Verklaring van achternamen

Het is vrij eenvoudig. Er zijn maar enkele mogelijkheden.

1. Afkomstig van een plaats, plaatsnaam, dan meestal met ‘van’.

2. Naam naar het beroep.

3. Of bijnaam naar het beroep of een eigenschap.

4. Naar een heiligennaam of Germaanse voornaam, moeders-, vadersnaam.

 

 

In 1811 moeten de bewoners verplicht een achternaam aannemen. Bijvoorbeeld; Durk Jans, geboren in 1738 in Beets, trouwt in 1763 met Grietje Haijes. Ze wonen op de boerderij Bethelehem in Beetsterzwaag. Op 16 december 1811 nemen ze officieel de achternaam Bethlehem aan.     

Al eerder waren er achternamen. Als er twee mannen waren die beide Hendrik heetten werden die genoemd om ze te onderscheiden naar de vader als Hendrik Willemszoon en de ander Hendrik Frederikszoon.'Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In het dagelijkse leven, door de vele gebruiken, sleet dit woord zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen, Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den tweede naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan. Een andere, onder de Germaanse volken nog oudere vorm om van mans vóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders, toenamen voor de kinderen af te leiden, bestond hierin dat men den lettergreep ing achter den oorspronkelijke mansnaam plaatste. Hugo, de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette, noemde zich Bartel Hugink. Zo komt van den mansnaam Bruno de toenaam Bruning; van Nolt, een afgesleten vorm van de volle naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz. Dit ing betekent dan: zoon of nakomeling van de persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert Benning. In Friese streken ook als inga als Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge en Poppink.

Maar bij sommige Nederlandse stammen, vooral bij de Saksen in Twente en in de graafschap Zutphen (evenals in de aangrenzende gouwen van Westfalen) wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zo geschreven. Vandaar de hedendaagse geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men dit ink als'ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck; van daar de West Vlaamse patroniem Gellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwijkende vormen waarin we het oorspronkelijke ing in hedendaagse geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh, inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, als ig en ik voor.

Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik noemde zich Hendrik Albertszoon, zijn dochter Brechta werd Brechtje Albertsdochter genoemd. Albertszoon werd al gauw tot Albertsen versleten of Alberts.