Pocketboeken

 

Nederland kende een pockethausse. Er bestonden tussen 1951 en 1965 meer dan honderd pocketseries, waaruit in topjaren 15 miljoen exemplaren werden verkocht. Op het hoogtepunt van de hausse, in 1965, verschenen er vijf nieuwe pocketboeken per dag in een oplage van doorgaans 10.000 stuks. 'Zondag en maandag en doordeweeks, iedere dag een reeks. Telkens weer een deeltje. Eén zo'n triviale reeks was de Real-reeks van Uitgeversmaatschappij de Combinatie (UMC). Er zaten detectives in, veelal slordig vertaald uit het Engels, en van een sappig omslag voorzien dat niet zelden gerecycled werd over enkele volgende uitgaven. Tot 1968 verschenen er zo'n driehonderd delen in de Real-reeks.

 

De pocketrevolutie, want zo mag je het wel noemen, begon in 1951, toen Het Spectrum met een herdruk van Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans de Prisma-reeks opende.

 

Prisma's ('het laagst geprijsd, het hoogst geprezen') werden al spoedig een begrip op de Nederlandse boekenmarkt, zozeer zelfs dat een 'prisma' synoniem werd van een 'pocketboek'. In 1953 waren al ruim 600.000 delen uit de gestaag uitdijende serie verkocht.

 

Prisma bestaat nog steeds, maar toch is deze reeks niet de oudste in het huidige aanbod. Al voor de Tweede Wereldoorlog werden pocketseries uitgegeven, naast de ABC-romans ('de tijd vergeet je, met een ABC-tje') startte toen de Salamanderreeks die nog altijd loopt. Uitgeverij Em. Querido lanceerde de Salamanders in 1934, met een roman van Johan de Meester in pocketuitvoering. Pas in 1958 werd de Salamanderreeks een echte pocketreeks.

 

Dierennamen waren in trek bij serie-uitgevers.  De Zwarte Beertjes deden in 1955 hun intrede. Mede dankzij de kernachtige omslagillustraties van Dick Bruna, wisten de Zwarte Beertjes zich een onwrikbare plaats in het detectivegenre te veroveren, zodat we bijna geneigd zijn te vergeten dat ook Bert Schierbeeks Het boek ik en zes delen Shakespeare als Zwart Beertje zijn heruitgegeven.

 

Uitgeverij Bert Bakker komt de eer toe als eerste, en op grote schaal, met poëzie in pocketvorm te hebben geëxperimenteerd. Dat gebeurde in de Ooievaarreeks. Deel 1 was weliswaar een onvervalste politieroman van H. Voordewind, De commissaris vertelt, maar kort daarop verscheen de vaak herdrukte poëzie-bloemlezing Nieuwe griffels schone leien (1954) van Paul Rodenko, waarin ook de prille Vijftigers vertegenwoordigd waren.

 

Aantrekkelijk voor liefhebbers van de nieuwste literatuur waren daarnaast de Literaire Pockets van De Bezige Bij. Deze serie, begonnen in 1957, telde veel eerste uitgaven van werk van jonge schrijvers als Harry Mulisch, Lucebert en Hugo Claus. De deeltjes hadden ook opmerkelijke omslagen, van de hand van huis typograaf Karel Beunis. Hij werkte in een omgekeerde volgorde. Eerst maakte hij een reeks omslagen, daarna pas zocht hij er de titels bij. 'Kots- en braakvlekken' noemde Jan Cremer het resultaat, en daarom nam hij de vormgeving van zijn eigen uitgaven zelf ter hand.

 

Pockets deden het goed bij de jeugd, zo bleek uit onderzoek en enquêtes. Het pocketboek was opwindend actueel en onderscheidde zich van het overige aanbod als de spijkerbroek van het driedelig grijs. De weg was vrijgemaakt voor kunst en wetenschap in pocketvorm. Aulapockets, Minervapockets, Phoenix-pockets, Sesamboeken en Kwadraatpockets verruimden het assortiment.

 

Pocketboeken begonnen steeds meer op echte boeken te lijken, ze vielen zelfs in de prijzen bij de jaarlijkse uitverkiezing van de 'best verzorgde boeken'.

 

Toch was nog niet iedereen ervan overtuigd dat een pocket een echt boek was. De Haagse firma Bind Zelf kwam op de markt met doe-het-zelf-pakketjes waarmee de consument van zijn pockets fraai gebonden boeken kon maken, inclusief een rug stempel in goudfolie. En een kioskhouder uit Amsterdam tartte in 1957 de winkelsluitingswet door in de avonduren pockets te verkopen, omdat het volgens hem tijdschriften waren en die vielen buiten de wet. Ze verschenen immers genummerd, en met een zekere regelmaat, onder één en dezelfde hoofdtitel. Er moest een rechter aan te pas komen, die de verlossende woorden sprak: 'Als ik mijn kinderen voor hun verjaardag een pocketboek geef, dan geef ik ze beslist geen tijdschrift cadeau', waarmee de kioskhouder in het ongelijk gesteld werd. 

 

Ondertussen werd naarstig gezocht naar een Nederlands woord voor het pocketbook'. Maar de benamingen slapbandboekjes, zakboekjes, smaldelen of kleinboeken hebben het niet gehaald. Boekverkopers noemden ze 'pokkenboeken', want zij verdienden er te weinig aan. Besmettingsgevaar was in elk geval groot, want omstreeks 1965 was er geen uitgever te vinden die het niet geprobeerd had met een pocketreeks. De markt raakte verzadigd en de meeste uitgevers hielden het wat pockets betrof daarna voor gezien. Van de gevestigde namen gingen alleen de Zwarte Beertjes, Prisma en de Salamanders door, maar de glorie, 'het opwindend actuele' was er wel zo'n beetje af.

 

Pas aan het begin van de jaren tachtig kwamen er weer enkele nieuwe literaire pocketseries bij, onder meer de zwart-witte Bibliotheek Thuis van De Bezige Bij, en de Rainbow Pockets van Maarten Muntinga. En net als dertig jaar terug, duurde het ongeveer tien jaar tot iedereen weer zijn eigen pocketreeks gelanceerd had: Pandora, Poema, Singel, Salamander, Ooievaar, Zwarte Beertjes, Geuzenpockets, Globepockets, actiepockets, zomerpockets