Wandtegels

 

Een wandtegel is in de regel een vierkant of rechthoekig stuk materiaal, dat tegen een wand kan worden gelijmd of gehangen. Tegels dienen vaak als bescherming en decoratie van wand of muur. Tegels worden van gebakken klei gemaakt of natuursteen zoals marmer.

 

De eerste scheepslading vol blauw Chinees porselein (kraakporselein genoemd) die in 1602 in Amsterdam op de markt kwam en werd geveild was afkomstig van Portugese schepen die uit het Verre Oosten kwamen en die door de Hollanders waren buitgemaakt.

Na die import door de Verengde Oost-Indische Compagnie, opgericht in 1602, zeilden de Nederlanders vanuit Amsterdam, Enkhuizen en Hoorn naar China en brachten vanuit dit oosterse land als retourvracht o.a. porselein mee. Vooral de eerste zes overtochten naar China waren batig geweest. Duizenden stuks blauw beschilderde Chinese porseleinen schotels, kommen en kannen werden naar Nederland verscheept. Deze import goederen waren zeer geliefd, vooral de rijken kochten deze vazen en schotels als sierstukken om hun huizen te versieren. Ook het Chinees tafelgerei had een voorname plaats in hun huisraad.

Kort daarna begonnen de Delftse plateelbakkers het Chinese porselein te kopiëren. Daar ze het procedé niet kenden om porselein te vervaardigen werd hun aardewerk in een veel dunnere uitvoering, en een fijnere, betere kwaliteit gele klei gemaakt in plaats van uit grove rode klei. Zo brachten ze borden, vazen, schotels, borden met het Chinees blauw op witte achtergrond op de markt.

Zo kwam het dat er ca.1620-1625 tegels niet enkel meer gebruikt werden als vloertegels, maar verkocht werden als wandtegels met diverse voorstellingen van Chinese tuinen binnen vier accolades of binnen een cirkel. Deze waren geïnspireerd op Chinese kraak- of porseleinen borden.

De tegels werden een tikkeltje Chineser en ze lieten zich dan ook uitstekend kombineren met de Nederlandse motieven. Als voorbeeld hiervan hebben wij het “Wan-Li patroon” of meanderend patroon, bestaande uit haakvormige dikke lijnen als hoekvulling en een accoladevormige omlijsting of een cirkel rond het midden decor. De hoekvulling is ontleend aan de Chinese mode uit de Ming dynastie ten tijde van de Chinese heerser en keizer Wan Li (1573-1619). Onder zijn bewind begon de grote export van Chinees porselein naar Europa.

De hoekmotieven werden vroeger “Wan-Li” genoemd. Het motief is afgeleid van het eeuwen oude swastika symbool dat in allerlei culturen wereldwijd bekend staat voor heiligheid, levenskracht (lang leven) en geluk. Achteraf werden deze hoekmotieven met “meanders” aangeduid.

Achteraf werd er alleen nog de witte ondoorzichtige ondergrond in het kobaltblauw geschilderd met voorstellingen uit het dagelijkse leven met als hoofdmotief, bloemen, bloemenvazen, allerlei dieren, zoogdieren, fantasiedieren, insecten, vogels, portretten, ruiters en soldaten. Later werden er ambachten en cupido’s en kinderspelen aan toegevoegd.

Pas in de tweede helft van de 17e eeuw werden landschaps- en herderstegels met het spinnetje als hoekmotief in grote hoeveelheden gemaakt en verschenen de eerste scheepjestegels, koopvaardijschepen en tegels met Bijbelse taferelen in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Harlingen en Makkum die in een mum van tijd zeer populair waren.

Met duizenden werden ze op bestelling gemaakt voor paleizen, kerken en kloosters over de hele wereld. Ook in woningen van welgestelde burgers en succesvolle kooplieden verschenen tegels als wandversiering eenvoudig schoon te maken in keukens, schouwen, gangen, trapportalen en dienden soms ook als plinttegels.

Delfts blauw

Vóór 1620 waren er al in Delft acht plateelbakkerijen. Maar tussen 1685 en 1725 tijdens de bloeiperiode waren er 10 fabrieken die 1600 tot 1800 werknemers te werk stelden. Vanaf toen ontstond het wereldberoemde Delfts blauw en werd Delft een belangrijke stad voor de productie van sier- en schotelgoed en van faience tegels. Vandaar de benaming voor alle blauw geschilderde tegels “Delftse tegels” ook al zijn die niet in Delft gemaakt. Overal in Nederland waren er plateelbakkerijen die blauwe wandtegels vervaardigd en Delfts blauw blijft een begrip, een verzamelnaam.

De toenemende welvaart, ook bij middenstanders en boeren, deed de vraag naar wandtegels verder stijgen. Plateelbakkerijen voerden hun productie op en boden zowel dure, verfijnd geschilderde tegels en tegeltableaus aan als eenvoudige en betaalbare decors. Tegen het einde van de zeventiende eeuw (ca.1690) beleefde de Nederlandse tegelindustrie gouden tijden. Intussen groeiden onder meer in Gouda, Hoorn, Enkhuizen en Harlingen de tegelbakkerijen als paddenstoelen uit de grond. Vóór 1700 waren er al zeven tegelbakkerijen in Harlingen.

De aanvoer van porselein uit China viel stil vanaf het einde van de tweede helft van de 17e eeuw wegens het uitbreken van een langdurige oorlog. Het meanderpatroon als hoekmotief onder invloed van het Verre Oosten bleef nog, maar het blauw-wit op de tegel als decoratie bleef wel gehandhaafd maar de beschilderingen werden eenvoudiger.

Het hoogtepunt van de tegelindustrie lag in de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw. De export van de Nederlandse tegel nam een zeer hoge vlucht en op grote schaal werden tegels geëxporteerd vooral naar Duitsland, Denemarken, Engeland en Portugal, ook naar België, Frankrijk, Spanje en Rusland.

Deze manier van wanddecoratie en functioneel toepassen van tegels werd ook buiten ons land populair en had aanleiding gegeven zelf tegels te produceren op de motieven van de bestaande Nederlandse tegels. Om maar enkele voorbeelden te noemen: België (Brugge, Gent en Doornik), Noord-Frankrijk (Rijsel / Lille, Saint-Amand-les-Eaux, Aire-sur-la-Lys, Desvers, Vron, Boulogne), Duitsland (Schleswig, Hannoversch-Münden, Kellinghusen en Neurenberg), Engeland en Portugal. Het kwam zelfs zover dat in Portugal en Denemarken een invoeringsverbod van Nederlandse tegels werd uitgevaardigd ter bescherming van hun eigen productie.

In de tweede helft van de 18e eeuw kwam er een eind aan de bloeiperiode. Door de slechter wordende economie in Nederland en mede door de concurrentie van de industrietegels uit Engeland, Duitsland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk holde de tegelindustrie er zienderogen op achteruit en de decors werden minder verzorgd. Ondertussen kwam het behangpapier in de mode en de technieken en motieven evolueerde heel snel. Het waren vooral de Franse en Engelse manufacturen die op deze nieuwe interieurtrend gingen inspelen en het behang steeds goedkoper gingen produceren ten nadele van de wandtegels.

In Friesland, vooral in Harlingen (1598-1910) en Makkum (ca.1675-tweede helft van de 20ste eeuw), maar ook enige tijd in Bolsward (1737-1801), bleef de combinatie van tegelproductie met schotelgoed in stand. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw verminderde het aantal plateelbakkerijen. Na 1860 zijn de oude tegelbakkerijen alleen nog in Delft, Utrecht, Harlingen en Makkum te vinden.