Verklaring van achternamen P

P.

Paagman. Hypercorrect voor Poggeman.

Paaimans: Beroepsnaam. Middelnederlands paeiman, paeymeester ‘stedelijk ontvanger’.

Paal, (van der), van der Pael, Paelt, van der Paalen, Palen, van der Pal, Verpaele, Verpaelen, Verpaalen, Verpalen, Verpaelst, Verpaelt, Paalman, Palman, Paalberends, Paalmann. Familienaam uit de plaatsnaam Ter Paal: op diverse plaatsen in Vlaanderen zowel als plaatsnaam. Plaatsnaam Ter Paal/Pale in Assebroek, Hoogstade (West-Vlaanderen), Broekburg (Frans-Vlaanderen), Marquise (Pas-de-Calais). Ook huisnaam in Ieper. Middelnederlands Pael(e), Pale: (grens)paal. Ook gemeente Paal (Zeeland, Limburg).

Paalvast: Door volksetymologie en omkering van volgorde van klanken, van Paalvoets, een naam die schuilt in de plaatsnaam Paalvoetsheide in Westerschouwen (Zeeland) van Paalvoetsheide.

Paalvoet vermoedelijk uit Paalvoorde, vergelijk de Vlaamse familienaam Dievoet, van Dievoort.

Paanakker. Brabantse uitspraak van Pijnacker.

Paap, Paaps, Paeps, Paape, Poep, Paepe, Paepen, (de) Pape, De Paep, Paepen, Spaepen, Spaepens, Spaken, Spapens, Spaepen, Spaapen (zoon van). Familienaam uit het Middelnederlandse pape: priester (die wellicht de vader was).

Paard, van der: Volksetymologische herinterpretatie, wellicht van van der Poort.

Paardekam: Plaatsnaam Paardekamp ‘omheinde paardenwei’. Paardenkampen in Borger (Drenthe). Vergelijk Oskam en Duits Rosskamm/Rosskamp.

Paardekoper, Paardekooper, Paardekoper, Paerdekooper: Beroepsnaam van de paardenkoopman.

Paarlberg: Aanpassing van de Duitse plaatsnaam Perleberg (Brandenburg, Nedersaksen).

Paasschen, Paase, Pas, Paasse, Paassen, Paas, Paasch, Paech, Paes, Paës, Paese, Paze, Pas, Pass, Spaas, Poës, Poies, Poisse, Poos: 1. Vadersnaam. Vleivorm van de Latijnse heiligennaam Pasc(h)alis. 2. De naam van het kerkelijke feest, Pasen. Vergelijk Vlaamse Pinxten ‘Pinksteren’.

Paaschburg: Klankverandering van familienaam Paesbrugghe.

Paauwe, van, Paauw: Plaatsnaam De Paauwen in Slochteren (Groningen), De Pauw in Wassenaar (Zuid-Holland).

Pabbruwe, Pabbruwee, Padbrugge, Platbroodt, Platbrood, Platbroot, Platrood, Platbroob: De famille stamt uit Opzullik/Lessen-Bos (Henegouwen). Pabbruwe met glijder w, van Pabbrue, van Padbrue, Picardisch, Nederlandse plaatsnaam Paddebroek. Plaatsnaam Pattebroucq, Padembrouck in Opzullik/Mark (Henegouwen); Padbroek (Noord-Brabant), Paddebroek in Gooik (Vlaams-Brabant).

Pabel, Pabelick. Vadersnaam. Slavisch Pawel(ick), van de voornaam Paul.

Pabian, Pabijan, Pabion. Poolse heiligennaam, van Latijnse heiligennaam Fabianus.

Pabst, Pabisch. Duitse bijnaam Papst; Paus.

Pacan, Pacand, Packan; Oudfrans pacand; landman, boer, lomperd.

Pace. Engelse familienaam. 1. Middenengels pais, pes(e), Oudfrans pais: vrede. Vergelijk Pais. 2. Middenengels pasches, peice: Pasen. Vergelijk Pace eggs: paaseieren.Vergelijk Paas(ch).

Pacelot. Waarschijnlijk door klinkerverwisseling van Pacelot.

Pache, Pache. Waarschijnlijk variant vn Paas(ch).

Pacheco. Vadersnaam. Spaanse afleiding van Paco; Franciscus.

Pacht. Bijnaam voor een pachter; zie De Pachter. De bewoner van een pachtgoed, pachthof, dat kortweg ook Pacht kon heten.

Pachtenaar: Beroepsnaam. Middelnederlands pachtenare ‘pachter, ook van belastingen; huurder’.

Pachtenbeke, van Pachtebeke, van, van Pachterbeke. Plaatsnaam in Ruiselede, West-Vlaanderen.

Pachter, de, de Pagter, Packter. Bijnaam van de pachter, huurder.

Pachy, Pahy, Paci. Plaatsnaan, Waals pa(c)hi: weide. Zie ook Paqui. (Le) Pachis in Clermont, Schaltin en Pondrôme (Namen).

Pacifico, Pacifici. Italiaanse bijnaam; vredelievend.

Pcini, Pacino, Pacici. Afleiding van Italiaanse pace; vrede.

Packbier, Pakbiers, Backbier. Zinwoord voor een bierdrinker. Vergelijk Duits Schluckebier.

Packheiser. Dialect ontrond van Packhâuser, van plaatsnaam Packhausen (Oost-Pruisen).

Pacolet, Packolet, Paclet, Packlée, Packlé, Paklee, Paklée, Pockelé, Pockele, Poclet, Placlet, Placklé, Placqlez, Plaqlez. Vadersnaam uit Pasquelet, afgeleid van de Latijnse naam Paschalis of Pascharius.

Pacquetet. Vadersnaam. Afleiding van Paquet.

Pachtere, de; (de) Pagter: Beroepsnaam van de pachter, huurder.

Padberg. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Pacoux, Pacou, Paccou. Vergelijk Franse familienaam Pacaud, Pac(c)oud, Pa(s)choud, Pachoux. Vadersnaam. Afleiding van Latijnse heiligennaam Pascalis.

Paddenburgh, van: Plaatsnaam Paddenborg in Zaamslag (Zeeland).

Padt, de, Pat. Bijnam naar de diernaam, de pad.

Pad, Padt, van der: Ook van ’t Pad. Naam voor wie aan een pad woont.

Paduaert, Paduat, Paduwrt, Paduwa, Paduwat, Padva, Padwa. Plaatsnaam Padua (Italie). De vormen op -art zijn Waals hypercorrect.

Padoux, Padou, Padoue. 1. Zie Badoul. 2. Eventueel plaatsnaam Padoue, Franse vorm van de Italiaanse stad Padua/Padova.

Pae, (de). Verschrijving voor Franse familienaam Depas of Depaix.

Paeckmeyer. Duits Bachmeier: meier, boer die aan een beek woont.

Paelman, Paelmans, Paalman, Paeleman, Paelemans, Palemans, Pallemans, Palemans, Paulmans. Naam afgeleid uit Van der Paal. Kijk bij Paal.

Paeme, Paemen, Pamen, Peemen, Pemen, Peymen, Peijmen. 1. Vadersnaam uit Pamo, een oude knuffelvorm die wellicht afkomstig is uit baldmar, vergelijk Pammo, Pries Bame, voornaam Bamse. 2. Mogelijk afgeleid uit Palmen dat dezelfde oorsprong heeft als Palmaert(s). Zie daar.

Paen, Paenen, Pane, Panen, Paanen, Puynen, Puyn, Puijnen: Vadersnaam van bakernaam, wellicht van de voornaam Frans. Vergelijk Fries Panne.

Paepke, Papke. Afleiding van pape; priester.

Paerels. Beroepsnaam van de parelstikker of -handelaar. Vergelijk Duits Perl(er), Perlhefter, Perlsticker.

Paerewijck, Paerewyk, Paerewyck, Paerewyck, Parewijk, Parewyck, Parewyk, Porrewyck, Porrewijck, Porreweek: Plaatsnaam naar de parre/perre: omheinde wijk. Perrewyck in St.-Denijs (West-Vlaanderen).

Paesbrugghe, Paesbrugge, Spaesbrugghe. Plaatsnaam Paesbrugge in Zuienkerke (West-Vlaanderen), Pasbrug in Bonheiden, St.-Kat.-Waver, Westerlo (Antwerpen).

Paeschman, Paesman, Paesmans, Pasman, Pasmans, Poesmans, Poisman, Poismans, Posman. Vadersnaam uit de heiligennaam Pascalis.

Paeshuis, Paeshuyse, Paeshuys, Paeshuijs, Paeshuijse, Paeschhuys, Paeschuyzen, Paeshuijzen, Pashuyzen, Pashuysen. Familienaam uit de plaatsnaam Paashuis/Peshuizen in Geel (Antwerpen) en St.-Kwintens-Lennik (Vlaams-Brabant).

Paesschesoone, Paesschezone, Paesschezoone, Pasquesoone. Vadersnaam. Zoon van Paes, Latijnse heiligennaam Pascalis. Zie Paessens.

Paessen, Paessens, Paesen, Pazen, Paassens, Passin, Paeschen, Paeschens, Paesschen, Paschen, Pachen, Poesen, Poosen, Poozen, Posen, Possen, Poissin, Peusen, Peusens, Peussens, Puissens. 1. Vadersnaam, vleivorm van de Latijnse heiligennaam Pascalis Po(e)sen en Peusen zijn Limburgs. 2. Mogelijk ook een naam afgeleid van het feest Pasen, dit zou kunnen wijzen op het vinding moment van een vondeling.

Paffenrath, Paffrath. Plaatsnaam Paffrath (Noordrijn-Westfalen). Paffenraed, Pafferaed, Paffenrade en Paffenrode, naar de stichter van de voormalige sate onder Leeuwarden.

Paffenholz, Pafenols. Plaatsnaam Paffenholz in Broichweiden bij Aken.

Pagan, Pagani, Pagano, Paganini. Bijnaam voor een landman, boer.

Page (de), Pages, (de) Pagie, de Paige, Lapagie, Lepagie, le Page, le Paige, Lapaige, Lapage, Lapaeyge, Lapaege, Lapeige, Lapeysen, Lapeijsen, Paget, Pagès, Pages, Pagé. Beroepsnaam van de page, edelknaap, hofknaap, ook bediende van lagere rang.

Pagé, (van); van Pagee: Vermoedelijk een fictieve van-naam, wellicht een vervorming van Vanbergie, van Wamberchies, van plaatsnaam Wambrechies (Nord).

Pagel, Pagels. Vadersnaam. Nederduitse variant van Pawel=Paul.

Pagenkop. Nederduits Pagenkop: paardenkop. Naar het uithangbord.

Pagenstecher. Duitse beroepsnaam van de paardenslager, paardencastreerder.

Pageot, Pajeot, Pajot, Pageau, Pageault, Pagaud, Pageis, Pageas: Afleiding van Page.

Paggen. Mddennoorrdduits, Nederduits page: paard. Huisnaam of beroepsnaam.

Paggers. Afleiding van Paggen? Beroepsnaam van de paardenkoopman?

Pagnaerd, Pagnaer, Pagna, Paygnard, Pangaert, Panjaar, Panjaer. Naam uit het Oudfranse Espangard: Espagnol, Spanjaard.

Pagnieau, Pagneau, Panaux, Peneau, Peniaux, Penay, Peynaud, Pennel, Penel, Panneel, Panneels, Paneels, Paneel, Panel, Pannels, Paniels: Oudfrans panel, pen(i)el, Picardisch pagniau: stuk stof, lor, flard, gescheurd kledingstuk. Oudfrans Peneau: iemand die uitgerafelde, vieze kleren draagt.

Pagnier, Pagnerre: 1. Oudfrans paigniere: schilder. Beroepsnaam. 2. Zie Panier.

Pagnon, Paynjon. 1. Oudfrans paignon, afeiding van pain: broodje. Beroepsnaam. 2. Vadersnaam. Voornaam.

Pagnoul, Pagnoule, Pagnoulle, Panjoul. Waalse vorm van Espagnol; Spanjaard.

Pagnoz, Peynot. 1. Picardisch pagnot, afleiding van Oudfrans pan, pain: brood. 2. Zie Pagnon 2.

Pahault, Pahaut, Pahaux, Paheua, Pahay, Paxhia, Peseau, Pasau, Passeau, Passau: Waalse vorm van Pascaud.

Pahl, Pal, Pahlen, Palen. Vadersnaam. Duits Pahl, Pohl; Paul.

Pahot. Vadersnaam. Waalse variant van Frans Pascot, afleiding van de voornama Pascal. Vergelijk Pahau(l)t, Paquo(t).

Paijmans, Paaijmans, Peijmans, Peymans, Peiman, Puyman: Paeyman, synoniem met Middelnederlands paeymeester: stedelijk ontvanger.

Pailhe, Paille. 1. Plaatsnaam Pailhe (Luik). 2. Frans paille: stro. Beroepsnaam van de strohandelaar.

Paillard, Pailla, Paillart, Palliard. Bijnaam. Oudfrans paillart: schurk, schelm.

Pailler, Lapier, Pallier. 1. Oudfrans paillier: stro, stromijt, strooisel, strozolder, neerhof. Beroepsnaam van de strohandelaar. 2. Eventueel verschrijving voor Paillet.

Paillet, Paillé, Paillez, Pailler, Païez, Paiez: Oudfrans paillet, afleiding van paille: stro. Beroepsnaam of bijnaam.

Paillon, Pailliom, Pailliot, Pailllot. Afleiding van paille; stro.

Pain, Paim. Frans pain; brood. Beroepsnaam van de bakker.

Paindavoin, Paindavaine, Paindaveine, Paindavain, Paindavin, Pendavingh: Frans pain d'avoine: haverbrood. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Roggebrood.

Painparé, Painparex, Paimparet. Frans pain paré: brood waarvan de korst verwijderd is. Bijnaam.

Painvin. Franse bijnaam pain (et) vin: brood en wijn. Vergelijk Italiaans Panevino. Vergelijk Duits Bierenbrodt.

Pairiot. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Pierre.

Pairon. 1. Zie Duper(r)on. 2. Vadersnaam. Afleiding van Pierre.

Pairon. 1. Zie Duper(r)on. 2. Vadersnaam uit Pierre. Zie Peeters.

Pairoux: Plaatsnaam. Oudfrans perroit, Waalse pérou, van Latijnse petretum ‘plaats met stenen, keien’. Pêrou in Rocourt (Provincie Luik).

Pais, Paix, Pays, Paijs, Peys, Peijs, Peis. 1. Naam uit het Middelnederlandse pais: vrede, rust. Of uit het Franse paix (dezelfde betekenis). Bijnaam voor een rustig mens. 2. Variant van Paasch (zie daar). 3. Of variant van de Spaanse familienaam Paix (met dezelfde betekenis: vrede, rust). Ene Rodrigo Paix kwam in 1533 van Andalusië naar Antwerpen.

Paise, Paisse. Plaatsnaam. Oudfrans paisse; weide.

Paisant, Paissan, Paysen. Oudfrans paysant; boer.

Paître, Lepêtre, Pêtre, Pètre, Pétre, Petre: 1. Beroepsnaam. Oudfrans paistre: herder. Vergelijk Pasteur. 2. Eventueel Oudfrans pestre, van Latijn pistor: bakker.

Pakens, Pakinga. Naar plaatsnaam Packensze bij Oldenburg.

Pakmans, Packmans. Beroepsnaam van de pakker. Vergelijk Duits Packschläger.

Palant, Palante, Palate, Pallant, Pallante, Pallandt, Palente. 1. Plaatsnaam Palante in Gemmenich (Luxemburg) en Anthée (Namen). Palate is de Waalse uitspraak in Ensival (Luik). 2. Voor Pal(l)ant eventueel Middenenderlands paellant: terrein binnen de palen van het schependom van een stad.

Palard, Palart, Pallard, Palard. Afleiding van Van der Paal. Vergelijk Paalman.

Palaster, Palate, Palatre, Polaster, Pelast: Veel mogelijkheden. Oudfrans palastre, van palastrel: lomp, lor, lap. Bijnaam. Oudfrans palastre, Middenfrans palâtre: ijzeren doos waarin het slot steekt. Oudfrans palastre: schoenspijker. Beroepsnaam.

Palazy. Plaatsnaam Palazy (Aude, Hérault, Lot-et-Gar., Tarn).

Palemaker, de. Wellicht reïnterpretatie van De Bellemaker of Balmaker.

Palenberg. Plaatsnaam Palenberg (Noordrijn-Westfalen).

Palenge, Palange, Paleinge: Plaatsnaam Palenge in Septon (Luxemburg).

Palermo. Naam uit de gelijknamige stad in Italië.

Paladini, Paladino, Paladinos, Palladini, Palladino. Ialiaans paladino; ridder.

Palet, Palette, Paley, Pallet, Pallete. Middelnederlands palet(te): plank, bord, hakbord, kaatsplankje; Middenfrans palete: schopje. Bijnaam/beroepsnaam.

Paley. 1. Zie Palet. 2. Plaatsnaam (Seine-et-Marne).

Palffy, Palfi, Palffi. Oudfrans palfis: paal, omheining, palissade. Plaatsnaam Palfit in Ronse (Oost-Vlaanderen).

Palfijn, Poffijn, Poffyn: Middenfrans Pelfin, van Oudfrans pelfre, Engels pelf: geld.

Palfroy. Oudfrans palefroy van Latijn paraveredus, van paard, met name staatsiepaard. Beroepsnaam van de palfrenier, stalknecht, paardenknecht.

Palierne. Wellicht Picardische vorm voor plaatsnaam Palermo.

Paligot, Palicot. Middenfrans paligot; paal. Bijnaam.

Palin, Pallin. Middenfrans pallin; paal.

Paling, Palings, Paelinck, Palinckx, Palincks, Paelinckx, Paelings, Pallinckx, Palink, Palinga: Bijnaam naar het karakter, voor een handig man, een gladde aal. Of beroepsbijnaam voor een palingvisser of -verkoper.

Pallandt, van: Plaatsnaam. 1555 Floris van Pallant, graaf van Culemborg (Gelderland), van het huis Palant in Weisweiler (Noordrijn-Westfalen). Vergelijk Plaatsnaam Palandsmühle (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Palisse, Pallice, Palys, Palissons, Palisot, Paliso: Plaatsnaam Palisse: omheining met plen. Oudfrans palis, van palison, palisot. Palis (Aube) en in Blaugies (Henegouwen). (La) Palisse, Palice (Allier, Ardèche, Corrèze, Char.-Mar.).

Palizeul, Palisoul, Palisoux: Plaatsnaam Paliseul (Luxemburg).

Pallanchier, Pallenchier. Afleiding van dialect Frans palance; (schouder)juk. Beroepsnaam.

Palm, Palms, Palem, Pallen, Palen. Bijnaam naar de palm van de pelgrim naar Jeruzalem.

Palm, van. Plaatsnaam Palme, Palm in Longuenesse, Notkerque, St.-Omaars (Pas-de-Calais), Zerkel (Frans-Vlaanderen).

Palmaert, Palmaerts, (de) Palmaert, Palmaers, Palmarts, Palma, Palmas, Pamart, Pallemaerts, Palmer, Palmen, Palm, Paumen, Palmers, Pemmers, Pamers, Pemers. Bijnaam voor een pelgrim, naar de palm die kruisvaarders en pelgrims meebrachten. Palmer is ook die woonde bij een zout meer, zee, slikken bij de zee.

Palmans, Pallemans. 1. Familienaam uit Palm: zie Palmaerts. 2. Zie ook Paelman.

Palmberg. Plaatsnaam, Beieren, Noordrijn-Westfalen.

Palme, Palmen, Paumen, Paemen, Paeme, Pamen, Paymen, Pamen, Peumen: Middelnederlands palme, Oudfrans paume: palm(tak), pelgrimstocht. Bijnaam zoals Palmaerts.

Palmenaer, de, de Palmeneire, de, Palmeire: Bijnaam voor een pelgrim. Kruisvaarders en pelgrims brachten palm mee uit het Heilig Land. In Oudenburg (West-Vlaanderen) heette een pelgrimsgild de palmenare ghilde.

Palmira: Italiaans familienaam Palmira, Palmièra, Palmèria, afgeleid van palma ‘palm’. De naam werd vaak gegeven aan kinderen geboren op de domenica delle palme ‘palmzondag’.

Palmero, Palmeri. Italiaanse voornaam Palmiro, van palma: palm; domenica délie Palme: Palmzondag.

Palmkoek, Palmcoeck, Palmhoeck: Misschien verhaspeling van Pannekoek, met l-invoeging. Of plaatsnaam Palmhoek? Vergelijk plaatsnaam 1424 te Pahoucke, Hulst.

Palmhout. Waarschijnlijk Brabantse hypercorrecte reïnterpretatie van Palmae(r)t.

Palmus. Latiniserende spelling van Palms.

Pals, Palsen: Vadersnaam. Brabantse dialect uitspraak van Pauls(en). 17de eeuw Pauels = Paulus = Pals;

Palsenbarg: Plaatsnaam Balzenbach (Baden-Württemberg) of Balsbach Baden-Württemberg, Hessen)?

Palsterman, Palstermans, Paelsterman, Paelstermans: Palster: (wandel)stok, pelgrimsstaf. Bijnaam van de pelgrim; vergelijk Palmaerts.

Palu, Palut, Fallut. Plaatsnaam Palud of Palu, van Latijn palus: moeras

Palys. 1. Zie Palisse. 2. Variant van Polys=Paulis.

Pama: Fries-Groningse familienaam. Naam van een boerderij in Oldehove (Groningen). Haring Jans Pama vestigde zich in de 18de eeuw vanuit Friesland in Rotterdam.

Pamel, (van), van Paemel, Paemele, (van) Pamelen, Pamelaere (de), (de) Paemelaere, de Pammelaere, de Paemeleere, Paemaer, Paemeleire, Pamelaire, Pameleere, Pameleire, Pamelard, Pommelaere: Plaatsnaam Pamele (Oost-Vlaanderen) of Pamel (Vlaams-Brabant).

Pampel. Duitse bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte en levendige gebaren.

Pan, Pann, Panne, Pans: Middelnederlands Panne ‘pan, zoutpan’. Beroepsbijnaam van de pannensmid (Duitse familienaam Pfannenschmied) of van de zoutzieder.

Panaye, Panait, Pannaye, Pannaije: Oudfrans panaie: pastinaak. Vergelijk Pasternak.

Pandelaere (de), Pandelaers. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse panden: beslag leggen op, verpanden. Beroepsnaam van de de pander de beambte of gerechtsbode die een panding verricht, gerechtelijk beslaglegger.

Pander. 1. Beroepsnaam van de pander, deurwaarder. Vergelijk (de) Pandelaere, Duits Pfànder, Pfander.- 2. Eentueel Middelnederlands paender: mand, korf. Beroepsnaam van de mandenvlechter. 3. Eventueel van pan: brouwpan. Beroepsnaam van de brouwer. Zie Penders.

Pandervort. Middelnederlands Paendervoet. Bijnaam voor iemand met voeten zo groot als korven. Middelnederlands paender: mand.

Pandolf, Pandolfe, Pandolphe, Pandolfi, Pandolfino: Vadersnaam. Germaanse voornaam band-wulf'band-wolf: Pandulfus.

Pandor. 1. Plaatsnaam Pandor (Tilff, Balen) (Luxemburg). 2. Veeleer voortonig versterkte vorm van Podor.

Paneel, Paneels, Penneels, Penneel, Paniels, Panel, Pennels. 1. Beroepsbijnaam van schrijnwerker of schilder. 2. Of uit het Oudfranse panel, peni(e)l: stof, lor, flard. Bijnaam voor iemand met versleten kleren.

Panhuizen, Panhuis, Panhuise, Panhuys, Panhuysen, Panhuyzen, Panhuijzen, Panhausen, Paenhuys, Paenhuysen, Panhuijsen, Panhuyzen, Panhuis, Poenhuys, Panisse, Panis, Pannis, Pannus, Panus, van den Panhuyzen, Panhuysen, van 't Panhuis, in het Panhuis, in 't Panhuis, int Panis, Impanis, Inpanis. Familienaam uit het Middelnederlandse met name Limburgs panhuus panhuus: brouwerij, brouwhuis. Ook de plaatsnaam Pannenhuis komt voor: 1297 Henrici dicti Panhus, Tienen; ±1300 Arnouts hof vanden Panhus, Belgisch-Limburg.

Panfil, Panfilo. Vadersnaam. Heiligennaam Pamphilus, van Grieks Panfîlos 'aller vriend'.

Pangrazio, Pangratz. Vadersnaam. Heiligennaam Pancratius, van Grieks pankratès 'albeheersend, almachtig'.

Panhorst. Reïnterpretatie (oonder invloed van plaatsnaam Horst: bosje) van Westfaals Pannharst, Panhas, een volksgerecht van boekweitmeel, worst enz.

Panier, Paniez, Pani, Panie, Pannier, Panniez, Pagnier, Pani, Panny, Pany, Penniez, Pennie, Penny. Uit het Oudfranse panier, Pan(n)ier: broodkorf, Waals pany, (brood)mand. Beroepsnaam van bakker of mandenvlechter. Of misschien als huisnaam Au Panier.

Panis, Paans, Pans, Baans, Paantjens, Paenen, Panis: Panis, van Panhuis ‘brouwerij’. Vergelijk de familienaam Impanis, van Int Panis, van In ’t Panhuis.

Pank, Panken, Panke, Pancken. Vadersnaam van Stefanus. Of Pank, een korte vorm van Pancratius.

Pankert. Oudhoogduitse verscherpte vorm van Duits Bankert; adellijke buitenechtelijke afstammeling.

Pankow: Plaatsnaam Pankow in Berlijn en in het voormalige Brandenburg, nu Polen.

Pannaert, Pennaert, Pennaerts, Pennart, Pennartz, Penna, Penneartz: Afleiding van pan: zoutpan of brouwpan. Beroepsnaam van de zoutzieder of brouwer. Vergelijk Penders.

Panne, Panet, Paneth. 1. Paonet, afleiding van paon: pauw. Bijnaam. 2. Zie Penet.

Panné, Panne. Plaatsnaam. Waals Panêye: ontgonnen stuk van algemene bossen.

Panne, van de(der): Plaatsnaam (de) Pan(ne) ‘duinpan’, bijvoorbeeld De Panne (West-Vlaanderen). Of zout-of brouwpan, naar het beroep.

Pannekoek, Pannekoeke, Pannekoeck, Pannekoecke, Pannekoucke, Pannekocke, Pannekock, Pannecoeck, Pannecock, Pannecocke, Pannecouke, Pannecouck, Pannecoucke, Pannecoucque, Pannecouque, Panneckoecke, Panneckoeke, Panneckocke, Panneckock, Panckoucke, Pancock: Beroepsbijnaam of bijnaam voor de bakker of eter van pannenkoeken. Ook Duits Pfannkuchen.

Pannemaeker, de, de Pannemaecker, Pannemacker: Beroepsnaam van de pannenmaker.

Panneman, Pannemans, Penneman, Pennemans, Panman: Beroepsnaam van de pannenmaker. Of van de krammer, pannenbinder, die aarden pannen bindt, repareert.

Pannequin, Pennequin, Pennequeine, Panquin: Middelnederlands pannekin, dim. van panne: pan. Beroepsnaam voor de pannenmaker.

Pannetier, Pannatier, Pennetier: Beroepsnaam. Oudfrans panetier: bakker, ambtenaar belast met het toezicht over de paneterie (gebak).

Panny, Penny: Oudfrans panier, pen(n)ier, Waalse Pany ‘broodkorf, (brood)mand’. Beroepsbijnaam van bakker of mandenvlechter.

Panot, Panos. Wellicht gedemouilleerd van Pagnoz.

Pantain, Pantin. 1. Vadersnaam van Griekse heiligennaam Pantaleon. 2. Vadersnaam. Vleivorm van Band-naam, met verscherping b/p; vergelijk Pandolf.

Pantaleo, Pantaleon, Panteleon, Pantaleos, Pantalos. Vadersnaam. Griekse heiligennaam Pantaleon.

Pantebre. Afkomstig uit Spanje (Andorra). Catalaanse familienaam, met name in Andorra

Panteghem, van. Plaatsnaam in Gotenberg, Oost-Vlaanderen.

Panthöfer. Oudhoogduitse variant (b/p) van Duitse familienaam Bannhofer, van plaatsnaam Bannhof: hof binnen de ban of het rechtsgebied.

Pantofel. Joodse familienaam.

Pantus: Middelnederlands literatuurnaam, die voorkomt in de Roman van Troyen. Pantus probeerde het Apollobeeld uit het brandende Troje weg te dragen.

Panuls. Waarschijnlijk verhaspeling van Panus.

Panzer, Panzner. Beroepsnaam van de harnassmid.

Polo, Paoli, Paolini. Italiaanse vadersnaam van heiligennaam Paulus.

Pap, Papp. Paps. Bijnaam voor een papeter. Vergelijk Pappaert.

Papadopoulos, Papadopoulou. Griekse familienaam; zoon van de priester.

Papageorgiou. Griekse familienaam; Priester Georgius (Joris).

Papanicolaou, Papanikolaou. Griekse familienaam; Priester Nicolaus.

Papantonio, Papatoniou. Griekse familienaam. Priester Antonius.

Papathanasiou. Griekse familienaam; Priester Athanasios.

Pape, (de); (de) Paepe, Paap, Paape, Spape, Spapé: Middelnederlands pape ‘priester’. De vermelding haren ‘den heer’ wijst erop dat beide papen werkelijk priesters waren.

Papegaai, Papegaay, Papegaey, Papegay, Papegai, Papegaix, Papeguay, Paepegaey, Papgaaij: Bijnaam voor de boogschutter, die naar de papegaai, de hoofdvogel schiet. Of bijnaam voor iemand die anderen napraat, zoals een papegaai. Of beroepsbijnaam voor de papegaaienmeester.

Papegem, van, Papeghem, van, van Paepegem, van Paepeghem: Plaatsnaam Papegem in Vlierzele (Oost-Vlaanderen). Ook Nederlandse naam van Papignies (Henegouwen).

Papeians, Pape Jan; priester Jan.

Papeleu, Papeleux, Papleux, Papleut, Papleult, Papuleu, Papeloux, Papeloer, Popeleu, Popleu, Poplu. 1. Zinwoord. Afgeleid van het Oudfranse paper (= verslinden) en leu/lou(p)(= wolf). Beroepsnaam of bijnaam voor de wolvenjager. 2. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Papleux in het gebied van de Aisne of bij Bergen.

Papelier, Papeliers, Papillier. 1. Oudfrans papelier: vervaardiger van papier. 2. Met voortonige a, van Popelier. Zie Populaire, Van de Papeliere.

Papendorf. Duitse plaatsnaam Papendorf.

Papendrecht. Plaatsnaam, Zuid-Holland.

Papenhoven, van. Plaatsnaam in Born, Nederlands-Limburg.

Papenkeels. Wellicht plaatsnaam Papenkuhle, Noordrijn-Westfalen.

Papeveld: Plaatsnaam Papenveld ‘veld dat aan de parochiepriester toebehoort’.

Papier, Papiers, Papie, Papiez, Papy, Papij, Pappi, Papi: Beroepsnaam van de klerk, griffier, naar het papier of register waarin hij zijn officiële rapporten schrijft.

Papignies, Papegnie, Papegnies, Pepegnies: Plaatsnaam Papignies (Henegouwen).

Papin, Pappyn, Papyn, Pappijn, Papijn, Paepen, Paepens, Pappens, Papen, Papens, Papes. Vadersnaam, vleivorm van de oude voornaam Papo, die nog schuilt in plaatsnaam Papegem, Papendrecht, Papenrode, Papignies, Papinglo.

Papon. Vooral Occidentaals voor; grootvader, voorvader.

Papp, Pap, Paps: Bijnaam voor een fervent papeter.

Pappaert, Pappart, Papparts, Pappert, Pappers, Papaert, Papart, Papa. 1. Bijnaam voor een papeter, iemand die magere kost eet. 2. Daarvan afleiding betekenis: klein kind, pop. Vergelijk Poupart.

Pappenheim. Plaatsnaam (Beieren). De uitdrukking 'hij kent zijn pappenheimers' uit Schillers 'Wallensteins Tod' verwijst naar generaal zu Pappenheim, veldheer in de Dertigjarige Oorlog (1618-48).

Pappers: Papper of Pappaert ‘papeter, die magere kost eet’.

Paqueriau, Pacreau, Paqueray: Afleiding (met dubbel suffîx) van Paque.

Paquet, Paquez, Pacquits, Pacquet, Packet, Paeket, Pacquée, Pacqué, Paqué, Pacque, Pacquee, Pacquer, Paquer, Pasquet, Poisquet, Poisket, Paché. Vadersnaam uit de voornaam Paque, Pa(s)quier, dit uit het Latijnse Pascalis, Pascarius.

Paquette. Moedersnaam. Vrouwelijke afleiding van Paque.

Paqui, Pasqui, Paquis, Paquit: 1. Dialect Frans pâquis: weide. Zie ook Pachy. 2. Waalse variant van Paquier.

Paquin, Pauscin. Vadersnaam Pasquin, afleiding van Pasquier of Paquier.

Paquo, Paquot, Paco, Pacot, Pacco, Packo, Paco, Paucot, Pauquot: Vadersnaam. Afleiding van Paquier. Vergelijk Paquet.

Par, de: Depar, Depart zijn verschrijvingen voor Frans Deparc, Duparc. Plaatsnaam Frans Parc ‘perk, omheinde plaats’.

Parade, de, Parate: Plaatsnaam La Parade (Lozère, Lot-et-Garonne), Parata (Hte-Corse).

Paradis, Paradijs, Paradys, Paredis, Deparadis 1. Bijnaam naar een gelijknamige huisnaam. 2. Het Limburgse Paredis is een verschrijving van Parisis. Zie daar.

Paran, Parant. 1. Oudfrans parant, Middelnederlands parant: met mooi, knap uiterlijk, die er goed uitziet, die zichzelf opdirkt. Bijnaam voor een fat. 2. Zie Parent.

Paranthoen. Bretonse familienaam Paranthoën. Anthoén, van de voornaam Antoine.

Parât, Paras. Occidentaals parât, van Latijn paratus: gereed, klaar.

Parchet. Plaatsnaam. Oudfrans parchet; klein perk.

Parcy, Parsy. Dialect (Lotharingen): peterselie. Bijnaam. Vergelijk Petersil.

Pardieu, Pardi, Depardieu, Perdieu, Perdieus, Padieu, Paddeu, Padé. Familienaam uit de plaatsnaam Par(t)dieu: Godsdeel.

Pardo. Spaanse bijnaam voor iemand met donker haar.

Pardon, Pardons, Pardoen, Pardoens, Pardoms, Paradoms, Perdon, Parduyns, Partoune, Parthoens, Partoens, Parthouns, Partouns, van Paridon, Perdon, Perdoen, Perduijn: 1. Oudfrans pardon, Middelnederlands pardoen ‘angelusklok, geklep tijdens het angelus, waaraan een aflaat (pardon ‘vergeving’) verbonden is. Beroepsbijnaam voor de luider van de pardoenklok. 2. Pardoen komt in de 18de eeuw ook voor als herinterpretatie van Pardou(x), de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Bardulf. Zie ook Preudhomme.

Pardonche, Pardonce, Pardone. Aanpassing, dus herromanisering van Pardoens, Pardons.

Paré, Pare, Parré, Parre: 1. Bijnaam. Frans paré: opgeschikt, getooid, gereed. 2. Zie Paret.

Paredes. Spaanse plaatsnaam: gebouw dat tegen ander huis aanleunt, van Latijn paries, parietis: huismuur.

Parel, van de; van de Perel, van de Peerle: Beroepsnaam van de parelhandelaar? Vergelijk familienaam Perelman, Perels, Peerlinck.

Parent, Paran, Parant, Pareng, Parengh, Parente, Parrent, Parren: 1. Oudfrans parent ‘vader, ouder, verwante’. 2. Zie Parant. 3. Zie Parrain.

Parenté, Parentet. Afleiding van Parent; vergelijk Parenteau. Of Parente met secundair accent.

Parenteau. Afleiding van Parent.

Paret, Paree, Pareit, Pareyt, Parez, Paré, Pare: 1. Vadersnaam. Verkleinvorm van de voornaam Pierre; variant van Perret = Pierret. Vergelijk Engels Parrett = Perret(t), Engels parrot ‘papegaai’, van Perot. 2. Bijnaam. Frans paré ‘opgeschikt, getooid, gereed’. Bijnaam? Vergelijk Ongereet.

Paretere, de. Verhaspeling van De Praetere.

Pareys, Pareijs, Paruys. Waarschijnlijk spelling van Parys.

Parfait. Bijnaam. Frans parfait: volmaakt.

Parfndru, Parfondu, Parfondry, Parfondy. Plaatsnaam Parfondry in Clermont (Luik), Parfondruy in Stavelot (Luik), Parfondru (Aisne). Profonde ruie: diepe beek.

Parfondevaux. Plaatsnaam Parfondvaux: diep dal, in Saive, Aywaille, Ayeneux (Luik).

Paridaen, Paridaens, Paridaans, Parydaen, Paredaens, Paredaems, Pardaan, Pardaen, Pardaens, Perdaan, Perdaen, Perdaens, Paradeng, Peridaens, Perdaen, Perdaens, Perdaems: Vadersnaam. De literatuurnaam Paridaan uit de Roman der Lorreinen. Afleiding op –an van de voornaam Paris, (Paridis), Italiaans Paride, zoon van Priamus en Hecabe.

Parigot, Pergoot. Vadersnaam Perrigot, vleivorm van de voornaam Pierre.

Paris (van), Pary, Parys (van), Parij, Parijs (van), Parijs, Vamparys, Parie, Paries, Parisse. 1. Vadersnaam van Paris, de Franse vorm van de Latijnse heiligennaam Patricius. 2. Afgeleid (afkomstig) van Paris (Parijs).

Parisis, Parissi, Parissis, Parésys, Paresys, Parezys, Parisi, Parsis, Parasie, Parasiers, Parasies, Parasis. 1. Herkomstbenaming: afkomstig uit Parijs. Ook de muntnaam Parisis is uit Parijs afgeleid. 2. Sommigen zijn zeker afkomstig uit de Latijnse heiligennaam Parisius.

Parise, Parisse. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Patricia. Vergelijk Paris.

Parisel, Parizel, Parset, Parisot, Parizot, Parisaux, Parisseaux: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Paris, van Patricius.

Pariser. Duitse naam voor een inwoner van Parijs.

Parisien. Franse naam van de Parijzenaar. Zeldzame familienaam. Vermoedelijk een reïnterpretatie van Parisis; vergelijk Parisien, Parasijns.

Parisis, Parissi, Parissis, Parésys, Paresys, Parezys, Parisi, Parsis, Parasiers, Parasie, Parasies, Parasis: 1. Muntnaam Parisis: Parijse munt. Vergelijk Tournois. 2. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Parisius. Zie ook Farazijn, Formesyn.

Parlevliet. Plaatsnaam, waar de vliet samenkomt, Frans parler; praten, waar de vliet murmelt, kraakt, golfslag is.

Parker. Engelse familienaam: woonhuis in het park, perk.

Parkinson, Parkins, Parkin, Perkins: Engelse vadersnaam Parkin, Perkin, afleiding van de voornaam Per = Pierre, Pieter.

Parlier, Leparlier, Lepaslier, Leperlier, Porlier: Oudfrans parlier: parleur. Bijnaam voor een prater.

Parloir, Parloo, Parloor, Duparloir: Oudfrans parloir: wat op een vergadering gezegd wordt, pleidooi. Bijnaam voor een pleiter of prater. Vergelijk Parlier.

Parlongue, Parlon, Parlongne. Frans barlong: onregelmatig langwerpig.

Parma. Plaatsnaam in Italie.

Parmentier, (de) Paermentier, de, Parmentier, Parmentiers, Parmenter, Permantier, Permentiers, Parmantier: Middelnederlandse beroepsnaam parmentier, van Oudfrans parementier ‘bewerker van fijne en kostbare stoffen (parements), kleermaker (van mooie kleren)’.

Parmesan, Parmesani, Permesaen, Parmeggiani: Parmesaan, afkomstig uit Parma (Italie).

Parms. Stamvader is Aloysius Parms, op 9 november 1854 in Antwerpen te vondeling gelegd.

Paroche. Oude vorm van Frans paroisse: parochie.

Parochiaen, Paroissien. Middelnederlands parochiaan, prochiaen, Frans paroissien: parochiaan, parochiepriester.

Parquet, Parqué: 1. Plaatsnaam Parquet: klein perk. Zie Parchet. 2. Zie Pierquet.

Parqueur, Parcqueur: Volksetymologische herinterpretatie (als Frans par coeur) van de familienaam Pecqueur, van Oudpicardisch peskeur, Picardisch péqueur, -eux ‘visser’. Beroepsnaam.

Parrain, Parin, Parrin, Parein, Parrein, Parrein, Pareyns, Pareijn, Parreyn, Paring: 1. De Franse verwantschapsnaam parrain, Oudfrans parin, van Latijn patrinus: peter, peet. 2. De naam Parrain (Pareyn, Parrin) werd in West-Vlaanderen verward met Parent. 3. Zie ook Parrin.

Parren: Oudfrans parin ‘gelijke’. Maar ook Oudfrans parin, van Latijnse patrinus ‘peter, peet(oom)’.

Parrin, Parin, Paring, Parren: 1. Oudfrans parin: gelijke. 2. Zie Parrain.

Parijs: 1. Vadersnaam. Franse voornaam Paris, van Latijnse heiligennaam Patricius. 2. Plaatsnaam Paris, Nederlands Parijs.

Parijs, van: Plaatsnaam Parijs, hoofdstad van Frankrijk.

Parset. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans pers: paars.

Parthon, Parton. Vadersnaam van Barton = Berton.

Partage, Partagé: 1. Oudfrans partage: deling, scheiding. Bijnaam. 2. Plaatsnaam Partage in Auverlais, Onoz (Namen).

Party. Oudfrans parti: gescheiden?

Parwys. Plaatsnaam (Zoerle-)Parwijs (Antwerpen), of Perwijs in Duffel (Antwerpen) of Perwez-le-Marché (Waals-Brabant).

Paspont, Passepont. Beroepsnaam van de veerman, man van de veerpont. Vergelijk Pasleau.

Pas, van de, der, van Passen, van Paesschen, van Paeschen, van Paassen: Plaatsnaam Pas(ch), van Latijn pascua: weide; perceel land met rijen populieren of wilgen bezet, waar onder rijshout. De Pas in Apeldoorn (Gelderland), in Noorderwijk. Zie ook Van Passel.

Pasard, Pasart, Passard. Vadersnaam. Wellicht van Pasquard, voornaam blijkens: 1402 Pirar le Stordeur fis Passar, Oreye.

Pasbecq, Passebecq. 1. Plaatsnaam Pasbeek in Moorsel (Oost-Vlaanderen). 2. Passebecq: die de beek oversteekt, veerman.

Pascal, Pascale, Paschal, Paschael, Pascual, Pasquali, de Pascale, (de) Pasquale, Pasqual: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Pasc(h)alis. Zie ook Pascaud.

Pascaud, Pacaud, Pacaut, Paquai, Paquay, Pauquai, Pauquay, Paguay. 1.Vadersnaam/moedersnaam uit Pasquel, dit uit Pasque, Paque. Zie dus ook verder bij Pasque(s) hieronder. 2. Of uit de plaatsnaam Pascau (dit uit pascuum): weide. Zo onder andere Le Pacault (in Bethune, Pas-de-Calais).

Pascharis, Paschari, Pasharis, Paskhalis, Pashalis, Pasqualis, Passalis: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Pascalis.

Paschke, Paske. Vadersnaam. Oost-Duitse en Slavische afleiding van heiligennaam Paschasius, Paschalis of Paulus.

Pascolo, Pascoli, Pascolini, Pascoletti, Pascotti, Pascottini: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Pasqua.

Pasgang. Vondelingnaam. Georgius Pasgang werd op 22 april 1828 in Antwerpen gevonden.

Pasgrève. Middenenderlands paltsgrave, paltsgrève. Duits Pfalzgraf.

Pasleau, Paslot. Beroepsnaam Passe l'eau: die overzet over het water, veerman. Oudfrans passelewe. Vergelijk Passalacqua, Passepont.

Pasman, Pas, van de, der, Pasch, van de, der, Pesch, Posch, Pascha, Paas, Hulspas, Berenpas, Meulepas: Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Pasc(h)alis.

Pasque, Pasques, Paque, Paques, Pâques, Pacque, Pauque, Pasca, Pasha. 1. Moedersnaam uit de Latijnse heiligennaam Pasca. 2. Naam naar de feestdag Pasen: Pâques. 3. Vadersnaam, verkorte vorm van de Latijnse heiligennaam Pascalis of Paschasius.

Pasqualin, Pausclin. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pascal(is).

Pasqualini, Pasqualino, Pasqualone, Pasqualoni, Pasqualotto, Pasquarelli: Vadersnaam. Afleiding van Pasquale.

Pasquard, Pascard, Pacard, Paucar, Pauca, Pauchard, Pauchat: Vadersnaam. Afleiding van Latijnse heiligennaam Pascalis.

Pasquasy. Latijnse heiligennaam Paschasius.

Pasque, Pasques, Paques, Paque, Pâques, Pacque, Pauque: 1. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Pasca. Zie ook Pasqua. 2. De kerkelijke feestdag Pasen, Frans Pâques. Vergelijk Paessens, Pinxten. 3. Vadersnaam. Korte vorm van Latijnse heiligennaam Pascalis of Paschasius.

Pasquier, Paquier, Paquié, Paquie, Passchier, Passchierssens, Paesschiersens, Parscherssens: Vadersnaam. Romaanse vorm van Pascharis, door r//-wisseling, van heiligennaam Paschalis, Latijnse afleiding van Aramees pascha 'Pasen'.

Passage, Passager, Passagez, Passarger: Plaatsnaam. Frans passage: doorgang, doortocht. Oudfrans passager: inner van de wegen- of watertol.

Passalacqua, Passelecq. Beroepsnaam van de veerman, die over het water overzet. Respectievelijk Italiaanse en Oudfranse vorm: Oudfrans aiguë, van Latijn aqua: water.

Passau. 1. Zie Pahau(l)t. 2. Plaatsnaam Passau (Beieren).

Passchendale, van. Plaatsnaam Passendale (West-Vlaanderen).

Passchen, van; van Paaschen, van Paassen, van Paasse, van de(der) Pas: Plaatsnaam Pas(ch) van Latijnse pascua ‘weide’. De Pas in Apeldoorn (Gelderland), in Noorderwijk (Provincie Antwerpen).

Passchier: Vadersnaam. Pasquier, Romaanse vorm van Pascharis, van de heiligennaam Paschalis, Latijnse afleiding van Aramees pascha ‘Pasen’.

Passchyn, Passchijn. Vadersnaam, knuffelvorm van de heiligennaam Pascalis (uit Pasen).

Passel, van: Plaatsnaam Paskerle bij Tongerlo (Provincie Antwerpen). Later wordt de naam verward met Van Passen/Van Paeschen.

Passenbronder. Waarschijnlijk aanpassing van een Duitse familienaam op -brunner. Afleiding van bijvoorbeeld plaatsnaam Passbrunn (Beieren).

Passenhove, van. Heel aarschijnlijk van Van Massenhove, met wisseling van de bilabialen f /m.

Passenier: 1. Middelnederlands persemier ‘woekeraar’. Bijnaam. 2. Of een vervorming van Poissonnier.

Passet, Passez. 1. Oudfrans passet: bankje, kruk, trede. 2. Variant van Posset, van Pochet.

Passionis: Latinisering (afleiding van passio) van de Frans familienaam Passion ‘smart, leed’.

Passy. Plaatsnaam Passy (Seine-et-Marne, Aisne, Marne), Pacy (Eure, Yonne).

Pasterkamp: Plaatsnaam ‘veld van de pastoor’?

Pasteel, Pasteels, Pastiels, Pastels, Patel, Pasteau, Patteaux, Patteau: Oudfrans pastel, Middenfrans pasteau, pâteau: koek, gebak. Beroepsnaam.

Pasteger. Beroepsnaam. Luiks-Waals pastèdjî: banketbakker, Frans pâtissier.

Pasteleur, Pasteleurs, Pastelleur, Passeleur, Pesleux, Pesleu, Pesleut, Pessleux, Pessleu. Familienaam uit het Waalse pèstèleû: trappelen, stampvoeten. Daaruit Waals pèssdeû : treuzelaar. Bijnaam.

Pasternak, Pasternac, Pasterniak, Fastenaekens, Fastebaekel, Fastenaekels, Fatsenakel, Fastenakels, Fastenaekls, Fastenackels, Vastenaecken, Vastenaeken, Vastenaekels, Vastenaekel, Vastenackel, Vastenhaeck, Vanstenhaek. Bijnaam naar de oude groente pastinaak of beroepsnaam van de kweker/handelaar.

Pastor, Pastoor, Pastoors, Pasteur, Pastuer, Passtoors, Pasztor: Latijnse, Oudfrans Pastor ‘herder’; Middelnederlands pastoor, pasteur ‘geestelijk herder, pastoor’. Beroepsnaam.

Pastijn, Pastijns, Pastyn, Pastyns, Pasteyn, Pasteyns, Pasteijns, Pasten: Variant van Bastijn, van Bastiaan, met verscherping b/p?

Pastoret, Paturet. Oudfrans pastouret, afleiding van pastor: herder. Vergelijk Patouraux.

Pasveer: Plaatsnaam Pasveer, in 1743 naam van een veer in Huizum (Leeuwarderadeel).

Pasty, Pasti, Patty, Paty, Patti: Oudfrans pastis, Frans pâtis: weide, weiland.

Pataer, Patar, Patard, Pata, Patars, Patart, Patat, Patarre, Pattar, Patta, Pattas: Afleiding van Oudfrans patte: poot. BijnaamN voor iemand met zware benen, lomperd. Vergelijk Fessard.

Paté, Patté, Patheet, Pateet, Patteet, Pasté, Patete, Patey. Afgeleid van het Oudfranse pastet, wat zoveel betekent als pastei/gebak. Dus een beroepsnaam van pastei-, of banketbakker.

Pateer. Aanpassing van Bauthier.

Paten. Uit Duits Pâte: peter?

Patent: Duitse familienaam, verkort van plaatsnaam Rheinpatent (Ravensburg).

Pater, de Paters. Bijnaam voor een pater, geestelijke.

Pateer: Aanpassing van de Frans familienaam Bauthier, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam bald-hari, Nederlands Bouter(s).

Paterno, Paterna, Paternolli. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Paternus.

Paternoster, Paternostre, Paternottre, Paternotre, Paternôtre, Paternotte, Paternot. Beroepsnaam van de rozenkransmaker. Ook afgeleid uit de gelijknamige huisnaam.

Patesson, Paterson, Patterson, Pattison: 1. Engelse vadersnaam Pattisson, Patteson: zoon van Patrick. 2. Bijnaam Paterszoon? Of Pâtisson, van Pastisson: gebakje?

Patfoort. Plaatsnaam Patvoorde in Dentergem (West-Vlaanderen).

Patigny, Pantigny, Pattiny, Patiny, Patini: Plaatsnaam Patignies (Namen).

Patinier, Patini, Patiny, Pattenier, Pantenier: Beroepsnaam. Frans patinier, Waals patini: patijnmaker, klompenmaker. Vergelijk Patyn.

Patiny, Patini, Pattiny: Deze familienaam kan theoretisch een Waalse vorm zijn van Patinier (zie voor). Maar Patiny is een vooral Naamse familienaam, net zoals Patigny, bovendien een plaatsnaam in Namen. Daarom is Patiny veeleer een variant van Patigny.

Patmos, Padmos, Padmoes: Plaatsnaam Patmos in Enschede, Overijssel. Vaak huis-of wijknaam, vernoemd naar het Griekse eiland Patmos, bijvoorbeeld de wijk ’t Patmos in Oostkerke (Wolphaartsdijk, Zeeland).

Patois. Oudfrans patois: streektaal. Bijnaam voor iemand die boerentaal spreekt. Maar de Zwitserse familie Patois stamt van 1525 Bastiaing Patolz, Doubs. Afleiding van de voornaam Peter?

Patot, Patho, Patto: Wellicht van Pastot, afleiding van Oudfrans paste; zie Pâté.

Patou, Patout, Patoux, Pattou, Pattoux, de Patoul, Battou: 1. Vadersnaam. Romaanse verscherpte vorm van Germaanse voornaam Badulf; zie Badoul. 2. Bijnaam. Normandisch patou: lomperd.

Patouraux, Patureau, Patureaux, Paturieaux, Paturiaux, Pasturel: Oudfrans pastorel, afleiding van pastor: jonge herder.

Patriarche, Patrias, Patrijas, Patryas: Oudfrans patriarche: patriarch, grijsaard. Of bijnaam naar enig verband ermee.

Patrick. Vadersnaam. Heiligennaam Patricius.

Patricot. Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Patricius.

Patron, Patroons. Frans patron, Middelnederlands patroon: beschermer, pleitbezorger, scheepskapitein. Beroepsnaam.

Patrouillie, Patrouille, Frans patrouille, Middelnederlands patroelge: troep soldaten. Beroepsnaam voor een patrouillerend soldaat, een (nacht)wacht.

Patry, Patrij, Patrie, Patrice, Patris: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Patricius.

Patte. Frans patte: poot. Bijnaam, wellicht in de zin van Patou(t) 2.

Patteua, Patteaux. Normaal van Pasteau; zie Pasteel(s). Maar wellicht van Bateau; zie Patteeuw(s).

Patteeuw, Patteeuws, Patteuw, Pattieeuw, Pattheeuw, Pattheeuw; Beantwoordt normaal aan Pâteau, Pasteau (zie Pasteels), maar is in werkelijkheid een aanpassing van Batteau.

Pattenier, Paltenier: Beroepsnaam Frans patinier ‘patijnmaker, klompenmaker’.

Patteeuw, Patteuws, Patteuw, Pattieeuw, Pattheew, Pattheeuw. Afkomstig van batteau. Beroepsnaam voor een schipper.

Pattist: Met verscherping van b/p = Battist, Baptist. De heiligennaam Johannes Baptista ‘Johannes de Doper’.

Patton, Patten, Paton. Engelse vadersnaam. Afleiding van de voornaam Patrick.

Patureua, Patureaux, Paturieaux, Paturiaux, Pâtura: 1. Variant van Patouraux. 2. Afleiding van de plaatsnaam Pasture: weide. Plaatsnaam Pasturiau in Forchies-la-Marche (Henegouwen), Patureau in Meix-devant-Vir (Luxemburg).

Patijn, Patyn, Pattyn, Pattijne, Patijne, Patin, Patein, Patin, Patinet: Beroepsbijnaam van de patijnmaker. Patijn, van Frans patin ‘schoeisel met dikke zool; (later) schaats, klomp, holblok’.

Patz, Patze. Oostduitse roepnaam voor Peter.

Pau, Paux, Peau: 1. Vadersnaam. Oudwaals Pô: Paul. 2. Pau= (de) pauw.

Paul, Pauli, Pauly, Paulij, Paulo, Paulit, Pouly, Poulit, Poli, Paulus, Paulusz, Pauluis, Polus, Polis, Poly, Polys, Paulisin, Paulis, Pauwels, Pauels, Pauwel, Pauwelz, Pouwels, Pouwelse, Pauls, Pouls, Pol, Pols, Poels, Poel, Pool, Pools, Paulsson, Paulson, Polson, Paulssen, Paulsen, Pals, Palsen, Poulsen, Paulusse, Paulussen, Paulissen, Paulides, Paules, Polis, Paulissens, Poulus, Poulussen, Poulisse, Palussen, Paulet, Paulez, Pauley, Pauletti, Pauletto, Polet, Polé, Polez, Poley, Pollet, Pollett, Pollez, Pollé, Pollée, Pollee, Polley, Polleij, Poulet, Pouley, Poullet: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Paulus.

Paulard, Pauliart, Paulart, Paulat, Paulas, Pollard, Polard, Polar, Polart, Polaert, Polaerts, Poulard, Poular, Poulart, Poulaert, Poularde, Poellaer(, Poellaert. Vadersnaam uit Paul: zie daar.

Paulet, Paulez, Pauley, Pauletti, -Paultto, Polet, Polé, Polez, Poley, Pollet, Pollett, Pollez, Pollé, Pollée, Pollee, Polley, Polleij, Poulet, Polley, Poullet: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Paul.

Paulhan. Plaatsnaam (Hérault).

Paulin, Paulini, Paulaint, Paulijn, Pauleyn, Pauwelijn, Pauwelyn, Pollin, Polin, Pollain, Polain, Pollijn, Pollyn, Polling, Polijn, Polyn. Knuffelvorm uit de voornaam Paulus/Paul. Zie ook Poulain.

Paulon, Polon. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Paul.

Paulusma. Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Paulus.

Paumelle. Afleiding van Frans paume; palm.

Paumier, Le, Paulmier. Bijnaam van de pelgrim. Vergelijk Palmaerts.

Pauporté, Pauporte. Bijnaam. Picardisch pau porté: weinig, dus te korte tijd gedragen, prematuur, te vroeg geboren, tenger, achterlijk.

Pauriche. Bijnaam. Oudpicardisch pau riche; weinig rijk.

Paus (de), Pauss, Paves, Paues; Familienaam uit het Middelnederlandse paves, pawes: paus. Bijnaam door iemand die zich van zijn waardigheid bewust is.

Pausenberger. Plaatsnaam Pausenberg in Dorfen, Beieren.

Paustenbach. Plaatsnaam in Simmerath. Noordrijn-Westfalen

Pautrelle. Waarschijnlijk variant van Poutrel: jonge merrie. Vergelijk Lepoutre.

Pauvert, Pauvers. Plaatsnaam Pau vert: weinig groen, in Cogulot (Dordogne).

Pauvret, Pauvrin. Afleiding van pauvre; arm.

Pauw (de), de Pau, Paue, (de) Paauw, de Paeuw, de Pauwe, Paauwe, de Peauw, Spaus, Spauwen, (de) Pouw: Bijnaam voor iemand die zo trots is als een pauw. Ook Duits Pfau.

Pauwaert, Pouwaert. Afleiding van heiligennaam Paulus.

Pauwen. Vleivorm van de voornaam Pauwels of van Pauwe, zie de Pauw.

Pauweter. Bijnaam voor de eter van pauwenvlees.

Pavajot. Beroepsnaam Pavageot. Afleiding van Middenfrans pavage: belasting voor het onderhoud van de straatweg.

Pavard, Pavart. Oudfrans pavard: groot schild. Bijnaam of beroepsnaam.

Pavé, Pavet, Plavé: Oudfrans paveis: geplaveide plaats, zaal, bestrate weg. Beroepsnaam van de straatmaker. Epenthetische 1 in Plavé zoals in Nederlandse plaveien, van Middelnederlands paveien.

Pavel. Noord Duits en West Slavisch voor voornaam Paul, Pauwel, Pawel.

Paverick. Vadersnaam. Waarschijnlijk (door dissimilatie l/r) van Slavisch Pawelick, vleivorm van de voornaam Pawel, Paulus.

Pavia. Oude Italiaanse naam die ondertussen over een groot deel van de westerse wereld voorkomt, verwijzend naar de gelijknamige streek of stad in Lombardije. Maar er is ook een Pavia in centraal Portugal en een Pavías in (Valencia) zuid-oost Spanje. Ook in die landen komt de familienaam al eeuwen voor. Hij stak vanuit één of meerdere van voorgenoemde landen naar diverse andere landen de oceaan over.

Pavias. 1. Naam naar het Oudfranse paveis: geplaveide plaats of weg. Beroepsbijnaam van de stratenmaker. 2. Of naar het Oudfranse pavart: groot schild. Beroepsbijnaam of bijnaam. 3. Variant van Pavia, zie daar. Het Nederlandse Pavias is mogelijk het gevolg van inwijking (zeeman ?) uit Italië, Portugal of Spanje. 

Pavier. Middenfrans pavier; schild. Vergelijk Pavard.

Pavillon, Papillo, Papillon: Oudfrans pav(e)illon, Latijn papilionem, Frans papillon: vlinder. Bijnaam voor een vlinderachtig, ongestadig karakter. Vergelijk Botervlieghe.

Pavlow, Pavoff, Pavlovic, Pavlovitch, Pavlak, Pavlick, Pavic, Pavlik, Pawlowicki, Pawlow, Pawlowski, Pawlak, Pawlenko, Pawlik, Pawlyk, Pawlick, Pawlicki: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Pawel/Pavel: Paul.

Pavon, Pavone, Pavoni, Pavonet. Italiaans Pavone; pauw. Provencaals pavounet; pauwtje. Bijnaam.

Pavot, Pavos, Paveu, Paveaux. Afleiding van Oudfrans espave: verdwaald, vreemd. Bijnaam.

Pawelzik, Pawelczyk, Pawelezyk. Vadersnaam. Slavische afleiding van Pawel, voornaam Paul.

Pawlowski, Pawlowskaja, Pawvlak: Vaders-, moedersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Pawel/Pavel ‘Paul’.

Pax. Bijnaam voor kerkzanger of priester, naar een Latijnse tekst (Pax hominibus, pax vobis).

Paxion. Variant van Passion: pijn, leed.

Payneers, Payneers, Paeyneers, Paeyeneers, Paeyenaers, Puyneers, Puyners: Waarschijnlijk afleiding van Middelnederlands paeien, payen: betalen. Beroepsnaam van de betaalmeester. Vergelijk Paymans.

Paye, de, Paie, Paij, Paije, Pay, Paeye. Van Middenenderlands paeyen, Frans paier: betalen. Beroepsnaam van de betaalmeester, ontvanger. Middenenderlands paeymeester.

Payelle, Payhille. Oudfrans paele: vochtmaat. Beroepsnaam.

Paijens, Paeyn, Paeyens, Payant, Péant, Péan, Pean, Peant: Frans en Middelnederlands payen, van Latijnse Paganus ‘landman, boer, heiden’.

Payet, Payez, Payer, Payé: Afleiding van Oudfrans paie: gift, schuldvereffening. Wellicht bijnaam van een Payeur, betaalmeester. Vergelijk Payot.

Payeur. Franse beroepsnaam; betaler, betaalmeester.

Payfa, Payfat, Payafat, Païafa: Plaatsnaam. Waals è, Payèfa in Bra (Luxemburg).

Payne, Paynes. Engelse familienaam van Oudfrans paien. Zie Payen? Ook vadersnaam van Latijnse heiligennaam Paganus.

Payot. 1. Afleiding van Oudfrans paie (vergelijk Payet) of Payeur. Bijnaam van de betaalmeester. 2. Waals payot: boer, lomperd.

Payraudeau. Vadersnaam Péraudeau, afleiding van Péraud, van Pierre.

Pazee: Spelling voor Frans Pagé, Paget, verkleinvorm van Page ‘edelknaap, hofknaap’.

Paz Rodriguez. Spaans-Portugese dubbelnaam: Paz: Spaanse vorm van het Latijn pax: vrede. Bijnaam. Rodriguez: vadersnaam, Spaanse vorm van de Germaanse voornaam Roderik.

Pearce, Pearson: Vadersnaam. Engels Pierce, Oudfrans Piers =voornaam Pierre. Pearson, van Oudfrans Pieresson, afleiding op –eçon van de voornaam Pierre.

Pebesma; Friese vadersnaam Pebe of Pibo.

Pechhacker: Beroepsnaam ‘die peksteen hakt’.

Pecqueur, Pecquer, Pequeux, Pé, Pecceu, Peccue, Peckeu, Pickeur, Picquer, Picque, Piqueur, Piqueu, Picquer, Piquer, Picceu, Piceu, Piccu, Piku, Pacqueu, Pakeu, Paku, Lepesqueur. Van het Oud-Picardisch Peskeur: visser. Een beroepsnaam dus.

Péchet, Peschet, Pesché, Pescher, Pesquet, Pecquet, Pequet, Péché, Peché, Pêcher, Pécher, Pecher. 1. Naam uit het Oudfranse peschet: klein visje. Bijnaam. 2. Of uit pêcher: perzikboom. Beroepsbijnaam.

Pearson. Vadersnaam. Deze Engelse familienaam wordt vaak opgevat als 'Son of Piers', zoon van Pieter, maar gaat eigenlijk terug op Oudfrans Pieresson; zie Pierson.

Peaucoup. Wellicht bijnaam Beaucou: mooie hals. Vergelijk Duits Schônhals.

Peborgh, van. Plaatsnaam Peborghbos, Heist-op-den-Berg (Antwerpen).

Pec, Peck, Pecq, Peckx, Pcx, Peek, Peeck, Picke, Pick, Pik: 1. Middenenderlands pec, pik: pik. Beroepsnaam voor de bereider of verkoper van pik. Vergelijk Peckmans. Voor de ee: vergelijk Middelnederlands peken= pecken. 2. Middenenderlands pec, pick: benarde omstandigheden. Bijnaam. 3. Zie Pick. 4. Nederduits peek, van Middennoordduits pêk ‘piek, lans’; vergelijk Piek, Pijcke. Peek & Cloppenburg komt uit Cloppenburg in Nedersaksen. Peekstok; stok om in kokende pek te roeren.

Péchard, Peccard, Pecar, Pekars, Pekar: Beroepsnaam van de visser. Afleiding van Oudfrans peschier: vissen. De vormen met c zijn Picardisch.

Pêche, Pèche: 1. Oudfrans pesche: perzik. Vergelijk Duits Pfirsich. 2. Oudfrans pesche, Frans pêche: visvangst. Beroepsnaam van de visser. 3. Verschrijving voor Pesch.

Péchenart, Pechenart, Pèchenart: Variant van Pecheny met -ard-suffix.

Pechère. Beroepsnaam; visser. Vergelijk Zuidfranse Peschaire.

Péchet, Peschet, Pesché, Pescher, Pesquet, Pecquet, Pequet, Péché, Péché, Pêcher, Pécher, Pécher: 1. Oudfrans peschet, Picardisch pecquet: klein visje. Bijnaam. Vergelijk De Visch. 2. Frans Pêcher: perzikboom. Vergelijk Pêche.

Pechon, Péchon, Peschon: Waals-Picardisch pèchon: vis. Bijnaam.

Peckelbeen. Middelnederlands pickelbeen, samenstelling met pickel/peckel: poot; (Waals-Vlaams) been. Waals-Vlaams pekkelbenen: met kleine en vlugge stappen lopen. Vergelijk Pickel.

Pecklers, Peclers, Pekler: Beroepsnaam. Middelnederlands (steen)pickelaer, bickelaer: steenhouwer. Vergelijk Steenbeckeleet.

Peckstadt, Speckstadt, Peckstards, Peckstdat: Reïnterpretatie van Pexstaerts.

Pectoor, Pector. Beroepsnaam uit het Naams-Waalse pèctôr (dit uit het Latijnse pictor): schilder.

Pécourt, Pecout, Pecourt: Wellicht plaatsnaam Bécourt (Pas-de-Calais).

Pecq. 1. Plaatsnaam, Henegouwen. 2. Zie Peck.

Pecquereau, Pecqueriaux, Pécriaux, Piquerel, Picquereau, Piquereau, Piqueray, Picray: Oudfrans, Oudpicardisch peskerel, afleiding van Oudfrans pesche, Oudpicardisch peske: vis (vergelijk Picardie). Bijnaam. Of afleiding van Oudfrans pescheor, Oudpicardisch peskeur: visser. Beroepsnaam.

Pécret, Pecret, Pecrot: Variant van Pecquereau met andere -suffix.

Pecsteen. Beroepsnaam van de steenhouwer, Middelnederlands steenpicker. Vergelijk Duits Pechstein.

Pede, Pédé, (van) Pee, Pée, Van Pede, de Pee, (van) Pe, (van) Pé, van Pey, Vampe, Vampee, van Pie. Plaatsnaam Pede, namelijk Sint-Gertrudis-Pede en Sint-Anna-Pede in Schepdaal (Vlaams-Brabant) of Neerpede (Vlaams-Brabant).

Pedemaker, de. Beroepsnaam van de pedenmaker. Een pede was een met ijzer beslagen stok of met spijkerpunten.

Pedeneau, Pedneault, Pedna: Variant van de Franse familienaam Beduneau, wellicht uit Bodineau, afleiding van Bodin.

Pedersoli, Pederzoli, Pedersolli. Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Pietro; Petrus.

Pedersen. Vadersnaam. Deense equivalent voor Petersen.

Pedoux. Gasconse familienaam Pédoux: luis. Bijnaam.

Pedrazzini, Pedrazzoli, Pedrelli, Pedretti, Pedrini, Pedri, Pedrolini, Pedroli, Pedroni, Pedron, Pedronotti: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van Pietro: Petrus.

Peduzzi, Peduzy, Péduzy: Italiaanse familienaam.

Peel, (van, der), van Pel, van der Pelen, Peelen, Peele, van der Peijl, van der Pijl, van der Peyl, Verpeylen, Peels. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Peel (Noord-Brabant en Nederlands Limburg). 2. Plaatsnaam Peel (Nederlands-Limburg). 3. De Peel, streek in Noord-Brabant, of De Peel in Ravels (Antwerpen). 4. Plaatsnaam Pedele in Kaggevinne (Vlaams-Brabant), later Peel(t) of Pelt, Adorp (Waals-Brabant).

Peellaert, de, Peelaerts, Peelaert, Peelaet, Peelaert, Peelaer, Pellaerts, Pellaers, Pellars: Afleiding van Middelnederlands pelen: pellen, ontschorsen.

Peeman, Peemans, Peemen, Pieman: Afleiding van plaatsnaam Pede.

Peene, van, de, Peene, van Peenen, Pene: Plaatsnaam Noordpene of Zuidpene (Frans-Vlaanderen). De Pêne ook plaatsnaam in Oekene.

Peer, van: Plaatsnaam Peer (Belgisch-Limburg).

Peerdeman. Reïnterpretatie van Peereman, door d-epenthesis.

Peerden, Peerdens, Pierdens. Vadersnaam. Variant van Peeren(s), Pierin(s), met epenthetische d.

Peereboom, van den, Peerboom, Peerebooms, Peereboom, Perebooms, Pereboom, Peerebom, Peerenbooms, Peerenboom, Peerenbom, Peirenboom, Perenboom, Peirreboom, Perboom, Perborne: Verspreide plaatsnaam Pereboom: een enkele keer wel perenboom, maar meestal: afsluitboom.

Peereman, Peeremans, Peremans, Peerdemans, Peerdeman, Peermans, Peireman, Peiremans, Perreman, Perremans, Permanne, Permane, Permans, Permans. 1. Vadersnaam afgeleid uit Perre; Pierre. Voornaam Peerman in 1381 in Halle. 2. Beroepsnaam voor de teler of verkoper van peren. 3. Naamvariant van 'Van de Perre" (Perre: omheinde plaats of afgesloten terrein).

Peerlinck, Peerlings, Peirlinck, Peirelinck, Peirlinckx: Afleiding van Middelnederlands paerle, perle: parel. Beroepsnaam van de parelhandelaar of bijnaam van iemand die zich met parels tooit. Vergelijk Perelman.

Peersman, Peersmann: Vadersnaam. Van Peertsman, afleiding van de voornaam Perceval.

Pees. Vadersnaam. Door assimilatie rs/s van Peers. Zie Pierre.

Peesmeester, Peesmeesters. Uit Peertsmeesters? Vergelijk Peerdmeester: veearts.

Peet, de. Middelnederlands pète: peet, peetoom, peettante, peetvader, peetmoeder, ook petekind. Vergelijk Parrain.

Peet, van der, Verpeet, Verpeten: Uit Verpeut(en), van Verpoot(en), van Van der Poort(en).

Peeter, Peeters, Peeteers, Peter, Peters, Peteers, Peetersen, Petersen, Peetersem, Van Peeterssen, Petes, Petersen, Petersens, Petersons, Petterson, Petterssons, Peterson, Petersson, Pettersen, Pieters, Pieterse, Piersoone, Pieter, Petersma, Pietersma, Pieterz, Piter, Piters, Pitre, Pitters Piettre. Vadersnaam afgeleid van de heiligennaam Petrus. Pieters is Vlaams, Peeters is Brabants en Limburgs.

Peeterman, Peetermans, Petermanne, Petermann, Petermans, Peterman, Pitermann, Pieterman, Pietermans, Petremand, Petreman, Pietrement, Petrement, Petraman. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Peter. Familienaam uit de bijnaam die de Leuvenaars dragen. Petermannen naar hun patroonheilige St.-Pieter.

Peetz. Vooral Hamburgse familienaam. Plaatsnaam.

Peffer: Peffer is een Rijnlandse vorm voor Duits Pfeffer ‘peper’. Beroepsbijnaam van de peperhandelaar. Vergelijk Peper(s).

Pegel. Middelnederlands pegel: pegel voor maten en drinkwaren. Beroepsnaam van de pegelaar, ijker. Ook Nederduitse familienaam Pegel.

Péharpré. Klankverandering van Piraprez.

Pehée, Pehee. Luiks-Waalse vorm van Oudfrans peschet: visje. Zie Péchet 1.

Pehrsson. Vadersnaam. Zoon van Peer, Pier, Pieter.

Peignât, Peigaux, Pignard, Pignat: Afleiding van Frans peigne, Oudfrans pigne: kam. Beroepsnaam van de kammer.

Peigneur, Peigneux, Peignois, Peugnieu, Pigneur, Pinneur, Pineur, Pineux: Beroepsnaam van de kammaker of (wol)kammer.

Peijen, Peyen, Peuijn. Vadersnaam, Friese knuffelvorm uit de voornaam Peije, afkomstig uit Feie, dit is weer afkomstig uit Fred.

Peirce. Waalse spelling voor Peirs, zie Pierre.

Peire: Variant van Pere, Peere. 1. Bijnaam naar de vrucht, de peer. Wellicht bijnaam voor de pereneter. 2. Vadersnaam. Variant van Pierre.

Peisker. 1. Dialect vorm van Middelnederlands pers(e)ker: perzik, perzikboom. Vergelijk Pêcher, Pescher. Voor de ei: vergelijk Kortrijks. Œie, van pers(i)ke. 2. Er is ook een Silezische familienaam Peisker, van Wendisch piskor: visser.

Peissen, Peissen, Peysen: Variant van Paessen, door ontronding van Puys-, van Pois-, Poes-. Vergelijk Poesman = Paesman, Peyskensz.

Pekel: Middelnederlands pickel, peckel, West-Vlaamse Pekkel ‘poot (van een meubel), (gemeenzaam ook) been (lichaamsdeel). Beroepsbijnaam voor de timmerman, houtdraaier. Of bijnaam voor iemand met lange benen.

Pelckman, Pelcmans, Pelkman, Pelkans, Pelkmann, Pelcman. Familienaam die wellicht uit de plaatsnaam Over- of Neerpelt (Limburg) afkomstig is.

Pelé, Pelet, Pellet, Peliez, Pelié: Frans pelé, voltooid deelwoord van peler: schillen, pellen. Bijnaam voor een kale.

Peléeheid, Peleeheid: Plaatsnaam in Chevron en Cornesse (Luik).

Pelegrie, Pellegrie. Pelegri, Pelegry is een Zuidfranse vorm voor Pèlerin: pelgrim.

Peleman, Pelemans, Peelemans, Peelman, Peelmans, Pellemans, Pelleman. 1. Familienaam afgeleid van Peel/Peelt = moerassige grond (in België en Nederland voorkomend). 2. Afleiding van Van Pelt.

Peletier, Pelletier, Peltier, Peltiers, Lepelletier, Lepeltier: Franse beroepsnaam van de bontwerker. Vergelijk Pélissier.

Péleriau, Péleriaux, Peleriau, Peleriaux, Pelerieau, Pelleriaux, Pillariaux: Picardisch péleriau, afleiding van peler: ontschorsen, pellen, villen. Vergelijk Peellaert.

Pelfrène, Pelfresne, Pelfrene, Palfrène: Zinwoord pèle frêne: die de esdoorn ontschorst.

Pelger. Wellicht variant van Pelgrim.

Pelgrim, Pelgrims, Pelgrins, Pelgrem, Pellegrims, Pelgrims, de Pellegrin, Pellegrin, Pellegrins, Pellegrain, Pellegrini, Pellegrino, Pelegrin, Pellegrino, Pelgrom, Pelgroms, Pellegrom, Pellegroms, Bellegroms, Pilgrim, Pèlerin, Pèlerin, Pèlerin, Pellering, Pellerin, Pellarin, Pelerents: Wellicht oorspronkelijk een vadersnaam en achteraf (soms) opgevat als Middelnederlands pe(e)lgrim, Frans pèlerin, van Latijn pelegrinus, peregrinus: vreemdeling, reiziger, pelgrim, bedevaartganger. De strafbedevaart was een gebruikelijke straf in het middeleeuwse recht. Italiaanse familienaam voor een pelgrim.

Pelleman: Variant van Pe(e)leman, afleiding van van Peel.

Pellens, Pillens, Pellin, Pillin, Pelles, Pellis, Pel, Pelle. Vadersnaam afgeleid van de voornaam Peter.

Peller, Pelders: Beroepsnaam van pellen: pellen, schillen, ontschorsen, villen. Vergelijk Peellaert.

Pelicaen, Pélican, Pelikant, Pellicaen, Pellican, Pellikaan, Pelikaan. Bijnaam naar de huisnaam (deze naar de naam of uithangbord met deze vogel). Of plaatsnaam Pelikaan in Klundert (Noord-Brabant).

Pelis: Franse familienaam Pelice, van Frans Pelisse ‘pels, pelsmantel’. Beroepsbijnaam van de bontwerker, pelswerker.

Pélissier, Pelissier, Pellissier, Pellisier, de Pelichy, Depélichy, (du) Plessy, du Plessis, Duplicy, (de) Pellecijn, Pelecijn, Pelecyn, (de) Pillecijn, Pillecyn, Pélasine. Beroepsnaam uit het Oudfranse pelicier: bontwerker, pelshandelaar. De familie van schrijver Filip De Pillecyn stamt uit Savoie, namelijk van ene Pellisi = Pellisier. De voorouders dragen de naamvormen Plessy, Pellecye, Pellesi, Pelichy, Pellecyn, Pellesijn, du Plessis. Pas later komt er de aanloop de bij, zodat de naam zich aansloot bij De Pillecijn, van Depelchin. Er is hier dus naamsubstitutie gebeurd.

Pellecom, van, Pellekaan, van Pellicom, van Pellecon, van Belkom: Plaatsnaam Pelkum in Datteln en Hamm (Noordrijn-Westfalen).

Pellitteri, Pellizzaria, Pelizaria, Pelizzara, Pleizaro, Pelizzero, Pelizero, Pelizzone, Pelizone, Pelizzoni, Pelizoni: Italiaanse beroepsnaam van de bontwerker.

Peloken. Vadersnaam. Afleiding van germaanse voornaam Pilicho. Noord-Frans Pelochin / Peloquin in de middeleeuwen.

Poloso, Pelos, Pelosi, Pellosini, Peluso, Pelusi: Italiaanse bijnaam Peloso: harig, behaard.

Pelouse, Pelousse. Franse bijnaam Pelou, Peloux; harig, behaard.

Pellemeule. Zinwoord pèle mul(e): die de muilezel vilt. Vergelijk Pèlaboeuf, Pelchat, Pelcerf, Pellelevrault, Poilane 'pèle âne', Pelvé.

Pels, Pelst: Beroepsnaam van de pelswerker, bontwerker. Vergelijk Duits Pelz.

Pelseneer, de, (de) Pelsenaire, (de) Pelsener, de Pelseneire, de Pelseneir, Pelsneer, Pelseneel, Pelsneel, Polsenaere, Poossenaerts, Posenaer: Variant (met z/r-wisseling) van Middelnederlands persemare, persemaert, persemaer, persemer, persemier, persenier: woekeraar. Zie De Pessemier(e). Vergelijk (de) Percenaire.

Pelser, de, Pelssers, Pelsser, Pelser, Peltzer, Pelzer: Beroepsnaam van de bontwerker, pelzenmaker, pelzenhandelaar. Vergelijk De Pelsmaker.

Pelsmaker, de, (de) Pelsmaecker, Pelsmacker, Pelsmaker, (de) Pelsemaekcer, Pelsemaker, (de) Pelsemaecker, Pelsemacker, de Pelssemaker, Pelsmaekers, Pelsmaker, Pelsmaker, Pelsmaeker. Beroepsnaam van de bontwerker.

Pelsmans. Beroepsnaam van de pelsmaker.

Pelster: Variant van pelser ‘bontwerker, pelzenmaker, pelzenhandelaar’ met ingevoegde t. Of door omkering van volgorde van klanken uit Peltzer, Duits Pelzer ‘bontwerker’.

Pelt, van: 1. Plaatsnaam Pedele, later Peelt, Pelt in Adorp Waals-Brabant (Nu Orp-leGrand en Orp-le Petit) Adorp in Groningen of Kaggevinne (Vlaams-Brabant), later Peelt, Pelt. 2. Plaatsnaam Overpelt of Neerpelt (Belgisch-Limburg). Zie ook Peel (van).

Peltenburg. Klankverandering van Plettenburg; zie Platenburg.

Peltgen. Vadersnaam. Ontrond van Pöltchen, afleiding van heiligennaam Hippolytus. Vergelijk Sankt Pölten (Oostenrijk).

Pelton, Peltot. Uit Frans pel(l)eton, pellotot, afleiding vanPel(l)et, van pel: huid, pels. Beroepsnaam voor de bontwerker.

Pelu, Plu, Plue, Peluch, Pellus: Bijnaam. Oudfrans pelu, Frans poilu: harig.

Pelz, Peltz, Pèle, Pilz: Duitse beroepsbijnaam van de pelshandelaar, bontwerker.

Pelzer, Pelzers, Peltzer, Pilcer, Pellecer, Pellicer: Duitse beroepsnaam Pelzer: pelswerker, bontwerker. Vergelijk Pelser.

Pen, Penne: Middelnederlands Penne ‘pen, veer, schrijfpen’. Beroepsbijnaam van de handelaar in schrijfveren. Vergelijk Duits Feder, Federer en Penneman.

Pender, de, Penders: Beroepsnaam. Middelnederlands penre, paenre, paender ‘brouwer’. Naar de brouwpan.

Penguet: Variant van Pinguet, verkleinvorm van Oudfrans pingue, van Latijnse pinguis ‘vet’. Bijnaam.

Penneman: 1. Variant van Penningman ‘penningmeester, inner, ontvanger’. 2. Beroepsnaam naar de pen of schrijfveer. Vergelijk Duits Federmann.

Penning, Pennings: Bijnaam naar de muntnaam, penning.

Penninck, Peninck, Penninckx, Pennincx, Penning, Pennings, Pennichx, Pennicx, Pennynck, Pennijnck, Pennick, Pennickx, Penin, Pening, Penein, Penincke, Peninque, Spenninck, Pfennings, Pfennigs. Naam uit het Middelnederlandse penninc: muntnaam. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Penant, Pennant. Pennant: 1. Oudfrans penant: boeteling. 2. Plaatsnaam Penant in Anseremme (Namen).

Pénard, Pena, Peenaert, Peynaerts, Peijnaerts, Peynhaert, Poinart: Afleiding van Oudfrans pener: pijn doen, doen lijden, verdriet doen, mishandelen; (ook) moeite doen, zich inspannen.

Penas, Penasse. Oudfrans penace; lor, vod. Bijnaam.

Pence, Pensez. Wellicht Franse bijnaam Penché: gebogen.

Penchenat. Occidentaals gekamd, gekaard; figuurlijk fat, dandy.

Pennock: 1. Oudfrans espinoch(e), variant van espinach, espinarde, van Spaanse espinaca ‘spinazie’. 2. Engelse familienaam Pinnock, van Middenengels Pinnock ‘heggenmus’.

Pendaries. Plaatsnaam Pendariès (Tarn).

Pender, Penders, Pander, Penners, Pendris, Penris, Penri: Beroepsnaam. Middelnederlands penre, paenre, paender: brouwer. Naar de brouwpan. Vergelijk Impanis.

Pendeville, Pendville, Pontdeville, Pondeville, Paindeville, Paindville, Penteville, Ponteville, Pontville, Ponville, Pindeville, Pinville, Pittevils, Pittevil, Pittevels, Puttevils, Puttevis, Buttevils: Plaatsnaam Pendeville (Meuse) en in Waterloo (Waals-Brabant) of Penteville in Grand-Manil (Namen). 1136 Pictam villam: geverfde, gekleurde hoeve.

Penelle. Moedersnaam. Waalse vorm van de voornaam Pétronille, Petronella.

Penet, Penez, Peney, Pené, Pêne, Penné, Peynet, Paneth, Panet, Panne: Oudfrans panet, penet: broodje. Beroepsnaam of bijnaam.

Pénis. Misschien variant van Franse familienaam Panis, van Latijn panicium: gierst.

Pennaerts, Pannart, Pennarts, Penna, Penneartz. 1. Zie Pannaert. 2. Eventueel variant van Pénard.

Penneman, Pennemans. 1. Zie Penningman. 2. Zie Panneman(s). 3. Beroepsnaam naar de pen of schrijfveer. Vergelijk Duits Federmann.

Pennewaert, de, (de) Pinnewaert, Pennewaerde, Punnewaert: Middelnederlands pennincwert, pennewert: de waarde van een penning, een kleinigheid; winkelwaar, koopwaar. Bijnaam of beroepsnaam van een winkelier.

Penninger. Beroepsnaam van de penningmeester, inner; vergelijk Penningman, Duits Pfenninger.

Penningman, Penneman, Pennemans: Afleiding van penning. Beroepsnaam van de penningmeester, inner, ontvanger. Voor de vorm, vergelijk Waals-Vlaams penneware, van penningware.

Penny: 1. Zie Panny. 2. Engels penny ‘penning’.

Penoit, Penoey, Penoy, Pennoit. Oudluiks penois: werkzaam. Bijnaam.

Penon. Oudfrans penon: pluim, wimpel (aan een lans), Middelnederlands pennoen.

Pens. Middelnederlands pense: pens, buik, ingewand. Bijnaam voor iemand met dikke buik, een dikkerd. Of beroepsman voor de pensman: slagersknecht.

Pensaert, Pensart, Peynshaert, Peynsaert, Peijnsaert, Pansaert, Pansaert, Pansar, Pansard, Pansaers, Ponsaert, Ponsaert, Ponsart, Ponsart, Ponsar, Ponsard, Ponsaers. 1. Naam uit het Oudfranse pance, Middelnederlands pense: pens. Beroepsnaam van de penser, pensenverkoper, slagersknecht, trijpverkoper. Vergelijk in Brugge: Pentsenziedere, Pentseredere. 2. Zie ook Pinchart, Pinsard.

Penseleer. Beroepsnaam voor de maker van penselen of voor de schilder (met het penseel). Vergelijk Duits Pinsel, Penseler.

Pensis. Bijnaam. Oudfrans pensis; droevig, triest, bezorgd.

Pentecôte, Pentecote. Frans Pentecôte: Pinksteren. Vergelijk Pinxten. Ook voornaam.

Pentenrieder. Plaatsnaam Pentenried, Beieren.

Pepe, Peppe. Vadersnaam. Bakervorm van Germaanse voornaam Peppo. Vergelijk Pépin.

Pepels, Peppels, Pijpels. Middelnederlands pepel; vlinder kapel. Vergelijk Frans Papillon. Bijnaam voor iemand die over alleen heenvlindert?

Pepeng. Indonesische familienaam.

Peper, de, Pepers: Beroepsbijnaam van de peperhandelaar. Vergelijk Frans Poivre, Lepoivre, Duits Pfeffer.

Pepercoren. Pepercoren: peperkorrel. Beroepsnaam van de peperhandelaar.

Peperkamp, Peppercamp: Plaatsnaam Peperkamp in Delden, Overijssel.

Peperman, Pepermans, Peepermans. Beroepsbijnaam van de peperhandelaar.

Peperstraten, van, Peperstraete: Peperstraat was een heel verspreide straatnaam.

Pepersack, Pepersak, Peperzak: Beroepsbijnaam van de peperhandelaar. Duits Pfeffersack.

Peperstraete, van, van Peperstraten. Peperstraat was een verspreide straatnaam.

Pépin, Pepin, Pepping, Peping, Pepinck, Pipyn, Pipijn, Pipien, Pipping, Piping: Vadersnaam. Vleivorm van oude Germaanse bakernaam. Pipinus, Pepinus.

Pepinster. Plaatsnaam. Luik.

Peppel, van de. Plaatsnaam Peppel, variant van pappel; populier.

Peppen, van. Duitse plaatsnaam Beppen?

Peppinck, Peping, Pepping. 1. Afleiding van Peppe; zie Pépin. 2. Variant van Papinc.

Peppinghaus, Pepplinkhuizen. Naam uit de plaatsnaam Peppinghausen (Noordrijn-Westfalen).

Perache, Perrache, Parache, Parage: Plaatsnaam. Afleiding van pierre: steen, kei

Perière, Perrière, Perière, Périère, Periere, Pireyre, Piederrière: Plaatsnaam Perrière: steengroeve.

Perclaes; Peter-Klaas, van Petrus en Nicolaas.

Pery, Perry. Zie Perier. Maar ook Engelse familienaam, met zelfde herkomst en betekenis.

Pera, Perat. 1. Franse familienaam Pérat: straatweg, dijk, plaats met stenen. 2. Zie Pierrat.

Perbal. De familie stamt van Fidel Barball, die van Vorarlberg (Oostenrijk) naar Luik kwam.

Percenaire, de, (de) Persenaire: Beroepsnaam. middenenderlands persenaer, perchenaer, percenaer, percenare: lakenkeurder, keurmeester die het laken aan de perse keurt. Toch is het vreemd dat we van dit Midden Waals-Vlaamse woord geen attestaties hebben in oude familienamen. Daarom zou het dat het om een reïnterpretatie gaat van Middelnederlands persenier = persemier, -aert, -are; zie Pessemier(e). Vergelijk ook (de) Pelseneer.

Perceval, Percevau, Percevaut, Percevaux, Persevaux, Piessevaux, Perssegael, Persegael, Peersegaele, Peirtsegael, Peirtsegaele, Peirsegael, Peirsegaele. Vadersnaam uit Perceval, Parsival, Parsifal. Deze naam komt uit de Brits-Keltische roman van Koning Arthur.

Perchard. 1. Zie Périchard. 2. Uit Berchard = Burchard, sinds16de eeuw op de Kanaaleilanden.

Perche, Peerts, Peers, Pers. 1. Vadersnaam. Korte vorm van Perceval. 2. Middelnederlands perche, pertse, van Oudfrans perche: staak, stang, roede, paal. Of Beroepsnaam voor de persenaer: lakenkeurder.

Perchet, Perché, Perchey: Afleiding van Perche.

Perck, Percque, Perque, Perc, Percke. 1. Middelnederlands parc, perc(k), Oudfrans parc, Latijn parricum: omheining, jachtterrein, perk. Vergelijk Van (de) Perck. 2. Normandisch, Picardisch perque, Frans perche. Zie Perche 2.

Perck, van (de). Verspreide plaatsnaam Perk: perk, afsluiting, afgesloten ruimte. Plaatsnaam Park in Heverlee (Vlaams-Brabant), Perk (Vlaams-Brabant).

Perckmans. Afleiding van Van (de) Perck.

Percy. Engelse familienaam die teruggaat op plaatsnaam Percy (Calvados, Manche). Zie ook Persi.

Perdiens. Leesfout voor Perdieus.

Perdijk: Plaatsnaam Paradieck tussen Diepholz en Vechta (Nedersaksen).

Perdreau. Bijnaam. Frans Perdreau: jonge patrijs.

Perdrix, Peredery, Petry, Pétrix, Petryx, Petrisse, Petris, Pétris Pétrisse, Petery, Pétry, Petry, Pétri, Petrisot, Petrizot: Oudfrans perdriz, Frans perdrix, van Latijn perdix: patrijs, veldhoen. Beroepsnaam van de vogelandelaar of de jager. De variant Perdrix / Petry / Petry / Pétrix zijn volkomen parallel met de Middelnederlandse perdrise/pertrise/ partrise/patrise. Petrisot is afleiding zoals de familienaam Perdrizet, Perdizot.

Perdu. 1. Waarschijnlijk reïnterpretatie van Perdieu = Pardieu; Oudfrans deu: dieu. 2. Eventueel Frans perdu: verloren. Vondelingnaam. Vergelijk Duits Verloren.

Pere, Père, Peer, Peere, Peire, Peyr, Peyre. 1. Bijnaam naar de vrucht: peer. 2. Mogelijk een vadersnaam uit Pierre.

Pereboom, Peereboom: Verspreide plaatsnaam Pereboom, een enkele keer wel ‘perenboom’, maar meestal wel ‘afsluitboom’. Op het verdwenen dorp Peerboom bij de Braakman in Zeeland slaat: 1240 Hugo presbyter de Perbome.

Pereira, Pereiro, Perera. Spaanse familienaam; perenboom.

Perel, Perau, Peraux, Perrault, Perraut, Pairault, Peral, Perraudin, Perraud, Perraux, Perreault, Perreaut, Perreaux, Perreau, Peraux, Pereau, Peyraud, Perea, Periaux, Perriaux, Perria, Pirault, Pirau, Piraux, Pireaux, Pireau, Pirreault, Paraut, Praud: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pierre.

Perel, Perels, Peirels. Middenenderlands peerle, perel: parel. Beroepsnaam van de parelhandelaar of bijnaam. Vergelijk Peerlinck, Duits Perl.

Perelaer. Naar de vorm reïnterpretatie (Zuidnederlands perelaar: perenboom) van plaatsnaam Perlaar = Berlaar (Antwerpen).

Perelcwajg. Joodse familienaam Perlzweig; pareltak.

Perelgut. Duitse-Joodse familienaam.

Perelman, Perlman, Perleman, Perlmann: Beroepsnaamvan de parelhandelaar of parelrijger. Vergelijk Duits Perelmutter, Perelmiter, zie Perlmutter.

Perestam: Plaatsnaam? Vergelijk Duits Birkenstamm.

Pereti, Peretti, Peretto. Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Pietro. Vergelijk P(i)erret.

Perexempel. Par exemple: bijvoorbeeld? Bijnaam naar een zegswijze?

Perez, Pérès: 1. Vadersnaam. Spaanse afleiding van de voornaam Pedro: Petrus. 2. Variant van Péret.

Perger, Pergher. Beierse variant van Duits Berger: die aan of op de berg woont.

Péricard, Périchard, Perchard. Vadersnaam. Afleiding van een k-dim. van de voornaam Pierre. Ook Perricard.

Perick, Peric, Perich. Vadersnaam Perrique, afleiding van de voornaam Pierre.

Perier, Periez, Perier, Perie, Peri, Perrier, Perri, Perriez, Perry, Pery: Plaatsnaam. Oudfrans perier: perenboom. Vergelijk van de Peereboom.

Pérignon, Parion. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Père =Pierre.

Périgny. Plaatsnaam (Allier, Calvados enz.).

Perikel, Preukels. Middelnederlands perikel: gevaar. Bijnaam. Vergelijk Péril.

Péril: Bijnaam. Frans péril: gevaar. Vergelijk Périll(i)eux.

Périlleux, Périllieux, Parilleux, Pereleux, Perlaux, Perlau, Perleau: Bijnaam. Oudfrans perillos: gevaarlijk, gevreesd. Perlau, van Périllaud.

Perin, Périn, Perrain, Perain, Perrinini, Perrin, Perini, Perin, Perrins, Perijns, Perings, Peerens, Peeren, Perens, Peren, Perene, Peirens, Peiren. Vadersnaam. Vleivorm van Pierre: Petrus. Perene is de romanisering van Peren; vergelijk Pirenne. Zie ook Pierin(s).

Périnet, Perine, Perinet, Périné, Prinet, Perinot, Perino: Vadersnaam. Vleivorm (met dubbel suffix -in-et/-in-ot) van Pierre. Vergelijk Perin.

Periquet. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Père = Pierre. Vergelijk Franse familienaam Perrichet.

Périsse, Périssi, Périssino, Perissinotto. Vadersnaam. Afleiding van Pierre, Pietro.

Perizonius. Latinisering van Pierson.

Perk, van de, der, Park, Perks. Plaatsnaam. Vlaams-Brabant.

Perla, Perlart. Afleiding van Frans perle: parel. Vergelijk Perels? Of an Perlau? Of van Franse familienaam Parlât, van parler ?

Perlberg, Perlberger, Perleberg. Duitse plaatsnaam Perleberg of Perlberg.

Perlin. Vadersnaam. Afleiding van Père, Pierre.

Perlmutter, Perelmutter, Perelmiter. Duits Perlmutter: parelmoer.

Perlstein, Perelsztein, Perelsztejn. Duits-Joodse familienaam; parelsteen.

Perloff: Vadersnaam. Oudhoogduitse vorm van Germaanse voornaam Berolf: Berulfus, Perolf.

Permain. Waalse aanpassing van Perman?

Permas: Misschien uit Peremans.

Permeke. Nederlandse naam van plaatsnaam Prémesques (Nord).

Perneel, Pernel, Permel, Preneel, Perinaud, Perrenoud, Perniaux, Prenau, Pérénia, Pirnay, Pornel. Vadersnaam uit het het Romaanse Pernel/Perrinel. Dit is een afleiding van Pierre Perre (vergelijk Perrin) of van Péronel, afleiding op -on-el (vergelijk Pernelle). Pérênia is de Naamse variant, Pirnay de Luikse.

Pernelle, Purnelle, Pronelle: Moedersnaam Pernelle, van Péronella. Petronella was een Romeinse martelares.

Pernet, Pernez, Perne, Pernetti. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pierre, uit Perrinet of Peronet.

Pernin. Vadersnaam van Perronin, vleivorm van Pierre.

Pernis, van. 1. Plaatsnaam Pernis (Zuid-Holland). 2. Eventueel plaatsnaam Pernes (Pas-de-Calais).

Pernot, Pernod, Purnot, Parnot, Prenot. Vadersnaam, knuffelvorm uit Perrinot, uit Pierre.

Peroni, Peyronie, Peyrouny: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Pietro.

Perquin: Vadersnaam. Romaanse vorm van Pirkin, verkleinvorm van de voornaam Pier, Peer = Pierre.

Péronnet, Péromet, Pérornez. Vadersnaam. Afleiding van Peron.

Perpête, Perpete, Perpette, Perpet, Perpeet, Parpaite: Vaders-, moedersnaam. Latijnse heiligennaam Perpetuus, Perpetua 'eeuwig'.

Perpignano, Perpinien.

Perre, van de(der), van Perre, Uit Perpignan (Pyr.-Or.).

Perqui, Perquy. 1. Zie Pirkin. 2. Uit Porquin, afleiding van porc: varken.

Perrels: Spelling voor Perels, zie van de Parel.

Per, Perren, van de, der, van Perre, van der Perren, van der Pere, van der Per, van de Peer, van de Peere, van de(der) van der Pert, van (de) Paar, van de Paer, van de Par, van de Parre, Vandeparre, van der Parre, van der Parren. Familienaam uit de veel voorkomende plaatsnaam Perre/Parre; omheinde plaats, afgesloten terrein.

Perette. Moedersnaam. Vrouwelijke afleiding van de voornaam Pierre. Of verschrijving voor Perret.

Perillat. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Père = Pierre.

Perroncel, Pernechele. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pierre.

Perruche, Perrussel, Perus, Perusse. Familienaam uit de plaatsnaam Perrusse (Haute-Marne): plaats met stenen overdekt.

Persan, Persant: Familienaam Persent. Oudfrans persant ‘machtig man’.

Perschel. Duitse vadersnaam. Afleiding van Persch, van de voornaam Perthold, Berthold of Peter.

Persi, Persy, Percy. 1. Bijnaam. Oudfrans persi: bleek. 2. Zie Percy.

Persijn: 1. Vadersnaam. Vleivorm van de literatuurnaam Perceval. Of vleivorm op -ecin van Pierre. 2. Verkort uit Despersyn, van d’Esplechin. Plaatsnaam Esplechin (Henegouwen), eventueel Esperchin in Wattrelos (Nord).

Perseau, Persiau, Persiaux, Persieaux, Persia, Perseo, Perséo. 1. Het Oudfranse 'persel', vervormde tot pers: bleek, paars. Wellicht dus een bijnaam. 2. Eventueel kan het een klankverandering zijn van Préseau(x).

Persennel, Percenel, Perschenel: 1. Personnel, afleiding van Frans personne: persoon, pastoor. Zie Persoone. Vergelijk Personneau in Bonen. 2. Vadersnaam. Afleiding van Persin, Perrecin, vleivorm van Pierre.

Persoon, Persoone, Persoons, Persooms, Person, Personne, Parsons, Lepersonne, Lapersonne, Personnet, Personnel. Het Middelnederlandse persoon, het Latijnse Persona betekenen: pastoor, parochiepriester. En die hadden vroeger nogal eens kinderen. Vergelijk Engels parson. Engelse familienaam Pearsons.

Persyn, Persyns, Persijn, Persain, Perseyn, Persin, Persine, Percyn, Parcyns. 1. Vadersnaam knuffelvorm uit de voornaam Perceval (deze is een literatuurnaam) of uit de voornaam Pierre. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Esplechin (Henegouwen) of Esperchin in Wattrelos (Nord).

Pertsman, Peertsman, Peersman, Peersmans, Peirsman, Persmanne en wellicht ook Pisman. Vadersnaam uit de voornaam Perceval.

Peruzzi, Peruzzo, Peruzetto, Peruzzaro. Italiaanse vadersnaam van Pietro; Petrus.

Perveux. Waarschijnlijk een variant van Perwuelz; zie Perwez.

Perwez, Péruwelz, Perwetz, Perwuelz, Perruez, Perruwé, Perruwe, Perrewe, Perrewé, Pervé, Pervé, Parrevée, Parvais, Parvaiz: Plaatsnaam Péruwelz (Henegouwen): 1187 Perewes, of Perwez, (Waals-Brabant, Namen) 1179 Perewez; ‘wad, doorwaadbare plaats met stenen’.

Perz, Pertz. Vadersnaam. Beierse afleiding van Berthold.

Pesant, Le Pesant, Lepezant. Bijnaam voor een zwaarlijvige.

Pesch, van. 1. Plaatsnaam Pecq (Henegouwen): 2. Duitse plaatsnaam Pesch (Noordrijn-Westfalen), van Latijn pascuum: weide.

Peschel, Peschl, Peschke, Peschkes, Peszke: Vadersnaam. Oostduitse, Slavische afleiding van Petrus.

Peser, de. Afleiding van Middelnederlands pesen: van een pees (boogpees, strik) voorzien? Beroepsnaam of bijnaam?

Pesesse. Paatsnaam Pessesse in Pessoux (Namen).

Pesin, Pezin, Pezyn. Variant met -in-suffix voor Oudfrans pesel, peson: klein gewicht. Beroepsnaam voor de weger.

Peskens: Variant Peiskens Peschkes, Peschke, Peszke: Vadersnaam. Oostduitse, Slavische afleiding van Petrus. 1. Pijskens, verkleinvorm van Middelnederlands pise ‘maat, gewicht’. 2. Vadersnaam. Uit Limburgs Puisken, Paesken, Poesken, verkleinvorm van de voornaam Passchijn.

Peski, van. Plaatsnaam Peschke, afleiding van Pesch: weide.

Pessemier, de, Pessemiers, de, Pessemier, Pessemiers, de Peissemier, Depessemiez, Passemier, Passemiers, Possemiers, Posemiers, Pussemier, Passenier, Passeniers, Possenier, Posseniers, Poussenier, Puissenier. Naam uit het Middelnederlandse persemier: woekeraar. Bijnaam.

Pessendorfer, Pessendorffer. Met b/p-verscherping uit Bessendorfer.

Pesser, Pessers. Deze familienaam komt hoofdzakelijk in Luik voor, mogelijk dat Pesser(s) teruggaat op de Limburgse familienaam Plessers, wellicht hypercorrect; vergelijk Nederlands pleisteren, van Middelnederlands peisteren. Beroepsnaam van de pleisteraar.

Pestel, de: Beroepsnaam. Middelnederlands pester, pister ‘bakker’. Duits Pfister.

Pestel, van. De Pestel, gereïnterpreteerd als herkomstnaam?

Pester, de, (de) Pestele, Pestel, de Peyster, Pisters, Pister: Beroepsnaam. Middelnederlands pester, pister: bakker. Vergelijk Duits Pfister.

Pestiaux, Pestiau, Pestieau, Pestieaux, Pestiat, Petel, Petiels, Peteaux, Peteau, Petiaux, Petiau, Petieau, Pétiau, Pétiaux, Pettiaux, Pettiau, Petteau: Oudfrans pe(s)tel, petteau: stamper van een vijzel, beroepsnaam.

Pestre. Variant van (de) Pester of van Paitre.

Petac, Petack, Pijtak. Vadersnaam Pittak, Oost-Duitse afleiding van de voornaam Peter.

Pétain, Pétin, Petein, Pétein, Pietin, Piétain, Pietain. 1. Familienaam uit het Oudfranse pietin: dit is een soort wapen, een met ijzer beslagen stok. Beroeps(bij)naam. 2. Maar wellicht uit het Oudfranse piet, pié: voet, zoals piéton: voetganger; pietin: voetstuk, sokkel; Oudfrans pietier, petier: te voet lopen, wandelen. Bijnaam voor een voetganger, loper, zwerver.

Pète, Pète, Pette, Pete: Waalse uitspraak van Pêtre. Vergelijk de Waalse familienaam Pète uit Petre, Pète uit Pêtre, Luik.

Pete, Peten, Peeten, Petten, Pettens, Peiten: 1. Uit Middelnederlands pète? Vergelijk (de) Peet. 2. Vadersnaam Vleivorm van voornaam Peter.

Peteers. Spelling van Waalse uitspraak van Peters als Pétèrse.

Petegem, van, van Peteghem, Venpeteghem: Plaatsnaam Petegem (tweemaal in Oost-Vlaanderen).

Peter, de. Verwantschapsnaam: peter. Vergelijk Parrain.

Peterbroeck, Peterbrouck, Peetersbroeck, Peetersbroek, Peeterbroek, Peeterbrock, Pieterbrouck: Plaatsnaam Peterbroek in Vollezele (Vlaams-Brabant).

Peterburger, Peterburs. Uit Sint-Petersburg (Rusland). Vergelijk Petersborg.

Petereit. Vadersnaam. Litouwse afleiding van de voornaam Peter.

Peterfreund. Vadersnaam Peter + bijnaam Freund; vriend.

Peterkin, Peterkenne, Péterkenne, Petrequin, Peturkenne, Peturquenne, Peteerges, Petges: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Peter.

Péterlé, Petterle. Vadersnaam Peterle. Oudhoogduitse afleiding van Peter.

Peterlini. Aanpassing van Italiaanse vadersnaam Petrolini, afleiding van Pietro.

Petermeijer: Naam van een meier met de voornaam Peter.

Peternelli, Peterneli. Aanpassing van Italiaans Petronelli, afleiding van de voornaam Pietro. Vergelijk Perneel.

Peters, Peterse, Petersen, Peeters, Peet, van der, Pet, Petersma: Vadersnaam. Heiligennaam Petrus. Pieters is westelijk (onder meer Vlaams), Pe(e)ters is Brabants-Limburgs.

Petersborg, (de) Petersbourg, Pieterbourg: De Russische stad Sint-Petersburg (Frans Saint-Pétersbourg), in 1914 Petrograd en van 1924 tot 1991 Leningrad.

Petersem, Peetersem, Petersheim, van Peeterssen: Plaatsnaam Petersem in Lanaken (Limburg).

Petersheim. Verspreide Duitse plaatsnaam, Silezië. Zie ook Petersem.

Petersil, Petersille, Peterseil, Petersiel, Petersille, Peetersille, Pietercelle, Pietercil, Pitersil, Perselis, Petersilie (Duits). Beroepsbijnaam van kruidenier, kweker, uit de kruidennaam Peterselie.

Peterson, Pettersson: Dit kan een Engelse familienaam zijn ‘son of Peter’, maar ook Nederlands Peters zoon (zie Peters). Pettersson kan Zweeds zijn.

Peteryns, Peterijns, Petereyns, Peterens, Petryns, Petrins, Peetrain, Pestrin, Peterreins, Petrens: 1. Bijnaam. Oudfrans peterin: klein, onbeduidend, waardeloos. 2. Plaatsnaam Piétrain (Waals-Brabant), Nederlands Petrem. 3. Dubbel vadersnaam Peter Hein.

Pètes, Petes, Petesch, Petesh, Petisch: Duitse vadersnaam van Peter.

Peteurson. Spelling voor Peterson.

Péteux, Péteur, Péteux, Péteur: Middenfrans péteux: bangerd, schijterd. Bijnaam.

Petges. Vadersnaam. Afleiding van Peter.

Petipas, Petitpas. Bijnaam voor iemand die kleine, korte pasjes zet.

Petiqueux, Petitqueux. 1. Bijnaam Petit queux: kleine kok. 2. Eventueel reïnterpretatie van petit cul, uitspraak eticu: kleine aars, anus.

Petignot, Pétignot, Petinio, Petitniot: Bijnaam. Afleiding op -in-iot van pet, van petit. Kleintje.

Petit, Petiet: Frans petit ‘klein’. Bijnaam naar de kleine gestalte.

Pétillon, Petillion, Petilleon, Pittillion, Pitillion, Pitftjeljon, Pittillioen, Pittilioen, Pittellioen, Pitellion, Pitelioen, Pitelloein, Pintelon: Oudfrans pétillon: punt, naald. Beroepsnaam van de naaldenmaker; vergelijk Lewille.

Petillot. Uit Pétillon? Of spelling voor Petiot.

Petit, Lepetit, Petyt, Pety, Petijt, Petiet, Petie, Pettit, Petti, Pettitt: Bijnaam naar de kleine gestalte.

Petitat, Petitain, Petiteau, Petito, Petiot, Petetot. Bijnaam uit petit: klein.

Petitberghien, Petitberghein, Petiberghien, Petiberghein: Reinterpretatie (petit klinkt vaak als ft) van Tiberghien.

Petitbois. Plaatsnaam Petit Bois; klein bos.

Petitbon, Pettibone. Dubbele bijnaam: Petit bon: klein en goed, dapper.

Petitdemange. Bijnaam Petit + voornaam Démange, Latijnse heiligennaam Dominicus.

Petitdidier. Bijnaam Petit + vadersnaam Didier.

Petitfils. Verwantschapsnaam: kleinzoon, of bijnaam kleine zoon. Vergelijk Petitfrère.

Petitfrère. Bijnaam Petit frère: kleine broer.

Petitgirard. Bijnaam + vadersnaam. Petit Girard = kleine Gérard.

Petithan. 1. Plaatsnaam Petithan in Grandhan (Luxemburg). 2. Bijnaam + vadersnaam Petit Han: kleine (Jo)han(nes). Vergelijk Petitjean, Duits Kleinhans.

Petithomme. Bijnaam Kleine man. Vergelijk Kleinman.

Petitimbert, Petitembert. Bijnaam + voornaam; Kleine Imbert.

Petitjean. Bijnaam + voornaam. Kleine Jan. Vergelijk Grootjans, Grosjean.

Petitpierre. Bijnaam + voornaam. Kleine Pierre: Pieter.

Petitpré, Petitprez, Petitprêt, Petipré: Plaatsnaam Petit Pré: kleine wei.

Petitte. Bijnaam. Vrouwelijke vorm van Petit.

Petoud, Petoux. Bijnaam; log?

Petras, Petrasch, Petraz. Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Peter.

Pêtre, Pètre, Pétre, Petre: 1. Zie Paitre. 2. Vadersnaam van de voornaam Peter.

Pétré, Petré, Pètrè, Petrez, Pétrée. 1. Pètrê is een Waalse plaatsnaam die 'wilde perenboom' betekent. Daaruit is dan weer de familienaam afgeleid. 2. Eventueel verschrijvingen voor Pétret, afleiding van Pêtre. Vergelijk Pétrel

Petrenko. Vadersnaam. Oekraïense afleiding van de voornaam Peter.

Petrick, Petrik, Petryk. Vadersnaam. West Slavisch van Peter.

Pétriaux, Pétrieux. Plaatsnaam. Picardisch pétriau: jeneverstruik.

Petricek. Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Peter.

Petrillo, Petrilli, Petrini, Petrinoli, Petrioli, Petroci: Vadersnaam. Italiaanse afleiding van de voornaam Pietro.

Petroff, Petrov, Petrow. Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Peter.

Petron, Petrons, Pétrons, Petronio, Peetroons, Petroons, Peetrons, Peetroms, Petroens, Pitrons, Pietrons, Pietron, Pietroons, Pieterhons: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Petronius.

Petronella. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam. Zie Femelle.

Petropoulos. Griekse vadersnaam van Petrus.

Petrovic, Petrovits, Petrowitch, Petrovci, Petrovski: 1. Vadersnaam. Pools-Slavische afleiding van de voornaam Peter. 2. Plaatsnaam Petrov, Petrovice.

Petrus, Pietrus, Petri, Petrie, Petry, Petrij, Petery, Pittery, Pitterij, Petro, Pietri: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Petrus en afleiding Petri.

Pets. Waarschijnlijk vadersnaam. Zoals Petsch van Peter.

Petsch, Petz, Petschke, Poetsch, Pötzsch, Potz: Vadersnaam. Sorbische en Wendische afleiding van de voornaam Peter.

Petteloo, Petteloot, Petloo. Uit Pestelot, afleiding van pestel. Zie Pestiau(x)/Petiau(x).

Petteno. Gedemouilleerde vorm van Petignot. Of Italiaanse familienaam?

Petter (de). 1. Naam uit het Middelnederlandse putte, pitten, petten: water putten, scheppen. 2. Of uit De Peter: verwantschapsnaam Peter.

Pettersdorfer. Plaatsnaam Pittersdorf, Beieren.

Pettinger. Afleiding van verspreide plaatsnaam Petting/Pôtting (Beieren).

Petzold, Petzel, Petsolt, Pätzold, Patzelt, Paetzhold, Paschold, Pechholt: 1. Vadersnaam. Oost-Duitse (Silezië) afleiding met secundair -old van Petz, van Peter. Eventueel Oudhoogduitse vorm van Germaanse voornaam Berchtold, Betschold.

Peuckert, Peukert, Peuker: Plaatsnaam Peuke (Silezië).

Peucelle, Puchelle. 1. Oudfrans pucelle: jong meisje, dienstmeisje, maagd. 2. Evventueel van Pelicel(le), afleiding van Oudfrans pelice: huid, bont(werk), bontjas. Beroepsnaam van bontwerker.

Peuchet, Peuche, Peuchot. 1. Afleiding van peuch, van plaatsnaam Puy, van Latijn podium: hoogte, heuvel. 2. Variant van Picardisch pauchet; zie Pochet. 3. Waarschijnlijk afleiding van Oudfrans (Normandisch, Picardisch) puch, dat is Frans puits: put. Oudfrans puchot: waterloop, kanaal.

Peugnet. Waarschijnlijk variant van Peignet, afleiding van Peigne. Of afleiding van peugn, Frans poing: vuist.

Peulen, Peulens. Vadersnaam. Limburgse variant van Paulen, vleivorm van Paulus.

Peulings, Peulinckx, Puelings, Puelinckx, Peulincx, Pulings, Pulincks, Pulinck, Pulinx, Pulinck, Pullin. Limburgse vorm van Paelings, zie bij Paling(s).

Peuman, Peumans. Limburgse variant van Palmans (vergelijk Palmen, Paumen, Peumen).

Peute: 1. Lokale uitspraak van plaatsnaam Peutie (Vlaams-Brabant). 2. Variant van Putte, in van (de) Putte.

Peurette. Variant van Poirette, zie Poret.

Peurquaet. Bijnaam voor een kwaadstoker, kwaadstichter. Vergelijk Nederduits Pinsequat: die kwaad beraamt.

Peutat. Afleiding van peute, Oudfrans pute: vuil, slecht, gemeen.

Peute. 1. Lokale uitspraak van plaatsnaam Peutie (Vlaams-Brabant). 2. Zie (van) Putte.

Peute, van de. Zie van den Putte. Peuteman(s):1. Afleiding van plaatsnaam Peutie, lokale uitspraak Peute, Vlaams-Brabant. 2. Zie Putteman(s).

Peuteman, Peutemans. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Peutie. 2. Zie ook Putteman(s).

Peuterman, Peutermans. 1. Afleiding van De Peuter. 2. Variant van Peutemans.

Peutieman. Afleiding van de plaatsnaam Peutie, Vlaams-Brabant.

Peuvrade, Peuvrate. Afleiding van Luiks-Waals peûve, Frans poivre: peper.

Pevée, Pevee. Plaatsnaam Péville in Alleur en Grivegnée (Luik).

Pevenage (van), van Pevenaegge, van Pevenaege, Pevenaeyge, Peveneayge, Pevernagie, Pevenasse, Pluvinage, Bevernaegie, Bevernagi, Bevernagie, Bevernage, Bevernaeyge, Bevernayge, Bevernaeye. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Puvinage in Vloesberg (Henegouwen), Pevenage in Everbeek (Oost-Vlaanderen en in Verchain-Maugré (Nord), Puvinage (1348 Putsvinage in Beloeil, Henegouwen) van Puteus vicinaticus: openbare drinkplaats, waterput voor het vee.

Pexstaerts, Peckstards, Pexstadt, Peckstadt, Peckstdat, Peksteerts, Pekstards, Pexsters, Pexters, Pecters, Speckstadt, Spexstaerts: Beroepsnaam Peekstaart: steel van een piek, lans.

Pey, Peys, Peij: Middelnederlands peye, poye, van Oudfrans puy, van Latijnse Podium ‘pui, stoep, podium; hoogte’.

Peycker, Pijcker, Peijcker: Andere spelling voor Pijcker, afgeleid van Middelnederlands pike, pijcke ‘piek’, zie Pijck(e). Beroepsnaam van de piekenmaker of piekenier.

Peyls, Peijls, Peil. 1. Middenenderlands pegel, peil: merkteken in maten voor vloeistoffen, graad van sterkte van het bier, pegel. Beroepsnaam van de pegelaar, de ijker van vochtmaten. Vergelijk Pegel. 2. Brabantse spelling van Pyls.

Peynhaert, Peynaerts, Peijnaerts: 1. Duitse verscherpte vorm van Beinhard, Benhard, Bernhard? 2. Zie Pénard.

Peyralbe, Peyrable: Plaatsnaam. Occidentaals Peyre albe: witte steen. Vergelijk Peyraube (Htes-Pyr.).

Peyrelongue. Occidentaalse plaatsnaam; lange steen, Basses-Pyr.

Peyeron. Waarschijnlijk variant van Peyron.

Peyskens, Peskens, Peiskens: 1. Brabantse gediftongeerde vorm van Pijskens. Pijsken, afleiding van Middelnederlands pisé: maat, gewicht. 2. Zie Puystjens.

Peysmans. 1. Beroepsnaam van de peismaker, paisierer: vrederechter. 2. Ontrond van Puysmans = Poesmans, Paeschman.

Peyster, de. 1. Oudfrans paistre: herder. Beroepsnaam. Vergelijk Paitre. 2. Zie de Pester.

Peytier, Peijtier. Occidentaalse vorm voor plaatsnaam Poitiers. Vergelijk Peytieu.

Pfaff, Phaff, Paffen, Paff, Pfaeffli, Pfaffli, Pfäffle. Van origine Duitse familienaam, met een betekenis als Paaps: familienaam uit het Middelnederlandse pape: priester (die wellicht de vader was). Rijnlands Paff. Afleiding -li is Zwitsers.

Pfaffenbach. Plaatsnaam, Beieren.

Pfannenstiel, Pfannestiel, Phannenstiel: 1. Verspreide Duitse plaatsnaam Pfannenstiel: langwerpig stuk land in de vorm van een pannensteel. 2. Beroepsnaam van de pannenmaker.

Pfannschmidt. Duitse beroepsnaam Pfannenschmied: pannenmaker; vergelijk (De) Pannemaeker.

Pfau. Duitse bijnaam Pfau: pauw. Vergelijk De Pauw.

Pfeffer, Pfefer, Peffer, Pfeffermann: Duits Pfeffer, Rijnlands Peffer: peper. Beroepsnaam van de peperhandelaar. Vergelijk Peper.

Pfeiffer, Pfeiffer, Pfayfer, Pheyffer, Pheijffer, Pfayfer, Phyffer, Feyfer, Feifer, Fajfer, Fajfar, Fefer, Peifer, Peiffer, Peyffers, Peyfers, Peijffers, Pieffer, Pieffert, Piffert, Piffer. Duitse beroepsnaam uit het Middelhoogduitse phîfer: fluiter, speelman: Duitse beroepsnaam Pfeifer, Middelhoogduits Phîfer ‘fluitspeler, speelman, muzikant’. Vergelijk Pijpers, De Pyper. Peifer is Rijnlands.

Pfister, Pfisterer, Pfischter, Fiszter: Beroepsnaam. Middenhoogduits Phister, van Latijn pistor: bakker. Vergelijk Pestel.

Pfizer. Duits ontrond van Pfützer, van Middenhoogduits Phütze, Duits Pfütze: waterput, bron, fontein, van Latijn puteus. Beroepsnaam van de waterfitter, die waterleidingen, waterputten aanlegt. Frans fontainier, Zuid-Nederlands fonteinier.

Pfloug, Pflug, Phlok, Pfluger, Pfluger, Pflieger: Duitse beroepsnaam.

Plfeiderer. Ontrond van Duits Pfleuderer, van Middenhoogduits vlôudern: fladderen. Bijnaam naar het wisselvallige karakter.

Pflug. Ploeg; Beroepsnaam Pfluger, (ontrond) Pflieger: ploeger, ploegenmaker.

Phaff: Duits familienaam Pfaff, pendant van De Pape.

Phalempin, Falempin, Falepin, Fallempin, Valepin, Valepyn, Valepijn, Vallenpint, Valenpint, Vallepin. Familienaam uit de plaatsnaam Phalempin (Nord, in Frankrijk).

Phallus. Latinisering van Phal, van Latijnse heiligennaam Fidolus.

Phan, Pham. Verschrijving voor de Duitse familienaam Pfann(e). Beroepsnaam. Zie Pan.

Pharazijn, Pharasijn: Andere spelling van de West-Vlaamse familienaam Farazijn, door p/f-wisseling uit Parizijn, uit Frans Parisien ‘Parijzenaar’.

Phélizon. Vadersnaam. Afleiding van Phélis = Félix.

Phernambucq: Pernambuco, andere naam voor Recife, hoofdstad van Pernambuco, een deelstaat in Brazilië.

Philifert. Waarschijnlijk variant van Philibert met f-perseveratie.

Philimon, Fillemont. Vadersnaam. Voornaam uit de Griekse. mythologie: Filemon en Baukis. Ook Bijbelse voornaam.

Philipoom: Vadersnaam. 1. Philip Oom; vergelijk Duits Clasohm, Hansohm. 2. Herinterpretatie van Philippon, afleiding van de voornaam Philippe.

Philippa: Luiker Waalse vorm van Philippart, afleiding van de heiligennaam Philippus.

Philipart, Philip, Philippaerts, Philippaert, Philipart, Phillippart, Philipparts, Philipaars, Philipaers, Philipa, Philipat, Philipaert, Flippart. Vadersnaam uit de heiligennaam Philippus.

Philippette, Philipette, Philipet, Philippeth, Philippe: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Philippe.

Philippin, Philipin, Filippin, Philippens, Philippen, Phillipens, Pheulpin, Flippen: Vadersnaam. Vleivorm van Griekse heiligennaam Philippus.

Philippekin, Philpkin, Phillipekin, Flipkens. Vadersnaam uit de heiligennaam Philippus.

Philipoom. Vadersnaam. 1. Philip Oom; vergelijk Duits Clasohm, Hansohm. 2. Reïnterpretatie van Philippon.

Philippaux, Philippeaux. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Philips.

Philippo, Philippot, Phelippot, Flipo, Flipot, Philippo, Phlypo, Flypo, Flippo, Philpot, Philpott. Vadersnaam uit de voornaam Philippe.

Philippon, Philippont, Philipon, Filippone, Philipperon, Philippron, Philippront, Phlipront: Vadersnaam. Franse vleivorm van de voornaam Philippe.

Philippus, Philippy, Philipppe, Philip, Philipp, Philipe, Filpe, Philups, Phillips, Philips, Philipse, Philipze, Van Philips, Plips, Plipsen, Philippsen, Philipsen, Philipsen, Philippson, Philipson, Phillippsen, Phlips, Phlups, Phlippsen, Filipe, Filip, Falip, Filipp, Filippi, Filippy, Flipts, Flips, Flipse, Flipsen, Flyps, Fleps, Filipson, Philippi, Philippy, Filippi, Felipe. Vadersnaam uit de Griekse heiligennaam Philippos (=paardenliefhebber).

Philippo: Vadersnaam. Spelling voor Frans Philippot, verkleinvorm van de voornaam Philippe.

Philipse, Philipsen: Vadersnaam. Griekse heiligennaam Philippus.

Philis. Moedersnaam. Vooral Engelse voornaam Phyllis, Phillis, van Grieks phullis: tak met blaren. Phyllis was de dochter van koning Sithon van Thracië.

Philisijn, Philisyn. Variant van (de) Pillecijn in Munkzwalm.

Phimister. Engelse beroepsnaam Femisterm, van fée master: veemeester, herder.

Pholien, Phollien, Folien, Foullien, Fouillien, Fouillen, Fouilen, Foyin, Fouyn, Fouin, Foyin, Foyen, Fuyen, Feuillien, Feuillen, Feullien, Feulien, Fieullien, Defollin: Vadersnaam. Ierse heiligennaam, naam van de abt van Fossen-la-Ville. Saint-Pholien is de naam van een kerk in Luik: 1244 Sancti Foliani presbyteri Leodienses.

Pia, Piat. Vadersnaam uit de Latijnse heiligennaam Piatus (vereerd in Denemarken).

Piaget. Afleiding van Oudfrans péage, Frans péage: tol. Beroepsnaam van de péager: tollenaar, tolinner.

Paina, Pioano, Piani, Pianetti. Italiaanse plaatsnaam piano; vlak.

Pianet. Z.-O.-Franse vorm van Planet, afleiding van plan: vlak, effen. Vergelijk Italiaans Pianetti.

Piasecki, Piasek, Piaskowski: Afleiding van Poolse plaatsnaam Pias(ek): zand.

Piaveau, Piaveaux. Zinwoord; kalverviller?

Piazza. Italiaanse plaatsnaam Piazza; plaats, plein.

Picalausa, Picalause, Picalouse, Picalose. Pica Lausa. Naam uit het Oud Occitaans lauza: platte daktegel. Beroepsbijnaam voor de steenhouwer, de leikliever.

Picard, Picart, Picar, Picaaer, Picat, Pica, Picas, Piquard, Piquart, Liccaert, Piccart, Piccar, Piccard, Pickard, Pickar, Pickart, Picardt, Pickaer, Picaert, Picaerts, Picartz, Picquaert, Picquart, Pikaar, Pikard, Pikaerts, Pikaertert, Piekaerts, Piekarz, Lepicard. 1. Naam voor een Picardiër, inwoner van Picardië. 2. Naam uit het Middelnederlandse pic(k)aert: piekenier. Beroepsnaam. Dit uit het Oudfranse picart: scherp.

Picarelle, Piccarelie, Picarrel, Pycarelle, Piquerel, Pickerell, Picherel, Pichereau, Picheret, Pickorelle, Picorelle, Spyckerelle, Spicarolen: Oudpicardisch peskerel, Middenfrans picarel: vis, (soort) snoek. Bijnaam zoals Pecquereau. Oudfrans picaret = picarel.

Picavet, Picavez, Piccavet, Pickavet, Pycavet, Pyckhavet, Pyckavet, Pyckevet, Pykevet, Pijkevet, Piekavet, Pecavet, Pijckevet: Oudfrans Picavet ‘takkenbos’. Beroepsbijnaam van de houthakker.

Piccin, Piccini, Piccinni, Piccione, Piccioni, Piccinini, Piccinin, Piccinno, Piccino. Italiaanse bijnaam; klein.

Piccoli, Piccolo, Piccolotto. Italiaanse bijnaam Piccolo; klein.

Pichal: Oudfrans peschalle, pesc(h)aille ‘visvangst, gevangen vis’. Beroepsbijnaam van de visser.

Pichard, Pichar, Picha, Pichâ, Piesschaert, Pissard, Pissart, Pisart, Pizar, Pitsaer, Pihart, Pihard, Piha: 1. Oudfrans pichard: groene specht. Bijnaam. Vergelijk (de) Spicht. 2. Picardisch pichard, Frans pissard, afleiding van pisser, Oudfrans pissier: wateren, urineren, plassen, pissen. Vergelijk Oudfrans pisseur en het volkse gezegde 'Saint-Médard le grand pissard', de regenheilige. Luiks-Waals piha.

Pichel, Pichelle, Pichault, Pissel, Picault, Picaud, Pihay: Zoals Péchet afleiding van Frans poisson: vis. Variant met i zoals in Pi(c)queur = Pe(c)queur, Pichonnier, Picardie. Vanwege de Luikse ft-variant moet de naam wel op een sk-vorm teruggaan

Pichèque. Oost-Duitse familienaam Pischek, van Slavisch Picek. Afleiding van heiligennaam Petrus.

Pichet, Pihet, Pissé, Piscé, Pisce, Piket, Pickett, Picquet, Piquet, Piué, Picqué, Pické, Piquette, Picquette, Pinquet, Pincket, Pinket, Pyncket, Pynket, Pijncket. 1. Oudfrans pichet, Oudpicardisch pi(c)quet, Middelnederlands piket, peket: maat voor vloeistoffen, zout, graan. Beroepsnaam van de meter, korenmeter. 2. Variant van Péchet. De Waalse vorm Pihet verwijst naar een oorspronkelijke vorm met sk (piscis).

Picheyns. Middenfrans péchin, afleiding van Oudfrans pesche (Latijn piscis): vis. Vergelijk Péchet, Pichet 2.

Pichler. Beierse vorm van Duits Bûhler, afleiding van plaatsnaam Bûhl: heuvel.

Pick, Picke, Pické, Pik, Picque, Picq: 1. Middelnederlands picke: pikhouweel. Beroepsnaam voor de maker van pikhouwelen of voor de steenhouwer. Vergelijk De Picker. 2. Zie Peck. 3. Eventueel= Pyck(e).

Pickel, Peckel, Peckels, Pechels, Peekel, Pekel, Pyckels, Pykels, Pijkels: Middelnederlands pickel, peckel, Waals-Vlaams pekkel: poot (van meubel), (gemeenzaam ook) been. Beroepsnaam voor timmerman, houtdraaier. Of bijnaam voor iemand met lange benen. Vergelijk Schinckel, Peckelbeen.

Picker (de), Pickere (de), de Pikker, Pickers, de Pecker, Peckre, Peckers, Pecker: Middelnederlands picker, pecker: 1. steenbikker, -houwer; 2. maaier; 3. gauwdief, zakkenroller.

Pickery, Piquery, Picquery, Picry, Picrit, Picret, Pichry, Pichrist, Picherit, Pichrit, Piekry, Pecquery: Oudpicardisch peskerie, Oudfrans pescherie: visvangst, visserij, visrecht, visplaats.

Pickman, Pickmans, Peckmans, Picman: Beroepsnaam van de Picker/Pecker: steenbikker, steenhouwer.

Picon, Pikon, Piquon. Oudfrans picon: hak, pik(hamer). Beroepsnaam van de steenhouwer. Vergelijk Picot 1.

Picot, Piccot, Picquot, Piquot, Pichotte, Pichot, Pischot, Pitchot, Pitcho, Pihot: 1. Oudfrans picot: scherp voorwerp, puntig wapen, pik, houweel, pikhamer. Beroepsnaam van de steenhouwer. 2. Synoniem met Pichet/Piquet, met ander suffix.

Picou, Picoux. Oudfrans picou; kleine haak, kram.

Picrart. Hypercorrect voor Picquereau? Of van Picard?

Pictoel, Pictoul. Wellicht variant, verschrijving van Pecto(o)r. Zie daar.

Piddington. Plaatsnaam, Oxfordshire.

Pidgeon. Engelse bijnaam van Oudfrans pigeon: jong van een vogel, duifje. Vergelijk Duyvejonck.

Pijkeren, van. Plaatsnaam.

Pijncket. 1. Naam uit het Oudfranse pichet: piket, peket (maat voor vloeistoffen, zout, graan). Beroepsbijnaam voor de meter, korenmeter. 2. Variant van Péchet. De Waalse vorm van Pihet. Zie bij Pechet.

Pie, Py. Bijnaam. Frans pie: ekster. Vergelijk Lagace, Axters.

Pied, Piet. Bijnaam. Frans pied: voet. Vergelijk Voet.

Piedboeuf, Pieboeuf, Piedbeuf: Bijnaam naar het lichaamsgebrek, de klompvoet. Vergelijk Coevoet, Kuhfuss.

Piedbois. Bijnaam: houten voet. Vergelijk Duits Holzfuss/Holtfot.

Piedeloup, Piedleu, Piedeleu: Bijnaam Pied de loup: wolvenpoot.

Piederiet: De Duitse familienaam Piderit komt al in de 15de eeuw voor in Lemgo en Lippe (Noordrijn-Westfalen). Piderit, van Germaanse voornaam Bitherid.

Pieders. Vadersnaam. Waals, Brabantse vorm van Pieters

Piedfer. Bijnaam Pied de fer: ijzeren voet. Vergelijk Bradfer.

Piedferme. Bijnaam. Frans pied ferme: stevige voet.

Piedfort, Piéfort, Piefort: Bijnaam voor iemand met zware, stevige voeten.

Piednoel. Franse familienaam Piednoël, Piénoël, waarin noël: noiel: knoop, strik, gesp. Bijnaam voor iemand met een gesp aan de schoenen.

Piedplat. Bijnaam voor iemand met platvoeten. Vergelijk Plaetevoet, Plapied.

Piéfonck, Piefonck. Verzwaarde vorm van Piéfort?

Pieksma: Vadersnaam. Friese afleiding van Piek, Puike, van Pieter.

Pielquin. Waarschijnlijk van Pierquin (//r-wisseling).

Pieltain, Pieltin. Bijnaam voor iemand die zijn tijd verliest. Zinwoord Piers le temps, Waals piède li timps.

Piémont, Piemont, Piemonte. 1. Plaatsnaam Piémont: voet van de berg, in Roisin (Henegouwen), Zellik (Vlaams-Brabant). 2. Piémont, streek in Italie.

Piena, Pinna, Pina, de, Pinas, Luiker Waalse variant van Pinard. Oudfrans pinard ‘kleine munt’.

Pienbroek, van: Plaatsnaam Piebrouck in Berten (Frans-Vlaanderen).

Pien, Piens, Piems, Piem, Pieyn, Pieyns, Pieheyns, Piheyns. Waarschijnlijk knuffelvorm van een vadersnaam. Wellicht uit de stamvorm Pedin, Pidin (uit Petrus ?). Herkomst nog onduidelijk.

Piening, Pienick. Afleiding van Nederduits pien: pijn. Bijnaam voor een pijniger, folteraar.

Pieplu, Pieplus, Piedplu, pied pelu/poilu. Bijnaam voor iemand met harige, ruige voeten. Vergelijk Rouwvoet.

Piera: Vadersnaam. Ook Pira, Luiker Waalse vorm van Pïrard, Pierrard, afleiding van de voornaam Pierre.

Pierache, Pierrache. Franse plaatsnaam Perrache: plaats met stenen.

Pieren, Pierens: Vadersnaam. Uit Pierin(s), vleivorm van de voornaam Pierre.

Pierat, Pierrat, Piera, Pierra, Pira, Piras, Pirat, Pyra, Pijra, Perat, Pera, Spira, Spyra: Vadersnaam. Waalse variant van Pierrard.

Pierie, Pier, Pieringa, Piersma, Piers, Aupiers in Brabant, Pierson, van Petrus.

Pierlet, Pierlé, Pierlay, Pierle, Pirlet. Vadersnaam uit Pierre (Franse vorm van Petrus).

Pierlot, Pierloz, Pierlotte, Pierloot, Perlot, Perloo. Vadersnaam, vleivorm van Pierre of van Pieter.

Piernbaum: Zuid-Duitse vorm van Duits Birnbaum ‘perenboom’.

Pierrard, Pierrat, Pierrart, Pierar, Pierard, Pierards, Pierardt, Pierart, Pieraerd, Pieraerts, Pieraet, Pirard, Piraerd, Pirart, Pirart, Spiraers, Pérard, Perrard, Peeraer, Peeraert, Peerar, Peeraerts, Peeraets, Peyrard, Peyra, Peyrat. Vadersnaam afgeleid van de voornaam Pierre.

Pier, Pierre, Pir, Pire, Pyre, Pyr, Pirre, Payre, Paire, Pair, Peye, Pey, Père, Per, Pere, Peere, Peer, Peers, Pees, Pers, Peire, Peirs, Peirce; Vadersnaam, variant van Pierre, uit de heiligennaam Petrus.

Pierre, de: Depierre, kortere vorm voor Delepierre, Delpierre, pendant van van den Steene.

Pierremont, Piermont. Plaatsnaam Pierremont (Pas-de-Calais).

Pierret, Pierets, Perrets: Vadersnaam. Verkleinvorm van de voornaam Pïerre.

Pieraets. Vadersnaam. Variant van Pieraerts.

Pierce, Pearce. Vadersnaam. Engels Pierce, Oudfrans Piers = Frans Pierre.

Pierchaux, Pierschaux, Piersaux, Pierseaux: Vadersnaam. Afleiding op -ecel van de voornaam Pierre: Pieresel.

Pierco, Piercot, Pirco, Pircot, Pierkot: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Pierre.

Pierik, ten, Perik. Plaatsnaam bij Zwolle.

Pierrian: Vadersnaam. Spelling voor Pierjan ‘Pieter Jan’, Frans Pïerrejean.

Pierin, Pierins, Pierrin, Pierens, Pieren, Pirens, Pirenne, Pirijns, Piryns, Pireyn, Pireyns, Pirrhyn, Pirrhijn, Perijns: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Pierre. Zie ook Perene, Perin.

Pierlet, Pierlé, Pierlay, Pierle, Pirlet: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pierre.

Piery, Pierry, Piéry: Plaatsnaam Pierry (Marne) en in Bra (Luik).

Pierlot, Pierloz, Pierlotte, Pierloot, Pirlotte, Pirlot, Perlot, Perloo: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Pierre.

Piermain. Vadersnaam Piernain, van Pierenin, afleiding van de voornaam Pierre.

Pierman, Piermans, Piermanne, Piermant. Afleiding van de voornaam Pierre.

Pierron, Pierront, Pierronnet, Pièron, Pieron, Pieront, Pieronne, Peron, Péron, Peyron, Peyronnet, Perron, Perrone, Paron, Piron, Piront, Pirons, Pirong, Pirongs, Pironnet, Pironet, Pirononneau, Pirron, Pirrong, Pirrung, Pirroen, Pyrrhon. Vadersnaam, knuffelvorm van de voornaam Pierre (Franse vorm van Petrus).

Pierro, Pierrot, Piero, Pierot, Piro, Pirot, Pirro, Pyro, Pirotton, Piroton, Piroth, Pirothon, Pirottin, Pirotin, Piroteau, Pirotte, Pirote, Piroote, Pirrotte, Perrot, Perrots, Perrotti, Perros, Peyrot, Pairot, Perrouty, Perot, Perriot, Périot, Prijot, Priod, Priotte, Peeroo, Peero, Pero, Perro, Peiro, Pieropan, Paro, Parot, Parote, Proot. Zinwoord. Oudfrans pirer: slecht maken, bederven + Oudfrans pan: brood. Vergelijk Duits Schadebrot.

Paroot, Paro, Parotte, Parot, Proot. Vadersnaam, knuffelvorm uit de voornaam Pierre.

Pierquet, Pirquet, Parquet, Parqué: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pierre.

Pierrard, Pierra, Pierrrt, Pierard, Pierar, Pierards, Pierardt, Pierart, Pieraerd, Pieraerts, Pieraert, Pirard, Piraerd, Pirar, Pirart, Spiraers, Pérard, Perrard, Peeraer, Peeraert, Peerar, Peeraerts, Peeraerts, Peyrard, Peyra, Peyrat: Afleiding van de voornaam Pierre.

Pierrehumbert. Dubbel vadersnaam. Pierre Humbert.

Pierrejoseph. Dubbel vadersnaam. Pierre Joseph.

Pierret, Pierree, Pierré, Pierre, Pierets, Pieret, Pièret, Pierey, Pirets, Pirret, Piret; Pirretz, Piré, Pire, Piree, Pirez, Pirey, Perret, Perrett, Pereth, Peret, Perehté Perehte, Perehtez, Perehtets, Perehtetz, Pereytey, Pereytee, Pérée, Perrais, Perrez, Perrée, Perrey, Pairet: Vadersnaam. Afleiding van de boornaam Pierre.

Pierrou, Pierroux, Pieroux, Payrou, Perroux, Peyroux, Piriou, Piroux, Prioux, Priou, Proult, Prou, Proux: 1. Plaatsnaam Pieroux in Jumet, Marbaix (Heneguwen): stenige bodem. Pirou (Manche), Piroux in Petit-Roeulx-lez-Nivelles (Henegouwen). Zie ook Spiroux 2. 2. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Pierre.

Piers, Pirs. Vadersnaam, afleiding van de voornaam Pier(re).

Piersaek, Pirsack, Piersack, Pirjak: Vadersnaam. Franse dubbele voornaam Pierre Jacques.

Piersin, Piersyn. Vleivorm op –ecin van de voornaam Pierre.

Pierson, Pierchon, Pirson, Pircon, Persson, Perrichon, Perichon, Pericon, Peyrusson, Pietreson, Petrusson: 1. Vadersnaam. Vleivorm op -eçon (Piereçon, Pieresson) van de voornaam Pierre. 2. Pietreson/Petrusson kan ook wel de Zoon van Pieter, Petrus zijn.

Piersoul, Piersoel, Pirsoul. 1 Vadersnaam. Vleivorm op -eçoul van Pierre. 2. Plaatsnaam Piersoulx in Gosselies (Henegouwen).

Pierssens, Pirsens, Piessens, Piessen, Piesens, Piesen, Spiersens, Spiessen, Spiessens, Spuessens, Spuesens, Pissens, Spissens, Piers, Piersma, Piert, Pirt. Hypercorrecte spelling voor Pierre?

Piessierssens, Piessiersens, Pissierssens: Waarschijnlij reïnterpretatie van Paesschierssens onder invloed van Piessens/Pierssens.

Piet, Piets. 1. Vadersnaam. Voornaam Piet: Petrus. 2. Zie Pied.

Pieté, van der. Verspreide plaatsnaam Ter Pieté.

Pieteman, Pietemans. Variant van Pieterman(s).

Pietersma: Vadersnaam. Pierszoons ‘zoon van Pier(re)’. Piessens door assimilatie rs > ss en Spiersens door s-anticipatie.

Pieteraerens, Pieteraerents, Pieterarent, Pieteraerens, Pieterarens, Piteraerens, Piteraerens, Piteraerents, Pieraerens, Pitraerens. Dubbele vadersnaam uit Petrus en Arend, Arnoud.

Pieterman: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Pieter.

Pietermaat. Verhaspeling van Pieterman.

Pieters, Pieterse, Pietersen, Pieterson: Vadersnaam. Pieters is de Vlaamse vorm naast Brabants-Limburgs Pe(e)ters. Fries Pier en Engels Pierson.

Pietkin, Pietquin, Pietequin, Piquint, Piquin, Pinquin: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Piet, van Petrus.

Pietowski, Pietowska. Poolse familienaam uit de plaatsnaam Pietow (waar ?). De kans is reëel dat het verschrijving uit de plaatsnaam Pietrow (= Petrusdorp). De familienaam Pietrowski/Pietrowska komt veel meer voor en er zijn heel wat plaatsen die Pietrow heten.

Pietras, Pietrasik, Pietaszek, Pietraszko. Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Petrus.

Pietron: Vadersnaam. Ook Petron. Latijnse heiligennaam Petronius.

Piteruschka, Pietruska, Pietryk, Pietrzyk, Pittrzak: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Petrus.

Pietrzak: Vadersnaam. Poolse afleiding van de heiligennaam Petrus.

Piette, Pieete. 1. Afleiding van pie: ekster. Vergelijk Lagace, Pie. 2. Waalse aanpassing van Piètre = Pieter.

Pietzsch, Pietsch, Pietschmann. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Peter.

Pietzykowski: Russisch Pietuchowski, van Petukhov, afleiding van de bijnaam Petukh ‘haan’.

Piévache. Franse pendant van Coevoet. Vergelijk Piedboeuf.

Pifferoen, Piferoen, Pyfferoen, Pyferoen, Pyfferaen, Pijfferoen, Peferoen, Pefroen, Phyfferoen, Phyeferoen. Beroepsnaam uit het Franse pifferon, afgeleid uit het Franse piffre, het Italiaanse piffero, van Middenhoogduits phîfer (Duits Pfeifer, Middelnederlands Pijper): fluitspeler, muzikant, speelman.

Piffet. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans pif, piu, Frans pieu: vroom, barmhartig, medelijdend.

Pigault. Waarschijnlijk variant van Picault.

Pigeard, Pigeaud, Pigeot: Afleiding van Oudfrans pige, van Latijn pedicus, van pes, pedis: voet.

Pigeolet. Afleiding van Pige, zie Pigeard. Of van Pigoulet.

Pigeon. Oudfrans pigeon: jong van een vogel, duifje. Vergelijk Pidgeon.

Pigière. Oudfrans pesiere: erwtenveld. Plaatsnaam Pésières in Epéhy (Somme).

Pigmans: Wellicht variant van Biechtmans, afleiding van plaatsnaam Biecht bij Maastricht (Nederlands-Limburg).

Pignel, Pigneau. Afleiding van Oudfrans pigne, Frans peigne: kam. Beroepsnaam van een kammaker. Vergelijk Pignet.

Pignet, Pigné, Pignez, Pigneret, Pingnet: Afleiding van Oudfrans pigne, Frans peigne: kam. Beroepsnaam van een kammaker.

Pignier, Pigniez, Pigné, Peigny: Beroepsnaam. Oudfrans p(e)ignier: kammaker.

Pignolet. Frans pignolet: nougat d'amandes de pin.

Pignot, Pignon. Afleiding van Oudfrans pigne, peigne: kam. Beroepsnaam van een kammaker.

Pigou. Picardisch pigouche: zachte, overgevoelige vrouw. Bijnaam. Of variant van Picou?

Pihl: 1. Zuid-Duitse verscherpte vorm (p < b) van Bihl, Biehl, ontrond uit Bühl ‘heuvel’. 2. Duits Piel, van Middennoordduits pîl ‘pijl’.

Pijlman, Pijlmans, Pyleman, Pijllemans, Peyleman, Pilmans, Pielmans: Beroepsnaam van de pijlenmaker.

Pijnen, Pynen, Peinen, Peyne, Peenen, Peene, Penen, Pene: Dialect variant van Puynen; zie Paenen.

Pijnenburg, Pijnenburgh, Pijnenborg, Pynenburg, Pynenburgh, Pynenborg, Pynenborgh, Peynenborg, Peijnenburg, Peijnenburgh, Peijnenborg, Peijnenborgh, Peynenborg, Peyenborg, Peyrenborg: Plaatsnaam Pijnenburg (Utrecht). Maar de familienaam heeft zijn grootste concentratie tussen Tilburg en Den Bosch (Noord-Brabant). Mogelijk dan Puinenburg in Belveren (Noord-Brabant).

Pijpe, Pijpen, Pijpens, Pype, Pyp, Pypen, Pypens, Pyppe, Piep, Piepsz, Pip, Puype, Pupe. Beroepsnaam van de pijper, fluitspeler, (stads)speelman.

Pijpen, van der, van der Pypen, van der Peypen: Plaatsnaam Pijp(e): pijp, buis, afvoerbuis.

Pijpops, Pypops, Peypops, Pypendop. Naam uit het zinwoord pijp op: fluit op, fluit er op los. Bijnaam voor een fluitspeler. Pendant van Duitse Pfeifauf.

Pijsel. Afleiding van Middenenderlands Pisé;'gewicht'?

Pikaar, Pekaar, Piekart, Pikkaart, Pikkart: 1. Frans Picard, volksnaam van de Picardiër, inwoner van Picardië. 2. Middelnederlands pic(k)aert‘ piekenier’. Beroepsnaam.

Piket, Pinquet, Penquet: Pinquet met ingevoegde n uit Oudpicardisch pi(c)quet, Middelnederlands piket, peket ‘maat voor vloeistoffen, zout, graan’. Beroepsbijnaam van de meter, korenmeter.

Pilaar, Pielaert: Frans Pillard, afleiding van piller ‘roven’. Bijnam voor een rover, plunderaar. Pielaert kan ook wel uit Pielaet zijn ontstaan, met r-invoeging.

Pilaat, Pilaet, Pilaete, Pilaeten, Pielaat, Pielat, Pilat, Pilatte, Plaete: Vadersnaam. De Bijbelse voornaam Pilatus.

Pille, Pil, Pel, De Pil, Pillen, Pelle, Pele: Middelnederlands pil(le)‘geestelijke zoon of dochter, doopkind, petekind’ en verder geëvolueerd tot familienaam.

Pilaeis, Pilays, Pilaeys, Pilaeijs: Met voortonige klinkerwisseling can Frans Palais? Plaatsnaam.

Pilaert. 1. Zie Pillard. 2. Variant van Pilaet.

Pilaet, Pilaete, Pilaeten, Pielaet, Piela, Pilaat, Pilat, Pilatte, Pilate, Plaete: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Pilatus.

Pilet, Pilette, Pillet, Pillette: Oudfrans pilet: stamper van een vijzel; pileter: wol reinigen door ze in een kuip te roeren; pilette: gereedschap om wol te kaarden. Beroepsnaam.

Pilgersdorfer. Plaatsnaam Pilgerndorf, Beieren.

Pill. Vadersnaam. Beierse variant van Duits Bill. Voornaam.

Pillain. Franse spelling voor Pillin, Pillen?

Pillard, Pillards, Pillar, Pillart, Pillaert, Pilard, Pilaert, Pilart, Pilliaert, Pelliard, Pildaer. Afleiding van Frans piller: roven. Bijnaam voor een rover, plunderaar. Vergelijk Spilliart.

Pillebout. 1. Zinwoord: Oudfrans peler: villen en bot(e): pad. Paddenviller. 2. Variant van Spillebou(d)t.

Pillens, Pillin. Vanwege de geografische spreiding veeleer variant van Pellens, dan van Pillen.

Pillier, Pilier, Pilliez, Pillez, Piller. Plaatsnaam. Oudfrans pillier: pilaar, zuil, paal. Vergelijk Dupillier.

Pillon, Pillons, Pilon. Beroepsnaam. Frans pilon: stamper van een vijzel. Vergelijk Pilet(te).

Pilorge, Pillorget. Beroepsnaam. Zinwoord: pile (pèle) orge: die gerst pelt of plet. Vergelijk Schelhaever, Buysrogge.

Pilot, Pilote, Pilotte, Pillotte, Pillot: Oudfrans pilot: paal. Plaatsnaam. Vergelijk Pilier.

Piloy, Pilois, Pilo, Pilloy, Pillois. 1. Zinwoord Pile oie. Oudfrans peler: villen, ontharen; Frans oie, Oudfrans oe, van Latijn avica, avis: vogel, (later) gans. Bijnaam van een vogelplukker. Vergelijk Pelloie, Poilloue. 2. Maar de volgende voorbeelden op -ois, -oit wijzen toch op een -oi-suffix. 1359 Pierart Pilloit, Hoei; 1438 Thiebaut le Pillois, Laon.

Pilu, Pilut, Pillu. Bijnaam. Variant van Frans poilu; behaard, harig.

Pimentel, Pimontel, Pumentel: Afleiding van Oudfrans piment: balsem, kruiderij, gekruide wijn. Beroepsnaam van kruidenhandelaar, Oudfrans pimentier.

Pimmelaar: Bimmelaar, afleiding van van Bemmel? Of uit Pamelaar, afkomstig van Pamel?

Pimpernel, Pimpurniaux, Pinpurniaux, Pimpergniaux: 1. Oudfrans pimpernel: soort paling. Bijnaam voor een levendige, alerte of gladde, behendige kerel. 2. Oudfrans piprenele, pipornele: (kruidnaam) pimpernel.

Pin, Pins, Spins, Spijns, Spyns. Naam uit het Middelnederlandse pin(ne): houten of ijzeren pin of pen, ijkteken van maten. Beroepsbijnaam van de ijker.

Pinoy, Pinnoy, Pinnoye, Pinoye, Pinoie, Pinoit. 1. Zie Despinoy. 2. Eventueel =Pinot.

Pinard, Pina, Pinart, Pinna, Pynaert, Pynaerts, Pynaet, Pijnaert, Pijnaerts, Pynnaert, Pienaert. Naam uit het Oudfranse pinard: kleine munt.

Pince. Frans pince: tang. Beroepsnaam. Vergelijk Tange, Pincet.

Pincel, Pinceel, Pinseel, Pynseel: Berooepsnaam. middenenderlands pinceel: penseel; vaantje, banier; tangetje.

Pincemaille, Pinsmaille, Pinchemail, Pincemail, Pinsmaye, Painsmaille, Painsmay, Painsmaye, Spincemaille, Spinsemaille, Spencemaelle: Bijnaam. Zinwoord Frans pincer: knijpen + maille: munststuk. Voor een vrek die het geld tussen de vingers knelt of het in tweeën zou knijpen. Vergelijk Duits. Quetschpfennig.

Pincet, Pincé: Afleiding van pincer. Oudfrans pincette: tang. Beroepsnaam. Vergelijk Tange.

Pinchart, Pinchard, Pinsard, Pinsart, Pinsar, Pinsaert, Le Pinçart, Peynshaert, Peynsaert, Peijnsaert, Spijsschaert, Spysschaert, Spiesschaert, Spietsaert, Spitsaert, Poinsart, Ponchard, Ponsar, Ponsard, Ponsaert, Ponsaert, Ponsart, Ponsaers. Beroepsnaam uit het Oudfranse espinchier, pincier, Frans épincer:, : knijpen, noppen, met de noptang het weefsel zuiveren van pluisjes.

Pinchedé. Bijnaam voor de dobbelaar. Zinwoord pince dé: die de dobbelsteen tussen de vingers knijpt; vergelijk Hochedé.

Pinck, Pinckx, Spinks: Bijnaam naar de pinkvinger, pink. Naar de kleine gestalte.

Pinel, Pinelle, Pinnel, Pineau, Pineaud, Pineault: Vadrsnaam. Afleiding van Coppin of Philippin.

Pinet, Pinee, Pinné: Vadersnaam. Korte vorm van Philippine, Coppinet.

Pingaut Pingaux, Pingot. Afleiding van Oudfrans pingue; vet, dik.

Pingel. 1. Wellicht Waals-Vlaamse pingel: dunne reep, lang stuk touw. 2. Spellingvariant van Pignel.

Pinot, Pino, Pinnoo, Penno, Penot, Pynoo. Vadersnaam, verkorte vorm van de voornaam Philippinot of Coppinot.

Pingre, Pingret, Pingray, Pingree. Middenfrans pingre zou een vorm zijn van épingle: speld. Via de betekenis speldenraper, speldenzoeker zou Frans pingre 'gierig(aard)' zijn gaan betekenen.

Pinguet, Pinget, Penguet: Afleiding van Oudfrans pingue, van Latijn pinguis: vet. Bijnaam.

Pinkers, Pinckers, Pinkert, Pinckaers, Pinkaarts: 1. Afleiding van Middelnederlands pinken: schitteren, glanzen (van het oog). 2. Afleiding van pinken: hinken.

Pinkhof. Plaatsnaam. Vergelijk Pinklhof in Wiesent (Beieren).

Pinon. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Philippinon of Coppinon.

Pinot, Pino, Pinnoo, Penno, Penot: Vadersnaam. Korte vorm van voornaam Philippinot of Coppinot. Vergelijk Pinon.

Pinoy, Pinnoy, Pinnoye, Pinnoit. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Espinoit en Espinoy (Nord), l'Espinois (Henegouwen) of Epinois (Pas-de-Calais). Uit het Latijn spinetum: plaats met doornstruiken. 2. Mogelijk bijnaam voor een stekelig iemand. 3. Verkorte vorm van de voornaam Philippinot of Coppinot.

Pinpin. Vadersnaam. Herhaling van –pin in bijvoorbeeld Coppin.

Pinskier. Variant van Poolse familinaam Pinsker, Pinsky, van plaatsnaam Pinsk (Wit-Rusland).

Pinson, Penson, Pinchon: 1 Frans pinson, van volkslatijn pindo: vink. Vergelijk Vincke. 2. Zie Ponchon.

Pint, (de) Pinte, Pynte, Pinten, Pintens, Pintjens. Een pint is een vochtmaat en een korenmaat. Beroepsbijnaam voor de meter, de korenmeter.

Pinteau, Pintiaux, Paintiaux: Oudfrans pintel, pinteau: kleine pint. Vergelijk Pint.

Pintelon: Met n-invoeging uit Oudfrans pétillon ‘punt, naald’. Beroepsbijnaam van de naaldenmaker.

Pinter, Penters. Beroepsnaam van de korenmeter? Vergelijk Pint.

Pinxten, Pinxt, Pinxteren, Penxten, Pinkster. 1. Bijnaam naar het Pinksterfeest. Misschien ook een voldelingennaam. 2. Mogelijk ook een moedersnaam uit de voornaam Penxte.

Piolé, Piolon, Piolot. Oudfrans piolé: gekleurd, geverfd. Bijnaam.

Pion, Péon, Pein, Payon, Pionet. Familienaam uit het Oudfranse peon, pionier: voetganger, soldaat te voet.

Piontek: Bijnaam afgeleid van Pools piatek ‘vrijdag’.

Piot, Piotte, Pyot, Pyotte, Peyot. Naam uit het Oudfranse pie: ekster. Bijnaam.

Piotrowski, Piotrowsky, Piotr.. Vadersnaam. Poolse afleiding van voornaam Piotr; Petrus.

Piosevan, Piosevana. Herkomstnaam, uit Piove di Sacco.

Pipaut, Pipeaux. Afleiding van pipe; fluit. Bijnaam.

Pipeleer, pipeler, Piepeleers, Pipelard, Piplard, Pipelart, Pippelart, Piplart: Afleiding van Middelnederlands piperen/pipelen: fluiten, trompet spelen, doedelzak spelen. Beroepsnaam van de muzikant, speelman. Vergelijk Middelnederlands pipenaar. Zie De Pyper.

Pipenpoi. Vadersnaam. Bakernaam van de Germaanse voornaam Willem.

Pïreau: Vadersnaam. Verkleinvorm (-au van -el) van de voornaam Pierre.

Piqueron, Picron, Picron: Oudfrans piqueron: punt, doorn, stekel, angel. Vandaar Waals picron, Picardisch piqueron: mug.

Piraprez, Pirapré: Plaatsnaam in Grand-Halleux (Luxemburg).

Pircard, Pircart, Pircar. Vadersnaam. Afleiding op -ek-ard van Pierre.

Pïrenne: Vadersnaam. Zoals Perene, Perin, vleivorm van de voornaam Pierre.

Pire. Oudhoogduits Pirk, Duitse plaatsnaam Birke: berk. Maar misschien is Pire een spellingvariant van Pirz.

Pirghaye. Dubbele voornaam?

Pirick. Vadersnaam. Afleiding van Pierre.

Pirkin, Pirkenne, Pirquin, Pirquinne, Pirquenne, Pierquin, Pierquain, Pierrequint, Pierrequin, Pierre Quin, Perquin, Perkain, Perqui, Perquy, Parquin, Parqui, Perkins, Pergens, Perriens, Perrien, Perriëns: Vadersnaam. Afleiding van Pier, Peer = Pierre.

Pirla, Pirlat. Plaatsnaam Pierlas (Alpes-Mar.)?

Pirmez, Pirmé: Plaatsnaam Pire, Pierre: steen + mez, me, van Latijn mansus: woning?

Pirmolin. Plaatsnaam, 1650 Pierremolen, Grâce-Berleur.

Piron: Vadersnaam. Zoals Pierron, vleivorm van de voornaam Pierre.

Pirosson, Piroson. Vadersnaam. Afleiding met dubbele suffix van Pire = Pierre.

Pirsch. Beierse familienaam. Middenhoogduits birser, van birsen, pirschen: jagen. Bijnaam van de jager.

Pirz, Pire. Waarschijnlijk een vadersnaam. Afleiding op -zo van Peter of een bakernaam.

Pisan, Pisano, Pisani, Pisan, Pisane, Pisant, Pasaneschi, Pisanello, Pisaniello. Uit Pisa, Italie.

Piscador. Spaanse beroepsnaam pescador; visser.

Piscart, Piscaert. Picardisch piscard; visser. Beroepsnaam.

Piselé, Pisele: Wellicht van Pichelet, afleiding van pichel: kruikje, pot, maat.

Pison: 1. In West-Vlaanderen geëvolueerd uit Pinson ‘vink’. 2. Bijnaam. Oudfrans pisson, Picardisch pichon, Frans poisson ‘vis’. Beroepsbijnaam van de visser of vishandelaar.

Pissoet, Pissort, Pissort. 1. Naam uit de plaatsnaam Pissote in Asse (Vlaams-Brabant). 2. Eventueel een verschrijving van Pichot.

Pishoud, Pishoudt. Reïnterpretatie van Pissoet?

Pisman. Waarschijnlijk van Peirsman, zie Pertsman.

Pisseleu, Pisseloup, Pesleux, Pesleut, Pessleux, Pessleu: 1. Picardisch Piceleu, zinwoord met Oudpicardisch piecer: in stukken hakken. Bijnaam voor een wolvenvanger. Andere namen van wolvenvangers zijn: Karqueleu, Hurteleux, Tueleu. 2. Plaatsnaam Pisseleu in Picardie.

Pissinger, Bissinger, van plaatsnaam Bissingen, Beieren.

Pissoet, Pissoort, Pissort. 1. Plaatsnaam Pissote in Asse (Vlaams-Brabant) 2. Eventueel aanpassing van Pichot.

Pisterman. Beroepsnaam van de bakker. Vergelijk De Pester.

Pisters, Pesters, de, Pusters, Pistorius: Latinisering van pester, pister, van Latijnse pistor ‘bakker’.

Pistoor. Waarschijnlijk variant van Pastoor (met versterkte voortonige klinker).

Pistorius. Latinisering van Pester, Pister, van Latijn pistor: bakker. Beroepsnaam.

Pisvin. Bijnaam. Frans pissevin, wijnpisser, dus wijndrinker.

Pit, Put, Pitstra, Pittens, Pet. Plaatsnaam.Piteau, Pitau, Pittau, Pitel, Pittia. 1. Middenfrans piteau: boer. 2. Variant van Peteau.

Pitié, Pittié, Pitti, Pittie, Pithie, Pittier. 1. Naam uit het Franse pitié (= medelijdend): bijnaam voor een medelijdend of een meelijwekkend iemand. 2. Of bijnaam uit putier: wellusteling, losbandige.

Pitance, Pittance. Oudfrans pitanc(h)e, ook Middelnederlands pitancie: maaltijd verstrekt aan lid van kloostergemeenschap. Beroepsnaam. Oudfrans pitancier, Middelnederlands pitanciemeester: persoon belast met het beheer van de renten waaruit de pitantiën bekostigd werden, die toezicht houdt over de bedelingen, huismeester. Pitance was ook een plaatsnaam, namelijk de naam van akkers waarvan de opbrengst moest dienen voor de pitantie.

Pitchen. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Peter.

Piteurs, (de) Pitteurs: Plaatsnaam Pitteurs in Bouge (Namen). Of hypercorrect van Piteus?

Piteus. Bijnaam. Oudfrans pitos, Oudpicardisch piteus: medelijdend, meelijwekkend.

Pitiot. Bijnaam. Frans petiot; heel klein.

Pitlo: Variant van Petlo, van Frans Pettelot, van pestelot, verkleinvorm van Oudfrans pe(s)tel ‘stamper van een vijzel’. Beroepsbijnaam.

Pitman. Afleiding van Van de Pitte. Of Engelse Pitman.

Piton, Pitot, Pitton. Afleiding van Oudfrans pite: medelijdend, barmhartig, goedhartig; meelijwekkend.

Pitonville, Pithonville, Pittonvils, Pittonwils, Pittomvils, Pitomvils: Plaatsnaam Bettonville in Rukkelingen-aan-de-Jeker (Luik): 1176 Bettunville. Of van Pend(e)ville?

Pitout. Bijnaam. Oudfrans pilous: medelijdend, goedhartig; meelijwekkend. Vergelijk Piteus.

Pitrebois. Plaatsnaam Piétrebais (Vlaams-Brabant).

Pitreel. Oudfrans pétrel, van Latijn petralis: muurtje?

Pitsch, Pitschy, Pitsy, Pithsy, Pitsi: Vadersnaam Pietsch, Pitsch. Silezisch-Sorbische vorm van de voornaam Peter. Vergelijk Petsch.

Pittem, van. Plaatsnaam Pittem, West-Vlaanderen.

Pittoors, Pitoors, Patoor, Patoir. Bijnaam uit het Middelnederlandse putoor, butoor, pittoor (= roerdomp): houding, roep..

Pitz. Vadersnaam. Oudhoogduitse ontronde vorm van Butz, oude vleivorm van de voornaam Burkhard.

Pitzele, Pitzelé: Vadersnaam. Oudhoogduitse afleiding van Pitz, zoals Pitzl, Buitzl(e)in.

Pius. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Pius; vroom.

Pivin, Pivon, Pivont, Pivot: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans piu, pif: vroom, barmhartig.

Plaa, de: Vooral Vlaamse familienaam Depla, vertaald uit Frans Leplat, bijnaam voor een magere, iemand met platte buik.

Plaat, van der: Plaatsnaam Plaat ‘buitendijkse aanwas, gors’, bijvoorbeeld Colijnsplaat (Zeeland).

Plaating, Plaetinck, Plaetinckx, Platinck, Plettinck, Plettinckx, Plettincx, Plettinginx, Plettinckx, Pleetinckx, Pletinck, Pletinckx, Pletincks, Pletinchx, Pletincx, Pletinks, Pletinx, Pleitinckx, Pleitinx, Peltin, Peltyn, Peltijn, Pultyn, Pultijn, Spletinck, Spletinckx, Spletincx, Spletinx, Speltinckx, Speltincx, Spletinx, Spiltyns, Spiltijns, Spilstijns, Spilsteyns, Spilstyns. Vadersnaam. Afleiding van Germaans blad-naam, met verscherping b/p, d/t, zoals Blatbertus, Blathatrdus, Blatharius, Bladinus. De vormen met Pelt-, Spelt- door metathesis.

Plaats, van der: Verspreide plaatsnaam de Plaats(e)‘dorpsplein’, bijvoorbeeld in Hulst.

Placet, Placette, Pletschette, Pletschet. Naam uit het Middelfranse placette: het Picardische plachette: klein open plein in stad of dorp. Er is onder andere een Placette in Buissenal en Vloesberg (Henegouwen).

Placle, Placq, Plaeke, Plak. Beroepsnaam van de plakker: stukadoor, witter, lemer. Vergelijk Placquet.

Placlet, Placklé, Placqlez, Plaqlez: Vadersnaam. Variant van Paclet, Packlé (zie Pacolet), met 1-epenthesis of 1-anticipatie.

Placquet, Plaquet, Plaquette, Placqué, Plaquée: Beroepsnaam van de stukadoor, pleisteraar, Zuidnederlands plakker, Oudfrans plaquier. Zie Plaetsier.

Pladet, Pladdet: Verkorte vorm van van de Pladutse. Plaatsnaam Pladutse in Zulzeke en Melden (Oost-Vlaanderen) van plicaticium ‘omheining van gevlochten takken’.

Pladijs, Pladys. Middelnederlands pladijs: schol. Bijnaam of beroepsnaam voor visser of vishandelaar.

Pladius. Waalse verhaspeling van Van de Pladutse?

Pladutse, van de, Pladuyt. Plaatsnaam Pladutse in Zulzeke en Melden (Oost-Vlaanderen), van plicaticium 'omheining van gevlochten takken'.

Plaen, de. Bijnaam. Middelnederlands plaen: effen, vlak. Maar wellicht aanpassing van Frans Duplan. Plaatsnaam Le Plan: vlakke, effen plaats.

Plaet, Plaete, Plaetens, Platen, Plate, Platten, Pletens, Pleijte, Plaatsjes, Plaat: 1. Middelnederlands plate: plaat, deel van wapenrusting, pantser. Ook: zwaargewapende. Of beroepsnaam van de plaatmaker: 2. Waals-Vlaams plate: schol. Beroepsnaam. 3. Zie Pilaet(e).

Plaetse, van der, Plaetsen, van der, Verplaetse, Verplaetsen. Naam uit de verspreide plaatsnaam Plaats(e): dorpsplein. Vergelijk Delaplace.

Plaetsier, Plaitsier, Pletsier, Plassier. Beroepsnaam uit het Oudfranse plakieres, Picardisch plachier: pleisterwerker, muurwitter, leemplakker, stukadoor.

Plaetsmans. Afleiding van Van der Plaetse.

Plahiers, Plehier, Plehiers, Pleyiers, Pléyier, Pliers, Plier, Playé, Playez, Plaiy, Pleiy, Pley: Onzeker. Kan worden verklaard uit Oudfrans plasquier, plaquier: moeras, afleiding van Oudnederlands plask: plas. De sk wordt in Luik h. Of Waalse variant van Plaisir/Plasi(e)r, blijkens Waals plêhant/plêjant: plaisant. Verwarring en kruising met Pleyers is niet altijd uit te sluiten.

Plaideau. Afleiding van Plait.

Plainchamps, Plainchamp. Plaatsnaam Plain champ: vlak, open veld, in Cerexhe (Luik).

Plainevaux, Plaineveau, Plaineveaux, Plainnevaux, Pleinevaux, Plènevaux, Plenneveauc, Plenevaux, Pleivenaux: Plaatsnaam. Luxemburg.

Plaisant. Bijnaam voor iemand met prettig, aardig karakter.

Plaisir, Plaisier, Plaizier, Playsiere, Playsir, Plaieser, Pleisier, Pleysier, Pleyzier, Plezier, Plesier, Plysier, Plijsier: 1. Frans Plaisir, van Nederlands plezier ’pret’. Bijnaam voor een pleziermaker. 2. Reïnterpretatie van Plaitsier, Plaetsier, van Picardisch plachier ‘pleisterwerker, muurwitter, leemplakker, stukadoor’.

Plaissiet, Plessiet, Plessit. Oudfrans plaissié: omheining, haag, omheind terrein. Plaatsnaam.

Plait, Plet, Plé: Oudfrans plait: akkoord, discussie, twist, procès. Beroepsnaam voor een pleiter, advocaat. Vergelijk Pleiter.

Plaitin, Plaitain, Plétin, Pletain: Afleiding van Plait.

Plamon, Plamont. Plaatsnaam Plat Mont: afgeplatte berg. Enfla Mon in Merdorp (Luxemburg); Plamont (Puy-de-Dôme).

Plancqueel, Planqueel, Planckeel. Afleiding van Picardisch planque: (loop)plank, houten brugje, vlonder. Plaatsnaam Plankeles in Lens (Pas-de-Calais).

Plana, Planard. Afleiding van Oudfrans plain, plan: effen, eenvoudig. Vergelijk Plein. Of van Frans planer: effen maken.

Plancenoit. Plaatsnaam, Waals-Brabant.

Planchenault. Spelling voor Planchonneau, afleiding van Planchon.

Planchestainer. Plaatsnaam Plankenstein, Beieren.

Planchet, Planché: Plaatsnaam. Afleiding van Planche. Vergelijk Planchette in Chiny (Luxemburg) en Néchin (Henegouwen).

Planchon, Plançon, Plantsoen, Plansoen, Deplanchon: Oudfrans plançon, Middelnederlands plantsoen: plant, stek, poot. Beroepsnaam voor een planter of plaatsnaam.

Plancius. Humanistennaam van geograaf en theoloog Pieter Platevoet (Dranouter 1552 - Amsterdam 1622).

Plancquet, Plancké, Planquette: 1. Picardische pendant van Flanchet. 2. Variant van Placquet/Plaquette met n-epenthesis.

Plangère, Plangere. Door r/l-wisseling van Prangère: middagdutje.

Plank, Planke, Planken, van dede(r), van de(der) Plancke, Plancken, van den Plancken, van der Planck, van de(der) Planque, Verplancken, Verplanke, Verplanken, Verplancke, Plank, Plenk, Planc, Planq, Plancke, Plancque, Planque, Plancké, Planken, Planques, Plankaart, Plankaert, Planckaert, Plaenckaert, Plancquaert, Plancquart, Planquaert, Planquart, Planchar, Planchard, Planchaert, Planchart, Planchat. Plaatsnaam Plank ‘loopplank, houten brugje’. Of mogelijk de beroepsnaam voor diegene die op die overstap (plank) tol vroeg.

Plantade. Plaatsnaam (Aveyron): boom- of wijngaard.

Plantefeber: Vervorming van de familienaam Plantefève ‘bonenplanter’.

Plantefêve, Plantefeve, Plantefever. Beroepsnaam Plante fève: bonenplanter.

Plantenberg. Reïnterpretatie (door n-epenthesis) van plaatsnaam Plattenberg (Noordrijn-Westfalen) of Plettenberg bij Soest (Noordrijn-Westfalen). Zie ook Platenburg.

Planter, de, de Planterd. Middelnederlands planter: planter, grondlegger, stichter.

Plantin, Plantain, Plantyn, Plantijn, Plantinga, Plantenga, Plantema, Planting, Planten, Plantinus (Plantyn of Plantijn te Antwerpen) . Oudfrans plantin, plantain: plantsoen, aanplanting. De grote Antwerpse drukker Christoffel Plantijn was in 1514 in Tours geboren als Plantin. († 1589, Antwerpen).

Plantoir. Beroepsnaam van de planter.

Plapied. Bijnaam Plat pied: platvoet. Zie Plaetevoet, Piedplat.

Pilard, Plart. Samentrekking van Pilard, Pilart?

Plantsoen, Plandsoen, Plansoen: Frans Planchon, van Oudfrans plançon, Middelnederlands plantsoen ‘plant, stek, poot’. Beroepsbijnaam voor een planter of plaatsnaam.

Plas, Plasch, Plaes, Ples: Verkort uit van den Plas(ch) of van der Plast. 1313 Jan van der Plast (beleend met het hof ) ter Plast, Laken. 2. Soms eventueel verschrijving voor Place.

Plas, van den, van de(der) Plasse, van de Plassche, van den Plasch, van de, den, der Plassche, van der Plasschen, van der Plaschen, van der Plasken, van der Plaes: Plaatsnaam Plas, ten Plassche ‘plas, waterplas’. Soms van Van der Plast (zie Plas). Plaatsnaam Plast: plaats met plassen.

Plaschaert, Plasschaert, Plaeschaert, Plaesschaert, Plascaert, Plasskaert: Afleiding van Van den Plas(sche).

Plas, de, de Plasse. 1. Vernederlandsing van Déplace. 2. Verkort van Van den Plas(sche). Zie Plas.

Plastki, Plaskie, Plasky, Plaskij, Plasqui, Plasquy. Oost-Duits – Slavische afleiding van de voornaam Blasius. Duitse familienaam Blaske, Blaschke, Plaschke.

Plasmans, Plasman, Plasmann, Plasmanne, Placeman: Afleiding van van den Plas.

Plasria, Plastria, Plessaria, Plesseria: Waalse familienaam beantwoordt aan Franse familienaam Plassereau. Plessaria afleiding van Middenfrans plessier: vlechter van twijgen voor heggen, wanden. Of evenzeer komt Picardisch plachier (zie Plaetsier) in aanmerking: pleisterwerker, leemplakker. Hoewel de twee woorden een etymologisch andere oorsprong hebben (respectievelijk plectere: vlechten en plakken), toch kan het om hetzelfde beroep gaan: de leemplakker strijkt leem op gevlochten wanden.

Plassard, Plassart, Plasson. 1. Afleiding van Frans Plasse, Place. 2. Plassart kan variant zijn van Plasschaert.

Plasschaert, Plaschaert, Plaesschaert, Plaesschaert, Pascaert, Plasskaert: Afleiding van van den Plassche, “plas’ waterpartij.

Plastria. Of variant van Plasria (allebei in Waals-Brabant). Eventueel met 1-epenthesis (vergelijk Plantecoste, va Pentecoste) van familienaam Pastoureau.

Platvoet, Platevoet, Plaetvoet, Plaetevoet, Plevoets: Bijnaam voor iemand met platvoeten. Engels Platfoot, Duits Plattfuss.

Plat, (de), de Plaedt. Kan een Nederlandse familienaam zijn: Middelnederlands plat: vlak, effen, mager. Maar kan ook vernederlandsing zijn van Leplat. Vergelijk Depla.

Plat, Platje, Plaats, Plate. 1. Een plat(te) of platje is een benaming voor een slimmerik, een schelm, een geslepen persoon. Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld Platte Tijs, een beruchte rover uit de 18de eeuw (in Noord-Holland) en de zegswijze 'een platte Jan' of 'een platte Peer' voor een slimmerd of een geslepen mens. 2. Schipper van een plat, waarmee in Noord-Holland een platboomde boerenschuit met platte achtersteven wordt bedoeld en elders ook een soort botter, vergelijk het Platje van Maassluis. De naam Plat is dan onder meer een equivalent van Kwak(man) en Quak. Hierbij willen we ook refereren aan de bijnaam De Platjies voor een tak van de familie Spaargaren te Aalsmeer. Deze tak heeft zijn bijnaam aan weer een andere platte bodem te danken, namelijk die van de aardbeienplatten, de platte aardbeienmanden die zij gebruikten. 3. Wonend op een plek die (het/de) Plat wordt genoemd, bijvoorbeeld duidend op een vlak terrein of een ondiepe heideplas in Drente; vergelijk Van der Plaat. Zo kunnen Engelsen met de naam Platt hun 'roots' vinden bij Platt, benaming van een planken brug in Lancashire, of in het dorp Platt bij Rusholme, Manchester.

Platane. Plaatsnaam. Boomnaam; plataan.

Platschorre, Platteschor, Platteschorre, Platschart: Plaatsnaam Platte Schor ‘aangeslibd of buitendijks land’ (Zeeland). Plaatsnaam in Oudenlande (Zeeland). De naam werd achteraf geherinterpreteerd als Platschaert.

Plattel, Platel, Platelle, Platteel, Plateel, Plateau, Plateaux, Platteau, Platiau, Plattiau, Plotieau, Planteau, Platieu, Platieux, Platieau, Platteauw, Platjouw, Plotjauw, Plaijouw, Platteeuw,, Platay, Platteuw, Platteuw, Platjouw: Oudfrans platel, Middelnederlands plateel ‘platte schotel’. Frans plateau. Platteeuw is de weergave van de Picardische uitspraak. Beroepsbijnaam van de schotelmaker.

Platenburg. Waarschijnlijk variant van Nederlandse familienaam Plettenburg. Plaatsnaam (Noordrijn-Westfalen). Maar aangezien berg en burg vaak verward werden, kan de familienaam ook op plaatsnaam Plattenberg teruggaan (zie Plantenberg).

Platerink (van), Van Plateringen. Naam afkomstig uit de plaatsnaam Platering/k (locatie nog onbekend). De plaatsnaam Platering/k betekent wellicht: horend bij de stam van ene Plate.

Plateus, Platéus, Platëus: Latinisering van Leplat?

Platevoet, Plattevoet, Plaetevoet, Plaetvoet, Plevoets. Bijnaam voor iemand met platvoeten.

Platon, Platton. 1. Plaatsnaam Platon: vlak terrein, in La Gleize (Luik). 2. Middenfrans. platton: plaat (metaal) Beroepsnaam. Vergelijk Plaete.

Platschorre. Platte schor, aangeslibd of buitendijb land (Zeeland). Plaatsnaam in Oudnlande (Zeeland). De naam werd achteraf gereïnterpreteerd als Platschaert.

Platteborse, Platteborze, Plattenbos, Plattenbosch. Bijnaam voor iemand met een lege beurs, zonder geld.

Plattner, Plättner, Plettener, Plettner: Beroepsnaam. Middennoordduits pletener, Middelnederlands platenaer: platenmaker, harnasmaker, wapensmid.

Platbàcker, Platbecker: Duitse beroepsnaam: bakker van vlaaien, koeken.

Plaum. 1. Middelduitse vorm van Middenhoogduits plume, van Latijn pluma, Duits Flaum, Nederlands pluim. Vergelijk Pluim. 2. Eventueel Middenhoogduits phlûme, van Latijn pruna, Duits Pflaume: pruim. Vergelijk Pruim.

Plavé. 1. Waarschijnlijk variant van Pavé, met ingevoegde 1 (vergelijk Nederlands plaveien). 2. Eventueel variant van Plové.

Plâtzer: Afleiding van de Duitse plaatsnaam Platz ‘plein’.

Pleck, Pleeck, Pleick: 1. Middelnederlands pleke, plecke: vlek, zere plek. Bijnaam naar een huidaandoening. 2. Variant van Placke. Vergelijk De Plekker.

Pleckspaen. BerBoepsnaam; spaan gebruikt door de plekker, plakker, stukadoor.

Plein, Pleim, Pleines, Pleyn: Bijnaam. Oudfrans plain: eenvoudig, van Latijn planus.

Pleisters, Pliester, Pliesters, Pleesters, Plesters, Spleesters, Pletser, Pletsers, Pletzer, Plessers, Pesser, Pessers. Beroepsnaam voor de pleisterwerker, de stukadoor. Pesser(s) is de Luikse variant. Of uit het Duitse pliesten: slijpen, polijsten.

Pleiter. Beroepsnaam van de pleiter, advocaat.

Pleivenaux. Metathesis van Plainevaux.

Plekkenpol: Plaatsnaam Plekkenpoel, Plekenpol bij Winterswijk (Gelderland): 1227 Bleckincpole.

Plekker, de, de Plecker, de Plerker. 1. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse placker, plecker: witter, stukadoor. 2. Mogelijk ook uit het Middelnederlandse plecken: villen. Beroepsnaam van de viller/vilder.

Plenecassagne. Zuid Franse plaatsnaam. Cassagne; kastanje,( eik?).

Plenger, Plingers. Afleiding van Middelnederlands plengen; mengen.

Plets, Pledts, Splets. Onduidelijk. Misschien bijnaam uit het Middelnederlandse bijwoord plets: geheel en al, helemaal. Mogelijk voor iemand die dat woord vaak gebruikte.

Pletser, Pletsers, Pletzer, Plessers: Waarschijnlijk variant van Plesters (metathesis); vergelijk trouwens Pletsier.

Plette: Wellicht bijnaam de Platte ‘magere’, vergelijk de Plaa.

Pleunis, Pleune, Plune: Vadersnaam. Polleunis uit de Latijnse heiligennaam Apollonius ‘tot Apollo behorend’.

Pleusie: Misschien Italiaans Pelosi, van peloso ‘harig, behaard’.

Pleijs: Plaatsnaam? 1550 Zebert van Pleys, Sint-Oedenrode.

Pleyers, Pleijers, Pleier, Plier, Pliers, Pleers, Plees, Pleérs. Pleien betekent in het Middelnederlands pret hebben, juichen, dansen en springen van vreugde. Een bijnaam dus voor een zeer vrolijk iemand.

Pleyn, van der. 1. Ontrond van Van der Pluyen. 2. Plaatsnaam Plein?

Pleijt, Pleijte: Oudfrans Plait ‘akkoord, discussie, twist, proces’. Beroepsbijnaam voor een pleiter, advocaat.

Plice. Oudfrans pelice; bont. Bijnaam of beroepsnaam.

Plichard, Plichart, Plissart. Naam uit het Oudfranse pelice: bont. Beroepsbijnaam van de bontwerker.

Plichon, Plisson, Plyson: Oudfrans peliçon: bont, met bont gevoerd kledingstuk. Beroepsnaam van de bontwerker of bijnaam naar de kleding.

Plinchon. Variant van Pinchon of Plichon.

Plinke, Plinck. Nederduitse familienaam (vooral Hannover). Middennoordduits plinken: knipogen.

Plisniers, Plisnier, Plissenier, Plismy: Beroepsnaam. Oudfrans peleçonier: bontwerker.

Plissart de Brandignies. Dubbele (lagere) adellijke familienaam. Zie bij Plichard. Brandignies werd in 1977 aan de naam toegevoegd. Het is de naam van het oude familie-eigendom in Henegouwen.

Ploegman, Ploeghman, Ploeghmans. Beroepsnaam van de ploegman: ploeger of ploegenmaker. Zie Plumacker.

Ploeg, de, Ploegh, Ploog, Plog, de Ploch, Plugge, Plug: Beroepsnaam voor de ploeger of huisnaam.

Ploeg, van (der). Familienaam uit de plaatsnaam Ploeg: onder andere in Bonheiden, Brasschaat, Herselt, Kallo, Haasdonk, Moorsel, St.-Andries.

Ploeg, van de(der), Verploeg: Plaatsnaam of huisnaam de Ploeg.

Ploegaart, Ploegaert, Ploeger, Pluijgers: Beroepsnaam van de ploeger, landbouwer.

Ploegmakers. Beroepsnaam van de ploegenmaker.

Plomp, Plompe, Plompen: Bijnaam voor een lomperd, die plomp, dom is.

Ploegmakers, Ploemacher, Pluijmaekers, Pluymaekers. Beroepsnaam.

Plom, Plomb, Pion, Leplomb: Frans plomb: lood. Beroepsnaam van de loodgieter.

Plombeur, Plombier, Plumier. 1. Franse beroepsnaam van de loodgieter. 2. Beroepsnaam van de keurmeester van lakens, die de gekeurde lakens met een loodje merkte.

Plomion, Plumioen. Plaatsnaam Plomion, Aisne.

Plomp, Plompen. Bijnaam voor een lomperd die plomp, dom is.

Plomteur, Plomteux, Plomdeur, Plompteux. Beroepsnaam. Oudluiks voor Plombeur: loodgieter.

Plottier, Pelotier. Van Oudfrans pelote; bal.

Plouette, Ployette. Waals plouyète: gebogen stokje ?

Plouvier, Plevier, Plouviez, Plouviet, Pluvier, Plovier, Plovie, Plové, Plovy, Plovyt, Plovijt, Plouy, Plowy, Pluy, Pluij, Pluijs: Picardisch plouvier, Frans pluvier ‘pluvier, plevier, regenvogel, regenfluiter’. Bijnaam voor een fluiter.

Plowman. Engelse equivalent van Ploeghmans.

Ployaert, Ployart. Afleiding van Middenfrans ploier: plooien, vouwen, (ook) betalen.

Pluchart, Pluchard, Plouchard. 1. Beroepsnaam. Van Oudfrans peluchier, Frans éplucher: noppen, pluizen, reinigen (van laken). 2. Geronde variant van Plichart.

Pluche, Pluss, Plusse, Plus, Pluys, Pluijs. Beroepsbijnaam van de nopper, pluizer: die het laken van onzuiverheden ontdoet.

Pluchet, Plusjé: Franse variant van Pluquet.

Pluim, Pluijm, Pluym, Pluymen, Pluimen, Pluem, Plum, Plume, Plumes, Plumen, Ploem, Ploemmen, Ploemen, Plom, Ploum, Ploumen. Beroepsnaam voor de pluimenverkoper of de kippenplukker.

Pluimgraaff: Beroepsnaam. Middelnederlands pluumgrave ‘ambtenaar belast met het opzicht over het pluimvee van ene voornaam persoon’. Vergelijk familienaam Hanegraaf.

Plukker, de, de Plucker, Pluckers: Bijnaam of beroepsnaam voor de plukker van vruchten, bloemen.

Plumacker, Plumacher, Plummacher, Ploemacher, Plumacher, Pleumakers, Pleumeekers, Pleumeckers, Pluymaekers, Pluymakers, Pluymaeckers, Pluymackers, Pluijmackers, Pluijmeekers: Beroepsnaam van de ploegenmaker.

Plumans, Plumanns, Plouman, Plumhans, Ploumhans: Beroepsnaam van Ploegman(s). Zie Plumacker.

Plumart, Plumat. Afleiding van Frans plume: pluim, veer, dons. Beroepsnaam van de koopman in dons of van kippenplukker, vergelijk Plumecocq.

Plumecocq, Plumecoq. Beroepsnaam: die een haan, kip, vogels plukt, (dialect) pluimt, een plukvogel. Vergelijk Plumejeau (jau, van Latijn gallus: haan), Duits Plûckhahn.

Plumerel, Plumeret, Plumerault. Afleiding van Plumier.

Plumet. Frans plumet, afleiding van plume: pluim, veer. Oudfrans garçon plumet: onbezonnen jongeman, melkbaard.

Plumot. Afleiding van Frans plume. Vergelijk Plumet.

Plun. Vaders-, moedersnaam van heiligennaam Apollonius, Apollania.

Pluquet, Plouquet, Plusquin, Pluquin, Pluskin: Afleiding van Oudfrans pelux, van Oudfrans peluchier, van Latijn piluccare, afleiding van pilus, Frans poil (haar): ontharen, pluizen, noppen, zuiveren. Beroepsnaam van een nopper van laken, vergelijk Pluchart. Vergelijk Waals plukin: pluksel. Plusquin, Pluskin kunnen we ook als afleiding beschouwen van Pluche, Plu(y)s, wat op hetzelfde neerkomt.

Pluta, Pluttart. Poolse familienaam, achteraf gereïnterpreteerd als 'plus tard'. Poolse bijnaam, dialect pluta: slecht weer, regen

Pluijm, Ploum, Plaum: Beroepsbijnaam van de pluimenkoper of de plukker van kippen.

Pluijm, van der, Pluym, van der, van der Pluyen, van der Pleyn, Pluim: Huisnaam De Pluim. Of beroepsnaam van een pluimenkoper of plukker? Zie Pluim.

Pluymer, de, Pluymers, Pluijmers, Pluimers, Plumer, Pluijmert: Beroepsnaam. Middelnederlands plumer ‘kussen-of dekenstikker’.

Plijter: Spelling voor Pleiter. Beroepsnaam van de pleiter, advocaat.

Poche. Oudfrans po(u)che: zak, tas. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Pochet.

Pochet, Pochez, Poschet, Poechet, Polchet, Pocquet, Poquet, Poquette, Pocket, Poket, Pouchet, Pouquet, Pocet, Posset, Possé, Posse, Pauchet, Pauquet, Puaqué, Passet, Passez. 1. Naam uit het Oudfranse po(u)chet, pauchet, Normandisch pouquet, Picardisch pauquet: zakje, beursje. Beroepsbijnaam voor de beurzenmaker. 2. Zie ook Poucet.

Pockelé, Pockele, Poclet: 1. Zie Pacolet. 2. Eventueel Picardisch pokelet, paukelet, afleiding van Picardisch pauke: zak, tas. Vergelijk Pochet. 3. Soms variant van (van) Backelé.

Podevin, Peutevijnck: Frans Poitevin, Middelnederlands po(i)tevijn ‘inwoner van Poitou, de streek van Poitiers’.

Podor, Podoor, Potdor: Huisnaam Pot d'Or: De Gouden Pot.

Poeck, Poecks, Poeckx, Pok, Pocque: 1. Middelnederlands poke, poeck: dolk, steekmes. Bijnaam voor een messentrekker, vechter. Vergelijk Nederduits Poock. Zie ook Poeker(s). 2. Middelnederlands pocke, poeck, Picardisch pauke: zak, tas. Vergelijk Poche.

Poecke, van, van Pouck, Poeke van, van Poeck, van Poucque, Verpoucke: Plaatsnaam Poeke (Oost-Vlaanderen).

Poeckens, Poukens, Peukens, Peukenne: Limburgse familienaam en Luikse aanpassing op -enne. Vadersnaam. Wellicht van Pakens, van Paque, Pasquier.

Poeker, Poekers, Poeckers. 1. Van Middenenderlands poken: steken, stoten, duwen. Vergelijk Duits pochen. Bijnaam voor een vechter. Vergelijk Poeck 1. 2. Afleiding van OostMiddelnederlands poken: pochen, bluffen. Bijnaam voor een opschepper. Ook Duits Pocher, Bocher.

Poekes. Familienaam in Luxemburg, zoals Poeckes. Waarschijnlijk vadersnaam zoals Poeckens.

Poel, van (der) Poele, van de(den), van (der) Poel, van der Poele, van Poulle, van Poele, Poelstra, Poelsma, Polstra, van der Poelen, Vanterpool, van der Puijl, Poelaert, Poelart. Verspreide plaatsnaam Poel; waterpoel als Oud Poelgeest in Oegstgeest.

Poellaer, Poellaert, Polaert, Pollaert, Pollard, Polard, Polart, Verpoelt, Verpoylt, Verpuylt: Verspreide plaatsnaam Poel ‘waterpoel’.

Poelgeest, van. Plaatsnaam bij Oegstgeest, Zuid-Holland.

Poelhekke, Poelhekken: Plaatsnaam ‘hek bij een poel’.

Poelje, van, Vampouille, Vampoulle, van Poullie: 1. Plaatsnaam Le Pouille(Fouille) in Haut-Pont (Sint-Omaars). 2. Huisnaam La Pouille (fouille) ‘de kip’. Vertaling van Dépouille; zie Lapouille. 3. Eventueel plaatsnaam Poeliën bij Gouda. Of Middelnederlands Poelge, Poeliën ‘Apulië’.

Poelmans, Poelmann, Poelman, Poelemans, Poelleman, Poulman, Poulmans, Pouelmans, Pulman, Pulmans, Polman, Polemans, Polmans, Poolman: Afleiding van van den Poele.

Poelvoorde (van), Pollefoort, Pollefort. Familienaam naar de plaatsnaam Poelvoorde= oversteekplaats over de poel/beek, in Egem, Ruiselede, Wingene. (West-Vlaanderen). Zie ook Blaas.

Poepelen, van: Plaatsnaam. Middelnederlands Popel ‘populier’.

Poer. Waarschijnlijk hypercorrect van Van Poeyer.

Poers, de. Wellicht een Vlaamse aanpassinge van de familienaam Duporche, in Vlaanderen en Picardie gesitueerd. Plaatsnaam Porche: portiek, portaal.

Poerstamper, Poerstomper: Beroepsnaam van de poederstamper ‘fijnstamper van buskruit of van kleurstof’.

Poest, van der, Verpoest: Plaatsnaam Ter Poest ‘koestal’.

Poète, Poëtte: 1. Middelnederlands, Waals-Vlaams poète, Oudfrans pute: hoer, lichtekooi. 2. Oudfrans, Frans poète, Middenenderlands poète: dichter, schrijver? 3. Poëtte kan Waalse vorm zijn van Normandisch Pouettre; zie Pouêtre.

Poets. 1. Zie (de) Pot. 2. Verschrijving voor Poetsch?

Poeyer, van, van Poeyr, van Poyer, van Poyel, Poeijer van: Plaatsnaam Poeier, Poeiel, lokale uitspraak van Poederlee (Provincie Antwerpen).

Poggman, Poggemann, Paagman. Afleiding van Oostmiddenenderlands en Nederduits pogge: pad, kikker. Vergelijk Nederduits Poggenpohl: paddenpoel, Westfaals Poggemeyer.

Pohlmann, Pohlmeyer, Pohlmuller. Man, pachter, molenaar bij een poel.

Poidlin, Poidlins. Frans poids de lin: gewicht, hoeveelheid vlas ?

Poignaert, Poignart, Poignard, Poignaert, Poinart, Ponjaert, Pogna, Pognat, Poonja: Afleiding van Frans poing ‘vuist’. Bijnaam voor een vuistvechter, iemand die op de vuist gaat.

Poignant. Bijnaam van Frans poing: vuist. Vergelijk De Vuyst, Poignard.

Poignie, Poignié, Poignet, Poinet, Pongie, Ponjee, Ponjée, Punie: Oudfrans poignet: pois; of afleiding van poing: vuist.

Poilvache, de Poislevache: 1. Beroepsnaam Poile vache: vil (de) koe, dat is een koeviller. Vergelijk Poilvé, Pollevèche, Nederduits Pagenvilre: paardenviller. 2. Plaatsnaam in Houx (Namen). Plaatsnaam in Dormaal (Vlaams-Brabant).

Poilvé, Pelvé: Zinwoord. Oudfrans peler (verward met Oudfrans peler, van Latijn pilari: ontharen, vandaar de vorm poil): villen; Oost Waals vé, van Latijn vitellus, Oudfrans vedel, veel: kalf. De variant Pellevat bevat dialect va: kalf in Pont-Audemer (Eure). Beroepsnaam van de kalverviller. Vergelijk Poilvache, Duits Kalbfelle.

Poincignon, Poinsignon: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Ponce: Pontius.

Point, Points. Frans point: punt? Vergelijk Punt. Of Franse vorm voor heiligennaam Pontius; vergelijk plaatsnaam St-Point ?

Pointe, Ponte, Lepoint, Lepointe, Lapointe: Waalse vorm van Oudfrans pointre, peintre: schilder; of Middelnederlands pointer: ambtenaar die de hoofdelijke omslag bepaalt, zetter van de belastingen. Zie ook Punt.

Poire, Poirre. Beroepsnaam van de perenteler, perenverkoper.

Poissonnier: Beroepsnaam van de vishandelaar.

Poirier, Poirie, Poiriez, Poirrier, Poiry, Pourrier, Pourier: 1. Plaatsnaam of huisnaam Au Poirier: Perenboom. 2. Oudfrans porier: preihandelaar, preiteler, groentekweker.

Poirson. Hypercorrecte spelling voor Poisson.

Pois, Poels, Poelst, Pools, Poils: 1. Vadersnaam. Variant van Pauwels, via Franse vorm Paul, Pol. Zie Paul. 2. Bijnaam. Middenenderlands pol: boel, minnaar, bedrogen echtgenoot, hoorndrager.

Poisseroux. Plaatsnaam in Warzée, Marchin (Luik).

Poissinger. Afleiding van Duitse plaatsnaam. Vergelijk Pôsinger, van Pôsing (Beieren).

Pol, Poel, Pool: 1. Vadersnaam. Pol, spelling voor Frans Paul. 2. Bijnaam. Middelnederlands pol‘ boel, minnaar, bedrogen echtgenoot, hoorndrager’. 3. Korte vorm voor van de Pol, resectievelijkvan der Poel.

Poisson, Pichon, Pisson, Pison, Pysson, Pyson, Pijsson, Pijson, Pizon, Pitschon, Le Pichon: Oudfrans pisson, Picardisch pichon, Frans poisson: vis. Beroepsnaam van visser of vishandelaar. Vergelijk De Vis(ch).

Poissonnier, Poissonier, Poissoniez, Poisonnier, Pisonnier, Pisonier, Pissonnier, Pisnier, Pisnière, Pichonnier, Pischeny, Picheny, Pecheny: Beroepsnaam van de vishandelaar.

Poitevin, Poittevin, Potavin, Potvin, Podvin, Poidevin, Podevin, Podevins, Poddevin, Potdevin, Podevain, Podevijn, Podevyn, Peudevin, Peutevinck, Peutevynck, Putefin, Putteveyn. Familienaam uit het Franse Poitevin, Middelnederlands poitevijn of potevijn: inwoner van de Poitou, de streek van Poitiers.Vienne.

Poitier, Poitiers, Poitiez, Poittié, Poittie: Oudfrans putier, Middelnederlands putier, poytier: hoereerder, pooier; vagebond.

Poitoux, Poitous, Poetou. 1. Plaatsnaam Le Poitou, de streek van Poitiers. Vergelijk Poitevin. 2. Misschien reïnterpretatie van: ±1300 Vinchans Potous.

Poivre, Lepoivre, Lepeve, Lepever, Lepève, Lepelve, de Pever, Peever: Frans poivre, Normandisch peivre: peper. Beroepsnaam van de peperhandelaar. Vergelijk Pepermans.

Poix, Poiz. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Poix (Nord, Somme, Marne, Ardeche). 2. Of uit het Franse poix: pik. Vergelijk Peck. Beroepsbijnaam. 3. Of uit het Franse pois: erwt. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Poizat, Poijsat, Poysat, Puysat: 1. Oudfrans pesaz, pesas, van Middenlatijn pisacium, van pisum, Frans pois: erwt. Poisas: erwtenstro, erwtenpeul. Beroepsnaam van de erwtenboer. 2. Oudfrans pesaz, van Oudfrans pois, Frans poids: weeghaak, unster. Beroepsnaam van de weger.

Pol, van de(den, der), van de Poll, van der Poil, Vandrepol, Vanterpool: Plaatsnaam Pol ‘opgeworpen hoogte, zandheuveltje, hoge plek, eilandje’. Pol (Nederlands Limburg), De Pol (Overijssel, Drenthe).

Polaert, Pollaert, Pollaerts, Pollard, Pollard, Polart, Polar. 1. Zie Poelaert. 2. Zie Paulard. 3. Zie (van) Pollaert. 4. Afleiding van wrkwoord polen: pellen, doppen. Vergelijk Pollers, Peellaert.

Polak, Polack, Pollak, Pollac, Pollack, Polakiewicx, Polakoff, Polakowski: Volksnaam van de Pool.

Polane: Bijnaam. Middelnederlands polane ‘omgekrulde punt van de schoenen’.

Polanen, van. Landnaam Polanen ‘Polen’. Ook naar Polen vernoemde plaatsen Polanen (Noord-Holland, Utrecht, Zuid-Holland).

Polder, (van de): Plaatsnaam Polder.

Polderdijk: Plaatsnaam (Zuid-Holland).

Polderman, Poldermans, Poltermann: Afleiding van van de Polder of beroepsnaam van een polderboer.

Poldervaart. De stamreeks van deze Nederlandse famille begint met 1608 Adriaan Jorisz, Vlaardingen-Ambacht, wonend aan de Poldervaart en bijgenaamd Op de Poldervaart.

Pole, Polen, Polenne, Pohle, Pohl, Pohlen, Poolen, Pool, Pollen: 1. Herkomstnaam van de Pool. Vergelijk Polak. 2. Vadersnaam. Romaanse spelling van de voornaam Paul. Pollen, Pollema en Polsma met Polsius in Friesland, Polling in Drenthe, aan Pols en Pollsen, waarschijnlijk ook aan Pol (in Friesland), en aan de plaatsnamen Polleben, dorp bij Eisleben in Saksen; Polling, dorp bij Weilheim in Beieren; Pollhorn bij Rendsburg in Holstein, moet een mannenvoornaam Pol of Polle ten grondslag liggen—al is die naam niet te bewijzen. Deze naam zal wel één zijn met de Friese mansnamen Pelle en Palle, waarvan Pelsma, Pels, Pellens en Van Pellecom, met Palma, Palsma en Pals.

Polen, van. Afkomstig van Polen. Eventueel reïnterpretatie van Van (den) Poêle.

Polet, Pollet, Pollé, Poleij, Poley: Vadersnaam. Spelling voor Frans Paulet, verkleinvorm van de voornaam Paul.

Polfliet, (van) Polvliet, Pollefliet, Palfliet, Parlevliet: Plaatsnaam Polfliet in Hulsterambacht, Polvliet in Kluizen, Oost-Vlaanderen: 1281 Polflit; Polfliet, Polvliet in Kluizen (Oost-Vlaanderen). Middenenderlands pol: hoge plek, eilandje.

Poli, Poly. Bijnaam uit het Oudfranse poli: bevallig, beschaafd.

Polidor, Polidori, Polidoro. Vadernaam. Grieks Polydorus; met veel giften.

Polinard, Polinet. Vadersnaam. Afleiding van Polin, Paulin, van de voornaam Paul.

Polk, Polke. Vadersnaam. Silezische korte vorm van Slavisch Boleslaw.

Pollaert, (van), Polaert, Pollard, Polard, Polart: Plaatsnaam Pollaert (Vlaams-Brabant) of Pollare (Oost-Vlaanderen).

Pollaris, Pollari, Polaris. Vadersnaam, verkorting van de heiligennaam Apollinaris.

Pollard: Paulard, afleiding van de voornaam Paul.

Pollentier, Poultier. Beroepsnaam uit het Oudfranse pouletier, polletier; poelier, pluimveehandelaar.

Pollepel. Bijnaam voor de (pol)lepelmaker. Vergelijk De Lepelaer.

Poller, Pollers, Polders, Polder, Poelder, Peulders, Pouders: Afleiding van Middelnederlandse werkwoord polen, peulen: pellen, doppen. Vergelijk Peellaert, Pollaert. Pouders is een Limburgse hypercorrecte vorm voor Polders.

Polleunis, Polleunus, Poleunis, Poleunus, Pleunis, Pleune, Pleunes, Pollenus, Polenus, Plenus, Plénus, Plunus: Vadersnaam van Latijnse heiligennaam Apollonius 'tot Apollo behorend'.

Polleur. Pouler, Poleur. Plaatsnaam Polleur, Luik.

Pollevaiche, Polvèche, Paulvaiche, Polleveys, Pollefeys, Pollefeyt, Pollefyt, Pollefait, Pollevydt, Pollevijdt, Polfiet: Polvaiche, Polweche is frequent in Béthune en Atrecht in 1820. Polvaiche, Polveche is een dialect variant van Poilvache: koeienviller. Vergelijk Oudfrans vaiche, vaichelin = vachelin, vaichin = vachin. Pollefeyt kan ook uit Poilvé worden verklaard, vergelijk variant Pelvey. Pollefait is een herverfransende spelling. Pollefyt en Polfiet zijn duidelijk beïnvloed door Polfliet.

Pollmann, Pollmanns. Oudhoogduitse variant van Duits Bollmann, van plaatsnaam Boll: ronde heuvel. Vergelijk Boll.

Pollie: Pollier, Poulier. Beroepsnaam van de poelier, de pluimveehandelaar.

Polkamp: Plaatsnaam Polkamp in Oosseld (Gelderland).

Pologie. Spelling voor Polagier, afleiding van Oudfrans polage: gevogelte, pluimvee; synoniem met poulailler: poelier, handelaar in gevogelte.

Polomé, Poleme: Volgens de familieoverlevering een Porugese familienaam. Of een variant van Bolomé.

Pols, Poels, Poelst, Pools, Poils. 1. Vadersnaam, variant van Pauwels. Zie Paul. 2. Bijnaam uit het Middelnederlandse pol: boel, minnaar, bedrogen echtgenoot.

Polspoel, Spolspoel, Pospoel. Bijnaam voor iemand die in de poel polst: die met de pols roert om de vis op te jagen, die in het water woelt. Of zelfs overdrachtelijk voor een woelwater.

Polyte, Polite. Vadersnaam. Verkort van familienaam Hippolyte, Griekse heiligennaam Hippolytus.

Polzer, Polinder. Wellicht zijn beide Duitse knuffelvormen van de heiligennaam Paulus.

Poma. 1. Italiaanse familienaam Poma: appel. Bijnaam. Vergelijk Appels. 2. Waalse vorm van Pomart.

Pomart, Poma, Pomat, Poumaer, Poumaert. 1. Afleiding van pomme: appel. Vergelijk Appelmans. 2. Plaatsnaam Pommard (Côte-d'Or).

Pombereu, Pombreu, Pambreu, Prémereur, Premeruer: Pombreu (met dissimilatie m/mb) van Franse familie-, plaatsnaam Pomereu, van Latijn pomeriolum: kleine boomgaard (met appelbomen), bijvoorbeeld Pommeroeul (Henegouwen), Pommereuil (Nord), Pommereux (Oise, Seine-Mar.). Prémereur (met epenthetische r) van hypercorrect Pommereur, van Pomereu.

Pomerant, Pomeranc, Pommerenke. Naam van de Pommer, inwoner van Pommeren (Pomerania, nu Polen).

Pommé, Pommez. 1. Naam uit het Oudfranse pomé: appelcider. Beroepsbijnaam voor de maker of bijnaam voor de 'gebruiker'. 2. Zie ook Pommée.

Pommée, Pomey. Naam uit het Middelnederlandse pomeye, het Oudfranse pomée: appelmoes. Naam voor de producent of de liefhebber. Zie ook Pommé.

Pompe, Pompen, Pump. Beroepsnaam van de pomper, die water uitpompt.

Pompe, van der: Plaatsnaam Pomp in Middelstum (Groningen). Of beroepsnaam van de pomper, die water uitpompt.

Pompernolle: Ongetwijfeld een verhaspeling van Compernolle, door anticipatie van de p.

Pompoene: vroeg Nederlands pompoene, van Oudfrans pompon, pe ‘pompoen’. Bijnaam. Pon, du, zie du Pont.

Ponce, Poons, Pons, Poms, Ponche, Spoens, Spons, Poncet, Poncé, Ponchez, Poncel, Pomsel, Pinceele, Ponseel, Ponseele, Ponceau, Ponciau, Ponchau, Ponchaut, Poncheau, Poncheaux, Poncelet, Ponchel, Ponchelet, Ponselet, Ponslet, Ponsselet, Poincelet, Poincelot, Sponselee. 1. Vadersnaam of moedersnaam uit de Waalse voornaam Ponse, die komt uit de Latijnse heiligennaam Pontius of Pontiana. 2. Zie ook Poncelo.

Poncelo, Pomsel, Ponseel, Ponseele, Ponceele, Ponscele, Pontseel, Pontseele, Pontzeele, Ponceau, Pociau, Ponchau, Ponchaut, Ponchaux, Poncheau, Poncheaux, Poncelet, Ponchel, Ponchelet, Ponsselet, Ponselet, Ponslet, Sponselee. 1. Vadersnaam of moedersnaam: zie Ponce. 2. Naam uit de plaatsnaam Poncel, dit uit het Latijnse ponticellus, dit uit pons: brug. 3. Zie ook Duponchellle.

Ponchard, Ponchart, Ponsard, Ponsar, Ponsaert, Ponsarts, Ponsars, Ponsaers, Poinsart: 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Ponce.

Ponchon, Ponson, Pinson, Penson, Pinchon: 1. Frans poinçon, Oudfrans ponchon, van Middenlatijn punctio(nem), Middelnederlands poenchoen, pinchoen, poensoen, pintsoen: werktuig om op metaal een waarmerk aan te brengen, keurmerk. Beroepsnaam van de keurmeester, vaak van edelsmeedwerk. 2. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Ponce.

Poncin, Ponsin, Ponçain, Ponsaint, Pouchain, Poussin: Vadersnam Poncin, Waals Pôchèn, vleivorm van Ponce, Pons, Latijnse heiligennaam Pontius.

Pond, Pont. Munt- en gewichtnaam. Vergelijk Tienpond.

Pondant. Tegenwoordig deelwoord van Oudfrans poindre, Waals pond(re): steken, prikken, naaien, borduren.

Pondman. Beroepsnaam van de weger.

Ponet, Ponette, Ponnet, Ponnette, Paunet. Vadersnaam of moedersnaam: Knuffelvorm van Philipponet(te), vleivorm van Philippe.

Ponomarewa: Russische vrouwelijke vorm bij ponomar ‘koster, kerkbewaarder’, van Grieks paramonarios.

Ponsard, Ponsaerts, Ponsaert, Ponsart, Ponsar, Ponsaers. 1. Variant van Ponchard. 2. Zie Pinchard. 3. Zie Pensaert.

Ponse, Ponsen, Pontz, Pontze, Ponsing: Vadersnaam van de Latijnse heiligennaam Pontius.

Pönsgen, Poensgen, Ponsgen. Vadersnaam. Rijnlands afleiding van heiligennaam Pontius; vergelijk Ponsin, Ponsen.

Ponsteen: Blijkens de varianten Ponstein, Ponstijn, Ponsijn vermoedelijk volksetymologisch als -steen-naam geherinterpreteerd.

Ponsijn, afleiding van heiligennaam Pontius; zie Poncin, Ponse(n).

Pontanus. Latinisering van Dupont of Van der Brugge. Dom Godefridus Pontanus (±1555-1623), prior van Neerwaver, was afkomstig van Eigenbrakel.

Pont, du, du Pon, de Pont, de Pondt: Frans Dupont, pendant van van der Brug(ge), Verbrug(ge).

Ponte: Variant van Pointe, Lepointe, Waalse vorm van Oudfrans pointre, peintre ‘schilder’; of Middelnederlands pointer ‘ambtenaar die de hoofdelijke omslag bepaalt, zetter van de belastingen’.

Pontegnies, Pontégnie, Pontegnis, Pontagnier, Pontignies, Pontignie: 1. Plaatsnaam Pontigny (Yonne). 2. Beroepsnaam Pontenier, van Oudfrans pontonnier: bootsman.

Ponten, van der. Plaatsnaam Ponte; brug, veerpont.

Ponteur. Middelnederlands poenture: schilderij. Beroepsnaam van een schilder? Of Oudfrans ponteure: nakomelingschap?

Ponthière, Ponthir, Ponthier, Pontier: 1. Plaatsnaam in Ombret-Rawsa (Luxemburg). 2. Ponthier, Pontier is ook dialect vorm van Pontheu.

Ponthieu, Ponthieux, Pontieu. Streeknaam Ponthieu, Somme.

Ponton. Plaatsnaam Ponton: ophaalbrug, ponton, aanlegsteiger. Le Ponton in Tihange (Luik).

Pontot, Ponthot, Pantoto, Panto: Plaatsnaam Ponthoz in Clavier (Luik).

Pontus. Latijnse heiligennaam Pontius.

Ponty, Ponti. Plaatsnaam Ponty in Bouge, Namen.

Pontz, Pontzen, Ponz. Vadersnaam. Duitse vorm van Latatijnse heiligennaam Pontius. Zie Ponce.

Pool, van der: Variant van van der Pol of van der Poel.

Poomans. Variant van Bomans?

Poonja. Variant van Pogna. Zie Poignard. Of Indische naam?

Poort, Poorts. Korte vorm voor van Vander Poorte of hypercorrect voor Pool?

Poorte, van der, Poorten, van der, van de(den) Poorte, van der Poort, van der Poord, van de Port, van Poorten, van (de(der) Poorter, van der Pooten, Poten, van der Poote, van Pooter, Wanpooter, Wanpoutre, van Poeteren, van Peuter, Terpoorten, Terpoorter, Verpoort, Verpoorte, Verpoorten, Verpooten, Verpoot, Valderpoot, Verpoten, Poort, Poorte, Poorts, Porten: Plaatsnaam Poort ‘poort; haven, stad’.

Poorter, de, Poortere, de, Poorters, de Poortère, Poortere, Depoortere, de Porter, de Portere, Depoortére, Derpoortere, Poorters, Poerters, Porter, Porters: Poorter ‘poorter, stedeling, burger met stadsrechten, met poortersrechten’. Frans Bourgeois.

Poorthuis: Plaatsnaam. Vergelijk Poorthuizen in Losser, Overijssel.

Poortman, Poortmans, Poorterman, Poorteman, Porteman, Portemans, Portman, Portmans, Pootemans, Pootmans, Potemans, Sportmans. 1. Beroepsnaam van de poortwachter. 2. Afleiding van "(Van der) Poorte": uit de plaatsnaam (wonende bij). 3. Poorterman kan ook een afleiding zijn van De Poorter: zie Poorter.

Poortinga: Friese afleiding van poort.

Poortvliet (van): Plaatsnaam Poortvliet (Tholen, Zeeland): 1204 Portflit.

Poos. 1. Middelnederlands pose: (rust)poos, rusttijd. 2. Zie Paasch.

Poot (de) Poodt, Poodts: 1. Bijnaam naar een lichamelijk gebrek. Paardenpoot of horrelvoet? Verkorte vorm van De Poo(r)ter: zie Poorter.

Pooter, de, Pooters, Poter, de Peuter, Peuters: 1. Variant van De Poorter: poorter, stedeling met stadsrechten, met poortersrechten. 2. Zie ook Poterre.

Pootjes: Verkleinvorm van Poot.

Popescu: Roemeense familienaam: zoon van de pope, priester.

Popelin, Poplen, Popelen, Populin: Vadersnaam. Afleiding van baker-naam Pop(p)o, zie Poppe

Popering, van, Poperinghe, van, Poperinge, van, Vampoperinghe, van Popeling: Plaatsnaam Poperinge (West-Vlaanderen).

Popieul, Popieule. Plaatsnaam Popuelles, Henegouwen.

Popin, Popijn, Popyn, Poupin, Poupinet, Paupinet, Puppin, Pupin, Puppinck, Puppynck: Vadersnaam. Vleivormen van de Germaanse bakernaam Poppo; zie Poppe.

Poplimont, Poplemon, Poplemont, Depoplimont, Poppelemon, Poppelmonde: Plaatsnaam Popelimont in Zinnik (Henegouwen).

Popma, Poppinga: Vadersnaam. Friese afleiding van de bakernaam Poppe.

Poppe, Pop, Pops, Pops, Poppé, Popon, Poepjes, Popken, Popkema, Popping, Pop. Popma: Vadersnaam. Poppo, bakervorm van de Germaanse voornaamhroth-berth (Robrecht). Met het woord 'poepe' werd eertijds iemand uit Duitsland aangeduid, in het bijzonder een Westfaalse seizoensarbeider. Ook aan die betekenis zou de achternaam kunnen refereren. In hedendaagse betekenis is het woord poepie een koosnaampje. Vergelijk het Duitse woord Puppe = 'pop, schatje', Püppchen = 'poppetje, schatje'.

Popoff, Popof, Popov, Popow, Popovic, Popovici, Popovitch, Popovies, Popovits, Popowicz, Popowycz, Popovski, Popowski, Popowsky: Slavische afleiding van pope: paap, priester.

Popp. Roemeense familienaam; preister. Vergelijk De Pape.

Poppe, de. 1. Middelnederlands poppe: meisje, lichtekooi, pop, modepop. Bijnaam. Vergelijk Poupard, Poupe.-2. Reïnterpretatie van de vadersnaam, door toevoeging van Iidwoord aan Poppe.

Poppel, van, Poppelen, van: Plaatsnaam Poppel (Provincie Antwerpen).

Poppelier, Poppelaars: Verspreide plaatsnaam Populier.

Poppelmans. Afleiding van Van Poppel? Maar blijkens Duitse familienaam Poppelmann, Pôppelman veeleer afleiding van Poppel, van vadersnaam Poppe.

Poppelsdorf. Plaatsnaam in Bonn, Duitsland.

Popper, Popperl, Popplers, Popperl: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Poppe.

Poppinga. Vadersnaam. Friese afleiding van Poppe.

Poppinghuys. Plaatsnaam: huis van Popping (zie Popin). Vergelijk Poppenhuizen (Friesland), Poppenhaus(en) (verspreide Duitse plaatsnaam als in Beieren).

Poppleton. Plaatsnaam in Yorkshire.

Populaire, Populier, Poppeleer, Poupeleer, Poupeler, Pouppeleer: Plaatsnaam Populaire, Frans peuplier: populier,

Populiere, van de, van de Popeliere, van de Papeliere, Papelière, Popelier, Popeliers, Popeler, Popeleer, Poppelier, Poppeliers, Poppeleer, Poppelaars, Populier, Populiere, Populaire, Populer. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Populier (naar de boom).

Popta, van, Pupts, Friese vadersnaam Popt, Pop, Poppe (Popke).

Porzenheim, Portzenheim. Plaatsnaam Pforzheim (Duitsland).

Posch, (de): Bijnaam naar de visnaam pos(t), Middelnederlands posch.

Porcari: Italiaanse beroepsnaam Porcaro ’varkenshoeder’.

Porcelijn. Frans Porcelin, afleiding van porcel; zie Porchel.

Porcélius. Latinisering van Porcel; zie Porchel.

Porchel, Porcel, Pourcel, Pourchelle, Pourcelle, Pourceaux, Pourceau, Pourchaux: Oudfrans porcel, porchiel, Frans pourceau, porcelet, afleiding van Porc: varken(tje). Bijnaam naar de onzindelijkheid of grofheid. Of beroepsnaam voor de varkensfokker:

Porchet: Verkleinvorm van Frans porc ‘varken’.

Porcheret, Porcheron. Afleiding van porc; varken.

Porcheron, Porcheret. 1. Afleiding van porc: varken. Hoeder, handelaar of kweker van varkens. 2. Of van porche: aanbouw, veranda. Beroepsbijnaam van metselaar of van bewoner van een huis met een porche.

Porre (de). Naam uit het Middelnederlandse porren: prikkelen, aansporen, kwellen, opjagen, aanraken. Bijnaam..

Poret, Porez, Porée, Porret, Porrez, Porré, Porre, Poirette, Poiret, Peurette, Poire, Poiré, Poirré, Porreye, Poreye: Oudfrans poret, pore, poree: prei, groente. Beroepsnaam van de preiteler, groenteboer.

Poriau, Poriaux, Porriau, Poireau, Poirot, Pourreau, Poureau. Bijnaam of beroepsbijnaam uit Picardisch Poriau, Frans poireau: prei. Oudfrans porreau, porrel, van Latijn porrum, prei. Poireau onder invloed van poire. Kweker, verkoper.

Porignaux, Porigneaux, Porigniaux, Porignon, Porrigniaux, Pourigneaux, Pourignaux, Porineau: Afleiding van Poriau.

Porion, Poiron, Poirion, Pourrion, Poron: Oudfrans porion: prei. Vergelijk Poriau.

Porke, Porkert. Vadersnaam. Duits dialect verscherpte vormen van Borke, Borkert, de Germaanse voornaam Burkhard.

Porphyre, Porphir, Porfiri, Porfirio, Porfirione: Vadersnaam. Griekse heiligennaam Porphyrus.

Porquet, Porchet. Afleiding van porc; varken.

Porre (de). Middelnederlands werkwoord porren: prikkelen, aansporen, aanzetten; kwellen; opjagen, aanraken. Bijnaam.

Porreij: Oudfrans poret, poré, poree ‘prei, groente’. Beroepsbijnaam van de preiteler, groenteboer.

Porsch, Porschen, Porchmann, Pörsch, Pörschke, Pörschmann: Vadersnaam Porsch(e) van Slavische voornaam Boreslaw.

Porson, Porsont. Waarschijnlijk hypercorrect van Posson.

Portael, Portaels, Portail, Portaals, (van) Portai, Porttals, van Portal, van de Portael, van de Poortaele, van de Portaele: 1. Typische vondelingnaam. Op 21 mei 1636 werd Anneken Portael in een portaal in Antwerpen gevonden; in 1702 werd de vondeling Joannes Portael in Mechelen gedoopt; op 19 augustus 1744 werd Maria Joanna Portael gevonden in het portaal van de herberg 'Groenen Bogaert' in Har; op 28 okt. 1792 werd Elizabeth Portael gevonden in het portaal van de Sint-Romboutskerk in Mechelen. 29 november 1780 werd Franciscus Portael gevonden ante portam nostrae ecclesiae in Lv. 2. Plaatsnaam. Oudfrans portai: deur, portaal.

Porte. Frans porte (de ville); poort.

Porteau, Portauw, Portauwe: Plaatsnaam van Oudfrans portai: poort, deur, portaal. Vergelijk Portaels, Duportail.

Portelance, Portelange, Pottelancie. Beroepsnaam Porte lance: lansdrager.

Portelette. Plaatsnaam. Oudfrans portelette; kleine deur.

Portenart, Porteners, Peurteners, Pôrteners: Middelnederlands po(o)rtenaer: deurwachter, portier.

Porteret, Portray. Afleiding van Portier.

Portheine: Plaatsnaam Potheine in Ommen, Overijssel.

Portielje, Portetelle. Oudfrans portille; kleine deur.

Portier, Porter, Porters, Porty: Middelnederlands portera, Frans portier, Waals porty: portier, deurwachter. Vergelijk De Deurwaerder.

Portion. Reïnterpretatie, wellicht van Pochon; zie Posson.

Pörtner. Nederduitse vorm van Duits Pfôrtner, pendant van Middelnederlands poortenaer. Zie Portenart.

Porto. Plaatsnaam Porto (Oporto) in Portugal; poort.

Portocarrero, Portocarero. Spaanse familienaam. Plaatsnaam Porto en beroepsnaam Carrero: wagenmaker, voerman.

Portois, Portoy, Porton, Pourtois, Pourtoit, Pourtoix, Pourtoy, Protois. Wellicht uit het Oudfranse port, het Latijnse portus: haven, stad: burger, zoals bourgeois van Bourg: burg, stad. Familienaam van burger, poorter.

Porton: Verkleinvorm van Frans porte ‘deur’.

Portugaels, Portugal, Poortugael. Naam van een Portugees, iemand uit Portugal. Of naar een huisnaam.

Pos, Pors, Porsch, Posius, Potse, Putzes, Potzel, Pötzsch: Bijnaam naar de visnaam pos(t), Middelnederlands posch.

Poschmann: Zuid-Duitse variant van Duits Boschmann, afleiding van Bosch ‘struikgewas, bosje’.

Poskin, Pôsken, Posquin: Vadersnaam. Afleiding van Paas, van heiligennaam Pascalis. Zie Paasch, Paquet, Poisket, Puystjens.

Possel. Waarschijnlijk van Posselt.

Posselius: Latinisering van Italiaanse bijnaam Porcelli: varkentje.

Posselt, Possolt. Van Slavisch Posse; voornaam Peter.

Posson. Oudfrans poçon: pot, kom. Waals posson: water-, bierpot. Bijnaam, beroepsnaam of huisnaam.

Possot, Possoz. Bijnaam naar de kleine gestalte.

Post: 1. Bijnaam naar de visnaam pos(t). Zie Posch. 2. Oudfrans post, poste, Middelnederlands post ‘post, stijl van deur of raam, paal’. 3. Korte vorm voor van Post. Plaatsnaam Bost in Webbekom. 4. Beroepsbijnaam van de postmeester.

Post, van der: Plaatsnaam Post; zie Post 2, 3.

Postal. Oudwaals postal, postalh; podesta, stadbesturder.

Postel, Posteau, Postiaux, Postiau: Oudfrans postel, Frans poteau, postille: deur- of raampost, stijl, paal. Vergelijk Post(e). Beroepsnaam.

Postelmans, Postel, Postels. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Postel (Antwerpen).

Posthuizen: Naam voor de bewoner van een posthuis, een postbeambte. Schönfeld noemt Posthuizen in Lo en aan de Regge.

Posthumus, Posthuma, Postma, Postuma, Posthumius, Postmus, Posmus, Potums: Familienaam van een kind dat na het overlijden van vader geboren werd. Latijn postumus; kind geboren na de dood van de vader. De naam Posthumus komt in Nederland meer voor. Potums is mogelijk een vereenvoudiging ervan. Of misschien zijn beide afkomstig van Postma (wat dan weer betekent: van de post).

Postma, Postema, Posthuma, Posma: Friese afleiding van Post.

Postman. Afleiding van Post.

Postula, Postulart. Bijnaam naar de muntnaam Postulat, Middelnederlands postulaetgulden: gouden munt.

Postyns, Postijns. Variant van Bostyn.

Poswick. Plaatsnaam Postwick, Norfolk.

Pot (de) (de) Podt, Pott, Pots, Poedts, Poets: Familienaam uit het Nederlandse en het Franse pot. Huisnaam of beroepsbijnaam van de pottenbakker, potgieter of ketellapper.

Pot, van der: Huisnaam ‘De Pot’.

Potage, Potache. Potage was vroeger het dagelijkse poteten, een stamppot van moes of brij van verschillende spijzen, groenten, bonen. Beroepsnaam.

Potappel: Bijnaam (huisnaam) of beroepsbijnaam. Potappel ‘stoofappel’,

Potargent. Reïnterpretatie van Picardisch pau d'argent, Frans peu d'argent; weinig geld. Bijnaam.

Potbecker, de, de Potbeeker. Beroepsnaam van de pottenbakker.

Pote, Potée, Potez, Pothé, Porté, Portée, Porte, Portee: Vadersnaam. Frans Potet, verkort van Philippotet.

Poteau, Poteaux, Potel, Potelle, Pottel, Potteaux, Potteau, Pottiau, Pottiaux, Potiaux, Potiau, Pottieau, Potjeau, Potjau, Pouteau, Poutiau, Potteeuw: Oudfrans postel, Frans poteau: paal, stijl, schandpaal. Bijnaam of beroepsnaam. Zie ook Postel.

Potemberg. Plaatsnaam Pottenberg in St.-Blazius-Boekel en Elst (Oost-Vlaanderen en Nederlands-Limburg), Of reïnterpretatie van Pottelberg.

Poter, de, Poterre, de, de Pooter, Pooters, Poter, Poiters, De Poitre, Depoitre, Depoitte, Depôtre, de Peutter, de Peuter, Peuters,d De Puyter. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse werkwoord poten, poeten: planten, enten. Beroepsnaam. 2. Zie ook Pooter.

Poterat, Potérat: Lotharings afleiding van Potier.

Potgens, Pottgens, Potjes, Pötgen, Poetgens, Pottschien: Afleiding van Pot.

Potgieter. Beroepsnaam van de potgieter, gieter van tinnen of koperen kannen, potten. Vergelijk Duits Kannengiesser.

Pothoff, Pothof, Pothoven. Potthoff is een Westfaalse (Duitsland) hoevenaam. Maar zijn ook Vlaamse plaatsnamen: Pothovestedeken in Beernem en Pothove in Hondegem en Oostende.

Pothuizen. Plaatsnaam in Ronde Venen te Schalkwijk.

Potier, Potiers, Potié, Potie, Pothier, Pothiez, Pottier, Pottie, Pottié, Potti, Pottiez, Potiez, Poty, Pouthier, Poutier: Beroepsnaam. Frans potier: pottenbakker. Vergelijk De Potter.

Potillius, Pottillius, Pottilius. Latinisering.

Potin, Potten, Pothin, Pothen, Potums. Vadersnaam van de voornaam Pottin. Dit is de knuffelvorm van de voornaam Philipottin.

Potjewijd: Volks etymologisch uit Podszuweit, van Litouws Podszuwaitis, afleiding van Litouws pot, puodzius ‘pottenbakker’.

Potlood, Potloot. Vondelingennaam. Christianus Potloot werd zes maanden oud op 28.06.1775 in Brussel 'int pottien' gevonden en heette oorspronkelijk Franciscus Tielemans. Bij het kind lag een briefje waarop in potlood (!) stond: dit kind is gedoopt. Hij trouwde tweemaal in Wolvertem.

Potmans, Pothman. Beroepsnaam van de pottenbakker?

Potocan. Familienaam in Oostenrijk en Slovénie. Plaatsnaam Potocan inWest-Kosovo.

Potriquet, Potriket, Potriquier, van poutre: merrie. Bijnaam voor een lafaard

Pottaert, Potard, Potar, Potart. Afleiding van pot, synoniem met De Potter. Beroepsnaam.

Pottafeir. Frans pot à refaire. Beroepsnaam voor een ketellapper.

Pottelberge, van, Pottelberghe, van, Pottelberge (van), van Pottelsberghe, van Pottelsberge, van Pottelsberghs, van Pottalberghe, Pottelbergue, Pottelberg, Pottelberghe. Naam uit de plaatsnaam Pottelbere in de Vlaamse Ardennen op de grens Oost-Vlaanderen-Henegouwen (Schorisse-Vloesberg-Elzele). Ook plaatsnaam Pottersberg/Pottelsberg in het Land van Waas, dat aan Zeeuws-Vlaanderen grenst.

Pottelet, Poterlet. Potelet, afleiding van postel: stijl, deur- of raampost. Zie Postel.

Potter, de, Potter, Potters, Spotters: 1. Beroepsnaam van de potter, pottenbakker. 2. Bijnaam voor een bijzonder zuinig iemand, die op zijn geld let, vrek.

Pottier: Beroepsnaam Frans potier ‘pottenbakker’.

Pottieuw. Uit Pottieu, variant van Ponthieu(x) in Dottenijs.

Potuit: Vervorming, misschien uit petuit, van Frans petit ‘klein’?

Potums, Potoms. Plaatsnaam Pottum, (Rijnland-Palts).

Potvlieghe, Potvliege. Wellicht reïnterpretatie van plaatsnaam Potvliet (Antwerpen). De bewoner van de eerste en grootste van de Sint-Michielshoeven werd daarnaar Potvliete genoemd in Antwerpen.

Potvlieger: Herinterpretatie van Potvlieg(e), vermoedelijk zelf ook al vervormd uit plaatsnaam Potvliet of de bijnaam Botervliege?

Poublant, Poublan, Poublanc, Poublang, Poyblant, Poublon, Poblon, Poblome: Oudfrans po(u)blant: bewoner van een gemeente waarvan hij geen poorter is, bewoner zonder poorterrecht.

Poucet, Poucez, Pousset, Pouchet, Pochet, Pochez, Poschet, Pocet, Posset, Possé, Posse. 1. Verkleinvorm van het Franse pouce: duim. Bijnaam voor een klein iemand. 2. Zie ook Pochet. 3. Zie ook Pousset.

Poucha: Waalse vorm van Frans Pochart, afleiding van poche: zak, tas. Bijnaam of beroepsnaam.

Pouchain, Poussin. 1. Picardisch pouchin, Frans poussin, van Latijn pullicinus: kuiken. Vergelijk Kuyken. Bijnaam.

Pouchelle, Pouchele, Posschelle, Pouseele, Pouseel: 1. Plaatsnaam Ponchel(le), Poncel(le), afleiding van pont: brug. Vergelijk Duponc(h)el(le). 2. Hypercorrect voor Pouseele.

Pouchelon. Plaatsnaam. Afleiding van pont; brug.

Pouêtre. Normandisch ook Pouettre. Verfransing van Pauweter?

Pougin, Paugin. Afleiding van Frans dialect pouge; kleine hoogte.

Poulain, Pouleijn, Poulaint, Poullain, Poulin, Pouleyn, Pollain. Pollain, Polain, Polin, Poleyn, Poleeijn, Lepoulain, Lepollain, Lepolain. Bijnaam uit het Franse poulain, het Waalse polin: veulen. Zie ook Paulin. Bijnaam. 2. Of uit Paulin, Polin, afleiding van de voornaam Paul, zoals Pauwelijn.

Pouillard, Poulliart, Poullart, Pouliart, Poulliart, Pouilart, Poliard, Poliart, Polliart: Oudfrans pouillard. Bijnaam voor iemand met luizen, luizige kerel.

Poulleau, Pouillaude, Poulliau. Zoals Pouillet, afleiding van Oudfrans poil.

Paulard, Pouart, Poular, Poulaert, Poularde. 1. Zie Paulard. 2. Spellingvariant van Poelaert.

Pouleau. Variant van Pauleau of Pouilliau.

Poulet, Pouley, Poullet. 1. Frans poulet: kip. Bijnaam. Vergelijk Pouillet. 2. Variant van Paulet.

Poullet, Pouillez, Pouilliez, Poliet, Poljet, Pouyet, Pouyez, Poyet: 1. Afleiding van Oudfrans poil: haan, kip, dus: kuiken. Vergelijk Pouillon. 2. Afleiding van Oudfrans poil: luis. Bijnaam. Vergelijk Pouillard.

Poullier, Pouillie, Poullier, Poulli, Poulliers, Poulliez, Pouili, Poelier, Poliers, (de) Pollier, Pollie, Poly. Beroepsnaam van de poelier, de pluimveehandelaar.

Pouillon, Poullion, Poillon, Poillion, Pouyon, Dupouillon: Afleiding van Oudfrans poil: haan, kip; poillon: kuiken. Bijnaam. Vergelijk Kuykens.

Pouilly. 1. Plaatsnaam Pouilly (verspreid). 2. Variant van Pouillier.

Poultrinier, Poultreniez. Beroepsnaam. Oudfrans poltrenier: kippenkweker en -handelaar.

Poukemans, Pouckmans. Afleiding van Van Poeke.

Poumay, Poumai, Poumaij. Luiks-Waals poumê, Frans pommeau, Oudfrans pome: degenknop, sabelknop. Bijnaam of beroepsnaam.

Poupart, Poupard, Poupaert, Pouppart, Popa: 1. Oudfrans popart, van Latijn puppa: meisje, pop; Frans poupard: pop, kind. Bijnaam voor iemand met popperig uitzicht of papperig gezicht. 2. Oudfrans poupart: laf.

Poupé, Poupe, Pouppez, Pupaye, Poupeye, Popeye. Van het Middelfrans poupée, van het Volkslatijn puppa; meisje, pop. Bijnaam voor iemand met een popperig of papperig gezicht. Zie Poupart.

Poupier, Pupier. Waalse variant van Peuplier; populier.

Pouplard, Poupelard. Van Poupard.

Pouplier. Verspreide plaatsnaam Pouplier. Oudfrans poplier, Frans peuplier: populier.

Pourbais, Pourbaix, de Pourbaix. Plaatsnaam Bourbais in Bornival, Waals-Brabant.

Pourcelet Pourcelot. Afleiding van porcel; varkentje. Zie Porchel.

Pouriol, Pouriole, Pouriolle: Variant van Pour(r)eau?

Pourpoint. Beroepsnaam. Frans pourpoint; wambuis.

Pourqué. Picardisch porquet, Oudfrans porchet, afleiding van porc: varken.

Pourquoi, (de) Pourquoy, Dupourquoy: Plaatsnaam, 1537 den Pourquoy, Zellik, ca. 1650 Duborquoy; 1698 Dubourquoy. Is Bourquoy oorspronkelijk, dan eventueel Romaanse vorm van plaatsnaam Burtscheid (bij Aken): 1018 in Purceto, 1136 Porcetum, 1166 de Burceto. Is Brocquoy oorspronkelijk, dan plaatsnaam Brocquoit, van Bruscetum, een collectivum 'plaats waar heide groeit', afleiding van Latijn bruscum 'heide'.

Pourveur, Pourvoyeur, Pourvoïeur, Provoyeur, Prouvoyeur: 1. Beroepsnaam. Oudfrans proveor, pourveur, Frans pourvoyeur: bevoorrader, leverancier, die de voorraden moet bijhouden. 2. Zie Prouveur.

Pouseel, Pouseele, Pousseele. 1. Plaatsnaam Poesele (Oost-Vlaanderen). 2. Zie Pouchel(l)e.

Poussard, Poussart. 1. Frans pochart, afleiding van poche: zak, tas. Vergelijk poucha. 2. Afleiding van pouce: duim. Bijnaam naar de kleine gestalte; vergelijk Poucet.

Pousset, Poucet. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Pousset of Poucet (Luik). 2. Zie ook Poucet.

Pousseur. Plaatsnaam Poulseur, Waals Poûsseûr.

Poussière, Poussiere. Plaatsnaam Poussière in Schalafie (Henegouwen).

Poussol. Afleiding van dialect pousse: stof (poussière) ?

Pouterman. Misschien variant van Boterman.

Poutrain, Pottrain, Poitrain: 1. Oudfrans poutrain: dobbelspel. Vergelijk Middelnederlands potereinen: dobbelen. Bijnaam voor een dobbelaar. Vergelijk De Dobbelaere. 2. Oudfrans poutrain: veulen. Bijnaam voor een levendig, overmoedig mens. Vergelijk Poulain.

Pouvreau. Bijnaam. Afleiding van pauvre; arm.

Pouw, van der: Vermoedelijk huisnaam, zie pauw.

Pouwaart: Vadersnaam. Afleiding van de heiligennaam Paulus.

Pouwen, Pauwen. Vleivorm van de voornaam Paulus of afleiding van Pauwe (zie de Pauw).

Poux. Frans pou; luis. Bijnaam.

Pouyfaucon. 1. Oudfrans poi faucon: kleine valk. Bijnaam voor een j ager. Vergelijk Duits Kleinfalke. 2. Plaatsnaam Puy Faucon in Rilhac-Lastours (Hte-Vienne).

Pover, de, Povere, de, Depovere, De Poover, de Poovere, de Pouvre, Depouvre, Povre, Pover. 1. Bijnaam uit het Oudfranse povre, het Middelnederlandse pover: arm, pover. 2. De West-Vlaamse familienamen Depouvre/De Pover/Depover, Depovere/.. zouden ook kunnen teruggaan op Antoine Le Poivre (1533): beroepsbijnaam van de peperhandelaar.

Povre. Spelling voor Povre (met accent). Of Povret, afleiding van pauvre: arm.

Powell. 1. Engelse plaatsnaam Powel, Pool: poel. 2. Vadersnaam van de voornaam Paul.

Powis. 1. Engelse familienaam van plaatsnaam Powis, oud district in N.-Wales. 2. Jacques-Benoît Pauwens (1705-64), secretaris van de Raad van Brabant, werd door Karel VI in 1732 geadeld. Hij liet toen zijn familienaam wijzigen in Powis, omdat hij meende van Welse afkomst te zijn. Hij stamt evenwel van: +1600 Gillis Pauwens, Antwerpen.

Poznanski, Poznantek: Afeiding van plaatsnaam Poznan, Duits Posen (Polen).

Praag, van, van Praagh, van Praeh: Plaatsnaam Praag in Bohemen (Tsjechië).

Praast, Prahst, Prast, Praas: Nederduits prahst, van pravest, provest ‘proost’.

Praat, (van) Praet, (van) Prat. Verpraet: Plaatsnaam Praat, van Latijnse pratum ‘wei(land)’.

Prade, Pradde, Pratte: Occidentaals prade, Frans prée: wei. Plaatsnaam. Vergelijk Duprat.

Pradelles (van) Pradel, Pradels, van Pradelle, van Pradel, van Pradeele: Plaatsnaam Pradelles (Nord), Pradeels.

Pradier. Afleiding van plaatsnaam pré, van Latijn pratum: weide.

Praet, Praets, Praat, Praats. 1. Bijnaam voor een prater, iemand die veel praats heeft. 2. Verkort, van Van Praet.

Praet, (van), van Peraet, (van) Prat, Verpraet: Plaatsnaam Praat, van Latijn pratum: wei(land).

Praga. Plaatsnaam Praha; Praag in Bohemen, Tsjechie.

Prangenberg: Plaatsnaam (Rijnland-Palts)
Prager, Präger, Bragers, Brager: Afkomstig van Praag.

Prail, Praile, Praille, Praillet, Pralle: Dialect van Frans praille: grote wei; afleiding praillet.

Prairial. Prairial was een maandnaam in de revolutionaire kalender (weidemaand). Misschien vondelingnaam.

Prairie. Plaatsnaam Prairie; weide.

Pranger, Prangier, Pringier, Pringiers, Prinsier, Prinsie, Prinzie, Princée: Vadersnaam van Bérenger / Béringer.

Pranger, Prange, Prangen, Prenger, Spranghers, Sprangers, Spanger, Sprenghers, Sprengers, Sprenger. 1. Beroepsnaam voor een worstelaar. Uit het Middelnederlandse prangen: worstelen, vechten. 2. Of uit het Duitse Branger, Pranger. Dit uit het Middelhoogduits brangen: pronken, pralen, opscheppen.

Prater, de, Pratere, de, de Praeter, Praetere, Depraetre, Depraete, de Preeter, Preetere, de Preter, Pretere, de Pretre, de Prêtre, de Prettere, de Preiter, Preitere, Depreiter, Depreitere, de Praiter, Praitere, de Preytere, Depreytere, de Pruyter, de Proetere. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse prater, prêter, van pratarius, van pratum: weide. Weideopzichter, boswachter. 2. Soms is De Prater: babbelaar. 3. In de 16-17de eeuw. werd De Prêter ook wel als De Pre(e)ster opgevat.

Pratte. 1. Zie Prade. 2. Verkort van Depratte.

Prause: Zuid-Duitse variant van Duits Braus(e) ‘heftig mens, bruisende kerel’, van Middelhoogduits brûs ‘lawaai’.

Prausnitzer. Plaatsnaam Prausnitz, Pools Prusnice (Silezië).

Praxel. Duitse beroepsnaam: helper, plaatsvervanger, dagloner.

Prayez, Prié, Priez, Priet: Plaatsnaam. Frans prayet, afleiding van pré: wei.

Prayon, Préion, Preillon: Plaatsnaam Prayon in Forêt-lez-Chaudfontaine (Luik).

Précel, Précelle, Precel, Precelle, Princelle: Dialect Frans percel, princhelle: korenbloem.

Preckler, Priqueler. Afleiding van Preckel, werktuig van palingstekers of turfstekers. Beroepsnaam. Vergelijk Prekel.

Predon. Waarschijnlijk variant van Predom.

Preem. 1. Zie Priem(s). 2. De Blankenbergse familie Preem stamt af van ene Brems (in de 18de eeuw geboren in Adinkerke). 

Prégardien, Prégaldin, Prégaldien: Beroepsnaam. Frans prégardien, dat is gardien de pré: veldwachter.

Préhaut, Prehat. 1. Plaatsnaam Pré haut: hoge wei. Vergelijk Dehopré. 2. Hypercorrecte spelling voor Préau, Preat.

Preiser. Oudhoogduitse familienaam. Middenhoogduits briser: passementwerker.

Preiserowicz, Preizerowicz, Preserovits: Slavische afleiding van Duits Preiser. Preisler, Preizler: 1. Variant van Preiser met -ler-suffix. 2. Ontronde vorm van Preusler, variant van Preusser: Pruis.

Prekel, de. Familienaam uit het Middelnederlandse prekel: werktuig (prikker) van palingstekers en turfstekers. Een beroepsbijnaam. Vergelijk Preckler.

Preker, de, Preckher. Naam van de prediker, predikheer, dominicaan.

Prélat. Naam van een prelaat, kerkelijke waardigheidsbekleder.

Premer, Premers. Oudhoogduits, van Bremer, uit Bremen.

Prenen: Bij de Nederduitse beroepsbijnaam Prehn, van midden noord-Duits prên(e)‘priem, (schoenmakers)els’.

Prengel, Prengels, Pringel, Pringels. Bijnaam. Nederduits prengel: knuppel. Vergelijk De Clippel.

Prent, Prenten, Prends: Middelnederlands prente ‘toestel om op laken een merkteken te prenten, afbeelding, prent’. Beroepsbijnaam van de prenter, merker, drukker, tekenaar.

Préseau, Préseaux, Preseaux, Présiaux, Presiaux, Pressia. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Préseau (Nord) of Pressiat (Ain). 

Presburg, Pressburg. Duitse naam van Bratislava (Slowakije) of Pozsony (Hongarije).

Present, Présent. Naam uit het Oudfranse présent: present, geschenk, gave. Bijnaam voor de brenger, verkoper, die zichzelf zag als, die begiftigd was met,.. 

Presseria. Variant van Plesseria met r//-wisseling.

Presseur. Beroepsnaam van de wijn- of olieperser, olieslager. Vergelijk Depresseux.

Pressia. Plaatsnaam Pressiat. Ain.

Pressoir. Beroepsnaam van de wijn- of olieperser. Zie Presseur, Dupressoir.

Presta, Prestat. Occidentaalse afleiding van Frans prêt: lening. Bijnaam.

Prestiaux. Oudfrans presteau, van prestreau: priestertje.

Preston. Frequente Engelse plaatsnaam Preston.

Prête, Prete: Waals van prêtre: priester. Zie (de) Priester.

Pretlot. Afleiding van Frans prêtre: priester.

Preudhomme, Preud'Homme, (de) Preud'homme, Preudhoms, Preud'homs, Prudhomme, Prud'Homme, Prud'homme, Preudom, Preudoms, Prudhon, Prudon, Prudum, Predhomme, Pred'homme, Predhom, Predom, Prodhomme, Prodomme, Prodan, Deprédomme, Predhom, Predom, Prodhomme, Prodomme, Prodan, Deprédomme, Prond'homme, Pardon, Perdon, Purdon. Naam uit het Franse preu d'homme: eerlijk en wijs man. Bijnaam.

Preuninger: Vadersnaam. Met Zuid-Duitse verscherping b/p uit Breuni(n)ger, Bräuni(n)ger, afleiding van Brüning, van de voornaam Bruno.

Preuschoft, Preuschoff, Preukschat. Duitse bijnaam Preuss-Hoft: hoofd met stoppelig, verward haar.

Preusser, Preusse, Preusner, Pruys, Pruissen, Pruijssers, Preiss: Volksnaam van de Pruis.

Preutens. Onduidelijk.

Preux, Lépreux: Bijnaam. Oudfrans preu: wijs, moedig, deugdzaam. Vergelijk Preudhomme.

Préver, Prévert, Prévers. Plaatsnaam Pré vert: groene wei.

Preijers, Preyers: Waarschijnlijk grafîe voor verkeerd begrepen Preys.

Prick, Pricken, Prikken, de Prieck, (de) Prijck, (de) Pryck, de Pruyck, (de) Pruijck, Pruijk, Prique, Pryke. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse pric(ke): visnaam, een mager iemand. 2. Bijnaam uit het Middelnederlandse pric(ke): klein muntje, waardeloos iemand. 3. Mogelijk zelfs beroepsbijnaam voor de pruikenmaker. 

Prieels, Priëels, Priëls, Priels, Préels, Preëels. Plaatsnaam uit het Middelnederlandse pradeel, prayeel, prieel. Dit uit het Latijnse pratellum: weide, boomgaard, lusthof, tuin. 

Priem, Priems, Priemen, Prieme, Prime, Primen, Prims, Prim, Prym, Pryen, Preem, Preenen, Priemes, Priemis, Priemus, Prenen: 1. Beroepsbijnaam van de schoenmaker, naar Middelnederlands priem ‘(schoenmakers) els’. Vergelijk Duits Pfriem. 2. Voornaam Priamus.

Priester, (de): Middelnederlands priester, preester, Oudfrans prestre, van Latijnse presbyter ‘priester, gewijd geestelijke’.

Prijcker, de, de Prycker. Familienaam uit het Middelnederlandse priken: juichen, pralen, pronken, ophef maken. Of uit het Middelnederlandse priker: muzikant met een snaarinstrument. Bijnaam of beroepsnaam.

Prijot, Priot. Van Piriot, afleiding van Pierre.

Prijs, Preys, Prys, Preis, Preijs, Preijse. Prijs: prijs, roem, ereteken van de overwinnaar. Bijnaam voor een lovenswaardig man. Vergelijk Duits. Preis.

Prijs, Pries, Prijs, Preijs, Preys. Plaatsnaam Pries in Duitsland.

Pril: Wellicht uit Dupréel, van Deprel of uit Deprelle, Deprel, Oudfrans prael(e), Frans préau, van Latijnse Pratellum ‘kleine weide’.

Prince, (de); Prins, (de) Prinse, Prinssens, Prinssen, Prinsens, Prinsen, Prince, Princen, Prinz, Pryne, Printz, Leprince, Prinzen: Middelnederlands prince, Frans prince, Duits Prinz ‘prins, vorst, hoofd’. Bijnaam uit een bepaalde karaktereigenschap of een huisnaam.

Priou, Prioux. 1. Zie Pierrou(x). 2. Variant van Prior/Prieur.

Prison, Prizzon. Oudfrans prison; gevangene. Bijnaam.

Prist, Priest, Prisse, Price: Vadersnaam van Latijnse heiligennaam Praeiectus, Pr(e)iectus.

Pritchard. Vadersnaam. Wels: zoon van Richard.

Privé. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Privatus.

Procé: Spelling voor Procet, van Perrochet, verkleinvorm van de voornaam Pierre.

Promeren, van, Proemeren, van, van Ploemeren. Plaatsnaam Prummern, Noordrijn-Westfalen.

Procet, Procès, Procès, Procé, Prochette, Prossé, Presse: Uit Perrochet, afleiding van Pierre?

Proctor, Procter. Beroepsnaam. Middenengels prok(e)tour, van Latijn procurator; zie Procureur.

Procureur. Beroepsnaam van een administrateur, beheerder; of advocaat, pleitbezorger, procureur.

Prodéo, Prodeo. Reïnterpretatie van Brodéoux? Of Pro Deo; voor God ?

Proestman, Proesman, Proesmans, Prosmans, Prosman, Prosmanne: Afleiding van Proost.

Proetorius, Praetorius. Latinisering van de naam van een of ander ambt (Latijn praetor).

Profijt: Volks etymologische vervorming van Profeet, Frans Prophète ‘voorspeller, waarzegger’.

Progneaux. Vadersnaam Perronneau, afleiding van Pierre.

Prokes, Proix, Proksch. Duits, Slavische vorm van heiligennaam Procopius.

Prokopfo, Prokopfof. Vadersnaam. Heiligennaam Procopius, patroonheilige van Bohemen.

Prommel, Promelle, Promil: 1. Plaatsnaam Promelles in Oud-Genepiên (Waals-Brabant). 2. Eventueel variant van Pronelle.

Pronckaert, Pronkaert, variant van Bronkaert.

Pronce. Waarschijnlijk van Ponce met epenthetische r.

Pronk: Middelnederlands Pronk ‘stuurs, misnoegd, pruilerig, knorrig’.

Pront. Vadersnaam van Perron, Pierron.

Proosdij, van: Plaatsnaam Proosdij ‘ambtswoning, ambtsgebied van een proost’.

Proost (de), (de) Prost, Proosten, Prosten, (de) Proft, Proos, Proest, Proes, Proess, Pröss, Prös, Proehs, Probst, Props, Propst, Provoost, Provost, le Provost, Provo, Provot, Provou, Provos, Provoste, Prouvost, Prouvot, Prouvosq, Pruvoost, Pruvost, Pruvot, Pruûost, Pruuost, Pruwast, Prevos, Prevost, Prevo, Prevot, Prevots, Prevoor, Prevoot, Prevoz, Prévox, Le Prevost, Preuvot, Preveas, Pervost, Pervoot, Privot, Privoo, Proust. Uit het Middelnederlandse provest, proo(f)st, het Oudfranse provost, prevost, het Duitse Probst. Allemaal afkomstig uit het Latijnse prepositus: proost, hoofd van een kathedraal, kapittel, kloostervoogd, maar meestal een gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van de schepenbank, baljuw. Beroepsnaam.

Proot: Vadersnaam. Samengetrokken uit Perroot, van Pierrot, verkleinvorm bij de voornaam Pierre.

Prooije, van, Prooijen, van, van Proyen: Plaatsnaam Poederoijen, uitgesproken als proï (Gelderland).

Prop. Bijnaam voor Propper?

Prophète, Prophete, Profète, Profeta, Profiter, Profit: Bijnaam voor een profeet, een voorspeller. Vergelijk Waerzeggers.

Propper, Prôpper, Proepper: Beroepsnaam van de man die proppen in schietwerktuigen stopt. Nederduits Propper, eventueel = Duits Propfer: enter.

Propsma: Friese afleiding van Probst ‘proost’.

Prosec, Procek. Slavische familienaam Prosec, Proschek. Afleiding van heiligennaam Ambrosius.

Prosper, Prospert, Prospère: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Prosperus 'gelukkig, voorspoedig'.

Proth, Prott. Waarschijnlijk Nederduits Proot, Prott, bijnaam voor een veelprater, luidmchtige kerel.

Protin, Prottin, Protain: Vadersnaam van Perrotin, afleiding van Perrot, van Pierre.

Proumen, Proumens. Oostelijk voor Pruimen, verbogen vorm van Pruim. Of variant van Ploumen. Vergelijk Duits Flaum, Pflaume (in plaats van Plaum).

Prouveur, Prouvier, Pourveur, Proveur, Prover, Proveux: Beroepsnaam. Oudfrans proveor: advocaat, verdediger, onderzoeker. Zie ook Pourveur.

Prové, Prove, Provez, Prouvé, Prouve, Prouvee, Prouver: Oudfrans prové ‘moedig’. Bijnaam.

Provence, Province. 1. Herkomstig van de Provence in Frankrijk. 2. Reïnterpretatie van Provins.

Provenier, Prevenier, Preveneers, Preuveneers, Pruveneers, Prévinaire. Naam uit het Middelnederlandse proven(den)are: iemand die prebende bezit. Iemand, die opgenomen in een proveniershuis (komende uit een geestelijk goed) recht heeft op bepaalde voordelen, uitdelingen. Met andere woorden die huisvesting en verzorging kan bekomen. Frans Provendier, Nederduits Profener.

Provensal, Provinciael, Provincial, Provenzano. Naam van iemand die afkomstig was uit de Provence. Vergelijk Middelnederlands Provinciaelsch = Provençaals.

Provis, Prevys. Plaatsnaam Prouvy in Jamoigne (Luxemburg).

Provyn, Provijn, Provin, Provins, Proven: Plaatsnaam Provins (Seine-et-Marne): Vergelijk Deprovins.

Prowizor, Prowizur. Ambtsnaam van de provisor, groot-vicaris, vicaris-generaal.

Proy, Proye, Prooi. Oudfrans preie, proie, Middelnederlands pro(o)ye: prooi, buit. Vergelijk Pryde. Bijnaam.

Proyard. Plaatsnaam Proyart, Somme.

Prudent, Pruden. 1. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Prudentius 'wijs'. 2. Bijnaam. Frans prudent: voorzichtig. 3. Variant van Prudon, Preudhomme.

Prüfer, Prufer, Prüwer, Pruwer: Beroepsnaam van de keurder (laken, waren), ijker.

Pruim, Pruijm, Pruym, Pruin, Prum, Prume, Prumers, Prüm: Bijnaam naar de vrucht, de pruim. Beroepsnaam voor pruimenteler of -handelaar.

Pruimboom, Pruymboom, Pruijmboom, Prumbaum. Plaatsnaam Pruimenboom.

Prum, Promm. 1. Plaatsnaam Prum (Rijnland-Palts). Oude vorm Prome. 2. Zie Pruim.

Pruis, Pruissen, Pruijs, Pruys. Plaatsnaam, afkomstig van Pruisen.

Prul: Bijnaam van het werkwoord prulen ‘pruilen’?

Prümers, Prummel: Middelnederlands prumer ‘pruimenboom’.

Prijcker, de: Afleiding van Middelnederlands priken ‘juichen, pralen, pronken, ophef maken’. Middelnederlands priker ‘snarenspeler’.

Prumpeler, Prômpener: Met p-anticipatie van Duits Trumpler: trommelaar.

Pruniau, Pruniaux, Pruneau, Pruneaux, Prugneaux: Frans pruneau: pruimpje. Beroepsnaam of bijnaam. Vergelijk Purnelle.

Prunier, Pronier, Pronnier, Prunières: Plaatsnaam Prunier: pruimenboom. Vergelijk Notenboom.

Prüss, Prus, Prues: 1. Nederduits Prusse, Duits Preusse: Pruis, afkomstig van Pruisen. 2. De Oudhoogduitse en Elzassische familienaam Prüss gaat terug op een plaatsnaam Brüsch: heide, struikgewas, van bruscia, Oudfrans broce. Vergelijk Labrousse.

Pruyssen, van, Pruissen. Landnaam Pruisen. Zo ook Pruyssenaer.

Pruyt, Pruydt. Misschien van Preit, Pareil (met ronding ei/ui). Of uit Prez, van Depré (zie De Pruyt)? Of: 1387 Meus Proyt, Amsterdam.

Pruyer, de. 1. Zie De Prater(e). 2. Aaanpassing van Nederduits Pruter, Prüter: knoeier.

Pryde, Prijden, Priede, Pride. 1. Middelnederlands pride, prie: buit, prooi, kreng. Scheldwoord. 2. Engelse familienaam Pryde = Pride. Bijnaam voor een trotse.

Prync. Spelling voor Duits Prinz.

Przybyla, Przybylak, Przybylek, Przybylski: Poolse bijnaam voor een nieuwkomer.

Publie. Schrijfvariant van het Zuidfranse Publier/Publié/Pubellier, het Franse Peuplier: populier. Plaatsnaam. 

Puche. 1. Bijnaam. Picardisch puche, Frans puce: vlo. Vergelijk De Vloo. 2. Zie Dupuis.

Puers, (de). 1. Van Middenenderlands poderen, puederen: in iets roeren, met een poder (tros wormen) vissen, peuren? 2. Maar de huidige familienaam Depuers/Puers kan een hypercorrecte vorm zijn van Depues/Pues. Depuers komt trouwens 16 maal voor in Henegouwen. Of vertaling van Van Puurs (Anwerpen)?

Puffelen, van. Zeer merkwaardige familienaam waarvan de oorsprong onduidelijk is. Is mogelijk afgeleid uit (ge)peupel: volk. Of uit een plaats Puffel(en) die dan ergens in de buurt van Rotterdam moet liggen. Of uit een stopwoord dat regelmatig door de stamvader gebruikt werd. Of Puffelen, van: Plaatsnaam Puit, de; Puite, de Puijt, Depuijat: Middelnederlands puut ‘kikvors, kikker’. Bijnaam voor een mager mens of naar het gekwaak, of voor iemand die huppelt.

Puivelde, van; van Puijvelde: Plaatsnaam Puivelde in Belsele (Oost-Vlaanderen, Waasland) ‘puidenveld, kikkerveld’.

Pugh, Puig. Frans dialect (Roussillon) vormen voor Puy: hoogte. Vergelijk Dupuis 2.

Puimège. Franse familienaam Puymège: middelste hoogte.

Puissieux, Puisieux. Plaatsnaam Puisieux (Pas-de-Calais, Seine-et-Marne, Aisne), Puisieulx (Marne).

Puissant. Bijnaam naar de fysieke kracht. Vergelijk De Sterke.

Pul, van, Pullens, Pullen, Pul,van Pulle, Pollen: Plaatsnaam Pulle (Provincie Antwerpen).

Pulfer. Duits Pulver. Beroepsnaam van de poe(de)rverkoper, -menger, kruidenhandelaar.

Pulle, Puis. Middenenderlands pulle: pul, kruik, vaas, kan. Bijnaam of beroepsnaam voor kannengieter.

Pulles. 1.Van Pulle: familienaam naar de plaats van herkomst. 2.Afgeleid van het Middelnederlandse pulle: kruik. Beroepsnaam voor een kannengieter. 3. Afgeleid van het Middelnederlandse puls: roerstok. Beroepsnaam van een pulser: iemand die met een roerstok de vis opjoeg. 

Pulman, Pulmans, Pulemans. 1. Afleiding van Van Pulle. 2. Zie Poelmans.

Puls. 1. Middenenderlands puls, pols: polsstok, stok om in het water te roeren (polsen) om de vis op te jagen. Bijnaam vooreen pulser. 2. Zie Pulle.

Pulst, (van der). Plaats waar pois/puis groeit. Pois: lisdodde, Typha.

Pulteau, Pultau. Verscherpt van Bultau (zie Bulteel)?

Pultrum: Trijntje Jacobs nam in 1811 in Surhuisterveen (Friesland) de naam Pulterum aan.

Pulver, van, Pulvere, van. Plaatsnaam Pulver. Bijvoorbeeld in Wormhout, Frans-Vlaanderen.

Punder (de), Pundert, de: Beroepsnaam punder, ponder ‘weger, schatter’.

Pundke, Püncke: Verkleinvorm van Nederduits Pund, Duits Pfund ‘pond (geld, gewicht)’.

Punt, (de), de Pun: Vergelijk Frans Pointe, Lapointe. Wellicht uit punter ‘schilder’. Als Lepointre toch de oudere vorm zou zijn, dan kan De Punt uit De Punter, dat is de schilder, worden verklaard. Zie ook Ponte.

Punter, Punte, Pinter. Beroepsnaam, 1. Platbodem met vierkante uiteinden, aangepast voor ondiepe wateren, 2. Om iets te stuwen, punteren.

Puntman: Afleiding van de Punt.

Purcell: Oudfrans porcel, porchiel, Frans pourceau, porcelet, verkleinvorm van porc ‘varken(tje)’. Bijnaam naar de onzindelijkheid of voor een varkensfokker.

Purdon. Frans preu d'homme: eerlijk en wijs man. Vergelijk De Vroe. Door klankevolutie Preudon/Predon/Perdon (metathesis) ging de naam samenvallen met de al bestaande familienaam Pardon.

Purée, Puree, Puraye. Oudfrans purée: gerecht, groentenpuree, -moes. Bijnaam.

Purement, Puremont. Plaatsnaam in Oteppe, Luik.

Pureur, Dupureur. Oudfrans pureur: die zuivert. Wellicht beroepsnaam van de lakennopper.

Purnell, Purnelle, Pronelle, Purnal, Purnaels. 1. Luiks-Waals purnelle: prunelle, slee(pruim), brunel. Bijnaam of beroepsnaam. 2. Zie Pernelle.

Purnode. Plaatsnaam. Namen.

Purnotte. Vrouwelijk van Purnot of variant van Purnode.

Pusch: Zuid-Duitse verscherpte variant van Duits Busch ‘struikgewas, bosje’.

Pusters. Middelnederlands poester, puyster: blaasbalg. Beroepsnaam. Nederduits Pûster.

Put, (de), Puth, Puts, Pit, Pitt: 1. Plaatsnaam Put, en kustdialectische, ontronde variant Pit, Engels Pitt, wellicht verkort uit van de Put(te)/Pitte. 2. Eigenaar van een waterput, waterfitter, die waterputten aanlegt.

Put, van de, den, Putt, van de, den, van de Peute, van de Peutte, van de Pitte, van de Putt, (van der) Put, van de(der) Putten, Putte, Puth, Puts, van Put, van Putte, van der Potte, Vandrepotte, Vandrepote, Vantrepotte, Vantrepote, Verpeuten, Verpeut: 1. Verspreide plaatsnaam Put, ten Putte, Puth (dit bij Sittard). Pit is Waals-Vlaams. Beroepsbijnaam voor de eigenaar van een waterput, de aanlegger van putten.

Put, de. 1. Grafïe voor De Puydt. 2. Verschrijving Deput = Depu = Dupuis. 3. Plaatsnaam Put.

Putanier. Middenfrans putanier: van slecht gedrag. Franse familienaam Putignier.

Putcuyps, Putcuijps. Middelnederlands putcupe: kuip, emmer om water te putten. Beroepsnaam. Ook plaatsnaam.

Putmaker, de. Beroepsnaam van de puttenmaker of eventueel grafdelver.

Putman: Afleiding van van de Putte.

Putois, Pittois, Pitois. Oudfrans en Frans putois; bunzing. Bijnaam.

Putpièce, Putpiece, Peudepièce: Putepièce: slecht stuk. Oudfrans put: slecht + pièce: 1. Tijd, tijdsduur. Bijnaam voor iemand die ten ontijde of te ontijde (te vroeg) komt. Oudfrans bonne pièce: langdurig. 2. Plaatsnaam: stuk land. Vergelijk Kwaad Stuk, Duits Quatlânder, Frans Malpièce.

Puts: 1. Aaanpassing van Picardisch puch(e) ‘put’. 2. Afleiding van Put.

Putseys, Putseijs, Putzey, Putzeys, Putzeyse, Putzeysse, Putzeis, Putzeist, Putzys, Putzeijs, Pudzeis, Pitzeys, Pitseys, Puzey, Putsage. Familienaam afkomstig van de plaats Poucet of Pousset (allebei in Luxemburg). Putsage is hypercorrect.

Putte, van de; van der Put, van der Putte, van de Pitte: Verspreide plaatsnaam Put, ten Putte, kustdialectisch Pit.

Puttegem, van. Een plaatsnaam Puttegem is onvindbaar. Misschien Petegem in Waregem (West-Vlaanderen). Of een Oost-Vlaamse plaatsnaam.

Puttaert, Puttart, Putard. 1. Beroepsnaam van de waterputter. 2. Variant van Van de Putte, zie bij Put. 

Putteman, Puttemans, Putman, Putmans, Peuteman, Peutemans, Peutteman, Peutman, Pitteman, Pittemans, Pitman. 1. Afleiding van Van de(n) Putte, Van Putte (plaatsnaam). 2. Afleiding van een waterput : beroepsnaam van iemand die met waterputten of –leidingen bezig is.

Putten, van, van Put, Peutte, Peute: 1. Plaatsnaam Putten (Noord-Brabant, Gelderland, Antwerpen). 2. Eventueel van Van den Putte.

Puttenaers, Puttenaars, Putteneers, Putteniers. Afleiding van put: waterput. Beroepsnaam van de waterfitter, die waterputten en -leidingen aanlegt. Vergelijk Pfizer. Duits Pfützer/Pfützner, ontrond Pfitzer/Pfitzner.

Puttens. Afleiding van familienaam Put of van de Put(te).

Putter, (de), Putters, Puters: Beroepsnaam van de waterputter, waterschepper, waterfitter.

Putterie. Wel geen plaatsnaam, maar reïnterpretatie van Pittery.

Puttin, Puttine. Afleiding van Frans pute: slecht. Bijnaam voor iemand van slecht zedelijk gedrag.

Pütz, Putz: Dialectisch variant van Duits Pfütze ‘put, waterput’. Beroepsbijnaam van de waterputter, waterfitter, de Putzemeister. Vergelijk de Putter.

Putzer. Dialect variant van Pfützer. Zie De Putter, Putz.

Puvrez. Afleiding van Oudfrans peivre, Frans poivre: peper. Vergelijk Poivre. Luiks-Waals peûvré: poivré.

Puy, du: 1. Plaatsnaam. Oudfrans pui, puy, van Latijnse podium ‘hoogte, heuveltje’. 2. Spellingvariant van Dupuis ‘van de Putte’.

Puyaubert. Plaatsnaam Puy; hoogte, van Aubert.

Puydebos. Franse plaatsnaam Puy, van Latijn podium: hoogte. Puydebois is waarschijnlijk een reïnterpretatie van de Franse familienaam Puydebat: heuvel die een dal beheerst.

Puydt, de, Depuydt, de Puijdt, de Puyt, de Puidt, Puyt, Puyts. Bijnaam uit het Middelnederlandse puut: kikker. Bijnaam voor een mager, een luidruchtig, het gekwaak, of een huppelend iemand. 

Puyenbroeck, van, Puyyenbroek (van), (van) Puijenbroeck, Puijenbroek, van Puyenbrouk, Puyenbrouck, van Puyembroeck, van Puymbroeck, Puymbroek, Puymbrouck, Puymbrouck, van Puijmbroeck, van Puinbroek, van Puynbroeck, Vampuymbrock: Plaatsnaam Puidenbroek ‘moeras met puiden, kikkers’, in Vrasene en Haasdonk (Oost-Vlaanderen, Waasland).

Puijlaert, Puylaert, Puijlaert, Puijbaert: Puijbaert door leesfout. Plaatsnaam Pu(i)laar, van Middelnederlands Puunlaar in Belsele (Waasland, Oost-Vlaanderen).

Puym, van, van Puijm, van Puyen, van Puyden. Plaatsnaam Puiden: waar puiden, kikkers leven.

Puyraymond. Plaatsnaam Puy; hoogte, van Raymond.

Puijsseleire, de, (de) Puijsseleijr, Puysselaer, de, Puysseleir, Pusseleire, Pusseleyr, Puyseleir, de Peusseleir: Variant van de Puysselaer, van Puislager ‘puidenslager, die kikkers slaat om kikkerbillen te verkopen’. Beroepsnaam. Waaslands puislagen.

Puystjens, Puystiens, Puijstjens, Pustjens, Peuskens, Peustjens, Peusgen, Peushgens, Pöschkens, Peyskens, Peiskens, Peskens. Vadersnaam, Limburgse vormen van Paesken, Poesken. Deze zijn dan weer afgeleid van Paschalis. 

Puyvelde, van, van Puijvelde. Familienaam uit de plaatsnaam Puivelde (kikkerveld) in Belsele (Oost-Vlaanderen).

Pyck, Pycke, Pijck, Peycke, Pijcke, Peyck, Pik, Piek, Pik, Pique, Picque, Picq, Pieck, Piec, Piek, Pik, Piecque, Piecq, Lepique; Familienaam uit het Middelnederlandse pike: piek of lans met een platte ijzeren punt. Beroepsbijnaam voor de wapensmid of de piekenier. Het is mogelijk ook een bijnaam voor iemand (uit het West-Vlaamse pijk) die wrokkig, niet sociaal is. Beroepsbijnaam voor de wapensmid of een piekenier. Overdrachtelijk ook ’haat, wrok, slechte verstandhouding’, Bijnaam naar het karakter.

Pijckhout: Samenstelling van werkwoord Middelnederlands picken ‘houwen’ en hout. Beroepsnaam van de houthakker.

Pijfferoen: Frans pifferon, afleiding van Frans piffre, Italiaans piffero, van Middelhoogduits phîfer, Duits Pfeifer, Middelnederlands Pijper ‘fluitspeler, speelman, muzikant’.

Pijl, Pijls, Pijlman, Pyl, Pijl, Pyle, Pyls, Piel, Piels, Pielke, Pieltjes: Beroepsbijnaam voor een schutter of pijlenmaker.

Pyliser, Pylise, Pyllyser, Pylyser, Pijlijser, Pillyser, Pilyser, Pilyzer, Pilijser. Familienaam uit het Middelnederlandse piliser: ijzer of staal gebruikt voor pijl of pijlpunt. Beroepsbijnaam van de pijlenmaker of boogschutter.

Pijn: Vadersnaam? Vergelijk Pijnen.

Pijnckels: 1. Verkleinvorm van pink ‘kleine vinger’. 2. Variant van Pinkers. Afleiding van Middelnederlands pinken ‘schitteren, glanzen’, ook ‘hinken’. 3. Door n-invoeging uit Pyckels, afleiding van Pickel. Middelnederlands pickel, peckel ‘poot van een meubel’, ook ‘been’. Beroepsbijnaam voor een timmerman, houtdraaier of bijnaam voor iemand met lange benen.

Pynebrouck, Pynnebrouck, Pynenbrouck, van Peenenbrouck: Plaatsnaam Penningbroek in Oxelaere (Frans-Vlaanderen): Vergelijk Waals-Vlaams pijneware/peneware, van Middelnederlands pennincwaerde.

Pynaker, Pijnaken, Paanakker. Plaatsnaam Pijnacker, Zuid-Holland.

Pynckels, Pynckel, Pijnckel. 1. Theoretisch afleiding van pink: kleine vinger. Waals-Vlaams pinkel. 2. Variant van Pinkers (1/r)? 3. Of veeleer van Pickel, Pyckels, met n-epenthesis.

Pijnen: Vadersnaam. Van Puijnen, Panen, bakernaam, wellicht van de voornaam Frans.

Pijnenburg, Peijnenburg: Plaatsnaam Pijnenburg (Utrecht). Maar de familienaam heeft zijn grootste concentratie tussen Tilburg en Den Bosch. W. Pijnenburg situeert Puinenburg in Belveren (Noord-Brabant).

Pypaert, Pijpaert, Pipar, Pipart, Piepar, Pipa. Naam uit het werkwoord pipen: pijpen, fluiten. Beroepsnaam van de fluiter, de (stads)speelman. 

Pijpe, Puijpe: Beroepsbijnaam van de pijper, fluitspeler, (stads)speelman. Vergelijk Pijpers. Puijpe, van dialectisch Pupe, met geronde klinker onder invloed van de p.

Pijpelinck: Afleiding van Pijpe.

Pypenpoy. Vadersnaam. Bakernaam voor Willem.

Pijpenseel: Plaatsnaam Pijpenzele in Sint-Maria-Oudenhove (Oost-Vlaanderen).

Pyper, de, de Pijper, de Pijpere, de Pypere, de Peyper, de Peijper, de Puyper, Pieper, Piepers, Piper, Pipers, Pipere, Pijpers, Peypers, Pypers, Pijpers, Peijpers: Beroepsnaam van de pijper, de fluitspeler, trompetter, speelman, (stads)muzikant. Vergelijk Duits Pfeiffer, Engels Piper.

Pyperzeele, van Pyperzeel, van, Pijperzeel, Pijperzeele, Pyperzele, Pijpersele, Peyperzeel: Plaatsnaam Pijperzele in St.-Maria-Oudenhove (Oost-Vlaanderen).

Pypots. Ongetwijfeld verhaspeling van Pypops.

Pyr-dit-Ruys, Pirditruys: Pyr/Pire (Waals, Picardisch voor de voornaam Pierre) bijgenaamd (genoemd) 'Ruys'.