Verklaring van achternamen S

 

S.

Saaftinge, van: Saaftinge is een oude heerlijkheid in Hulster Ambacht: 1257 Tsaftinge, Tsaeftinge, 1281 Saftinghe.Van de 14de tot de 16de eeuw raakte het land van Saaftinge overstroomd.

Saagsvelt, van: Plaatsnaam Saasveld in Weerselo, Overijssel.

Saakes: Vadersnaam. Friese mansnaam Sake. Verkorting van Germaanse voornaam met stam van Got. Sakan ‘strijden’, Oudfries sake.

Saaksman, Saecksma, Saexma, Saexma. Afleiding van de voornaam Sake.

Saal, Zaal, van, Verzaal, Salman, Zaalman: Vadersnaam. Friese mansnaam Sale, Saelle, Saalke, verkort uit Salomon.

Saane, van: Waternaam De Zaan (Noord-Holland), ook de Zaanstreek.

Saar, Sarr, Sarre, Sarens, Saren, Saerens, Saeren: Moedersnaam. Bijbelse voornaam Sara 'vorstin'. Of Sara als Germaans sarwa 'wapenrusting'. De Bijbelse Sarah zou het gebruik er van als vrouwennaam wel in de hand hebben gewerkt.

Saarloos, van, Charlouis, Charlois. Plaatsnaam Charlois, Rotterdam.

Saaij, Saeij: Vadersnaam. Variant van Soy, van Sohier/Soyer, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger. Vergelijk 13de eeuw Barewout filius Saiewins, Zeeland, van Germaanse voornaam Zegewin.

Saba, Sabath, Sabbat, Sabba, Szabat, Sabach, Sabah, Sabbagh, Sabbah, Sabato, Sabado, Sabbatini, Sabaddini, Sabbadin: Bijnaam voor een Jood, die de sabbat viert. Maar sabbat is ook heksensabbat. Vandaar de Oudfranse betekenis van sabat ‘rumoer, lawaai’.

Sabaté, Sabatté, Sabâte: 1. Misschien variant van Sabatier. 2. Oudfrans sabateis: lawaai, tumult. Bijnaam. Vergelijk Sabat(h).

Sabatier, Sabathier. Beroepsnaam. Occidentaalse vorm van Frans Savetier: schoenmaker. Vergelijk Savat.

Saban, Sabban, Sabin: Vaders-, moedersnaam. Engelse familienaam van Latijnse heiligennaam Sabinus, Sabina.

Sabau, Sabaut, Saboux, Sabeau, Sabiau, Sabay, Sabbi, Sabia. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sabaldis. 2. Zie Zabeau.

Sabbe, Sabben, Sap, Sappen.1. Bijvoeglijk naamwoord voor een morsige, slonzige vrouw. 2. Voorouder afleiding van Abbe, een knuffelvorm uit Albert. Of de naam van Sabben zonder de van-aanloop.

Sabben, van: Plaatsnaam Sabbinge op Wolphaartsdijk.

Sabel, Sabels, Saebels, Sable, Sebel. Sabel is zwart bont, sabelbont. Beroepsnaam voor een bontbewerker. Zie ook Zabeua.

Saber. Vadersnaam. Waarschijnlijk van Chaber(t). Of eventueel Germaanse voornaam Sadebertus.

Sablon, Desablons: Plaatsnaam Sablon: zand, zavel. Le Sablon in Vloesberg (Henegouwen), Sablon in Casteau (Henegouwen). Vergelijk Van Zand, Desablens, Sauvelon.

Sablonier, Sablonnier. Beroepsnaam. Werker in een zavelgroeve. Vergelijk Zavelaer.

Sabloniére, de la: Plaatsnaam Sablonnière ‘zandgroeve, zavelgroeve’.

Sabot, Sabo, Saboo. Frans sabot: klomp (schoeisel). Beroepsnaam voor de klompenmaker.

Sabotier, Chabotier, Chabotier, Chabothier, Schappatier: Beroepsnaam van de klompenmaker. Vergelijk Sabot.

Sabour, Sabourin, Sabbour: Occidentaalse vorm van Oudfrans savor, Frans. saveur: saus, kruiderij, keukenkruid. Bijnaam. Vergelijk Savouret.

Sabu, Sabus, Zabus. Moedersnaam. Korte vorm van de voornaam Isabu of Isabeau?

Saby, Sabi, Sabir. Vadersnaam Sabi, Saby, Zuid-Franse variant van Sabin. Latijnse heiligennaam Sabinus. Sabir is hypercorrect.

Saccasijn, Saccasyn, Sackazyn, Sackesyn, Saquesyn, Sakesyn, Sakezyn, Sakezin: Afleiding van Franse familienaam Sac(c)as: augmentatief van sac: grote zak, tas. Bijnaam of beroepsnaam.

Sacco, Sacchi, Sacchetti, Sacchet, Sacchetino, Saccheto, Saccone, Saccon: Italiaanse pendant van Sac, Zack.

Sace, Sache. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sahso, Sasso 'Saks(er)'. Vergelijk Sassen.

Sacépé. Zinwoord. Oudfrans sachier, saquier: trekken, uit de schede halen, zwaaien + Oudfrans espee, Frans épée: zwaard, speer. Bijnaam voor een ridder die zijn zwaard trekt, zwaait. Vergelijk Duits Schuddesper, Engels Shakeshaft, Shakespear, Shakelance.

Sach. Variant van Duits Zach(e), Duits Zäh: taai, volhardend.

Sachs, Sachse, Saks, Sax, Sas, (de), Sasse, Sass, Saes, Saez, Tsas, T'Sas, 't Sas, Sase, Saxks, Sacks, Sackx, Sakx, Zass, Zas: 1. Sas, Saks(er), Middelnederlands Sasse. Volksnaam (uit Saksen). 2. Vadersnaamr. Het lidwoord kan op jongere reïnterpretatie berusten. Zie Sassen.

Sackebandt. Beroepsnaam van de zakkenbinder; vergelijk Stroobant. Middelnederlands sachant: band om zakken mee toe te binden; (ook) buikband.

Saechtlevens. Verdwenen familienaam. Bijnaam voor een zacht, vriendelijk iemand.

Sackenpré, Sackenprez: Verhaspeling met n-epenthesis van Sacquépée; zie Sacépé.

Sacoor, Zaccour: Wellicht plaatsnaam Jaucourt (Aube). Of van Jeancourt of Joncourt?

Sacotte. Afleiding van sac; zak.

Sacré, Sacrez: 1. Christelijke voornaam 'toegewijd, gedoopt'. 2. Uit Sacreas, Zacharias.

Sacton, Saqueton. Afleiding van sac: zak. Vergelijk Zack, Saquet.

Sadet, Sadin: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans sade: aangenaam, bevallig, charmant.

Sadier, Sady. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Sadhari.

Sadok, Sadouk. Bijbelse naam, van Hebreeuws çadoc, Grieks sadok, van çedek 'gerechtigheid'.

Sadoine, Sadaune, Sadonius, Sadonis, Sadones, Sadon, Sadonés: Vadersnaam. Sadon is de Franse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Sado; Sadoine wellicht, van Germaans sad-win: Saduinus. Sadonés is spellingvariant van Sadonnet. De familienaam kwam in Melden ook voor als Sadonés, Sadonie en Sidaenes.

Sadoul, Sadoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Sadulfus.

Sadzo, Sadzot, Plaatsnaam Sadzot in Erezée (Luik).

Saeffoet, Saeyvoet, Suyvoet. Naam uit het Middelnederlandse savoor, chavoir, soefoer: visvijver.

Saegeman, Saegemans, Saegman, Sagemans, Zageman, Sagerman, Saergermans, Saegerman: Beroepsnaam van de houtzager. Vergelijk De Sager. 1

Saelemaekers, Saelemakers, Saelmaekers, Saelmackers: Beroepsnaam van de zadelmaker. Vergelijk Waal-Vlaams zale = zadel. Vergelijk De Sadeleer.

Saelemans, Saelman, Saelmans, Salemans, Salimans, Zalemans, Zaleman: 1. Beroepsnaam van de zaalwachter, deurwaarder. 2. Beroepsnaam van de zadelmaker; vergelijk Saelemaekers. 3. Eventueel vadersnaam. Germaanse voornaam Salaman, Salemannus. Vergelijk Sallmann.

Saelens, Saels: Vadersnaam. Afleiding van Middelnederlands Salin, vleivorm van de Bijbelse voornaam Salomon. Saelkin=Salemoen.

Saen (van), van Zaen, van (der) Zaan, van Saene, van der Saenen, van der Sanen, (van der) Zaenen, van Sannen. 1. Familienaam uit de waternaam de Zaan (Noord-Holland) of naar de Zaanstreek.

Saenen, Saanen, Sanen, Saens, Saen, Sanes. 1. Naam afgeleid uit "des Hanen". Mogelijk huis- of karakternaam. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sano. 3. Moedersnaam uit de voornaam Sanne, van Susanna.

Saenz, Saënz: Wellicht van Saint-Saè'ns, plaatsnaam (Seine-Mar.) van St.-Sidonius.

Saeremans, Sarremans, Saremans. Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Sara.

Saer, de: Vernederlandste spelling van Frans Desart. Romaanse plaatsnaam Sart, Frans Essart, van Latijnse exsartum ‘gerooide plaats, rode’. De naam is een pendant van van Rode.

Saersegem, van Saceghem: Plaatsnaam Sa(a)rsegem, waarschijnlijk in Zuid-West-Vlaanderen.

Saeijvoet: Volksetymologisch uit Saeffoet, van Middelnederlands savoor, chavoir, soefoe ‘visput, visvijver’.

Saeren, Saerens, Saar. Moedersnaam uit de Bijbelse voornaam Sara wat vorstin betekent.

Saeyer, Saeyere De, De Sayer, Sayers, Seyer. 1. Beroepsbijnaam van de saaiwever, de saaiwerker. 2. Zie ook De Zaaier.

Saey, Saeys, Saeijs, Saeij, Say, Saye, Saeye, Saeyens. Vadersnaam, variant van Soy,Sohier, Soyer, de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger (zie Zegerius).

Saeyere, de, Saeyer, de, de Sayer, Sayers, Seyer: 1. Beroepsnaam van de saaiwever, saaiwerker. 2. Zie de Zaaier.

Saeytyd, de, de Saetytijd, Saeytydt, Saeytijdt, de Saeijtijd, de Zaeytijd, de Zaeytyd, Zaeytyd, Zaeytydt, Zaeyteyd, Zaeyteyt, de Zaetydt. Familienaam uit het Middelnederlandse saettijt, zaettijt: zaaitijd. Bijnaam voor de zaaier.

Saffel, de: De Saffer, van Frans Lesaffre. Bijnaam. Oudfrans safre ‘gulzigaard, schrokker’.

Saffele, van den. Plaatsnaam Saffel: zavel. Vergelijk Zaffelstraat in Leeuwergem (Oost-Vlaanderen).

Safir, Saphier, Zafir, Szafiro, Szafirsztajn: Bijnaam voor de drager van de edelsteen, de saffïer.

Safran, Safranck, Szafran,, Szafranek, Szafranska, Szafranski: Oudfrans, Frans safran: saffraan (de velare n wordt nk). Beroepsnaam voor de saffraanhandelaar.

Sagaer, Sagaert, Saghaard, Saghaar, Sagar, Sagart. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam sag-hard. Vergelijk Sago, Saganhart, Sagarius. 2. Of soms misschien de vervlaamsing van Ségard. Dit is dan weer de Romaanse vorm Zegaard van de Germaanse naam Segaert. Zie daar. In Kortrijk wordt Sagaert met het accent op de tweede lettergreep uitgesproken.

Sagehomme. Bijnaam; wijs man, rechtsgeleerde. Vergelijk Lesage.

Sager,de, (de) Sagers, de Sagher, de Saegher, de Saeger, de Saegre, de Saghre, de Sagre, de Saever, de Saver, de Zaeger, Zagers. Beroepsnaam voor een hout/plankenzager.

Saget, Sajet, Sagiot, Sajotte: Afleiding van sage. Zie Lesage.

Saglimbene, Saglimbéni: Italiaanse familienaam Salimbene: spring goed; vergelijk Salenbien.

Sagon. Aanpassing van Segon, met voortonige klinkerwijziging.

Sagot, Saigot: Vadersnaam. Afleiding van Sagaert, Segaert of een sigi-naam?

Sahin, Aksahin, Küçüksahin, Büyüksahin. De familienaam Sahin (met en zonder s-cedille) is afkomstig uit Turkije.

Saigne, Saignes, Sagne. Oudfranse plaatsnaam Saigne: moerassig terrein. Vergelijk Dessa(i)gnes.

Saignier, Sagner, Sagnier, Saniez, Sanir, Sani, Sannier, Sanniez, Zannier, Zanier, Seignier, Saunier: 1. Oudfrans cenier, seignier, Frans cenier: kloosterling belast met de verzorging van het avondeten (Latijn cena), die voor de levensmiddelen zorgt. 2. Beroepsnaam Saignier: slager, bereider van (Oudfrans) saim, sain: vêt, reuzel. 3. Of veeleer van Saunier.

Sailliez, Saillez, Saillé, Saillet 1. Afleiding van Saillant of Saillard? 2. Spelling voor Salier.

Saillant. Bijnaam van een springer, vergelijk Saillart.

Saillart, Seliaerts. Familienaam uit het Oudfranse saillir: springen. Bijnaam: springer, danser. Ook vondelingennaam: 1778 Hubertus Saillart, gevonden in Brussel.

Sailly, Desailly, Dessailly: Verspreide plaatsnaam (Ardeche, Pas-de-Calais, Nord, Somme).

Saintdenis, Saindenis. Frequente plaatsnaam (Henegouwen, Namen, Seine, Oise, Manche).

Saintmont, Sainmont, Saynmont: Plaatsnaam Saint-Mont (Gers) en in St-Géry (Waals-Brabant). Of Sainmont in Tignée en Saive (Luik).

Saincir. Verspreide plaatsnaam Saint-Cyr.

Sainderichin. Een plaatsnaam Saint-Richin is niet bekend. Misschien vadersnaam. Richin met ironisch voorgevoegd Saint-; vergelijk Saint-Fabien, Saint-Guily.

Saingenest. Verspreide Franse plaatsnaam St-Genest.

Saint(-)Germain. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam, die 1 x in de provincie Namen en ruim 130 x in Frankrijk voorkomt.

Saint-Juste Mys. Dubbele naam uit Saint-Juste: Haïtiaanse naam uit de plaatsnaam Saint-Juste (naam van de parochie: heilige Justus (de rechtvaardige)) of uit de moedersnaam (met dezelfde oorsprong) aldaar. En uit Mys (zie daar).

Sainlez, Seinlet. Plaatsnaam in Hollange, Luxemburg.

Sainsoilier. Bijnaam Cinq soilier(s)/souliers: vijf schoenen. Bijnaam voor een schoenmaker, zoals Duitse familienaam Siebenschuh?

Saint, Sain, Saing, Saints, Sainz, Saim, Saïm, Lesaint, Lessain, Lessent, Lesent: 1. Bijnaam voor een heilig, vroom man. Of vadersnaam naar de heiligennaam Sanctus. 2. Of beroepsnaam voor een slager, naar Oudfrans saim, sain, Frans saindoux: reuzel, vet.

Saint Cricq. Plaatsnaam, Gers, Landes.

Saint Hilaire (de). Verspreide plaatsnaam (Nord, Pas-de-Calais, Somme).

Saint Michel, de, Saint-Michel, Saintmichel: Verspreide plaatsnaam.

Saintelet, Saintlet. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van de voornaam Saint, Sainte. 2. Zie Chantel.

Saint-Anthoine, de. Frequente Zuid Franse plaatsnaam.

Saint-Aubert, de, Saint-Auber, Saint-Aubert, Saintobert: Plaatsnaam (Nord).

Sainte, Sinte, Sintes. 1. Bijnaam voor een heilige, vrome vrouw. Vergelijk Saint. 2. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sancta. Maar Sainte kan ook een Romaanse reïnterpretatie zijn van een Germaanse s(w)inth-naam, zoals Alsent of Frethesenta.

Sainte-Foy, de. Verspreide Zuid-Franse plaatsnaam.

Sainte, Saintes, Saintes, Sainte, Sinte, Desaintes, Desainte, Dessaintes, Dessainte, Desinte, Desseinte, Dessente: Plaatsnaam Saintes (Waals-Brabant), Nederlands Sint-Renelde.

Saintehuile. Volksetymologie, zie Saintil.

Sainte-Marie. Frequente plaatsnaam (Luxemburg, Waals-Brabant, Nord, Pas-de-Calais).

Saintfiet. Plaatsnaam Saint-Vith, Duits Sankt Vith (Luxemburg).

Saint-Georges, (de). Plaatsnaam, Luik, Nord, Pas-de-Calais..

Saint-Germain. Plaatsnaam, Namen en 134 maal in Frankrijk.

Saint-Ghislain, Saintghislain, Desaintghislain, Saint Guillain, Saint Guilain: Plaatsnaam (Henegouwen).

Saint-Hubert, (de). Plaatsnaam. Luxemburg.

Saintil, Sainthuile, Sainthuille, Saintehuile: Hypercorrect uit de plaatsnaam Sainte-Olle (Raillencourt, Nord): Ole is Picardisch voor Frans huile, van Latijn olea.

Saint-Jean, Saintjean, De Saint Jan: Plaatsnaam Saint-Jean-Geest (Sint-Jans-Geest, Waals-Brabant), Saint-Jean-Sart in Aubel (Luik) of een van de vele plaatsnamen Saint-Jean in Frankrijk.

Saint-Léger, (de), Sainléger, Seinleger: Verspreide plaatsnaam (Pas-de-Calais, Somme, Henegouwen, Luxemburg..).

Saint-Léon, de. Verspreide Franse plaatsnaam.

Saint-Marcoux. Plaatsnaam St-Marcoult in Opzullik (Henegouwen).

Saint-Mard, Saintmard, Saint Mart: Plaatsnaam (onder meer Aisne)

Saint-Martin, (de) St Martin: Uiterst frequente plaatsnaam (Namen, Nord, Pas-de-Calais, Aisne. 274 Franse gemeenten met die naam).

Saintmaux. Plaatsnaam Saint-Mau, van Saint-Marc (Namen).

Saint-Maxen, Saint-Maxent, Saint-Maxens. Plaatsnaam Saint-Maxent, Somme.

Saint-Maxim, Saint Maxin, Saint Machin: Waarschijnlijk variant van Saint-Maxen.

Saint-Médard. Plaatsnaam, Luxemburg.

Saint-Moulin, de, de St Moulin: Volksetymologie voor Sart-Moulin, plaatsnaam in Eigenbrakel (Waals-Brabant) en Villers-le-Temple (Luik).

Saintoin. Plaatsnaam Saint-Ouen bij Parijs.

Saint-Omer, de. Plaatsnaam Sint-Omaars, Frans St-Omer (Pas-de-Calais).

Saintot. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Saint.

Saint-Paul, Saintpaul, Saint-Pol, Saintpol, Saint-Pô, Desaintpol: Verspreide plaatsnaam Saint-Paul of Saint-Pol (Nord, Pas-de-Calais). Een voorvader van De Simpel staat in 1610 in Veurne geregistreerd als De Simpol.

Saint-Pierre, de. Plaatsnaam. Luxemburg, Pas-de-Calais.

Saintrain, Saintraint. Reïnterpretatie als heiligennaam van oorspronkelijke Santrain.

Saint-Remy, (de), Saint-Rémi: Verspreide plaatsnaam (Nord, Pas-de-Calais, Luik, Waals-Brabant.).

Saint-Riquier, de, Saint-Requier: Plaatsnaam Sint-Rijkers (Somme).

Saintron, Saintrond, Sentron: 1. Plaatsnaam Saint-Trond, de Romaanse vorm van St.-Truiden (Limburg). Vergelijk Van Sintruyen. 2. Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Sanctorius.

Saintvenant. Plaatsnaam Saint-Venant (Pas-de-Calais).

Saint-Viteux, Sainviteux, Saintviteux, Sainvitux, Sainvitu: Plaatsnaam Saint-Vitu in Abée (Luik), dat is Saint-Victor.

Sainz. Spelling voor Saint of Spaans Sâinz, van Sanchez, van Sanctus.

Saiselet. Afleiding van Saison.

Saison. Oude verbogen vorm van de volksnaam Germaanse Sahso, Frans saxon: Sakser, Sas.

Saive, Sève, Sève: 1. Oudfrans saive, saige, Frans sage: wijs, ervaren. Vergelijk Lesage. 2. Plaatsnaam Saive (Luik); zie Desaive.

Sakier, Saqi, Saqui, Sakhir, Sakhi, Saghir, Saghy, Sagie, Sagi, Sagis: 1. Oudfrans sakier, saquier: zakkenmaker. 2. De vormen met g eventueel vadersnaam Sagarius.

Saksou. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sahs-wulf 'Sakser-wolf.

Sakko: Nederlandse spelling van de Italiaans familienaam Sacco ‘zak’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Saktreger. Beroepsnaam van de zakkendrager, scheepslosser.

Sala, Salat, Sallat, Salet, Salez, Salée, Salée, Sallets, Sallet, Salle, Salley, Salle, Salaets, Salaerts, Sallaerts, Sallaets, Salard, Saelaert: 1. Uit Sarlet, Charlet, Franse afleiding van de voornaam Charles? Maar Charlet kan natuurlijk op reïnterpretatie berusten. 2. Afleiding van Frans sale: vuil?

Sala, Slaa: Italiaanse familienaam Sala, vooral in Lombardije. Ook Occitaans. Plaatsnaam met betekenis ‘zaal’.

Salabert, Salberter, Salbeth, Sallebert: Vadersnaam. Germaanse voornaam sal-berht of Sadelbertus.

Saladin, Salaino, Saladé, Salade, Salladini, Salentijn, Salentiny, Salandini, Salhadin, Saadelhin. Vadersnaam uit de Arabische voornaam Saladin: heil van het geloof. Deze naam kwam met de kruistochten naar Europa. De ridderlijke sultan Saladin van Egypte en Syrie veroverde Jeruzalem in 1187. Zo werd het een populaire literatuurnaam.

Salathong. Thaise familienaam.

Salazar. Spaans, Portugese plaatsnaam: Germaans sala: zaal + Baskisch zahar: oud. Plaatsnaam in Burgos.

Salcher, Salacher. Van plaatsnaam Salach, Beieren.

Salden. Naam uit Des Alden (= van den Alde): zoon van de oude.

Sale, Sal, Salles, Salle, Lesalle, Lesale: Bijnaam. Oudfrans sale: bleek, triest, vuil. Zie ook Delsalle.

Salée, Salee: 1. Plaatsnaam. 2. Zie Sala(t).

Salen, Salens, Saelens, Saelen, Salins. Vadersnaam, knuffelvorm uit de Bijbelse voornaam Salomon.

Salenbien, Salenbier, Sallembien, Salembien, Salembier, Salembie, Salambier, Schalembier. Naam uit het Oudfranse zinwoord: saille-en-bien, van saillir; springen, en bien; goed (springt in 't goed). Bijnaam voor iemand die plotseling rijk geworden is (door erfenis of huwelijk). Vergelijk Salimbene, Duits Spring(en)sgut(h), Spring(g)uth, van Springintgut.

Salengros, Salengrois, Salingros, Salingret, Salingue: Afleiding van oudpiacrdisch salengue, salingre: zoutziederij. Maar 1891 Pierre-Clément Salingre, geboren in Meschede (Noordrijn-Westfalen), was de zoon van Theodor Salinger. Hier werd de Duitse familienaam Salinger aangepast aan de bestaande Waalse familienaam Salingre.

Salerno, Salerni. Plaatsnaam Salerno, aan de westkust van Italie.

Salesse, Salés, Sales, Salles, Sallese, Salles: Plaatsnaam Salesches (Nord), Salés (Tarn) of Salesse (Cantal, Creuse).

Salice. Italiaanse familienaam. Plaatsnaam; wilg.

Saliën, Salien, Saldiën, Saldien, Sail, Sail, Saille. Naam uit het Middelnederlandse salië, saelge, sailge, saelie: salie. Bijnaam voor de kruidenteler- of handelaar.

Salier. Afleiding van Middenhoogduits salhe; waterwilg.

Salier, Saliez, Salies, Sali, Salhi, Sailliez, Saillez, Salliez, Salliet, Sailer, Saille, Saillet: Oudfrans salier: zoutzieder. Beroepsnaam. Vergelijk De Souter.

Salières, Salieres: Middenfrans salière: zoutvat. Beroepsnaam van de zouthandelaar. Of plaatsnaam La Salière, bijvoorbeeld in Harveng (Henegouwen); zoutziederij.

Saligo, Saligot. Naam uit de ridderromans. Afgeleid van het Germaanse salik: bijnaam voor een vuilak, smeerlap (de slechte uit de verhalen).

Saliman. Arabische naam uit de voornaam Salim/Saleem/Salman: veilig, gezond, geheel, onberispelijk.

Salina, Salinas. Dialect vorm voor Frans saline: zoutmijn, zoutziederij.

Salis. Vadersnaam. Korte vorm van Marsalis, variant van Marcelis? Of Engelse familienaam Sallis = Sallows, naar de woonplaats bij de wilgen (Frans saule) ?

Salkim. Variant van Salkin? Turkse naam?

Salkin, Salkind. Vadersnaam. Engelse (of Middelnederlandse?) afleiding van de voornaam Salomon.

Sallet: 1. Uit Sarlet, van Charlet, Franse verkleinvorm van de voornaam Charles. 2. Verkleinvorm van Frans sale ‘vuil’?

Salliau. Middenfrans salaud, afleiding van sale: vies mens, smeerlap.

Sallmann, Salman: 1. Beroepsnaam. Middenhoogduits Sal(e)man: vertrouwensman, zegsman, bemiddelaar, voogd. 2. Vadersnaam. Variant van de Bijbelse voornaam Salomon.

Sallustio, Sallustin, Sallus, Salluste. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Salustius of Sallustius.

Salm, van (de) Salm, van de(der) Zalm. Naam uit de plaatsnaam Zalm (Nederlands-Limburg), Salm (ook riviernaam) in Luik en Vulkaan Eifel (Duitsland). 2. Plaatsnaam Vielsalm in Luxemburg.

Salmier, Salmi, Salemi, Sallami, Salami, Salimi, Solomie, Sollami: Salmier = Psalmier: psalmenzanger.

Salmin, Salmain, Salomein, Sallemeyn: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Bijbelse voornaam Salomon. Vergelijk Moedersnaam Salmena. 2. Afleiding van Salmier.

Salom, Salome, Salon, Salone, Saleem, Salem, Salim, Salme, Salm, Solome, Soleme, Solem, Saume: Vadersnaam. Naast Salomon, de Romaanse verbogen vorm (cas-régime van Salomonem) moet een onverbogen Romaanse vorm Salom(e)/Salm(e)/Saume (can cas-sujet Salomo) hebben bestaan. Salome, Solome kunnen ook wel afleidingen zijn voor Salomé/Solomé (en omgekeerd). Zie Salomon, Salome.

Salomé, Salome, Salomée, Salomez, Salommez, Salamé, Sallami, Salami, Salemi, Salmi, Salimei, Salimi, Solemé, Soleme, Solome, Solomee, Solomez, Solomie, Sollami: 1. Moedersnaam. Bijbelse voornaam Salome. Maar de voornaam was bij ons in de middeleeuwen ongebruikelijk. Maar de tante van Jacob Cats heette Salome Cats in 1571 in Brouwershaven. 2. Franse verkleinvorm van voornaam Salomon. 3. Zie ook Salmier.

Salomein: Ook Salmin. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Salomon.

Salomon, Salomons, Salomont, Salomone, Salomoni, Salomein, Salamon, Salamone, Salamoni, Salamun, Salamson, Salmon, Salmont Salmona, Salman, Salmang, Saulmont, Saumon, Sauoné, Somon, Sallman, Solomon, Salomonson, Solomons, Soulimans: Vadersnaam. De Bijbelse voornaam Salomo(n). Zie ook Salens, Sallmann 2.

Salperwick, Salperwyck. Plaatsnaam Salperwick (Pas-de-Calais).

Salpeteur, Salpeté, Salpè, Salpetier, Salpétrier, Salpétier. Beroepsbijnaam van de salpeterbereider of -verkoper. Vergelijk Saliter.

Salsac. Oude vorm van plaatsnaam Saussac (Cantal, Gironde, Vaucluse).

Salsone, Salson. Zuid Franse afleiding van salsa; saus. Beroepsnaam.

Salt, Salz, Zalc, Sals. Naam uit het Nederduitse Salt, het Duitse Salz, in het Luikse overgenomen als Sals: zout. Beroepsbijnaam. Vergelijk Salzmann.

Saltbommel, van. Plaatsnaam Zaltbommel, Gelderland.

Salter. Nederduits voor Duits Salzer: zoutzieder. Vergelijk De Souter.

Salteur. Zie Sauteur. 2. Naamwijziging (gemeente Houyet) van Salpeteur.

Salton. Afleiding van Oudfrans sait, Frans saut: sprong, schok.

Salu, Salut, Saluyts, Salluyts, Salluijts. Naam uit het Oudfranse Salut: heil, bescherming, beveiliging, groet. Bijnaam.

Salvador, Salvadore, Salvadori, Salvatore, Salvatori: Vadersnaam, Italiaanse, Spaanse vormen van Latijn Salvator 'redder, verlosser, heiland'.

Salvan, Sauvan: Vadersnaam. Volkse vorm van heiligennaam Silvanus.

Salvé, Salvée, Salve, Sauvé, Sauvey, Sauvet, Savet, Save, Savay: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Salvatus 'gered, verlost'. Vergelijk Italiaanse familienaam Salvato.

Salveniac, Salvéniac: Plaatsnaam Salvagnac (Aveyron, Tarn).

Salverda, Saavedra: Friese familienaam. Afkomstig van Salverd in Franekeradeel (Friesland).

Salvi, Salvo. Italiaanse vormen van Latijnse heiligennaam Salvius, Salvus. Vadersnaam.

Salzberg, Zalzberg, Zalcberg: Frequente Duitse plaatsnaam Salzberg: zoutberg.

Salzburg, Salzburger. Plaatsnaam Salzburg, Oostenrijk.

Salzman, Salzmann, Zalcman, Salsmans. Beroepsnaam. Duits Salzmann; zoutman, zoutzieder.

Saltzherr: Foute spelling voor Duits Salzer ‘zoutzieder, zouthandelaar’. familienaam De Zouter.

Sam: Engelse vadersnaam., korte vorm van Samson.

Saman, Samans, Zaman, Sämann, Saeman. 1. Beroepsnaam van de zaaiman, de zaaier. 2. Saman/Zaman zijn mogelijk ook vervormingen uit Zandman: Familienaam uit de plaatsnaam Zande.

Samang, van, van Semang: Plaatsnaam Samang in Membach (Luik).

Sambeek, van, Sombeek, Zambeek, van Zantbeek. Plaatsnaam Sambeek (Noord-Brabant).

Sambour. Plaatsnaam Chambourg (Indre-et-Loire).

Sambrée, Sambre, Sambree. Plaatsnaam Samrée (Luxemburg).

Samedi. Familienaam naar de dagnaam zaterdag. Vergelijk Vrijdag.

Samelson. Vadersnaam. Zoon van Samuel.

Sameni. Plaatsnaam Chamigny (Seine-et-Marne).

Samier, Samiers, Samiez, Samir, Sami, Samy: Wel een variant van Sannier/Sagn(i)ez.

Samin, Samijn, Samyn, Samain, Sameyn, Sameijn, Semeyn, Saemen, Samens, Scharmin. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de Bijbelse voornaam Samuel die in de 12de eeuw als als voornaam in West-Vlaanderen voorkwam. 2. Beroepsnaam uit het Oudfranse samin: fijne zijden stof. Dit geldt alleen voor de Samin-varianten.

Samison, Sammison. Waarschijnlijk Engelse verschrijving van Samson.

Sammels. 1. Bijnaam voor iemand die sammelt (talmt, zeurt, knoeit). 2. Vadersnaam uit de Bijbelse naam Samuel.

Sammens. Variant van Samens of Sammels.

Sammeth, Sammert, Sambeth, Sammut: Duits Sammet, Samt: fluweel. Beroepsnaam.

Samoy, Samoye, Samoey, Samoise, Samois, Sameys, Sameese, Semeese: Van Oudfranse werkwoord psalmoier, salmoier: psalmodiëren, psalmen zingen?

Sampain, Saimpain: Reïnterpretatie (als sans pain: zonder brood) van oorspronkelijke Sampin, vleivorm van de Bijbelse voornaam Sam(p)son.

Sampaix, Sampé: Bijnaam. Sans paix: zonder rust, rusteloos.

Sampermans. Waarschijnlijk van Sammelmans. Variant van Sammels. Zie daar verder.

Sampité. Bijnaam Sans pitié: meedogenloos.

Sampon: Aanpassing van Franse familienaam Champon, Plaatsnaam afgeleid van champ ‘veld’. Of plaatsnaam Sampont in Hachy (Provincie Luxemburg).

Sampont. Plaatsnaam in Hachy, Luxemburg.

Samray, Samri, Sameray, Samerey, Sanrey: Waals samerê: bewoner van de streek van Vielsalm (Luxemburg).

Samuëlse: Vadersnaam. Zoon van Samuel, Bijbelse voornaam.

Samijn, Semeijn, Semijn: Vadersnaam. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Samuel.

Samson, Samsson, Sampson, Samsom, Samsoen, Sansone, Sanson, Sansoen, Sansom: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Samson/Simson.

Samsonau. Vadersnaam. Afleiding van Samson.

Samsonowicz. Slavische vadersnaam uit de voornaam Samson.

Samuel, Samuele, Samuels, Samul, Samu, Samuelov: Vadersnaam. Bijbelse voornaam.

San. Korte vorm voor Van San? Spaanse korte vorm van Santo, heiligennaam Sanctus?

Sana, Sanna, Sanne, Sannen, Saanen, Saenen, Sanen, Zannen, Zanen, Zanne: Moedersnaam. Korte vorm van de Hebreeuwse heiligennaaam Susanna. Zie Versaen.

Sanc, Sancke. Vadersnaam. Nederduitse afleiding van de voornaam Sanno; Saneke. Of van Sandtke: Santke (zie Santkin).

Sanchez, Sanches, Sanges, Sancho: Vadersnaam. Spaanse vorm van de Latijnse heiligennaam Sanctus ‘heilig’.

Sanctorum, Sanctrum. Bijnaam naar het Latijnse woord sanctorum 'van de heiligen' uit een liturgische tekst, wellicht voor een koster of geestelijke.

Sandbach: Plaatsnaam Sandbach (Beieren, Hessen, Noordrijn-Westfalen).

Sanctrum, Sancotrum. Bijnaam uit het Latijnse sanctorum: "van het heilige". Wellicht bijnaam voor een koster of geestelijke (en die hadden ook al wel eens kinderen).

Sanctus, Santus, Santy, Santij. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Sanctus. Santi is Italiaans.

Sana, Sanna, Sannen, Sanne, Saanen, Saenen, Sanen, Zannen, Zanen, Zanne. Moedersnaam, verkorte vorm van de Hebreeuws heiligennaam Susanna.

Sancy. 1. Plaatsnaam Sancy (Meurthe-et-Mos.). 2. Zie Censier.

Sand. Korte vorm voor Van Sand. Ook Duitse familienaam Sand, eveneens van plaatsnaam.

Sande, van, der. Plaatsnaam in Duitsland.

Sandbank. Plaatsnaam; zandbank.

Sandberg, Sandberger. Verspreide Duitse plaatsnaam Sandberg: zandberg. Zie ook Zandberg.

Sande. Waalse reductie van Sandre.

Sandee, Zandee: Waternaam in Goudswaard (Zuid-Holland).

Sandee. Aaanpassing van franse familienaam Chandet, afleiding van Occitaans cande, Laijn. candidus: wit.

Sandefort, Sandifort, van Santvoort: Plaatsnaam Zandvoort (Drenthe, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Zeeland), Santfort (Nederlands Limburg. Eventueel plaatsnaam Sandfurth (Nedersaksen), Sandfort(h) (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Sandelin. Vadersnaam. Vleivorm van Sander, van Alexander.

Sanderman, Sandermans, Santermans. Vadersnaam uit de Voornaam Sander, een verkorting van Alexander.

Sanders, Sander, Sanderse, Sandersen, Zander, Zanders, Saunders, Sandre, Sadre, Senders, Sender: Vadersnaam. Korte vorm van de Griekse heiligennaam Alexander.

Sander, de, Desandre, Desandere: 1. Desandre, Pas-de-Calais. Zoon van Sandre, Alexander. Zie ook Descendre. 2. Zie de Zanger.

Sanderman, Sandermans, Santermans: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sander, van Alexander.

Sanderse, Sanderson. Vadersnaam. Zoon van Sander.

Sanderus. Vadersnaam. Latinisering van Sanders. Humanistennaam van Antonius Sanderus, Antwerpen 1586, Affligem 1664; auteur van Flandria Illustrata.

Sanderville. Plaatsnaam Sandarville (Eure-et-Loir); eventueel Sandouville (Seine-Mar.).

Sandfurth, Sandfort. Duitse plaatsnamen Sandfurth, Sandforth, Sandfort, Santfort (Nederlands-Limburg).

Sandkoul. Plaatsnaam: zandkuil. Verspreide Duitse plaatsnaam Sandkuhle. Vergelijk Savelkoul.

Sandman, Sandeman: 1. Afleiding van Van den Zande. 2. Beroepsnaam van de zandvoerman of -handelaar.

Sandmeier. Meier, boer op zandig terrein.

Sandner: Duitse beroepsnaam van de zandgraver, -voerman of -handelaar.

Sandon. Plaatsnaam (Berkshire, Essex, Hertfordshire).

Sandor. Hongaars vadersnaam van Alexander.

Sandorff: Plaatsnaam Sandorf (Beieren), Sanddorf (Duitsland).

Sandoz. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sandre.

Sandraert, Sandrard, Sandart: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sander.

Sandra, Sandrat, Sandras, Tjandra, Sansdraps, Sansdrap, Sandraps, Sandrap, Sendrap: Vadersnaam. Frans Sandra(t), Waale vorm van Sandrard, afleiding van de voornaam Alexander.

Sandré, de: Desandré, van Desandre, zoon van Sander, Alexander.

Sandreczki, Sandreschi, Sandretti. Vadersnaam. Slavische en Italiaanse afleiding van de voornaam Alexander.

Sandrin, Sandrini: Vadersnaam. Italiaanse korte vorm van Alesandrini, vleivorm van Alexander.

Sandron, Sandront, Sadron, Sendrons, Sondron: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Alexander.

Sansen, Sansens, Sanse, Sans, Sanssens, Zanzen, Sensen. Vadersnaam uit Sansin, een knuffelvorm van de voornaam Sanson/Samson.

Sanfrinnon, Sanfrinon. Verhaspeling (in Vlaams-Brabant) van Chaufoureau (uit Waals-Brabant), met de normale aanpassing ch/s en de zo frequente n-epenthesis.

Sangeleer. Brabantse vorm van Frans Sanglier, Oudfrans sengler.

Sangen, van der. Dialect variant van Van der Sanden (vergelijk Kust Waals-Vlaams zange = zand).

Sangermann, Sangermano. Beroepsnaam. Afleiding van Sanger.

Sanglier. Familienaam uit het Franse sanglier: everzwijn. Bijnaam of huisnaam.

Sangiorgio, Sangiorgi. Italiaanse plaatsnaam San Giorgio.

Sanglan: Oudfrans sanglent: bloeddorstig, wreed. Bijnaam.

Sanglet. Afleiding van Sanglier.

Sanglier. Frans sanglier: wild zwijn, everzwijn. Bijnaam of huisnaam.

Sangster. Beroepsnaam. Engelse vrouwelijke vorm voor Sanger: zangeres.

Sanguin. Frans sanguin: donkerrood, bloedrood. Beroepsnaam voor een lakenverver.

Sanguinetti, Sangineto: Plaatsnaam Sanguineto in Ligurië of Sanguinetto: kornoeljeboom, Cornus.

Sansens, Sansen, Sans, Sanse, Sanssens, Zanzen, Sensen: Vadersnaam van Sansin, vleivorm van Sanson, Samson.

Sanspeur, Sampeur. Bijnaam Sans peur: zonder vrees. Vergelijk Duits Ohnefurcht, Ohneangst.

Sanspoux, Sanspouls, Sampoux, Sampou, Sampoulx, Sampol, Sampos, Sanpoux, Sanpo, Sempoux, Senspoux, Sempos, Sempo, Sempot, Senpo. Reïnterpretatie (als Waals sanspôce: zonder duim) van Saint-Paul of Saint-Pol= Saint-Paul, plaatsnaam in Nord en Pas-de-Calais.

Sansterre, Santer, Santerre, Santerne, Santere, Senterre, Senter, Senster, Sandter: 1. Bijnaam Sans terre: zonder land. Vergelijk Landeloos. 2. Plaatsnaam Santerre, Latijn sana terra (Somme).

Sanstra. Waarschijnlijk verhaspeling van Sandra.

Santa, Sant, (de), Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sancta. Bijnaam. Vgl Saint.

Santa Maria. Verspreide Italiaanse en Spaanse plaatsnaam.

Santacaterina, Santacatterina. Plaatsnaam.

Santander, Santaner. Spaanse plaatsnaam Santander.

Santana, Sant'Anna: Spaanse, Catalaanse en Portugese plaatsnaam: Sint-Anna.

Saint’Angelo. Verspreide Italiaanse plaatsnaam.

Santantonio. Italiaanse en Spaanse plaatsnaam.

Sante,van, Santen, van, van Zanten: 1. Plaatsnaam Xanten (Noordrijn-Westfalen). 2. Plaatsnaam Zanten, Frans Saintes (Waals-Brabant).

Santbulte. Familienaam uit gelijknamige plaatsnaam (zandheuvel) ergens op de grens Nederland-Duitsland.

Santiago, Tiago. Verspreide Spaanse plaatsnaam Sant'Iago (Sint-Jakob). Vooral bekend is de bedevaartplaats Santiago de Compostela.

Santin, Santing, Santens, Saintin. Afleiding van de Latijnse heiligennaam Sanctus.

Santon, Santhong. Naam uit het Franse Centon, dit is wellicht een afleiding van de voornaam Vincent.

Santonin. Vadersnaam. Afleiding van Santin.

Santos, dos. Portugese naam, in Nederland vooral afkomstig uit Kaapverdië en verder onder andere uit de Dominicaanse Republiek, de Filipijnen, Brazilië, Angola en Portugal. Zie Santa.

Santkin, Sanquin, Saquin, Saengtien, Sandtke, Sentiens, Sentjens, Zentjens: 1. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van heiligennaam Sanctus/Sancta. Vergelijk Santin, Sente(n). 2. Santkin eventueel Waalse gereduceerde vorm van Sanderkin, afleiding van Sander.

Santon, Santhong: Frans Centon, afleiding van de voornaam Vincent?

Santos. Portugese en Spaanse plaatsnaam.

Santrain, Santraine, Saintrain, Saintraint. Aaanpassing van Chantrain(e). Chant(e)raine = Santreyn = San train.

Santuz: Santus, van Sanctus ‘heilig’.

Sanz. Oudhoogduitse afleiding van de voornaam Sanne, Sanno. 2. Nederduitse plaatsnaam Sanz bij Stralsund.

Sap, Sappen, Sapion: 1. Moedersnaam. Korte vorm van de Latijnse heiligennaam Sapientia of Sabina. 2. Zie ook Sabbe.

Sapart. Uit Frans Chappard: drager van een kap(mantel). Vergelijk Cappaert.

Sapin, Sappin, Sapyn, Sapijn: 1. Moedersnaam. Afleiding van heiligennaam Sapientia. Vergelijk Sap. 2. Eventueel Franse plaatsnaam Sapin: spar, den. Vergelijk Dusapin.

Sapion. Moedersnaam. Afleiding van Sap.

Sappenberghs. Plaatsnaam Dapenberg in Onze-Lieve-Vrouwe-Lombeek (Vlaams-Brabant).

Saquet, Sacchet, Saket, Saké, Sekeet: Oudpicardisch saquet, Frans sachet: zakje. Beroepsnaam. Vergelijk Zack.

Saraber: Onduidelijk. Misschien wel een verhaspeling van de plaatsnaam van zijn herkomst. 1706-1767 Pierre Sarrabere/Sarabère, Salies-de-Béarn (Basses-Pyr.)-Den Haag.

Saragosse. Namen.

Saragossi. Spaanse plaatsnaam Saragossa.

Sarazin, Sarasin, Sarasijn, Sarazijn, Sarasyn, Saracen, Saraceno, Satacino, Sarrazin, Sarazijn, Sarazyn, Sarasin, Saradin. Familienaam uit het Middelnederlandse sarazijn: Saraceen, Arabier, mohammedaan, heiden. Soms afkomstig uit de gelijknamige huisnaam.

Sarboer. Aanpasing van plaatsnaam Cherbourg (Manche) of Sarrebourg (Moselle).

Sarcelle. Plaatsnaam (Seine-et-Oise).

Sarda, Sardar, Chardard. Afleiding van de voornaam Richard.

Sardeur. Frans chardeur, var. van cardeur: wolkaarder.

Sarin. Moedersnaam. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Sara.

Saris, Sarris, Sar: Vadersnaam. Korte vorm van Sesaris, heiligennaam Cesarius.

Sarna, Sarnat. Uit Chameau, afleiding van charme: haagbeuk?

Sarneel: Vadersnaam. Variant van Serneel, dat is ’s heren Neels ‘Daneels’ of ‘Corneels’.

Saroléa, Sarolea. Plaatsnaam Sarolay in Argenteau (Luik).

Sarpette. Beroepsnaam. Frans serpette: klein snoeimes.

Serphatie, Sarphati, Serfati, Serfaty, Servaty: Joodse familienaam Sarfatti. Volksnaam van Spaanse en Franse migranten in Italie. Hebreeuws Tsarefati is een afleiding van Tsarefat, oorspronkelijk de naam van een Fenicische stad, nu met betekenis 'Frankrijk'.

Sarpong. Wellicht niet een aaanpassing van Charbon (zie Carbon). Mogelijk een Ghanese familienaam.

Sarrau, Sarroult, Sarroute, Sarreau, Sara, Sarras, Sarra, Saray, Sarria: 1. Aaanpassing van Chareau, afleiding van Char. Zie Charrault. 2. Afleiding van Germaansee sar-naam?

Sarren, van der. Regressievorm voor moedersnaam Versaren: vrouw Sara. Versaren, een hoogbaljuw in het Waasland in de 16de eeuw noemde zich Vander Saren.

Sarria. Zie Sarrau. 2. Plaatsnaam in Baskenland.

Sarteel, Sartel, Serteels, Sarteuax, Sarteau, Sartiax, Sartiau, Sartieaux, Saurtia, Sortia, Sautel, Dusartel. Naam uit de plaatsnaam Sartiel, Sartel, afleiding van sart, Frans essart; gerooide plaats. Zie ook Harteel.

Sartenaer, Sartenar. Aanpassing van Duitse familienaam Zartner, afleiding van plaatsnaam Zarten. 1715 Hans Georg Zartner komt uit Beieren naar Hendrik-Kapelle en wordt opgetekend als Sartener, Sartenaer.

Sarter. Variant (van cas-sujet) van Oudfrans sarteur: ontginner, die bossen rooit, houthakker. 2. Zie Sartor.

Sartillo, Sartillot, Sartiliot, Sastrillo: 1. Afleiding van Oudfrans sart: rode, gerooide plaats. 2. Naamswijziging van oorspronkelijk Saligot.

Sartini, Sarti, Sarto, Sartor, Sartore, Sartorel, Sartorius, Sartori, Sartorio. Italiaanse naam uit het Latijnse Sartorius: kleermaker, snijder. Beroepsnaam.

Sartisse. Plaatsnaam (Les) Sartis in Courcelles, Hensies (Henegouwen).

Sarton: Plaatsnaam. Afleiding van sart ‘rode’.

Sartor, Sartori, Sartorius, Sartoris, Sartorio, Satory, Sarter, Sartoirs: Beroepsnaam. Latijn sartor: kleermaker.

Sartre, Satre, Sastre: Beroepsnaam. Oudfrans sartre, van Latijn sartor: kleermaker. Zie Sartor.

Sartrys. Waals-Vlaamse variant van Sartisse.

Sas (de), Sass(e), Saes, Saez, Tsas, T'Sas, 't Sas, Sach, Sachs, Saks, Saxe, Sax, Saxks, Sacks, Sackx, Sakx, Zas, Zass. Volksnaam voor wie afkomstig is van Saksen in het bijzonder, Duitsland in het algemeen.

Sas, van (der): Plaatsnaam Sas (Noord-Brabant), Sas van Gent (Zeeland).

Sasanguie, Sasangie. Uiterst zeldzame familienaam. Mogelijk verfranste naamvorm uit het oude Sasse (volksnaam voor iemand uit Saksen) + wig: de strijdende Saks.

Sasse: 1. Middelnederlands Sasse, volksnaam van de Sas, Saks(er), afkomstig uit Saksen. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sahso, Saxo, Sasso; ‘volksnaam van de Zassen, Sachsen’.

Sassel. Duitse plaatsnaam.

Sassen, Sassenus, Saesen, Saesens. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sahso, Saxo, Sasso, volksnaam van de Sachsen (de Zassen). 2. Eventueel plaatsnaam zonder voorzetsel van de streeknaam Sachsen. 

Sassenbrouck, van, van Sassenbroeck: Plaatsnaam Sassenbroek in Broekom (Limburg).

Sasserath. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Sassier, Sassi: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sahs-hari 'Sa(k)s-leger'.

Sasson. Frans saxon: volksnaam van de Saks(er). Vergelijk (de) Sas. 2. Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van Germaanse voornaam Saxo 'Sa(k)s'; vergelijk Sassen.

Sate, van der, van der Saete, Van Saet, Zaad. Familienaam uit het Middelnederlandse sate: woning, tijdelijk verblijf, kasteel.

Satens, Saetens: Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse sath-naam, zoals Sadebertus, Saduinus (Satoinus), Sadulfus.

Saterdag. Bijnaam naar de weekdag, zaterdag.

Satin, Satijn, Satyn, Satinet: Middenfrans satin: satijn. Beroepsnaam van de wever of handelaar.

Satirus. Latijnse humanistennaam. Wellicht Satyrus: dichter (van satires).

Sattler, Sadler: Duitse beroepsnaam van de zadelmaker; vergelijk de Sadeleer.

Sauber. Duits sauber; rein, zuiver, schoon.

Saucin, Sausin: Plaastnaam Saucin in Isnes (Namen).

Saudemont, Saudmont. Plaatsnaam Saudemont (Pas-de-Calais).

Saudoyer, Saudouyes, Sodoyer, Sodoyez, Sodoyé, Soudoyer, Soudoyez: Oudfrans soldoier: soldenier, huurling.

Sauer, Saur, Souer: Duitse bijnaam ‘zuur, bitter, bars’.

Sauerbier. Bijnaam voor de brouwer van zuur bier, het bittere langer houdbare bier. Vergelijk Zuurbier.

Sauerman, Sauermann, Suermann. Suermann: Bijnaam voor iemand met een zuur, bitter, bars karakter. Zie Sauer.

Saul, Saül, Saulle, Saulx, Saux, Saut, Sauw: Plaatsnaam. Oudfrans sais, Frans saule: wilg. Vergelijk Desseaux.

Saulay. Plaatsnaam; plaats met wilgen.

Sault. Van Latijn saltus; bos.

Saunier, Saulnier, Lesaulnier, Sougnier, Sougniez, Sougnez, Sougné, Soune, Seunier: Franse beroepsnaam van de zouter, zoutzieder, zouthandelaar.

Saurin, Sauren. Afleiding van Oudfrans sor: bruinachtig geel. Vergelijk Saureau.

Saurtet. Afleiding van sart; rode.

Saury, Sauris. 1. Variant van Savary. 2. Spellingvariant van Soris; zie Souris.

Sausset, Sausset, Saucet, Saucez, Saucé, Sauce, Sausez, Sauzet, Sosset: Afleiding van Oudfrans sais, sauz, sause, Latijn salix: wilg. Vergelijk Dusausoit.

Saussu, Saussus. Variant van Oudfrans Saucy: plaats waar wilgen groeien.

Saussure, Saucure: Plaatsnaam. Oude naam van Carslbourg in Paliseul (Luxemburg).

Sauter. Afstammelingen van Jacob Sutter=Sauter in Reichenau (Bodenmeer). Duitse beroepsnaam Sauter = Suter (in het Alemannisch niet gediftongeerd) van Latijn sutor: naaier. 2. Zie De Souter.

Sautereau, Sautrau, Sautriaux, Sautron: Oudfrans sauterel, Frans sauterelle: sprinkhaan. Bijnaam voor een springer.

Sauteur, Salteur: Oudfrans salteur, Frans sauteur: springer, danser.

Sautier, Sautié, Sautière, Sautiere, Sauthier: Oudfrans saltier, sautier: psalmboek, Middelnederlands souter, Nederlands psalter, ook muziekinstrument: dertiensnarige harp. Bijnaam voor een muzikant. Vergelijk Duits Psalterier.

Sautreuil. Plaatsnaam in Arc-en-Barrois (Hte-Marne).

Savage: Variant van de Franse familienaam Sauvage. Bijnaam voor iemand met onsociaal gedrag, die zich wild en ongedisciplineerd gedraagt. Ook huisnaam.

Sauvage (de), Dessauvage, Dessauvages, Savage, Saouvagie, Souvage. Bijnaam voor iemand met een wild, ongedisciplineerd gedrag. Vergelijk De Wilde, De Wildeman. Ook huisnaam.

Sauvageua, Sauvageot, Sauvaget. Bijnaam. Afleiding van Sauvage.

Sauvai. Vadersnaam. Germaanse voornaam Saluvalus.

Sauvegarde. Verspreide plaatsnaam in Wallonie.

Sauvelon, Savelon: Plaatsnaam. Waals sa(u)velon, Frans sablon: zand, zavel. Vergelijk Sablon. In Fragnée (Luik).

Sauvenée, Sauvenay, Savenay, Saufnay, Sauvanaud, Savineau: Vadersnaam. Luxemburgse Waalse afleiding (met dubbel suffix -enê, -inel) van Germaanse Sav-naam, zoals Savary.

Sauvenière, Sauvenier, Sauvenièr, Delsauvenière, Sauviller(s), Saveniers, Savernier: Plaatsnaam Sauvenière, van Middenlatijn sabulonaria: zandgroeve (Namen). In Charneux (Luxemburg): 1404 preit del Savenier. Ook een stadswijk van Luik: 1107 Sabulonaria = 1226 in Sabuleto.

Savaria, Savariau. Vadersnaam. Afleiding van Savary.

Savart, Sava, Savas, Savat, Savardi: Vadersnaam. Germaanse voornaam sav-hard.

Savary, Savari, Savaris, Saveri, Saverijs, Saverys, Saveries, Saffery, Zavarise, Soferis, Sofferie: Vadersnaam Savary, Romaanse vorm van Germaanse voornaam sav-rîk: Sabaricus, Savaricus, Savarich, Savaricus.

Savat, Savatte, Savaete, Chavat, Chavatte, Servaeten, Servaete, Cijvat: Oudfrans savate, Picardisch chavate ‘schoeisel’. Beroepsbijnaam van de schoenmaker. Cijvat door voortonige klinkerwijziging.

Scherpenisse, (van): Plaatsnaam Scherpenisse (Tholen, Zeeland): 1206 Scarpenesse ‘scherpe nes’, nesse ‘land dat in water uitsteekt’.

Savel (van den, der), van de(den) Zavel, van de Saevel, Versaevele, Versaevel, Versavel, Versavele. Familienaam uit de plaatsnaam Zavel: zand, plein.

Savel, Savels, Saeveld, Zavels, Savelen: 1. Savel, zavel ‘zand, plein’. 2. Middelnederlands savel, sabel ‘zwart (in de heraldiek); zwart bont, sabelbont’.

Savelkoul, Savelkouls, Savelkoel, Savelkoels. Limburgse familienaam Koel (kûl): kuil. Plaatsnaam Zavelkuil: zandgroeve, in Berg, Genoelselderen (Limburg), Rummen (Vlaams-Brabant).

Savelberg, van, Savelbergh, van, Savenberg, Savelsberg, van Zavelbergh, van Zavelberg: Plaatsnaam Zavelberg in Erwetegem (Oost-Vlaanderen) en Vollezele (Vlaams-Brabant).

Saverwijns, Saverwijns, Saverwijns, Saverijns. Vadersnaam. Variant van Saverijs.

Savoij, Savoije, Savooij: 1. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Savia. 2. Streeknaam Savooie, Frans Savoie.

Savignet. Plaatsnaam Savigné (Vienne, Sarthe, Indre-et-Loire).

Savigny, Savigni: Verspreide plaatsnaam Savigny.

Savin, Saveyn, Saveijn. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Sabinus/Savinus.

Savine. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sabina.

Savinien. Latijnse heiligennaam Sabinianus.

Savoi, Savoie, Savoir, Savoye, Savoy, Savooy, Savoey: 1. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Savia. 2. Zie De Savoye.

Savonet, Savoné, Savone: Afleiding van Frans savon: zeep. Beroepsnaam van de zeepzieder.

Savonie, Savonije. Waarschijnlijk van Savigni.

Savouret, Savouré: Oudfrans savoret: smakelijk; zacht, aardig. Bijnaam.

Savy. Plaatsnaam (Aisne) of Savy-Berlette (Pas-de-Calais) of in Longchamps (Luxemburg).

Saxer. Volksnaam van de Sakser.

Sayette. Oudfrans saitete; pijl. Beroepsnaam.

Sayez. Waarschijnlijk variant van Sailliez.

Scaillet, Scaillez, Scaliet, Scalliet, Escale, Scalais, Schaillée, Schaillee, Schaillez, Schaillié, Schaalje, Xhaët, Xhaet, Xhayet: Afleiding van Oudfrans escale, escaille, van Oudnederlands skal(j)a: lei, Zuidnederlands schalie. Beroepsnaam van de leidekker. Maar sommige vormen kunnen net zo goed spellingvarianten zijn van Sc(h)aillier, Schallier; zie Escallier.

Scaillon, Schallon, Scalon: 1. Oudfrans escaillon: sport, trede, trap. Bijvoorbeeld plaatsnaam Schalioen in Mal (Limburg). 2. Plaatsnaam Ecaillon (Nord). Zie Decaillon.

Scailteur, Scailteux, Cailteur, Cailteux, Xhaeteux, Xhayteux: Afleiding van Oudfrans escaille: lei. Beroepsnaam van de leidekker.

Scalabre. Franse aanpassing van Schelhaver.

Scalé, Schaalje: Aanpassings van de familienaam Scaillet, Escalé, van Schaillée, Schaillee. Verkleinvorm van Oudfrans escale, escaille, van Oudnederlands skal(j)a ‘lei’, Zuid Nederlands schalie. Beroepsbijnaam van de leidekker.

Scarron, Scaron. Waarschijnlijk spelling voor Charron.

Scarbotte. Oudfrans escarbote: (mest)kever. Bijnaam. Vergelijk Kever(s).

Scarceria, Scarceriaux, Scarceriaeu, Scarcériaux, Scarcérieau, Scarseriaux, Scacêriaux, Scacêriaux: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans eschars: zuinig, karig, krenterig, gierig. Vergelijk Escarsiaus.

Scarmur, Scarmure. Plaatsnaam in Limburg. De naam werd later als Schermer gereïnterpreteerd.

Scarnier, Scarnière, Scarniere, Scarniet, Scherniers, Schernier: Middelnederlands schernier, schaernier: spotter. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans eschar(n): spot.

Scarset, Scarse, Scarsez, Scarcez, Schairsée, Schairsee: Afleiding van Oudfrans eschars: krenterig, gierig. Vergelijk Scarceriau.

Scavée, Scavee, Schavey, Schavay, Skevee, Skeve, Sckevee, Skivée, Skivee, Scuvée, Scuvee, Scuvie, Sckuvie, Sikivie, Squivée: Plaatsnaam. Romaans scavée, escavée, van Latijn excavata: holle weg, groef. Xhavée in Saive, Vinalmont en Wandre (Lxemburg).

Schaader. Bijnaam voor iemand die schade toebrengt, vijand, rover.

Schaaf: 1. Nederlands spelling van Duits Schaf ‘schaap’. 2. Zie (van der) Schaaf.

Schaaf, (van der): Beroepsbijnaam van de timmerman.

Schaafsma: Friese afleiding van Schaaf. Beroepsbijnaam voor een timmerman.

Schaak, Schaake, Schaack, (de) Schaeck, Schaek, Schack, Schak, Schake, Schaakxs. 1. Naam uit schaak: schaakbord. Bijnaam voor een fervent schaker, schaakspeler. Op het zegel van de Kortrijkse familie Scaec stond een schaakbord. 2. Naam uit de regelmatig voorkomende huisnaam: schaak, schaakberd, in ’t Schaeck.

Schaak, van. Variant van Van Schaick. 2. Huisnaam: Het Schaak; zie Schaake 2.

Schaal, Schaale, Schaele: Beroepsnaam van de schalenmaker, maker van weegschalen.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), de vadersnaam van de oud-Germaanse voornaam Scal, die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was. In de geslachtsnaam Schaallema (Schalema, of Skalama was beter spelling) vinden we dezen ouden voornaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zeker in Scheelings.

Schaange, van Schadinge, van de Friese persoonsnaam Scato. In Twente Schaink (Skadink).

Schaap, Schaep, Schaeps, Schaaps, Schab, Schaab, Scheps: 1. Bijnaam naar de eigenschappen van het schaap, bijvoorbeeld de zachtaardigheid. Ook wel bijnaam voor een sukkel of dom mens. 2. Huisnaam.

Schaapman, Schaepman, Schapmans, Scheepmans, Scheepman, Schepmans, Schepman: Beroepsnaam van de schaapherder

Schaapveld. Reïnterpretatie van Schaapvel. Beroepsnaam van de schapenviller of de looier van schaapsvachten. Vergelijk Duits Schaffell, Kalbfell.

Schaar, Schaer, Schaers, Scharre Scharres: 1. Beroepsbijnaam voor een scharenslijper of -smid, een snijder of scheerder. 2. Korte vorm van Van der Schaar.

Schaar, van der, van Schaaren, van Scharen, van Schaeren, Verschaeren, Verscharen, Verschaere. Familienaam uit de plaatsnaam Schaar, Schare. Schaar; oever, dijk, in Boechoute, Assenede, Oost-Vlaanderen, Ruddervoorde, West-Vlaanderen.

Schaardenburg, van Schaardenburgh, van. Hoofdzakelijk Limburgse familienaam. Er is een plaatsnaam. Scadenbourg in St-Martin-au-Laërt (Pas-de-Calais). Ook een Nederlandse familienaam Scherrenburg. Aangezien burg- en berg-namen vaak verward werden, gaat de familienaam waarschijnlijk terug op een plaatsnaam in de streek van Diest (Vlaams-Brabant).

Schaarmann, Schaarmang, Scharmann: Beroepsnaam van de scharenmaker (vergelijk Schaarschmidt) of de scharenslijper.

Schaarschmidt. Beroepsnaam van de kleinsmid die scharen maakt.

Schaballie, Schabaille: Plaatsnaam in Zillebeke (West-Vlaanderen).

Schabel. Duitse bijnaam van werkwoord schaben; pesten, zich afbeulen.

Schaberg: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit de plaatsnaam Schadeberg (Nedersaksen)?

Schachne, Schachner. Die bij een Schachen woont. Middenhoogduits schache: stuk bos.

Schacht, (de), de Schachte, de Schagt, (de) Schaght, Deschagt, Schaght, Schaecht: Beroepsnaam. Middelnederlands scacht: ronde stang of staak, staf van speer of lans. Beroepsnaam van de schacht- of speermaker:

Schachter, Schächter, Schaechter, Schechter: Beroepsnaam van de maker van pijl-, lans- en speerschachten. Vergelijk Duits Schachtschneider. Zie ook (de) Schacht.

Schadee: Door verschoven accent uit Schade. Bijnaam, van het werkwoord schaden ‘schade of nadeel toebrengen, benadelen’.

Schaddelee. Aanpassing van Zwitserse familienaam Schaedli, die beantwoordt aan Duitse familienaam Schâdelein, afleiding van Schade.

Schaderon, Schadron. Plaatsnaam Schadron in Uden, Noord-Brabant.

Schade, Schaad, Schaede, Schaets. Bijnaam uit het werkwoord schaden: iemand schade/nadeel toebrengen. Duits Schade ‘Schädiger, Feind’.

Schadeck, Schadick: Plaatsnaam Schadeck (Duitsland) in Attert (Luxemburg).

Schaeffer, Schaefer: Duits Beroepsnaam Schäfer ‘schaapherder’.

Schaeger, Schegers: Duitse familienaam Schagger voor de drager van Middenhoogduits schegge: nauwe, gestreepte herenrok, boerenkiel.

Schaegh, van der, Schaeghe, van der, (van) Schagen, van der Schaeg, van der Schaege, van der Schaeven, van der Schaeve, Verschaeve, Verschave, Verschage, Verschae, Verschaegen, Verschaever, Verschaver. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam (ter) Schage : kreupelhout, bosje (aan de rand van het veld). Deze plaatsnaam komt zowel in Vlaanderen als in Nederland voor. Vergelijk Engels shaw, Zweeds skog, Deens skov. Plaatsnaam Schage in Woumen (West-Vlaanderen), Schagen in Rozendaal (Noord-Brabant en Noord-Holland).

Schaekels, Schaekers, Schackels: Middelnederlands schakel: voetkluister, schakel van ketting. Bijnaam of beroepsnaam.

Schaeken, Schaekens, Schaken, Schaukens, Schouckens, Schoukens, Schuykens. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse scadekin, Noordduits scadekin, verkleinvorm van scaden ‘schade, nadeel’. Zie Schade. 2. Uit Schalken(s): Zie Schalck.

Schaekers, Schaeckers: 1. Middelnederlands schaker: struikrover, rover. 2. Variant van Schaekels, door r/?-wisseling.

Schaele, van der. Middelnederlands schale: weegschaal, (stads)waag. Naar de woonplaats of voor de weger.

Schaepdrijver (de), Schaepdryver, Schapdryver, Schapdrijver. Beroepsnaam van de schaapherder.

Schaepherders. Boeroepsnaam van de schaapherder.

Schaepkens, Schepkens, Schöpges, Schoepges, Schopges: Afleiding van Schaap. Bijnaam. Vergelijk Nederduits Schap(e)ke

Schaepmeester, de, Schaapsmeerders: Beroepsnaam van de schaapherder.

Schapeshooft. Bijnaam voor iemand met kroeshaar, krullenbol.

Schaerbeek, van, de Scarenbeke: 1. Plaatsnaam Schaarbeek. 2. Eventueel plaatsnaam in Aalst en Zwijndrecht (Oost-Vlaanderen).

Schaeren, van: Plaatsnaam Schare, Schaar ‘oever, dijk’, in Biervliet, Cadzand, Retranchement (Zeeuws-Vlaanderen), Boechoute, Assenede (Oost-Vlaanderen).

Schaessens. Afleiding van Middelnederlands schaers: zuinig? Bijnaam.

Schaets. Middelnederlands schaetse: houten been, kruk, prothèse, stelt. Bijnaam voor een kreupele, gehandicapte. 2. Eventueel afleiding van Schade.

Schaetsaert, Schotsaert. Naam uit het Middelnederlandse schaetse: houten been, kruk, stelt.

Schaetzen, de. Plaatsnaam Schaatsen in Sint-Huibrechts-Hern (Limburg).

Schaever, de, Schaevers, de Schauvre: Beroepsnaam van de schaver, de timmerman.

Schaeybroeck, van Schaeybroek, van, van Schuybroeck, van Schuytbroeck, van Schuijtbroeck, Schuybroek, Schuybroecks, Schuynbroek, van Scambrouck: 1. Plaatsnaam Schadebroek in Schorisse (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Schaadbroek in Overijse (Vlaams-Brabant). Of in Zuid-Holland? 3. Deze familienaam valt samen met de Brabants dialect vorm van Van Schoubroeck.

Schaf, Schafs, Schaff, Schaaff, Schaaf, Schaeff, Schaefs, Scafs, Scaf, Scaffe, Scaff, Scheffs: Bijnaam. Duits Schaf: schaap. Vergelijk Schaap.

Schafelaar, van den: Plaatsnaam Schaffelaar (Veluwe):

Schaffel, van: Plaatsnaam 1427 ter Scaffelt, Aaigem (Oost-Vlaanderen).

Schäfers, Schaffer, Schaffers, Schaffer, Schaefers, Schaefer, Schaeffer, Scheefer, Schefer, Scheffers, Scheffer, Scheffert, Schöffer, Schöffers, Schoffers, Schoeffert, Schoeffer: Beroepsnaam. Duits Schafer, Schäfer; schaapherder. Vergelijk Schapers.

Schaffel, Schaffell. Duitse beroepsnaam van de schapenviller.

Schaffeneers, Schaffner. Middelnederlands schaffenaer, Middenhoogduits schaffenaere: ambtenaar belast met toezicht, opzichter, intendant, hofmeester, rentmeester. Beroepsnaam. 2. Afleiding van plaatsnaam Schaffen bij Diest (Vlaams-Brabant).

Schafferaet, Schafraet, Schafrad, Schafrath, -Schafrand, Schaffrath, Schaffrand: Bijnaam voor iemand die graag raad schaft, raad geeft.

Schaft, van der, Schaft, van Schaften: Plaatsnaam Schaft in Valkenswaard (Noord-Brabant).

Schaftingen, van, Schaftinghen, van, van Schaftighen: Plaatsnaam. Verdronken dorp Saaftinge (Zeeland).

Schagen, van: Plaatsnaam Schagen (Noord-Holland). Zie ook Van der Schaegh(e).

Scaght, van der. Reïnterpretatie van Van der Schlagt? Of van Verschate?

Schaik, van, van, Schaick, van Schaik, van Schaijik, van Schaijk: Plaatsnaam Schaijk (Noord-Brabant), Schadewijk bij Odijk, Utrecht.  Of door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit plaatsnaam Schadijk in Horst (Nederlands Limburg).

Schakel: Middelnederlands schakel ‘voetkluister, schakel van ketting’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Schakelaar: Beroepsnaam.

Schakman, Schackman, Schapman: De Waals-Vlaamse familienaam Schapman gaat terug op Scha(ck)man, een Duitse aanpassing van Jacquemin (vergelijk Duits Schang van Jean).

Schalandrijn, Schalandryn. Chalandrin, afleiding van Chalandre. Zie Schellander.

Schalbroeck. Plaatsnaam in Lummen (Limburg).

Schalckhoven, van. Plaatsnaam Schalkhoven, Limburg.

Schaler, Schaeler, Scheler: Duitse familienaam Schaler, Schâler: Schiller, ontschorser (voor het looien). Beroepsnaam.

Schaleven: De naam Schaleven, Scaleven kwam omstreeks 1600 in het Land van Waas (Oost-Vlaanderen) voor. Uit Scaluwen, afleiding van de Caluwe  ‘de kale’.

Schaliedecker, de. Beroepsnaam van de leidekker.

Schalk, Schalck, Schalckx, Schalke, Schalken, Schalks, Schelck, Schalkens, Schalkens, Scalquin, Schaeiltjens, Scheyltjens, Schellekens, Schelekens, Schelkens, Schelke, Scheltjens, Scheltiens, Scheltens, Scheullekens; Vadersnaam. Germaanse voornaam Scalco ‘knecht’.

Schalkoort: Wellicht Middelnederlands schalkaert, afleiding van bijnaam schalc ‘onderhorig; boos, slecht, bedrieglijk, arglistig, listig’.

Schamp, Schamps, Scamps: 1. Bijnaam voor de schamper, spotter, die schamper is. Vergelijk Schampaert. 2. In Zuits Oost-Vlaanderen werd Deschamps verkort tot Schamp(s).

Schaltin. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Namen.

Schalkwijk: Plaatsnaam Schalkwijk (Noord-Holland, Utrecht).

Schamphelaere (de), (de) Schampheleer, de Schapeleere, de Schampheleire, de Schampeleire, Deschampheleire, (de) Schamphelaire, de Schamfeleer, de Schaemphelaere, de Schaempheleere, de Scamphelaire, Schanfelaer, de Schanfeleire, de Schanfeler, de Schamphamlaere. Naam uit het Middelnederlandse schampelen, schamfelen, schanfelen: struikelen (ook met woorden). Bijnaam voor een stotteraar, stamelaar.

Schamp, Schamps, Scamps. 1. Bijnaam voor een schamper, een spotter. 2. Zie ook Deschamp(s).

Schandeler. Duitse afleiding van Middenhoogduits schandel, van Oudfrans chandel: kaars. Beroepsnaam van de kaarsgieter, Frans Chandelier. 2. Afleiding van de Duitse plaatsnaam Schandel.

Schandevyl (van), (van (de) Schandevijl, Schandevel. Aaanpassing van de Franse familienaam Chédeville, Chadeville, Chefdeville, Duchefdelaville, met n-epenthesis. Plaatsnaam Che(f )deville: hoogste punt van een stad, dorp.

Schans, de. Reïnterpreterende spelling van Deschans = Deschamps.

Schans, van de: Plaatsnaam Schans in Zelem (Belgisch-Limburg), Deurne (Noord-Brabant), Gramsbergen Overijssel, Gastel (Noord-Brabant), Ouwerschie (Zuid-Holland), Roggel (Nederlands Limburg, Reek (Noord-Brabant), Weerd (Nederlands Limburg, Zwartsluis Overijssel, Someren (Noord-Brabant).

Schanus. Luxemburgse familienaam Schannus, Schannes, dialect uitspraak van Jannes. Vergelijk Rijnlands Schang, van Jean.

Schanze, Schantz, Schanzer, Schänzer, Schentzer: Verspreide Duitse plaatsnaam Schanze (en afleiding.): schans, versterking.

Schap, van. Wellicht huisnaam Schaap.

Schapelynck, Schapelinck, Schaepelinck,Schaepe-lynck: Afleiding van schaap. Bijnaam.

Schapelhouman: Duits Schapelhaumann? Middelhoogduits schapel, van Oudfrans chapel, van Frans Chapeau ‘hoofdkrans van bloemen, hoofddeksel’; Haumann ‘houwer’.

Schapendonk, Schaependonck, Schaapveld. Plaatsnaam. Wellicht kan het toponiem Schapendonk in Noord-Brabant gelokaliseerd worden als Raamsdonkveer. Het moet een hoogte betreffen waar schapen graasden.

Schaper, Schapers, Schaepers, Schâper, Schâpers, Schepers, Schoeppers: Beroepsnaam van de schaapherder, schaper.

Schapiro, Schapira, Chapiro, Sapiro, Sapir, Shapiro, Shapira, Szapiro, Szapira: Jiddische familienaam: afkomstig uit Spiers, Duits Speyer (Rijnland-Palts).

Schapman. De Waals-Vlaamse familienaam Schapman is een reïnterpretatie van Schakman.

Schardus: Uit Richardus?

Schar, Scharff, Scharfe, Scherf: Duitse bijnaam Scharf: scherp, onvriendelijk.

Scharfenberg. Duitse plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen, Saksen.

Scharlaeken, Scharlaken, Scharlaeckens, Schaerlaken, Schaerlakens, Schaerlaken, Schaerlaecken, Schaerlaekens, Scarlakens. Scharlaken is een fijne, rode stof. Wellicht betreft het hier een familienaam afgeleid van ofwel een handelaar in (beroepsnaam) of een drager van (bijnaam).

Scharley. 1. Aanpassing van Charlet. 2. Middelnederlands scharleie: scharlei, wilde salie. Bijnaam of beroepsnaam.

Scharloo: Vadersnaam. Aanpassing van Frans Charlot, verkleinvorm van de voornaam Charles.

Scharmin, Schermin: Waarschijnlijk hypercorrect voor Samin, met r-epenthesis. Vergelijk Sermijn.

Scharpé, Scharpe, Sjerp: James Sharp (1722-1795) was de stamvader van de Nederlandse familie Sjerp. Simon Sharp was officier in het 36ste regiment Schotten in dienst van de Nederlandse Staten. Zijn zoon, Jan Simon Siearpe ("1779 in Klundert) komt naar Belgie, waar zijn naam als volgt evolueert: 1801 Siearpe, 1830 Sciarpé, 1854 Charpé, later Scharpé.

Scharre, Scharres, Scarr. 1. Wellicht (beroeps)bijnaam uit het Middelnederlandse werkwoord scarren: krabben, omwoelen, afkrabben, schrapen. 2. Zie ook Schaar.

Schartz, Scharz. 1. Duitse bijnaam voor een goochelaar, jongleur. 2. Plaatsnaam Schartz in Schellingen (Rijnland-Palts).

Schat, Schats, Schatt, Schatz, Schâtze, Schets, Schetz: 1. Bijnaam naar een schat. Beroepsnaam van de schatbewaarder of van een schatter of inner van belastingen. Vergelijk Schatteman. 2. Zie Schattens.

Schattefor. 1. Naam uit château-fort (versterkte burcht): bijnaam voor iemand die in of in de buurt van die burcht woonde. 2. Beroepsnaam, variant/vereenvoudiging van schatheffer/schattefer: inner van de schattingen.

Schatteman, Schattemans, Schateman, Schattemann, Schattmann: Beroepsnaam van de schatbewaarder, penningmeester of schatter. Vergelijk Duits Schatzmann.

Schatten, Schattens, Scattens: Vadersnaam. Germaanse voornaam Scatto.

Schattevoet. Waarschijnlijk plaatsnaam op -voorde. Vergelijk van Dievoet, Marivoet. Wellicht E.ngelse plaatsnaam Shadforth (Durham).

Schätzer, Schatzer: Duitse beroepsnaam van de schatter. Vergelijk Schetter(s).

Schätzle. Vadersnaam. Afleiding van de oude Germaanse voornaam Scatto). Voornaam Scazilo. 2. Bijnaam, afleiding van Schatz. Zie Schat 1.

Schaub: Bijnaam. Middenhoogduits schoup: strobos. Vergelijk Stroobant.

Schauenburg, Schauenberg, van Schauwenberge, Schaumburg, van Schouwburg, Schouwenburg, Schouwenberg: Verspreide plaatsnaam Schauenburg, -berg ‘uitkijkpost’. Schauenburg (Hessen), Schaumburg (Nedersaksen, Rijnland-Palts, Beieren). Schauenberg (Noordrijn-Westfalen).

Schauergans. Duits zinwoord met Middenhoogduits schûren: hoeden, beschermen. Beroepsnaam van de ganzenhoeder.

Schaumans, Scauman: Beroepsnaam van de schouwer, die een schouw of inspectie houdt. Vergelijk De Schouwer.

Schaus, Schauss. Zou een bijnaam zijn voor een grappenmaker, vastenavondgek.

Schausselen, van, Schousselen, van Schansselen: Plaatsnaam Schousel bij Temse (Oost-Vlaanderen) Schauselbroek en Schauselhoek in Steendorp, Bazel (Oost-Vlaanderen).

Schauwvlieger, Schauwvlieghe, Schauwvliege, Schauvlieg, Schavlieghe, Schavliege, Schaevlieghe, Schauwvliege, Schouvliege, Schouvlieger, Schouwvlieger, Schaulivege: Herinterpretatie van Schouwvliege. Zinwoord, samenstelling van werkwoord schuwen, schouwen ‘schuwen, bang zijn voor’ + zelfstandig naamwoord vliege. Bijnaam voor iemand die vliegen schuwt of ze verschuwt, wegjaagt.

Schaverbeke, van, Schaverbeeck. Plaatsnaam Schaverbeke in Zwijndrecht (Oost-Vlaanderen), nu Schaarbeek.

Schayes, Schaijes, Schaeys, Schaheys, Scahaise: Waals-Brabantse aanpassing van Brabants Schouwhuis (Branbantse uitspraak ±schaès, Waalse uitspraak skajès).

Scheck, Schech: Middenhoogduits schecke: gevlekt. Bijnaam.

Scheecqmans. De familienaam is ontstaan door een leesfout van Scheepmans. Bij het huwelijk van Vital-Jean-Baptiste-Alfred Scheepmans (Louvroil-lez-Maubeuge) in Monceau-sur-Sambre in 1913 maakte de ambtenaar een inktvlek op ep, zodat de familienaam er als Scheecqmans uitzag.

Schee, van der, Scheij, Schey, Kromschee, Scheede: Plaatsnaam. Middelnederlands schede, scheide ‘tweesprong’.

Scheef. 1. Bijnaam voor iemand die zich scheef houdt. 2. Varitant van Duits Schaf: schaap. Bijnaam.

Scheefhals, Schevenals, Schevenhals, Schevenhels, Scheveneels, Schevenels, Scevenels, Scheefnels, Schevernels, Seevenels, Sevenels: Bijnam voor iemand met een scheve hals. Duits Schiefnacke.

Scheel, Scheele, Scheelen, Schelen: Bijnaam voor een schele.

Scheemaecker, de, Scheemaker (de), de Scheemacker, Scheemaeckere, Scheemakere, Scheemaeker, Scheemakers, de Schemackere: Beroepsnaam van de schedenmaker, de vervaardiger van scheden. Vergelijk Engels Sheather, Sheter.

Scheen, Scheenen, Schennen: 1. Middelnederlands scène: scheenbeen, schenkel, scheenplaat. Bijnaam naar het lichaamsdeel of het deel van de wapenrusting. Vergelijk Duits Schienbein. 2. Scheen kan ook dialect (Saksisch) ontrond zijn van Schôn.

Scheenijs: Wellicht ontrond uit Scheunis, van Schoonis, lokale uitspraak van de plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Belgisch-Limburg).

Scheenloop: Aanpassing van de ontronde vorm van Duits Schönlaub ‘schöne Laube’. Duits Laube, Middennoordduits, Middelnederlands love ‘luifel, galerij, zuilengang, binnenplaats, tuin’.

Scheenstra: Friese afleiding van plaatsnaam Scheene in Weststellingwerf (Friesland).

Scheepstra: Friese afleiding van schip.

Scheerders, de, Scheerdère, de Scheirdere, de Scheirder, Scheerders, Scheerder, Scheerer, Schierer, Scherrer, Scherer, Scheere, Scheer, Scheers, Schees, Scherre, Scher, Schers, Sches, Scheire, Scheir, Scheirsen, Scheirs, Schiers, Schier, Scheerens: Beroepsnaam van de scheerder, dat is ofwel de baardscheerder, barbier, ofwel de lakenscheerder, droogscheerder.

Scheerdijk, Scheerdyk, Schaardijk. Familienaam uit de plaatsnaam Scheerdijk: een langs een schaar of geul gelegen land. Of vervorming (n/r-wisseling) van Scheendijk (Utrecht).

Scheeren, Scheerens, Scheerden, Scheeres, Scheirens, Scheiris, Scheren, Scherens, Schérenne, Schéren, Scherenne, Schérès, Scherrens, Squerens, Schieren, Schierens, Schieres, Schirren. Familienaam uit Scherin, afgeleid van werkwoord Squerens; scheren. Beroepsnaam van de scheerder: barbier, lakenscheerder. Zie ook Scheerder De.

Scheerlinck, Scheerlinckx, Scheerling, Scheerlynck, Scherling, Scherlinck, Scherlincx, Scherlynck, Scherlijnck, Scherlyngk, Scheirlinck, Scheirlinckx, Scheirelink, Scheirelinckx, Scheirllynck, Scheirlijnck, Schierlinck, Schierling: Middelnederlands scheerlinc, Middelhoogduits scherlinc ‘dolle kervel’. Naar de groeiplaats of gebruik?

Scheermeijer: Duits familienaam Schermeier ‘der Meier in/auf der Scher’.

Scheers, van: Plaatsnaam Scheerse in Gramsbergen, Overijssel? Of Scheers met secundair voorzetsel?

Scheerschmidt. Duitse beroepsnaam van de kleinsmid die scharen maakt.

Scheeuwijck, van, Scheeuwyck, Schewijck, Schwyck: Plaatsnaam Schadewijk in Eersel en Os (Noord-Brabant), Schawijk in Kerkom (Vlaams-Brabant) Of een andere plaatsnaam?

Scheeven, Scheyven, Scheijven, Scheijvens. 1. Variant van het Middelnederlandse scheef, scheyf: scheef, schuin, scheel. Bijnaam. 2. Vadersnaam, variant van Schijven. Zie daar.

Scheffel, Scheffels. Duits dialect (Elzas, Rijnland) variant van Schôffe: schepen. Vergelijk Scheffen.

Scheffen. Limburgse vorm van schepen: wethouder. Vergelijk Schepens.

Scheffener: Duits Scheffner, klankwijziging van een klinkervorm van Schaffner, van Middelhoogduits Schaffenære ‘ambtenaar belast met toezicht, opzichter, intendant, hofmeester, rentmeester’. De Zeeuwse familie Scheffener blijkt evenwel af te stammen van Friedrich Wilhelm Schiffner, die zich ca. 1803 in Zeeland vestigt, en die de zoon is van Christoffer Schiffner (1759) uit Bohemen. Schiffner is een variant van Schiffer‘ schipper’.

Scheffer, (de), Scheffers: Duits familienaam Schäffer, naar gelang van het dialect ‘schaper, schaapherder’ of ‘opzichter’.

Scheffermeyer. Duitse beroepsnaam van de schaapherder, schapenfokker. Vergelijk Schafer.

Scheffler, Scheffelaar, Schöffler, Schoeffler, Schoffeleers, Schoffeniels, Schouffler. Duits-Zwabische beroepsnaam van de kuiper.

Schefman. Variant van Duits Schafmann. Vergelijk Schaapman.

Schei, Scheyen, Scheys, Scheijs: Middelnederlands scheye: stuk gekloofd hout. Bijnaam naar het knoestige voorkomen, voor een lomperd. Vergelijk Duitse familienaam Scheit. Middenhoogduits schît: blok (gekloofd) hout.

Scheijen (van). Familienaam uit de wellicht gelijknamige plaatsnaam (plaats nog onbekend). Of uit de plaats Schijndel (Noord-Brabant).

Scheid, Scheidt, Scheit, Scheidgen, Sheid: 1. Duits Scheide: schede. Beroepsnaam van de schedenmaker of huisnaam. 2. Plaatsnaam Scheide: wegscheiding. Plaatsnaam Scheid in Kronenburg (Noordrijn-Westfalen). 3. Duits Scheit, zie Schei.

Scheidtweiler, Scheidweiler, Scheiwiller. Plaatsnaam Scheidweiler bij Trier.

Scheider, de Scheeder, (de) Scheyder Descheyers: Beroepsnaam. 1. Scheidsrechter, bemiddelaar. 2. Eventueel schedenmaker. Engels Sheather.

Scheiff. Variant van Scheef? Of van Schiff?

Scheiffele. Waarschijnlijk van Schifferle, afleiding van Schiffer: schipper.

Schegget, ter: Plaatsnaam de Schegget in Gorssel (Gelderland), Laren (Gelderland), Goor, Overijssel. Afgeleid van scheg, schag, schaag, vergelijk Engels shaw ‘bosje’, van Oudengels Scaga.

Scheibner: Duits familienaam ook Scheiber, van Middelhoogduits schîber‘ die een schijfspel speelt’. familienaam Schijver.

Scheidema: Friese variant van Scheideman, Scheyman, Duits Scheidemann ‘scheidsrechter, middelaar’.

Scheiner, Scheinert, Szajner, Szajner: Vertegenwoordiger voor het gerecht, voorzien van een volmacht (Middenhoogduits schîn, Duits Schein). Middenhoogduits Schînbote.

Scheitler. Waarschijnlijk variant van Scheiterer: die hout in stukken klooft.

Schekkerman: Wellicht uit Schikkerman, afleiding van Schikker.

Schelbach, Schelback. Duitse plaatsnaam Schelbach.

Schelde, van de, der, Schelden, van de(der), van der Schilden, Verschelde, Verschelden, Verschilde, Van de(der) Skelde, Skelden, Van de(der) Schilde, Vandenschilde, van den Schilde, van der Schilt, Vandesquille, Verschelde, Verschelden, Verschilde, Verschel (de), Verschelle, Versquel, Verschelve: Plaatsnaam ter Schelde, naar de riviernaam de Schelde.

Scheldeman. Afleiding van van der Schelde.

Schelder, Schelders. Bijnaam voor iemand die berispt, vermaant, laakt, scheldt? Vergelijk Duits Schelter. Maar wellicht veeleer variant van Schilder(s),

Schelfhof. Reïnterpretatie van Schelfhout?

Schelfhout, Schelfout, Schelfthout, Schelphout, Schelhout, Schelfout, Schelfaut, Schelfhaut: Plaatsnaam Schelfhout in Graauw (Zeeland) en Temse (Oost-Vlaanderen).

Schelhaever. Zinwoord. Middelnederlands schellen: schillen, pellen. Beroepsnaam: die de haver schilt, pelt. Vergelijk Waals-Vlaams bloempelder, gerstepelder.

Schell, Schelle: Bijnaam. Middelhoogduits Schel ‘luidruchtig, opvliegend’.

Schellaars: Afleiding van Middelnederlands werkwoord scellen ‘schillen’ of ‘weerklinken, schallen’.

Schellaert, Squelart, Squelaert, Squelard, Squélard, Squélart, Squèlard: 1. Familienaam uit het Middelnederlandse schellen: weerklinken, schallen. Beroepsbijnaam voor bijvoorbeeld de belleman, bijnaam voor een rumoermaker. 2. Familienaam uit het Middelnederlandse schelle, schele: schub, schild, malie. Beroepsnaam voor de maker van maliënkolders, schilden of bijnaam voor iemand met een schubbige huid. Zie Schalck.

Schellander, Salandre, Sallendre, Salender: 1. Aanpassing van Franse familienaam Chalandre. Oudfrans calandre, chalendre: leeuwerik. Bijnaam. Zie ook Schalandrijn. 2. Ook Duitse familienaam Salender, van Middenhoogduits sallant: eigen goed van de heer. Ook plaatsnaam Saaland (Zwitserland).

Schellebroodt. Zinwoord. Bijnaam: die het brood breekt, met de hand in hompen deelt. Vergelijk Scheurweg(en).

Schelleisen. Bijnaam voor smid: die het ijzer laat klinken.

Schellekens, Schellkens, Schelkens, Scheltiens, Scheltens, Scheltjens: 1. Middelnederlands schelle, verkleinvorm schellekin ‘schel, belletje, klokje’. Bijnaam voor wie met het belletje rinkelt of beroepsbijnaam van de bellenman. 2. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Godschalk. Vergelijk Schellen. Zie Schalck.

Schelleman, Schellemans, Schelmans, Chelman: 1. Afleiding van schelle ‘bel, klokje’. Naam voor de bellenman omroeper. Vergelijk Duits Schelllmann. 2. Beroepsnaam van de schiller, diegene die ontbolstert.

Schellens, Schelle, Schelle, Schelles, Schellis, Scheltens, Scheltinga: Vadersnaam, van Schallin, vleivorm van de Germaanse voornaam Godschalk.

Scheller: Zoals Schaller, beroepsnaam van de omroeper, of bijnaam van een luidruchtige prater.

Schellevis, Schelvis, Stokwis, Silvis. Plaatsnaam. Beroepsnaam.

Schellewaert, Schillewaert, Scheldewaert, Scheldewart, Bijnaam voor iemand die scheel kijkt. Afleiding van Middelnederlands scelu: scheel. Vergelijk Callewaert.

Schellinck, Schellinckx, Schelling, Schellings, Schellynck, Schellingen, Schellengs, Scheelings, Schelings, Schilling, Schillings, Schillinger: Bijnaam naar de oude muntnaam, de schelling, 1/20 pond of 12 penningen. Vergelijk Duits Schilling, Engels shilling voor iemand die beroepshalve met schellingen omging. Of voor een zuinig iemand.

Schellinkhout, Schellingerhout: Plaatsnaam Schellinkhout (Noord-Holland). Familienaam uit hout (holt: oude bosbenaming) en Terschelling. Naam naar woonplaats bij het Terschellingerhout op Terschelling.

Schelpe, Schelpé: Middelnederlands, Waals-Vlaams schelpe: schelp, schaal, schub. Bijnaam voor een pelgrim naar Sint-Jakob van Compostela, naar de schelp op zijn hoed? Bijnaam naar de schubbige huid?

Schelpheuvel. De familie komt uit Essen, waar zo'n plaatsnaam zou zijn.

Schelstraete (van): Plaatsnaam Schelstrate in Aardenburg (Zeeland), Brugge (West-Vlaanderen), Dendermonde, Gent (Oost-Vlaanderen). Het gedeelte straete is duidelijk. Sc(h)el(t) is dat veel minder, er zijn heel wat Middeleeuwse mogelijkheden: ruzie, bel, Schelde, munt (1/20 van een pond Vlaamsch), plaats waar een zeedijk of dijk een afslaggat vertoont. Vrij vertaald zou de straat dus kunnen heten: Lawaaistraat, Bel (of Belleman-)straat, Scheldestraat, Wisselaarsstraat, Dijkgatstraat.

Schelven, van: Plaatsnaam.

Schelvergem, van. Familienaam uit de plaatsnaam Schelvergem bij Hillegem (Oost-Vlaanderen).

Schelvis. Beroepsnaam voor de visser of verkoper van schelvis.Vergelijk Pladijs.

Schemberg. Ontrondvan Schönberg.

Schenk, Schenck, Schink: Middelnederlands schenke ‘schenker, wijnschenker, waard’.

Schemke, Schemmekes, Schimek, Schimanski, Schimansky: Vadersnaam. Variant ena fleiding van Silezisch Schimke, afleiding van de voornaam Simon.

Schenaerts, Scheenaerts: Waarschijnlijk ontronde vorm van Schoonaerts.

Schendel. Schindel: Middelnederlands schindel: houten dakpan, dekspaan. Beroepsnaam.

Schendelbeke, van. Plaatsnaam Schendelbeke, Oost-Vlaanderen.

Schendermaal, van. Plaatsnaam Xhendremael (Luik).

Schengen, van, van Schingen: Waternaam Schenge (Zeeland). Plaatsnaam Schengen in Remerschen (Duitsland), Schingen (Friesland).

Schenk, Schenke, Schenck, Schinck, Schink, de Schijnck, de Schynck, Schanck, Schank: Middelnederlands schenke: schenker, wijnschenker, waard. Beroepsnaam.

Schenkelaars. Beroepsnaam van de wijnschenker, waard. Middelnederlands schenkenaer. Vergelijk Schenkers.

Schenkenberg: Plaatsnaam (Brandenburg, Saksen).

Schenker, Schenkers, Schinker: Beroepsnaam van de wijnschenker, bierschenker, waard. Vergelijk Schenk.

Schenkeveld. Plaatsnaam Schinveld, Nederlands-Limburg?

Schep, Schepman, Schepp, Scheps. Beroepsnaam.

Schenkkan. Bijnaam voor de wijn- of bierschenker. Amsterdams-Joodse familienaam.

Schenten. Luxemburgs vadersnaam. Ook Schennetten, van Jeannette.

Schepdael, van, Vaneschepdael: Plaatsnaam Schepdaal (Vlaams-Brabant).

Schepemaker: Beroepsnaam van de scheepsbouwer.

Schependom, van: Middelnederlands schependom ‘rechtsgebied van een schepenbank’.

Schepens, Schepen, Scheepens, Scheppens: Ambtsnaam van de schepen, lid van de schepenbank.

Schependom, van. Middelnederlands schependom: rechtsgebied van een schepenbank.

Scheper, de, Schepers, Scheepers, Scheipers, Schépers, Scheypers. 1. Naam uit het Middelnederlandse scheper: schaper. Beroepsnaam. 2. Uit het Middelnederlandse scheper: schepper. Zie bij Schepper. 3. Mogelijk ook uit schipper (beroepsnaam).

Scheperboer. Beroepsnaam van een schapenboer, schapenfokker. Vergelijk Scheffermeyer.

Schepper, de, Scheppere, de, (de); Scheppers, De Schopper, de Fchepper, (Noord-Frankrijk) Desqueper: Beroepsnaam van de kleermaker.

Scheppermans. Beroepsnaam van de kleermaker; afleiding van De Schepper.

Schequenne. Luikse aanpassing van Limburgse familienaam Schaeken.

Scherf, Scherfchen. Middennoordduits, Middenhoogduits scherf: muntnaam van de kleinste munt, 1/2 penning. Vergelijk Duits sein Sherflein beisteuern: zijn duit in 't zakje doen.

Scherff: Middennoordduits, Middelhoogduits scherf ‘muntnaam van de kleinste munt, ½ penning’. Vergelijk Duits sein Scherflein beisteuern ‘zijn duit in het zakje doen’.

Scherier, Scherrier: Middelnederlands scherier, scheerre: scheerder. Vergelijk De Scheerder.

Schermie. Wellicht van Schermier, afleiding van Schernier.

Scherp: Bijnaam. Scherp ‘nijdig, scherp, schrander’. Vergelijk Duits Scharff, Engels Sharp.

Scherpenberg, Scherpenberghs, Scherpenberg. Verspreide plaatsnaam Scherpenberg.

Scherpenhuijzen: Plaatsnaam Scherpenhuis in Terwolde (Voorst, Gelderland).

Scherpenisse (van): Plaatsnaam (Zeeland).

Scherpenzeel, (van) Scherpenseel Scherpenseels: Plaatsnaam Scherpenzeel (Gelderland, Friesland), Scherpenseel in Ubach-Palenberg (Noordrijn-Westfalen).

Scherpereel. Familienaam uit het Picardische escarperel, afleiding van Oudfrans escharpe of escarpe, van Oudnederlands skerpa, Middelnederlandse schaerpe, scharpe: pelgrimstas, reistas. Wellicht bijnaam voor een pelgrim. Vergelijk Palster. Of beroepsbijnaam voor de maker van.

Scherping, Scherpings, Scharping, Scherpijnck. Vadersnaam afgeleid van een Germaanse skarp-naam, bijvoorbeeld Scerpholt, Scherpinus.

Scherphuis: Plaatsnaam. 1695 Mense Dieters Scherphuis, Oosterwijtwerd. Zie ook Scherpenhijzen.

Scheper (de), Scheepers, Schepers, Schépers, Scheypers, Scherps, Schierp. Vadersnaam (zie Scherping) of bijnaam: schrander, scherp, nijdig.

Schermer, Schermers, Schermerhorn, Plaatsnaam Schermer, Noord-Holland.

Scherps, Schierp: Vadersnaam. (zie Scherping) of bijnaam: scherp, nijdig, schrander. Vergelijk Scharff, Engels Sharp.

Scherpenisse, Scherpernissen. Plaatsnaam Scherpenisse, Zeeland.

Scherz. Duitse bijnaam Scherz: spel, genoegen, grap, poets.

Schertzing: Plaatsnaam Scherzingen (Baden-Württemberg).

Schetgen, Schertges, Schetske: 1. Vadersnaam. Afleiding van oude Germaanse voornaam Scatto. Vergelijk Schattens, Schatzle. 2. Bijnaam. Afleiding van Schat 1.

Schetsen, van: Wellicht de plaatsnaam Schaatsen in Sint-Huibrechts-Hern (Belgisch-Limburg)

Schetters, Schetter, Chetter, Cetter: Vrabantse, Limburgse vorm van schatter ‘schatter, taxateur, inner van belastingen’. Duits Schätzer.

Schuer, Scheurer, Scheuerer, Scheuern, Scheurren, Scheuren, Scheuerlein: Woonplaats, Duits Scheuer: schuur. Vergelijk Van der Schure(n).

Scheuerman, Scheurman, Schierman, Schiermann, Schuiermanni, Scheur, van de, der, Scheurs: Duits Scheuermann. Afleiding van plaatsnaam Scheuer ‘schuur’. Scheurman kan ook een variant zijn van Schuurman. Schiermann is dialect ontrond; vergelijk Schierle.

Scheurkogel: Zinwoord? Vermoedelijk een huisnaam. Vergelijk de huisnaam Middelnederlands capruin/caproen betekent net als cogel ‘kap, mantelkap’.

Scheurweg, Scheurwegen, Scheurwegs, Scheurweghs, Scheurwegh, Scheurweghe, Schuerweghes, Schuerweg, Schuerwegen, Schuerweghs, Schuerwegh, Schuerweghes, Schuerweghen), Schuerewegen, Schuurweghen, Schurweghs, Schorrewegen. Bijnaam uit het zinwoord schoren/scheuren/splijten + (het Middelnederlandse) wegge, wigvormig tarwebrood (Duits Wecken). Dus: hij die het brood afscheurt, hompen afbreekt, uit het vuistje eet.

Scheufele. Beroepsnaam. middenhoogduits schûvele, Duits Schaufel: schop.

Scheurwater, van de, der. Plaatsnaam.

Scheun, Scheune, Scheûne: Spelling van Duits Schön: mooi. Zie Schöner.

Scheut. Wellicht bijnaam van een schutter.

Schevelenbosch, Schevelenbos, Schevelnbosch: Plaatsnaam (in Rolland?). Schiefelbusch in Lohmar (Noordrijn-Westfalen)?

Schevensteen, van. Familienaam uit een plaatsnaam uit het Middelnederlandse scheversteen: steengruis, kiezel, maar ook leisteen. Duits Schiefer.

Scheijbelaar, Scheijbeler: Duits familienaam Scheibler, afleiding van Scheibel, van Scheibe ‘schijf’. Vergelijk Scheibner.

Scheijderberg: Plaatsnaam.

Scheyman, Scheymans, Scheijmans, Scheimann, Scheinman, Scheman, Schéman, Chémanne, Chemanne, Schuysman, Scuyesmans, Schoysmans, Schoysman: Beroepsnaam van de scheidsrechter, middelaar. Middelnederlands scheidesman. Vergelijk Duits Scheidemann, Nederduits Sche(d)emann.

Scheijsen: Wellicht afleiding van Geijsen, van ’s Geijsen.

Scheyvaerts, Schijvaerts, Schyvaerts: Vadersnaam. Zie ook Scheeven, Schijven(s).

Schiavo, Schiavone, Schioavon, Schiavoni, Schiavonetto. Italiaanse schavio, schavione; slaaf.

Schicht. Bijnaam: pijl, werpschicht. Beroepsnaam voor de pijlenmaker of de schutter. Vergelijk Pijlijzer.

Schick, Schickes, Schicks, Schickès, Schiks: Bijnaam. Middenhoogduits, Middennoordduits schick: met voorkomen, die zich weet te gedragen.

Schie, van, Plaatsnaam als Schiedam, Overschie, Zuid-Holland.

Schiebahn, Schiebaan: Vadersnaam. Slavische voornaam Schiban.

Schiebroeck, Schiebroek. Plaatsnaam Schiebroek in Rotterdam, Zuid-Holland.

Schiedt, Schiedts, Schiets, Schietse, Schits: Beroepsnaam van de schutter?

Schiel, Schiele, Schiell: Duits ontrond van Schùle: schoentje. Bijnaam van de schoenmaker.

Schieman, Schiemann, Schiemen: 1. Vadersnaam. Oost-Duitse vorm van de voornaam Simon. 2. Noordwest Duits Schimman ‘stuurman’.

Schiemsky, Schiemskij. Vadersnaam. Slavische afleiding van Simon.

Schierbeek: Plaatsnaam (waternaam).

Schierhout. Bijnaam of beroepsnaam van de man die het hout in grote stukken klooft. Zinwoord met Middelnederlands schieren: splijten + hout. Waals-Vlaams een schiere hout. Vergelijk Duits Schierholz.

Schierl, Schierle, Schierlé, Schirl: Duits ontrond van Scheuerle, afleiding van Scheuer: schuur. Vergelijk Scheuerlein, Schiermann.

Schierveld, Schiervel, Schirvel, Siereveld: Plaatsnaam Schiervelde in Roes. (West-Vlaanderen).

Schiet, van: Plaatsnaam. Schietse: Beroepsnaam van de schutter?

Schietaert. Afleiding van het werkwoord schieten. Bijnaam voor een schutter, iemand die (graag) schiet.

Schietekat, Schietekatte, Schietecat, Schietecatte, Schiettecart, Schiettekat. Schiettekate, Schietecat, Schiekatte, Schietecat, Schietcatte, Schietecate, Schietecote, Schittekat, Schittecat, Schittecatte, Sckiettekatte, Shiettecatte, Schietgat. 1. Bijnaam voor een kattendoder uit het letterwoord 'schiet (de) kat'. 2. Er is ook een mogelijkheid dat de naam verwijst naar de bedienaar van de blijde (schietwerktuig), aangezien de catte het beweegbare dak boven een blijde was.

Schiffer, Schiffers: Duitse beroepsnaam van de schipper.

Schieter, de, Schietere, de. Beroepsnaam van de schutter.

Schievekamp. Plaatsnaam Am Schievekamp in Isselburg (Noordrijn-Westfalen).

Schiff. Duitse familienaam naar de huisnaam, zum Schiff, in ’t schip.

Schiffer, Schiffers, Schieffer, Schiefer, Szyffer Szyfer: Duitse beroepsnaam van de schipper. Maar in N. Waals kan Schiffer ook = Schafer. Vergelijk Schipper, Scheper.

Schiffman. Duitse beroepsnaam van de schipper.

Schijfs, Schive: Middelnederlands scive: schijf, platrond voorwerp om mee te spelen. Bijnaam voor de speler van het schijfspel. Vergelijk Schijvers.

Schijn, Schijns, Schyn, Schyns, Schijnts, Schynts, Schintz, Schinz, Schings, Schins, Scheins, Schein: Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse voornaam Schînhard. De naam werd naderhand begrepen als schijn 'glans, schittering' en gelatiniseerd als Fulgens en heiligennaam Fulgentius 'schitterend'.

Schijndel, van, van Schyndel, van Schendel: Plaatsnaam Schijndel (Noord-Brabant).

Schijven, Schijvens, Schijvinck, Schijvijnck, Schyvinck, Schyven, Schyvens, Schijvinck, Schijvynck, Schijvijnck, Schiving, Scheyven, Scheyving, Scheijven, Scheijvens, Schuyvinck, Schievink. Wellicht vadersnaam uit de Germaanse voornaam Scheffold (scaft-olt). Vergelijk Duitse familienaam Scheffold, Zie ook bij Scheeven. Schuyvinck door ronding van i voor v (vergelijk Waals-Vlaams vuve Vijf).

Schijvenaars. Variant met suffix -enaar van Schijvers of Schijvaerts. Vergelijk Duits Scheib(n)er

Schijvers, Schyvers, Schievers, Schevers, Schévers: Afleiding van Middelnederlands schiven: rollen, een schijfspel spelen. Vergelijk Duits Scheiber.

Schikorr, Schikora: Plaatsnaam Schikorren (O.-Pruisen).

Schikker: Middelnederlands schicker ‘bezorger, bestuurder’.

Schil, van, Schilde, (van) Schilt, Schild: Plaatsnaam Schilde (Provincie Antwerpen), uitspraak schil.

Schild, Schilt. 1. Beroepsnaam van een schildenmaker of van een schilddrager in een gilde. 2. Huisnaam. 1585 Gerbrant Albertsz. zeilmaker in 't Schilt op de Nieuwendijk, Amsterdam.

Schilder, de, de, Schilders, de Schildre, Schilter, Schilders, des Childres: Beroepsnaam van de schilder, wapenschilder, decoratieschilder, vergulder, kunstschilder.

Schildering, van schilder.

Schildermans. Beroepsnaam van de schilder.

Schildknecht. Beroepsnaam van de schildknaap, die zorg draagt voor de wapenrusting van zijn heer.

Schill, Schille. Duitse bijnaam Schiel: scheel(ogig).

Schillebeeks, Schillebeeckx, Schillebeekx, Schillebecks, Squilbeck, Squilbecq, Skilbecq: Plaatsnaam Schillebeek in Meulebeke en Tielt (West-Vlaanderen), Overboelare en Gb. (Oost-Vlaanderen).

Schilleman, Schillemans, Schellemans, Schelmans: 1. Afleiding van Middelnederlands schelle, schille, schellen, schillen. Beroepsnaam van iemand die schilt, van schil of bolster ontdoet. 2. Of naam uit de plaatsnaam Schilde (Antwerpen) of Schelle (Antwerpen en Overijssel).

Schiller, Schuler, Schuhler, Chuler, Chuller, Schôler, Schôller, Scholler, Scholer, Schuller, Schuller, Szyler: 1. Duits Schiller: scholier, leerling, studerende. Vergelijk Scolart, Scholiers. 2. Plaatsnaam Schûller (Rijnland-Palts).

Schiller, Schillers, Schilleres: 1. Duitse bijnaam Schieler ‘schele’. 2. Door assimilatie uit Schilder.

Schillmöller: Duits familienaam Schildmüller, Schildmöller ‘molenaar op een plaats Schild’.

Schilperoord, Schilperoort: Plaatsnaam (Zuid-Holland).

Schilt: Huisnaam.1585 Albert Gerbrantsz Schilt (zoon van) Gerbrant Albertsz, zeilmaker in ’t Schilt op de Nieuwendijk, Amsterdam.

Schiltman, Schiltmans: Beroepsnaam van de schildknaap, schildknecht. Duits Schildmann.

Schils, Schilz, Schiltz, Chiltz: Vadersnaam. Liburgs-Rijnlandse uitspraak van Franse voornaam Gilles, van heiligennaam Egidius.

Schilstra. Plaatsnaam (?)

Schimith. Waarschijnlijk uitspraak van Duits Schmitt.

Schimmel, Schmel: Bijnaam naar het schimmelkleurige, witgrijze haar.

Schimmelpenninck, Schimmelpfennig: Bijnaam voor een vrek, die zijn penningen laat schimmelen. Ook Duits Schimmelpfennig.

Schimp, Schimpf. Bijnaam voor een schertser, spotter.

Schinas. Waarschijnlijk Griekse familienaam, aangezien de naam meestal met een Griekse voornaam voorkomt. Vadersnaam. Oude voornaam.

Schinckaert. Afleiding van werkwoord schenken, schinken: (in)schenken. Vergelijk Schenk(e).

Schindeler, Schinler, Schindler, Szyndler: Duitse beroepsnaam van de schindelmaker: maker van dakspanen, houten dakpannen, ook dakdekker. Vergelijk Schendel.

Schindelheim. Door metathesis van Duits Schindhelm, Schüttenhelm: die de helm opzet, klaar voor de strijd? Naam van een Joodse familie uit Galicië.

Schindfessel, Schimpfessel: Middenhoogduits Schiltvessel: band die het schild draagt, schilddrager, schildknaap; schintvessel: rondtrekkende krijgsknecht. Duitse geronde vorm Schimpfôssel.

Schingen, van: Waternaam Schenge (Zeeland). Het adellijke geslacht Van Schenge was van het eiland Wolphaartsdijk ten noorden van Zuid-Beveland.

Schinkel, (de) Schinkels, Schinckels, Schinckel, Schenkel, Schenkel, (de) Schijnkel, Schynkel, Schynkels, Schaenkel, Skinkel Squinquel: Middelhoogduits, Middelnederlands schenkel, schinkel ‘been, bovenbeen’. 1. Bijnaam naar het lichaamsdeel. Vergelijk Duits Langschenkel, Kurzschenkel. 2. Beroepsbijnaam voor een slager of slachter.

Schinkus, Schinckus: Duitse bijnaam schenk us: schenk uit (zinwoord), voor een wijn- of bierschenker, die uitschenkt. Vergelijk Nederduits Berschenk.

Schintgen, Schinckgen, Schingtienne: Vadersnaam. Afleiding van Rijnlands Schang / Scheng, van Frans Jean Schip: Beroepsnaam van de schipper of huisnaam; vergelijk Schiff.

Schiphorst. Naam naar de gelijknamige plaatsnaam (in Drenthe, Gelderland en Sleeswijk-Holstein).

Schipman, Schipmans, Scheepman, Scheepmans, Schepmans, Schepman: Beroepsnaam van de schipper.

Schipper, (de), Schipper, Schipers, Schiepers, Schipperuss: Beroepsnaam van een schipper. Of variant van Schepper of Scheper?

Schipperheyn, Schipperein; bijnaam van een schipper die Hein heette.

Schipperges. Wellicht van Scheperjans: schaapherder Jan; vergelijk Schipperheijn.

Schipperheijn, Schipperijn: Scheperhein: schaapherder Hein (Hendrik). Vergelijk Nederduits Scheperjan(s), Schaprian (Schaperjan).

Schipperling, van schipper.

Schirrmacher, Schirrmann, Schirrmeister. Beroepsnaam van maker van gereedschap (Geschirr).

Schirris: Uit Scheiris, Schérès, van Scheirens, Scheeres, van Scheerens, van afleiding van Scherin, afgeleid van het werkwoord scheren.

Schlacht, Schlaht, Schlachter: Duitse beroepsnaam van de Schlachter; slager, slachter.

Schlaff, Schlaf, Schlafen, Schläfli: Bijnaam voor een slaperige of langslaper?

Schlage, Schlag, Schlaak, Schlaks: 1. Duitse plaatsnaam Schlag: slagboom. 2. Maar Schlaack is een vooral Hamburgse familienaam en daar kan auslaut-g geen occlusieve k worden. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Slawe 'Slaaf.

Schlappi: Duits familienaam Schlapp(e), van Middelhoogduits Slappe ‘buidelvormig afhangend deel van hoofddeksel’.

Schlatter, Schlattl: Afleiding van verspreide Duitse plaatsnaam Schlatt, van Middenhoogduits lâte: riet, moerassige wei.

Schlecht: Duitse bijnaam met de oorspronkelijke betekenis ‘eenvoudig, simpel’. Vergelijk Slegt.

Schlechter, Schlecter, Szlechter: Duitse beroepsnaam van de slachter, slager.

Schlee: Duitse bijnaam Schlee ‘slee, sleepruim’.

Schlegel, Schlögel: Bijnaam. Middenhoogduits slegel: moker, knuppel, vlegel. Beroepsnaam of bijnaam voor een lomperd.

Schleicher, Schleich, Szlajcher, Schleick, Schlich, Schlick, Schlicker, Schlicke, Schlikker, Slieker, Slikker: 1. Van Duits schleichen, Nederduits, Nederrijns sli(c)ken; sluipen. Duits Schleicher, Nederduits Schlieker. Vergelijk De Sluyper. 2. Van Middenhoogduits slicken, slichen, Nederduits sli(c)ken: slikken, slokken, vreten. Bijnaam voor een schrokker.

Schleiden. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen

Schleider, Schléder, Chleider, Chleide: Afleiding van plaatsnaam Schleiden (Noordrijn-Westfalen) of Schleid (Rijnland-Palts).

Schleier, Schleyer: Beroepsnaam van de sluierwever, sluiermaker.

Schleiffer. Duitse beroepsnaam van de slijper.

Schleiss, Schleihs: Duitse familienaam Schlaiss, van Middenhoogduits sleisse: kienspaan, houtspaan. Beroepsnaam.

Schlembach. Variant van Duits Schlimbach: scheve, kromme beek.

Schlemmer, Schlemper, Schlômer, Schlomer, Schloemer: Duitse bijnaam voor een slemper.

Schlenk, Schlenker. Afleiding van Middenhoogduits slenken: zwaaien, schommelen, slingeren (Duits schlenkern), bengelen. Bijnaam naar de manier van lopen.

Schlenter. Duits Schlender. Bijnaam voor een slenteraar, treuzelaar.

Schlesinger, Schleisinger, Slesingier, Slezingher, Slézingher, Slezingier, Slisengher, Slisinguer, Slisinger: Volksnaam van de Sileziër, Duits Schlesier.

Schleusener, Sceleusner, Schlusener, Schlusener: Afleiding van Duits Schleuse: sluis. Beroepsnaam van de sluiswachter.

Schlim, Schlimm. Middenhoogduits slim, slimp: schuin, scheef, verkeerd, slecht. Bijnaam.

Schlirf. Plaatsnaam Schlirf bij Fulda.

Schlit. Plaatsnaam; glad, glijdend.

Schlitz. Duitse plaatsnaam; spleet, reet.

Schlingemann, Schlingmann: Duits afleiding van Schling(e), van Middennoordduits slink ‘rand, slagboom, hek’.

Schlosser, Schlöszer, Schloesser, Schlosser, Schloser, Schlesser: Duitse (ook Nederland- Limburg) beroepsnaam Schlosser: slotenmaker, kleinsmid.

Schlossmacher. Duitse beroepsnaam; slotenmaker.

Schlossnagel: Duitse beroepsbijnaam van de slotenmaker.

Schlott, Schlottke, Schloot. Nederduits, Middenhoogduitse variant van Duits Schlofi: slot. Beroepsnaam van de slotenmaker.

Schlötter, Schlottert: Nederduitse, Middenhoogduitse variant van Duits Schlosser: slotenmaker.

Schloune. Duitse bijnaam Schlun; luiaard.

Schlueppmann. Bijnaam van een sluiper. Vergelijk Schluper.

Schluntz, Schlungs. Duitse bijnaam; luiaard.

Schlûssel: Duitse beroepsnaam van de sleutelmaker of sleutelbewaarder.

Schlusselberg. Plaatsnaam Schlusselberg, Noordrijn-Westfalen.

Schmaal, Schmahl, Schmale, Schmal: Duitse bijnaam Schmahl: smal, dun, mager, spichtig. Vergelijk De Smaele.

Schmallegger: Afleiding van de plaatsnaam Schmalegg (Ravensburg, Baden-Württemberg).

Schmalt, Schmalz, Schmailzl: Duits Schmalz (afleiding -el): smout, reuzel, olie. Beroepsnaam. Vergelijk smout(s).

Schmatz. Duitse bijnaam voor een snoeper.

Schmeder. Duitse beroepsnaam; smeder, smid.

Schmeiter, Schmeiss, Schmeisser: Duitse bijnaam voor iemand die smijt, slaat, schopt. Vergelijk De Smijter.

Schmelzer, Smeltzer: 1. Duitse beroepsnaam Schmälzer, Schmalzer ‘bereider van smout (Duits Schmals), reuzel, olie’. 2. Duitse beroepsnaam ‘ijzersmelter’.

Schmelcher, Schmeler, Schmeller, Schméler: Plaatsnaam. Middenhoogduits smelehe, Beiers Schmelche, Schmelle, Duits Schmiele: smele, rietgras, zegge.

Schmidbauer: Beroepsnaam van iemand die boer en smid was.

Schmider Schmieder, Schmitter, Schmitzer: Duitse beroepsnaam van de smid, smeder.

Schmidt, Schmid, Schmitt, Schmitte, Schmitdtz, Schmits, Schmitz, Schmied; Duitse beroepsnaam van de smid.

Schmidtmeyer, Schmiedmayer: ambtenaar belast met het toezicht op de smidsen.

Schmiedel, Schmidke, Schmidtke, Schmidli, Schmidlin, Schmidtchen: Afleiding van Duits Schmied: smid.

Schmook. Nederduitse vorm van het Duitse Schmauch: rook, damp. Engels smoke. Beroepsbijnaam voor de kolenbrander, roker, stoofhouder, smid. Wellicht naam van Duitse origine.

Schmuck, Schmucker, Szmuck: Bijnaam. Middennoordduits smuk: lenig, soepel, slank, van Noordhoogduits schmuck: bevallig, knap.

Schnabel, Sznabel: Duits Schnabel: snavel. Bijnaam voor een prater, die een grote bek opzet.

Schnall. Duitse Schnalle; gesp. Beroepsnaam.

Schnaphauf. Duitse bijnaam Schnappauf; praat er op los.

Schneeberg, Schneeberger, Schneberg, Schneebalg: Verspreide Duitse plaatsnaam Schneeberg.

Schneider, Schneiders, Schneidesch, Schneyders, Schneyder, Schneder, Schneder, Schnieders, Schnieder, Schnyders, Schnyder, Scheneider, Scheneyder, Schenider, Schenéder, Sznajder, Sznajr, Chneider, Chnitir: Duitse beroepsnaam van de snijder, kleermaker.

Schneidewind. Duitse bijnaam: die de wind snijdt, dakloze, landloper.

Schnell, Schneller. Duitse bijnaam: snel, behendig, levendig. Vergelijk De Snel.

Schnepp, Schneps, Schnepf: Bijnaam. middenhoogduits snëpfe, Duits Schnepfe: snip. Vergelijk Sneppe.

Schnett, Schnette, Schnitz, Schnietz, Schnitzius: Duitse beroepsnaam van de Holzschnitzer: houtsnijder.

Schnitzer, Schnizer, Sznycer, Schnitzeler, Schnitzler, Snitzer, Snytsers, Snijtsers, Snitselaar, Snytselaar: Beroepsnaam van de houtsnijder.

Schnorrenberg. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Schnur, Schnurrer, Schnorr, Schnôrr, Sznur: Bijnaam. Middenhoogduits snurraere: grappenmaker.

Schnurbus, Schnorbusch: Duits zinwoord Schnurrbusch, Schnorrbusch. Middenhoogduits snurren: snuivend naar wild speuren + busch: bos, struikgewas. Bijnaam voor een jager.

Schobbe, Schobbé, Schobben, Schobbens, Schoben, Schoebben, Schoeben, Schoubben, Schouben: Bijnaam. Middelnederlands schobbe ‘schub, schurft, vuil en smerig wijf’. Bijnaam voor iemand met schurftige huid.

Schobijn, Schobyn, Scherbeijn. Vadersnaam ontstaan door de verkeerde splitsing van voornaam en familienaam van de 18deeeuwse Joce Gobijn (Josgobijn van Josschobijn). Dit in de omgeving van Moerbeke-Waas. Zie verder bij Gobin.

Schoe, Schou, Schuh: Beroepsbijnaam van de schoenmaker of bijnaam naar de huisnaam.

Schoehuizen: Plaatsnaam. Er is een Schoehuisbeek bij Tubbergen. Een schoehuis was de hal waar schoenen verkocht werden, plaatsnaam bijvoorbeeld in Ieper en Kortrijk: 1400 huus ende erve geheeten tScoehuus.

Schoevers, oorspronkelijk Schoevaerts, ‘s Goevaerts; zoon van Goevaert of Godfried.

Schonheere, Schoonheere. Middelnederlands schoonhere: grootvader. Vergelijk Grandpère.

Schobbe, Schobbé, Schobben, Schobbens, Schoben, Schoebben, Schoeben, Schoubben, Schouben: Bijnaam. Middelnederlands schobbe: schub, schurft, vuil en smerig wijf. Bijnaam voor iemand met schurftige huid.

Schobijn, Schobyn, Scherbeijn: Vadersnaam. De anlaut-sch is ontstaan door verkeerde splitsing van voornaam en familienaam van 18de eeuwse Joce Gobijn (Josgobijn, van Josschobijn).

Schock, Schoch, Schog, Skok: Middelnederlands schoc, Middenhoogduits schoc: hoop, stapel, zestigtal; Middenhoogduits schoche: hooistapel. Bijnaam.

Schockmel. Verhaspeling van Schockweiler?

Schockweiler, Schockweiller. Plaatsnaam Schockweiler in Nobressart (Luxemburg).

Schodduyn. Aanpassing van Franse familie- en plaatsnaam Chaudun (Aisne).

Schoder, Schoeder, Schöddert: Duits Schoder: onvol-groeide boom. Bijnaam naar de gedrongen gestalte.

Schodet. Aanpassing van Frans Chaudet, van Michaudet?

Schodt, de, Schodts, Schots, Schot, de Schotte, Schotte, Schott, Scotte, Scott, Schotten, Tschodts: 1. Volksnaam Schot. 2. In de Westhoek is De Schodt het resultaat van een officiële naamwijziging, ter vervanging van De Sodt.

Schoe. Beroepsnaam van de schoenmaker?

Schoebeke, van. Plaatsnaam Schoebeke in Okselare (Frans-Vlaanderen), van Schoudebeke: beek met lis.

Schoebrechts, Schoubrechts, Schouberechts, Schabrechts, Schabregs, Schabergs: Vadersnaam. Afleiding (met prothetische s) van Germaanse voornaam Gobrecht of Limburgs Houbrecht / Hoebrecht.

Schoeling, Schoelinck, Schoelynck, Schoelijnck, Scoelinck, Scholings, Scholinckx, Scholinchx, Schollinckx, Schuiling: Afleiding op –lin van Middelnederlands coe: schoen. Beroepsnaam voor een schoenmaker. Vergelijk Schiel.

Schoeman, Schoemans, Schoumans, Scoumanne, Scouman, Scoman. 1. Zie Schoenmans. 2. Middelnederlands Schoudeman. Vergelijk Waals-Vlaams schoen van schouden: met kokend water wassen, geslachte dieren zengen, schroeien. Beroepsnaam.

Schoenmaker, Schoenmaker, Schoenmakers, Schoenmaekers, de Schoenmaker, de Schoenmakere, (de) Schoenmaecker, Schoemaecker, Schoenmaeker, (de) Schoemaker, Schoemaecker, Schoemaeker, (de) Schoenmaeker, Schoenmakers, (de) Schoenmackers, Schoenmacker, Schoenmackers, Schoonmaekers, Schumacker, Schumackers, Schumaeker, Schumaker, Schuhmacher, Schumacher, Schoemacher, Schoumackers, Schoumakers, Schoumaker, Schoumacher, Schoumachers: Beroepsnaam van de schoenmaker. De vorm schoemaker is de oorspronkelijkste, want Middelnederlands Scoe en nog Zeeuws schoe ‘schoen’. De vorm schoen is oorspronkelijk meervoud, maar werd achteraf als enkelvoud aangevoeld.

Schoenman, Schoenmans, Schoeman, Schoemans, Schoemann, Schoumans, Scoumanne, Scouman, Scoman: 1. Beroepsnaam van de schoenmaker. Vergelijk Duits Schumann.

Schoentjes, Schoentjens, Schoentgen, Schôntgen: Afleiding van schoon, schoen, schôn: mooi. Bijnaam. Nederduits Schôneke.

Schoep, Schoeps, Schoepp: 1. Limburgse vorm van Schaap. 2. Zie Schoppen.

Schoepen, van der. Middelnederlands schoepe: schop, schep, wan. Als plaatsnaam wellicht een watermolen. De Schope is een waterloop in St.-Laureins (Oost-Vlaanderen): Ook plaatsnaam in Pas-de-Calais.

Schoer, Schoers, Schor: Middenhoogduits schûr, schour: hagel, onweer, bui. Bijnaam voor een opvliegend mens.

Schoerl: Duitse veldnaam Schörrle.

Schoesetters, Schoensetters, Schoezetters, De Schoesitter, Schoeters, Schoeter, Schoetters, Schoetter, Schauters, Schouters, Chouters. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse scoesutter: schoennaaier, schoenmaker. Duits Schuster.

Schoester: Nederlands spelling van de Duitse beroepsnaam Schuster ‘schoenmaker’.

Schoffelen. Moet ongetwijfeld als Schoffélen worden uitgesproken. Misschien afleiding van Oudfrans escof(l)e: wouw, (ook) leren kledingstuk. Vergelijk escofier: schoenmaker.

Schog: Variant van Schock, Schoch. Middelnederlands, Middelhoogduits schocn ‘hoop, stapel, zestigtal’, Middelhoogduits schoche ‘hooistapel’. Bijnaam.

Schögler. Familienaam uit de omgeving van het Oostenrijkse Graz. Mogelijk is hij afkomstig uit het Oudduitse schoc (hoop, stapel, zestigtal) of uit schoche (hooistapel). Bijnaam of beroepsbijnaam.

Schoiers, Schoïers, Schoyerer, Schoyer: Afleiding van Middelnederlands schoeyen: schoeien, van schoenen voorzien. Beroepsnaam van de schoenmaker. Vergelijk Schoy.

Schokkaert, Schockaert, Schokker, Schokaert, Schoekaert, Schochaert, Schockert, Scokaert, Scokart, Squoquart, Scocard, Scoca, Scocart, Schock, Schoch, Schog, Skok. 1. Mogelijk een afleiding van het Middelnederlandse 'schocken' = schokken, maar kan ook rechtstreeks uit Frans-Picardisch Choquart worden verklaard. In dit geval een soort bijnaam. 2. Mogelijk afgeleid van 'schoc' = hoop, stapel (bijnaam of plaatsnaam).

Schol, Scholl, Scholle, Schollen, Schols, Schoels, Schoel, Schoelens, Schools, Schouls, Schauls, Schaul, Schulle, Schul, Schüll, Schülle, Schüllen, Schuilen, Schuil, Schaelens: Middelnederlands scholle, schulle, Middennoordduits schulle ‘schol (platvis)’. Beroepsbijnaam voor een visser of vishandelaar. Vaak ook naar de huisnaam of scheepsnaam.

Scholart, Scholaert, Scholaers, Scholeer, Schoolaert, Scolard, Scolart, Schollaerts, Schollaert, Schollaers, Schollart, Sckoolaert: Middelnederlands scholaer: leerling, student, scholier, koorknaap. Vergelijk Scholier(s).

Scholders, Scholder: Middelnederlands scholder ‘beul’. Beroepsnaam of bijnaam.

Scholenborgt, Scholberg: Plaatsnaam Schuleburg (Silezië) of Schulenberg (Duitsland).

Scholier, Scholiers, Scholliers, Schollier, Schooliers, Scoliers. Familienaam uit het Middelnederlandse scholier: scholier, leerling, koorknaap.

Scholart, Scholaert, Scholaers, Scholeer, Schoollaert, Scolard, Scolart, Schollaerts, Schollaert, Schollaers, Schollaart, Schollart, Sckoolaert.

Naam uit het Middelnederlandse scholaer: leerling, scholier, koorknaap.

Scholier, Scholiers, Schollier, Scholliers, Schooliers, Scoliers: Middelnederlands scholier, Middenfrans escolier: scholier, leerling, koorknaap.

Scholing, Schulling, Schuling, Schuiling, Schuilingh: Variant van Schoeling, Scoelinck. Verkleinvorm op –lin van Middelnederlands scoe ‘schoen’. Beroepsbijnaam voor een schoenmaker.

Schollmeyer, Schulmeyer, Scholtmeijer: Samenstelling met scholle, schulle: aardkluit, graszode. Naar een kenmerk van de woonplaats.

Scholluis: Misschien vervorming van Duits Schultheiss.

Scholte, Scholten, Scholtens, Scholtes, Schult, Schulte: Nederduits en Oost-Nederlands ambtsnaam van de schout. Vergelijk Schout, Schouteet, Schulz.

Scholter: Variant van Scholder of van Scholte?

Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting, van scholte, schulte, schout. Of van vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de Friese form van het Saksische scholte, schulte, van het Frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een Friese mannenvoornaam. De Friese geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het Saksisch-Friese Schultinga in Groningerland, en waarschijnlijk ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz.

Schomburg, Schombourg. 1. Variant van Schaumburg. 2. Duitse plaatsnaam Schônburg.

Schommen, van der. Plaatsnaam Schom(me) in Boom (Antwerpen), Wilrijk, Kontich, Bouwel en Tongerlo (Antwerpen): mosachtig bos, onvruchtbare grond.

Schön, Schon, Schone, Schöne, Schönen, Schonne, Schonn, Schoune, Schoun, Schün, Schun: Duitse bijnaam schön: mooi. Zie Schoon.

Schönau, Schönauen, Schonau, Schonauer: Verspreide Duitse plaatsnaam Schônau: mooie beemd.

Schönborn, Schönenborn, Schonbrun: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönborn, Schönbrunn: mooie, heldere bron. Vergelijk Bellefontaine, Beaufont.

Schönermarck. 1. Plaatsnaam Schönermark (Duitsland). 2. Variant van Schonmaker.

Schoneveld, van, Schooneveld, van, Schoonveld, Schooneveld. Plaatsnaam.

Schöner, Schoener, Schoner, Schener, Scheunders. Uit het Duits: bijnaam voor iemand die mooi maakt, een mooiprater, die alles mooi voorstelt.

Schonewille, Schoonewille, Schoneville. Bijnaam; Mooie Willem?

Schönfeld, Schönfeldt, Schoenfeld, Schonfeld, Schofield, Shainfeld: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönfeld ‘woest veld, lege vlakte, braakland’.

Schönherr, Schönhertz. Bijnaam Mooie heer? Maar vergelijk Schoonheere.

 Schönhofen, Schoenhofen: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönhof. Vergelijk (van) Schoonhoven.

Schöning, Schöningh, Schoning: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Sconi.

Schonck, Schonken, Schonck, Schunck, Schunk: Limburgs schonk: ham. Ook Duits dialect schungke/schingke = Middenhoogduits schinke: schenkel, ham. Vergelijk Schinkel.

Schönke. Duits hypercorrect van Schenke. 2. Variant van Schôneke, zie Schoentjens.

Schonker, Schonkeren, Schonckert: Wellicht van schonckelen: schommelen. Bijnaam voor iemand met schommelende stap?

Schönlau, Schoonlau: Duits schön + Middenhoogduits loube, Middennoordduits love, Duits Laube: overdekte hal, gang.

Schonmacker, Schönemarker, Schönermarck: Wel niet schoonmaker (van laken), maar reïnterpretatie van Nederduits Schomaker: schoenmaker.

Schönwetter. Bijnaam: mooi weer, wellicht voor een optimist.

Schoof, Schooff, Schoofs, Schooffs, Scoofs, Scoefs, Scofs, Schoufs, Schuyf: 1. Beroepsbijnaam van de schovenbinder. 2. Soms ook bijnaam naar de gestalte.

Schoof, van der. Plaatsnaam Schoof, wellicht Schoofland: land waarop graanschoven staan. Schoef in Ronse (Oost-Vlaanderen).

Schooland, van, van Schoeland, Schoelandt, Schoelant, van Schoonlandt, van Schoenland, Schoenlandt, Schoenlant. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (mooi stuk land): bijvoorbeeld Schoelant in Torhout.

Schoolmeester, (de), Schoolmeesters, Schûlmeesters: Beroepsnaam van de schoolmeester, onderwijzer.

Schoon, (de) Schoonen, Schoone, Schoonens, Schoen, Schoenen, Schon, Schonne, Schoonn, Schonn, Schons: 1. Bijnaam naar de fysieke schoonheid en aantrekkelijkheid ‘mooi’. 2. Moedersnaam, meisjesnaam.

Schoonaard, Schoonaart, Schoonaert, Schoonaerts, Schonaerts, Schoenaert, Schoenaerts, Schoenaert, Schonnartz: Bijnaam Afleiding van schoon ‘mooi’.

Schoonakker, (van) Schoonacker, Schoonackers, Schoenacker: Plaatsnaam Schoonakker, bijvoorbeeld in de buurt van Sijsele, Krombeke, Maldegem, Adegem (Oost-Vlaanderen).

Schoonaerts, Schoonaert, Schoonaard, Schonaerts, Schoenaert, Schoenaerts, Schoenaers, Schonnartz: Afleiding van schoon: mooi. Bijnaam. Vergelijk Schoonemans.

Schoonbaert: Bijnaam voor iemand met een mooie baard.

Schoonbeek, (van) Schoonderbeek, van Schoenbeek, Schonebeck, Schoenbeck, Schoonebeek, Schönbeck, Schoonbeeg. Plaatsnaam Schoonebeek, Drenthe, Schoonderbeek, boerderijnaam in Barneveld, Schoonbeek bij Beverst en Bilzen, Limburg.

Schoonbrood, Schoonbroodt, Schoonbroot, Schoenbroed, Schoenbroedt, Schoonbrodt, Schoenbrodft, Schombrodt, Schoenbrodft, Schombrodt, Schorbroodt, Schomblood, Schomblond, Schônbrod, Schonbroodt, Schonbrodt, Schonbroedt: Beroepsnaam van de bakker van schoonbrood: fijn wittebrood. Ook Duits Schônbro(d)t.

Schoonderwoerd, Schoonderwoert: Plaatsnaam Schoonrewoerd in Leerdam (Zuid-Holland).

Schoondijke, van. Plaatsnaam, Zeeland.

Schooneman, Schoonemans, Schoonmann, Schônemann, Schoenmans, Schoemans, Schoomans, Schooman, Scoman: 1. Bijnaam naar de fysieke schoonheid en aantrekkelijkheid. 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse skôn-naam. Vergelijk Schoon 2.

Schoonenberg, Schoonenbergh, Schoonenburg, van Schoonenberghe, van Schonnenberge, Schonenberg, Schoenenberg, Schönenberg, Schönberger Schönberg, Sheinberg, Schonberg, Schoonbergen, Beaumont. Plaatsnaam Schoonbergin Aalter (Oost-Vlaanderen, Schoonbergen in Lubbeek (Vlaams-Brabant). Verspreide Duitse plaatsnaam Schôn(e)(n)berg.

Schoonenboom: Naar de woonplaats bij een mooie boom.

Schooneknaep, Schooneknaepe. Bijnaam die zoveel betekent als mooie knaap. Voor knaap, zie verder Knapen.

Schoones, Schoonis, Schonis: Lokale uitspraak van de plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Belgisch-Limburg).

Schoonhen, Schoonheim: Bijnaam. Bijnaam en vadersnaam Schone; Mooie Hein. Vergelijk Duits Schönheinrich.

Schoonheyd, Schoonheijt, Schoonheydt, Schoonheijt, Schoonheyt, Schoonheyt, Schoonhydt, Schoonhuydt, Schoenheijd, Schoouhnydt. Familienaam uit de plaatsnaam Schoonhout (Noord-Brabant?) of Schoonheide. De naam kan evenwel ook zowel fonetisch als volksetymologisch ontwikkeld zijn uit de plaatsnaam Schoonhout.

Schoonhoed. 1. Bijnaam: mooie hoed. Vergelijk Duits Schonhut. 2. Bijnaam Schoonhoofd, blijkens Middelnederlands. Hovet, van hoot.

Schoonhoven, van: Plaatsnaam Schoonhoven (schone hoeve) (Zuid-Holland), Kampenhout (Vlaams-Brabant). Er bestaat een vermoeden dat sommige Schoonhoven evolueerden naar Schoonooghe.

Schoonie, Schoontje is een verbastering van Schonia of Schoninga, van de oud Germaanse persoonsnaam Schone, Skauni. Dan Schöningh, oorspronkelijk een Westfalen geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd is en de Vlaamse geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het oud-Friese geslacht Schunia (in beter Friese spelling Skunia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, is niet zeker. Deze geslachtsnaam is als zodanig onder de hedendaagse Friezen uitgestorven. Maar hij leeft toch nog in den naam van het gehucht Skunia-bûren, bij Mirns in Gaasterland. Men verhollandst dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schoonis, (van) Schoones, Scheunis: Lokale uitspraak van plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Limburg).

Schoonjans, Schoon Jans, Schoonejans, Schonejans, Schoonjans Schonians, Schoonyans, Schonians, Schooians, Schoojans, Schooyans, Schonijahn. Bijnaam + vadersnaam: mooie Jan. Vergelijk Schônhans, Beaujean. Met het half verfranste Schoonéans, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die naast Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelijk één is, evenals met Grotjohan, Grootjan en Grootjans. Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlijk Nedersaksische (zogenoemd Platduitse) vormen en uit onze noordoostelijke grenzen afkomstig evenals de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is van Henne, Hänne, Johannes. De Nederlandse naam Grootjan ook in de oorspronkelijk Hoogduitse geslachtsnaam Groshans en in de oorspronkelijk Franse naam Grosjean, evenals Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam voor.

Schoonooghe, Schonooghe. Bijnaam voor iemand met mooie ogen.

Schoonvaere. Bijnaam. Schoonvader.

Schoonvelde, van, Schoneveld, Schooneveld, van Schooneveld: Verspreide plaatsnaam Schoonveld(e), Schoneveld. Vergelijk Schonfeld. Een aaanpassing van Schonfeld is Schoonvelts.

Schoonvliet: Plaatsnaam ‘mooie vliet’.

Schoonvrient. Middelnederlands schoon: aangetrouwd, aanverwant; vriend: familielid. Dus: aangetrouwd familielid (vergelijk schoonzuster).

Schoonwater: Plaatsnaam in Gullegem (West-Vlaanderen): schoon, helder water.

Schoonwinkel, van, van Schoenwinkel, Vanschoenwinkel. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam in Wintershoven, Kortessem, St.-Lambrechts-Herk en Riemst (Limburg)

Schoor, van (der), van Schooren, van Schoren, Wanschoor, Wanscoor, Verschoore, Verschoor, Verschoren, Verschorre, Verschorren: Plaatsnaam Schoor (Nederlands Limburg, Noord-Brabant), Schore (West-Vlaanderen, Zeeland), Hoegaarden, Vlaams-Brabant, Broechem, Antwerpen. Schoor ‘rijbruggetje over een smalle waterloop’, ‘aangeslibd land dat rijp is om ingedijkt te worden, moeras’.

Schoore, Schoorens, Schoors, Schoren: Middelnederlands schore: schoor, stut, schraag. Bijnaam.

Schoorl, van, Schoorel. Plaatsnaam Schoorl, Noord-Holland.

Schoorman, Schoormans, Schoermans, Schorremans, Schormans, Schorrmann: Afleiding van Van (den) Schoor.

Schoot, van (de), (van de) Schooten, Schoote, Schooten, van, van der Schot, van de, der Scotte, Wascotte, Warscotte, Verschooten, Verschoote, Verschoot, Verschote, van Schoten, Schotanus: 1. Plaatsnaam Schoot ‘beboste hoek zandgrond uitspringend in moerassig terrein’, ‘hoek van de hei’. Plaatsnaam Schoot (Noord-Brabant), in Noordwijk (Zuid-Holland) en verspreid in de Kempen. 2. Plaatsnaam Schot; afgeperkte ruimte, plaats waar vee opgesloten wordt, Groningen, Zie van Schoten.

Schootmans, Schotmans. Afleiding van Van Schoten of Van (de) Schoot.

Schoovaert, Schoovaerts, Scoevaerts, Scoevaert, Scoevaers, Scoevaerdts, Schoeffaerts. Vadersnaam (afleiding) uit Govaert (gud-frith: God-vrede).

Schopen, Schoppen, Schops, Scops, Schoppé, Schôpe, Schöpe, Schopp, Schop, Schuppen, Schupp, Schoop, Schoepens, Schoepen, Schoeps, Schoepp, Schoep, Schoubs, Schoub, Schouppe, Schoup, Schouppé, Schoppé, Schoups, Scouppe, Scoupe: Middelnederlands schoepe, schope: schop, schep, wan. Beroepsnaam.

Schopenhauer: Duitse beroepsnaam van de maker, houwer van schopen ‘pollepels, scheplepels’.

Schopman: Afleiding van Schop. Beroepsnaam voor de werker met of maker van schoppen.

Schoppach, Schoppack. Plaatsnaam Schoppach in Aarlen en Heinsch (Luxemburg).

Schoppé, Schoppet, Schouppé: Frans Chopet. Zie Chopplet. Of gewoon verfranste spelling van Schoppe/Schouppe.

Schoor, van, van Schoore, van Schooren, van Schoren, Wanschoor, Wanscoor. Familienaam uit de plaatsnaam Schoor (Nederland), in Hoegaarden (Vlaams-Brabant of Broechem (Antwerpen).

Schoore, Schoorens, Schoors, Schoren. 1. Naam uit het Middelnederlandse schore: schoor, stut, schraag. Mogelijk bijnaam. 2. Of uit de plaatsnaam Schoor: zie Schoor.

Schoreel, Schoreels, Schoorel, Schorrels, Schorreel, Schooreel, Scoriels, Scoriel, Scorielle, Schorielle, Schorils, Schoriels, Schreel: Oudfrans escorieul, escuriau: eekhoorn. Middelnederlands scu(e)reel. Familienaam Ecureuil, Lescurieux, Eichhorn.

Schorer: Duitse beroepsnaam Schorer, afleiding van Middelhoogduits schorn ‘met de schop werken, samenkeren, samenvegen’.

Schorisse, van, van Schoorisse, van Schoors, Verschooris: Plaatsnaam Schorisse (Oost-Vlaanderen).

Schorbijn, Scherbeijn: Door r-invoeging uit Schobijn. De beginklank-sch is ontstaan door verkeerde splitsing van de voornaam en familienaam van 18deeeuws Joce Gobijn, Josgebijn, van Josschobijn.

Schorkops. Nederduitse bijnaam; geschoren kop, gladgeschoren hoofd. Vergelijk Waals-Vlaams scharrekop.

Schorn. Zoals Schorner: werker met de schop.

Schornak, Schornick. Oost Duitse Slavische bijnaam; zwartharig.

Schornstein. Bijnaam voor de bewoner van een huis met gemetselde schoorsteen.

Schorpion. Middelnederlands schorpioen. Bijnaam.

Schortgen. Vadersnaam. Afleiding van Schors, van Georges?

Schortz. Wellicht Rijnlands Schors(ch) van Georges.

Schösse, Schösser, Schöser: Middenhoogduits Schotëfier: belastinginner.

Schotanus. Humanistennaam van Hendrik Berends ("1548) uit Oudeschoot (Heerenveen, Friesland).

Schotelaer, (de). Beroepsnaam van de schotelmaker of schotelverkoper.

Schotelmans. Beroepsnaam van de schotelmaker.

Schoten, van, Schoot, van (de), (van der) Schoot, van Schoote, van Schooten, van der Schot, van de(der) Scotte, Warscotte, Wascotte, Verschoote, Verschooten, Verschoot, Verschote, van Schoten, van Schoote, van Schooten. 1. Afgeleid van de plaatsnaam ‘schot’': afgeperkte ruimte, ruimte waar vee gestald wordt. Plaatsnaam Schoten, Antwerpen, Noord-Holland. 2. Afgeleid van de plaatsnaam ‘schoot’': beboste hoek zandgrond uitspringend in een moerassig terrein (komt op diverse plaatsen voor). Schoten was ook de naam van Noord- en Zuidschote (West-Vlaanderen). 3. Zie ook Van (de) Schoot.

Schotman, Schotmans Schotsman, Schotsmans: Volksnaam van de Schot, vergelijk Engelsman, Engels Scotchman.

Schotte, Schotten, Scotte, Scott, Schot, Schots, Schut, Schutte, Schutt, Schutten, Schuth, Schuts. 1. Beroepsnaam van de schotter of schutter, dat is de beambte die loslopend vee in een kooi schut. 2. Volksnaam voor iemand uit Schotland afkomstig.

Schot, (de); Scott, Schoots: Volksnaam van de Schot.

Schotel: Beroepsbijnaam van de schotelmaker, schoteldraaier, Middelnederlands scotelaer.

Schoten, van; van Schooten: Plaatsnaam Schoten (Provincie Antwerpen, Noord-Holland).

Schothorst: Plaatsnaam in Borne en Dalfsen, Overijssel.

Schottey. Wellicht van Frans Chottet, afleiding van Michot, van de voornaam Michel.

Schou. Zie Schouw. Of verschrijving voor Schuh?

Schou, Schouw, Schauw. Beroepsnaam van de schouwer, inspecteur. Vergelijk Schouwaerts, De Schouwer.

Schoubroek, van, Schoubroeck, van, van Schoubrouck, Schouwbroeck, (van) Schaubroeck, (van) Schaubroek, Schaubrouck, (van) Schauwbroeck, (van) Schauwbroek. Familienaam uit de plaatsnaam Schou(de)broek: moeras met lis, van Schouwbroek, Schoebroek.

Schoué. Franse familienaam Chouet. Oudfrans choete, Frans chouette: uil? Of plaatsnaam Schoudee?

Schouhamer. Blijkens de vorm uit 1648 wellicht uit Schönauer, afleiding van de verspreide plaatsnaam Schônau.

Schouller, Schouleur: Verfransing van Duitss Schûler, als Schuler gelezen. Ook Chouleur.

Schouls: Waarschijnlijk spelling voor Schöls(z).

Schout, (de), Schoute, Schouten, Schoutens, (de) Schaut, Schautens, Schoetens, Scholte, Scholten, Scholtens, Schult, Schulte, Schulten, Schülte, Schuldt, Schuld, Scholts, Schols, Scholtz, Scholz, Scholcz, Scholze, Scholzen, Schultz, Schulze, Schultzen, Schultze, Schultz, Schulsse, Schülze, Szulz, Schultin, Schulting, Schultink, De Schoutheete, Schoutteetens, Schouteet, Schouteeten, Schouteetens, Schoutteten, Schouten, Schoutetens, Schoutet, Schoutede, Schouteden, Schoutenden, Shoutteten, Scholteden, Scholtedes, Schautteete, Schouterden, Schouterdem, Schouteere, Schouteren, Schouterens, Schoutissen, Schatteet, Schateet, Schauterden, Schultheis, Schulteis,Schultes, Schultes, Scholtes, Scholtés, Scholtès, Scholtis, Scholtissen, Scholtus, Scholhaus, Scholdis, Scoltus, Scholtanus: Middelnederlands schoutet(e), schout(h)eit, schoute, scholte, schulte; Middennoordduits Schûlte, schulthete, Duits Schultheiss: schout, gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van een schepenbank. Beroepsnaam. Duits Schulte, Schulz(e).

Schouteet, Schautteet: Middelnederlands schoutet(e), schout(h)eit, Duits Schultheiss ‘schout’, zie Schout.

Schouteere, Schouteren, Schouterens. Middelnederlands schoutheere: schuldeiser. 2. Zie Schout.

Schoutrop: Plaatsnaam Schuttorf (Noordrijn-Westfalen) of Scholderu in Taarstedt.

Schouvorst, Soudeworst, Schouwvors: die de kikvorsen, kikkers verschuwt, wegjaagt, schuwt. Misschien hypercorrect voor Schou(de)vos: die vossen schuwt: Vergelijk Schau(w)vlieghe. 1299 Reynghers Scoudegoes, Aardenburg: die ganzen wegjaagt.

Schouw, van der: Plaatsnaam Schouw in Deurne, Bakel (Noord-Brabant), Landsmeer (Noord-Holland). Friesland.

Schouwaert, Schauwaert, Schouwaerts, Schauwaerts, Schauwaers, Schauvaerts, Schauvaets, Schavar: Beroepsnaam van de schouwer, de beambte belast met het schouwen of inspecteren, bijvoorbeeld de straatschouwer, die wegen inspecteert. Vergelijk de familienaam de Schouwer.

Schouwbroeck, van: Plaatsnaam Schou(de)broek ‘moeras met lis’, van Schouwbroek.

Schouweiler, Schouweiller, Schuweiler, Schouveller: Plaatsnaam Schuweiler (Duitsland).

Schouwen, van: Plaatsnaam Schouwen (Zeeland).

Schouwenaar, Schouwenaars, Schouwenaers: 1. Afkomstig van Schouwen. 2. Middelnederlands schoudenaer‘ schuldenaar’.

Schouwenberg, Schouwenburg, zie Schauenburg.

Schouwer, de, de Schauwer, de Schauwers, de Schawers, Schouwers, Schauwers, Scauwers, Descower: 1. Beroepsnaam van de schouwer, de beambte belast met het schouwen of inspecteren; bijvoorbeeld straatschouwer, die wegen inspecteert. 2. Middelnederlands Sc(h)ouder, van werkwoord schouden: met kokend water wassen of begieten, geslachte dieren zengen, in kokend water schroeien. Beroepsnaam.

Schouwstra. Friese familienaam uit de verwijzing naar de plaats Schouw, Friese Meren (Schouwen?).

Schovaerts, Schovaers, Schoovaerts, Schoovaers, Scoevaerts, Scoevaert, Scoevaers, Scoevaerdts, Schoeffaerts. Vadersnaam, afleiding van Govaert. Zie verder daar.

Schoy, Schoij, Schuy: Van Middelnederlands schoeyen: schoeien, van schoenen voorzien. Beroepsnaam van de schoenmaker?

Schraa, Schraa. (?)

Schraege, van der, Verschragen, Verschaeghen, Verscharghenn, Verschraegh, Verschraeghen, Verschaeghenn, Verschraeven, Verschroeven (Brabantse vorm). Familienaam uit de plaatsnaam Schrage (droog, dor). Onder andere in Eksaarde.

Schraaf, van de(der): Plaatsnaam. Vergelijk Middelhoogduits schraf ‘gespleten rots, rots, klip, rolstenen’. Of veeleer door wisseling g/f uit van der Schrage (zie Verschrage)?

Schraelen, van der. Wellicht van van der Schaelen met ingevoegde r.

Schrader, Schräder, Schraders. Duitse bijnaam van schroder voor een snijder?

Schraen, Schraenen. 1. Zie (de) Crâne. 2. Brabantse uitspraak van Schrynen.

Schraepen, Schreppers. Bijnaam voor een schraper: iemand die beroepshalve schraapt (huidenvetter, schrijnwerker) of iemand die schraperig is.

Schrager, Schrager, Schraeger: Afleiding van Middenhoogduits, Middelnederlands schrage: schraag, stut. Beroepsnaam, veeleer dan plaatsnaam Schragen. Schraeger kan oudere spelling zijn voor Duits Schrager, maar ook spelling voor Schreger.

Schrale: Duitse bijnaam Schralle ‘luidruchtig mens’, van schrallen ‘schreeuwen’.

Schram, Schramm, Schramme, Schraem: Middelnederlands schramme ‘schram, wonde, snee’, Duits Schramm. Bijnaam voor iemand met een opvallend litteken.

Schrama, Schravemade, Crama. Bewoner van de boerenhofstede 's-Gravenmade (made = 'hooiland' van de graaf) te Bennebroek.

Schrantz. Spelling voor Schrants, Schrans; zie Legrand. 2. Duitse familienaam Schran(t)z, Middenhoogduits schranz: spleet, scheur, gat. Plaatsnaam.

Schraub, Schrauben, Schrouben, Schrub: Middenhoogduits schrübe, Duits Schraube: schroef. Beroepsnaam.

Schrauer: Afleiding van Middelnederlands schrauwen ‘schreeuwen’?

Schrauwen: Spelling voor Sgrauwen = des Grauwen, zoon van de Grauwe. Bijnaam naar de grauwe, grijze kleur (huid, haar, kleren).

Schravemade: Plaatsnaam ’s Graven made ‘weiland, maailand van de graaf’. Vergelijk Gravenmaten, Overijssel. Ook van Schravesande, en van Schravendijk, dijk en zand van de graaf. Schraveland is zo Graveland.

Schrave, Schraven: Spelling voor Sgraven = des Graven, zoon van de Grave, de Graaf. Beroepsnaam van de voorzitter van de schepenbank of bijnaam die op een dienstverband met de graaf kan wijzen.

Schraver: Afleiding van Middelnederlands schraven ‘krabben, wroeten, woelen’.

Schrefheere, Schreefheere. Lees: Schreffeerre, dus schreffeerder. Afleiding van Middelnederlands schrafferen: schrafferen, schaduwlijnen aanbrengen op een tekening, arceren. Beroepsnaam.

Schreck. Middenhoogduits schrecke; springer. Vergelijk Schrick.

Schreiber, Schreibers, Szrajbe, Szrajber: Duitse beroepsnaam van de geheimschrijver, klerk. Vergelijk De Schrijver.

Schreiner, Schreinner, Schreyners, Srajner: Duitse beroepsnaam Schreiner: meubelmaker, timmerman. Vergelijk Schreinemacher(s).

Schreinemacher, Schreinemachers Schreinemakers. Duitse beroepsnaam van de schrijnwerker, meubelmaker. Vergelijk Schrynemaekers.

Schreppers. Afleiding van Middelnederlands schreppen, schrappen: schrapen. Bijnaam: schraperig mens.

Schreuder, Schreuer, Schreur, Schreurs: Variant van Middelnederlands schroder ‘schrooier’. Meestal de beroepsnaam van de kleermaker, snijder. Soms wijnschroder, sjouwer van wijnvaten of ook muntschroder, muntschrooier. Spelling voor Schreur; zie Schrôder. Duitse hypercorrecte variant van Schreier.

Schrevel (de), Descrevel, Descreven, de Schreyver, de Schrever, Schrever, Schrevers, Schrevens, Schrévens, Screvens, Scriven, Scrivens. Familienaam uit het West-Vlaamse werkwoord schrevelen: krevelen. Bijnaam voor een krevelaar: die traag loopt of werkt, een treuzelaar.

Schreij: Spelling voor Schrij. Nomen agentis bij Middelnederlands schriden ‘schrijden, stappen’.

Schreyen, Schreye, de Screyer, de Schreye, de Schreider, de Schrijder, de Schryder, de Schryer, Schreier, Schreyers, Schreyer, Schriers, Schrier, Schrieder, Schryers, Schrijers: Afleiding van Middelnederlands schreyen, (hypercorrect) schreiden: schreeuwen, roepen. Bijnaam voor een lawaaimaker of zoals Duits Schreier: omroeper.

Schreijenberg, Schrijnenburg: Plaatsnaam Schreiberg (Noordrijn-Westfalen)?

Schrickx, Schrick, Schriks, Schricke, Schrikke, Schriek, Schrickel: 1. Middelnederlands schricken: een grote stap nemen, grote schreden zetten, sprongen maken. 2. Verkorting van Van Schrieck.

Schrieck,van, (den, der) Schriek, van (den, der (van (de, den) Schrick, Vanderschrick, van den Scrik: Plaatsnaam Schriek (Provincie Antwerpen) en in Gendringen (Gelderland), Boom (Provincie Antwerpen), Aartselaar (Provincie Antwerpen), Appels (Oost-Vlaanderen): ‘hoek, bocht’.

Schrieder, Schrieders, Schrier, Schriers. Ontronde vorrn van Schreuder(s), Schreur(s). Zie Schrôder.

Schriel: Uit Schoriel. Vergelijk de Vlaamse familienamen Schoreel, Scoriel, Schorielle, Schreel. Oudfrans escorieul, escuriau ‘eekhoorn’, Middelnederlands scu(e)reel. De ie-spelling geeft de scherplange e weer.

Schriemer: Vermoedelijk door wisseling van de labialen uit Duits Schriewer, Schriever, Schrieber ‘schrijver’.

Schrier: Bijnaam voor een schreeuwer, roeper, lawaaimaker. Duits Schreier.

Schrievogel: Duitse bijnaam Schreivogel voor iemand met luide, schelle stem.

Schrijver, de, Schrijvere, de, de Schrybere, de Schryber, de Scryver, de Schreyver, de Schrever, Schrijvers, Schryvers, Schryver, Schrijbers, Schriever, Schrievers, Schriefers, Schriewer, Schriemer. 1. Beroepsnaam van de (geheim)schrijver, de griffier, de klerk. Vergelijk Scribe. 2. Sommige vormen – met name De Schre(y)ver - gaan ongetwijfeld terug op (de) Schrevel.

Schrik, Schriks, Schriek, Schrieks, Schrick, Schrikke.1. Nomen agentis van Middelnederlands schricken ‘een grote stap zetten, grote schreden zetten, sprongen maken’. 2. Korte variant van Van Schrieck.

Schrit, van der. Verhaspeling van Van der Schrick.

Schrobiltgen. Luxemburgse bijnaam: kleine knorrepot.

Schroder, de Schrooder, de Schroodere, Schrooders, Schroeder, Schroeders, Schrouders, Schroders, Schroer, Schroers, Schroër, Schroeyers, Schroijers, Schruyers, Schreuder, Schreuders, Schreudder, Schreudders, Schreurs, Schreur, Schruers, Schrurs, Schrure, Screurs, Schreer, Scchreers, Schreus, Schrieder, Schrieders. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse schroder: schrooier. 1. Snijder, kleermaker. 2. Wijnschroder, sjouwer van wijnvaten, kraanmeester. 3. Muntschroder: die de munten slaat, de randen afvijlt. (om het goudvijlsel te gelde te maken).

Schröder, Schroder, Schröer, Schroers, Schrödter, Schröter Schroduer, Schroedter, Schroeder, Schroëter, Schretter, Schreder, Schréder, Schrader: Duitse beroepsnaam van de kleermaker. Vergelijk Schroder.

Schroe, Schroë, Schroé. Naam uit het Middelnederlandse scrode. Variant van Schroder, zie daar.

Schroener. Beroepsnaam. Variant van Duits Schreiner. Of veeleer variant van Schroeder, Schrôer, Schrôdner.

Schroever, Schroevers: Afleiding van Middelnederlands schroeven ‘schroeven; kwetsen, kneuzen’.

Schrondweiller, Schrondweiller. Plaatsnaam Schrondweiler in Nommern (Luxemburg).

Schroons, Schruns, Schrens, Schrijns, Schroen, Schroos, Schrooyen, Schroeyen, Schroeyens, Schroijens, Schroijen, Schroyens, Schroyen, Scroyen Scroeyen, Schraeyen, Scrayen, Schrayen, Serroyen, Serroeyen, Seroeyen, Seray, Serayen. Beroepsnaam naar het Middelnederlandse schroden/schraden= snijden. Dit kan natuurlijk in een aantal beroepen: kleding, voeding.

Schroot, Schroote, Schroots, Schroten: Spelling voor Sgroot(e), Sgroten, van des Groten, zoon van de Grote.

Schruf, Schruff, Schrouff, Schroef: Duitse familienaam Schroff: onvriendelijk, bars. Bijnaam.

Schrijnen: Beroepsbijnaam van de schrijnwerker, meubelmaker.

Schrijver, (de), Schrijvers, Schrijfer: Beroepsnaam van de (geheim) schrijver, griffier, klerk.

Schrynemaeker, (de) Schrynmaker, (de) Schrynmaeker, (de) Schrynemaeker, de, Schrynmekers, Schrynemackers, (de) Schrijnemakers, Schrijnemakers, Schrijnmaekers, Schrijnemackers, Schrijnemeeckers, de, Scrijnmakers, de, Scrynmakers, Schrymecker. Beroepsnaam van de schrijnwerker, de meubelmaker.

Schrynen, Schrijnen, Schreine, Schreynen: Beroepsnaam van de schrijnwerker, meubelmaker.

Schtickzell, Schticzelle, Schtickzelle: Waalse verhaspeling van Duits Stitzel? Ontrond van Stùtzel, afleiding van Stutz: stoot.

Schubach. Zoals Schuback, afleiding van Wendisch suba: pels.

Schubert, Schuberth, Schubath, Schubarth, Schobert, Schober, Szubert: Beroepsnaam. middenhoogduits schuoch-wurhte, van Schuowirt, Schubert: schoenwerker, schoenmaker.

Schuchard, Schuchardt, Schuckard, Suchard: Duitse beroepsnaam van de schoenmaker, van Middenhoogduits schuochwùrchte: schoenwerker. Vergelijk Schubert.

Schuddings, Schuddinck: Afleiding van Middelnederlands schudde ‘galgenaas, schelm, leegloper’.

Schuerbeeck, van, Schuerbeek, van, <