraven waterloop of kanaal. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Lede: helling, bijvoorbeeld in Oedelem.

Lee, Leeh, Lie, Lee Kon Hing. De Chinese achternaam Lee is in Nederland ondermeer afkomstig uit Hongkong, China, Suriname, de Nederlandse Antillen, Singapore, Taiwan en Malakka, betekent pruim.

Leebeeck, de, Leebeecke, de, de Leebeek, de Leebeke. Naam uit de veelvuldig voorkomende plaatsnaam: Leebeek, Lebeke (onder andere in Ouwegem, Denderhoutem, Outer).

Leeck, de, Deleeck, de Leek, Sleecks, Sleeckx. Bijnaam voor een leek, een niet-geestelijke, een ongeletterde.

Leefdael, van. Plaatsnaam Leefdaal, Vlaams-Brabant.

Leeflang: Bijnaam, vergelijk Duits Leblang.

Leegenhoek. Plaatsnaam Lege, dat is Lage Hoek, in Heist en Kachtem.

Leegte. Plaatsnaam Leegte; laagte.

Leegganger: Bijnaam voor een leegloper, een burger zonder betrekking of ambacht. West-Vlaamse Leegganger ‘leegloper, luiaard’. Vergelijk de Lege.

Leegte, (van der): Plaatsnaam Leegte ‘laagte’, onder meer in Niewolda (Groningen).

Leegwater: Jan Adriaensz. (1575-1650) was drooglegger van de Beemster en werd naar zijn beroep Leeghwater genoemd.

Leek, van der, Lek, van der, Lekke, Lekx.: Waternaam de Leek in Beilen (Drenth), Monnickendam (Noord-Holland), Westerbork (Drethe), ook polderwater dat door Medemblik (Noord-Holland) stroomt. Deze laatste plaatsnaam heette trouwens ca. 1312 Medemleke, dat is medeme laca ‘middelste waterloop’.

Leekwyk, van, Leekwyck, Leekwijck, Leekwijk, van Leecwyck, van Leckwyck, Leckwyck. Plaatsnaam aan de Lek, Zuid-Holland?

Leeman, de, Leemans (de), Leenman, Leman, Lemans, Leijman, Leyman, Leeuwman, Leeuman, Lieman, Liemans, Liémans, Liémance, Liman, Limanne, Limane. Beroepsbijnaam uit leenman: iemand die van de Heer gronden in leen kreeg.

Leemeijer: Duits Lehmeier, Lehmaier ‘meier die leenman is, die een leen heeft’.

Leemen. Wellicht Waalse aanpassing van Leeman.

Leemhorst: Plaatsnaam in Tegelen (Nederlands Limburg) en Aalten (Gelderland).

Leemplakkers. Beroepsnaam Lemer, die de muren van vakwerkhuizen met leem bestrijkt.

Leempoel, Leempoels, Leenpoel: Plaatsnaam Leempoel ‘poel in leemgrond’, bijvoorbeeld in Berkel (Noord-Brabant). Vergelijk Leemput.

Leemput (van den), van Leemputte, van Leemputten, van Leemput: Frequente plaatsnaam leemput ‘leemkuil’.

Leemrijse, Leemreis, Leemreise. Plaatsnaam in Vorden, Gelderland.

Leender, de, (de) Leener, Deliéner, Deliener: Afleiding van Middelnederlands lenen: te leen geven of houden. Vergelijk De Leenheer.

Leendert, van. Familienaam in Wallonie. Vadersnaam Leendert met secundair voorzetsel, van Leonhard? Of plaatsnaam Liendert (Utrecht)? Ouweleen; zoon van de oude Leendert, Leentvaar; vader van Leendert.

Leenen, Leene, Lenen, Leen, Leën, Leenes, Leens, Lehnen, Lhenen, Leinen, Leine, Leinne, Lienen, Lienne: Moedersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Magdalena, Middelvlaams Madeleene, Maaeleene, Leene.

Leene, van. 1. Plaatsnaam Leen in Herne (Vlaams-Brabant). 2. Zie Van de Leene.

Leene, van, de van der Leenen, van der Leenden, van der Leen, van der Lienen, Verleene: Verspreide plaatsnaam het Leen, ten Leene: leen(goed), feodum. Achteraf opgevat als Ter Leene: leuning.

Leenesonne, Leenezonne. Moedersnaam. Zoon van Leene, Magdalena; zie Leenen. Of aanpassing van Lieneson?

Leenheer, de, (de) Leeneer, de Leenheir, de Leenher, de Leenaire, de Leener, Leenheere, Leenherre, Leneer: Leenheer. Vergelijk Leenman.

Leenhouts: Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-naud ‘volk-nood’.

Leenhouder, Leenhouwers: Middelnederlands leenhouder: leenman. Vergelijk Leeman(s).

Leenhouts. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-naud Volk-nood': Li(e)tnodus.

Leenhuis, Leenhuys. Plaatsnaam. Friesland? Beroepsnaam voor ingebrachten panden?

Leenhove, van. Naam uit de plaatsnaam Leenhof: leenhof, gerechtshof in leenzaken, hofstede.

Leenknecht, Leenknegt, Leenkneght, Leenknegd: Middelnederlands leencnecht ‘leenman, tolbeambte’.

Leenman, Leeman, Lienman: Naam van de leenman, de bewoner van een leenhof, leengoed, die leenverplichtingen verschuldigd is aan de leenheer.

Leensel, van de, Plaatsnaam Leensel, Noord-Brabant.

Leent, van, van Lent. Plaatsnaam Lent, Gelderland.

Leentjes, Leentjens. Moedersnaam. Afleiding van de voornam Magdalena.

Leeraer, Leeraerts. Waarschijnlijk niet van Middelnederlands leeraer: leraar, onderwijzer. Veeleer reïnterpretatie van Lenaert(s), met r/n-wisseling.

Leerdam, (van): Plaatsnaam (Zuid-Holland).

Leereux, Lecru: Bijnaam. Oudfrans cru, crues: ruw, wreed. Vergelijk De Wree.

Leerg. Waarschijnlijk aanpassing van Lerch.

Leermakers. Beroepsnaam van de laddermaker. Middelnederlands leider, le(e)der, Zuidnederlands leer: ladder. Vergelijk Duits Leitermacher.

Leers, Leirs, Leder, Lederer. 1. Beroepsnaam afgeleid van leers/laars: schoenmaker. Of de bijnaam voor een laarzendrager (en niet arm dus). 2. Leder en Leers kunnen ook de beroepsnaam zijn van een leersnijder/-bewerker. Leder(er) is ook de Duitse beroepsnaam voor leerlooier. 3. Vadersnaam. Zie Leer, Lere.

Leersum, van; van Leerzum, van Leerzem: Plaatsnaam Leersum (Utrecht).

Leerbyls, Lederbyl, Leerbels, Lerebels. Familienaam uit het Nederduitse leer (leer/schede) en het Middelnederlandse/Oudsaksische bijl/bil/byl (bijl/zwaard). Wellicht beroepsnaam.

Leersnijder, (de), (de) Leersnyder, de Leerfnyder, de Lesneyder, (de) Lissnijder, (de) Lissnyder. Beroepsnaam van de leer-, de riemensnijder.

Leertouwer, Leermaker, Leerlooijer, Leermans: Beroepsnaam van de leertouwer.

Lees, de, Leesen, Leesens. Vadersnaam. Variant van Leys.

Leesberg. Nederlandse familienaam, ook Le(e)seberg, Lesberg, Leseburg, die uit het Hannoverse zou stammen.

Leeson. Engelse moedernaam. Zoon van Lees, Leece. Oudfrans Lece, Latijn Laetitia.

Leest, (de). 1. Beroepsnaam voor een leestenmaker. Of beroepsnaam van de schoenmaker of kleermaker, die de leest gebruikt. 2. Plaatsnaam Leest; zie volgende familienaam.

Leest, van de, der: 1. Plaatsnaam De Leest in Veghel (Noord-Brabant), Leest (Provincie Antwerpen). 2. Beroepsbijnaam van een schoenmaker, naar de door hem gebruikte schoenmakersleest. 3. Vondelingnaam van 1656-57 Lambrecht van der Leest in Kontich (Provincie Antwerpen).

Leestemaker. Beoepsnaam: maker van schoenmakers- of kleermakersleesten.

Leestmans. Beroepsnaam van de leestenmaker.

Leeters. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam leudi-hari; lieden-leger, Leuterius, Letrius. Vergelijk Letens.

Leeuwmans, Leeumans. Afleiding van De/Van Leeuw? Of veeleer reïnterpretatie van Leeman(s).

Leeuw, (de), Leeuwe, (de) Leu, Leuw, Leeuws: Bijnaam naar de eigenschappen van de leeuw (kracht, trots, onstuimigheid) of naar de huisnaam.

Leeuw, van, van Leeuw, van Leeuwen,: Plaatsnaam Leeuw en Leeuwen ‘(graf)heuvel’ in Nuth (Nederlands Limburg), St. Pietersleeuw en Zoutleeuw (Vlaams-Brabant) of Denderleeuw (Oost-Vlaanderen).

Leeuw, van der, Verleuw, Verleuwe. Plaatsnaam Leeuw: (graf )heuvel, in Grobbendonk (Antwerpen), Nieuwmunster, Vlissegem (West-Vlaanderen).

Leeuwarden, Leeuwaarden, van: Plaatsnaam Leeuwarden, Fries Ljouwert (Friesland).

Leeuwe, Leeuwen, Leeuwens, Leeuw, Leeuws, Leeuwin, Leewen, Leewens, Leeuwis: 1. Vadersnaam. Eenstammige Germaanse voornaam leuba ‘lief’? Vergelijk Friese voornaam Leeuwe. 2. Zie (de) Leeuw, van Leeuwe(n).

Leeuwe, Leeuwen, van, (de) Leeuwen, van Leewe: Plaatsnaam Leeuwen in Bezel (Nederlands Limburg), Maasniel (Nederlands Limburg), Wamel (Gelderland).

Leeuwenburg, Leeuwenburgh, (van) Leeuwenberg, Leeuwenborgh, Levenbergh, Lewenberg: Plaatsnaam Leeuwenburg in Voormezele, West-Vlaanderen, Lewenborg (Groningen), Leeuwenbergh in Leidschendam (Zuid-Holland).

Leeuwenkamp, van, Leeuwenkamp. Familienaam uit de plaatsnaam Leeuwenkamp (Germaanse voornaam leuba- en kamp). Mogelijk lag Leeuwenkamp ergens op de grens van Noord- en Zuid-Holland.

Leeuwerck. Bijnaam naar de leeuwerik. Vergelijk Lerch.

Lefaux, Lefaulx, Lafaut, Faulx, Faux, Faut, Lefaulx, Lafaux, Lafaut. Bijnaam afkomstig uit het Franse Fau, vals: een vals iemand dus.

Leever, de, De Leeuwer: leeuwenoppasser?

Lefai, Lefait, Lefaist, Lefaix: Plaatsnaam Lefay (onder meer Saône-et-Loire): beukenbos. Vergelijk Dufay, Dufait.

Lefaible. Hypercorrecte reïnterpretatie 'de zwakke' van Lefèbre (Waalse uitspraak fêp).

Lefeber, Lefebre, Laffeber, Lafeber: Beroepsnaam. Uit Frans Lefèbvre, hypercorrecte spelling voor Lefèvre‘ de smid’.

Lefebure: Deze naamvorm ontstond door verkeerde lezing van de hypercorrecte spelling Lefebvre in plaats van Lefèvre ‘de smid’, omdat in oud schrift de het letterteken u zowel voor u als voor v gold.

Lefer, Lefere, Lefert, La Faire, La Fère, Lafere, Lafaire. Familienaam uit het Franse lefer. Bijnaam voor een levenskrachtig of hardvochtig iemand.

Leferme. Bijnaam ferme; krachtig, flink?

Lefèvre, Lefever, de Fever: Beroepsnaam. Frans le fèvre ‘de smid’. Vergelijk Frans orfèvre ‘goudsmid’.

Leffinghe, van. Plaatsnaam Leffinge, West-Vlaanderen.

Lefilon. 1. Afleiding van Oudfrans fil: zoon, jongen. Vergelijk Filion. 2. Variant van Lefelon.

Lefils, Fils, Lefi. Frans fils; zoon.

Lefin, Fain, Fin. Bijnaam: fijn(zinnig), fijngevoelig, volmaakt.

Lefland, Leflan, Leflem: Oudfrans flaon, Frans flan: eierpudding. Bijnaam.

Lefler, Leffler, Leffleur, Leffelaere, Leffelaer, Loeffler: Middenhoogduits leffeler, Duits Lôffler: lepelmaker. Beroepsnaam. Vergelijk De Lepeleer.

Leflon, Flon, Flont: 1. Bijnaam. Waals flon: taart, via. Vergelijk Leflan. 2. Samentrekkingvan Lefelon, Fel(l)on, (le) Foulon of Lefilon. Foulon wordt in het Waals-Vlaams als flong uitgesproken.

Lefort, Lafort, Laforte, Lafourte, Lafourt, Lafour, Laffoort, Lefour, (de) Fort, (de) Foort, de Foordt, de Foirdt, de Fordt, de Foor, de Foere, de Foer, Defoer, Defoër. Het Franse Lefort betekent een sterk iemand. Bijnaam voor een sterke, krachtige man.

Lefranc, Lefrancq, Lefrant, Defranck, Defranck, Defrancq, Defranq, de Frangh, Frangh, Defranc, de Franc. Bijnaam uit het Oudfranse franc, het Germaanse frank;. vrank, vrij, vrijmoedig, stoutmoedig.

Lefrançois, Français, Leufrançois: 1. Volksnaam. Oudfrans François, Frans français: Fransman. 2. Vadersnaam van de voornaam François.

Lefroid. Bijnaam. Oudfrans froit: koud, droevig; (of ) geweldig. Isfur, Bretonse familienaam Fur: wijs.

Legaet, Lega, Legat, Légat, Légaz: Beroepsnaam voor een legaat, afgezant, bode. Vergelijk De Bo(de).

Legai, Le Cai, le Caye, Le Cait, Le Caitte, Gaie, Gai, Gaij, Légale, Légalais, Légalait, Légalaix, Legaie, Legais, Legait, Legaix, le Gaye, le Gay, Lagaye, Lagay, Legaey, Leghait, Leghai, le Guay, Leguaie, Legué, (de) Gaye, Gay, (de) Ghaye, de Geye, de Gey, de Ghey, de Gheij, Lagaye, Lagay, Lagaey, Delagaije, Delagaye, Delagay, Lagey, Lageij, la Gije, la Gye, Delagey. Naam uit het Oudfranse gay, gai, dit uit het Middelnederlandse gay: vrolijk, levendig, opgewekt. Bijnaam.

Legau, Legault, Légaux, Laigaux, Lagauw: Bijnaam. Oudfrans gai, gau, van Latijn gallus: haan.

Legrave. Wellicht klankverandering van Legrave, vertaling van De Grave.

Legbedje, Leghbeche: Arabische naam.

Legeais, Legeay, Lejaye, Leget, Lege, Legé: Bijnaam. Oudfrans jal, jau, Picardisch jai: haan. Vergelijk Lecoq.

Legaite. Variant van Legait of Legeay?

Legemaate. Plaatsnaam Lege Maat: laag maailand, hooiland, lage wei. Legemaat in Stuivekenskerke (West-Vlaanderen).

Lege, de; de Leege: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit de Ledige. Bijnaam. Middelnederlands ledich ‘werkloos, ambteloos, vrij’. Vergelijk Leegganger.

Legein: Frans Legain. Oudfrans gain ‘weiland, landbouwgrond, akkerland, oogst’. Bijnaam van de landbouwer.

Legendal: Plaatsnaam ‘laag dal’.

Leger, de, Léger, de, de Legher, Legers: Middelnederlands legger, ligger ‘commissaris van de graaf met de bevoegdheid van dijkmeester, klerk die de rekening met legpenningen natelt, ontvanger, rekenaar; handelsagent, zaakwaarnemer.

Légère, Légerre, Legerre, Legere: Vrouwelijk bij Léger.

Legg, Legge. 1. Engelse bijnaam leg: been. 2. Vadersnaam. Bakervorm van de Germaanse voornaam Liedger.

Legerstee: Vermoedelijk volksetymologisch uit lege stede ‘laag gelegen plaats’.

Legierse, Lisierse, Lizierse: Vadersnaam. Legier, van Frans Liger, de Germaanse voornaam leud-ger ‘lieden-speer’: Liudgerus, Ligerus.

Legipont, Légipont: Plaatsnaam in Saive (Luik).

Legius, Légius: Latijnse naam van de Luikenaar.

Leglay, Leglaye, Legley, Legleye: Gedenasaleerde vorm van Langlais, Langley, Lenglet.

Legois, Legoui, Legouis, Legoit, Lagois, Cois: Oudfrans goi: mes als kuipersgereedschap. Beroepsnaam.

Legon, Legond, Legand, Legan. 1. Beroepsbijnaam uit het Oudfranse gond: hengsel (voor de maker ervan). 2. De Brugse familie Legon stamt af van de Spaanse familie Leon (dit uit de Spaanse plaatsnaam Leon). Het zijn afstammelingen van een Spaanse militair die hier eind 17de eeuw terecht kwam.

Legos, Le Cost, Legot, Légo, Lagos, Lago, Legout, Legoux, Dugot, Dugo, Dogot: Bijnaam. Oudfrans gos: hond, waakhond; ook scheldwoord.

Legouge, Lagouge, Couge, Lagouche, Lagousse, Langouche, Cooge, Goeghe, Gough: Oudfrans gouge: dienaar, knecht, bode. Zie ook De Goeyse.

Legourd. Oudfrans gort: zwaar, dik, log, lomp. Bijnaam.

Legraie, Legraye: Waals grêye, Frans grêle: smal, tenger. Bijnaam.

Legrain, Lagrain, Lagrin, Lagring, Dugrain, Grin, Greyn, Greijn, Grein, Greins: Bijnaam. Oudfrans graim, grain, van Oudnederlands gram ‘bedrukt, droevig, bedroefd, kwaad’.

Legran, Legrand, Legrang, Lagrand, (de) Grand, Grande, Degraen, Grant, Grang, Schrans, Schrant, Schrantz. Bijnaam naar de grote gestalte, uit het Franse grand: groot.

Legras, Gras, Graas: Frans gras: vet, dik. Bijnaam.

Legrelle, Le Grelle, Degrelle: Bijnaam. Oudfrans graile, Frans grêle: smal, slank, spichtig.

Legris, Gri, Gris, Legrix, Legry: Bijnaam naar de grijze haarkleur. Vergelijk De Grijze.

Legros, Degros, Legrou, Legraoux, Legroe, Lagrou, Groux, Degroux, Degrou, Degrox, de Grox, de Groe, Degroe, de Groo, Gros, Cros. Bijnaam uit het Franse gros: groot, flink, zwaar, dik.

Legroscollard, Legros Collard: Bijnaam Gros + vadersnaam Collard. Vergelijk Groteclaes, Groscol. Ook Franse familienaam Groscolas.

Legru, Legrue, Legrux: 1. Met verwisseling van lidwoord van Lagrue. Oudfrans grue: kraanvogel. Vergelijk De Craene. Bijnaam. 2. Eventueel gepalataliseerd van Legroux.

Leguebe, Leguèbe, Legueube: Misschien Picardische gepalataliseerde vorm van Oudfrans gobe: ijdel, hoogmoedig.

Leguelle. 1. Zie Degueldre. 2. Bretonse familienaam Le Guell: rood, ros.

Leguerrier, Guerrier. Beroepsnaam van de krijgsman, de soldaat. Vergelijk De Krijger.

Léguillier, Leguillier, Légulier, Legulier, Lewillie, Lewyllie, Wyllie, Willi, Willy: Beroepsnaam L'aiguiller, Oudpicardisch l'aiwiller: naaldenmaker.

Leguillon, Lewillion, Lewillion, Lewillon. Oudfrans aguillon, Picardisch awillon, Luiks-Waals awion: prikkel, stekel, doorn, angel. Bijnaam.

Lehaire. Bijnaam. Oudfrans haire: arm, ellendig.

Lehamaoui, El-Hamaoui, Hamaoui. Naam uit de plaatsnaam (Bordj) Hamaoui (kustplaats in Algerije).

Lehembre, Lehambre: Onduidelijk.

Leherte: Halve vertaling van de(n) Hert. Bijnaam of huisnaam.

Lehue, Leheut, Leheux, Leheuwe, Lehue, Lehu: Oudfrans hos, hues: laars. Bijnaam of beroepsnaam.

Lehezée. Plaatsnaam (la) Hezée in Soiron (Luik).

Lehman. Lehmann. Duitse equivalent van Leeman.

Lehning, Lehniger, Lehninger: Plaatsnaam Lehning (Beieren), Lehningen (Duitsland).

Lehrer. Duitse beroepsnaam; leraar, leermeester.

Lehwald. Plaatsnaam, Oost-Pruisen.

Lehyme, Lehime, Lekimmen Lekime, Lekim, Lequime, Leshime, Lexhime: Oudwaals xhime, Latijn simia: aap. Bijnaam.

Leib, Leip: Vadersnaam. Germaanse voornaam Liubo.

Leibbrand, Leipprand, Leibrandt: Vadersnaam. Duitse vorm van Germaanse voornaam leudi-brand 'lieden-zwaard': Lietbrandus, Liutbrandus.

Leibkind. Duits Liebkind: lief kind. Vergelijk Liefkint.

Leibnitz. Plaatsnaam Leubnitz (Saksen). De filosoof Wilhelm Leibniz (1646-1716) stamt uit Leipzig.

Leibold. Vadersnaam. Germaanse voornaam leudi-balth 'lieden-moedig'.

Leicher. Middenhoogduits leicher: speelman, muzikant.

Leich, Leicht; Bijnaam. Middenhoogduits lîht, Middennoordduits lîcht: behendig, beweeglijk, onstandvastig, lichtzinnig.

Leichter, Leuchter: Duitse beroepsnaam. middenhoogduits lîhten: castreren.

Leidensdorf, Leidensdorff. Plaatsnaam Leidersdorf (Oberpfalz/Beieren).

Leider, Leidert, Leiderman, Leidermann. Vadersnaam, oude voornaam. Vergelijk Leydens.

Leiendekker, Leiendecker, Leyendeckers, Leijdekker, Leijdekkers; Beroepsnaam van de leidekker.

Leifer. Ontrond van Läufer: loper. Zie Lauffer.

Leifgen, Leif, Leifke: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Liutfrid.

Leijenhorst, van, Leyenhorst: Plaatsnaam Lewenhorst in Holland.

Leijnen, Leyne, Leynen: 1. Moedersnaam van de voornaam Geleine (Gisilena) of Madeleine (Magdalena). 2. Verschrijving voor Lijnen.

Leimbach, Leimack, Leimbacq, Leimbeck. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Leineweber. Duitse beroepsnaam van de linnenwever.

Leinfelder. Duitse plaatsnaam Leinfelden.

Leininger. Afleiding van Duitse plaatsnaam Leiningen.

Leinse, Leijnse: Vadersnaam. 1. Zoon van Lein, korte vorm van Gelein, van Frans Ghi(s)lain, Latijnse Gislenus, latinisering van Germaanse gisil-naam. 2. Zie Lens.

Leinwand. Beroepsnaam van de lijnwaad-, linnenwever. Vergelijk familienaam Leinwandschneider, Leinwander.

Leisman, Leijdsman, Leysmans: Vadersnaam. Afleiding van Leys.

Leist, Leisten. Duitse equivalent van Leest. Beroepsnaam.

Leistra: Friese afleiding van plaatsnaam, waternaam Lei in Alphen (Noord-Brabant), Bladel (Noord-Brabant), Graft (Noord-Holland) en Lienden (Gelderland).

Leitenberger. Plaatsnaam Leitenberg (Beieren) of Leutenberg (Beieren).

Leithaeuser. Plaatsnaam Leitenhausen, Beieren.

Leithaeuser, Leithuyser. Familienaam uit de plaatsnaam Leitenhausen (Beieren).

Leitner. Afleiding van Beierse plaatsnaam Leite: (berg)helling.

Leitz. Vadersnaam. Ontrond van Leutz, afleiding van leudi-naam.

Leivers. Vadersnaam. Germaanse voornaam liub-hari 'lief-leger': Liubheri. Vergelijk Leffering = Lieferink.

Leiyckx. Vadersnaam. Ontronde vorm van Luyke.

Lejacques. Reïnterpretatie van Lezaack.

Lejar, Lejard, Lejear, Lejeard, Leja, Legeard, Legear, Lejaerd, Lejaer, Lejaire: Bijnaam. Frans jars: gent, gander. Vergelijk De Cent.

Lejaxhe. Waals èdjahe: soort leisteen. Beroepsnaam.

Lejeune, Lejeusne, Legeune, Liseune, Lezeune, Lejosne, Lasoone: Bijnaam. Frans jeune: jong. Vergelijk De Jong(e).

Lejoint. Bijnaam. Oudfrans joint: bevallig, vlug, slank.

Lejonc, Lejoncq, Lejong, Lejon, Lejond, Lejoncque. Bijnaam, verfransing van de Vlaamse naam De Jonge.

Lejour, Lesjours: Bijnaam Le Jour: de Dag. Vergelijk De Dach.

Lejuge. Beroepsnaam Le Juge: de Rechter. Vergelijk De Richter.

Leke, van. Plaatsnaam Leke (West-Vlaanderen).

Leken, Lekens, Leeken, Leekens: 1. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse leud-naam, zoals Ledbert, Ledboud. Zie Liekens. 2. In Limburg ontrond van Leukens, afleiding van Lodewijk.

Lekeu, Lekeux, Laqeux, Laquex, Laqueue, Laqueu, Laqueut, Laqueut, Lekue, Leceux, Lecot. Beroepsnaam uit het Oudfranse cou(s), coeu, queu, van Latijn cocus: kok.

Lekeuche, Lecoeuche, Lekoeuche, Lekoeuge: Picardisch cauche, keuche, Frans chausse: schoeisel, kous. Vergelijk Causse.

Lekkerkerk, Lekkerker: Plaatsnaam Lekkerkerk (Zuid-Holland).

Lekman: Afleiding van van der Lek.

Lelait. Bijnaam. Oudfrans laid: lelijk.

Lelarge, Delarge, Large: Bijnaam. Frans large: breed. Vergelijk De Bree.

Leliaert, Leliard, Lelieart: 1. Een Leliaard was een aanhanger van de Franse koning in het middeleeuwse graafschap Vlaanderen, tegenhanger van de Klauwaard. 2. Middelnederlands leliaert ‘zilveren munt’.

Lelie, van der: Huisnaam. 1449 Albert in die Lelie, Zwolle.

Lelie, de, Leli, Lely, Lelij, de Lelys: 1. Moedersnaam van de voornaam Lelia. Het lidwoord is dan secundair.

Leliendael, (van): Naam van een vrouwenklooster in 1231 in Hombeek gesticht.

Lelieur, Lelieu, Lelieux, Lellieu: Beroepsnaam. Frans lieur: binder. Vergelijk Binder.

Lelièvre, Lièvre, Lelieuvre, Lelivre, De Lièvre, Deliever, de Liever. 1. Bijnaam uit het Franse lièvre: haas. Naar de eigenschappen van de persoon: snelheid, schichtigheid. 2. Familienaam naar de huis(café)naam.

Leliveld, van, Lelieveld, van, Lelyveld: Plaatsnaam Lelieveld, Lilienfeld. Vergelijk Lilienfeld in Oostenrijk.

Lelij: 1. Moedersnaam, van voornaam Lelia. 2. Huisnaam, vergelijk van der Lelie.

Lelij, van der, Lely van der. Adres-, plaatsnaam, vergelijk Lelystad.

Leloire, Leloir, Loir, Loire: Frans loir: zevenslaper, relmuis. Bijnaam van een luiaard.

Lelon, Lelong, Loong, Long, Lelan, Lilongh, Longhe, Longe, Longue. Bijnaam voor een lang iemand.

Le Lorrain, Lelorain, Lelaurain, Lorraine, Lorrain, Loraine, Lorain, Lauraine, Loreing, Lorein, Loreyn, Lorreyn, Lorreyne, Lorreyn. Volksnaam voor een Lotharinger.

Lelouchier, Louchier, Louchie, Lochiez, Lochie, Louchy, Lochy: Oudfrans louchier: lepelmaker. Beroepsnaam. Vergelijk De Lepeleere.

Leloup, Loup, Leloux, Leleu, Leleup, Leleux, Deleu, Deleux, Deleuve. Familienaam uit het Oudfranse leu, lou, Frans loup: wolf. Bijnaam zoals bij het Nederlandse De Wolf.

Lelubre, Lelupe: Bijnaam. Middenfrans lubre: wulps, wispelturig.

Leluron. Frans luron; vrolijke kerel.

Lemable. L’Aimable; de beminnelijke?

Lemache. 1. Beroepsnaam. Oudfrans mâche (onderwerpsvorm) naast machon (voorwerpsvorm), Frans maçon: metselaar, steenhouwer. 2. Zie Limage.

Lemaigre, Maigre, Demaigre, le Meigre: Bijnaam voor een magere. Vergelijk Magerman.

Lemaine, Lemagne. Bijnaam. Oudfrans maine, magne: groot.

Lemair, Lemaire, Lemeire, Lemeir, Lemeer, Lemerre, Lemer, Lemere, Lamaire, Lamair, Lamère, Lameere, Lameir, Lameire, La Meir, Lameijer, Lamer, Limère, Limere, Demeer, Demeere, Demerre, Demaire, Demeire, Meire, Meer, Meere, Merre: Beroepsnaam. Frans maire, van Latijnse maior ‘meier, burgemeester’.

Lemaitre, Lemaître, Lemaitre, Lemaistre, Lemaitte, Lemeiter, Lemistre, Lemattre, Lematre, Lemestre, Lemettre, Lemette, Lemet, (de) Maître, Demaitre, Maiter, Demaitere, Demaiter, Demetter, Demette, Demettre, Demetre, de Maistre, Demestres, Demestre, Demeiter, Maystre, Meystre, Mestre, Mestres: Oudfrans maistre, Frans maître, van Latijnse magister ‘meester’, als academische graad of meester in een vak. Vergelijk de Meester.

Lemal, Lemaux, Lema, Lemalle, Lemiau, Lemiaux. Bijnaam uit het Franse mal: kwaad.

Léman, Lemaen, Lemant, Le Men, Liman Limanne, Limane: 1. Zie Leeman(s). 2. Vertaling van De Man.

Lemanissier, Manechez, Mannechez: Beroepsnaam: ontginner van een mergelgroeve.

Lemaresquier. Normandisch, Picardische afleiding van maresc, Germaans marisk: meers, beemd. Beroepsnaam van groenteboer.

Lemasson, Masson, Machon, Maçon, Massun: Beroepsnaam. Frans maçon: metselaar.

Lemaur, Lemaure. 1. Bijnaam; De Moor. 2. Zie Lemort.

Lemay, Lemaye, Lemai: 1. Zie De Mey. 2. Plaatsnaam Le May-sur-Evre (Maine-et-Loire).

Lembeke, van, Lembeck, Lembecq: 1. Plaatsnaam Lembeke (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam in Boezinge (West-Vlaanderen). 3. Plaatsnaam in Oostkerke (West-Vlaanderen). 4. Plaatsnaam in Tielt, Ooigem, St.-B.-Vijve, Wielsbeke, S. Lembeek (Vlaams-Brabant).

Lemberg, van, Lembergier: Plaatsnaam Lemberg, Silezisch voor Löwenberg.

Lembergen van, van Lemberghe, Lemberghe, Lemberghe, Leimbergen, Leinbergen, van Limberghen, van Limbergen, van Linberghe, van Lombergen, van Lomberghen. Familienaam uit de plaatsnaam Lemberge (Oost-Vlaanderen).

Lem, van der, Lemmen, Lam, Lemstra, Lemm. 1. Lemmen is een schaap, verkleinwoord lam, beroepsnaam. 2 Grondsoort, lemmen, lemen, leem.

Lembrée, Lembrez, Limbrée: Plaatsnaam Lembrée in My (Luxemburg).

Lembrez: 1. Zie Lembrée. 2. Zie Lambret(te).

Lemersre, Lemesre. Hypercorrect voor Lemerre.

Lemeiter, zie Lemaître. Le Men: 1. Zie Léman. 2. Bretonse familienaam Le Menn, Le Men: jong van een dier.

Lemer: 1. Beroepsnaam van de lemer, leemwerker, die muren van huizen met leem bestrijkt. 2. Zie Lemaire.

Lémeret. Bijnaam. Oudfrans l'esmeré: bevallig, voornaam. Vergelijk Lémeray.

Lemmen, Lemmens, Lemmes, Lemens, Lemense. 1. Vadersnaam. Brabantse vorm van Lammens: knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lambrecht (: land-berth). 2. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Adelhem.

Lemmens, Lems, Lemson, Lemkes, Lams. Zie Lem. Lemmens is afgeleid van de voornaam Lambert of Lambrecht (in het Germaans land-berht, in het Latijn Lambertus). Lamberts zoon werd Lambertszn.

Lemerle, Lemille Lemielle, Lemesle: Frans merlemerel. Bijnaam naar de vogelnaam. Vergelijk De Meirel, Merlan(d).

Lemestré, Lemestre, Lemestrez, Lemester, Mestré, Mestrez, Mestray, Mestreit, Mistré: Waals mestré, van Ménestrel.

Lemhouer. Variant van Leenhouder? Of Arabische familienaam?

Lemié, Lemiez, Lemyé, Lemye, Lemy: Miet, afleiding van Oudfrans mie, van Latijn medicus: arts, geneesheer.

Lmiengre, Lemiegre. Bijnaam. Oudfrans mingre: zwak, spichtig, mager. Franse familienaam Lemaingre.

Lemieuve. Oudfrans mièvre: levendig, guitig, schalks.

Lemieux. Bijnaam Le Mieux? Waarschijnlijk veeleer reïnterpretatie van Lemié of samentrekking van Lemailleux.

Lemin. Variant van Lamain of Le Men?

Lemire, Lemir, Lemirre, Lemière, Lemierre, Lemiere, Mire, Mir, Lamiere, Lamire: 1. Oudfrans mire: arts, geneesheer. 2. Uit Lormier.

Lemmen, Lemmens, Lemmes, Lemense, Lemens: Vadersnaam. 1. Brabantse vorm Lammen(s). 2. Vleivorm van Germaanse voornaam Adelem (Adelhelm).

Lemmer, van den. Plaatsnaam Lemmer, Friesland.

Lemoine, Lemone, Lemonne, Lemounes, Lemoisne, le Moigne, le Moine, Lemogne, Lemoign, Lemoyne, Moinne, Moine: Oudfrans monne, moine: monnik. Vergelijk De Munck.

Lémont, Lemon. 1. Plaatsnaam Le Mont: de berg. 2. Variant van Limon(t). 3. Variant van Lamont.

Lemor, Lemort, Dumord, Dumort, Lemeur, Lemur, Lemaure, Lemaur: Bijnaam voor een lijkbleke, die er als de dood uitziet.

Lempereur, Lempreur, Lampereur, Lampreu, Empereur, Lempérière, Lempiere, Lempire, Lamperjee: Oudfrans emperere, empereor, Frans empereur: keizer. Bijnaam. Vergelijk De Keizer. Lamperjee is een Nederlandse spelling voor Lemperier.

Lempel. Vadersnaam Lâmpel. Afleiding van de voornaam Lamprecht, Lambrecht.

Lemton: Vervorming van Lemson?

Lempéré, Lempérez, Lempéré, Lempéret; Mogelijke Waalse reïnterpretatie (met accentverschuiving) van Lemper(e).

Lempernesse. Plaatsnaam Lampernisse (West-Vlaanderen), maar ook verspreide plaatsnaam in Waals en Frans Vlaanderen.

Lems. Vadersnaam. 1. Brabantse vorm van Lams. 2. Lem, van Adelem. Zie Lemmens 2. 3. Korte vorm van Willem.

Lemyze. Aanpassing van Franse familienaam, waarschijnlijk van Le Mige. Oudfrans mige, van Latijn medicus: arts. Vergelijk Lemié.

Lena. Vadersnaam. Waalse vorm van Lénart.

Lenain, Nain, DeNeyn, de Nyn, Denyn, de Nijn, Denijn. Naam uit het Middelnederlandse naen: dwerg, kabouter. Bijnaam voor een klein iemand.

Lenardon. Vadersnaam. Vleivorm van Leonard.

Lenclus, Lenclu, Lenclud, Lanclus, Lanclu, Lanclud. Bijnaam uit het Franse enclus: teruggetrokken.

Lenczner. Afleiding van plaatsnaam Lenzen, onder andere in Beieren.

Lendecker, de, Lendeker, de, de Lendtdecker, de Lentdecker, de Lentdekker, de Lintdecker, (de) Lentacker, Lintacker. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse lêmdecker, leemdekker, lemer (ook leemplacker genoemd).

Lendel. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Landolf of andere land-naam.

Lenderink, Klein Lenderink. Plaatsnaam, hoeve.

Leneffe, Lenaif, Naif, Naive: Verwaalste vorm van Duits Neffe/Näf. Näf en Naif komen allebei in Cent voor.

Lenel, Lenelle, Lénel, Lénelle, Leneau, Leneeuw: Variant van Lai(g)nel?

Leneuf. Bijnaam voor een nieuw aangekomen inwoner, nieuweling. Vergelijk Nouvel.

Lenfant, Lanfant, L'Enfant: Frans l'enfant: hetkind. Bijnaam. Vergelijk Tkint.

Lenfranc. Vadersnaam. Germaanse voornaam Landfrancus.

Lengeler, Lengler. Afleiding van veldnaam Längele: lang smal stuk land.

Lengauer. Plaatsnaam Lengau, Beieren.

Lenglin, Langlin, Lenglain, Lenglen, Linglin: Vleivorm van L'Anglais: de Engelsman ?

Lenjou. Vlaamse spelling voor Laignoux.

Leniere, Lenière; voorzetselloze vorm naast Delignière. Plaatsnaam Lignière in Roy (Provincie Luxemburg).

Lenneberg. Plaatsnaam in Budenheim, Duitsland.

Lennep, van, von. Plaatsnaam, Nordrein-Westfalen.

Lenoir, Lenoor, Noir: Bijnaam naar de zwarte kleur (haar, huid). Vergelijk De Zwarte.

Lenos: 1745-1816 Herman Bernd Lienesch, Tütingen (Nedersaksen) vestigde zich in 1773 in Rotsterhaule (Friesland) en is de stamvader van de Nederlandse tak Lienesch. Zijn voorvader, Bernard von Denne uit Osnabrück, was in 1598 beleend met de Lienesch Erbe in Tütingen. Harmen Lienesch (1775-1853), staat ook geregistreerd als Lenes, Lenos en is voorouder van Leenes, Lenes, Lenis.

Lens, Lense, Lensen, Lenssen, Lessens, Lenze, Lenz, Lentz, Lensch, Leynse, Leyns, Leinse, Lijnse, Leijnse, Lins, Linssens, Linsse, Linsens, Linssen, Linsen, Linse, Lincens, Lincen, Lentzen, Lenzen, Linsingh, Linsing, Lensink, Linsing, Linsingh: Vadersnaam. Lens, samengetrokken uit de voornaam Laure(i)ns.

Lenseclaes, Lensclaes. Dubbele vadersnaam uit Lens+Claes.

Lens, van, de Lens, Delens: 1. Plaatsnaam Lens Henegouwen, Pas-de-Calais. 2. Plaatsnaam Lens, Luik, Frankrijk.

Lenselink: 1. Vadersnaam. Lenselin, verkleinvorm van Landzo, afleiding van Germaanse land-naam. Vergelijk Lentzel. 2. Plaatsnaam Lenselink bij Hengelo (Gelderland).

Lenshoek: Veldnaam (Zeeland).

Lenskens, Linskens, Lenzkes, Lenzke: Vadersnaam. Afleiding van Lens/Laurens.

Lentjesn, Lentjes. Vadersnaam. 1. Afleiding van Lambrecht, niet Lemmekin (zie Lammekens). 2. Zie Lindekens.

L'Entrée, Delentrée: Waarschijnlijk reïnterpretatie van Landré.

Lentrebecq, Lantrebecq, Lantrebec, Lanterbecq, Lantreibecq: Plaatsnaam, Henegouwen?

Lenstra, Leenstra, Leensma: Vadersnaam. Friese afleiding van Lens.

Lent, van: Plaatsnaam Lent (Gelderland).

Lentjes, Leentjes, Lent, Lentz. Moedersnaam, zie volgende en Lenting, vadersnaam.

Lente: Moedersnaam Lente, van Iolente.

Lenting: Vadersnaam. Zoals Lantink afleiding van Germaanse land-naam. Ook plaatsnaam in Gorssel (Gelderland), Vorden (Gelderland).

Lenzer: Afkomstig van Lenz (Beieren, Saksen).

Leo, Léo, Léon, Leong, Leyon, Layon, Leoen, Leone, Leoni, Leonis, Lion, Lioni, Leons, Lyon, Lyons, Lioen, Lyoen. 1. Vadersnaam uit de Latijnse naam Leo. 2. Bijnaam naar het karakter: leeuw. 3. Huisnaam naar: "in de Leeuw".

Léodet. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse leudi-naam. Vergelijk Leotard.

Léonard, Léonardy, Léonardo, Léonardi, Leonard, Leonardi, Leonardy, Leonardo, Leonhard, Leonhardt, Lienhard, Lionnard, Lienardy, Leonaers, Leonaer, Leonnaer, Leenaards, Leenaarts, Leenaert, Leenaerts, Leenaers, Leenard, Leenards, Leenarts, Leenars, Lenart, Lenaars, Lenaaats, Lenaar, Lenaars, Lenars, Lenaert, Lenaerts, Lenaertz, Lenard, Lenardt, Lenart, Lenartz, Leners, Lenders, Lenertz, Lehnert, Lehner, Lenerts, Lenerz, Lenartz, Lehenerz, Lenhardt, Lenhard, Leynaert, Leynaerts, Leynarts, Leener, Lener, Leiner, Leiners, Leinert, Leinarts, Leinardi, Leender, Leenders, Leender, Leenderts, Leenders, Leendertse, Leinders, Lenders, Lendertz, Lennerts, Lenners, Lennertz, Lennaerts, Lennarts, Lennartz, Lennaerts, Lennartson, Lannaert, Linhart, Linhard, Linnert, Linnertz, Linnetz, Liner, Liners, Linert, Linder, Linders, Lindert, Lindaart, Lienhard, Liennard, Lienard, Lienarts, Lienart, Liénard, Liénart, Liénaert, Liesnard, Lenoerts, Lenorst, Loenhard, Lunhardi, Lima, Leenesonne (zoon van) …; Vadersnaam. Hybridische voornaam, Latijnse leo ‘leeuw’ en Germaans hard ‘sterk’.

Leonet, Léonet, Lionet, Lionnet, Lionnez, Lyonnet: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Léon, Lion.

Lepeleer, de, Lepeleere, de, de Lepeleire, de Lepelaere, Lepelaire, Lepelaers. Beroepsnaam van de lepelmaker, de lepelgieter.

Lepère, Lepére, Lepere, Leperre, Leper, Lepers, Lepert, Lepair, Lepaire, Lepaire, Lepeer, Lapère, Laperre, Lapere, Lapers, Laper, La Perre, Lappère, Lapperre, Lapeer, Lapeere, Lapeirre, Lapeire, Lapeyre, La Peyr, Lapeere, Lapaire. 1. Van het Franse Le Père, de vader. Verwantschapsnaam om bijvoorbeeld het verschil in afkomst met een gelijk genoemde zoon aan te duiden. 2. Uit Lepair. Het Middelfrans pair, betekent: pair, hoge vazal, paladijn, edelman.

Lepez, Lepee. Familienaam uit het Oudfranse peiz: borst. Bijnaam naar het lichaamsdeel.

Lépinois, Lepinoy, Lepinois, Lepinoo, Lippenois, Lippinois, Lippenoo. Franstalige tegenhanger van Van Dooren. Uit épinaie: plaats waar doornstruiken groeien.

Leplat, Plat, Leplae, Lepla, Leplas, Duplat, Douplat, Desplat, Desplas, de Pla, de Plae. Bijnaam naar de platte buik voor een mager iemand.

Lepoeter, la Poutré: Spelling voor Frans Lepoutre. Oudfrans poutre ‘merrie’. Ook familienaam Lapoeter.

Lepolard. Lees Fépaulard, van Oudfrans l'espaulart: breedgeschouderd. Bijnaam.

Leponce, Leponge: Waarschijnlijk reïnterpretatie (lïs Le Ponce, voornaam Ponce: heiligennaam Pondus) van Lepouce of Lepouse. Hier spelen uiteraard hypercorrectie (vergelijk Pouchelle = Ponchelle) en n-epenthesis mee.

Leporcher. Beroepsnaam van de varkenshoeder.

Leporcq, Leporc, Leporck, Lepork, Leporcq, Leport, Lepor, Lepore, Lepourc, Lepour, Lepourcq, Porcq, Porc, Deporcq, de Pourck, Pourcq, Depourcq, Depourq, Depourque, de Poerck, de Peurck: Frans porc: varken. Bijnaam, beroepsnaam of huisnaam. Vergelijk Verken(s).

Lepouce. 1. Frans pouce: duim. Bijnaam. Vergelijk Duym. 2. Of spelling van Lepouse.

Lepouse. Bijnaam l'épouse: echtgenote.

Lepoutre, Lepouttre, Lepouttere, Lepoutere, Lepouter, Lepoutère, Lepoetere, Lepoutte, Lepoudre, Lepoudère, Lapouter, Lipouter, de Poutre, Depôtre, Poutre, Poutte: Oudfrans poutre: merrie. Vergelijk Poutrain.

Leppen, Leppens: Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Lieboud (lied-boud) of Liebrecht (lied-brecht); vergelijk Lebbe.Of een variant van Lippens. Zie daar. 2. Eventueel variant van Lippens.

Léprevier. Bijnaam. Frans épervier: sperwer.

Lepropres, Lepropre, Proper; Bijnaam. Frans propre: net, rein, zindelijk, schoon.

Lequi, Lequis, Lequy, Licki: Wellicht van Oudfrans l'esquis, voltooid deelwoord van Latijn exquaerere, Oudfrans esquerre. Bijnaam: gezocht, in trek. De huidige betekenis van exquis dateert pas van de 18de eeuw.

Lequieu. Variant van Lequeu of verkeerde lezing van Lequien.

Leraar, Leeraart, Leeraert: Vermoedelijk niet Middelnederlands leeraer ‘leraar, onderwijzer’, maar veeleer van Leenaart, met n/r-wisseling.

Larat, Lera, Leras, Lerate, Durat, Dura, Douras, Doura: Bijnaam naar het knaagdier, de rat. Vergelijk Muis.

Lerberghe, Lerberge, (van), van Lerenberghe, van Lerberge, Lerberger, (van) Leerberghe, Larenbergh, Larenbergh, van Leerbergen, van Lerbeirghe, van Leersberghe, van Leirsberghe, Leirberghe, (van) Lersberghe, Lersberge, van Lesbergh, Leberghe, Lesbergen. Familienaam uit de plaatsnaam Laarberg in Kortrijk en Marke.

Lerbier, Larbi, Larbie, Larbière, Larbiere: Franse familienaam Lherbier: kruidenier, kruidenhandelaar.

Lercangé, Lercange, Lercancée: Picardische familienaam Larcanger. Germ.aanse voornaam Erkenger: Ercangarius.

Lerch, Lerche, Lerchs. Duitse bijnaam Lerche; leeuwerik.

Lere, Leer, Leers: Spelling voor Lair(e), Leir. Vadersnaam. Korte vorm van Hilaire, Latijnse heiligennaam Hilarius. Ook Duits Lehr, van Hilarius.

Lergner: Zuid-Duitse familienaam Lerchner, Larcher ‘die bij de lorken woont’.

Leribeaux, Leribaux. Oudfrans ribaud: vagebond, landloper, schurk, vrouwenloper. Bijnaam.

Leriche, Lerich, Lericq, Lericque, Lerique, Lerycke, le Rijcke, le Rijke, Lerick, Larik, Riche, Rich, Rice, Rische, Risch, Risse, Riss, Rits: Frans riche, Picardisch rique, van Oudnederlands rîk: rijk, vermogend, machtig. Vergelijk De Rijk(e).

Lerinckx, Lerinck, Lerink. Middenenderlands lerinc; leerling. Bijnaam.

Lerius, van. Reïnterpretatie van heiligennaam Valerius.

Lerisson. Lees L'hérisson: egel. Vergelijk Egels, Dégels. Franse familienaam Hérisson.

Lermitte, Lermyte, Lermytte, Lermijtte, l’Hermitte, l'Hermite, Lhermitte, Lhermite, Larmit, Delhermite, Hermitte: Bijnaam van de (h)eremiet, kluizenaar.

Lerner. Duits Lerner; scholier, leerling.

Lernons. Waarschijnlijk variant van Lerno of Lernois, met -on-suffix. Of verkeerde lezing van Lernous?

Lernout, Lernould, Lernouldt, Lernout, Lernou, Lernous, Lernoux, Lernourd, Lhernould, Larnould, Larnou, Larnout, Larnoe, Larno: Vadersnaam. Frans lidwwoord l’ (le)+ voornaam Ernoul, Ernous, Arnouls, Romaans vorm van de Germaanse voornaam Arnolf. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Lierneux (Luik).

Leroux: Bijnaam naar de rode, rosse haarkleur.

Leroy, Lerooij; Larooij, Laroij, Leroi, Leroie, Le Roi, Leroye, Leroerye, Leooy, Leorij, Laroy, Laroye, Le Ray, Lerey, Larey, Lerho, Lerhô, Leroo, Lerot, Lerro, Lereu, Laroo, Laros. Bijnaam afgeleid van het Franse roi, Waals râ, het Oudfranse rei: Franse bijnaam le Roi ‘de Koning’. Vergelijk de Koning (hoofd van een gilde of boogschuttersgilde.

Leroisse, Roisse. Oudfrans roiste, Luiks-Waals rwèsse: stijf, stram, stug. Bijnaam.

Lerond. Frans equivalent van De Ronde.

Lerou, Leroux, Liroux, la Rou, Roux, Rous: Bijnaam naar de rode haarkleur. Vergelijk Lerouge.

Lerouge, Rouge, Rouges: Bijnaam naar de rode kleur (haar, kleren). Vergelijk Lerou(x), De Ro.

Leroyer, Royer, Rouyer, Deroyer: Beroepsnaam. Frans royer: wielmaker, wagenmaker. Vergelijk Ramakers.

Lersberghe: Variant van de Vlaamse familienaam van Leersberghe, (van) Lerberg(h)e. Plaatsnaam Laarberg in Kortrijk en Marke (West-Vlaanderen).

Lersch, Lerschen, Leerschen, Lersmacher. Duitse beroepsbijnaam en beroepsnaam voor de laarzenmaker.

Lersman. Beroepsnaam van de laarzenmaker.

Lerijs: Reductie van de Achterhoekse familienaam Leemreis(e), Leerijze. Plaatsnaam in Vorden (Gelderland).

Lerude. Bijnaam. Frans rude; ruw.

Leruite, Leruitte, Leruith, Leruithe, Lerut, Laruth, Leruthe, Leruth, Lerutte, Lerute: Waalse aanpassing van De Ruyter.

Leruse, Lerusse. Volksnaam. Frans russe: Rus.

Lerustre, Leruste. Bijnaam. Oudfrans ruste, Middenfrans rustre, van Latijn rusticus: boer, boerse kerel, lomperd.

Lerut. Variant met epenthetische r voor Levant; zie Lèvent.

Lery. Plaatsnaam Léry (Marne, Côte-d'Or, Eure).

Lesaffre, Lesafre, Lesaffre, Lesaffer, Lesafer, Saffre, Saffer, Saffers, de Saffel, de Saever, de Saver, De Seffer. 1. Het Oudfranse 'safre' betekent gulzigaard, slokop. 2. In Moeskroen werd Sabbe geïnterpreteerd als Saffre. Dus zie ook Sabbe.

Lesage, Lesaege, Lessage, de Sage, Oesage: Bijnaam. Frans sage: wijs, verstandig. Vergelijk De Vroe(de).

Lesandre, Lesandré: Lidwoord. + vadersnaam Sandre: Alexander. Of van Lissandre, Alissandre?

Lescanne. Waarschijnlijk spellingvariant van Lecane.

Lescapet. Bijnaam l'escapé, Frans. l'échappé: gered, ontsnapt?

Lescart, Lescarts. 1. Plaatsnaam. Oudfrans escart, Frans écart: afgezonderde plaats, straathoek. In Florent (Marne). Lescar (Basses-Pyr.). 2. Spelling voor Lecart.

Lescieux, Lesieux, Lesileur, Lecieux, Lecieu, Leyssieux, Scieur, Sieur, Scieux, Sieux, Scyeur, Syeur, Sieuws, Sieuw: 1. Beroepsnaam. Frans scieur: zager; ook maaier. 2. Deze vormen kunnen ook verschrijvingen zijn van het homonieme Lesieur, Sieur, Sieux. Zie Lesieur. 3. Bijnaam. Oudfrans cieu, ciu, van Latijn caecus: blind. In dit geval zijn de vormen op -eur Picardisch en hypercorrect.

Lescot, Lesceu, Lesceux, Lecot, Lecho, L'Echo. Afkomstbenaming voor een Schot.

Lescoat. Spelling voor Lescaut?

Lescornez, Lecornez: 1. L'escorné, voltooid deelwoord van Oudfrans escorner: onthoornen, beroven. 2. Lescornez kan hypercorrect zijn voor Lecornez; zie Cornet.

Lescot, Lesceu, Lesceux, Lecot, Lecho, l'Echo: L'escot: de Schot, volksnaam.

Lescrinier, Lescrenier, Lescrainier, Escrinier, Crenier, Lecrignier, Lecrinier, Lecriniez, Lecrenier, Lecreniere, Lecrenière: Beroepsnaam. Oudfrans escrinier: schrijnwerker, meubelmaker.

Lescroart, Lecroart, Ecrohart, Lescrauwaert, Lescrauwaet, Lescrouwaet, le Scrauwaet, Lescrooat, Ascrawat: Beroepsnaam van Oudfrans escroer: inschrijven op het Oudfrans escroe: perkament, register; dat gaat terug op Oudnederlands skrôda, Middelnederlands schrode: strook perkament. Beroepsnaam voor een klerk. In de Dauphiné was Le(s)croart een ambtelijke klerk. Frans écrouer: inschrijven op het (gevangenis-) register; dus ook: gevangenisklerk.

Lescouhier. Naam uit het Franse Couillet (Noord Franse (Sommegebied) vorm voor heuveltje). Tegenhanger van het Nederlandse Van den Heuvel.

Lescurieux, Descurieux, Lecureuil, Lecureur: Middenfrans escurieu, Frans écureuil: eekhoorn. Bijnaam naar de handigheid, beweeglijkheid.

Lescut, Lecu, Lecut, Lecul: Oudfrans: l'escut, Frans l'écu: schild. Beroepsnaam.

Lesdanon. Familienaam die wellicht afgeleid is van Daniel. Zie daar.

Lésée, Lesecq, Lesecqu, Lesèque, Leseck: Bijnaam. Frans sec: droog. Vergelijk De Droog.

Leseigne, Lesseigne: 1. Waarschijnlijk variant van Lesenne. 2. Eventueel = Lesigne. 3. Zie ook Lenseigne.

Lesenne, Lesenne, Licenne, Lesène, Lessène, Lessene, Lessenem, Lessennes, Lessenne, Lescenne, Lesseine, Leseine, Lesaine, Lesseigne, Leseigne: Volksnaam. Oudfrans saisne: Sakser.

Lesens, Lessens. 1. Vadersnaam. Middennedelrandse voornaam Lessin. Zie Leskens. 2. Lees: Le Sens. Oudfrans sens: verstand, zin, wijsheid. Bijnaam.

Léser, Lezer: Beroepsnaam van de voorlezer, of wijnlezer.

Leseul. Bijnaam. Frans seul; alleen, eenzaam.

Leseultre. Waalse aanpassing van De Sutter.

Leseur, Leseure, Leseure, Lezeure, Lesur, Lesure, Lesseurs, Lesseur, Lesseux, Lesceu, Lesceuz, Leceux, Leseux, Laseur, Laseure, Lazeure, Lazeur, Laceur, Laseux, Lasure, Lazoore. Beroepsnaam uit het Oudfranse seurre, sure, van Latijn sutor: naaier, schoenmaker.

Lesgardeur. Beroepsnaam. Oudfrans esgardeur, Oudpiardisch eswardeur, Middelnederlands waerderre: opzichter, keurmeester.

Lesier: Vernederlandste spelling van Frans Lesire. Frans Sire is de onderwerpsvorm uit Latijnse senior, van Frans seigneur ‘heer’. Vergelijk de Heer(e).

Lesieur, Lesieux, Leyssieux, Sieux, Sieu, Sieuws, Sieuw, Sieur, Syeur, Desyeux: 1. Oudfrans, Oudpicardisch sieur, sieux, van Latijn senior(em): seigneur. Vergelijk De Heere. Zie Lescieux.

Leseigne, Lecigne, Suigne, Signe: Bijnaam of huisnaam. Oudfrans ci(s)ne, Frans cygne: zwaan.

Lesir, Lesire, Lessir, Lessire, Lecire, Leyzier, Lezier, Lazier, Sirre, Sire: Frans sire, onderwerpsvorm van Latijn senior. Vergelijk Lesieur, De Heere.

Leskens. Vadersnaam uit een Germaanse Lezzo-naam. Deze is dan weer afgeleid van het Germaanse leudi.

Lesley, Leslie. Plaatsnaam Lesley.

Lesman, Lesemann, Lesmeister, Lessmeister: Beroepsnaam. Middenenderlands lesemeester, lesmeister: geestelijke die kloosterlingen in godgeleerdheid en wijsbegeerte onderwijst, leraar, lesgever.

Lesne, Lesnes, Lesné: 1. Moedersnaam. Korte vorm van Alêne of Hélène. 2. Lees Lesné? Zie Laisnez.

Lesneuck. Aanpassing van De Snoek?

Lesoyer, Soyeur, Soyeurt, Soyeux: Beroepsnaam van zager, van Oudfrans soier: zagen.

Lesoil, Lecoil, Lesoille, Lesoile, Lessoille, Leswal: Oudfrans soile, Frans seigle: rogge. Beroepsnaam.

Lesoin, Lesoing, Lessoin, Lessone, Soins, Soin: Oudfrans soigne, soing: zorg, kommer. Bijnaam. Vergelijk Sorg.

Lesoinne, Soinne: Bijnaam of huisnaam. Waals swéne, Frans cigogne, van Latijn ciconia: ooievaar.

Lesoir. 1. Oudwaals soir: schoonvader. Vergelijk Beaupère. 2. Frans sor, Waals soir: bruingeel. vergelijk Lesort 2.

Lesort. 1. Oudfrans sord, sort, Frans sourd: doof. Bijnaam. Vergelijk Dendooven. 2. Bijnaa, oudfrans sor: bruingeel, blond, kastanjebruin.

Lesot, Leso: Bijnaam voor een zot, gek. Vergelijk De Sot.

Lesouple. Bijnaam. Oudfrans sople: nederig, onderworpen, onderdanig, terneergeslagen.

Lespaganard, Lespagne: Spanjaard, uit Spanje.

Lespagnoul, Lespagnol, Lêpagnol, Spanos, Spano, Spanneut, Spannuet, Spannet, Spanu: Volksnaam van de Spanjaard. Oudfrans espagnol, espagneul, espagnot.

L'espé, l'Espé, Lespes, Lepee, Lepée, l'Epée, Lepez: 1. Oudfrans espeis, espes, Frans épais: dik, breed. Bijnaam. Zie ook Lespoix. 2. Oudfrans l'espée, Frans l'épée: het zwaard. Huisnaam. Vergelijk Delepee.

Lesperoy. Onduidelijk. Verhaspeling van Lespinoy? Of L'espéré: de verhoopte? Vergelijk Lespérat.

Lespineux. Plaatsnaam. Waals Spineû: plaats waar doornstruiken groeien. Vergelijk Despinoy.

Lespir, Lespire, Lespier: Oudfrans espir, Frans esprit: geest. Vergelijk Espri(e)t, De Geest.

Lesplingart Lesplingard. Oudfrans espringale, espringarde, Frans espingard: belegeringstuig, katapult. Zie Springael.

Lespoix, l'Espoir, Despois, Lepoix, Lepoir: Oudfrans espois, espes, Frans épais: breed, dik. Vergelijk De Bree, L'espé. Bijnaam.

Lesquoy, Lesquois: Spelling van de Franse familienaam Lequoy, Lecoy, dat is le coi, van Latijn quietus: kalm, rustig. Bijnaam.

Lessart, Lessard. Plaatsnaam L'essart: rode; zie Desart.

Lessen, van. Plaatsnaam Lessen, Frans Lessines, Henegouwen.

Lesser, de. Afleiding van Middelnederlands lesschen, lessen: blussen, uitdoven. Beroepsnaam van de blusser, brandweerman. Vergelijk Duits Lescher, Lôscher, Lesch(en)brand.

Lessine, Lessines, Lesine, Lesines. 1. Zie De Lessines. 2. Verschrijving voor Le Sine. Oudfrans ci(s)ne, Frans cygne; zwaan. Zie Lesigne. 3. Eventueel variant van Lesenne.

Lessine, de: De Lessines. Plaatsnaam Lessines, Nederlands Lessen (Henegouwen).

Lessius. Humanistennaam van de theoloog Léonard Leys (Brecht 1554 - Leuven 1623).

Lessmöllmann: Beroepsnaam Möllmanni, dat is Meuleman ‘molenaar’. Het eerste lid is onduidelijk. Wellicht een dubbele familienaam.

Lestable, Lestabel, Lestavel, Lastavel: Bijnaam. Frans stable: stabiel, vast. Vergelijk (de) Stabel.

Lestaeghe, Lestage, Lesthaeghe, Lesthaege, Listhaeghe, Lesschaeve, Lesschave: Plaatsnaan, van l'estage: estrade, podium, steiger. Frans étage. Maar aangezien in oud schrift de c en de t erg gelijkend waren en aanleiding gaven tot verkeerde lezing, kan De l'Estage ook wel een verkeerde lezing zijn van De l'escage, verfransing van Van der Schage (zie Verschaeve).

Lestarquis, Lestarquit, Lestarquy, Lesterquy: Bijnaam. Oudfrans estargi, Picardisch éterqui: stram, stijf.

Lestez, Lestée: 1. Zie Delestrée. 2. Oudfrans estreit: smal. Bijnaam.

Lestiboudois. Normandische familienaam les Tiboudois, afgeleid van de voornaam Tiboud, Dibboud.

Lestoquoy. Plaatsnaam L'Estoquoy in Fournes (Nord), Fruges (Pas-de-Calais), van stoketum, Nederlands Stokt, van stok: boomstronk. Vergelijk Destoquay.

Lestraede, Lestrade, Lestraete, Lestrate, Lestrat, Strade: Plaatsnaam. Middenfrans estrade: straat. Vergelijk Delestrée.

Lesueur, Sueur: Beroepsnaam. Oudfrans sueur, van Latijn sutor: Middelnederlands zutter, schoenmaker. Vergelijk De Sutter, Leseur(re).

Lesuise, Lesuisse, Lessuise, Lessuisse, Suisse: Volksnaam Frans Suisse: Zwitser.

Letainturier, Leteinturier: Franse beroepsnaam van de (laken)verver. Vergelijk Taintegnier.

Letanche, Letange: Plaatsnaam Létanche (Savoie).

Letangre, Tangre, Tanger: Bijnaam. Oudpicardisch tangre: verlangend, ongeduldig.

Létard, Letar, Letard, Leta, Lataer: 1. Zie Léotard. 2. L'estard: treuzelaar, die te laat komt. Bijnaam.

Létargez, Letargez: Bijnaam voor iemand die altijd te laat komt. Létargez, van l'estargé, voltooid deelwoord van Oudfrans estargier: zich verlaten.

Letawe. Plaatsnaam. Luiks-Waals tawe; tufkrijtsteen.

Lété, Lete, Lethé, Letté: Frans été: zomer. Bijnaam. Vergelijk De Zomer.

Letecheur, Leteheux. Beroepsnaam, Waals tècheû, Luiks-Waals tèheû: wever.

Letendre, Letenre, Tandre, Le Tanter: Bijnaam. Oudfrans tenre, Frans tendre: teder, zacht.

Letens, Leten, Letten, Lettens, Leeten: Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse leudi-naam, zoals Lietaard: Lettardus.

Letesson. Bijnaam. Luiks-Waals tesson: das? Of veeleer reïnterpretatie van Letisson (zie Letihon): Dietser.

Leteuil, Leteul. Plaatsnaam Letheuil, Letheux: thil, tilleul: linde.

Létévé, Létuvé: Variant van Letevé, Letévet, Lestevet, Leuteuvé in Pas-de-Calais. Vadersnaam. Franse lidwoord. le+ Estevet, afleiding van de voornaam E(s)tienne; zie Estevez,. Estienne. Vergelijk Franse familienaam Thevet.

Lethen. Spelling van Leten of Lethem.

Lethueur, Le Tueur: de doder? Of. veeleer reïnterpretatie, bijvoorbeeld van Letilleu (zie Lethielleux).

Letihon, Letixhon, Letiexhe, Tixhon, Tihon,Texhon,Tyhon, Tichon, Tychon: Volksnaam Waals tthe, tihon, Picardisch tichon, Frans thiois: Diets, Duits.

Létique, Bijnaam. Frans étique: mager, slecht uitziend.

Letist, Letiste, Lethist, Lethis, Tiste, Tist, Lothist, Lothis, Tis. Beroepsnamen, Waalse vormen van het Oudfranse tistre: wever.

Letocard, Letocart, Létoquart: L'Estocard, van Oudfrans estoc, van Oudnederlands stok: boomstronk, stok, zwaard. Bijnaam. Vergelijk Stockart.

Létoffé, Letoffé. Bijnaam l'étoffé: goed voorzien, gestoffeerd.

Leton, Letont, Le Teun; Oudfrans ton; donder. Bijnaam.

Letor, Letors, Letort, Letord: 1. Oudfrans tor: stier. Bijnaam. Vergelijk Stier. 2. Bijnaam. Oudfrans tort: misvormd, mismaakt.

Letot, Leto: 1. Plaatsnaam Le Tôt (Normandie). 2. Létot, van l'estolt, Germaans stolt (Duits stolz, Nederlands stout): stoutmoedig, durvend.

Letronne. Waals tronne, Frans tremble; esp, ratelpopulier.

Letroye, Letrouit, la Truie. Naam uit het Waalse trôye: zeug, katapult. Vermoedelijk beroepsbijnaam voor de bedienaar van een katapult.

Letsch. Duits Lätsch, bijnaam voor iemand met neerhangende lip.

Letschert. Duits Latscher, van latschen: slenteren, traag en lomp lopen.

Lettani, Lettanie, Lettany, Lattenanu, Lietanie, Litannie, Littanie, Littani, Litani, Lutanie, Delitenie. Wellicht een familienaam afgeleid van Lettonia: Letland (naar plaats van afkomst).

Letten, van der, Verlet. Naam uit de plaatsnaam Lette bij Detmold en bij Munster (Noordrijn-Westfalen) en Lete in Snellegem.

Letter, de, de Lettre, Letters: 1. Bijnaam naar de kleine gestalte. Middelnederlands luttel, little, lettel ‘klein’. Letter door r/l-wisseling, vergelijk West-Vlaamse letter ‘luttel, weinig’. 2. Deletter, van Delettre, van Delestre. Plaatsnaam. Oudfrans estre, van Latijnse extera ‘plaats, tuin, woonplaats, erf’. Zie ook Delestre.

Letz. 1. Bijnaam. Middenhoogduits letz: links, verkeerd. 2. Afleiding op -so van Germaanse leud-naam: Le(u)zo.

Letzer, Letzter: Duits familienaam afleiding van een plaatsnaam, Middelhoogduits letze ‘verhinderen, beroven, verwonden’.

Leuber: Vadersnaam. Germaanse voornaam leub/liub-hari ‘lief-leger’: Liubheri.

Leuchtenberg: Plaatsnaam (Beieren).

Leue, Leu. Bijnaam. Middenhoogduits leu; leeuw.

Leufgen, Leufkens, Loefgen, Lofgen, Löfgen: Vadersnaam. Rijnlands L(e)uffgen, Nederduits Lofken, afleiding van Luff, Loff, bakervormen van Germaanse voornaam zoals Ludolf of Luffrid, Lùtfrid. Zie ook Loef 2.

Leugenhagen, van, Leugenhage, van, van Leugenhage, van Leugenhaege, van Leugenhaeghe, van Leughenhagen, van Leuvenhaege, van Leuvenhage: Plaatsnaam Leugen-haag: valse, onechte haag. Plaatsnaam in Aarts en Wilrijk (Antwerpen).

Leujes: Vadersnaam. Uit de voornaam Luwe, van Ludwin.

Leunen, van: Plaatsnaam Leunen in Venray (Limburg).

Leupe, Leupen: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Lodebert of Liebert, Lieboud. Vergelijk Leupert.

Leuper, Leupert: Vadersnaam. Duits Leupart. Germaanse voornaam leud-berht (Liebrecht/Liebert) of leub-hard: Leobardus, Leopardus.

Leur, van de, der, Verleure, Leurink, Leuring, Leerink, Leuijerink, Leiyrink, Luirink: Plaatsnaam (Etten-)Leur (Noord-Brabant).

Leurart, Leuraert, Leuraers. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Leurent.

Leurent: Vadersnaam. Picardisch variant van de voornaam Laurent.

Leurgans, Leuregans: Bijnaam van de ganzenhoeder, die met een lokgans de ganzen naar de kooi lokt. Vergelijk Middelnederlands lorevogel ‘lokvogel’ en Nederlands lokduif, lokeend.

Leurere, de. Reïnterpretatie van De Leur?

Leurmans, Lormans, Loermans: Vadernsmaa. Afleiding van Germaanse voornaam Loderik/Lorik of van heiligennaam Laurentius.

Leurs, Leus. 1. Vadersnaam uit Luider,  Luidera, een vorm van de Germaanse voornaam Lutheri,  hluth-hari: beroemd-leger. Hlotarius, Lothar, Chlotar, Lotharius. Duits Luther. 2. Zie ook Lauwers.

Leue, Leu. Bijnaam of huisnaam uit het Middelhoogduitse leu: leeuw.

Leurmans, Loermans, Lormans. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Loderik/Lorik (leude-rik) of uit de heiligennaam Laurentius.

Leushuis: Plaatsnaam. 1756 van ’t Leushuijs, Almelo; 1792 Luijshuijs, Tubbergen.

Leusink, Leussink: Frequente plaats- boerderijnaam Leussink, Lusink in Twente en de Achterhoek, Leusinc bij Usselo, Twente. Mogelijk vadersnaam van de Germaanse voornaam Ludzo, Luzo, vleivorm van Ludo, van lud; volk, krijgsvolk, zie Ludger, Ludolf en Ludwin.

Leusche, Leusch. Vadersnaam. Duitse vleivorm van Germaanse leudi-naam, bijvoorbeeld Leuther.

Leussen, van: Wellicht uit van Leusden, plaatsnaam (Utrecht).

Leusden, van. Plaatsnaam Leusden. (Utrecht)

Leuse, Leusen. Gepalataliseerde variant van Loose(n).

Leussler, Leisner. Duits Leuchsner, van Middelhoogduits liuhse: deel van de as. Beroepsnaam van wagenmaker.

Leutenez. Spelling voor Le Thenet, afleiding van de voornaam Etienne. Vergelijk familienaam Thenet en Létévé.

Leuther. Vadernaam. Germaanse voornaam leudi-hari 'lieden-leger'.

Leutenis: Variant van de Belgische (met name Oost-Vlaanderen) familienaam Leutenez, van le Thenet, verkleinvorm van de voornaam Etienne.

Leutscher: Duitse bijnaam Leutscherer ‘Leuteschinder, die de lui (lieden) plaagt, pest, een pestkop’.

Leuvelink: Plaatsnaam Leuvelink in Twente en de Achterhoek. Leuvelt bij Hasselo, Overijssel.

Leuven, van, van Looven, van Loven: Plaatsnaam Leuven(Vlaams-Brabant).

Leuvenaar, de, Leuvenaer, Lovenaer, Leuwener. Leuvenaar, inwoner van Leuven (Vlaams-Brabant).

Levain, Levin, Vain, Vaine, Lavain, Lavin: Bijnaam. Oudfrans vain: zwak, uitgeput, leeg.

Levaq, Levaque: Picardisch vaque, Latijn vacca, Frans vache: koe. Bijnaam. Vergelijk Kalf, Stier.

Leveau, Leveaux, Levau, Levaux, Levay, Level, Levo, Levooz, Levoz, Levoz, Levo, Vaux, Veaux, Veau: 1. Bijnaam naar het kalf, Frans veau. Vergelijk Calf.

Léveillard, Léveillé, L'Eveillé, Levillez, Leveille, Levayer: Bijnaam. Frans éveillé: wakker, levendig, monter.

Leux, de: Deleux is een Frans hypercorrecte spelling voor Deleu, vertaald uit Leleu(x), Picardisch voor Leloup ‘de Wolf’.

Leven, van ‘t: Misschien door ontronding (eu van e) en volksetymologie uit van Leuven?

Levenstond. Aanpassing van Nederduitse familienaam Levestund, Duits Liebenstund; vergelijk Nederduits Levedag, Duits Liebe(n)tag, Lieb(e)zeit: ogenblik, tijd, dag voor de liefde. Bijnaam.

Lèvent, Lavent, Levant, Levan, le Van, Lervant: Bijnaam voor iemand die vlug is als de wind.

Leveque, Levesque, Levecque, Levecq, l'Evècque, Levecke, Leveke, Levêke, Lavesque, Vêque, Vèque, Véque: Bijnaam. Oudfrans (e)vesque, Frans évêque, van Latijn episcopus: bisschop.

Lever, Levert, Leverd, Levers, Deverth, Devert, Dever, Devers, Deverd, Deverre, Deveer. 1. Bijnaam uit het Franse vert: groen, fris. 2. Of uit het Franse ver: worm.

Leveugle. Frans aanpassing van De Veugle.

Levez, Levé: Bijnaam. Oudfrans vies, vez: oud.

Levi, Lévi, Lévie, Levie, Levy, Levij, Lévy,Levyssohn, Lewi, Lewy: Vadersnaam. Joodse voornaam. Naam van de derde zoon van Jakob en Lea, stamvader van de Levieten. In de Friese taal werd Levi Levisma en Leefsma, Leefmans.

Levien: Spelling van de Engels familienaam Levin, zie Levinson.

Levieil, Levieux: Oudfrans vie(i)l, Frans vieux: oud. Bijnaam. Vergelijk Levez.

Levionnois, Loevionnois: Afleiding (Normandie) van de voornaam Vion.

Levin, Levinson, Levison, Levisson, Levysohn, Leefsohn, Levine, Lewine, Lewin, Lewien, Lewinson, Lewenso: Vadersnaam. Germaanse voornaam leub-win ‘lief-vriend’, zie Lievens(e).

Levis, Levise, Livis: Waalse aanpassing van De Visch of De Visscher.

Levistre, Leviste. Waals hypercorrect voor Levisse (vergelijk Waals minisse, van ministre).

Levita, Lévite: Italiaans levita, Frans lévite: Leviet.

Levitre. Hypercorrect voor Levisse of Lévite?

Levrai, Levraey, Levray, Levrau, Levreault, Levreau, Levraut, Lavreau, Lavrauw, Lavrouw, Levrouw, Lievrauw, Livrauw, Lievrouw, Livrouw, Lievrouw, Livrauw, Lyvrouw, Lievevrouw, Lievevrauw. Uit het Franse levraut: haasje. Een bijnaam dus naar één of andere eigenschap (snel bijvoorbeeld). De Lievrouwskapel in Olsene werd ca. 1873 door Jules Levrau gebouwd.

Levray, Levrai, Levraey, Livraey, Vray: Frans vrai: eerlijk, rechtschapen. Bijnaam.

Lévrier, Levrie, Levrier, Levril, le Lepvrier: Frans lévrier: windhond, hazewind. Bijnaam voor een vluggerd.

Lew. Plaatsnaam. Oudengels hliew: lo, heuvel.

Lewahert. Verhaspeling van Lewaite)?

Lewaite, Lewette: Oudpicardisch waite, Oudfrans gaite: wacht(er), waker. Beroepsnaam.

Lewalle. Verfranst van De Wale.

Lewandowski, Lewandowsky, Lewandowska, Lewendoski:1. Poolse afleiding van plaatsnaam Lewandowka. 2. Bijnaam bij Pools Lewanda; lavendel.

Lewille, Lewylle. Bijnaam uit het Franse aiguille, het Picardische aiwille: naald. Beroepsbijnaam van de naaldenmaker of van iemand die beroepshalve met naalden werkte. Of variant van Lewillie.

Lewis, Lewison. Vadersnaam. Engelse, Franse voornaam Louis.

Lekkowicz, Lewkowitz, Lewkowitsch, Lewkovitz. Poolse afleiding van de voornaam Lew; leeuw, Leo.

Lex. Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennam Alexius.

Lexcellent. Bijnaam. Frans excellent; uitsekend, uitmuntend.

Lexhardé, Lexharde, Lexhardez, Lexaerde, Xhardez, Xhardé, Hardez, Chardez: Bijnaam. Luiks-Waals hardé: met afgebroken tanden, met een gat tussen de tanden. Middelnederlands. sc(h)aerde: opening.

Ley, de, Leye de, de Leij, de Lei, Delej. Bijnaam uit het Middelnederlandse lei: lui.

Leybold. Duitse Germaanse voornaam Leibold=Lieboud.

Leydecker, Leidekker, Leijendeckers, Leyendeckers, Leyendecker, Leyendekkers, Laeijendecker: Beroepsnaam van de leidekker.

Leijdens, Leijding, Leijten, Leyten, Leijtens, Leytens, Leijte, Leyte, Lijten, Leiten, Leyden, Leydens, Leyde, Leydinck, Leiding, Leidinger: Vadersnaam. Germaanse voornaam, van Laitho: Leiting, Laydingus.

Leyden, van, van Leijn: van Leijden, Leijden van: Plaatsnaam Leiden (Zuid-Holland), uitspraak leie.

Leije, van de; van der Leyé, Verleije, Leye, Leyen, van der, van der Leyden, van der Luyden, Verley, Verleyen, Verleij, Verleijn, Verlijen, Verlye, Verlyen: Plaatsnaam ter Leie, aan de rivier de Leie (West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen). Maar ook verspreide waternaam, ook in Nederland. Zie van der Leye.

Leyder, Leijder, de Leyer, de Leijer, Leyers, Leijers. Bijnaam uit het Middelnederlandse leider: geleider, gids.

Leye, van Leyen, van, van der Leyden, Verley, Verleye, Verleyen, Verlijen, Verleije, Verlijen, Verlyen, Verlye: Plaatsnaam Ter Leie aan de Leie (West-Vlaanderen), maar ook verspreide waternaam. Van der Leyden is hypercorrect, vergelijk Nederlands kastij(d)en. Plaatsnaam Ter Leiden in Avelgem.

Leyemberg, Leyenberg, Leyenberger. Familienaam uit de plaatsnaam Leienberg (Zeeland en Zuid-Holland) of Leyenberch (Zuid-Holland).

Leyen, Leyens. 1. Vorm van Loyen. Zie Loy(e). 2. Of van Leydens. 3. Verschrijving van Leyns. Zie Lens. 4. Verschrijving van Leyers: Zie Leyder.

Leyen, Leyens. Vadersnaam. 1 Gepalataliseerd, van Loyen(s). 2. Door d-syncope, van Leydens. 3. Verschrijving voor Leyns.

Leijen, van, Leyen, van, Leijs, Leys, Leeijen. Duidt wellicht evenals Van Leijden op herkomst uit Leiden of op bewoning van een huis met de plaatsnaam Leiden, bijvoorbeeld Het Wapen van Leiden/Leijen (vergelijk Van Leijen). Daarnaast kan sprake zijn van een vadersnaam bij de voornaam Lei, ontronde vorm van Loi uit Elooi.

Leyenaar, Leijenaar. Afkomstig van Leiden, Zuid-Holland.

Leygraaf, Leygraf, Leijgraaff: Plaatsnaam Leigraaf (Noord-Brabant, Gelderland).

Leyn, Lein, Leijnse, Leyense, Leyns, Leys: Vadersnaamr. Korte vorm van Gelein, van Frans Ghi(s)lain, Latijn Gislenus, latinisering van Germaanse gisil-naam.

Leyne, Leynen, Leijnen. 1. Moedersnaam uit de voornaam Geleine of Madeleine. 2. Verschrijving van Lynen.

Leynseele, van, van Leijnseele, van Leynseels, Leyseele, Leysele, Leyzeele, Valynseele, Linseele. Familienaam uit de plaatsnaam Linzele (het Franse Linselles - Nord) of Leisele (West-Vlaanderen).

Leijn, de: Vernederlandsing van Frans Delain. Waternaam l’Ain, zijrivier van de Rhône. Of plaatsnaam Lain (Yonne).

Leys, Leijs, Leyss, Leis, Leiss, Lys. 1. Vadersnaam afgeleid van de voornaam Laurei(n)s. 2. Vadersnaam, afleiding Lei van St.-Elooi. 3. Vadersnaam, afleiding van Leyn (Gislenius). 4. Moedersnaam uit Lijs: Elijsabeth. 5. Vadersnaam afgeleid uit Nicolaus. Dit via Calleys.

Leysen, Leysens, Leijsens, Leijsen, Leise, Leisen, Leyse, Leijzen, Leyzen, Leyssen, Leyssens, Leijssens, Leijssen, Leisse, Leissen, Verleysen, Verlysen, Verleyzen, Verlijsen, Verlies. Moedersnaam. Zoals Lijsen, Lissens. Ver Leysen: vrouw Lijse, Alice, Aleidis. Moedersnaam Elisabeth.

Leyskens, Leijskens: 1. Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Alice of Elisabeth. Zie Lissens, Liskens en Leysen. 2. Vadersnaam. Afleiding van Laurei(n)s; zie Leys1 en Lenskens.

Leysten. Waarschijnlijk Luikse verzwaarde vorm van Limburgse familienaam Leyssen.

Leyten, Leytens, Leijten, Leite, Leit, Leyte, Lijtens, Lytens, Leyts: Moedersnaam. Leite, vanAleit(e), Germaanse voornaam Adelheid.

Leijsenaar: Zoals de Duits familienaam Leissener, van de plaatsnaam Leissen, Leiszen.

Lezaack, Lejacques: Waalse aanpassing van De Saeger.

Lezaire. Vadersnaam van de voornaam Lazaire (Lazarus)? Of door suffixsubstitutie van Lezeure?

Lezer: Beroepsnaam van de voorlezer of wijnlezer.

Lezin. Plaatsnaam Lezin in Queux, Pas-de-Calais.

Lezwijn. Beroepsnaam. Aanpassing van Lechevin.

Lhair, L'Hair, L'Haire: 1. Oudfrans haire: ellendig, arm, ongelukkig. Bijnaam.

L’Herbette. Mmoeddersnaam. Frans lidwoord en voornaam Herbette, vrouwelijke afleiding van Herbert. Vergelijk Herbet.

Lherondelle. Bijnaam. Frans hirondelle; zwaluw.

Lhiver, l’Hiver. Bijnaam. Frans hiver; winter. Vergelijk De Winter.

Lhoest, L'hoest, l'Hoest, Lhoëst, Lhouest, Lhoez, Loës, Loes, Loest, Loust, Lousth, Lhost, Loist, Lhoost, Loost, l’Hooste, l'Hoost, Lhoas, l'Hoyst, l”Hoste, l'Host, Loste, Lhoste, Lhost, Lhostte, Lhôte, Lhoth, Lhotte, Lhote, Lothe, Loth, Lotte, Lote, Lhoute, Loutte, Loute, Louthe, Hôte, Hote, Lohest, l'Hoiest, l'Hoyès,lL’Hoyest,lL'Hoyes, Louyest, Louyet, Louïet, Louillet, Louesse, Louisse, Louïes, Louies, Lowis, Lowist, Louïst, Louist. Naam uit het Franse hôte:, van Latijn hospes, Waals Iewesse; gast(heer), waard. Beroepsnaam.

Lhoir, l'Hoir, l'Hoir, l'Hoire, Lhoirs, Loire, Loir, Lhor, l'Hort: Oudfrans hoir: erfgenaam. Vergelijk Dhoore.

Lhoireai is een afleiding van hoir; erfgenaam.

Lhommel, Lhomel, Lommel,lL'Hommelet, Lhommelet: Plaatsnaam. Oudpicardisch hommel: kleine iep, olm. Hommel(et) door assimilatie van Ormel(et). Franse familienaam Lhommeau.

Lhonneux, hLoneux, l'Honeux, l'Honneux, Deloneux, Delonneux, de Lhoneux, Lonneux, Lonneu, Loneux: Waals l'ôneû, Frans aunaie: plaats waar elzen groeien, elzenbos. Verspreide plaatsnaam Lon(n)eux (Luik).

L'Hôpital, L'Hospital, Lhopiteau, Hospital: Bijnaam voor iemand die bij een hospitaal woont of ereen beroepsverband mee heeft. Vergelijk Spitaels, Lobbestael.

Lhuissier, Lhussier, Luisier, Luissier: Beroepsnaam. Frans huissier: deurwaarder.

Lhuillier, Lhuilier, l'Hullier, l'Huillier, Loilier, Hully, Huly, Leulier, Lullier, Lully: Beroepsnaam. Frans huilier: olieslager, oliehandelaar.

Liben, Libens. 1. Zie Lieben(s). 2. Moedersnaam uit Libe: verkorting van Elisabeth.

Liber, Libert, Libeert, Libeer, Liebert, Lieber, Liebbertz, Lybeer, Lybeert, Libier, Libiez, Liberton. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam leud-bertht.

Liberton, Labberton: Vadersnaam. Afleiding op –on van de voornaam Libert, de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Liebrecht. Labberton met voortonig versterkte klinker (a).

Libling, Liebling. Duits Liebling: lieveling. Maar de familienaam kan gereïnterpreteerd zijn, van vadersnaam Lieblin, Lieblein, afleiding van Germaanse lieb-naam. Lieblein = Liebhart.

Liard, Liart, Lia, Liaer, Lias, Leaerts, Learts, Lear, Leas, Lea: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam leud-hard 'lieden-sterk'; vergelijk Lietaer(t).

Liben, Libens. 1. Zie Lieben(s). 2. Moedersnaam Liebe, van Elisabeth.

Liber, Libert, Libeer, Libeert, Libert, Lieber, Liebertz, Lybeert, Lybeer, Libier. Libiet, Liberton: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Liebrecht.

Liberge, Liberg. 1. Moedersnaam. Germaanse voornaam leud-berg 'lieden-bescherming': Leutberga, Litberga. 2. Plaatsnaam. Zie Van Liebergen.

Liberloo, Lieberloo: Plaatsnaam Leveroy (Nederlands-Limburg), waar de familie De Liverlo vandaan komt, die zich in Luik vestigde. Zie Van Lieverlo.

Libermé. Plaatsnaam Libermé in Kettenis (Luik).

Libersart, Libessart: Plaatsnaam Libersard in Tourinnes-St-Lambert (Waals-Brabant).

Libertiaux, Liberton. Vadersnaam. Vleivorm van Libert.

Libois, Liboit. 1. Zie Libot(on). 2. Plaatsnaam Libois in Evelette (Namen).

Libon, Libong. 1. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Libert. Zie Libot(on). 2. Zie Lebon.

Liborelle, Libourel: Vadersnaam. Afleiding van Libert.

Liborius. Vadersnaam. Heiligennaam Liborius, bisschop van Le Mans (4de eeuw), Nederduits Bôrries, Slavisch Boris.

Libot, Libotton, Liboton, Libouton, Liboutton, Delibouton, Libotte, Libost, Liboutin, Libout, Libois, Liboit, Liboy, Libion, Libon, Libong, Libon, Libioulle, Libioul, Libihoul: Vadersnaam. Romaans vleivormen van Germaanse voornaam Liebrecht/Libert of Lieboud.

Libre. Waarschijnlijk niet van Frans libre: vrij, maar een reïnterpretatie van Liber(t).

Libront, Librot, Lieberon. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Libert.

Lichtaert, Lichtert: 1. Plaatsnaam Lichtaart (Antwerpen), lokale uitspraak Lichtert. 2. Zie Lechtherte.

Lichte (de), Lich, Licht, de Ligt, (de) Locht, Lochten, de Loght, de Logt, de Loecht, Lucht, Luchte. Bijnaam voor een licht, tenger iemand.

Lichteblau. Waarschijnlijk reïnterpretatie van de Duitse familienaam Lichtenau, verspreide plaatsnaam.

Lichtenberg, Lichtenberger, Ligtenberg, Lichterberg: Plaatsnaam Lichtenberg (Nederlands Limburg, ook frequent in Overijssel en Gelderland, Duitsland); Ligtenberg in Hellendoorn, Overijssel.

Lichtendahl: Duits Lichtental(er), Lichtendahl, van plaatsnaam Lichtental.

Lichtenknecker. Duits Lichtenecker, Lichtenegger, van plaatsnaam Lichteneck, Lichtenegg in Stiermarken.

Lichtenstein. Lichtensztain, Lichtenstajn, Lichtensztjen, Ligtenstein. Verspreide Duitse plaatsnaam Liechtenstein.

Lichter, de. Afleiding van werkwoord lichten: licht geven, met kaarsen verlichten; helpen, bijstaan. Beroepsnaam voor iemand die voor het licht zorgt.

Lichterman, Lichtermann, Lichtman, Lichtmann. Afleiding van Licht of Lichter.

Lichtervelde, van. Plaatsnaam, West-Vlaanderen.

Lichtfus, Lichtfous, Lichtfouse: Duitse bijnaam Leichtfuss. Vergelijk Ligtvoet.

Lichtherte, Lichtert, Ligthart, Lichtertens, Lichterte: Lichthart, Bijnaam voor een lichthartige, lichtzinnige, opgewekte, zorgeloze.

Lichtwark. Duitse beroepsnaam van de lichtwerker, kaarsengieter.

Licker. Duitse bijnaam voor een likker, lekkerbek, smulpaap.

Lico, Licot. Variant van licol, licou? Beroepsnaam van de zadelmaker.

Lie, Li. Chinese bijnaam die pruim betekent.

Lidolf. Moedersnaam. Germaanse voornaam leud-wulf ' lieden-wolf: Leodulfus, Liedulphus.

Lidou, Lidouh, Lydou: 1. Romaanse vorm van Lidolf. 2Variant van Ledoux (vergelijk Liblanc).

Liebaert, Liebaers, Liebar, Liebart, Libaert, Libar, Libart. Libaers, Libat, Libairt, Lybaert, Lijbaert, Leybaert, Leijbaert. 1. Vadersnaam, variant van Liber(t) (zie daar) of uit het de Germaanse voornaam leub-hard. 2. Of bijnaam uit het Middelnederlandse liebaert: luipaard, leeuw (voor een Vlaming, patriot).

Liebecq, Liébecq: l. Plaatsnaam Libeek (Nederlands-Limburg). 2. Plaatsnaam Lubbeek (Vlaams-Brabant). Zie Van Lubbeek.

Lieben, Liebens, Lyben, Liben, Libens, Libin, Libijn, Libijns, Libyn, Libyns, Liebin, Liebing, Liébin, Liépin, Lebbeninck, Lebbink, Lebens, Leben: Vadersnaam. Van de voornaam Liebrecht of Lieboud.

Liebenguth. Alemannische familienaam Leibundgut: lijf en goed. Naam voor een provenier die levenslang levensonderhoud geniet.

Liebenstein, von. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Liebergen, van, van Libergen: Plaatsnaam Liedberg bij Dusseldorf.

Liebergeseli. Duitse bijnaam van een lieve, goede gezel.

Lieberman, Liebermann, Liebermensz, Liberman, Libermensz, Liebmann, Liebman, Libeman, Leibman: Duitse bijnaam voor een lieve man.

Liebers: Vadersnaam, van Lieberts. Libert is de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Liebrecht.

Liebesens, Libersens, Liebersens: Vadersnaam. Liebertzoon of Liebenzoon: zoon van Liebrecht/Lieboud.

Lieberwerth: Duits Lieberwirth, bijnaam voor een vriendelijke waard.

Liebhaberg. Duitse bijnaam Liebhaber: vriend, minnaar. Vergelijk dialect liefhebber: vrouwenloper.

Liebig, Liebing: Silezische familienaam van Tsjechische voornaam Libnik, van Slavisch Ijub 'lief' + k-suffix. Liebing kan natuurlijk een afleiding zijn van de Germaanse voornaam Lieb-hard of een andere lieb-naam

Liebkind, Lipkind, Lipskind, Liebeskind, Libeskind: Bijnaam. Vergelijk Liefkint.

Lieblich. Duitse bijnaam Lieblich; liefelijk.

Lieboud, Liephout, Lyphout, Liebau, Liebauut, Liebaux, Libaux, Liebeaux, Libeau, Libau, Libaut, Liebold. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam leidi-bald: lieden-moedig.

Liebrand. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-brand lieden-zwaard': Lietbrandus.

Liebrecht, Liebrechts, Liebreghts, Liebregt, Liebreigh, Liebreight, Bregt, Liebreks, Lybrecht, Librech, Libregs, Libregts, Libbrecht, Librecht, Libberecht, Lebbrecht, Lebrecht, Leberecht, Leybrecht, Luybregts, Luijbregts, Liebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, Lubbers, Lubberden: Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-berht ‘lieden-schitterend’: Lietbertus, Letbertus.

Liebshardt. Vadersnaam. Duits Liebhard, Germaanse voornaam.

Lieburg, van: Uit van Liemburg = van Limburg.

Liedekerke, van, de Liedekerke, Liedekerken, Likerque: Plaatsnaam Liedekerke (Vlaams-Brabant).

Liedel, Lieder, Liedtke, Lietge, Litke, Litjens, Leidjen, Leidgens. Vadersnaam afgeleid van een Germaanse leudi-naam: luiden/stam zoals Liebrecht. Of ontronde vorm van Ludel, afleiding van Ludolf of Ludwig.

Liedtke, Lietge, Litke, Litjens, Leitjen, Leidgens: vadersnaam. Afleiding van leudi-naam; vergelijk Liets.

Liefboer: Samenstelling van lief en boer.

Liefferink, Liefrink, Lieffering, Liefferinck, Lieffring, Lieffrin, Liffring, Leffering, Lefring, Liefferinckx, Lieferinckx, Leverink, Levering, Leverings, Leeferink, Leferink, Lefers, Lefering: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam leud-frith ‘lieden-vrede’: Leudefridus, Lifrid. Of van Lieverd, Liebhard.

Liefferinghen, van, van Liefferinge, Lieferinghen, van Lieferingen, van, van Lifferinge, van Lifferinghe: Plaatsnaam Lieferinge (Oost-Vlaanderen).

Lief, de, de Liefde: Bijnaam lief: geliefd, bemind. Vergelijk Duits Lieb.

Liefferts. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-frith; zie Liefferinckx.

Liefgen. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lieven of Lieffert.

Liefhebber: Zoals Duits Liebhaber ‘vriend, minnaar’.

Liefkind, Liefkint. Bijnaam voor een lieveling, bevoorrecht kind, iemand die bij nalatenschap bevoordeeld wordt.

Liefting, Lieftink, Lieffering, Lufting. 1. Adresnaam, vooral van boerderijen. 2. Vadersnaam, van Germaanse voornaam als Lievoud, Lieverd. Vergelijk Leeftinc.

Liefland, van. Van Lijfland in Estland en Letland.

Liefman, Liefmans. Vadersnaam. Germaanse voornaam leub-man 'lief-man' Liebman, Liupman. Wellicht zoals Liebermann achteraf als 'lieve man' opgevat.

Liefooghe, Liefooghe, Liefhooge, Liefhoge. Bijnaam voor iemand met lief kijkende ogen, die liefelijk oogt.

Liefting. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam zoals Lievoud, Lieverd (Liebhard). Vergelijk Leeftinc.

Liefsoons, Lievesoons, Liefsoens, Lievezoons, Lievesoons, Lievesoens: 1. Vaders-, moedersnaam. Zoon van Lieve, Liwijn, Liefwin, Germaanse voornaam Leubo/Leuba. Vergelijk Lievens.

Liégois, Liégeois. Naam voor de Luikenaar.

Liegeart. Moedersnaam. Germaanse voornaam leud-gard 'volk-hof: Liega(i)rt = Leutgardis.

Liegle: 1. Duits Liegl, afleiding van liegen, lügen ‘leugenaar’. 2. Ontrond uit Lügle, van de voornaam Lugelinus.

Liekendael, Lieckendael: Plaatsnaam Lisquendal in Acquin (Pas-de-Calais). Of Duitse plaatsnaam Ligenthal?

Liekens, Lieckens, Lickens, Likens, Likin: Vadersnaam, uit Liedekin= volk(mensen) kind, zoiets als kind van het volk, verkleinvorm van Germaans leud/lied-naam, zoals Liebrecht, Liederik, Liedolf, Liedelm.

Lielens. Moedersnaam. Afleiding op -ila van Germaanse leudi-naam: Liudila, Liutila.

Liem, Lim, Liens. De Chinese familienaam Liem is in Nederland voornamelijk afkomstig uit Nederlands-Indië of Indonesië en betekent bos.

Liem, Liems, Limme, Lime, Lim: Vadersnaam. Korte vorm van Germaanse voornaam Lieman of Liemaar?

Lieman, Liemans, Lymans: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-man 'lieden-man': Liutman, Liedman. Eventueel leub-man 'lief-man': Liebman, Liuman. Vergelijk Liefmans. 2. Zie ook Leeman(s). De ie in Liemans kan de scherplange e (iê) in Leemans weergeven.

Liémance, Liêmans: Waalse spelling en uitspraak van Liemans = Leemans.

Liemard, Leemaerts, Leemars: Wellicht is de -ard/-aert-uitgang hier secundair voor oorspronkelijke Liema(e)r. Zie Liémer. Vervorming van Lienard, Leenaerts is evenwel niet uit te sluiten.

Liémer, Liemer. Vadersnaam. Germaanse voornaam. Zie Limer 1.

Liempt, van, Liempd, van Limpt. Plaatsnaam Liempde. (Noord-Brabant).

Lien, Liem. Frans lien; band. Beroepsnaam voor een binder.

Lien, van, van Lienen. Plaatsnaam Lienden (Buren, Gelderland).

Liens, Lien, Lijen, Lyen: vadersnaam van Lieden(s), Middelnederlands Liedins, vleivorm van Germaanse leudi-naam, zoals Liedwin, Liedhard. Vergelijk Liekens, Lietaert.

Liénaux, Lienaux: Vadersnaam. Waalse variant van Lienard.

Lieneson, Lienasson: Vadersnaam. Waalse afleiding op -eçon van de voornaam Léonard, Lienard.

Lienne. 1. Plaatsnaam in Ciney, Namen. 2. Zie Leenen.

Liepach. Oostmiddelduitse bijnaam Liepack, Lieback, van Pools lepak: schrandere kop.

Lier, van, (van) Liere, van Lieren, Lijre: Plaatsnaam Lier (Provincie Antwerpen).

Lierde, van, van Lirde, Van Liefde, Van Lielde: Plaatsnaam Sint-Martens-Lierde of Sint-Maria-Lierde (Oost-Vlaanderen).

Lierdeman. 1. Afleiding van Van Lierde. 2. Eventueel = Lier(e)man.

Lierman, Liermans, Liereman: 1. Bijnaam voor de muzikant, de lierspeler. 2. Afleiding van plaatsnaam Lier: Lierenaar. 3. Eventueel van Lierdeman.

Lierneux. Delierneux. Plaatsnaam Lierneux, Luik.

Lierop, van: Plaatsnaam Lierop (Noord-Brabant).

Lies, Liesen: Moedersnaam uit Alice of Elisabeth; zie Leijs 4, Leijsen.

Liesegang. Dialect variant van Duits Leisegang. Bijnaam: die zacht, langzaam, voorzichtig stapt.

Liesenberg, Liesenborg, Liesenborgh, Liesenborgs, Liesenborghs, Liezeborgh, Liezeborghs, Lisenborg, Lissenberg, Lissenburg. 1.Moedersnaam naar de Germaanse voornaam Liezeburch. 2.Mogelijk afgeleid van een plaatsnaam met Liese: lis, riet (onder andere Liesenberg, Lieseberg, Liesberg in Duitsland en Denemarken).

Lieshout, van: Plaatsnaam Lieshout (Noord-Brabant).

Liess, Liesse, Liessens: 1. Zie Lissens. 2. Liessens later ook van Liefsoons.

Liestert. Plaatsnaam Liettres, Pas-de-Calais?

Liesting, Listing: Wellicht met st van ft uit Liefting, afleiding van bijvoorbeeld Lievaart. Vadersnaam.

Liet: Vadersnaam. Korte vorm van een Germaans lied-naam.

Lietaer, Lietaert, Lietard, Liétard, Lietar, Lietart, Liétar, Liétart, Litaer, Litar, Lita, Lietor, Liotard, Liotta: Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-hard 'lieden-sterk'.

Lieten. Vadersnaam uit Lietin, Knuffelvorm van een Germaanse leudi-naam zoals Liederik.

Liétout, Léautaud, Leautaud, Lieutaud: Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-wald 'lieden-heerser': Leutaldus, Leotaldus.

Liets, Lietz, Liedts, Lieds, Lits: Vadersnaam. Korte vorm in de afleiding van Germaanse lied-naam; vergelijk Lieten.

Liette. Plaatsnaam Liettres, Pas-de-Calais.

Lietzmann, Lietz. Vadersnaam. Afleiding op –so van Germaanse leud-naam.

Lieu, Lieuw. 1. Kan teruggaan op Picardisch Lieu, Frans lieur: binder. Beroepsnaam. 2. Of korte vorm van Deliew= Delieu.

Lieutenant, Ludinant, Luidinant: Oudfrans lieutenant: plaatsvervanger. Beroepsnaam van een ambtenaar, bestuurder. De militaire betekenis pas 16de-eeuws.

Lievaart, Liva, Livar, Lifart, Liefaard: Vadersnaam. Germaanse voornaam leub-hard ‘lief-sterk’: Leobardus, Leuvardus.

Lieve: Vadersnaam/moedersnaam van de voornaam Lieve, van Leubo, Leuba.

Lievegoed: Zoals Duits Liebengut, van Leib und Gut ‘lijf en goed’.

Lieveld, Levelt, Levelts: 1. Moedersnaam. Germaanse voornaam leub-hildlief-strijd': Leobhilt. 2. Plaatsnaam Lieveld (Noord-Brabant).

Lievemont, de, Deliévemont: Plaatsnaam Lièvremont (Doubs)? Of variant van Livremont (met Waalse vr/v-reductie).

Lievendael, van. Familienaam uit de plaatsnaam Lievendaal (Noord-Brabant).

Lieven, Lievens, Lievense, Liven, Livens, Lievin, Livain, Livin, Livain, Lievyn, Lievyns, Livijns, Livyns, Livijns, Lieveyns, Liveyns, Leiven,  Leven, Levens, Lieuwen, Leuvens: Vadersnaam. Germaanse voornaam Liefwin, Liwijn, Oudengels Leofwine, Saksisch Liafwin‘ lieve vriend’ : Liobuuinus.

Lievenoogen, van. Waarschijnlijk aanpassing van Duitse plaatsnaam Liebenau (als in Beieren). Vergelijk Liebaug, waarin aug = aue, ouwe: beemd is. Of Liebenhofen(Duitsland)?

Lieverlo, van, Lieverloo, van. Naam uit de plaatsnaam Leveroij (Nederlands-Limburg).

Lievers, Liffers, Lieverst: Vadersnaam. Met paragogische t uit Lievers. Germaanse voornaam leub-hari‘ lief-leger’: Liubheri.

Liévin, Liévain, Livin, LievinLievain: 1. Plaatsnaam Liévin (Pas-de-Calais). 2. Zie Lievens.

Lievisse: Veranderde spelling van Waals Levisse, een Waalse aanpassing van De Vis(ch) of De Visser.

Lievois. Zie Delvoie. Lievoud: Vadersnaam. Germaanse voornaam leub-wald 'lief-heerser': Livoldus.

Liévrard. Waarschijnlijk variant van Lévrard. Vadersnaam Evrard met Frans lidwoord Lièvre, zie Lelièvre.

Liezinga, Lyzenga, Lysen, Friese Germaanse vadersnaam Lisse, Lise. Zie Liesbüttel, dorp bij Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp bij Bonn aan den Rijn; Liesing, welbekend dorp bij Wenen in Oostenrijk, enz.

Liffrange, Lifrange. Plaatsnaam Liefrange/Lieffringen. Duitsland.

Liger, Ligier, Ligy, Léger, Lege, Leger, Legé, Legier, Legiers, Légier, Legiest. Vadersnaam, Franse vorm van de Germaanse voornaam leud-ger; liedne-speer, Liudgerus.

Ligna. Waalse vorm voor Lienard?

Lignian. Plaatsnaam Lignan, Gironde?

Lignie, Lignier, Liny, Ligny, Lini: Beroepsnaam. Oudfrans linier: vlasbewerker, linnenwever.

Lignon. 1. Plaatsnaam Lignon (Marne)? 2. Vadersnaam. Korte vorm van Collignon

Lignoul, Lignoulle. Waals lignoûle, van Latijn lineola: breidel. Beroepsnaam.

Ligon. Variant van Legon? Ligot, -o(s): Middenfrans ligot: kousenband. Bijnaam.

Ligny, de, de Lignie: Verspreide plaatsnaam Ligny (onder meer Namen, Nord, Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Ligt, de: Andere spelling voor de Lichte. Bijnaam voor iemand die licht weegt, een tenger mens.

Ligtelijn: Volk etymologische vervorming? Samengestelde naam?

Ligtendag: Bijnaam ‘heldere dag’. Vergelijk Duits Schöntag.

Ligteringen: 1. Achterhoekse familienaam Lichterink, Ligteringe. Plaatsnaam in Aalten (Gelderland): 2. Afleiding van de voornaam Lichtward. 3. Vervorming van Liefferinck (via Liefterinck met ft/gt-wisseling)? Vergelijk Nederlandse familienamen Leverding, Lieftink.

Ligtermoet. Bijnaam voor een zorgeloze, onbezorgde. Vergelijk Duits Leichtermut.

Ligthamer, Ligthamers. Bijnaam of beroepsnaam uit licht (van gewicht) en hamer: mogelijk een smid met een sterke arm.

Ligthart: Bijnaam voor een lichthartige, lichtzinnige, opgewekte, zorgeloze. Vergelijk Nederduits Lichthard, Duits Lichtherz.

Ligtvoet, Lictevoet, Lictevoute, Lictevout, Linktevoet: Bijnaam voor een lichtvoetige.

Lijcke, Lyck, Lycke, Lickes, Licke, Leick: Vadersnaam. Germaanse voornaam Lideco, afleiding van leud-naam. Vergelijk Liekens, Lickens.

Lijnden, van. Plaatsnaam Lijnden, Noord-Holland.

Lijnen, Lynen, Leijnen, Leyne, Leyne, Lienen: Moedersnaam. Korte vorm van Katelijne, Pauwelijne of een andere voornaam.

Liket, Liquet, Lequette, Lequet, Lequez, Lacquet: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse leudi-naam. Zie Liekens, Lekens.

Lil, van. 1. Plaatsnaam Lille, St.-Huibrechts-Lille (Limburg) of St.-Pieters-Lille (Antwerpen). Ook gehucht in Berg bij Kh. (Vlaam-Brabant). 2. Zie ook Van Lul(le).

Lilar, Lilla, Lillard: Plaatsnaam Li(e)laar in Gavere (Oost-Vlaanderen), St.-Maria-Oudenhove (Oost-Vlaanderen).

Lileire. Plaatsnaam Lillers, Pas-de-Calais?

Lilet, Lilot, Lillot, Lillo, Lillon, Lylon: Plaatsnaam. Afleiding van Frans île: eiland: lîlet, l'îlot, l'îlon? Vergelijk plaatsnaam Lil(l)ette (Pas-de-Calais).

Lilien. Duitse familienaam Lilie; leleie. Huisnaam of meisjesnaam.

Lilienfeld. Duitse plaatsnaam; Lelieveld.

Lilienthal. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Liling. Vadersnaam.a fleiding van Germaanse voornaam Leudilo, afleiding van leudi-naam. Vergelijk Liedel.

Lille, de: Lille is de Franse naam van de stad Rijsel in West-Vlaanderen (Nord).

Lilouche, Lelouche, Bijnaam voor een schele. Vergelijk Louchard.

Liman: Variant van Leman, verfransing van de Man.

Limbeek, van, Limbach, Lembeek. Plaatsnaam Lembeek (Vlaams-Brabant).

Lime, Limme. 1. Zie Delim(m)e. 2. Zie Liem(s). 3. Variant van Lamme. Vergelijk Limpens = Lampens.

Limage, Limauge, Limoges, Lemage, Mage, Lemache, Lemagie, Lamaugie, Lamagie, Lamongie, Lameize, Lameyse, Lameyze, Lamoise: Frequente plaatsnaam L'Image, die verwijst naar een heiligenbeeld. Limauges in Céroux-Mousty (Waals-Brabant). Of beroepsnaam voor een beeldhouwer. Li werd gereïnterpreteerd als lidwoord le/la. Picardisch Limaige werd in Vlaanderen Lameyse (vergelijk Lapeyse, van Lapaige). De Lameyse werd later met De Lameyde verward. Sommige vormen kunnen hypercorrect zijn voor Limoges.

Limbach. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Limbioul. Vadersnaam. Waalse afleiding van de voornaam Lambert.

Limbos, Limbosch. Familienaam uit de plaatsnaam Limbos in Meise (Vlaams-Brabant).

Limburg, van, Limbourg, Limborg, Limborgh, Limboerg, Limborg, Limborgs, Limbort, Lemborg, Lembourg, Lembours, Lambour, Lambouf, Lambou, Lamboux, Liemburg. Plaats-, streeknaam Limburg ook in Luik, in Frans Limbourg.

Limmen, van, van Lemmens: Plaatsnaam Limmen (Noord-Holland).

Limnander. Vergrieksing van (wellicht) Moerman.

Limoges, Limauge: Oudfrans limoge: fazant. Bijnaam of beroepsnaam. Zie ook Limage.

Limol. 1. Vertaling van De Mol. 2. Dialect uitspraak van plaatsnaam Limai (Waals-Brabant). Zie Delimal.

Limonard: Variant van Lemonard, lidwoord leen. Vadersnaam. Monard, afleiding van de voornaam Simon? Of vervorming van Lionard?

Limousin, Limouzin. Afkomst van de Limousin, de streek van Limoges.

Limpach. Plaatsnam bij Bern en Konstansz.

Limpe, Limpens. 1.Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lindberth, Limbertus. 2. Variant van Lammens.

Limperg: Verspreide Duitse plaatsnaam Limberg, van Lindberg.

Limer, Limere, Limère, Limeer, Limmer: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam leud-mêr 'lieden-beroemd': Leutmarus, Letmerius. Zie ook Liémer. 2. Eventueel variant van Lemaire.

Limerkens. Afleiding van Limeer.

Limet. Plaatsnaam in Vierset-Barse, Luik.

Lin. Vadersnaam. Korte vorm van een voornaam met afleiding –lin. Of Paulin, Colin. Vergelijk Linet.

Lin, van der, van der Lijn, van der Lyn, van der Lynck, van der Lieck, van der Lick, Lin; 1. Beroepsnaam naar het linnen. 2. Waalse aanpassings van Van der Linden. Vanderlieck, Vanderlick= van Van der Linck.

Linard, Linart, Linaer, Lina, Lyna. Vadersnaam, Waalse vorm van de voornaam Leonard.

Linares. Spaanse plaatsnaam linar; vlasakker.

Linchet, Lincet, Linshhet: Plaatsnaam Linchet (Luik).

Linchamps, Linchant, Lenchant, Delinchamp: Plaatsnaam Linchamps in Resteigne (Luxemburg) en Tellin (Namen).

Linckenheld. Verhaspeling van Duitse bijnaam Linkerhand?

Liclauw, Linclau. Waals-Vlaamse familienaam van Delenclos.

Lincz. Spelling voor Linckx of Linz.

Lindau, Lindauer. Plaatsnaam Lindau, Beieren.

Linde, van de, der, van der Linden, van der Linde, van der Lindt, Verlinden, Verlinde, ter Linden, onder de Linden, van der Lynden, van Terlinden, Verlynde, Verlijnde, Verlende: Frequente plaatsnaam ter Linde(n).

Lindeboom, Lindenbaum: Plaatsnaam of huisnaam Lindeboom.

Lindenlauf, Lindelauf, van den Lindenloof, van den Lindeloof. Plaatsnaam Lindeloof, Nederduits Lindenlauf, Lindeloff, Linloff. Duits Lindenlaub. Middenhoogduits lindenloub was een beeld van onbeduidenheid, futiliteit. Bijnaam? Mogelijk is Lindlar (Linde-lauha : lindenbos op een heuvel) bij Keulen de bron. Wellicht zijn er wel meerdere bronnen.

Lindebringhs, Lindebrings, Linnebrits: Plaatsnaam Lindebringen in het Hageland (Limburg). Zie ook Linnenbrink.

Lindekens, Lindekers, Lindenkens, Linnekens, Linckens, Linkens, Lintjens, Lentjens, Lentjes: 1. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van Germaanse lind-naam; zie Linden. 2. Afleiding van Van der Linden.

Lindeman, Lindemans: Afleiding van van der Linde(n).

Linden, Linten, Lind, Linde, Lynde: Vadersnaam/moedersnaam. Germaanse voornaam met –lind ‘linde, schild’: Lindevretus, Godelindis, Gerlinda, Herlint.

Linden, van, van Lijnden: Plaatsnaam Linden (Noord-Brabant, Vlaams-Brabant).

Lindenberg, Lindenbergh, Lindenburg, Lindberg, Lindbergh, Linnenberg: Verspreide -vooral Duitse plaatsnaam Lindenberg. In Malle (Provincie Antwerpen):

Lindeman, Lindemans, Lindemann, Linmans, Lindmans, Linderman, Linnemann, Linneman: Afleiding van Van der Linde(n), Verlinde(n).

Lindenmeyer, Lindemaier, Lindmayer, Linimeier: Meier of boer op een Lindehof.

Linderhof. Plaatsnaam in Nederlands-Limburg. Duitse plaatsnaam als in Beieren.

Linders, Linder: 1. Afleiding van plaatsnaam Linde(n). 2. Variant van Lenders. 3. Vadersnaam. Germaanse voornaam lind-hari ‘linde-leger’: Lindhari.

Lindhout, Lindhoud, Lindhoudt, Linthout, Lindthout: Plaatsnaam Lindhout in Schaarbeek (Brussel), Brussegem (Vlaams-Brabant), St.-Martens-Lierde (Oost-Vlaanderen).

Lindner, Lintner: Variant van Linder, van plaatsnaam Linden.

Lindonk, van: Plaatsnaam Lijndonk in Nieuw-Ginneken (Noord-Brabant).

Linelau. Verkeerde lezing van Linclau.

Lindt, de Lint: 1. Vadersnaam. Korte vorm van een Germaanse lind-naam; zie Linders 3. 2. Beroepsbijnaam van de lintenwever of -verkoper.

Linet, Linette, Linnet, Linné. Vadersnaam, verkorte vorm van bijvoorbeel Colinet.

Lineveldt. Plaatsnaam Lindeveld. Vergelijk Duits Lindefeld, Lindefelder.

Ling. De Duitse familienaam Ling is vaak een variant van Link.

Lingbeek: Duits. Plaatsnaam Lingenbecke in Herscheid (Noordrijn-Westfalen).

Lingeman. Variant van Lindeman.

Lingen, Lingens. 1. Nederduitse plaatsnaam Linge: smalle strook land of water. 2. Variant van Linden(s)? Vergelijk Lingeman.

Lingen, van: Plaatsnaam Lingen in Buren (Gelderland). Ook in Duitsland.

Lingen, van der: Variant van van der Linden, met de bekende wisseling nd/ng tussen twee klinkers, typisch voor het Zeeuwse kustdialect.

Lingier, Lingiez, Lingy, Lingij: Bekende West-Vlaamse familienaam Lingier, West Vlaamse vorm van Ligier, zie daar. Vadersnaam. Franse vorm van de Germaanse voornaam leud-ger ‘lieden-speer’: Liudgerus, Ligerus.

Linguelet. 1. Zie Langelet. 2. Verschrijving voor Linglet= Langlais.

Linhoff. Plaatsnaam Lindenhof.

Linibach, Linnenbank: Plaatsnaam Lingenbach (Noordrijn-Westfalen).

Link, Linke, Linker, Linck, Lincke, Linckx: Bijnaam voor een links- of onhandige.

Linkweiller, Linkweiler, Linckweiler. Duitse plaatsnaam Lindweiler.

Linnenbrink. Door assimilatie van plaatsnaam Lindenbrink (vergelijk Lindebringhs)? Of Nederduitse familie-, plaatsnaam Lingenbrink.

Linnenkohl. Duits Linnenkugel: linnen kapmantel. Bijnaam.

Linnewiel. Plaatsnaam Lunéville (Meurthe-et-Moselle).

Linon, Lenon, Lenom, Lennon: Vadersnaam. Verkorting van bijvoorbeeld Colinon.

Linot, Linotte, Lino, Lenotte, Oelinotte, Oelimotte: Vaders-, moedersnaam. 1. Korte vorm van bijvoorbeeld Colinot; vergelijk Linet, Linon. 2. Afleiding van de voornaam Léonard.

Linschoten, Linschote (van): Plaatsnaam Linschoten (Utrecht).

Linsler. Duitse beroepsnaam van de linzenteler. Duits Linsenmann.

Linsmeau, Linsmeaux, Linsmaux: Plaatsnaam Linsmeau, Nederlands Linsmeel (Waals-Brabant).

Linster. Duitse plaatsnaam Altlinster en Junglinster.

Lint, (de) Lints, Lindt, Lins: 1. Vadersnaam. Korte vorm van een Germaanse lind-naam. Zie Linden. 2. Beroepsnaam van de lintenwever of -verkoper.

Lint, van (der), van Lindt. Familienaam uit de plaatsnaam Lint (Antwerpen).

Lintel. Duitse familienaam uit de Elzas, naar plaatsnaam Lintal in de Elzas.

Lintelo. Plaatsnaam in Aalten, Gelderland. Vergelijk Lindelo, Overijssel.

Linter, Linters, Lenters. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam lind-hari 'linde-leger': Lindhari. 2. Plaatsnaam Linter. Zie Van Linter.

Linter (van). Familienaam uit de plaatsnaam Linter (Oplinter of Neerlinter) (Vlaams-Brabant). Lintermans is er een afleiding van.

Linthorst. Plaatsnaam, als bij Stokkum, Drenthe, en andere.

Linthout, van, Linthoudt (van), (van) Linthaut, van Lithaut, Linthoud, Linthaud, Lindthout. Familienaam uit de plaatsnaam Linthout (lindenhout) in Schaarbeek, Brussegem (Vlaams-Brabant), St.-Martens-Lierde (Oost-Vlaanderen).

Lintmeijer, Lindenmeyer. Meier of boer op een lindenhof.

Lintvelt: Plaatsnaam Lintvelde in Eibergen (Gelderland).

Linval. Vadersnaam. Voornaam uit de ridderliteratuur.

Liny, Lini: 1. Luemburgse Waalse vorm van Linier, van Lignier of Lainier/Lanier. 2. Zie Deligny.

Linz, Linze, Lintzen, Linzen, Leintz: Vadersnaam. Afleiding op –so van Germaanse lind-naam. Linzo.

Linz, Linzer. Plaatsnaam Linz, Oostenrijk, Rijnland-Palts.

Lio, Liot. Vadersnaam. Afleiding van een leudi-naam. Vergelijk Liottier=Leautier.

Lioen, Lion, Lyons: 1. Vadersnaam. Léon is de Frans vorm van de Latijnse heiligennaam Leo.

Liouville. Plaatsnaam, Meuse.

Lipchits: Een van de vele varianten: Lipszyc, Lipsitz, Lipschutz, Lipschitz, Libschitz, Liebschutz, Lifchitz, Lifshitz, Livschitz, Liwszyc, Liwschitz, Liwsitz. 1. Plaatsnaam Liebschütz (Thüringen), Leobschütz (Oppersilezië), Liebeschitz (Bohemen) van Slavische lipa ‘linde’. 2. Variant van de Oudsorbische naam van Leipzig (Saksen): 1329 Lypzic, van Lipsk(o), Lipc ‘plaats waar linden groeien’.

Lipjes, Liplijn: Vadersnaam. Verkleinvorm van de voornaam Lip, van Filips.

Lipinski, Lipinsky, Lipinska, Lipinszki. Afleiding van Poolse plaatsnaam Lipa; linde.

Lipert, Lippert, Leppert, Lipperts, Lippertz, Lipphardt: Vadersnaam. Germaanse voornaam leub-hard 'lief-sterk': Liubardus. Vergelijk Liebaert.

Lipkens. Vadersnaam. Middelnederlands Lipkin, afleiding van de voornaam Filips. Zie Lippens.

Lip, Lipp, Lippe, Lips, Lipskind, Leps, Lepsch, Lepsche: Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Philipp, Filips.

Lipman, Lipmanne, Lippmann: 1. Vadersnaam. Afleiding van Philips. Zie Lippens. 2. In Bremen is Lipman=von der Lippe. 3. Variant van Liebmann.

Lipp, Lippe.

Lipowski: Zoals Lipski, Slavische afleiding Van Lipsk ‘Leipzig’.

Lippe, van der. Westfaalse rivier de Lippe.

Lippens, Lijppens, Luppe, Lupens, Luppuns, Luppus, Lyppens, Lijppens, Serlippens: Vadersnaam. Vleivorm van de Griekse heiligennaam Philippus, Philips. Ser betekent hier gewoon ‘heer’. Soms is het gewoon een knuffelvorm van de Germaanse voornaam Liebrecht (lied-brecht).

Lippevelde, van, Lippeveld, Lippeveldt, Lippeveldts, Lippevelt, Lippevels, Lippevelts, Lippevelst: Plaatsnaam Lippevelde in Elverzele en Hamme (Oost-Vlaanderen).

Lippo. Vadersaam. Korte vorm van Filippo, Griekse heiligennaam Philippus.

Lippold. Vadersnaam. Duitse variant van Leopold.

Lippus. Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Philippus.

Lips, Leps, Lepsche, Lepsch: Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Filips. Vergelijk Lippens.

Lipsin, Lipsen, Lupsin, Lupsen, Lupcin: Vadersnaam. Waalse vleivorm op -ecin van de voornaam Libert. St-Lupicin wordt vereerd in Lustin, zodat de familienaam vooral in Namen voorkomt.

Lipsius. 1. Humanistennaam van onder meer Justus Lipsius (1547-1606), latinisering van Lips. 2. De Duitse familienaam Lipsius is een latinisering van Von Leipzig.

Lipski, Lipsky, Libsky: Afleiding van Lipsk, de Sorbische naam van Leipzig.

Lipstadt, Lipszstadt: Plaatsnaam Lippstadt (Nordrein-Westfalen).

Lipszyc, Lipzyc, Lipczyc, Lipszic, Lipsitz, Lipschùtz, Lipschütz, Lipschitz, Lipschits, Libschitz, Liebschutz, Lifschitz, Lifshitz, Livschitz, Liwszyc, Liwschitz, Lifsics, Liwsitz: 1. Plaatsnaam Liebschutz, Leobschütz (Oppersilezië), Liebeschitz (Bohemen) van Slavisch lipa: linde. 2. Variant van de Oudsorbische naam van Leipzig (Saksen): Lypzic, van Lipsk(o), Lipc: plaats waar linden groeien.

Liroux. 1. Zie Lerou(x). 2. Plaatsnaam Liroux in Dinant en Sâuvenière (Namen).

Lis, Lys. Lys: 1. Frans lis: lelie (of lis). Bijnaam naar het uithangbord, wapenschild. 2. Eventueel De le Lis = van der Leie. 3. Moedersnaam. Korte vorm van Alice of Elisabeth; zie Lissens.

Lis, van; van Lys, van Lijs: Plaatsnaam Lixhe (Luik), Nederlands Lieze:

Lisar, Lisart, Lisarde, Lisaerde, Liesaerde, Lixaerde: Vadersnaam. Hybridische voornaam: Elisardus.

Lisbourg. Plaatsnaam Lisbourg, Pas-de-Calais.

Lisdonk, van, de. Plaatsnaam Lijsdonk in Sinaai, Oost-Vlaanderen.

Lise. 1. Plaatsnaam Lise of Lize in Marchin en Seraing (Luik). 2. Moedersnaam. Korte vorm van Alice of Elisabeth. Vergelijk Lissens.

Lishout, van, (van) Lieshout: Plaatsnaam Lieshout (Noord-Brabant).

Lisken, Liskens, Liesken, Leyskens, Leijskens: Moedersnaam. 1. Afleiding van Alise, Alice. Zie Lissens. 2. Afleiding van de voornaam Elisabeth.

Lisman. 1. Moedersnaam. Afleiding van Lisse, zie Lissens. 2. Variant van Lismont?

Lismont, Lismonte, Lismond, Lismonde, Liesmons, Lysmont. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Lismont, Limont (Luik), Limont (Nord). 2. Of moeders-, vadersnaam uit het Germaanse liud+mund; volk-bescherming.

Lison, Lisons, Lisoen, Lixhon, Lixon, Luxon, Lizoen, Lizon, Lyson, Luzon, Lisson, Lissons, Lasoen, Lason, Lazoen. Moedersnaam uit Alison, een knuffelvorm van Alicia.

Lisot. Moedersnaam. Korte vorm van Alisot, vleivorm van Alice. Vergelijk Lison.

Lissenburg: 1. Moedersnaam. Germaanse voornaam Liezenburch. 2. Door assimilatie uit Litsenburg, Litsenborch voor Letzeburg, lokale naamvorm van Luxemburg.

Lisseveld: Plaatsnaam Liesveld in Brakel (Gelderland). Of Liesenfeld (Rijnland-Palts)
Lissens, Lisse, Lissen, Liesens, Liesen, Liesse, Liessens, Liese, Lies, Liess, Lys, Lijs, Lijsen, Lizen, Lize, Lysen, Lysens, Lisens, Lisen, Lijssens, Lyssens. 1. Moedersnaam uit de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Adelheid, van Adelis, van Alis(a). 2. Moedersnaam uit Elisabeth. Zie ook Leysen(s), aangezien ij'/ei vaak verward werd.

Lissfelt. Plaatsnaam Lisveld.

Lissoir, Lisoir, Lizoir: Plaatsnaam Lissoir (Namen).

Lissum, van, van Leysen, van Leyssem: Plaatsnaam Lincent, Nederlands Lijsem (Luik).

List: Bijnaam voor een listig mens.

List, van der: Plaatsnaam ter List ‘plaats waar lis groeit’, onder meer in Schoten.

Lith, van, van Lidth, Lit, van Litjens, Liet, Littoij, Littink, Litz: Plaatsnaam Lith (Noord-Brabant).

Litauer, Litouwers: Afkomstig van Litouwen. Er is ook een plaatsnaam Littau bij Luzern (Zwitserland).

Litière, Letiere: Oudfrans litière, afleiding van lit: draagstoel. Plaatsnaam?

Litsemborgh, van, van Litsenborg, van Litsenborgh, Litsenborch, Litsenburgh, Litsenburg, van Litzenburg, Litzenburger: Letzeburg is de lokale vorm van de naam van de stad Luxemburg.

Litsermeyer, Lissermeyer: Litzelmeyer, Lütselmeyer: kleine meier. Vergelijk Duits Litzelmann.

Litt, Lith: Vadersnaam. Korte vorm van een Germaanse lied-naam. Vergelijk Lietens, Liets, Lits.

Little. Engelse bijnaam Little; klein.

Littmann. Vadersnaam. Ontrond van Luttmann, afleiding van Germaanse voornaam met Lud-, zoals Ludolf of Ludwig.

Littré, Littre: Oudfrans letré, van Latijn literatus: geletterd. Bijnaam voor een klerk.

Littooij, Littoy, Littoi, Littoyen: Plaatsnaam Lithoijen, in Lith (Noord-Brabant), rond 1300 Littoyen.

Litwin, Littwiens, Litvine, Litvin, Litvinenko, Litvinoff, Littwinenko, Littwinow, Littwinowa, Littwinski: Pools Littwin, de volksnaam van de Litouwer.

Liveau, Liveaux, Liviau: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Oliveaux, afleiding van de voornaam Olivier. Vergelijk Livet. 2. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam leub-wald 'lief-heerser'.

Livet. Vadersnaam. Korte vorm van Olivet, afleiding van de voornaam Olivier.

Livremont, Livemont, Livemont: Plaatsnaam Livrumontin Malmedy (Luik). Zie ook Lievemont.

Liu, Lao, Lau, Low, Lauv, Lieh, Lieu, Liew, Loo, Lew, Liou of Yu. Bijnaam voor de regerende Han dynastie.

Litzau: Plaatsnaam Litzau (Beieren).

Lizière. Plaatsnaam. Frans lisière: bosrand.

Lizin, Lisin, Lising, Lisein, Lizein: Plaatsnaam Lizin, Lizen in Ouffet (Luik).

Lizy, Lysy: 1. Zie Déloges. 2. Plaatsnaam Lizy (Aisne, Seine-et-Marne).

Ljungberg, Ljûngberg: Zweedse, kunstmatige familienaam: heideheuvel, heideberg.

Lo. Weergave van Waalse uitspraak van Lau? Of gewoon plaatsnaam Lo; zie Van Loo.

Lobbe, Lobbens, Lobbes, Lobe, Lob, Lobin, Lobijn, Lobyn, Loubin, Lubbe, Lubben: Vadersnaam. Bakervormen en vleivormen van de Germaanse voornaam Lodebert, van Chlodebert: hluth-berht'beroemd-schitterend'.

Lobbedey. Lobbedei is een Waals-Vlaams scheldwoord: sul, lomperd, maar ook de naam van een personage in een rederijkersklucht. Waarschijnlijk gaat het om een oorspronkelijke voornaam, wellicht een afleiding van de Germaanse voornaam Lubbert, Lobbrecht (vergelijk Everdey). Er is ook een familienaam Lobédé, Lopidé, die in 1820 in Pas-de-Calais voorkwam. Lobbedey kan de normale Vlaamse aanpassing zijn van Lobédé, tenzij Lobédé zelf een Franse verschrijving zou zijn van Lobbedey. Maar de familienaam zou wel eens een jongere aanpassing kunnen zijn van Lobeie = Labeye. Lubberden in Aalsmeer komt van de voornaam Lubbert, Ludbert, Ludbrecht.

Lobbestael, Lobbestal. Verhaspeling van de naam Lospetael, L'Hospital (zoals wesp/weps). Beroepsnaam voor iemand die werkte in of te maken had met een verzorgingsplaats/hospitaal.

Lobbezoo: Aanpassing van Lobjois, van Laubegeois. Frans albigeois ‘Albigens, iemand uit Albi’.

Lobbinger. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lobbrecht.

Lobbrecht, van Lobbregt, Lobert, Loubert, Loubers, Loubier, Laubert, Lobber: Vadersnaam. Germaanse voornaam Lodebrecht: hluth-berht 'beroemd-schitterend': Chlodobert, Lotbertus.

Lobé: Spelling voor Frans Lobet, verkleinvorm van de voornaam Lobert.

Lobel, de, Lobelle, Laubel, Loubelle, Loubele, Delobelle, Delobele, Delabelle, Delobbel, Dellobel, Delobal, Delobeau, Lobeau, Labeau, Labaut, Labiaux, Labiau, Labeeuw, Labeeu: Plaatsnaam L’Aubel, van Latijnse albellus ‘witte populier, abeel’. Vergelijk van den Abeele. Plaatsnaam L’Aubel in Atrecht, Dowaai, Rijsel en Wattrelos.

Lobbe, Lobbens, Lobbes, Lob, Lobe, Lobin, Lobijn, Lobyn, Loubin, Lubbe, Lubben. Vadersnaam, knuffelvorm uit de Germaanse voornaam Lodebert: hlutt-berth.

Lobet, Lobez, Lobé, Lobbé, Lobe, Loubete, Loube: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lobert.

Lobreght, Lobrecht. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam hluth-berth.

Lobjois, Lobjoie, Lobjoit, Objois: Frans albigeois: Albigens, uit Albi.

Löbl, Loebl, Löbel: 1. Variant van Leupold, Leopold. 2. Afleiding van Lob, Lôwe: leeuw.

Lobleau. Afleiding van Lobel.

Lobry, Lobrie, Loubry, Loubris, Loubri: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam lob-rîk; zie Loverix.

Lobsien. Plaatsnaam Lübzin in Mecklenburg en Pommeren, Lopsienen in Oost-Pruisen.

Lobsiger. Afleiding van de plaatsnaam Lobsigen bij Bern, Zwitserland.

Locatelli. Plaatsnaam Locatello.

Loch: 1. Duitse plaatsnaam Loch ‘gat, hol, diepte’. 2. Variant van Locht, door t- weglating van een klank op het eind van een naam.

Loche. 1. Oudfrans losche, Frans louche: scheel. Bijnaam. Zie Louche. 2. Oudfrans loche, Frans louche: grote lepel. Vergelijk Louchier.

Lochegnies, Lochegnie, Lochegnies, Lochegny, Locqueny, Locquegnies: Plaatsnaam Lochegnies in Gaurain-Ramecroix (Henegouwen).

Lochem, van, Lockem: Plaatsnaam Lochem (Gelderland).

Lochschmidt. Waarschijnlijk Duitse reïnterpretatie van Engelse Locksmith: slotenmaker.

Locht, van de, der, van der Logt, de Locht, van der Lucht, (de) Lugt, de Locht, de Logt, de Loght, van der Lochten, van Logten: Plaatsnaam Locht(en) ‘tuin’, Waals-Vlaams lochting. (Noord-Brabant, Antwerpen, Limburg, Nederlands Limburg).

Lochtenbergh, Lochtenberg, Logtenberg, Loghtenbergh, Loegtenburg, Logtenburg: Plaatsnaam Lochtenberg in Merksplas en St.-Job-in't-Goor (Antwerpen), Lochtenburg (Noord-Brabant), Luchtenberg in Wermelskirchen en Wassenberg (Duitsland).

Lochmans, Lochtmans, Logmans, Luchtmans, Luftman: Afleiding van van der Locht.

Lock, Lok, Locke, Locks, Lokken,Locq, Luk, Witlox: 1. Wellicht bijnaam naar de haarlokken, krullen. 2. In de meeste gevallen variant van Loock(x).

Lockefer, Lockefeer, Lockefeir, Loekefeier, Locufier, Loccufier, Locefier, Lecufier, Loquiffier, Loquifer, Lottefier, Lodefier, Lodifier, Lotfé, Lottfi, Lotfi, Loutfi: Picardisch Loque fier, Oudfrans loche fer ‘die de lans zwaait’. Zinwoord met Oudfrans lochier ‘zwaaien’. Vergelijk Engels Shakespeare, Shakelance, Nederduits Schüddespeer.

Lockhart. Engelse beroepsnaam van de veeschutter, die het vee opsluit, 'who locks thé herd'.

Lockkamper, Lochkampers: Afleiding van plaatsnaam Lokkamp: ingesloten, besloten veld.

Lockman, Locman, Locmane, Locmant, Locment: Waalse aanpassing van Lochtman.

Locoge, Locoche: Look oog: die zijn ogen 'lookt, luikt', sluit, dichtdoet, die doet alsof hij niets ziet. Vergelijk Nederlands oogluikend.

Locon, Lochon, Losson, Loson: Blijkens de oudste Henegouwse bewijsplaatsen voor deze hoofdzakelijk Henegouwse familienaam is de aanvang, het, Franse lidwoord, dus: l'oçon, l'odion. Wellicht afleiding van Oudfrans o(s)che: snee, kerf, keep, houw. Bijnaam. Vergelijk De Kerf.

Locqueneux. Plaatsnaam Locquignol, Nord.

Locus. Bijnaam. Oudfrans locu: ruig, harig

Lodder, de, Loddere, de, Lodders, Delodder, Deloddere, Deloddère, Lodder, Lodders: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-hari ‘beroemd-leger’. 2. Bijnaam. Middelnederlands lodder ‘losbol, wellusteling, gemene kerel, deugniet, vagebond’, Nederlands loeder.

Lode, Lude, Ludes. Vadersnaam. Korte vorm van Germaanse voornaam Lodewijk, Ludwig.

Lodeman, Looman, Loomans, Loeman, Loemans, Lomans, Loman, Looymans, Loymans, Loyman, Leumans. Vadersnaam uit Lodewijk.

Lodens, Loens, Loyen, Loyens, Loijens, Loeyen. Vadersnaam, van Middelnederlands lodin, knuffelvormen van de Germaanse naam Lodewijck.

Lodewic, Lodewick, Lodewickx, Lodewijck, Lodewijckx, Lodewyck, Lodewyckx, Lodewyck, Lodewycks, Lodewykx, Lodewijk, Lodewijks, Loodewijk, Lodewijkx, Lodewyc, Lodewikus, Lodeweyck, Lodeweyckx, Lodeweijck, Lodeweijckx, Loddewyck, Loddewyckx, Loddewyx, Loddewykx, Loddewijck, Loddewijckx, Loddewijkx, Loddewijx, Lowyck, Lowijck, Lowikx, Loywyck, Louwyck, Louwijck, Lauwyck, Lauwijck, Lauwick, Lauwych, Leeuwis, Leewis, Leeuwes, Leeuwe, Lodovici, Lodovisi, Ludovic, Lodovic, Lodovicy, Lodovico, Lodovisi, Lodowig, Ludewig, Ludewigs, Ludwich, Ludwig, Ludwigs, Ludvig, Ludivig: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-wîg ‘beroemd-strijd’: Chlodowich, Hlodowicus, Ludovicus, Lodewicus.

Lodiers: Bijnaam. Oudfrans lodier ’bedelaar, deugniet, schelm’.

Lôdige, Lodige. Middelnederlands lodig; volwaardig.

Lodomez, Lodomé: Plaatsnaam Lodomez in Stavelot (Luxemburg).

Lodrigo, Lodriguez. Vadersnaam. Spaanse vorm van de Germaanse voornaam Loderik, zie Lory.

Loeb: Duits Löb, dialectisch voor Löwe ‘leeuw’.

Loeckemans, Lockeman, Leukemans. Naam uit Van Look. Zie bij Look.

Loecker, de, de Louker. 1. Naam uit het Middelnederlandse loeken: kijken, turen, schouwen, gluren. Bijnaam voor een loerder, gluurder. 2. Eventueel spelling van Loeker, van Middelnederlandse werkwoord loken: sluiten, bergen, verstoppen. Zie Lokere, De Luycker, Slockers.

Loedeman. Naamvariant uit het Duitse Ludemann: dit is een vadersnaam uit de voornaam Ludwig(=Lodewijk) of uit Ludolf.

Loef, Loeffen, Louf, Loufs, Loefs, Lof, (de) Loof. 1. De betekenis van Middelnederlandse loefe/louve; botterik, lomperik, loebas, lomperd, lelijke man of vrouw, lummel gaat wellicht terug op Picardisch lof, louf, Oudfrans lou: wolf. 2. Zoals Duitse familienaam Luff, Loff is het wellicht oorspronkelijk een vadersnaam. Bakervorm van een Germaanse voornaam Lotfrid, Lutfrid of Ludolf. Vergelijk Loffens.

Loekemeijer: Volks etymologische vervorming van Loekefeier.

Loems. Variant van Loens?

Loen: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Apollonius.

Loenen, van, Loen, van: Plaatsnaam Loenen (Gelderland, Utrecht).

Loendersloot. Plaatsnaam Loenersloot in Loenen (Utrecht).

Loeners, Loenertz, Loenders, Londers, Lunders: Vadersnaam = Leenders. Zie Léonard. Ook Duits Löhnert = Lehnert, Lehnhart, Leonhard.

Loenhout, van; van Loenhoud: Plaatsnaam Loenhout (Provincie Antwerpen).

Loerke, Lohrke: Vadersnaam. Nederduitse afleiding van Laurentius.

Loesberg, Loesebergh, Loesebergh, Loesenborgh: Plaatsnaam Lousberg in Voeren (Belgisch-Limburg), Homburg, Membach (Provincie Luik), Haren (Vlaams-Brabant), in Aken (Noordrijn-Westfalen).

L’Oeuille, Loeuil, Loeuille, Loeul, Loeile: Bijnaam. Frans l'oeil: oog. Vergelijk Ooge, Oeuillet.

Loessaert: Nederlands spelling van Frans Louchard, van Oudfrans loschart, afleiding van lois, losch, van Latijnse luscus, Frans louche ‘scheel’. Hieruit ook Losschaert, Luyssaert.

Loeve, Loeven. 1. Zie Loven(s). 2. Spelling van Loewe(n).

Loeven, Louvin, Lovin, Bijvoeglijk naamwoord, van Frans loup ‘verschrikkelijk, dreigend’.

Loewe, Loewen, Löw, Löwe, Loeven, Loeve, Löwen, Lowen, Lowe, Low: Bijnaam. Duits Löwe: leeuw. Vergelijk De Leeuw.

Loewitz, Loebisch: Verspreide Slavische plaatsnaam Lowicz in Pommeren.

Loffaut, Loffet: Bijnaam. Waals lofa, lofèt; schrokker, gulzigaard.

Loffelman. Duitse beroepsnaam Löffelman: lepelmaker.

Loffelt, van, van Loffeld, van Loffeldt, Loffeld, van Lofvelde, van Lofveld: Plaatsnaam Lafelt in Vlijtingen en Hoeselt (Limburg).

Loffens, Loeffen, Loeffens, Looffen, Luffin, Lufin, Louffin: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Roelof of Olof. Of bij bakernaam Luffo (zie Luff, Loef).

Löffler, Loffler: Duitse beroepsnaam Loffler: lepelmaker. Vergelijk De Lepeleer(e).

Löfgren, Lofgren, Lovgren: Zweedse familienaam: loof-tak.

Lofthouse, Lofthus. Plaatsnaam, Yorkshire.

Loge, Loog, Looghe. 1. Zie Logghe. 2. Of naam uit het Oudfranse loge, het Middelnederlandse love: prieel, schuurtje met begroeiing, lover, tent.

Logelain, Logelin, Logeot. Vadersnaam. Afleiding van Logier 1.

Logemann, Laugeman, Logman, Logmans: Afleiding van Middennoordduits loge: bosje, struikgewas. Of van Middelnederlands loge, looch, loech: woonplaats, woning, plein.

Loget, Logez, Logé, Loger. 1. Afleiding van Oudfrans loge: tent, hut, luifel, huisje, kamer. 2. Spelling voor Logier.

Logghe, Lugghe, Loggen, Logen, Logue, Loge, Loog, Looghe. Bijnaam voor iemand die log en traag is.

Logger, Loggers: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-ger ‘beroemd-speer’: Hlodeger.

Loghem, van, Lochem, van: Plaatsnaam Lochem (Gelderland).

Logie, Logier, Logié, Logé, Loger, Loget, Logez, Logies, Logiest, Logist, Logiste. 1.Vadersnaam, de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam hluth-ger'; beroemd-speer: Hlodeger, Lodegarius. 2.Beroepsnaam naar het Oudfranse logier, logé: verhuurder van logies. Of als bijnaam voor een huurder.

Logjes. Variant van Logies (door spellinguitspraak)?

Logmoens: Vermoedelijk vervorming van Logmans.

Logna, Lognard. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans lonc, lo(i)ng: lang. Vergelijk De Lange.

Lognon, Lonjon: Bijnaam. Frans oignon: ui.

Lognoul, Lognoule, Lognoulle. Plaatsnaam Lognoul in Ferrières (Luik).

Logtenberg, Lugtenberg, Lochtenberg, Logt, van de, der. Plaatsnaam Logtenberg op verschillende plaatsen.

Lohan: Variant van de Schotse en Noord-Ierse familienaam Logan. Gaëlisch lagan, verkleinvorm van lag ‘hol’.

Lohaus, Lohuis, Löhausen: Plaatsnaam Lohaus (Nedersaksen, Beieren).

Lohier, Lowier: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam hluth-hari 'beroemd-leger': Hlotarius. Vergelijk Loyer.

Lohman, Lohmann, Lahmann: Afleiding van Duitse plaatsnaam Loh, Lah: lo, bosje. Vergelijk Logemann.

Lohner. Beroepsnaam van de dagloner.

Lohuizen, van, ten, Lohuis, Loohuis, Lohuis. Zie Lohaus, Loohuis, plaatsnaam?

Loicq, Loix: 1. Vadersnaam. Samentrekking van Lodewijk(s). 2. Spelling voor Loock(x).

Loin, Loing. Bijnaam. Oudfrans loing = long, lonc: lang. Vergelijk Lelong.

Lointier, Lontie, Lonthie: Beroepsnaam. Oudfrans ointier: vethandelaar.

Loise, Loisse, Vandeloise. 1. Vadersnaam/moedersnaam uit Louis/Louise. 2. Naam uit de plaatsnaam Leuze (Namen, Henegouwen).

Loiseau, Loiseaux, Loisel, Loiselle, Loiselet, Loisseau, Loizeau, Oiseau, Oiseaux, Doiseau: Bijnaam. Oudfrans oisel, Frans oiseau: vogel. Bijnaam voor de vogelvanger. Vergelijk Vogelaar, Loiseleur.

Loiseleur, Loiseleux, Loizelier: Franse bijnaam Oiseleur: vogelvanger, ook die vogels africht voor de jacht. Vergelijk De Vogelaere.

Loison, Loyson, Loijson, Loisson, Deloison, Doison. Familienaam uit het Oudfranse oison: gansje. Bijnaam naar gedrag of knuffelnaam. Of beroepsnaam van de kweker van..

Loiter, de: Variant van Delloiter. Plaatsnaam Louâtre (Aisne).

Loker, van. Plaatsnaam Loker, West-Vlaanderen.

Lokere, Lokker: Afleiding van Middelnederlands loken ‘sluiten, bergen, afsluiten, omheinen’.

Lokeren, van, van Loqueren, van Lockeren: Plaatsnaam Lokeren (Oost-Vlaanderen).

Lokerman, Lokermans, Lookermans: Afleiding van Van Lokeren of De Loecker.

Loket, Loquet, Locquet, Lockey. Naam uit het Franse loquet: slot, klink en uit het Nederlandse loket: loket, vak, verborgen hoekje. Franse afleiding van Middenenderlands loke; aflsuiting. Beroepsbijnaam van de slotenmaker.

Lokere. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse loken: sluiten, opbergen, afsluiten, omheinen. Familienaam wellicht afgeleid van één of andere beroepsactiviteit. 2. Er is ook een kansje dat het de vereenvoudigde vorm uit 'Van Lokeren', naar de plaatsnaam.

Lokhorst: Plaatsnaam Lockhorst in Leusden (Utrecht).

Lokkee: Aanpassing van Frans loquet ‘slot, klink’, Nederlands loket ‘vak, verborgen hoekje’. Frans verkleinvorm van Middelnederlands loke ‘afsluiting’. Beroepsbijnaam van een slotenmaker.

Lokven, van: Plaatsnaam, vergelijk Lokvenen in Vessem (Noord-Brabant).

Lolkema: Vadersnaam. Afleiding van de Friese voornaam Lolle, die teruggaat op Lodewijk.

Lollier, Loly, Lôly: Beroepsnaam. Oudfrans olier, Frans huilier: olieslager. Vergelijk Lhuilier.

Loman, Lomans. 1. Naam afgeleid van Loo, zie daar. 2. Vadersnaam uit Lodewijk: uit het Germaanse hluth-wig.

Lombaard, de, Lombaert (de), (de) Lombaerde, (de) Lombaerd, Lombaerdt, De Lombard, Lombaerts, Lombaers, Lombaes, Lombarder, Lomberder, Lommaert, Lomma, Lombardo, Lombardi, Lombar, Lombard, Lombart, Lombarts, Lombat, Lomba, Lumba: Een Lombard/Lombaert was een inwoner van Lombardije. Aangezien de Lombarden gespecialiseerd waren in de geldhandel, kreeg Lombard de betekenis ‘bankier, wisselaar, geldschieter, woekeraar’. Het woord lommerd ‘bank van lening, pandjeshuis’ is eruit ontstaan.

Lombeek, van, Lombeeck, van, Lumbeek, Lumbeeck. Familienaam uit de plaatsnaam Lombeek (Vlaams-Brabant).

Lombois. Zie Lambois. Taibosch, waarschijnlijk van Lombois.

Lombril, Lombry, Lombary, Lombarij: Bijnaam. Oudfrans lombril: Eren; of lonbril, Frans nombril: navel?

Lomeijer: Duits familienaam Lohmeier ‘Meier am Loh’, dat is ‘meier bij het bosje’.

Lommel (van), van Lomm, van Lommen, van Lommeren: Plaatsnaam Lommel (Belgisch-Limburg).

Lommelaars, Lommelaers. Afkomstig van Lommel, Limburg.

Lommer, Lommers, Lommerse, Lommerts: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-mêr ‘beroemd–beroemd’: Hlutmarus, Lotmarus.

Lomré, Lomry: Plaatsnaam Lomré, Waals ook lom'rî, in Mont-le-Ban (Luxemburg).

Lonton, Longton, London, Longdon: Plaatsnaam Longton (Lancashire, Staffordshire). Longdon (Staffordshire, Worcestershire).

Lonay, Lonnay, Lhonai, Lhonnay: 1. Waals onê, Frans anneau: ring. Vergelijk De Rinck. Bijnaam. 2. Zie Lan(n)oy(e).

Loncar, Loncart, Lonchard. Variant van Longard.

Loncel, Loncelle, Lonhay, Lonchay, Lelonchay: Bijnaam. Oudfrans lemoissel, Oudpicardisch Loinseau, Waals lonhê: garenkluwen, -klos. Beroepsnaam.

Loncin, de Loncin: 1. Plaatsnaam Loncin (Luik). 2. Romaanse vorm van plaatsnaam Lontzen (Luik).

Loncke, Loucke, Lonque, Lancke: Bijnaam vooriemand die lonkt. Vergelijk De Lonker.

Loncle. Verwantschapsnaam L'oncle: de oom. Vergelijk Doom.

Loncke, Lonke, Loucke, Lonque, Lancke, de Lonker, de Lancker, Lanckers: Bijnaam voor iemand die lonkt, scheel kijkt.

Loncol. Bijnaam Long Col, long cou: lange hals. Vergelijk Lanchals.

Loncour. Reïnterpretatie van Longcou; zie Loncol.

Londen, van: Afkomstig van de Engelse hoofdstad Londen.

Londerseele, van, Londersele, van, van Londerzele, van Londerzeele: Plaatsnaam Londerzeel (Vlaams-Brabant).

Londès, Londes: Variant van Frans Londais, afleiding van plaatsnaam La Londe (Seine-Mar.).

Londner. Herkomstnaam: Londenaar. London: 1. Engelse naam van Londen. Engeland. 2. Zie Longton.

Loneux: Verspreide Waalse plaatsnaam Lon(n)eux (Provincie Luik). Waalse l’ôneû, Frans aunaie ‘plaats waar elzen groeien, elzenbos’.

Lonez, Loné, Lonné, Lonnee: 1. L'onet: afleiding van Oudfrans on, om, Frans homme: man. Vergelijk Mannekens 2. 2. Eventueel jongere spelling voor Lonay.

Long, Longe, Longhe: Variant van (de) Lange.

Longa, Longard. 1. Middenfrans longard: slenteraar. 2. Eventueel variant van Lognard.

Longatte, Longat, Longate, Longautte, Longaute: Plaatsnaam Longatte in Ecoust-St-Mein (Pas-de-Calais).

Longaver, Longavert. Oostduitse familienaam Longaver = Longauer, Langauer, van plaatsnaam Langau (Oostenrijk).

Langasvesnes, Longasvesne, Longavenne: Plaatsnaam Longavesnes (Somme).

Longchamp, Longchamps, Lonchamp, Lonchamps, Longschamps, Longuecand: Verspreide plaatsnaam Longchamp(s): lang veld. De vorm -cand is Picardisch.

Longdos, Longdot, Longdoz, Londos, Londot, Londoz: Plaatsnaam Longdoz in Luik. 1151 Longum Dorsum: lange (heuvel)rug.

Longequeue. Bijnaam: lange staart, wellicht erotisch bedoeld.

Longerich. Duitse plaatsnaam Longerich.

Longerstaey, Longerstay. (Van) Langerstade of-stede.

Longfils, Longfis, Lonfils: Bijnaam Long: lang + fils: zoon, jongen.

Longie, Longue: Oudfrans ongle, Waals ongue: klauw. Vergelijk Clauw.

Longiez, Longie: 1. L'onglet, afliding van ongle: klauw, Vergelijk Longie. 2. Variant van Langiez; zie Langlais.

Longin, Longhin, de Longie, de Longhi, Deloenzien, Delonzien. Bijnaam uit het Picardische longin: traag, sloom, lui.

Longo. Italiaanse bijnaam Longo; lang. Vergelijk De Lange.

Longpré, Long Pretz, Longpretz, Lompret, Lomprez, Delompré: Plaatsnaam Long Pré. Vergelijk Langemeersch. Lompret (Henegouwen), Lomprez (Luxemburg).

Longtain, Longtin, Longtin, Longtings: 1. Oudfrans lontin, lointain: ver, verwijderd. Bijnaam. 2. Paatsnaam Longtain in La Louvière (Henegouwen of Lantin (Luxemburg).

Longuehaleine. Bijnaam voor iemand met lange adem.

Longuepée, Longuepée, Longuespée, Longuepe, Longuepee, Longuepez, Longepee, Langepee: Frans Longuez épée: lang zwaard. Bijnaam voor wapensmid of zwaardvechter. Vergelijk Lanszweert.

Longuet, Longuez, Longhe, Longe, Longhez, Longé: Bijnaam. Afleiding van long: lang.

Longueville (de), Dallongeville, Delongeville, Longheville, Longeville, Lonneville. Familienaam uit de gelijknamige verspreide plaatsnaam in Waals-Brabant, Nord, Pas-de-Calais.

Longuich, Lunquich. Plaatsnaam bij Trier.

Longval, Longueval, Longheval, Longeval, Longcheval, Loncheval. Familienaam uit de plaatsnaam Long Val: lang dal. Dit onder andere in Longueval (Somme, Aisne) en als plaatsnaam in Ghoy (Henegouwen).

Lonhienne. Plaatsnaam in Forêt-les-Chaudfontaine (Luik).

Lonker, de, de Lancker, Lanckers: Bijnaam voor iemand die lonkt, loert, gluurt, scheel kijkt.

Lonsdorfer. Duitse plaatsnaam Lohnsdorf.

Lonte, Lont, van der, Londt. Beroepsnaam voor iemand die een lont maakt, Duits Lunte.

Lonys, Lonijs, Loni, Lonie, Loonis, loones, Loonus, Loons, Leunus, Leunis, Leunissen, Leunessen, Lunis. 1. Vadersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Apollonius. 2. Vadersnaam uit de heiligennaam Leonius.

Loo, van, van Loe, Lo, van Looy, van Looij, van Loey, van Loeij, van Loye, van Loy, van Loij: Plaatsnaam Lo (West-Vlaanderen), Korbeek-Lo, Kessel-Lo (Vlaams-Brabant), Venlo (Nederlands-Limburg). Zie ook van der Loo.

Loo (van der), van de Loo, van Loe, van Looy, van Looij, van Loey, van Loye, van Loy, van Loij, van der Loo, van de Loo, van 't Loo, van Deloo, van de(der) Looy, van der Looij, Verloo, Verlooy, Verloy, Verloey, Verloes: Verspreide plaatsnaam ter Lo(o) ‘open plaats in een bos, bos, bosje op hoge zandrug’.

Loobeek. Plaatsnaam in Venray, Nederlands-Limburg.

Looberghe, van. Plaatsnaam Loberge, Frans-Vlaanderen.

Loobuyck, Loobuyk, Loobuijck, Loobuych. Bijnaam voor iemand met een loodzware buik.

Loock, Loockx, (van) Look, Looch, Loocx, Loeckx, Lox, Louckx, Loukx, Loicq, Loix. Bijnaam naar knoflook voor de kweker, eter of verkoper.

Loodsteen. Plaatsnaam. Ook familienaam Lootsteen, Lodesteijn, Lodestijn, Looijensteijn, Looijestijn, Looijestein.

Loof, de. Ongetwijfeld variant van Loef.

Look, van, van Looch, van Loock, van Loocke, van Loke, van Looken, van Looke, van Locke, van Leuken, van de (der) Loock, van der Look, van Loco, Verloock: Plaatsnaam Look ‘omheining, omheinde ruimte’.

Loof, de Looff, de Loof, de Loff: Picardisch lof, louf, Oudfrans lou ‘wolf’. Daaruit Vlaamse Loef ‘loebas, lomperd, lelijke man of vrouw, lummel’.

Looghe: Variant van Logghe, bijnaam voor iemand die log en traag is.

Lookeren, van: Plaatsnaam Lokeren (Oost-Vlaanderen).

Lookman: Bijnaam voor de looketer of lookteler.

Looman, Loomans, Lookman, Loeman, Loemans, Loman, Lomans, Leumans, Loyman, Loymans, Looymans, Looijmans: Afleiding van van (der) Loo. Zie ook Lodeman.

Loonbeck, Loonbeek. Plaatsnaam Loonbeek (Vlaams-Brabant). Of spelling voor Lombeek (Vlaams-Brabant).

Loon, van (den), Loonstra: Plaatsnaam, het graafschap Loon, of Borgloon (Belgisch-Limburg).

Looneman. Afleiding van plaatsnaam Loon.

Loonen, Loonens, Leune, Leunis, Leunens, Leunen, Lons, Loonss, Loones, Laune, Launens, Loens, Luns, Lunssens, Lonys, Lonijs, Loni, Lonie, Loonis, Loonus, Leunus, Leunis, Leunissen, Leunessen, Lunis, Loontjes, Loontjes, Loontiens, Leuntjens, Leuntjes, Leinckens, Lunkes, Lunken, Loones, Loonus: Vadersnaam. Spelling voor Loonis of van Loonens.

Loonsteen, Loonsteijn. Duitse plaatsnaam Lahnstein? Of door d-syncope van Lodenstein, zie Loodsteen?

Loontjens, Loontjes, Loontiens, Leuntjens, Leuntjes, Leunckens, Lunkes, Lunken, Lunskens: Vadersnaam. afleiding van Lonys, van Apollonius.

Loop (van der), Verloop, Voorloop. Familienaam uit de plaatsnaam loop: onder andere in Herentals en Vorselaar (Antwerpen). De familienaam Verloop is wellicht te analyseren als 'van der Loop', waarbij Loop verwijst naar een bepaalde waterloop. Aangezien ook de variant Voorloop voorkomt is het evenwel verleidelijk om, indien Voorloop de oorspronkelijk naamvorm betreft, een verklaring te formuleren die op het woord voorloop(er) gebaseerd is. Zeker omdat de eerste generaties timmerlieden waren, zou men ondermeer aan een beroepsbijnaam kunnen denken op basis van de benaming voorloper voor een bepaald type schaaf. Of aan voorloop(er) in de betekenis voorman of voorganger.

Looper, de, Bijnaam voor een hardloper of beroepsnaam van de loper, bode.

Loopuit, Loopuyt: Zinwoord voor Middelnederlands uteloper: die een gewapende uitval doet, ontvluchter.

Looper, (de) Loopers, Loeper: Bijnaam van een hardloper of beroepsnaam van de loper, de bode. Maar Loper kwam in Zeeland ook voor als voornaam..

Loopstra: Friese afleiding van de mansnaam Lope, zoals Lobe, Lobbe, bakervorm bij de Germaanse voornaam Lodebert.

Loor, de, Loore, de, de Lore, Looren, de Loorde, de Leur: Middelnederlands lore, luere: lor, vod. Beroepsnaam voor de voddenkoopman, oudekleerkoper. Ook bijnaam voor een schelm, loer, Waals-Vlaams leure.

Loorius. Ongetwijfeld een aanpassing van een oorspronkelijke Franse familienaam (Lorjoux, Lorilleux?).

Loos. 1. Zie (de) Loos(e). 2. Soms een verschrijving van Lhost(e); zie Lhoest. 3. Verschrijving voor Lois. 1.

Loos, de, Loose, de, (de) Looz, Looze, Loze, Looses, Leuse; Bijnaam voor iemand die loos is: vals, arglistig, sluw.

Loos, van der: Plaatsnaam Loos ‘afwatering’.

Loosbroek, van. 1. Plaatsnaam Loosbroek (3x in Noord-Brabant). 2. Plaatsnaam Oostbroek in St.-Omaars (Pas-de-Calais, Utrecht) met lidwoord k.

Loosen, Loossens, Loozen, Loisen, Leusen: Afleiding of afleiding van (de) Loze. Zie (de) Loos(e).

Loosveldt, Loosvelt, Loosveld, van Loosveldt, van Loofsvelt, Loosvel, Loosveelde, Loosvelde, Loosfelt, Loosfeldt, Loosfeld, Losfels, Losfeldt, Losfelt, Losfveldt. Familienaam uit de plaatsnaam Loosvelt, Loosveld (uit lauha + velde) (onder andere in Rumbeke).

Loot, van. Plaatsnaam Lot, in Vlaams-Brabant of in Ramskapelle, West-Vlaanderen?

Looten, Lootens, Lotens, Loete: 1.Moedersnaam. Meisjesnaam Lote, korte vorm van voornaam met achtervoegsel -lote, zoals Emmelote, Heilote, Jaquelote, Carlote. 2. Vadersnaam. Lotin, vleivorm van Germaans hluth-naam.

Lootgieter. Beroepsnaam; loodgieter.

Loots,Lootz,  Looten, Loten, Lotinga, Lootsma,  Loth, Loodts, Lood, Lot, Lott: 1. Vadersnaam. Korte vorm van een voornaam met achtervoegsel -lot, zoals Berteloot, Boudeloot, Hugelot, Ke(r)steloot, Lanseloot, Robeloot, Willoot, Jakeloot. 2. Beroepsbijnaam van een loodgieter of looddekker.

Lootvoet, Lotvoet: Bijnaam voor iemand met loden, loodzware voeten.

Loovere, de, Loover, de. Ongetwijfeld een reïnterpretatie, wellicht van Deloffre.

Loove, van der, Looven, van der, van der Loeff, van Loef, Verloof, Verloove, Verlooven: Plaatsnaam ter Love, bijvoorbeeld in Slijpe (West-Vlaanderen), Aalter (Oost-Vlaaanderene). Middenenderlands love: luifel, uitbouwsel, schuur, keet, galerij, tuin, villa.

Looveren, van; van Leuverden: Plaatsnaam Loveren in Baarle-Nassau (Noord-Brabant), Vught (Noord-Brabant), Westerhoven (Noord-Brabant).

Looij, Looijen, Looyen, Looij, Looy, Looijmans, Looymans, Looijse, Looijsen, Loois, Looisse, Looise, Looi, Looisen, Loeijs: Vadersnaam. 1. Uit Louis, Franse vorm van de voornaam Lodewijk. 2. Looi, korte vorm van Elooi, heiligennaam Eligius.

Looy, van, Looij, van, van Loij, van Loey van Loeij, van Loy, van Loye: 1. Variant van van Loo. Of uit Venlo (Nederlands Limburg. 2. Plaatsnaam Lauw (Belgisch-Limburg): 1146 Lude.

Looijenga: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Looij.

Looyschelder, Looijschelder, Looijscheider. Variant van het Duitse Leuschelder: familienaam uit de plaatsnaam Leuscheid (Noordrijn-Westfalen).

Looze, de; (de) Loos, Loose: Bijnaam voor iemand die loos is ‘vals, arglistig, sluw’.

Loozen, van: Plaatsnaam Loozen in Gramsbergen, Overijssel.

Lopes, Lopez, López. Familienaam die de Spaanse of Portugese wolf vertegenwoordigt, van Latijn Lupus, naar de oude naam die gepopulariseerd werd door Sint Wolf, of een bijnaam naar het dier van een felle man.

Lopik, van; van Loopik: Plaatsnaam Lopik (Utrecht).

Loppe, Loppens, Loppé, Loupe, Louppen, Louppe, Leupen, Leupe: Vadernaam. Loppin is een vleivorm van Loppe, bakervorm van Lodebert, met assimilatie en verscherping bb/pp. Zie Lobbens.

Loppem, van, de Lophem: Plaatsnaam Loppem (West-Vlaanderen) of Lophem (Oost-Vlanderen).

Loppersum. Plaatsnaam, Groningen.

Lor, Loor. Vadersnaam, korte vorm van Lorent, Laurent.

Lorange, Lorenge: Aangezien de sinaasappel (Frans orange) bij ons pas in de 16de eeuw bekend raakte, zal de familienaam wel een jongere reïnterpretatie zijn van Lorance: Laurence. Moedersnaam.

Laraux, Lorea, Loreaux, Loriau, Loriaux, Lorriaux, Laureau, Leurelle, Leuriaux, Lorea, Loréa, Loria, Loral: 1. Vadersnaam. Afleiding op -el (-eau) van heiligennaam Laurentius. 2. Oudfrans lorel: teugel, breidel. Beroepsnaam. Vergelijk Breydel.

Lorabch, Lorbecher. Duitse plaatsnaam Lorbach.

Lorberg, Lorbeg. Reïnterpretatie van Lorbach of Lorber?

Lorber, Loberblatt. Duits Lorbeer(blatt): laurier(blad). Beroepsnaam van de kruidenhandelaar.

Lorcé, Lorce, Lorsé, Lorse: Plaatsnaam (Luxemburg).

Lorch. Duitse plaatsnaam; Larix.

Lorcy. Plaatsnaam in Arville, Luxemburg.

Lord: Engelse bijnaam Lord ‘meester, heer’.

Lordong. Aanpassing van Lourdon?

Lorefice. Beroepsnaam, Italiaanse orefice; goudsmid, juwelier.

Lorenzo, Lorenzon, Lorenzoni, Lorenzonetto, Lorenzutti, Lorenzi, Lorenzini, Lorenzin, Lorenzino, Lorenzetti, Lorenzet, Lorenzetto: Vadersnaam. Italiaanse vormen en afleidingen van de voornaam Laurentius.

Loreynen, van, Lorreinen. Nederlandse aanpassing van Lorraine, het oude hertogdom Lotharingen.

Lorfèvre, Lorfèbvre, Lorphèvre: Beroepsnaam van de goudsmid.

Lorget, Lorgé: Oudfrans orget, afleiding van orge: gerst. Wellicht synoniem met Frans orgelet: gerstekorrel, strontje. Bijnaam.

Loreux, Lorilleux. Oudfrans oreilleur, van orellier; luisteren.

Loridan, Loridant, Loredan, Loretan, Loridon, Leuridant, Leuridan, Leurident, Leuridon, Laridant, Laridan, Laridaen, Larridon, Laridon, Larandon: Frans Loredan, van Italians Loredano, Loretano: afkomstig van Loreto (Italie).

Lorier, Loriers, Lorié, Lori, Lorrie, Lourier: 1. Bijnaam. ‘L’Orier. Oudfrans orier ‘goudborduurder’. 2. Spellingvariant van Laurier ‘laurier’. Vergelijk Duits Lorbeer. Beroepsbijnaam van de kruidenhandelaar of naar de huisnaam. Zie ook Larier(s)

Lorio, Loriot, Laurio: Frans loriot, van l'oriol, van Latijn aureolus: wielewaal. Bijnaam. Vergelijk Auriol

Loripier, Lorriper: Tweeledig vadersnaam. Lory + Pier(re).

Lorjou, Lorjoux, Lorgeoux: Variant van Loriot.

Lormeau, Lorneau: Plaatsnaam Ormeau, afleiding van orme: jonge iep. Vergelijk Delorme, Delormel.

Lormier, Lormiez, Lorimier, Lorrimier, Lorumier, Lorniez: 1. Oudfrans lor(e)mier, Middenenderlands lormier: kleinsmid, vervaardiger van harnas, breidels, sporen. 2. Eventueel L'ormier: plaats waar iepen groeien. Plaatsnaam in Wervik (West-Vlaanderen).

Lormoy, Lornoy: Plaatsnaam. Oudfrans ormoi: plaats waar olmen, iepen groeien.

Loroy. 1. Plaatsnaam Le Lorroir in Solre-Saint-Géry (Henegouwen). 2. Variant van Leroy.

Lorphelin. Bijnaam. Frans orphelin; wees.

Lorquet, Lorguet. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Laurent.

Lorquin, Leurkin, Leurquain, Leurqin, Luerquin, Lurquin, Lurkin. Vadersnaam, op -kin afleiding vorm van de heiligennaam Laurentius, Lurent=Leurent.

Lorrendopt, Lorrentop, Leurentop. Familienaam uit de plaatsnaam Ludendorf (Nederrijn-Westfalen).

Lorrens. Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Loderik.

Lorscheider. Afleiding van de Duitse plaatsnaam Lorscheid.

Lorsom. Spelling voor Lorson of plaatsnaam?

Lorson. 1. Vadersnaam. Waalse vleivorm op -eçon van de voornaam Laurent. 2. L'orson, afleiding van Oudfrans ors, Frans ours: beer. Bijnaam.

Lorthiau, Lortiaux, Lorteeuw, Lourtioux: Plaatsnaam. Oudwaals ortiaul: tuin; afleiding van Latijn hortus.

Lortiois, Lortioy, Lortio, Lorthiois, Lorthioy, Lorthior, Lorthiors, Lortilloir, Lorthios, Lorthio, Lorthois, Lorthoy, Lotthior, Lodrioor, Lathioor, Lathior: Plaatsnaam L'orthiot: plaats waar netels (Frans ortie) groeien. Plaatsnaam Orthiois bij Hucqueliers (Pas-de-Calais).

L’Ortye, L'Ortije, L'Orthyie,Lourthie, Lourtie: Plaatsnaam. Frans ortie: netel. Vergelijk Lortiois.

Lory, Leury, Laurie, Lori, Loris, Lories, Lorie, Lorri, Leuris, Loiris. Vadersnaam, de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Loderik: hluth-rik.

Los (de), (de) Losse: Middelnederlands en West-Vlaamse losch ‘loens, scheel, eenogig’. Zie ook Deloos.

Losange, Lozange: 1. Oudfrans losange: lof, gevlei, bedrog. Bijnaam. 2. Plaatsnaam Losange in Villers-la-Bonne-Eau (Luxemburg) of Hompré (Luxemburg).

Losbaert. Bijnaam voor iemand met een valse (loze) baard.

Losci. Familienaam die wellicht afkomstig is van de plaatsnaam Loski Potok in Slovenië.

Loscau, Loscaux. Variant van Franse familienaam Lascaux? Plaatsnaam (Corrèze, Hte-Vienne). Of variant van Lescaut?

Losdyck, Losdijck. Plaatsnaam Loosdijk; valse dijk, Schagen.

Losenoord, van. Familienaam in Gelderland, van plaatsnaam bij Ermelo, Gelderland.

Losier, Losie, Lausier, Lozie, Osier, Osy: 1. Frans L’Osier ‘teenwilg, teen’. Beroepsbijnaam van de mandenvlechter.

Losken. Vadersnaam. Nederduitse afleiding van de voornaam Ludwig.

Loslever, Loosleber. Bijnaam : die erop los leeft, die onbekommerd leeft. Vergelijk Lebsanft, Lebschön.

Losman. Afleiding van Los.

Losseau, Lossau, Lohay, Loxhay, Lowhay, Lexhay, Loixhai, Losselet: Bijnaam. Oudfrans ossel, afleiding van os: been; Waals ohé. Vergelijk Franse familienaam Losset.

Losschaert. Middenenderlands losscaert: scheeloog, eenoog. Bijnaam.

Lossery. Verkorting van Allossery.

Lossez, Lossée, Losset: l'osset, afleiding van Frans os: been.

Lossie: 1. Moedersnaam. Variant van Luchie, Lussie, de Latijnse heiligennaam Lucia.

Lostie: Vermoedelijk uit Lossie, met t-invoeging.

Lostrie. Verkorte vorm van Allostery. Zie bij Alloserie.

Lotar, Luta, Lutaert, Luthart, Lutgart, Lutgaart, Lutgard, Lutgaard, Luedtgers, Lutgert. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam hluth-hard: 'beroemd-sterk'.

Lotaire, Lothaire, Lother, Lothier, Lauthier: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-hari 'beroemd-leger': Hlotarius, Lotharius, Lotherus.

Lot, Lots, Lodt, Lodts, Loedts, Loedt, Loidts, Loits, Lutsch, Luts, Lotze, Lotz, Lutze, Lutz, Loutz, Loutsch, Ludze: Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse voornaam Lodewijk. Lutz is meestal Duits.

Lote, Loete. Moedersnaam, zie Lotens en Lotte.

Lotemans, Lottemans. Vadersnaam. Afleiding van Lanceloot of van Lote. Zie Lotens.

Lotens, Looten, Lootens, Loetens, Lotten. 1. Moedersnaam uit de meisjesnaam Lote. Dit is de verkorte vorm van Emmelote, Jaquelote. Lote is in dit geval een betekenisloze verkleinvorm. 2. Vadersnaam uit Lotin, dit is een knuffelvorm van eenGermaanse hluth-naam.

Loter, de. Beroepsnaam van de loter, de man die loot, die de staanplaatsen op de markt en in de hal verloot. Vergelijk De Cavelaer.

Lotfeld. Henegouwse verhaspeling van Losfeld.

Lotgering, Lotgerink: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Lotger: hluth-ger ‘beroemd-speer’: Hlodoger.

Lotigier, Lotigie, Lotigiers, Lottegier, Lustygier: L'ostegier, van Oudfrans ostage: gastvrijheid, logies; waarborg, pand. Beroepsnaam van de waard of de pander.

Lotin, Lottin: Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse hluth-naam, bijvoorbeeld Lodewijk

Lotiquet. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lotin.

Lotry, Loterie, Lotteriet: Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Loderik; zie Lory.

Lotte, Lote. 1. Moedersnaam, korte vorm van een Lotte/Lote naam: Jacquelotte. 2. Spellingvariant van Lhôte. Ze Lhoest.

Loucas, Lukas, Lukasse, Luka, Lucca, Lukacs, Lukac, Lukaszewski, Lukasz, Lukkesen: Vadersnaam. Apostelnaam Lucas.

Loubry: Vadersnaam. Ook Lobry, Romaanse vorm van Germaanse voornaam lob-rîk.

Louis, Louist, Louies, Louys, Louy, Louijs, Louij, Louix, Lois, Lowijs, Lowys, Lowy, Lowie, Louwie, Louwies, Loewy, Louwye, Louwije, Lowis, Lowist, Lohisse. Vadersnaam, Franse vormen (en de Vlaamse interpretaties ervan) van de Germaanse voornaam Lodewijk.

Louisse, Lowiesse: 1. Vadersnaam. Variant Van Louis of van Looisse. 2. Variant van Waals Louesse, namelijk Lwèsse ‘gast(heer), waard’.

Lous: Door assimilatie rs/s uit Frans L’Ours ‘de beer’. Bijnaam voor een nors, onvriendelijk man. Of huisnaam. Op het zegel van Watier Lous in 1308 (Kortrijk) staat LOVRS met drie beren.

Louter: Bijnaam. Frans Loutre ‘otter’.

Louvigny, Louvegnies, Louvegny, Lovigny, Loviny. Naam uit de plaatsnaam Louvignies (Henegouwen, Nord), Louvigny (Calvados, Moselle, Basses-Pyr.).

Louvrier, Louvry, Louvri, Looverie, Looverier, Lovvrier, Loverie, Loverier, Loveri. Beroepsnaam uit het Franse ouvrier: werkman, arbeider.

Loveniers. Schrijfvariant van Lovigny, Louvrier of Leuvenaar. Zie bij alle drie. Onzeker.

Louw, (de); Louwe: Ook de Lauwe. Bijnaam naar het lauwe, onverschillige karakter.

Louwaard: Ook Lauwaert. 1. Bijnaam voor een luiaard. Afleiding van Middelnederlands laeu ‘lauw, vadsig, onverschillig’. 2. Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Laurentius.

Louwagie, Lauwagie: Spellingvarianten van de familienaam Louage, Louagie, van le wage, Picardische pendant van Frans Lagage. Picardisch wage, Frans gage, van Germaans waddi ‘pand, onderpand, wedde’. Beroepsbijnaam van de pander, de weddebode, de beambte die pandingen verricht, de gerechtelijke beslaglegger’.

Louws: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Nikolaus of uit Lauwers.

Loxinger, Luchsinger. Van plaatsnaam Luchsingen, Glarus.

Love, de. Spelling voor Delhove.

Loveke, van: Waarschijnlijk een verschrijving voor van Loocke.

Loven, Lovens, Loeve, Loeven: Lo(u)vin, adjactief van Frans loup: verschrikkelijk, dreigend.

Lövenich, Lovenich, Lövenisch: Plaatsnaam Lövenich in Keulen, Erkelenz of Zülpich, Duitsland.

Loveniers. Waarschijnlijk aanpassing van Louvigny.

Loverius, Leverius: Latinisering, waarschijnlijk van Lauwers.

Loverix, Lovrix, Louvricx, Louvriex, Louvrex, Louwerix: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam lob-rîk 'lof-rijk'. Middelnederlands loverijc: roemrijk, glorierijk. 2. In Luik is Loverix ontstaan van Lauwerins: Lawrins, Lauweris, Lauwerix, Leuwerix, Louwerix, Louv(e)rix, Louvrex, Loverix.

Lovet: Variant van Louvet, verkleinvorm van Frans loup ‘wolf’.

Low, Lowes, Lowe: Eengelse familienaam. 1. Oudfrans. lou: wolf. 2. Engels low: kort. Bijnaam. 3. Low(e) kan ook een geadapteerde spelling zijn (zonder umlaut) van Lôw(e).

Löwenberg, Loewenberg, Lovenberg, Louvenberg, Leuenberger, Leunenberg: Verspreide Duitse plaatsnaam Lôwenberg, Leuenberg. Vergelijk Leeuwenberg.

Löwensteyn, Löwenstein, Loewenstein, Loebenstein, Leeuwenstein, Leeuwestein, Leeuwenstijn, Leeuwenstyn, van Leuvensteijn, Lövenstein: Verspreide Duitse plaatsnaam Löwenstein (Baden-Württemberg, Sleeswijk-Holstein).

Löwenwirth, Lowenweent, Lovenweent: Bijnaam van de 'Wirt zum Lôwen', de waard in het gasthof 'In de Leeuw'.

Loxhar. Luiks-Waalse vorm voor Louchard.

Loy, Loye, Loie, Loi, Loyen, Loyens, Loeyen, Looyen, Looyens, Looijen, Looijens, Loijn, Loijens, Lojen, Loys, Loeys, Luy, Luyens. 1. Vadersnaam uit Louis. De Franse vorm van Lodewijk. 2. Vadersnaam uit Elooi (van de heiligennaam Eligius).

Loyaerts. Middenenderlands loyaert; luiaard.

Loyal, Loyau: Bijnaam. Frans loyal: loyaal, eerlijk.

Loyer, Loyet, Loier: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam hluth-har 'beroemd-leger': Chlodocharius. Vergelijk Lohier.

Loyer, de, de Loyers, Looijer, Loier, Luyers: Beroepsnaam van de (leer)looier. Vergelijk Dhuyvetter.

Loykens, Looijkens: Vadersnaam. Afleiding van Looi. Zie Loy(e).

Lozanne, de: De Zwitserse plaatsnaam Lausanne.

Lozet, Lozé: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans los: ellendig. Of van Waals lusse: lui?

Lozin. Afleiding van Oudfrans los; ellendig. Zie Lozet.

Lub, Lubig, Lubbinge, Lubking, Lubsen: Vadersnaam. Bakervorm (en afleidingen) van Germaanse voornaam Lubbert, Lubbe.

Lubbeek, van, van Loubbeeck, Liebecq: Plaatsnaam Lubbeek (Vlaams-Brabant).

Lubsen, Lube: Vadersnaam. 1 Korte vorm en afleiding van Lubber. 2. Zie Lobbe(ns).

Lubbekens, Lupkens. Verdwenen variant van: 1. Lubber, zie daar. 2. Lippens, zie daar. 3. Lubbens, zie daar.

Lubber, Lubbers, Lubberts, Lübbert, Lubbersen, Lubberding, Lubbering: Vadersnaam. Germaanse voornaam Lubbert: leud-berht ‘lieden-schitterend’: Leu(t)bertu, dat is Liebrecht; of Lodebert, zie Lobbens.

Lübeck, Lubeck: Duitse plaatsnaam Lübeck.

Lübke, Lubke, Lubcke, Lubcke: Vadersnaam Lubbeke, Nederduitse afleiding van de voornaam Lubbe, Lûbbert.

Lublin, Lubliner. Plaatsnaam Lublin in Polen.

Lubrez. Wellicht spelling voor Lebret; de Breton. Lucullus.

Lucardie. Spelling voor Lecordie(r); zie Cordier. Vergelijk Lufiacre (voor le/lu)? Of Italiaanse familienaam Lucardi?

Lucas, Lukassen, Lukasse, Lukaes, Luca, Lucat, Lucats, Lucasse, Lucassen, Loucas, Lukas, Luka, Lucca, Lukac, Lucacs, Lukasz, Lukaszewski, Lukessen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Loeks, Lukenga, Luikenga, Luikinga, Lüken: Vadersnaam. De naam van de evangelist Lucas.

Luchen (van), van Luchene, Vanluchene, van Luchène, van Lucchene, van Luggene, van Luechene, (van) Luchem. Familienaam uit de plaatsnaam Luchen in Mierlo (Noord-Brabant) of Luchem (Noordrijn-Westfalen).

Luchie, Luchies, Lussie, Lussis, Lucy, Louchy, Lochie, Lossie, Lochy, Locy, Lossy, Lachie, Lachi. Moedersnaam uit de Latijnse heiligennaam Lucia, van Latijn lux; licht.

Luchier, Luchie, Lhussier, Lhussiez, Lussier, Lussie, Lussiez, Luciez, Lucyer, Lucieer: Beroepsnaam. Oudfrans huchier: timmerman, meubelmaker.

Lucidarne, Lucidarme: Uit louche-darne: slikt vismoten? Vergelijk Loucefeve, Loucepoiez 'louche fèves, pois' Of l'huchier d'armes: die de wapens afroept bij een toernooi?

Lucien, Lucian, Luciano, 1: Vadersnaam. Italiaanse en Franse vormen van Latijnse heiligennaam Lucianus.

Luchtmeijer, Luchtmeyer: Door volksetymologie en omkering van volgorde van klanken uit Lutkemeijer? Een meier met de voornaam Lutke, van Ludeke; zie Lutjens. Of volks etymologisch uit Duits Lu(e)gmeier ‘boer, meier van een Lueg of verborgen plaats, holte, hol’.

Lucht, Lugt, de Hooglugt, Lugtig. Zie voorgaande, ook plaatsnaam.

Lucieer: 1. Variant van Luchier, van L’Huchier. Beroepsnaam. Oudfrans huchier ‘timmerman, meubelmaker’. 2. Eventueel Frans Lhuissier ‘de Deurwaarder’.

Lucion. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lucien.

Lucius. 1. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Lucius. 2. Humanisten-naam. Latinisering van Lutz = Ludwig. Lucius was bijvoorbeeld de humanistennaam van Ludwig Lutz (1577-1619).

Luck, Lucke, Lück, Lücke: vadersnaam. Duitse vorm van de Germaanse voornaam Ludeke. Soms van Lucas.

Lucker, Lücker. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam leud-ger: lieden-speer. Leudgarius.

Lückerath, Luckerath: Plaatsnaam Luckerath, Noordrijn-Westfalen.

Ludden: Vadersnaam. Afleiding van Germaans hluth-naam, zoals Ludwig.

Luckermans, Lukermans. Variant van Lokermans.

Luckers, Lukers: 1. Afleiding van Duits Lucker. 2. Afleiding van De Luy(c)ker.

Luckmans, Luckman. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Luce of van Lucke.

Luckner. Afleiding van Duitse plaatsnaam Lucke; opening, smalle doorgang.

Lucullus. Vadersnaam. Latijnse voornaam Lucullus.

Luddens, Ludding. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Ludwig.

Ludema: Vadersnaam. Friese afleiding van Germaanse hluth-naam; vergelijk Ludden.

Luderich: Vadersnaam. Duits rîk-naam Luttrich, Lutterig, pendant van Loderik, met als eerste lid Germaans Leud of hluth.

Ludikhuize, Ludikhuyze, Ludikhuizen, Ludikhuijze, Ludekuse: Plaatsnaam Lüdinghausen (Noordrijn-Westfalen).

Ludioff, Ludiow, Lütolf: Vadersnaam. Germaanse voornaam Ludolf. Zie Lulof.

Ludmann. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam met Lud- zoals Ludolf, Ludwig.

Ludwig, Lode, Lodewijk: Vadersnaam. Duitse vorm van de Germaanse voornaam Lodewijk. Zie Lüdecke. Vergelijk Duits Lüdeckens, dat (met d-syncope) in het Nederlands aan Luikens beantwoordt.

Luermans: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Loderik/Lorik of van heiligennaam Laurentius.

Luetkemann. Vadersnaam. Afleiding van Lüttke; zie Lutgen(s).

Luff. Vadersnaam. Germaanse bakernaam Luffo bij een voornaam zoals Ludolf. Zie ook Luffin.

Luffelen, van, van Leuffel, van Leuffelen: Plaatsnaam, door dissimilatie van Van Nuffel(en) (vergelijk Van Lerius, van Valerius).

Lufiacre. Verschrijving voor Lefîacre (vergelijk Lucardie). Vadersnaam. Heiligennaam fiacrius. Franse familienaam Fiacre.

Lugen, Lugens, Lugentz, Luges. Moedersnaam. Vrouwelijke vorm van de Germaanse voornaam Lutgard. Vergelijk Duits Lugelin.

Lugil, Lugli: 1. Vadersnaam. Afleiding van Ludwig. 2. Moedersnaam. Afleiding van Lutgard. Vergelijk Lugen.

Lugtenburg: Plaatsnaam Luchtenburg in Rolde (Drenthe), Eelde (Drenthe) en Lienden (Gelderland).

Lugtmeijer, Lugmeier, Luegmeier: boer, meier van een Lueg: verborgen plaats, holte, hol. Plaatsnaam in Tirol.

Luhr, Lühr, Lührman, Lurmann: Duitse plaatsnaam Lur, Lür: hoogte, hoog veld of bos.

Luib. Vadersnaam. Korte vorm van een Germanse voornaam.

Luidenga: Vadersnaam. Friese afleiding van Germaanse voornaam Ludo, Lude.

Luidens, Luyens: Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse lied-naam.

Luijs, Luys, Luysch, Loysch, Loys, Luyce, Luyssen: 1. Vadersnaam van Loïs, Frans Louis. Vergelijk Luysmans. 2. In Limburg is Luys een veldnaam: hooiland.

Luik, Luijk, Luiken, Luikens, Luijken, Luyken, Leuiken: 1. Vadersnaam. 1. De voornaam Luc, heiligennaam Lucas. Zie Luijks(e). 2.Variant van van Luik. 3. Vadersnaam met achtervoegsel -ken (= -tje) bij de voornaam Lui, van Ludo.

Luik, van; van Luijck, van Luijk: Plaatsnaam Luik, Frans Liège (Provincie Luik).

Luiken, Luikens, Luyken, Lueken: Vadersnaam Ludekin/Ludiken, afleiding van een Germaanse leud- of hluth-naam (Ludolf).

Luikenaar, Luijkenaar: Afkomstig van Luik (Provincie Luik).

Luikfasseel, Luickfasseel, Luyckfasseel, Luycfassel, Luyckfassel, Luyckfassel, Luyckfazeel, Luyckrasseel, Luyckfessel, Luyckvanzeel, Luykfasseel: Zinwoord: Middenenderlands luken: toedoen, dichtknijpen, sluiten. Middenenderlands fasceel: bos, takkenbos. Beroepsnaam: die de houtbundels dichtbindt.

Luilcke, van de. Verhaspeling van Van den Bulcke.

Luijn, van. Limburgs hypercorrect voor Van Loen.

Luinge, Ludinge, Fries Ludinga, Lunia, Gronings Luinga, in Holland Luding, Ludink, van Ludinge, van de vadersnaam Lude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo.

Luinstra: Friese afleiding van plaatsnaam ter Luine, Ter Lune in Kollum (Friesland).

Luipen, van: Vermoedelijk niet een herkomstnaam, maar de vadersnaam. Luipen, Luijpen met secundair voorzetsel. Luyben, Luijpen, van. Germaanse voornaam Liebrecht/Luibrecht of Lieboud.

Luisterburg, Luijsterburg: Plaatsnaam Luisterburg bij Nispen (Noord-Brabant) en in Beerse (Provincie Antwerpen).

Luiting, Luyting: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse leud-naam; vergelijk Luyten(s).

Luitwieler: Duitse familienaam Lütwiler, Leutw(e)iler, van plaatsnaam Leutwil (Aargau, Zwitserland).

Lukaart, Luikaart: Duitse moedersnaam Laukhart, van Lukart, van Liutgard.

Luksberg. Plaatsnaam. Variant van Luksenberg of van Loksbergen, Limburg?

Luksenberg. Waarschijnlijk variant van Luksenburg, plaatsnaam Luxemburg. Burg- en bergnamen werden vaak verward.

Lukus: Vermoedelijk vervorming van de voornaam Lucas.

Lul, van, Lulle, van, de Lulle, van Lil: Variant van Van Lil of van Delille?

Lulle, de. 1. Lees Delulle: del Huile, vertaling van Van Huile. 2. Zie Van Lul(le).

Lulof, Lulofs: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-wulf ‘beroemd-wolf’, Cholodulfus, Duits Ludolf.

Lülsdorf. Duitse plaatsnaam in Niederkassel.

Lulsens. Warschijnlijk regressievorm van Lussens.

Lumanne. Spelling voor Lemanne : Léman.

Lumay, Lumaye, Loumaye, Lumey: Plaatsnaam Lumay (Waals-Brabant), Nederlands Lummen.

Lumeau, Lumia: Wellicht variant van Franse familienaam Lhomeau, zoals Lhommel afleiding van orme: olm, iep. Lumen(s), zie Lummens.

Lummen, Lummens, Lümes, Lumens, Lumen, Lumes, Lommens, Lommen, Lomme. 1. Germaanse voornaam met Leude + mar zoals Leudemar, Leudemond of Hlodmar. 2. Of uit de plaatsnaam Lummen (Limburg, eventueel Waals-Brabant).

Lummerzheim. Plaatsnaam Lommersum bij Keulen.

Lundström. Scandinavische plaatsnaam; rivier in een bos.

Luneau, Luneaut. Plaatsnaam Luneau. (Allier, Hérault)

Lünebach, Lunebach. Duitse plaatsnaam.

Lunenberg: Plaatsnaam Lunenberg in Langbroek (Utrecht).

Lunenburg. Duitse plaatsnaam Lûneburg.

Lunskens. 1. Vadersnaam: verkorte vorm of knuffelvorm van de Heiligennaam Appolonius. 2. Vadersnaam afgeleid van de heiligennaam Leonius.

Lunteren, van. Plaatsnaam Lunteren (Gelderland).

Lupker: Duits Lübecker, afkomstig van Lübeck (Sleeswijk-Holstein).

Lupo, Loupo, Loupot: Vadersnaam. Wellicht van Liebrecht; vergelijk de Fries-Groningse vormen Lubbe, Luppe, Luppo. Of van Lipo, Philippot. Vergelijk Luppens = Lippens.

Luppen, van der. Variant van Van der Lippe, met ronding van de i voor p (vergelijk Luppens)? Of variant van Nederlandse familienaam Van der Lubben ?

Luquet, Luckett: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Luc, heiligennaam Lucas.

Luquiser. Vertaling van Lockefeer. Frans fer; ijzer.

Luremonde, Lurmonte, Luremonte: Waalse dissimilatie van Ruremonde, plaatsnaam Roermond (Nederlands-Limburg).

Lurge, Lurje. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Laurentius. Vergelijk Lurkin.

Luron, Lurot. Bijnaam. Frans luron; vrolijke kerel.

Lus, Lusse, Lussens: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-so: Luzo. Vergelijk Lots, Luts.

Lusignan. Plaatsnaam, Vienne, Char.-Mar.

Lussanet, de: Andere spelling van de Franse familienaam Delucenay. Plaatsnaam Lucenay (Côte-d’Or, Nièvre, Rhône, Saône-et-Loire).

Lust (de): Bijnaam voor een lustig man of voor iemand die zich aan de lusten (eten, drinken) overgaf. Vergelijk Lustig.

Lusson, Lussot: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Lucien. Lusson kan door assimilatie van Lurson worden verklaard.

Lust, de. Bijnaam voor een lustig man of voor iemand die zich aan de lusten (eten, drinken..) overgaf. Vergelijk Lustig, Duits Lust, Lust(ig)mann

Lustbader. Beroepsnaam van een badmeester, exploitant van een 'badstoof of badhuis. Wijst 'lust' op de reputatie van de badhuizen?

Lustenhouwer, Lustenouwer. Duitse familienaam Lustnauer, van plaatsnaam Lust(e)nau (Vorarlberg).

Lustgarten. Duitse plaatsnaam; lusthof.

Lustig: Bijnaam naar het lustige, vrolijke karakter.

Lustman, Lustmann. Zoals Duits Lustigmann bijnaam voor een lustig, vrolijk man.

Lutaert: Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-hard ‘beroemd-sterk’.

Lutaster. Plaatsnaam in Thimister, Luik.

Luteijn, Lutijn: Frans lutin ‘dwerg, kabouter’.

Luteraan. Joodse familie. David Levie.

Lutgens, Lutgen, Lutgens, Lutge, Litje, Lutje, Lutjens, Lutjes, Ludgen, Lùttgen, Lùttgens, Luttgens, Luttiens, Ludecke, Ludik, Luttke, Lutke, Liittke, Ludtke, Luctkens, Lucktens, Luchtens: Vadersnaam Lute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, in Friesland nog als Luut, Luit, Luutzen en Luitsen. Afleiding van een Germaanse leud-naam, zoals Lie(d)boud, Lie(d)brecht of van een hluth-naam, zoals Ludolf, Lodewijk/Ludwig, Lodebrecht, Luther.

Luther, Luthers, Luters, Luter, Lutter, Lutters, Lütter, Luder, Lüders, Lüder, Loeters. Vadersnaam. Germaanse voornaam hluth-hari ‘beroemd-leger’: Hlotarius.

Lutherau, Leuthreau: Vadersnaam. Afleiding van Luthier, Romaanse vorm van Luther.

Luthringer, Lutringer, Luttringer: Lothringer: Lotharinger, uit Lotharingen.

Lutin, Luttin, Luteyn, Luteijn: 1. Frans lutin; dwerg, kabouter. Vergelijk Cobbaut. 2. Vadersnaam. Zie Luttens.

Lutjeharms. Vadersnaam. Dubbele voornaam. Zie Lutgens en Harms.

Lutjens, Lugten: Vadersnaam. Verkleinvorm van Germaans leud-naam, zoals Lie(d)boud, Lie(d)brecht, of van een hluth-naam, zoals Ludolf, Ludwig, Lodebrecht, Luther; Lugten, van Lutgen.

Lutman. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van een Germaanse hluth-naam.

Luttikhuizen (van), (van) Ludikhuizen, (van) Luttikhuis, (van) Luttjehuizen. Familienaam uit een plaatsnaam ergens in Noord-Holland-Friesland uit lutttik (klein)-huis.

Luton, Louton, Lutton: Oudfrans luiton: dwerg, kabouter. Vergelijk Lutin.

Lutsen. Waarschijnlijk spelling voor Luitgen, met erg palatale uitspraak van g, zoals in het Rijnland.

Lutte. Vadersnaam. Germaanse bakernaam Lutto, zie Luttens.

Luttenberg. Plaatsnaam Leutenberg, Beieren.

Luttens, Lutens, Luten: Vadersnaam van Luttin, vleivorm van Lutto, bakervorm van een Germaanse hluth-naam, zoals Hludbert/Lodebert.

Luttwiller, Luitwieler: Duitse familienaam Lùtwiler, Leutweiler, Leutwiler, van plaatsnaam Leutwil (Zwitserland).

Lutzemburg. Stad of Hertogdom Luxemburg (Luxemburg).

Luuberg. Plaatsnaam Luberg, Beieren.

Luuring: Vadersnaam. Variant van Leurin, Lorin, van Laurin, vleivorm van de heiligennaam Laurentius.

Luurts, luurs, Luursema, Luutrsema, Luirs, Lührs, Luyrin; vadersnamen Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waarvan Luurt en Luur.

Luwema, Luiwema: Friese familienaam Luwema, afleiding van de voornaam Luwe.

Luxen, Luxem. Plaatsnaam Luxem, Rijnland-Palts. Eventueel Loksem, Vlaams-Brabant.

Luxenburg, (van): Afkomstig van stad of hertogdom Luxemburg.

Luijben, Luijpen: Vadersnaam. Van Germaanse voornaam Liebrecht/Luibrecht of Lieboud.

Luycker, de, Luyker, de, Lukers, Leukers: Afleiding van Middelnederlands luken: (af )sluiten, dekken. Beroepsnaam van de dekker, leidekker, of van de stucadoor die de muren dichtpleistert:

Luyben, Luijben, Luijpen: Vadersnaam van Germaanse voornaam Liebrecht/Luibrecht of Lieboud. Vergelijk Luib.

Luyck, de, Deluk, Deluc: Variant van De Luycker?

Luyck, van, van Luijk, van Luck: Plaatsnaam Luik, Frans Liège.

Luijendijk: Plaatsnaam Luiendijk, nu Binnenluiendijk in Hoorn (Noord-Holland).

Luijens: Vadersnaam. Van Luidens, vleivorm van een Germaans lied, van leud-naam.

Luijken, van: Plaatsnaam ‘afgesloten, beloken plaats’? Of reinterpretatie van van Luik.

Luijks, Luijkse, Luijcks, Luijckx, Luycx, Luykx, Luijex, Luyck, Luycks, Luykx, Luycx, Luyx, Luyx, Luijks, Luijckx, Luijcx, Luijcx, Luickx, Leuyckx, Luuk, Luc, Lucq, Luk, Luks, Luque, Luckx, Luck, Lux, Luxque, Leugs (Fries), Leuk, Leuck, Leuckx, Leux, Leuxe, Lueck, Luynckx, Leiyckx. 1. Vadersnaam uit de heiligennaam Lucas. Zie ook daar. 2. De vormen met ui/eui kunnen varianten zijn van Loix. Zie bij Loock(x).

Luymoyen, Luymoeyen, Laymoei, Laymoeien: Moedernaam. Germaanse voornaam leud-môd 'lieden-(ge)moed': Liutmod.

Luijmes, Luimes: Boerderijnaam Klein Luimes.

Luypaert, Luypaerd, Luypaert, Luypaerts, Luipaert, Luijpaert. 1. Uit het Middelnederlandse lupart: luipaard, leeuw. Waarschijnlijk een huisnaam, of mogelijk ook een bijnaam. 2. Een enkele keer een familienaam uit een plaatsnaam.

Luys, Luysch, Luijs. 1. Vadersnaam uit Loïs (uit het Franse Louis). 2. In Limburg is Luys een veldnaam: hooiland.

Luijpen, van: Plaatsnaam? Vermoedelijk vadersnaam. Luijpen met secundair voorzetsel.

Luysmans. Lueysmans, Luijsmans: vadersnaam. Afleiding van Loïs, Frans Louis. Vergelijk Luys.

Luyster, van de, Luijster, van de: Plaatsnaam Luister, kreek in de Oude Polder (Zeeland).

Luysterborg, Luysternorgh, Luysterborgs, Luysterborghs, Luysterburg, Luijsterborg, Laustrebourg: Plaatsnaam Luisterburg bij Nispen (Noord-Brabant) en in Beerse (Antwerpen).

Luysterman, Luystermans, Lystermans, Loostermans, Losterman, Lostermans. Afleiding van Middelnederlands luusteren: luisteren. Vergelijk Duits Lauscher, Lauster(er), Nederduits Lustermann.

Luyt, van, van Luijt, van Luijten, van Luyten, van Lud, van Ludt. Plaatsnaam Leut, Limburg, of in Ubbergen, Gelderland.

Luyen, Luytens, Luijten, Luijtens, Luyte, Luyetenem Lutte, Luyttens, Luite, Luten, Lutens, Luthen, Lute, Verluyten: Moedersnaam Luite, van de voornaam Lu(i)tgard. Verluyten; vrouw Luite.

Luytgaerens, van de Luijtgaarden, van de Luitgaarden: Moedersnaam. Germaanse voornaam leud-gard ‘lieden-omheining’.De aanloop van der is te verklaren als hypercorrectie voor ver ‘vrouw’, geherinterpreteerd als van der.

Luyts, Luijts, Luitsz, Luits, Luites: Vadersnaam. Brabantse ontwikkeling uit Loots of Lots.

Luymoeyen, Luymoyn, Laymoei, Laymoeien. Moedersnaam uit de Germaanse voornaam leud-mod.

Luysterman, Luystermans, Lystermans, Loostermans, Losterman, Lostermans. Bijnaam uit het Middelnederlandse luusteren: luisteren (voor bijvoorbeeld iemand die goed kon luisteren/horen) en fluisteren (bijvoorbeeld iemand die stil praatte). Mogelijk ook uit luuster: glans (beroepsbijnaam voor een poetser).

Luyten, Luytens, Luijtens, Luijten, Luytenne, Luyte, Luytte, Luyttens, Luiten, Luit, Luten, Lutens, Luthen, Verluyten. Moedersnaam (via Luite) naar de voornaam Lu(i)tgard.

Luzar, Luzot, Luzeaux, Lusiaux, Lusiau, Loza, Losa: Bijnaam. Picardisch lozard: luiaard; Boons lusot: leegloper; eventueel Waals lôsard: vicier.

Lij, de: Spelling voor Delie, van Dilie. Moedersnaam. Korte vorm van heiligennaam Odilia.

Lijbaart, Lijbaert: Spelling voor Liebaert. 1. Vadersnaam. Variant van Libe(e)rt, van Germaans leud-berht ‘lieden-schitterend’, of Germaans leub-hard ‘lief-sterk’, resp. Lietbertus Of Liubardus, Leopardus. 2. Overdrachtelijk naar Middelnederlands liebaert ‘luipaard, leeuw’ voor een Vlaming, Vlaamse patriot.

Lycklama, Friese vadersnaam Lykle; van Nicolaas, ma; man.Zie 'Likelsgea of St. Liklesgea aan het dorp St. Nicolaasga (ga of gea is dorp in het Friesch) in Doniawarstal.

Lycoops, Lycop, Lycops, Lijcops, Lykops, Licop, Licops, Licoppe, Licope, Lecop. Naam uit het Middelnederlandse lijfcoop, licoop: wijnkoop, handgeld, godspenning of fooi bij het sluiten van een koop. Beroepsbijnaam voor de veilingmeester.

Lyftochts, Lijftocht, Lijftochts, Lijftochs, Lyftoghts, Lyftoghs, Lijftoghts, Lijftochts. Verdwenen naam uit het Middelnederlandse lijftocht: levensonderhoud, vruchtgebruik, lijfrente, weduwegift. Bijnaam voor iemand die daar op enige manier mee te maken heeft.

Lijk, Lijcke, Lyck, Lycke.Vadersnaam. Germaanse voornaam Lideco, verkleinvorm van leud-naam. Vergelijk Liekens.

Lijke, van der; van der Lijcke: Plaatsnaam Lijk in Heesch (Noord-Brabant)?

Lijn, van der: Zoals van der Lin een Waalse aanpassing van van der Linden.

Lynch. Variant van Engelse familienaam Linch. Plaatsnaam. Oudengels hlinc: heuvel.

Lynckeman. Afleiding van Van der Linck.

Lynen, Lijnen, Leijnen, Leyne, Leynen, Lienen. Moedersnaam, verkorte vorm van Katheline, Pauweline of een andere voornaam.

Lijnbach: Duitse plaatsnaam Leimbach (Baden-Württemberg, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts, Saksen, Thüringen) of Leinbach (Beieren, Baden-Württemberg).

Lijs, de le: Spelling voor Frans Delelis. La Lys is de Franse naam van de rivier de Leie.

Lijsen, Leijsen: Moedersnaam. Spelling voor Lijsen. 1. Voornaam Lijse = Alice, Aleidis. 2. Lijse, Lise = voornaam Elisabeth.

Lyser, de, (de) Liser, Leiser, Leizer, (de) Letser, Leijzer, Leijser, Leijzers. Naam uit de plaatsnaam Lyss bij Bern (Zwitserland).

Lijtle: Wellicht van Engels Little ‘klein’.

Lijtsman: 1608 Hans Lietsman, Zutphen. Duits Lietzmann, afleiding van Lietz, afleiding op –so van een Germaans leud-naam.

Lijzer, de; de Leijser, de Lijser: Afleiding van plaatsnaam Lyss bij beroepsnaam.