Verklaring van achternamen S

 

S.

Saaftinge, van: Saaftinge is een oude heerlijkheid in Hulster Ambacht: 1257 Tsaftinge, Tsaeftinge, 1281 Saftinghe.Van de 14de tot de 16de eeuw raakte het land van Saaftinge overstroomd.

Saagsvelt, van: Plaatsnaam Saasveld in Weerselo, Overijssel.

Saakes: Vadersnaam. Friese mansnaam Sake. Verkorting van Germaanse voornaam met stam van Got. Sakan ‘strijden’, Oudfries sake.

Saaksman, Saecksma, Saexma, Saexma. Afleiding van de voornaam Sake.

Saal, Zaal, van, Verzaal, Salman, Zaalman: Vadersnaam. Friese mansnaam Sale, Saelle, Saalke, verkort uit Salomon.

Saane, van: Waternaam De Zaan (Noord-Holland), ook de Zaanstreek.

Saar, Sarr, Sarre, Sarens, Saren, Saerens, Saeren: Moedersnaam. Bijbelse voornaam Sara 'vorstin'. Of Sara als Germaans sarwa 'wapenrusting'. De Bijbelse Sarah zou het gebruik er van als vrouwennaam wel in de hand hebben gewerkt.

Saarloos, van, Charlouis, Charlois. Plaatsnaam Charlois, Rotterdam.

Saaij, Saeij: Vadersnaam. Variant van Soy, van Sohier/Soyer, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger. Vergelijk 13de eeuw Barewout filius Saiewins, Zeeland, van Germaanse voornaam Zegewin.

Saba, Sabath, Sabbat, Sabba, Szabat, Sabach, Sabah, Sabbagh, Sabbah, Sabato, Sabado, Sabbatini, Sabaddini, Sabbadin: Bijnaam voor een Jood, die de sabbat viert. Maar sabbat is ook heksensabbat. Vandaar de Oudfranse betekenis van sabat ‘rumoer, lawaai’.

Sabaté, Sabatté, Sabâte: 1. Misschien variant van Sabatier. 2. Oudfrans sabateis: lawaai, tumult. Bijnaam. Vergelijk Sabat(h).

Sabatier, Sabathier. Beroepsnaam. Occidentaalse vorm van Frans Savetier: schoenmaker. Vergelijk Savat.

Saban, Sabban, Sabin: Vaders-, moedersnaam. Engelse familienaam van Latijnse heiligennaam Sabinus, Sabina.

Sabau, Sabaut, Saboux, Sabeau, Sabiau, Sabay, Sabbi, Sabia. 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sabaldis. 2. Zie Zabeau.

Sabbe, Sabben, Sap, Sappen.1. Bijvoeglijk naamwoord voor een morsige, slonzige vrouw. 2. Voorouder afleiding van Abbe, een knuffelvorm uit Albert. Of de naam van Sabben zonder de van-aanloop.

Sabben, van: Plaatsnaam Sabbinge op Wolphaartsdijk.

Sabel, Sabels, Saebels, Sable, Sebel. Sabel is zwart bont, sabelbont. Beroepsnaam voor een bontbewerker. Zie ook Zabeua.

Saber. Vadersnaam. Waarschijnlijk van Chaber(t). Of eventueel Germaanse voornaam Sadebertus.

Sablon, Desablons: Plaatsnaam Sablon: zand, zavel. Le Sablon in Vloesberg (Henegouwen), Sablon in Casteau (Henegouwen). Vergelijk Van Zand, Desablens, Sauvelon.

Sablonier, Sablonnier. Beroepsnaam. Werker in een zavelgroeve. Vergelijk Zavelaer.

Sabloniére, de la: Plaatsnaam Sablonnière ‘zandgroeve, zavelgroeve’.

Sabot, Sabo, Saboo. Frans sabot: klomp (schoeisel). Beroepsnaam voor de klompenmaker.

Sabotier, Chabotier, Chabotier, Chabothier, Schappatier: Beroepsnaam van de klompenmaker. Vergelijk Sabot.

Sabour, Sabourin, Sabbour: Occidentaalse vorm van Oudfrans savor, Frans. saveur: saus, kruiderij, keukenkruid. Bijnaam. Vergelijk Savouret.

Sabu, Sabus, Zabus. Moedersnaam. Korte vorm van de voornaam Isabu of Isabeau?

Saby, Sabi, Sabir. Vadersnaam Sabi, Saby, Zuid-Franse variant van Sabin. Latijnse heiligennaam Sabinus. Sabir is hypercorrect.

Saccasijn, Saccasyn, Sackazyn, Sackesyn, Saquesyn, Sakesyn, Sakezyn, Sakezin: Afleiding van Franse familienaam Sac(c)as: augmentatief van sac: grote zak, tas. Bijnaam of beroepsnaam.

Sacco, Sacchi, Sacchetti, Sacchet, Sacchetino, Saccheto, Saccone, Saccon: Italiaanse pendant van Sac, Zack.

Sace, Sache. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sahso, Sasso 'Saks(er)'. Vergelijk Sassen.

Sacépé. Zinwoord. Oudfrans sachier, saquier: trekken, uit de schede halen, zwaaien + Oudfrans espee, Frans épée: zwaard, speer. Bijnaam voor een ridder die zijn zwaard trekt, zwaait. Vergelijk Duits Schuddesper, Engels Shakeshaft, Shakespear, Shakelance.

Sach. Variant van Duits Zach(e), Duits Zäh: taai, volhardend.

Sachs, Sachse, Saks, Sax, Sas, (de), Sasse, Sass, Saes, Saez, Tsas, T'Sas, 't Sas, Sase, Saxks, Sacks, Sackx, Sakx, Zass, Zas: 1. Sas, Saks(er), Middelnederlands Sasse. Volksnaam (uit Saksen). 2. Vadersnaamr. Het lidwoord kan op jongere reïnterpretatie berusten. Zie Sassen.

Sackebandt. Beroepsnaam van de zakkenbinder; vergelijk Stroobant. Middelnederlands sachant: band om zakken mee toe te binden; (ook) buikband.

Saechtlevens. Verdwenen familienaam. Bijnaam voor een zacht, vriendelijk iemand.

Sackenpré, Sackenprez: Verhaspeling met n-epenthesis van Sacquépée; zie Sacépé.

Sacoor, Zaccour: Wellicht plaatsnaam Jaucourt (Aube). Of van Jeancourt of Joncourt?

Sacotte. Afleiding van sac; zak.

Sacré, Sacrez: 1. Christelijke voornaam 'toegewijd, gedoopt'. 2. Uit Sacreas, Zacharias.

Sacton, Saqueton. Afleiding van sac: zak. Vergelijk Zack, Saquet.

Sadet, Sadin: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans sade: aangenaam, bevallig, charmant.

Sadier, Sady. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Sadhari.

Sadok, Sadouk. Bijbelse naam, van Hebreeuws çadoc, Grieks sadok, van çedek 'gerechtigheid'.

Sadoine, Sadaune, Sadonius, Sadonis, Sadones, Sadon, Sadonés: Vadersnaam. Sadon is de Franse verbogen vorm van de Germaanse voornaam Sado; Sadoine wellicht, van Germaans sad-win: Saduinus. Sadonés is spellingvariant van Sadonnet. De familienaam kwam in Melden ook voor als Sadonés, Sadonie en Sidaenes.

Sadoul, Sadoux. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Sadulfus.

Sadzo, Sadzot, Plaatsnaam Sadzot in Erezée (Luik).

Saeffoet, Saeyvoet, Suyvoet. Naam uit het Middelnederlandse savoor, chavoir, soefoer: visvijver.

Saegeman, Saegemans, Saegman, Sagemans, Zageman, Sagerman, Saergermans, Saegerman: Beroepsnaam van de houtzager. Vergelijk De Sager. 1

Saelemaekers, Saelemakers, Saelmaekers, Saelmackers: Beroepsnaam van de zadelmaker. Vergelijk Waal-Vlaams zale = zadel. Vergelijk De Sadeleer.

Saelemans, Saelman, Saelmans, Salemans, Salimans, Zalemans, Zaleman: 1. Beroepsnaam van de zaalwachter, deurwaarder. 2. Beroepsnaam van de zadelmaker; vergelijk Saelemaekers. 3. Eventueel vadersnaam. Germaanse voornaam Salaman, Salemannus. Vergelijk Sallmann.

Saelens, Saels: Vadersnaam. Afleiding van Middelnederlands Salin, vleivorm van de Bijbelse voornaam Salomon. Saelkin=Salemoen.

Saen (van), van Zaen, van (der) Zaan, van Saene, van der Saenen, van der Sanen, (van der) Zaenen, van Sannen. 1. Familienaam uit de waternaam de Zaan (Noord-Holland) of naar de Zaanstreek.

Saenen, Saanen, Sanen, Saens, Saen, Sanes. 1. Naam afgeleid uit "des Hanen". Mogelijk huis- of karakternaam. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sano. 3. Moedersnaam uit de voornaam Sanne, van Susanna.

Saenz, Saënz: Wellicht van Saint-Saè'ns, plaatsnaam (Seine-Mar.) van St.-Sidonius.

Saeremans, Sarremans, Saremans. Moedersnaam. Afleiding van de voornaam Sara.

Saer, de: Vernederlandste spelling van Frans Desart. Romaanse plaatsnaam Sart, Frans Essart, van Latijnse exsartum ‘gerooide plaats, rode’. De naam is een pendant van van Rode.

Saersegem, van Saceghem: Plaatsnaam Sa(a)rsegem, waarschijnlijk in Zuid-West-Vlaanderen.

Saeijvoet: Volksetymologisch uit Saeffoet, van Middelnederlands savoor, chavoir, soefoe ‘visput, visvijver’.

Saeren, Saerens, Saar. Moedersnaam uit de Bijbelse voornaam Sara wat vorstin betekent.

Saeyer, Saeyere De, De Sayer, Sayers, Seyer. 1. Beroepsbijnaam van de saaiwever, de saaiwerker. 2. Zie ook De Zaaier.

Saey, Saeys, Saeijs, Saeij, Say, Saye, Saeye, Saeyens. Vadersnaam, variant van Soy,Sohier, Soyer, de Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger (zie Zegerius).

Saeyere, de, Saeyer, de, de Sayer, Sayers, Seyer: 1. Beroepsnaam van de saaiwever, saaiwerker. 2. Zie de Zaaier.

Saeytyd, de, de Saetytijd, Saeytydt, Saeytijdt, de Saeijtijd, de Zaeytijd, de Zaeytyd, Zaeytyd, Zaeytydt, Zaeyteyd, Zaeyteyt, de Zaetydt. Familienaam uit het Middelnederlandse saettijt, zaettijt: zaaitijd. Bijnaam voor de zaaier.

Saffel, de: De Saffer, van Frans Lesaffre. Bijnaam. Oudfrans safre ‘gulzigaard, schrokker’.

Saffele, van den. Plaatsnaam Saffel: zavel. Vergelijk Zaffelstraat in Leeuwergem (Oost-Vlaanderen).

Safir, Saphier, Zafir, Szafiro, Szafirsztajn: Bijnaam voor de drager van de edelsteen, de saffïer.

Safran, Safranck, Szafran,, Szafranek, Szafranska, Szafranski: Oudfrans, Frans safran: saffraan (de velare n wordt nk). Beroepsnaam voor de saffraanhandelaar.

Sagaer, Sagaert, Saghaard, Saghaar, Sagar, Sagart. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam sag-hard. Vergelijk Sago, Saganhart, Sagarius. 2. Of soms misschien de vervlaamsing van Ségard. Dit is dan weer de Romaanse vorm Zegaard van de Germaanse naam Segaert. Zie daar. In Kortrijk wordt Sagaert met het accent op de tweede lettergreep uitgesproken.

Sagehomme. Bijnaam; wijs man, rechtsgeleerde. Vergelijk Lesage.

Sager,de, (de) Sagers, de Sagher, de Saegher, de Saeger, de Saegre, de Saghre, de Sagre, de Saever, de Saver, de Zaeger, Zagers. Beroepsnaam voor een hout/plankenzager.

Saget, Sajet, Sagiot, Sajotte: Afleiding van sage. Zie Lesage.

Saglimbene, Saglimbéni: Italiaanse familienaam Salimbene: spring goed; vergelijk Salenbien.

Sagon. Aanpassing van Segon, met voortonige klinkerwijziging.

Sagot, Saigot: Vadersnaam. Afleiding van Sagaert, Segaert of een sigi-naam?

Sahin, Aksahin, Küçüksahin, Büyüksahin. De familienaam Sahin (met en zonder s-cedille) is afkomstig uit Turkije.

Saigne, Saignes, Sagne. Oudfranse plaatsnaam Saigne: moerassig terrein. Vergelijk Dessa(i)gnes.

Saignier, Sagner, Sagnier, Saniez, Sanir, Sani, Sannier, Sanniez, Zannier, Zanier, Seignier, Saunier: 1. Oudfrans cenier, seignier, Frans cenier: kloosterling belast met de verzorging van het avondeten (Latijn cena), die voor de levensmiddelen zorgt. 2. Beroepsnaam Saignier: slager, bereider van (Oudfrans) saim, sain: vêt, reuzel. 3. Of veeleer van Saunier.

Sailliez, Saillez, Saillé, Saillet 1. Afleiding van Saillant of Saillard? 2. Spelling voor Salier.

Saillant. Bijnaam van een springer, vergelijk Saillart.

Saillart, Seliaerts. Familienaam uit het Oudfranse saillir: springen. Bijnaam: springer, danser. Ook vondelingennaam: 1778 Hubertus Saillart, gevonden in Brussel.

Sailly, Desailly, Dessailly: Verspreide plaatsnaam (Ardeche, Pas-de-Calais, Nord, Somme).

Saintdenis, Saindenis. Frequente plaatsnaam (Henegouwen, Namen, Seine, Oise, Manche).

Saintmont, Sainmont, Saynmont: Plaatsnaam Saint-Mont (Gers) en in St-Géry (Waals-Brabant). Of Sainmont in Tignée en Saive (Luik).

Saincir. Verspreide plaatsnaam Saint-Cyr.

Sainderichin. Een plaatsnaam Saint-Richin is niet bekend. Misschien vadersnaam. Richin met ironisch voorgevoegd Saint-; vergelijk Saint-Fabien, Saint-Guily.

Saingenest. Verspreide Franse plaatsnaam St-Genest.

Saint(-)Germain. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam, die 1 x in de provincie Namen en ruim 130 x in Frankrijk voorkomt.

Saint-Juste Mys. Dubbele naam uit Saint-Juste: Haïtiaanse naam uit de plaatsnaam Saint-Juste (naam van de parochie: heilige Justus (de rechtvaardige)) of uit de moedersnaam (met dezelfde oorsprong) aldaar. En uit Mys (zie daar).

Sainlez, Seinlet. Plaatsnaam in Hollange, Luxemburg.

Sainsoilier. Bijnaam Cinq soilier(s)/souliers: vijf schoenen. Bijnaam voor een schoenmaker, zoals Duitse familienaam Siebenschuh?

Saint, Sain, Saing, Saints, Sainz, Saim, Saïm, Lesaint, Lessain, Lessent, Lesent: 1. Bijnaam voor een heilig, vroom man. Of vadersnaam naar de heiligennaam Sanctus. 2. Of beroepsnaam voor een slager, naar Oudfrans saim, sain, Frans saindoux: reuzel, vet.

Saint Cricq. Plaatsnaam, Gers, Landes.

Saint Hilaire (de). Verspreide plaatsnaam (Nord, Pas-de-Calais, Somme).

Saint Michel, de, Saint-Michel, Saintmichel: Verspreide plaatsnaam.

Saintelet, Saintlet. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van de voornaam Saint, Sainte. 2. Zie Chantel.

Saint-Anthoine, de. Frequente Zuid Franse plaatsnaam.

Saint-Aubert, de, Saint-Auber, Saint-Aubert, Saintobert: Plaatsnaam (Nord).

Sainte, Sinte, Sintes. 1. Bijnaam voor een heilige, vrome vrouw. Vergelijk Saint. 2. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sancta. Maar Sainte kan ook een Romaanse reïnterpretatie zijn van een Germaanse s(w)inth-naam, zoals Alsent of Frethesenta.

Sainte-Foy, de. Verspreide Zuid-Franse plaatsnaam.

Sainte, Saintes, Saintes, Sainte, Sinte, Desaintes, Desainte, Dessaintes, Dessainte, Desinte, Desseinte, Dessente: Plaatsnaam Saintes (Waals-Brabant), Nederlands Sint-Renelde.

Saintehuile. Volksetymologie, zie Saintil.

Sainte-Marie. Frequente plaatsnaam (Luxemburg, Waals-Brabant, Nord, Pas-de-Calais).

Saintfiet. Plaatsnaam Saint-Vith, Duits Sankt Vith (Luxemburg).

Saint-Georges, (de). Plaatsnaam, Luik, Nord, Pas-de-Calais..

Saint-Germain. Plaatsnaam, Namen en 134 maal in Frankrijk.

Saint-Ghislain, Saintghislain, Desaintghislain, Saint Guillain, Saint Guilain: Plaatsnaam (Henegouwen).

Saint-Hubert, (de). Plaatsnaam. Luxemburg.

Saintil, Sainthuile, Sainthuille, Saintehuile: Hypercorrect uit de plaatsnaam Sainte-Olle (Raillencourt, Nord): Ole is Picardisch voor Frans huile, van Latijn olea.

Saint-Jean, Saintjean, De Saint Jan: Plaatsnaam Saint-Jean-Geest (Sint-Jans-Geest, Waals-Brabant), Saint-Jean-Sart in Aubel (Luik) of een van de vele plaatsnamen Saint-Jean in Frankrijk.

Saint-Léger, (de), Sainléger, Seinleger: Verspreide plaatsnaam (Pas-de-Calais, Somme, Henegouwen, Luxemburg..).

Saint-Léon, de. Verspreide Franse plaatsnaam.

Saint-Marcoux. Plaatsnaam St-Marcoult in Opzullik (Henegouwen).

Saint-Mard, Saintmard, Saint Mart: Plaatsnaam (onder meer Aisne)

Saint-Martin, (de) St Martin: Uiterst frequente plaatsnaam (Namen, Nord, Pas-de-Calais, Aisne. 274 Franse gemeenten met die naam).

Saintmaux. Plaatsnaam Saint-Mau, van Saint-Marc (Namen).

Saint-Maxen, Saint-Maxent, Saint-Maxens. Plaatsnaam Saint-Maxent, Somme.

Saint-Maxim, Saint Maxin, Saint Machin: Waarschijnlijk variant van Saint-Maxen.

Saint-Médard. Plaatsnaam, Luxemburg.

Saint-Moulin, de, de St Moulin: Volksetymologie voor Sart-Moulin, plaatsnaam in Eigenbrakel (Waals-Brabant) en Villers-le-Temple (Luik).

Saintoin. Plaatsnaam Saint-Ouen bij Parijs.

Saint-Omer, de. Plaatsnaam Sint-Omaars, Frans St-Omer (Pas-de-Calais).

Saintot. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Saint.

Saint-Paul, Saintpaul, Saint-Pol, Saintpol, Saint-Pô, Desaintpol: Verspreide plaatsnaam Saint-Paul of Saint-Pol (Nord, Pas-de-Calais). Een voorvader van De Simpel staat in 1610 in Veurne geregistreerd als De Simpol.

Saint-Pierre, de. Plaatsnaam. Luxemburg, Pas-de-Calais.

Saintrain, Saintraint. Reïnterpretatie als heiligennaam van oorspronkelijke Santrain.

Saint-Remy, (de), Saint-Rémi: Verspreide plaatsnaam (Nord, Pas-de-Calais, Luik, Waals-Brabant.).

Saint-Riquier, de, Saint-Requier: Plaatsnaam Sint-Rijkers (Somme).

Saintron, Saintrond, Sentron: 1. Plaatsnaam Saint-Trond, de Romaanse vorm van St.-Truiden (Limburg). Vergelijk Van Sintruyen. 2. Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Sanctorius.

Saintvenant. Plaatsnaam Saint-Venant (Pas-de-Calais).

Saint-Viteux, Sainviteux, Saintviteux, Sainvitux, Sainvitu: Plaatsnaam Saint-Vitu in Abée (Luik), dat is Saint-Victor.

Sainz. Spelling voor Saint of Spaans Sâinz, van Sanchez, van Sanctus.

Saiselet. Afleiding van Saison.

Saison. Oude verbogen vorm van de volksnaam Germaanse Sahso, Frans saxon: Sakser, Sas.

Saive, Sève, Sève: 1. Oudfrans saive, saige, Frans sage: wijs, ervaren. Vergelijk Lesage. 2. Plaatsnaam Saive (Luik); zie Desaive.

Sakier, Saqi, Saqui, Sakhir, Sakhi, Saghir, Saghy, Sagie, Sagi, Sagis: 1. Oudfrans sakier, saquier: zakkenmaker. 2. De vormen met g eventueel vadersnaam Sagarius.

Saksou. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sahs-wulf 'Sakser-wolf.

Sakko: Nederlandse spelling van de Italiaans familienaam Sacco ‘zak’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Saktreger. Beroepsnaam van de zakkendrager, scheepslosser.

Sala, Salat, Sallat, Salet, Salez, Salée, Salée, Sallets, Sallet, Salle, Salley, Salle, Salaets, Salaerts, Sallaerts, Sallaets, Salard, Saelaert: 1. Uit Sarlet, Charlet, Franse afleiding van de voornaam Charles? Maar Charlet kan natuurlijk op reïnterpretatie berusten. 2. Afleiding van Frans sale: vuil?

Sala, Slaa: Italiaanse familienaam Sala, vooral in Lombardije. Ook Occitaans. Plaatsnaam met betekenis ‘zaal’.

Salabert, Salberter, Salbeth, Sallebert: Vadersnaam. Germaanse voornaam sal-berht of Sadelbertus.

Saladin, Salaino, Saladé, Salade, Salladini, Salentijn, Salentiny, Salandini, Salhadin, Saadelhin. Vadersnaam uit de Arabische voornaam Saladin: heil van het geloof. Deze naam kwam met de kruistochten naar Europa. De ridderlijke sultan Saladin van Egypte en Syrie veroverde Jeruzalem in 1187. Zo werd het een populaire literatuurnaam.

Salathong. Thaise familienaam.

Salazar. Spaans, Portugese plaatsnaam: Germaans sala: zaal + Baskisch zahar: oud. Plaatsnaam in Burgos.

Salcher, Salacher. Van plaatsnaam Salach, Beieren.

Salden. Naam uit Des Alden (= van den Alde): zoon van de oude.

Sale, Sal, Salles, Salle, Lesalle, Lesale: Bijnaam. Oudfrans sale: bleek, triest, vuil. Zie ook Delsalle.

Salée, Salee: 1. Plaatsnaam. 2. Zie Sala(t).

Salen, Salens, Saelens, Saelen, Salins. Vadersnaam, knuffelvorm uit de Bijbelse voornaam Salomon.

Salenbien, Salenbier, Sallembien, Salembien, Salembier, Salembie, Salambier, Schalembier. Naam uit het Oudfranse zinwoord: saille-en-bien, van saillir; springen, en bien; goed (springt in 't goed). Bijnaam voor iemand die plotseling rijk geworden is (door erfenis of huwelijk). Vergelijk Salimbene, Duits Spring(en)sgut(h), Spring(g)uth, van Springintgut.

Salengros, Salengrois, Salingros, Salingret, Salingue: Afleiding van oudpiacrdisch salengue, salingre: zoutziederij. Maar 1891 Pierre-Clément Salingre, geboren in Meschede (Noordrijn-Westfalen), was de zoon van Theodor Salinger. Hier werd de Duitse familienaam Salinger aangepast aan de bestaande Waalse familienaam Salingre.

Salerno, Salerni. Plaatsnaam Salerno, aan de westkust van Italie.

Salesse, Salés, Sales, Salles, Sallese, Salles: Plaatsnaam Salesches (Nord), Salés (Tarn) of Salesse (Cantal, Creuse).

Salice. Italiaanse familienaam. Plaatsnaam; wilg.

Saliën, Salien, Saldiën, Saldien, Sail, Sail, Saille. Naam uit het Middelnederlandse salië, saelge, sailge, saelie: salie. Bijnaam voor de kruidenteler- of handelaar.

Salier. Afleiding van Middenhoogduits salhe; waterwilg.

Salier, Saliez, Salies, Sali, Salhi, Sailliez, Saillez, Salliez, Salliet, Sailer, Saille, Saillet: Oudfrans salier: zoutzieder. Beroepsnaam. Vergelijk De Souter.

Salières, Salieres: Middenfrans salière: zoutvat. Beroepsnaam van de zouthandelaar. Of plaatsnaam La Salière, bijvoorbeeld in Harveng (Henegouwen); zoutziederij.

Saligo, Saligot. Naam uit de ridderromans. Afgeleid van het Germaanse salik: bijnaam voor een vuilak, smeerlap (de slechte uit de verhalen).

Saliman. Arabische naam uit de voornaam Salim/Saleem/Salman: veilig, gezond, geheel, onberispelijk.

Salina, Salinas. Dialect vorm voor Frans saline: zoutmijn, zoutziederij.

Salis. Vadersnaam. Korte vorm van Marsalis, variant van Marcelis? Of Engelse familienaam Sallis = Sallows, naar de woonplaats bij de wilgen (Frans saule) ?

Salkim. Variant van Salkin? Turkse naam?

Salkin, Salkind. Vadersnaam. Engelse (of Middelnederlandse?) afleiding van de voornaam Salomon.

Sallet: 1. Uit Sarlet, van Charlet, Franse verkleinvorm van de voornaam Charles. 2. Verkleinvorm van Frans sale ‘vuil’?

Salliau. Middenfrans salaud, afleiding van sale: vies mens, smeerlap.

Sallmann, Salman: 1. Beroepsnaam. Middenhoogduits Sal(e)man: vertrouwensman, zegsman, bemiddelaar, voogd. 2. Vadersnaam. Variant van de Bijbelse voornaam Salomon.

Sallustio, Sallustin, Sallus, Salluste. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Salustius of Sallustius.

Salm, van (de) Salm, van de(der) Zalm. Naam uit de plaatsnaam Zalm (Nederlands-Limburg), Salm (ook riviernaam) in Luik en Vulkaan Eifel (Duitsland). 2. Plaatsnaam Vielsalm in Luxemburg.

Salmier, Salmi, Salemi, Sallami, Salami, Salimi, Solomie, Sollami: Salmier = Psalmier: psalmenzanger.

Salmin, Salmain, Salomein, Sallemeyn: 1. Vadersnaam. Vleivorm van Bijbelse voornaam Salomon. Vergelijk Moedersnaam Salmena. 2. Afleiding van Salmier.

Salom, Salome, Salon, Salone, Saleem, Salem, Salim, Salme, Salm, Solome, Soleme, Solem, Saume: Vadersnaam. Naast Salomon, de Romaanse verbogen vorm (cas-régime van Salomonem) moet een onverbogen Romaanse vorm Salom(e)/Salm(e)/Saume (can cas-sujet Salomo) hebben bestaan. Salome, Solome kunnen ook wel afleidingen zijn voor Salomé/Solomé (en omgekeerd). Zie Salomon, Salome.

Salomé, Salome, Salomée, Salomez, Salommez, Salamé, Sallami, Salami, Salemi, Salmi, Salimei, Salimi, Solemé, Soleme, Solome, Solomee, Solomez, Solomie, Sollami: 1. Moedersnaam. Bijbelse voornaam Salome. Maar de voornaam was bij ons in de middeleeuwen ongebruikelijk. Maar de tante van Jacob Cats heette Salome Cats in 1571 in Brouwershaven. 2. Franse verkleinvorm van voornaam Salomon. 3. Zie ook Salmier.

Salomein: Ook Salmin. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Salomon.

Salomon, Salomons, Salomont, Salomone, Salomoni, Salomein, Salamon, Salamone, Salamoni, Salamun, Salamson, Salmon, Salmont Salmona, Salman, Salmang, Saulmont, Saumon, Sauoné, Somon, Sallman, Solomon, Salomonson, Solomons, Soulimans: Vadersnaam. De Bijbelse voornaam Salomo(n). Zie ook Salens, Sallmann 2.

Salperwick, Salperwyck. Plaatsnaam Salperwick (Pas-de-Calais).

Salpeteur, Salpeté, Salpè, Salpetier, Salpétrier, Salpétier. Beroepsbijnaam van de salpeterbereider of -verkoper. Vergelijk Saliter.

Salsac. Oude vorm van plaatsnaam Saussac (Cantal, Gironde, Vaucluse).

Salsone, Salson. Zuid Franse afleiding van salsa; saus. Beroepsnaam.

Salt, Salz, Zalc, Sals. Naam uit het Nederduitse Salt, het Duitse Salz, in het Luikse overgenomen als Sals: zout. Beroepsbijnaam. Vergelijk Salzmann.

Saltbommel, van. Plaatsnaam Zaltbommel, Gelderland.

Salter. Nederduits voor Duits Salzer: zoutzieder. Vergelijk De Souter.

Salteur. Zie Sauteur. 2. Naamwijziging (gemeente Houyet) van Salpeteur.

Salton. Afleiding van Oudfrans sait, Frans saut: sprong, schok.

Salu, Salut, Saluyts, Salluyts, Salluijts. Naam uit het Oudfranse Salut: heil, bescherming, beveiliging, groet. Bijnaam.

Salvador, Salvadore, Salvadori, Salvatore, Salvatori: Vadersnaam, Italiaanse, Spaanse vormen van Latijn Salvator 'redder, verlosser, heiland'.

Salvan, Sauvan: Vadersnaam. Volkse vorm van heiligennaam Silvanus.

Salvé, Salvée, Salve, Sauvé, Sauvey, Sauvet, Savet, Save, Savay: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Salvatus 'gered, verlost'. Vergelijk Italiaanse familienaam Salvato.

Salveniac, Salvéniac: Plaatsnaam Salvagnac (Aveyron, Tarn).

Salverda, Saavedra: Friese familienaam. Afkomstig van Salverd in Franekeradeel (Friesland).

Salvi, Salvo. Italiaanse vormen van Latijnse heiligennaam Salvius, Salvus. Vadersnaam.

Salzberg, Zalzberg, Zalcberg: Frequente Duitse plaatsnaam Salzberg: zoutberg.

Salzburg, Salzburger. Plaatsnaam Salzburg, Oostenrijk.

Salzman, Salzmann, Zalcman, Salsmans. Beroepsnaam. Duits Salzmann; zoutman, zoutzieder.

Saltzherr: Foute spelling voor Duits Salzer ‘zoutzieder, zouthandelaar’. familienaam De Zouter.

Sam: Engelse vadersnaam., korte vorm van Samson.

Saman, Samans, Zaman, Sämann, Saeman. 1. Beroepsnaam van de zaaiman, de zaaier. 2. Saman/Zaman zijn mogelijk ook vervormingen uit Zandman: Familienaam uit de plaatsnaam Zande.

Samang, van, van Semang: Plaatsnaam Samang in Membach (Luik).

Sambeek, van, Sombeek, Zambeek, van Zantbeek. Plaatsnaam Sambeek (Noord-Brabant).

Sambour. Plaatsnaam Chambourg (Indre-et-Loire).

Sambrée, Sambre, Sambree. Plaatsnaam Samrée (Luxemburg).

Samedi. Familienaam naar de dagnaam zaterdag. Vergelijk Vrijdag.

Samelson. Vadersnaam. Zoon van Samuel.

Sameni. Plaatsnaam Chamigny (Seine-et-Marne).

Samier, Samiers, Samiez, Samir, Sami, Samy: Wel een variant van Sannier/Sagn(i)ez.

Samin, Samijn, Samyn, Samain, Sameyn, Sameijn, Semeyn, Saemen, Samens, Scharmin. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de Bijbelse voornaam Samuel die in de 12de eeuw als als voornaam in West-Vlaanderen voorkwam. 2. Beroepsnaam uit het Oudfranse samin: fijne zijden stof. Dit geldt alleen voor de Samin-varianten.

Samison, Sammison. Waarschijnlijk Engelse verschrijving van Samson.

Sammels. 1. Bijnaam voor iemand die sammelt (talmt, zeurt, knoeit). 2. Vadersnaam uit de Bijbelse naam Samuel.

Sammens. Variant van Samens of Sammels.

Sammeth, Sammert, Sambeth, Sammut: Duits Sammet, Samt: fluweel. Beroepsnaam.

Samoy, Samoye, Samoey, Samoise, Samois, Sameys, Sameese, Semeese: Van Oudfranse werkwoord psalmoier, salmoier: psalmodiëren, psalmen zingen?

Sampain, Saimpain: Reïnterpretatie (als sans pain: zonder brood) van oorspronkelijke Sampin, vleivorm van de Bijbelse voornaam Sam(p)son.

Sampaix, Sampé: Bijnaam. Sans paix: zonder rust, rusteloos.

Sampermans. Waarschijnlijk van Sammelmans. Variant van Sammels. Zie daar verder.

Sampité. Bijnaam Sans pitié: meedogenloos.

Sampon: Aanpassing van Franse familienaam Champon, Plaatsnaam afgeleid van champ ‘veld’. Of plaatsnaam Sampont in Hachy (Provincie Luxemburg).

Sampont. Plaatsnaam in Hachy, Luxemburg.

Samray, Samri, Sameray, Samerey, Sanrey: Waals samerê: bewoner van de streek van Vielsalm (Luxemburg).

Samuëlse: Vadersnaam. Zoon van Samuel, Bijbelse voornaam.

Samijn, Semeijn, Semijn: Vadersnaam. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Samuel.

Samson, Samsson, Sampson, Samsom, Samsoen, Sansone, Sanson, Sansoen, Sansom: Vadersnaam. Bijbelse voornaam Samson/Simson.

Samsonau. Vadersnaam. Afleiding van Samson.

Samsonowicz. Slavische vadersnaam uit de voornaam Samson.

Samuel, Samuele, Samuels, Samul, Samu, Samuelov: Vadersnaam. Bijbelse voornaam.

San. Korte vorm voor Van San? Spaanse korte vorm van Santo, heiligennaam Sanctus?

Sana, Sanna, Sanne, Sannen, Saanen, Saenen, Sanen, Zannen, Zanen, Zanne: Moedersnaam. Korte vorm van de Hebreeuwse heiligennaaam Susanna. Zie Versaen.

Sanc, Sancke. Vadersnaam. Nederduitse afleiding van de voornaam Sanno; Saneke. Of van Sandtke: Santke (zie Santkin).

Sanchez, Sanches, Sanges, Sancho: Vadersnaam. Spaanse vorm van de Latijnse heiligennaam Sanctus ‘heilig’.

Sanctorum, Sanctrum. Bijnaam naar het Latijnse woord sanctorum 'van de heiligen' uit een liturgische tekst, wellicht voor een koster of geestelijke.

Sandbach: Plaatsnaam Sandbach (Beieren, Hessen, Noordrijn-Westfalen).

Sanctrum, Sancotrum. Bijnaam uit het Latijnse sanctorum: "van het heilige". Wellicht bijnaam voor een koster of geestelijke (en die hadden ook al wel eens kinderen).

Sanctus, Santus, Santy, Santij. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Sanctus. Santi is Italiaans.

Sana, Sanna, Sannen, Sanne, Saanen, Saenen, Sanen, Zannen, Zanen, Zanne. Moedersnaam, verkorte vorm van de Hebreeuws heiligennaam Susanna.

Sancy. 1. Plaatsnaam Sancy (Meurthe-et-Mos.). 2. Zie Censier.

Sand. Korte vorm voor Van Sand. Ook Duitse familienaam Sand, eveneens van plaatsnaam.

Sande, van, der. Plaatsnaam in Duitsland.

Sandbank. Plaatsnaam; zandbank.

Sandberg, Sandberger. Verspreide Duitse plaatsnaam Sandberg: zandberg. Zie ook Zandberg.

Sande. Waalse reductie van Sandre.

Sandee, Zandee: Waternaam in Goudswaard (Zuid-Holland).

Sandee. Aaanpassing van franse familienaam Chandet, afleiding van Occitaans cande, Laijn. candidus: wit.

Sandefort, Sandifort, van Santvoort: Plaatsnaam Zandvoort (Drenthe, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Zeeland), Santfort (Nederlands Limburg. Eventueel plaatsnaam Sandfurth (Nedersaksen), Sandfort(h) (Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen).

Sandelin. Vadersnaam. Vleivorm van Sander, van Alexander.

Sanderman, Sandermans, Santermans. Vadersnaam uit de Voornaam Sander, een verkorting van Alexander.

Sanders, Sander, Sanderse, Sandersen, Zander, Zanders, Saunders, Sandre, Sadre, Senders, Sender: Vadersnaam. Korte vorm van de Griekse heiligennaam Alexander.

Sander, de, Desandre, Desandere: 1. Desandre, Pas-de-Calais. Zoon van Sandre, Alexander. Zie ook Descendre. 2. Zie de Zanger.

Sanderman, Sandermans, Santermans: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sander, van Alexander.

Sanderse, Sanderson. Vadersnaam. Zoon van Sander.

Sanderus. Vadersnaam. Latinisering van Sanders. Humanistennaam van Antonius Sanderus, Antwerpen 1586, Affligem 1664; auteur van Flandria Illustrata.

Sanderville. Plaatsnaam Sandarville (Eure-et-Loir); eventueel Sandouville (Seine-Mar.).

Sandfurth, Sandfort. Duitse plaatsnamen Sandfurth, Sandforth, Sandfort, Santfort (Nederlands-Limburg).

Sandkoul. Plaatsnaam: zandkuil. Verspreide Duitse plaatsnaam Sandkuhle. Vergelijk Savelkoul.

Sandman, Sandeman: 1. Afleiding van Van den Zande. 2. Beroepsnaam van de zandvoerman of -handelaar.

Sandmeier. Meier, boer op zandig terrein.

Sandner: Duitse beroepsnaam van de zandgraver, -voerman of -handelaar.

Sandon. Plaatsnaam (Berkshire, Essex, Hertfordshire).

Sandor. Hongaars vadersnaam van Alexander.

Sandorff: Plaatsnaam Sandorf (Beieren), Sanddorf (Duitsland).

Sandoz. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sandre.

Sandraert, Sandrard, Sandart: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sander.

Sandra, Sandrat, Sandras, Tjandra, Sansdraps, Sansdrap, Sandraps, Sandrap, Sendrap: Vadersnaam. Frans Sandra(t), Waale vorm van Sandrard, afleiding van de voornaam Alexander.

Sandré, de: Desandré, van Desandre, zoon van Sander, Alexander.

Sandreczki, Sandreschi, Sandretti. Vadersnaam. Slavische en Italiaanse afleiding van de voornaam Alexander.

Sandrin, Sandrini: Vadersnaam. Italiaanse korte vorm van Alesandrini, vleivorm van Alexander.

Sandron, Sandront, Sadron, Sendrons, Sondron: Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Alexander.

Sansen, Sansens, Sanse, Sans, Sanssens, Zanzen, Sensen. Vadersnaam uit Sansin, een knuffelvorm van de voornaam Sanson/Samson.

Sanfrinnon, Sanfrinon. Verhaspeling (in Vlaams-Brabant) van Chaufoureau (uit Waals-Brabant), met de normale aanpassing ch/s en de zo frequente n-epenthesis.

Sangeleer. Brabantse vorm van Frans Sanglier, Oudfrans sengler.

Sangen, van der. Dialect variant van Van der Sanden (vergelijk Kust Waals-Vlaams zange = zand).

Sangermann, Sangermano. Beroepsnaam. Afleiding van Sanger.

Sanglier. Familienaam uit het Franse sanglier: everzwijn. Bijnaam of huisnaam.

Sangiorgio, Sangiorgi. Italiaanse plaatsnaam San Giorgio.

Sanglan: Oudfrans sanglent: bloeddorstig, wreed. Bijnaam.

Sanglet. Afleiding van Sanglier.

Sanglier. Frans sanglier: wild zwijn, everzwijn. Bijnaam of huisnaam.

Sangster. Beroepsnaam. Engelse vrouwelijke vorm voor Sanger: zangeres.

Sanguin. Frans sanguin: donkerrood, bloedrood. Beroepsnaam voor een lakenverver.

Sanguinetti, Sangineto: Plaatsnaam Sanguineto in Ligurië of Sanguinetto: kornoeljeboom, Cornus.

Sansens, Sansen, Sans, Sanse, Sanssens, Zanzen, Sensen: Vadersnaam van Sansin, vleivorm van Sanson, Samson.

Sanspeur, Sampeur. Bijnaam Sans peur: zonder vrees. Vergelijk Duits Ohnefurcht, Ohneangst.

Sanspoux, Sanspouls, Sampoux, Sampou, Sampoulx, Sampol, Sampos, Sanpoux, Sanpo, Sempoux, Senspoux, Sempos, Sempo, Sempot, Senpo. Reïnterpretatie (als Waals sanspôce: zonder duim) van Saint-Paul of Saint-Pol= Saint-Paul, plaatsnaam in Nord en Pas-de-Calais.

Sansterre, Santer, Santerre, Santerne, Santere, Senterre, Senter, Senster, Sandter: 1. Bijnaam Sans terre: zonder land. Vergelijk Landeloos. 2. Plaatsnaam Santerre, Latijn sana terra (Somme).

Sanstra. Waarschijnlijk verhaspeling van Sandra.

Santa, Sant, (de), Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sancta. Bijnaam. Vgl Saint.

Santa Maria. Verspreide Italiaanse en Spaanse plaatsnaam.

Santacaterina, Santacatterina. Plaatsnaam.

Santander, Santaner. Spaanse plaatsnaam Santander.

Santana, Sant'Anna: Spaanse, Catalaanse en Portugese plaatsnaam: Sint-Anna.

Saint’Angelo. Verspreide Italiaanse plaatsnaam.

Santantonio. Italiaanse en Spaanse plaatsnaam.

Sante,van, Santen, van, van Zanten: 1. Plaatsnaam Xanten (Noordrijn-Westfalen). 2. Plaatsnaam Zanten, Frans Saintes (Waals-Brabant).

Santbulte. Familienaam uit gelijknamige plaatsnaam (zandheuvel) ergens op de grens Nederland-Duitsland.

Santiago, Tiago. Verspreide Spaanse plaatsnaam Sant'Iago (Sint-Jakob). Vooral bekend is de bedevaartplaats Santiago de Compostela.

Santin, Santing, Santens, Saintin. Afleiding van de Latijnse heiligennaam Sanctus.

Santon, Santhong. Naam uit het Franse Centon, dit is wellicht een afleiding van de voornaam Vincent.

Santonin. Vadersnaam. Afleiding van Santin.

Santos, dos. Portugese naam, in Nederland vooral afkomstig uit Kaapverdië en verder onder andere uit de Dominicaanse Republiek, de Filipijnen, Brazilië, Angola en Portugal. Zie Santa.

Santkin, Sanquin, Saquin, Saengtien, Sandtke, Sentiens, Sentjens, Zentjens: 1. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van heiligennaam Sanctus/Sancta. Vergelijk Santin, Sente(n). 2. Santkin eventueel Waalse gereduceerde vorm van Sanderkin, afleiding van Sander.

Santon, Santhong: Frans Centon, afleiding van de voornaam Vincent?

Santos. Portugese en Spaanse plaatsnaam.

Santrain, Santraine, Saintrain, Saintraint. Aaanpassing van Chantrain(e). Chant(e)raine = Santreyn = San train.

Santuz: Santus, van Sanctus ‘heilig’.

Sanz. Oudhoogduitse afleiding van de voornaam Sanne, Sanno. 2. Nederduitse plaatsnaam Sanz bij Stralsund.

Sap, Sappen, Sapion: 1. Moedersnaam. Korte vorm van de Latijnse heiligennaam Sapientia of Sabina. 2. Zie ook Sabbe.

Sapart. Uit Frans Chappard: drager van een kap(mantel). Vergelijk Cappaert.

Sapin, Sappin, Sapyn, Sapijn: 1. Moedersnaam. Afleiding van heiligennaam Sapientia. Vergelijk Sap. 2. Eventueel Franse plaatsnaam Sapin: spar, den. Vergelijk Dusapin.

Sapion. Moedersnaam. Afleiding van Sap.

Sappenberghs. Plaatsnaam Dapenberg in Onze-Lieve-Vrouwe-Lombeek (Vlaams-Brabant).

Saquet, Sacchet, Saket, Saké, Sekeet: Oudpicardisch saquet, Frans sachet: zakje. Beroepsnaam. Vergelijk Zack.

Saraber: Onduidelijk. Misschien wel een verhaspeling van de plaatsnaam van zijn herkomst. 1706-1767 Pierre Sarrabere/Sarabère, Salies-de-Béarn (Basses-Pyr.)-Den Haag.

Saragosse. Namen.

Saragossi. Spaanse plaatsnaam Saragossa.

Sarazin, Sarasin, Sarasijn, Sarazijn, Sarasyn, Saracen, Saraceno, Satacino, Sarrazin, Sarazijn, Sarazyn, Sarasin, Saradin. Familienaam uit het Middelnederlandse sarazijn: Saraceen, Arabier, mohammedaan, heiden. Soms afkomstig uit de gelijknamige huisnaam.

Sarboer. Aanpasing van plaatsnaam Cherbourg (Manche) of Sarrebourg (Moselle).

Sarcelle. Plaatsnaam (Seine-et-Oise).

Sarda, Sardar, Chardard. Afleiding van de voornaam Richard.

Sardeur. Frans chardeur, var. van cardeur: wolkaarder.

Sarin. Moedersnaam. Vleivorm van de Bijbelse voornaam Sara.

Saris, Sarris, Sar: Vadersnaam. Korte vorm van Sesaris, heiligennaam Cesarius.

Sarna, Sarnat. Uit Chameau, afleiding van charme: haagbeuk?

Sarneel: Vadersnaam. Variant van Serneel, dat is ’s heren Neels ‘Daneels’ of ‘Corneels’.

Saroléa, Sarolea. Plaatsnaam Sarolay in Argenteau (Luik).

Sarpette. Beroepsnaam. Frans serpette: klein snoeimes.

Serphatie, Sarphati, Serfati, Serfaty, Servaty: Joodse familienaam Sarfatti. Volksnaam van Spaanse en Franse migranten in Italie. Hebreeuws Tsarefati is een afleiding van Tsarefat, oorspronkelijk de naam van een Fenicische stad, nu met betekenis 'Frankrijk'.

Sarpong. Wellicht niet een aaanpassing van Charbon (zie Carbon). Mogelijk een Ghanese familienaam.

Sarrau, Sarroult, Sarroute, Sarreau, Sara, Sarras, Sarra, Saray, Sarria: 1. Aaanpassing van Chareau, afleiding van Char. Zie Charrault. 2. Afleiding van Germaansee sar-naam?

Sarren, van der. Regressievorm voor moedersnaam Versaren: vrouw Sara. Versaren, een hoogbaljuw in het Waasland in de 16de eeuw noemde zich Vander Saren.

Sarria. Zie Sarrau. 2. Plaatsnaam in Baskenland.

Sarteel, Sartel, Serteels, Sarteuax, Sarteau, Sartiax, Sartiau, Sartieaux, Saurtia, Sortia, Sautel, Dusartel. Naam uit de plaatsnaam Sartiel, Sartel, afleiding van sart, Frans essart; gerooide plaats. Zie ook Harteel.

Sartenaer, Sartenar. Aanpassing van Duitse familienaam Zartner, afleiding van plaatsnaam Zarten. 1715 Hans Georg Zartner komt uit Beieren naar Hendrik-Kapelle en wordt opgetekend als Sartener, Sartenaer.

Sarter. Variant (van cas-sujet) van Oudfrans sarteur: ontginner, die bossen rooit, houthakker. 2. Zie Sartor.

Sartillo, Sartillot, Sartiliot, Sastrillo: 1. Afleiding van Oudfrans sart: rode, gerooide plaats. 2. Naamswijziging van oorspronkelijk Saligot.

Sartini, Sarti, Sarto, Sartor, Sartore, Sartorel, Sartorius, Sartori, Sartorio. Italiaanse naam uit het Latijnse Sartorius: kleermaker, snijder. Beroepsnaam.

Sartisse. Plaatsnaam (Les) Sartis in Courcelles, Hensies (Henegouwen).

Sarton: Plaatsnaam. Afleiding van sart ‘rode’.

Sartor, Sartori, Sartorius, Sartoris, Sartorio, Satory, Sarter, Sartoirs: Beroepsnaam. Latijn sartor: kleermaker.

Sartre, Satre, Sastre: Beroepsnaam. Oudfrans sartre, van Latijn sartor: kleermaker. Zie Sartor.

Sartrys. Waals-Vlaamse variant van Sartisse.

Sas (de), Sass(e), Saes, Saez, Tsas, T'Sas, 't Sas, Sach, Sachs, Saks, Saxe, Sax, Saxks, Sacks, Sackx, Sakx, Zas, Zass. Volksnaam voor wie afkomstig is van Saksen in het bijzonder, Duitsland in het algemeen.

Sas, van (der): Plaatsnaam Sas (Noord-Brabant), Sas van Gent (Zeeland).

Sasanguie, Sasangie. Uiterst zeldzame familienaam. Mogelijk verfranste naamvorm uit het oude Sasse (volksnaam voor iemand uit Saksen) + wig: de strijdende Saks.

Sasse: 1. Middelnederlands Sasse, volksnaam van de Sas, Saks(er), afkomstig uit Saksen. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sahso, Saxo, Sasso; ‘volksnaam van de Zassen, Sachsen’.

Sassel. Duitse plaatsnaam.

Sassen, Sassenus, Saesen, Saesens. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sahso, Saxo, Sasso, volksnaam van de Sachsen (de Zassen). 2. Eventueel plaatsnaam zonder voorzetsel van de streeknaam Sachsen. 

Sassenbrouck, van, van Sassenbroeck: Plaatsnaam Sassenbroek in Broekom (Limburg).

Sasserath. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Sassier, Sassi: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sahs-hari 'Sa(k)s-leger'.

Sasson. Frans saxon: volksnaam van de Saks(er). Vergelijk (de) Sas. 2. Vadersnaam. Romaanse verbogen vorm van Germaanse voornaam Saxo 'Sa(k)s'; vergelijk Sassen.

Sate, van der, van der Saete, Van Saet, Zaad. Familienaam uit het Middelnederlandse sate: woning, tijdelijk verblijf, kasteel.

Satens, Saetens: Vadersnaam. Vleivorm van een Germaanse sath-naam, zoals Sadebertus, Saduinus (Satoinus), Sadulfus.

Saterdag. Bijnaam naar de weekdag, zaterdag.

Satin, Satijn, Satyn, Satinet: Middenfrans satin: satijn. Beroepsnaam van de wever of handelaar.

Satirus. Latijnse humanistennaam. Wellicht Satyrus: dichter (van satires).

Sattler, Sadler: Duitse beroepsnaam van de zadelmaker; vergelijk de Sadeleer.

Sauber. Duits sauber; rein, zuiver, schoon.

Saucin, Sausin: Plaastnaam Saucin in Isnes (Namen).

Saudemont, Saudmont. Plaatsnaam Saudemont (Pas-de-Calais).

Saudoyer, Saudouyes, Sodoyer, Sodoyez, Sodoyé, Soudoyer, Soudoyez: Oudfrans soldoier: soldenier, huurling.

Sauer, Saur, Souer: Duitse bijnaam ‘zuur, bitter, bars’.

Sauerbier. Bijnaam voor de brouwer van zuur bier, het bittere langer houdbare bier. Vergelijk Zuurbier.

Sauerman, Sauermann, Suermann. Suermann: Bijnaam voor iemand met een zuur, bitter, bars karakter. Zie Sauer.

Saul, Saül, Saulle, Saulx, Saux, Saut, Sauw: Plaatsnaam. Oudfrans sais, Frans saule: wilg. Vergelijk Desseaux.

Saulay. Plaatsnaam; plaats met wilgen.

Sault. Van Latijn saltus; bos.

Saunier, Saulnier, Lesaulnier, Sougnier, Sougniez, Sougnez, Sougné, Soune, Seunier: Franse beroepsnaam van de zouter, zoutzieder, zouthandelaar.

Saurin, Sauren. Afleiding van Oudfrans sor: bruinachtig geel. Vergelijk Saureau.

Saurtet. Afleiding van sart; rode.

Saury, Sauris. 1. Variant van Savary. 2. Spellingvariant van Soris; zie Souris.

Sausset, Sausset, Saucet, Saucez, Saucé, Sauce, Sausez, Sauzet, Sosset: Afleiding van Oudfrans sais, sauz, sause, Latijn salix: wilg. Vergelijk Dusausoit.

Saussu, Saussus. Variant van Oudfrans Saucy: plaats waar wilgen groeien.

Saussure, Saucure: Plaatsnaam. Oude naam van Carslbourg in Paliseul (Luxemburg).

Sauter. Afstammelingen van Jacob Sutter=Sauter in Reichenau (Bodenmeer). Duitse beroepsnaam Sauter = Suter (in het Alemannisch niet gediftongeerd) van Latijn sutor: naaier. 2. Zie De Souter.

Sautereau, Sautrau, Sautriaux, Sautron: Oudfrans sauterel, Frans sauterelle: sprinkhaan. Bijnaam voor een springer.

Sauteur, Salteur: Oudfrans salteur, Frans sauteur: springer, danser.

Sautier, Sautié, Sautière, Sautiere, Sauthier: Oudfrans saltier, sautier: psalmboek, Middelnederlands souter, Nederlands psalter, ook muziekinstrument: dertiensnarige harp. Bijnaam voor een muzikant. Vergelijk Duits Psalterier.

Sautreuil. Plaatsnaam in Arc-en-Barrois (Hte-Marne).

Savage: Variant van de Franse familienaam Sauvage. Bijnaam voor iemand met onsociaal gedrag, die zich wild en ongedisciplineerd gedraagt. Ook huisnaam.

Sauvage (de), Dessauvage, Dessauvages, Savage, Saouvagie, Souvage. Bijnaam voor iemand met een wild, ongedisciplineerd gedrag. Vergelijk De Wilde, De Wildeman. Ook huisnaam.

Sauvageua, Sauvageot, Sauvaget. Bijnaam. Afleiding van Sauvage.

Sauvai. Vadersnaam. Germaanse voornaam Saluvalus.

Sauvegarde. Verspreide plaatsnaam in Wallonie.

Sauvelon, Savelon: Plaatsnaam. Waals sa(u)velon, Frans sablon: zand, zavel. Vergelijk Sablon. In Fragnée (Luik).

Sauvenée, Sauvenay, Savenay, Saufnay, Sauvanaud, Savineau: Vadersnaam. Luxemburgse Waalse afleiding (met dubbel suffix -enê, -inel) van Germaanse Sav-naam, zoals Savary.

Sauvenière, Sauvenier, Sauvenièr, Delsauvenière, Sauviller(s), Saveniers, Savernier: Plaatsnaam Sauvenière, van Middenlatijn sabulonaria: zandgroeve (Namen). In Charneux (Luxemburg): 1404 preit del Savenier. Ook een stadswijk van Luik: 1107 Sabulonaria = 1226 in Sabuleto.

Savaria, Savariau. Vadersnaam. Afleiding van Savary.

Savart, Sava, Savas, Savat, Savardi: Vadersnaam. Germaanse voornaam sav-hard.

Savary, Savari, Savaris, Saveri, Saverijs, Saverys, Saveries, Saffery, Zavarise, Soferis, Sofferie: Vadersnaam Savary, Romaanse vorm van Germaanse voornaam sav-rîk: Sabaricus, Savaricus, Savarich, Savaricus.

Savat, Savatte, Savaete, Chavat, Chavatte, Servaeten, Servaete, Cijvat: Oudfrans savate, Picardisch chavate ‘schoeisel’. Beroepsbijnaam van de schoenmaker. Cijvat door voortonige klinkerwijziging.

Scherpenisse, (van): Plaatsnaam Scherpenisse (Tholen, Zeeland): 1206 Scarpenesse ‘scherpe nes’, nesse ‘land dat in water uitsteekt’.

Savel (van den, der), van de(den) Zavel, van de Saevel, Versaevele, Versaevel, Versavel, Versavele. Familienaam uit de plaatsnaam Zavel: zand, plein.

Savel, Savels, Saeveld, Zavels, Savelen: 1. Savel, zavel ‘zand, plein’. 2. Middelnederlands savel, sabel ‘zwart (in de heraldiek); zwart bont, sabelbont’.

Savelkoul, Savelkouls, Savelkoel, Savelkoels. Limburgse familienaam Koel (kûl): kuil. Plaatsnaam Zavelkuil: zandgroeve, in Berg, Genoelselderen (Limburg), Rummen (Vlaams-Brabant).

Savelberg, van, Savelbergh, van, Savenberg, Savelsberg, van Zavelbergh, van Zavelberg: Plaatsnaam Zavelberg in Erwetegem (Oost-Vlaanderen) en Vollezele (Vlaams-Brabant).

Saverwijns, Saverwijns, Saverwijns, Saverijns. Vadersnaam. Variant van Saverijs.

Savoij, Savoije, Savooij: 1. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Savia. 2. Streeknaam Savooie, Frans Savoie.

Savignet. Plaatsnaam Savigné (Vienne, Sarthe, Indre-et-Loire).

Savigny, Savigni: Verspreide plaatsnaam Savigny.

Savin, Saveyn, Saveijn. Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Sabinus/Savinus.

Savine. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Sabina.

Savinien. Latijnse heiligennaam Sabinianus.

Savoi, Savoie, Savoir, Savoye, Savoy, Savooy, Savoey: 1. Moedersnaam. Latijnse heiligennaam Savia. 2. Zie De Savoye.

Savonet, Savoné, Savone: Afleiding van Frans savon: zeep. Beroepsnaam van de zeepzieder.

Savonie, Savonije. Waarschijnlijk van Savigni.

Savouret, Savouré: Oudfrans savoret: smakelijk; zacht, aardig. Bijnaam.

Savy. Plaatsnaam (Aisne) of Savy-Berlette (Pas-de-Calais) of in Longchamps (Luxemburg).

Saxer. Volksnaam van de Sakser.

Sayette. Oudfrans saitete; pijl. Beroepsnaam.

Sayez. Waarschijnlijk variant van Sailliez.

Scaillet, Scaillez, Scaliet, Scalliet, Escale, Scalais, Schaillée, Schaillee, Schaillez, Schaillié, Schaalje, Xhaët, Xhaet, Xhayet: Afleiding van Oudfrans escale, escaille, van Oudnederlands skal(j)a: lei, Zuidnederlands schalie. Beroepsnaam van de leidekker. Maar sommige vormen kunnen net zo goed spellingvarianten zijn van Sc(h)aillier, Schallier; zie Escallier.

Scaillon, Schallon, Scalon: 1. Oudfrans escaillon: sport, trede, trap. Bijvoorbeeld plaatsnaam Schalioen in Mal (Limburg). 2. Plaatsnaam Ecaillon (Nord). Zie Decaillon.

Scailteur, Scailteux, Cailteur, Cailteux, Xhaeteux, Xhayteux: Afleiding van Oudfrans escaille: lei. Beroepsnaam van de leidekker.

Scalabre. Franse aanpassing van Schelhaver.

Scalé, Schaalje: Aanpassings van de familienaam Scaillet, Escalé, van Schaillée, Schaillee. Verkleinvorm van Oudfrans escale, escaille, van Oudnederlands skal(j)a ‘lei’, Zuid Nederlands schalie. Beroepsbijnaam van de leidekker.

Scarron, Scaron. Waarschijnlijk spelling voor Charron.

Scarbotte. Oudfrans escarbote: (mest)kever. Bijnaam. Vergelijk Kever(s).

Scarceria, Scarceriaux, Scarceriaeu, Scarcériaux, Scarcérieau, Scarseriaux, Scacêriaux, Scacêriaux: Bijnaam. Afleiding van Oudfrans eschars: zuinig, karig, krenterig, gierig. Vergelijk Escarsiaus.

Scarmur, Scarmure. Plaatsnaam in Limburg. De naam werd later als Schermer gereïnterpreteerd.

Scarnier, Scarnière, Scarniere, Scarniet, Scherniers, Schernier: Middelnederlands schernier, schaernier: spotter. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans eschar(n): spot.

Scarset, Scarse, Scarsez, Scarcez, Schairsée, Schairsee: Afleiding van Oudfrans eschars: krenterig, gierig. Vergelijk Scarceriau.

Scavée, Scavee, Schavey, Schavay, Skevee, Skeve, Sckevee, Skivée, Skivee, Scuvée, Scuvee, Scuvie, Sckuvie, Sikivie, Squivée: Plaatsnaam. Romaans scavée, escavée, van Latijn excavata: holle weg, groef. Xhavée in Saive, Vinalmont en Wandre (Lxemburg).

Schaader. Bijnaam voor iemand die schade toebrengt, vijand, rover.

Schaaf: 1. Nederlands spelling van Duits Schaf ‘schaap’. 2. Zie (van der) Schaaf.

Schaaf, (van der): Beroepsbijnaam van de timmerman.

Schaafsma: Friese afleiding van Schaaf. Beroepsbijnaam voor een timmerman.

Schaak, Schaake, Schaack, (de) Schaeck, Schaek, Schack, Schak, Schake, Schaakxs. 1. Naam uit schaak: schaakbord. Bijnaam voor een fervent schaker, schaakspeler. Op het zegel van de Kortrijkse familie Scaec stond een schaakbord. 2. Naam uit de regelmatig voorkomende huisnaam: schaak, schaakberd, in ’t Schaeck.

Schaak, van. Variant van Van Schaick. 2. Huisnaam: Het Schaak; zie Schaake 2.

Schaal, Schaale, Schaele: Beroepsnaam van de schalenmaker, maker van weegschalen.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), de vadersnaam van de oud-Germaanse voornaam Scal, die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was. In de geslachtsnaam Schaallema (Schalema, of Skalama was beter spelling) vinden we dezen ouden voornaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zeker in Scheelings.

Schaange, van Schadinge, van de Friese persoonsnaam Scato. In Twente Schaink (Skadink).

Schaap, Schaep, Schaeps, Schaaps, Schab, Schaab, Scheps: 1. Bijnaam naar de eigenschappen van het schaap, bijvoorbeeld de zachtaardigheid. Ook wel bijnaam voor een sukkel of dom mens. 2. Huisnaam.

Schaapman, Schaepman, Schapmans, Scheepmans, Scheepman, Schepmans, Schepman: Beroepsnaam van de schaapherder

Schaapveld. Reïnterpretatie van Schaapvel. Beroepsnaam van de schapenviller of de looier van schaapsvachten. Vergelijk Duits Schaffell, Kalbfell.

Schaar, Schaer, Schaers, Scharre Scharres: 1. Beroepsbijnaam voor een scharenslijper of -smid, een snijder of scheerder. 2. Korte vorm van Van der Schaar.

Schaar, van der, van Schaaren, van Scharen, van Schaeren, Verschaeren, Verscharen, Verschaere. Familienaam uit de plaatsnaam Schaar, Schare. Schaar; oever, dijk, in Boechoute, Assenede, Oost-Vlaanderen, Ruddervoorde, West-Vlaanderen.

Schaardenburg, van Schaardenburgh, van. Hoofdzakelijk Limburgse familienaam. Er is een plaatsnaam. Scadenbourg in St-Martin-au-Laërt (Pas-de-Calais). Ook een Nederlandse familienaam Scherrenburg. Aangezien burg- en berg-namen vaak verward werden, gaat de familienaam waarschijnlijk terug op een plaatsnaam in de streek van Diest (Vlaams-Brabant).

Schaarmann, Schaarmang, Scharmann: Beroepsnaam van de scharenmaker (vergelijk Schaarschmidt) of de scharenslijper.

Schaarschmidt. Beroepsnaam van de kleinsmid die scharen maakt.

Schaballie, Schabaille: Plaatsnaam in Zillebeke (West-Vlaanderen).

Schabel. Duitse bijnaam van werkwoord schaben; pesten, zich afbeulen.

Schaberg: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit de plaatsnaam Schadeberg (Nedersaksen)?

Schachne, Schachner. Die bij een Schachen woont. Middenhoogduits schache: stuk bos.

Schacht, (de), de Schachte, de Schagt, (de) Schaght, Deschagt, Schaght, Schaecht: Beroepsnaam. Middelnederlands scacht: ronde stang of staak, staf van speer of lans. Beroepsnaam van de schacht- of speermaker:

Schachter, Schächter, Schaechter, Schechter: Beroepsnaam van de maker van pijl-, lans- en speerschachten. Vergelijk Duits Schachtschneider. Zie ook (de) Schacht.

Schadee: Door verschoven accent uit Schade. Bijnaam, van het werkwoord schaden ‘schade of nadeel toebrengen, benadelen’.

Schaddelee. Aanpassing van Zwitserse familienaam Schaedli, die beantwoordt aan Duitse familienaam Schâdelein, afleiding van Schade.

Schaderon, Schadron. Plaatsnaam Schadron in Uden, Noord-Brabant.

Schade, Schaad, Schaede, Schaets. Bijnaam uit het werkwoord schaden: iemand schade/nadeel toebrengen. Duits Schade ‘Schädiger, Feind’.

Schadeck, Schadick: Plaatsnaam Schadeck (Duitsland) in Attert (Luxemburg).

Schaeffer, Schaefer: Duits Beroepsnaam Schäfer ‘schaapherder’.

Schaeger, Schegers: Duitse familienaam Schagger voor de drager van Middenhoogduits schegge: nauwe, gestreepte herenrok, boerenkiel.

Schaegh, van der, Schaeghe, van der, (van) Schagen, van der Schaeg, van der Schaege, van der Schaeven, van der Schaeve, Verschaeve, Verschave, Verschage, Verschae, Verschaegen, Verschaever, Verschaver. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam (ter) Schage : kreupelhout, bosje (aan de rand van het veld). Deze plaatsnaam komt zowel in Vlaanderen als in Nederland voor. Vergelijk Engels shaw, Zweeds skog, Deens skov. Plaatsnaam Schage in Woumen (West-Vlaanderen), Schagen in Rozendaal (Noord-Brabant en Noord-Holland).

Schaekels, Schaekers, Schackels: Middelnederlands schakel: voetkluister, schakel van ketting. Bijnaam of beroepsnaam.

Schaeken, Schaekens, Schaken, Schaukens, Schouckens, Schoukens, Schuykens. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse scadekin, Noordduits scadekin, verkleinvorm van scaden ‘schade, nadeel’. Zie Schade. 2. Uit Schalken(s): Zie Schalck.

Schaekers, Schaeckers: 1. Middelnederlands schaker: struikrover, rover. 2. Variant van Schaekels, door r/?-wisseling.

Schaele, van der. Middelnederlands schale: weegschaal, (stads)waag. Naar de woonplaats of voor de weger.

Schaepdrijver (de), Schaepdryver, Schapdryver, Schapdrijver. Beroepsnaam van de schaapherder.

Schaepherders. Boeroepsnaam van de schaapherder.

Schaepkens, Schepkens, Schöpges, Schoepges, Schopges: Afleiding van Schaap. Bijnaam. Vergelijk Nederduits Schap(e)ke

Schaepmeester, de, Schaapsmeerders: Beroepsnaam van de schaapherder.

Schapeshooft. Bijnaam voor iemand met kroeshaar, krullenbol.

Schaerbeek, van, de Scarenbeke: 1. Plaatsnaam Schaarbeek. 2. Eventueel plaatsnaam in Aalst en Zwijndrecht (Oost-Vlaanderen).

Schaeren, van: Plaatsnaam Schare, Schaar ‘oever, dijk’, in Biervliet, Cadzand, Retranchement (Zeeuws-Vlaanderen), Boechoute, Assenede (Oost-Vlaanderen).

Schaessens. Afleiding van Middelnederlands schaers: zuinig? Bijnaam.

Schaets. Middelnederlands schaetse: houten been, kruk, prothèse, stelt. Bijnaam voor een kreupele, gehandicapte. 2. Eventueel afleiding van Schade.

Schaetsaert, Schotsaert. Naam uit het Middelnederlandse schaetse: houten been, kruk, stelt.

Schaetzen, de. Plaatsnaam Schaatsen in Sint-Huibrechts-Hern (Limburg).

Schaever, de, Schaevers, de Schauvre: Beroepsnaam van de schaver, de timmerman.

Schaeybroeck, van Schaeybroek, van, van Schuybroeck, van Schuytbroeck, van Schuijtbroeck, Schuybroek, Schuybroecks, Schuynbroek, van Scambrouck: 1. Plaatsnaam Schadebroek in Schorisse (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Schaadbroek in Overijse (Vlaams-Brabant). Of in Zuid-Holland? 3. Deze familienaam valt samen met de Brabants dialect vorm van Van Schoubroeck.

Schaf, Schafs, Schaff, Schaaff, Schaaf, Schaeff, Schaefs, Scafs, Scaf, Scaffe, Scaff, Scheffs: Bijnaam. Duits Schaf: schaap. Vergelijk Schaap.

Schafelaar, van den: Plaatsnaam Schaffelaar (Veluwe):

Schaffel, van: Plaatsnaam 1427 ter Scaffelt, Aaigem (Oost-Vlaanderen).

Schäfers, Schaffer, Schaffers, Schaffer, Schaefers, Schaefer, Schaeffer, Scheefer, Schefer, Scheffers, Scheffer, Scheffert, Schöffer, Schöffers, Schoffers, Schoeffert, Schoeffer: Beroepsnaam. Duits Schafer, Schäfer; schaapherder. Vergelijk Schapers.

Schaffel, Schaffell. Duitse beroepsnaam van de schapenviller.

Schaffeneers, Schaffner. Middelnederlands schaffenaer, Middenhoogduits schaffenaere: ambtenaar belast met toezicht, opzichter, intendant, hofmeester, rentmeester. Beroepsnaam. 2. Afleiding van plaatsnaam Schaffen bij Diest (Vlaams-Brabant).

Schafferaet, Schafraet, Schafrad, Schafrath, -Schafrand, Schaffrath, Schaffrand: Bijnaam voor iemand die graag raad schaft, raad geeft.

Schaft, van der, Schaft, van Schaften: Plaatsnaam Schaft in Valkenswaard (Noord-Brabant).

Schaftingen, van, Schaftinghen, van, van Schaftighen: Plaatsnaam. Verdronken dorp Saaftinge (Zeeland).

Schagen, van: Plaatsnaam Schagen (Noord-Holland). Zie ook Van der Schaegh(e).

Scaght, van der. Reïnterpretatie van Van der Schlagt? Of van Verschate?

Schaik, van, van, Schaick, van Schaik, van Schaijik, van Schaijk: Plaatsnaam Schaijk (Noord-Brabant), Schadewijk bij Odijk, Utrecht.  Of door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit plaatsnaam Schadijk in Horst (Nederlands Limburg).

Schakel: Middelnederlands schakel ‘voetkluister, schakel van ketting’. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Schakelaar: Beroepsnaam.

Schakman, Schackman, Schapman: De Waals-Vlaamse familienaam Schapman gaat terug op Scha(ck)man, een Duitse aanpassing van Jacquemin (vergelijk Duits Schang van Jean).

Schalandrijn, Schalandryn. Chalandrin, afleiding van Chalandre. Zie Schellander.

Schalbroeck. Plaatsnaam in Lummen (Limburg).

Schalckhoven, van. Plaatsnaam Schalkhoven, Limburg.

Schaler, Schaeler, Scheler: Duitse familienaam Schaler, Schâler: Schiller, ontschorser (voor het looien). Beroepsnaam.

Schaleven: De naam Schaleven, Scaleven kwam omstreeks 1600 in het Land van Waas (Oost-Vlaanderen) voor. Uit Scaluwen, afleiding van de Caluwe  ‘de kale’.

Schaliedecker, de. Beroepsnaam van de leidekker.

Schalk, Schalck, Schalckx, Schalke, Schalken, Schalks, Schelck, Schalkens, Schalkens, Scalquin, Schaeiltjens, Scheyltjens, Schellekens, Schelekens, Schelkens, Schelke, Scheltjens, Scheltiens, Scheltens, Scheullekens; Vadersnaam. Germaanse voornaam Scalco ‘knecht’.

Schalkoort: Wellicht Middelnederlands schalkaert, afleiding van bijnaam schalc ‘onderhorig; boos, slecht, bedrieglijk, arglistig, listig’.

Schamp, Schamps, Scamps: 1. Bijnaam voor de schamper, spotter, die schamper is. Vergelijk Schampaert. 2. In Zuits Oost-Vlaanderen werd Deschamps verkort tot Schamp(s).

Schaltin. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Namen.

Schalkwijk: Plaatsnaam Schalkwijk (Noord-Holland, Utrecht).

Schamphelaere (de), (de) Schampheleer, de Schapeleere, de Schampheleire, de Schampeleire, Deschampheleire, (de) Schamphelaire, de Schamfeleer, de Schaemphelaere, de Schaempheleere, de Scamphelaire, Schanfelaer, de Schanfeleire, de Schanfeler, de Schamphamlaere. Naam uit het Middelnederlandse schampelen, schamfelen, schanfelen: struikelen (ook met woorden). Bijnaam voor een stotteraar, stamelaar.

Schamp, Schamps, Scamps. 1. Bijnaam voor een schamper, een spotter. 2. Zie ook Deschamp(s).

Schandeler. Duitse afleiding van Middenhoogduits schandel, van Oudfrans chandel: kaars. Beroepsnaam van de kaarsgieter, Frans Chandelier. 2. Afleiding van de Duitse plaatsnaam Schandel.

Schandevyl (van), (van (de) Schandevijl, Schandevel. Aaanpassing van de Franse familienaam Chédeville, Chadeville, Chefdeville, Duchefdelaville, met n-epenthesis. Plaatsnaam Che(f )deville: hoogste punt van een stad, dorp.

Schans, de. Reïnterpreterende spelling van Deschans = Deschamps.

Schans, van de: Plaatsnaam Schans in Zelem (Belgisch-Limburg), Deurne (Noord-Brabant), Gramsbergen Overijssel, Gastel (Noord-Brabant), Ouwerschie (Zuid-Holland), Roggel (Nederlands Limburg, Reek (Noord-Brabant), Weerd (Nederlands Limburg, Zwartsluis Overijssel, Someren (Noord-Brabant).

Schanus. Luxemburgse familienaam Schannus, Schannes, dialect uitspraak van Jannes. Vergelijk Rijnlands Schang, van Jean.

Schanze, Schantz, Schanzer, Schänzer, Schentzer: Verspreide Duitse plaatsnaam Schanze (en afleiding.): schans, versterking.

Schap, van. Wellicht huisnaam Schaap.

Schapelynck, Schapelinck, Schaepelinck,Schaepe-lynck: Afleiding van schaap. Bijnaam.

Schapelhouman: Duits Schapelhaumann? Middelhoogduits schapel, van Oudfrans chapel, van Frans Chapeau ‘hoofdkrans van bloemen, hoofddeksel’; Haumann ‘houwer’.

Schapendonk, Schaependonck, Schaapveld. Plaatsnaam. Wellicht kan het toponiem Schapendonk in Noord-Brabant gelokaliseerd worden als Raamsdonkveer. Het moet een hoogte betreffen waar schapen graasden.

Schaper, Schapers, Schaepers, Schâper, Schâpers, Schepers, Schoeppers: Beroepsnaam van de schaapherder, schaper.

Schapiro, Schapira, Chapiro, Sapiro, Sapir, Shapiro, Shapira, Szapiro, Szapira: Jiddische familienaam: afkomstig uit Spiers, Duits Speyer (Rijnland-Palts).

Schapman. De Waals-Vlaamse familienaam Schapman is een reïnterpretatie van Schakman.

Schardus: Uit Richardus?

Schar, Scharff, Scharfe, Scherf: Duitse bijnaam Scharf: scherp, onvriendelijk.

Scharfenberg. Duitse plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen, Saksen.

Scharlaeken, Scharlaken, Scharlaeckens, Schaerlaken, Schaerlakens, Schaerlaken, Schaerlaecken, Schaerlaekens, Scarlakens. Scharlaken is een fijne, rode stof. Wellicht betreft het hier een familienaam afgeleid van ofwel een handelaar in (beroepsnaam) of een drager van (bijnaam).

Scharley. 1. Aanpassing van Charlet. 2. Middelnederlands scharleie: scharlei, wilde salie. Bijnaam of beroepsnaam.

Scharloo: Vadersnaam. Aanpassing van Frans Charlot, verkleinvorm van de voornaam Charles.

Scharmin, Schermin: Waarschijnlijk hypercorrect voor Samin, met r-epenthesis. Vergelijk Sermijn.

Scharpé, Scharpe, Sjerp: James Sharp (1722-1795) was de stamvader van de Nederlandse familie Sjerp. Simon Sharp was officier in het 36ste regiment Schotten in dienst van de Nederlandse Staten. Zijn zoon, Jan Simon Siearpe ("1779 in Klundert) komt naar Belgie, waar zijn naam als volgt evolueert: 1801 Siearpe, 1830 Sciarpé, 1854 Charpé, later Scharpé.

Scharre, Scharres, Scarr. 1. Wellicht (beroeps)bijnaam uit het Middelnederlandse werkwoord scarren: krabben, omwoelen, afkrabben, schrapen. 2. Zie ook Schaar.

Schartz, Scharz. 1. Duitse bijnaam voor een goochelaar, jongleur. 2. Plaatsnaam Schartz in Schellingen (Rijnland-Palts).

Schat, Schats, Schatt, Schatz, Schâtze, Schets, Schetz: 1. Bijnaam naar een schat. Beroepsnaam van de schatbewaarder of van een schatter of inner van belastingen. Vergelijk Schatteman. 2. Zie Schattens.

Schattefor. 1. Naam uit château-fort (versterkte burcht): bijnaam voor iemand die in of in de buurt van die burcht woonde. 2. Beroepsnaam, variant/vereenvoudiging van schatheffer/schattefer: inner van de schattingen.

Schatteman, Schattemans, Schateman, Schattemann, Schattmann: Beroepsnaam van de schatbewaarder, penningmeester of schatter. Vergelijk Duits Schatzmann.

Schatten, Schattens, Scattens: Vadersnaam. Germaanse voornaam Scatto.

Schattevoet. Waarschijnlijk plaatsnaam op -voorde. Vergelijk van Dievoet, Marivoet. Wellicht E.ngelse plaatsnaam Shadforth (Durham).

Schätzer, Schatzer: Duitse beroepsnaam van de schatter. Vergelijk Schetter(s).

Schätzle. Vadersnaam. Afleiding van de oude Germaanse voornaam Scatto). Voornaam Scazilo. 2. Bijnaam, afleiding van Schatz. Zie Schat 1.

Schaub: Bijnaam. Middenhoogduits schoup: strobos. Vergelijk Stroobant.

Schauenburg, Schauenberg, van Schauwenberge, Schaumburg, van Schouwburg, Schouwenburg, Schouwenberg: Verspreide plaatsnaam Schauenburg, -berg ‘uitkijkpost’. Schauenburg (Hessen), Schaumburg (Nedersaksen, Rijnland-Palts, Beieren). Schauenberg (Noordrijn-Westfalen).

Schauergans. Duits zinwoord met Middenhoogduits schûren: hoeden, beschermen. Beroepsnaam van de ganzenhoeder.

Schaumans, Scauman: Beroepsnaam van de schouwer, die een schouw of inspectie houdt. Vergelijk De Schouwer.

Schaus, Schauss. Zou een bijnaam zijn voor een grappenmaker, vastenavondgek.

Schausselen, van, Schousselen, van Schansselen: Plaatsnaam Schousel bij Temse (Oost-Vlaanderen) Schauselbroek en Schauselhoek in Steendorp, Bazel (Oost-Vlaanderen).

Schauwvlieger, Schauwvlieghe, Schauwvliege, Schauvlieg, Schavlieghe, Schavliege, Schaevlieghe, Schauwvliege, Schouvliege, Schouvlieger, Schouwvlieger, Schaulivege: Herinterpretatie van Schouwvliege. Zinwoord, samenstelling van werkwoord schuwen, schouwen ‘schuwen, bang zijn voor’ + zelfstandig naamwoord vliege. Bijnaam voor iemand die vliegen schuwt of ze verschuwt, wegjaagt.

Schaverbeke, van, Schaverbeeck. Plaatsnaam Schaverbeke in Zwijndrecht (Oost-Vlaanderen), nu Schaarbeek.

Schayes, Schaijes, Schaeys, Schaheys, Scahaise: Waals-Brabantse aanpassing van Brabants Schouwhuis (Branbantse uitspraak ±schaès, Waalse uitspraak skajès).

Scheck, Schech: Middenhoogduits schecke: gevlekt. Bijnaam.

Scheecqmans. De familienaam is ontstaan door een leesfout van Scheepmans. Bij het huwelijk van Vital-Jean-Baptiste-Alfred Scheepmans (Louvroil-lez-Maubeuge) in Monceau-sur-Sambre in 1913 maakte de ambtenaar een inktvlek op ep, zodat de familienaam er als Scheecqmans uitzag.

Schee, van der, Scheij, Schey, Kromschee, Scheede: Plaatsnaam. Middelnederlands schede, scheide ‘tweesprong’.

Scheef. 1. Bijnaam voor iemand die zich scheef houdt. 2. Varitant van Duits Schaf: schaap. Bijnaam.

Scheefhals, Schevenals, Schevenhals, Schevenhels, Scheveneels, Schevenels, Scevenels, Scheefnels, Schevernels, Seevenels, Sevenels: Bijnam voor iemand met een scheve hals. Duits Schiefnacke.

Scheel, Scheele, Scheelen, Schelen: Bijnaam voor een schele.

Scheemaecker, de, Scheemaker (de), de Scheemacker, Scheemaeckere, Scheemakere, Scheemaeker, Scheemakers, de Schemackere: Beroepsnaam van de schedenmaker, de vervaardiger van scheden. Vergelijk Engels Sheather, Sheter.

Scheen, Scheenen, Schennen: 1. Middelnederlands scène: scheenbeen, schenkel, scheenplaat. Bijnaam naar het lichaamsdeel of het deel van de wapenrusting. Vergelijk Duits Schienbein. 2. Scheen kan ook dialect (Saksisch) ontrond zijn van Schôn.

Scheenijs: Wellicht ontrond uit Scheunis, van Schoonis, lokale uitspraak van de plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Belgisch-Limburg).

Scheenloop: Aanpassing van de ontronde vorm van Duits Schönlaub ‘schöne Laube’. Duits Laube, Middennoordduits, Middelnederlands love ‘luifel, galerij, zuilengang, binnenplaats, tuin’.

Scheenstra: Friese afleiding van plaatsnaam Scheene in Weststellingwerf (Friesland).

Scheepstra: Friese afleiding van schip.

Scheerders, de, Scheerdère, de Scheirdere, de Scheirder, Scheerders, Scheerder, Scheerer, Schierer, Scherrer, Scherer, Scheere, Scheer, Scheers, Schees, Scherre, Scher, Schers, Sches, Scheire, Scheir, Scheirsen, Scheirs, Schiers, Schier, Scheerens: Beroepsnaam van de scheerder, dat is ofwel de baardscheerder, barbier, ofwel de lakenscheerder, droogscheerder.

Scheerdijk, Scheerdyk, Schaardijk. Familienaam uit de plaatsnaam Scheerdijk: een langs een schaar of geul gelegen land. Of vervorming (n/r-wisseling) van Scheendijk (Utrecht).

Scheeren, Scheerens, Scheerden, Scheeres, Scheirens, Scheiris, Scheren, Scherens, Schérenne, Schéren, Scherenne, Schérès, Scherrens, Squerens, Schieren, Schierens, Schieres, Schirren. Familienaam uit Scherin, afgeleid van werkwoord Squerens; scheren. Beroepsnaam van de scheerder: barbier, lakenscheerder. Zie ook Scheerder De.

Scheerlinck, Scheerlinckx, Scheerling, Scheerlynck, Scherling, Scherlinck, Scherlincx, Scherlynck, Scherlijnck, Scherlyngk, Scheirlinck, Scheirlinckx, Scheirelink, Scheirelinckx, Scheirllynck, Scheirlijnck, Schierlinck, Schierling: Middelnederlands scheerlinc, Middelhoogduits scherlinc ‘dolle kervel’. Naar de groeiplaats of gebruik?

Scheermeijer: Duits familienaam Schermeier ‘der Meier in/auf der Scher’.

Scheers, van: Plaatsnaam Scheerse in Gramsbergen, Overijssel? Of Scheers met secundair voorzetsel?

Scheerschmidt. Duitse beroepsnaam van de kleinsmid die scharen maakt.

Scheeuwijck, van, Scheeuwyck, Schewijck, Schwyck: Plaatsnaam Schadewijk in Eersel en Os (Noord-Brabant), Schawijk in Kerkom (Vlaams-Brabant) Of een andere plaatsnaam?

Scheeven, Scheyven, Scheijven, Scheijvens. 1. Variant van het Middelnederlandse scheef, scheyf: scheef, schuin, scheel. Bijnaam. 2. Vadersnaam, variant van Schijven. Zie daar.

Scheffel, Scheffels. Duits dialect (Elzas, Rijnland) variant van Schôffe: schepen. Vergelijk Scheffen.

Scheffen. Limburgse vorm van schepen: wethouder. Vergelijk Schepens.

Scheffener: Duits Scheffner, klankwijziging van een klinkervorm van Schaffner, van Middelhoogduits Schaffenære ‘ambtenaar belast met toezicht, opzichter, intendant, hofmeester, rentmeester’. De Zeeuwse familie Scheffener blijkt evenwel af te stammen van Friedrich Wilhelm Schiffner, die zich ca. 1803 in Zeeland vestigt, en die de zoon is van Christoffer Schiffner (1759) uit Bohemen. Schiffner is een variant van Schiffer‘ schipper’.

Scheffer, (de), Scheffers: Duits familienaam Schäffer, naar gelang van het dialect ‘schaper, schaapherder’ of ‘opzichter’.

Scheffermeyer. Duitse beroepsnaam van de schaapherder, schapenfokker. Vergelijk Schafer.

Scheffler, Scheffelaar, Schöffler, Schoeffler, Schoffeleers, Schoffeniels, Schouffler. Duits-Zwabische beroepsnaam van de kuiper.

Schefman. Variant van Duits Schafmann. Vergelijk Schaapman.

Schei, Scheyen, Scheys, Scheijs: Middelnederlands scheye: stuk gekloofd hout. Bijnaam naar het knoestige voorkomen, voor een lomperd. Vergelijk Duitse familienaam Scheit. Middenhoogduits schît: blok (gekloofd) hout.

Scheijen (van). Familienaam uit de wellicht gelijknamige plaatsnaam (plaats nog onbekend). Of uit de plaats Schijndel (Noord-Brabant).

Scheid, Scheidt, Scheit, Scheidgen, Sheid: 1. Duits Scheide: schede. Beroepsnaam van de schedenmaker of huisnaam. 2. Plaatsnaam Scheide: wegscheiding. Plaatsnaam Scheid in Kronenburg (Noordrijn-Westfalen). 3. Duits Scheit, zie Schei.

Scheidtweiler, Scheidweiler, Scheiwiller. Plaatsnaam Scheidweiler bij Trier.

Scheider, de Scheeder, (de) Scheyder Descheyers: Beroepsnaam. 1. Scheidsrechter, bemiddelaar. 2. Eventueel schedenmaker. Engels Sheather.

Scheiff. Variant van Scheef? Of van Schiff?

Scheiffele. Waarschijnlijk van Schifferle, afleiding van Schiffer: schipper.

Schegget, ter: Plaatsnaam de Schegget in Gorssel (Gelderland), Laren (Gelderland), Goor, Overijssel. Afgeleid van scheg, schag, schaag, vergelijk Engels shaw ‘bosje’, van Oudengels Scaga.

Scheibner: Duits familienaam ook Scheiber, van Middelhoogduits schîber‘ die een schijfspel speelt’. familienaam Schijver.

Scheidema: Friese variant van Scheideman, Scheyman, Duits Scheidemann ‘scheidsrechter, middelaar’.

Scheiner, Scheinert, Szajner, Szajner: Vertegenwoordiger voor het gerecht, voorzien van een volmacht (Middenhoogduits schîn, Duits Schein). Middenhoogduits Schînbote.

Scheitler. Waarschijnlijk variant van Scheiterer: die hout in stukken klooft.

Schekkerman: Wellicht uit Schikkerman, afleiding van Schikker.

Schelbach, Schelback. Duitse plaatsnaam Schelbach.

Schelde, van de, der, Schelden, van de(der), van der Schilden, Verschelde, Verschelden, Verschilde, Van de(der) Skelde, Skelden, Van de(der) Schilde, Vandenschilde, van den Schilde, van der Schilt, Vandesquille, Verschelde, Verschelden, Verschilde, Verschel (de), Verschelle, Versquel, Verschelve: Plaatsnaam ter Schelde, naar de riviernaam de Schelde.

Scheldeman. Afleiding van van der Schelde.

Schelder, Schelders. Bijnaam voor iemand die berispt, vermaant, laakt, scheldt? Vergelijk Duits Schelter. Maar wellicht veeleer variant van Schilder(s),

Schelfhof. Reïnterpretatie van Schelfhout?

Schelfhout, Schelfout, Schelfthout, Schelphout, Schelhout, Schelfout, Schelfaut, Schelfhaut: Plaatsnaam Schelfhout in Graauw (Zeeland) en Temse (Oost-Vlaanderen).

Schelhaever. Zinwoord. Middelnederlands schellen: schillen, pellen. Beroepsnaam: die de haver schilt, pelt. Vergelijk Waals-Vlaams bloempelder, gerstepelder.

Schell, Schelle: Bijnaam. Middelhoogduits Schel ‘luidruchtig, opvliegend’.

Schellaars: Afleiding van Middelnederlands werkwoord scellen ‘schillen’ of ‘weerklinken, schallen’.

Schellaert, Squelart, Squelaert, Squelard, Squélard, Squélart, Squèlard: 1. Familienaam uit het Middelnederlandse schellen: weerklinken, schallen. Beroepsbijnaam voor bijvoorbeeld de belleman, bijnaam voor een rumoermaker. 2. Familienaam uit het Middelnederlandse schelle, schele: schub, schild, malie. Beroepsnaam voor de maker van maliënkolders, schilden of bijnaam voor iemand met een schubbige huid. Zie Schalck.

Schellander, Salandre, Sallendre, Salender: 1. Aanpassing van Franse familienaam Chalandre. Oudfrans calandre, chalendre: leeuwerik. Bijnaam. Zie ook Schalandrijn. 2. Ook Duitse familienaam Salender, van Middenhoogduits sallant: eigen goed van de heer. Ook plaatsnaam Saaland (Zwitserland).

Schellebroodt. Zinwoord. Bijnaam: die het brood breekt, met de hand in hompen deelt. Vergelijk Scheurweg(en).

Schelleisen. Bijnaam voor smid: die het ijzer laat klinken.

Schellekens, Schellkens, Schelkens, Scheltiens, Scheltens, Scheltjens: 1. Middelnederlands schelle, verkleinvorm schellekin ‘schel, belletje, klokje’. Bijnaam voor wie met het belletje rinkelt of beroepsbijnaam van de bellenman. 2. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Godschalk. Vergelijk Schellen. Zie Schalck.

Schelleman, Schellemans, Schelmans, Chelman: 1. Afleiding van schelle ‘bel, klokje’. Naam voor de bellenman omroeper. Vergelijk Duits Schelllmann. 2. Beroepsnaam van de schiller, diegene die ontbolstert.

Schellens, Schelle, Schelle, Schelles, Schellis, Scheltens, Scheltinga: Vadersnaam, van Schallin, vleivorm van de Germaanse voornaam Godschalk.

Scheller: Zoals Schaller, beroepsnaam van de omroeper, of bijnaam van een luidruchtige prater.

Schellevis, Schelvis, Stokwis, Silvis. Plaatsnaam. Beroepsnaam.

Schellewaert, Schillewaert, Scheldewaert, Scheldewart, Bijnaam voor iemand die scheel kijkt. Afleiding van Middelnederlands scelu: scheel. Vergelijk Callewaert.

Schellinck, Schellinckx, Schelling, Schellings, Schellynck, Schellingen, Schellengs, Scheelings, Schelings, Schilling, Schillings, Schillinger: Bijnaam naar de oude muntnaam, de schelling, 1/20 pond of 12 penningen. Vergelijk Duits Schilling, Engels shilling voor iemand die beroepshalve met schellingen omging. Of voor een zuinig iemand.

Schellinkhout, Schellingerhout: Plaatsnaam Schellinkhout (Noord-Holland). Familienaam uit hout (holt: oude bosbenaming) en Terschelling. Naam naar woonplaats bij het Terschellingerhout op Terschelling.

Schelpe, Schelpé: Middelnederlands, Waals-Vlaams schelpe: schelp, schaal, schub. Bijnaam voor een pelgrim naar Sint-Jakob van Compostela, naar de schelp op zijn hoed? Bijnaam naar de schubbige huid?

Schelpheuvel. De familie komt uit Essen, waar zo'n plaatsnaam zou zijn.

Schelstraete (van): Plaatsnaam Schelstrate in Aardenburg (Zeeland), Brugge (West-Vlaanderen), Dendermonde, Gent (Oost-Vlaanderen). Het gedeelte straete is duidelijk. Sc(h)el(t) is dat veel minder, er zijn heel wat Middeleeuwse mogelijkheden: ruzie, bel, Schelde, munt (1/20 van een pond Vlaamsch), plaats waar een zeedijk of dijk een afslaggat vertoont. Vrij vertaald zou de straat dus kunnen heten: Lawaaistraat, Bel (of Belleman-)straat, Scheldestraat, Wisselaarsstraat, Dijkgatstraat.

Schelven, van: Plaatsnaam.

Schelvergem, van. Familienaam uit de plaatsnaam Schelvergem bij Hillegem (Oost-Vlaanderen).

Schelvis. Beroepsnaam voor de visser of verkoper van schelvis.Vergelijk Pladijs.

Schemberg. Ontrondvan Schönberg.

Schenk, Schenck, Schink: Middelnederlands schenke ‘schenker, wijnschenker, waard’.

Schemke, Schemmekes, Schimek, Schimanski, Schimansky: Vadersnaam. Variant ena fleiding van Silezisch Schimke, afleiding van de voornaam Simon.

Schenaerts, Scheenaerts: Waarschijnlijk ontronde vorm van Schoonaerts.

Schendel. Schindel: Middelnederlands schindel: houten dakpan, dekspaan. Beroepsnaam.

Schendelbeke, van. Plaatsnaam Schendelbeke, Oost-Vlaanderen.

Schendermaal, van. Plaatsnaam Xhendremael (Luik).

Schengen, van, van Schingen: Waternaam Schenge (Zeeland). Plaatsnaam Schengen in Remerschen (Duitsland), Schingen (Friesland).

Schenk, Schenke, Schenck, Schinck, Schink, de Schijnck, de Schynck, Schanck, Schank: Middelnederlands schenke: schenker, wijnschenker, waard. Beroepsnaam.

Schenkelaars. Beroepsnaam van de wijnschenker, waard. Middelnederlands schenkenaer. Vergelijk Schenkers.

Schenkenberg: Plaatsnaam (Brandenburg, Saksen).

Schenker, Schenkers, Schinker: Beroepsnaam van de wijnschenker, bierschenker, waard. Vergelijk Schenk.

Schenkeveld. Plaatsnaam Schinveld, Nederlands-Limburg?

Schep, Schepman, Schepp, Scheps. Beroepsnaam.

Schenkkan. Bijnaam voor de wijn- of bierschenker. Amsterdams-Joodse familienaam.

Schenten. Luxemburgs vadersnaam. Ook Schennetten, van Jeannette.

Schepdael, van, Vaneschepdael: Plaatsnaam Schepdaal (Vlaams-Brabant).

Schepemaker: Beroepsnaam van de scheepsbouwer.

Schependom, van: Middelnederlands schependom ‘rechtsgebied van een schepenbank’.

Schepens, Schepen, Scheepens, Scheppens: Ambtsnaam van de schepen, lid van de schepenbank.

Schependom, van. Middelnederlands schependom: rechtsgebied van een schepenbank.

Scheper, de, Schepers, Scheepers, Scheipers, Schépers, Scheypers. 1. Naam uit het Middelnederlandse scheper: schaper. Beroepsnaam. 2. Uit het Middelnederlandse scheper: schepper. Zie bij Schepper. 3. Mogelijk ook uit schipper (beroepsnaam).

Scheperboer. Beroepsnaam van een schapenboer, schapenfokker. Vergelijk Scheffermeyer.

Schepper, de, Scheppere, de, (de); Scheppers, De Schopper, de Fchepper, (Noord-Frankrijk) Desqueper: Beroepsnaam van de kleermaker.

Scheppermans. Beroepsnaam van de kleermaker; afleiding van De Schepper.

Schequenne. Luikse aanpassing van Limburgse familienaam Schaeken.

Scherf, Scherfchen. Middennoordduits, Middenhoogduits scherf: muntnaam van de kleinste munt, 1/2 penning. Vergelijk Duits sein Sherflein beisteuern: zijn duit in 't zakje doen.

Scherff: Middennoordduits, Middelhoogduits scherf ‘muntnaam van de kleinste munt, ½ penning’. Vergelijk Duits sein Scherflein beisteuern ‘zijn duit in het zakje doen’.

Scherier, Scherrier: Middelnederlands scherier, scheerre: scheerder. Vergelijk De Scheerder.

Schermie. Wellicht van Schermier, afleiding van Schernier.

Scherp: Bijnaam. Scherp ‘nijdig, scherp, schrander’. Vergelijk Duits Scharff, Engels Sharp.

Scherpenberg, Scherpenberghs, Scherpenberg. Verspreide plaatsnaam Scherpenberg.

Scherpenhuijzen: Plaatsnaam Scherpenhuis in Terwolde (Voorst, Gelderland).

Scherpenisse (van): Plaatsnaam (Zeeland).

Scherpenzeel, (van) Scherpenseel Scherpenseels: Plaatsnaam Scherpenzeel (Gelderland, Friesland), Scherpenseel in Ubach-Palenberg (Noordrijn-Westfalen).

Scherpereel. Familienaam uit het Picardische escarperel, afleiding van Oudfrans escharpe of escarpe, van Oudnederlands skerpa, Middelnederlandse schaerpe, scharpe: pelgrimstas, reistas. Wellicht bijnaam voor een pelgrim. Vergelijk Palster. Of beroepsbijnaam voor de maker van.

Scherping, Scherpings, Scharping, Scherpijnck. Vadersnaam afgeleid van een Germaanse skarp-naam, bijvoorbeeld Scerpholt, Scherpinus.

Scherphuis: Plaatsnaam. 1695 Mense Dieters Scherphuis, Oosterwijtwerd. Zie ook Scherpenhijzen.

Scheper (de), Scheepers, Schepers, Schépers, Scheypers, Scherps, Schierp. Vadersnaam (zie Scherping) of bijnaam: schrander, scherp, nijdig.

Schermer, Schermers, Schermerhorn, Plaatsnaam Schermer, Noord-Holland.

Scherps, Schierp: Vadersnaam. (zie Scherping) of bijnaam: scherp, nijdig, schrander. Vergelijk Scharff, Engels Sharp.

Scherpenisse, Scherpernissen. Plaatsnaam Scherpenisse, Zeeland.

Scherz. Duitse bijnaam Scherz: spel, genoegen, grap, poets.

Schertzing: Plaatsnaam Scherzingen (Baden-Württemberg).

Schetgen, Schertges, Schetske: 1. Vadersnaam. Afleiding van oude Germaanse voornaam Scatto. Vergelijk Schattens, Schatzle. 2. Bijnaam. Afleiding van Schat 1.

Schetsen, van: Wellicht de plaatsnaam Schaatsen in Sint-Huibrechts-Hern (Belgisch-Limburg)

Schetters, Schetter, Chetter, Cetter: Vrabantse, Limburgse vorm van schatter ‘schatter, taxateur, inner van belastingen’. Duits Schätzer.

Schuer, Scheurer, Scheuerer, Scheuern, Scheurren, Scheuren, Scheuerlein: Woonplaats, Duits Scheuer: schuur. Vergelijk Van der Schure(n).

Scheuerman, Scheurman, Schierman, Schiermann, Schuiermanni, Scheur, van de, der, Scheurs: Duits Scheuermann. Afleiding van plaatsnaam Scheuer ‘schuur’. Scheurman kan ook een variant zijn van Schuurman. Schiermann is dialect ontrond; vergelijk Schierle.

Scheurkogel: Zinwoord? Vermoedelijk een huisnaam. Vergelijk de huisnaam Middelnederlands capruin/caproen betekent net als cogel ‘kap, mantelkap’.

Scheurweg, Scheurwegen, Scheurwegs, Scheurweghs, Scheurwegh, Scheurweghe, Schuerweghes, Schuerweg, Schuerwegen, Schuerweghs, Schuerwegh, Schuerweghes, Schuerweghen), Schuerewegen, Schuurweghen, Schurweghs, Schorrewegen. Bijnaam uit het zinwoord schoren/scheuren/splijten + (het Middelnederlandse) wegge, wigvormig tarwebrood (Duits Wecken). Dus: hij die het brood afscheurt, hompen afbreekt, uit het vuistje eet.

Scheufele. Beroepsnaam. middenhoogduits schûvele, Duits Schaufel: schop.

Scheurwater, van de, der. Plaatsnaam.

Scheun, Scheune, Scheûne: Spelling van Duits Schön: mooi. Zie Schöner.

Scheut. Wellicht bijnaam van een schutter.

Schevelenbosch, Schevelenbos, Schevelnbosch: Plaatsnaam (in Rolland?). Schiefelbusch in Lohmar (Noordrijn-Westfalen)?

Schevensteen, van. Familienaam uit een plaatsnaam uit het Middelnederlandse scheversteen: steengruis, kiezel, maar ook leisteen. Duits Schiefer.

Scheijbelaar, Scheijbeler: Duits familienaam Scheibler, afleiding van Scheibel, van Scheibe ‘schijf’. Vergelijk Scheibner.

Scheijderberg: Plaatsnaam.

Scheyman, Scheymans, Scheijmans, Scheimann, Scheinman, Scheman, Schéman, Chémanne, Chemanne, Schuysman, Scuyesmans, Schoysmans, Schoysman: Beroepsnaam van de scheidsrechter, middelaar. Middelnederlands scheidesman. Vergelijk Duits Scheidemann, Nederduits Sche(d)emann.

Scheijsen: Wellicht afleiding van Geijsen, van ’s Geijsen.

Scheyvaerts, Schijvaerts, Schyvaerts: Vadersnaam. Zie ook Scheeven, Schijven(s).

Schiavo, Schiavone, Schioavon, Schiavoni, Schiavonetto. Italiaanse schavio, schavione; slaaf.

Schicht. Bijnaam: pijl, werpschicht. Beroepsnaam voor de pijlenmaker of de schutter. Vergelijk Pijlijzer.

Schick, Schickes, Schicks, Schickès, Schiks: Bijnaam. Middenhoogduits, Middennoordduits schick: met voorkomen, die zich weet te gedragen.

Schie, van, Plaatsnaam als Schiedam, Overschie, Zuid-Holland.

Schiebahn, Schiebaan: Vadersnaam. Slavische voornaam Schiban.

Schiebroeck, Schiebroek. Plaatsnaam Schiebroek in Rotterdam, Zuid-Holland.

Schiedt, Schiedts, Schiets, Schietse, Schits: Beroepsnaam van de schutter?

Schiel, Schiele, Schiell: Duits ontrond van Schùle: schoentje. Bijnaam van de schoenmaker.

Schieman, Schiemann, Schiemen: 1. Vadersnaam. Oost-Duitse vorm van de voornaam Simon. 2. Noordwest Duits Schimman ‘stuurman’.

Schiemsky, Schiemskij. Vadersnaam. Slavische afleiding van Simon.

Schierbeek: Plaatsnaam (waternaam).

Schierhout. Bijnaam of beroepsnaam van de man die het hout in grote stukken klooft. Zinwoord met Middelnederlands schieren: splijten + hout. Waals-Vlaams een schiere hout. Vergelijk Duits Schierholz.

Schierl, Schierle, Schierlé, Schirl: Duits ontrond van Scheuerle, afleiding van Scheuer: schuur. Vergelijk Scheuerlein, Schiermann.

Schierveld, Schiervel, Schirvel, Siereveld: Plaatsnaam Schiervelde in Roes. (West-Vlaanderen).

Schiet, van: Plaatsnaam. Schietse: Beroepsnaam van de schutter?

Schietaert. Afleiding van het werkwoord schieten. Bijnaam voor een schutter, iemand die (graag) schiet.

Schietekat, Schietekatte, Schietecat, Schietecatte, Schiettecart, Schiettekat. Schiettekate, Schietecat, Schiekatte, Schietecat, Schietcatte, Schietecate, Schietecote, Schittekat, Schittecat, Schittecatte, Sckiettekatte, Shiettecatte, Schietgat. 1. Bijnaam voor een kattendoder uit het letterwoord 'schiet (de) kat'. 2. Er is ook een mogelijkheid dat de naam verwijst naar de bedienaar van de blijde (schietwerktuig), aangezien de catte het beweegbare dak boven een blijde was.

Schiffer, Schiffers: Duitse beroepsnaam van de schipper.

Schieter, de, Schietere, de. Beroepsnaam van de schutter.

Schievekamp. Plaatsnaam Am Schievekamp in Isselburg (Noordrijn-Westfalen).

Schiff. Duitse familienaam naar de huisnaam, zum Schiff, in ’t schip.

Schiffer, Schiffers, Schieffer, Schiefer, Szyffer Szyfer: Duitse beroepsnaam van de schipper. Maar in N. Waals kan Schiffer ook = Schafer. Vergelijk Schipper, Scheper.

Schiffman. Duitse beroepsnaam van de schipper.

Schijfs, Schive: Middelnederlands scive: schijf, platrond voorwerp om mee te spelen. Bijnaam voor de speler van het schijfspel. Vergelijk Schijvers.

Schijn, Schijns, Schyn, Schyns, Schijnts, Schynts, Schintz, Schinz, Schings, Schins, Scheins, Schein: Vadersnaam. Korte vorm van de Germaanse voornaam Schînhard. De naam werd naderhand begrepen als schijn 'glans, schittering' en gelatiniseerd als Fulgens en heiligennaam Fulgentius 'schitterend'.

Schijndel, van, van Schyndel, van Schendel: Plaatsnaam Schijndel (Noord-Brabant).

Schijven, Schijvens, Schijvinck, Schijvijnck, Schyvinck, Schyven, Schyvens, Schijvinck, Schijvynck, Schijvijnck, Schiving, Scheyven, Scheyving, Scheijven, Scheijvens, Schuyvinck, Schievink. Wellicht vadersnaam uit de Germaanse voornaam Scheffold (scaft-olt). Vergelijk Duitse familienaam Scheffold, Zie ook bij Scheeven. Schuyvinck door ronding van i voor v (vergelijk Waals-Vlaams vuve Vijf).

Schijvenaars. Variant met suffix -enaar van Schijvers of Schijvaerts. Vergelijk Duits Scheib(n)er

Schijvers, Schyvers, Schievers, Schevers, Schévers: Afleiding van Middelnederlands schiven: rollen, een schijfspel spelen. Vergelijk Duits Scheiber.

Schikorr, Schikora: Plaatsnaam Schikorren (O.-Pruisen).

Schikker: Middelnederlands schicker ‘bezorger, bestuurder’.

Schil, van, Schilde, (van) Schilt, Schild: Plaatsnaam Schilde (Provincie Antwerpen), uitspraak schil.

Schild, Schilt. 1. Beroepsnaam van een schildenmaker of van een schilddrager in een gilde. 2. Huisnaam. 1585 Gerbrant Albertsz. zeilmaker in 't Schilt op de Nieuwendijk, Amsterdam.

Schilder, de, de, Schilders, de Schildre, Schilter, Schilders, des Childres: Beroepsnaam van de schilder, wapenschilder, decoratieschilder, vergulder, kunstschilder.

Schildering, van schilder.

Schildermans. Beroepsnaam van de schilder.

Schildknecht. Beroepsnaam van de schildknaap, die zorg draagt voor de wapenrusting van zijn heer.

Schill, Schille. Duitse bijnaam Schiel: scheel(ogig).

Schillebeeks, Schillebeeckx, Schillebeekx, Schillebecks, Squilbeck, Squilbecq, Skilbecq: Plaatsnaam Schillebeek in Meulebeke en Tielt (West-Vlaanderen), Overboelare en Gb. (Oost-Vlaanderen).

Schilleman, Schillemans, Schellemans, Schelmans: 1. Afleiding van Middelnederlands schelle, schille, schellen, schillen. Beroepsnaam van iemand die schilt, van schil of bolster ontdoet. 2. Of naam uit de plaatsnaam Schilde (Antwerpen) of Schelle (Antwerpen en Overijssel).

Schiller, Schuler, Schuhler, Chuler, Chuller, Schôler, Schôller, Scholler, Scholer, Schuller, Schuller, Szyler: 1. Duits Schiller: scholier, leerling, studerende. Vergelijk Scolart, Scholiers. 2. Plaatsnaam Schûller (Rijnland-Palts).

Schiller, Schillers, Schilleres: 1. Duitse bijnaam Schieler ‘schele’. 2. Door assimilatie uit Schilder.

Schillmöller: Duits familienaam Schildmüller, Schildmöller ‘molenaar op een plaats Schild’.

Schilperoord, Schilperoort: Plaatsnaam (Zuid-Holland).

Schilt: Huisnaam.1585 Albert Gerbrantsz Schilt (zoon van) Gerbrant Albertsz, zeilmaker in ’t Schilt op de Nieuwendijk, Amsterdam.

Schiltman, Schiltmans: Beroepsnaam van de schildknaap, schildknecht. Duits Schildmann.

Schils, Schilz, Schiltz, Chiltz: Vadersnaam. Liburgs-Rijnlandse uitspraak van Franse voornaam Gilles, van heiligennaam Egidius.

Schilstra. Plaatsnaam (?)

Schimith. Waarschijnlijk uitspraak van Duits Schmitt.

Schimmel, Schmel: Bijnaam naar het schimmelkleurige, witgrijze haar.

Schimmelpenninck, Schimmelpfennig: Bijnaam voor een vrek, die zijn penningen laat schimmelen. Ook Duits Schimmelpfennig.

Schimp, Schimpf. Bijnaam voor een schertser, spotter.

Schinas. Waarschijnlijk Griekse familienaam, aangezien de naam meestal met een Griekse voornaam voorkomt. Vadersnaam. Oude voornaam.

Schinckaert. Afleiding van werkwoord schenken, schinken: (in)schenken. Vergelijk Schenk(e).

Schindeler, Schinler, Schindler, Szyndler: Duitse beroepsnaam van de schindelmaker: maker van dakspanen, houten dakpannen, ook dakdekker. Vergelijk Schendel.

Schindelheim. Door metathesis van Duits Schindhelm, Schüttenhelm: die de helm opzet, klaar voor de strijd? Naam van een Joodse familie uit Galicië.

Schindfessel, Schimpfessel: Middenhoogduits Schiltvessel: band die het schild draagt, schilddrager, schildknaap; schintvessel: rondtrekkende krijgsknecht. Duitse geronde vorm Schimpfôssel.

Schingen, van: Waternaam Schenge (Zeeland). Het adellijke geslacht Van Schenge was van het eiland Wolphaartsdijk ten noorden van Zuid-Beveland.

Schinkel, (de) Schinkels, Schinckels, Schinckel, Schenkel, Schenkel, (de) Schijnkel, Schynkel, Schynkels, Schaenkel, Skinkel Squinquel: Middelhoogduits, Middelnederlands schenkel, schinkel ‘been, bovenbeen’. 1. Bijnaam naar het lichaamsdeel. Vergelijk Duits Langschenkel, Kurzschenkel. 2. Beroepsbijnaam voor een slager of slachter.

Schinkus, Schinckus: Duitse bijnaam schenk us: schenk uit (zinwoord), voor een wijn- of bierschenker, die uitschenkt. Vergelijk Nederduits Berschenk.

Schintgen, Schinckgen, Schingtienne: Vadersnaam. Afleiding van Rijnlands Schang / Scheng, van Frans Jean Schip: Beroepsnaam van de schipper of huisnaam; vergelijk Schiff.

Schiphorst. Naam naar de gelijknamige plaatsnaam (in Drenthe, Gelderland en Sleeswijk-Holstein).

Schipman, Schipmans, Scheepman, Scheepmans, Schepmans, Schepman: Beroepsnaam van de schipper.

Schipper, (de), Schipper, Schipers, Schiepers, Schipperuss: Beroepsnaam van een schipper. Of variant van Schepper of Scheper?

Schipperheyn, Schipperein; bijnaam van een schipper die Hein heette.

Schipperges. Wellicht van Scheperjans: schaapherder Jan; vergelijk Schipperheijn.

Schipperheijn, Schipperijn: Scheperhein: schaapherder Hein (Hendrik). Vergelijk Nederduits Scheperjan(s), Schaprian (Schaperjan).

Schipperling, van schipper.

Schirrmacher, Schirrmann, Schirrmeister. Beroepsnaam van maker van gereedschap (Geschirr).

Schirris: Uit Scheiris, Schérès, van Scheirens, Scheeres, van Scheerens, van afleiding van Scherin, afgeleid van het werkwoord scheren.

Schlacht, Schlaht, Schlachter: Duitse beroepsnaam van de Schlachter; slager, slachter.

Schlaff, Schlaf, Schlafen, Schläfli: Bijnaam voor een slaperige of langslaper?

Schlage, Schlag, Schlaak, Schlaks: 1. Duitse plaatsnaam Schlag: slagboom. 2. Maar Schlaack is een vooral Hamburgse familienaam en daar kan auslaut-g geen occlusieve k worden. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Slawe 'Slaaf.

Schlappi: Duits familienaam Schlapp(e), van Middelhoogduits Slappe ‘buidelvormig afhangend deel van hoofddeksel’.

Schlatter, Schlattl: Afleiding van verspreide Duitse plaatsnaam Schlatt, van Middenhoogduits lâte: riet, moerassige wei.

Schlecht: Duitse bijnaam met de oorspronkelijke betekenis ‘eenvoudig, simpel’. Vergelijk Slegt.

Schlechter, Schlecter, Szlechter: Duitse beroepsnaam van de slachter, slager.

Schlee: Duitse bijnaam Schlee ‘slee, sleepruim’.

Schlegel, Schlögel: Bijnaam. Middenhoogduits slegel: moker, knuppel, vlegel. Beroepsnaam of bijnaam voor een lomperd.

Schleicher, Schleich, Szlajcher, Schleick, Schlich, Schlick, Schlicker, Schlicke, Schlikker, Slieker, Slikker: 1. Van Duits schleichen, Nederduits, Nederrijns sli(c)ken; sluipen. Duits Schleicher, Nederduits Schlieker. Vergelijk De Sluyper. 2. Van Middenhoogduits slicken, slichen, Nederduits sli(c)ken: slikken, slokken, vreten. Bijnaam voor een schrokker.

Schleiden. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen

Schleider, Schléder, Chleider, Chleide: Afleiding van plaatsnaam Schleiden (Noordrijn-Westfalen) of Schleid (Rijnland-Palts).

Schleier, Schleyer: Beroepsnaam van de sluierwever, sluiermaker.

Schleiffer. Duitse beroepsnaam van de slijper.

Schleiss, Schleihs: Duitse familienaam Schlaiss, van Middenhoogduits sleisse: kienspaan, houtspaan. Beroepsnaam.

Schlembach. Variant van Duits Schlimbach: scheve, kromme beek.

Schlemmer, Schlemper, Schlômer, Schlomer, Schloemer: Duitse bijnaam voor een slemper.

Schlenk, Schlenker. Afleiding van Middenhoogduits slenken: zwaaien, schommelen, slingeren (Duits schlenkern), bengelen. Bijnaam naar de manier van lopen.

Schlenter. Duits Schlender. Bijnaam voor een slenteraar, treuzelaar.

Schlesinger, Schleisinger, Slesingier, Slezingher, Slézingher, Slezingier, Slisengher, Slisinguer, Slisinger: Volksnaam van de Sileziër, Duits Schlesier.

Schleusener, Sceleusner, Schlusener, Schlusener: Afleiding van Duits Schleuse: sluis. Beroepsnaam van de sluiswachter.

Schlim, Schlimm. Middenhoogduits slim, slimp: schuin, scheef, verkeerd, slecht. Bijnaam.

Schlirf. Plaatsnaam Schlirf bij Fulda.

Schlit. Plaatsnaam; glad, glijdend.

Schlitz. Duitse plaatsnaam; spleet, reet.

Schlingemann, Schlingmann: Duits afleiding van Schling(e), van Middennoordduits slink ‘rand, slagboom, hek’.

Schlosser, Schlöszer, Schloesser, Schlosser, Schloser, Schlesser: Duitse (ook Nederland- Limburg) beroepsnaam Schlosser: slotenmaker, kleinsmid.

Schlossmacher. Duitse beroepsnaam; slotenmaker.

Schlossnagel: Duitse beroepsbijnaam van de slotenmaker.

Schlott, Schlottke, Schloot. Nederduits, Middenhoogduitse variant van Duits Schlofi: slot. Beroepsnaam van de slotenmaker.

Schlötter, Schlottert: Nederduitse, Middenhoogduitse variant van Duits Schlosser: slotenmaker.

Schloune. Duitse bijnaam Schlun; luiaard.

Schlueppmann. Bijnaam van een sluiper. Vergelijk Schluper.

Schluntz, Schlungs. Duitse bijnaam; luiaard.

Schlûssel: Duitse beroepsnaam van de sleutelmaker of sleutelbewaarder.

Schlusselberg. Plaatsnaam Schlusselberg, Noordrijn-Westfalen.

Schmaal, Schmahl, Schmale, Schmal: Duitse bijnaam Schmahl: smal, dun, mager, spichtig. Vergelijk De Smaele.

Schmallegger: Afleiding van de plaatsnaam Schmalegg (Ravensburg, Baden-Württemberg).

Schmalt, Schmalz, Schmailzl: Duits Schmalz (afleiding -el): smout, reuzel, olie. Beroepsnaam. Vergelijk smout(s).

Schmatz. Duitse bijnaam voor een snoeper.

Schmeder. Duitse beroepsnaam; smeder, smid.

Schmeiter, Schmeiss, Schmeisser: Duitse bijnaam voor iemand die smijt, slaat, schopt. Vergelijk De Smijter.

Schmelzer, Smeltzer: 1. Duitse beroepsnaam Schmälzer, Schmalzer ‘bereider van smout (Duits Schmals), reuzel, olie’. 2. Duitse beroepsnaam ‘ijzersmelter’.

Schmelcher, Schmeler, Schmeller, Schméler: Plaatsnaam. Middenhoogduits smelehe, Beiers Schmelche, Schmelle, Duits Schmiele: smele, rietgras, zegge.

Schmidbauer: Beroepsnaam van iemand die boer en smid was.

Schmider Schmieder, Schmitter, Schmitzer: Duitse beroepsnaam van de smid, smeder.

Schmidt, Schmid, Schmitt, Schmitte, Schmitdtz, Schmits, Schmitz, Schmied; Duitse beroepsnaam van de smid.

Schmidtmeyer, Schmiedmayer: ambtenaar belast met het toezicht op de smidsen.

Schmiedel, Schmidke, Schmidtke, Schmidli, Schmidlin, Schmidtchen: Afleiding van Duits Schmied: smid.

Schmook. Nederduitse vorm van het Duitse Schmauch: rook, damp. Engels smoke. Beroepsbijnaam voor de kolenbrander, roker, stoofhouder, smid. Wellicht naam van Duitse origine.

Schmuck, Schmucker, Szmuck: Bijnaam. Middennoordduits smuk: lenig, soepel, slank, van Noordhoogduits schmuck: bevallig, knap.

Schnabel, Sznabel: Duits Schnabel: snavel. Bijnaam voor een prater, die een grote bek opzet.

Schnall. Duitse Schnalle; gesp. Beroepsnaam.

Schnaphauf. Duitse bijnaam Schnappauf; praat er op los.

Schneeberg, Schneeberger, Schneberg, Schneebalg: Verspreide Duitse plaatsnaam Schneeberg.

Schneider, Schneiders, Schneidesch, Schneyders, Schneyder, Schneder, Schneder, Schnieders, Schnieder, Schnyders, Schnyder, Scheneider, Scheneyder, Schenider, Schenéder, Sznajder, Sznajr, Chneider, Chnitir: Duitse beroepsnaam van de snijder, kleermaker.

Schneidewind. Duitse bijnaam: die de wind snijdt, dakloze, landloper.

Schnell, Schneller. Duitse bijnaam: snel, behendig, levendig. Vergelijk De Snel.

Schnepp, Schneps, Schnepf: Bijnaam. middenhoogduits snëpfe, Duits Schnepfe: snip. Vergelijk Sneppe.

Schnett, Schnette, Schnitz, Schnietz, Schnitzius: Duitse beroepsnaam van de Holzschnitzer: houtsnijder.

Schnitzer, Schnizer, Sznycer, Schnitzeler, Schnitzler, Snitzer, Snytsers, Snijtsers, Snitselaar, Snytselaar: Beroepsnaam van de houtsnijder.

Schnorrenberg. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Schnur, Schnurrer, Schnorr, Schnôrr, Sznur: Bijnaam. Middenhoogduits snurraere: grappenmaker.

Schnurbus, Schnorbusch: Duits zinwoord Schnurrbusch, Schnorrbusch. Middenhoogduits snurren: snuivend naar wild speuren + busch: bos, struikgewas. Bijnaam voor een jager.

Schobbe, Schobbé, Schobben, Schobbens, Schoben, Schoebben, Schoeben, Schoubben, Schouben: Bijnaam. Middelnederlands schobbe ‘schub, schurft, vuil en smerig wijf’. Bijnaam voor iemand met schurftige huid.

Schobijn, Schobyn, Scherbeijn. Vadersnaam ontstaan door de verkeerde splitsing van voornaam en familienaam van de 18deeeuwse Joce Gobijn (Josgobijn van Josschobijn). Dit in de omgeving van Moerbeke-Waas. Zie verder bij Gobin.

Schoe, Schou, Schuh: Beroepsbijnaam van de schoenmaker of bijnaam naar de huisnaam.

Schoehuizen: Plaatsnaam. Er is een Schoehuisbeek bij Tubbergen. Een schoehuis was de hal waar schoenen verkocht werden, plaatsnaam bijvoorbeeld in Ieper en Kortrijk: 1400 huus ende erve geheeten tScoehuus.

Schoevers, oorspronkelijk Schoevaerts, ‘s Goevaerts; zoon van Goevaert of Godfried.

Schonheere, Schoonheere. Middelnederlands schoonhere: grootvader. Vergelijk Grandpère.

Schobbe, Schobbé, Schobben, Schobbens, Schoben, Schoebben, Schoeben, Schoubben, Schouben: Bijnaam. Middelnederlands schobbe: schub, schurft, vuil en smerig wijf. Bijnaam voor iemand met schurftige huid.

Schobijn, Schobyn, Scherbeijn: Vadersnaam. De anlaut-sch is ontstaan door verkeerde splitsing van voornaam en familienaam van 18de eeuwse Joce Gobijn (Josgobijn, van Josschobijn).

Schock, Schoch, Schog, Skok: Middelnederlands schoc, Middenhoogduits schoc: hoop, stapel, zestigtal; Middenhoogduits schoche: hooistapel. Bijnaam.

Schockmel. Verhaspeling van Schockweiler?

Schockweiler, Schockweiller. Plaatsnaam Schockweiler in Nobressart (Luxemburg).

Schodduyn. Aanpassing van Franse familie- en plaatsnaam Chaudun (Aisne).

Schoder, Schoeder, Schöddert: Duits Schoder: onvol-groeide boom. Bijnaam naar de gedrongen gestalte.

Schodet. Aanpassing van Frans Chaudet, van Michaudet?

Schodt, de, Schodts, Schots, Schot, de Schotte, Schotte, Schott, Scotte, Scott, Schotten, Tschodts: 1. Volksnaam Schot. 2. In de Westhoek is De Schodt het resultaat van een officiële naamwijziging, ter vervanging van De Sodt.

Schoe. Beroepsnaam van de schoenmaker?

Schoebeke, van. Plaatsnaam Schoebeke in Okselare (Frans-Vlaanderen), van Schoudebeke: beek met lis.

Schoebrechts, Schoubrechts, Schouberechts, Schabrechts, Schabregs, Schabergs: Vadersnaam. Afleiding (met prothetische s) van Germaanse voornaam Gobrecht of Limburgs Houbrecht / Hoebrecht.

Schoeling, Schoelinck, Schoelynck, Schoelijnck, Scoelinck, Scholings, Scholinckx, Scholinchx, Schollinckx, Schuiling: Afleiding op –lin van Middelnederlands coe: schoen. Beroepsnaam voor een schoenmaker. Vergelijk Schiel.

Schoeman, Schoemans, Schoumans, Scoumanne, Scouman, Scoman. 1. Zie Schoenmans. 2. Middelnederlands Schoudeman. Vergelijk Waals-Vlaams schoen van schouden: met kokend water wassen, geslachte dieren zengen, schroeien. Beroepsnaam.

Schoenmaker, Schoenmaker, Schoenmakers, Schoenmaekers, de Schoenmaker, de Schoenmakere, (de) Schoenmaecker, Schoemaecker, Schoenmaeker, (de) Schoemaker, Schoemaecker, Schoemaeker, (de) Schoenmaeker, Schoenmakers, (de) Schoenmackers, Schoenmacker, Schoenmackers, Schoonmaekers, Schumacker, Schumackers, Schumaeker, Schumaker, Schuhmacher, Schumacher, Schoemacher, Schoumackers, Schoumakers, Schoumaker, Schoumacher, Schoumachers: Beroepsnaam van de schoenmaker. De vorm schoemaker is de oorspronkelijkste, want Middelnederlands Scoe en nog Zeeuws schoe ‘schoen’. De vorm schoen is oorspronkelijk meervoud, maar werd achteraf als enkelvoud aangevoeld.

Schoenman, Schoenmans, Schoeman, Schoemans, Schoemann, Schoumans, Scoumanne, Scouman, Scoman: 1. Beroepsnaam van de schoenmaker. Vergelijk Duits Schumann.

Schoentjes, Schoentjens, Schoentgen, Schôntgen: Afleiding van schoon, schoen, schôn: mooi. Bijnaam. Nederduits Schôneke.

Schoep, Schoeps, Schoepp: 1. Limburgse vorm van Schaap. 2. Zie Schoppen.

Schoepen, van der. Middelnederlands schoepe: schop, schep, wan. Als plaatsnaam wellicht een watermolen. De Schope is een waterloop in St.-Laureins (Oost-Vlaanderen): Ook plaatsnaam in Pas-de-Calais.

Schoer, Schoers, Schor: Middenhoogduits schûr, schour: hagel, onweer, bui. Bijnaam voor een opvliegend mens.

Schoerl: Duitse veldnaam Schörrle.

Schoesetters, Schoensetters, Schoezetters, De Schoesitter, Schoeters, Schoeter, Schoetters, Schoetter, Schauters, Schouters, Chouters. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse scoesutter: schoennaaier, schoenmaker. Duits Schuster.

Schoester: Nederlands spelling van de Duitse beroepsnaam Schuster ‘schoenmaker’.

Schoffelen. Moet ongetwijfeld als Schoffélen worden uitgesproken. Misschien afleiding van Oudfrans escof(l)e: wouw, (ook) leren kledingstuk. Vergelijk escofier: schoenmaker.

Schog: Variant van Schock, Schoch. Middelnederlands, Middelhoogduits schocn ‘hoop, stapel, zestigtal’, Middelhoogduits schoche ‘hooistapel’. Bijnaam.

Schögler. Familienaam uit de omgeving van het Oostenrijkse Graz. Mogelijk is hij afkomstig uit het Oudduitse schoc (hoop, stapel, zestigtal) of uit schoche (hooistapel). Bijnaam of beroepsbijnaam.

Schoiers, Schoïers, Schoyerer, Schoyer: Afleiding van Middelnederlands schoeyen: schoeien, van schoenen voorzien. Beroepsnaam van de schoenmaker. Vergelijk Schoy.

Schokkaert, Schockaert, Schokker, Schokaert, Schoekaert, Schochaert, Schockert, Scokaert, Scokart, Squoquart, Scocard, Scoca, Scocart, Schock, Schoch, Schog, Skok. 1. Mogelijk een afleiding van het Middelnederlandse 'schocken' = schokken, maar kan ook rechtstreeks uit Frans-Picardisch Choquart worden verklaard. In dit geval een soort bijnaam. 2. Mogelijk afgeleid van 'schoc' = hoop, stapel (bijnaam of plaatsnaam).

Schol, Scholl, Scholle, Schollen, Schols, Schoels, Schoel, Schoelens, Schools, Schouls, Schauls, Schaul, Schulle, Schul, Schüll, Schülle, Schüllen, Schuilen, Schuil, Schaelens: Middelnederlands scholle, schulle, Middennoordduits schulle ‘schol (platvis)’. Beroepsbijnaam voor een visser of vishandelaar. Vaak ook naar de huisnaam of scheepsnaam.

Scholart, Scholaert, Scholaers, Scholeer, Schoolaert, Scolard, Scolart, Schollaerts, Schollaert, Schollaers, Schollart, Sckoolaert: Middelnederlands scholaer: leerling, student, scholier, koorknaap. Vergelijk Scholier(s).

Scholders, Scholder: Middelnederlands scholder ‘beul’. Beroepsnaam of bijnaam.

Scholenborgt, Scholberg: Plaatsnaam Schuleburg (Silezië) of Schulenberg (Duitsland).

Scholier, Scholiers, Scholliers, Schollier, Schooliers, Scoliers. Familienaam uit het Middelnederlandse scholier: scholier, leerling, koorknaap.

Scholart, Scholaert, Scholaers, Scholeer, Schoollaert, Scolard, Scolart, Schollaerts, Schollaert, Schollaers, Schollaart, Schollart, Sckoolaert.

Naam uit het Middelnederlandse scholaer: leerling, scholier, koorknaap.

Scholier, Scholiers, Schollier, Scholliers, Schooliers, Scoliers: Middelnederlands scholier, Middenfrans escolier: scholier, leerling, koorknaap.

Scholing, Schulling, Schuling, Schuiling, Schuilingh: Variant van Schoeling, Scoelinck. Verkleinvorm op –lin van Middelnederlands scoe ‘schoen’. Beroepsbijnaam voor een schoenmaker.

Schollmeyer, Schulmeyer, Scholtmeijer: Samenstelling met scholle, schulle: aardkluit, graszode. Naar een kenmerk van de woonplaats.

Scholluis: Misschien vervorming van Duits Schultheiss.

Scholte, Scholten, Scholtens, Scholtes, Schult, Schulte: Nederduits en Oost-Nederlands ambtsnaam van de schout. Vergelijk Schout, Schouteet, Schulz.

Scholter: Variant van Scholder of van Scholte?

Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting, van scholte, schulte, schout. Of van vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de Friese form van het Saksische scholte, schulte, van het Frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een Friese mannenvoornaam. De Friese geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het Saksisch-Friese Schultinga in Groningerland, en waarschijnlijk ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz.

Schomburg, Schombourg. 1. Variant van Schaumburg. 2. Duitse plaatsnaam Schônburg.

Schommen, van der. Plaatsnaam Schom(me) in Boom (Antwerpen), Wilrijk, Kontich, Bouwel en Tongerlo (Antwerpen): mosachtig bos, onvruchtbare grond.

Schön, Schon, Schone, Schöne, Schönen, Schonne, Schonn, Schoune, Schoun, Schün, Schun: Duitse bijnaam schön: mooi. Zie Schoon.

Schönau, Schönauen, Schonau, Schonauer: Verspreide Duitse plaatsnaam Schônau: mooie beemd.

Schönborn, Schönenborn, Schonbrun: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönborn, Schönbrunn: mooie, heldere bron. Vergelijk Bellefontaine, Beaufont.

Schönermarck. 1. Plaatsnaam Schönermark (Duitsland). 2. Variant van Schonmaker.

Schoneveld, van, Schooneveld, van, Schoonveld, Schooneveld. Plaatsnaam.

Schöner, Schoener, Schoner, Schener, Scheunders. Uit het Duits: bijnaam voor iemand die mooi maakt, een mooiprater, die alles mooi voorstelt.

Schonewille, Schoonewille, Schoneville. Bijnaam; Mooie Willem?

Schönfeld, Schönfeldt, Schoenfeld, Schonfeld, Schofield, Shainfeld: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönfeld ‘woest veld, lege vlakte, braakland’.

Schönherr, Schönhertz. Bijnaam Mooie heer? Maar vergelijk Schoonheere.

 Schönhofen, Schoenhofen: Verspreide Duitse plaatsnaam Schönhof. Vergelijk (van) Schoonhoven.

Schöning, Schöningh, Schoning: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Sconi.

Schonck, Schonken, Schonck, Schunck, Schunk: Limburgs schonk: ham. Ook Duits dialect schungke/schingke = Middenhoogduits schinke: schenkel, ham. Vergelijk Schinkel.

Schönke. Duits hypercorrect van Schenke. 2. Variant van Schôneke, zie Schoentjens.

Schonker, Schonkeren, Schonckert: Wellicht van schonckelen: schommelen. Bijnaam voor iemand met schommelende stap?

Schönlau, Schoonlau: Duits schön + Middenhoogduits loube, Middennoordduits love, Duits Laube: overdekte hal, gang.

Schonmacker, Schönemarker, Schönermarck: Wel niet schoonmaker (van laken), maar reïnterpretatie van Nederduits Schomaker: schoenmaker.

Schönwetter. Bijnaam: mooi weer, wellicht voor een optimist.

Schoof, Schooff, Schoofs, Schooffs, Scoofs, Scoefs, Scofs, Schoufs, Schuyf: 1. Beroepsbijnaam van de schovenbinder. 2. Soms ook bijnaam naar de gestalte.

Schoof, van der. Plaatsnaam Schoof, wellicht Schoofland: land waarop graanschoven staan. Schoef in Ronse (Oost-Vlaanderen).

Schooland, van, van Schoeland, Schoelandt, Schoelant, van Schoonlandt, van Schoenland, Schoenlandt, Schoenlant. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam (mooi stuk land): bijvoorbeeld Schoelant in Torhout.

Schoolmeester, (de), Schoolmeesters, Schûlmeesters: Beroepsnaam van de schoolmeester, onderwijzer.

Schoon, (de) Schoonen, Schoone, Schoonens, Schoen, Schoenen, Schon, Schonne, Schoonn, Schonn, Schons: 1. Bijnaam naar de fysieke schoonheid en aantrekkelijkheid ‘mooi’. 2. Moedersnaam, meisjesnaam.

Schoonaard, Schoonaart, Schoonaert, Schoonaerts, Schonaerts, Schoenaert, Schoenaerts, Schoenaert, Schonnartz: Bijnaam Afleiding van schoon ‘mooi’.

Schoonakker, (van) Schoonacker, Schoonackers, Schoenacker: Plaatsnaam Schoonakker, bijvoorbeeld in de buurt van Sijsele, Krombeke, Maldegem, Adegem (Oost-Vlaanderen).

Schoonaerts, Schoonaert, Schoonaard, Schonaerts, Schoenaert, Schoenaerts, Schoenaers, Schonnartz: Afleiding van schoon: mooi. Bijnaam. Vergelijk Schoonemans.

Schoonbaert: Bijnaam voor iemand met een mooie baard.

Schoonbeek, (van) Schoonderbeek, van Schoenbeek, Schonebeck, Schoenbeck, Schoonebeek, Schönbeck, Schoonbeeg. Plaatsnaam Schoonebeek, Drenthe, Schoonderbeek, boerderijnaam in Barneveld, Schoonbeek bij Beverst en Bilzen, Limburg.

Schoonbrood, Schoonbroodt, Schoonbroot, Schoenbroed, Schoenbroedt, Schoonbrodt, Schoenbrodft, Schombrodt, Schoenbrodft, Schombrodt, Schorbroodt, Schomblood, Schomblond, Schônbrod, Schonbroodt, Schonbrodt, Schonbroedt: Beroepsnaam van de bakker van schoonbrood: fijn wittebrood. Ook Duits Schônbro(d)t.

Schoonderwoerd, Schoonderwoert: Plaatsnaam Schoonrewoerd in Leerdam (Zuid-Holland).

Schoondijke, van. Plaatsnaam, Zeeland.

Schooneman, Schoonemans, Schoonmann, Schônemann, Schoenmans, Schoemans, Schoomans, Schooman, Scoman: 1. Bijnaam naar de fysieke schoonheid en aantrekkelijkheid. 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse skôn-naam. Vergelijk Schoon 2.

Schoonenberg, Schoonenbergh, Schoonenburg, van Schoonenberghe, van Schonnenberge, Schonenberg, Schoenenberg, Schönenberg, Schönberger Schönberg, Sheinberg, Schonberg, Schoonbergen, Beaumont. Plaatsnaam Schoonbergin Aalter (Oost-Vlaanderen, Schoonbergen in Lubbeek (Vlaams-Brabant). Verspreide Duitse plaatsnaam Schôn(e)(n)berg.

Schoonenboom: Naar de woonplaats bij een mooie boom.

Schooneknaep, Schooneknaepe. Bijnaam die zoveel betekent als mooie knaap. Voor knaap, zie verder Knapen.

Schoones, Schoonis, Schonis: Lokale uitspraak van de plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Belgisch-Limburg).

Schoonhen, Schoonheim: Bijnaam. Bijnaam en vadersnaam Schone; Mooie Hein. Vergelijk Duits Schönheinrich.

Schoonheyd, Schoonheijt, Schoonheydt, Schoonheijt, Schoonheyt, Schoonheyt, Schoonhydt, Schoonhuydt, Schoenheijd, Schoouhnydt. Familienaam uit de plaatsnaam Schoonhout (Noord-Brabant?) of Schoonheide. De naam kan evenwel ook zowel fonetisch als volksetymologisch ontwikkeld zijn uit de plaatsnaam Schoonhout.

Schoonhoed. 1. Bijnaam: mooie hoed. Vergelijk Duits Schonhut. 2. Bijnaam Schoonhoofd, blijkens Middelnederlands. Hovet, van hoot.

Schoonhoven, van: Plaatsnaam Schoonhoven (schone hoeve) (Zuid-Holland), Kampenhout (Vlaams-Brabant). Er bestaat een vermoeden dat sommige Schoonhoven evolueerden naar Schoonooghe.

Schoonie, Schoontje is een verbastering van Schonia of Schoninga, van de oud Germaanse persoonsnaam Schone, Skauni. Dan Schöningh, oorspronkelijk een Westfalen geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd is en de Vlaamse geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het oud-Friese geslacht Schunia (in beter Friese spelling Skunia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, is niet zeker. Deze geslachtsnaam is als zodanig onder de hedendaagse Friezen uitgestorven. Maar hij leeft toch nog in den naam van het gehucht Skunia-bûren, bij Mirns in Gaasterland. Men verhollandst dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schoonis, (van) Schoones, Scheunis: Lokale uitspraak van plaatsnaam Schoonhees in Tessenderlo (Limburg).

Schoonjans, Schoon Jans, Schoonejans, Schonejans, Schoonjans Schonians, Schoonyans, Schonians, Schooians, Schoojans, Schooyans, Schonijahn. Bijnaam + vadersnaam: mooie Jan. Vergelijk Schônhans, Beaujean. Met het half verfranste Schoonéans, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die naast Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelijk één is, evenals met Grotjohan, Grootjan en Grootjans. Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlijk Nedersaksische (zogenoemd Platduitse) vormen en uit onze noordoostelijke grenzen afkomstig evenals de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is van Henne, Hänne, Johannes. De Nederlandse naam Grootjan ook in de oorspronkelijk Hoogduitse geslachtsnaam Groshans en in de oorspronkelijk Franse naam Grosjean, evenals Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam voor.

Schoonooghe, Schonooghe. Bijnaam voor iemand met mooie ogen.

Schoonvaere. Bijnaam. Schoonvader.

Schoonvelde, van, Schoneveld, Schooneveld, van Schooneveld: Verspreide plaatsnaam Schoonveld(e), Schoneveld. Vergelijk Schonfeld. Een aaanpassing van Schonfeld is Schoonvelts.

Schoonvliet: Plaatsnaam ‘mooie vliet’.

Schoonvrient. Middelnederlands schoon: aangetrouwd, aanverwant; vriend: familielid. Dus: aangetrouwd familielid (vergelijk schoonzuster).

Schoonwater: Plaatsnaam in Gullegem (West-Vlaanderen): schoon, helder water.

Schoonwinkel, van, van Schoenwinkel, Vanschoenwinkel. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam in Wintershoven, Kortessem, St.-Lambrechts-Herk en Riemst (Limburg)

Schoor, van (der), van Schooren, van Schoren, Wanschoor, Wanscoor, Verschoore, Verschoor, Verschoren, Verschorre, Verschorren: Plaatsnaam Schoor (Nederlands Limburg, Noord-Brabant), Schore (West-Vlaanderen, Zeeland), Hoegaarden, Vlaams-Brabant, Broechem, Antwerpen. Schoor ‘rijbruggetje over een smalle waterloop’, ‘aangeslibd land dat rijp is om ingedijkt te worden, moeras’.

Schoore, Schoorens, Schoors, Schoren: Middelnederlands schore: schoor, stut, schraag. Bijnaam.

Schoorl, van, Schoorel. Plaatsnaam Schoorl, Noord-Holland.

Schoorman, Schoormans, Schoermans, Schorremans, Schormans, Schorrmann: Afleiding van Van (den) Schoor.

Schoot, van (de), (van de) Schooten, Schoote, Schooten, van, van der Schot, van de, der Scotte, Wascotte, Warscotte, Verschooten, Verschoote, Verschoot, Verschote, van Schoten, Schotanus: 1. Plaatsnaam Schoot ‘beboste hoek zandgrond uitspringend in moerassig terrein’, ‘hoek van de hei’. Plaatsnaam Schoot (Noord-Brabant), in Noordwijk (Zuid-Holland) en verspreid in de Kempen. 2. Plaatsnaam Schot; afgeperkte ruimte, plaats waar vee opgesloten wordt, Groningen, Zie van Schoten.

Schootmans, Schotmans. Afleiding van Van Schoten of Van (de) Schoot.

Schoovaert, Schoovaerts, Scoevaerts, Scoevaert, Scoevaers, Scoevaerdts, Schoeffaerts. Vadersnaam (afleiding) uit Govaert (gud-frith: God-vrede).

Schopen, Schoppen, Schops, Scops, Schoppé, Schôpe, Schöpe, Schopp, Schop, Schuppen, Schupp, Schoop, Schoepens, Schoepen, Schoeps, Schoepp, Schoep, Schoubs, Schoub, Schouppe, Schoup, Schouppé, Schoppé, Schoups, Scouppe, Scoupe: Middelnederlands schoepe, schope: schop, schep, wan. Beroepsnaam.

Schopenhauer: Duitse beroepsnaam van de maker, houwer van schopen ‘pollepels, scheplepels’.

Schopman: Afleiding van Schop. Beroepsnaam voor de werker met of maker van schoppen.

Schoppach, Schoppack. Plaatsnaam Schoppach in Aarlen en Heinsch (Luxemburg).

Schoppé, Schoppet, Schouppé: Frans Chopet. Zie Chopplet. Of gewoon verfranste spelling van Schoppe/Schouppe.

Schoor, van, van Schoore, van Schooren, van Schoren, Wanschoor, Wanscoor. Familienaam uit de plaatsnaam Schoor (Nederland), in Hoegaarden (Vlaams-Brabant of Broechem (Antwerpen).

Schoore, Schoorens, Schoors, Schoren. 1. Naam uit het Middelnederlandse schore: schoor, stut, schraag. Mogelijk bijnaam. 2. Of uit de plaatsnaam Schoor: zie Schoor.

Schoreel, Schoreels, Schoorel, Schorrels, Schorreel, Schooreel, Scoriels, Scoriel, Scorielle, Schorielle, Schorils, Schoriels, Schreel: Oudfrans escorieul, escuriau: eekhoorn. Middelnederlands scu(e)reel. Familienaam Ecureuil, Lescurieux, Eichhorn.

Schorer: Duitse beroepsnaam Schorer, afleiding van Middelhoogduits schorn ‘met de schop werken, samenkeren, samenvegen’.

Schorisse, van, van Schoorisse, van Schoors, Verschooris: Plaatsnaam Schorisse (Oost-Vlaanderen).

Schorbijn, Scherbeijn: Door r-invoeging uit Schobijn. De beginklank-sch is ontstaan door verkeerde splitsing van de voornaam en familienaam van 18deeeuws Joce Gobijn, Josgebijn, van Josschobijn.

Schorkops. Nederduitse bijnaam; geschoren kop, gladgeschoren hoofd. Vergelijk Waals-Vlaams scharrekop.

Schorn. Zoals Schorner: werker met de schop.

Schornak, Schornick. Oost Duitse Slavische bijnaam; zwartharig.

Schornstein. Bijnaam voor de bewoner van een huis met gemetselde schoorsteen.

Schorpion. Middelnederlands schorpioen. Bijnaam.

Schortgen. Vadersnaam. Afleiding van Schors, van Georges?

Schortz. Wellicht Rijnlands Schors(ch) van Georges.

Schösse, Schösser, Schöser: Middenhoogduits Schotëfier: belastinginner.

Schotanus. Humanistennaam van Hendrik Berends ("1548) uit Oudeschoot (Heerenveen, Friesland).

Schotelaer, (de). Beroepsnaam van de schotelmaker of schotelverkoper.

Schotelmans. Beroepsnaam van de schotelmaker.

Schoten, van, Schoot, van (de), (van der) Schoot, van Schoote, van Schooten, van der Schot, van de(der) Scotte, Warscotte, Wascotte, Verschoote, Verschooten, Verschoot, Verschote, van Schoten, van Schoote, van Schooten. 1. Afgeleid van de plaatsnaam ‘schot’': afgeperkte ruimte, ruimte waar vee gestald wordt. Plaatsnaam Schoten, Antwerpen, Noord-Holland. 2. Afgeleid van de plaatsnaam ‘schoot’': beboste hoek zandgrond uitspringend in een moerassig terrein (komt op diverse plaatsen voor). Schoten was ook de naam van Noord- en Zuidschote (West-Vlaanderen). 3. Zie ook Van (de) Schoot.

Schotman, Schotmans Schotsman, Schotsmans: Volksnaam van de Schot, vergelijk Engelsman, Engels Scotchman.

Schotte, Schotten, Scotte, Scott, Schot, Schots, Schut, Schutte, Schutt, Schutten, Schuth, Schuts. 1. Beroepsnaam van de schotter of schutter, dat is de beambte die loslopend vee in een kooi schut. 2. Volksnaam voor iemand uit Schotland afkomstig.

Schot, (de); Scott, Schoots: Volksnaam van de Schot.

Schotel: Beroepsbijnaam van de schotelmaker, schoteldraaier, Middelnederlands scotelaer.

Schoten, van; van Schooten: Plaatsnaam Schoten (Provincie Antwerpen, Noord-Holland).

Schothorst: Plaatsnaam in Borne en Dalfsen, Overijssel.

Schottey. Wellicht van Frans Chottet, afleiding van Michot, van de voornaam Michel.

Schou. Zie Schouw. Of verschrijving voor Schuh?

Schou, Schouw, Schauw. Beroepsnaam van de schouwer, inspecteur. Vergelijk Schouwaerts, De Schouwer.

Schoubroek, van, Schoubroeck, van, van Schoubrouck, Schouwbroeck, (van) Schaubroeck, (van) Schaubroek, Schaubrouck, (van) Schauwbroeck, (van) Schauwbroek. Familienaam uit de plaatsnaam Schou(de)broek: moeras met lis, van Schouwbroek, Schoebroek.

Schoué. Franse familienaam Chouet. Oudfrans choete, Frans chouette: uil? Of plaatsnaam Schoudee?

Schouhamer. Blijkens de vorm uit 1648 wellicht uit Schönauer, afleiding van de verspreide plaatsnaam Schônau.

Schouller, Schouleur: Verfransing van Duitss Schûler, als Schuler gelezen. Ook Chouleur.

Schouls: Waarschijnlijk spelling voor Schöls(z).

Schout, (de), Schoute, Schouten, Schoutens, (de) Schaut, Schautens, Schoetens, Scholte, Scholten, Scholtens, Schult, Schulte, Schulten, Schülte, Schuldt, Schuld, Scholts, Schols, Scholtz, Scholz, Scholcz, Scholze, Scholzen, Schultz, Schulze, Schultzen, Schultze, Schultz, Schulsse, Schülze, Szulz, Schultin, Schulting, Schultink, De Schoutheete, Schoutteetens, Schouteet, Schouteeten, Schouteetens, Schoutteten, Schouten, Schoutetens, Schoutet, Schoutede, Schouteden, Schoutenden, Shoutteten, Scholteden, Scholtedes, Schautteete, Schouterden, Schouterdem, Schouteere, Schouteren, Schouterens, Schoutissen, Schatteet, Schateet, Schauterden, Schultheis, Schulteis,Schultes, Schultes, Scholtes, Scholtés, Scholtès, Scholtis, Scholtissen, Scholtus, Scholhaus, Scholdis, Scoltus, Scholtanus: Middelnederlands schoutet(e), schout(h)eit, schoute, scholte, schulte; Middennoordduits Schûlte, schulthete, Duits Schultheiss: schout, gerechtelijk ambtenaar, voorzitter van een schepenbank. Beroepsnaam. Duits Schulte, Schulz(e).

Schouteet, Schautteet: Middelnederlands schoutet(e), schout(h)eit, Duits Schultheiss ‘schout’, zie Schout.

Schouteere, Schouteren, Schouterens. Middelnederlands schoutheere: schuldeiser. 2. Zie Schout.

Schoutrop: Plaatsnaam Schuttorf (Noordrijn-Westfalen) of Scholderu in Taarstedt.

Schouvorst, Soudeworst, Schouwvors: die de kikvorsen, kikkers verschuwt, wegjaagt, schuwt. Misschien hypercorrect voor Schou(de)vos: die vossen schuwt: Vergelijk Schau(w)vlieghe. 1299 Reynghers Scoudegoes, Aardenburg: die ganzen wegjaagt.

Schouw, van der: Plaatsnaam Schouw in Deurne, Bakel (Noord-Brabant), Landsmeer (Noord-Holland). Friesland.

Schouwaert, Schauwaert, Schouwaerts, Schauwaerts, Schauwaers, Schauvaerts, Schauvaets, Schavar: Beroepsnaam van de schouwer, de beambte belast met het schouwen of inspecteren, bijvoorbeeld de straatschouwer, die wegen inspecteert. Vergelijk de familienaam de Schouwer.

Schouwbroeck, van: Plaatsnaam Schou(de)broek ‘moeras met lis’, van Schouwbroek.

Schouweiler, Schouweiller, Schuweiler, Schouveller: Plaatsnaam Schuweiler (Duitsland).

Schouwen, van: Plaatsnaam Schouwen (Zeeland).

Schouwenaar, Schouwenaars, Schouwenaers: 1. Afkomstig van Schouwen. 2. Middelnederlands schoudenaer‘ schuldenaar’.

Schouwenberg, Schouwenburg, zie Schauenburg.

Schouwer, de, de Schauwer, de Schauwers, de Schawers, Schouwers, Schauwers, Scauwers, Descower: 1. Beroepsnaam van de schouwer, de beambte belast met het schouwen of inspecteren; bijvoorbeeld straatschouwer, die wegen inspecteert. 2. Middelnederlands Sc(h)ouder, van werkwoord schouden: met kokend water wassen of begieten, geslachte dieren zengen, in kokend water schroeien. Beroepsnaam.

Schouwstra. Friese familienaam uit de verwijzing naar de plaats Schouw, Friese Meren (Schouwen?).

Schovaerts, Schovaers, Schoovaerts, Schoovaers, Scoevaerts, Scoevaert, Scoevaers, Scoevaerdts, Schoeffaerts. Vadersnaam, afleiding van Govaert. Zie verder daar.

Schoy, Schoij, Schuy: Van Middelnederlands schoeyen: schoeien, van schoenen voorzien. Beroepsnaam van de schoenmaker?

Schraa, Schraa. (?)

Schraege, van der, Verschragen, Verschaeghen, Verscharghenn, Verschraegh, Verschraeghen, Verschaeghenn, Verschraeven, Verschroeven (Brabantse vorm). Familienaam uit de plaatsnaam Schrage (droog, dor). Onder andere in Eksaarde.

Schraaf, van de(der): Plaatsnaam. Vergelijk Middelhoogduits schraf ‘gespleten rots, rots, klip, rolstenen’. Of veeleer door wisseling g/f uit van der Schrage (zie Verschrage)?

Schraelen, van der. Wellicht van van der Schaelen met ingevoegde r.

Schrader, Schräder, Schraders. Duitse bijnaam van schroder voor een snijder?

Schraen, Schraenen. 1. Zie (de) Crâne. 2. Brabantse uitspraak van Schrynen.

Schraepen, Schreppers. Bijnaam voor een schraper: iemand die beroepshalve schraapt (huidenvetter, schrijnwerker) of iemand die schraperig is.

Schrager, Schrager, Schraeger: Afleiding van Middenhoogduits, Middelnederlands schrage: schraag, stut. Beroepsnaam, veeleer dan plaatsnaam Schragen. Schraeger kan oudere spelling zijn voor Duits Schrager, maar ook spelling voor Schreger.

Schrale: Duitse bijnaam Schralle ‘luidruchtig mens’, van schrallen ‘schreeuwen’.

Schram, Schramm, Schramme, Schraem: Middelnederlands schramme ‘schram, wonde, snee’, Duits Schramm. Bijnaam voor iemand met een opvallend litteken.

Schrama, Schravemade, Crama. Bewoner van de boerenhofstede 's-Gravenmade (made = 'hooiland' van de graaf) te Bennebroek.

Schrantz. Spelling voor Schrants, Schrans; zie Legrand. 2. Duitse familienaam Schran(t)z, Middenhoogduits schranz: spleet, scheur, gat. Plaatsnaam.

Schraub, Schrauben, Schrouben, Schrub: Middenhoogduits schrübe, Duits Schraube: schroef. Beroepsnaam.

Schrauer: Afleiding van Middelnederlands schrauwen ‘schreeuwen’?

Schrauwen: Spelling voor Sgrauwen = des Grauwen, zoon van de Grauwe. Bijnaam naar de grauwe, grijze kleur (huid, haar, kleren).

Schravemade: Plaatsnaam ’s Graven made ‘weiland, maailand van de graaf’. Vergelijk Gravenmaten, Overijssel. Ook van Schravesande, en van Schravendijk, dijk en zand van de graaf. Schraveland is zo Graveland.

Schrave, Schraven: Spelling voor Sgraven = des Graven, zoon van de Grave, de Graaf. Beroepsnaam van de voorzitter van de schepenbank of bijnaam die op een dienstverband met de graaf kan wijzen.

Schraver: Afleiding van Middelnederlands schraven ‘krabben, wroeten, woelen’.

Schrefheere, Schreefheere. Lees: Schreffeerre, dus schreffeerder. Afleiding van Middelnederlands schrafferen: schrafferen, schaduwlijnen aanbrengen op een tekening, arceren. Beroepsnaam.

Schreck. Middenhoogduits schrecke; springer. Vergelijk Schrick.

Schreiber, Schreibers, Szrajbe, Szrajber: Duitse beroepsnaam van de geheimschrijver, klerk. Vergelijk De Schrijver.

Schreiner, Schreinner, Schreyners, Srajner: Duitse beroepsnaam Schreiner: meubelmaker, timmerman. Vergelijk Schreinemacher(s).

Schreinemacher, Schreinemachers Schreinemakers. Duitse beroepsnaam van de schrijnwerker, meubelmaker. Vergelijk Schrynemaekers.

Schreppers. Afleiding van Middelnederlands schreppen, schrappen: schrapen. Bijnaam: schraperig mens.

Schreuder, Schreuer, Schreur, Schreurs: Variant van Middelnederlands schroder ‘schrooier’. Meestal de beroepsnaam van de kleermaker, snijder. Soms wijnschroder, sjouwer van wijnvaten of ook muntschroder, muntschrooier. Spelling voor Schreur; zie Schrôder. Duitse hypercorrecte variant van Schreier.

Schrevel (de), Descrevel, Descreven, de Schreyver, de Schrever, Schrever, Schrevers, Schrevens, Schrévens, Screvens, Scriven, Scrivens. Familienaam uit het West-Vlaamse werkwoord schrevelen: krevelen. Bijnaam voor een krevelaar: die traag loopt of werkt, een treuzelaar.

Schreij: Spelling voor Schrij. Nomen agentis bij Middelnederlands schriden ‘schrijden, stappen’.

Schreyen, Schreye, de Screyer, de Schreye, de Schreider, de Schrijder, de Schryder, de Schryer, Schreier, Schreyers, Schreyer, Schriers, Schrier, Schrieder, Schryers, Schrijers: Afleiding van Middelnederlands schreyen, (hypercorrect) schreiden: schreeuwen, roepen. Bijnaam voor een lawaaimaker of zoals Duits Schreier: omroeper.

Schreijenberg, Schrijnenburg: Plaatsnaam Schreiberg (Noordrijn-Westfalen)?

Schrickx, Schrick, Schriks, Schricke, Schrikke, Schriek, Schrickel: 1. Middelnederlands schricken: een grote stap nemen, grote schreden zetten, sprongen maken. 2. Verkorting van Van Schrieck.

Schrieck,van, (den, der) Schriek, van (den, der (van (de, den) Schrick, Vanderschrick, van den Scrik: Plaatsnaam Schriek (Provincie Antwerpen) en in Gendringen (Gelderland), Boom (Provincie Antwerpen), Aartselaar (Provincie Antwerpen), Appels (Oost-Vlaanderen): ‘hoek, bocht’.

Schrieder, Schrieders, Schrier, Schriers. Ontronde vorrn van Schreuder(s), Schreur(s). Zie Schrôder.

Schriel: Uit Schoriel. Vergelijk de Vlaamse familienamen Schoreel, Scoriel, Schorielle, Schreel. Oudfrans escorieul, escuriau ‘eekhoorn’, Middelnederlands scu(e)reel. De ie-spelling geeft de scherplange e weer.

Schriemer: Vermoedelijk door wisseling van de labialen uit Duits Schriewer, Schriever, Schrieber ‘schrijver’.

Schrier: Bijnaam voor een schreeuwer, roeper, lawaaimaker. Duits Schreier.

Schrievogel: Duitse bijnaam Schreivogel voor iemand met luide, schelle stem.

Schrijver, de, Schrijvere, de, de Schrybere, de Schryber, de Scryver, de Schreyver, de Schrever, Schrijvers, Schryvers, Schryver, Schrijbers, Schriever, Schrievers, Schriefers, Schriewer, Schriemer. 1. Beroepsnaam van de (geheim)schrijver, de griffier, de klerk. Vergelijk Scribe. 2. Sommige vormen – met name De Schre(y)ver - gaan ongetwijfeld terug op (de) Schrevel.

Schrik, Schriks, Schriek, Schrieks, Schrick, Schrikke.1. Nomen agentis van Middelnederlands schricken ‘een grote stap zetten, grote schreden zetten, sprongen maken’. 2. Korte variant van Van Schrieck.

Schrit, van der. Verhaspeling van Van der Schrick.

Schrobiltgen. Luxemburgse bijnaam: kleine knorrepot.

Schroder, de Schrooder, de Schroodere, Schrooders, Schroeder, Schroeders, Schrouders, Schroders, Schroer, Schroers, Schroër, Schroeyers, Schroijers, Schruyers, Schreuder, Schreuders, Schreudder, Schreudders, Schreurs, Schreur, Schruers, Schrurs, Schrure, Screurs, Schreer, Scchreers, Schreus, Schrieder, Schrieders. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse schroder: schrooier. 1. Snijder, kleermaker. 2. Wijnschroder, sjouwer van wijnvaten, kraanmeester. 3. Muntschroder: die de munten slaat, de randen afvijlt. (om het goudvijlsel te gelde te maken).

Schröder, Schroder, Schröer, Schroers, Schrödter, Schröter Schroduer, Schroedter, Schroeder, Schroëter, Schretter, Schreder, Schréder, Schrader: Duitse beroepsnaam van de kleermaker. Vergelijk Schroder.

Schroe, Schroë, Schroé. Naam uit het Middelnederlandse scrode. Variant van Schroder, zie daar.

Schroener. Beroepsnaam. Variant van Duits Schreiner. Of veeleer variant van Schroeder, Schrôer, Schrôdner.

Schroever, Schroevers: Afleiding van Middelnederlands schroeven ‘schroeven; kwetsen, kneuzen’.

Schrondweiller, Schrondweiller. Plaatsnaam Schrondweiler in Nommern (Luxemburg).

Schroons, Schruns, Schrens, Schrijns, Schroen, Schroos, Schrooyen, Schroeyen, Schroeyens, Schroijens, Schroijen, Schroyens, Schroyen, Scroyen Scroeyen, Schraeyen, Scrayen, Schrayen, Serroyen, Serroeyen, Seroeyen, Seray, Serayen. Beroepsnaam naar het Middelnederlandse schroden/schraden= snijden. Dit kan natuurlijk in een aantal beroepen: kleding, voeding.

Schroot, Schroote, Schroots, Schroten: Spelling voor Sgroot(e), Sgroten, van des Groten, zoon van de Grote.

Schruf, Schruff, Schrouff, Schroef: Duitse familienaam Schroff: onvriendelijk, bars. Bijnaam.

Schrijnen: Beroepsbijnaam van de schrijnwerker, meubelmaker.

Schrijver, (de), Schrijvers, Schrijfer: Beroepsnaam van de (geheim) schrijver, griffier, klerk.

Schrynemaeker, (de) Schrynmaker, (de) Schrynmaeker, (de) Schrynemaeker, de, Schrynmekers, Schrynemackers, (de) Schrijnemakers, Schrijnemakers, Schrijnmaekers, Schrijnemackers, Schrijnemeeckers, de, Scrijnmakers, de, Scrynmakers, Schrymecker. Beroepsnaam van de schrijnwerker, de meubelmaker.

Schrynen, Schrijnen, Schreine, Schreynen: Beroepsnaam van de schrijnwerker, meubelmaker.

Schtickzell, Schticzelle, Schtickzelle: Waalse verhaspeling van Duits Stitzel? Ontrond van Stùtzel, afleiding van Stutz: stoot.

Schubach. Zoals Schuback, afleiding van Wendisch suba: pels.

Schubert, Schuberth, Schubath, Schubarth, Schobert, Schober, Szubert: Beroepsnaam. middenhoogduits schuoch-wurhte, van Schuowirt, Schubert: schoenwerker, schoenmaker.

Schuchard, Schuchardt, Schuckard, Suchard: Duitse beroepsnaam van de schoenmaker, van Middenhoogduits schuochwùrchte: schoenwerker. Vergelijk Schubert.

Schuddings, Schuddinck: Afleiding van Middelnederlands schudde ‘galgenaas, schelm, leegloper’.

Schuerbeeck, van, Schuerbeek, van, van Schuerbecq, Schuerbeke, van Schuerebeek, van Scheurbeek, Schuurbeque, Scurbecq, Scurberg: Plaatsnaam. Waternaam Schorbeke in Aalbeke?

Schuh, Schu, Schucht, Schuch, Schugt, Schuck: Duits Schuh: schoen. Bijnaam naar het uithangbord. Beroepsnaam voor een schoenmaker.

Schuhmann, Schuman, Schumann, von Schumann, Schumann, Schomann, Schöômann: 1. Duitse beroepsnaam van de schoenmaker. 2. Sommige vormen, vooral Schömann, kunnen varianten zijn van Schön(e)mann. Vergelijk Schoenman(s).

Schuhmeier. Meier op een goed waarop een cijns rust in de vorm van schoenen. Of veeleer reïnterpretatie van Schulmeyer.

Schuil, Schuiling, Schuijl, Schuyl, Schuilenburg, Schul. Plaatsnaam Schuilenburg, Hellendoorn.

Schuilwerve: Walcherse veldnaam Scuwelincwerve ‘erf van het geslacht Scuweling’.

Schuit, Schuite, Schuiten, Schuijt, Schuijten, Schuyten, Schuyts, Schuyts, Schuijts, Schuytjens: 1. Bijnaam naar de schuit op het uithangbord of beroepsbijnaam van de schipper of schuitenmaker. 2. Dialect voor Schout(en), zie daar.

Schuitema: Friese afleiding van Schuit.

Schuitemaker: Beroepsnaam van de maker van schuiten. Zie Schuit.

Schuiteneer, de, (de) Schuytener, (de) Schuyteneer, (de) Schuijteneer, de Schuytteneer, de Schuyttelaere, de Schutner, Scuttener, Scuttenaire, Scutenaire, Scutnaire, Escuttenaire, Escutnaire: Middelnederlands schutenaer: schipper. Beroepsnaam.

Schuitevoerder. Beroepsnaam van de schuitenvoerder.

Schuitman: Afleiding van Schuit. Beroepsnaam van de schuitenmaker of schipper.

Schuitvlot: Beroepsbijnaam van de schuitenmaker.

Schuiveling: Vadersnaam. Afleiding van oude voornaam Scuffilo.

Schuljen, Schuljin, Schulie, Schulien, Schulié: Wellicht afleiding van Schulle; zie Schulkens.

Schulkens. 1. Waarschijnlijk afleiding van Middelnederlands schulle, scholle: schol. Vergelijk Schol. 2. Schulke, van Middennoordduits schule: schuilhoek.

Schulkleper. Beroepsnaam van de schollenklopper, -vanger. Vergelijk Nederduits Schullenfenger, Schullenknieper.

Schuller, Schüller: 1. Duits Schüler ‘scholier, leerling, studerende’. 2. Plaatsnaam Schüller (Rijnland-Palts)

Schulman, Schulmann, Shulman: Duitse beroepsnaam Schulleman: verkoper van schollen (platvis).

Schulp, Schulpe, Schulpé, Schulpen, Schulpin, Schülpin: 1. Middelnederlands sculpe/scelpe: schelp. Vergelijk Schelpe. 2. De Limburgse familienaam Schulpen is veeleer de afleiding van plaatsnaam Gulpen; zie van Gulpen.

Schulz, Schultz, Schults, Schultzena, Scholz, Schölsz, Schöls: Duitse korte vorm van Schultheiß, Middelhoogduits Schultheize ‘schout’. Zie Schout, Schouteet.

Schumacher, Schumaker: Duits, Nederduitse beroepsnaam van de schoenmaker.

Schuman: Schuhmann, Schumann, Duitse beroepsnaam van de schoenmaker.

Schunselaar: Uit Schoonselaar, afleiding van plaatsnaam Schoonsel in Wilrijk (Provincie Antwerpen?) Het databank Meertensinstituut geeft evenwel de variant Schönzeler.

Schuphof, Schuphoff, Schophof, Schiphof. Familienaam met Duitse oorsprong uit schuppe, schoppe: schepel, schep. Later uitgebreid tot tentje, kraampje, winkeltje.Het betreft dus wellicht een hof (hoeve) waar men kon schuppen, scheppen: inkopen doen.

Schuppen, van: Plaatsnaam? Schuren: Korte vorm van van der Schuren; zie (van der) Schuur.

Schuppisser. Oudhoogduitse variant van Schubisser, ontrond van Schuhbûsser: schoenlapper.

Schure, van der, Schuren, van der, van der Schuere, van der Schueren, van der Scheuren, van de(der) Schuer, van de Schuren, van de(der) Scuren, Scure, van de Scueren, Verschuren, Verschure, Verschuur, Verschuure, Verschuuren, Verschuere, Verscheuren, Verscheure, Verscuren, Vershueren, Vershuere, Versheuren, Versheure, Versheure, te Terschueren, Terschuren, Terschüren, Schuurmans, Schuurman, Schurmans, Schurmann, Schuyrmans, Schürmann, Schürman, Schuerremans, Schuermans, Scheuremans, Scheurmans, Schuirmans, Schoermans, Schuringa, Schürgers, Schurger, Schurgers, Schuergers, Surgers, Schurg, Schurg, Schuerch: Beroepsnaam van de kruier. Afleiding van Limburgs schurge, sjurge: met de kruiwagen rijden. Oudhoogduits scurgan, Middenhoogduits schurgen, schurgen: duwen, stoten, drijven.

Schurig. Vadersnaam. Zoals Schuricht en Schuricke Oost-Duits van Wendisch Schurek/Jurek = Georg.

Schurkens. Familienaam afgeleid van de veel voorkomende plaatsnaam ' Schuur, Ter Schure' = bewoner in de buurt van, werkende in.

Schurer: Duits familienaam Schürer, Schurer. Afleiding van schüren ‘oppoken, (vuur) aanwakkeren’. Of Middennoordduits schurer ‘zwaardveger’. Of afleiding van Middelhoogduits schiure, schüre ‘schuur’.

Schurink, Schuring, Schurings, Schurin, Schuuring, Schuiring, Schuringa, Schuering: Afleiding van schuur, van der Schuren. Hekket vermeldt zowat 20 plaatsnamen Schuring in Oost-Nederland. Vergelijk Fries Schuringa.

Schusster, Schuster, Schuszter, Szuster, Szyster, Schustereit: Beroepsnaam Schuster, van Middenhoogduits schuochsûtaere: schoennaaier, schoenmaker. Vergelijk Schoesetters.

Schüssler, Schussler, Schissler, Szysler, Schössler, Schösseler: Beroepsnaam. Middenhoogduits schusseler: schotelmaker, schoteldraaier. Vergelijk (de) Schotelaer.

Schut, Schutte, Schutten, Schutt, Schuth, Schuts, Schûtte:1. Beroepsnaam van de (boog)schutter. 2. Zie Schotte(n).

Schutjes, Schutgens, Schuytjens: 1. Afleiding van Schut(te). 2. Eventueel = Schuytjens; zie Schuit.

Schutter, de, Schuttere (de), Schutters, de Schutere, de Scheutter, de Schuyter, de Schuyer, de Schuytere, de Schuytère: 1. Beroepsnaam van de boogschutter, lid van een schuttersgild. 2. Of beroepsnaam van de man die vee schut, in een schot opsluit. 3. Zie ook De Schuyt(t)er(e).

Schuttermans. Beroepsnaam van de schutter.

Schüttler, Schuttler: Nederduitse vorm van Duits Schussler.

Schutijser, Schutyser, Schutyzer, Schuttyser, Schuttyzer, Schuttijser, Schuttijzer: Beroepsnaam van de schutter of de smid die schutijzers maakte.

Schutz, Schütz, Schutze: Duitse beroepsnaam van de (boog)schutter. Vergelijk Schut(te).

Schuur, (van der), van de Scheur, Schuer, Schûr, Schûer, Schur, Schuren, Schuerens, Schueren, Schuijren, Schouren, Verschueren, Verschure, Verschuren, Verschuur, Verschuure, Verschuuren: Plaatsnaam Schuur. Middelnederlands schuur, schuer(e), Middenhoogduits schiure, schur: schuur. Zie Van der Schure(n).

Schuurbeque: Plaatsnaam. Waternaam Schorbeke in Aalbeke, West-Vlaanderen?

Schuurbiers: Vervormd uit Zuurbier. Bijnaam van de brouwer van zuur bier of voor een waard die zuur bier verkoopt. Duits Sauerbier.

Schuurman, Schuurmans, Schurmans, Schurmann, Schürmanns, Schuerman, Schueremans, Scheuremans, Scheurmans, Schuirmans, Schoermans, Scheurman: Afleiding van van der Schuur.

Schuijer: Spelling voor Duits Scheuer ‘schuur’.

Schuyffeleer, de, Schuyfeleer, de, de Schuijffeleer, de Scuyffeleer, Schuffeleers, Schuffelers, Schiffelaers, Schiffeleers, Schiffeler, Schiffler, Schifflers, Scheffelaar, Suffeleers, Scufflaire, Scuflaire, Escoufflaire, Escoufflaire, Scoufflaire, Scouflaire, Scouffler, Scaufflaire, Scauflaire, Xhaufflaire, Xhauflair, Xhaufflaire, Xauflaire, Xhaflaire. Naam uit het Middelnederlandse schufelen: fluiten. Beroepsnaam van de fluitspeler. Vergelijk De Pijper. Waals-Vlaams schufelen is sufekn in Frans-Vlaanderen; volkslied: 'Trommelaren, suffelaren en den zot'. De vormen metxh (= h) zijn Waals.

Schuylenberg, can, Schuylenbergh, van, van Schuijlenbergh, Scheulenburg, Schaalburg, Schalenborg, Schalenborgh, Schalenborghs, Schalenbourg, Schaelenbergh, Schallenberg, Schallenbergh. Familienaam uit de plaatsnaam Schuilenburg (Noord-Brabant - Overijssel - Friesland), uit Schullenberg in Beverst (Limburg), uit Schoellenberg in St.- Huibrechts-Hern (Limburg) of uit Schulenberg/Schulenburg (Nedersaksen - Sleeswijk-Holstein).

Schuymer, de, Schuymere, de, de Schuijmer, Schuijmere, Schumer, Schumers, Schumesch, Schümmer, Schummer, Schommer, Schommers, Schomer, Schomers, Schoumer, Schomus. Naam uit het Middelnederlandse schumer: landloper; straatrover.

Schuytere, de, Schuyere, Schuyter, de Schuijter, de Schuytère, de Schutere, de Scuyter: 1. Beroepsnaam van Middelnederlands scute: schuit. Vergelijk de Schuiteneer: schipper. 2. Zie de Schutter(e).

Scipio, Scipione, Seppion. Romeinse familienaam uit het geslacht van de Cornelii. In de Renaissance bij ons voornaam geworden. Vandaar misschien ook bij ons een vadersnaam geworden. Latijnse scipio: staf.

Schwab, Schwabe, Schwob, Svab, Swaab, Swab, Swaeb, Swaap, Zwaab, Zvab: Duits Schwabe, volksnaam van de Zwaben, inwoners van Zwaben. Middelnederlands (klankwettig) Swave, Zwave. Vergelijk De Zwaef / De Swaef.

Schwadron. Duits Schwadron van Frans escadron, Italiaans squadrone: escadron. Of van Duitse werkwoord schwadronieren: grootspreken, opsnijden, zwetsen? Vergelijk familienaam Schwaderer. Of reïnterpretatie van Schadron?

Schwager. Duitse verwantschapsnaam: zwager, oorspronkelijk aanverwante (ook schoonzoon, schoonvader).

Schwagten. Onduidelijk. Misschien Nederduits Schwarten, met als g gehoorde huig-r.

Schwaighofer, Schwachhofer: Verspreide Duitse plaatsnaam Schwaig-, Schweighof(en). Middenhoogduits sweige: veehoeve, runderfokkerij.

Schwalp, Swaalep: Duitse bijnaam Schwalbe: zwaluw.

Schwalbach. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Schwall, Schwaller. Plaatsnaam. middenhoogduits swal: diepe plaats in het water, sluis. 2. In de Eifel: de Waal.

Schwan, Schwanen, Schwaenen: Bijnaam naar de naam van de zwaan, Duits Schwan; vaak huisnaam. Eventueel moedersnaam. Zie De Swaene.

Schwart, Schwarte, Schwardtmann: Nederduits schwart, Duits schwarz: zwart. Bijnaam.

Schwarz, Schwartz, Schwarts, Schwarz, Schwarc, de Schwartz, Schwarzer, Schwarze, Schvartz, Schvarcz, Schvardz, Swartz, Swarts, Swarc, Swars, Svartz, Szwarcer, Szwarc, Schvarzova, Schwarzman, Schwerzmann: Duitse bijnaam ‘zwart’ voor een zwartharige.

Schwarzbaum, Szwarcboim: Duits, Joodse familienaam: zwarte boom.

Schwarzenberg, Schwarzenberger, (von) Schwartzenberg, Swarceenberg, Swarcberg: Verspreide Duitse plaatsnaam Schwarzenberg: zwarte(n) berg.

Schwärzler, Schwarzler: Contaminatie van Schwärzer ‘die zwart verft’ en Schwärzle, verkleinvorm van Schwarz, dat is Schwartz junior.

Schweden. Duitse volksnaam Schwede; Zweed.

Schweer: Duitse familienaam Schwe(e)r. Middelhoogduits swëher, swêr ‘schoonvader’.

Schwegler: Duitse afleiding van Middelhoogduits swëgel ‘soort fluit’.

Schweich, Schweig, Schweig: Plaatsnaam Schweich (Rijnland-Palts).

Schweiger, Schwaiger, Schwieger, Schweicher, Schweickert, Schweikert, Schwickert, Swickert: Vadersnaam. Germaanse voornaam swinth-ger 'heftig-speer': Swidger. Vergelijk Swiggers.

Schwein, Schweyen, Schwien: Duitse bijnaam Schwein: zwijn, varken.

Schweisthal. Plaatsnaam. Er is een Schweisthaler Hof in Schönecken (Eifel).

Schweizer, Schweitzer, Schweitser, Chweitzer, Schwitzer, Scweizer, Szwajcer, Szweicer: Volksnaam van de Zwitser, Duits Schweizer.

Schwenk, Schwenke, Schwenken, Schwenker, Schwenck, Schwank, Schwennicke: Vadersnaam. Nederduitse familienaam Swanico, afleiding van Germaanse voornaam Swano.

Schwenzfeier: Dialectisch uit Duits zinwoord Schwenzfeuer, van Schwenksfeuer ‘die het vuur doet vlammen’. Bijnaam van een smid.

Schwerdtfeger. Duitse beroepsnaam van de wapensmid, die het zwaard oppoetst. Vergelijk Zwertvaeger.

Schwertheim: Verhaspeling van plaatsnaam Wertheim (Baden-Württemberg)?

Schwiebbe, Schwibbe. Vadersnaam. Duitse bakervorm van de Germaanse voornaam Swindbert. Zie Schwippert. Vergelijk Duits Schwieberle.

Schwimmer, Szwimer: Die woont aan een Schwemme: wed, drink-, waadplaats.

Schwindt, Schwind, Schuind, Schwinden: Duitse bijnaam Schwind, van Middenhoogduits swinde: heftig, onstuimig, gezwind, behendig, snel.

Schwing. Van Duits werkwoord schwingen: zwaaien, bewegen, schudden. Er bestaan heel veel Duitse familienamen (zinwoorden) die met schwing- samengesteld zijn.

Schwippert. Vadersnaam. Germaanse voornaam swinth-berht 'sterk-schitterend': Swinbert. Vergelijk Schwiebbe.

Schijf, Schijve, Scheijve: Middelnederlands Scive ‘schijf, platrond voorwerp om mee te spelen’. Bijnaam voor de speler van het schijfspel.

Schynen, Scheynen, Scheijnen: 1. Vadersnaam. Vleivorm van de Germaanse voornaam Schînhard. zie Schijn(s). 2. Misschien plaatsnaam Schinnen (Nederlands-Limburg).

Schijndel, van; van Schendel, van Schendelen: Plaatsnaam Schijndel (Noord-Brabant).

Schijvenaars, Schijvenaers: Zoals Duits Scheibner, van Scheibe, afleiding van schijf.

Schijvens, Scheijven: 1. Waarschijnlijk vadersnaam. 2. Verbogen vorm van Schijve.

Schyver, de, Deschiever: Aanpassing van Dechièvre; zie Dechèvre, de Kijver.

Scius, Sius: Korte vorm van Rossius.

Scléve, Scleve, Seclef, Seclève, Secléve, Secleve: Verkort van Desclève.

 Scliffet, Sclifet, Selifet, Seliffet, Sélifet: aals, Picardisch variant (metathesis) van Frans sifflet: fluit(je). Bijnaam. Oudfrans ook chiffler, Oudpicardisch scliffer, van Latijn sifilare. Vergelijk Squif(f)let.

Scobry, Scoubry: Waarschijnlijk variant van Sobry.

Scorier, Scory, Scorey, Scorière: 1. Beroepsnaam. Waals scorîye: maker van zwepen. 2. Variant van Franse familienaam Escurrier, van Oudfrans escurer, van Latijn excurare: reinigen, schoonmaken?

Scornicile. Afleiding van Scourneau?

Scoubeau. Afleiding van Oudfrans escobe: bezem? Vergelijk Escoube(t).

Scouperman, Scoupermanne, Scoupermant, Scoupreman: Waalse aanpassing van Duits Schoppermann, afleiding van Duitse familienaam Schopper, beroepsnaam met niet heel duidelijke betekenis. Misschien = Schoppenhauer: maker van schoppen, scheppen. Vergelijk Duits Schopmann.

Scourion, Scherjon: Middenpicardisch scourion, Frans escourgeon: wintergerst.

Scurneau, Scourneaux, Scournaux, Scourgneaux, Scorneau, Scorneaux, Scornaux, Scornos: Plaatsnaam Scourneau in Tubeke (Waals-Brabant).

Scouvart. Afleiding van Oudfrans esco(u)ver: vegen.

Scouvemont, Scoufmont: Plaatsnaam Scovaimont in Bierges (Waals-Brabant), Scovemont in Ellemelle (Luik), Walshoutem, Scovémont in Hoei (Luik).

Scoville. Plaatsnaam in Mohiville, Namen.

Scravatte. Waarschijnlijk van Ascrawat = Lescroart.

Screpel, Scrépel: Bijnaam. Middelnederlands schrepel: mager. Of afleiding van Picardisch skrèpé: gierig?

Scribe, Scrive, Scrifve, Scrive, Schryve, de Scryve, Lescrève, Screve, Schrève, Screve, Screve, Screve, Scref, Schréve, Schrève: 1. Beroepsnaam. Oudfrans scribe, scrive: schrij ver, griffier, klerk, scribent; Middelnederlands scribe: schriftgeleerde. 2. De naamvormen worden evenwel doorkruist door Waalse aanpassing van de familienaam De Schrijver, maar vooral van (de) Schrevel.

Scruel. Bijnaam. Oudfrans escurieul, Frans écureuil: eekhoorn. Vergelijk Schoreel. Scruel is samengetrokken van Scuruel.

Sculfort. Plaatsnaam Schéfol in Atrecht: 1119 Sculfolt; of 1153 Sculfol in Erken (Henegouwen).

Sculier. Oudfranse beroepsnaam escuelier: schotelmaker, van Oudfrans escuele, van Latijn scutella: schotel. Vergelijk Schotelaer, Schüssler.

Sculteur, Sculter. Beroepsnaam. Middenfrans sculpteur: beeldhouwer.

Scutenelle. Variant van Scutenaire, met r/1-wisseling?

Seagar. Vadersnaam. Engelse vorm voor Zeger.

Seaux, Séaux, Saeaut, Seau, Séaut, Séau, Siau, Siauw, Sea, Séa. 1. Familienaam uit het Oudfranse seel: beroepsnaam voor de verzegelaar of de zegelsnijder. Vergelijk Zegels. 2. Familienaam uit het Oudfranse seel, Frans seau, van Latijn sitellum; emmer, ketel. Beroepsnaam voor de ketelslager/-lapper. 3. Vadersnaam uit de Romaanse vorm van het Germaanse ‘sigi-wald’: zege-heerser. Sewaldus.

Séba, Seba: Vadersnaam. Waalse vorm van Sébaud, Sibaud, Rom.aanse vorm van Germaanse voornaam Zeboud.

Sebastian, Sebasiani, Sebastiano, Sebastien, Sebestyen: Vadersnaam. Griekse heiligennaam Sebastianus.

Sebrechts, Seberechts, Sebreghts, Sebregts, Seebrechts, Siebrecht, Sébert, Sebret, Segebarth, Segbers, Siberdt, Sibert, Seibert, Seyberth, Syberts, Syberden, Sybertz, Siebert, Sieber, Siébert, Siebertz, Sybers, Sijbers, Cibers, Cybers, Siepers, Sipers, Ciepers, Cipers, Sypers, Ziepries, Cypres,Cyprès, Sepers, Seper, Seber, Sibeth, Sibiet, Siebers, Siebes, Sibergs, Syberg, Sybiegs, Zeeberg, Zeberg. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sybert, sigi-berth: zege-schitterend. Sigiberht, Sigeberd, Sibert, Sigibertus, Siebertus, Si(ge)bertus. Zie ook Sibbens.

Sebus, Sebis: Vadersnaam. (Neder-Rijn). Latijnse van Sebe, bakervorm van Germaanse voornaam; zie Sibens.

Sebruyns, Serbruyns, Serbruijns, Serbryns: Vadersnaam Ser Bruins: (zoon) van heer Bruin. Germaanse voornaam Bruno. Zie Bruin(en).

Secelle, Seselle, Sézille, Sezille. Moedersnaam uit de Latijnse heiligennaam Cecilia.

Secember. Waarschijnlijk verhaspeling van December, met anticipatie van de s-klank. Zie Décembre.

Sechehaye, Seghaye: Plaatsnaam Sèche Haie: droge haag, in Weillen (Namen).

Sechter, Sester, Sister, Zester: Inhoudsmaat, Middenhoogduits sëhster, sëster, sister, së(c)hter, Middelnederlands sester, sister, suster (met geronde vocaal. Van Latijn sextarius 'zesde deel': maat voor wijn, olie, graan.

Secker, Seckler, Seker: Duitse beroepsnaam Sâck(l)er: zakkenmaker, maker van geldbuidels.

Seck, de, Secq, Secke, Seke, Sek: Frans Le Sec: de Droge. Bijnaam.

Seconde, Seecondi, Secondini, Segond, Sagon: Laijnse heiligennaam Secundus, Secondinus. Of bijnaam voor de tweede in een gezin.

Secret, Segrette: Reïnterpretatie (secret: geheim) van Sacré; vergelijk Secretin/Segretin.

Secrêtin, Secretin, Sécrétant, Segretin: Bijnaam. Oudfrans secretain, van Latijn sacristanus: koster. Zie ook Sigrist.

Séculier, Seculier: Oudfrans secul(i)er, van Latijn saecularis: werelds, mondain, niet-geestelijke. Bijnaam.

Seddeler, de. 1. Beroepsnaam van de zetelmaker, maker van ligmeubels. 2. Variant van De Zadeleere.

Seebodts, Sepot, Sebo, Sibo. Vadersnaam uit het Germaanse sigi-bodo; zege-bode. Sigibodo, Segebodo, Sib(b)odo. Bode-namen werden vaak verward met boud-namen, zie dus ook Zebouds.

Seeder, Céder: Ontrond van Duits Söder, afleiding van plaatsnaam Sodé: nat riet.

Seelaert, Ceelaert, Celaert; Vadersnaam. Germaanse voornaam Selardus.

Seelbach. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Seelde. Wellicht Oostvlaamse variant van Sillen, met là van gemouilleerde l.

Seeldraeyers, Seeldrayers. Beroepsnaam van de touwslager (ook Zeelmaekers). Vergelijk Zeelmaekers.

Seele, Selen, Seels: Vadersnaam. Korte vormen van de voornaam Marcelis, Marcillis = heiligennaam Marcellus.

Seelmans, Seleman, Sellemans: Beroepsnaam van de touwslager. Vergelijk Seeldraeyers.

Seem, Seen, Sehn: Middelnederlands en Vlaamse zeem, seem ‘honing’. Beroepsbijnaam van de imker of honingbereider. Vergelijk Duits Seim, Nederduits Sehm.

Seer, van, Vanseer, van Ceer, van Zeer, Vanzeer, van Zeir, Vanzeir. Naam uit de plaatsnaam Seer in Montzen (Montsen, Luik).

Seerden. Vadersnaam. Wellicht variant van Geerden; vergelijk Zeerards, Zerard.

Seery. Ierse familienaam, verengelst van Gaëlisch O Saoraidhe, van saordha 'edel’.

Segaert, Segaar, Segar, Segard, Ségard, Séga, Segat, Siegert, Siegertsz. Vadersnaam naar de Germaanse voornaam Sigihard (sigi-hard; zege-sterk). Sigihard, Segart, Sigardus, Segardus.

Ségal, Segal, Segall, Segalen, Sigal: 1. Frans dialect. (Languedoc) ségal: Frans seigle: rogge. 2. Zuid-Franse variant van Ségaux/Sicault.

Ségaux, Segaux, Sechaud, Sicault, Sigon, Zigo: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sigi-wald 'zege-heerser': Sigaldus, Segaldus.

Segboer: Waarschijnlijk volks etymologisch vervormd.

Segeler, Ziegelaar: Beroepsnaam van de zegelaar of zegelsnijder.

Seger, Segers, Seghers, Segher, Ségers, Seghir, Seeger, Seegers, Seiger, Seigers, Zeghers, Zegers, Zeegers, Zeggers, Zeghiers, Zeiger, Zeguers, Zéguers, Zéggers, Zégers, Séguerse, Seguerse, Segre, Zegres, Zegre, Zégrès, Sieger, Siegers, Zeugers, Segier, Sigier, Sigiez, Sigit. 1. Vadersnaam van de Germaanse voornaam ‘sigi-haria; zege-leger'. Ségier/Sigier is een Romaanse vorm. Siegers is een oostelijke en Duitse vorm. 2. Segers kan ook een enkele keer ontstaan zijn uit Shegers= de zoon van de Heegher ( = ook D'Heigere = de Reiger = iemand met spillebenen). 3. Zegers en Segers kunnen ook de afleiding zijn van 'de zegher, de zager' = een beroepsnaam dus.

Segher, de, de Zeger, de Zegher: 1. Brabantse variant van De Zager. Beroepsnaam houtzager. 2. Soms wellicht ook reïnterpretatie van de Germaasne voornaam Zeger als 'de overwinnaar', met secundair lidwoord. Zie Seger(s).

Segui, Seguy: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sigi-wî 'zege-strijd'.

Seguin, Seghin, Segain, Zeguin, Segouin: Vadersnaam. Frans vorm van de Germaanse voornaam sigi-wini 'zege-vriend': Sigoinus, Seguinus.

Seguinot. Vadersnaam. Afleiding van Seguin.

Segvelt, van. Plaatsnaam Zegveld, Utrecht.

Séha, Seha, Céha, Ceha: Vadersnaam Séhard, van Germaanse voornaam sigi-hard. Zie Segaert.

Seichepine. Plaatsnaam Sèche épine: dorre doornstruik.

Seidel, Seidl, Sajdl, Seydel, Seydels, Zajdel, Seijdell: Vadersnaam. Duitse verkleinvorm van Germaanse voornaam Siegfried.

Seidelin. Vadersnaam. Afleiding van Seidel.

Seidler, Seitler. 1. Afleiding van plaatsnaam Seidel (Pommeren). 2. Zijdespinner.

Seidenspinner: Duitse beroepsnaam van de zijdespinner.

Seif, Seifen, Seifman, Zajf, Zajfen, Zaijfman: 1. Duits Seife ‘zeep’. Beroepsbijnaam van de zeepzieder. 2. Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Seifert.

Seiffermann, Seifman, Soiferman: Vadersnaam. Afleiding van Seifert.

Seifter. Waarschijnlijk variant van Seifer, misschien door metathesis van Seifert.

Seigné, Seignez, Signet, Zinjé, Zinje: 1. Oudfrans s(e)ignet: zegel. Vergelijk Zegels. 2. Verschrijving voor Seignier.

Seigneur. Franse pendant van De Heere. Italiaans Signore.

Seikert. Vadersnaam. Duitse familienaam van Germaanse voornaam Sigihard. Zie Segaert.

Seiller, Seillier, Seillé, Seiliez, Seilleur: Afleiding van Oudfrans seille, Latijn situla: emmer. Beroepsnaam van de ketelslager.

Seine, Seinen, Seijnen, Seynen: Vadersnaam. Germaanse voornaam Seino, Seyno, van Segino, Sigino, bij sigi-naam, zoals Sigenfredus, van Seinfridus.

Seinaeve, Seinave, Seynaeve, Seynave, Seynhaeve, Seynhave, Seijnhaeve, Seijnaeve, Seyhave, Seynhaghe, Sinnaeve, Sinnave, Sinaeve, Sinave, Synnaeve, Synaeve, Syenave, Synave, Sinaf, Synaeghel, Sinnaghel, Synnaghel, Seynnave, Synnave, Sijnhaeve, Sijnaeve, Sijnhave, Sijnhave, Synhaeve, Senaeve, Senave, Senaffe, Zinaève, Sinove, (van) Synhove. 1. Beroepsnaam uit het Oudfranse chenave, chaneve, van vulgair Latijncanapus; cannabis, hennep. Vergelijk Chenove, van cannabu: hennep. Beroepsnaam voor de hennepteler. Vergelijk Chen(n)evier, Chenavier, Chenevard, Duits Hanf, Hanfbauer. 2. Beroepsnaam voor de mosterdmaker of -handelaar uit het Oudfranse senavre: mosterd, van Latijn, Grieks sinapi: mosterd. Vergelijk Duits Senf (zelfde herkomst), Oudhoogduits senef, Oudsaksisch, Oudengels senap. Onderstaande oude Waals-Vlaamse vormen kunnen evenwel alleen op ch- teruggaan. Maar sinapi-plaatsnamen vertonen ook ch-anlaut: Sennevières (Oise): 1061 Sineverie, 1284 Chaneuvieres, 1667 Chesnevieres, waarbij natuurlijk verwarring met Chenevière (hennepveld) niet uitgesloten is.

Seip, Seipt: Vadersnaam.uit de voornaam Seipold, Seibold: Zegeboud.

Seitz, Seytz, Seits, Zajc: Vadersnaam van Sigizo, Sizo, afleiding van Germaanse sigi-naam.

Seize. Frans; zestien.

Séjourné, Séjournant, de Séjournet, de Sejournet: Bijnaam. Voltooid deelwoord en tegenwoordig deelwoord van Oudfrans sejorner, sojorner: verblijven, ontvangen, onderdak verlenen.

Seker. Plaatsnaam in Jerxheim (Duitsland). 2. Zie Seckler.

Sela: Variant van Sala?

Selbach: Plaatsnaam Seelbach (Baden-Württemberg, Hessen, Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts, Saarland).

Selbeck. Plaatsnaam in Muhlheim/Ruhr (Noordrijn-Westfalen).

Seldam, ten: Plaatsnaam ten Seldam/Zeldam bij Goor, Overijssel: 1381 Zellincdam.

Seldenslach, Seldenslagh, Seldeslachts, Seldeslagh, Sellenslach, Sellenslagh, Sellensslach, Selderslaghs, Selderslagh, Selderslag, Selleslaghs, Selleslagh, Selleslag, Selleslaghs, Selleslach, Selleslachs, Selslagh, Selfslaghs, Selfslag, Selfslags. Bijnaam voor iemand die "zelden" slaat, of als spotnaam voor een vechtersbaas.

Selder, Selders. Middenhoogduits selder: bewoner van een boerenwoning, hoevetje, hut.

Seldrum. Waarschijnlijk een oostelijke hem naam.

Self. Vadersnaam. Engelse vorm van de Germaanse voornaam, Oudengels Szwulf 'zee-wolf.

Selgert: Vadersnaam. Duitse voornaam Seliger.

Selhorst. Plaatsnaam in Wierden, Overijssel, Herbern, Noordrijn-Westfalen.

Seliger, Selinger, Seliner. Vadersnaam. Germaanse voornaam sali-ger 'zaal-speer': Saligerius, Seligerus.

Selis, Sellis, Selle, Sellies, Sellis, Sels, Ceelen, Zelisse: Vadersnaam. Spelling voor Celis, van Marcelis, heiligennaam Marcellus. Zie ook Seele.

Selk, Selck, Zelck: 1. Plaatsnaam Zelk in Halen (Limburg). 2. Zie ook Selke.

Selke, Seleck, Seleck, Selicq, Selefcque, Selecque: 1. Selke = Selleke, afleiding van Selle, Geselle: gezel, vriend. 2. Plaatsnaam Zellik (Vlaams-Brabant).

Sellekens. 1. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Marcellus. 2. Afleiding van Middenhoogduits selle: gezel. Zie Selke 1.

Seller, Sellers: Engels seller, van Oudfrans selier, seller ‘zadelmaker’.

Selette. Oudfrans selette; bankje, bijnaam of beroepsnaam.

Sellier, Selliez, Sellière, Selliere, Selly, Sely, Selij, Celli, Celly, Scellier, Lesellier, Lesselliere, Lesseliers, Lecellier, Leceiller, de Selliers, de Sellier. 1. Familienaam uit het Oudfranse sellier, Frans sellier: zadel-, gareelmaker. 2. Of uit Oudfrans selier, van Oudfrans seel, Frans sceau: zegel. Beroepsnaam van de zegelaar, de zegelsnijder.

Selling, Sellink. Achterhoekse familienaam. Fries Sellinga. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Sello, Friese voornaam Selle.

Selm, van, Selms, van: Plaatsnaam Selm (Noordrijn-Westfalen) of Zelhem (Gelderland): 1291 Selem.

Selman. Variant van Seelman of Salman?

Selschotter. Familienaam uit het Middelnederlandse selfschotter: bedienaar van een selfschot, een belegeringstuig. Beroepsnaam.

Selten, Zelten. Bijnaam, zeldzaam, vreemd.

Selves. Plaatsnaam Selve, van Latijn silva: woud, bos. Oude vorm van Celles-lez-Waremme (Luik).

Selzer, Seltzer, Selter: Duitse en Nederduitse vormen met umlaut, van Duits Salzer: zoutzieder, zouter.

Semai, Samale, Simal: Variant van Smal(e) (zie De Smaele), met svarabhaktische vocaal.

Semail, Semaille, Samaille, Samaillie: Frans semaille: het zaaien, gezaaide. Beroepsnaam van de zaaier? Of verschrijving voor Semay/Samaey?

Semeesel. Onduidelijk. Afleiding van De Mesel (Smesels) of variant van Semeese?

Semel, Semels. Plaatsnaam Semel in Werkhoven (Utrecht). 2. Vadersnaam. Afleiding van een voornaam, zoals Zegemond; vergelijk Seminck(x). Vergelijk Semelyn.

Semelyn, Simelyn, Simelijn, Semeelen, Semmeling, Semoulin, Simoulin: Waarschijnlijk vadersnaam, afleiding op -lin. Vergelijk Seminckx, Semel(s) 2. 1340 Jan Semelin die men heet van Belle.

Semenow, Semenowa: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Simon.

Semer, Seemer, Semaires, Semaire, Siemers, Siemer, Seymer, Simmers, Simmer, Ziemer, Zeimers, Zemer, Zémer: Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-mêr 'zege-beroemd'; zie Simar.

Semerie. Plaatsnaam Sémeries (Nord).

Semet, Semette. Waalse aanpassing van Smet. Zie Simettre.

Semetier. Zie Van Semmertier. Maar 1240 Aubert Cementier de Sermaize lijkt een afleiding van Oudfrans cément, van Latijn caementum: grove steen.

Seminck, Seminckx, Semninckx, Syme, Semen, Simin, Simme, Simmen. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sigmund (Zegemond) Sigis-mund of Sigi-helm, (vergelijk Simknes). Zie ook Symynck.

Semmertier, van, van Semmortier, van Seymertier, (van) Seymortier, van Cemestier, Semetier, Seijmortier, Semortier, de Saintmortier, Semeteys. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Elzele (Henegouwen).

Sempel, Sempels. 1. Zie de Simpel(e). 2. Misschien plaatsnaam Champles in Bierges of Rozieren (Waals-Brabant).

Semper. Variant van Sempel?

Sénac, Senacq, Sinac, Sinacq, Sinakx, Sienack. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Sénac (Gironde-Htes-Pyr). 2. Of vadersnaam uit de oude voornaam Senacus.

Senaeme, Seniamme, Senane, Senrame, Ceenaeme, Zeenaeme, Zeename: Oudfrans cename, van Latijn cinnamum: kaneel. Vergelijk Zimt. Eventueel van Italiaanse familienaam Cenamin van Ouditaliaans cennamo: kaneel. De vrouw van Giovanni Arnolfïni op het beroemde schilderij van Jan van Eyck heette Giovanna Cenami, uit Lucca.

Sanauld, Senault, Sena, Senay, Sinia: Cdersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sin-wald: Sinoldus, Senaldus.

Send. Senden. Vadersnaam van Germaanse sinth-naam. Sindo.

Senden, van. Plaatsnaam Senden in Westfalen.

Sender, Senders. Vadersnaam. Variant van Sander(s). 2. Eventueel Germaanse voornaam sinth-hari 'weg-leger': Sindharius, Sendarius.

Séné, Sene, Senet, Senez, Cenez: Oudfrans séné: wijs, verstandig. Bijnaam.

Sénéchal, Sénécal, Senechal, Senecal, Sennechales, Sennéchales, Sennéchales, Sénécharles, Lesenechal, Lesenecal, Sinéchal, Sinechal, Sinarles, Sinécharles, Senecaut, Senecaux, Senecat, Seneca, Sénéca, Sénécaux, Senneco, Senicor, Sienicou, Cenecout, Sinicco, Sinico, Sinica, Sénésal, Senesal, Seneschael, Sennsesael, Sensesael, Sinnesael, Synnesael, Sijnnesael, Sijnesael, Seynesael. Uit het Oudfranse sénéchal, het Germaanse siniskalk: oudste dienaar. Het Middelnederlandse seneschael: voornaamste hofambtenaar, intendant, prefect, (later) militair bevelhebber.

Seneca, (van), Sénéca, Senecat, Sénèque, Seneque, Senica, Sinica, Senique, Senik, Senyk: 1. Vadersnaam. Naam van de Latijnse dichter Seneca, leermeester van Nero. 2. Zie ook Sénéchal.

Sénépart, (de), Senepart: 1. Germaanse voornaam Senepartus, Sinbertus. 2. Plaatsnaam.

Senf. Duits Senf: mosterd. Beroepsnaam van de mosterdmaker of-handelaar.

Sengier, Sengiers, Singier, Seingier, Saingier, Sangier, Senzier, Sensier, Zingir, Zyngier, Sengez, Senzee, Senzée, Sensée: Vadersnaam. Niet de Romaanse vorm van Germaanse voornaam S(w)indger: Deze hoofdzakelijk Waals-Vlaamse familienaam is een aanpassing - met epenthetische n - van Ségier/Sigier/Sezier, Romaanse vorm van de voornaam Zeger (zie Seger(s). Vergelijk Sesier, Sergier.

Senicourt, Sénicourt. Familienaam uit de plaatsnaam Senicourt in Genvry (Oise).

Senior. Bijnaam Senior: de oude(re). Of spelling van Spaanse Sefior: heer.

Senlecque. Plaatsnaam Senlecques, Pas-de-Calais.

Senne, Sennen, Sene, Senen. Vadersnaam. Friese voornaam Senne.

Senneville. Plaatsnaam (Seine-Mar.). 2. Soms wellicht variant van Sonneville.

Senoc, Senocq. Verfransing van Snoek met svarabhaktivocaal.

Sens, Chens, Centen: Vadersnaam van Sents? Korte vorm van Vincens/Vincentius?

Sent: 1. Moedersnaam Sente = Latijnse heiligennaam Sancta. 2. Moedersnaam. Korte vorm van Germaanse voornaam Frethesent, HEngelsenda, Megensinda, Meinsent, Rofsind. 3. Vadersnaam. Cent, van Vincent.

Sente, Senten, Centen, Zenden, Senden, Santé, Sante, Zante. 1. Moedersnaam uit de meisjesnaam Sente (afkomstig uit de heiligennaam Sancta). 2. Sancta kan een latere herinterpretatie zijn van een oorspronkelijke Germaanse voornaam op -s(w)inth, zoals Frethesent, Hengelsenda, Megensinda, Meinsent, Rofsind. 3. Vrouwelijk van Cen, van Vincent.

Seny: Plaatsnaam Seny (Provincie Luxemburg).

Sents. Vadersnaam. Afleiding van Sent, van Vincent of van Sanctus of sinth-naam.

Senzot, Sanzo, Sanzot, Sinzot: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Sanctio, Santius of van Sanctus, Oudfrans sainz, Oudwaals sinz.

Sep, Seppe, Seps, Sepsz: Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Josep(h), Jozef.

Sepers: Vadersnaam. Seper, van Seber, van Sebert, Sebrecht. Germaanse voornaam sigi-berht ‘zege-schitterend’: Sigiberht, Sigeberd, Sibert, Sigibertus, Siebertus, Si(ge)bertus.

September. Wellicht vondelingennaam naar de maand.

Septfontaine. Plaatsnaam Septfontaines: zeven bronnen, onder meer in Eigenbrakel (Waals-Brabant), Doornik (Henegouwen), Fagnon (Ardeche).

Septon, Seton, Setton: Plaatsnaam (Luxemburg), Waals sèton.

Sépulcre, Sépulchre, Sepulchre, Sepulchre, Sépulque, Sépulle, Sépul, Sepulle, Sepul, Sêpult, Sepult, Dusépulchre, Dusépulcre, Dusepulchre, Dusépulckre: Sépulchre = le saint Sépulchre: het Heilig Graf. Plaatsnaam, onder meer parochie in Nijvel.

Sequaris, Séquaris: Naar de tekst op een vlag of standaard Sequaris 'volg mij'.

Sequeira, Sequera. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam in Portugal en Noord-Spanje, die zoveel betekent als "droog".

Serafini, Serafin, Serafim, Serafino, Sérafin, Sérafini, Séraffin, Séraphin: Vadersnaam. Heiligennaam Serafinus, afleiding van Hebreeuws seraph 'edel, vlammend'. De Serafs of Serafim waren in het Oude Testament hogere engelen. Middelnederlands seraphijn als naam van engel van hogere rang. Of bijnam voor een vrome, een devoot.

Seran, Seranne, Serhan, Serhane, Seranty, Serrand, Serranne, Serrane, Sarrant: Frans séran, Oudfrans serand: kaarde, kam om wol, vlas, hennep te hekelen. Beroepsnaam.

Serbrock. Zoon van Brokke, Brok, zie de geslachtsnamen Brockema, Broksma, Brox en Broks en de plaatsnaam Broxeele (Brok’s zaal) in Frans-Vlaanderen en Brockum (Brokkeheim) bij Hannover.

Serclaes, 't Serclaes, T'Serclaes, Tserclaes, de t'Serclaes, Circlaeys: Vadersnaam, 's her(en) Claes: zoon van heer Claes.

Sercu. Sercus is de Franse vorm van plaatsnaam Zerkel (Frans-Vlaanderen).

Serdobbel, Serdobbels, Cerdobbel; Sheren Dobbel, zoon van de heer Dobbel, Dobbel, Dubbel, Dubbeld. Afleiding van Friese voornaam Dobbe, of uit Dietboud of Theobald. Of afleiding van Germaanse voornaam Dotbert.

Séréssiat, Séréssia, Sérésia, Seressiat, Seresiat, Seresia, Sérécia, Séréciat, Seredat, Ceressia, Ceresia, Ceressiat, Ceresiat, Céréssiat, Cérésiat, Ceressiaux, Ceresiau, Cereciat, Céréciat, Cérécieaux, Céréciaux, Cerreciat, Ceresa, Cereja, Séréciaux, Sérusiaux, Serusiaux: Plaatsnaam Seressia in Forville (Namen).

Seret, Serez, Serey, Séré, Sere: 1. Zie Cehert. Plaatsnaam Seraing, Waals Sèrè (Luik).

Serdongs, Serdons. 1. Zie Cardon. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Sourdon (Somme).

Serfranckx, Servranx, Servrankx, Serveranckx, Servranckx, 't Servranckx, t'Servrancx, t'Servranckx, t'Servrankx, t'Servranckx, t'Servranex, Sevranckx: Vadersnaam Ser Vranks: (zoon van) heer Vrank. Zie Frank.

Sergeant, Sergent, Sergant, Sergaent, Le Sergeant, Sierzant, Sargant, Sargent: 1. Beroepsnaam van de sergeant ‘bode, gewapende dienaar, lijfwacht, krijgsknecht’. 2. Eventueel herinter-pretatie van Serjans, Sirejean.

Sergeys, Sergeysens, Sergeysels; zoon van Geys, Gijs, Gis of Gisil.

Sergoigne, Sergogne, Sergonne, Sergonynne, Sergoyne. Vermoedelijk een vervorminge van het Franse sigogne, cigonge: ooievaar. Bijnaam voor iemand met lange hals of benen.

Sergeeraert, Sergeraert, Sergheeraert, Sergheraert: Vadersnaamr. Zoon 's heren Geraard.

Sergeef, Sergejew: Slavische familienaam Sergueeff, Serghuieff, Sergejew, afleiding van Latijnse Sergius.

Sergier, Sergi, Sergie, Cherchie, Cherchi, Cherchye, Cherchié: Vadersnaam. Zoals Sengier/Singier, van Ségier/Sigier, hier met epenthetische r. Chercie is hypercorrect. Zie ook Sesier.

Sergoigne, Sergogne, Sergonne, Sergoynne, Sergoyne: Waarschijnlijk van Sigogne met epenthetische r. Frans cigogne: ooievaar. Bijnaam voor iemand met lange hals of lange benen. Vergelijk Ovaere, Duits Storch.

Sergooris, Sergoris. Vadersnaam uit Ser ('s Heren) Gooris. Zie verder bij Goris.

Sergyssels, Sergysels, Sergijssels, Sergijsels, Sergeyssels, Sergeysels, Sergeyssens. Vadersnaam: 's Heren Gijsels (Gijzelbrecht) zoon.

Serheylaerds. Vadersnaam. Afleiding nan Heer Heylaerd, Germaanse voornaam.

Serie, Serier, Serry, Ceriez: 1. Bijnaam. Oudfrans serrier ‘slotenmaker’. 2. Cerier, Occitaans vorm voor cerisier ‘kersenboom’.

Sérielle, (van) van Schel: 1. Plaatsnaam Schelle (Antwerpen, Overijssel). 2. Zie Van Schil.

Serieys. Occidentaalse familienaam van Séries, Seriers, Frans Cerier: kersenboom

Serjacobs, Seriacop, Sirjacob, Sirejacob, Sirejacobs, Sierjacobs, Sire Jacob: Vadersnaam Serjacobs: van de heren Jacobs. Vergelijk Sirjacques.

Serlambrechts. Vadersnaam. Afleiding van heer Lambrecht.

Serlé: Vadersnaam. Spelling voor Serlet, Cherlet, van Charlet, verkleinvorm van de voornaam Charles.

Serlippens, Serluppens, Serluppus, Scheerlippens, Scherlippens. Vadersnaam uit Ser Lippers: zoon van heer Lippe.

Serlooten, Sarlote. Aanpassing van Charlote.

Sermant, Serment, Szerman, Szerment, Charmant: Frans serment: eed, gelofte. Bijnaam voor een beëdigd beambte.

Sermettens, Sermertens. Vadersnaam uit 's heren Maartens. Zie verder bij Maartens.

Sermeus, Sermeuse, Chermeux: Vadersnaam Ser Meus: 's heren Meus, soon van heer Meus, Bartholomeus. Chermeux is hypercorrect.

Sermijn, Sermyn. Variant van Samin met r-epenthesis? Vergelijk Scharmin.

Sermon, Sermonne. Variant van Simon. Zie verder bij Simon.

Serneels, Cerneels. Vadersnaam, 's Heren Neels (Daneels of Corneels).

Serné: Wellicht uit Frans Charnet, verkleinvorm van charme ‘haagbeuk’. Of uit Cheronnet, verkleinvorm van cheron, carron ‘voerman’.

Serniclaes, Sernicola: Vadersnaam 's heren Niklaas. Vergelijk Serclaes.

Serooskerke, van: Plaatsnaam Serooskerke (Schouwen, Zeeland).

Seron, Seront, Séron, Serroen, Serron, Ceron, Céron. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Seron in Forville (Namen) of Soy (Luik). 2. Zie ook Siron.

Seroux, Serrou, Serroux, Serrout: 1. Plaatsnaam Céroux (Waals-Brabant) of Seroux in Thimister (Luik). 2. Zie ook Sirou(x).

Serpe. Beroepsnaam. Frans serpe; snoeimes.

Serpieter, Serpieters, Sepieter, Sipieter: Vadersnaam 's heren Pieters: zoon van heer Pieter.

Serraes, Serras: Vadersnaam. ’s heren Raes. Zie Raas.

Serraf, Seraph. Bijbelse voornaam. Zie Serafin.

Serrar, Serra, Serrat. Aanpassing van Gerard.

Serrarens, Serraris, Seraerts, Seeraert, Sceraert: Vadersnaam Ser Aren(d)s‘sheren Arends, Aarts’ de zoon van de heer Arend.

Serré, Serrée, Serre, Serree, Serret, Serres. 1. Zie Cheret. 2. Plaatsnaam Serrée in Bothey (Namen). 3. Variant van Seret.

Serreyn, Serreyns, Sereyn, Serryn, Serrijn, Syryn, Sijrijn: 1. Ser(r)eyn is een hoofdzakelijk Waals-Vlaamse fmailienaam. Vadersnaam Ser Hein(s): 's heren Hein(s), Hendrik. Eventueel Ser Reyn(s): 's heren Rein, van Reinaard/Reinoud. 2. Variant van Sor(r)eyn = Sorin. 3. Plaatsnaam Seraing (Luik). Zie ook Serrien.

Serrien, Serien. De Antwerpse familienaam Serrien is een verhaspeling van Jorion. Van 1720 tot 1770 wordt de familienaam Serrin gespeld. Vanaf 1770 komt in Niel de vorm Serrien voor.

Serrier, Serriez, Serri, Serrié, Serry, Serries, Serier, Serie, Séry, Sery, Seri, Cériez, Ceri, Ceriez. 1. Beroepsnaam uit het Oudfranse serrier: slotenmaker. 2. Cerier, Sirieix, Occidentaalse vormen van cerisier: kersenboom. Vergelijk Cerisier.

Serroels, Serroelofs, Sherroelofs. Vadersnaam: letterlijk van de heer Roel, Roelof. In 1223 was Rolinus filius Rudolphi (uit het geslacht Serroelofs) schepen van Brussel.

Serroyen, Sroyen, Serroeyen, Seroeyen, Serayen, Seray: zoon van heer Oye, van Ode, odo, Udo.

Serrure. Beroepsnaam van de slotenmaker. Vergelijk Serrurier.

Serrurier, Serrurie, Serurier: Beroepsnaam. Frans serrurier: slotenmaker.

Serruys, Serruijs, Serrus, Serrues, Serru, Seru. Vadersnaam Serhuigs: zoon van heer Huig, Hugo. Zie ook Huis. Of van seruis; loodwit, dus een schilder.

Sersanders, Sersante: Vadersnaam 's heren Sanders.

Sersté, Serste: Waalse aanpassing van Serstevens.

Serstevens, 't Serstevens, t'Serstevens, t'Sertevens, T'Serstevens : Vadersnaam Ser Stevens: 's heren Stevens.

Serty. Wellicht Waals van Chertier, Charrier.

Serulier. Beroepsnaam. Variant van Serrurier.

Servaege, Servage, Servaeyge, Servayge, Servaeyse, Servayse: Frans servage, Italiaans servaggio: horigheid, lijfeigenschap, knechtschap.

Servaas, Servaes, Servatius, Zervas, Zervos, Servasy, Servais, Servaye, Selvais, Selvait, Selway, Sollevay, Solvay, Sollewijn, Sollweyn, Solveyns, Servé, Servez, Serve, Serveau: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Servatius.

Servant, Servan, Serwan. Beroepsnaam. Frans servant; dienaar.

Servaton. Vadersnaam. Vleivorm van heiligennaam Servatius.

Serveau, Cerveau. Vadersnaam. Hypercorrect of afleiding van Servais.

Servenay, Servene. Luiks-Waalse afleiding van Séverin, met metathesis?

Serverius, Salverius, Salvérius: Latijnse heiligennaam Severius/Severus met epenthetische r. Salverius is beïnvloed door Salvator.

Serveyt, van. Plaatsnaam Servais, Aisne?

Serville, van Servellen: Plaatsnaam (Namen, Eure-et-Loir).

Servotte, Servos, Servoz. Vadersnaam afgeleid van de heiligennaam Servatius.

Servranckx, Servranxk: zie Frank. Het gedeelte (t)Ser- staat voor "van de heer".

Serweytens. Vadersnaam 's herens Weitens (zoon). Fries Weit, van Wouter. Zie Wuyten(s). Ook de naam Weitema, Weytingh, Weitema, Weitsema, Weits en Weitz zijn van die weit afgeleid en de plaats Weitingen bij Horb in Wurtemburg en Weyteghem in Oost-Vlaanderen.

Serwier, Serwir, Serwird, Serwy, Servy: Beroepsnaam. Waals sèrwî, Frans serrurier: slotenmaker.

Serwouters. Vadersnaam Ser Wouters; (zoon van) heer Wouter. Zie ook Cheroutre.

Séry, Serry: 1. Zie Serrier. 2. Plaatsnaam Séry (Ardeche, Yonne, Aisne, Oise).

Sesée: Vermoedelijk van Sesier, Sésier, van Ségier, Sigier, Romaanse vorm van de voornaam Zeger (zie op dat woord).

Sesier, Sezier. Vadersbnaam. Waals-Vlaamse aanpassing van Ségier/Sigier, Romaanse vorm van de voornaam Zeger. Zie ook Sengier, Sergier.

Sestigh, Sestig, Tsestigh, t'Sestig, t'Sestigh: Plaatsnaam Sistig in Kall (Noordrijn-Westfalen). De Leuvense humanist Sexagius heette Van Tsestich en woonde in het huis met Romeinse cijfers LX.

Seters, van: Plaatsnaam Seters (Noord-Brabant).

Sette, Set, Seth, Seeten. Oudfrans set(t)e: otter. Bijnaam voor een otterjager. Vergelijk Frans Loutre, Duits Otter.

Setten, van: Plaatsnaam Zetten (Gelderland).

Seubert: Vadersnaam. Gerond uit Siebert, Sybert, Sebert, Sebrecht. Germaanse voornaam sigi-berht ‘zege-schitterend’.

Seuckens. Vadersnaam. Vleivorm van een bakervorm Succho van een Germaanse voornaam, wellicht Sutgarius, Suc(c)herius.

Seule, Seulen. (Midden)Waals-Vlaams seule: houten emmer. Beroepsnaam van de kuiper.

Seume, de. Vervorming van De Seune?

Seumaye. Plaatsnaam Seumay in Perwez en Ottignies (Waals-Brabant).

Seumois. Plaatsnaam Seumois in Emines, Namen.

Seuningen, van. Misschien Zoningen, een aanpassing van plaatsnaam Soignies (Henegouwen), Nederlands Zinnik.

Seur, Seuren, Seur, Seurs. Vadersnaam. Limburgse korte vormen van Severinus.

Seur, la, Seuren, Souren, Seur, Zeuren, Seuwen, Severijns: Laseur, Laseure, van Leseur(re). Beroepsnaam. Oudfrans seurre, sure, van Latijnse sutor ‘naaier, schoenmaker’.

Seuret, Seurette. Zuid Franse afleiding van de voornaam Severin.

Seuss: Wellicht foute spelling voor Duits Suess, Süß ‘zoet, lief’.

Seutin, Seutins, Seutein. I. Moedersnaam. Picardische gepalataliseerde variant van Middelnederlandse voornaam Soetin. Zie Zoetens. 2. Eventueel plaatsnaam Seutin in Feluy (Henegouwen).

Sevanne, Sévanne, Sevenne: Aanpassing van Franse familienaam Chevenne, Chevanne, Frans chevenne: kopvoorn, vis met dikke kop. Bijnaam.

Sevecotte, van, van Sevencoten, van Zevenkoten, van Zevencote. Plaatsnaam Zevekote (West-Vlaanderen), in Sint-Martens-Latem (Oost-Vlaanderen), Ruiselede (West-Vlaanderen) etc.

Sevenant (van), van Sevenandt, Sevenhant, van Zevenhand, Sevenhandt, Sevenhant, Sevenhans, Sevenants, Sevenans, Sévenants, Sévenans, Savenants. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Sint of Saint-Venant (Pas de Calais). 2. De namen zonder 'van', komen mogelijk uit "zeven handen": bijnaam voor een handig man. Vergelijk Siebenfinger, Siebenfuss, Siebenhaar.

Sevendonck, van. Plaatsnaam Zeverdonk in Tnh. Antwerpen.

Sevenich, Sevenig, Sewenig: Plaatsnaam Sevenich (Titz, Noordrijn-Westfalen).

Seveno, Sevenoo, Sevenois, Sevenoy. Bretonse familienaam Séveno, van Seven: beleefd, beschaafd, gezond, gemanierd.

Sevens, Seevens, Sevenne, Zeven, Zevne, Zevenne, Zévenne, Zewen, Seeuwen, Sieven. Vadersnaam, knuffelvorm van Sievert (uit het Germaanse sig + wardan). Of variant Van Sieben(s) (zie Sibbens).

Sevenster. Plaats- en huisnaam Zeven Ster, Sterren.

Severi, Séveri, Severy: 1. Vanwege de hoge frequentie van deze familienaam in Limburg en Luik heel waarschijnlijk van heiligennaam Severinus, al is Severi eigenlijk afleiding van Severus. 2. Plaatsnaam Sev(e)ry in Javingue (Namen).

Severijns, Severyns, Severijnen, Severeyns, Severeijns, Severijns, Severin, Severins, Severing, Severini, Severino, Severain, Severan, Seeverens, Severens, Sevrin, Sevrain, Sévrin, Sevryns, Sevriens, Severne, Sewerin. Vadersnaam uit de Latijnse heiligennaam Severinus (Latijn severus: streng). Severinus was bisschop van Keulen, vandaar de populariteit van de voornaam in Rijnland en Limburg (familienaam Frings, Frijns).

Sevilla, Sivilla, Siville. Spaanse plaatsnaam, Andalusie.

Seving, Sevingen, Sevink. Vadersnaam. Afleiding van Severinus of Severt.

Sewalt, Seewald, Seywald: Variant van Duits Sewold. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sigiwald.

Seyde. Beroepsnaam van de zijdespinner of-wever? Vergelijk Duits Seidenspinner, Seidensticker.

Seijdlitz: Plaatsnaam Seydlitz in Brandenburg en Silezië, nu Polen.

Seijen, van; van Sijn: Vertaald uit de Seijn?

Seykens, Seijkens. Vadersnaam van Soikin, afleiding van Soyer.

Seyl, Seyll, Seylle. Duits Seil: touw, Zuidnederlands zeel. Beroepsnaam van de touwslager. Vergelijk Seiller.

Seylberg, van de, den. Plaatsnaam Zeilberg in Deurne, Noord-Brabant.

Seijmortier: Varianten: van Semmertier, van Semmortier, van Seymertier, Semetier, de Saintmortier. Plaatsnaam in Elzele (Henegouwen).

Seijmour, Seijmoer: Engels familienaam Seamour, Seamer, van Oudengelse voornaam sæmær ‘zee-beroemd’, of veeleer uit sigi-mêr ‘zege-beroemd’.

Seyner. Middennoordduits, Middelnederlands seiner: die met een zegen, sleepnet vist.

Seyns, Seijns, Cheyns, Cheys, Seys: Middelnederlands chens, sens, seins: schatting, cijns. Bijnaam voor een cijnspachter of cijnsinner.

Seijnstra: Friese afleiding van plaatsnaam Sein, de naam van twee meertjes onder Warns (Nijefurd, Friesland).

Seys, Seijs, Seyse, Seyssen, Seyssens, Seysen, Seysens, Ceyssens, Ceysens. Vadersnaam, verkorte vorm van Franseis, van François.

Shaw: Engelse plaatsnaam Shaw ‘kreupelhout, bosje’. Vergelijk ter Schegget en de Vlaamse familienaam van der Schage.

Shepherd, Sheppard. Engelse beroepsnaam; schaapherder.

Sheridan. Verengelst van Gaëlisch O Sirideâin, met onzekere betekenis.

Shooter. Bijnaam (uit het Oudengelse sceotan) voor iemand van het schuttersgild, een jager, een boogbezitter,.

Short, Shord. Engelse familienaam uit schort, short: bijnaam voor een 'klein' iemand.

Shuldiner. Duits Schuldner; schuldenaar, schuldeiser.

Siaen, Siaens, Sciaens, Sian, Sianne, Siane, Scianna, Scianne: 1. Vaders-, moedersnaam van heiligennaam Domitiaan (Domitianus, Domitiana)? 2. Varint van Zian.

Siar, Siard, Sias, Séa, Sea, Cejaert: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam sigi-hard 'zege-sterk': Seiardus, Siardus.

Siau, Siauw. 1. Zie Seaux. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam sigi-wald; zege-heerser.

Sibbens, Sibbes, Siben, Sibens, Sibenne, Sybens, Syben, Sijbens, Sijben, Zyben, Sibbing, Siebens, Sieben, Siebes, Siebs, Sieb, Sieps, Siep, Sips, Sip, Siepen, Seeben, Sebe, Sebben, Sebbe, Zeeben. Vadersnaam Sibbe, Siebe is de knuffelvorm van de Germaanse voornaam Zegeboud (Siboud), Zegebrand of Zegebrecht.

Sibesma, Siebesma, Sybesma; Friese vadersnaam Sibe.

Sibick, Sibiek: Vadersnaam. Afleiding van Sibbe; zie Sibbens. Sibich is een naam uit de Dietrichsage.

Sibil, Sibille, Sibilles, Sybille, (de) Sebille, Sebillen, Sibilde, Sibile, Sibiel, Sbille, Sbile, Sibilia, Sibilla, Sibila, Sibella, Sibelle, Sybelle: Moedersnaam. Griekse heiligennaam Sibulla, Latijn Sibylla 'waarzegster' of Latijnse voornaam Sibilia.

Siborghs, Siborgs, Sieborgs, Cieborghs, Ciborgs, Sibourg, Cibour, Cibos. 1. Moedersnaam uit de Germaanse voornaam sig-burg; zege-burg. 2. Of mogelijk ook uit de plaatsnaam Sébourg (Nord).

Siboul. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sibert.

Sibret, Zibret. Plaatsnaam. Luxemburg.

Sica, Siccama, Sicard, Siccard, Sickert, Zigter, Zigterman, Sicka, Sikaet, Succard, Succa, Suquart, Souka, Succaet, Sucaet, Secaet, Secat, Seca, Sécat, Cécat. 1. Vadersnaam Sicco of Sikke uit de Germaanse voornaam sigi-hard (zege-sterk). 2. Sommige varianten komen wellicht uit het Oudfranse soc: ploegschaar. Beroepsnaam van de ploeger.

Sichem, Sachem. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Zichem (Vlaams Brabant). 2. Of uit de Germaanse voornaam sigi-helm; zege-helm.

Sichem, van, van Sichen, van Siechem, van Sighem, van Sighen, Zighem. Familienaam uit Zichem (Vlaams-Brabant) of Zichen(-Zussen-Bolder, Limburg).

Sichien, Sichen, Sigin: Aanpassing van de vadersnaam Sicking, afleiding van Sicke, Sicco, bakervorm van Germaanse sigi-naam. Voornaam Sikke (Groningen, Friesland). Sibertus = Sicco; Sifridus = Sicco.

Sickel, van der, van der Sichel, van Sichelen, van Seggelen, Versickel, Versichel, Versigghel, Versiggel, Versichele, Verschilen, Versichel. 1. Naam uit de plaatsnaam Sikkel (bijvoorbeeld in Asse (Vlaams-Brabant). 2. Of huisnaam van de Sikkelmaker.

Sickesz, Sikkes, Sikkesz, Sykes, Syken, Sijken, Sicx, Six, Sicz, Cyx. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sicke (knuffelvorm van een Germaanse sigi (strijd)-naam.

Sicot, Zicot, Zicos. Vadersnaam. Afleiding van sigi-naam zoals Sicart, Sicault.

Siderius, Sidérius, Sideris, Sideri: Vadersnaam. Verkort van Desiderius.

Sidon. Latijnse heiligennaam Sidonius?

Siebel, Siebels, Sybels, Zybel, Cibels, Sijpels, Sypels, Sippel, Sibbel, Seijbel, Siepel, Siebelink: 1. Vadersnaam. Verkleinvorm van Siebe, vergelijk Duits Seiberl, Sieble. Zie Sibbens. 2. De Tongerse familie Sypels stamt evenwel van ene Cerbel, die als lutheraan wellicht een Duitser was. Misschien de Duitse familienaam Zerbe en dat kan op een Serbe 'Serviër slaan, op herkomst van Zerben (Saksen-Anhalt) of op de naam Servatius.

Sieben, Siben, Siebenga, Siebes, Sijbes, Sips: Vadersnaam. Sibbe, Siebe, bakervorm van de Germaanse voornaam Zegeboud (Siboud), Zegebrand (Sibrand) of Zegebrecht (Sebrecht).

Siebenaler, Sibenaler, Sibenaller: Duitse plaatsnaam Siebenaler: zeven elzen.

Siebers, Sieber, Siebes: 1. Duits Sieber: zevenmaker. 2. Siebert = Sebrecht.

Siebert, Siebrecht, Sebert, Sebrecht. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-berht ‘zege-schitterend’: Sigiberht, Sigeberd, Sibert, Sigibertus, Siebertus, Si(ge)bertus.

Sieberath, Sieprath: Plaatsnaam in Hellenthal (Noordrijn-Westfalen).

Siebols, Sybalda, Sybada, Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Zeboud, Sybouts, Sibolts, Siebold, van sigi-bald ‘zege-moedig’. Plaatsnaam Sebaldaburen in Friesland, Sibaldaweer een sat te Godlinze, Sibada state in Hennerarderadeel, Sinets-burg in Jeverland, Sibetshuis, bij Jever in Oldenburg.

Siebrand, Sybrands, Sybrandi, Sybrants, Sybren: Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-brand 'zege-zwaard': Sigibrandus.

Sieckelinck. Afleing van Middelnederlands siek: ziek, melaats. Bijnaam voor een ziekelijk mens. Vergelijk Siek en Duitse familienaam Siechling.

Siedentopf. Nederduitse vorm van Duits Seidenzopf: haarvlecht met zijden linten. Bijnaam.

Siedler: Duits familienaam Siedler, afgeleid van Middelhoogduits sidelen, Duits siedeln ‘zich vestigen’.

Siegburg. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Sieling: Vadersnaam. Afleiding op -ing van de Germaanse voornaam Sigilo, verkleinvorm van een sigi-naam.

Siegel, Siegels, Sigl. 1. Vadersnaam. Duits Siegl, afleiding van sigi-naam. 2. Duits Siegel: zegel. Beroepsnaam van de zegelsnijder. Vergelijk Zegel(s).

Siegenthaler. Plaatsnaam Siegenthan, Beieren?

Sieger, Siegers, zie Seger(s). Siegers is een oostelijke en Duitse vorm. 2. Ségers een enkele keer van Shegers, afleiding van De Heger: Zie D'Heyghere. 3. Zegers/Segers eventueel afleiding van De Zeger.

Siegerink, Sigersma, Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, de plaatsname Sigerswolde in Opsterland en bij Garijp, Zegerscapel in Frans-Vlaanderen, Siegersleben in Saksen etc. komt van den mannenvoornaam Sieger, Siegher, Sigher, Zeger, dat betekent Victor, de overwinnaar. Plaatsnamen Sigerswolde in Opsterland en gehucht bij Garijp, Zegerscapel in Frans-Vlaanderen, Siegersleben in Saksen.

Siegfried. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-frith 'zege-vrede'. Zie Sievert.

Siek, Siecke, Siech, Sieg: Bijnaam. Middelnederlands sick, Nederduits siek, Middenhoogduits siech: ziek, melaats.

Siekman, Siekmann. Middelnederlands ziek(e)man: melaatse (1539 den zieckman oft lazarus); ook deken van de leprozen, provenier van een ziekenliedenhuis.

Siels. Vadersnaam. Germaanse voornaam Seolo. Zie Zielens.

Siemerink: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Simar; zie Simmers.

Siemes, Simense, Siemens, Symens, Simens, Seymens, Zeimen, Symus, Sijmens, Sijmus, Simus, Seymus, Siemsen, Zeymes, Zeimes, Zemes, Semés, Semes: Vadersnaam. 1. Siemens, afleiding van Sime, bakervorm van Germaanse voornaam Sigmund of Sigmar (zie Simmers). 2. Uit heiligennaam Simon, zie daar.

Sienaert. Waarschijnlijk vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sinhard. Denardus. Franse familienaam Senard, Senart.

Sieperda: Vadersnaam. Friese afleiding van de voornaam Sipert = Siebert.

Siepman: Duitse familienaam Siebmann, Nederduits Siepmann. Afleiding van Middennoordduits sîp, sipe ‘riviertje, beek’. Of van de plaatsnaam Siepen (Noordrijn-Westfalen) of Siepe (Sleeswijk-Holstein).

Sierag: Plaatsnaam Sirac (Gers) of Chirac (Charente, Lozère, Corrèze)?

Sierens, Sieren, Cierens, Cieren, Siering, Syrinckx, Syrincx, Siers, Sier, Ciers, Cier, Chiers, Chies: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Zierik: sigi-rîk ‘zege-machtig’: Sigericus. Of Sier, van Siger, Seger.

Siereveld: Varianten Sierveld, Zierveld, Siervelt, Ziervelt, Sidervelt, Zuurveld, Zuerveldt in de 17de en 18de eeuw onder andere op Schouwen-Duiveland (Bruinisse) en Noord-Beveland (Colijnsplaat). Blijkens de variant Sidervelt kan de naam wellicht uit de plaatsnaam Zijderveld (Vianen, Zuid-Holland) worden verklaard. Of misschien herinterpretatie van de West-Vlaamse plaatsnaam (Roeselare) en familienaam Schierveld.

Sierevogel, Siervogel: Duits Ziervogel, bijnaam voor iemand die mooi, sierlijk gekleed loopt.

Sierhuis: Plaatsnaam? Of herinterpretatie van Sierens?

Siermans. Vermoedelijk aanpassing van Chermanne.

Siersema, Siersma, Sierdsma. Vadersnaam. Friese afleiding van Sier. Zie Sieren.

Sierksma: Vadersnaam. Friese afleiding van de Germaanse voornaam Zierik, Sirik, Sierk.

Sierts. Nederlands ook Sierds. Vadersnaam Sierd, Siard, Germaanse voornaam sigi-hard: Siardus, Sierdus.

Sietema, Sijtema, Sietsema, Sietses, Siedsma, Sietsma, Sijtsma: Friese afleiding van de Friese voornaam Siet(e) en verkleinvorm Sietse.

Sievert, Siever, Sievers, Sivert, Siewert, Siewers, de Sivers, Zevers, Zévers, Severs, Sever, Sévers, Zeevaart, Zeevaert, Zeevart, Zeeveld, Sivard, Siva, Sevart, Sevar, Sévar, Zevaert, Zevart, Zévart, Zeva, Zewart, Ziewers, Seeuwers, Siffert, Siffers, Siffer, Sciffer, Sifer, Siffre, Syfer, Ziffer, Siefers, Sieffert, Siefert, Sefer, Seffert, Seffer, Seffers, de Seffer, Seiffert, Seifert, Seifer, Seivert, Seiwert, Seyvert, Seywert, Seijffers, Seyffers, Seyffert, Seyfert, Seyfarth, Seifried, Sajfrt, Soifer: Vadersnaam. Germaanse voornaam Ziveerd, Sivert, Duits Siegfried: sigi-frith 'zege-vrede': Sigifridus, Sigefrid.

Siewert, Siewers, Zewart, Ziewers: 1. Zie Sievert. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-ward 'zege-wachter'. Siwardus. Friese voornaam Sieuwerd, Siewerd, Siewart, Sywert.

Siffain. Vadersnaam. Vleivorm van Siegfried.

Sifflet. Bijnaam. Frans sifflet; fluit. Vgl Sclifet.

Sigart, Sigard, Sigar, Sigaar, Ciggaer, Cigare, Cigar: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zegard. Zie Segaert.

Sighem, van: Plaatsnaam Zichem (Vlaams-Brabant).

Sigmans. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-man 'zegeman': Sigeman. Duits Siegmann.

Sigmund, Zikmund, Zygmund, Zygmunt, Zsigmond: Vadersnaam. Germaanse voornaam sigimund 'zegebescherming': Sigimund.

Signon, Signong. Verkort van Rossignon?

Signor, Signore, Signori, Signorino, Signorelli, Signoriello. Italiaanse pendant en afleiding van De Heere.

Sigona. Variant van Sigonneau, dim. van Sigogne, Cigogne: ooievaar.

Sigrist, Sigerist, Siegrist: Beroepsnaam. Middenhoogduits sigriste, van Latijn sacrista: koster.

Sigvarte, Siguoirt: Vadersnaam. Germaanse voornaam Sigiward.

Sijthoff, Ten Zijthoff. Familienaam uit de plaatsnaam Sijthoff (Zuidhof): wellicht ergens in het zuiden van Noord-Holland.

Sik, Sike. Vadersnaam van germaanse bakernaam Sicco, van Sigi-naam; zie Sickes. Bijvoorbeeld Sikko = Sigmarus.

Sikkel, Sukkel: Vadersnaam. Sickel, van Sigilo, verkleinvorm van een sigi-naam, zoals Siegfried.

Sikkelerus, (van), van Sikkelurus, van Sikkeleris: Plaatsnaam. Vergelijk familienaam Sinclair, van plaatsnaam Saint-Clair.

Sikkema, Sickenga, Sikkens, Sikkes, Sickesz, Six: Vadersnaam. Afleiding van Sicke, van Sicco, bakernaam bij een Germaans sigi-naam. Sifridus cognomento Sicco.

Sikkink. Vadersnaam. Afleiding van Sik(e). Vergelijk Sichi(e)n, Sickes.

Sikorski. Poolse bijnaam voor een klein, donker mens.

Silfhout, van, Silvold. Plaatsnaam Silvolde, Achterhoek.

Silon, Sillon, Sillion, Cellion: 1. Plaatsnaam Sillon: voor. 2. Veeleer van Gillon; vergelijk Sillis 2. Silva, zie Da Silva.

Silbach, Silback. Plaatsnaam Silbach. Noordrijn-Westfalen.

Silber. Beroepsnaam van de zilversmid. Of verkort van de beroepsnaam Silberer; zilverwerker.

Silberberg, Zilberberg, Zylberberg: Duitse plaats- en huisnaam.

Silbereisen. Bijnaam voor de zilversmid.

Silberfeld. Duitse plaatsnaam.

Silberman, Silbermann, Zilberman, Zilbermann, Zylberman: Beroepsnaam van de zilversmid. Vergelijk Silber.

Silbersack, Zylberszac. Duitse bijnaam, waarschijnlijk voor een rijke die een zak zilver heeft.

Silberschatz. Duitse bijnaam voor een rijke die een schat aan zilver heeft.

Silberschmidt. Duitse beroepsnaam van de zilversmid.

Silberstein, Silbersztejn, Sylberszteyn, Zilbersztein, Zilberstein, Zilbersain, Zilbesztain, Zylbersztein, Zylbersztejn, Zylbersztajn: Duits Joodse familienaam: zilversteen.

Silence, Silance: Frans silence: stilte. Bijnaam voor een stil en zwijgzaam mens. Vergelijk Duits Stille.

Silfs. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-wulf ' zege-wolf: Siulfus, Silef.

Silfverstolpe. Zweedse familienaam. Bijnaam. Zilveren stijl, post.

Siljée: Spelling voor Frans Sellier, Selier of Cellier. 1. Oudfrans selier, Frans sellier ‘zadelmaker, gareelmaker’. 2. Oudfrans selier, van Oudfrans seel, Frans sceau ‘zegel’. Beroepsnaam van de zegelaar of zegelsnijder. 3. Frans cellier ‘kelder’.

Siliakus: Vadersnaam. Ciliacus door dissimilatie uit de Griekse heiligennaam Cyriacus. Vergelijk Duits Cyliax, Zilliax.

Silkens, Silkijn, Silkyn: 1. Vadersnaam. Afleiding van Marcelis. Zie ook Celis, Celen. 2. Moedersnaam. Afleiding van Marcilia of Cecilia.

Sillem. Waarschijnlijk variant van Sillen.

Sillen, Cillen, Cielen, Scillien, Scilien, Sillien, Silien, Cillien. 1. Moedersnaam uit de heiligennaam Cecilia of Marcilia. 2. Zie ook Celen.

Sillevaerts, Silvert, Gillevoorts. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam gisil-frith, Silefredus, Selifredus.

Silliard, Silliatte. Wellicht aanpassing van Gilliard.

Sillis, Silles, Ceelen. 1. Variant van Celis, van Marcelis. 2. Variant van Gillis = Egidius.

Sillon, Silon, Sillion, Cellion. 1. Mogelijk naam uit de plaatsnaam Sillon (Bretagne ?). 2. Maar wellicht schrijfvariant van Gillon.

Silva, de; de Sijlva, da Silva, Portugese, Joodse familienaam ‘van den Bos’.

Silvain, Silvan, Silvano, Silvin, Sylvain: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Silvanus.

Silver. Beroepsnaam van de zilversmid. Vergelijk Silber.

Silverants, Silverans, Silvrants, Sylverans. Nieuwe interpretatie van de Sevenants. Zie daar.

Silverman. Beroepsnaam van de zilversmid. Vergelijk Silbermann.

Silversmit, Silversmet, Selversmet, Silberschidt. Beroepsnaam voor een zilversmid.

Silvertand, Silverentand, Silverstant, Silvertant. Bijnaam voor iemand die één of meerdere zilveren tanden had. Vergelijk Duits Silberzahn.

Silveryser, Silveryzer. Beroepsnaam voor de zilversmid. Vergelijk Silbereisen.

Silvester, Silvestre, Silvestri, Silvestro, Silvestros, Sylvester, Sylvestre, Sylvestri, Silveste, Selvestere, Selvestrel, Sevestre: Vadersnaam. Latijnse heiligennaam Silvester, van Latijn silvestris 'uit het woud'.

Silvestrin, Silvestrini. Vadersnaam, vleivorm van de voornaam Silvester.

Sim, Simms, Sims. Vadersnaam. Korte vorm van voornaam Simon of Germaanse voornaam Sigmond of Sigmar. Zie Simkens.

Simaey, (van), Simaey (van), Chemay, (van) Simaeys, van Simaeyse, van Simaes, Symaes, Symays, Simays, Simaijs, Simais, Simaïs, Symaes, van Sijmaes, Samaey, Samay, Samaeij, Semay, Semey, Semeij, Semaes, Semaesse, Samaers, Samaes. Familienaam uit de plaatsnaam Chimay (Henegouwen).

Simaels. Afleiding van Simal? Of hypercorrect voor Symaes?

Simanek: Vadersnaam. Slavische afleiding van de voornaam Simon Simmers: Ook Se(e)mer, Zemer. Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-mêr ‘zege-beroemd’.

Simar, Simaer, Simard, Scimar, Symaes, Simair. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam sigi-mer; zege-beroemd. Sigimar, Sigmar Simar, Simmar, Simer. 2. Soms afgeleid uit Simon. Zie daar.

Simeon, Simeons, Simeoni, Simeone, Siméons, Siméon, Siméoni, Siméon, Syméon, Simions, Simioni, Dessiméon, Desiméon, Simon, Simons, Simonsen, Simonse, Simoons, Siemons, Simoens, Simoen, Siemonsma, Simonsma, Symensma, Siemensma, : 1. Vadersnaam. Bijbelse voornaam Simeon, die wel geregeld met Simon verward werd. 2. Of uit Simillon, dit uit het Oudfranse someillon: slaap, dutje. Bijnaam.

Simon, Simons, Symon, Symons, Sijmons, Sijmon, Sijm, Symonds, Szymon, Syemons, Syemans, Siemoens, Siemon, Siemons), Siémons, Simond, Simetin. Afleiding van Simettre?

Simettre, Semet, Semette, Smettre, Smette: Vadersnaam. Heiligennaam Symètre, Waals s(u)mète, vereerd in Lierneux (Luik). De volgende vormen doen aan Romaanse aanpassing van Nederlands smeder denken: 1351 Jehan Semeder=Jehan Semede = 1352 Jehan Semeddre, Henegouwen, (zie ook (de) Smettre).

Simkens, Simke, Symkens, Sijmkens, Sehmke, Cemke, Zemke: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Simon of Germaanse Sigmund, Sigmar (zie Siemens). Of van Friese voornaam Semme, van Sigihelm.

Simmeren, van. Duitse plaatsnaam.

Simon, Simons,Symons, Symon, Sijmons, Sijmon, Symonds, Szymon, Syemons, Syemans, Siemoens, Siemons, Siemon, Siemens, Simonds, Simond, Simmonds, Simmons, Simonts, Simont, Simonsen, Simonse, Simonis, Simoni, Simonides, Simony, Simono, de Simone, de Simon, Simoni, Simony, Simoens, Simoen, Simoes, Simoës, Symoens, Symoen, Sijmoens, Seymoens, Seymons, Seijmoens, Ziemons, Ziémons: Vadersnaam. Heiligennaam (apostelnaam) Simon. Hij komt al in 1130 voor. Simonis ook wel eens = Simonet.

Simonard, Simonart, Simonaer, Simonna: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Simon.

Simono, Simonot. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Simon.

Simonin, Simonini. Vadersnaam. Vleivorm van de voornaam Simon.

Simonon, Simenon. Vadersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Simon.

Simonson, Simenson, Simpson, Simson: Vadersnaam. Engelse Zoon van Simon.

Simpelaar, (de) Simpelaere, Simpelare, Simpelaère, de Simplelaere: Bijnaam. Waals-Vlaamse simpelaar‘ sul, sufferd’.

Simpel, de, Simpele, de, Simpels, Sempel, Sempels. Bijnaam uit het Middelnederlandse simpel, sempel, van Frans simple: eenvoudig, gewoon, onschuldig, gemakkelijk, eenvoudig van geest. Bijnaam uit het Waals-Vlaamse simpelaar: sufferd, sul. Zie ook Saint-Paul.

Simpsen, van, van Siempsen, van Simsen,van Sumsen: Plaatsnaam Zemst (Vlaams-Brabant): 1181 Semse?

Sinaey, van, van Sinay, van Sinaye, van Sinaij, van Sina, Vasina, (van) Sinoy: Plaatsnaam Sinaai (Oost-Vlaanderen), plaatselijke uitspraak sna.

Sinack, Sinac, Sinach: 1. Plaatsnaam Sénac (Gironde, Htes-Pyr.). 2. Vadersnaam. Oude voornaam Senacus.

Sinapi, Sinap, Sinope, Sienap: Grieks sinapi, Latijn sinapi(um), Frans sénevé, Nederduits senep, Duits Senf, Middelnederlands senep: mosterd. Beroepsnaam. Vergelijk Mostaert.

Sinclare, Sinclair. Engels-Schotse naam naar één van de vele Normandische plaatsnamen, die beginnen met Saint-Clair(e)-de. Plaatsnaam Sint-Clair (Manche, Calvados).

Sinderen, van: Plaatsnaam Sinderen in Wisch (Gelderland).

Sindic, Saint-Dic, Sendyk: 1. Middenfrans sindic (vanaf 1318), van Latijn syndicus: vertegenwoordiger van vrije burgers, wethouder, gildehoofd, gevolmachtigde. 2. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse sinth-naam: Sindicho, Sindico, Sendeco.

Sindorff. Verspreide Duitse plaatsnaam Sindorf.

Sinet, Sinee, Sinée, Zinet: Vadersnaam Verkort van bijvoorbeeld Massinet.

Singel, van Singhel, van, van Syngel, van Synghel, van Single, van Zingel, van Zynghel, van der Cingel, Verschingel, van Saingele, van Saingle: Plaatsnaam Singel: muur of weg om een stad, rondlopende afsluiting.

Singelyn, Singelijn, Sengeleng: Franse familienaam Singelin, afleiding van singe: aap? Of variant van Singelee, Singlet, met suffixsubstitutie?

Singer, Zinger; Beroepsnaam; zanger.

Singerling, Singeling: Variant Singelijn, Sengeleng. Franse familienaam Singelin. Verkleinvorm van Germaanse voornaam Singevertus, Singardus, Singaldus, Singuinus.

Singlet, Single, Single, Singulé, Singule, Singelé, Singelée, Singele, Singelee: 1. Bijnaam. Afleiding van Oudfrans single: alleen, eenzaam, eenvoudig. 2. Waals single, single, Frans sanglier: everzwijn. Bijnaam.

Singleton. Plaatsnaam. Sussex.

Sinia: Waalse vorm van Senauld, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam sin-wald: Sinoldus, Senaldus.

Sinn, Sinne, Sinnen, Sin, Sine, Sins. Rivier- en plaatsnaam Sinne?

Sinnema, Sinning, Sinnige, Sinnighe, Sinninghe, Sinnege, Zinnicq.: Vadersnaam. Afleiding van de Fries-Groningse voornaam Sinne, van Germaanse voornaam met sinth-, sind-‘weg’.

Sinner. Duitse beroepsnaam; ijkmeester.

Sinon, Sinot, Sinos: Vadersnaam. Korte vorm van Massinon, Massinot; vergelijk Sinet.

Sinonquel. Waalse variant van de vroegere Luiks-Waalse familienaam Sinoquet.

Sinope. 1. Zie Sinap(i). 2. Waalse vorm van Oudfrans sinopre, Sinople: de heraldische groene kleur.

Sint Annaland, (van): Plaatsnaam Sint-Annaland (Tholen, Zeeland).

Sinte Maartensdijk, Sint Maartensdijk, (van): Plaatsnaam Sint-Maartensdijk (Tholen, Zeeland).

Sint, van, van Sinte: Plaatsnaam Saintes (Sint-Renelde, Waals-Brabant). Of korte vorm van een andere plaatsnaam met Sint- of Sinte-. Sinte-Kartharina-Kapelle (Heule, West-Vlaanderen) heet in de volksmond Sente.

Sint-Aldegonde, van. Plaatsnaam Sainte-Aldegonde in Bavinchove (Frans-Vlaanderen), Longuenesse (Pas-de-Calais), St.-Omaars (Pas-de-Calais).

Singh, Sing, Pahladsingh, Thakoersingh, Bholasingh, Oemrawsingh. Indiase naam die in Nederland behalve uit India ondermeer ook afkomstig is uit (Brits) Guyana, Afghanistan en Suriname. Sanskriet voor leeuw.

Sinteleer, Seyteleer: Erg frequente plaatsnaam Saint-Hilaire (Seine-et-Oise, Somme, Pas-de-Calais, Nord.).

Sintfiet, van. Plaatsnaam Sankt Vith, Luik.

Sinteur: Misschien de Bretonse familienaam Centur, van santur ‘gehoorzaamheid, trouw’.

Sinthomez. Plaatsnaam Sint-Omaars, Frans Saint-Omer (Pas-de-Calais), vroeger wel eens als Sint-Thomas begrepen.

Sint-Jan, van, Vansintjan, Vansintejan, Sinjan, de Saint Jan, van St. Jans: Plaatsnaam Sint-Jan-in-Eremo (Oost-Vlaanderen) of Sint-Jan-bij-Ieper of de middeleeuwse Sint-Jansparochie in Ieper of Sint-Jans-Cappel (Frans Saint-Jans-Cappel, Nord). Of een ander Sint-Jan, zoals in Brussel.

Sintobin, Sintobein, Sintebin, Sentobin, Saintobyn, Sanctobin, de Saint-Aubin, Desaintobyn, Desintebin, Deseintebein. Naam uit de plaatsnaam Saint-Aubin. Deze naam is heel verspreid in Nord, Pas-de-Calais, Somme, Namen.

Sintruyen, van, an Sintruijen, van Sint-Truijen: Plaatsnaam Sint-Truiden (Limburg).

Sinty. Variant van Santy?

Sio: Nederlandse spelling van Franse familienaam Séaux, Séau, met verschillende verklaringsmogelijkheden. 1. Oudfrans seel, Frans sceau, van Latijnse sigillum. Beroepsbijnaam van de verzegelaar of zegelsnijder. 2. Oudfrans seel, Frans seau ‘emmer, ketel’. Beroepsbijnaam van de ketelslager of -lapper. 3. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam sigi-wald ‘zege-heerser’: Sewaldus.

Sion, Scion, Scyon: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Domition, afleiding van heiligennaam Domitianus. 2. Zie Soen(s).

Sior, Scior, Sciorre: Vadersnaam. Korte vorm van Melsior = Melchior.

Siot, Sciot: Spellingvariant van Franse familienaam Chiot: hondje? Of korte vorm van Mich(i)ot?

Sipelier. Wellicht variant van Sapelier, van Chapelier. Maar een hypercorrecte vorm voor Siply is niet uit te sluiten.

Siperius, Sipérius: Latinisering van Sipers.

Siquet, Siquiet: Variant van Oudfrans Chiquet, met onzekere betekenis. Bijnaam voor een kleine? Afleiding van chique: lor, flard, lomp?

Sirael, Sirault, Siraux, Sira, Sirat, Siray: Plaatsnaam Sirault (Henegouwen).

Siret. Afleiding van Oudfrans sire; heer. Vergelijk Heerkens.

Sireuil. Plaatsnaam. Charente.

Sirjacq, Sirjacques, Sirjack, Sirzacq, Siersaeck, Siersack: Vadersnaam. Sire Jacques: van de heer Jakob. Vergelijk Sirejacob(s).

Sirlande, Cirlande: Beroepsnaam van de ambtenaar die land moest schatten, ramen, taxeren. Uit Middelnederlands chier-land, zinwoord met Middelnederlands c(h)ieren: schatten.

Siron, Sirond, Siroen, Cyron, Cyren, Céron, Séron, Seron, Seront, Serroen, Serron, Ziroen. 1. Vadersnaam uit de Latijnse heiligennaam Seronius, in het Frans Siroine. 2. Sommige variantenals Serroen, Ziroen komen mogelijk uit Vlaamse aanpassingen van de voornaam Jeroen (Jérôme= Hiëronymus).

Sironval, Seronval, Seronvalle, Séronval, Séronveau, Séronveaux, Seronveaux, Seronveau, Seronvaux: Plaatsnaam Sironval in Charneux (Luxemburg).

Sirou, Siroux, Siroul, Ciroux, Cirou, Cyroux, Chéroux, Seroux, Serroux, Serrou, Serrout: Plaatsnaam Siroux in Seilles (Namen, Luik), maar verspreid. Variant van sétru, séru, serrues, plaatsnaam Sorrus, Setrez. Romanisering van Nederlandse plaatsnaam Zittert (bijvoorbeeld Sittard)

Siroyt, Syroit. Familienaam afgeleid van de Germaanse plaatsnaam ''sigidrôthu", wat zoveel betekent als: plaats waar veel zegge groeit. Vergelijk Siroux.

Sirre: Spelling voor Sire, ook Lesire. Frans sire, onderwerpsvorm, van Latijnse senior. Nederlands de Heer(e).

Sissau, Syssau, Syssauw, Cyssau, Siseau, Cijsouw, Sissou: Uit Frans chincsaulx, Frans cinq saules: vijf wilgen. Plaatsnaam Cissau in Eke (Frans-Vlaanderen) en Borre. Vergelijk Vijf Wulgen in Eernegem.

Sistenich: Waarschijnlijk variant van Siestemich. Delocutieve naam 'Siehst du mich? Veeleer een plaatsnaam, eventueel Sinzenich (Noordrijn-Westfalen). Vergelijk familienaam Kenntemich, Kentenich, van plaatsnaam Kendenich (Noordrijn-Westfalen).

Sissingh, Sessink: Vadersnaam. Afleiding op –ing van de Germaanse voornaam Sigizo, verkleinvorm van sigi-naam. Achterhoekse naam. Ook plaatsnaam, in Hengelo (Gelderland):

Sistermans, Sisterman, Sistermann, Sijstermans, Systermans, Sustermans, Zestermann: Afleiding van Middelnederlands sister, suster ‘maat voor wijn, olie, graan’, van Latijnse sextarius ‘zesde deel’. Beroepsnaam van de meter van waren. Zuid-Limburgse familienaam ook Sichtermans. Vergelijk trouwens de familienaam Sechter, van Middelhoogduits së(c)hter, sê(h)ster. Of Sichtermann als bewoner van vochtige, moerassige bodem.

Sitoor. Misschien vanchâtoire, Oudfrans chastoire: bijenkorf. Vergelijk Catoir(e), de Picardische vorm.

Sitsen: Vadersnaam. Friese voornaam Sitse, van Sigizo, verkleinvorm van sigi-naam, bijvoorbeeld Siegfried. Vergelijk Duitse Zitz(e).

Sittaert, van, van Sittard, van Sittert, van Sitteren, van Zitteren. Plaatsnaam Sittard, Nederlands-Limburg, Noordrijn-Westfalen, Zittard, Noord-Brabant, Nederlands-Limburg, Antwerpen, Zittert, Noord-Brabant, Nederlands-Limburg. Zittert-Lummen, Vlaams-Brabant.

Sivertsen, Syvertsen: Vadersnaam. Zoon van Sievert.

Six, Sicx, Sicz, Syx, Sijx, Cyx, (van) Sys, (van) Sijs, Cis, Sis, Chys,Chijs, Cijs, Cysch, Cys, Zys, Zijs. 1. Uit het Middelnederlandse (t)sijs, Frans six: zes, de zes ogen van de dobbelsteen, het meeste geluk. Bijnaam voor een gelukzak (in het spel ?). 2. zie ook Sickes.

Sixte, Sixto: Latijnse heiligennaam Sixtus 'de zesde'.

Sizaire, Ziesaire: Luxemburgse familienaam Ziesaire, van Zieser, beroepsnaam van de inner van zîs: accijns.

Sjaarde, Sjarda, Sjaardema, Friese vadersnaam Sjaart, van Sighart, Siegart; overwinnaar, in Holland Segaar en Siggaar.

Sjoerdsma, Sjoerda, Sjoorda, Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma, Sjoerds, Sjoers, Siurtz, Siutz, Sjuds: Vadersnaam. Afleiding van de Friese voornaam Sjoerd, van Siewerd, de Germaanse voornaam Sigiward, Sigurd, Friese vorm van Siegfried, een naam die eerder in Holland en elders in de Nederlanden als Sîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuert werd uitgesproken en waar de geslachtsnamen Sieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van afkomstig zijn dat tenslotte tot Sjoerd werd.  Sjoerda-staten eindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.

Sjoerts, Sjoerds, Sjouken, Sjoukes, Sjoukje. Friese vadersnaam, een samenstelling van het Germaanse sig-wardan: zege + behoeden (behoeder van de overwinning). Siewerd, Sigiward.

Sjouw: Vadersnaam. Friese voornaam, van Sieuwerd, Germaans Sigiward.

Sjouwerman. Beroepsnaam van een sjouwer?

Ska, skaard: Lucemburgs Waals hâ(r) van Oudfrans escart: bres. Bijnaam voor iemand met openingen tussen de tanden.

Skifati. Naam van Marokkaanse origine die mogelijk afgeleid is van de voornaam Shifah: genezer(es), genezend.

Skirole, Skirolle, Scurole: Zuis Franse familienaam Esquirol, Frans Ecureuil: eekhoorn. Bijnaam voor een lenig, levendig mens.

Skottke. Nederduits Schottke, afleiding van Schott: schutter. Beroepsnaam.

Skovron, Skovronek, Skowron, Skowronek, Skowronska, Skowronski: Pools Skwronek: leeuwerik.

Slaa: 1.Verkort uit de Achterhoekse familienaam te Sla(a), Plaatsnaam ‘plas op de heide, moeras’ in Losser Overijssel, Aalten (Gelderland), Winterswijk (Gelderland), Weerselo, Overijssel. 2. Samengetrokken uit Sala.

Slaakweg: Plaatsnaam ‘weg bij een slaak’, weg met slag of wagenspoor. Middelnederlands slake ‘rustig water’. Laak ten oosten van Sint-Philipsland (Zeeland), ook vaarwater bij Arnemuiden (Zeeland) en Goedereede (Zuid-Holland).

Slabbaert, Slabber, Slabbers, Schlabertz; Afleiding van Middelnederlands werkwoord slabben ‘gulzig drinken, kwijlen’. Bijnaam voor een schrokker, slemper, drinkebroer’. De naam blijkt ook als voornaam gebruikt te zijn.

Slabbekoren, Slabbekoorn: Zinwoord, met het eerste lid uit Middelnederlands slabben ‘tot eigen voordeel aanwenden’. Bijnaam. De van-naam in het volgende citaat zou op een plaatsnaam kunnen wijzen: 1621 Hier leyt begraven Eewout Aeren Corvinckse in sijn leven van Slabbecoren. De Slabbekoornpolder in Sint-Maartensdijk (Zeeland), Oud-Vossemeer (Zeeland) en Hoedekenskerke (Zeeland) kan evenwel naar de familienaam vernoemd zijn.

Slabbinck, Slabinck, Slabbynck: Omdat -ing-namen gewoonlijk vadersnamen zijn, wellicht van de voornaam Slavo, met intensiefvorming v/b.

Slabbeling. Waarschijnlijk variant van Slabbelinck.

Slachmuijlders: Variant van Slagmulder(s), Slagmolder(s). Beroepsnaam van de olieslager, die een oliemolen (slagmolen) heeft.

Slaek: Plaatsnaam Slaak (zie Slaakweg) of bijnaam. Middelnederlands slac ‘slap, traag’.

Slagboom: Naam voor wie bij een slagboom woont of hem bedient.

Slager, Slaager, Slaagers, Sleegers, Sléger, Slegers, Sliggers: Beroepsnaam van de slager, slachter.

Slaghuis. Naam uit slacht + huis.

Slagmulder, Slagmulders, Slagmolders, Slagmolder, (de) Slagmeulder, Slagmulder, Slagmaelder, Slagmuijlder, Slagmuylder, Slagmuylders, Slagmulder, Slagmulder, (de) Slachmuylders, Slachmuylder, Slachmeulder, Slachmuijlder, Slaghmuylder, Slaghmuylders, Slachtmuylders, Slachmuylders, Slagman, Slacmeulder, Slacmeuldre, Slaemeulder, Sclacmeulder, Slacmender, Slacmanne, Sclackmender, Sclameulder, Sclaemender, Sclamender, Saclsmolder. Beroepsnaam van de olieslager (eigenaar olieslagmolen).

Slagter: Beroepsnaam van de slachter.

Slagtman. Familienaam uit de plaatsnaam Schlacht(e); dijk, waterleiding, sluis.

(van) Slambrouck, van Slambroeck, van Slembroeck, (van) Slembrouck, Slembroeck, Slimbrouck, Vanslembrouck. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam Slambroek of Slangebroek (broek = moeras) in diverse gemeentes (vooral in West-Vlaanderen).

Slangen, Schlangen, Slange, Slangen, Langen. zoon van de lange man, bijnaam naar iemands kwaliteiten.

Slangenburg, Slangenberg. Familienaam uit de plaatsnaam Slangenburg van een landgoed bij Doetinchem (Gelderland). Zie ook Langenberg.

Slappendel, Slappendal, Slap. Plaatsnaam.

Slechten, Sleghten, Slegten, De Slegte, Slight. Bijnaam uit het Middelnederlandse slecht: eenvoudig, onschuldig, simpel, onnozel.

Sledsens: Van Middelnederlands sledde, sleedse ‘slede, slee (ook landbouwwerktuig)’. Beroepsbijnaam.

Sleeboom: De woont bij een sleeboom ‘sleedoornstruuik, boom met sleeën, sleepruimen, wilde pruimen’. Vergelijk familienaam Slebos ‘bosje met sleedoornstruiken’.

Sleecks, Sleeckx, Sleex, Sleuckx. 1. Familienaam uit het Middelnederlandse sleec: gelijk, glad, effen. Naar woonplaats? 2. Zie ook De Leeck.

Sleen, van der: Plaatsnaam Sleen (Drenthe): 1342 de Sleen.

Sleeuwaert, Sleeuwart, Sleewaert. Verschrijving van Sleewaegen. Zie daar.

Sleeuwaegen, Sleewaeghen, Sleewagen, Sleeuwaghen, Sleewaghen, Sleewagen, Sleuwaegen, Sleuwagen: Verspreide plaatsnaam Sleehage, met glijder w, te verklaren als glijder tussen twee klinkers en door de variant Sleeu van Middelnederlands slee ‘slee(pruim)’; vergelijk sneeuw= dialectisch snee. Een sleehaag is een haag van sleedoorn, waaraan de sleebes of sleepruim groeit.

Slegt: Bijnaam. Middelnederlands slecht ‘eenvoudig, simpel, onnozel, onschuldig’. Vergelijk Duits schlicht. Uit de betekenis ‘effen’ ontwikkelde zich die van ‘eenvoudig’ en daaruit ‘gewoon, gemeen, slecht’.

Slegtinck, Sligting: 1. Afleiding van Slecht (zie Slechten). Vergelijk Duits Schlicht. Bijnaam. 2. Of Schlichting van Middenhoogduits slihtinc: scheidsrechter, die ongevraagd beslecht.

Slendebroek: Plaatsnaam Slennebroek in Dalfsen, Overijssel,

Slenders, Slenter: Bijnaam slinder, Engels slender: dun, mager.

Sleutel. Beroepsnaam van een sleutel- of slotenmaker of gevangenbewaarder.

Sleutjes. Afleiding van Slot. Beroepsnaam van de slotenmaker.

Sleven. Middelnederlands sleve; mouw. Engelse sleeve. Vergelijk De Mauw.

Sleyen, van der, van der Slijen, van der Slyen, Versleijen: Plaatsnaam. 1. Slede, Slei(d)e: glibberige plaats; bijvoorbeeld in Houtave (West-Vlaanderen): 1201 Sleda. Erg frequent in de streek van Zottegem.

Sliedregt, van: Plaatsnaam Sliedrecht (Zuid-Holland).

Slieker, Slicher: 1. Afleiding van Nederduits-Nederrijns sli(c)ken ‘sluipen’. Duits Schleicher, Nederduits Schlieker. 2.Van Middelhoogduits slicken, slichen ‘slikken, slokken, vreten’. Bijnaam voor een schrokker.

Slijcken van (der), van (der) Slycken, Slycke, van Slijcke, van de Slijcke, van de Slijke, van de Slycke, van de Slyke, van de Slyeke, van der Slik, van der Slikke, Verslijcken, Verslijcke, Verslycken, Verslycke. Familienaam uit de plaatsnaam Slijke in Bredene of Reningelst (West-Vlaanderen). Verspreide plaatsnaam Slik(ke), Slijk, Slikken ‘slik, slijk, moerassige plaats, aangeslibde grond die nog niet ingedijkt is’.

Slijkerman, Slykerman. Afleiding van Slijker, zie Schleicher. Vergelijk Duits Schlickmann.

Slikboer. Beroepsnaam van een slijkboer, die slijk en modder opruimt, werkman bij de reinigingsdienst. Vergelijk Middelnederlands slijcmeyer.

Slikvoort: Plaatsnaam ‘slijkerige voorde’.

Sliman, Slimane, Sleiman: Afleiding van Middelnederlands slie, sly: zeelt. Beroepsnaam van de vishandelaar. Nederduits Schliemann. Of afleiding van Middelnederlands slée, slie: slee(pruim).

Slimmen, Slimmens: Bijnaam. Middelnederlands slim ‘scheef, schuin, scheel; verkeerd, slecht’.

Slimmer: Misschien aanpassing van Duits Schlemmer, van Middelhoogduits slemmen ‘brassen, smullen’.

Slinckx, Slincx, Slings. Middelnederlands slinc: links, listig. Bijnaam. Vergelijk Slinckaert.

Slingerland. Ca. 1646 werd Cornelis Ariensz Vonck (gezegd Slingerland) gedoopt in Nederslinge(r)land (Zuid-Holland). Hij droeg daarna de familienaam Slingerland. Een voorbeeld van hoe een alias evolueerde tot een familienaam.

Slinckaert. Bijnaam. Afleiding van Middelnederlands slinc: linker, links, averechts, verkeerd, listig. Bijnaam. Vergelijk Zuid-Nederlands linkaard. Zie Slinckx.

Slingeneyer, Slingeneijer. Aanpassing van een Duitse familienaam, misschien Schliengmeier, van plaatsnaam Schliengen.

Slinger, Slingers: Beroepsbijnaam voor de man die de slinger, het werptuig, het slingertuig bedient.

Slingerland: Plaatsnaam. Neder-Slingeland in Peursum (Zuid-Holland) en Over-Slingeland in Noordeloos (Zuid-Holland).

Slings, Slinckx, Slincx. Afleiding van Middelnederlands slinc ‘links, listig’. Bijnaam.

Slisser: Kan een afleiding zijn van Middelnederlands slissen ‘blussen, lessen, stillen, bedaren’. Maar misschien een aanpassing van Duits Schliesser ‘sluiter’.

Slitt, Slits. Wellicht de Duitse familienaam Schlitt, Schlitz. Plaatsnaam.

Sliwa, Sliwinski, Slivinski: Pools sliwa: pruim.

Slob, Slobbe, Slobben, Slobber: Middelnederlands slobbe ‘modder, slijk, smerigheid’. Bijnaam voor een viezerd.

Slock, Slok. Bijnaam voor iemand die op een of andere manier een "slokker" is. Vergelijk Duits Schluck.

Slock, van der. Veldnaam Slok, bijvoorbeeld in Anzegem: doorlatende grond, die water slokt.

Slockers, Slokkers: 1. Bijnaam voor een slokker, schrokker. 2. Soms Slokkers, van Sloeckers, afleiding van de Loeker ‘kijker, tuurder, gluurder’. Vergelijk Slock.

Sloen, van, van Sloun: Plaatsnaam. Middenederlands sloe(de): straatgoot; Oudengels slôh: diepe plaats met veel modder; Westfaals Slon, Schlon, im Schloe: modderige sloot. Nederduitse familienaam Schlon, Schloen.

Sloesen. Afleiding van de Loose.

Slofstra: Friese afleiding van een plaatsnaam.

Slomp, Slump, Slamp, Slomper. Bijnaam, van rommel, lomp persoon?

Slom: Bijnaam. Middelnederlands slom ‘krom, scheef; onhandig’.

Slont, van der Slunt. Plaatsnaam Slond ‘kolk, poel’ in Diepenveen, Overijssel, Keppel, Overijssel.

Sloof, Slof, Sloove, Slooves, Sloven, Sloover, Sloovere, De Slover, Slooven, Slove: Beroepsbijnaam van de slovenmaker. Sloven zijn ijzeren ringen die over balk of steel geschoven worden om die te verstevigen.Vergelijk Sloover.

Sloore, Sloor, Sloors, Sleurs: Bijnaam voor een slordig, slonzig, haveloos persoon, een slons, sloerie, sul, sukkel. Middelnederlands slodder, Waals-Vlaams slore. Duits Sluder: die slordig werkt.

Sloos: 17de eeuw Sloos, van Sloo(d)ts, Hoorn. Afleiding van Sloot.

Sloot, (van der); van der Slot, van (der) Sloten, van Slooten, Verslot, Versloot: Plaatsnaam Sloot ‘sloot, afwateringsgracht, gegraven waterloop’. Slote in Bachte-Maria-Leerne, of Sloten bij Oostakker (Oost-Vlaanderen): 1102 Slote.

Slooters. Beroepsnaam; slotenmaker. Nederduits sloter.

Slootmaaker, Slootmaker: Beroepsnaam van de slotenmaker.

Slootweg. Plaatsnaam.

Slootmans, Slotman, Slotema: Beroepsnaam van de slotenmaker of afleiding van van der Sloot.

Sloover, de, Sloovere, de, de Slover: Beroepsnaam van de slovenmaker. Vergelijk Slooven.

Slos, Slosse, Selosse, Selos, Celos, Sloots, Sloos. Bijnaam uit het Oudfranse gelos (dat komt uit het Latijnse zelosus: jaloers, afgunstig, woedend). Vergelijk Franse familienaam Jaloux, Engels Jealous. S(e)los is een aanpassing in het zuiden van Waals-Oost-Vlaanderen van een familienaam uit Henegouwen.

Slot, (‘t): Beroepsbijnaam van de slotenmaker.

Slotboom: Frequente familienaam in Gelderland. Plaatsnaam Slotboom ‘balk waarmee men een opening afsloot’. 1700 Slotboomstede in Varsseveld (Gelderland), Schlottbohm, Borken (Noordrijn-Westfalen).

Slotemaker, Slootmakers, Slootmaekers, Slootmackers, Slootmaeckers, Sloetmakers, Sloetmaekers: Beroepsnaam van de slotenmaker.

Sloten, van; van Slooten: Plaatsnaam Sloten, Fries Sleat (Friesland).

Slothauwer. Nederduits Schlotthauer, Duits Schlosshauer: slotenmaker. 2. Eventueel Oudhoogduits Schlotthauer: rietmaaier.

Slowack, Slowak. Volksnaam van de Slovaak.

Sluis, Sluys, Sluijs: 1. Sluus, afleiding van De Lu(w). Middelnederlands luw: voor de wind beschut, veilig. Bijnaam naar een beschutte woonplaats? 2. Korte vorm voor Van der Sluis.

Sluis (van), (van) Sluijs, van (der) Sluis, van (der) Sluijs, van Sluys, Seluse, Sluse, Versluis, Versluijs, Versluys, Versluysen: Plaatsnaam Sluis (Zeeuws-Vlaanderen): ±1241 Lesclusa, 1251 Sclusa, 1302 in die Sluus, ter Sluus. 2. Of welke andere plaatsnaam Sluis ook.

Sluymers, Sluimers, Sluijmers, Slymers, Sleymer. 1. Afleiding uit de Germaanse voornaam leud-mod. 2. Naam uit het Middelhoogduits slîmer: vervaardiger van lijm, vogellijm.

Sluyper, de, Sluypers, Schlüper, Schluper, Schlup: Bijnaam voor een sluiper, die steelsgewijze loopt.

Sluysmans, Sluijsmans, Sluismans, Sleuseman, Schlusmans: 1. Beroepsnaam van de sluiswachter. 2.Afleiding van Van der Sluis.

Sluyter, Sluyters, Sluiter, Sluiters, Sluijter, Sluijters, Sluters, Schlüter Schlütter, Sleuyters, Sleuyter, Sleyter, Slijters: Middelnederlands, Middennoordduits sluter ‘portier, conciërge, gevangenbewaarder, cipier, keldermeester’. Beroepsnaam.

Sluyzer, Sluijzer. Beroepsnaam van de sluismeester.

Slijkhuis: Plaatsnaam in Epe, Gorssel en Wilp (Gelderland). Slijkhuis in Epe.

Slijm: Beroepsbijnaam van de vervaardiger van kleefstof, vogellijm.

Slymers, Sleymer. Sleymer: Middenhoogduits slîmer: vervaardiger van kleefstof, vogellijm.

Slyp, Slypen, Sliepen, Sleyp, Sleypenm Sleypenn, Sleypens, Sleijpen, Schleypen, Schleijyper, Schlyper, Schleijper, Schleijpen, Sclep, Seclepe. Beroepsbijnaam voor de slijper (schaar, mes, zwaard). Vergelijk dialect scharensliep, -slijp.

Slype, van. Plaatsnaam Slijpe, West-Vlaanderen, of in Voormezele, West-Vlaanderen.

Slyper, de, Slypere, de, de Slypper, de Slijper, Slijper, Slijpere, Sliepers, Schlieper, Schleiper: Beroepsnaam van de slijper, messen-of scharenslijper.

Slijpen: Beroepsbijnaam van de (scharen)slijper, messen-en zwaardenslijper.

Slypsteen. Beroepsnaam voor de messen- en scharenslijper.

Smaardijk, Smeerdijk, Smeerdike: Laats twee plaatselijke uitspraak van de plaatsnaam Sint-Maartensdijk (Tholen, Zeeland): 1304 St. Martendijk, 1341 Sente Martijnsdijch.

Smaassen, Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is ’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon van Maas. En Maas is een, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den Bijbelse mansnaam Thomas.

Smackers, de. Afleiding van Middelnederlands werkwoord smacken: smijten, krachtig werpen?

Smaele, de, Desmaele, de Smalen, de Smael, de Smaels, Desmaël, de Smals, Smaal, Smal, Smals, Small, Smalle, Smaele, Smael, Smaelens, Smaelen, Smales, Smaling, Semal, Samale, Simal, Smelens, Smellincx: Bijnaam voor een klein, mager, onaanzienlijk mens. Vergelijk Engels small.

Smaers, Smaes, Smaës. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse mader: maaier.

Smagge, Smachen: Afleiding van Middelnederlands maech, mage ‘maag, bloedverwant’.

Smak: Bijnaam afgeleid van het werkwoord Middelnederlands smacken ‘smijten, krachtig werpen’.

Smalbeen. Bijnaam voor iemand met dunne benen.

Smalbil. Bijnaam. Vergelijk Smalbeen.

Smalheer: Middelnederlands smalhere, smalheer ‘ambachtsheer, die namens de landsheer de rechtsmacht uitoefent in een ambacht’.

Smalbones. Engelse bijnaam voor iemand met magere benen.

Smaling: Afleiding van smal.

Smallegang, Smallegange: Naar de woonplaats in een smalle gang of steeg. Vergelijk Duits Schmalstieg. Mogelijk de naam van een ridderhofstede in Kloetinge (Goes, Zeeland).

Smalstraeten, van. laatsnaam Smalle straat, bijvoorbeeld in Kachtem en Deerlijk (West-Vlaanderen).

Smams: Foute vorm voor Smans, Sman, afleiding van de Man.

Sman, van der. Familienaam in Luxemburg. Lees Vandersman: Wandersmann: trekker, reiziger, rondtrekkend gezel. Zie ook Vandesmanne.

Smart, Smar, Smars. Wellicht samengetrokken van Simard.

Smecht, de, de Smechts, de Smicht. Bijnaam uit het Middelnederlandse smachten/smechten: wegkwijnen van grote honger of dorst. Kan ook ironisch bedoeld zijn.

Smeding, Schmeding, Schmedding, Smeitink, Smeeing, Smeenk, Smink, Smedink, Smedinga: Afleiding van smid. Het woord smid op zich zelven luidt trouwens ook in menige Vlaamse en Brabantse spraken als smet; van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelijke Nederlanden. Beroepsnaam van de smid. Smink/Smeenk, van Smedink.

Smee. Beroepsnaam van de smid. Vergelijk Smidje smee? Of samentrekking van Semet?

Smeeckaert. Bijnaam komende van het Middelnederlandse smeken (Smeecken): mooi praten, flemen, vleien, flikflooien. Duits Schmeicheln.

Smeenk, Smink. Beroepsnaam van de smid, van Smedink.

Smeerdijk, van. Spelling voor Smurdiek, plaatselijke uitspraak van plaatsnaam Sint-Maartensdijk (Zeeland).

Smeermond. Bijnaam van een fleemtong, vlijer. Zinwoord: smeren: vleien + mond. Duits Schmermund, Schmirmaul.

Smeers. 1. Uit Smeets. Zie bij Smid. 1530 Egidius Haeynen alias Smeetzoon, Kortessem. Zijn kinderen heten Smeets. Zoon Jhannes verhuist 1730 naar Diepenbeek; zijn kinderen worden nu Smeyers of Smeers. De afstammelingen heten Smeers. 2. Een andere Limburgse tak Smeers stamt af van 1491 Gielis Smeiers, meier van het Smeyershof van Gingelom bij St.-Truiden. Vanaf 1591 Smeers geschreven.

Smeevoorde, van, van Smevoorde: Plaatsnaam Smedevoorde, wellicht in Dentergem.

Smekens, Smeekens, Smeckens, Smeeks. Beroepsnaam van de smid. Middelnederlands smedekin, afleiding van smet: smid.

Smeker, de, Smeekers: Middelnederlands smeker, vleier. Vergelijk Smeeckaert.

Smelens, Smellinckx: Afleiding van smel, Brabanst variant van smal: mager, dun, tenger. Smelens = Smaelens. Vergelijk Duits Schmeling.

Smelt, Smelten, Smeltsen, Smelter, Smalt, Smeltink: Afleiding van werkwoord smelten, Duits s(ch)melzen. Beroepsnaam van de metaalsmelter of de smouter: bereider van reuzel, olie. Vergelijk Duits Schmel(t)z.

Smeraldi, Smeraldie, Smeraldy: Italiaans smeraldo, van Latijn smaragdus: smaragd. Bijnaam of beroepsnaam.

Smerke. Afleiding van Smeer, zie Smeers. Beroepsnaam.

Smetcoren. Waarschijnlijk bijnaam voor een vuile molenaar, die het koren besmet, bevuilt. Vergelijk Wastable, Quistcoren.

Smetreyns, Smetryns, Smetrijns, Smettryns, Smettreyns: Beroepsnaam Smet + vadersnaam Rein.

Smettre, (de), Als Desmettre een variant is van De Smijter, dan kan Desmette daar de verwaalsing van zijn. Maar Desmette/Smette kan ook een variant zijn van (de) Smet en dan kan Desmettre/Smettre daar een Waalse hypercorrecte vorm van zijn. Maar waarschijnlijk gaan zowel Smette als Smettre terug op Simettre en is de de-aanloop secundair.

Smid, (de), (de) Smidt, (de) Smit, Smith, Smids, Smits, (de) Smet, Smed, de Smedt, Smets, Smetsers, Smeets, Smith, (de) Smeth, Smet, (de) Smette, (de) Smets, de Smeds, Semdtse, Smeds, (de) Smetz, (de) Smidts, Smits, Smitz, Smiedts, Smiets, Smitt, (de) Schmidt, Schmit, Schmied, Schmitt, Schmit, Schmith, Schmitte, Schmite, Schmidts, Schmits, Schmidts, Schmitz, Schmetz, Schemeits, Schmets, Schmeitz, Szmidt, Szmid, Szmit, Smith, Smithson, Smeding, Smedinga, Schmeding, Schmedding, Schmeink, Smeengh, Smeyenga, Smenga, Smynga, Sminia, Smink, Smeengh, Smedink, Smidink, in verkleinvorm smedeke, en dan in Smeeking uit Smedeking, Smeda, Schmeda, Smedema, Smedes en Schemedes: Beroepsnaam van de smid, hoefsmid, wapensmid.  Of van de persoonsvoornaam Smido. Goldschmeding, van goldschmid; goudsmid.

Smies: Uit Smis, van Smits of van der Smis?

Smijter, de, de Smytter, de Smyttere, de Smyter, de Smytere, de Smitter, Smeyters, de Smeytere, de Smeyter, de Smeijter. Naam uit het Middelnederlandse werkwoord smiten: werpen, slaan, schoppen, trappen. Bijnaam voor iemand die op één of andere manier handig was met een van die technieken (vechter, soldaat, één of ander spel).

Smismans, Smesman, Smesmans: Afleiding van Van der Smissen. Beroepsnaam van de smid.

Smissaert, Smisaert, Smessaert. Beroepsnaam van de smid.

Smissen (van der), van der Smessen, Versmissen, Versmisse, Vesmissen, Versmessen, Versmesse, Simissen, Smis, (de) Smis. Familienaam uit de plaatsnaam smisse: smederij, smidse. Meestal was het een beroepsnaam voor de smid.

Smitmans, Smitsmans. Beroepsnaam van de smid.

Smoes, Smoos, Smouse: Uit Smols, afleiding van De Mol.

Smoker: Afleiding van smoken: roken, walmen. Bijnaam vande kolenbrander of badstoofhouder. Vergelijk Schmoock.

Smol: Bijnaam voor een dikkers, een smuller. Vergelijk Duits Schmoll en De Smul.

Smons. Kan uit Simons samengetrokken zijn. Of uit Smonts, afleiding van De Mont.

Smont, Smonter: Wellicht door verkeerde lezing van Smout, Smouter’, resp. Beroepsbijnaam en beroepsnaam van de olieslager of handelaar in smout ‘reuzel, olie’.

Smoorenburg: Plaatsnaam. Vergelijk Smorenhoek in Ubbergen (Gelderland).

Smoort, de. Waalse aanpassing van Desmottes.

Smorgens. Familienaam met Morgen. Vergelijk Avonds.

Smoudt, de. Variant van Smout, of aanpassing van De Smouter. Smouter, (de): beroepsnaam van de smouter (draperie), die de wol invette om ze zacht te maken. Ook bereider van smout: reuzel, olie; vergelijk Schmel(t)zer.

Smout, Smouts. Beroepsbijnaam van de olieslager, de handelaar in smout: reuzel, olie. Of bijnaam voor iemand die rijkelijk en vet eet, wat er misschien aan te zien is.

Smoutman. 1. Beroepsnaam van de smout- of reuzelbereider, olieslager. 2. Beroepsnaam van de smouter, die invet, oliet.

Smul, de, de Smuel: Middelnederlands smul: verzot op lekker eten, drinken, seksueel genot, snoeper.

Snackaert, Snackers, Snakkers, Snakers, Schnackers, Schankkers, Schnakers, Schnaekers: Afleiding van Middelnederlands en Middennoordduits snacken: praten, babbelen, kletsen. Bijnaam. De Brugse Snaggaardstraat heet in de volksmond Snakkersstrate. Vergelijk Snacken 2.

Snacken, Schnack: 1. Waals-Vlaams (Middelnederlands), Middennoordduits, Engels snake: slang. Bijnaam naar de lenigheid of valsheid. 2. Bijnaam. Middennoorrdduits snacke: kletser, babbelaar; ook snatersnacke. Zie ook Snackaert.

Snaeck: Middelnederlands/West-Vlaamse, Middennoordduitse snake, Engels snake ‘slang’. Bijnaam naar de lenigheid of valsheid.

Snakenborg: Plaatsnaam Schnakenburg (Nedersaksen).

Snakenbroek. Plaatsnaam, wellicht Schnackenburg (Nedersaksen), 1218 Snakenburch.

Snap, Snappe, Snaps: Bijnaam voor een snapper, babbelaar, zwetser.

Snaterse: Zoon van een snateraar.

Snauwaert, Snauwaerts, Snouwaert. Bijnaam uit het werkwoord snauwen: toebijten, snauwen. Een snauwer.

Snaijer, de; Snaaijer: Wellicht variant van de Snijer, de Snijder. Maar Zeeuws snaaien betekent ‘snoepen’ en een snaaier is ‘iemand die graag veel fruit eet; (ook) snoeier’.

Snebbout. Afleiding van snebbe; snabel, bek lijkt onwaarschijnlijk.

Snedden. Schotse familienaam, Schots Sneddon, Snaddon, van Oudengels snaed dun: beboste heuvel.

Sneepers. Bijnaam voor een snapper, zwetser. Vergelijk Duits Schnepper, Schnepfer, Schnapper.

Sneessens, Sneyssens. Afleiding van Neesen?

Sneevliet: Waternaam in Oosterland en op Duiveland (Zeeland).

Snel, de, Snellen, Snelle, Snellens, Snels, Snelders, Snelder, Snellings, Sneltjes, Snellaars, Senel, Senelle: 1. Zoals de Snel bijnaam voor wie snel, vlug, levendig is, een vluggerd. 2. Wellicht oorspronkelijk vadersnaam. Germaanse voornaam Snello. Vergelijk Snellaert. Plaats Snelleghem (Snellinga-heim) in West-Vlanderen, Schnellingen bij Hasslach in Baden, Schnelsen, dorp bij Pinneberg in Holstein.

Snellaert, Snellaers Snelders, Senellart, Senelar, Senelart: Vadersnaam. Germaanse voornaam snel-hard ‘dapper-sterk’: Snelhard, Snellard, Snellardus.

Snelleman, Snellemans: Afleiding van Snel.

Snelling, Snellings, Snellinx, Snellinckx, Snellinck, Snellinc, Snellincx. Vadersnaam uit een Germaanse voornaam Snello of Snel-voornaam die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens en in verkleinvorm, aan Sneltjes, dat een zoon van Snello betekende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem (dat is een samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp bij Hasslach in Baden.

Sneppe, Sneppé, Snep, Sneep, Snepsts: Bijnaam naar de vogelnaam, de snip, wellicht voor iemand met spitse 'snavel' of neus.

Sneppen, van der: Plaatsnaam (aan de) Sneppen in Roermond (Nederlands Limburg). Of huisnaam de Sneppe ‘snip’.

Snepvanger, Snepvangers. Beroepsnaam voor de snippenvanger: een vroeger (en nu, maar meestal verboden omwille van de zeldzaamheid) zeer gewilde wilde vogel.

Snerck, de. Bijnaam voor iemand die 'snerkt', een scherp geluid laat horen, snauwt. Vergelijk Snauwaert.

Sneyaert. Variant van Sneyers, met -aard-suffix?

Sneuckelaer De. Familienaam uit het Oudnoorse + Hoogduitse sneukelen: likken, snoepen. Bijnaam.

Snethlage: Plaatsnaam Schnetlage in Quakenbrück (Nedersaksen).

Snick, Snik: Bijnaam voor iemand die snikt of naar adem hijgt, hikt.

Snick, van, Snickt, van, van der Snik, van der Snick, van der Schnicht, Schnickt, Versnick, Versnich. Familienaam uit de plaatsnaam Zinnik (het huidige Soignies in Henegouwen).

Snijder (de), (de) Snyder, Snyders, de Sneyder, (de) Snijders, Snidr, Snide, Snieder, Snieders, Sneyders, Sneyder, Sneijders, Sneijder, Sneiders, Snijers, Snyers, Sneyers, Sneijers, Snajder. Beroepsnaam van de snijder: maaier, oogster, lakenverkoper (die laken snijdt), beeld- of houtsnijder, kleermaker. Duits Schneider.

Snikkers: Beroepsnaam van wie werkte met de snicke ‘platte beitel’.

Snip, Snippe, Sneep: Bijnaam naar de vogelnaam, de snip, wellicht voor iemand met spitse ‘snavel’ of neus.

Snissaert. Ongetwijfeld variant van Smissaert.

Snoeck, Snoek, Snoeken, Snoecks, Snoeckx, Snoecx, Schoeck, Schock, de Snoeck, de Snouck, Desnouck, Snouck (de) Snock, Snocks, Snock, Snockx, Snokx, Snoq: 1. Bijnaam naar één of andere eigenschap of beroepsbijnaam voor visser of handelaar. 2. Maar in Zeeland kwam de naam Snoek vaak voor als voornaam.

Snoekeveld, van. Plaatsnaam.

Snoep: Van oostelijk Middelnederlands (Neder-Rijn) snoppen ‘snuiven, de neus snuiten, snuffelen’. Vergelijk Duits familienaam Schnopp(er), Schnupfer.

Snoeren, Snoers: Middelnederlands snoere, snorre ‘schoondochter; ontrouwe vrouw’. Bijnaam.

Snoeyers, Snoeijers: Beroepsnaam van de snoeier.

Snoeij, Snoeijs: 1. Snoeij = Snoij, van snode; zie de Snoo. 2. Beroepsnaam van de snoeier. Vergelijk Snoeijers. 3.Vadersnaam. Voornaam (Utrecht, Gelderland).

Snoijink. Afleiding van Snoy.

Snollaerts. Variant van Snellaert met klinkerronding.

Snoo, de: De Snode ‘arm, gering, schamel; slecht, schandelijk. Bijnaam.

Snoodijk: Plaatsnaam Snoodijkpolder in Wemeldinge (Zeeland).

Snouwaert: Afleiding van het werkwoord snauwen ‘happen of bijten, snauwen, toebijten’. Bijnaam voor iemand die (af)snauwt.

Snoy, Snoeys, Snoeijs, Snoeij, Snoijs, Snoeijen: 1. Bijnaam voor een snode kerel: arm, behoeftig, verdorven. 2. Beroepsnaam van de snoeier. Vergelijk Snoeyers. 3. Vadersnaam. Voornaam (Utrecht, Gelderland).

S.N.P. Vermoedelijk vondelingnaam naar de initialen.

Snurer. Beroepsnaam. Vergelijk Schnürer, Schnurer: maker van snoeren, passementwerker.

Snutsel. Waarschijnlijk variant van Snitzer.

Sober, Soubre, Soubré, Lesobre: Bijnaam voor een sober, matig, behoorlijk mens.

Soberon, Sobéron: Wellicht van Occidentaals Soubiran, Soubran: hoger gelegen plaats.

Soblet. Variant van de Franse familienaam Chob(e)let, afleiding van Duits Schaub: strobundel.

Sobron. Naam die wellicht komt uit het Occitaanse (Languedoc) Soubiran, Soubran: hoger gelegen plaats. Of (hoe vreemd ook) ook wel: aan de voet van de helling.

Sobry, Sobrie, Saubry, Sobbry, Soubry, (de) Soubrij, de Soubri, Soubrier, Dessobry, Dessoubrie, Desoubrie, de Sobrie, de Sobri, de Sobry, Desombry, Desaubry. Betekent zoveel als: des Aubris. De plaatsnaam heeft waarschijnlijk dezelfde betekenis als Aubry (in het gebied Nord in Frankrijk). 1158 Aubriu, van albus rivus: witte waterloop.

Socquet, Soquet, Sauquet, Choquet, Choqué, Choque, Choquez, Chocquet, Souquet, Chuquet: 1. Oudfrans soket: ploegschaartje. Beroepsnaam. 2. Wijnbelasting. Beroepsnaam voor de inner ervan. Vergelijk Choquelle.

Socx, van. Plaatsnaam Socx, Frans-Vlaanderen.

Sodart. Middenfrans soudart; soldaat. Beroepsnaam.

Soebert, Vadersnaam van Soibert, Romaanse vorm van Germaanse voornaam sigi-berht 'zege-schitterend': Sigebertus, Seibert, Soypertus. Of Germaanse voornaam swôt-berht: Zoe(t)brecht?

Soederhuijsen: Plaatsnaam Süderhausen (Nedersaksen).

Soe, la: Spelling van de Franse familienaam Lasou, Lazou. Vadersnaam. l’Asou, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam (h)as-wulf: Asulfus.

Soel, van, van Sull. Familienaam uit de plaatsnaam Suhl (Thüringen), Suhle in Lastrup (Nedersaksen), Zoelen (Gelderland).

Soelen, van: Plaatsnaam Zoelen (Gelderland).

Soels, Sools, Sols. Plaatsnaam ?

Soen, Soens, Tjoens, Tjoen, Tjoën, T’Joens, T'Joen,;t Joens, 't Joen, t’ Joens, t' Joen, Tjong, Tjon, Tion, Tyjon, Tyoen, Tsjoen, T'Sjoen, 't Sjoen, T'Sjoën, Sioens, Sioen, Sioëns, Sion, Scion, Scyon, Syoen, Sijoen, Céoen, Sayoen. 1. Vadersnaam uit Chon, de verkorte vorm van bijvoorbeeld Michon. Dit is dan weer een knuffelvorm van Michel of uit Lammechoen of Robechoen. 2. Kan soms ook een verwantschapsnaam zijn uit 'de Zoon'.

Soenen, Soenens, Zoonens, Zoenen, Seunens, Seunen, Suenes, Suenens, Sunes, Sunnen, Sünnen. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam sôna 'zoen, oordeel': Suonbertus, Sonardus.

Soens, van. Waarschijnlijk familienaam Soens met secundair voorzetsel.

Soer, Soeren. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Soeren (Gelderland). 2 Variant van Suer: bijnaam voor een niet zo goedlachs iemand.

Soesmam, Sosman: Afleiding van plaatsnaam Soest (Urecht).

Soest, van, van Zoest: Plaatsnaam Zoest, Soest (Utrecht) of Soest (Noordrijn-Westfalen).

Soester: Afkomstig van Soest of Zoest.

Soestronck, Sustronck, Suestronck, Justronck, Suestrone. In de 18de eeuw was de naam in Moeskroen: Soustroncq, Sistrone, Sustroncq. Duitse familienaam Sûsstrunck, Sustrunk die zoveel betekent als zoete dronk. Bijnaam voor iemand die van zoete drank houdt.

Soetbeek. Waternaam. Bijvoorbeeld in Wijshagen, Limburg.

Soeteman, Soetemans, Soetman, Sutemans, Suetmans, Soutermans, Soutmans, Soetermans, Sodermans. 1. Bijnaam voor iemand met een zacht karakter. Bijnaam van een minnaar? Vergelijk Duits Sùssmann, Nederduits Sôthemann. 2. Soms een moedersnaam/vadersnaam afgeleid van Zoete (zie bij Zoetaert).

Soetekouw: Bijnaam voor een zoetekauw? Vergelijk Zoetemond. Het is wel een vrij jong woord (1618).

Soetemeijer, Soetemeyer: Bijnaam voor een meier met zoet, zacht karakter. Vergelijk Duits Süssmeier.

Soetemond, Soetemondt, Soetemont. Bijnaam voor een zoet mondje, iemand die van zoetigheid houdt.

Soeteeweye, Soeteweye, Soetewe, Soeteweij, Soetewye, Soetewez, Soetgeweye. Familienaam uit de plaatsnaam Soetewei in Putte (bij Heist op de Berg, Antwerpen).

Soetendael, van. 1. Plaatsnaam Zoetendaal in Middelburg, Maldegem (Oost-Vlaanderen), Eernegem, Keiem, Reningelst (West-Vlaanderen). 2. Variant van Van Suetendael.

Soeterboek. Bijnaam Zoete Buik.

Soeterwoude, van: Plaatsnaam Zoeterwoude (Zuid-Holland).

Soetewey, Soeteweye, Soeteweij, Soetewye, Soetewez, Soetgeweye, Zoeteweij: 1. Bijnaam Zoete wei. Wei: wei, hui van de melk. Bijnaam voor de melkboer. Vergelijk Zoetemelk. 2. Eventueel plaatsnaam Zoetewei(de), bijvoorbeeld in Putte (Antwerpen).

Soetheer. Reïnterpretatie, wellicht van Luikse familienaam Souterre.

Soethoudt, Soethout, Zoethout. 1. Mogelijk uit een plaatsnaam, plaats nog onbekend. 2. Of bijnaam voor een timmerman, boswachter? Of kweker of maker van zoethout, drop?

Soeur. Franse verwantschapsnaam soeur: zus(ter).

Soetinck. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse swôt-naam. Zie Zoete.

Soffers, Soeffers: Vadersnaam. Germaanse voornaam Sof(f)redus.

Sohet, Soxhet: 1. Zie Soyer. Of afleiding van Sohier (vergelijk Soxhelet). 2. Plaatsnaam Soheit (Luxemburg)?

Sohier, Sohir, Sohy: Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger.

Sohne, Sohn, Söhn, Söhnen, Sons, Son, Sons: Duitse verwantschapsnaam Sohn: zoon.

Söhngen, Sohngen, Söhnigen, Soehnchen, Söntgen, Söhnle: Afleiding van Duits Sohn: zoon. Vergelijk Soontjens.

Soigneux. Bijnaam Soigneux; zorgzaam.

Soil, Soile, Soille: Oudfrans soile: rogge (graangewas). Bijnaam.

Soiman, Soyman, Soymans, Zoimans, Soeymans, Zoemans, Seymand, Seyman: Vadersnaam. Afleiding van Soi, van Soyer, Franse vorm van de Germaanse voornaam Zeger.

Soin, Soins. 1. Zie Lesoin(g). 2. Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam Zegewin? Sigoinus, Segoinus.3. Plaatsnaam Soinne in Celles (Namen).

Soiron: Plaatsnaam Soiron (Provincie Luik).

Soir. Oudwaals soir: schoonvader, of bijnaam soir: geelbruin

Soiron, Soirant, Sweron: Pllaatsnaam Soiron (Luik).

Sois. Vadersnaam. Korte vorm van François, Fransois, Franse vorm van de voornaam Franciscus of de Germaanse voornaam Vrank. 2. Zie Soy.

Sokay, Soquay, Socquay: Bijnaam. Waals sokê: boomstronk, houtblok.

Sokoloff, Sokolovic, Sokolovitch, Sokolovsky, Sokolowa, Sokolow, Sokolowna, Sokolowska, Sokolow, Sokolski, Sokolik, Sokolski, Sokolsky, Sokoluk, Sokal: Afleiding van Pools Sokoll: valk.

Sol: Verkort uit Delsol, Solbol, Bijnaam uit sollebollen ‘stoeien, rollen, buitelen’.

Solaire. Waarschijnlijk spelling voor Soler.

Solas, Solasse, Sola, Sollas, Salasse, Salas, Soulasse, Soulas, Soulages, Soula, Soulatge, Sulas: Oudfrans solas, solace: vreugde, plezier, soelaas, vermaak. Bijnaam.

Solbach: Plaatsnaam Solbach (Baden-Württemberg).

Solberg, Solberghe, Sollberger: Plaatsnaam Sollenberg in Huizingen (Vlaams-Brabant). De Limburgse familienaam Solberg / Sollberger gaat veeleer terug op laatsnaam Solberg in Halver (Noordrijn-Westfalen) of eventueel Sohlberg, Duitsland.

Solbreux, Solbrun. Plaatsnaam Solbreucq in Ghoy, Namen : sur le Breux: op den Broek.

Sold. Waalse aanpassing van Duitse Solder; soldenier?

Soldati. Italiaanse familienaam; soldaat.

Soleil, Du Soleil, Dessoleil, Desoleil, Solot, Solo, Sullot, Solias, Solia: Bijnaam naar de huisnaam Au Soleil: In de Zon.

Soler, Soller, Solier, Solie, Sollie, Sollière, Soulier, Soulie, Soulié, Soulière: 1. Oudfrans soler, van Latijn subtelarem, van Frans soulier: schoen. Bijnaam of beroepsnaam. 2. Zie Solie(r).

Solheid. Plaatsnaam in Robertville (Luik), Solheyde in Tourneppe (Waals-Brabant). Sur le Heid: op de heide.

Solier, Soli, Solie, Sollier, Sollie, Solli, Solly, Soly, Sollière, Soller, Soler, Soulie, Soulier, Soulié, Souillé, Souillie, Dusoulier, Dussolier, Dusolier, Dusollier, Dussoulier, Dusoulier: 1. Oudfrans solier, van Latijn solarium: bovenverdieping, zolder. Naar de woonplaats. 2. Zie Soler.

Solignac. Plaatsnaam (Hte-Loire, Hte-Vienne).

Solinge, van, Solingen, van, van Soolingen, Zoolingen: Plaatsnaam Solingen (Noordrijn-Westfalen).

Solis. Misschien variant van Salis.

Sollard, Solar, Solarz: Afleiding van werkwoord sollen: met een kolfbal spelen, kolven; ook sollen (vergelijk Tjolle).

Solle, T'Siolle, Tjolle, 't Jolle, 'T Jolle, Tiole, Tyole, T'Yolle. Bijnaam uit het Middelnederlandse sollen, tjollen: kolven (oud spel: bal met hand of kolf naar mekaar toewerpen), sollen (met iemand). Dus bijnaam voor de balspeler, de plaaggeest of zijn slachtoffer (de sul). Vergelijk Waals-Vlaams t(s)jolen: sukkelen. (Vergelijk ookTjampens, van Sampin, T'Siobbel en sobbelen).

Solleman, Sollemans. 1. Afleiding van werkwoord sollen. Zie Sollard. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sulmannus. 3. Afleiding van Nederduitse plaatsnaam Sol: modder; of Sole: zout water.

Sollet, Solle, Zolet, Solle, Sole, Sole, Soulette, Soulet, Seulet: Frans solet, afleiding van Oudfrans sol(e), met veel mogelijke betekenissen. Of spelling voor Oudfrans soler; zie Solier. Of Oudfrans solet: alleen.

Solleveld, van: Plaatsnaam Solleveld ‘veld waar gesold, gekolfd wordt, speelveld’.

Sollière: Plaatsnaam in Ben-Ahin (Luik).

Solloway. Waarschijnlijk variant van Sollevay, zie Servaas.

Solms. Plaatsnaam bij Braunfels aan de Solms.

Solon, Sulun, Sullun: 1. Wel een variant van Salom, Salon, Romaanse onderwerpsvorm van Salomo. Vergelijk Solmon= Salmon. 2. Plaatsnaam Solon (Aisne).

Soltau. Plaatsnaam bij Hannover.

Solthom, van. Misschien plaatsnaam Solten in Wulfen (Noordrijn-Westfalen).

Solvel. Hypercorrect voor Solvay?

Somelette, Sommelette. Afleiding van plaatsnaam Somme, Namen, als naam van een rivierbron.

Sombeke, van, Sombeek: Plaatsnaam Sombeke in Waasmunster (Oost-Vlaanderen) en Boechout (Antwerpen).

Sombreffe. Plaatsnaam. Namen.

Sombryn, Sombrijn, Sommeryn, Sommeryns, Sommerijn, Sommerijns, Sommereyn, Sommereyns, Sommereijns, Sommerain, Soumeryn, Sonmereyn: 1. Plaatsnaam Sombrin (Pas-de-Calais). 2. Oudfrans sombrin: korenmaat. Beroepsnaam van de korenmeter.

Sommeling: Uit Som(m)erling. Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Zomer: Sumar.

Sommeijer: Samengetrokken uit Sommermeier, Sommermeyer.

Somer, de, Somere, de, de Soomer, (de) Sommer, de Zoomer, de Zommers, Somer, Somers, Soomers, Zomer, Zomers, Zoomers, Sommers. 1. Bijnaam uit het jaargetijde, of voldelingennaam naar vindingsmoment. Vergelijk De Winter, Duits Sommer, Herbst, Winter, Brengesumer, Opsomer. 2. Beroepsnaam van de kuiper, uit het werkwoord zomen: van hoepels voorzien.

Somercoren. Bijnaam voor iemand die zomerkoren teelt. Duitse familienaam Sommerkorn.

Somerhausen. Plaatsnaam Sommerhausen, Beieren.

Somerling, Somerlinck, Somerlinckx, Somerlih, Sommerlinck, Zomerlinck, Zomerlynck, Zommerlincks: Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Zomer: Sumar.

Somersbaep. Verhaspeling (in Henegouwen, Frans-Vlaanderen), misschien van Sommersberg.

Somjean, Somjen, Sonjeau, Somja, Somia: Misschien verhaspeling van Franse familienaam Songeon. Plaatsnaam Songeons (Somme).

Somme, Sommen. 1. Naam uit het Oudfranse/Middelnederlandse somme: zadel voor een pakpaard of lastdier. Bijnaam voor een voerman of ezeldrijver. 2. Zie ook Desomme.

Sommeillier. Beroepsnaam. Oudfrans somelier, sommeillier: drijver van lastdieren.

Sommerain, Sommereyn, Sommereyns, Sommereijns, Sommeryn, Sommeryns, Sommerijn, Sommerijns, Soumeryn, Sonmereyn: 1. Plaatsnaam Sommerain in Mont-le-Ban (Luxemburg). 2. Soms eventueel door assimilatie (mb/mm) van Sombryn.

Sommerfeld, Zomerfeld. Verspreide Duitse plaatsnaam.

Sommersberg. Plaatsnaam. Beieren.

Sommier. Frans sommier; lastdier. Beroepsnaam.

Somnel. Engelse familienaam die wellicht terug te voeren is op het Middelengelse sumner en op het Oudfranse sumoneor: de ambtenaar die er in de middeleeuwen verantwoordelijk voor was dat iemand die voor het gerecht moest verschijnen, er wel degelijk verscheen.

Somon. Spelling voor Saumon.

Sompel, van, van de(den) Sompel, Sompele, Versompel. Familienaam uit sompel: zompige, drassige plek, onder andere in Wondelgem. Sompele te

Wondelghem; in Sinaai (Oost-Vlaanderen).

Somvil, Somville, Sommerville, Sommeville, Sonnevile, Sonville, Sonvil, De Sonville, De Sonneville, Van de Sonneville, (van de) Zonneville, Zonnevijlle, de Somville, Desomville, De Somviele, Desssomviele, Dessomviele, Dessomville, Dassonneville, Dassonville, Dassonleville, D'Assonville, Darsonville, Dassonval, Dassonvalle. Naam uit de plaatsnaam Son le Vile, ad summum villae: op het hoogste punt van het dorp. Zo is er onder andere een Son le Ville in Artres (Nord), Somville in Chaumont (Waals-Brabant), Assonville in Nieuwkerke (West-Vlaanderen) en Assonville in Fampoux en Ham-en-Artois (Pas-de-Calais).

Somzé, Somze: Plaatsnaam Somzée (Namen).

Son, van, van (der) Zon: Plaatsnaam Son (Noord-Brabant). Van der Zon kan op een huisnaam teruggaan.

Sonabend, Sonnabend. Nederduitse naam van de zaterdag.

Sonck, Sonke, Sonkes. Vadersnaam uit Sonicus. Friese voornaam Sönke, So’nke, Sonke.

Sondag, Sondagh, Sondack, Zondach, Zondag, Zondacq, Zondack, Sonntag, Sontag, Sonntak. Bijnaam uit de naam zondag: vondeling, vrolijkaard, religieus.

Sonderen, van. Plaatsnaam Sondern. Noordrijn-Westfalen.

Sondervorst, Sandervorst: Plaatsnaam Sondervorst: afgezonderd, gereserveerd bos, banwoud. Middelnederlands sonderholt: eigen hout. Plaatsnaam Sonderbosch (Gelderland).

Sonet, Sonnet: Vadersnaam. Verkort van Massonet, afleiding van Thomas.

Songlet. Variant van Soglet met n-epenthesis?

Soninck. Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Son; zie Soenen.

Sonius, Seuntjens, Zoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons verlatijnst als Sonius, met Sönnichsen (van de verkleinvorm Sönnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma, Sonnema, Sonningha, misschien ook met Sonnega en met vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Friesland; Sönnenwerf, gehucht bij Okholm in Noord-Friesland; Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen; Sonsbeek, dorp bij Gelder in de Rijnprovincie—allen van de oud-Germaanse, hier en daar in de Nederlanden nog voorkomende mansnaam Sonne, Sone, Sönne.

Sonnaert, Sonaers, Zonnaert: Vadersnaam. Germaanse voornaam son-hard 'oordeel, zoen-sterk': Sonardus.

Sönnecken. Nederduitse familienaam, afleiding van zoon. Vergelijk Söhngen, Soontjens.

Sonke: Vadersnaam. Friese voornaam Sönke.

Sonnega, eerder Sonningha, van de plaatsnaam Sonnega uit Stellingwerf, Sonnega, Fries gea; dorp, Zonnedorp. Sonneghem of Sonningheim is een dorp in Vlaanderen.

Sonnemans, Sonnemann, Sons, Sonmans, Sonnema: Afleiding van sonne ‘zon’. Vaak huisnaam. Of van van Son. Vergelijk Sonnen, Duits Sonnemann.

Sonnen. Middelnederlands sonne: zon; ook troetelnaam voor een geliefde. Ook verspreide huisnaam.

Sonnenberg, Zonnenberg, Zonemberg, Zonnenderg: Erg verspreide Duitse plaatsnaam. Ook Zonnenberg in Denekamp, Overijssel en Renkum (Gelderland).

Sonnenblick, Sonnenbluck. Duitse plaatsnaam Sonnenblick: zonnige plaats waar de zon blikt.

Sonnenschein, Zonenszajn, Zonszajn: 1. Duitse familienaam voor iemand met stralend humeur, zoals de zonneschijn. 2. Plaatsnaam Sonnenschein (Noordrijn-Westfalen).

Sonneville, (van) de, Sonnevijlle, Sonnevijle, Sonneveijle, Zonnevijlle, Zonnevijle, Zonnewijle: Ook Somville. Plaatsnaam, Antwerpen, Son le Vile, ad summum villae ‘op het hoogste punt van het dorp. Son le Ville in Artres (Nord), Somville in Chaumont (Waals-Brabant), Assonville in Nieuwkerke (West-Vlaanderen), Fampoux en Ham-en-Artois (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen).

Sonnwald. Plaatsnaam in Bergkamm (Hunsrûck).

Sonny, Sonnij: Spelling voor Waals Sauny, van Saunier.

Sonon. Verkort van Massinon of Massonon?

Sonsbeeck, van, Sonsbeek, (van): Plaatsnaam Sonsbeek, Gelderland.

Sontrop, Zontrop: Duitse familienaam Suntrop, Nederlandse familienaam Sondorp. Wellicht plaatsnaam Suttrop (Noordrijn-Westfalen) of Suttrup (Nedersaksen).

Sonval, Sonvaux, Sonveaux, Sonveau: Plaatsnaam Sonval in Waasmont (Vlaams-Brabant)? Of verkort van Nessonvaux (Luik)?

Soolsma: Friese afleiding van Friese voornaam.

Soontjes, Soontjens, Zoontjens, Soontiens, Soontiëns, Soentjens, Seuntjens, Seuntjes, Seuntiens, Suntjens. Afleiding van zoontje. Hierbij is de naam van de vader weggevallen (zoon van ?).

Soorbeek. Plaatsnaam, wellicht droge, uitgedorde beek. Vergelijk Sorbais (Aisne). Of Zuurbeek bij Vollenhove (Overijssel).

Soors, Soers, Sorce, Sors. Onduidelijke familienaam die vooral in Limburg en Oost-Vlaams-Brabant voorkomt. Een Duitse tegenhanger is Sörs. Wellicht heeft het dezelfde bron als het Deense Sören: een verkorte vorm van Severinus. Vadersnaam.

Soos, Sos: Wellicht variant van So(o)rs, met assimilatie rs/s.

Sooijs: 1. Vadersnaam. Korte vorm van Fransoois, van François, Franse voornaam van de heiligennaam Franciscus. 2. Afleiding van Soy, van Soyer; Suy, Saaij.

Sop, Soep, Soppe, Sopyn, Sooben: Vadersnaam. Bakervorm van Germaanse berht- of balth-naam. Suppo, Soppo, Sobbo, Sobbe. Volle vorm wellicht Sobaudus, of Zobrecht, zie Soebert.

Sophie, Sofia, Soffie, Soffié, Souphy, Sofys, Sophys, Suffis, Suffys, Sufit. Moedersnaam uit de Griekse heiligennaam Sophia: wijsheid. De voornaam komt al in 1064 in Vlaanderen voor. De vormen met eind-s kunnen teruggaan op heiligennaam Sufficia/Soficia.

Sopper, de, Soppere, de. Middelnederlands soppe: sop (van Frans soupe, Nederlands soep), vloeibare spijs - soep of pap - waarin brood gebrokt, gesopt werd, pap met brokken, lichte maaltijd. Bijnaam voor de bereider of gebruiker er van.

Sopijn: Vermoedelijk vervormd uit de familienaam Soupène, van Suypeene, van plaatsnaam Zuytpeene ‘Zuidpene’ (Frans-Vlaanderen).

Sorber: Duits familienaam Sorber/Surber, afleiding van Beierse plaatsnaam Sorbe/Surbe ‘moeras’. De Zwitserse familienaam Surber blijkt evenwel terug te gaan op het riviertje de Surb, N.-Westen van Zürich.

Sorée, Soree, Sorèe. Familienaam uit de plaatsnaam Sorée (Namen).

Soreil, Soreille: Plaatsnaam Soreille in Pecq (Henegouwen). Maar de familienaam komt vooral in Luxemburg en Luxemburg voor. Variant van Sorée.

Sorel, Soreau, Sorraux, Sorreaux, Saureau, Soro, Sauro, Sorriaux, Soriaux, Sorio, Soria, Saurais: Verkleinvorm van Oudfrans sor ‘geelbruin’. Vergelijk Soret. Bijnaam.

Soret, Sorette, Sorret: Afleiding van Oudfrans sor: bruingeel. Zie Sorin

Soreijn: Uit Sorin, afleiding van Oudfrans sor, van Frankisch sur ‘geelbruin’.

Sorg, Sorge. Bijnaam voor wie zorgvuldig, bezorgd is, voor anderen zorgt.

Sorgeloos, Sorgeloose, Soorgeloos, (de) Surgeloos, (de) Surgeloose, de Surgelose, Seurgeloose: Bijnaam voor een zorgeloze, onbezorgde.

Sorgher, de. Beroepsnaam. Middelnederlands sorger: opziener, opzichter.

Sorgi, van: Vervorming van van Sorge? Of Italiaanse familienaam Sorgi = Sorci, van Sorcio ‘muis’?

Soria, Soriano, Soriani. Spaans Joodse familienaam van plaatsnaan in Castilië.

Sorin, Soreyn, Sorreyn, Soreijn, Serin: Afleiding van Oudfrans sor, van Frankisch sur: geelbruin. Bijnaam. Vergelijk Sorel, Soret. 2. Sorlet: Bijnaam. Afleiding van Sorel.

Sornas, Sornasse. Slavische familienaam. Russisch cherny, Pools czarny: zwartharig, donkerhuidig. Verduitst Scharnach, Schornach, Joods Czernas.

Sornin. Variant van Sernin, van heiligennaam Saturnin, Latijn Saturninus.

Soroge. Oudfrans sororge, serorge: zwager, schoonzuster.

Sörnsen, Sörensen, Sorensen: Vadersnaam. Zoon van Soren, Deense vorm van heiligennaam Severinus.

Sorrenti, Sorrentino. Italiaanse plaatsnaam Sorrento.

Sorte, de. Uit De Sworte = de Zwarte (procope van w voor o is niet ongewoon). Of aanpassing van Waals Dessort?

Sortet, Sorte: Variant van Sartet (vergelijk Sortia, Sorton), afleiding van plaatsnaam sart: rode.

Sosnik: Slavische familienaam, van sosna ‘pijnboom’.

Sosson, Sossong. Plaatsnaam Sosson in Werbomont (Luik). 2. Middenfrans soçon: kameraad, makker.

Sot, de, de Sodt, de Zot. 1. Bijnaam voor een gek, dwaas, zot, Frans sot. 2. Bijnaam voor de hofnar.

Sotelet, Sautelet. Afleiding van Sotel, zie Sotiaux.

Souburg, van: Plaatsnaam Souburg (Zeeland).

Sotiaux, Sotiau, Sottiau, Sottiaux, Sottiau Sottieaux, Sotteau, Sotto, Soto: Bijnaam. Oudfrans sotel, van sot: zot, gek.

Sotré, Sotre, Sotrez, Sottré, Sottre: Plaatsnaam Sotré in Nandrain (Luxemburg).

Souchez, Souchet: 1. Plaatsnaam Souchet (Pas-de-Calais). 2. Afleiding van Frans souche: boomstronk, boomstomp. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. Vergelijk Stobbe, Stubbe.

Soucy, Souci, Soussi. 1. Plaatsnaam Soucy (Aisne, Yonne). 2. Frans souci: zorg, (sans soucy; zonder zorg). Bijnaam. Vergelijk Sorg(e).

Soudan, Soudant, Saoudans, Soudent, Sudan, Soldan, Zoldan, Zoltan: Oudfrans Soudan, soldan, Middenenderlands soudaen: sultan. Bijnaam.

Soudeyns, Soudeijn, Soudeyn, Sedeyns, Sedeyn, Sedeijn, Sedyn, Cedeyn, Cedeijn, Sydein. Naam uit het Oudfranse sodain: plotseling. Bijnaam voor een vlug, plotseling handelend persoon.

 Soufflet, Soufflé, Souflet. Naam uit het Oudfranse soflet: blaasinstrument. Beroepsnaam of beroepsbijnaam.

Souillard, -Suillaert, Souilat, Souliaert, Soulierd, Souiljaert, Soulliaert, Souliaert, Solliard, Solia, Solias. Naam uit het Oudfranse soillier: vuilmaken. Tja.

Soumang: Plaatsnaam Soumagne (Provincie Luik).

Souter, de, de Soutter, de Zoutter, de Zoutre, (de) Sauter, Zauters, Zoeter, de Soeter. Beroepsnaam voor de zouter: zouthandelaar of zoutzieder.

Soutmans, Soutermans, Soetermans, Sodermans, Zoutman. 1. Beroepsnaam voor de zouter: zouthandelaar of zoutzieder. 2. Eventueel kan het een variant zijn van Soetemans.

Soudon. Variant van Soudan?

Soudron. Metathesis van Franse familienaam Soudron, plaatsnaam (Somme)?

Souffers. Duitse bijnaam Saufer: zuiper, zatlap.

Soufflet, Soufflé, Souflet: Oudfrans soflet: blaasinstrument. Bijnaam of beroepsnaam.

Souffreau, Souffriau, Souffriaux, Souffriou. Reïnterpretatie - door aanpassing ch/s en samentrekking -four- van -fr- van Chaufoureau.

Soufneguel, Soufnenguel, Soufnanguel, Soufnongel, Soufnongelle, Soufnonghel, Soufnonguel Soufnongeulle, Suffrongelle: Waalse aanpassing van de familienaam Hoefnagel.

Sougnier, Sougniez, Sougnez, Sougné, Sougne: 1. Plaatsnaam Sougnez, -gné in Aywaille (Luik). 2. Zie Saunier.

Souheur. Hypercorrect voor Oudfrans sueur, van Latijn sutor: (schoen)naaier.

Souillard, Souillart, Souillat, Souilliaert, Souillierd, Souiljaert, Soulliaert, Souliaert, Solliard, Solia, Solias: Afleiding van Oudfrans soillier, Frans souiller: vuilmaken. Bijnaam voor een vuilik.

Soumagne. Plaatsnaam, Luxemburg.

Soumillon, Soumillion, Soumilion, Semillon, Simillion, Simillon, Similon, Simmillon, Simmilon, Simmelon, Simelon, Simélon, Samion: Oudfrans someillon: slaap, halfslaap, dutje. Bijnaam voor een slaperig mens, suffer.

Soumoy, Sournois. Plaatsnaam Sournoy, Namen.

Soupart, Souppart, Souppert: Afleiding van Oudfrans soper, Middenenderlands soppen: brood in so(e)p soppen, brokken, een maaltijd (van souper) gebruiken.

Soupel, van der, van der Soupen: Verhaspeling (in N. Frankrijk) van Van de Sompel.

Souplet. Variant van Souplit = Supply = heiligennaam Sulpitius. Vergelijk plaatsnaam Saint-Souplet = 1155 Sansuplez = 1216 de sancto Sulpicio.

Sour, Sourd, Sor: Bijnaam. Frans sourd: doof.

Sourbron. Limburgse vorm voor plaatsnaam Zuurbron. Vergelijk Duits Sauerbrunn.

Sourdieau, Sourdeau, Sourdet: Afleiding van sourd: doof. Bijnaam.

Souren. Limburgse vorm voor Zuren (zie Zurings) of Zuid-Limburgse variant van Seuren.

Souris, Sourie, Soris,Sourice, Sorice, Sauris, Saury, Sury, Sory: 1. Frans souris, Oudfrans soris: muis. Bijnaam naar de kleine gestalte, het spitse gezicht of de stem. Vergelijk Muys. 2. Sory kan een Duitse familienaam zijn.

Soussigné, Soussige. Waarschijnlijk reïnterpretatie, bijvoorbeeld plaatsnaam Sassegnies (Nord)?

Soutbeecke, Soutbeque. Zierikseese familienaam. Plaatsnaam. Vergelijk Soetbeek.

Souter, de, de Soutter, de Zoutter, de Zoutre, (de) Sauter, Zauters, Zoeter, de Soeter: Beroepsnaam van de zouter: zouthandelaar, zoutzieder.

Souterre. Reïnterpretatie van plaatsnaam Sauternes (Gironde) of van Sansterre?

Soutmans, Soutermans, Soetermans, Sodermans, Zoutman: 1. Beroepsnaam van de zoutzieder of zouthandelaar. Vergelijk De Souter. 2. Eventueel variant van Soetemans.

Souvain: Plaatsnaam blijkens de variant de Souvain. Charles de Châtillon was omstreeks 1400 heer van Souvain.

Souvais. Variant van Sovet?

Souverain, Souverains, Souvereijns, Souvereyns, Souverijns, Souveryn, Souveryns, Soverijns, Soveryns: Oudfrans sovrin, Middelnederlands so(u)verein: boven anderen geplaatst, gezaghebber, gebieder. Maar vanwege de hoge frequentie van deze familienaam in Limburg en Luxemburg gaat het heel waarschijnlijk om een reïnterpretatie van Severijns, waarbij ook de ronding e/o in plaats van de v een rol kan spelen.

Souvignier, Souvenir, Sovegni. Plaatsnaam Souvigny (Allier) of Souvigné (Meuse, Charente, Sart, enz.).

Souwen, Souwens, Sauwens, Sauwen, Zauwen, Souw. Deze naam betekent zoveel als van de Ouwen: zoon van den Oude.

Souwerck. Wellicht aanpassing van Duitse familienaam Schwark. Middennoordduis, Middelnederlands swerk, swark: donkere wolk. Vergelijk Donkerwolke.

Souxdorf. Plaatsnaam Suxdorf in Wûrchwitz (Saksen-Anhalt) en in Grb'nitz (Duitsland).

Sovet. Plaatsnaam Sovet, Namen.

Soxhelet, Soxhlet, Sohelet, Soglet: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Sohier (Zeger).

Soy, Sois, Sey: Vadersnaam. Korte vorm van Soyer, Romaanse vorm van Zeger.

Soyer, Soyez, Soier, Sohier, Sohir, Sohie, Sohiez, Sohest, Sohet, Sohir, Sohy, Sohyr. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger.

Spa, Spaaij: Middelnederlands spade ‘laat’. Bijnaam voor een laatkomer.

Spaak, Speek, Speecke, Speeck, Specque, Specq: Beroepsnaam van de rademaker, wielmaker, wagenmaker, die spaken in de wielen steekt. Maar de Belgische familie Spaak stamt van Magnus Spaak, 1699 in Uddevalla (Zweden). Die vestigt zich in Brussel ca. 1725. Zweeds spak: zacht, gewillig, gedwee.

Spaan, Saen, Spaens, Spans, Span, Spann, Spang, Spaans: Middelnederlands spaen ‘spaan, houten lepel (Engels spoon), visspaan, schuimspaan’. Beroepsbijnaam van de lepelmaker, -snijder. Als voornaam.

Spaanbroek. Plaatsnaam Spanbroek, Noord-Holland.

Spaanderman: Afleiding van Spaan.

Spaandonck, van, van Spaendonck, van Spandonck, van Spaendonck, van Spaendonk, Verspaandonck, Verspaandonk, Verspaendonck. Naam uit de plaatsnaam Spaandonck in Haaghorst (Noord-Brabant).

Spaanenburg: 1. Afleiding van Pijnenburg. 2. Plaatsnaam Spangenberg (Hessen, Rijnland-Palts).

Spaargaren: Bijnaam voor een kleermaker die zijn garen spaart, die zuinig met zijn garen omspringt. Vergelijk Duits Sparbrot, Sparfleisch, Sparkàse, Sparwasser, Sparschuh, Sparleder.

Spaarman. Bijnaam voor iemand die spaart, zuinig is. Duits Sparmann.

Spaas: Afleiding van Paas, zie Paas(s)e.

Spadin, Spaden, Spoden, Spoidenne, Spoiden: 1. Plaatsnaam Spaden in Schiffdorf (Nedersaksen). 2. Plaatsnaam, 1338 Spaden, oude vorm van Spouwen (Limburg) 3. Nederduits Spaden, Duits Spaten: spa(de). Beroepsnaam. 4. Spoden is een huisnaam in Amel en Deidenberg (Luik): 's Boden: an des Boten Haus: aan 's boden huis.

Spadon, Spadone, Spadoni. Italiaanse beroepsnaam van spada; zwaard.

Spae, (de), (de) Spaey, Spaeij, (de) Spa: Middelnederlands spade: laat. Door d-syncope: spa, spaai. Bijnaam voor een laatkomer.

Spaenhoven: Zoals Spanhove door g/v-wissleing uit Spanoghe. Bijnaam voor iemand met gespannen, voor zich uit starende ogen, starre blik.

Spaerkeer. Misschien Deense plaatsnaam Sparkaer.

Spaeter: Duitse bijnaam Spät ‘laat’. Vergelijk Spa.

Spaeyman. Beroepsnaam van de spadenmaker. Of veeleer afeldeiding van Middelnederlands spade: laat. Vergelijk Duits Spàthmann.

Spagnol, Spaniol, Spagnoli, Spagnolo, Spagnuolo: Volksnaam van de Spanjaard.

Spaink, van de persoonsnaam Spade, Spatto.

Spaillier, Spalier, Spaliers, Spailier, Spaily, Despallier, d'Espallier, Despailler, Despailler, Diespallier: 1. Oudfrans espallier: schouderstuk van het harnas. Beroepsnaam van de wapensmid? 2. Variant van Spelier(s).

Spanenburg, Spannenburg, Spaenenborgh: 1. Afleiding, -vorm in Branbant weergave van Pijnenburg. 2. Maar deze identificatie kan op een reïnterpretatie berusten, door associatie met de beter bekende familienaam Pijnenburg. Er is een Duitse plaatsnaam Spangenberg.

Span, van der. Van der Spaan? Zie Spaans.

Spandel, Spandler, Szpandel: Afleiding van Middenhoogduits spân, Duits Spahn: spaan, houten lepel, visspaan, schuimspaan. Beroepsnaam van de lepelmaker. Vergelijk Spaan(s). Duits ook Spâhnle. Spandler is een beroepsnaam.

Spangler: Duitse beroepsnaam Spengler, die Spangen ‘gespen’ maakte. Later ‘blikslager, loodgieter’.

Spanjaard, Spanjaers, Spagnaerts, Spagna, Spannaert, Spaenjaers, Spaensaers, Spaenjers, Spanjers, Spanjer, Spanier, Spaniger: Volksnaam van de Spanjaard.

Spanje, van, Spanjer, Spanjers, Spanjersberg, Spanekers: Herkomstig van Spanje.

Spanner. Middenhoogduits Spanner: binder van balen, wagenlader.

Spannagel. IJzeren pin ter verbinding van wagen of ploeg. Beroepsnaam? Of bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte en taai karakter.

Spanoghe, Spanhove, Spanhoven, Spaenhoven. Bijnaam voor iemand met een gespannen of starre blik. De variant. Spanhove door v/g-wisseling en reïnterpretatie.

Spanyersberg. Spanjaardsberg? Wellicht reïnterpretatie van Duitse plaatsnaam Spangenberg; zie Span(n)enburg.

Sparenberg: Wellicht plaatsnaam Sparrenburg (Noord-Brabant).

Sparks. Engelse bijnaam naar het levendige, sprankelende karakter.

Sparmont, Sparmant: 1. Bijnaam voor iemand die zijn mond spaart, een zwijgzame. 2. Plaatsnaam Sparmont in Comblain-Fairon (Luik).

Sparton. Afleiding van Oudfrans espart: verdeling, verspreiding, bliksem, vonk, vurige blik.

Sparreboom: Plaatsnaam. Er is een Sparrenboomsche Berg bij Elst (Rhenen, Utrecht).

Sparrentak, (van): Plaatsnaam.

Spät, Späth, Spaeth, Spaeter: Duitse bijnaam Spat: laat. Vergelijk (de) Spae.

Spatz. Duitse bijnaam Spatz; mus.

Spaubeek, Spaubeck, Spaubek, Spabeck. Plaatsnaam Spaubeek, Nederlands-Limburg.

Spaute, Spote: Oudfrans espiaute, Oudwaals speaulte, Frans épeautre: spelt.

Specenier. In de parochieregisters van Vlamertinge ca. 1750 komt de naam als Spissonier voor, met s-anticipatie van Pissonnier.

Specht, Spect, (de) Spicht, Despic, Spigt: Bijnaam naar de vogelnaam, de specht, wellicht naar de spichtige neus.

Spécia, Spéciael, Specia, Speciae), Spéciale, Speziale, Spezia: Afleiding van Oudfrans espice, espèce, Latijn species: kruiderij, specerij? Beroepsnaam voor een kruidenhandelaar. Maar het Middelnederlands kende toch al het woord speciael: bijzondere vriend.

Speck, Specks, Spek, Spec, Specque, Specq. Beroepsnaam van de spekslager of bijnaam van een speketer.

Speckemeyer. Duitse familienaam Speckmeyer, dat is een meier (boer) die woont aan een Speck: moerassig terrein, knuppeldam.

Speckenbrink: Plaatsnaam 1475 Spekenbring in Goor, Overijssel, Nederduitse plaatsnaam en familienaam Speckenbrink ‘(gras)plein, dorpsplein in moerassig terrein’.

Speckens: Waarschijnlijk van plaatsnaam Middelhoogduits en Nederduits Specke ‘knuppeldam, moerassig terrein’. Plaatsnaam Speckin bij Hannover.

Speckman, Spekman, Speksnijder: Beroepsnaam van de spekslager, speksnijder of speketer. Duits Speckmann. 2. Variant van Speeckman.

Spector. Wellicht Pector met voorgevoegde s (vergelijk Spenninck).

Spede, Spède, Speder, Spéder, Spee, Spée, Speed. Oostelijke en Nederduitse vorm van het Middelnederlandse spade: laat, traag. Bijnaam.

Spée, Spee. 1. Zie Spede. 2. Beroepsbijnaam uit het Waalse spèye, spée, het Franse épée: zwaard. Beroepsbijnaam van de zwaardenmaker.

Spee: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit Spede, oostelijke en Nederduitse vorm van Middelnederlands spade ‘laat’; zie Spa.

Speeckaert, Speecart, Speekaert, Speekhart, Speckaert, Specka, Spicert, Spica, Spicaert, Spiecart, Spiécart Spiécaert, Spiekart, Spiékart. 1. Naam uit speecke: spaak. Beroepsbijnaam voor de wielmaker, wagenmaker. 2. Naam uit Verspeeck: zie bij Spek.

Speeckman, Speekman, Spyckman, Spiekman: 1. Afleiding van Speecke = Spaak. 2. Afleiding van Verspeek.

Speed. Engelse familienaam Speed, Oudengels spêd: (voor)spoed, succes, weelde. 2. Zie ook Spede.

Speekenbrink. Plaatsnaam Spekenbrink in Goor, (Overijssel) Nederduitse plaatsnaam en familienaam Speekenbrink: (gras)plein, dorpsplein in moerassig terrein.

Speeleveld. Plaatsnaam: plaats waarop gespeeld wordt. Plaatsnaam onder meer Dendermonde, Oost-Vlaanderen.

Speelkaert: Volksetymologische vervorming van Spee(c)kaert. 1. Afleiding van speeke ‘spaak’. Beroepsnaam van de wielmaker, wagenmaker. 2. Afleiding van Verspeek.

Speelman, Speelmans, Speeleman, Spellemans, Spelemans, Speleman, Spelmans, Spielmans, Spielman, Spielmanns, Spielmann, Shpilman, Spilmann, Spillman, Spilman, Szpilman, Speulman: 1. Beroepsnaam van de speelman, muzikant, liedjeszanger, kunstenmaker, danser, jongleur. Duits Spelman, Engels Spel(l)man, Spil(l)man. 2. Sommige vormen kunnen eventueel op Spillemans teruggaan.

Speelmeyer, Speelmeijer. Reïnterpretatie of verkeerde lezing van Speckmeyer.

Speels. Waarschijnlijk verkort van Hespeels; zie Hespel.

Speelziek: Nederduitse plaatsnaam Spelsiek, van Spele an der Sieke. Plaatsnaam Siek ‘vochtige laagte’.

Speer, (de), (de) Sper: 1. Beroepsnaam voor de maker, smeder van speren. Vergelijk Duits Speer. 2. Zie Desper(t).

Speerstra: Friese afleiding van plaatsnaam Spears in Deersum (Friesland).

Spees, Speesen, Speessen: Vadersnaam. Wellicht met s-anticipatie van Peerszoon. Vergelijk Spiessens.

Speeten, van der, Verspeet, Verspeeten. Naam uit de plaatsnaam Spit, Spete; omgespitte grond.

Speetjens, Speetgens, Spetgens, Spaetgens, Spàtjens, Spàtgens: Afleiding van Spit; eventueel van Spat.

Speethoven. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam; spete + hove.

Speich. Duitse Speiche; haak. Vergelijk Spaak.

Speicher. Duits Speicher, Middenhoogduits spîcher: korenschuur, graanschuur, -zolder. Vergelijk Spijker 2. Plaatsnaam Speicher (Rijnland-Palts).

Speidel, Szpajdel: Duitse bijnaam. Middenhoogduits spîdel: wig, keg, keil. Bijnaam voor een lomperd.

Speier, Speijer, Speyer: Plaatsnaam Speyer, Nederlands Spiers.

Speiliers. Waarschijnlijk variant van Speliers.

Speiser. Duitse beroepsnaam Speiser, Middenhoogduits spîsaere: spijsmeester, kok, die de maaltijden aanrecht. VergelijkSpyse.

Spek, (van der), van der Speks, van der Spickken, van der Spikken, Verspeek,: Plaatsnaam. Middelnederlands spijc, Westfaals specke ‘brug van boomstammen, knuppeldam’.

Spekkens, Specken, Speckens. Waarschijnlijk van Middenhoogduits en Nederduitse plaatsnaam Specke: knuppeldam, moerassig terrein. Zie (van der) Spek. Plaatsnaam Speckin bij Hannover. Plaatsnaam ter Specke in Lisse (Zuid-Holland).

Spel, Spelle, Speele. Bijnaam voor een speler? Of verkort van Hespel, Aspeele?

Spelberg, Spilborghs: 1. Beroepsnaam van de werkman-voerman die de speelberg of verhoogde plaats klaar moet maken voor een openluchtspel. 2. Pllaatsnaam Speelberg in Aubel (Luik), Kortrijk-Dutsel (Vlaams-Brabant), Horebeke (Oost-Vlaanderen), Linde, Overijse (Vlaams-Brabant). Spelberg in Enschede: 1316 Speleborch.

Spelbrink. Plaatsnaam Brink (grasplein, dorpsplein) waarop gespeeld wordt. Plaatsnaam Spelebring in Enschede; Speelbrenc in Aperlo bij Elburg (Gelderland).

Spelde, Speel: Beroepsbijnaam van de spillenmaker, vervaardiger van klossen (voor het spinnenwiel).

Speler, (de). Beroepsnaam van de muziekspeler, muzikant. Vergelijk Duits Spieler.

Spelier, Speliers, Spellier, Spelliers, Spillier, Spiliers, Spileers, Spilers, Spilaire, Speleers, Spleers, Spielier: Luiker Waals speelier is ‘zwaardenmaker’. Beroepsnaam.

Spelkens, Speltjens, Speltiens: Middelnederlands speelkin, afleiding van spel. Bijnaam van de speleman. Zie Speelman(s).

Speller. Engelse familienaam voor een spreker, predikant of verteller.

Spelt, Spelte, Speltens, Spelter, Spelters. Variant met umlaut van Duits Spalt(er). Beroepsnaam van de houtklover.

Spencer. Beroepsnaam. Engelse familienaam, van Oudfrans despensier: bewaarder en uitreiker van de voorraden, hofmeester, rentmeester.

Spender, Spenders. Engelse familienaam van Oudfrans despendour: hofmeester, rentmeester. 2. Duitse familienaam Spender, van Middenhoogduits spëndaere: aalmoezenier, armenzorger.

Spengen, van: Plaatsnaam Spengen in Kockengen (Utrecht).

Spengler, Spingler: Duitse beroepsnaam, van Middenhoogduits spengeler: oorspronkelijk gespenmaker, later blikslager, loodgieter.

Spens. Wellicht variant van Spans.

Spérandieu, Sperandieu, Speraindeo, Sperandio: Variant van Franse familienaam Espérandieu, dat is espère en Dieu: hoop op God.

Sperling, Sperlings: Duitse bijnaam Sperling ‘mus’.

Spermalie. Spaar malie (duit, muntstuk). Bijnaam voor iemand die zijn geld spaart.

Sperman: Speerman, Beroepsnaam van de smid die speren, lansen maakt? Of van Spierman, zie Spier?

Spernagel: Zinwoord. Middelnederlands sperren/sparren: uitspreiden, (uit)strooien + nagel: spijker. Bijnaam voor timmerman of smid die de spijkers rondstrooit, er kwistig mee omspringt. Vergelijk Quistnagel.

Spetebroodt. Spetebroot, Speytebroodt. Onduidelijk. Ongetwijfeld een zinwoord, maar het eerste element is onduidelijk. Bijnaam voor iemand die brood spat, spuwt bij het eten (vergelijk Engels to spit)? Vergelijk 1398 Heinric Spoytebaerds, (die op zijn baard spat, spuugt).

Spiter, Speters, Spitters, Spiter. Afleiding van Middelnederlands speten: aan het spit steken. Beroepsnaam. Vergelijk Duits Spiesser.

Speth. Zie Spit. 2. Variant van Spede of Spat.

Spette, Spète, Spiette: Luiks-Waals spête, spéte: spelt. Beroepsnaam.

Speters en Spiers, met de verwante en versletene vormen Speers, Spies, Spees, Speessen, is ’s Piers, de Pier’ s zoon, de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus.

Spexstaerts. 1. Zie Pexstaerts. 2. Eventueel plaatsnaam Speksard, Spechtshard: beboste hoogte met spechten. Idem als Duitse plaatsnaam Spessart: 1134 Spehtheshart. 1451 te Spexaert, Lede.

Speijer: Plaatsnaam Speyer, Nederlands Spiers (Palts).

Speybroeck, (van) Speybroek, (van), (van) Speybrouck, Speijbroeck, Speijbroek, van Spybrouck, Speybrock, Spebrouck, van Speybroeck. Familienaam uit de plaatsnaam Speibroek te Sleidinge en Wommelgem (Oost-Vlaanderen).

Spich, Spiech: Plaatsnaam Spich (Noordrijn-Westfalen).

Spiegel, van der/de(den), van de(der) Spiegle, van der Spigel, van der Spiele. Er is een plaatsnaam Spiegel (onder andere in Ruiselede): langwerpig of vierkant water. Toch komt de naam wellicht van de huisnaam van een spiegelmaker zoals ‘De Grote Speghele’ aan de Brugse Spiegelrei.

Spiegelaere,de, Spiegelare, de, de Spieghelaere, Spiegheleir, Spiegelaere, Spiegeleer, Spiegeler, Spiegler, (de) Spiegeleer, Spiegeleere, Spiegeleire, Spiegeleir, Spigeleer, Spegelaer, Spegelaere, de Spiegeler, Spiegelier, de Spiegueleer, Despigeleeres. Beroepsnaam van de spiegelmaker.

Spiegeloren: Door dialectisch uitspraak uit Spiegelare ‘spiegelmaker’?

Spier: Bijnaam voor een gespierd man?

Spierenburg: Plaatsnaam.

Spierens: Vadersnaam. Zoon van Pier ‘Pieter’.

Spiering, Spierings, Spirinckx. 1. Bijnaam naar de spiering, een kleine vis (in het algemeen). Bijnaam voor een klein, mager persoon. 2. Soms is het ook een afleiding van Van Spiere: dit uit de plaatsnaam Spiere (West-Vlaanderen).

Spies: 1 Duits Spiess. Beroepsbijnaam voor de maker van spiezen, spietsen, speren of voor de drager ervan. 2. Door assimilatie uit Spiers. Of afleiding van de voornaam Pier(re), of de plaatsnaam Spiers of afleiding van Spier.

Spiet, Splete, Splette, Splète: 1. Middelnederlands splet(t)e: spleet, reet; dunnen houten spaan. Bijnaam. 2. Splète is soms een enclave of smalle gang, steeg.

Spildooren, Speltdooren, Speltdoorn, Spilthhoen, Spilthoon, Speelthore, Spiltoir. Familienaam uit de plaatsnaam Spildoorn: witte haagdoorn of meidoorn.

Spijker, Spijkers, Spyker, Spykers, Spicker, Spiekers, Spieker: 1. Beroepsnaam van een spijker- of nagelsmid. Vergelijk Nagelmackers. 2. Verkort uit Van de Spijker.

Spijker, van de. Naar de woonplaats aan een spijker of voor de beambte in een spijker of graanschuur.

Spijse, Spyse: Beroepsnaam van de spijsmeester, rentmeester, hofmeester. Vergelijk Speiser. Middenenderlands spise kan ook een nomen agentis zijn van werkwoord spisen. Dan is het een beroepsnaam en synoniem met spijzer.

Spilemaque: Beroepsnaam van de spillenmaker, vervaardiger van klossen (voor spinnewiel).

Spillebeen. Bijnaam voor iemand met lange magere benen: spillebenen.

Spilleboudt, Spillebout, Spillebaut, Spelboute, Pillebout: Middelnederlands bout: houten of ijzeren bout. Bijnaam voor iemand die houten of pijlen spilvormig maakt, de maker van spillen, pijlen, spilvormige bouten. Of (veeleer?) zinwoord: die de bouten verspilt, die zijn pijlen (nutteloos) verschiet. Vergelijk Quistnagel.

Spillemaeckers, Spillemaecker, Spillemaecker, Spillaekers, Spillemacker, Spillemake, Spellemaeker, Spellemaecker, Spellemacker, Spelmaker, Spilleman, Spillemans, Spilman, Spillman, Spilmann. 1. Beroepsnaam van de spillenmaker. 2. Variant van Speelman(s).

Spiller. Waalse aanpassing van Spieler. 2. Beroepsnaam van de spillenmaker. Zie Spilner.

Spilleux, Speileux: Beroepsnaam. Oudfrans espilleur: steenhouwer.

Spilliaert, Spilliart, Spiljard. Naam uit het Oudfranse espilli(e)r: roven, plunderen. Bijnaam voor een jager, maar ook voor een rover, plunderaar.

Spilmont, Spilemont: Plaatsnaam Spilmont in Nijvel (Waals-Brabant).

Spilner, Spiller: Beroepsnaam van de spillenmaker, klossendraaier.

Spiloes, Spilloes, Spilloens. Afleiding van Spillioen, van Oudfrans espillon, van Oudfrans espi: lans, spies. Beroepsnaam.

Spiltoir. Zie Spildooren. 2. Plaatsnaam Spiltoir in Horrues (Henegouwen).

Spin. Bijnaam naar de naam van het insect, de spin. Vergelijk Frans Araigne, Laraigne. Of nomen agentis van werkwoord spinnen. Beroepsnaam voor de spinner.

Spina, Spinas, Spinasse: 1. Oudfranse plaatsnaam espinat: doornstruik. Er zijn verschillende plaatsnamen Espina, Espinas, Espinasses in Frankrijk. 2. Dialect voor Frans épinard: spinazie.

Spindel. Middenhoogduits spindel: spindel, klos. Beroepsnaam van de klosser of houtdraaier die spindels maakt. Vergelijk Spindler.

Spindler, Spinnler: Beroepsnaam. Middelhoogduits spinneler ‘maker van spindels, klossen’.

Spinel, Spineaux: Ousfrans espinel, van espine, Frans épine: doorn(struik). Franse familienaam Espinel.

Spinet, Spinette. Spinette was de naam van een Rijselse riddervereniging, die vermaarde steekspelen hield, van Oudfrans espinette: steekspel. 2. Oudfrans espinet, afleiding van espine: doorn(struik). Franse familienaam Espinet. Verspreide plaatsnamen Espinette.

Spineto. Latijn de Spineto: plaats met doornstruiken.

Spineux. Plaatsnaam Espineux: plaats waar doornstruiken groeien. Spineux in Wanne (Luik).

Spingarn. Duitse beroepsnaam van de garenspinner.

Spinnaaij: Variant van de familienaam Spinnoy, van Despinoy. Plaatsnaam Espinoit, Espinoy (Nord), l’Espinois (Henegouwen), Epinoy (Pas-de-Calais, Oost-Vlaanderen), Epinois (Henegouwen). Uit Latijnse spinetum ‘plaats waar doornstruiken groeien’.

Spinnael. Middelnederlands spinnael: dik getwijnd garen. Beroepsnaam.

Spinnen, van der. Plaatsnaam Spinde: voorraadkamer, proviandkamer; (of ) korenmaat, havermaat, vierde van een schepel.

Spinner. Beroepsnaam van de spinner.

Spinnewijn, Spinnewyn, Spinnewym, Spinnewine, Spinewine: Bijnaam voor wie zich van wijn onthoudt, wie geen wijn drinkt. Middelnederlands spen(n)en, spinnen ‘zich onthouden van’.

Spinnock, Spinnox, Pinnock, Pennock: Oudfrans espinoch(e), variant van espinach, espinarde, van Spaans espinaca: spinazie.

Spinola. Spaans, Portugese familienaam, van Latijn spina; doorn.

Spinosa, Spinosi. Zoals Espinosa Spaans, Portugese afleiding van Latijn spina: doorn(struik).

Spins, Spijns, Spyns: 1. Afleiding van Pin. 2. Uit Spints, van Spint: oude koren- en havermaat. Beroepsnaam voor de korenmeter.

Spirig. Wellicht variant van Spirinckx.

Spiritus, Spirito: Bijnaam naar een geestelijke of religieuze eigenschap.

Spirlet, (de). Luiks-Waals spîrlèt, van Luiks-Waals spér, Frans esprit: geest, spook. Vergelijk Lespir. De familie werd geadeld in 1768, vandaar de de-aanloop.

Spirou, Spiroux, Spyrou, Spiron: 1. Bijnaam Spirou: eekhoorn. Vergelijk Lescurieux. 2. Huisnaam. Pplaatsnaam, waarschijnlijk Pierreux, Piroux

Spirt, de: Misschien door omkering van volgorde van klanken uit de Spriet. Een spriet is een ‘stang, staak, timmerhout, hout van een boog, schacht van een lans, vork’. Beroepsbijnaam of bijnaam naar de gestalte.

Spit, Spits, Speth, Speet, Speets: Middelnederlands spit, spet‘ (braad)spit’. Beroepsbijnaam van de speter (vleesbakker); vergelijk Spitters. Of Middelnederlands spiet, speet ‘speer, lans, spie(t)s’. Beroepsbijnaam van de wapensmid. Duitse Spiessmacher.

Spittaels, Spietael, Spitale, Spital, Spitals, Spiitael, Spittaels, Spithaels, Spittols, Spietael, Spietaels, Spietals, Pitaels, van Spittael, van Spittals, van Spital: Middelnederlands spitael, synoniem met hospitael ‘godshuis, gasthuis, ziekenhuis’.

Spithoven, Spitthoff: Plaatsnaam. Vergelijk Duits Spiesshofer. Een goed waarop een cijns rust in de vorm van spietsen, spiesen.

Spitters: Zoals Speters, afleiding van Middelnederlands speten ‘aan het spit steken’. Vergelijk Duits Spiesser.

Spitz, Spietz, Spitzer, Spitzl: 1. Frequente Duitse plaatsnaam Spitz(e), Spitzle: spits toelopend stuk land. 2. Zelden bijnaam voor een spits, mager mens.

Spitzen: Duitse familienaam Spitz. Vaak plaatsnaam ‘spits toelopend stuk’. Ook bijnaam voor een spits, mager mens.

Spitzmann. Afleiding van Spitz.

Spitznagel. Bijnaam voor een nagelsmid, die nagels, spijkers, spits maakt.

Splenter, de, Splentere (de) de Splinter: 1. In Zeeland kwam Splinter, Splenter vaak als voornaam voor. 2. Splinter, splenter ‘afgehouwen of afgespleten stuk, vooral houtsplinter’. Beroepsbijnaam. Splinter in de Achterhoek omdat ze een splinter van het kruis gekregen hebben, in Spaans Spinoza, ook in Alkmaar is er een Splinter(hof).

Spleters. Waarschijnlijk van Spleesters.

Splettstösser, Splettstoesser, Splettstöesser, Splettstoësser: Duitse beroepsnaam van de maker of verkoper van houten spanen, lepels, houten dakpannen, lattenklover (de Lathouwer).

Splingard, Splingart, Splingaer, Splingaerd, Splingaire, Splaingaire: Variant van Oudfrans espringale, espringarde, Middelnederlands springael: katapult. Frans espingard: soort kanon. Zie Springael.

Split, Splet. Middelnederlands splet(t)e ‘spleet, reet; dunne houten spaan’. Bijnaam.

Splittgerber. Beroepsnaam = Splettstôsser.

Spoel: 1. Beroepsbijnaam van de spoeler, die het garen op spoelen windt. 2. Naar de woonplaats: 14de eeuw Henrec Spoel op j hofstat metten husen daer op staende neven de Spuele, Brussel.

Spoel, van der: Plaatsnaam Spoel(e) in Elsene, Watermaal, Etikhove en Meigem (Oost-Vlaanderen). Zie Spoel 2.

Spoelbergh, (de), (de) Spoelberch. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Kortrijk (West-Vlaanderen) en Lovenjoel (Vlaams-Brabant).

Spoelder, Spoelders. Beroepsnaam van de spoelder, die de wol of het geweven laken spoelt. Vergelijk Wullespoelere, Lakenspoelre. 2. Beroepsnaam van de spoeler, die de draden op de spoelen windt, die opspoelt.

Spoelhoudt, Spoelhout. Beroepsnaam van de maker van houten spoelen, weefspoelen, klossen. Vergelijk Duits Spo(h)nholz.

Spoelstra: Friese afleiding van (van der) Spoel.

Spoens, Spons: 1. Spo(h)n (vergelijk Engels spoon) is een Nederduitse variant van spân: spaan. Zie Spaan(s). 2. Variant van Pons, met s-anticipatie; vergelijk Sponselee. Zie Ponce.

Sponar. Tsjechische familienaam. Waarschijnlijk van Duits Spohner: spanenmaker. Vergelijk Spooner.

Sponselee: Variant van de familienaam Poncelet, met s-anticipatie. 1. Poncelet is verkleinvorm van de plaatsnaam Poncel, van Latijnse ponticellus, verkleinvorm van pons ‘brug’. 2. Vadersnaam. Verkleinvorm van Ponce, Latijnse heiligennaam Pontius.

Sponville. Plaatsnaam (Meurthe-et-Moselle).

Spook, Spock: Bijnaam ‘spook’.

Spooner, Sponar: Engelse beroepsnaam Spooner: maker van lepels, houten dakpannen.

Spoor, Sporen, Spooren, Sporre: Beroepsnaam van de vervaardiger van ruitersporen.

Spoormakers. Beroepsnaam van de sporenmaker, vervaardiger van ruitersporen. Vergelijk Spoor.

Spoormans. Beroepsnaam van de sporenmaker, vervaardiger van ruitersporen.

Sporckman, Spoirckmans, Sportmans: Afleiding van Spork.

Sporenberg, Spoorenberg: Plaatsnaam. De families Spoorenberg/Sporenberg(h) in Nederland stammen allemaal uit Duitsland. Sommige takken van de familie heten evenwel Sparenberg. Waarschijnlijk plaatsnaam Sporenberg/Sparrenberg in Stuhlingen (Duitsland).

Spork, Sporck, Sporcq, Spurk: Plaatsnaam Spork (Noordrijn-Westfalen): vuilboom, sporkeboom, Rhamnus.

Sporken. Afleiding van spoor: ruiterspoor. Beroepsnaam voor de smid; zie Spoor.

Sporleder. Duitse dialect variant van Sparleder. 1. Bijnaam van een schoenmaker die het leer spaart, het zuinig gebruikt. 2. Spar/Spor: Middennoordduits spare, Duits Sporn: (ruiter)spoor. Middelnederlands spoorleder: de leren riem waarmee een spoor aan de voet vastgemaakt wordt. Bijnaam of beroepsnaam.

Sporrij, Sporry, Sporrys, Spoerl, Spoerri, Spoerrin, Spur. Naam, die in vele varianten in Noord-Europa voorkomt, het is een naam uit het Engelse, Duitse, Nederlandse taalgebied. 1. Bijnaam uit het Germaanse spoerl, dit voor mager iemand. 2. Uit de huisnaam "The Sparrow". 3. Uit het Duitse spohr/het Engelse spur: (ruiter)spoor. Beroepsbijnaam.

Spors. Afleiding van Spoor?

Sporte: Middelnederlands sporte ‘laddersport’. Beroepsbijnaam.

Spot, de, de Spodt, Despotte: Middelnederlands bijwood spotte: gevlekt.

Spotbeen. Bijnaam Spatbeen: knobbel aan het been (vergelijk spatknie, spatkreupel, spatader).

Spouwen, van, (van) Spauwen: Plaatsnaam Spouwen (Limburg).

Spraakman: Beroepsnaam ‘spreker’? Of uit Sprockman, van Sporkman, afleiding van plaatsnaam Spork ‘vuilboom, sporkeboom’.

Sprakel: Wellicht Middelnederlands sporkel, sprockel ‘sporkelmaand, februari’.

Sprang, van, van Sprangh, van Spranghe: Plaatsnaam Sprang (Noord-Brabant).

Spranger, Sprangers, Spranghers: 1. Afleiding van Franger. 2. Spranger = Springer; zie De Springer.

Spranghels, van. Waarschijnlijk variant van Van Spranghe, beïnvloed door Van Sprengel.

Sprankenis. Variant van Sprankeners, Sprankmans; zie Spronkmans.

Sprecher, Schprecher: Beroepsnaam van de sprookspreker, dichter, die voordraagt.

Spreeuwel, van. Er was al een familie Van Spreuwel in Hilvarenbeek (Noord-Brabant). Er is een plaatsnaam Spreuweldervoort in Westelbeers (Noord-Brabant) De Spreeuwel in Mol en Olen (Antwerpen).

Spreeuwers, Spreuwers. Bijnaam voor de spreeuwenvanger?

Sprengelmeijer: Variant van Springmeier ‘meier, boer op een goed bij een spring of bron’.

Sprengels. Variant van Sprenkels? Of = Van Sprengel?

Sprenkels: Middelnederlands sprinkel ‘sprinkhaan’. Vergelijk Frans Sautarel, Duits Sprengel.

Spreutel, Spreutels, Spreutes. Afleiding van Middenenderlands sprute, spruet: spruit, uitspruitsel. Vergelijk Spruyt. Wellicht in de betekenis van Duits Sprôssling: telg, spruit. Spreutel beantwoordt aan Duitse familienaam Sprôssel.

Sprey, Spreij, Spruij: Van het werkwoord spreiden. Bijnaam van de spreider, rietdekker, die rieten daken dekt.

Spriensma. Naam uit de terpnaam Spriens, naar de daar gelegen boerderij Groot Spriens, bij Raard (Dongeradeel). Spriens is wellicht de Friese vorm van Spredinge: afstammelingen van Spredo. De betekenis van Spredo in onbekend. Reinder Freerks Spriensma (1754-1826) die deze familienaam in 1811-12 aannam, woonde op die boerderij Groot Spriens.

Spriestersbach, Sprieterbach, Spriesterback: Reinterpretatie van plaatsnaam Springiersbach in Bengel (Rijnland-Palts).

Spriet (de). 1. Naam afgeleid uit het woord spriet: staak, timmerhout, hout van een boog, schacht van een lans, vork. Mogelijk een beroepsnaam of een bijnaam naar de gestalte. 2. Een Spriet betekent als plaatsnaam: tweesprong, bijvoorbeeld in Eeklo, Nevele en Langemark. In dit geval een familienaam afgeleid uit de plaatsnaam.

Sprimon, Sprimont, Spriman, Sprémont, Spreemont, Spremont, Spreman, Sprumont: Plaatsnaam Sprimont (Luik).

Springael, Springal, Desespringalle, Pringalle: Middelnederlands springael: katapult, werptuig. Beroepsnaam van de bediener van het belegeringstuig.

Springel, van, van Sprengel. Familienaam uit de plaatsnaam Springel/Sprengel (bron, plaats waar de bron ontspringt) in onder andere Olen en Westerlo. Sprengel in Duitsland.

Springer (de), de Springre, Sprynger, Sprenger, Sprenghers, Sprengers, Spranger, Spranghers, Sprangers, Szpinger: Bijnaam voor een springer/sprenger‘(koord)danser, kunstenmaker’. Of afleiding van Middelnederlands, ook Duits sprengen ‘galopperen’. Bijnaam voor een ruiter. Zie ook Springel Van.

Springman. Bijnaam; springer, danser.

Spingmeier, Springmeyer. Meier, boer op een goed aan een bron (Spring).

Springuel, Springuelle, Springel. 1. Aanpassing van de Duitse familienaam Sprengel/Springel, dit uit Middelnederlands sprinkel, Middenhoogduits sprengel; sprinkhaan (bijnaam voor een springerig iemand). 2. Mogelijk uit het Waalse spinguèl (: guitig).

Springut. Samengetrokken van Springinsgut: spring in 't goed. Bijnaam voor iemand die plotseling geluk heeft. Vergelijk Salembien.

Sprink, Sprinx: Plaatsnaam Sprink ‘kleine watergang die op een hoofdwatering uitkomt, zoals op Walcheren’. Middelhoogduits sprinc ‘sterk stromende bron’.

Sprinkel, (de), Sprenkels, Sprengels. Het Middelnederlands sprinkel betekent sprinkhaan. Wellicht de bijnaam voor een springer, een lenig iemand.

Sprong, Spronk: Middelnederlands spronc ‘springer’. Zie Springer; vergelijk Frans Sautarel, Duits Sprengel.

Sprock. Metathesis van Spork. 2. Middelnederlands sproke, sprook: taal, uiting, verhaal. Bijnaam. Vergelijk Sprecher, Spruch.

Sporockeels, Sprokkel: Middelnederlands sporkel, sprockel, Sprokille: sporkelmaand, februari. Vergelijk Duits Hornung, Frans Février.

Sprolant, van; Sproelants: Plaatsnaam, Limburg.

Sprong, Spronk, Spronck, Sproncken, Sproncken, Sprung, Sprunck, Sprunk, Sprünken: 1. Middelnederlands spronc: springer; vergelijk hooyspronc: sprinkhaan. Bijnaam voor een springer, danser? Vergelijk Springer. 2. Middenenderlands spronc, Middenhoogduits sprunc: bron.

Spronkmans. 1. Familienaam naar de plaats waar spork (vuilboom) groeit? 2. Uit het Middelnederlandse sproke: taal, verhaal. Bijnaam voor bijvoorbeeld een verteller.

Spronsen, van: Met secundair voorzetsel uit Spronks, afleiding van Sprong.

Spruch. Duits Spruch: gezegde, spreuk. Bijnaam. Vergelijk Sprock 2., Sprecher.

Sprundel, van, van Splunder, van Splunter: Plaatsnaam Sprundel (Noord-Brabant).

Spruyt, Spruijt, Spruit, Spruydt, Spruytte, Sprute, Sprout, Sproet, Sprauten, Sprooten, Sproten, Spröte, Sprôte: Middelnederlands sprute ‘spruit, uitspruitsel’. Bijnaam voor een jong of tenger mens, of telg, nakomeling. Vergelijk Duits Spross en Spreutels.

Spruytmans, Spruitmans. Afleiding van Spruyt.

Sprundel, van; (van) Splunder, van Splunter: Plaatsnaam Sprundel (Noord-Brabant).

Spruytenburg, Spruitenburg, Spruijtenburg. Naam uit de gelijknamige plaatsnaam Spruten-burg (locatie onbekend).

Spurt, van der, Versporten, Verspurten, Verspeurt, Speurt. Familienaam uit de plaatsnaam Spor(k)t: plaats waar Sporkenhout groeit.

Spuijman, Spuyman, Spuij. Afleiding van spuy, Middenenderlands spoye, speye: spui, schutsluis. Naar de woonplaats.

Spur, Spurr: Plaatsnaam. middenhoogduits spur: voetpad, weg, spoor.

Spurt, van der, Versporten, Verspurten, Verspeurt, Speurt: Plaatsnaam Ter Spor(k)t. Zie Uytersprot.

Spyckerman, Spiekerman, Spiekermann, Spieckermann: Beroepsnaam van de opzichter of werkman in de spijker (Latijn spicarium, Duits Speicher, Middelnederlands spijker), de graanschuur. Vergelijk Spyker(s).

Spyckynck. Middelnederlands spikinc: grote spijker met scherpe punt, wapen.

Spijk: Plaatsnaam Spyk in Hennaarderadeel (Friesland). Of Middelnederlandse plaatsnaam spijk ‘brug van boomstammen, knuppeldam’. Vergelijk van der Spek.

Spijkerboer: Boer op ’t Spijker in Oldebroek (Gelderland). Een spijker, van Latijnse spicarium, was een graanschuur.

Spijker, Spijkers, Speijkers, Spijkerman: 1. Beroepsbijnaam van een spijker-of nagelsmid. 2. Korte vorm voor van de Spijker. Een spijker, van Latijnse spicarium, waaruit ook Duits Speicher, was een graanschuur.

Squevin, Squévin: Waals, Picardisch. vorm van échevin: schepen (Oudpicardisch eskevin).

Squifflet, Squiflet. Henegouwse variant van Oudfrans Chif(f )let, van c(h)ifle: fluit. Bijnaam voor een fluitspeler. Aan Frans sifflet beantwoordt Waals-Vlaams schufekt. Vergelijk met metathesis Sclif(f )et.

Squilbin. Frans verschrijving voor de Middelnederlands Schelpin, afleiding van Schelpe.

Squire. Engelse familienaam van Oudfrans escuyer, escuier: schildknaap.

Staak, Staaks: van Middelnederlands stake ‘stok, staak, paal’. Wellicht bijnaam naar de gestalte.

Staal, Stael, Staels, Staël, Stahl, Stal. 1. Beroepsnaam van de staalbewerker, -handelaar of smid, vergelijk Stahlschmidt. 2. De West-Vlaamse familie Stael(s) heette ca. 1700 Staelen en voordien Staelens in Ichtegem Staelens. (vadersnaam uit een Stahal (staal) naam). In 1346 heette een smid in Kiel Staal.

Staal, van der: Plaatsnaam De Staal, bijvoorbeeld in Izenberge (West-Vlaanderen).

Staalduinen, van. Plaatsnaam.

Staalen, Staelens: Vadersnaam. Van Stalin, vleivorm van Germaans naam Stahal ‘staal’, Stalhart.

Staalen, van; van Stalen: Staalen met secundair voorzetsel?

Staar, Star: 1. Middelnederlands staer: met troebele blik, somber kijkend; strak, stijf. Bijnaam. 2. Duitse familienaam Sta(a)r, van vogelnaam Star: spreeuw. Bijnaam voor een lustig, beweeglijk, praatziek mens

Staat, Staats, Stad, Stads: Bijnaam. 1. Middelnederlands stade‘ standvastig’. Vergelijk Duits Stat. 2. Vadersnaam afgeleid uit Staes: zie daar.

Staaij, van der: Door d-uitstoting van een klank in het midden van een woord uit van der Stade. Plaatsnaam ter Stade ‘strand, oever, ankerplaats’.

Stabel, Stabels, de Staebele, Destabelle, de Staebel, Destabele, Staebell, Staêbell, Staëbell: 1. Bijnaam voor iemand met vast, stabiel karakter. Vergelijk Lestable. 2. Sommige vormen eventueel van Destable(s). Plaatsnaam Estable, Frans étable: stal.

Staby, Stabij. Bnaam voor iemand die bijstaat, helpt. Vergelijk Stastille

Staceghem, van, van Staseghem: Plaatsnaam Stasegem in Harelbeke. (West-Vlaanderen).

Stache, Stach. 1. Zie Staes. 2. Plaatsnaam Stache in Ermeton-sur-Biert (Namen).

Stach, Stachow, Stachowiak, Stachowicz, Stachowski, Stachura, Stachueski. Vadersnaam. Poolse en Tjechische afleiding van de voornaam Stanislaw, Stanislav.

Stacino, Stasino: Vadersnaam van Stasinon, vleivorm van heiligennaam Eustachius. Vergelijk Tassi(g)non.

Stacius, Statius, Stadius, Stadeus, Stadeus: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Eustac(h)ius/Eustatius.

Stacker, Stacher: Wellicht Nederduits Stacker, Stecker, Duits Stecher: vechter, (of ) castreerder, slachter. Vergelijk Nederduits Pagensteker, Duits Stechkalb.

Stacquet, Stacquez, Staquet, Staquez: 1. Afleiding van Oudpicardisch estaque, Oudfrans estache, van Oudnederlands staka: staak, paal. Middelnederlands staket: staak, paal. Vergelijk Stak. Bijnaam naar de lange gestalte. 2. Plaatsnaam Staquet in Opprebais (Waals-Brabant).

Stad, van der: Plaatsnaam. Middelnederlands stat ‘plaats, oord, stede’.

Stadler, Stadeler.      Duitse beroepsnaam van Middenhoogduits stadelaere: opzichter van de Stadel: voorraadschuur.

Staden, van, van Staen, van Staeyen, van Staey, van Staay, van Staeijen, van Staeij, van Stayen, Vanstaen, van Stay: De vormen Van Staen en Van Sta(e)yen door d-syncope (vergelijk dialect raan/raaie van raden). Zie ook Van der Staey. 1. Plaatsnaam Staden (West-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam Staden in St.-Truiden. 3. Plaatsnaam Staden in Utrecht.

Staderman: Wellicht Duits Stadelmann, afleiding van Stadel ‘schuur’.

Stadhouders: Beroepsnaam van de stadhouder ‘plaatsbekleder, vertegenwoordiger van de heer’.

Stadsbader (de), de Statsbader, Stadtsbaeder. Beroepsbijnaam voor de houder van een openbare badstoof, van een stedelijke badinrichting. Naam van Duitse origine. Vergelijk Stovemans, de Stover, Duits Bader.

Stadtfeld. Plaatsnaam Stadtfeld, Rijnland-Palts.

Stadtmüller, Stadtmülner, Stattmüller: Beroepsnaam van de stadsmolenaar.

Staelen, Staelens, Stalens, Stalen, Stalin, Stalins, Stallens. Vadersnaam afgeleid uit een Germaanse stahal;-naam : staal. Zoals in Stalhart.

Staelen, de. Waarschijnlijk reïnterpretatie als bijnaam (de stalen) van vadersnaam Staelen.

Staeljanssens, Staljanssens: Samengestelde familienaam; zie Staal en Janssens.

Staelraeve, Staelgrave, Staelgraeve: Vadersnaam. Germaanse voornaam stahal-hrabn 'staal-raaf'.

Staepels: Beroepsbijnaam van de stapelaar.

Staes, Stass, Stasse, Staus, Stach, Stache, Stasch, Stes, Stesse, Stesses, Taes, Tais: Vadersnaam. Korte vorm van de voornaam Eustaes, de Griekse heiligennaam Eustachius. Zie ook bij Staessen(s). Staes/Stasse/Stesse, voornaam in Kortrijk.

Staessen, Staessens, Staesens, Stausens, Stassen, Stassens, Stassin, Stassins, Stasin, Stasins, Stassain, Stassijns, Statsyns, Stasseyns, Stessens. Vadersnaam uit het Middelnederlandse Staessin: een knuffelvorm van de Griekse heiligennaam Eustachius.

Staetemans. Waarschijnlijk van Straetemans.

Staetenburg. Waarschijnlijk vervorming.

Staey, van de, der, van der Staeij, Verstaen, Veerstaen: Door d-syncope van Van der Stade(n). Pltaatsnaam ter Stade(n): strand, oever, ankerplaats.

Stahmer: Duitse bijnaam Sta(h)mer ‘stamelaar’.

Staf, Staff, Staffe, Staffé. 1. Bijnaam uit het gebruik van een wandel-, bedel- of herdersstaf. 2. Bijnaam voor een slank iemand of iemand met lange benen. Voor Chaucer waren lange, smalle benen 'ylyk a staf'.

Stafford. Engelse plaatsnaam in Staffordshire en Dorset.

Stage, Staatge, Staatje, Staege: Middenenderlands stage, staedge, staetge, staedse, van Oudfrans estage: estrade, stellage, steiger. Vergelijk Lestaeghe.

Stahler, Stähler: Beroepsnaam. 1. Oudhoogduits staalsmid. 2. Middelnederlands staler: staalmeester; vergelijk Stalmans 2.

Stahlschmidt. Duitse beroepsnaam Stahlschmied; staalsmid.

Stainier, Steinier, Stenier, Steier, Stenière, Staignier, Steignier, Steigner, Stiennier: 1. Vadersnaam. Romaanse vorm van de Germaanse voornaam stain-hari 'steen-leger': Staginarius. Duits Steiner. 2. Beroepsnaam. Oudfrans stainier, Frans étainier: tingieter

Stak, Stack: Wellicht Waalse verkorting van staak. Vergelijk Stacquet 1. Of Engelse familienaam Stack: staak.

Stakenburg, Stakenborg, Stakenborgh, Stakenborghs. Plaatsnaam Stakenborg (Groningen) en in Lubbeek en Duisburg (Vlaams-Brabant).

Stal, Stals. 1. Variant van Staal. Zie Staal. 2. Beroepsbijnaam van een stalknecht.

Stalberg, Stallenberg, Sztalberg: Plaatsnaam Stalberg (Nederlands-Limburg). Ook Duitse plaatsnaam Stallberg.

Stalder. Afleiding van Middenhoogduits stalde: steile weg, steile helling.

Staldeur. Waarschijnlijk Waalse uitspraak van Stalder.

Stallaart, Stallaert: 1. Afleiding van van (der) Stalle(n). 2. Germaanse voornaam Stallardus. 3. Zie Steijlaerts.

Staley. Oudfrans estalee: systeem van palen en netten voor de visvangst. Beroepsnaam van een visser?

Stallaert, Stallaerts, Stallard, Stalars, Stalas, Stala. 1. Afleiding van Van (der) Stalle(n). 2. Germaanse voornaam Stallardus. 3. Zie Steylaerts.

Stalle, van (der), Stallen van (der), de Stalle. Plaatsnaam Stal: staanplaats op markt of in hal; afgesloten ruimte, stal.

Stalman, Stalmans, Staelmans, Stallmann, Stalmann: 1. Afleiding van Van der Stalle. 2. Beroepsnaam van de staalmeester: ambtenaar belast met het toezicht op de geverfde wol, keurmeester. 3. Zoals Duits Stahlmann, beroepsnaam van de staalhandelaar of smid. 4. Eventueel stalman: stalknecht.

Stalon. Oudfrans estalon, Frans étalon: hengst, stalloen. Bijnaam of beroepsnaam. Vergelijk Hingst.

Stalpaert, Stalpart, Staelpaert, Stalport, Stalpers. Familienaam afgeleid van het werkwoord stalpen. Bijnaam voor iemand die met de voeten stampt, die hoorbaar of statig loopt.

Stals, van. Hoofdzakelijk Waals-Vlaamse familienaam. Uit Van Staal of Van Stalle?

Stam, Stamme, Stams, Stammen: Stam ‘boomstam’. Bijnaam voor een geblokte kerel.

Stammeleer (de), Stommeleer(e), De Stommeleir, De Stommelier. Bijnaam voor een stamelaar.

Stambach, Stampach: Plaatsnaam Stambach bij Zabern (Elzas), Stammbach (Beieren). Ook Stampach in Tsjechië.

Stammeleer, (de) Stommeleer, (de) Stommeleere, de Stommeleir, de Stommelier: Bijnaam van de stamelaar.

Stamp, Stampe, Stamps, Stams. Bijnaam voor een stamper: oliestamper, olieslager.

Stamperius: Latinisering van (de) Stamper, Beroepsnaam van de oliestamper, olieslager.

Stamper, Stampers, Stampaert, Stampart, Stampfer. 1. Beroepsnaam van de oliestamper, olieslager. 2. Mogelijk ook bijnaam voor iemand die stommelt, kabaal maakt.

Stampfer: Duits pendant van de beroepsnaam Stampe r‘oliestamper, olieslager’.

Stampfli. Zwitserse familienaam. Vergelijk Stampfl in Tirol, nomen agentis bij werwkwoord stampfen. Wellicht beroepsnaam van de eigenaar van een oliestampmolen; vergelijk Stamper(s).

Stamtner, Stemmer: Middennoordduits stamer: stamelaar.

Stanczel, Stenzel, Stanicel, Sztencel: Oost-Duitse familienaam, afleiding van Poolse voornaam Stenzlaw, Stanislaw.

Stand, Standke, Stanek: Vadersnaam van Poolse heiligennaam Stanislaw.

Standaert, Standaerd, Standaerts: Bijnaam naar de standaard, van Oudfrans estandard ‘mast of staak, vlag, vaan’. Bijnaam voor de vaandrig, standaarddrager.

Stander. Variant van Standaerd, met andere suffix. Of= Stender?

Stang, Stanghe, Stange, Stangé, Stanghé, Stemgee, Stemgée: Beroepsbijnaam van de stangenmaker (vlaggenmasten, staken). Vergelijk Duits Stangenmacher. Of bijnaam voor een lang opgeschoten kerel, een lange staak.

Stangl, Stengel, Stengele: Afleiding van Stange: stengel. Bijnaam voor een opgeschoten mens.

Stanic, Stanicic, Stanick, Stanicki, Staniek, Stanik, Stanisci, Stanitzki, Stanitz, Stanscheck, Stankevitck, Stankiewicz, Stankewicz, Stankoff, Stankov, Stankova, Stankovic, Stakovisch, Stankovich, Stankowska, Stankowski: Vadersnaam. Slavische afleiding van de vooral Poolse voornaam Stanislaw.

Stanislaus, Stanislas, Stanislavska, Stanislawski, Stanislouwski: Vadersnaam. Poolse heiligennaam Stanislaw 'door standvastigheid in de strijd beroemd', Duits Stanislaus, Eengels Stanislas.

Stanley, Stanleij: Engelse plaatsnaam Stanley (Derbyshire) Stane-leah ‘stenig veld’. Deze familienaam van de Earls of Derby werd populair door de ontdekkingsreiziger Stanley (1841-1904). Deze vrij populaire voornaam in Angelsaksische landen wordt ook gebruikt door genaturaliseerde Polen als verengelsing van Stanislaw.

Stannard, Stannartz. 1. Engelse vadersnaam van de Germaanse voornaam stain-hard; zie Steenaerts. Oudengels Stânheard, Stanhard. 2. Indien autochtoon, variant van Standaert, met assimilatie nd/nn.

Stanssens, Stansens, Stans: 1. Vadersnaam, uit de heiligennaam Constans? Of Staes met ingevoegde n? 2. De Oost-Vlaamse familienaam Stans(s)ens is evenwel een variant van Staessens - met epenthetische n -, eveneens een hoofd-zakelijk Oost-Vlaamse familienaam.

Stanson. Bijnaam. Waals estançon, Frans étançon: stut, stijl.

Stanton. Engelse plaatsnaam (Cambridgeshire) stân-tûn: steen-tuin, omheining.

Stanzeleit: Baltische afleiding van Duits Stanzel, afleiding van Stanislav of Constantinus.

Stap, Staps. Staps: 1. Bijnaam voor een stapper, springer; zie Stappaert. 2. Beroepsnaam voor de maker van stappen: stoepen, vlonders, trappen, treden van ladders, sporten. Maar Middennoordduits stappe: duig van een vat. Vergelijk Duitse familienaam Stapf.

Stap, van der, Staps, Stapff. Plaatsnaam Stap/Stappe op diverse plaatsen in Vlaanderen.

Stapel, Stapels, Staepels, Staple, Stapelle. Beroepsbijnaam voor iemand die stapelde (in welk beroep ook).

Stapleaux: Afleiding van Oudfrans estap(l)e: stapel(plaats). Zie Stapel(s).

Stapel, van, van de Stapele: Plaatsnaam. 1. Stapel (Frans-Vlaanderen) of Etaples (Pas-de-Calais): 1171 Staples. 2. Stapele(n) bij Boxtel (Noord-Brabant). 3. Stapelen in St.-Truiden (Limburg). 4. Stapel in Havixbeck (Noordrijn-Westfalen).

Stapelaar, Staepelaere, de Staebelaere: Beroepsnaam van de stapelaar, die de handelswaar op de stapel(plaats) brengt.

Stapelle. Verwaalsing van Stapel of afleiding van Oudfrans estap(l)e: stapel.

Stapleton. Plaatsnaam. Cumberland.

Stappaerts, Stappaaers, Stappaers, Stappers, Stapper, Stapfer, Stapert, Stopper: Afleiding van het werkwoord stappen ‘schrijden’.

Stappen, van der, Vanderstappen, Verstappen, Stappen: Plaatsnaam Stap/Stappe op diverse plaatsen in Vlaanderen, Wakken, Cent, Her., Tongerloo. Middelnederlands stap(pe) ‘stap, trede, stoep, vlonder, opstapje, paal, grenspaal’.

Stappershoef, van. Plaatsnaam Stap en Paashoef in Gemert (Noord-Brabant)? Of 1447 Hoeve ter Stappen in Princenhage (Breda, Noord-Brabant)?

Star, van der, Starren, Starre, Start, Valstar. Plaatsnaam.

Starkey. Engelse afleiding van Stark; sterk.

Staring, Starink: Achterhoekse familienaam. Plaatsnaam in Warnsveld (Gelderland).

Starkenburg, Starrenburg, Starckenborch, Starkenborch, Starkenborg, Sterkeburg, van. Familienaam uit de plaatsnaam Sterrenburg (Dordrecht) Starkenborg in Groningen of uit een andere burg(versterking)-naam. Het gedeelte stark kan verwijzen naar sterk, naar een voornaam, naar een bepaalde wijk of plaats.

Starman, Staarmans, Starremans, Starmans, Strerremans, Sterman: 1. Afleiding van van der Star, Van der Sterre. 2. Bijnaam voor een astroloog of astronoom, een sterrenkijker. Vergelijk Nederduits Sternekiecker, Sternseher.

Starquit, Starquy, Stercki: Bijnaam. Oudfrans estargi, Picardisch éterqui: stijf, stram. Voltooid deelwoord van Oudfrans esterchir, van Oudnederlands sterken.

Starren, Staeren. 1. Verbogen vorm van Staar 1. 2. Van Middelnederlands sterre/starre: ster. Huisnaam. Vergelijk Sterre.

Starrenburg: Plaatsnaam Sterrenburg (Dordrecht, Zuid-Holland) of Starrenburg in Overschie (Zuid-Holland).

Starreveld. Plaatsnaam. Vergelijk Sternefeld. Sterveld in Drincham, Frans-Vlaanderen.

Start, Steert. Middelnederlands sta(e)rt, ste(e)rt ‘staart’. Bijnaam. Vergelijk Duits Starz, Nederduits Stert.

Starz, Starc, Sterz. Middenhoogduits sterz: staart, sleep. Bijnaam voor een deftig, stijf, plechtig mens.

Stassaert, Stassart, Stassar. Vadersnaam. Afleiding van Griekse heiligennaam Eustachius.

Stasser. Wellicht van Strasser? Vergelijk Staetemans.

Stassin, Stassen, Stas, Stasse, Stassinet. Vadersnaam uit de voornaam Eustachius. Zie verder bij Staes.

Stattrop, Stattropp. Nederduitse plaatsnaam –trop, van dorp. Vergelijk Stadorf in Schwienau (Nedersaksen).

Statz: Duitse bijnaam van Middenhoogduits statzen: pochen, opscheppen.

Staub, Stauber. Duitse bijnaam stuiver, die stof doet opwaaien, bijvoorbeeld een molenaar. Vergelijk Stuyvaert.

Stauder, Staudinger, Studer: Duitse familienaam naar de woonplaats 'in den Stauden': in het struikgewas, kreupelhout, bosje.

Staudt. 1. Zie Stout. 2. Duitse fmailienaam Staud(t). Plaatsnaam. Middenhoogduits stûde: bosje, struikgewas.

Stauf, Stauffer, Staufert, Stauffert: Verspreide plaatsnaam Stauf(en). Middelhoogduits stouf ‘hoog uitstekende rots, bergtop’.

Staumont. Plaatsnaam in Feluy, Henegouwen.

Stautemans, Stautemas. Afleiding van Stout. Vergelijk Duits Stolzmann.

Stauttener. Duits Staudner, van plaatsnaam Stauden. Zie Stauder.

Stavast. Bijnaam voor iemand die vast staat, die stevig in zijn schoenen staat, met standvastig karakter. Duits Standfest.

Stavaux, Staveau, Staveaux, Stéveau, Stev(e)aux: 1. Oudfrans estavel, esteval: toorts, kaars. Beroepsnaam. 2. Eventueel Oudfrans estival. Zie Stival. 3. Of dafleiding van Estève, voornaam Stefanus?

Stavele, van Stave, van, van Staevel, Vastavel, Verstaevel, Verstavel, Verstravel, Vertaevel. Plaatsnaam Stavele, West-Vlaanderen.

Stavenisse: Plaatsnaam Stavenisse (Tholen, Zeeland).

Stavenuiter: Vernederlandsing van de Nederduitse familienaam Stavenüter (Bremen).

Staveren, (van), Stavorius: Plaatsnaam Stavoren (Friesland), Fries Starum.

Staverman: Afleiding van Van Staveren.

Stayman. Variant van Steeman of Steyman.

Stawinski: Poolse familienaam Stawinski, Stawicki, Stawski, afleiding van staw ‘vijver’.

Stébel, Stebel. Ontrond van Stôbel.

Steckelmacher. Duitse beroepsnaam; knuppelmaker.

Steckenborn. Plaatsnaam. Noordrijn-Westfalen.

Stecher: Beroepsnaam, afleiding van Middelhoogduits stëchen ‘steken; doodsteken, slachten; etsen’. Beroepsnaam voor castrator, slachter of etser.

Steckbauer: Boer die castreert?

Stede, van der, (van (der) Stee, van der Stée, Versteden, Steden. Familienaam uit de plaatsnaam Ter Stee/Stede: plaats in alle mogelijke betekenissen (zeer ruim). (Duits Statt, Stâtte).

Steding. Vadersnaam? Afleiding van Germaanse stad-naam.

Stée, Stee, (van), van der Stee, van van der Stede. Plaatsnaam ter Stede ‘plaats’, plaatsnaam in Brabant, Namen, vergelijk Duits Statt, Stätte.

Steeg, Steegs, Steg, Stegh. Korte vorm voor Van der Steeg; zie Van der Stegen.

Steeger, van, Steeg, van der, van der Steegere, Steege, Steeghs, Steg, Versteeg, Versteegh, Versteege, Versteegen, Verstegen: 1. Plaatsnaam Stege, Steeg ‘pad’. 2. Plaatsnaam. Middenenderlands siéger: trap, ladder, steiger. Bijvoorbeeld Stegers, Frans Estaires (Frans-Vlaanderen).

Steegmans, Stegmans, Stegemann, Stegeman, Stegmann, Stigman, Stickman: Afleiding van Van der Stegen, Uit de Stege, Indestege.

Steegstra: Friese afleiding van (van der) Steeg.

Steel, Steels, Steele: 1. Verkort uit Bosteel, Busteel, van Oudfrans boistel ‘boisseau’, van Latijnse bustellus ‘schepel, korenmaat’. Zie Bosteels. 2. Beroepsbijnaam of bijnaam naar de steel, het handvat.

Steeman, Steemans, Stémane, Stiemans, Stieman, Stiémans, Stiéman, Stijmans, Stymans, Stimanne, Stimans, Stamanne, Stamane, Staman, Stamanes, Steadman: 1. Stedeman ‘stadsdienaar, stadsknecht’. Vergelijk Duits Stadmann, Stadtknecht. Of ‘pachter op een (hof)stede’, vergelijk Engels Steadman, Ste(e)dman. 2. Ook wel door assimilatie uit Steenman, zie daar.

Steems. Limburgse vondelingnaam. Metathesis van de eigenlijke naam Smeets.

Steene, van, (de, den, der), van, (de, den, der) Steen, van (de(den)/der), Vandesteene, van der/den Steenen, van der Stenen, van den/der Sten, van der Stien, (van) Stein, Wanderstein, Wanstein. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Steen: plaats waar een steen (stenen)liggen of ook versterking.

Steen, Steens, Stien, Stiens, Stens, Sieens, Steijne, Steijnen, Steijn, Steijns: 1.Vadersnaam. Oude Germaanse voornaam Staina, Stainhard. Vergelijk Steenhout. 2. Korte vorm voor van den Steene.

Steenaard, Steenaart, Steenaert, Steenhaard, Steenhard, Steenhart, Steenaerts, Stenaerts, Stenaers, Stenart, Stenaers, Steinaers, Stieners: 1. Afleiding van van den Steene. 2. Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-hard ‘steen-sterk’: Steinhart, Stainardus.

Steenacker, Steenackers, Steenacher, Stenacker. Plaatsnaam Steenakker in Edegem en Kontich; verspreid in Frans- en West-Vlaanderen, van de plaatsnaam "Steenakker" = akker met veel stenen of mogelijk een plaats waar bakstenen gemaakt of gedroogd werden.

Steenbakker, Steenbak, Steenbekkers: 1. Beroepsnaam van de steenbakker. 2. Afleiding van plaatsnaam Steenbeck/Steinbach. Vergelijk Duits Steinbach(er), Steinbêcher, Steinbeck, Steinbâck(er).

Steenbeck, Steinbeck. Verspreide Nederduitse plaatsnaam. Steenbek bij Kiel.

Steenbeckeleer, Steenbeke!iers, Steenbecke!iers: Middelnederlands steenbickelaer: steenhouwer, metselaar. Beroepsnaam.

Steenbeek, van, van Steenbeke, van Steenbeeck: Plaatsnaam Steenbeek ‘beek met stenen, keien’. Steenbeke (Frans-Vlaanderen), maar verder een frequente plaatsnaam, bijvoorbeeld in Stoutenburg (Utrecht) of Losser, Overijssel.

Steenberge, van, (van) Steenbergen, (van) Steenberghe, (van) Steenbergh, (van) Steenberg, van Stenberge, Steenberghs, Steenbergs, Steembergh: Erg verspreide plaatsnaam Steenbergen (Drenthe, Noord-Brabant).

Steenblok. Gevangenisblok? Waarschijnlijk veeleer reïnterpretatie van Steenbroek.

Steenbroek, van. Plaatsnaam Steenbroek, bijvoorbeeld in Tielt, Dadizele (West-Vlaanderen), Clairmarais (Pas-de-Calais). Wellicht ook in de Kempen.

Steenbrugge, (van), (van), Steenbrugghe, van Steebrugge, van Steinbrugge, Steenbruggen, Stenebruggen, Steenebrugen, Steenebruggen: Verspreide plaatsnaam Steenbrugge ‘stenen brug’.

Steendam (van den) van Steendam, van Steendamme: Frequente plaatsnaam Steendam ‘stenen dam’, bijvoorbeeld in Aardenburg (Zeeland), Slochteren (Groningen).

Steendijk: Plaatsnaam in Sluis (Zeeuws-Vlaanderen), in Leisele, Stene, Torhout (West-Vlaanderen), in Weerselo, Overijssel.

Steene, van: Plaatsnaam Stene (West-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen). Zie van der Steen.

Steene, van (den), van (der) Steen: Verspreide plaatsnaam Steen, ten Stene, vaak ‘stenen huis’.

Steenge, van Stedinge, dat evenals de Friese geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes, en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, Stad ontleend is. Of zo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend is aan de naam van het aan Drenthe palende Stellingwerfs-Friese gehucht Steginga of Steggenga, bij ’t dorp Oosterwolde, welke naam in Stellingwerf en Drenthe ook Steenga of Steenge wordt genoemd.

Steengracht. 1. Plaatsnaam bij Huise, Oost-Vlaanderen. 2. Hubrecht Jan Anthonisse (°ca. 1555 Zierikzee) noemde zich Steengracht, naar een stuk gracht onder Noordgouwe (Zeeland).

Steenhorst, Steinhorst: Plaatsnaam. Een horst is een beboste hoogte in moerassig terrein. Verspreide Duitse plaatsnaam Steinhorst.

Steenhout, Steenhoudt, Steenhaut, Steenhaute, Steenhault, Steenhoot, Stienhault: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-wald 'steen-heerser': Stainoldus. 2. Plaatsnaam Steenhout in Denderwindeke, Erwetegem, Vollezele (Vlaams-Brabant), Lembeek (Vlaams-Brabant) en Sint-Renelde (Waals-Brabant), nu Stéhoux.

Steenhoven, van de, den, der. Plaatsnaam bij Sluis.

Steenhouwer, Steehouwer, Steinhauer: Beroepsnaam van de steenhouwer, beeldhouwer.

Steenhuis, Stenhuis, van Steenhuijsen, Steenhuyze (van), (van) Steenhuyse, Steenhuysen, Steenhuuse, Steenhuizen, Steenhuijzen, Steenhuyzen, Stenheuse, Stenhuse: Plaatsnaam Steenhuis ‘stenen huis’. 1. Er is een dorp Steenhuize (Oost-Vlaanderen), in Avelgem (West-Vlaanderen), in Vissenaken (Vlaams-Brabant). 2. Ook uit de Nederduitse plaatsnaam Steinhaus (Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen).

Steenis, van: Wellicht van van Steenhuis. Maar misschien is het voorzetsel secundair en gaat het om Steenis = Stinis; zie Stinissen.

Steenkamp, Steinkamp: Plaatsnaam Steenkamp (Sleeswijk-Holstein) en in Winterswijk (Gelderland). Steinkamp, Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen.

Steenkiste, (van) van Steenkist, van Steekisten, van Steenskiste: Plaatsnaam Steenkiste in Kortrijk (West-Vlaanderen).

Steenland (van) (van) Steenlandt, van Steenlant, van Stenland, (van) Steeland, (van) Steelandt, Steelant, Vansteelant, van Teelant, van Teclandt: Plaatsnaam Steenland bij Axel (Zeeland), in Bellegem en Kortrijk, Kallo (Provincie Antwerpen) en Steenkerke (West-Vlaanderen).

Steenmaere, Stemar, Stemart, Stimart: Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-mêr 'steen-beroemd': Stem(m)arus.

Steenman, Steenmans, Steeneman, Steemans, Stenman, Stenmans, Steimans, Steymans, Steyneman. 1. Naam afgeleid uit Van den Steene: zie bij Steen(e). 2. Beroepsnaam van de steenbakker. 3. Beroepsnaam van de metselaar, Duits Steinmetz. 4. Zie ook bij Steeman(s).

Steenmetser: Beroepsnaam van de metselaar. Vergelijk Duits Steinmetz.

Steenmeyer, Steenmeijer, Steinmeier, Steinmeyer: Meier op een plaats die Steen/Stein heet.

Steennot. Vadersnaam. Verschrijving voor Waals Stiennot, afleiding van Waals Stienne: Etienne. Vergelijk Frans Etiennot(te). Zie Stiennon.

Steenhoven, van, de, van (den/der) Steenhoven. 1. Plaatsnaam Steenhove: stenen hof. Steenhoef in Schilde en Tongerlo (Antwerpen), Steenhof in Jette (Bs.), Steenhove(n) in Oostburg-Schoondijke (Zeeland). 2. Plaatsnaam Steenoven: steenbakkersoven. Erg verspreid. Steenoven (Nederlands-Limburg, Noord-Brabant).

Steenpael, (van). Plaatsnaam, Noord-Brabant.

Steenpoorte, Steenepoorte: Plaatsnaam Steenepoort(e) in Baarland (Borsele, Zeeland) en Sint-Philipsland (Zeeland).

Steenput, (van), Stemput, Stimput: 1. Plaatsnaam Steenput (Henegouwen), Frans Estaimpuis: 12de eeuw Stemput. 2. Welke plaatsnaam Steenput ook, bijvoorbeeld in Nederename of Oosterzele (Oost-Vlaanderen).

Steensel, van, Stenzel, Steensels. Plaatsnaam Steensel bij Eersel. Noord-Brabant, Lichtaart en Hoogstraten, Antwerpen.

Steens, Steensma, Steenstra, Stienstra, Stinstra, Stiensma, Stenekes. Beroepsnaam, voor iemand die met stenen werkt of van een plaatsnaam Steen.

Steensens, Steenssens, Stiensens: Vadersnaam. Afleiding op -sin van Germ.aanse voornaam Staino (zie Steen) of Steenszoon.

Steenstraten, van. Erg verspreide plaatsnaam Steenstraat: bestrate weg, straatweg.

Steentjes, Steenken: 1. Familiaire vorm voor Van de Steene. 2. Afleiding van Steen.

Steenvoort, van, Steenvoorden. 1. Familienaam uit de plaatsnaam Steenvoorde (Frans-Vlaanderen), of in Oostkamp (West-Vlaanderen) en in Rijswijk (Zuid-Holland). Of uit Steenvoort (Gelderland). 2. Verspreide Duitse plaatsnaam Steinfurt.

Steenweghen, (van) Steenwegen, (van), Steenwegen, Steenwege, Steenweg, Steenwegh. Familienaam uit de verspreide plaatsnaam steenweg: verharde straat of straat naar het "steen'.

Steenwerckers, Steenwerkers, Steewerckers, Steemwerkers: Beroepsnaam van de steenhouwer of metselaar.

Steenwerckx. Beroepsnaam van de steenhouwer of metselaar. Vergelijk Steenwerckers. 2. Plaatsnaam Steenwerk (Frans-Vlaanderen).

Steenwinckel, Steenwinkel, Van, Steenwinckels, Steenwinkel, Steenwinkel. Familienaam uit de plaatsnaam Steenwinkel: stenen hoek, stenen hoekhuis. Plaatsnaam in bijvoorbeeld Hombeek.

Steenwijk, (van), Stenuick, Stenuite, Stenuit, Sténuit, Sténuite, Stinuit; Plaatsnaam Steenwijk, Overijssel.

Steenwinckel, van, Steenwinkel, van, Steenwinckels, Steenwinckel, Steenwinkel: Plaatsnaam Steenwinkel: stenen hoek, hoek van een steen of stenen huis. Plaatsnaam in Hombeek (Antwerpen).

Steerteghem, van, Steertegem, van, van Steirteghem, van Steirtegem, van Stertghem, van Stertgem, van Steertegen. Familienaam uit de plaatsnaam Steertegem, wellicht een vervorming van Steerthen? (zie daar).

Steerthem, van, van Sterthem, van Sthertem, van Steersthem, van Steerten, van Sterthen, van Sterten. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in St.-Lievens-Esse (Oost-Vlaanderen).

Steetsel: Misschien variant van Stessel, verkleinvorm van Stes, Stas, van heiligennaam Eustachius.

Steffen, Steffens, Steffes, Stefens, Steven, Steffen, Steveninck, Stevensz, Steffensma: Vadersnaam. Vleivorm van Griekse heiligennaam Stephanus, variant van Stevens met v/f-verscherping; zie Stevin(s). Maar Stef(f)en(s) kan ook spelling zijn voor Engels Stephen(s). Steffen(s) is bovendien Nederduits.

Steffgen. Vadersnaam. Afleiding van Steven.

Stegen (van der), Stege, ter, Steege, Vanderstegen, (van der) Steegen, van der Steeg, Stégen, Versteegen, Verstegen, Versteghen, Versteghe, Versteegh, Versteeg, Versteeven, Versteven, Tersteeg, Steeg, Steegs, Stegh, Steg, Desteghe, Desteg, Steegmans, Stegemann, Stegeman, Stegmans.

Plaatsnaam Stege, Steeg; pad. Zie Stegers.

Stegers, Stegher, Stegers, Steger, Steeger, Steegers, Steeghers, Steegers, Steygers, Stygers, Styger: 1. Plaatsnaam Stegers, Frans Estaires (Frans-Vlaanderen). Zie Van Steeger. 2. In Limburg afleiding van Van der Stegen, In de Steeg. 3. Middelnederlands ste(i)ger: steiger, trap.

Stegmann, Stigman, Stickman, Stegerman. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam stege: steeg, pad.

Stehouwer, Steehouwer, Stedehouder, Stee, van. Beroepsnaam.

Stegers, Stegher, Steegers: 1. Plaatsnaam Stegers, Frans Estaires (Frans-Vlaanderen). 2. Afleiding van van der Stegen, in de Steeg. 3. Middelnederlands ste(i)ger ‘steiger, trap’.

Stegink: Afleiding van Steeg.

Stegner. Duitse afleiding van plaatsnaam Steg; vergelijk Van der Stegen.

Steif. Bijnaam. middenhoogduits stîf: stijf, strak, vast, sterk, recht.

Steiger. Duitse familienaam voor wie woont aan een Steige: steil hellende straat. Vergelijk Steghers 2.

Steignaert, Steignart, Steygnaert: Vadersnaam. Romaanse vorm van Germaanse voornaam stain-hard 'steen-sterk': Stainardus, Stagnardus. Zie Steenaerts 2.

Steigueldoir, Steingueldoir, Esteingeldoir, Estiengeldoir. Waalse verhaspeling van de familienaam Stekendoren: wellicht naar woonplaats in de buurt van.

Steijnemolen Van, Van Steijnemeulen, Van Stijnemeulen. Verdwenen familienaam naar "stenen molen": plaatsnaam of beroepsbijnaam.

Stein, (von) Steines, van Stijn, Stijnen, Steins, Sztejn, Sztajn, Stienen, Steyn, Steynen, Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, Steensen en Steenis, Steyns, Steijnen, Steijns, Steijn. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Staino. Vergelijk Steen. 2. Of uit de Duitse plaatsnaam Stein: steen, stenen huis. 3. Zie ook Stijnen.

Steinbach, Steinebach: Verspreide Duitse plaatsnaam, onder meer in Limerlé (Luxemburg).

Steinbeck, Stenbock: Huisnaam: Steenbok.

Steinberg, Steinberger, Stainsberg, Stajnberg, Stembergh, Stemberger, Stembergar, Sztajnberg: Verspreide plaatsnaam; vergelijk Van Steenbergen.

Steinbrecher. Duitse beroepsnaam van de steenbreker, die in een steengroeve (Duits Steinbruch) werkt.

Steinbrück, Steinbrüggen: Verspreide Duitse plaatsnaam Steinbrùcke: stenen brug. Vergelijk Van Steenbrugghe.

Steinbuch, Steinbusch. Duitse plaatsnaam Steinbuch.

Steinchen, Steinke, Sztainke, Steinle: Afleiding van Stein; vergelijk Steenken.

Steinecke. 1. Plaatsnaam Steineck: steenhoek. Ook Steineck(er). 2. Afleiding van Stein. Vergelijk Steinchen.

Steiner, Steinert: Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-hari of stain-hard? Vergelijk Steenaerts, Stainier, Steinhardt. Steines, zie Stein.

Steinfeld,, Stainfeld, Sztajnfeld, Sztejnfeld. Verspreide Duitse plaatsnaam onder meer in Waheln bij Aken.

Steinfort, Stainforth: Verspreide plaatsnaam Steinfort(h), Steinfurt(h).

Steingisser. Verschrijving van Duits Steingässer: die aan een bestrate steeg woont.

Steinhardt, Steinhart. Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-hard. Vergelijk Steenaerts 2. Steinardus.

Steinhauer. Beroepsnaam; steenhouwer.

Steinhaus, Steinhauser. Frequente plaatsnaam Steinhaus. Bewoner van een stenen huis. Vergelijk (van) Steenhuyze.

Steinhilber. Duitse plaatsnaam Steinhilben.

Steinhoff. Frequente plaatsnaam Steinhof.

Steininger, Steiniger. Plaatsnaam Steiningen, Rijnland-Palts, of Steining, Beieren.

Steinkuhler. Plaatsnaam Steinkuhl; steenkuil.

Steinman, Steinmann, Stehman, Stehmann, Steyman: Beroepsnaam van de metselaar, steenwerker, steenbakker. Vergelijk Steenman(s).

Steinmeier, Steinmeyer: Meier op een plaats Steen.

Steinmetz, Steinmetzer, Steimetz, Steimes: Beroepsnaam van de metselaar, steenhouwer.

Steinrucke, Steinrüch, Steinrüx : Plaatsnaam Steinruck: heuvelrug, hoogte met stenige bodem.

Steinschneider, Szajnsznajder: Beroepsnaam van de snijder, bewerker van edelstenen of van de wapensnijder, die wapens in steen houwt.

Steinsetzer. Beroepsnaam van de stratenmaker.

Steinvedel, Steinwehe: Plaatsnaam Steinwedel in Lehrte (Nedersaksen). 1306 Steenwede. Middennoordduits wede, Oudhoogduits widu: woud.

Steinweg. Duitse plaatsnaam; straatweg.

Steinz: Vadersnaam. Verkleinvorm op –zo van de Germaanse voornaam Stain; zie Steen.

Steirdt, de, de Stierdt, Steert: Middelnederlands ste(e)rt: staart. Bijnaam. Vergelijk Starz, Nederduits Stert.

Stek: Van Middelnederlands sticken, stecken ‘stikken’.

Stek, van: Plaatsnaam? Of Stek met secundair voorzetsel?

Stekelinck: Bijnaam naar het visje, de stekeling, stekelbaars. Vergelijk Duits Stichling, Nederduitse Steckeling.

Stekelenburg, (van): familienaam uit Noord-Brabant. De familie woonde in de 17de-18de eeuw in Loenen aan de Vecht. Ze stamde af van Peter Jans; hij woonde aan de Slootdijk op Stekelenburg onder het gerecht van Cronenburgh.

Stekelinck. Bijnaam naar het visje, de stekeling, stekelbaars. Vergelijk Duits Stichling, Nederduits Steckeling.

Stekelorum, Stekelorom, Stekelerom, Stekalorum, Steculorum, Stekulorum, Stikkelorum, Stikelorom. Naam wellicht afkomstig uit een Latijns miswoord: seaculorum. Mogelijk naam voor iemand die wat met de mis te maken had: koster. Of bijnaam.

Steketee, Steketé: 1. Zinwoord met steken ‘steken, wonden’. Middelnederlands tee ‘teen’. Bijnaam voor iemand van wie de teen steekt, pijn doet, met likdoorns. Zeeuws steketee ‘likdoorn’. Vergelijk Duits Stechenfinger. 2. Hekket verklaart de Zeeuwse familienaam Steketee uit de plaatsnaam, 1165 Stekede, van Steekt (Alphen-aan-de-Rijn) ‘staket, paalwerk’. De accentverschuiving vergelijkt hij met Enschede, Tusschede, uitspraak Tenske, Tuske.

Stekke, Steck, Stecke, Stecké, Steckkens, Steckens, Steckx, Stec, Stecken, Stickens, Stique: Van Middenvlaams stecken, Middenenderlands. sticken: stikken. Beroepsnaam. Vergelijk De Sticker(e).

Stel, van (der) Stel, van der Stelt, Verstelle, Steld, Versteldt, Verstel, Verstelle: Plaatsnaam Stel(le) ‘kunstmatig opgeworpen hoogte op buitendijkse schorren’, ook ‘op de stelle gebouwde hut voor de herder, hofstede’.

Stelander, Stelandre, Stélandre: Afleiding van plaatsnaam Steenland of variant er van.

Stelboer. Boer op een hoeve met een stelle. Zie Stel.

Steleman. Variant van Stelleman of Steyleman.

Stella. Latijn Stella: ster. Latinisering. Bijnaam naar de huisnaam.

Stelleman, Stellemans, Stellamans, Stillemans, Stelman, Stellman, Stellmann, Sztelman: 1. Afleiding van Van der Stelle. Familienaam voor een stellenaar of stelboer. Zie ook Stel, Stellenaar. Stelleman komt in de betekenis herder voor bij C. Huygens en in 1628 als familienaam in Zonnemere (Zeeland).

Stellenaar: Familienaam van de stelboer, de boer op een hoeve met een stelle, herder op een stelle. Zie Stel.

Stellfeld. Plaatsnaam Veld met wei- of graasland. Vergelijk Stel.

Stellinga: Friese afleiding van de plaatsnaam Stelle ‘plaats’.

Stellings, Stelling. Afleiding van plaatsnaam Stelle: kunstmatig opgeworpen hoogte op buitendijkse schorren. Duits en Fries Stelle: plaats. Ook Nederduitse familienaam Stelling.

Stellingwerf: Friese plaatsnaam Stellingwerf.

Stelljes. Afleiding van Stel.

Stels. Afleiding van Stel of van Steels?

Stelt, Stelten, Stilten: Middelnederlands stelte, stilte: stelt, kruk, houten been. Bijnaam voor een invalide. Vergelijk Stelter.

Steltenpool, Steltenpohl, Stelt van der. Duitse plaatsnaam.

Stelter, Stelzer. Bijnaam van een kreupele, die met een stelt of kruk loopt. Vergelijk Stelten.

Steltman. Bijnaam; die met een stelt loopt. Vergelijk Stelter.

Stelzel, Stelzl. Duits ontrond van Stôlzel, afleiding van Stolz.

Stemerding, Stemerdink: Plaatsnaam Stemerinc in Brinkheurne (Winterswijk, Gelderland).

Stemmler, Stemler, Stempher, Stammler: Klankwijziging van een klinkers vorm van Stammler ‘stamelaar’.

Stembert, Destembert, Destamberg, Destanberge, Destanberg: 1. Plaatsnaam Stembert (Luxemburg). 2. Vergelijk Stembergh.

Stempel, Stempels. 1. Beroepsnaam van de stempelsnijder. 2. Vondelingnaam van Joannes Stempels, in Antwerpen te vondeling gelegd op 21 januari 1849.

Stenagen, van. Duitse plaatsnaam Steinhagen.

Stender. Middennoordduits stender; post, stijl, paal. Bijnaam. Vergelijk Stander.

Steneker, Steeneker. Misschien door verdoffing uit Steenakker? Of Steeneeker, afleiding van plaatsnaam Steeneek ‘steeneik’?

Stenger: Klankwijziging van een klinkers vorm van Stanger ‘stangenmaker’.

Stenten. Uit het Engelse Stenton, Stanton, naar de veel voorkomende plaatsnaam Stanton: 'steen-tuin, omheining'.

Stenvert. Vadersnaam. Germaanse voornaam stain-frith 'steen-omheining': Stainfrid. 2. Nederduits Steenwerth: steenhouwer. De familienaam Stenwerte is frequent in Lubeck. Nederduits wert=wercht: werker.

Stenvot. Plaatsnaam Steenvoorde? of metathesis van Stevenot?

Stephan, Stephâne, Stephani, Stephanidis, Stephanik, Stephano, Stephany, Stephaneck, Stephanick, Stephanian, Stepanek, Stepan, Stepanenko, Stepaniak, Stepanian, Stepanoff, Stepanowa, Stepanow, Stepanows, Stepans, Stefan, Stefanakis, Stefanato, Stefanczyk, Stefanelli, Stefanescu, Stefanetti, Stefania, Stefaniak, Stefanidis, Stefanido, Stefaniec, Stefanik, Stefanini, Stefaniuk, Stefanizzi, Stefank, Stefankow, Stefano, Stefanou, Stefanoff, Stefanov, Stefanovic, Stefanovits, Stefanowicz, Stefanska, Stefanski, Stefanuto, Stefanutti, Stefenatto, Steffanini, Steffanowski, Steffany: Vadersnaam. Vormen en afleidingen van Griekse heiligennaam Stephanus 'krans'. Zie Stevin(s).

Stéphane, Stephene, Stephenne, Stéphenne: Verwaalst van Stephen, Steffen, of Steven.

Stephen, Stephens, Stephenson, Steffens, Steffen, Steffes, Stefens, Stevenson, Stevens, Steves, Steve: Vadersnaam. Engelse vormen van Stephanus.

Stepin, Stepien, Stépien, Stempien, Stempin: Waarschijnlijk vleivorm van Steppe, Stephanus.

Stepmans, Stepman. Vadersnaam. Afleiding van Steppe.

Steppe, Steppé, Step, Steps, Steep: Vadersnaam. Korte vorm van de Griekse heiligennaam Stefanus. Voor p van f, vergelijk Sep(pen), van Jozef.

Steppel. Vadersnaam. Afleiding van Steppe.

Ster, van der, Verster, van (der) Star: Huisnaam De Ster.

Sterke, (de), Sterke (de), de Sterck, de Stercke, Stercké, de, Sterké, (de) Stercq, Sterckx, Sterkx, Sterckx, Stercx, Sterkens, Sterken, de Staercke, de Staerke, de Starke, de Straerke, de Staecke, Starckx, Starc, Stärck, Starcken, Starck, Stark, Starke, Stärk: Bijnaam naar de fysieke kracht en sterkte. Vergelijk Lefort.

Sterenborg. Plaatsnaam Sterenborg. Groningen.

Sterkenburg, (van). Plaatsnaam Sterkenburg (Utrecht).

Sterckendries, Sterkendries. Familienaam naar een plaatsnaam (onbekend).

Sterkmans, Sterckmans, Sterckeman: Afleiding van De Stercke.

Sterlin, Sterling: Middelnederlands sterlinc: munt gebruikelijk bij de Hanze, van pond sterling.

Stern. Sztern: Duits Stern: ster. Huisnaam.

Sternefeld, Sternfeld, Szternfeld, Szterenfeld: Plaatsnaam Sternfeld in Osburg (Rijnland-Palts).Vergelijk Starreveld.

Sternaux. Vadersnaam. Afleiding van Sterne, van Stenne, van Stevene; vergelijk Sternon

Sternberg, Sternberger, Szternberg, Szterenberg: Verspreide plaatsnaam.

Sterngold. Duits Joodse familienaam: stergoud. Wellicht huisnaam, vergelijk Duits Güldenstern.

Sternlicht, Szternlicht: Duitse bijnaam Sterrenlicht. Wellicht huisnaam.

Sterpenich. Plaatsnaam in Niederelter, Luxemburg.

Sterpigny. Plaatsnaam in Cherain (Luxemburg). 2. Romaanse vorm van Sterpenich (Luxemburg).

Sterpin. Stepin met r-epenthesis?

Sterre, Sterren, van der, van der Sterre, van der Starre, van der Star, Versterre, Versterren, Verster: Huisnaam: De Ster.

Sterrenbach: Plaatsnaam Sternbach (Beieren).

Sterrenga, Sterringa, Friese afleiding van Ster.

Sterzenbach: Plaatsnaam Sterzenbach (Noordrijn-Westfalen).

Stesmans. Vadersnaam. Afleiding van Stes, Stas, van heiligennaam Eustachius, Middenenderlands Istaes. Vergelijk Staessens.

Stessel, Stessels. Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Stes = Stas, van Eustachius.

Stetenfeld. Plaatsnaam Stettfeld, Beieren?

Steufken, Steufkenne. Zoals Nederduits Stûvecke, afleiding van Middennoordduits stûve: stomp, boomstronk, stam. Bijnaam voor een korte dikkerd. Of van Stôveken, Stôffken als stoopje (hier); vergelijk Stoop.

Steunder, de, de Stuynder: Afleiding van Middelnederlands stunen, stuenen, stuynen: iets staande houden, zich verzetten, gewapend tegen iemand optreden.

Steuns. Duitse familienaam Stun(t)z: 1. Kort; 2. Kleine kuip? Of verschrijving voor Steuens, Stevens?

Steur, (de), Steurs, (de) Stuer, Stuers: Bijnaam naar de visnaam steur. Ook huisnaam als in Cent. Bijnaam uit het bijvoeglijk naamwoord: stuur, sture, stuer: krachtig van geest, maar ook hardvochtig en bars.

Steurbout, Steurbaut, Steurebout, Stuerbout, Stuerebaut, Sturbaut, Sturbeaux, Sturbois. Bijnaam + vadersnaam uit het werkwoord storen/stueren (storen, in de war brengen) + de voornaam Boud. Vergelijk Middenenderlands dronkenbout, Duits Trunkenbold, Nederduits Storjohann.

Steurrijs: Misschien hypercorrect uit Steurres, van Steurs.

Steutel, Steutels, Steutelins, Steutelings: Bijnaam voor een stotteraar. Afleiding Van steuten, van stoten. Stotteren is namelijk een frequentatief van stoten, vergelijk Engels stut =stutter ‘stotteren’. Vergelijk Duits Stöttele(in), Stötterle(in).

Steutgens. Afleiding van Middenenderlands stute, Nederduits stuten: broodje. Duitse familienaam Stùttchen.

Steux. Waarschijnlijk verkort van Osteux. Zie Dezoteux.

Stevaert, Stevart, Stévaert, Stévart, Stavart. Vadersnaam uit de Franse vorm Estève van de Griekse naam Stefanus. Vergelijk Thivart 1.

Stevan, Stevant, Stévant, Stévent, Stevent, Stivant, Stivan, Estivant: Vadersnaam. Variant van Stefan. Deze verschrijvingen kunnen ook de Romaanse uitspraak van Steven weergeven.

Stevanato, Stevanoni, Stevanovic, Stevanov: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Stefanus.

Steve, Steuve: Vadersnaam. Korte vorm van heiligennaam Stephanus.

Steveler, Stéveler, Stevelmans, Steffelaar, Steffler, Streveler, Stréveler: Middelnederlands stevelaer, steveler, Duits Stiefler: maker van laarzen, schoenmaker. Vergelijk Stival.

Stevelinck, Steverlinck, Steverlynck, Styvelynck: Vadersnaam van Steveninck, door wisseling l/n of suffixsubstitutie (vergelijk Thevenin/Thevelin).

Stevenaert, Stevenard, Stevenart, Stévenart, Stévenaert, Estiévenart, Estiévenars, Estiévenaert, Estivenart, Stièvenart, Stiévenart, Stiévenard, Stievenard, Stievenaert, Stievenart; Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Stefanus.

Stevendaal, van, van Stevendael, van Stijvendael, van Stijvendaele, van Styvendael, van Styvendaele, van Styvendale: Plaatsnaam Stevensdale in Borsbeke (Oost-Vlaanderen).

Stevenhaegen. Plaatsnaam Stavenhagen (Duitsland).

Stevenheydens, Stevenhaydens. Vadersnaam. Hypercorrecte vorm voor Stevenijns (zie Stevenin). Vergelijk, van Middelnederlands castien.

Steveniers, Steveneers, Stéveniers, Steveniez, Steffenier, Thévenier, Thevenier: Hypercorrect voor Stevenye/Stephanie, waarvan de uitgang gereïnterpreteerd werd als het suffix -ler.

Stevenin, Stevenijn, Stevenijns, Steveninck, Stevenini, Stievanin: Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Stefanus, Steven. Vergelijk Thevenin.

Steveninck, (van): Vadersnaam. Afleiding van de voornaam Stefanus, Steven.

Stévenot, Stevenot, Stevenoot: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Stefanus.

Stevens, Stevense, Steevens, Stefes, Steffens, Steffen, Stefens, Steffers: Vadersnaam. Afleiding van Middelnederlands Stevin, vleivorm van de heiligennaam Stephanus.

Stevens, van. Plaatsnaam in Zandhoven, Antwerpen.

Stevin, Stevins, Stevens, Steven, Stévens, Stéven, Steevens, Stéven, Stévenne, Stevenne. Vadersnaam afgeleid van de heiligennaam Stephanus (= krans). De naam van de martelaar Stefanus kwam vrij vroeg in gebruik.

Steveny, Stevenye, Stéveny, Stevenije, Stevenijë, Tevenie: Moedersnaam. Stephanie, Latijn Stephania, vrouwelijk van heiligennaam Stefanus.

Stevesyns. Variant van Stevenijns.

Stévigny, Stevigny, Stivigny: Aangezien een plaatsnaam Stévigny onbekend is, mogelijk hypercorrectie voor Stevenye.

Stewart, Stuart, Stuaert: Beroepsnaam. Oudengels stigweard, Engels steward: huismeester, hofmeester.

Steyfkens, Stifkens. Vadersnaam uit de heiligennaam Stefanus.

Steijaart, Steijaert: Ontronde variant van Stuyaert, gepalataliseerd uit Stoiard. Afleiding van Oudfrans estoier ‘opsluiten’ of van Middelnederlands stooien ‘voortduwen, voorttrekken’?

Steijger, Stijger, Stijgers, Stieger: Middelnederlands steiger ‘steiger, trap’. Vergelijk Stegher.

Steylaerts, Steylaers, Stallaert, Stallaerts, Stallaart, Stallaert, Stallard, Stalars, Stala, Stalas, van der Steylen, van der Stylen, van der Stijlen, 

Versteylen, Versteijlen, Versteele, Versteels, Steilen, Steylen, Steyls, Styl, Stylen, Steijlen, Stijlen. In deze reeks hoort als variant wellicht ook Stillaer, Stillaert thuis. Familienaam uit de plaatsnaam Steil(e) in Reet, Schelle, Boom. Stillaer, Stilaert komt mogelijk ook uit de Germaanse voornaam stil-hard. Stallaert is te verklaren door Brabantse uitspraak van ei als a.

Steyleman, Steylemans, Steijleman, Stijlemans, Stijleman, Stylemans, Stylemans, Stylmans, Stylman, Stijlman. 1. Moedersnaam uit de voornaam Steile, zie Steylen. 1. 2. Familienaam uit de plaatsnaam Steil(en): Reet, Scheele, Boom.

Steylen, Steyls, Steijlen, Stijlen, Steijls, Steilen, Steille, Steils, Styl, Stylen, Steele, Stelen, Stèlen, Steels, Stiels, Stielle, Stiel, Versteylen, Versteijlen, Versteele. 1. Moedersnaam uit de Germaanse voornaam Steile (uit Steinhilde). 2. Soms ook uit de plaatsnaam Steile, zie bij Steylen.

Steylen, van der, van der Stylen, van der Stijlen, Versteylen, Versteijlen, Versteele, Versteels, Steilen, Steylen, Steyls, Styl, Stylen, Steijlen, Stijlen. Familienaam uit de plaatsnaam Stijle in Reet, Schelle, Boom.

Steijn, van: Variant van van den Steene of von Stein. Of vadersnaam. Steijn met secundair voorzetsel.

Steyneman. 1. Vaders-, moedersnaam. Afleiding van Stijn. 2. Zie Steenmans.

Steyt. Wellicht een bijnaamvariant van stout: stout, flink. Bijnaam voor een flinke kerel?. Of van werkwoord niet steiten; niet deugen.

Steyvoort (van), van Steijvoort, van Styvoort, van Stijvoort, van Stynvoort. Familienaam uit de plaatsnam Stevoort (Limburg).

Steijvers: Andere spelling voor Stijvers, afleiding van Middelnederlands stiven, Middelhoogduits stiven ‘fluitspelen, op de schalmei blazen’. Vergelijk Middelnederlands, Middelhoogduits stive, van Oudfrans estive ‘fluit’.

Stibbe. Variant van Duits Stiebe. Zelfde betekenis als Stieber.

Stich. Duits Stich: steek. Bijnaam of beroepsnaam voor een kleermaker of slager of een vechter (die met een mes steekt).

Stichelbaut, Stichelbaudt, Stichelbault, Stichelbout, Stygelbout, Stickelbout, Stickelbaut, Stickelboult, Stequelbout, Steclebout, Tichelbaut. Naam uit het Middelnederlandse stevel, stivale (laars, zware schoen) en het Engelse boot (zware schoen). Beroepsbijnaam voor de maker of verkoper van zulke laarzen. Vergelijk Duits Stiefel, Nederduits Stevel; zie Stival. Stichel door v/g-wisseling.

Stichelmans, (van) Stechelman, Stickelmann, Stikelmanne, Stikelman, van Steckelman: Afleiding van Van der Stichele.

Stichnoth. Duitse familienaam van Middennoorddits stichtenote, Duits Stiftsgenosse: genoot in een sticht, stift. Veeleer van Duitse familienaam Stichternoth, van stich ter not (zur Not), dat is steek (slechts) ter nood, in de nood, node. Vergelijk Seltenstich, Faulstich, Vielstich en zie Vuylsteke.

Sticker, de, Stickere, de, Stikkers, Sticker, Stickers, (de) Stecker, Steekers. 1. Beroepsnaam van de stikker: borduurwerker, tapisseriewerker. 2. Mogelijk ook uit het Middelnederlandse steker: deelnemer aan een steekspel, messentrekker, vechtersbaas. (vergelijk Stechmesser, Nederduits Stekemest).

Stieber, Stibert: Duitse bijnaam Stieber, equivalent van De Stuyver, zowel in de betekenis: die stof maakt, als (bad)stover (Badstieber, van Badstuber).

Stieffenhofer, Stiefenhofer. Plaatsnaam Stiefenhoven, Beieren.

Stiegler. Duitse familienaam: die woont aan de Stiegel: trap om over omheining van veld of dorp te komen.

Stieglitz. Duits Stieglitz (van Slavische herkomst): distelvink. Bijnaam naar de kleurige kleding of beroepsnaam voor vogelhandelaar. 2. Plaatsnaam Stieglitz (Bromberg).

Stieltjes. Afleiding van Middenenderlands stijl, steil, steel: stijl, zuil, paal. 2. Of van Stillekens?

Stielen en Stieltjes komen van Tiel en Tieltje, dat is: Tyl, Tilo, welke naam als Tijl, en, in verkleinvorm, als Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus betekent Stieltjes: zoon van den kleinen Tyl.

Stielstra, Stilma: Zoals Stijlstra, Friese afleiding van Stiel, Stijl.

Stiemens staat in de plaats van ’S Tiemens, de Tiemens zoon; en Tiemen, Tymen, Tieman, Timan (niet te verwisselen met de Griekse mansnaam Timon) is een oud-Nederlandse mansnaam die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van deze mansnaam, die oorspronkelijk Tiedman, Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemens af.

Stienaers, Stieners. Vadersnaam. Afleiding op -ard van Stienne, Waalse vorm van E(s)tienne. Vergelijk Stiévenard. 2. Zie Steenaerts.

Stienne, Stiennes, Stenne, Stinne: Vadersnaam. Waalse vormen van de voornaam E(s)tienne.

Stiennon, Stiénon, Stienon, Stiernon, Sternon, Steeno, Stiernotte, Sternotte, Steennot, Sterno, Stiernet, Stienelet, Stienlet, Steenlet, Stierlin: Vadersnaam. Afleiding van van Stienne, Waalse vorm van de voornaam E(s)tienne, heiligennaam Stephanus. Stiernon, -ot, -et door dissimilatie van Stiennon, -ot, -et.

Stiensma, Stienstra. Friese afleiding van Steen.

Stieperaere, Steuperaert: 1. Afeiding van werkwoord steperen, stueperen: instigare, dat is (aan)stoken, opstoken. Waals-Vlaams steperen: stoken, schoonmaken. 2. Of van Middenederlands stiperen: schoren, stutten.

Stier, Stiers, Stir: Bijnaam naar de fysieke of karakteriële gelijkenis met de stier.

Stieremans, Stirman, Stierman: 1. Bijnaam voor de stierenfokker. 2. Eventueel ontronde vorm van Stuurman.

Stift. Middelnederlands stift, sticht: stichting, klooster. Naar de woonplaats. Plaatsnaam Stift (Overijssel).

Stiggel, van der, van der Stighelen, van Stiggelen, van der Stigchel, van Stighel, van Stigel, van Stiegel, van (der) Stichel, van (der) Stichelen, Stichele, van der Stickel, Stickelen, van der Steichel, Stechele, Stickel, Stikel, Verstichel, Verstichele, Verstichelen, Verstiggelen, Verstiggel, van der Strichelen: Plaatsnaam Stegel ‘stoep, verhoging; laag muurtje, kaai, stenen overstapje, slagboom’. Variant stichel (vergelijk regel/richel).Vooral verspreid in West-Vlaanderen. Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Ook huisnaam in Kortrijk .

Stigter, Stigters, de, Stifter: 1. Naam van een stichter, die een schenking doet aan een geestelijke stichting, of die een pachthof van een stift in bedrijf heeft. 2. Familienaam afgeleid van het Sticht (Utrecht).

Stijnen, Stynen, Stine, Stijns, Styns, Stins, Stein, Stein(e)s, Steyn(en), Steyns, Steijnen, Steijns, Stien, Stiens, Stienen. 1. Moedersnaam, verkorte vorm van de heiligennaam Christina, Christijne (uit Christianus). 2. Vadersnaam. Vooral St(e)ij/yns kan een verkorting zijn van Augustijns (uit Augustus).

Stijven, Styven, Steyven, Steijven: 1. Vadersnaam. Limburgse vorm van Steven. 2. Bijnaam voor een stijve, strakke. Vergelijk Steif.

Stijvers, Steiver, Steivers, Steijvers, Steyvers, Steifer. Beroepsbijnaam uit het Middelnederlandse stiven: fluitspelen, op de schalmei blazen. Vergelijk Middelnederlands en Middenhoogduits stive, van Oudfrans estive: fluit.

Stil, Stille, Stillen, Still, Stillekens: 1. Bijnaam voor iemand die stil, zwijgzaam is. 2. Oorspronkelijk vadersnaam. Germaanse voornaam Stillo 'stil'; vergelijk Stillemans en Stil-namen.

Stillaer, Stillaert. Misschien Germaanse voornaam stil-hard. Zie Stil. Of veeleer variant van Steylaert.

Stillatus, Stellato: Italiaanse familienaam. Afleiding van Italiaans Stella: ster. Onder meer meisjesnaam Maria Stella Maris.

Stilleman, Stillemans, Stillemant, Stillman, Stillmans, Stijlemans, Stijlmans, Stijlman, Stielemans, Stiellemans, Stylemans, Styleman, Stylman, Stellemans, Stelleman, Steleman, Stellamans, Stilman, Stilmant, Stilment, Stillman: 1. Vadersnaam. Germaanse voornaam Stilleman. Stillemannus, 2. Bijnaam stille man. Engels Stillman. 3. Zie Stelleman(s). 4. Stillemans komt van de oud-Nederlandsen mannenvoornaam Tilleman, Tilman, Tielman; zoon van Tilleman, die ook in deze drie vormen, en als Tilmans, Tielmans als geslachtsnaam.

Stiller: Duits familienaam. 1. Bijnaam ‘die kalmeert, sust’. 2. Afleiding van plaatsnaam Still.

Stinders. Afleiding van tiender: tiendheffer, maar ook tiendplichtige.

Stinglhamber. Afl. van Noord-Beierse plaatsnaam Stingelham, Stingelheim.

Stinis, Stinissen, Stienissen, Steenis: Vadersnaam. Zoon van Stinus, Stienes, heiligennaam Augustinus.

Stinkens, Stinckens, Stijnken, Stijnkens. Vadersnaam of moedersnaam, verkorting uit de voornaam Augustijn of uit Christina.

Stip, Stips, Stipp: 1. Bijnaam naar een stip, punt? 2. Vadersnaam Stippe, variant van Steppe?

Stipelen, van. Plaatsnaam Stiepel in Bochum (Noordrijn-Westfalen): eerder Stiple.

Stiphout, (van), Stiphoudt (van): Plaatsnaam Stiphout (Noord-Brabant) ‘vochtig bos’. Nederduitse plaatsnaam Stipeholt.

Stippelmans. Afleiding van Van Stippelen. Vergelijk Duits Stiepelmann.

Stip, Stips, Stippe; 1. Bijnaam naar een stip, punt? 2. Vadersnaam. Verkorte vorm van de Griekse naam Stefanus.

Stippen, van. Plaatsnaam. Uit Van Stiphout? Of plaatsnaam bij Ledeacker (Noord-Brabant)?

Stique. Variant van Stekke?

Stirpe. Plaatsnaam, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen.

Stival, Estival, Estevo, Stifal, Teval, Théval: Middelnederlands stivale, van Oudfrans estival, van Latijn aestivalem (van aestas: zomer): lichte zomerschoen, later laars, stevel, Duits Stiefel. Beroepsnaam of bijnaam. Estevo van Estivau(x).

Stobbaerts, Stobbart. Familienaam afgeleid van Stobbe: stronk. Bijnaam voor iemand met een gedrongen gestalte.

Stockeren, van, Stokeren, van. Oostenrijkse plaatsnaam Stockem?

Stobbaerts, Stobbart: Afleiding van Stobbe. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte. Vergelijk Stub(h)art.

Stobbe, Stub, Stubbe, Stobbs, Stubbs, Stubbé. Naam uit het Middelnederlandse stubbe, stobbe: stronk. Bijnaam voor iemand met een korte gedrongen gestalte.

Stobbelaar, Stobbelaers, de Stobbelaere, Stobbeleere, Stobbelaire, de Stobeleer, (de) Stobbeleire, Stobbeleir, Stoppelaere, de Stoppeleiere, de Stoppeleir, Stoppeleere, Stoppelaire, Stommeleer, de Stommeleere, Stabbelaar, Stobbeler: Bijnaam voor iemand die waggelt of struikelt. Afleiding van stobbelen, stubbelen, frequent van Middelnederlands stubben ‘waggelen, struikelen’.

Stöbel, Stoebel, Stoepel, Stoupel: Afleiding van Duitse familienaam Stôb. Bijnaam voor de badstover. Vergelijk Stober, Stubl. Aangezien Stoebel en Stoepel alleen in Oost-Vlaanderen voorkomen, ligt het voor de hand om beide namen te identificeren. Maar volgens NN is Stôppel: stop, bijnaam voor een korte dikkerd.

Stöber, Stuber, Stubert, Stübener: Variant van Nederduits Stover, Oudhoogduits Stuber, Badstover, Badstilber: eigenaar van een badstoof. Vergelijk De Stover.

Stocher. Wellicht Duitse equivalent van Stoker of hypercorrect voor Stocker.

Stock. Misschien Engelse familienaam Stooke. Plaatsnaam Stoke (Somer­set, Derby, Warwickshire, Northamptonshire).

Stock, Stockx, Stokx, Stox, Stok, Stoks, Stocks, Stocq, Socke, Stocké, Stouck. 1. Beroepsbijnaam voor de maker van stokken, staven, knuppels. 2. Bijnaam voor iemand die veel een stok/knuppel bij zich had. 3. Beroepsbijnaam voor de stokmeester (= gevangenenbewaker). 4. Soms ook huisnaam. Uit " In den Stok". 5. Bijnaam voor de stokvechter. Vergelijk Stockart.

Stock, van de(der), van der Stocken, vander Stock,van der Stokt, van der Stockt, van de Stocke, van der Stokken, van der Stokker, van der Stoken, van der Stokens, Verstocken, Verstocken, Verstockt, van den Stockt, van den Stock, van den Stocht. Familienaam uit de plaatsnaam Stok: boomstronk, plaats waar stronken staan.

Stockart, Stockaert, Stockaer, Stokart, Stokard, Stocquart, Stoquart, Stokkaer, Stokkart. 1. Bijnaam uit het Middelnederlandse stocken: steken, stoten, bestoken, met stokken slaan, van Oudfrans estoquier: slaan, vechten met stokken. Een stokvechter ? 2. Ook mogelijk een vadersnaam uit het 14deeeuwse: Stokar de Forvie, Stockar dit Scochar de Blehen - Luik.

Stockebrand, Stokebrand: vuurstoker, brandstichter; ook twistzaaier, ruziestoker.

Stockelman. Afleiding van stokkel, van stok. Idem als Stockman. Vergelijk Stockelynck, Duits Stôckel.

Stockelynck, Stockelijnck, Stoclin, Stôckl, Stôcklin, Stoëklin, Stocklein: Afleiding van Stok.

Stockem, (van) van Stokkurn, van Stockom, van Stokkom, Stockhem: Plaatsnaam Stokkem (Limburg), Stokhem (Duitsland), Stockem (Luxemburg) en in Overijse (Vlaams-Brabant), Stokkum (Gelderland, Overijssel), Stockum (Noordrijn-Westfalen).

Stockemer. Afleiding van plaatsnaam Stockem.

Stockhausen, Stokhuyzen: Verspreide plaatsnaam.

Stockman, Stockmans, Stokmann, Stokman, Stokkerman, Stokmans, Stocman. 1. Beroepsnaam van de stokmeester of gevangenenbewaker. 2. Uit Van der Stock: plaats waar boomstronken staan. 3. Bijnaam voor een stokvechter. Vergelijk Stockart.

Stockton. Plaatsnaam, Cheshire.

Stoclet, Stockleit: Afleiding van Nederlands stok, Oudfrans estoc: stok. Vergelijk Stock.

Stoddart, Engelse familienaam. Oudengels stôd-hierde: stoeterij-herder, dus paardenknecht.

Stoel, Stoels, Stol: 1. Beroepsbijnaam van de stoelenmaker. 2. Vadersnaam uit de Germaans voornaam Stolla, Stoelin. Zie Stoele.

Stoele, Stoel, Stol, Stoelens, Stoelinga: Vadersnaam. Germaanse voornaam Stodilo, Fries Stoelinga, Duits Stolle.

Stoel, van der, Stoelen, van der. Stoel, waarschijnlijk huisnaam. Veldnaam in Beernem en plaatsnaam in Slijpe.

Stoelen, Stulin, Stulens, Stolen, Stultjens, Stultjiens, Stultiëns, Stoelinga, Stolle, Stul. Vadersnaam uit de voornaam Stoelin, deze uit het Germaanse Stodilo, Stoelinga. Duits Stolle.

Stoelhorst: Plaatsnaam Stoelhorst in Markelo, Overijssel.

Stoelman, Stoolman. Beroepsnaam van de stoelenmaker. Vergelijk Duits Stuhlmacher.

Stoelwinder, Stoeldraaijers. Beroepsnaam.

Stoelzaet, Stoelzaed. Bijnaam voor iemand die veel op zijn stoel zit. Vergelijk Duits Stuhlsatz, Stuhlsess, Stuhlsitz: schepen die zitting heeft op de (rechter)stoel. Vergelijk Duits Stuhlschreiber.

Stoep, van der: Vaak vondelingnaam voor een op de stoep gevonden kind.

Stoens, Stons. Wsaarschijnlijk variant van Soens, door metathesis van Tsoens, van Tjoens.

Stoesser. Duitse beroepsnaam Stösser, de Salzstösser: iemand die het zout in de vaten doet of iemand die in de wijnbouw de palen in de grond slaat/stoot.

Stoete, Stoet, Stoett. 1. Bijnaam voor iemand met een plechtige manier van stappen, als in een stoet? 2. Zie ook Stoesser en Stout.

Stof, Stoff, Stoffe, Stofs. 1. Korte vorm van de voornaam Christophe, Kristoff, heiligennaam Christophorus. Vadersnaam. 2. Zie Stove.

Stofberg: 1634 Pieter Jacob Dircxz, schoenmaker = Pieter Jacob Stoffbergh, Nieuwerkerk-aan-de-IJssel.

Stoffelen, Stoffels, Stoffel, Stoffelt, Stoffelmans, Stofferus, Stoffer: Vadersnaam. Korte vorm van de heiligennaam Christophorus. Nederlands Kristoffel.,

Stofferus, Stofferis: Vadersnaam. Zoals Stofferus verkort uit de heiligennaam Christophorus.

Stoffijn, Stoffin, Stoffyn, Stoffyns, Stoffen, Stoffenne: 1. Vadersnaam. Vleivorm van de heiligennaam Christophorus. 2. Vervorming van Taffijn, vadersnaam.

Stofkoper, Stofkooper: Beroepsnaam van de stoffenhandelaar.

Stofregen: Middelnederlands stofregen ‘plasregen, motregen’. Duits Stof(f)regen, net als Gusregen, Slegeregen, Rappregen verklaard als ‘stortregen’. Bijnaam voor een opvliegend, driftig mens.

Stohr, Stöhr, Stoer: Duitse bijnaam Stöhr. 1. Geronde variant van Stehr: ram, hamel. Vergelijk De Weer. 2. Soms Stôhrer: die rust en orde verstoort. 3. Stohr, van visnaam Stôr: steur. Vergelijk Steuri.

Stok, Stoks, Stokx: 1. Beroepsbijnaam voor de maker van stokken, staven, knuppels. 2. Beroepsbijnaam voor de stokdrager. 3. Beroepsbijnaam voor de stokmeester, gevangenbewaarder; vergelijk Stokman(s). 4. Huisnaam.

Stokbroek, Stokbroeks, Stokbroeckx, Stockbroekx, Stockbroeckx: Plaatsnaam Stokbroek: moeras met boomstammen, stronken.

Stoker, Stooker, Stokker, Stöcker. Beroepsnaam van de stoker, vuurstoker; of bijnaam: brandstichter.

Stokdijk: Er is een plaatsnaam/straatnaam Stokdijk in Langedijke (Oost-Stellingwerf), waarin dijk ‘weg’ betekent.

Stokhof: Plaatsnaam,1464 de Stockhavermaat bij Drempt (Gelderland).

Stokker, Stocker, Stöcker, Stöckert, Stockeyr: Beroepsnaam. Middenenderlands, Middenhoogduits stocker: gerechtsdienaar, beul, gevangenbewaarder.

Stokkink. Afleiding van Stok.

Stokman, Stokmans, Stockman, Stokkerman: 1.Beroepsnaam van de stokmeester of gevangenbewaarder. Stocman, Antwerpen. 2. Afleiding van van den Stock.

Stokstraeten, van, van Stockstraeten. Familienaam uit de plaatsnaam Stokstraat in Elverzele, Schorisse, Zele (Oost-Vlaanderen), Geluwe, Wervik en Klerken (West-Vlaanderen). Maastricht.

Stokvis, Stokfisz, Stockvisch, Stockfisch: Beroepsbijnaam voor de stokvisverkoper of bijnaam voor iemand die zo stijf is als een stokvis.

Stol: 1. Bijnaam. Middelnederlands, Middelhoogduits stolle ‘blok, klomp’. Bijnaam voor een geblokt man, vaak ‘lomp, onbeholpen’. 2. Zie Stoel.

Stolk, Stolck, Stolek: 1. Samengetrokken uit plaatsnaam Stolwijk (Zuid-Holland). 2. Korte vorm voor Van de Stolpe. 3. Plaatsnaam Stolpe (Brandenburg, Mecklenburg-Vorpommern, Sleeswijk-Holstein). 4. Van werkwoord stolken; klotsen, stampen met de voeten. Bijnaam. Vergelijk Middelnederlands stolkich; plomp. Of afleiding van Stolle.

Stollaerd, Stollaert. Dialectische variant van Stallaert. Zie bij Steylaer(t)s.

Stolman, Stollman. Afleiding van Stoll.

Stolberg, (de), Stollenberg, Stôllberger: Plaatsnaam Stolberg (Noordrijn-Westfalen).

Stolle, Stoll, Stols. 1. Bijnaam uit het Middelhoogduitse stolle: blok, klomp. Bijnaam voor een geblokt iemand. 2. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Stollo,van Stodilo, zie Stoelen.

Stollaert. Dialect variant van Stallaert.

Stoller. Afleiding van plaatsnaam Stoll(en). Stollen bij Zurich heette vroeger Stolle.

Stolp. 1. Middelnederlands stolpe ‘haarddeksel’. Misschien de bijnaam voor de vuurman, die ’s avonds de inwoners moest aanmanen het vuur af te dekken. 2. 2. Korte vorm voor Van de Stolpe. 3. Verspreide Duitse plaatsnaam Stolpe.

Stolpe, van de, Stolp: De Stolp was de eigenaardige oude Schouwse boerderij, waarbij woonhuis, schuur en stal zich onder één dak bevinden (Zeeland)

Stols: 1.Afleiding van Stol, zie Stolle. 2. Vlaamse aanpassing van Duits Stolz. 3. Verschrijving van Stoels. Zie Stoels.

Stolte: Nederduitse en oostelijke vorm van Stout, Duits Stolz.

Stoltenborg, Stoltenberg. Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Noordrijn-Westfalen of Sleeswijk-Holstein (Duitsland); Steile berg.

Stoltenkamp, Steltenkamp: Westfaalse plaatsnaam: steil veld.

Stolwerk, Stollenwerk, Stollenwerck: Samenstelling met Middennoordduits stoll(e): stijl, (deur)post. Beroepsnaam voor een timmerman.

Stolwijk: Plaatsnaam Stolwijk (Zuid-Holland).

Stolz, Stolze, Stoltz, Stölzl: Duitse bijnaam Stolz: moedig, overmoedig, hoogmoedig. Vergelijk Stout, Stolte. Uit Duits Stummer, verbogen vorm van Stumm ‘stom’. Bijnaam.

Stolzenberg. Plaatsnaam, Beieren, Noordrijn-Westfalen, equivalet van Nederduits Stoltenberg.

Stom. Bijnaam voor een stomme, ook wel een domme. Vergelijk Duits Stumm.

Stommel, Stommels, Stommelinck. Bijnaam uit het Middelnederlandse stommel: kort afgesneden stuk (voor iemand die klein en mollig is).

Stommeleer, (de), Stommeleere, (de), de Stommeleir, de Stommelier: 1. Zie Stammeleer. 2. Varaiant van Stobbeleer, met m-wisseling.

Stomp: Middelnederlands Stomp ‘(boom)stomp’. Bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte.

Stomphorst. Adres-, plaatsnaam.

Stone. Engelse plaatsnaam stone; rots, steen.

Stoof: Beroepsbijnaam van de badstoofhouder.

Stoop, (de) Stoops, Stoopen, Stoup: Een stoop was een kruik, vaak een wijnkruik. Bijnaam voor een drinker of beroepsbijnaam voor een waard of wijnhandelaar.

Stoopman, Stoepman. Afleiding van Stoop.

Stoorvogel: Bijnaam voor iemand die stoort? Of aanpassing van Duits Sturmvogel?

Stoot. Middelnederlands stoot: stoot, botsing, geschil. Bijnaam. Vergelijk Duits Stoss. 2. Beroepsnaam van de stoter; zie Stoesser.

Stoppeldijke, van: Plaatsnaam Stoppeldijk (Zeeland), nu Pauluspolder (Hontenisse, Zeeland).

Stoppelenberg: Plaatsnaam Stoppelingsberg in Apeldoorn (Gelderland).

Stoppels: Bijnaam voor iemand die klein is (korte stoppel) of voor iemand met stoppelbaard of stoppelhaar. Ook Duits Stoppel.

Stopper, de. Van werkwoord stoppen: opvullen, dichten. Beroepsnaam; die gaten stopt. Vergelijk Stoppie.

Stoppie, Stoupy, Stoupis, Estoppeij: Oudfrans stouppier, estoupier, van Oudfrans estope, Oudnederlands, Middelnederlands stop(pe): stop, tap. Beroepsnaam. Pendant van De Stopper.

Storck, Stork, Störk, Sturcke, de Storcke, Storch, Sztorc: Middenenderlands storke, sturk, Duits Storch, Nederduits stork: ooievaar. Bijnaam voor iemand met lange benen. Vergelijk De Reygher. Of huisnaam. Vergelijk Ovaere, Storckel.

Storckel, Stoerkel. Afleiding van Storck.

Storer, Storrer: Middenhoogduits storer: onbevoegd vakman, niet bij het gilde ingeschreven werkman.

Storimans. 1. Wellicht variant van Storet. Zie bij Estoret. 2. Of naam uit de familienaam Story/Storij/Storie: uit historie. Beroepsnaam voor iemand die met geschiedenis bezig is. 3. Of uit de beroepsnaam storyer: proviandbeheerder, foerier.

Storkebaum. Waarschijnlijk door associatie met stork, van Sporkebaum. Duitse familienaam, plaatsnaam Spork, Sporke; jenever(struik).

Storm, Storme, Stormme, Stormens, Storms, De Storme, Stourme, Sturme, Sturm, Sturms. 1. Beroepsnaam voor de luider van de stormklok. 2. Bijnaam naar een stormachtig karakter, 3. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Sturm(i). Sturmegin, Sturmo, Sturmhari.

Storme, van den, van der Storm: Plaatsnaam? Of bijnaam voor de luider van de stormklok?

Stormezand: De naam kan worden vergeleken met Stuivezand. Bijnaam voor een hevig karakter?

Storp: Samengetrokken uit plaatsnaam Suttorp, van Suttrop (Noordrijn-Westfalen).

Stortenbeker: Duitse bijnaam Störtenbe(c)ker, zinwoord ‘die de beker stort’. Bijnaam voor een drinker.

Storij, Story, Storie. 1. Middelnederlands storie, van historie ‘geschiedenis’. Bijnaam voor een historieschrijver of een verteller van verhaaltjes? 2. Waarschijnlijk variant van Storet.

Storz. Bijnaam; stronk, stomp. Naar de gedrongen gestalte.

Stötzel, Stoetzel: Afleiding van Duits Stotz, van Middenhoogduits stotze: klomp, blok. Bijnaam voor een bonkig, potig man.

Stoss, Stosse, Stoos, Stoz, Stousse, Stouse: Duits Stoss, Middenhoogduits stoss: ruzie, twist. Bijnaam of beroepsnaam van Stôfier. Vergelijk Stoot, Stutz.

Stoter, Stooter, Bonkestoter. Beroepsnaam.

Stots: Duitse familienaam Stotz, van Middelhoogduits stotze ‘klomp, blok’. Bijnaam voor een bonkig, potig man.

Stouder. Wellicht van Stordeur.

Stoumont. Plaatsnaam Stoumont, Luik.

Stouten, Stolting. Afleiding van Stout.

Stout, Staut, Staute, Staudt: 1. Bijnaam voor wie stout, (stout)moedig, dapper, flink was. Vergelijk Karel de Stoute. Zie ook Stolte, Stolze. 2.Vadersnaam. Germaanse voornaam Stalda, Stalto ‘bezitter.

Stouthamer, Stouthaemer: Wellicht de Duitse familienaam Staudhammer, afleiding van de plaatsnaam Staudhamm (Beieren).

Stouthart: Bijnaam voor iemand die ‘stouthartig’ was?

Stouthuisen, Stouthuyzen, Stouthuysen. Plaatsnaam. Vgl Stolzhausen. Duitsland.

Stoutjesdijk: Plaatsnaam Stougjesdijk in Mijnsheerenland (Zuid-Holland).

Stoutjesluijs: Een sluis bij Stougjesdijk?

Stouvenaker, Stouvenakers. Waarschijnlijk de beroepsnaam Stovemaker: maker van (bad)stoven of stoofjes.

Stove, Stoove, Stoefs, Stofs, Stouf, Stouff, Stouffe, Stouffs, Stoufs. Beroepsbijnaam van de badstoofhouder, waar men zich tegen een vergoeding in warmte kon baden.

Stovemans. Beroepsnaam van de stoofmeester, houder van een badstoof. Of stovenmaker.

Stoverock. Beroepsnaam voor de badstoofhouder, naar de rook, de damp van de badstoof. Vergelijk Duits Stubenrauch.

Straalman: Beroepsnaam voor de maker van stralen ‘pijlen’? Duits Strahlmann?

Straasheijm: Duits familienaam Straßheimer, afgeleid van de frequente Beierse plaatsnaam Straßham.

Straate, Straaten, van der; van den Straaten, zie van der Straten.

Straatman, Straatmans, Streaetermans, Stratermans, Straeteman, Straetemans, Straeman, Straetmans, Strateman, Stratemans, Stratmann, Stratman, Stradman, Strassman. 1. Afleiding van Van der Strate(n). 2. Beroepsnaam van de stratenmaker.

Straatsma, Straten, Stratenus, Stratingh, Straatjes; vadersnaam Strato, Friese naam Strate, plaats Stratum (Strate-heim) in Noord-Brabant en zo van Stratum.

Strasberg, Straberg, Strasbergts, Strosberg: 1. Plaatsnaam Strassberg bij Augsburg. 2. Niet uit te sluiten is een verwarring met Strassburg, zoals dat met berg-en burg-namen vaak gebeurt.

Straathof. Adres-, plaatsnaam. Zie Straten, van.

Straaijer, Straijer: Wellicht Duitse familienaam Streier, Streyer, afleiding van Strei, ontronde vorm van de plaatsnaam Streu (Mecklenburg-Vorpommern).

Strabbelaar: Vermoedelijk verhaspeld uit Stobbelaar.

Strack, Stracke, Strackx, Strach, Streck: Bijnaam. Middelnederlands, Middennoordduits strac(k): streng, stijf, strak, koppig.

Stracman, Stracmans. Afleiding van Strack.

Stradiot, Strodiot, Streydiot, Streydio: Oudfrans estradiot: rondtrekkende, lichte ruiter; afleiding van estrade: straatweg.

Strael, Strahl, Straehl, Strale: Middelnederlands strael: pijl, angel, punt van een wapen, werpspies. Beroepsnaam. Vergelijk Pylyser.

Straelen (van), van Straalen, van Stralen, van Traelen, Verstraelen, Verstrael. Familienaam uit de plaatsnaam Staelen (Noordrijn-Westfalen) of uit Stralen (in Turnhout).

Straet, Straete, Straat, Strat. 1. Beroepsnaam van de stratenmaker. 2. Korte vorm van Van der Strate.

Straetburgh. Plaatsnaam Straatsburg, Duits Strafiburg, hoofdplaats van de Elzas.

Stragier, Strady. 1. Stradier. Familienaam uit het Oudfranse estradier: zwerver, straatrover. Bijnaam. 2. Beroepsnaam voor de gerechtsbode die het stragiersgoed (verbeurd goed) verhandelt.

Strainchamps. Plaatsnaam in Hollange (Luxemburg). Of Serinchamps, Waals strintchamp (Namen).

Straks, Strackx. Afleiding van Strack(e). Bijnaam. Middelnederlands, Middennoordduits strac(k)‘streng, stijf, strak, koppig’.

Stralen, van: 1. Plaatsnaam Straelen (Noordrijn-Westfalen). Zwolle. 2. Plaatsnaam Stralen in Turnhout (Provincie Antwerpen).

Stranders. Zeldzame familienaam (2 maal in Antwerpen). Afleiding van stranden: op het strand werpen? Onwaarschijnlijk. Met n-epenthesis van Straders, afleiding van De Trader: de treder, die treedt?

Strang, Strange. Duitse plaatsnaamN, veldnaam: lang smal stuk land. 2. Engelse familienaam Strange: vreemd(eling). Vergelijk Stranger.

Stranger. Afleiding van Oudfrans estraper; betrappen?

Stram: Bijnaam. Stram ‘stijf, stram’; ook Duits Stramm.

Strassburger. Afkomstig van Strassburg, Nederlands Straatsburg, hoofdstad van de Elzas. Zie ook Straetburgh. Of Strafiburg.

Strassel. Plaatsnaam Strazele, Frans-Vlaanderen.

Strasters. Waarschijnlijk, (Luxemburgs) van Strasse r(t-perseveratie).

Strasser, Strässer, Strassner, Strazzer: 1. Duitse naam voor wie aan de straat (an der StraSe) woont. 2. Beroepsnaam van de stratenmaker.

Straten, (van) Straeten, van Straaten: 1. Plaatsnaam Straten : (heer)weg, straat(weg), in Duffel (Provincie Antwerpen), Sint-Andries (West-Vlaanderen), Sint-Truiden (Belgisch-Limburg), Oirschot (Noord-Brabant). 2. Variant van van der Straten. 3. Variant van Van Stratum.

Straten, van de (der), van der Straaten, van de(der) Straate, van der Straaten, Verstraaten, Verstraate, Verstraten, Verstrate, Verstraete, Verstraeten, van Strate van de(der), van der Strate, van de(der) Straete, van der Straete, van der Stracten, Verstraet, Verstraets, Verfstraete, van der Streten, van de Strade, Straet, Straete: Verspreide plaatsnaam ter Strate(n) ‘(heer)weg, straat(weg)’.

Straten, Straeten, Stratingh: 1. Zie (van) Straten. 2. Middenvlaams Stratin. Misschien vadersnaam van Germaanse voornaam Strato.

Sträter Strätner: Nederduitse equivalent van Duits Straßer, Strasser, afleiding van Straße ‘straat’.

Strating: 1. Vadersnaam. Afleiding van de Germaanse voornaam Strato.

Stratum, van Stratem: Plaatsnaam Stratum (Noord-Brabant) of in Krefeld (Noordrijn-Westfalen). Stratem = Stretem in Pepingen (Vlaams-Brabant).

Strauch. Duitse plaatsnaam: struikgewas, kreupelhout. 2. Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk Struik.

Straus, Strauss, Strous, Strosse. 1. Familienaam uit het Duitse Strauss: struisvogel. Bijnaam of huisnaam. 2. Mogelijk vadersnaam uit de oude voornaam Strûsso.

Straussberg. Duitse plaatsnaam Strausberg of Straufiberg, Straussberg.

Straver, Stravers. Beroepsnaam of bijnaam van Nederduits Struver, stravers zijn getuigen bij het meisernierschap. Vergelijk Strauber.

Stréa, Strea, Streat: Plaatsnaam Stréas in Verlaine (Luxemburg).

Streb, Streber, Stréber: Bijnaam voor een ambitieuze, die zich inspant en inzet.

Strecker, Streckert. Afleiding van strecken: strekken. Zoals Engels Stretcher. Beroepsnaam van de (hand)schoenmaker, metselaar, timmerman. 2. Bijnaam van de beul, de folteraar, die ledematen uitstrekt. 3. Of beroepsnaam van de koren- of lakenstrijker, -meter.

Streckfuss. Bijnaam voor iemand die zijn voeten uitstrekt, uitrekt. Vergelijk Hocepied.

Strée, Stree: Plaatsnaam Strée (Luxemburg, Henegouwen) van Latijn (via) strata: straatweg. Zie ook Delestrée.

Streef, Steref, Streff: Bijnaam. Middennoordduits strêf: stijf, strak.

Streefkerk: Plaatsnaam Streefkerk (Zuid-Holland).

Streek, van de (der), van der Streeck, van de(der) Strick,van de, der, Strickt, Wanderstrick, Wandestrick, van der Strieck, Strieckt, van der Strich, van der Stricht, Verstreeken, Verstreken, Verstrecken, Verstricht. 1. Familienaam uit de algemene plaatsnaam, van Germaanse striki; streep, (land)streek; 'streek'. Plaatsnaam in Elene, Velzeke, Scheldewindeke, Meerbeke, Michelbeke (Oost-Vlaanderen). Streek in Vissenaken (Vlaams-Brabant), Strikken in Merksplas (Antwerpen). 2. Familienaam uit Stricht: Maastricht (Nederlands-Limburg).

Streel, Streels, Striels, Strèl, Strél, Strehl, Strehler, Strehle: 1. Middelnederlands streelen, Middenhoogduits straelen, Duits strahlen: kammen, glad maken, van Nederlands. strelen: vleien. 2. Zie ook (van) Streels.

Streeleman, Strieleman, Strijlman: Afleiding van Streel? Of variant van Stylman / Stielemans met str in plaats van st (vergelijk Streveler, de Straerke).

Streels, (van), Streel. Plaatsnaam Streel in Fexhe-le-Haut-Clocher (Luik).

Streep. Middelnederlands strepe: streep, strook, smalle en lange reep, lijn. Bijnaam voor een lange magere.

Streich, Streicher. Duitse beroepsnaam (Middenhoogduits strîcher) van de laken- of korenstrijker. Zie De Strycker.

Streignard, Streignart, Streignaerts, Streignaert, Strengnart, Stregnard, Stregnaerts, Strenaers, Strenaer, Stranard, Stranart, Straunard, Stronard, Stronaert, Strona, Stronaert, Struna. Naam uit het Oudfranse estraigne (uit het Latijnse extraneus: vreemd). Bijnaam voor een vreemdeling, nieuwkomer, immigrant.

Streit, Streitz. Duits Streit, Middenhoogduits strît: strijd, gevecht, twist. Bijnaam.

Streithofer: Afleiding van plaatsnaam Streithof (Baden-Württemberg, Mecklenburg-Vorpommern) of Streithöfe (Noordrijn-Westfalen).

Stremmelaar: Afleiding van Middelnederlands stremelen, striemelen ‘wankelen’?

Stremler. Beroepsnaam of bijnaam van Duitse komaf. Mogelijk afgeleid van het Middelnederlandse stremelen: wankelen. Een bijnaam voor iemand die onvast loopt. Of een beroep ?

Strengholt: Plaatsnaam ‘langgerekt bos’.

Streng, Strengs, Strens, Strinks, Strynckx, Strynck, Strijnckx. 1. Het Middelnederlandse strenc, stringe betekent: touw, koord. Vandaar een beroepsnaam voor de maker of de verkoper. De veldnaam De Strinck voor een lang smal stuk land is daar ook uit afgeleid. 2. Het kan ook een bijnaam zijn van iemand die streng, onverbiddelijk, hard was.

Strépenne, Strepenne: Veelvuldige plaatsnaam Stèpinne, Stépenne in het zuiden van Luik: gerooid bos. Afleiding van Latijn extirpare, van Oudfrans estreper, Oudwaals stèper; uitrukken, rooien.

Streppel: Misschien ontrond uit Duits Ströbel, bijnaam voor iemand met borstelig haar?

Streulens, Struelens, Strullens, Strulens, Strulus, Streeulens, Stroolens. Naam uit het Middelnederlandse streule (urine), streulen (wateren). Het wordt meestal als bijnaam verklaard voor iemand die snel handelt, dit naar het snel stromen van water (in het Waals-Vlaams: streulen, stroelen).

Streutgers: Duits familienaam Strötger. Germaanse voornaam met als tweede lid –ger en als eerste Strodo. Vergelijk Oudengels Strudhgeard.

Streux. 1. Variant van Struyf, zie daar. 2. Variant van Stroo, zie daar.

Stricelle, Striccelle. Verwaalsing van de Duitse familienaam Stritzel. Afleiding van Germaanse bakernaam Strito 'strijd'.

Strien, van: Plaatsnaam Strijen (Zuid-Holland).

Strijbol, Strybol. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam strit-balth; strijd-moedig. 2. Bijnaam voor iemand met "gestruifd", borstelig haar. Zie Struybol

Strijbos, Strijbosch, Strybosch, Strybos, Stribos. Naam uit de plaats Strijbos (in Gemert Noord-Brabant): omstreden, betwist bos.

Strijdonck, (van), van Strydonck, van Strydonckt, van Strijdonckt, van Streydonck, van Streijdonck, van Stryponck, Strijdonk: Plaatsnaam Strijdonk, waarschijnlijk in het Waasland; of in Kapelle-op-den-Bos (Vlaams-Brabant).

Strijmeers, Strijmeersch, Strijmmes, Strymeersch, Strymeers, Strymes, Stremersch, Stremerch, Stremes, Stremez, Stremus. Familienaam uit de plaatsnaam Strijmeers in Vlierzele (Oost-Vlaanderen).

Strijpsteen, Strypsteen, Strypstein, Trypsteen. Familienaam waarschijnlijk uit de plaatsnaam Trippstein (Eisenach Thuringen). De Belgische naamdragers zijn wellicht afstammelingen van Thomas Tripstin, die in 1746 te Sint-Michiels-Brugge huwde met Isabella Francisca Driessens. Hij was afkomstig van Marienthal bij Keulen. Plaatsnaam Trippstein.

Strijthagen, Strythagen, Streithagen: Plaatsnaam: omstreden haag, heg. Strijthagen aan de Brunssumerheide bij Heerlen (Nederlands-Limburg).

Strik, Strickx, Strick, Strijker, Strikker: 1. Beroepsbijnaam, beroepsnaam van de strijker, de beambte belast met het (glad)strijken van het laken (lakenmeter) of van de korenmaat (korenmeter). 2. Bijnaam van een strikker, die strikt, knoopt. Vergelijk Duits stricken ‘breien’.

Strikaert, Strickaert, Strichartz: Afleiding van werkwoord strijken. Beroepsnaam van de strijker.

Strikwerda, Strikwerd: Friese afleiding van de plaatsnaam Strikwerd, (locatie nog onbekend, wellicht in de buurt van Sneek.

Strinckx. 1. Middelnederlands strenc, stringe: touw, koord. Beroepsnaam. Vandaar veldnaam De Strinck en Duits Strang: lang smal stuk land. 2. Bijnaam: streng, onverbiddelijk, hard.

String, van der, Stringhe, van der, Verstringhe, Verstringe, Verstrijnge, Verstrynghe, Verstrynge. Familienaam uit de plaatsnaam String: lange, smalle strook land.

Stringel. Een in Mexico en de USA (onder andere Texas) voorkomende naam die mogelijk afgeleid is uit het Oudgermaanse/Oudengelse string/streng: touw of uit het Latijnse stringere. Hij verwijst naar iets lang smal, slingerend (?), zacht. Dat kan een touw, een rivier zijn. Hij kan dus evengoed verwijzen naar het beroep van een touwslager, naar een woonplaats bij een rivier, naar een zacht karakter.

Strivay, Strivet, Struvay: Plaatsnaam Strivay in Plainevaux (Luik).

Strobbe, Strubbe: Middelnederlands, Vlaamse strubbe, strobbe ‘boomstronk, lage struik, boomstomp’. Bijnaam voor iemand met kleine, zware, gedrongen gestalte.

Strobel, Strebel, Strebelle, Strébelle, Sterbelle, Estrebel, Sturbelle: 1. Middelnederlands strobbel, strubbel, afleiding van strobbe: boomstronk. Zie Strobbe. 2. Bijnaam voor iemand met borstelig, stoppelig haar. Vergelijk Strubel. Waals-Vlaams streuvelhaar. is daar de Henegouwse aanpassing van, met metathesis is Sterbelle/Sturbelle.

Strobos: Wellicht reïnterpretatie van Strijbos. Beroepsbijnaam van de strobinder? Vergelijk Strooband(t). Of plaatsnaam Stroobos in Oude-Pekela (Groningen) en Achtkarspelen (Friesland).

Stroef, Ströeff, Stroëff: Nederlandse spelling voor Nederduitse familienaam Strufe, Struve. Bijnaam voor iemand met borstelig haar. Vergelijk Strubel.

Stroep. Grafîsche aanpassing van Duits Strub.

Strohlein. Middenhoogduits strölin, afleiding van Duits Stroh: weinig, slecht stro. Bijnaam voor een boer.

Strohmaier, Strummeyer, Ströhmeijer: Duits Beroepsnaam Strohmeier ‘beambte die toezicht houdt op het innen van de strotienden’.

Ströhmann. Beroepsnaam van de stroboer, strohandelaar of strosnijder. Vergelijk Stroohauwer.

Ströker, Strooker: Nederduitse variant van Strücker, afleiding van Nederduits Struck (vergelijk Strok), Duits Strauch: struik. Naar de woonplaats.

Stromberg, Strömberg: Plaatsnaam (Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts). Vergelijk Van Stroomberghe.

Strommenger, Strommingers: Duitse beroepsnaam Strohmenger: strohandelaar.

Strompers. Afleiding van Tromper; trompetter, bazuinblazer.

Strömpkes. Afleiding van Middenhoogduits Strump: stomp, stommel. Bijnaam voor een kleine korte.

Stroo, Stroy, Stroij: Bijnaam voor een stroboer, strodekker; strobinder of strosnijder.

Strooband, Stroobandt, Stroobants, Stroobant, Strooybant, Strooybants, Stroybant, Strootbants, Stroeybans, Stroeijbans: Middelnederlands strobant: strooien band. Beroepsnaam van de strobinder.

Stroohauwer. Beroepsnaam van de strosnijder, strohakker. Vergelijk Stroosnijder, Duits Strohâcker.

Stroom, Strom, Sztrum, Strum: Bijnaam. Middelnederlands stroom: hartstocht? Of plaatsnaam? Of Strom van Middenhoogduits strâm: strook land?

Strooband, Stroobandt, Stroobans, Stroobants, Strooband, Stroobant, Strooibants, Strooybant, Stroybant, Strootbants, Stroeybans, Stroijbans. Familienaam uit het Middelnederlandse strobant: strooien band. Beroepsnaam voor de strobinder.

Stroink komt van de mannen voornaam Stro, Strodo, waarvan ook de Friese vadersnaam Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn.

Stroomberghe, van, Stroombergen: Plaatsnaam, Stroomberge(n), bijvoorbeeld in Appelterre

Stroomer, Streumer, Streûmer. Naam uit het Middelhoogduits stromer: landloper. Ook Stromer, vandaar grafïe Streumer.

Stroomeyte, Stroeymeyt, Stroeymeyte: Beroepsnaam: die het stro op mijten stapelt.

Stroop: Van werkwoord stropen: plunderen, (ook) villen. Synoniem met De Strooper.

Strooper, de, de Stroper: Beroepsnaam van een stroper of vilder.

Stroosnijder: Beroepsnaam van de strosnijder. Duits Strohschneider. De familienaam komt in Dordrecht voor vanaf 1562.

Stroot, Stroet, Strootman. Bijnaam voor iemand met een opvallende strottenhoofd.

Strootman: Bijnaam voor iemand met opvallende strot. Of door dialectisch uitspraak van Straatman?

Stroowinder: Beroepsnaam van de strobinder.

Stroykens, Stroeykens, Stroeijkens. Familienaam uit stroo: stro. Beroepsbijnaam van de strosnijder, -binder, -dekker.

Strube, Strub, Strubbe, Struub, Straub Straube, Strauber, Stroubben: Duitse bijnaam voor iemand met borstelig, stoppelig, warrig haar.

Strubarcq, van. Misschien plaatsnaam Strijbeek, Noord-Brabant, of in Meerle, Antwerpen.

Strubel, Strubelt, Strubl, Sztubel, Strobl, Strobel, Strobelt, Strôbele, Strupl: Duitse bijnaam voor iemand met borstelig, stoppelig, verward haar. Vergelijk Struwelpeter.

Strubing, Strubing: Afleiding van Strub(e).

Struik, van der: Plaatsnaam Struik(t)in Assent (Vlaams-Brabant), Struik bij Linne (Nederlands Limburg).

Struikman, Strookman: Afleiding van van der Struik.

Struckmeier, Struckmeyer, Strougmayer: Meier die in het struikgewas, in een bosje woont.

Struijvelt, Struyvelt, Struyveldt, Strowel: Afleiding van Struif. Bijnaam voor iemand met borstelig haar. Vergelijk Waals-Vlaams streuvelkop en (Stijn) Streuvels. Zie ook Strubel/Strobel(t).

Struiwigh: Nederduitse bijnaam Strüvig, Duits Strübich ‘struppig’, dat is ‘borstelig, stoppelig, verward (van het haar)’.

Struyk, Stroecken, Strocken, Struik, Struijk, Struijk, Struycken, Struk, Struck, Strucken, Strok, Stroucken, Strouken, Stroeken, Stroeckz, Stroex: Ook Strouken, eveneens als stroeken uitgesproken. Middelnederlands struuc, Nederduits strûk, struck (uitspraak stroek) ‘struik, boomstronk’. Bijnaam naar de kleine gestalte. Vergelijk dialect; hij is maar een struik hoog. Vergelijk Strobbe. 2. Of uit de plaatsnaam Struik(t) in Assent (Vlaams-Brabant).

Struman, Strumans, Strumane, Strumanne: Beroepsnaam van de stroman: strohandelaar, strosnijder enz. Duits Strohmann

Strumelle, Strimel, Strimelle: Afleiding van Oudfrans estrume, Latijn struma: gezwel, buil, bult.

Struijlaard, Struijlaart, Struijlaert: 1. Afleiding van Middelnederlands streulen, stroylen, struylen ‘wateren, plassen, urineren’. Vergelijk West-Vlaamse stroelen ‘stromen, plassen’.

Struijs, (van der): Middelnederlands struus ‘struisvogel’. Bijnaam. Vergelijk Duits Strauß. De naam van Duitse immigranten Strauß, Strûß werd ook aan de Nederlands klankvorm aangepast. Soms huisnaam: 1655 Christiaen Struys in de Vogelstruys, Amsterdam.

Stuijver, Stuyver, Stuiver, Lestesuiver. 1. In verband met een plaatsnaam dat aan het muntstuk stuiver is ontleend; her en der zijn (tol)huizen, herbergen, bruggen bekend die De Laatste Stuiver worden genoemd. 2. Variant van Stover: de exploitant van een stoof, zoals een badstoof/badhuis of een droogoven voor het bakken van klei.

Strunck, Strunk, Strunc, Stronken, Stronckenn, Stronckers, Stronks. Familienaam uit het Middelnederlandse strunc, stronc: boomstronk. Bijnaam voor iemand met een gedrongen, forse gestalte.

Struppe, Strupl: Middennoordduits struppe: stomp, boomstronk. Vergelijk Strunck. Bijnaam naar de gedrongen gestalte.

Struybol, Strybol, Strijbol: Bijnaam voor iemand met borstelig haar, een kop (bol) met 'gestruifd' haar; vergelijk Duits sich strâuben, Struwwelkopf.

Struyf, Struyfs, Struijf, Struijfs, Struwe, Strüwe, Streuve, Struive, Struiven, Struijven, Struyve, Struyven, Struye, Struije, Strauven, Strauvens, Strauwen, Straven, Strouvens, Strouven, Strouwen. Bijnaam naar borstelig, stoppelig, rechtopstaand haar. Vergelijk Waals-Vlaams streuvelhaar, streuvelkop. Overdrachtelijk ook voor iemand met stroef, hard karakter. Vergelijk Duits Straub, Strub, Nederduits Struve, Struwe. De vorm Struye vertoont v-syncope. De vormen met ou/au zijn Limburgs.

Struylaart, Struylaert, Struijlaart, Struijlaert: Afeiding van Middelnederlands streulen, stroylen, struylen: wateren, plassen, urineren. Werkwoord stroelen nog in deze betekenis in West-Vlaanderen, alsook: ruisend stromen. Vandaar wellicht bijnaam voor een haastig mens. Vergelijk Streulens.

Struys, Struijs, Strius, Strus, Struyts, de Struys, de Struy. Familienaam uit de Middelnederlandse bijnaam struus(se): struisvogel. Iemand met één of andere lichamelijke eigenschap die aan een struisvogel deed denken. Van Duitse immigranten werd ook de Duitse familienaam Strauss, Nederduits Strûss aan de Nederlandse klankvorm aangepast. Vergelijk trouwens Strous, eveneens uit Beuel.

Strycker, de, Stryker, de, de Strijcker, de Strijker, de Streyker, Stryckers, Strykers, Strijckers, Strijkers, Stricker, Streker. Beroepsnaam van de strijker, de ambtenaar die belast was met het (glad)strijken van het laken (de lakenmeter) of van de korenmaat (de korenmeter).

Stryckman, Stryckmans, Strijckman, Strijckmans, Streeckman: Beroepsnaam van de strijker; zie De Stry(c)ker, Strik.

Stryckwant, Strickwant, Strikwante, Strikwant, Stricanne: Beroepsnaam van de lakenstrijker, -meter. Het tweede element is Middelnederlands want, Middenhoogduits (ge)want: laken, wollen stof. Vergelijk Duits Gewandhaus: lakenhal. Duits (Lein)wand : Nederlands (lijn)waad. Vergelijk lakenstryker up dem wanthuse; zie ook De Strycker.

Strymans. Afleiding van Van der Strijden.

Strijbos: Plaatsnaam Strijbos in Gemert (Noord-Brabant) ‘omstreden, betwist bos’.

Strijd: Bijnaam voor een strijdbaar mens, een ruziestoker. Ook Duits Streit.

Strijdonk, Strijdonck, (van): Plaatsnaam Strijdonk, waarschijnlijk; in het Land van Waas (Oost-Vlaanderen).

Stryp, Strypens. Wellicht bijnaam voor iemand met gestreepte kleren.

Strijp, van, Strijp, Strijb: Plaatsnaam Strijp (Noord-Brabant, Zuid-Holland).

Strythem, van, van Strijthem: Plaatsnaam Strijtem (Vlaams-Brabant).

Stuart: Engels Stewart, van Oudengels stigweard ‘huismeester, hofmeester’.

Stubbe, Stubbé, Stobbe. Middelnederlands stubbe, stobbe ‘(boom)stronk’. Bijnaam voor iemand met korte gedrongen gestalte.

Stubbers, de Stobere: Afleiding van Middelnederlands stubben: waggelen. Vergelijk Stobbelaar.

Stüble, Stiebel, Sztybel: Middenhoogduits Stübelin, afleiding van Duits Stube: verwarmde kamer, badstoof, herberg. Beroepsnaam. Vergelijk Stubener.

Stuckmann. Zoals Duits Stückler en Middenhoogduits Stückmeister.

Stückmeister; schoenlapper. Beroepsnaam.

Stufkens, Stuffken: Vadersnaam. Nederduits Stufken, verkleinvorm bij Stuff, van Christophorus.

Stuifmeel. Bijnaam voor een bakker of molenaar die het meel laat stuiven. Vergelijk Stueffmeel, Stuyffsack.

Stuik, Stuck, Stukje: West-Vlaamse stuuk ‘stuik, twaalf tegen elkaar geplaatste graanschoven’, Middennoordduits stûke ‘boomstronk’. Bijnaam naar de korte gedrongen gestalte, West-Vlaamse gestuukt. Vergelijk Strobbe, Strubbe.

Stuip: Misschien Nederlands aanpassing van Duits Staub ‘stof’, bijnaam voor iemand die stof doet opwaaien.

Stuker, Stukers, Steuckers, Steukers. Naam uit het Middenhoogduits en Nederduitse Stucker, van stucke: boomstronk. Beroepsbijnaam voor een houthakker, een bosrooier. Nederduits ook Stilker.

Stukken, van der, van der Stucken: Plaatsnaam Stuk(ken), Steuck, Stok (Vlaams-Brabant, Limburg): boomstronk, boomstomp. Vergelijk Van der Stockt.

Stump, Stumpe, Stümp, Stump, Stumpf, Stumpff, Stumpfl, Stümpel, Stomp, Stompf. Familienaam uit het Middelhoogduitse Stumpf, het Middelnederlandse stomp: (boom)stomp. Bijnaam voor iemand met een gedrongen gestalte.

Stulemeyer, Stulemeijer. Variant van Duits Stollenmeier, van plaatsnaam Stollen.

Stum, Stumm. Duitse bijnaam voor een stomme. Vergelijk Stom.

Stumpel: Verkleinvorm van Middelhoogduits stumpf, Middelnederlands stomp ‘(boom)stomp’. Bijnaam naar de gedrongen gestalte. Vergelijk Strubbe, Strobbe.

Stupart, Stupa, Stupar: Afleiding van Oudfrans estoper, Latijn stuppare: neuken, met een vrouw naar bed gaan. Of van Oudfrans estope: verzinsel, fopperij, leugen.

Sturin: Waarschijnlijk door leesfout voor Sturm.

Sturm, Sturms: 1. Beroepsbijnaam voor de luider van de stormklok. 2. Bijnaam naar het stormachtige of onstuimige karakter. 3. Vadersnaam. Germaanse voornaam Sturm(i): Sturmegin, Sturmo, Sturmhari. Vergelijk de familienaam Storm(e).

Sturmack, Sturnack, Stormacq: Misschien Waalse aanpassing van Nederduits Stôlmaker: stoelenmaker.

Sturris: Leesfout voor Sturms?

Sturkenboom, Sturk. Plaatsnaam.

Sturtewaegen, Sturtewagen, Steurtewagen, Stortewagen: Zinwoord ‘stort, kantel de wagen’. Beroepsnaam.

Stutvoet: Die de voeten stut bij het lopen. Zinwoord.

Sturtz, Stürtz, Stüertz: Plaatsnaam Sturz: steile helling.

Stütz, Stutz, Stutzke, Stucz, Stusz, Stuez, Stitz, Stiz, Stitsels, Sticzel: Duitse bijnaam. Middenhoogduits stutz: slag, stoot. Stitz is ontrond. Stitzel is afleiding.

Stuurman, Stuerman: 1. Beroepsnaam van de stuurman.-2. Sturman door prothesis van de eind-s van de voornaam. De bakermat van deze familie Stuurman ligt in Noordwolde (Friesland). Daar moet stamvader Sije Sipkes omstreeks 1675 geboren zijn. Hij en zijn directe nazaten waren er schipper, wat ertoe leidde dat de familie in 1812 de familienaam Stuurman aannam.

Stuut, Stuyts, Stuijts, Stuijt, Stuten, Steuts: 1. Middelnederlands stute, stuyt ‘schenkelvormig wittebrood, koekenbrood’. Vergelijk Waals-Vlaamse stute ‘boterham’. Beroepsbijnaam van de bakker. Vergelijk familienaam Studebaker ‘stu(i)tenbakker’. 2. Volgens Groningse genealogieën zou Stuut de samengetrokken vorm zijn van substituut.

Stuyaert, Steyaert, Steyart, Steijaert, Stoyaert. Naam uit het Oudfranse estoier (opsluiten) of uit het Middelnederlandse stooien (voortduwen, voorttrekkken). Wellicht beroepsbijnaam.

Stuve, Stuvel Stüwe: Verkleinvorm van Stuve, vooral Hamburgse familienaam. Middennoordduits Stûve ‘stomp, stronk’. Bijnaam naar de kleine gestalte.

Stuij: 1490 Claes Steuij, Bleskensgraaf; 1579 Gerrit Kornelis Stuyen. Steyen, Streefkerk.

Stuyaert, Steyart, Steyaert, Steijaert, Stuijvaert: Variant (met respectievelijk palatalisering en ontronding, vergelijk Woyt/Wuyts/Weyts) van Stoyaert. Afleiding van Oudfrans estoier: opsluiten; of van Middenenderlands stooien: voortduwen, voorttrekken?

Stuijvenberg, van, van Stuyvenberg, (van) Stuivenberg: Plaatsnaam Stuivenberg (heuvel met zand) in Laken (Brussel).

Stuyck, Stuyckens, Stuijck, Stuijk, Stukken, Stuckens, Stukkens, Stukens, Stuyk, Stuyckens, Steukens, Steuckkens, Steuckens, Stuckens. Waals-Vlaams stuuk: stuik, twaalf tegen elkaar geplaatste graanschoven; Middennoordduits stûke: boomstronk. Bijnaam naar de korte, gedrongen gestalte. Vergelijk Waals-Vlaams gestuukt. Vergelijk Stump, Strobbe, Stubbe.

Stuyckmans. Afleiding van Stuyck. Bijnaam voor iemand met 'gestuikte' of gedrongen gestalte. Nederduits Stuckmann, afleiding van Stucke: boomstomp.

Stuyf, van der, Stuyft, van der, van der Stuijf, van der Stuijft, van der Struyft, Verstuyft, Verstuyf, Verstuyff, Verstuijft, Verstuijf, Verstuft, Verstruyft, Verstuyven. Familienaam uit de plaatsnaam Stuive, Struift: zandverstuiving. Vergelijk Stuyvesant.

Stuyn, van, Stuyns. Naam uit de plaatsnaam Stuinberg en Stuinbos in Elewijt (Vlaams-Brabant).

Stuyvaert. Bijnaam: die veel stof maakt, stof doet opwaaien. Vergelijk De Stuyver.

Stuyven. Hypercorrect geronde variant van Steyven. 2. Nederduits Stuven. Zie Stuve.

Stuyver, de, Stuvers, Stuiver, Stuivers, Stuyvers, Stuyver: 1. Bijnaam voor iemand die 'stuift', die stof maakt, veel stof doet opwaaien. 2. Brabants Limburgs voor de Stover.

Stuyvesant, Stuyfzand: 1. Bijnaam voor iemand die het zand doet opwaaien, misschien voor een zandstrooier op vloer of een ruiter? Vergelijk zandstuiver: infanterist (in België). Vergelijk Stuifmeel. 2. Plaatsnaam: zandstuiving. Stuifzand (Drenthe), Stuivezand (Noord-Brabant), Stuvesant (Zeeland).

Styfhals, Stijfhals. Bijnaam voor iemand met een stijve hals, letterlijk of een hardnekkig iemand.

Styfs. Bijnaam voor een stijve, strakke. Vergelijk Steif. Of van Steffes?

Styl, Stylen, Stijlen, Style, Stijl, Steille, Stiels, Stiel: 1. Middelnederlands stijl ‘stijl, paal; wijze van schrijven, bedrijf, ambacht, stiel’. 2. Moedersnaam Steile; zie Steylen.

Stijn, Steijn, Steijns, Stins, Steijnen: 1. Moedersnaam, Korte vorm van de heiligennaam Christina, Christijne. 2. Vadersnaam. Vooral Stijn, Steijn(s) kan een korte vorm zijn van Augustijn(s).

Stijnis, Stinissen: Vadersnaam. Zoon van Stinus, heiligennaam Augustinus.

Styntjes. Afleiding van Styn? Of variant van Steentjes?

Stypers. Middelnederlands stiper: schoor, stut. Beroepsnaam.

Suard, Suars. Vadersnaam. Germaanse voornaam sudh-hard: Suthardus, Su(h)ardus.

Süber, Suber, Super. Afkomstig uit het Nederduitse süber, Duits sauber: zuiver. Een bijnaam dus.

Suchtelen, van. Plaatsnaam Suchteln in Viersen (Noordrijn-Westfalen).

Sudeijn, Sudijn: variant van Soudijn, Sedeijn, Cedeyn. Oudfrans sodain, Frans soudain ‘plotseling’. Bijnaam voor wie vlug en plotseling handelt.

Sudmöller: Duits Südmüller ‘molenaar van een zuidelijke molen’.

Suède, Suéde: Herkomst van Zweden, Frans Suède; of aanpassing van Duits Schwede: Zweed.

Suelze. Plaatsnaam. Middenhoogduits sulze, siilze: zoutwater, zoutbron.

Suenaert, Suénart, Sunnaert, Sunaert: Vadersnaam. Brabantse vorm van Germaanse voornaam sôn-hard 'zoen-sterk': Sonardus. Vergelijk Soenen.

Suet, Suët, Suet, Sué, Sue, Sués, Sues, Sues: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse sudh-naam, zoals Suard?

Suiker, Suikers, Suykers, Suckers, Suekers: 1. Beroepsnaam van de suikerbakker, suikerhandelaar. Vergelijk Suykerbuy(c)k. 2. Afleiding van Middelnederlands suken: zuigen? Vergelijk Duits Säugling, Saugenfïnger. 3. Afleiding van Middelnederlands sucken: krachtig trekken. Vergelijk Duits Zuck(er). Vergelijk Zuckesack, Zuckmantel, Zuckriegel, Zuckschwert.

Sius. Afleiding van Sul, aanpassing van Duitse familienaam, wellicht Suhl. Plaatsnaam Suhle: plas, modderpoel.

Sul: 1. Aaanpassing van Duits familienaam Zull, Zule, Oost-Duitse en Slavische voornaam Czule, Czuli, van Czulislaw. 2. Misschien aanpassing van Duits familienaam Suhl, van plaatsnaam Suhle ‘plas, modderpoel’.

Suliman, Sulman, Suleman, Suleyman, Sulejmani, Sulejman, Sulejmanovski, Solimann, Soliman, Sollima: Vadersnaam Suliman, Arabisch voor Salomon.

Sulkers: Dialectisch sulker, door omkering van volgorde van klanken uit zurkel?

Sullivan. Ierse familienaam O'Sullivan, afstammeling van Suileabhan 'zwartogig'.

Sulsters: Door omkering van volgorde van klanken ts/st uit Duits familienaam Sulzer. Beroepsnaam van de ‘slager die zult maakt’.

Sultan, Sulten, Soltan, Soultan: Bijnaam: sultan. Vergelijk Soudan(t).

Sulzbacher. Verspreide Duitse plaatsnaam Sulzbach.

Sülzle: Duits verkleinvorm van Sülze ‘zult’. Beroepsbijnaam.

Sumois. Plaatsnaam Soumoy, Namen.

Sundermann, Sunderman. Afleiding van frequente Westfaalse plaatsnaam Sundern. Ook Sondermann. 2. Variant van Sudermann: zuiderman; vergelijk Duitse Westermann.

Sunier. Spellingvariant van Seunier.

Sunke. Nederduits, zoals Sunkens, Sônke, afleiding van zoon. Vergelijk Soontjens. Sunnaert, zie Suenaert.

Sunt. Middenhoogduits sunt: gezond. Nederduitse familienaam ook Sund, Sundmaker. 2. Plaatsnaam, vooral Stralsund.

Suntemaartensdijk, van. Plaatsnaam Sint-Maartensdijk, Zeeland.

Supply, Suply, Supplij, Supplie, Supli, Supplis, Suplis, Suplit, Surplie, Supilie, Supeley, Souply, Souplit, Sepeli, Sepelie, Sipli, Siply, Cieply, Ciply. Vadersnaam, Romaanse vorm van de Latijnse heiligennaam, Sulpitius.

Supré, Supre, Sypré. Variant van de Franse familienaam Saupré, dit uit sauprès. Dit betekent gezouten. Bijnaam of beroepsbijnaam.

Surantyn, Sureting: Wellicht van Italiaans Sorrentino, Sorrentini, afleiding van plaatsnaam Sorrènto, Surriénto.

Surdiaucourt, Surdiacourt, Sourdiacourt, Sourdiaucourt: Plaatsnaam in Elzele (Henegouwen).

Surdyck, Surdyk. 1. Plaatsnaam Zuurdijk, Groningen. 2. Poolse familienaam, ook Surdyka.

Sureau, (de) Suray, Suraij, Surahy: 1. Afleiding van Oudfrans sur(re) van Latijn sutor: naaier, schoenmaker. Vergelijk Lesur(e) = Leseur(re). 2. Afleiding van Oudfrans sur, Waals seur, Frans sûr: zuur. Bijnaam.

Surelle. Oudfrans surele; zuring.

Surgeon. Engelse beroepsnaam van Oudfrans surgien; chirurgijn, arts.

Surges, Surgès: Beroepsnaam. Oudfrans surge: chirurgijn, arts.

Surin, Surain. Surain: Variant van Suerin (Séverin) of van Sorin.

Suringa, Vlaams Surinx, ook in Sühring in Bremen, in het Gelderse Surink; in ’t afgesleten, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is oorspronkelijk ook Suerincks); en hoogst waarschijnlijk ook in het nog meer versletene Sury en Surie. In de samengestelde geslachtsnaam Suringbroek komt dit almede voor. En Süren en Suersen, namen van buitenlandse, Westfalen en noord Friese oorsprong van de persoonsnaam Suur, Sure. Deze naam is slechts een samentrekking van de volle vorm Suder, Sudhari, een oud-Germaanse mannennaam, die blijkens de hedendaagse Friese geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friezen gedragen werd. De stamvorm van de persoonsnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo, die de oorsprong gaf aan de Friese geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheems), Zuidinga (in Drenthe), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema.

Suritz. Variant van Surixs?

Surkol. Nederduitse familienaam Sürkol: zuurkool (Oudhoogduits Sauerkraut). Bijnaam. 2. Naam van de vondeling Franciscus Surkol, 18 maart 1842 Antwerpen. Hij trouwde als Surtol.

Surleau, Suleau, Soleau, Solau: Surleau: sur l'eau, op het water. Vergelijk Opdebeek.

Surlereaux, Surleraux, Sirleraut, Sirlereaux, Sirlereau: Plaatsnaam Sur le Rô: op de Rode, onder meer in Evrehailles en Spontin (Namen).

Surngedouw. Bijnaam die wellicht afgeleid is van 'sure' = zuur, onaangenaam en van 'dau(w)' = dauw, speeksel, mondvocht. Iemand met een slechte adem mogelijk. Of een onaangename uitstraling.

Surpierre. Woonplaats bij op een steen of rots. Plaatsnaam, Zwitserland.

Suru, Surus: Waals suru: muis. Vergelijk Souris.

Surveillant. Bijnaam voor een waakzaam mens.

Sury. 1. Plaatsnaam (Ard. Loiret, Cher, Loire). 2. Variant van Sory. Sie Souris.

Surzyn. Slavische familienaam, ook Surzynski.

Susanne, Susan, Susana, Sousane, Saoussana, Soussan, Suzanne, Suzan: Moedersnaam. Bijbelse voornaam en heiligennaam Susanna.

Süsselbeck; Verspreide Duitse plaatsnaam Süssenbach.

Susante, van: Plaatsnaam Zuidzande (Oostburg, Zeeland).

Sutherland: Duitse plaatsnaam Suderland ‘Zuiderland’.

Süskind, Süsskind, Suskind, Zozkind, Zyskind: Bijnaam zoet, lief kind. Vaak Joodse naam.

Sussenaire. Sussenaar, inwoner van (Zichen-)Zussen(-Bolder) (Limburg). Of uit Duits Süssner, van plaatsnaam Sufien (Duitsland) of Sùssen (Beieren)?

Sussens. Variant van Seyssens, Sijssens. Vergelijk Brabants Sus, Suske, van Siske, Sis, Franciscus.

Süssmann, Sussmann, Zysman: Bijnaam voor een zoete.

Sutin: Misschien met voortonige klinkerwijziging uit Frans sotin, afleiding van sot ‘zot, gek’.

Suurland, Suurlant: Plaatsnaam Zuurland in Oostvoorne (Zuid-Holland).

Suurmeijer: Duits Suhrmeier, Sauermeier ‘meier met een zuur karakter’ of Surmeier, van Sudermeier ‘zuidelijke meier’.

Suvaal: Variant van Cevaal, van Frans Cheval ‘paard’. Bijnaam naar de huisnaam of beroepsbijnaam van de paardenkoopman.

Suvée, Suvee. 1. Naam uit het Franse chavée: holle weg. 2. Of uit het Oudfranse cave, chave: hol, inzinking in het terrein. 3. Of afleiding uit het Latijnse calvus: kaal.

Suweijn, Suwijn: Suwijn is een aanpassing van de Frans familienaam Chuin. Cho(u)in ‘wit brood’. Beroepsbijnaam.

Suy, Sui, Suys, Suij, Suijs, Suijsse, Suysen, Seij, Sueys, Suywe. Vadersnaam, variant van Soy, een verkorte vorm van Sohier/Soyer. Dit is dan weer een Romaanse vorm van Zeger (sigi-haria).

Suijdam, van: Van Zuijdam. Plaatsnaam Zuiddam.

Suykerbuyck, Suyckerbyk, Suckerenbuyck, Suyckerbuyck, Suijkerbuijk, Sijkerbuyk, Zuykerbuyk, Zuijkerbuijk: Volksetymologische herinterpretatie als suikerbuik ‘zoetekauw’ van Duits Zuckerböck, geronde vorm van Zuckerbeck‘ suikerbakker’.

Suypeene Van, Vansuypeene, Van Suypeene, Supeene, Souspéne, Sospéne. Familienaam uit de plaatsnaam Zuidpene/Zuytpeene (Frans-Vlaanderen).

Suys. 1. Zie Suy. 2. Zie Huis.

Swaalf: Swalf is een dialectische –met name Limburgse –vorm van zwaluw. Biijnaam. Maar misschien is de naam vervormd –met l- invoeging –uit Swaaf, volksnaam van de Zwaaf, Duits Schwabe.

Swaene, de, de Zwaan, de Zwaene, Swane, Swan, Swaans, Swaan, Swaens, Swaen, Zwaans, Zwaan, Swaanen, Swaenen: 1. Bijnaam naar de lange hals van de zwaan. 2. Huisnaam. 3. Moedersnaam. Germaanse meisjesnaam Swane 'zwaan': Svana. De voornaam Zwane, Zwaenkin komt in Kortrijk, 1350-1400 negenmaal voor. 4. Een enkele keer vondelingnaam: Op 6 maart 1648 werd Bernaert Zwaens in het Zwaanstraatje in Antwerpen gevonden.

Swaerts. Afleiding van De Waert; zie De Weerd(t). 2. Afleiding van De Zwart of eventueel aanapassing van Duitse Schwarz.

Swagers, Swaegers, Swaager: Verwantschapsnaam zwager: schoonzoon, schoonvader, aanverwante.

Swagten. Variant van Swarten?

Swain, Swayne. Engelse beroepsnaam van Oudnoors sveinn: timmerman; jongen, knecht, dienaar; (later) varkenshoeder, boer.

Swalme, van de(der): Plaatsnaam Munkzwalm of Nederzwalm (Oost-Vlaanderen), allebei bespoeld door de Zwalm. Ook riviernaam in Nederlands-Limburg en Gelderland.

Swaluw, van de: Plaatsnaam Zwaluwe (Noord-Brabant). Of herinterpretatie van van der Swalme. Zwaluw wordt in sommige dialecten zwalm.

Swaluw, Swalf, Swalue, Swaluë, Swalué, Swalus, Swaleus, Swalus. Familienaam uit het Middelnederlandse swaluwe, swaluë: zwaluw. Bijnaam naar één of andere eigenschap (een rondtrekker).

Swamstrom. Zweedse familienaam Svanstrôm.

Swanborn: Plaatsnaam Swanbourne in Buckinghamshire.

Swanckaert, Swankaert, Zwankaert, Zwanckaert: 1. Afleiding van Middenenderlandse bijvoeglijk naamwoord swanc: buigzaam, lenig, slank. Bijnaam. 2. Afleiding van Middelnederlandse werkwoord swanken: wankelen, waggelen. Vergelijk Duits schwanken. Zie ook Zankaert.

Swan, Swann. Kan Engelse familienaam Swan(n) zijn, maar ook aanpassing van Duitse Schwan(n) of verkort van Swaan.

Swannet, Swanet, Suanet: Uit Italiaans Svanetti, afleiding van Giovanni, Johannes.

Swaneveld: Plaatsnaam Zwanenveld.

Swartebroeckx, Swarteboreocks, Swartebroekx, Swartebroek, Swartenbrouck, Swartenbrouckx, Swartenbroux, Swartenbroeks, van Swartenbroeckx, van Swartenbroekx, Swartenbroeks, Swartenbrouck, Swartebrookx, Swartebroukx, Swaertebroeckx, Zwartebroeckx, Zwartebroeck, Zwartenbroeckx, Swartembrouck: Plaatsnaam Zwartebroek: zwart moeras. 1. Plaatsnaam in Oombergen en Hundelgem (Oost-Vlaanderen). 2. Plaatsnaam in Herk-de-Stad en St.-Truitsen, Limburg.

Swartelé, Swartile, Swartele, Swartelee, Swartilé, Zwartelé, Zwartelee, Zwarteli, Sweertelé: Herinterpretatie ‘zwart’ met r-invoeging van Wathelet, verkleinvorm van Watier, Picardisch vorm van de voornaam Wouter. Zwartelee, van Wartelee, van Wattelee, Wathelet.

Swaters: Misschien Brabants dialectisch (vergelijk zwat, zwet ‘zwart’) vorm voor Zwarters. Middelnederlands swarter ‘zwartverver’. Beroepsnaam.

Sweden, van. Herkomstig van Zweden.

Sweelssen. Wellicht variant van Swinson.

Sweere. Verwantschapsnaam. Middelnederlands swere: schoonvader, schoonzoon. Vergelijk Beaupère, Beaufils. 2. Zie Swier(s).

Sweerman. Afleiding van Sweere.

Sweers, Swers. Afleiding van De Wezer; zie de Weder. 2. Variant van Sweerts. 3. Afleiding van Sweer; zie Sweere.

Sweetlove. Engelse bijnaam sweet love: zoete liefde.

Swegers. Afleiding van De Weger. 2. Middelnederlands sweger: schoonmoeder; zie Zwegers. 3. Variant van Swiggers.

Swegerynen, Swégerynen, Swégérynen: Middenenderlands swegerinne: schoonzuster. Verwantschapsnaam.

Sweldens. Afleiding van De Welde/De Wilde. Dit uit het Middelnederlandse wilt, welt, weelt: wild, woest, wreed.

Swelgh de, De Swelle: Bijnaam voor een zwelger, slokker, brasser.

Swertgoor. Naam uit zwart + goor.

Swerdt, (de) Swert, (de) Swart, Swarts, Zwart. Bijnaam naar donkere huid of haar.

Swertensteen, Swertensteens. Plaatsnaam; zwarte steen.

Swerus, Zweeris. Vadersnaam. Voornaam Swerus, korte vorm van de Bijbelse voornaam Ahasverus. Maar wellicht oorspronkelijk de Germaanse voornaam swinth-hari: Sweder. Zie ook Zwier(s).

Swets, Swetz: 1. Brabants dialectisch vorm van Swerts, afleiding van zwet ‘zwart’. 2. Of de Friese voornaam Swetse?

Swevelt, van, Sweveldt, van, van Sweevelt, van Sweeveldt: Plaatsnaam in Tessenderlo (Limburg).

Swevels. Afleiding van het Middelnederlandse wevel: boomworm, horzel, paardenvlieg. Bijnaam.

Swick, Swieck, Sweeck. 1. Vadersnaam, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Swidger. 2. Bijnaam uit swike, swick: bezwijken, tekort komen.

Swiers, Swier, Swierz, Zwiers, Sweere, Sweers, Schweer, Schwer, Schwier: Vadersnaam. Germaanse voornaam Sweder, Sweer, Swier, Zwier, swi(n)th-hari 'sterk-leger'.

Swift. Engelse bijnaam swift; vlug, rap, gezwind.

Swigchem, van: Misschien verhaspeling van van Sichem. Plaatsnaam Zichem (Vlaams-Brabant).

Swiggers, Swijgers, Sweegers, Swgers, Swegers, Zweegers, Zwegers, de Zwijger. 1. Vadersnaam uit de Germaanse voornaam Swidger, zie Schweiger. Achteraf opgevat als bijnaam voor een zwijger. 2. Uitzonderlijk kan er hier en daar ook een vadersnaam zijn uit de Germaanse voornaam wig-hari: strijd-leger. Zie Wiggers.

Swille, Swillen, Swillens, Swellen, Schwillens. 1. Vadersnaam (afleiding) uit Wille(n), Wellen, van Willem. 2. Of variant van Swildens. Zie bij Wilde De.

Swinderen, van. Plaatsnaam Zwinderen, Drenthe.

Swingedouw, Swynghedauw, Swinghedau, Swingedau, Swingedauw, Swingedeauw, Swyndedouw, Swyndedou, Swindedaw, Swijngedouw, Swijngedou, Swijngedau, Swijngedauw. Swyngendauw, Swyndauw. Zinwoord uit werkwoord swingen (slingeren, zwaaien) + dau(w) (dauw, speeksel). Bijnaam voor iemand die tijdens het spreken speekseldruppels verspreidt.

Swinners. 1. Middelnederlands swiner; zwijnenhoeder. Beroepsnaam. 2. Afleiding van Middelnederlands winner=winne, landbouwer.

Swint: Bijnaam. Middelnederlands swinde, Middelhoogduits swinde, swint ‘krachtig, heftig, onstuimig’. Ook Duits Schwind.

Switink: Vadersnaam. Afleiding van Germaanse voornaam Swi(n)th ‘sterk’: Swidunc, Swidhinc.

Switser, Switsers, Swisser, Switters. Familienaam uit de volksnaam van een Zwitser. Duits Schweizer.

Switters. Vadersnaam. Germaanse voornaam swinth-hari. Zie Swiers; vergelijk Duits Schwitter. 2. Afleiding van Witters. 3. Zie Switser(s).

Switzynck, Switzijnck, Switijnk: Vadersnaam. Afleiding van Friese voornaam Swetse of van Sweder, Switer, Swittert (zie Swiers). Vergelijk Duits Schwitter.

Swynberghen, Swimberge, Swimberghe, Swinberghe, Swamberghe, Swijnenburg: Plaatsnaam Zwijnenberg in St.-Kwintens-Lennik (Vlaams-Brabant); Zwijnsbergen (Noord-Brabant).

Swyncop, Sweyncop: Bijnaam: zwijnskop, naar de fysieke gelijkenis of het uithangbord. Vergelijk Duits Schweinshaupt, Schweinskopf.

Swynga, uit Swyninga, van de vadersnaam Swyn, Swine, van oud Germaans Swind, Suint; vlug, vergelijk gezwind.

Sijbrants, Sijbrandy: Vadersnaam. Germaanse voornaam sigi-brand ‘zege-zwaard’: Sigibrandus.

Sijfesteijn, Sijpesteijn: Vervorming van Duitse plaatsnaam en familienaam Schieferstein, Middelnederlands scheversteen ‘steengruis, kiezelsteen; leisteen’.

Sijlaar: Plaatsnaam? Er is een Sillaarshoek in Maasdam en Strijen (Zuid-Holland). Maar Sillaar kan een persoonsnaam zijn.

Syen, Sijen, Sijens, Seye, Seyen, Seijen, t'Syen, T'Sijen, t'Seijen, t'Seyen, 't Syen, 't Sijen, 't Seyen, 't Seyen, Zeyen, Zeijen. Moedersnaam uit de voornaam Sien, een verkorte vorm van Lucie. In het Duits (keulen) Zeyen=Luzeien Sohn.

Syla, Sylah, Shyla, Shylah. 1. Indische Hindinaam met als betekenis: dochter van de berg. 2. Syla kan ook van Ierse oorsprong zijn: heimwee, oud.

Symynck, Sijmijnck, Symmangk: Vadersnaam. Afleiding van heiligennaam Simon. Vergelijk Siemens? Of van een Germaanse voornaam zoals Sigmund; zie Seminckx.

Sijnesael, Sijnezaal, Sijnnesaal, Seijnesael: Varianten: Sen(n)esael, Senesal, Sinnesael, van Frans Sénéchal. Oudfrans sénéchal, senechal, van Germaans siniskalk ‘oudste dienaar’, Middelnederlands seneschael ‘voornaamste hofambtenaar, intendant, prefect, (later) militair bevelhebber’.

Synja, Sinia, Syna, Sienema, Sienes, Synen, Zijnen, van de Friese persoonsnaam Sine, Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En waarschijnlik is dit ook het geval met de naam van het dorp Synghem (Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.

Synquintyn. Frequente plaatsnaam Saint-Quentin (onder meer Aisne, Seine-Mar., Oise, Somme, Marne), ook in Ciney (Namen) en Ploegsteert (Henegouwen).

Sijpkens: Vadersnaam. Verkleinvorm van de vornaam Sijbe, Sibbe. Zie Sieben.

Sytche, Syts. Variant van Six?

Sijs, Sies, Siesse, Siese: Vadersnaam. Germaanse voornaam Sigizo, verkleinvorm van sigi-naam.

Szabo. Hongaarse beroepsnaam; kleermaker.

Szafman. Spelling voor Schafmann. Zie Schaapman.

Szor: Poolse spelling van de Duits familienaam Schauer ‘schouwer, inspecteur’.

Szczech, Szczek: Volksnaam van de Tsjech.

Szczepan, Szczepaniak, Szczepanik, Szczepanski; Vadersnaam. Poolse vormen en afleingen van de voornaam Stepan, Stefanus.

Szewczyk, Szewczykowski. Poolse beroepsnaam; schoenmaker.

Szleper. Duits Schlepper, arbeider (vooral in een mijn).

Szommer. Variant van Duits Sommer. Zie De Somere 1.

Sztrykler. Variant van Duits Strüchler: struikelaar.

Szwarcbart, Szwarcburt. Variant van Duitse Schwarzbart; zwartbaard.

Szwarcenstajn. Duitse familienaam Schwarzenstein. Verspreide plaatsnaam: zwarte steen, rots.

Szwarcfeld. Duitse plaatsnaam Schwarzfeld; zwart veld.

Szwed: Pools voor Schwede ‘Zweed’.

Szymans, Szymanski, Szymanska, Szymanowski, Szymanczak, Szymanzak: Poolse afleiding van de voornaamSzyman, Simon.

Szyper. Spelling voor Nederduits Schipper.