Vergeten Nederlandse woorden

De meeste van deze woorden waren ooit wijdverbreid in de taal van onze voorouders, of dit nu het Middelnederlands, het Oudnederlands of het Oudgermaans was, maar verreweg de meeste staan niet meer in enig woordenboek van het hedendaags Nederlands.

 

Met uitleg en/of betekenis

 

a1 v. a’s 1 stromend water, stroom, rivier: hier komt de a tot de zee hier eindigt het, bij de oevers der a • Drents Ao, Fries ie, Duits Ache, gew. Engels ea, Noors å, IJslands á • in Breda, Gouda, ~ °aag ‘zee’, °ager ‘navloed’, °ouw1/°ooi1 ‘land langs water’, ei- in eiland, mog. eig. ‘vlug water’ en ~ °oeg1 ‘vlug’, °ie2 ‘paard’, °egedas/°eidas/hagedis

a2 m. 1 geest, verstand • ~ acht ‘aandacht’, mog. ~ °agen1/°aan1 ‘scherp zijn, snijden’

a-3 1 voorvoegsel dat ontkenning en afwezigheid maar ook ergheid aanduidt • in °abolg, °amacht, °awaard, °aweg, °awijs/°awijzig, °awind, °azage, mog. in °amete/°amte

aaf m., ave 1 man 2 echtgenoot • IJslands afi • mog. ~ °avel, °oeven

aag m. 1 zee, wereldzee, het ruime sop, ew. °haf, °waar • IJslands ægir • ~ °a1 ‘stromend water’

aak v. 1 schuld aan moord of doodslag • in °meinaak

aal1 m. 1 heiligdom, gewijde plek: de aal in het bos 2 tempel: een heilige aal • ~ °algen

aal2 o. 1 bier 2 moutdrank met minder hop en zoetere smaak dan bier • Engels ale, Noors øl, IJslands öl • mog. in aalbes, mog. ~ °eluw ‘geelrood, bruingeel’

aal3 m. 1 stroom, uitstroom 2 vaart, vaargeul: diepe alen • Noors ål, Deens ål (in Aalborg/Ålborg) • mog. in Aalburg (Noord-Brabant), Aalsmeer (Noord-Holland), Almere (Flevoland), Alem (ouder Aleheim, Gelderland), van °elen2 ‘drijven’

aal4 v. 1 band, riem, reep • IJslands ól

aald o. zie alood

aalding m. zie aloding

aam1 v., ame 1 natuurlijke waterloop, stroom, rivier • in Amen (Drenthe), van °amen1 ‘gieten, stromen’

aam2 m./v. 1 vonk, ontvlamming, ontbranding, ontsteking 2 inflammatie, ontsteking op het lichaam 3 wondroos, belroos 4 roest, ook van gewassen • Gronings oam, Westfaals åme, Duits Ohm • hetz. als aamt ‘uierzwelling’ (met oneig. t), ~ °amer ‘gloeiende kool’, mog. van °emen ‘pakken’ (mits ooit ook ‘vlam vatten’)

aan1 st. oeg, h. geagen zie agen1

aan2 m./v. 1 grootouder, voorouder • Duits Ahn • ouder ane, mog. ~ °anen1 ‘ademen’

aand v. 1 wisse watervogel met platte snavel (Anas platyrhynchos) • Oostfries ânt, Noors and, IJslands önd • oude nevenvorm van eend, in °aanderik/°eenderik

aanderik m., eenderik 1 mannetjeseend • Gelders-Overijssels enterik, Fries jerk, jerke, verouderd earke, Duits Enterich, verouderd Antrich • van °aand/eend + een onwis tweede lid dat aan -rik is aangepast

aande m. zie ande1

aanden zw. -de zie anden

aanhoud m. 1 oord waar men vertoeft, rust of naar uitwijkt 2 vriendelijke omgang • Drents anhold, Duits Anhalt • van aanhouden

aanvilt m. 1 ijzeren smeedblok • Westfaals ânefilt, Engels anvil • oude nevenvorm van aambeeld/aanbeeld, van aan + afl. van °velten/°felten ‘houwen, slaan’

aap1 v., ape 1 stromend water, stroom, rivier • verbasterd in oordnamen (voorheen stroomnamen) als Gennep, Velp, Weesp, ~ °aap2, mog. eig. ‘beweeglijke’ en ~ °aps/°asp/esp ‘(ratel)populier’, anders mog. ~ af, oever

aap2 m. 1 zwarte, harige boze geest die in het water op de loer ligt, ew. °nikker/°nekker • hetz. als aap ‘mensachtig dier’ (oneig.), van °aap1 ‘stroom’

aar1 bn. aarder, -st zie aruw

aar2 v. zie are

aar3 m. 1 wisse grote roofvogel • Duits Aar • oude nevenvorm van °arn3/°aarn3/°aren3, in adelaar, mog. ~ °ardig ‘steil, hoog’

aard1 m. 1 woonplaats, woonstreek, vaderland, land: zijn aard ruimen zijn land verlaten 2 vaste grond, land 3 loskade, marktkade, kademarkt, markt: aard hebben, houden 4 herkomst, afkomst, afstamming, geslacht: aard in het land hebben inheems zijn 5 soort, slag, geslacht 6 wijze van doen • Westvlaams aard, Noordbrabants aard, Duits Art • hetz. als aard ‘wezen, inborst’, ~ °aren ‘zich bevinden, zijn’ (eig. ‘aangekomen zijn, bereikt hebben’), °erend/°arend ‘boodschap’, mog. ~ aarde

aard2 m. 1 ploeging 2 beploegde grond, bouwland 3 gewas dat verbouwd wordt 4 opbrengst, oogst • Kempens aard, Zwitsers Art, Ard, gew. Engels earth ‘ploeging’ (≠ earth ‘aarde’) • van °eren1 ‘ploegen’, ~ °aarder, niet ~ aarde

aardbeer v., aardbes 1 wisse rode schijnvrucht (Fragaria) • Gelders-Overijssels eerdbère, eerdbèze, Duits Erdbeere, Noors jordbær, IJslands jarðarber • hetz. als aardbei (met het tweede lid vervangen door bei uit het Frans), van aarde + °beer/bes/bezie

aardbes v. zie aardbeer

aarder m., arder 1 haakploeg • gew. Engels arder, Zweeds årder • van de wortel van °eren1 ‘ploegen’ + °-der1, ~ °aard2

aarn1 m. zie arn1

aarn2 v. zie aren2

aarn3 m. zie arn3

aarnen zw. -de zie arenen

aarnmaand v. zie arenmaand

aart m. zie art

aat1 m. 1 eten, voedsel, spijs: aat en drank 2 veevoer, voeder 3 wilde haver • Westvlaams aat, Gronings oat, IJslands át • ~ eten, °aat2, aas, al vroeg verhaspeld met °eet ‘wilde haver’

aat2 bn., atig 1 (graag) etend • Westvlaams atig, Westfaals ætig • in °kankatig, °manatig ‘mensenetend’, °vraat ‘eetzuchtig’, ~ eten, °aat1

abolg v. 1 verbolgenheid, boosheid, woede, toorn, gramschap: Gods abolg • in °abolgig, van °a-3 ‘niet; zeer’ + afleiding van °belgen1 ‘zwellen, boos worden’

abolgig bn. 1 verbolgen, boos, woedend, toornig, gram • hetz. als oubollig (verbastering), van °abolg

achte telw. 1 volgende na zevende • Duits achte • hetz. als achtste (o.i.v. eerste)

achtem bn. 1 achterst, laatst: de achteme gelederen • ~ achter, °bachten, met een oud achtervoegsel voor de overtreffende trap, vgl. °hindem ‘achterst’, °innem ‘binnenst’, °medem2 ‘middelst’, °ovem/°oom ‘hoogst’, °vorm ‘voorst’, mog. °wanem

achten zw. -te 1 vervolgen, in de ban doen • van acht ‘ban’

adel o. 1 afkomst, geslacht: van goed adel 2 goede afkomst, goed geslacht • hetz. als adel m. ‘stand van edelen’, ~ edel, °oedel ‘erfgoed, vaderland’, mog. ~ °aden1 ‘komen; gaan’, anders mog. eig. ‘het vaderlijke’ en ~ °ate/°atte ‘vader’

adelboren bn. 1 van edele komaf, van voornaam geslacht • van °adel + (ge)boren

aden1 st. oed, is geaden 1 gaan, komen • ~ °aden2 ‘jaar’, mog. ~ adel ‘(goede) afkomst’, edel, °oedel ‘erfgoed, vaderland’

aden2 o. –s 1 jaar • ~ °aden1 ‘gaan; komen’

ader bn. aderder, -st 1 snel, gauw 2 vroeg • IJslands áður • mog. eig. ‘als de wind’ en ~ adem, niet ~ °aden1 ‘gaan; komen’

age v., akke 1 ekster • Fries akke • ~ ekster, mog. ~ °agel/°egel2/°eggel ‘moeilijk, lastig’

agel bn., egel2, eggel 1 moeilijk, lastig 2 hatelijk • in °egelen/°eggelen ‘tot last zijn’, mog. ~ °age/°akke ‘ekster’, ekster

agen1 st. oeg, h. geagen, aan1 1 scherp zijn 2 snijden 3 bijten • ~ °eg ‘scherpe kant’, °agen2 ‘kaf’, aar ‘bloeiwijze’, °eil ‘kafnaald’, °ein ‘kafnaald’, mog. ~ °a2 ‘geest, verstand’, °are/°aar2 ‘esdoorn’, wel niet ~ eg ‘wis landbouwwerktuig’, niet ~ egel

agen2 v. 1 omhulsel van de graankorrels, ew. °heluwe, kaf • Duits Ahne, Engels awn, Noors agn, IJslands ögn • van °agen1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

agen3 st. oeg, h. geagen 1 vrezen, duchten • ~ °oegen ‘verschrikken’, °oeg2 ‘angst’, °eis ‘vrees’, ijselijk

ager m. 1 navloed, plotselinge rijzing van het water tijdens eb, met name bij een monding • Zeeuws agger, Engels eagre, eager, eger, ager • ~ °a1 ‘stromend water’

ak1 m. aken 1 leider • van °aken1 ‘drijven, leiden; rijden’

ak2 vw. 1 maar, doch: ak het mocht niet baten

ak3 m. akken 1 lam • mog. Gronings nak ‘schaap’

akel m. 1 leed, smart 2 onrecht, schade 3 hekel, tegenzin • in akelig, wel ~ °aken2 ‘pijn doen’, mog. ~ °aak

aken1 st. oek, h. geaken 1 drijven, aandrijven, voortdrijven, leiden 2 rijden • Noors ake, IJslands aka • ~ °ak1 ‘leider’, akker, mog. ~ °vroeken ‘stoutmoedig’, mog. hetz. als °aken2, mog. ~ °kezen ‘(aan)dragen’

aken2 st. oek, h. geaken 1 pijn doen, deren, zeren 2 pijn lijden: een akend hart • Engels ache • wel ~ akel ‘leed’, mog. ~ °aak, mog. hetz. als °aken1

akke v. zie age

akkerman m. -lui, -lieden 1 boer, landbouwer, landman: de bezige akkerlui • in de achternamen Akkerman, Akkermans

alcht m./v. zie alft

aldiede v. 1 mensheid, wereldbevolking • van al- + °diede/°died2 ‘volk’

alen st. oel, h., is gealen 1 groeien, opgroeien, zich voeden 2 doen groeien, opvoeden, voeden: zij oelen hun kinderen met liefde • Noors ale, IJslands ala • ~ °ellen1 ‘opvoeden’, °elde ‘leeftijd, levenstijd’, °elden1 ‘mensen, mannen’, °elden2 ‘verouderen’, °elder1 ‘(voor)ouder’, °elder2 ‘uier; vrouwenborst’, oud ‘gegroeid, opgevoed’ (voorheen old, ald), °ouder ‘leeftijd’ (voorheen older, alder), wel ~ °ouden ‘boomvrucht’, mog. ~ °alloorn/°elloorn ‘gewone vlier’, °elve1/°elf1 ‘rivier’, °alm1 ‘bron, beek’

alf1 bn. 1 wit, licht • ~ °alf2, alft/elft ‘soort haring’, °elve2/°elf2 ‘larve’, wel ~ °alft/°alcht/°elft/°elcht ‘zwaan’, mog. ~ °alf3/°elf3 ‘mythologisch wezen’

alf2 m. 1 lichte laag onder de vruchtbare aarde, zoals kalksteen, klei, zand • gew. Duits Alben, Zweeds alv, alf • van °alf1

alf3 m. alven, elf3 1 mythologisch wezen, bewonderd en gevreesd om diens wijsheid, schoonheid, rijzigheid, kracht en kunst • Duits Alb, Alp, Engels elf (ontleend als elf ‘fee’), Noors alv, IJslands álfur • hetz. als alf/elf ‘boze geest’ (oneig.), mog. van °alf1 ‘wit’

alft m./v., alcht, elft, elcht 1 zwaan • Zwitsers Elbs, Ölbs, IJslands álft • wel ~ °alf1 ‘wit, licht’

algen zw. -de 1 beschermen, beschutten, hoeden 2 letten op, zich bekommeren om 3 merken, opmerken • Fries ealgje • ~ °aal1 ‘heiligdom’

aling bw., bn. 1 geheel, volkomen • Drents aling • ~ al

alk m. 1 vuil, viezigheid, modder vuile lucht, stank • in Alkmaar, ~ °alken

alken zw. -te 1 vuil zijn 2 (zich) vies maken • gew. Duits alken, gew. Noors alka • ~ °alk, mog. ~ °il ‘slecht, verdorven’

allen zw. -de 1 loeien, brullen, janken • Fries âlje • ~ °elen1 ‘roepen’

alloorn m. -s, elloorn 1 wisse inheemse heester met geveerd blad en zwarte bessen (Sambucus nigra), ew. °holender, °vlieder/vlier • Oostfries ellhörn, Oostfaals alhôren, alhören, elthören, Westfaals àllerte, Engels elder, gew. eldern, ellern, ellarn • mog. van °alen ‘groeien; voeden’ met een achtervoegsel dat ook in °astoorn/esdoorn schuilt

alm1 v. 1 bron, beek • hetz. als Alm (stroomnaam), mog. ~ °oel1 ‘laag, drassig weiland’, °elve1/°elf1 ‘rivier’, °alen ‘groeien; voeden’

alm2 m., elm2 1 iep (Ulmus), ew. °rust, °wijk • Engels elm, Noors alm, IJslands almur • oude nevenvormen van olm, in Almelo (Overijssel), mog. in Almen (Gelderland), ~ °eluw/°eel3 ‘geelrood; bruingeel’

almand vnw. 1 iedereen • van al + man, met oneig. -d zoals in iemand, niemand

aloding m., aalding 1 erfgenaam • van °alood/°aald + °-ing

alood o., aald 1 vrij erfelijk goed • hetz. als allodium (verlatijnsing), in °aloding/°aalding, van al- + °ood1 ‘weelde; bezit’, vgl. kleinood

altauw bn. 1 in orde, heel, gezond, volmaakt • Noordfries elt, mog. Drents elt ‘gelijk, recht, welgeschapen’ (mits langs het Fries) • ~ °tauw ‘orde’

alwit bn. 1 geheel wit, zuiver wit

alwoud m. 1 alheerser, onafhankelijk heerser, in het bijzonder God • van al + °woud1 ‘heersend’

am1 m. ammen 1 buik • ~ naaf, navel, mog. ~ °ommer ‘kind’, Ommen (Overijssel)

am2 bn. amer of ammer, amst 1 rauw, ongekookt, ongebraden

amacht v. 1 onmacht, onvermogen, zwakte 2 bezwijming, flauwte • in amechtig, van °a-3 ‘niet; zeer’ + macht

ame v. zie aam1

amen1 st. oem, h., is geamen 1 gieten, stromen • ~ °aam1/°ame, Ameland (ouder Ambulon, Amblum, Ambla), Amer (stroomnaam), Amstel, °eem1/°eme, Eems (stroomnaam), mog. ~ °muien ‘vochtig maken of zijn’

amen2 zw. -de 1 belasten: zich amen zich inspannen 2 lastigvallen, ergeren • IJslands ama, Noors ama

amer v. -s, -en 1 gloeiende houtskool, hete as: levende ameren, ew. °tander 2 gloeiend overblijfsel van een vuur: staren naar de amers 3 vervagende herinnering, gedachte: de ameren van mijn jeugd • Limburgs aomere, Westfaals åmer, àmmer, Engels embers, Noors åmyrje, eimørje • ~ °aam2 ‘vonk, ontsteking’, mog. van °emen ‘pakken’ (mits ooit ook ‘vlam vatten’)

amete v., amte 1 mier • Gelders-Overijssels emte, empe, Duits Ameise, Engels ant, gew. ammut, emmet • mog. van °a-3 + afl. van °meiten ‘snijden’ (i.v.m. het gekerfde lijf)

ammer m. 1 gors, geelgors (Emberiza citrinella) • Duits Ammer, Engels (yellow-)hammer • mog. ~ °ansel/°amsel ‘merel’, °ans1/°ams ‘tak’

amper v./m. 1 zuring • Duits Ampfer • ~ amper ‘scherp van smaak, bitter’

ams m. amzen zie ans1

amsel v. zie ansel

amte v. zie amete

and vz. zie ant

ande1 m., aande 1 adem, geest, ziel, levenskracht 2 iedere hevige gemoedsberoering: hartstocht, ijver, woede, berouw, smart, enz. • Noors ånde, IJslands önd • in °anden/°aanden, van °anen1 ‘ademen’, ~ °unst ‘storm’

ande2 v. -s, -n 1 deurpost 2 deurkozijn 3 portiek, portaal • verouderd IJslands önd, önn • mog. van aan en mog. + een afl. van °aden ‘gaan, komen’

andel m. 1 gewoon kweldergras (Puccinellia maritima) • Oostfries andel • in Den Andel (Groningen), ~ °ander ‘bloeiend, spruitend’

anden zw. -de, aanden 1 iemand in slechte zin beroeren: tergen, zeren, verdrieten, boos maken • Duits ahnden, IJslands anda • van °ande1/°aande

ander bn. 1 bloeiend, spruitend • in °anderbode, °andervas, ~ °andel, wel ~ andoorn

anderbode m. 1 bloeiende, spruitende knop• van °ander + °bode/°bodde/°bod/bot

andertieren bn. 1 van een andere aard of soort • van ander + tweede naamval van °tier2 ‘glans; soort; aard’

andervas bn. 1 met weelderig haar, langharig • van °ander ‘bloeiend’ + °vas ‘hoofdhaar’

ane vz. 1 zonder, vrij van: ane vaar zonder vrees, ane mijn dank zonder mijn wil, tegen mijn zin • Limburgs aone, Westfaals åne, Duits ohne, IJslands án

anen1 st. oen, h. geanen 1 ademen, blazen, leven hebben, leven, geest hebben, ziel hebben, bezield zijn • Noors ane • ~ °ande1/°aande ‘adem’, °oen ‘ademend’, °unst ‘storm’, mog. ~ °aan2 ‘voorouder’, mog. ~ °anken2 ‘zuchten, steunen’

anen2 zw. -de 1 vermoeden, een voorgevoel hebben van: niets goeds anen • Gronings oanen, Fries eanje, Duits ahnen • van aan vz.

ang1 bn. 1 nauw, smal • oude nevenvorm van eng, in bang (eig. be-ange bw.), van °angen

ang2 m. 1 punt, stekel: de ang des doods • Antwerps ang, Gronings ang • ~ angel

ang3 m., angel 1 glans van gezondheid, vooral gezegd van vacht, haar • Gronings ang, angel, Fries ang, angel

angel m. zie ang3

angen zw. -de 1 insnoeren, benauwen • ~ °ang1/eng, °anger1, angst, bang (eig. be-ange bw.)

anger1 m. 1 zorg, bezorgdheid, ongerustheid 2 smart, verdriet, leed: harm en anger 3 berouw, spijt • Noors anger, IJslands angur • van °angen

anger2 m. -s, -en 1 veld, weide, beemd: in een groene anger • in Angeren, Angerlo, ~ enk

anger3 m. 1 korenworm • ~ engerling ‘larve van de meikever’, wel ~ °onk3 ‘slang’

ank1 v. 1 enkel, gewricht tussen voet en been • in °anklauw, ~ enkel

ank2 m. 1 boter, ew. °smeruw/smeer • gew. Duits Anke, Anken • van °anken1 ‘smeren’

anken1 zw. -te 1 smeren • ~ °ank2 ‘boter’

anken2 zw. -te 1 zuchten, steunen, kreunen, jammeren, klagen 2 ergeren, irriteren • Westfaals anken • mog. ~ °anen1 ‘ademen’

anklauw o. 1 enkel, gewricht tussen voet en been • Zaans anklauw, ankleeuw, gew. Engels ankley, ancley • van °ank1 ‘enkel’ + mog. °lauw2 ‘dij’

ans1 m. anzen, ams 1 tak aan de stam 2 schouder met arm, ew. °boeg 3 balk, spar • Beiers Ans, Noors ås, IJslands ás • wel ~ °ans2, mog. ~ °ansel/°amsel ‘merel’, °ammer ‘gors’

ans2 m. anzen 1 heer, vorst, koning 2 god, godheid, hemelse oergeest: de wil der anzen, ew. °tuw/°tij • Noors ås, IJslands ás • in voornamen als Anselm, Ansgar, wel eig. ‘stamvader’ en ~ °ans1

ans3 v. anzen, ens, eins 1 lus 2 oogvormige opening 3 ringvormig handvat, hengsel 4 oor van een mok • Westvlaams einze, enze, heinze, Twents euzen mv., Gronings ouzen mv., Fries oes, Engels noose, gew. oose, neese

ansel v., amsel 1 merel, zwarte lijster, ew. °geiteling • Duits Amsel, Engels oozel, ouzel, ousel • mog. ~ °ans1/°ams ‘tak’, °ammer ‘gors’

anst v. 1 liefde: anst hebben 2 genade, gratie, gunst • Noors åst, IJslands ást • ~ °unnen, gunnen, gunst

ant vz. 1 tegen, weder 2 tegenover 3 voor, in tegenwoordigheid van • hetz. als ont- (verbasterd doordat het onbeklemtoond is), in °anthoofd, °antlaam/alaam, °antloeg, °antwaarde, °antwerp, °antwijlen, °antwlit, antwoord, °antzaat, °antzaker, ~ °ent/°eint ‘eerder, vroeger’, °ende ‘voorhoofd’, einde ‘afloop’,  °ont/°onts ‘tot’, om

anten zw. -te 1 aansporen, ophitsen 2 dwingen, noodzaken • mog. van aan

anter vw. zie enter

anthoofd o. 1 ophoging van de grond 2 dam, waterkering 3 drempel 4 stoep • van °ant ‘tegen’ + hoofd

antlaam m. 1 gereedschap, werktuig: de antlamen van ambachtslui 2 huisraad 3 opschik, opsmuk, tooisel 4 krijgsvoorraad, ammunitie • hetz. als alaam (verbastering), van °ant ‘tegen’ + °laam

antwlit o. -wlitten 1 gezicht, gelaat • Westfaals antliət, Duits Antlitz, Noors andlet, IJslands andlit • van °ant ‘tegen’ + afl. van °wlijten ‘zien’

antloeg bn. 1 geneigd te lachen, vrolijk • van °ant ‘tegen’ + afl. van lachen, ~ °loegen

antwaarde v. 1 aanwezigheid • in °antwaardig, van °ant ‘tegen(over)’ + afl. van worden (voorheen ‘wenden’), vgl. tegenwoordig

antwaardig bn. 1 aanwezig • van °antwaarde

antwerp m. 1 tegen water of vijanden opgeworpen land • in Antwerpen, van °ant ‘tegen’ + afl. van werpen

antwijlen bw. 1 wijlen (en) antwijlen te allen tijde • van °ant ‘tegen’ + een verbogen vorm van wijl

antzaat bn. 1 hatelijk, vijandig • van °ant ‘tegen’ + °zaat2 ‘zittend’

antzaker m. 1 tegenstander, tegenpartij 2 vijand • van °ant ‘tegen’ + afl. van zaken

ape v. zie aap1

apel m. -s, -en 1 sappige ronde boomvrucht • gew. Fries apel • oude nevenvorm van appel, in °apelder/°appelder, mog. ~ vallen

apelder v., appelder, appelter 1 appelboom: een zoete apelder • verouderd Duits Affolter, Apfolter, Afholder • in Apeldoorn (verbasterd mv.), Aperloo (ouder Apelderlo), Appeltern (verbasterd mv.), van °apel/appel + °-der2/°-ter

appelder v. zie apelder

appelgrauw bn. 1 van rossenvacht: grijs met appelvormige vlekken 2 schimmelkleurig • Duits apfelgrau, Noors apalgrå

appelter m. zie apelder

aps v., asp 1 populier, met name ratelpopulier (Populus tremula) • Engels aspen, asp, gew. aps, Noors osp, asp, IJslands ösp • oudere, meer oorspr. nevenvorm van esp, mog. eig. ‘beweeglijke’ en ~ °aap1/°ape ‘stromend water’

ar bn. arder, -st zie er

arder m. zie aarder

ardig bn. 1 steil, hoog 2 rechtop, met de borst vooruit: ardig rees de hengst • IJslands örðugur • ~ rijzen, mog. ~ °aar3/°aarn3/°arn3/arend

are v., aar2 1 esdoorn, ew. °astoorn, °mazer 2 gewone esdoorn • Duits Ahorn, gew. Are, Deens ær • in Aarle (eig. Aarlo), Taarlo (eig. te Aarlo), Tynaarlo (eig. te in Aarlo), mog. ~ °agen1 ‘scherp zijn’ i.v.m. het puntige blad

aren1 zw. -de 1 zich bevinden, zijn 2 wezen, zijn • Engels are • eig. ‘aangekomen zijn, bereikt hebben’, ~ °aard1 ‘woonplaats; afkomst; wezen’, aarden, °erend/°arend ‘boodschap’, °orren ‘treffen, strijden’, mog. ~ °oer1 ‘herkomst, oorsprong, begin’

aren2 v., aarn2, arn2 1 oogsttijd, einde van de zomer, begin van de herfst 2 oogst, opbrengst • Oostfaals arne, Noors onn, IJslands önn • in °arenen/°aarnen/°arnen ‘oogsten, verdienen’, ~ °azen/°assen ‘loon’, °essen ‘loonwerker; huurling’

aren3 m. zie arn3

arend o. zie erend

arenen zw. -de, aarnen, arnen 1 oogsten, verdienen 2 verdienen, waard zijn: van iets arenen 3 de kwade vruchten van zijn daden oogsten, boeten: de zonden aarnen • Fries earnje, Oostfries arnen, Oostfaals arnen, Engels earn • van °aren2/°aarn2/°arn2 ‘oogst’

arenmaand v., aarnmaand, arnmaand 1 oogstmaand, augustus • van °aren2/°aarn2/°arn2 ‘oogst’ + maand

arf1 m., erf 1 vogelmuur (Stellaria media) • Gronings aarve, Fries erf, Noors arv, IJslands arfi

arf2 m. arven 1 werker 2 werkdier • van °arven

arft v., arveid 1 zwaar werk, gezwoeg • Duits Arbeid, IJslands erfiði • hetz. als arbeid (met onverschoven b), van °arven/°arveien

arg1 m., erg1 1 teelbal • ~ °arg2/°erg2, mog. ~ regen i.v.m. de ‘bevruchting’ van de aarde

arg2 bn., erg2 1 bestegen, besprongen, van merries 2 wulps, wellustig, van vrouwen 3 onmannelijk, verwijfd, schandelijk, laf, van mannen 4 voos, verdorven, verkeerd • Drents arg, aarg, Engels eerie, gew. argh, arf, arrow, Noors arg, IJslands argur • hetz. als erg ‘slecht, zeer onaangenaam, betreurenswaardig’, in arglist, argwaan, ~ °arg1/°erg1, °arg3/°erg3

arg3 o., erg3 1 verdorvenheid, slechtheid, kwaad: arg en list 2 kwade bejegening: iemand arg doen 3 schade, leed, smart, pijn: arg hebben gewond zijn • van °arg2/°erg2

armhart m./v. 1 kleinmoedig, ook wel teergevoelig iemand • Zaans armhart, Gronings aarmhaart • in armhartig

arming m., erming 1 armzalig schepsel • van arm + °-ing, vgl. °nijding

arn1 m., aarn1, erne 1 dat wat in iets anders sluit, zoals de wortel van de tand in de kaak, de baard en schacht van de sleutel in het slot, de tang van het mes in het heft, de angel van een zeisblad in de steel, enz. • Westvlaams erne, ernte, Zuidhollands aerend, Fries earn, Gronings oarend • wel ~ °aruw/°aar1 ‘gereed, bereid’, °ord1 ‘gevoegd; voeglijk’, °ord2 ‘voeging’

arn2 v. zie aren2

arn3, aarn3, aren3 1 wisse grote roofvogel: de arn vliegt hoger dan andere vogels • Fries earn, gew. Engels earn, erne, Noors ørn, IJslands örn • hetz. als arend (met oneig. -d), oude nevenvorm van °aar3, in namen als Arnolf, Arnoud

arnen zw. -de zie arenen

arnmaand v. zie arenmaand

arren zw. -de zie erren

art m., aart 1 erts, ruwe, onbewerkte grondstof, delfstof • Duits Erz (ontleend als erts)

arte v. 1 kwikstaartje • IJslands ört, Zweeds årta

aruw bn., aar1 1 gereed, bereid 2 vrijgevig, gul 3 snel, ras, vlug • IJslands ör • in °arwing, wel ~ °arn1/°aarn1/°erne ‘dat wat in iets anders sluit’, °ord1 ‘gevoegd; voeglijk’, mog. ~ °garuw

arveid v. zie arft

arveien zw. -de zie arven

arven zw. -de, arveien 1 zwaar werken, zwoegen • Westfaals ârwen, arweggen • ~ °arft/°arveid/arbeid, °arf2, °orf

arwe1 v. -n, -s, erwe1 1 vore, groef, inkerving 2 litteken, verminking 3 korst 4 schurft • Utrechts erf, Drents arf, narf, narve, Westfaals arwe, Duits Narbe, gew. Arbe, Noors arr, IJslands ör • hetz. als nerf ‘oneffenheid in leer’ (met n- van het lidwoord), ~ °eren1 ‘ploegen’

arwe2 v. -n, -s, erwe2 1 pijl: boog en arwe, ew. °gijzel, °vijl, °vliek • Engels arrow, Noors or (in agnor), IJslands ör

arwing bw., erwing 1 zonder aanleiding, zomaar 2 zonder opbrengst, tevergeefs 3 zonder betaling, zonder loon, gegeven, kosteloos, gratis • van °aruw/°aar1 ‘bereid; vrijgevig; snel’

as m. assen 1 essenboom (Fraxinus excelsior) 2 speer, vanouds van essenhout gemaakt 3 soort klein schip van essenhout 4 houder, doos van essenhout • Holsteins nasch (met n van het lidwoord), Oostfaals masch (met m van het lidwoord), Engels ash, Noors ask, IJslands askur • oude nevenvorm van es, in °asman

asman m. -mannen, -lui, -lieden 1 zeeman, zeerover, later met name uit Scandinavië, ew. °wijking • Engels ashman (in Ashmanhaugh) • in Assendelft (ouder Askmannadelf), van °as ‘es; essenhouten schip’ + man, vgl. °wijking

asp v. zie aps

assel v. 1 schouder, ew. °harde • Duits Achsel, Noors aksel, IJslands axla

assen v. zie azen

assevijs m. zie assevijster

assevijster m., assevijs 1 iemand die op de as in de haard blaast om het vuur aan te wakkeren 2 iemand die altijd voor de haard zit te lummelen 3 iemand die alleen het geringste werk aankan of wil doen • Westvlaams assche(n)vijster, Noors askefis • van as + afl. van °vijzen1/vijsten ‘blazen’

ast m. 1 knoest 2 tak, twijg 3 dwarsbalk van een kruis • Duits Ast • ~ °oest ‘knoest’, wel in °astoorn

astoorn m. -s 1 esdoorn, ew. °are/°aar, °mazer • Antwerps asdoren, Hagelands asdoorn, gew. Duits Asthorn, Astern, Aster • hetz. als esdoorn (verbastering), wel van °ast ‘knoest; tak’ (knoesten geven vooral esdoorns welgelijnd, gevlamd hout, vgl. °mazer), mog. met een achtervoegsel dat ook in °alloorn/°elloorn schuilt

at1 vz. 1 bij, te, in: at heme thuis, at harte in het hart, te moede, at nachte ‘s nachts, at eerste ten eerste, at leste ten leste, ten laatste 2 toe, tot, zo ver als: at het woud • Westfaals ät, et, Engels at, Noors at, åt, å, IJslands  • in °atgeer ‘werpspeer’

at2 o. aten 1 felheid, gevecht, strijd: een at van wilde dieren • IJslands at • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

ate m., atte 1 vader, papa • Noordhollands ate, Gronings oate, atte • mog. ~ °adel ‘(goede) afkomst’

atel bn. 1 fel, scherp: atele ogen 2 vreselijk, verschrikkelijk, afgrijselijk • Noors atal, IJslands ötull • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

aten st. oet, h. geaten 1 scherp, fel zijn 2 bijten • ~ °at2 ‘felheid, gevecht’, °atel ‘vreselijk’, °etten1 ‘fel doen zijn’, °taan/tand, °tind ‘punt’, tinne ‘tand in burchtwal’, °tons ‘(hoek)tand’, mog. ~ °tijven ‘puntig zijn’, °tijzen ‘prikken; plukken’, niet ~ eten

atgeer m., atger 1 werpspeer • van °at1 ‘te; toe’ + °geer1 ‘speer’

atger m. zie atgeer

atig bn. zie aat2

atte m. zie ate

auwe v. 1 oma, grootmoeder, voormoeder • ~ °o ‘opa, grootvader, voorvader’

ave m. zie aaf

avel o. 1 inspanning, kracht, sterkte: met al zijn avel • IJslands afl • in °avelen, ~ °oeven ‘uitvoeren’, oefenen, mog. °aaf/°ave ‘man, echtgenoot’

avelen zw. -de 1 zich inspannen, kracht betonen 2 versterken • Noors avle, IJslands afla • van °avel, ~ °aveling

aveling v. 1 versterking, versteviging • Zuidhollands aveling • van °avelen

aven zw. -de 1 afgaan, afnemen: het aaft mij mijn krachten nemen af • ~ af

aver1 bn., bw., vz., vw. 1 later: in avere tijden 2 na, achter: aver deze maand 3 volgens: aver dit boek 4 maar, doch • Antwerps ever, Westfaals awer, Duits aber • in °aver2 ‘telg’, van af, ~ achter (ouder after), van

aver2 m./v. -en, -s 1 nakomeling, afstammeling, nazaat, telg, kind: van aver tot aver • van °aver1 ‘later; na’, vgl. °vorder/°voorder ‘voorouder’ bij voor

aver3 m. 1 veldesdoorn, Spaanse aak (Acer campestre), ew. °mapel/°mapelder • Deens navr (met n van het lidwoord), gew. Zweeds naver • in °averen, Afferden (Gelderland), mog. in Averbode (Vlaams-Brabant)

averen bn., everen, efferen 1 veldesdoornen, van veldesdoornhout • Westvlaams effen (in effentrul, verouderd effendoorn), gew. Duits ebern (in Weißebern) • van °aver3

avig bn. 1 verkeerd om 2 niet recht, verkeerd, verdraaid, krom • Westvlaams avig, Westfaals awig, Zweeds avig, IJslands öfugur • van af + een nevenvorm van oog (aangepast aan het achtervoegsel -ig)

avondganger m. 1 iemand die ’s avonds zijn geliefde bezoekt • van avond + °ganger

awaard bn. 1 waardeloos • van °a-3 ‘niet; zeer’ + waard

aweg m. 1 verkeerde of onbegaanbare weg, woeste plek: door weg en aweg • van °a-3 ‘niet; zeer’ + weg

awijs bn., awijzig 1 onwelluidend, lelijk klinkend • van °a-3 ‘niet; zeer’ + (afl. van) wijs ‘melodie’

awijzig bn. zie awijs

awind m. 1 windstilte • Westvlaams awind • van °a-3 ‘niet; zeer’ + wind

azage v. 1 beuzelpraat, onzinverhaal • van °a-3 ‘niet; zeer’ + °zage ‘verhaal’

azen v., assen 1 loon, beloning, wedde 2 heffing, belasting • ~ °essen ‘loonwerker; huurling’, °aren2/°aarn2/°arn2 ‘oogst’

 

 

baag m. 1 twist, geschil, ew. °hader 2 opschepperij, gesnoef • ~ °bagel, °bagen

baaien zw. -de 1 verwarmen, warm houden: zich baaien voor de haard 2 week, zacht of krom maken in vuur of heet water: een stok baaien 3 met een (al dan niet lauwe of warme) natte doek of spons bevochtigen en zuiveren: een wond baaien • Antwerps baaien, beien, Drents beeën, Fries baaie, Duits bähen • ~ bad, °bessen/betten, mog. ~ °baal3 en/of bed

baak m. 1 spek, vanouds van de rug van het varken • Zwitsers Bache • een voorloper is uitgeleend aan het Frans en (langs het Engels) teruggeleend als bacon, ~ °bak1 ‘rug’

baal1 bn. zie baluw1

baal2 o. zie baluw2

baal3 o. 1 vuur: baal en brand 2 signaalvuur 3 brandstapel, ew. °eed • Noors bål, IJslands bál • ~ °baaien ‘verwarmen’ dan wel °bel ‘schijnend wit’

baan m., baander 1 doder, doodsoorzaak: te bane worden doden • Engels bane, Noors bane, IJslands bani • ~ °banen ‘slaan; doden’

baander m. zie baan

baanderen zw. -de 1 schrobben, schoonmaken 2 hard werken • Zaans baanderen • ~ boenen, °boen1 ‘schijnend’

baanst v. zie baant

baant m., baanst 1 licht ontvlambare stof, ew. tondel • Belgisch-Limburgs baant, Westvlaams baanst, banst, benst • mog. ~ °banen ‘slaan, houwen’

baar1 bn. 1 dragend, in staat te dragen • hetz. als het achtervoegsel -baar in o.a. dankbaar, ~ °beren1/baren ‘dragen’

baar2 m. 1 vrij man, soldaat • een voorloper is uitgeleend aan het Frans en teruggeleend als baron, ~ °barn ‘kind; dapper man’, °beren1/baren ‘dragen; ter wereld brengen’, mits niet ~ °beren2 ‘slaan, stoten’

baar3 m. zie baruw

baard1 v. zie bard1

baard2 o. zie bard2

bachten vz., bw. 1 achter (in rust): bachten een boom schuilen 2 van achteren (in beweging): een pijl van bachten • Westvlaams bachten • eig. be-achten, ~ achter, °achtem, vgl. °beginden, °behinden, beneden, °bevoren, binnen, °bonden, boven, buiten

bad o. baden 1 tegenspoed, schade, angst • Noors bad • in °baden ‘bedrukken’

bade v. zie baduw

baden zw. -de 1 bedrukken, beangstigen • Noors bada • van °bad ‘tegenspoed’

baduw v., bade 1 strijd, krijg, oorlog, ew. °gond, °hade, °hilde/°hild • in voornamen als Badelog, wel ~ °beden ‘poken, steken’

bagel bn. 1 botsend, strijdig • van °bagen

bagen st. bieg, h. gebagen 1 een geschil hebben 2 schelden 3 opscheppen, snoeven • ~ °baag, °bagel

bak1 m. baken 1 rug van het lichaam 2 rug in het land, welving, hoogte • Engels back, Noors bak, IJslands bak • hetz. als Baak (ouder Bake, Gelderland), in achterbaks, bakboord, °bakwaarts, °bakwoord, ~ °baak ‘spek’

bak2 m. bakken 1 wang, koon 2 kaak • Drents bakken mv., Duits Backe • in bakkebaard, °bakhuis/bakkes, baktand, kinnebak

baken st. boek, h. gebaken 1 bakken • Engels bake, Noors bake, IJslands baka • oude nevenvorm van bakken, ~ °bakeren

bakeren zw. -de 1 weldadig warmen, liefderijk verzorgen: een kind bakeren, zich bakeren in de zon, heet gebakerd driftig, ew. koesteren, °koezen • van °baken/bakken, ~ baker(moeder)

bakhuis o. 1 gezicht, gelaat 2 smoel, mond • hetz. als bakkes (verbastering), van °bak2 ‘wang; kaak’ + huis

bakwaarts bw. 1 achterwaarts, achteruit, ruggelings 2 naar bakboordzijde, links • Fries bakwerts, Engels backwards • van °bak1 ‘rug’ + -waarts

bakwoord o. 1 achterklap 2 laster, smaad • van °bak1 ‘rug’ + woord

bakwoordig bn. 1 achter de rug gesproken 2 lasterlijk, smadelijk 3 vals, onwaar • van °bakwoord

bal bn. baler of baller, -st zie bel

baldaad v. 1 slechte daad, misdaad • van °baluw1 + daad, in baldadig

balgen zw. -de 1 toornen, twisten, vechten, strijden • ~ °belgen1 ‘zwellen; boos worden’

balmond m. 1 slechte voogd • Twents baalmond • in °verbalmonden, van °baluw1 + °mond ‘voogd’

baluw1 bn., baal1 1 slecht, verderfelijk, kwaadaardig • Zaans bal, balt, Drents bal • in °balmond, baldadig, balorig, balsturig, ~ °baluw2, mog. ~ °bellen2/°belen2 ‘bilzekruid’ (een zeer giftige plant), niet ~ balen ‘afkeer hebben’

baluw2 o., baal2 1 slechtheid, verderfelijkheid 2 kwaad, tegenspoed • gew. Engels bale, IJslands böl • ~ °baluw1

baluwen zw. -de, balwen 1 kwaad doen, kwellen, zeren 2 zich kwellen: baluwen op iets azen op iets • Westvlaams (ver)bauwen • van °baluw2, niet ~ balen ‘afkeer hebben’

balwen zw. -de zie baluwen

bam o./m. 1 soort bent, groeiend op natte plekken • Drents bam • wel ~ °bamd/°bemd/beemd (vgl. Zuurbemde, voorheen Súrbam, Vlaams-Brabant), mog. ~ Beemster (Noord-Holland)

bamd m., bemd 1 weiland, met name langs een waterloop • Antwerps bemd, Haspengouws bampt, Limburgs baand, Westfaals band m., bande v. • oude nevenvormen van beemd, wel ~ °bam

ban v. bannen, bans, banst 1 verhoging, ophoging 2 deel van de stal waar de koeien met de achterpoten op staan, voorheen een planken verhoging 3 verhoging in de stal waar het voer wordt gestrooid 4 stal, stalvak 5 schuur, vak of stapel van droge of te drogen waren: een ban hout, het koren in de bans • Antwerps ben, Zuidhollands boes, Veluws banne, Drents banne, ban, bam, Westfaals banse, Oostfaals banse, bansen, gew. Engels boose, boost, boosy, bense, Noors bås, IJslands bás • in °bandeur/°bansdeur, mog. in Ballo (ouder Banlo, Drenthe)

bande v. zie banduw

bandeur m., bansdeur 1 grote, vaak tweeledige deur van de stal of schuur • Gronings baander, baansder, Drents baander, bander, banzer, Fries bander, bandoar, boasdoar, boesdoar • van °ban/°bans/°banst + deur

banduw v., bande 1 teken, sein 2 veldteken, vaan, vaandel • in °benden2 ‘seinen, te kennen geven’, van bannen ‘verkondigen’

bane v. 1 verwonding 2 doodslag 3 verderf 4 schuld • in °banig, ~ °banen ‘slaan; doden’

banen zw. -de 1 slaan, houwen 2 doden • IJslands bana • ~ °baan/°baander ‘doder’, °bane ‘verwonding, doodslag’, °ben ‘wond, verwonding’, °gond1 ‘strijd’, mog. ~ °baant/°baanst ‘tondel’

banig bn. 1 dodelijk • Oostfaals banig • van °bane

baniken zw. -te 1 wandelen, rondslenteren • ~ baan ‘pad’

bank m. 1 verhoging, helling, heuvel, oever • Engels bank • ~ bank ‘zitmeubel’, mog. ~ °ban2 ‘hoop, stapel’

bans m./v. banzen zie ban

bansdeur m. zie bandeur

banst m. zie ban

bant v. banten 1 stuk land 2 landstreek, gouw, woongebied • Fries Bant • in Brabant, Swifterbant (zie °zwifter), Testerbant (zie °tester), ~ °bent/°beint ‘inwoner van een gouw’, wel eig. ‘goed, landgoed’ en ~ °bat ‘goed’

banzen zw. -de, benzen 1 rondlopen, doelloos lopen 2 stevig lopen, draven: de koeien benzen door het land 3 verjagen, verdrijven 4 aanjagen, aansporen 5 dringend verzoeken • Kempens banzen, Gronings bènz(el)en, bìnz(el)en, Twents benzen, Veluws benzen, gew. Engels bense, bensil, bansil

bar1 o. 1 gerst • Fries berre, Engels bar(ley) • in °barren1 ‘gersten, van gerst’

bar2 bn. barder, -st 1 puntig, spits, rechtopstaand 2 fel, stug, weerbarstig • ≠ bar ‘ruw, koud; erg’, in °bar3, °barren2, van °berzen/°barzen

bar3 o. barren 1 dennennaald, sparrennaald, ew. °grane/°graan, °leem 2 dennentak, sparrentak • IJslands barr, Noors bar • van °bar2 ‘puntig’, ~ °berzen/°barzen

bard1 v., baard1 1 bijl: aksen en barden • in hellebaard, mog. ~ bard2/baard2 ‘rand’, anders ~ °beren2 ‘slaan, stoten’ (mits eig. of ook ‘houwen’)

bard2 m., baard2 1 rand, uiteinde • Noors bard o., IJslands barð o. • in Baardwijk, hetz. als baard ‘haar op kin en wangen’ en °brard/°braard ‘rand’, ~ °brord/°broord/boord ‘zoom’, °berzen/°barzen, mog. ~ bard1 ‘bijl’, niet ~ boord o. ‘scheepsdek’ (waarvoor zie °bred)

barm1 m. 1 schoot, boezem • gew. Engels barm, Noors barm, IJslands barmur • van °beren1/baren ‘dragen’

barm2 m. 1 verheffing in het land, heuvel: barmen van zand 2 verheffing in het water, golf • Westvlaams barm, Drents barm, Noors barm, IJslands barmur • oude nevenvorm van berm ‘grasstrook langs de weg’, mog. ~ °burgen2 ‘zich verheffen’ of °beren1/baren ‘dragen’

barm3 m./v., berm 1 gist 2 droesem, drab 3 modder, drek • Duits Barme, Bärme, Engels barm • ~ °brouwen1 ‘gisten, schuimen’

barn o. 1 kind, nakomeling 2 dapper man, held: het waren felle barnen • Fries bern, Schots bairn, Noors barn, IJslands barn • ~ °beren1/baren ‘dragen’, geboren, °beur1 ‘zoon’

barnen1 st. born, h. gebornen zie brinnen

barnen2 zw. -de zie brennen

barren1 bn. 1 gersten, van gerst • van °bar1 ‘gerst’

barren2 zw. -de 1 puntig zijn, rechtop staan 2 stug zijn, weerbarstig zijn • van °bar2

bars m. barzen zie bers

barsen zw. -te zie bersen

baruw m., baar3 1 bos, woud: een groene baruw 2 heilig bos, heilig woud • gew. Engels barrow • mog. ~ °beren2 ‘slaan, stoten’ (mits eig. of ook ‘houwen’ i.v.m. houtkap)

barwe v. -n, -s, berwe 1 baar, draagbaar, brancard 2 lijkbaar • Drents barve, baarve, Gronings baarve, baarf, Oostfries barfe, barf, berve, Engels barrow • ~ baar, berrie, van °beren1/baren ‘dragen’

barzen st. bors, h. geborzen zie berzen1

bas m. bassen, bast 1 bult: een bas op de rug 2 uit de kluiten gewassen man: een dikke bast 3 dik en/of gedrongen kind: een gezond bastje 4 wild zwijn, ew. ever 5 achterste, bil, bout: iemand wat voor zijn bast geven, aan dat beest zitten beste bassen 6 buik, balg: een dikke bas 7 grote hoeveelheid: een bast rogge • Westvlaams bàstje, Gents bas, Gronings bast, bastje, Drents bas, bast, Overijssels basse, Veluws bas, bast (ook in bastig ‘groot’), Westfaals Basse, gew. Zweeds basse • in o.a. bulderbas(t) ‘bulderend iemand’

bassen zw. -te 1 een knal geven, hard slaan, bonken, bonzen, dreunen • Twents basken, Engels bash, Deens baske • ~ °bazen ‘razen’

bast m. zie bas

bat bn. beter, best 1 goed • hetz. als Betuwe (een oud mv.), ~ baat, baten,°batenen, bet-, °boet1 ‘goed’, boete (eig. ‘goedmaking’), wel ~ °bant ‘stuk land’ (dan eig. ‘goed, landgoed’), mog. °bats

batenen zw. -de 1 beter worden, verbeteren • van °bat ‘goed’

bats bn. 1 trots, verwaand • Westvlaams betsch, Gronings bats, batsk, Duits batzig, patzig • mog. eig. ‘(te) goed’ o.i.d. en ~ °bat ‘goed’

bauw m. 1 horzel 2 daas, brems • Fries bau

bazen zw. -de 1 razen, tieren, stormen, met name van de wind 2 raaskallen, wartaal uitslaan • Drents baozen, Fries baze, Noors base • ~ verbazen, bazelen ‘raaskallen’, bassen ‘blaffen’, °boezen/°boezelen/°boezeren/°boesteren ‘razen; raaskallen’, mog. ~ baas, bannen ‘gebieden’

bedaasd bn. 1 roerloos gemaakt, in het bijzonder verbijsterd, verschrikt, bevreesd • hetz. als bedeesd (met gew. klinker), van °bedazen

bedazen zw. -de 1 roerloos maken, in het bijzonder verbijsteren, verschrikken, bevrezen • in °bedaasd/bedeesd, van °daas ‘zich niet of nauwelijks bewegende’, ~ °dazen ‘zich niet of nauwelijks bewegen’

bedeisteren zw. -de zie deisteren

beden st. bad, h. gebeden 1 poken, steken 2 spitten, graven • wel ~ °baduw/°bade ‘strijd’, mog. ~ bed (mits eig. ‘leger’), bats ‘grote schop’

bedvast bn. 1 bedlegerig, aan het bed gekluisterd

been bn. 1 recht, rechtstreeks 2 gastvrij • Fries Biene (eigennaam), IJslands beinn

beenberg v. 1 beenbescherming, beenpantser, scheenplaat • van been + °berg ‘bescherming’

beer v. 1 kleine vlezige vrucht van een plant • Noordbrabants beer, Drents beer, Duits Beere, Engels berry, Noors bær o., IJslands ber o. • oude nevenvorm van bes/bezie, in °aardbeer/°aardbes, °hindebeer/°hindebes

beerlook o./m. 1 daslook, wilde look (Allium ursinum), ew. °rams/°raams • Gents beerlook, Duits Bärlauch, Engels bear leek

beet o. 1 uitholling, uitgraving, groeve, gat 2 klein, open vaartuig, oorspronkelijk een uitgeholde boomstam • Zaans beet, Engels boat (mog. ontleend als boot), verouderd, dichterlijk IJslands beit • ~ °beitel ‘vaartuigje’, beitel ‘gereedschap voor houtbewerking’, °beiten, beet, bijten, bijt ‘in het ijs gehakte opening’

begang m. 1 weg, koers, rondgang 2 uitvoering, uitoefening, bedrijf 3 godsdienstbeoefening, plechtigheid • in °beganger, van begaan

beganger m. 1 iemand die het land bebouwt, ew. landbouwer, landbeganger 2 inwoner, bewoner • van °begang

begeten st. begat, h. begeten zie geten

beginden vz., bw. 1 voorbij, aan de andere zijde (in rust): het land beginden de zee 2 van ginds, vanuit/vanaf de andere zijde (in beweging): de ruiters kwamen van beginden de kimme • Engels beyond • ~ ginder, ginds, gene ‘die’, °gint ‘dat’, vgl. °bachten, °behinden, beneden, °bevoren, binnen, °bonden, boven, buiten

begrijzen st. begrees, h. begrezen 1 iemand honen met gebaren en lelijke gezichten

behinden vz., bw. 1 achter (in rust): behinden een haag schuilen 2 van achteren (in beweging): van behinden aanvallen • Duits hinten, Engels (be)hind • ~ °hinder ‘achter’, °hindeme ‘achterste’, hinderen, vgl. °bachten, °beginden, beneden, °bevoren, binnen, °bonden, boven, buiten

behoeven zw. -de zie hoeven

behossen zw. -te zie hossen

behouden zw. -de 1 bezien, beschouwen, aanschouwen • Engels behold • hetz. als behouden ‘niet verliezen’

beide v. 1 het wachten 2 uitstel: beide maken talmen, zonder beide dadelijk 3 verblijfplaats • ~ beiden ‘wachten’, °bijden ‘wachten’, °bijde

beiden zw. -de 1 dringend verzoeken, aandringen 2 dwingen, afdwingen • IJslands beiða

beinde v., bend 1 boei, kluister • ~ binden, band, bond

beint m. zie bent

beitel o. 1 klein, open vaartuigje • verkleining van °beet ‘uitholling; vaartuig’

beiten zw. -te 1 doen bijten 2 beteugelen 3 jagen 4 testen, uitproberen • Westvlaams beten, Duits beizen, Noors beite, IJslands beita • ~ beitel, bijten, beet, °beet

bek m. 1 kleine, ondiepe vliet • Oostfaals bek, gew. Engels batch, Noors bekk, IJslands bekkur • oude nevenvorm van beek (vgl. ven naast veen)

beknoedelen zw. -de zie beknoelen

beknoelen zw. -de, beknoedelen 1 ter ore komen, bekend worden • ~ °knaaien ‘kennen’, kennen

bel bn. beler of beller, -st, bal 1 schijnend wit, lichtend • ~ bles, °blas ‘wit; bleek’, °blij1 ‘(gelaats)kleur’, blij, blijken, bleek, blik, blinken, blank, °bleet ‘bleek’, °bleisteren ‘flikkeren’, wel °belk ‘meerkoet’, mog. ~ °baal3 ‘vuur’ en/of °bouder ‘prins, vorst’

belde v. 1 boudheid, moed, koenheid • van boud (ouder bold, bald), ~ °belden

belden zw. -de 1 boud maken, moedig maken: hij beldde zich 2 durven, wagen 3 in staat zijn, aankunnen, het hoofd bieden • van boud (ouder bold, bald), ~ °belde

belen1 zw. -de 1 zwichten, wijken 2 bijdraaien, een geschil bijleggen 3 tekortschieten, in gebreke blijven 4 van een voornemen afzien, zijn of haar woord intrekken, bij een koop, verkoop, verdrag, verloving • Antwerps beelen, Zeeuws bêêlen, IJslands bila

belen2 v. zie bellen2

belewit bn. 1 rechtvaardig, eerlijk, goed 2 gelijkmoedig, mild • ~ weten

belewitte m./v. 1 bijnaam van de elf, mensachtig wezen bekend om diens edelheid, rechtvaardigheid, kracht, kunst, schoonheid en rijzigheid • Zuidhollands beeldwit • van °belewit

belgen1 st. bolg, h. gebolgen 1 zwellen 2 boos worden, kwaad worden • ~ °belgen2, °balgen ‘toornen, twisten’, balg ‘buik’

belgen2 zw. -de 1 doen zwellen 2 boos maken, kwaad maken • IJslands belgja • ~ °belgen1

belinnen st. belon, is belonnen zie linnen

belk v. 1 meerkoet • wel ~ °bel ‘schijnend wit’, bles

belken zw. -te 1 roepen, schreeuwen 2 loeien 3 oprispen, boeren • Gronings belken, Engels belch • ~ balken, bulken

bellen1 st. bol, h. gebollen 1 blaffen, bassen • Duits bellen • ~ blaten

bellen2 v., belen2 1 bilzekruid (Hyoscyamus niger), een zeer giftige plant • mog. ~ °baluw1/°baal1 ‘slecht’, vgl. °hennebloem

belok o. beloken, blok 1 omheinde ruimte 2 binnenplaats 3 kist, met name voor het bewaren van offergaven • ≠ blok ‘homp, klomp; balk’, hetz. als blok ‘aantal huizen bijeen’, van °beluiken ‘(om)sluiten’

belter m. 1 dik iets 2 hoop, heuvel • Gelders-Overijssels belter, Westfaals belter, gew. Engels belter • oude nevenvorm van belt, ~ bult, bout (ouder bolt), bal, bil, bol

beluiken st. belook, h. beloken 1 sluiten, dicht doen 2 omsluiten, omvatten • ~ luiken, luik, °belok/°blok, °lok ‘gat’, °look/°leuk ‘omheining’

bemd m. zie bamd

ben v. bennen 1 wond, verwonding • in °bennen ‘(dodelijk) verwonden’, ~ °banen ‘slaan; doden’

bend v. zie beinde

benden1 zw. -de 1 buigen, met name van een handboog • Engels bend • ~ binden, band, bond

benden1 zw. -de 1 seinen, te kennen geven 2 aankondigen • van °banduw/°bande

bennen zw. -de 1 verwonden 2 dodelijk verwonden, doden • van °ben ‘wond’

bent m., beint 1 inwoner van een gouw 2 boerenkinkel • mog. Fries Binte (eigennaam) • in °elbent/°elbeint ‘inwoner van een andere gouw; vreemde’, van °bant ‘gouw, landstreek’

benzen zw. -de zie banzen

berel m. 1 mand, korf 2 vat, ton, grote pot • ~ °beren1/baren ‘dragen’

beren1 st. boor, h. geboren 1 dragen, bij zich hebben: hij boor een ring 2 brengen 3 ter wereld brengen: zij heeft een kind geboren • Westvlaams beren, Engels bear, Noors bere, IJslands bera • in ontberen, hetz. als baren (verbastering), geboren, ~ (steun)beer, °berel ‘mand; vat’, berrie ‘brancard’, °barwe/°berwe ‘brancard’, (draag)baar ‘brancard’, baar ‘golf’, °baar1/-baar, gebaar ‘gedraging’, °barm1 ‘schoot, boezem’, °barn1 ‘kind’, °beur1 ‘zoon’, °beur2 ‘gunstige wind’, °boorden1 ‘last’, °mondboor, °walber, wel ~ bever (dan eig. ‘aldoor dragende’), mog. ~ °baar2 ‘vrij man’, °barm3/berm ‘verheffing’

beren2 zw. -de 1 slaan, stoten 2 kneden • Westvlaams beren, IJslands berja • mog. eig. of ook ‘houwen, met een scherp werktuig bewerken’ en ~ boren, mog. ~ barg ‘gesneden varken’, °bard1 ‘bijl’, °baar2 ‘vrij man, soldaat’, °baruw/°baar3 ‘bos, woud’ (i.v.m. houtkap)

berg v. 1 bescherming, beschutting 2 onderdak, schuilplaats • in °beenberg, herberg, halsberg, ≠ berg ‘aardverheffing’, ~ (ver)bergen, borg, °burgen1 ‘bedekken’, mog. ~ burcht

bergen zw. -de 1 proeven 2 eten • IJslands bergja

bergvrede m. 1 verdedigingstoren

berinnen st. beron, h. beronnen 1 overspoelen, overstromen: de woeste zee beron het land • van °rinnen ‘rennen, stromen’

berk bn. 1 schitterend, licht • Noors bjerk, ~ °brecht, berk ‘boom’, bark ‘bast’, wel ~ Berkel (stroomnaam)

berken st. bork, h. geborken 1 brullen, een scherp en plotseling geluid maken • Engels bark • ~ °borken2

berm m./v. zie barm3

bern m. 1 beer 2 krijger, held, man • Noors björn, IJslands björn • in voornamen als Bernhard, Bernlef, Erben, Gerben, oude nevenvorm van beer, ~ °bers/°bars

bernen1 st. born, h. gebornen zie brinnen

bernen2 zw. -de zie brennen

bers m. berzen, bars 1 beer 2 sterke kerel • gew. Noors besse, IJslands bersi, bessi • ~ beer, °bern

bersen zw. -te, barsen 1 haasten, ijlen, met kracht lopen 2 jagen • Westvlaams berschen, beerschen, Gronings birsken, birsen, birzen, Duits birschen, pirschen

bersten st. borst, is geborsten zie bresten

berwe v. -n, -s zie barwe

berzen st. bors, h. geborzen, barzen 1 steken, snijden • ~ °bar2 ‘puntig’, °bar3 ‘dennennaald, sparrennaald’, bars, baars, °borst ‘stekelhaar’, borstel, °brard/°braard, °bard2/°baard2 ‘rand’, °brord/°broord/boord ‘stekel; scherpe rand’

berzen2 zw. -de zie bersen

bessen zw. -te 1 bevochtigen, nat maken, met name met warm water: een wond bessen • Westvlaams bessen • hetz. als betten (oude nevenvorm), van bad, ~ °baaien

besten st. -te 1 rijgen, met grote steken vastmaken 2 verenigen • van bast

bestuipen zw. -te zie stuipen2

bet vz. 1 tot: bet aan der tijd • Duits bis • van bij/be- + toe/te

betelden st. betold, h. betolden zie telden

beudel m. 1 bode 2 gerechtsbode • Duits Büttel • hetz. als beul ‘scherprechter’ (verbastering), van (vervoegde vorm van) (ge)bieden + °-el2, ~ bode, bod, gebod, verbod

beugen zw. -de of onr. bocht, h. gebocht 1 kopen, aanschaffen 2 ruilen • Engels buy • ~ °bucht

beun v., bun 1 verhoging, ook in het land 2 verhoogde planken vloer 3 zolder, zoldering, vliering • Gronings beun, beune, Drents beun, beune, bön, Gelders-Overijssels bönne, Veluws beun, beune, Duits Bühne, mog. gew. Engels bin ‘scheepsboord’ • in beunhaas, ~ °bon/°buin ‘ontkiemd; verrezen, hoog’, °buining ‘verhoging’

beur1 m. 1 zoon 2 kind 3 afstammeling, telg • ~ °beren1/baren ‘dragen’, °barn1 ‘kind’, geboren

beur2 m. 1 gunstige wind 2 mogelijkheid, gelegenheid, kans 3 gebeurtenis • Noors bør • ~ (ge)beuren, °beren1/baren ‘dragen’

bevoren vz., bw. 1 voor, in de aanwezigheid van (in rust): buigen bevoren de koning 2 van voren (in beweging): wind van bevoren, te voren, voorheen, voordien: bevoren gezegd 3 (vw.) voordat, alvorens, vooraleer: bevoren wij eten • Engels before • van voor, vgl. °bachten, °beginden, °behinden, beneden, binnen, °bonden, boven, buiten

bewissen zw. -te 1 wis maken, zeker maken, bewijzen 2 zekeren tegen mogelijke moeilijkheden • van wis ‘zeker’

bezen m. 1 afwachting • ~ °bijden ‘wachten’, beiden

bezoeven zw. -de 1 doen smaken, doen proeven 2 verschaffen • ~ beseffen, °zeve

bied m./o. 1 tafel • IJslands bjóð

bien onr. bet, was, is gewezen 1 zwellen, groeien, groter worden 2 ontkiemen, ontspruiten, ontstaan, verrijzen 3 worden 4 zijn, wezen: te bien of niet te bien • Engels be • teg. tijd aantonende wijs: ik ben, du best, hij/zij/het bet, wij/jullie/zij bien, gij/jij biet • ~ °bouw ‘oogst; gerst’, °bouwen/°boeien ‘wonen; maken’, °bon/°buin ‘ontkiemd; verrezen, hoog’, °beun ‘verhoging’, °bode/°bodde/°bod/bot ‘knop, uitspruitsel’, °bodig ‘lijf’, bui ‘vlaag, slecht weer’ (eig. ‘zwelling van de lucht’), °bui ‘jongen’ (eig. ‘groeiend’), boos ‘verbolgen’, wel ~ buizen ‘onmatig drinken’ (eig. ‘zwellen’)

bijde v. 1 het wachten 2 uitstel • ~ °bijden ‘wachten’, beiden ‘wachten’, °beide

bijden st. beed, h. gebeden 1 wachten 2 verwachten • IJslands bíða • ~ °bijde, beiden, °beide, °bezen ‘afwachting’

bijen1 zw. -de 1 slaan, houwen 2 vechten, strijden • IJslands bjá • mog. ~ °bijten, °bijlen1 ‘blaffen’ (vgl. aanslaan ‘blaffen’)

bijen2 zw. -de 1 vrezen, huiveren 2 (tegenspoed) voorzien, voorspellen • Noors bjå • ~ beven, mog. ~ bietebauw ‘bullebak, boeman’ (naast bijtebauw, bijdebauw, bijbauw, biebauw), en/of bijster, °bijs, °bijzen ‘onstuimig heen en weer gaan’

bijl m. 1 het ogenblik waarop het gejaagde hert, van alle zijden door de honden aangeblaft, tot het uiterste wordt gebracht: te bijl staan 2 verweer, strijd • verouderd Duits Beil • ~ °bijlen1 ‘blaffen’ (vgl. Engels to keep at bay ‘zich van het lijf houden’ bij to bay ‘blaffen’)

bijlen1 zw. -de 1 blaffen • ~ °bijl, mog. ~ °bijen1 ‘slaan’ (vgl. aanslaan ‘blaffen’)

bijlen2 zw. -de 1 onthoofden

bijnen zw. -de 1 staren, turen • Noors bina • ~ been

bijs m./v. bijzen, bijze 1 wind, koude wind, noordenwind, krachtige wind, wervelwind 2 vlaag, bui, regenbui 3 schommel • Westvlaams bijs, bijze, Gelders-Overijssels bieze • ~ °bijzen, bijster, mog. ~ °bijen2 ‘huiveren’, beven ‘trillen’

bijspel o. -spellen 1 toepasselijk of zinnebeeldig verhaal, gelijkenis, parabel 2 zedeles 3 spreekwoord, zedespreuk 4 voorbeeld • Duits Beispiel • van bij + °spel ‘verkondiging, verhaal’

bijvang m. 1 omheinde ruimte, begrensd gebied 2 erf, grondgebied 3 rechtsgebied • Brabants bijvank • ~ bevangen

bijze m./v. zie bijs

bijzen zw. -de, bissen 1 onstuimig heen en weer gaan 2 onrustig ronddraven, wild rondlopen, van vee en vooral door tocht, hitte of insecten 3 op een dwaalspoor zijn, rondzwerven • Westvlaams bijzen, Gelders-Overijssels bisen, bissen, Fries biizje • ~ °bijs, bijster, mog. ~ °bijen2 ‘huiveren’, beven ‘trillen’

bil o. billen 1 zwaard, ew. °brand, °eg, °heer/°heur, °maak 2 bijl • Brabants bil, Duits Bille, Engels bill • in °billen ‘houwen, slaan’, van de wortel van bijten + °-del/°-l

billen zw. -de 1 houwen, slaan • Gelders-Overijssels billen, Fries bilje, Duits billen • hetz. als billen ‘molensteen scherpen’, van °bil ‘houwwerktuig’

bingen st. bong, h. gebongen 1 verdikken, dicht worden of maken • gew. Engels bing • ~ (bos)bingelkruid (groeit als een dicht kleed op de bosbodem), °bong1 ‘hoopje’, bonk ‘groot stuk, been’, wel ~ bengel/bungel ‘knuppel, klepel’ (gew. ‘blok om been of hals van dieren’), bengelen/bungelen ‘als een klepel hangen’

bissen zw. -te zie bijzen

bla bn. 1 hemelkleurig • Oostvlaams blaa, blaat, Westfaals blå, Noors blå, IJslands blår • oude nevenvorm van blauw

blaad1 m. 1 adem, geest, leven • van °blaaien ‘blazen’

blaad2 v. 1 bloem, bloesem 2 vrucht, fruit 3 opbrengst • ~ blad, bloeien, bloem, bloesem

blaaien st. blieuw, h. geblaaien 1 blazen 2 waaien, wapperen • Westvlaams blaaien, Gronings blaaien, Duits blähen, Engels blow • ~ blazen, °blaad1 ‘adem, geest, leven’, blein ‘(bloed)blaar’, mog. ~ bloed

blaak v. 1 dikke rook 2 gloed, vlam • Brabants blaok • ~ blaken, °blaksem/°blassem, wel ~ °blak1

blaast m., blast 1 luchtstoot, luchtstroom 2 adem • Gronings blast, Engels blast, IJslands blástur • ~ °blaaien, blazen

blach v. 1 doek, vooral ter bedekking van iets, ruw linnen • Duits Blache, Blahe, IJslands blæja

blachteren zw. -de zie blafteren

blaf bn. 1 vlak, even, wijd • Zeeuws blaf • mog. eig. belaf en ~ °lap/°lab ‘handvlak’, °loeve/°loef ‘handvlak’

blafteren zw. -de, blachteren • flikkeren, op en neer gaan, van een vlam • Zaans blafteren, blachteren • mog. eig. belafteren

blak1 bn. blaker of blakker, -st 1 zwart, roetkleurig, ew. °hoorn • Engels black • ~ °blak2 ‘zwarte inkt’, °blekken ‘zwart verven’, wel eig. ‘(zwart)geblakerd’, ~ blakeren, blaken, °blaak, °blaksem/°blassem, anders mog. ~ blauw

blak2 o. blaken 1 zwarte inkt • Oostfries blak, Engels black • in °blakhoorn, °blakvis, ~ °blekken ‘zwart verven’, van °blak1 ‘zwart’

blakhoorn m. 1 inkthoorn, inktpot • van °blak2 ‘zwarte inkt’ + hoorn

 

 

blaksem m., blassem 1 vlam, vuurgloed • Gronings blaksem • ~ blaken, °blaak, wel ~ °blak1, niet ~ bliksem

blakvis m. 1 inktvis, zeekat • van °blak2 ‘zwarte inkt’ + vis

bland o. 1 mengsel • IJslands bland • ~ °blanden

blanden st. blind, h. geblanden 1 mengen: mede blanden honingwijn mengen, in gereedheid brengen 2 vertroebelen • Noors blande, IJslands blanda • ~ blind, °blunden ‘suffen’, °blunt ‘troebel; dom; bot’, blunder

blas bn. blazer of blasser, -t 1 wit, schijnend 2 bleek • Drents blas • ~ bles, °bel ‘schijnend wit’

blassem m. zie blaksem

blast m. zie blaast

bleet bn. 1 bleek, blauwig • ~ blitte, °bel ‘schijnend wit’

bleisteren zw. -de 1 flikkeren, glinsteren • ~ °bel ‘schijnend wit’

bleiven zw. -de zie leiven

blekken zw. -te 1 zwart verven, voorheen onder meer met inkt uit elzenbast • van °blak2 ‘zwarte inkt’

bleus o. bleuzen 1 fakkel, toorts 2 brandhout • Zeeuws bleus, IJslands blys • ~ blos, blozen, wel ~ °bel ‘schijnend wit

blieg bn. 1 verlegen, schuchter

blij1 o. 1 kleur 2 gelaatskleur • ~ blij (ouder blijde), °bel ‘schijnend wit’

blij2 o. zie bluw

blitte v. 1 verbleking, blauwige verkleuring • ~ °bleet

bloester o. 1 offer, offering • ~ °bloeten

bloeten st. bliet, h. gebloeten 1 offeren, een offer brengen: aan de goden bloeten 2 doden ter offering: een ros bloeten • Noors blote, IJslands blóta • ~ °bloester

blok o. bloken zie belok

blunden zw. -de 1 suffen • IJslands blunda • ~ °blanden ‘mengen; vertroebelen’, blind, °blunt ‘troebel; dom; bot’, blunder

blunt bn. blunter, -st 1 troebel, beneveld, onhelder 2 onhelder van geest, dom, onhandig 3 bot, stomp • Engels blunt • ~ °blunden ‘suffen’, °blanden ‘mengen’, blind, blunder

bluw o., blij2 1 lood • Westfaals blî, Duits Blei, Noors bly, IJslands blý

bocht m. zie bucht

bod m./v. bodden zie bode

bodde m./v. zie bode

boddelen zw. -de zie bodden

bodden zw. -de, boddelen 1 dicht over de grond of bodem voortgaan 2 kruipen 3 het stof opjagen onder het lopen 4 door modder of vuiligheid lopen 5 moeizaam voortgaan 6 sloven, zwoegen, arbeiden 7 graven, wroeten, woelen 8 voortschuiven, glijden, sleden • Veluws bodden, Fries bodje, Duits buddeln • wel ~ bodem

bodding o. 1 rechtsvergadering waartoe men ontboden is • Drents bodding • van bod + °ding ‘rechtsvergadering’

bode m./v., bodde, bod 1 knop, uitspruitsel 2 jong, jong dier, jong kind • Noordbrabants budde (in budden ‘knoppen, uitkomen’), Duits Butte (in Hagebutte), Engels bud, gew. Noors budda • oude nevenvormen van bot ‘knop’, in °anderbode ‘bloeiende knop’, ~ °bien ‘zwellen, groeien; zijn’, wel ~ °bodig ‘lijf’, mog. ~ Averbode/Eiverbeu (Vlaams-Brabant)

bodig o./m. 1 lijf, ew. °krop, °lijk, °lijkhaam/lichaam, °rif 2 romp • Engels body, verouderd Duits Bottech • wel ~ °bode/°bodde/°bod/bot ‘knop, uitspruitsel’ en °bien ‘ontkiemen, groeien; zijn’

boede v. 1 huisje, gebouwtje, schuurtje, meestal van hout 2 kraam, winkel, tent • Drents boede, Zaans boed, Noors bod, IJslands búð • van °bouwen/°boeien

boeg m. 1 tak 2 schouder met arm, ew. °ans • Engels bough • hetz. als boeg ‘voorsteven’, ~ boom

boeien st. bieuw, h. geboeien zie bouwen

boek v. 1 wisse grote loofboom met gladde bast (Fagus sylvatica) • Fries boek, Duits Buche, Engels beech, Zweeds bok • hetz. als beuk (met gew. klinker), in boekvink, boekweit, Boekt (Vlaams-Brabant), Boekhout (Belgisch-Limburg), Boekelo (Overijssel), ~ °boekel, wel ~ boek (de eerste ‘boeken’ waren houten plankjes met was)

boekel v. 1 beukennoot • bij °boek/beuk zoals eikel bij eik

boekstaaf m. zie boekstaf

boekstaf m. -staven, boekstaaf 1 letter, Latijns schriftteken, i.t.t. ruinstaf • Duits Buchstabe, Noors bokstav, IJslands bókstafur • in boekstaven ‘te boek stellen, opschrijven’, van boek + °staf1 ‘schriftteken’

boel bn. 1 lief, geliefd, bemind • in boel ‘bijzit’ (eig. ‘geliefde, beminde’)

boen1 bn. 1 schijnend, glanzend, wit, mooi • ~ boenen, °baanderen ‘schrobben’ (beide eig. ‘schijnend maken’)

boen2 v. 1 verzoek 2 bede, smeekbede 3 gebed • Engels boon, IJslands bón • mog. ~ bannen

boest v. 1 bolster, (noten)dop • Brabants boest • ~ bast

boesteren zw. -de zie boezen

boet1 bn. 1 goed • ~ °bat ‘goed’

boet2 m. 1 liefkozende aanspreekvorm van een jongen: kom, boet! • Afrikaans boet, Gronings buit • wel van °boet1 ‘goed’

boeten zw. -te 1 ontsteken, (vuur) aanleggen, opstoken • Gronings buiten • wel hetz. als boeten ‘beter maken’, ~ °boet ‘goed’

boezelen zw. -de zie boezen

boezeren zw. -de zie boezen

boezen zw. -de, boezelen, boezeren, boesteren 1 razen, tieren, drukte maken, ook van de wind 2 raaskallen, wartaal uitslaan 3 met bedrijvige drukte allerlei bezigheden verrichten 4 hard werken 5 een knal geven, slaan, hard kloppen 6 vloeken • Zeeuws boesteren, Veluws boesteren, Drents boezen, boezeln, boezern, Fries bjiskje • hetz. als beuzelen (met gew. klinker), ~ °bazen ‘razen’

bol m. bolen, bool 1 boomstam 2 boomstronk 3 dikke plank • Westvlaams bol, bul, Veluws bol, bolle, Duits Bohle, Engels bole, IJslands bolur • mog. in bolwerk, wel ~ °bien ‘zwellen’

bolk m. 1 loopplank • ~ balk, mog. ~ blok ‘groot stuk’

bomelijn o. 1 boompje • Duits Bäumlein • van boom + °-elijn

bomen zw. -de 1 stralen: de zon boomt in mijn ogen • Westvlaams boomen, Engels beam • van boom

bon bn. boner of bonner, -st, buin 1 ontkiemd, (op)gegroeid, ontsproten, ontstaan 2 verrezen, hoog • Fries Bone, Bunne, Bune (voornamen), gew. Engels bown ‘gezwollen’ • in °buining ‘verhoging’, van °bien ‘ontkiemen, ontstaan, verrijzen; zijn’, ~ °beun ‘verhoging’

bonden vz., bw. 1 beneden (in rust): bonden in het gras 2 van onderen, van beneden (in beweging): een beest van bonden de grond • Duits unten • eig. be-onden, ~ onder, vgl. °bachten, °beginden, °behinden, beneden, °bevoren, binnen, boven, buiten

bong1 m./v. 1 hoopje • Zeeuws bonge, IJslands bunga • van °bingen ‘dichten, verdikken’

bong2 v. 1 trommel • gew. Duits Bunge • ~ bonken

bood m. 1 gebieder, heerser • in Radbod, ~ bieden

boog m. 1 ring 2 armband • IJslands baugur • ~ buigen, boog ‘kromming; wapen’

bool m. zie bol

boorden1 v. 1 last 2 verplichting • Engels burden • ~ °beren1/baren ‘dragen’

boorden2 zw. -de zie brorden

bork m., borken1 1 struikgewas • Oostfries Borkum (het eiland, voorheen Borkne), Westfaals Borken (oordnaam), Noors burkne, IJslands burkni • wel in Borkel (Noord-Brabant), Borculo (Gelderland), Borkeld (Overijssel), Westerbork (Drenthe), ~ °braak2 ‘tak; struik(gewas)’, °brogen1 ‘tak, twijg’

borken1 zie bork

borken2 zw. -te 1 brullen, bulderen • Noors borka, ~ °berken

bors m. borsen zie bros

borst m./v. 1 stekelhaar • ≠ borst ‘voorzijde van het bovenlijf’, in °borsten, ~ borstel, °berzen/°barzen

borsten zw. -te, verborsten 1 zijn borstels opzetten, de haren opzetten (gezegd van een dier): zich verborsten kwaad worden, woedend worden, toornig worden • Duits sich bürsten • van °borst ‘stekelhaar’, ~ °verborst

bos m. bossen, bus 1 wisse kleine wintergroene loofboom (Buxus sempervirens), bekend om zijn zeer sterke hout 2 doosje, potje van dit hout • Westvlaams bosseboom, busseboom, Duits Buchs, Buchsbaum, Büchse, Engels box, Bix (oordnaam) • ≠ bos ‘geboomte’, hetz. als bus ‘doos, blik’ (oneig.), buks/buksboom (o.i.v. buxus), ~ °bost/°bust, °bussen, beschouwd als vroege ontlening van Latijn buxus, maar mog. samen uit het Keltisch en ~ buigen, boog (i.v.m. het zeer geschikte hout voor handbogen)

bost m./v., bust 1 groep buxussen • hetz. als Bost (Oost-Vlaanderen), Roborst (ouder Bost, Oost-Vlaanderen), van °bos/°bus

botel m. 1 hamer, slagwerktuig • ~ °boten

boten st. biet, h. geboten 1 slaan, kloppen • Vlaams boten, Engels beat • ~ °butten ‘duwen’

bouder m. 1 prins, vorst, held • IJslands Baldur (godennaam) • mog. ~ °bel ‘schijnend wit’

bout m. 1 mannelijk dier, in het bijzonder een kater • Duits Bolze, Noors bolt • ~ °bouten ‘stoten’, bout ‘metalen staaf; poot’

bouten zw. -te, bulten 1 stoten, omverstoten, met de hoornen stoten 2 vooruitstoten, vooruitstormen • Westvlaams bulten, Duits bolzen, Engels bolt, gew. Noors bolta, Zweeds bulta • ~ °bout ‘mannelijk dier, kater’, bout ‘metalen staaf; poot’

bouw o. 1 oogst, opbrengst 2 gerst • Noors bygg, IJslands bygg • ~ °bouwen, °bien ‘ontkiemen, groeien; zijn’

bouwen st. bieuw, h. gebouwen, boeien 1 wonen, verblijven, vertoeven 2 volhouden, uithouden • Westvlaams boeien, geboeien, Noors bo, bu, IJslands búa • hetz. als bouwen ‘bewerken van het land, maken’ (oneig.), ~ °boede ‘huisje’, (in)boedel/boel, boer, (land)bouw, gebuur, buur ‘woning’, buurt, °bien ‘ontstaan; zijn’

bra v. zie brauw1

braad m. 1 adem • Engels breath • ~ °braaien, °bradem

braag v. zie brauw1

braaien zw. -de 1 dampen, geuren, ruiken • ~ °braad, °bradem, mog. ~ beer ‘drek, mest’, geur

braak1 bn. 1 brekend • in °eebraak, ~ breken,
°breksem

braak2 m. 1 tak, twijg 2 struik 3 wild, dicht struikgewas, dicht kreupelhout: bos en braak • Oostfries brâk, Engels brake, bracken, gew. Noors brake • wel in Brakel (Gelderland), ~ °bork/°borken1 ‘struikgewas’, °brogen1 ‘tak, twijg’

braard m. zie brard

braas v. brazen 1 houtskool 2 vuur • Westvlaams braze, Engels brass, Noors bras o., Zweeds brasa • ~ °brazen ‘vlammen’, mog. ~ braden, broeien, °brinnen/°bernen1/°barnen1

bracht1 m., brachtem1 1 flikkering, schittering • Duits Pracht (ontleend als pracht) • ~ °brien ‘flikkeren’, niet ~ °brecht

bracht2 m., brachtem2 1 lawaai, herrie, misbaar • wel ~ breken

bracht3 v. 1 hoogte, heuvel, berg • Westfaals Bracht (naam van meerdere bergen) • ~ °brogen2 ‘zich verheffen’

brachtem1 m. zie bracht1

brachtem2 m. zie bracht2

bradden zw. -de zie bratten

brade v. 1 mals, eetbaar vlees 2 zacht, vlezig gedeelte van het menselijk lichaam 3 vlezig gedeelte van het been, kuit 4 spier, vezel • Westvlaams bra, Limburgs braai, IJslands bráð • in wildbraad, °bradig, niet ~ braden

bradem m. 1 damp, adem • Duits Brodem  ~ °braaien, °braad

bradig bn. 1 vezelachtig, vezelig • van °brade

bragd m./o. 1 snelle, plotselinge beweging, ruk 2 kunstgreep, list • IJslands bragð • van °bregden/breien ‘snelle bewegingen maken’

bragen1 zw. -de 1 schitteren, flikkeren, fonkelen 2 vlammen 3 beven, trillen • Noors brage, IJslands braga • ~ °brien ‘flikkeren’

bragen2 m. 1 brein, hersenen • Drents bragen, Gronings broagens, broagems mv. • nevenvorm van brein

brak m. brakken 1 welp, jongeling 2 jonge reu 3 wilde, ondeugende jongen, rakker • Noordbrabants brak, Westvlaams brakke, Zaans brak, Veluws brak, Beiers Brackel ‘grote man’, Zwitsers Brack, Bräck • hetz. als brak ‘speurhond’ (oneig.), mog. eig. ‘groeier’ o.i.d. en ~ °brogen2 ‘zich verheffen’

braken st. broek, h. gebraken 1 breken, in elkaar slaan • ≠ braken ‘overgeven’, ~ breken

bramel m. 1 braamstruik 2 braambes • Gronings brommel, Engels bramble • ~ braam, mog. ~ °brom

brammen zw. -de 1 roepen, brullen 2 pralen, luidruchtig opscheppen • ~ °bremen, brommen

brand1 m. 1 zwaard, ew. °brand, °eg, °heer/°heur, °maak • IJslands brandur • in brandschoon, namen als Gerbrand, IJsbrand, wel hetz. als brand ‘vuur(gloed)’, anders mog. ~ braam ‘oneffen rand’ (ouder ‘rand’, vgl. °eg ‘scherpe rand; zwaard’)

brand2 m. 1 voorsteven • verouderd IJslands brandur

brang v. 1 strijd, oorlog • gew. Engels brangle, IJslands brang • mog. oude nevenvorm van °prang ‘worsteling; twist’

brant bn. 1 hoog, rijzig 2 steil 3 diep 4 moeilijk, lastig • gew. Engels brant, brent, Noors bratt, IJslands brattur • in °brenten ‘omhoog gaan’, van °brinten ‘zwellen’

brard m., braard 1 rand, marge 2 steven • gew. Noors bradd • hetz. als °bard2/°baard2, ~ °brord/°broord/boord, °berzen/°barzen

brasen zw. -te 1 grootspreken, pochen, bluffen, met luide stem • Gronings broasken, Deens braske

bratten zw. -te, bradden 1 een smeerboel maken, knoeien, morsen • Westfries bratten, Limburgs braddeln, ~ °brod2/°brot2 ‘smeerboel’, mog. ~ °breden ‘onderwerpen’ (mits eig. ‘modderig maken’ o.i.d.)

brauw1 v., bra, braag 1 ooglid 2 ooghaar • Veluws bra, brage (in ogebraan mv., wiendbragen mv.), verouderd Gronings broage (in wienbroage), gew. Engels bree, Noors brå, IJslands brá • in °windbrauw/wimper, ~ °brien ‘flikkeren’, °bragen1 ‘flikkeren’, niet ~ °brauw2, wenkbrauw (wel ermee verhaspeld)

brauw2 m. 1 rand, zoom 2 kant, kroon 3 voorhoofd • Westvlaams brauw, brauwe, Duits Braue • in wenkbrauw, ~ °bruin3 ‘wenkbrauw; rand’, °bru/°brou, °brug/°breug, niet ~ °brauw1 ‘ooglid; ooghaar’ (wel ermee verhaspeld)

brazen zw. -de 1 vlammen • Engels braze, Noors brase, IJslands brasa • ~ °braas ‘houtskool; vuur’, mog. ~ braden, broeien, °brinnen/°bernen1/°barnen1

brecht bn. 1 helder, glanzend, stralend, licht • Engels bright, Noors bjart, IJslands bjartur • in namen als Albrecht/Albert, ~ berk ‘boom’, °berk ‘schitterend, licht’, bark ‘bast’, niet ~ °bracht1/°brachtem1

bred o. breden, brederen 1 plank, met name legplank, schap 2 houten blad, bord 3 tafel • Drents bred, bröd, Gronings bred, Westfaals bred, Duits Brett, gew. Engels bred • oude, meer oorspr. nevenvorm van berd (in te berde brengen), ~ brits ‘planken bed’ (gew. brids), bord, boord o. ‘scheepsdek’, niet ~ boord m. ‘zoom’ (waarvoor zie °brord/°broord)

brede v., bree 1 handvlak, ew. °dinder, °lab, °lap, °loeve, °volm • ~ breed

breden zw. -de 1 onderwerpen, vellen, op de knieën brengen • mog. eig. ‘modderig maken’ o.i.d. en ~ °brod2/°brot2 ‘smeerboel’, °bratten/°bradden ‘een smeerboel maken’

bree v. zie brede

breem v. 1 slagboom, grendel 2 poort van ijzeren spijlen • Antwerps brèèm

bregden st. brogd, h. gebrogden 1 snelle bewegingen maken, al dan niet heen en weer 2 rukken, trekken • IJslands bregða • hetz. als breien (verbastering), ~ °bragd ‘snelle beweging’, °brien ‘flikkeren’

breksem m. 1 braak, doorbraak (bijvoorbeeld in een dijk) • ~ breken, °braak1

bremen st. bram, h. gebromen 1 dreunen, gonzen • ~ °brammen, brommen, bremmen, brems, bronst, mog. ~ °brim ‘branding; zee’

brennen zw. -de, barnen2, barnen2 1 in brand steken, doen branden • Fries baarne, Duits brennen, Noors brenne, Zweeds bränna, IJslands brenna • ~ °brinnen/°bernen1/°barnen1

brenten zw. -te 1 omhoog gaan, draaien, buigen • van °brant ‘hoog’

bresten st. brast, is gebrosten, bersten 1 breken, splijten, uiteenscheuren 2 ontspruiten, voortspruiten 3 ontbreken, niet voorhanden zijn • Duits bersten, Engels burst, Noors breste, IJslands bresta • oude, meer oorspr. nevenvormen van barsten, ~ °brust2

breug v. zie brug

breugel m. 1 knuppel, knots • Duits Prügel, ouder Brügel • mog. ~ °brug/°breug, °brouwen2 ‘stoten; slaan, houwen’

brieden st. brood, is gebroden 1 vervallen, vergaan, te gronde gaan, uiteenvallen • ~ °brouwen2, wel ~ °brood/°brodig ‘zwak’

brien st. brag, h. gebrien 1 flikkeren, schitteren, glanzen • verouderd Duits brehen, verouderd IJslands brjá  °bracht1/°brachtem1 ‘flikkering’, °bragen1 ‘flikkeren’, °bregden/breien ‘snelle bewegingen maken’, °brauw1/°bra/°braag ‘ooglid; wimper’

briest o. 1 voorzijde van het lichaam • Engels breast, IJslands brjóst • ~ °brust1/borst

briet m. 1 stuk, scherf, brok • Gronings brait, Fries brjit • van °brieten

brieten st. broot, h. gebroten 1 breken, afbreken, vernietigen 2 openbreken, ontkiemen • IJslands brjóta • ~ °briet, °brot1, °brutten, °brouwen2

briezen st. broos, is gebrozen 1 breken, stuk gaan • ~ °brozem, °brozen, °brozenen, broos, °brussen, °brouwen2

brijken zw. -te 1 uitsteken, overeind staan 2 pralen, flonkeren • Noords brikja • oude nevenvorm van prijken ‘opzichtig zijn’, °prijgen/°prijen ‘streven; omhoog streven; tegenstreven’

brim o. bremen 1 branding 2 zee • IJslands brim, Noors brim • mog. ~ °bremen ‘dreunen, gonzen’, anders mog. met br- uit mr- en ~ meer

bringen st. brong, h. gebrongen 1 vervoeren 2 voeren, leiden • Duits bringen, Engels bring • ~ brengen

brinnen st. bron, h. gebronnen, bernen1, barnen1 1 branden, in brand staan, in vuur en vlam staan, vlammen 2 gloeien, stralen 3 flikkeren, fonkelen, stralen 4 in hartstocht zijn • Westvlaams barnen, Zaans barnen, gew. Duits brinnen, Engels burn, Zweeds brinna, IJslands brenna • in barnsteen, ~ °brennen/°bernen2/°barnen2, brand (vanwaar branden), °bronde, °brunst, mog. ~ broeien, braden, °braas ‘houtskool; vuur’, °brazen ‘vlammen’

brinten st. brant, is gebronten 1 opwellen, zwellen, dijen • ~ °brant ‘hoog’

brod1 o. 1 vleesnat, bouillon • Engels broth • mog. ~ brouwen1 ‘gisten, schuimen’

brod2 v./m. brodden, brot2 1 smeerboel, geknoei 2 verwarde, ingewikkelde zaak: in een brod zitten • Westvlaams brodde, Fries brot, brut, Schots brot • mog. oude nevenvorm van prut, ~ brodd(el)en, °bratten/°bradden, mog. ~ °breden ‘onderwerpen’ (mits eig. ‘modderig maken’ o.i.d.)

brodig bn. zie brood

broederbaan m., broederbaander 1 doder van zijn broeder, broedermoordenaar • van broeder + °baan

broederbaander m. zie broederbaan

broeg m. 1 verschrikking • mog. gew. Engels brough, broch, broof, bruff ‘kring om de zon’ • in °broegen

broegen zw. -de 1 verschrikken • van °broeg

broelen zw. -de 1 huilen, wenen 2 loeien • Westvlaams brielen, Veluws brulen, Noors brøle • ~ brullen

broem m. 1 schuim: broem op de mond • Antwerps broem, brom • in °broemen, ~ °brouwen1 ‘gisten, schuimen’

broemen zw. -de 1 schuimen: het water broemt • Antwerps broemen, brommen, gew. Engels breme • van °broem

brogen1 m. 1 tak, twijg • gew. Noors brogn, brogne • ~ °braak2 ‘tak; struik(gewas)’, °bork/°borken1 ‘struikgewas’, mog. ~ °brogen2

brogen2 zw. -de 1 zich verheffen 2 steigeren 3 pralen • Zwitsers brogen • ~ °bracht3 ‘hoogte, heuvel, berg’, mog. ~ °brogen1, °brak ‘welp’ (mits eig. ‘groeier’ o.i.d.)

brom m. bromen 1 twijg 2 knop, kiem • gew. Duits Brom, Noors brum o., IJslands brum o. • ~ braam, °bramel dan wel °brouwen2 ‘stoten’ (vgl. scheut bij schieten)

bronde m. 1 jeuk • wel ~ brand, °brinnen/°bernen1/°barnen1

brood bn., brodig 1 zwak, krachteloos • wel ~ °brieden ‘vervallen’

broodganger m. 1 bedelaar • van brood + °ganger

broord m. zie brord

broorden zw. -de zie brorden

brord m., broord 1 scherpe punt, spies, stekel, doorn 2 scherpe rand, snede 3 rand, zoom • IJslands broddur, Noors brodd • hetz. als boord ‘zoom’ (verbastering), in Willebrord, °brorden/°broorden/°boorden2, ~ °brard/°braard, °bard2/°baard2, °berzen/°barzen, °eindebreurd/°eindebeurd, niet ~ boord ‘scheepsdek’ (waarvoor zie °bred)

brorden zw. -de, broorden, boorden2 1 steken, prikken 2 stikken, naaien 3 versieren met naald en garen • van °brord/°broord/boord, voorlopers werden uitgeleend aan het Frans, waarvan afleidingen vervolgens werden teruggeleend als broderie en borduren

bros m. brossen, bors 1 struikgewas, kreupelhout, heester • Noors brusk

brosem m. zie brozem

brot1 o. broten 1 (afgebroken) stuk, fragment • ~ °briet, °brieten, °brutten

brot2 v./m. brotten zie brod2

brou v. zie bru

brouwen1 st. brieuw, h. gebrouwen 1 gisten, schuimen, borrelen • hetz. als brouwen ‘(bier) bereiden’, ~ °broem ‘schuim’, bron, brood, °bruid1 ‘spoeling; vuile pekel, °bruin1 ‘pekel’, bruisen, °barm3/°berm ‘gist’, wel ~ bier, mog. ~ °brod ‘vleesnat’, beer ‘drek, mest’

brouwen2 zw. -de 1 stoten 2 slaan, houwen • Fries brouwe, mog. gew. Engels brow ‘ruig gras en bramen weghalen’ • ~ °brieden ‘vervallen’, °brieten ‘breken’, °briezen ‘id.’, wel ~ °bruien ‘slaan’, °bruin2 ‘glanzend, gepoetst’, mog. ~ °bruid2, °breugel ‘knuppel’, °brom ‘twijg; knop, kiem’

brozem m., brosem 1 brok, brokstuk 2 brokje, (brood)kruimel • Limburgs brosem • ~ °briezen ‘breken, stuk gaan’

brozen zw. -de 1 breken, stuk maken 2 kneuzen, hard duwen • gew. Engels breeze, brize • ~ °briezen ‘breken, stuk gaan’

brozenen zw. -de 1 vervallen, in verval raken, aftakelen • ~ °briezen ‘breken, stuk gaan’

bru v., brou 1 wenkbrauw 2 brug 3 aanlegsteiger, pier 4 rand • Engels brow, Noors bru, IJslands brú • ~ °brug, °brauw2 ‘rand’, °bruin3 ‘rand’

brug v. bruggen, breug 1 knuppelweg, houtpad, planken weg 2 aanlegsteiger, pier • Westvlaams Brugge, Zwitsers brügi, Zweeds brygga, IJslands bryggja • hetz. als brug ‘verbinding over water of kloof’, ~ °bru/°brou, mog. ~ °breugel ‘knuppel’

brui m. 1 slag, klap • van °bruien

bruid1 v. 1 draf, spoeling 2 gier, vloeibare drek 3 vuile pekel • ~ °brouwen1 ‘gisten, schuimen’

bruid2 v. 1 minnares, bijslaap, bijzit 2 jonggehuwde vrouw • hetz. als bruid ‘vrouw op haar trouwdag’, in °bruiden, mog. ~ °brouwen2 ‘stoten’ (vgl. °neuken/°nukken ‘stoten; beslapen’)

bruidbode m. 1 bruidsjonker • van bruid + bode

bruiden zw. -de 1 beslapen: hij heeft vele vrouwen gebruid • Zwitsers brūte • van °bruid2

bruien zw. -de 1 slaan, afranselen, een klap geven 2 tot last zijn, deren, hinderen 3 smijten, gooien 4 vallen, smakken, struikelen 5 opdonderen: brui uit mijn huis! • Fries bruie, Oostfaals brüen • in verbruien, ~ °brui, wel nevenvorm van °brouwen2 ‘stoten; slaan’, anders verbastering van °bruiden ‘beslapen’ (vgl. verneuken)

bruin1 v. 1 pekel, zilt water • Westvlaams bruine, Fries brein, Engels brine • hetz. als brijn (met gew. klinker), ~ °bruid1 ‘draf; vuile pekel’, wel ~ °brouwen2 ‘gisten, schuimen’

bruin2 bn. 1 glanzend, gepoetst, gepolijst: een bruine helm • hetz. als de kleurnaam bruin (i.v.m. gepoetst brons e.d.), mog. ~ °brouwen2 ‘stoten’ en/of °brunne/°brun ‘ringhemd’

bruin3 v. 1 wenkbrauw 2 rand, zoom • Twents broenn mv., Noors brun, IJslands brún • ~ °bru/°brou, °brug/°breug, °brauw2

bruin4 v. 1 keelziekte, keelvernauwing • Gronings bron, Fries brún, Duits Bräune • mog. ~ °brouwen2 ‘stoten’ (mits ooit ook ‘drukken’)

brun v. zie brunne

brunne v., brun 1 ringhemd, maliënkolder, harnas • Engels byrnie, Duits Brünne, Noors brynje, IJslands brynja • in voornamen als Brunhild, mog. ~ °bruin2 ‘glanzend, gepoetst’

brunst v. 1 brand, gloed • ~ °brinnen/°bernen1/°barnen1 ‘branden’, niet ~ bronst ‘paardrift’

brussen zw. -te 1 plagen, kwellen 2 slaan 3 gooien, smijten 4 schielijk vallen • ~ °briezen ‘breken, stuk gaan’

brust1 v. 1 voorzijde van het lichaam • Duits Brust • oude, meer oorspr. nevenvorm van borst, ~ °briest

brust2 m. 1 afgrond 2 steile helling • mog. ~ °bresten/°bersten/barsten

brutten zw. -te 1 in stukken breken, opdelen • ~ °brot1, °brieten, °brutter

brutter m. 1 uitdeler, schenker 2 leider • ~ °brutten, °brot1

bruw m. 1 pap • Westvlaams bru • oude nevenvorm van brij, niet ~ brouwen

bucht m., bocht 1 geld 2 schat • ~ °beugen

bui m. buien 1 jongen, knaap • Gronings bui, buie, bòi, Fries boai, boi, boie, Engels boy • wel eig. ‘groeiende, jonge’ en ~ °bien ‘zwellen, groeien’, bot ‘knop, uitspruitsel van een gewas’, bui ‘vlaag’ (ouder ‘donderwolk, onweer’, eig. ‘zwelling van de lucht’)

buiken zw. -te 1 met loog wassen • Twents buukn, gew. Duits bauchen, bäuchen, gew. Engels buck, Zweeds byka

buin bn. zie bon

buining m./v. 1 verhoging 2 verhoogde planken vloer 3 steiger, loskade 4 schoeiing • Drents buning, Gronings bunen • van °bon/°buin ‘ontkiemd; verrezen, hoog’, ~ °beun ‘verhoging’

buiten zw. -te 1 buitmaken 2 ruilen • Gronings buten, Zweeds byta, ~ buit

buizen v. 1 patroon, voorbeeld, model 2 bevel, gebod • ~ bieden

bulg v. 1 golf, baar 2 zak 3 gezwel, blaar, tumor • Engels billow, IJslands bylgja • ~ °bulgen, °belgen1 ‘zwellen’, balg

bulgen zw. -de 1 zwellen, zich uitzetten • Noordhollands bulgen • ~ °bulg, °belgen1 ‘zwellen’, balg

bulten zw. -te zie bouten

burchtzaat m. zie burgzaat

burg m. 1 waarborger, iemand die instaat voor iets of iemand • Duits Bürge • in °reinburg ‘wethouder, waarborger van de goddelijke orde’, van borg, ~ bergen

burgen1 zw. -de 1 toesluiten, toedekken, bedekken, verstoppen 2 begraven • Engels bury, gew. Noors byrge, IJslands byrgja • ~ °burgsel, (ver)bergen, °berg ‘bescherming, beschutting’

burgen2 zw. -de 1 rijzen, zich verheffen, hoog worden 2 heffen, dragen • ~ °burgend ‘hoog, rijzig’, berg, mog. ~ °barm2/°berm ‘verheffing’

burgend bn. 1 hoog, rijzig, verheven • hetz. als de (gelatiniseerd) Germaanse stamnaam Burgundii mv. (vanwaar Bourgondiërs), van °burgen2 ‘rijzen, zich verheffen’, ~ berg

burgsel o. 1 graf • van °burgen1

burgweer m. 1 bewoner, verdediger van een burcht • hetz. als burger (verbastering), van burg/burcht + °weer3 ‘(weerbaar) man’

burgzaat m., burchtzaat 1 bewoner van een burcht of versterkte stad • van burg/burcht + °zaat2 ‘gezetene’

bus v. zie bos

bussen m. 1 van buxushout • van °bos/°bus ‘buxus’

bust m./v. zie bost

butten zw. -te 1 duwen, schuiven, stoten • Noors butta • ~ °boten ‘slaan’

buur o. 1 woning, verblijf, huis 2 kamer, vertrek 3 schuur, hok, kooi • Duits Bauer, Engels bower, Noors bur, IJslands búr • in Buren, ~ gebuur, buurt, °bouwen/°boeien ‘wonen; maken’

 

daafs v., daaps 1 paardenvlieg • Twents daavske (in blinddaavske), Limburgs daps, daops • hetz. als daas (verbastering), van °daven3 ‘tieren’ (vgl. brems ‘paardenvlieg’ bij °bremen ‘dreunen’)

daai v. 1 klei, leem 2 aardewerk • Antwerps daai, Duits Ton • ~ °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken’, dicht

daaien1 bn. 1 lemen, van leem, van klei 2 keramieken, aardewerken • van °daai

daaien2 st. dieuw, h. gedaaien 1 zogen, de borst geven • ~ °deel1 ‘tepel’, °deem ‘tepel, speen’, °deien ‘zogen’, °dijen2 ‘zuigen’, °dijze1 ‘zuigdotje’

daak m. 1 ronddrijvend dan wel aangespoeld zeewier, riet of andere ruigte • Zaans deek, diek • ~ dak, deken, dekken

daal1 bw. 1 omlaag, naar beneden, neer 2 beneden • Gronings doale, deel, dèl • van te dale

daal2 v. dalen, dal2 1 grove den 2 fijnspar • Zwitsers Täl, Täle, Noors tall, toll, IJslands þöll • ~ °dol2 ‘spar, balk’, wel eig. ‘drager’ i.v.m. houtbouw en ~ °dolen ‘dragen’, °dil1/deel ‘plank; planken vloer’

daam m. 1 bewolking 2 damp, lucht • Noors dåm, gew. dåme, IJslands dámur • ~ °dim1 ‘duister’, mog. ~ °dimmen1/°dimpen ‘nevelen, dampen’, damp

daan bw. 1 van daar, weg van daar: daan gaan, daan komen • in vandaan, ~ daar, vgl. °waan1 naast waar en heen naast hier

daaps v. zie daafs

daar v., dare 1 schade, pijn, letsel • ~ deren, wel ~ °dard/°daard

daard m. zie dard

daas bn. dazer, -t 1 zich niet of nauwelijks bewegende, bijv. door verbazing, schrik, luiheid, uitputting • Westvlaams daas, Zaans daas, Drents daos  °dazen, °bedazen, °bedaasd/bedeesd, ~ bedaren, °darn1/°dern1 ‘verborgen’, doen ‘verrichten’ (voorheen ‘leggen, zetten, stellen’), °dauw1 ‘onbeweeglijk’, niet ~ dwaas (wel ermee verhaspeld)

dacht1 m. 1 garen, draad 2 wiek, kaarsenpit 3 kousje van de lamp • Gronings dòcht, Duits Docht (met Nederduitse o), Zweeds tåt, IJslands þáttur • wel ~ °dingen3 ‘spannen; belast zijn’ (spinnen gebeurde vroeger met een gewicht van steen)

dacht2 v. 1 gedachte • Oostfries docht, Engels thought • in aandacht, ~ denken

daf bn. daver of daffer, -st 1 versuft, moe: dom en daf • Twents daf, gew. Engels daff, Engels daffy • van °daven2 ‘zwaar zijn of worden’

dagen zw. -de, deggen 1 zwijgen, stil zijn, stil blijven 2 geheim houden • Noors teie, tie, IJslands þegja

daken zw. -te, dakken 1 hechten aan 2 schuilen, rusten 3 (aan)raken • Westvlaams daken 

dakken zw. -te zie daken

dal1 bn. daller, -st 1 trots, verheven, jubelend • wel eig. ‘bloeiend, uitbundig’ en ~ °dool3 ‘tros vruchten’, °doude/°dou1 (ouder dolde) ‘boomkroon; bloemscherm’, mog. ~ °duld2 ‘hoogtij’

dal2 v. dallen zie daal2

dalderen zw. -de 1 daveren • Gronings daldern, dallern, Noors daldra, Zweeds dallra • ~ °dallen

dalk1 m. 1 gesp 2 speld • IJslands dálkur • wel ~ dolk, mog. °dalken

dalk2 m. 1 stumper, sukkel • Kempens dalk, Noors dalk • van °dalken

dalken zw. -te 1 moeilijk (door iets) voortgaan, ploeteren, sukkelen: door de sneeuw dalken • Kempens dalken, Noors dalke • ~ °dalk2, mog. eig. ‘(blijven) steken’ en ~ °dalk1 ‘gesp; speld’ en/of dolk

dallen zw. -de 1 zich doelloos of lichtvaardig (heen en weer) bewegen 2 rondhangen, slenteren 3 dribbelen, huppelen 4 bengelen, slingeren 5 wapperen, flapperen • Veluws dallen (in dildallen), gew. Duits dallen, Noors dalla, IJslands dalla, mog. Engels dally • ~ °dalderen ‘daveren’, °del2/dellig ‘dartel’, wel ~ °dalsen/°delsen, mog. ~ °dinnen ‘lopen, gaan’

dalsen zw. -te, delsen 1 stampen, druisen, herrie maken • Oostfries delsken • in °gedals ‘leven, beweging, rumoer’, wel ~ °dallen

dalven zw. -de 1 hard maar slordig werken: door het hooiland dalven • Drents dalven, dalvern • ≠ dalven ‘schooien, zwerven’, wel eig. ‘banen’ en ~ °delven ‘ruimte maken’

damel bn. 1 lusteloos, krachteloos, futloos, verzwakt, vermoeid • Gronings doamel • van °damen

damelen zw. -de zie damen

damen zw. -de, damelen 1 lusteloos, krachteloos, futloos, verzwakt, vermoeid zijn • Gronings doameln • ~ °damel, °demen1 ‘verzwakken’

damzater m. 1 iemand die op dijk woont • van dam (voorheen ook ‘dijk’) + °zater ‘bewoner’

dan1 v. dannen 1 naaldboom • Twents dan, danne, Westfaals danne, Duits Tanne • oude nevenvorm van den, mog. eig. ‘staander’ o.i.d. (vgl. spar ‘naaldboom’, eig. ‘balk, paal’) en ~ doen ‘verrichten’ (voorheen ‘leggen, zetten, stellen’)

dan2 m. dannen 1 leger, schuilplek van een dier 2 wouddal, weinig bezochte, door bos omringde plek • Oostfries danne, Duits Tann • ~ °deen ‘laagte, dal’, °den ‘leger, schuilplek’

danderen zw. 1 zwerven, (af)dwalen, dolen • Veluws danderen, gew. Engels dander, danner, daner • ~ °dinnen ‘lopen, (weg)gaan’

dang o. 1 zeewier • Engels thongweed, sea thong, IJslands þang • mog. ~ °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken’

dangelen zw. -de 1 slenteren 2 beuzelen, niet opschieten • Noordhollands dangelen, Fries dangelje, Engels dangle, Noors dangle

dank bn. 1 vochtig • Zwitsers tangg, Engels dank

danten zw. -te zie dinten

dapen zw. -te 1 zwaar zijn of worden 2 zinken • Noors dapa • ~ dapper ‘moedig’ (ouder ‘zwaar’), °daven2

dar v. darren 1 droogoven, eest • Noordhollands dar, Duits darre, Noors tarre • ~ °derzen/°darzen ‘droog zijn’

dard m., daard 1 speer, werpspeer • wel ~ deren, °daar

dare v. zie daar

darn1 bn., dern1 1 verstopt, verborgen, geheim • in °darn2/°dern2, °darnen/°dernen, ~ bedaren, °daas ‘zich niet of nauwelijks bewegende’

darn2 o., dern2 1 geheim • van °darn1/°dern1

darnen zw. -de, dernen 1 verstoppen, verbergen, geheim houden 2 verhullen, bedekken 3 stoppen, van kousen e.d. • Duits tarnen, Engels darn • van °darn1/°dern1

darp o./v. 1 nederzetting, gehucht • Drents darp, Fries terp • oude nevenvorm van dorp, °drap ‘groep, gemeenschap’, mog. ~ dorpel, drempel

darren zw. -de zie derren

darzen st. dors, is gedorzen zie derzen

dauw1 bn. 1 onbeweeglijk, roerloos, stil • ~ dauw2, °dauwen/°dauwelen, °daas ‘zich niet of nauwelijks bewegende’, doen ‘verrichten’ (voorheen ‘leggen, zetten, stellen’)

dauw2 o. 1 onbeweeglijkheid • IJslands  • van °dauw1

dauw3 m. 1 zede, gebruik, gewoonte 2 gedrag • Engels thew • ~ °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

dauwelen zw. -de zie dauwen

dauwelijk bn. 1 gebruikelijk, zedig, fatsoenlijk • van °dauw ‘gebruik, zede’

dauwen zw. -de, dauwelen 1 zich niet of nauwelijks bewegen, niets doen 2 heel langzaam lopen 3 dralen, niet opschieten • Gelders-Overijssels dawelen, Drents dauweln, Gronings daauweln, IJslands  • van °dauw1 of °dauw2

daven1 st. doef, is gedaven, gedaven 1 passen, geschikt zijn • ~ °gedoef, deftig, mog. ~ Deventer (Overijssel)

daven2 st. doef, is gedaven 1 zwaar zijn of worden • Aalsters gedaven vd. ‘bezwaard’ • ~ °daf ‘versuft, moe’, °doef ‘versuft, moe’, °dapen, dapper ‘moedig’ (ouder ‘zwaar’)

daven3 zw. -de 1 tieren, razen, woeden, herrie maken • ~ daveren ‘dreunen’, °daafs/°daaps/daas ‘paardenvlieg’ (vgl. brems ‘paardenvlieg’ ~ bremen ‘dreunen’)

dazen zw. -de 1 zich niet of nauwelijks bewegen, bijv. door verbazing, schrik, luiheid, uitputting • IJslands dæsa, Noors dæsa • van °daas ‘zich niet of nauwelijks bewegende’, ~ °bedazen ‘roerloos maken’

deder m. 1 hoendervogel 2 patrijs 3 fazant • Deens tjur

deeg1 m./v. 1 het gedijen, aanwas, levenskracht, tier 2 welvaart, voorspoed: ter dege goed 3 genoegen, plezier • Noordhollands deeg, Twents dege • ~ °dijen1/dingen1 ‘vast worden, verdikken; voorspoedig groeien’

deeg2 bn. 1 kneedbaar, zacht, zwak • IJslands deigur • ~ °dijgen ‘kneden’, deeg ‘gekneed mengsel’

deel1 v. 1 tepel • gew. Oudengels deal, dale • ≠ deel ‘gedeelte’, ~ °daaien2 ‘zogen’

deel2 bn. zie deluw

deem m. 1 speen, tepel • Brabants deem • ~ °daaien2 ‘zogen’

deen v. 1 laagte, dal • Oostfaals dêne, Engels dene • mog. in Denemarken (Groningen), niet in Denekamp (ouder Degheninchem, Twente), ~ °den ‘leger, schuilplek’, °dan2 ‘leger, schuilplek; wouddal’

dees m. 1 mest, drek 2 vuil, viezigheid • ~ °deister, °deisteren, desem, °dei, mog. ~ Deest (Gelderland)

degel v., diggel 1 aardewerk, aarden pot 2 smeltkroes • Gronings diggel, Drents degel, Westfaals diǝgel, Duits Tiegel, IJslands deigla • hetz. als diggel ‘scherf’, ~ °dijgen ‘kneden; vormen’

degen m., dein 1 gevolgsman, man in het gevolg van een krijgsheer, ew. °zeg 2 held, dapper krijgsman • Duits Degen, Engels thane, thain, IJslands þegn • ~ °diggen ‘verzoeken; ontvangen’

deger1 bn. degerder, -st 1 groot, omvangrijk • Noors diger, IJslands digur • in degelijk (voorheen degerlijk), ~ °deger2, mog. ~ °dijgen

deger2 bw. 1 geheel, volkomen • van °deger1

deggen zw. dei of degde, h. gedegd zie dagen

dei m. 1 drek 2 pap, brij 3 flauwekul • Westvlaams dei • ~ °deister, °deisteren, °dees, desem, mog. ~ Deest (Gelderland)

deien zw. -de 1 zogen, de borst geven • ~ °daaien2 ‘zogen’

dein m. zie degen

deinen zw. -de 1 vochtig maken 2 doen smelten 3 doen dooien • van °dijnen

deister m. 1 runderdrek, koeienvlaai • Westvlaams deister • ~ °deisteren, °dees, desem, °dei, mog. ~ Deest (Gelderland)

deisteren zw. -de, bedeisteren 1 bevuilen, bezoedelen 2 tot moes pletteren • Antwerps deisteren • ~ °deister, °dees, desem, °dei, mog. ~ Deest (Gelderland)

deizen zw. -de 1 huiveren, rillen • mog. ~ °dijzen1 ‘draaien; spinnen’

dek bn. 1 aangenaam, lief

deken zw. -te zie dikken

del1 o. delen 1 grond, bodem 2 vloer • Noors tel, IJslands þel • wel ~ °dolen ‘dragen’, °dil1/deel ‘plank; planken vloer’, niet ~ del ‘klein dal’, dal

del2 bn. deller, -st, dellig 1 dartel, lichtvaardig 2 ondeugend • Drents dellig, Zwitsers g’tëll • ~ °dallen

-del o./m., -l 1 achtervoegsel ter aanduiding van werktuigen en afgeleiden • oude, meer oorspr. nevenvorm van °-el2, in o.a. bijl, °bil ‘zwaard’, °kijdel/°kijl, °madel/°maal3, °nadel/°naal/naald, spoel, °stadel/°staal/stal, stoel, °toel ‘werktuig’, zadel, zeel, vgl. °-der1

delf v., delve 1 gedolven waterloop, vaart, gracht, sloot • in de oordnamen Delft, Assendelft (beide met oneig. -t), van delven

dellig bn. zie del2

delm m. 1 valstrik • IJslands þjálmi • ~ °dolen ‘dragen’

delsen zw. -te zie dalsen

deluw bn., deel2 1 vaal, bleek, loodkleurig, met name van gelaatskleur • Zeeuws del • wel van °dillen1 ‘verstillen; vergaan’

deluwen zw. -de 1 (doen) vervalen, vergaan, wegsterven, tenietgaan • Fries toalje, tôlje, tuolje • van °deluw/°deel2

delve v. zie delf

delven st. dolf, h. gedolven 1 ruimte maken, plaats maken, banen 2 werken • IJslands þjálfa • ≠ delven ‘graven’, ~ °dalven, mog. ~ Dalfsen

demen1 st. dam, is gedomen 1 verzwakken, lusteloos raken, krachten verliezen, vermoeid worden • ~ °damen ‘lusteloos zijn’, mog. ~ dommelen ‘suffen’, mog. hetz. als °demen2

demen2 zw. -de 1 duister worden, donker worden • ~ deemster, mog. hetz. als °demen1, mog. ~ Demer (stroomnaam)

demmen zw. -de 1 doen strekken, rekken 2 doen zwellen, opblazen • IJslands þemba • ~ °dimmen2 ‘zich strekken; zwellen’

den v./o. dennen 1 leger, schuilplek van een dier • Engels den • hetz. als den ‘dorsvloer op de akker’, ~ °deen ‘laagte, dal’, °dan2 ‘leger, schuilplek’, °dinder ‘handvlak’

denen st. dan, is gedonen 1 (zich) uitstrekken, spannen, reiken • ~ °dennen, °doon3 ‘rank van een plant’, °donen ‘gestrekt zijn’, dun, °dinzen, °deun ‘dicht, na’, mog. ~ °dinden ‘zwellen, uitzetten’ en/of Dender (stroomnaam)

dengel m. 1 vorst, heer • ~ °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken; voorspoedig groeien’

dengen1 zw. -de 1 vast maken, vast zetten, vaststellen, bepalen 2 uitvoeren, volbrengen • ~ °dijen1/°dingen1 ‘vast worden’

dengen2 zw. -de 1 slaan, hameren • Engels dinge, Noors denge, IJslands dengja • ~ °dingen2 ‘slaan, hameren’

dennen zw. -de 1 uitrekken, langer maken, verlengen • Duits dehnen, gew. Noors tenja, IJslands þenja • ~ °denen, dun

-der1 o./m. 1 achtervoegsel ter aanduiding van werktuigen en afgeleiden • in o.a. °aarder/°arder ‘haakploeg’, °kwerder/°kwarder, °lachter, °loder/°loor2, °moorder, °ouder ‘leeftijd’, °rijder/°rier, °roeder/roer, °tieder/tuider/tuier, voeder/voer, vgl. °-del/°-l

-der2 m./v., -ter 1 achtervoegsel ter aanduiding van bomen • verhaspeling van echt achtervoegsel (mog. hetz. als °-der1) en verbasterde vorm van °trie ‘boom’, in °apelder/°appelder/°appelter, heester, °halfter2/°halchter2, °holender, °mapelder, °wakelder, mog. in °vlieder/vlier

derf1 bn. derver, -st 1 de dood groetend, dapper, moedig, vermetel 2 doods, bleek 3 fel, streng • samenval van twee afleidingen, waarvan de ene beantwoordt aan Westvlaams derf, Noors djerv, IJslands djarfur, van °derven1 ‘te gronde gaan’, en de andere van °derven2 ‘te gronde richten’

derf2 v. derven 1 behoefte, nood, noodzaak, gebrek • in derven, ~ °durven ‘nodig hebben’

derg m. 1 drijvend eiland van riet of veen • Zaans derg, Gronings daarg, IJslands þari • ~ derrie

derk bn. 1 donker, lichtloos 2 somber • Engels dark

dern1 bn. zie darn1

dern2 o. zie darn2

dernen zw. -de zie darnen

derren zw. -de, darren 1 droog maken • Noors terra, IJslands þerra • ~ °derzen/°darzen ‘droog zijn’

derven1 st. dierf, is gedorven, verderven1 1 te gronde gaan, omkomen, sterven • ≠ derven ‘nodig hebben’, in bederven, ~ °derven2, °derf1

derven2 zw. -de, verderven2 1 te gronde richten, vernietigen, doden • ≠ derven ‘nodig hebben’, ~ °derven1, ° derf1

derzen st. dors, is gedorzen, darzen 1 droog zijn of worden • ~ dor ‘droog’, dorst ‘vochtlust’, °derren/°darren ‘droog maken’, °dar ‘droogoven’, °dornen ‘droog worden’

dessen1 st. das, h. gedessen 1 vlechten, ook van wanden met wilgentenen 2 weven 3 bouwen, timmeren, hout bewerken • ~ dissel ‘bijl voor fijne bewerking van hout’, mog. ~ das ‘halsdoek’

dessen2 st. das, h., is gedessen 1 rennen, hard lopen • mog. Westfaals däkstern • ~ °egedes/°eides/hagedis, mog. ~ wei/hui

deul m. 1 wijze, uitdagende spreker in dienst van de koning • IJslands þulur

deun bw. 1 dicht, na: deun aan het woud dicht bij het woud • Gronings deun • ~ °denen

deuren zw. -de zie doren

deurn v. 1 doornstruik • van doorn

deurs m. deurzen zie durs

deut m. 1 gebrul, geluid, lawaai • ~ °dieten/°duiten ‘luid klinken’

deuzig bn., dozig 1 duizelig, draaierig 2 slaperig, suf 3 beneveld, verward 4 stompzinnig • Westvlaams deuzig, dozig, Engels dizzy • ~ °dozen3 ‘afdwalen; sluimeren’, °duizen, duizelen

deven zw. -de 1 het warm krijgen, verhit raken 2 ademen, hijgen • Noors teve, IJslands þefa

didderen zw. -de 1 bibberen, beven, rillen, huiveren: hij stond aan de deur te didderen • Antwerps didderen, gew. Engels didder, dider, dither • ~ °dijdelen ‘ronddraaien; heen en weer bewegen’, °dijzen ‘ronddraaien’

die1 bn., dielijk 1 meegaand, volgzaam, gehoorzaam 2 nederig, bescheiden, inschikkelijk 3 onderdanig, onderworpen, onvrij, geknecht, gebonden • in °diemoed ‘dienstbaarheid, onderworpenheid’, °dien ‘dwingen’, ~ °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

die2 m. dieën 1 dienaar, knecht 2 slaaf • in dienen, deerne (voorheen ‘dienstmeid’), van °die1 ‘gehoorzaam’, ~ °dui ‘dienstmeid’

died v. 1 zie diede

diede v., died 1 gemeenschap van mensen die in bloed en zeden verenigd zijn, ew. volk • Schots thede, theid, Noors tjod, IJslands þjóð • in °aldiede ‘mensheid’, °dieden, °diedschader en voornamen als Diederik, ~ °Duids/°Duits, °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

dieden m. 1 heer des volks, stamhoofd, koning 2 heer des legers, bevelhebber • van °diede/°died, vgl. °heren4 ‘heer des legers’, °tamen1 ‘heer des huizes’

diedschader m. 1 groot misdadiger, volksvijand • van °diede/°died

dielijk bn. zie die1

diemoed m. 1 dienstbaarheid, onderworpenheid • hetz. als deemoed (met Nederduitse klinker), van °die1 ‘onvrij’ + moed

dien zw. -de 1 dwingen 2 onderwerpen, knechten • van °die1 ‘meegaand, gehoorzaam; onvrij’

dier bn. dierder, -st 1 wild, boud, moedig • ~ dier ‘levend wezen’, °doren/°deuren ‘ademen’, °dwezen ‘ademen, bezield zijn’

diet v. 1 plek waar iets ruisend (doorheen) vloeit, zoals een leiding of waterval • Duits Dies (stroomnaam) • van °dieten/°duiten

dieten st. doot, h. gedoten, duiten 1 luid klinken 2 razen • IJslands þjóta • ~ °diet, °deut

diggel v. zie degel

diggen st. dag, h. gedegen 1 verzoeken 2 nemen, ontvangen 3 consumeren, eten, drinken • Noors tigge, IJslands þiggja • ~ °degen ‘gevolgsman’

dij1 vnw. 1 jou • Drents dij, Fries dy, Duits dich, Engels thee, Noors deg, IJslands þig, þér • ~ dijn,°du/°dou, °dik

dij2 v. 1 onweer, donder • wel eig. ‘dikke lucht’ en van °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken’, ~ dicht

dijd bn. 1 vochtig geworden 2 gesmolten 3 gedooid, ontdooid • ~ °dijnen

dijdelen zw. -de 1 ronddraaien 2 heen en weer bewegen 3 bezig zijn zonder iets te verrichten, rotzooien, klooien • Drents diedeln, Gronings diedeln (in diedeldaantjen), Oostfries (fer)dîdeln, gew. Engels diddle, didle, deedle • ~ °didderen ‘bibberen’, °dijzen ‘ronddraaien’

dijen1 st. deeg, h., is gedegen, dingen1 1 vast worden, stollen, stremmen, verdikken, samentrekken 2 voorspoedig groeien, welvaren, tieren • oude nevenvormen van gedijen, ~ dicht, °daai ‘klei’, °deeg1 ‘voorspoed; groei’, °dengen1 ‘vast maken; uitvoeren’, °dengel ‘vorst, heer’, °gedongen ‘volwassen’, wel ~ °dij2 ‘onweer’ (dan eig. ‘dikke lucht’), mog. ~ °ding ‘vergadering’, °dang ‘zeewier’

dijen2 st. dee, h. gedeeën 1 zuigen, aan de borst zijn • Noors die • ~ °dijze1 ‘zuigdotje’, °daaien2 ‘zogen’

dijgen st. deeg, h. gedegen 1 kneden 2 vormen • ~ °deeg ‘kneedbaar’, deeg ‘kneedbaar mengsel’, °degel/°diggel ‘aardewerk’, dijk, mog. ~ °deger1 ‘groot’

dijken st. deek, h. gedeken 1 steken, stoten, poken 2 pogen, beproeven, proberen, trachten, streven 3 lijden, met name aan stekende pijn • ~ °dikken/°deken ‘stoten’, niet ~ dijk

dijn vnw. 1 jouw • Drents dien, Fries dyn, Duits dein, Engels thine, thy, Noors din, IJslands þinn • ~ °dij, °du/°dou

dijnen st. deen, is gedenen 1 vochtig worden 2 smelten 3 dooien • Noors tine • ~ °dijd, °deinen, wel ~ Dijle (stroomnaam)

dijs1 bn. dijzer, -t 1 beramend, sluw • van °dijzen1 ‘draaien; spinnen; beramen’

Dijs2 m. zie Dings

Dijsendag m. zie Dingsendag

dijstel m. 1 wisse stekelige plant • Noordbrabants dijstel, dijsel, Drents diesel • oude nevenvorm van distel

dijven2 st. deef, is gedeven zie dimmen2

dijze1 v. 1 zuigdotje • Westvlaams dijze • van °dijen2 ‘zuigen, aan de borst zijn’

dijze2 v. zie dijzen2

dijzelen zw. -de 1 ronddraaien, tollen 2 dralen, aarzelen, weifelen • Westvlaams dijzelen, Drents diezeln • ~ °dijzen1

dijzen1 st. dees, h. gedezen 1 ronddraaien 2 spinnen 3 op touw zetten, beramen 4 vlas winden (op de spinrokken) 5 rennen, stormen • Westfaals dîsen, Oostfries dîsen • ~ °dijs1 ‘beramend, sluw’, °dijzen2, °dijzelen, °disteren ‘haspelen’, °dijdelen ‘ronddraaien’, °didderen ‘bibberen’, mog. ~ °deizen ‘huiveren, rillen’, °dillen2 ‘kletsen, babbelen’

dijzen2 v., dijze2 1 vlasbundel 2 spinrokken 3 spinnewiel • Drents diesen, Gronings diezen, Westfaals dîsten, dîssen, Engels dis- (in distaff), (be)dizen zw. • ~ van °dijzen1

dik vnw. 1 lijdende vorm van °du • Duits dich • ~ °du/°dou, °dij1, dijn, vgl. °mik1, °zik

dikken zw. -te, deken 1 stoten, treffen 2 met kracht, snelheid voortgaan, rennen • gew. Zweeds dikka, IJslands dika • ~ °dijken ‘steken, stoten’

dil1 v. dillen 1 plank 2 planken vloer • Fries tille (ontleend als til), Beiers Dillen, gew. Engels thill, Noors tilje, IJslands þilja • oude nevenvorm van deel ‘plank; planken vloer’, wel ~ °daal2/°dal2 ‘grove den; fijnspar’, °dolen ‘dragen’, niet ~ deel ‘stuk’

dil2 v. dillen 1 kletskous, babbelaarster • hetz. als del ‘platvloerse vrouw’, van °dillen2

dild bn., duld1 1 min, gering, nietswaardig, onaanzienlijk, armelijk • wel van °dillen1 ‘verstillen; vergaan, tenietgaan’

dillen1 st. dal, is gedolen 1 verstillen, stil worden, niet meer bewegen 2 vergaan, wegsterven, tenietgaan • wel ~ °dild/°duld1, °deluw/°deel2 ‘vaal, bleek’

dillen2 zw. -de 1 kletsen, babbelen • in °bedillen ‘bazig willen regelen’, mog. ~ °dijzen1 ‘draaien; spinnen’

dim1 bn. 1 duister, donker • Engels dim, IJslands dimmur • ~ °daam ‘bewolking’, mog. ~ °dimmen1/°dimpen, damp

dim2 m. dimmen 1 hoop, stapel 2 stapel hooi, hooimijt • Westfaals dîmen • ~ °dimmen2 ‘zich strekken; zwellen’

dimmen1 st. dom, h. gedommen, dimpen 1 misten, nevelen, dampen, beslaan • ~ damp, °domp1, mog. ~ °dim1, °daam ‘bewolking’

dimmen2 st. dam, is gedommen, dijven 1 zich strekken, rekken 2 zwellen, groter worden • ~ °dim2 ‘hoop, stapel’, °demmen ‘doen strekken; doen zwellen’, °domp2 ‘iets wat groot van stuk is’

dimpen st. domp, h. gedompen zie dimmen1

din v. dinnen zie dun

dinden st. dond, is gedonden 1 zwellen, opzwellen, opzetten, uitzetten, dik worden • Gronings dienen, Fries tine • mog. ~ °denen ‘(zich) uitstrekken, spannen’

dinder m. 1 handvlak, ew. °brede, °lab, °lap, °loeve, °volm • ~ °deen ‘laagte, dal’, °den ‘leger, schuilplek’, °dan2 ‘leger, schuilplek’

dinderen zw. -de 1 klinken, schallen • ~ °Donder/donder, mog. ~ Dender (stroomnaam)

ding o. 1 vergadering, bijeenkomst, met name volksvergadering of rechtsvergadering, rechtszaak, rechtspraak, gerecht: een ding hooien een rechtsvergadering houden, te dinge zitten rechtspreken, ew. °madel/°maal • Noors ting, IJslands þing • hetz. als ding ‘zaak, voorwerp’ (oneig.), in geding, dingen ‘streven, wedijveren’, °dinghuis, °dingman, °dingspel, °bodding, mog. van °dijen1/°dingen1 ‘vast worden’, ~ °Dings/°Dijs2

dingen1 st. dong, h., is gedongen zie dijen1

dingen2 st. dong, h. gedongen 1 slaan, hameren • Engels ding • ~ °dengen2

dingen3 st. dong, h. gedongen 1 spannen, trekken 2 belast zijn • ~ °dung/°dong3 ‘zwaar’, wel ~ °dacht1 ‘garen, draad’ (spinnen gebeurde vroeger met een gewicht van steen), dissel (gew. dijsel) ‘boom aan een wagen voor trekpaarden’

dingen4 st. dong, h. gedongen 1 bedekken 2 opwerpen, ophopen • ~ °dongen ‘bedekken’, °dong1, °dong2

dinghuis o. 1 gerechtshof, rechtbank • van °ding + huis

dingman m. -lui, -lieden 1 advocaat, rechtsvertegenwoordiger • van °ding + man

Dings m., Dijs2 1 God, Vader Hemel, Heer van Licht en Recht, de oorspronkelijke Hoge God in het Germaanse volksgeloof, ew. °Tuw/°Tij • in °Dingsendag/°Dijsendag/dinsdag, mog. in Dijnselburg (ouder Dincslo, te Zeist), ~ °ding ‘rechtsvergadering’

Dingsendag m., Dijsendag 1 dag van Dings, Dijs, ew. °Tuwsdag/°Tijsdag • Westvlaams dijsendag, Gronings dingsdag, Twents dingseldag • hetz. als dinsdag (verbastering), van de oude tweede naamval van °Dings/°Dijs2 + dag

dingspel o. -spellen 1 rechtspraak 2 rechtsgebied, district • Drents dingspel • van °ding ‘(rechts)vergadering’ + °spel ‘verkondiging, verhaal’

dinkel m. 1 spelt, grove tarwe • Duits Dinkel

dinken st. donk, h. gedonken 1 nat maken, bevochtigen • ~ Dinkel (stroomnaam), °donken ‘dompelen’, mog. eig. ‘gieten, stralen’ en ~ dunken ‘toeschijnen’, denken

dinnen st. don, h., is gedonnen 1 lopen, gaan 2 weggaan • Oostfries dinnen (in dindannen) • ~ °danderen ‘zwerven, dwalen’, mog. ~ °dinten/°danten/°donten en/of °dallen ‘zich doelloos bewegen’

dinning v. zie duneg

dinten st. dont, is gedonten, danten, donten 1 zich met horten en stoten heen en weer of op en neer bewegen 2 met een dreun aankomen of neerkomen, stoten, stampen • Gronings daantjen (in diedeldaantjen), Hagelands dantelen, Fries dûnsje, gew. Engels dunt, Zweeds danta, Noors dette, dytte, IJslands detta • een nevenvorm is ooit uitgeleend aan het Frans en teruggeleend als dansen, ~ °dont ‘dreun’, mog. ~ °dinnen

dinzen st. dons, h. gedonzen 1 uitrekken 2 sleuren, slepen, trekken • ~ deinzen, °denen ‘zich strekken’

disteren zw. -de 1 haspelen, draad op een haspel winden • Gelders-Overijssels disteren • ~ °dijzen1 ‘spinnen’

dobbe v. 1 kuil, groeve 2 waterkom in het land • Gronings dòb, dòbbe • ~ °doppen/°dobben ‘dompelen; (be)graven’, °duiven1/°duipen ‘duiken’

dobben zw. -de zie dopppen

doe bw., vw., doen 1 op dat ogenblik, in die tijd, destijds 2 daarna, daarop, vervolgens 2 in de tijd dat, op het ogenblik dat, terwijl • Zaans doe, Gronings dou, Drents doe, Fries doe, Zwitsers due • hetz. als toen (verbastering), ~ die/de, dan

doef bn. 1 versuft, moe • Westfaals dauf • van °daven2 ‘zwaar zijn of worden’

doeger o. 1 dag, etmaal, vierentwintig uur • Noors døger, døgn, IJslands dægur • ~ dag, gisteren

doeien1 zw. -de 1 uitputten

doeien2 zw. -de 1 heimelijk wegnemen, ew. °leven, stelen

doen bw., vw. zie doe

does v. doezen 1 moerassige wildernis met struiken en bomen • Gronings douze • in Ter Doest (West-Vlaanderen), Opperdoes (Noord-Holland), mog. ~ dooien

dog m. 1 oen, domoor, sufferd, lomperd • Drents dogge, Gronings doggel, IJslands dugga v., mog. Engels dog • mog. ~ °dok1 ‘pop’, duiken, duikelaar

dogel1 bn., dogen1 1 verborgen onder de grond, onder water, in het diepe 2 geheim, heimelijk • ~ °dogen3 ‘ondergáán’, duiken ‘óndergaan’

dogel2 o., dogen2 1 iets dat onder de grond of onder water verborgen is 2 geheim • van °dogel1/°dogen1

dogen1 bn. zie dogel1

dogen2 v. zie dogel2

dogen3 zw. -de 1 ondergáán, verduren, verdragen, uitstaan • in gedogen, ~ °dogel1/°dogen1, duiken ‘óndergaan’, mog. ~ °ducht ‘vrees’ (mits eig. ‘ineenduiking’)

dok1 v. dokken 1 pop, met name van stro • dok ‘strowis met dichtgebonden kop’, Gronings dòk, Fries dok, Duits Docke, Zweeds docka • mog. ~ duiken, duikelaar, °dog ‘oen’

dok2 v. dokken 1 wilde zuring 2 kliskruid 3 hoefblad 4 dille • Westvlaams dokke, Engels dock

dol1 v. dollen 1 lieveling, lief kind, lief meisje • Gelders-Overijssels dòl, Gents dolleke, Engels doll • mog. ~ °duil/°dul ‘lisdodde’ (vgl. dot ‘iets liefs’ en doddig ‘snoezig’ naast (lis)dodde)

dol2 m./v. dollen 1 spar, balk, boom • Oostfries dolle, dol, verouderd IJslands þollur • ~ °daal2/°dal2 ‘grove den; fijnspar’, ≠ dol ‘(houten) pin; roeipen’ (waarvoor zie °dwal)

dolen zw. -de 1 dragen 2 verdragen, lijden 3 dulden, toestaan • gew. Duits dolen, Engels thole, Noors tåle, IJslands þola • ~ °dool5 ‘verdraging’, °doolmoed ‘geduld’, dulden, geduld, °delm ‘valstrik’, wel ~ °del1 ‘grond, bodem; vloer’, °dil1/deel ‘plank; planken vloer’, °daal2/°dal2 ‘grove den; fijnspar’ (dan eig. ‘drager’ i.v.m. houtbouw)

 

 

dolg1 o. 1 wond, verwonding 2 snee, jaap, zeer 3 litteken • Zwitsers tolgg

dolg2 m. 1 verplichting, schuld

dolkoen bn. 1 onbezonnen, roekeloos, ew. °ries • Duits tollkühn (vanwaar de naam Tolkien) • van dol ‘dwaas’ + koen ‘dapper’ (vgl. doldriest bij °drijst/driest ‘dapper’)

dom m. dommen 1 korte, dikste vinger van de hand 2 naaf • Antwerps dom, Noordbrabants dom, Fries tomme, Engels thumb, Noors tomme • oude nevenvorm van duim, wel ~ dol ‘(houten) pin; roeipen’, °dwal ‘dwarsstokje’

domen zw. -de 1 dampen, wasemen, misten, nevelen • Westvlaams doomen • hetz. als (op)doemen (verbastering), van °doom

domp1 m. 1 dikke, dichte damp, walm, nevel • Westvlaams domp, Zaans domp • ~ °dimmen1/dimpen, damp, niet ~ °domen, °doom ‘damp’

domp2 m. 1 iets wat groot van stuk is 2 homp, klomp, kluit, brok • Zaans domp, Drents dompe, Fries tompe, gew. Engels thump, gew. Zweeds tump • van °dimmen2/°dijven ‘zich strekken; zwellen’

don bn. 1 bruin, donkerbruin • Engels dun

Donder m. 1 Heer van Hemels Geweld, een voorname god in het Germaanse volksgeloof • IJslands Þór • ouder Donar, nog ouder Thunar, in °Dondersdag/donderdag, °Donderslo, hetz. als donder ‘hemeldreun’, ~ °dinderen ‘klinken, schallen’, mog. ~ Dender (stroomnaam)

Dondersdag m. 1 dag van Donder • Fries tongersdei, Duits Donnerstag, Engels Thursday, Noors torsdag • hetz. als donderdag (verbastering), van de tweede naamval van °Donder + dag

Donderslo m. 1 heilig, aan Donder gewijd bos • Westfaals Dorsloh (veldnaam), Engels Thundersley, Thursley (oordnamen) • hetz. als Donderslag (verbastering, ouder Dunreslo, Belgisch-Limburg), mog. Dorsel (Antwerpen), van de tweede naamval van °Donder + lo ‘bos, open plek in het bos’

donen zw. -de 1 gestrekt zijn, uitsteken 2 trots zijn • ~ °denen ‘zich uitstrekken’

dong1 v. 1 mest • Gronings dong, Fries dong, Duits Dung, Engels dung • in °dungen ‘(be)mesten’, van °dingen4 ‘bedekken’

dong2 m. 1 met mest of plaggen bedekte, half ondergrondse ruimte voor overwintering, weven of graanopslag • van °dingen4 ‘bedekken’

dong3 bn. zie dung

dongen zw. -de 1 bedekken • ~ °dingen4 ‘bedekken’

donig bn. zie doon2

donkelen zw. -de zie donken

donken zw. -te, donkelen 1 dompelen • Westvlaams donkelen, Duits tunken • ~ °dinken ‘nat maken’

donst o. 1 alles wat gemakkelijk verstuift: stof, stuifmeel, meel, bloem, poeder, pluis, veertjes, haartjes, zemelen, kaf, roos, damp enz. 2 zachte beharing of begroeiing, zoals mos: donst op de bomen • Noordbrabants dónst, Drents doest, Fries dúst, Duits Dunst, Engels dust • hetz. als dons (verbastering), van °dwinzen ‘verstuiven’

dont m. 1 dreun, slag, stoot, duw • Engels dint, gew. dunt, Noors dytt • ~ °dinten/°danten/°donten

donten zw. -te zie dinten

dooien zw. -de zie douwen1

dook v. 1 mist, nevel • Gronings dook, IJslands þoka • niet ~ °doom ‘damp’ of °doon1 ‘geur’

dool1 v. 1 onzekerheid, onrust 2 bedwelming 3 verwarring, verbijstering • ~ dolen, dwalen

dool2 m. 1 kauw, torenkraai • Limburgs doal, Duits Dohle

dool3 v. 1 tros vruchten • ~ °doude/°dou1 (ouder dolde) ‘boomkroon; bloemscherm’, wel ~ °dal1 ‘trots, jubelend’ (wel eig. ‘bloeiend, uitbundig’), mog. ~ °duld2 ‘hoogtij’

dool4 v. 1 sloot, greppel 2 eendenkooi • Gronings dole, Drents dool • ~ dal, doel

dool5 v. 1 verdraging, uithouding • gew. Duits Dol, gew. Engels thole, Noors tol o. IJslands þol o. • van °dolen ‘(ver)dragen’

doolmoed m. 1 geduld • Noors tålmod • van °dool5 (of de stam van °dolen ‘(ver)dragen’) + moed

doolmoedig bn. 1 geduldig • Noors tålmodig, IJslands þolinmóður • van °doolmoed

doom m. 1 damp, wasem, mist, nevel • Westvlaams doom • in °domen, ~ °duien2 ‘stuiven; stomen; nevelen’, niet ~ damp, °domp

doon1 m. 1 stoom, damp 2 geur, lucht 3 onaangename geur, vieze lucht, stank • IJslands daunn • ~ °doon2, °duien2 ‘stuiven; stomen; nevelen’

doon2 bn., donig 1 vochtig, klam • Noordhollands doon, donig • ~ °doon1, °duien2 ‘stuiven; stomen; nevelen’

doon3 v. 1 rank van een plant • ~ °denen ‘zich strekken’

door1 o. 1 poort, grote deur • Duits Tor • ~ deur

door2 bn. doorder, -st 1 dwaas, gek • Twents door, Duits tor • ~ °door3, mog. ~ °doren/°deuren ‘ademen, bezield zijn’, °dwezen ‘ademen, bezield zijn’, dwaas

door3 m. 1 dwaas, gek • ~ °door2, deur (in zo gek als een deur)

door4 m. zie dore

doord m. zie dord

doppen zw. -te, dobben 1 dompelen 2 graven, uitdiepen 3 begraven 4 wegzakken 5 dutten, suffen • Veluws doppen, Drents doppen, dobben, Noors duppa, dubba • ~ °dobbe, dobber, °duiven1/°duipen ‘duiken’, dopen, diep, wel ~ °dwaap/°dweep, dwepen

dord m., doord 1 onkruid 2 raaigras, dolik 3 dravik, dreps • Westfaals dôrd, verouderd Duits Turd

dore m., door4 1 kleine wervelwind • Drents dore, doare (in wiendeldore, wiendeldoare, wienddoare) • van °dweren1 ‘draaien’, ~ °dweer ‘wervelwind’, dwarrelen

doren zw. -de, deuren 1 ademen, leven hebben, bezield zijn • ~ dier ‘levend wezen’, °dier ‘wild’, °dwezen ‘ademen’, dwaas ‘gek’ (eig. ‘bezield’), mog. ~ °door2 ‘dwaas’, °dozen3 ‘afdwalen; sluimeren’, °duis1 ‘suf’

dork m. 1 gat, hol 2 verholen ruimte 3 kielruimte, gedeelte van het schip waar al het kielwater zich verzamelt • ~ °dorken, °durkel ‘vol met gaten’, mog. ~ door, niet ~ °derk ‘duister’

dorken zw. -te 1 wegkruipen, zich verschuilen • ~ °dork

dornen zw. -de 1 verdorren, opdrogen, uitdrogen, verwelken • Noors torne, IJslands þorna • ~ dor ‘droog’, °derzen/°darzen ‘droog zijn’

dorsel m. 1 dorpel, drempel • Engels threshold, Noors terskel, IJslands þröskuldur • ~ dorsen

dos1 bn. dosser, -t 1 donker, donkerkleurig 2 donker, duister • Engels dusk • ~ °dos2, °dozen1 ‘bruin’, niet ~ °dostig ‘dicht van lucht, donker’

dos2 v. dossen 1 inkt, donkere verf • Duits Tusche • van °dos1

dossen zw. -te 1 donker, donkerkleurig worden 2 duister worden, schemeren • van °dos1

dost1 m. 1 mest, drek • gew. Engels thost • wel ~ dussen1 ‘leeg zijn, leeg worden’

dost2 m. 1 bos, bundel, tros • Duits Dosche • ~ °dostig, °duis2, °duist ‘dichte bos’

dostig bn. 1 gezwollen, dik 2 gezwollen, dik van lucht, nevelig, bewolkt, betrokken, donker • Duits dostig • ~ °dost2, °duis2 ‘gezwollen, dik’, °duist ‘dichte bos’, mog. ~ °duister, niet ~ dos1 ‘donker’

dou1 m. zie doude

dou2 vnw. zie du

doude m., dou1 1 boomkroon 2 bloemscherm • Duits Dolde (met Nederduitse d-), Zwitsers Told • ~ °dool3 ‘tros vruchten’, wel ~ °dal1 ‘trots, jubelend’ (wel eig. ‘bloeiend, uitbundig’), mog. ~ °duld2 ‘hoogtij’, dille ‘wis gewas met bloemscherm’ en/of dille ‘steelhuls’

douwen1 zw. -de, dooien 1 sterven, doodgaan 2 wegkwijnen • Zeeuws bedauwe, Engels die, Noors dø, IJslands deyja • ≠ °douwen2/dooien ‘smelten’, ~ dood

douwen2 zw. -de 1 smelten, niet meer vriezen • Engels thaw • oude nevenvorm van dooien, ≠ °douwen1/°dooien ‘sterven’

dozen1 bn. 1 bruin 2 kastanjebruin • gew. Engels doze (in doze-brown) • ~ °dos1 ‘donker’

dozen2 zw. -de 1 razen, te keer gaan • IJslands þeysa • ~ °dus ‘oproer’

dozen3 zw. -de 1 afdwalen (van de geest) 2 sluimeren • Engels doze • ~ °deuzig/°dozig, °duis1 ‘suf’, duizelen, mog. ~ °dwezen ‘ademen, bezield zijn’

dozig bn. zie deuzig

dra bn. draaier, draast zie drade

draag v. 1 verloop, gang 2 tijd, tijdsbestek, periode 3 jaargetijde, seizoen • van °dregen ‘rennen; verlopen’

draai1 bn. 1 halsstarrig, hardnekkig, koppig • Drents drao, IJslands þrár • ~ dringen, °drengen, mog. ~ dralen

draai2 bn. 1 vies, vuil, smerig • IJslands þrár

draak1 v. 1 aandoening, kwaal • ~ °dreken ‘strijken; treffen’, °drekken ‘treffen, kwellen’

draak2 v. 1 streek, streep • verouderd IJslands drák • ~ °dreken ‘strijken; treffen’

draak3 v., dreek kracht, sterkte, geweld • ~ °drocht ‘uithouding, kracht’

draas m. drazen 1 franje, zoom • mog. Noors trase • wel ~ draad, draaien

dracht v. 1 spruit, uitspruitsel 2 vrucht, foetus 3 kind, jong 4 persoon • hetz. als dracht ‘zwangerschap’, van dragen

drade bn. drader, draadst, dra 1 snel, hevig • ~ dra bw. (ook in zodra, weldra)

draden st. dried, h. gedraden 1 vrezen, vruchten • Engels dread

dral bn. 1 stijfgedraaid: dral garen 2 stevig: dralle kuiten 3 flink, vlug • Zaans dral, Drents dral, Duits drall • ~ °drillen

dram m., drem 1 aandrang 2 strijdgedrang, strijdgewoel • Drents dram, drem • ~ °drimmen

drap m. drapen 1 groep, gemeenschap • gew. Engels thrap • oude nevenvorm van °darp, dorp

drapen zw. -te 1 vangen, grijpen, pakken, te pakken nemen: een vogeltje drapen • mog. gew. Engels thrape ‘kleine vogeltjes doden’

drast m. zie drossel

draven st. droef, h. gedraven 1 houwen, slaan • ≠ draven ‘in draf gaan’, ~ °drepen ‘slaan’

drazel m. 1 stier • van °drazen ‘snuiven’

drazelen zw. -de 1 zwerven, dwalen • Noors drasla, IJslands drösla  °drezen1/°drezelen ‘lopen, rennen’

drazen zw. -de 1 snuiven, hoorbaar ademen 2 opscheppen, snoeven 3 twisten, kijven • IJslands þrasa • ~ °drazel ‘stier’

drecht v. 1 water(loop) waar trekvaart noodzakelijk is • in o.a. Dordrecht, Katendrecht, Loosdrecht • ~ dragen (voorheen ook ‘trekken’, vgl. Engels draw)

dreek m. zie draak3

dregel m., dreil 1 knecht, dienaar 2 slaaf • Noors trell, IJslands þræll • ~ °dregen ‘rennen, hollen’

dregen st. drag, h., is gedregen 1 rennen, hollen 2 verlopen, gaan • mog. Antwerps dregen • ~ °dreggen ‘rennen’, °draag ‘verloop; tijd’, °dregel/°dreil ‘knecht; slaaf’

dreggen zw. drei of dregde, h., is gedregd 1 rennen, hardlopen • ~ °dregen ‘rennen, hollen’

dreil m. zie dregel

dreken st. drak, h. gedroken 1 strijken, over iets heen trekken 2 treffen, raken • ~ °draak1 ‘aandoening’, °draak2 ‘streek’, °drekken

drekken zw. -te of onr. dracht, h. gedracht 1 treffen, raken 2 kwellen, tergen • Engels dretch • ~ °dreken, °draak1 ‘aandoening’, niet ~ drek ‘vuilnis’

drem m. zie dram

dreng m. 1 stok, stijl • IJslands drengur, Deens dreng

drengen zw. -de 1 doen dringen, doen doordringen • Duits drängen • ~ dringen, drang, °draai1

drenter m./v. 1 driejarig dier • Oostfries drenter, Fries trinter, gew. Engels thrinter • van drie + winter, vgl. enter, twenter

drepen st. drap, h. gedrepen 1 slaan 2 treffen, raken 3 bereiken 4 doden • Westfaals drepen, Duits treffen (ontleend als treffen), Noors drepe, IJslands drepa • ~ °draven ‘houwen’

dreugen v. 1 daad van bedrog, valsheid • ~ bedriegen, bedrog

drezelen zw. -de zie drezen1

drezen1 zw. -de, drezelen 1 lopen, draven, rennen: door het gras drezen 2 stremmen, schiften • Westvlaams drezen, Brabants drezelen • ~ drezen2 ‘hondsdraf’, °drazelen ‘zwerven’

drezen2 v. 1 hondsdraf, onderhave, aardveil (Glechoma hederacea) • Westvlaams dresem • ~ drezen1 ‘lopen’, °drazelen ‘zwerven’

dribbe v. 1 kwaadaardige vrouw, vals wijf • ~ °dribben

dribben zw. -de 1 lasteren, kwaadspreken, zwart maken • ~ °dribbe

dridde telw. 1 volgende na tweede • Fries tredde, Duits dritte, Noors tredje, IJslands þridji • oude, meer oorspr. nevenvorm van derde

drien telw. 1 meewerkende vorm van drie • ~ drie, °drij, °drier

drier telw. 1 bezittelijke vorm van drie • ~ drie, °drij, °drien

driesling m. 1 eetbare paddestoel, champignon

driezen st. droor, h., is gedroren 1 vallen, omvallen 2 vergaan, ten onder gaan 3 storten, stormen, dringen • Vlaams driezen, Noors drjosa, drysa • ~ °droor ‘bloed’, °droren ‘doen vallen’, druisen, °druist1 ‘kracht’, mog. ~ °drozen ‘suffen, dutten’, wel ~ druipen, druppel

drij telw. 1 mannelijke onderwerpsvorm van drie 2 mannelijke lijdende vorm van drie  drie is eigenlijk de vrouwelijke en onzijdige onderwerps- en lijdende vorm, ~ drie, °drien, °drier

drijn bn. 1 drievoudig, driedubbel • ~ °drij/drie, vgl. °twijn

drijst bn. 1 stoutmoedig, brutaal 2 moedig, dapper • hetz. als driest (met gew. klinker), mog. ~ dringen

drijten st. dreet, h. gedreten 1 zijn gevoeg doen, ontlasten • Gronings drieten, Noors drite, IJslands dríta  • ~ °drit

drillen st. drol, h. gedrollen 1 draaien, wentelen 2 ineendraaien: het touw drilt • Drents drillen, Duits drillen • hetz. als drillen ‘boren; africhten’, ~ °dral, drol, wel ~ draaien

drimmen st. drom, is gedrommen 1 met kracht voortgaan, dringen 2 springen • ~ drammen, °dram/°drem, bedremmeld, drom

drinten st. dront, is gedronten 1 zwellen, opzetten

drit o. 1 ontlasting, uitwerpsel, gevoeg, vuiligheid • IJslands drit, Noors dritt • ~ °drijten

drocht m. 1 uithouding, verduring, doorzetting, vastberadenheid, kracht, ijver 2 ontbering, bezoeking • Noors trott, IJslands þróttur • in °drochtig, ~ °draak3/°dreek ‘kracht’, niet ~ °druigen

drochtig bn. 1 uithoudend, hardend, verdurend, vastberaden, krachtig, ijverig • Noors trottig, IJslands þróttugur • van °drocht

droe v. droeien 1 last • in °droeien1 ‘verduren’

droed bn. 1 gehard door verduring • oud voltooid deelwoord van °droeien1 ‘harden, verduren’, in °droeden

droeden zw. -de 1 oefenen, trainen, laten verduren, gehard maken • van °droed ‘gehard’

droeien1 zw. -de 1 harden, verduren, uitstaan, lijden • in °droed ‘gehard’, van °droe ‘last’, ~ °drouw ‘smart’

droeien2 st. drieuw, is gedroeien, drouwen2 1 groeien, zwellen, gedijen • Duits druhen • ~ °droes1, °droes2, °druis1 ‘dicht opeen, van planten en bloemen’, °druis2/°druist2 ‘tros, bundel vruchten’, °druid1 ‘kracht’,

droes1 v. droezen 1 gezwel, buil 2 klier • Fries trûs, troes, troaze, Duits Drüse • in °hagedroes ‘geslachtsdelen’, hetz. als droes ‘paardenziekte’, ~ °droes2, °droeien2/°drouwen2

droes2 m. droezen 1 flinkerd, groot iemand, reus 2 held, krijger: een sterk droes 3 duivel, boeman: van de droes dromen • Gents droes, Drents droest • ~ °droes1, °droeien2/°drouwen2

drooien zw. -de zie drouwen1

droor m. 1 bloed, druip • ~ °driezen

droot1 m. 1 worsteling, arbeid 2 geweld, druk 3 bedreiging • Engels threat, IJslands þraut • ~ verdrieten

droot2 v. 1 keel • Duits Drossel, Engels throat • mog. ~ strot

droren zw. -de 1 doen vallen, vellen • ~ °driezen ‘vallen’

dros v. zie drossel

drossel v., dros, drast 1 lijster, zanglijster, ew. °geiteling • Drents drousel (met ou wel o.i.v. *ousel ‘merel’, waarvoor zie °ansel), Duits Drossel, Engels throstle, thrush, gew. thrushel, Noors trost, IJslands þröstur

drouw v. 1 smart, leed 2 dreiging • IJslands þrá • in °drouwen1 ‘dreigen’, ~ °droe ‘last’

drouwen1 zw. -de, drooien 1 dreigen 2 waarschuwen • Gronings drouden, draauwen, Westfaals drüggen, Noors true • van °drouw ‘smart, leed’

drouwen2 st. drieuw, is gedrouwen zie droeien2

drozen zw. -de 1 suffen, dutten • Antwerps drozen, Deens drøse • mog. ~ °driezen ‘vallen, omvallen’

drubbel m. 1 dicht opeenstaande groep, met name planten of mensen • Achterhoeks drubbel, Westfaals drubbel • ~ druif

drucht1 v. 1 vaart, aandrang, onstuimigheid

drucht2 v. 1 heerschare, in het bijzonder het gevolg van een krijgsheer 2 leger, heer 3 volk • in °druchten, °druchtegom, °druchtman, °druchtzaat, ~ °druigen ‘(krijgs)dienst doen’

druchtegom m. -gomen zie druchtegoom

druchtegoom m. druchtegom 1 lid van een drucht, volger van een krijgsheer, ew. °druchtman 2 bruidsjonker • van °drucht2 ‘heerschare, gevolg van een krijgsheer’ + °goom ‘man’

druchten m. 1 krijgsheer, in het bijzonder de leider van een groep krijgers 2 heer 3 God • Noors drott, IJslands drottinn • van °drucht2

druchtman m. -lui, -lieden 1 lid van een drucht, volger van een krijgsheer, ew. °druchtegoom/°druchtegom

druchtzaat m. 1 dienaar in het gevolg van een krijgsheer, belast met een taak 2 hofmeester 3 gerechtsdienaar • Duits Truchseß • hetz. als drost (verbastering), van °drucht2 ‘schare, gevolg’ + °zaat2 ‘gezetene’

druft v. zie durft

druid1 v. 1 kracht, sterkte, geweld • ~ °droeien2/°drouwen2 ‘gedijen’

druid2 m./v. 1 vriend of vriendin 2 minnaar of minnares

druig1 v. 1 uitgehold stuk hout of steen 2 kist 3 lijkkist 4 dierenval, vroeger ook een rechthoekig stuk hout met een opening om poten van wild te klemmen • gew. Duits Drauche, gew. Engels through, throuch, throw, Noors tro, IJslands þró

druig2 bn. 1 duurzaam, bestendig, sterk 2 langdurig • Fries dreech, IJslands drjúgur • ~ °druigen

druigen st. droog, h. gedrogen 1 (krijgs)dienst doen 2 uitvoeren 3 vechten 4 uitstaan • IJslands drýgja • ~ °druig2, °drucht2

druilen zw. -de 1 bedriegen, foppen 2 bespotten 3 grappen, spelen • mog. ~ droom, bedriegen

druis1 bn. druizer, -t 1 fors, stevig, dicht opeen, gezegd van planten en bloemen • Gronings droes • ~ °druis2, °droeien2/°drouwen2 ‘groeien, gedijen’

druis2 m. druizen, druist2 1 tros, bundel vruchten • Drents droes, droest, Oostfries drûs, drûst • ~ °druis1, °droeien2/°drouwen2 ‘groeien, gedijen’

druist1 v. 1 kracht, aandrang, snelheid, vaart • ~ druisen, °driezen ‘vallen’

druist2 m. zie druis2

du vnw., dou 1 jij • Drents doe, Fries do, Duits du, Engels thou, Noors du, IJslands þú • ~ °dij1, dijn, °dik

ducht v. 1 vrees • in duchten, mog. eig. ‘ineenduiking’ en ~ °dogen3 ‘ondergáán’, duiken ‘óndergaan’, anders mog. eig. ‘bedrukking’ en ~ duwen

dui v. duien 1 dienstmeid, dienstmeisje, dienstbode 2 (onnozele) jonge vrouw • ~ °die1 ‘gehoorzaam’, °die2 ‘dienaar’

Duids bn., Duits 1 Germaans 2 vasteland-Germaans, de Lage Landen inbegrepen • Duits deutsch, Vlaams Diets, Noors tysk, IJslands þýskur • in Nederduits, Hoogduits, hetz. als Duits ‘der oosterburen’ (oneig.), van °diede/°died ‘volk’

duien1 zw. -de 1 schudden, beven • Zuidhollands duie, doije, Fries duie, verouderd IJslands dýja • mog. hetz. als °duien2, wel ~ °duim ‘wild, dol’

duien2 zw. -de 1 stuiven, verstuiven 2 stomen, dampen, wasemen 3 nevelen, misten • mog. hetz. als °duien1, ~ dauw, °doom ‘damp’, °doon1 ‘stoom’, °doon1 ‘vochtig, klam’, duin ‘zandheuvel’, °duin ‘beneveld’, niet ~ °dook ‘mist, nevel’

duif v. duiven 1 heuvel 2 hoop, stapel • Drents doef, Noors tuve, tue, IJslands þúfa • in Duiven, wel ~ °duiven2 ‘zich samendrukken’

duiknekken zw. -te 1 de nek vooroverbuigen • Westvlaams duikenekken, Drents doeknakken

duil v., dul 1 lisdodde • Drents duul, dule, dul, Zaans duul, duil • mog. ~ °dol1 ‘lieveling’ (vgl. dot ‘iets liefs’ en doddig ‘snoezig’ naast (lis)dodde) en/of dol ‘(houten) pin; roeipen’ en/of dol ‘spitsmuis’

duim bn. 1 wild, dol, vooral gezegd van honden en runderen • Fries dûm • wel in °duimen ‘feesten, smullen’, wel ~ °duien ‘schudden’

duimen zw. -de 1 feesten, smullen: sluimen en duimen • in °verduimen ‘verteren, herkauwen’, wel van °duim ‘wild, dol’

duin bn. 1 beneveld 2 buiten zinnen, waanzinnig, krankzinnig, gek 3 dronken • Gronings doen • in °duinen, ~ °duien2 ‘(ver)stuiven’

duinen zw. -de 1 benevelen 2 buiten zinnen zijn 3 dronken zijn • Oostfries dunen • van °duin, in °duining

duining v. 1 beneveling 2 waanzin 3 dronkenschap • ~ van °duinen

duipen st. doop, h. gedopen zie duiven1

duis1 bn. duizer, -t 1 suf, slaperig, stil • in °duizen, ~ duizelen, °dozen3 ‘afdwalen; sluimeren’, mog. ~ °dwezen ‘ademen, bezield zijn’

duis2 bn. duizer, -t 1 gezwollen, dik, groot • mog. Gronings does ‘boos’ (vgl. verbolgen bij belgen ‘zwellen’) • in duizend, ~ °duist, °dostig ‘gezwollen, dik’, mog. ~ °dwast ‘vast, stevig’

duist m./v. 1 dichte, vaak warrige bos, hoop of massa • Gronings doest, toest, Noors tust m., IJslands þúst v. • in °duisthout, ~ °dost2 ‘bos, bundel’, °dostig ‘gezwollen, dik’, °duis2 ‘gezwollen, dik’, duizend, mog. ~ °duister

duisthout o. 1 minderwaardig hout, onderhout, kreupelhout, struikgewas • Twents duushoalt, doeshoolt • van °duist + hout

duiten st. doot, h. gedoten zie dieten

Duits bn. 1 zie Duids

duiven1 st. doof, h. gedoven, duipen 1 duiken • Zaans beduiven (in bedoven), Westfaals dûpen, Noors duva • ~ °doppen/°dobben ‘dompelen; (be)graven’, °dobbe, dobberen, dopen, diep, wel ~ duif, doffer

duiven2 zw. -de 1 zich samendrukken, ineenkrimpen 2 sluipen 3 stelen • Fries tjûve (in tjûverich) • ~ dief, wel ~ °duif ‘heuvel; hoop’

duizen zw. -de 1 suffen, slapen • Gronings doezen, Noors duse • van °duis1, in duizelen

dul v. dullen zie duil

duld1 bn. zie dild

duld2 v. 1 hoogtij, viering, feest, festival 2 jaarmarkt • gew. Duits Tult, Dult • in °dulddag, °duldelijk/°duldig, °dulden, mog. ~ °dool3 ‘tros vruchten’, °doude/°dou1 (ouder dolde) ‘kroon van een plant of boom’, °dal1 ‘trots, jubelend’ (wel eig. ‘bloeiend, uitbundig’)

dulddag m. 1 feestdag • van °duld2 + dag

duldelijk bn., duldig 1 feestelijk • van °duld2

dulden zw. -de 1 een feest houden, vieren • van °duld2, ≠ dulden ‘toelaten’

duldig bn. zie duldelijk

dumpel m. 1 deuk: een dumpel in zijn helm 2 kuil • Limburgs dumpel, Duits Tümpel (met gew. p i.p.v. Hoogduitse pf), Engels dimple

dun v. dunnen, din 1 voorhoofd • in °duneg/°dunning/°dinning ‘slaap, zijkant van het hoofd’

duneg v. duneggen, dunning, dinning 1 slaap, zijkant van het hoofd • Gronings dunegge, Westfaals dünning, Noors tinning • van °dun/°din ‘voorhoofd’ + enerzijds °eg ‘kant’, anderzijds verbasterde nevenvorm van wang

dung bn., dong3 1 zwaar • Noors tung, IJslands þungur • van °dingen3 ‘spannen; belast zijn’

dungen zw. -de 1 (be)mesten • Duits düngen, gew. Engels dinge, Noors dynge, IJslands dyngja • van °dong1

dunning v. zie duneg

durft v., druft 1 behoefte, gebrek • in nooddruft, van °durven ‘nodig hebben’

durkel bn. 1 vol met gaten, doorboord • ~ °dork ‘gat, hol’, mog. ~ door

durkelen zw. -de 1 aarzelen, schromen, schoorvoeten • mog. ~ dragen en/of °dwergen

durren onr. dar(s), dorst, h. gedorst 1 wagen, moedig zijn • Limburgs dorren, Gronings duren, deuren, Fries doare, doarre • verhaspeld met °durven ‘nodig hebben’ tot durven ‘wagen’

durs m. durzen, deurs 1 reus, monster • verouderd gew. Engels thurse, IJslands þurs • mog. ~ door

durven onr. darf, durfde, h. gedurfd 1 nodig hebben, benodigen, behoeven 2 mogen • Gelders-Overijssels durven, Duits dürfen • verhaspeld met °durren ‘wagen’ tot durven ‘wagen’, ~ °durft/°druft, °derf2 ‘behoefte’, derven ‘ontberen, missen’

dus m. 1 oproer, tumult 2 storm • IJslands þys • ~ °dozen2

dussen1 zw. -te 1 leeg zijn, leeg worden • wel ~ dost1 ‘mest, drek’, mog. ~ doos ‘kistje; dom wicht’ (mits eig. ‘hol, leeg ding’), mog. eig. hetz. als (of ~) °dussen2

dussen2 zw. -te 1 stil zijn, stil worden, zwijgen, kalmeren • ~ °dust ‘stil, kalm, zwijgend’, mog. eig. hetz. als (of ~) °dussen1

dust bn. 1 stil, kalm, zwijgend • Noors tyst • voltooid deelwoord van °dussen2

duurzen zw. -de 1 waardevol achten, waarderen 2 loven, prijzen 3 duurder worden • Westvlaams dierzen • van duur

dwaal o. 1 wasbeurt, bad • van °dwagen ‘wassen’, ~ °dwacht, dweil

dwaan st. dwoeg, h. gedwagen zie dwagen

dwaap m., dweep 1 nar, dwaas, gek • ~ dwepen ‘overdreven bewondering koesteren’ (voorheen ook ‘diepzinnig zijn’), wel ~ diep, °doppen/°dobben

dwaar bn. 1 meegaand • in °gedwaar ‘gelijkgestemd’, °mandwaar ‘zachtmoedig; vriendelijk’, ~ °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

dwacht m. 1 wasbeurt • Zweeds tvätt • van °dwagen ‘wassen’, ~ °dwaal, dweil

dwagen st. dwoeg, h. gedwagen, dwaan 1 wassen, schoonmaken, reinigen 2 zuiveren • Noors två, IJslands þvo • ~ dweil, °dwaal ‘wasbeurt, bad’, °dwacht ‘wasbeurt’

dwal m. dwallen 1 houten pin, dwarsstokje 2 handvat, greep, met name van een zeis • Gronings dwale • ~ dol ‘(houten) pin; roeipen’, wel ~ °dom/duim ‘kortste, dikste vinger; naaf’

dwang m. 1 (lederen) riempje ter afsluiting 2 veter • Engels thong • ~ dwingen

dwangzoen v. 1 van hoger hand bevolen verzoening, gedwongen vredesovereenkomst, i.t.t. moedzoen • van dwang + °zoen ‘verzoening, genoegdoening’

dwarsen zw. -te 1 kruisen, dwars oversteken 2 in de zij aanvallen 3 dwarsbomen, tegenwerken • ~ dwars

dwast bn. 1 vast, stevig • mog. ~ °duis2 ‘gezwollen, dik’

dweep m. zie dwaap

dweer1 v. 1 wervelwind, dwarrelwind • Noordhollands dweer • ~ °dweren1, dwarrelen, °dore/°door4 ‘kleine wervelwind’

dweer2 bn. dweerder, -st 1 krom 2 slecht 3 boos, opvliegend • Noors tverr, IJslands þver • ~ dwars

dwelen st. dwal, h. gedwolen 1 dwalen 2 traag zijn, achterblijven • Drents dwelen • ~ °dwelm1, °dwelm2, dwalen

dwellen zw. -de 1 doen dwalen, op een dwaalspoor brengen 2 hinderen, tegenhouden 3 kwellen • Engels dwell, IJslands dvelja • ~ °dwelen, dwalen

dwelling v. 1 begoocheling, het op een dwaalspoor brengen • van °dwellen

dwelm1 m. 1 dwaas 2 iemand die verbijsterd van zinnen is • Gronings dwelm • ~ °dwelen, dwalen

dwelm2 v. 1 bedwelming, flauwte 2 verbijstering, betovering • in bedwelmen, ~ °dwelen, dwalen

dwerel m. 1 garde, melkklopper • van °dweren1

dweren1 st. dwoor, h. gedworen 1 draaien 2 roeren • gew. Duits zweren, gew. Zweeds tvära • ~ °dweer1, dwarrelen, °dore/°door4 ‘kleine wervelwind’

dweren2 zw. -de 1 dwarsliggen 2 zeuren • Drents dweren • van °dweer2

dwergen st. dworg, h. gedworgen 1 dragen, belast worden 2 belasten, drukken • wel ~ dwerg (volgens de Oudnoordse overlevering droegen vier dwergen het hemelgewelf), mog. ~ °durkelen ‘aarzelen’ en/of dragen

dwezen st. dwas, h. gedwezen 1 ademen, bezield zijn, leven hebben • ~ dwaas ‘gek’ (eig. ‘bezield’), °doren/°deuren ‘ademen’, dier ‘levend wezen’, °dier ‘wild’, mog. ~ °door2 ‘dwaas’, °dozen3 ‘afdwalen; sluimeren’, °duis1 ‘suf’

dwijten st. dweet, h. gedweten 1 houwen, afhouwen 2 snijden, afsnijden • gew. Engels thwite • wel ~ duit (ouder *dweit), mog. ~ stoten

dwinzen st. dwons, is gedwonzen 1 verstuiven, verstrooien • ~ °donst/dons

dwissen zw. -te 1 blussen, doven, beëindigen: een brand dwissen • mog. ~ (ver)dwijnen

 

 

echel v. zie egel1

echt v. 1 bezit, eigendom, vermogen 2 vermogen, kracht 3 familie, sibbe, bloedlijn, ras • IJslands ætt • ≠ echt ‘huwelijk’, hetz. als Echt (Limburg), in °vrecht/vracht ‘loon, lading’, van °egen ‘bezitten’

ed- 1 voorvoegsel dat herhaling en wederkering aanduidt • in °edloon, °ednieuw, °ederukken, °edewijt, °edewinden, en met oneig. spelling in etgras, etmaal, wel ~ adem, ader

ede v. 1 moeder • ~ °edem, wel ~ °edis ‘vrouw van aanzien’, mog. ~ °ijde ‘gang; vlijt’

edem m. 1 schoonzoon • Limburgs eejem, Duits Eidam • ~ °ede

eden zw. -de 1 de eed afnemen, beëdigen • Duits eiden • van eed, ~ °ette ‘beëdigde, gezworene’

eder1 m. eders, ederen 1 hek, schutting, omheining 2 omheind oord • Westfaals ær (in balkenær), Zwitsers Etter, gew. Engels edder, eder, ether, Noors jar, IJslands jaðar • mog. ~ Ede (Gelderland)

eder2 vw. zie oder

ederiken zw. -te zie ederukken

ederukken zw. -te, ederiken 1 herkauwen • Antwerps irriken, irken, nirken, gew. Duits itrücken • van °ed- ‘wederom’ + °rukken ‘oprispen’

edewijt o. 1 smaad, hoon • van °ed- ‘wederom’ + °wijt1 ‘straf’

edewinden st. edewond, h., is edewonden 1 ronddraaien, slingeren • van °ed- ‘wederom’ + winden

edis v. edissen 1 vrouw van aanzien, edele vrouw 2 bovennatuurlijke, goddelijke vrouw • wel ~ °ede ‘moeder’, mog. ~ °ijde ‘gang; vlijt’

edlonen zw. -de 1 belonen 2 vergelden • van °edloon

edloon o. 1 beloning 2 vergelding • in °edlonen, van °ed- ‘wederom’ + loon

ednieuw bn. 1 hernieuwd, verkwikt, wederom sterk • van °ed- ‘wederom’ + nieuw

ee1 v. eeën zie eeuw1

ee2 v. eeën, eeuw2 1 wet, zede, gebruik, godsdienst: nood breekt ee nood breekt wet, de oude ee het vóórchristelijke, vooral het oude testament, de nieuwe ee het christendom, het nieuwe testament 2 huwelijk, echt: ter ee verzoeken • Duits Ehe, Zwitsers E • in °eebraak, °eebreker, °eebreuk, °eegade/eega, °eehaft/°eehacht/echt, °eelijk, °eeloos, °eelui/°eelieden, °eenede, °eevast, °eeward/Eward, °eezage/°ezige, Erik, Ewoud, wel ~ °eeuw1/°ee1 ‘leven, levenskracht; leeftijd; tijdperk; 100 jaar’, anders mog. eig. ‘wijze, gang, weg’ en ~ °ijen ‘gaan’

ee3 bw. 1 eerder, vroeger, tevoren • Duits eh • ~ eer ‘voordat’, eerder

eebraak bn. 1 wetbrekend, onzedelijk 2 overspelig • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °braak1

eebreker m./v. 1 breker van de wet 2 breker van de huwelijkseed, overspelige • Westfaals êbreker, Duits Ehebrecher • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eebreuk v. 1 het breken van de wet 2 het breken van de huwelijkseed, overspel • Duits Ehebruch • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eed m. 1 vuur, lichtend vuur 2 brandstapel, ew. °baal 3 gloed • in °eiden ‘verbranden; harden met vuur’, mog. in Een (ouder Eden, Drenthe), ~ °eel1 ‘vuur, brand’, °ees ‘vuurhaard’, eest ‘droogoven’, mog. ~ °eer2 ‘metaal’

eedspel o. -spellen, espel 1 de woorden van de eed, het eedformulier, ew. °eedstaf 2 ambt, bediening, waarvoor men bij aanvaarding een eed aflegt 3 rechtsgebied, district • van eed + °spel ‘verkondiging, verhaal’

eedstaf m. -staven 1 de woorden van de eed, het eedformulier, ew. °eedspel 2 afgelegde eed • IJslands eiðstafr • in °eedstaven, van eed + °staf1 ‘schriftteken; stokje’

eedstaven zw. -de 1 de woorden van de eed voorzeggen, ew. °staven • Drents eedstaven, IJslands eiðstafa • van °eedstaf

eeg m. 1 slang 2 worm • in °egel1/°echel ‘bloedzuiger’, mog. ~ egel (mits eig. ‘slangeneter’)

eegade m./v. 1 echtgenoot, echtgenote • hetz. als eega (verbastering), van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + gade

eehacht bn. zie eehaft

eehaft bn., eehacht 1 wetgebonden, wettig 2 waarlijk, waarachtig, werkelijk • Zwitsers ehaft • hetz. als echt ‘werkelijk; huwelijk’ (samentrekking), van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °haft1/°hacht1 ‘vast, gebonden’

eek1 bn., iek 1 eeuwig • ~ °eeuw1/°ee1

eek2 m. 1 wisse loofboom met gelobd blad (Quercus) • Westvlaams eeke, Westfries eek, Twents eeke • oude nevenvorm van eik, in Ekehaar (Drenthe), niet in eekhoorn

eel1 o. 1 vuur, brand • in °eilen ‘branden’, ~ °eed ‘vuur; brandstapel’

eel2 m., elg, elk 1 eland • Duits Elch, Engels elk, Noors elg, IJslands elgur • oude nevenvormen van eland, mog. ~ °eluw/°eel3 ‘geelrood; bruingeel’

eel3 bn. zie eluw

eelieden mv. zie eelui

eelijk bn., elijk 1 wettig, volgens de wet, rechtmatig, vooral van wederhelften gezegd • Duits ehelich • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eeloos bn. 1 onwettig 2 ongehuwd, ongetrouwd • Zwitsers elos • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’

eelui mv., eelieden 1 gehuwd stel, echtpaar • Duits Eheleute • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + lui/lieden

eem1 v., eme 1 natuurlijke waterloop, stroom, rivier • Drents eem (in beëmen ‘bevloeien’) • in Eemnes, Eemten, van °amen1 ‘gieten, stromen’, ~ Eems (stroomnaam)

eem2 m. 1 stoom, damp, warme lucht 2 rook • Noors eim, IJslands eimur

eenboren bn. 1 uniek, enig in zijn soort of generatie • van een + (ge)boren

eendage m. 1 vastgestelde dag, bijv. voor een rechtszitting 2 sterfdag • van een + nevenvorm van dag

eenderik m. zie aanderik

eenede v. 1 echtgenote, gemalin, eega, gade • van °ee ‘wet’ + °-nede

eenhard bn. 1 moedig, standvastig, bestand

eenloop bn. 1 vrijgezel, alleenstaand

eenmoed v. 1 eendracht, eenstemmigheid, eensgezindheid 2 vastberadenheid, vaste wil, innige ernst • Gronings ainmoud, verouderd Duits Einmut • in °eenmoedig

eenmoedig bn. 1 eendrachtig, eenstemmig, eensgezind 2 vastberaden, standvastig • Fries ienmoedich, Duits einmütig • van °eenmoed

eennacht bn. 1 één nacht oud

eenode v., enode 1 woestenij, heide 2 onherbergzaam oord • van een, vgl. °evenode, °heemode, °jegenode

eenwijg o. 1 een-op-een-gevecht, duel • van een + (nevenvorm van) °wijg3 ‘strijd’

eenwoud m. 1 alleenheerser, erfelijk heerser, keizer, koning • IJslands einvaldur • van een + (verzelfstandiging van) °woud1 ‘heersend’

eenzaat m., eenzater 1 kluizenaar, heremiet, ew. °woudbroeder • van een + °zaat2 dan wel °zater

eenzater m. zie eenzaat

eep m. zie ijp

eer1 m. 1 boodschapper, bode, heraut • wel ~ °ijen ‘gaan, zich voortbewegen’, niet ~ °erend/°arend ‘boodschap, opdracht’

eer2 o. 1 metaal in het algemeen 2 koper • Engels ore, IJslands eir • mog. ~ °eed ‘vuur; brandstapel’

eer3 v. 1 roeiriem • Engels oar, IJslands ár

eer4 m. 1 heer, meester • mog. Fries Ere (eigennaam) • mog. in Eersel (ouder Erslo, Eresloch, Noord-Brabant), mog. in Marsberg (ouder Meresburg, met m van het lidwoord, ouder Eresburg, Noordrijn-Westfalen), mog. ~ °ezer ‘bloed’ i.v.m. bloedlijn

eer5 v. 1 gewapend treffen, strijd, gevecht • verouderd IJslands jara • ~ °erel ‘edelman, krijger’, ernst, °orren ‘treffen, strijden’, niet ~ eer ‘aanzien’

eer6 o. zie eruw

eerdagen mv. 1 dagen van weleer, ew. °voorndagen • IJslands árdagar • van eer ‘vroeg(er)’ + dagen

eern m. zie eren3

eernen zw. -de 1 een boodschap brengen, om een boodschap gaan 2 verkondigen, spreken • Fries earnje, IJslands árna • ~ °eer1

eerwakker bn. 1 vroeg-wakker • van eer ‘vroeg(er)’ + wakker

ees v. ezen 1 vuurhaard 2 smidse • Noors eise, IJslands eisa • ~ °eed ‘vuur; brandstapel’, eest ‘droogoven’, niet ~ °es ‘vuurhaard; smidse’

eesten zw. -te 1 eren, eerbiedigen, hoogachten • ~ eer

eet v. 1 wilde haver • Zaans oot, Engels oat • wel eig. ‘korrel, graanvrucht’ en ~ °eit ‘zwelling’, niet ~ eten, wel al vroeg verhaspeld met °aat1 ‘eten; veevoer’

eeuw1 v., ee1 1 leven, levenskracht, tier, fut: eeuw en eg leven en vlijt 2 leven, levensduur, levenstijd, leeftijd 3 tijdperk, zeer lange tijd • Westvlaams eeuwe, Fries ea bw. ‘ooit’, Engels ever bw. ‘ooit; altijd’, Noors æve, IJslands ævi v., æ bw. ‘altijd’, -ær bn. (in langær ‘langdurig’) • hetz. als eeuw ‘100 jaar’ (oneig.), in °eeuwen1 ‘eeuwig’, ~ °eek1/°iek ‘eeuwig’, °ie1/°jo ‘altijd; ooit’, jong ‘vol leven’, wel ~ °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’, mog. in °eeuwen2 ‘voeden’

eeuw2 v. zie ee2

eeuwen1 bn. 1 eeuwig • IJslands ævin- • van °eeuw1/°ee1 + °-ijn1/°-en1

eeuwen2 zw. -de 1 te eten geven, voeden, weiden • IJslands æja • ~ °eeuwsel, mog. van °eeuw1/°ee1 ‘leven, levenskracht’

eeuwen3 zw. -de 1 minachten, verachten, versmaden • in °eeuws

eeuws bn. 1 veracht, geminacht, versmaad • van °eeuwen3

eeuwsel o. 1 weide in een bos • van °eeuwen2

eevast bn. 1 trouw aan de wet, godsdienstig, religieus, vroom • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + vast

eeward m., eward 1 hoeder van de wet, priester • hetz. als de naam Eward, van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + °ward ‘hoeder’

eezage m., ezige 1 wetzegger, kenner van de wet • van °ee2/°eeuw2 ‘wet, zede, godsdienst; huwelijk’ + afl. van zeggen

effenen zw. -de, evenen 1 uitvoeren, voltooien, afmaken • Noors evne, emne, IJslands efna • ≠ effenen ‘gelijkmaken’, ~ oefenen of af

efferen bn. zie averen

eg v. eggen 1 scherpe kant, van mes, bijl, zwaard: met oord en eg, ew. snede 2 rand 3 zwaard, ew. °bil, °brand, °heer/°heur, °maak 4 vlijt, ijver: eeuw en eg leven en vlijt • Gronings eg, Duits Ecke, Fries ich, *edze (in namen als Edzard), Engels edge, Noors egg, IJslands egg • ≠ eg ‘landbouwwerktuig’, hetz. als neg (met n- van het lidwoord), in Egbert, °eggesteen, °duneg ‘slaap, zijde van het voorhoofd’, van °agen1/°aan1 ‘scherp zijn’

egedas v. egedassen, eidas 1 hagedis 2 salamander, watersalamander • Leids eidas, Oostfaals êgedisse, êgedixe, Duits Eidechse, gew. Engels ask • hetz. als hagedis (verbastering o.i.v. °hagetis/heks ‘tovenares’), mog. van oude nevenvorm van °oeg1 ‘vlug’ + afl. van °dessen2 ‘rennen’

egel1 v., echel 1 bloedzuiger • Twents egel, echel, Duits Egel, Noors igle • van °eeg ‘slang; worm’, mog. ~ egel (mits eig. ‘slangeneter’)

egel2 bn. zie agel

egel3 m. zie eigel

egelen zw. -de, eggelen 1 tot last zijn, schaden • Engels ail, Noors egle • van °agel/°egel2/°eggel ‘moeilijk, lastig’

egen onr. eeg, echt, h. geëcht 1 bezitten, in eigendom hebben • IJslands eiga, Engels owe • ~ eigen, °echt ‘bezit’

eggel bn. zie agel

eggelen zw. -de zie egelen

eggesteen m., egsteen 1 scherpe steen 2 hoeksteen • Twents eggesteen, Duits Eckstein • van °eg ‘scherpe kant’ + steen

egsteen m. zie eggesteen

eidas v. eidassen zie egedas

eiden zw. -de 1 verbranden 2 harden met vuur • van °eed ‘vuur, brand’

eigel m., egel 1 scheut, loot 2 pijl • gew. Zweeds egel, äjel • niet ~ egel ‘stekelig zoogdiertje’

eiken1 zw. -te 1 prikkelen, opwinden 2 irriteren, boos maken • ~ °eiken2, °ekel, niet ~ eikel ‘vervelende man’

eiken2 bn. 1 koppig, halsstarrig, weerspannig • Noors eikjen • ~ °eiken1, °ekel

eil m. 1 kafnaald, ew. °ein, °graan • verouderd Duits Egel, gew. Engels ail • wel (als ‘punt, speer’) in namen als Eildert (ouder Eilhard), van °agen1/°aan1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

eild m., eld 1 vuur, brand • Noors ild, eld, IJslands eldur • in °eilden/°elden3, voltooid deelwoord van °eilen ‘branden’

eilden zw. -de, elden3 1 doen branden, opstoken, aanvuren • Fries jeldzje, Noors ilde, elde, IJslands elda • van °eild/°eld

eilen zw. -de 1 aansteken, in brand zetten, verbranden • Oostfries ellen, ellern • in °eild ‘vuur, brand’, van °eel1 ‘vuur, brand’ (zoals (ver)breiden van breed)

ein1 v. 1 kafnaald, ew. °eil, °graan • Zeeuws eine, gew. Engels ain • wel (als ‘punt, speer’) in namen als Eimert (ouder Eimbert, Einbert), van °agen1/°aan1 ‘scherp zijn’, ~ aar ‘bloeiwijze’

ein2 m., einbeer 1 jeneverbes (Juniperus communis), ew. °wakel/°wakelder • verouderd Drents imbeer, imbeerboom, Hamburgs eenbeernboom, Mecklenburgs-Voorpommers enbärenstruk, Noors eine, einer, einebær, IJslands einir, einiber

einbeer v. zie ein2

eindebeurd v. zie eindebreurd

eindebeurden zw. -de zie eindebreurden

eindebreurd v., eindebeurd 1 orde, rangschikking • van einde + nevenvorm van °brord/°broord/boord

eindebreurden zw. -de, eindebeurden 1 ordenen, rangschikken • van °eindebreurd/°eindebeurd

Eindelmeer o. zie Endelmeer

eins v. einzen zie ans3

eint bw. zie ent

eints bn. zie ents

eis m. eizen, eize 1 vrees, angst • in °eiselijk, °eizen, ~ °agen3 ‘vrezen’

eiselijk bn. 1 vreselijk, angstaanjagend • Gelders-Overijssels eiselik • hetz. als ijselijk (verhaspeld met ijs), van °eis/°eize

 

 

eit m. 1 zwelling 2 zweer, etterend gezwel 3 abces, ophoping van etter 4 oorsmeer • in °eitel, ~ etter, wel ~ Eiteren (voorheen stroomnaam), °eet ‘wilde haver’ (dan eig. ‘korrel, graanvrucht’), mog. ~ °ijter ‘uitmuntend’ (mits eig. ‘groots, sterk’ o.i.d.)

eitel m./v. 1 gezwel 2 gal, gezwel op een plant • IJslands eitill • van °eit

eize m. zie eis

eizen zw. -de 1 schrikken, gruwen, bang zijn • Gelders-Overijssels eizen • hetz. als ijzen (verhaspeld met ijs), van °eis/°eize

-eke1 m./v. zie -ik

-eke2 o. zie -ekijn

ekel bn. 1 afschuwelijk, afgrijselijk 2 zenuwachtig bang • Nederduits ekel • ~ °eiken1, °eiken2

eken st. iek, h. geëken 1 eigen maken, toeëigenen 2 wederrechtelijk toeëigenen, stelen 3 aannemen • Westfaals êken • ~ eigen

-eken o. zie -ekijn

-ekijn o., -eken, -eke2, -ken, -ke 1 achtervoegsel ter aanduiding van verkleining en liefkozing • Brabants -ke, -ske, -je, -tje, Fries -ke, -je, -tsje, Duits -chen, gew. Engels -chin (in bijv. bulchin) • in manneken/manneke/menneke, °stedekijn/°stedeke, varken, hetz. als -tje e.d. (verbastering), verlenging van °-ik met °-ijn, vgl. °-elijn

el bn. 1 ander: iemand el een ander 2 vreemd • Westvlaams el • in °elbent, elders, °elker, °elle, °ellende, °elwaarts, °elwicht, °elzaat

-el1 m., -ele1 1 achtervoegsel ter aanduiding van afstamming, verkleining en liefkozing • in o.a. druppel, eikel, ijzel, korrel, kruimel, °mouwele, stengel en eigennamen als Andele, Goedele en Veerle, vgl. °-elijn

-el2 m. 1 achtervoegsel ter aanduiding van werktuigen en uitvoerenden • in o.a. beitel, °beudel/beul, beugel, lepel, sleutel, teugel, vleugel

elbeint m. zie elbent

elbent m., elbeint 1 inwoner van een andere gouw 2 vreemde • van °el ‘ander’ + °bent/°beint ‘inwoner van een gouw’

elcht m./v. zie alft

eld m. zie eild

elde v. 1 leeftijd, levenstijd, tijdperk 2 hoge leeftijd, ouderdom • Westvlaams elde, Fries jeld, gew. Engels eld, IJslands öld • in wereld, van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elden1 mv. 1 mensen, mannen • van °alen ‘(doen) groeien’, ~ oud (ouder old, ald)

elden2 zw. -de 1 verouderen, ouder worden 2 oud maken 3 vertragen • van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elden3 zw. -de zie eilden

elder1 m. -en, -s 1 ouder, voorouder, voorzaat • Duits Elter, Engels elder • oude nevenvorm van ouder, van oud (ouder old, ald), ~ °alen ‘(doen) groeien’

elder2 v. 1 uier 2 vrouwenborst • Westvlaams elder, Zaans elder, gew. Engels elder • ~ °alen ‘voeden, (doen) groeien’

elder3 v. 1 wisse inheemse loofboom op natte plekken (Alnus glutinosa), ew. els • Gronings elder (in eldern, eldernhòlt enz.), Duits Eller, Erle, Engels alder, gew. arl • ~ els

-ele1 m./v. zie -el1

elen1 st. al, h. geölen 1 roepen, schreeuwen, brullen • Noors jala • ~ °elm1 ‘geroep’, alk ‘zeevogel’, °allen ‘loeien’, °ol ‘hoon’

elen2 st. al, h., is geölen 1 drijven, aandrijven, uitdrijven • ~ °aal3 ‘stroom; vaargeul’, °ellen2 ‘drift, drijfkracht, zielskracht’, °olm1 ‘driftig’, mog. ~ aal ‘priem’, els ‘priem’ (vgl. drevel bij drijven), lam ‘schapenjong’ (mits eig. ‘schaap, gedreven dier’), laan (mits eig. ‘dreef’)

elf1 v. elven zie elve1

elf2 v. elven zie elve2

elf3 m. elven zie alf3

elft m./v. zie alft

elg m. zie eel2

elger bn. 1 bot, van tanden • verouderd Duits elger • in °ilgeren ‘bot worden, van tanden’, ~ °ilg ‘honger’

elijk bn. zie eelijk

-elijn o. 1 achtervoegsel ter aanduiding van verkleining en liefkozing • Duits -lein • in °bomelijn, °kruidelijn, °ogelijn, °vrouwelijn, °wegelijn, verlenging van °-el1 met °-ijn, vgl. °-ekijn

elk m. zie eel2

elker bw. 1 anders, verder, bovendien • van °el ‘ander’

elle m./v. 1 mededinger, rivaal, concurrent 2 overspelige • van °el ‘ander’

ellen1 zw. -de 1 voeden, opvoeden, doen groeien • Noors elje • ~ °alen ‘voeden, (doen) groeien’

ellen2 o. 1 drift, drijfkracht, zielskracht, ijver, vastberadenheid, moed • IJslands elja v. • ~ °elen2 ‘drijven’

ellende o. 1 buitenland, buiten bescherming van eigen wet en verwanten • hetz. als ellende ‘narigheid’ (oneig.), van °el ‘ander; vreemd’ + afl. van land

elloorn m. -s zie alloorn

elm1 m. 1 geroep, herrie, misbaar • gew. Noors jalm, jelm • ~ °elen1 ‘roepen’

elm2 m. zie alm2

elp m. 1 olifant • in elpenbeen ‘ivoor’, zeer vroege ontlening, langs het Latijn, van Grieks eléphas (tweede naamval eléphantos)

els bw. 1 anders 2 op een andere wijze/tijd 3 overigens • Engels else • van °el ‘ander’

elster v., ilster 1 laurierwilg (Salix pentandra), een inheemse boom • Noors ister (ouder ilster), Zweeds jolster, gew. jalster, ilster • mog. ~ °eluw/°eel3 ‘geelrood; bruingeel’ (i.v.m. de gele katjes)

eluw bn., eel3 1 geelrood, oranje 2 bruingeel • Zwitsers älw, älb, elb • mog. ~ °elster/°ilster ‘laurierwilg’, °alm2/°elm2 ‘iep’, °eel2/°elg/°elk/eland, °aal2 ‘bier’

elve1 v., elf1 1 stromend water, stroom, rivier 2 stroombed, bedding, ew. °oor • Gronings Elve (stroomnaam), Duits Elbe (stroomnaam), Zweeds älv, Noors elv, IJslands elfur • mog. ~ °ulve/°ulf/°olf ‘zwarte populier’, °alen ‘groeien; voeden’, °alm1 ‘bron, beek’, °oel1 ‘laag, drassig weiland’

elve2 v., elf2 1 larve van een kever • Gelders-Overijssels elve, elft, elfte • ~ °alf1 ‘wit’

elwaarts bw. 1 in een andere richting, naar elders • Westvlaams elwaarts • van °el ‘ander’

elwicht m./v./o. 1 bovennatuurlijk wezen, vreemd schepsel, monster • van °el ‘ander; vreemd’ + °wicht ‘ding; wezen, schepsel’

elzaat m. 1 elders gezetene, elders wonende • Duits Elsass • van °el ‘ander’ + °zaat2 ‘gezetene’

em bn. emmer, -st 1 vlak, gelijkmatig 2 gelijk • Noors jamn • oude nevenvorm van even/effen (vgl. stem naast °steven)

eme v. zie eem1

emen st. am, h. geomen 1 pakken, vatten • mog. verhaspeld met °nemen ‘toebedelen’ tot nemen ‘pakken’, mog. bij uitbreiding ooit ook ‘vlam vatten, ontsteken’ en ~ °aam2 ‘vonk, ontvlamming, ontsteking’, °amer ‘gloeiende kool’, mog. ~ °mond ‘hand’, mand ‘korf’ (mits eig. ‘houder’)

en bw. zie ne

-en o. zie -ijn

ende o. 1 voorhoofd • IJslands enni • ~ einde ‘afloop’, °ant/ont- ‘tegen(over)’, °ent/°eint ‘eerder, vroeger’, °ont/°onts ‘tot’, om

Endelmeer o., Eindelmeer 1 zee die Middenaarde omringt, wereldzee, oceaan, ew. °Wendelzee/°Wendelmeer • vgl. °Narwelzee/°Nerwelzee

enode v. zie eenode

ens v. enzen zie ans3

ent bw., eint 1 eerder, vroeger eerder, waarschijnlijker 3 liever • Noors enn, IJslands enn • in °ents/°eints ‘oud, van vroeger’, ~ °ant/ont- ‘tegen(over)’, °ende ‘voorhoofd’, einde ‘afloop’, °ont/°onts ‘tot’, om

entegen bw. 1 tegemoet • in daarentegen, van een onbeklemtoonde vorm van aan + tegen

entelen zw. -de zie enten

enten zw. -te, entelen, enteren 1 jammeren, klagen 2 vitten 3 kijven, twisten • Antwerps enteren, Noordbrabants entere, entele, Zwitsers änze, enze, gew. Zweeds äntra, äntras

enter vw., anter 1 hetzij, of: enter heet of koud • Duits entweder • van een + de + °weder3

enteren zw. -te zie enten

ents bn., eints 1 oud, van vroeger • van °ent/°eint ‘oud, van vroeger’

er bn. erder, -st, ar 1 dwalend, verdwaald, verward, verloren 2 wanhopig: in arren moede ten einde raad 3 boos, vergramd 4 spijtig: er zijn van iets • Drents urre, Westfaals êr, Duits irre • ~ °erren/°arren

erel m. 1 edele, edelman, krijger • Engels earl, Noors jarl, IJslands jarl • ~ °eer5 ‘strijd’, ernst, °orren ‘treffen, strijden’

eren1 st. ier, h. gearen 1 ploegen • Westvlaams eren, gew. Engels ear • in eergetouw ‘ploeg’, ~ °aard2 ‘ploeging’, °aarder/°arder ‘haakploeg’, °arwe1/°erwe1 ‘vore; litteken’, mog. ~ °oer2 ‘rand; oever’ (mits eig. ‘vore, ploegsnede’)

eren2 bn. 1 metalen, van metaal 2 koperen, van koper • Oostfries ären, Oostfaals ëren, Duits ehern • van °eer2

eren3 m., eern 1 vloer, bodem • Antwerps èren, nèren, Duits Eren, Ern, wel Deens arne ‘haard’, IJslands arinn • ~ °es ‘vuurhaard’, anders mog. ~ °eruw/°eer3 ‘aarde, grond’, aarde

erend o., arend 1 boodschap, opdracht, missie 2 bezigheid, zaken 3 aanleiding, gelegenheid • Twents eernd, Westfaals êren, æren, Engels errand, IJslands erindi • ~ °aren ‘zich bevinden, zijn’ (eig. ‘aangekomen zijn, bereikt hebben’), niet ~ °eer1 ‘boodschapper’

erf m. zie arf1

erfnom m. -nomen zie ervenoom

erfward m. zie erveward

erg1 m. zie arg1

erg2 bn. zie arg2

erg3 o. zie arg3

erken bn. 1 rein, heilig, echt, zuiver, puur, volkomen • mog. van een woord voor ‘rein’ + afl. van °kinnen ‘geboren worden’ (vgl. °zwikken ‘rein’)

ermen bn. 1 groots, weids, alomvattend, geweldig, machtig • IJslands jörmun- • in Ermelo • mog. eig. ‘wereld-’ en ~ °eruw ‘aarde’, aarde

erming m. zie arming

erne m./v. zie arn1

erp bn. 1 donker van kleur, bruin, zwart • Engels Earp (achternaam, eig. bijnaam), IJslands jarpur • in de achternaam Erps (eig. ‘(zoon) van Erp’), ~ °erpel

erpel m. 1 mannetjeseend • Westvlaams erpel, Oostfaals erpel, arpel • van °erp

erren zw. -de, arren 1 doen dwalen, op een dwaalspoor brengen 2 belemmeren, hinderen 3 boos maken, ergeren 4 van de rechte weg afdwalen, uitvluchten zoeken • Westfaals êren, Duits irren • van °er/°ar ‘verdwaald; boos’

erspringen st. ersprong, is ersprongen 1 ontspringen, opspringen, verrijzen, oorsprong hebben • ~ oorsprong

eruw o., eer6 1 aarde, grond • ~ aarde, mog. ~ °aard1 ‘(vader)land’, °eren3/°eern ‘vloer, bodem’, °ermen ‘groots’ (mits eig. ‘wereld-’)

ervenoom m., erfnom 1 erfgenaam • van erf + afl. van nemen, vgl. °herenoom/°hernom ‘krijgsgevangene’

erveward m., erfward 1 hoeder van een erfenis, erfgenaam, bezitter van erfgoed • van erf + °ward ‘hoeder’

erwe1 v. -n, -s zie arwe1

erwe2 v. -n, -s zie arwe2

erwing bw. zie arwing

es v. essen 1 vuurhaard 2 smidse 3 speksteen, zeepsteen, werd bij haarden en ovens gebruikt omdat het goed hitte kan vasthouden en terugstralen • Duits Esse, Noors esje • wel ~ as, °eren3/°eern ‘vloer, bodem’, mog. ~ °oes2 ‘vuil’ (mits eig. ‘roet’), °zinder/sintel ‘metaalslak, half uitgebrand stuk kool’, niet ~ °ees ‘vuurhaard; smidse’

espel o. -en zie eedspel

espeling m./o. zie esping

esping m./o., espeling 1 sloep, boot • eig. ‘boot van espenhout’, van esp

essen m. 1 loonwerker 2 huurling • van °azen/°assen ‘loon’

et vw. 1 maar, echter

eten m., etten2 1 reus • gew. Engels ettin, Noors jutul, IJslands jötunn • ~ eten

ethoe bw. 1 op een of andere wijze • Westvlaams enthoe, ethoe • ~ ettelijk

ette m. 1 beëdigde, gezworene bij een rechterlijk onderzoek, jury-lid 2 rechter • Drents ette • in etstoel, van °eden2 ‘beëdigen’

etten1 zw. -te 1 fel doen zijn, doen bijten 2 aanhitsen, opzetten, stoken, provoceren • IJslands etja • ~ °aten ‘scherp, fel zijn’

etten2 m. zie eten

etwaar bw. 1 op een of andere plek, ew. ergens • Westvlaams entwaar, etwaar, Duits etwa • ~ ettelijk

etwat vnw. 1 een of andere zaak, ew. iets • Westvlaams entwat, etwat, Duits etwas • ~ ettelijk

etwie vnw. 1 een of ander mens, ew. iemand • Westvlaams entwie, etwie • ~ ettelijk

eus v. zie euze

euze v., eus 1 afstaande, overhangende rand van een rieten dak, waar het regenwater afdrupt, ew. °kub • Westvlaams euzie, Drents eus, euze, euzing, Fries oes, Engels eaves mv. • ~ af, over, op, van

euzel v. 1 hete kool, hete as • gew. Duits üsel, gew. Engels easle, izle, Noors usle, IJslands usli • mog. ~ °oor3 ‘stralend’

evenen zw. -de zie effenen

evennacht v. 1 nacht die even lang als de dag is, begin van lente of herfst, ew. nachtevening, dag-en-nachtevening

evenode v. 1 vlakte • van even, vgl. °eenode, °heemode, °jegenode

ever1 bn. everder, -st 1 onstuimig, heftig, fel 2 scherp, bitter • Zuidhollands ever, ieverig • ~ °ijven ‘drijven, dringen, levenskrachtig voortgaan’, niet ~ ever(zwijn)

ever2 m., everes 1 wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), ew. °kwikboom • Westvlaams haveressche, Noordbrabants haveres, euveres, evenes, effenes, verouderd Twents ievereske, Duits Eberesche, verouderd Eberbaum, Aberesche • niet ~ °everen

everen bn. zie averen

everes v. -essen zie ever2

eward m. zie eeward

ezer o. 1 bloed • mog. ~ °eer4 ‘heer’ i.v.m. bloedlijn

ezige m. zie eezage

 

 

fag v. faggen zie vak2

fak v. fakken zie vak2

fammelen zw. -de 1 onrustig met de vingers bewegen, betasten • Zweeds famla, Deens famle • ~ °femelen, fommelen ‘onrustig met de vingers bewegen’

felten st. folt, h. gefolten zie velten

femelen zw. -de, fimmelen, fimmeren 1 zich haastig bewegen 2 onrustig met de vingers bewegen, betasten • Noors fimra, fimla, Deens fimra • ~ fim ‘beweeglijk, vlug; behendig’, °fammelen, fommelen ‘onrustig met de vingers bewegen’, ≠ femelen ‘vlas of hennep plukken’

feng bn. 1 fel, hevig, doordringend, scherp: het waait feng, het is feng koud, het mes snijdt feng, hij kijkt feng uit de ogen, een fenge slag, een feng licht • Drents feng, Gronings fìng, fèng • wel eig. ‘grijpend, (be)vangend’ en ~ vangen (vgl. °geng bij °gangen), niet ~ vinnig

figgen zw. -de zie fikken

fijgen st. feeg, h. gefegen zie fijken

fijken st. feek, h. gefeken, fijgen 1 ruw snijden, kerven 2 houwen, slaan 3 snijdend maken, vormen 4 snel gaan, er vandoor gaan • Westvlaams fijkeren, Drents fieken, Fries fykje, Noors fike • ~ vijg (in oorvijg), °fikken/°figgen, vijl

fijt v. zie vijt

fijten st. feet, h. gefeten zie vijten2

fijter m. zie vijter

fijteren zw. -de zie vijteren

fikkel bn. zie vekel

fikken zw. -te, figgen 1 ruw snijden, kerven 2 houwen, slaan • Westvlaams fikkelen, figgelen  °fijken/°fijgen

fim bn. femer of fimmer, -st 1 beweeglijk, vlug 2 behendig • Noors fim, IJslands fimur • ~ °femelen, mog. ~ vedel ‘strijkinstrument’, °vijl ‘pijl’

fimmelen zw. -de zie femelen

fimmeren zw. -de zie femelen

fit v. zie vit3

fits bn. zie vits

flik v. 1 klap, slag: een flik geven • Gronings flik, Engels flick • van °flikken

flikken zw. -te 1 klappen, slaan: in het gezicht flikken, in de handen flikken • Gronings flikken, Engels flick • ~ °flik, flikkeren, mog. flakkeren, °flingen/°flinken ‘klappen, slaan’, niet hetz. als flikken ‘behending klaarspelen, leveren’ (hetwelk is ontleend aan Duits flicken ‘(op)lappen’ bij Fleck ‘lap’)

 

 

flingen st. flong, h. geflongen, flinken, vlingen, vlinken 1 klappen, slaan 2 smijten, gooien, werpen: een steen flinken 3 zich snel bewegen: een flinkend ros 4 schitteren: flinkende ogen • Westvlaams flinken, Engels fling • ~ flink ‘kloek’, °flink/°flonk ‘klap; streek’, °flonken ‘klappen, slaan’, flonkeren ‘schitteren’, mog. ~ °flikken ‘klappen, slaan’, flikkeren, flakkeren, vlaag

flink v., flonk 1 klap, slag, oorvijg 2 streek, kunstgreep • Gronings flink, Westvlaams flonk • van °flingen/°flinken ‘klappen, slaan’, ~ °flonken ‘klappen, slaan’

flinken st. flonk, h. geflonken zie flingen

flitteren zw. -de 1 snel en druk heen en weer gaan 2 zich snel voortbewegen, met name langs de vloer of grond 3 gladde steentjes over het wateroppervlak doen scheren, ew. (kis)kassen, keilen 4 flikkeren, fonkelen, schitteren • Gronings flittern, Fries flitterje, Duits flittern, Engels flitter, flutter • mog. ~ °vlijten ‘streven, ijveren’, vlijt ‘ijver’

flonk v. zie flink

flonken zw. -te 1 klappen, slaan • Brabants flonken, Engels flunk • ~ flonkeren, °flink/°flonk, °flingen/°flinken ‘klappen, slaan’

fnaas v. fnazen, fnazel 1 pluisje 2 rafel, vezel • Zaans fnazel, Veluws fnaos, fnaozel • van °fnezen

fnazel v. zie fnaas

fnezen st. fnas, h. gefnezen 1 uitademen, blazen 2 uitsnuiven 3 kuchen, hoesten • ~ °fnaas/°fnazel, °fniezen, fnuik, mog. ~ vin ‘blaasje’

fniezen st. fnoor, h. gefnoren 1 uitademen, blazen 2 lucht uit de neus stoten door een prikkeling • Zaans fniezen, fniesten, Veluws fniezen, Noors fnyse • hetz. als niezen (verbastering), ~ °fnezen, °fnuik ‘stoot, stomp’, mog. ~ vin ‘blaasje’

fnuik m./v. 1 stoot, stomp • Oostfries fnûke, fnûk • in °fnuiken, ~ °fniezen, °fnezen, mog. ~ vin ‘blaasje’

fnuiken zw. -te 1 stoten, stompen • Oostfries fnûken • hetz. als fnuiken ‘kortwieken’ (eig. ‘stomp maken’), van °fnuik

fokken zw. -te 1 stoten, duwen 2 beslapen 3 bedriegen • Engels fuck • hetz. als fokken ‘telen; klieren’, ~ fok ‘voorzeil’, fuik, °vuiken ‘stoten’, vuist

frik m. frikken 1 mannelijk lid: oude frik oude man • in schoolfrik, mog. ~ °vrek/°vrak ‘gierig, gulzig, belust’

 

 

gaaf bn. 1 geefbaar, geschikt om te geven • hetz. als gaaf ‘ongeschonden, mooi’, ~ geven, gave

gaal1 m./v. 1 zanger, zangeres 2 iemand die zingend bezweert, tovenaar, heks • in nachtegaal, van °galen1 ‘roepen; zingen; zingend bezweren’

gaal2 bn. 1 betoverd, behekst 2 waanzinnig, dwaas, dol 3 razend, onstuimig, ruw: er is gaal weer op til • Zaans gaal, Noors gal, galen, IJslands galinn • van °galen1 ‘zingen; zingend bezweren’

gaam1 m./o. zie gadem

gaam2 o. zie gamen

gaar bn. zie garuw

gaarn bn. zie gern

gabben zw. -de zie gappen

gabberen zw. -de zie gappen

gacht v. 1 gang 2 doorgang, ingang, deuropening • Noors gått, IJslands gátt • van °gangen ‘gaan’, ~ gang

gad bn. gader of gadder, -st 1 goed, geschikt • ~ °gaden, goed

gadeling m. 1 (bloed)verwant, familielid • ~ °gaden

gadem m./o. -s, gaam1 1 huis bestaande uit één vertrek, ew. zaal 2 huisje, gebouwtje, winkeltje 3 vertrek, kamer, met name de slaapkamer: te gadem gaan naar bed gaan • Westfaals gam, Duits Gaden (in Berchtesgaden) • van °gaden

gaden st. goed, h. gegaden 1 voegen, schikken 2 behoren bij 3 zich paren met • ~ gade, °gadem/°gaam1, gading, goed, wel ~ °gader

gader m. 1 hek, traliewerk • Limburgs gaar, Duits Gatter • wel van °gaden

gal m. gallen 1 gebrek, onvolmaaktheid, schade: gallen in de akker 2 zere plek • Oostfries galle, gew. Engels gall, IJslands galli • hetz. als gal ‘gezwel bij paarden’ (o.i.v. Latijn galla ‘galappel’)

galen1 st. goel, h. gegalen 1 roepen, kraaien 2 zingen 3 zingend bezweren, betoveren, beheksen • gew. Engels gale, Noors, gale, IJslands gala • ~ °gaal1, °gaal2, galm, °galster, °gouder, °gollen ‘luid zingen; roepen’, gillen, °oorgoel ‘trots’, wel ~ °glie/°gluw ‘vreugde’, °gloom ‘gejubel’

galen2 zw. -de 1 verlangen, begeren • ~ °gel ‘lust’, mog. ~ °ganen

galster o. 1 toverlied, bezwering 2 tovenarij • verouderd Duits Galster • in °galsteren/°vergalsteren, ~ °galen1, °gouder ‘toverlied’

galsteren zw. -de, vergalsteren 1 betoveren, bezweren • Zwitsers galstere • van °galster

galven zw. -de, galveren 1 luidruchtig praten 2 schaterlachen 3 gekscheren 4 piepen • Westvlaams galferen, Twents galven • oude nevenvorm van galpen ‘schreeuwen’, ~ °gelp ‘grootspraak’

galveren zw. -de zie galven

gam v. gammen, gammer2 1 schatting, cijns, belasting: gammer gelden schatting betalen, ew. °gavel 2 schat, kostbaarheid, waardevol iets • mog. ~ gave, °gavel ‘gift; schatting’, geven

gamen o., gaam2 1 vermaak, spel, sport 2 streek, lelijke grap • Engels game, gammon (in backgammon), Zwitsers Gammel • in °gamenen, ~ gemelijk

gamenen zw. -de 1 spelen, zich vermaken • van °gamen/°gaam2

gammer1 bn. gammerder, -st 1 sterk, (daad)krachtig, tuchtig, gedisciplineerd

gammer2 v. zie gam

gand m. 1 begerend, verlangend • ~ °ganen ‘gapen, openstaan’, °genen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

ganen zw. -de 1 gapen, openstaan 2 begeren, verlangen • Oostfries ganen, gannen, Noors gane, IJslands gana • ~ °gand ‘begerend’, °genen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’, °goem/°goom3 ‘gehemelte’, °gazen

gangelen zw. -de, gengelen 1 drentelen, slenteren 2 heen en weer gaan • Gronings gangeln, gengeln, gìngeln • van °gangen

gangen st. ging, is gegangen 1 gaan • ~ gang, °geng, °ganger/°genger, °gangelen/°gengelen, niet ~ gaan (wel ermee verhaspeld)

ganger m., genger 1 iemand die gaat, op weg is, ew. reiziger • gew. Engels ganger • in °avondganger, °broodganger, °inganger, °nachtganger, °ommeganger, voetganger, voorganger, °waarganger, ouder genge, van gang of °gangen ‘gaan’, ~ °geng

gant bn. 1 geheel, heel, volledig 2 gaaf, ongeschonden • Duits ganz (ontleend als gans) • in °genten ‘helen’, mog. eig. ‘omvattend’ en ~ °geten ‘bereiken; vatten’, anders mog. eig. ‘volkomen’ van nevenvorm van ge- ‘geheel’ + afl. van °aden1 ‘komen; gaan’

gappen zw. -te, gabben, gabberen 1 gekheid maken, grappen 2 spotten, spottend lachen • in ginnegappen ‘onhebbelijk lachen’, ~ gebbetje ‘grapje’, gapen

garden st. gord, h. gegorden zie gerden

garn bn. zie gern

gars m. garzen zie gers

garten zw. -te zie gerten

garuw bn., gaar 1 gereed, klaar, voorzien • Duits gar, gew. Engels yare, yar • hetz. als gaar ‘voldoende gekookt; afgemat’, mog. van ge- ‘geheel’ + °aruw/°aar1 ‘gereed’, ~ °garwe1/°gerwe2, °garwen/°gerwen

garwe1 v. -n, -s, gerwe1 1 wapenrusting, uitrusting 2 gewaad, kleding • IJslands gervi • van °garuw/°gaar

garwe2 v. -n, -s, gerwe2 1 duizendblad • Vlaams gerven mv., Drents gaar (in hazegaar), Engels yarrow • wel in Gerwen (Noord-Brabant), wel ~ °gers/°gars ‘zevenblad’

garwen zw. -de, gerwen 1 gereed maken, uitrusten, voorzien 2 kleden, tooien 3 bereiden van voedsel • Noordhollands gerven, Westvlaams gerven, Noors gjøre, IJslands gera • van ~ °garuw/°gaar ‘gereed’

garzen st. gors, h. gegorzen zie gerzen

gat o. gaten 1 doorgang, toegang, poort 2 steeg, straat • Westvlaams gat, Gronings gat, Fries gat, jit, jet, Engels gate, gew. yat • hetz. als gat ‘opening’, ~ °gatuw1/°gate1, °geten/°begeten

gate1 v. zie gatuw1

gate2 v. zie gatuw2

gatuw1 v., gate1 1 weg, straat, pad • Westfaals gâte, Duits Gasse, Noors gate, IJslands gata • ~ °gat, °geten/°begeten ‘bereiken’

gatuw2 v. gate2 1 gebruiksvoorwerp, werktuig, wapen: gatuwen spullen, uitrusting 2 versiersel, ornament • Engels *yate (verholen heriot), verouderd IJslands götvar mv. • wel van een vroeg beklemtoonde vorm van ge- + afl. van °tooien/°touwen ‘doen; maken, bereiden’, vgl. °vratuw/°vrate

gauw v. 1 acht, aandacht, opmerkzaamheid • in °gauweloos, ~ °gauwen1, °gauwelen, mog. eig. ‘vlugheid van geest’ en ~ gauw ‘vlug’

gauwelen zw. -de 1 onbeschaamd en nieuwsgierig rondkijken • Zeeuws gauwelen • ~ °gauw, °gauwen1

gauweloos bn., gauwloos 1 achteloos, slordig, nalatig, ew. °gomeloos/°goomloos • Vlaams Gauweloos, Gauwloos (achternaam), IJslands gálaus • van °gauw

gauwen1 zw. -de 1 gadeslaan, schouwen • IJslands  • ~ °gauw, °gauwelen

gauwen2 zw. -de 1 haasten, reppen: gauwt u! • van gauw ‘vlug’

gauwloos bn. zie gauweloos

gavel v. 1 gift 2 schatting, cijns, belasting: gavel staan schatplichtig zijn, ew. °gam/°gammer • ~ geven

gaweg m. 1 voetpad, looppad, smalle weg voor voetgangers

gazen zw. -de 1 aangapen 2 kijken, staren • Engels gaze, gew. Zweeds gasa • ~ °gazerig, °ganen

gazerig bn. 1 onnozel, met de mond open • Drents gaozerig • van °gazen

gebade v. 1 vertrouwen

ged o. gedden, gedde 1 lied 2 gedicht • ~ °gaden

gedals o. gedalsen 1 leven, beweging, rumoer: een groot gedals maken • van °dalsen/°delsen ‘stampen, druisen, herrie maken’

gedaven st. gedoef, is gedaven zie daven1

gedde o. zie ged

gede1 v., gee 1 verlangen, gebrek 2 belijdenis van het geloof • ~ °gijd, °gijtsen, mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gede2 m. zie jede

geden st. gad, h. gegeden zie jeden

gedocht m. zie gedoft

gedoef bn. gedoever, -st 1 passend 2 gepast • Drents deuve • ~ °daven1, deftig

gedoft m., gedocht 1 roeimaat, roeimakker, iemand waarmee een roeibank wordt gedeeld 2 maat, makker • van doft/docht ‘roeibank’

gedongen bn. 1 volwassen, welgegroeid 2 uitstekend, voornaam, volmaakt • oud voltooid deelwoord van °dijen1/°dingen1 ‘vast worden, verdikken; voorspoedig groeien’

gedui bn. zie geduide

geduide bn., gedui 1 achtzaam, opmerkzaam 2 verstandig, wijs 3 genegen, aardig, minzaam, vriendelijk, welwillend • IJslands þýður • ~ duiden ‘uitleggen’ (eig. ‘verstandig maken’), °die1/°dielijk ‘meegaand, volgzaam’, °diede/°died ‘volk’, °dauw3 ‘zede’, °dwaar ‘meegaand’, °gedwaar, °gedwade/°gedwa/gedwee ‘meegaand’

gedwaar bn. 1 gelijkgestemd, eendrachtig, harmonieus • in °gedwaren, van ge- ‘samen, geheel’ + °dwaar ‘meegaand’

gedwa bn. zie gedwade

gedwade bn., gedwa 1 meegaand, mak, tam • hetz. als gedwee (met gew. klank), ~ °geduide/°gedui ‘achtzaam; genegen’

gedwaren zw. -de 1 in overeenstemming brengen, harmoniseren • van °gedwaar

gee v. zie gede

geef v. zie geve

geek m. zie jeek

geer1 m. 1 speer, spies • gew. Engels gore, gew. Noors geir • in aalgeer/elger, °atgeer ‘werpspeer’, °geervang/°gervang, °navegeer/avegaar en eigennamen als Gerhard, Gerbrand, Gernand, ~ geer ‘spits stuk land’, °gijs/°gijzel ‘loot; pijl’

geer2 v. zie jeer

geervang m., gervang 1 harpoen • van °geer1 ‘speer’ + °vang

geheer bn. geheerder, -st 1 aanzienlijk, roemrijk 2 verheven 3 uitstekend, heerlijk • ~ heer, heerlijk

geherm m./o. zie herm

gehermen zw. -de zie hermen1

gehugd v. zie hugd

gehugdig bn. zie hugdig

gehuur bn. gehuurder, -st 1 lief, zachtzinnig, vriendelijk 2 dierbaar • IJslands hýr • in °ongehuur/onguur, ~ huwen

geigen zw. -de 1 afwijken, zwenken, scheef gaan • Zwitsers geige, geigle, Noors geiga, geia, IJslands geiga • mog. ~ jicht ‘ontsteking in gewricht, meestal grote teen’ (ouder gicht)

geiteling m. 1 merel, zwarte lijster, ew. °ansel 2 lijster, ew. °drossel • Drents geiteling, geteling, gieteling, Oostfries geitel, Westfaals gaidling, IJslands geitungr ‘wesp’ (voorheen ‘vogel’) • wel niet ~ geit ‘sikdrager’

gekel m. zie jekel

gel m. 1 lust • ~ °galen2 ‘verlangen’

gelauwen zw. -de zie lauwen

geld1 bn. 1 onvruchtbaar, van mensen en dieren, ew. °steer 2 onbevrucht: een geld ei 3 niet drachtig, niet zwanger: een gelde koe • Drents gel, Gronings gèl, gew. Engels geld, yeld, Noors gjeld • ~ °gelt, °gout

geld2 o. 1 betaling, vergoeding 2 beloning, loon 3 belasting, schatting 4 offer aan de goden • hetz. als geld ‘betaalmiddel’ (oneig.), ~ gelden, gilde, °gilster

gelden st. gold, h. gegolden 1 betalen, vergoeden 2 belonen 3 offeren aan de goden • hetz. als gelden ‘opbrengen, van kracht zijn’ (oneig.), in vergelden, ~ °geld2, gilde, °gilster

geleef m. -leven 1 makker, metgezel, ew. °gemaat • eig. ‘broodgenoot’ en ~ °leef2 ‘brood’

gelf v. gelven, gelve 1 golf, baar, verheffing van het water • mog. ~ °golf ‘verhoogde houten vloer’

gelimp v. zie limp

gelimpen st. gelomp, h. gelompen zie limpen

gelingen st. gelong, is gelongen zie lingen

geloem bw. 1 rijkelijk, in overvloed, dik: de bloemen bloeien geloem 2 dikwijls, vaak • van loem1 ‘toegeeflijk; zacht; mild; rijkelijk’

gelp v. 1 overmoed, grootspraak 2 pracht, weelde • ~ galpen ‘schreeuwen’, °galven/°galveren

gelt v. 1 gesneden vrouwelijk zwijn • Zeeuws gèlt, Sallands gelt • ~ °gout, °geld1

geluw bn. 1 zonkleurig • Westvlaams geluw, geelw, Duits Gelb, Engels yellow • oude nevenvorm van geel

gelve v. zie gelf

gemaat m. 1 makker, metgezel, ew. °geleef • Nederduits mât (ontleend als maat) • eig. ‘etensgenoot’ en ~ °met1 ‘eten, voedsel’

gemagen mv. 1 twee of meer lieden die onderling verwant zijn • van maag ‘verwant’, vgl. gebroeders van broeder

gemang1 bn. zie mang1

gemang2 vz. zie mang2

gemeed bn. zie gemeid

gemeid bn., gemeed 1 kreupel, gewond 2 gek, dwaas, dom 3 lichtzinnig, speels 4 vrolijk, blij, verheugd • ~ °meiden2 ‘beschadigen, verwonden’

gemet o. gemeten zie met3

gemund v. zie mund

gemundig bn. zie mundig

genan m./v. genannen, genanne 1 naamgenoot • Zeeuws genan • ~ naam, °nennen

genanne m./v. zie genan

genen zw. -de 1 gapen, openstaan • Duits gähnen • ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

geng bn. 1 begaanbaar, veilig 2 gangbaar, in omloop zijnde, geldig 3 gangbaar, gewoon, veel voorkomend, vaak voorkomend • Zaans geng, Oostfaals ginge, genge • van °gangen ‘gaan’ (vgl. °feng naast vangen), ~ gang, °ganger/°genger

gengelen zw. -de zie gangelen

genger m. zie ganger

genist v. 1 redding, verlossing 2 genezing, heling • van genezen

genogen onr. genag, genocht, h. genogen 1 reiken, toereiken 2 toereikend zijn, voldoende zijn, genoeg zijn • ~ genoeg, °noegen, na, naar, mog. ~ °uister ‘gretig’

genten zw. -te 1 heel maken, helen, genezen • van °gant ‘(ge)heel’

genucht v. 1 overvloed, toereikendheid • ~ °genogen

gerard o. 1 eten, voedsel 2 maaltijd • mog. ~ °rarn ‘huis’ en/of °rast, rust

gerden st. gord, h. gegorden, garden 1 omringen, omsluiten, omvatten • Faeröers gjarða • ~ gorden, gordel, gaard

gereiden zw. -de zie reiden

geren1 zw. -de 1 verschrikken, angst aanjagen • ~ geest, °gijzen

geren2 zw. -de zie jeren

gerf v. 1 insnijding, keep, kerf 2 spleet, reet, kier 3 geul, greppel • Kortrijks gerve, Zaans gurf, gerf • wel ~ garf ‘schoof’ (dan eig. ‘gesneden koren’)

gerinnen st. geron, is geronnen 1 stollen, stremmen: geronnen bloed • eig. ‘samenlopen, samenvloeien’, van ge- ‘samen, geheel’ + °rinnen ‘lopen; vloeien’

gern bn., garn, gaarn 1 gretig, belust, begerig • ~ gaarne, begeren

gers m. gerzen, gars 1 zevenblad (Aegopodium podagraria) • Duits Giersch • wel ~ °garwe2/°gerwe2 ‘duizendblad’

gerten zw. -te, garten 1 wijken, uit de weg gaan 2 weggaan, van huis gaan, de hort op gaan 3 van huis zijn, drentelen • Westvlaams gerten, garten, Zaans garten, gnarten, jarten, jirten

geruin1 m./v. 1 vertrouweling, raadgever, hartsvriend • van °ruin ‘fluistering; geheim (beraad)’, ~ °geruin2, °oorruin ‘geheime, vertrouwde raadgever’

geruin2 o. 1 raadsel, mysterie • van °ruin ‘fluistering; geheim (beraad)’, ~ °geruin1

gervang m. zie geervang

gerwe1 v. -n, -s zie garwe1

gerwe2 v. -n, -s zie garwe2

gerwen zw. -de zie garwen

gerzen st. gors, h. gegorzen, garzen 1 uitsteken, opsteken, overeind staan 2 verstarren 3 huiveren van afschuw, de nekharen recht overeind hebben • Westvlaams kerzelen • ~ garstig ‘ranzig; walgelijk’, °groeien ‘uitsteken’, wel ~ °gorre ‘oude merrie’, mog. ~ °gors ‘gaspeldoorn’

geschap o. geschapen 1 schepping, vorming, schepsel 2 beschikking, verordening: de geschapen het noodlot • van °scheppen ‘maken, vormen; ontwerpen; verordenen’

geschien st. geschag, is geschien zie schien

gesibben zw. -de zie sibben

gespeel m./v. 1 speelgenoot, speelmakker 2 vriend, vriendin, gezel, vertrouwde

gestoem bn., gestoemig 1 stil, kalm, rustig, vredig • Duits gestüm, gestümig • in °ongestoem/°ongestoemig, van °stoem ‘grondslag’

gestoemig bn. zie gestoem

getaam bn. zie taam1

getal bn. -taller, -st zie tal

geten st. gat, h. gegeten, begeten 1 bereiken 2 verkrijgen, verwerven, gewinnen 3 vatten, pakken, te pakken krijgen • Engels get, beget, IJslands geta • in vergeten, ~ °gatuw1/°gate1 ‘weg’, °gat ‘doorgang’, mog. ~ gissen, °gant ‘geheel’ (mits eig. ‘omvattend’), Gete (stroomnaam)

getes1 bn. getesser, getest zie tes1

getes2 o. getessen zie tes2

getessen zw. -te zie tessen

geu m. geuen zie geude

geude m. -n, geu 1 priester • ~ god, mog. ~ °guien1 ‘(aan)roepen’

geumen bn. 1 menselijk 2 mannelijk: geumen en keunen • van °goom2 ‘mens; man’ + °-ijn1/°-en1

geuren zw. -de zie guren

geut m./v. 1 gieting, schenking van vloeistof: een geut water 2 stortbui: hemelse geut 3 waterloop • Antwerps geut, Drents geute, geut, Duits Guss, gew. Engels git • van gieten, ~ goot, °guien2

geve v., geef 1 geschenk, gift • ~ geven, gave, gift

gevee bn. zie vee1

gevig bn. 1 rijk, weelderig • wel ~ geven (mog. i.v.m. vermogen tot gulheid)

gevoer bn. zie voer2

gevraag bn. zie vraag

gevulk o. 1 heerschare, legerschare, legeronderdeel, divisie, troep • ~ °vulken, °volk ‘legerschare’

gewaarden zw. -de zie waarden

gewand o. 1 stof 2 kleding, gewaad, uitrusting 3 gerei, tuig 4 waar, goed • in ingewanden, ~ winden ‘wikkelen’

gewijten st. geweet, is geweten 1 nastreven, achtervolgen 2 gaan 3 weggaan, vertrekken • ~ °wijten ‘zien’, °wijen3 ‘azen’, °weide ‘jacht(gebied)’

gewraat m. 1 reisgezel, reismakker 2 gezel, makker • IJslands rati • van °wraten ‘gaan, reizen’

gezeed bn. 1 een wisse aard hebbende: wel gezeed zijn 2 beschaafd, gemanierd • van zede

gezelnede v. 1 gezellin, echtgenote, gemalin, eega, gade • van gezel + °-nede

gezen st. gas, is gegezen zie jezen

gezinde1 m. 1 reisgezel, reisgenoot 2 gevolgsman, volgeling, dienaar • in °huisgezinde, van °zind ‘weg, tocht’, ≠ gezind ‘geneigd, gestemd’ (van zin)

gezinde2 o. 1 reisgezelschap 2 hofhouding, gevolg van een heer 3 gezelschap • Duits Gesinde • hetz. als gezin (verbastering), van °zind ‘weg, tocht’

gezindschap v. 1 gezelschap 2 gevolg van een heer • van °gezinde1 of °gezinde2

gezweren mv. 1 de wederzijdse schoonvaders van een echtpaar: de gezweren lagen elkaar niet • van °zweer ‘schoonvader’, vgl. gebroeders bij broeder

gicht v. zie jecht

gichten zw. -te zie jechten

gichtig bn. zie jechtig

gieken zw. -te zie jieken

gieker bn. giekerder, -st zie jieker

giel m. 1 muil, opengesperde bek • ~ geul

Giel v. zie Jiel

gien st. gag, h. gegien zie jien

giepen st. goop, is gegopen 1 hol zijn • ~ °gopen

gieven st. goof, h., is gegoven zie guiven

giezen st. goos, h., is gegozen zie guizen

gijd m. 1 hebzucht, gierigheid, gulzigheid, vraatzucht • in °gijtsen, ~ °gede1, mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijg v. 1 luit 2 viool • Duits Geige • ~ gijgen1

gijgen1 zw. -de 1 luit spelen 2 viool spelen • Duits geigen • ~ °gijg

gijgen2 zw. -de 1 de mond open hebben 2 hijgen 3 begeren, verlangen • Vlaams-Brabants gâigen, Westfaals gîgen, Faeröers gíggja • ~ giechelen, °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijl o. 1 zever, mondschuim • hetz. als gijl ‘biergist’, in °gijlen ‘aangapen’, ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijlen zw. -de 1 aangapen 2 begeren 3 bedelen • Oostfaals gîlen • van °gijl ‘zever, mondschuim’

gijler m. 1 bedelaar • van °gijlen

gijm v. 1 opening, opensperring • gew. Duits giem, Noors gima, IJslands gíma • ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijnen st. geen, h. gegenen 1 gapen, openstaan • Noors gina, IJslands gína • ~ gijn ‘takel’, °gijgen2 ‘de mond open hebben’, °gijm ‘leegte’, gijpen, °gijl ‘zever, mondschuim’, geil, geeuwen, °guwen, °ganen ‘gapen, openstaan; begeren’, °ginnen1 ‘(zich) openen’

gijs m. gijzen, gijzel 1 scheut, twijg, loot 2 dunne stok 3 pijl, ew. °arwe/°erwe, °vijl, °vliek 4 telg, afstammeling, kon vroeger als borg voor de vrede door een wedijverend huis worden opgevoed 5 menselijke borg: te gijzel geven, nemen, houden • Duits Geisel, IJslands gísl • hetz. als gijzelaar (verlenging), in voornamen als Gijsbert, Gijsmar en wel in Gijsselte (Drenthe), ~ gesel, °geer1 ‘speer’

gijtsen zw. -te 1 begeren, belust zijn op, met hebzucht verlangen • Duits geizen • van °gijd ‘hebzucht’, ~ °gede1 ‘verlangen’

gijver bn. gijverder, -st 1 hebzuchtig, gierig, gretig, gulzig • gew. Engels givour • mog. ~ °gijnen ‘gapen, openstaan’

gijzel m. -s zie gijs

gijzen st. gees, is gegezen 1 afgrijzen, in grote angst verkeren • ~ geest, °geren2

gilster o. 1 schatting, belasting • ~ °geld2, °gelden, gilde

gim m. gemen 1 winter: dit veulen is een gim oud 2 sneeuw

gimmen1 st. gom, h., is gegommen, gimpen 1 springen, huppelen • Noors gimpa

gimmen2 zw. zie jemmen

gimpen st. gomp, h., is gegompen zie gimmen

gin1 bn. ginner, -st 1 open, wijd, weids, uitgestrekt, ruim, groot • in °gin2, van °ginnen1 ‘(zich) openen’

gin2 o. ginnen 1 wijde opening, afgrond, leegte • van °gin1, ~ °ginnen1 ‘(zich) openen’

ginder v. zie jinder

 

 

ginnen1 st. gon, h., is gegonnen 1 openen, openmaken 2 zich openen, opensperren • in ontginnen, ~ °gin1, °gin2, °ginnen2 ‘lachen’ (eig. ‘de mond opensperren), °genen ‘gapen, openstaan’, °ganen ‘gapen, openstaan’, °gand ‘begerend’, °gijnen ‘gapen, openstaan’

ginnen2 zw. -de, ginniken 1 lachen, spottend lachen 2 gekheid maken, grappen 3 voor de gek houden, beetnemen, ew. foppen, bedotten • IJslands ginna • eig. ‘de mond opensperren’, in ginnegappen ‘onhebbelijk lachen’, ~ °ginnen1 ‘(zich) openen’

ginniken zw. -te zie ginnen2

gint vnw. 1 dat: gint jaar komend jaar; dit of gint • Westvlaams gint, gunt, Westfaals gint • naast gene ‘die’, ~ ginds, ginder, °beginden ‘voorbij’

gissen zw. -te zie jessen

gister v. 1 hand, ew. °mond, °volm • mog. ~ gast

git vnw. zie jit

glaar1 bn. glaarder, -st 1 schitterend, helder 2 helder van de ogen • ~ glas

glaar2 o. 1 barnsteen, amber • ~ glas

glan bn. glaner of glanner, -st 1 helder, zacht schijnend, glanzend • Noors glan o. • in Glane (voorheen stroomnaam, Overijssel), ~ glunder, Geleen (ouder Glene, voorheen stroomnaam, Limburg), gloeien

gland bn., glend 1 glimmend, glanzend 2 gloeiend 3 heet • Westfries gland, Gronings glìnde, glìnne, glìn • ~ °glinden/°glinten of gloeien

glauw bn. 1 goed ziend, scherpziend, voorzichtig, nauwkeurig, wijs 2 goed te zien, duidelijk zichtbaar, helder • Zaans glouw, glooi, Oostfries glau, Noors gløgg, IJslands glöggur • wel ~ °gluimen ‘dreigend kijken’

gleim m. 1 glans, schijnsel, schittering, licht • Engels gleam • ~ °glijmen

glend bn. zie gland

glezen bn. 1 van glas gemaakt, op glas lijkend • hetz. als glazen, van glas

glie o., gluw 1 vrolijkheid, vrolijk geluid, gezelligheid • Engels glee • ~ °gloom ‘gejubel’, wel ~ °galen ‘roepen; zingen’

glief v., glieven 1 gleuf, kier • Drents glieve, Sallands glieve, IJslands gljúfur m. • ~ gleuf, glop ‘smalle doorgang’

glijmen st. gleem, h. geglemen 1 schijnen, schitteren • gew. Duits gleimen, Noors glima • ~ °gleim

glijten st. gleet, h. gegleten 1 schijnen, glitteren • Duits gleißen • ~ glitteren

glimpen st. glomp, h. geglompen 1 glanzen, blinken: glimpend haar • Westvlaams glimpen • oude nevenvorm van glimmen, ~ glimp

glinden st. glond, h. geglonden, glinten 1 schijnen, schitteren 2 kijken • ~ glunderen, glinsteren, glans, mog. ~ °gland/°glend

glinten st. glont, h. geglonten zie glinden

gloef m./v. zie gloeve

gloem1 bn. 1 troebel, onhelder 2 nevelig, mistig 3 schemerachtig, duister • Oostfaals glaum • ~ °gloem2, °gloemen

gloem2 o. 1 troebelheid, onhelderheid 2 nevel, mist 3 schemer, duisternis • Engels gloom • van °gloem1, ~ °gloemen

gloemen zw. -de 1 vertroebelen, troebel worden, onhelder worden 2 nevelen, misten 3 duisteren, duister worden • van °gloem1 of °gloem2

gloeve m./v., gloef 1 handschoen • Engels glove • van ge- + °loeve ‘handvlak’

gloom m. 1 gejubel, vrolijk geluid • IJslands glaumur • ~ °glie/°gluw ‘vrolijkheid’, wel ~ °galen ‘roepen; zingen’

gluimen zw. -de 1 dreigend zien, staren 2 nijdig, vals zijn (gezegd van honden) • wel ~ °glauw ‘scherpziend’

gluw o. zie glie

gnap bn. gnapper, -st 1 nauw, eng 2 nauwsluitend, welvoeglijk, net 3 aantrekkelijk, mooi, bevallig 4 bekwaam, flink, kloek • Zaans gnap, verouderd Fries gnap, gnep • hetz. als knap (verbastering), wel eig. ge-nap en ~ °noever ‘bekwaam’

gneest m. 1 vonk • Noors gneiste • ~ °gnijzen

gnijden st. gneed, h. gegneden 1 wrijven • Noors gni, gnide • ~ °gnijzen

gnijzen st. gnees, h. gegnezen 1 verbrijzelen, vergruizen 2 knarsetanden 3 de tanden tonen, grijnzen, grinniken 4 mopperen, morren • Drents gniezen, Fries gnize, Noors gnisa, IJslands gnísta • hetz. als kniezen (gew., verbastering), ~ °gnisteren, °gneest, °gnijden

gnisteren zw. -de 1 knetteren • Fries gnisterje, Duits gnistern, knistern (ontleend als knisteren) • ~ °gnijzen

gobbelen zw. -de zie gobben

gobben zw. -de, gobbelen, gobberen 1 stromen, plenzen 2 gutsen, klotsen, heen en weer bewegen, van vloeistof 3 overgeven, braken • Gronings gobben, gobbeln, Drents gobben, IJslands gubba • ~ °guiven

gobberen zw. -de zie gobben

gode v. 1 geroep 2 spot, beschimping • Noors gau, verouderd IJslands gauð • ~ °gooien/°gouwen ‘schreeuwen, roepen’, °guien1 ‘(aan)roepen’

godeweb o. 1 goddelijk weefsel, zeer kostbare stof • van oud mv. van god + web

goedspel o., gospel 1 de blijde boodschap, het evangelie • Engels gospel • van goed + °spel ‘verkondiging, verhaal’

goelen zw. -de 1 groeten 2 sussen, troosten • IJslands gæla • ~ °galen1

goem m., goom3 1 gehemelte, verhemelte 2 tandvlees • Westfaals gômen, Duits Gaumen, Engels gum, IJslands gómur • ~ °ganen ‘gapen, openstaan’

gof m. 1 scheut, guts 2 stoot, duw, zet • Zaans gof • ~ °guiven/°gieven

goken zw. -te 1 misleiden, voor de gek houden, bedriegen, beetnemen, ew. foppen, trullen • van °gook ‘koekoek’ (eig. ‘bedrieger’), ~ goochelen, °guigen

golf o. golven 1 verhoogde houten vloer 2 vak in de schuur voor de berging van koren en hooi • Drents golf, goul, Fries golle, Noors golv, IJslands gólf • mog. ~ °gelf ‘golf, baar, verheffing van het water’

gollen zw. -de 1 luid zingen 2 roepen • ~ °galen ‘roepen; zingen’, gillen, mog. ~ °gloom ‘gejubel’, °glie/°gluw ‘vrolijkheid’

gomeloos bn., goomloos 1 achteloos, slordig, nalatig, ew. °gauweloos/°gauwloos • van °goom1

gomen zw. -de 1 de aandacht op iets vestigen, letten op, bezien 2 zorg dragen voor 3 menen, van mening zijn • gew. Duits gaumen, gäumen, Noors gjemme, gjømme, IJslands geyma • van °goom1

gond1 v., gonde, gunde 1 strijd, krijg, oorlog, ew. °baduw, °hade, °hilde/°hild • in voornamen als Hildegond, ~ °banen2 ‘doden’, mog. ~ °gond2

gond2 m. 1 zweer, ontsteking • gew. Engels gound • in °gonderave, mog. eig. ‘wond, slag’ en ~ °gond1

gonde v. zie gond1

gonderave v. 1 hondsdraf (Glechoma hederacea), vanouds een middel tegen zwerende wonden • hetz. als hondsdraf, onderhave (verbasteringen), van °gond2 ‘zweer, ontsteking’ + °rave2 ‘rank’

gondvaan m. 1 krijgsvaandel • van °gond1+ vaan

gooien zw. -de, gouwen 1 schreeuwen, roepen 2 huilen, gieren, van de wind • Fries geie, gew. Noors gøy, verouderd IJslands geyja • ~ °gode ‘geroep’, °guien1 ‘(aan)roepen’

gook m. 1 koekoek 2 dwaas • Duits Gauch, Noors gjøk, IJslands gaukur • eig. ‘bedrieger’, ~ °goken ‘misleiden, voor de gek houden’, goochelen, °guigen ‘heimelijk doen; misleiden’

goom1 m./v. 1 acht, aandacht, opmerkzaamheid: goom nemen op iets 2 feestelijk onthaal, gastmaal 3 mening, inzicht: naar mijn goom • Noors gaum, IJslands gaumur • in °gomeloos, °gomen, mog. ~ god (mits eig. ‘het geachte’)

goom2 m. 1 aardling, mens: goden en gomen 2 man • IJslands gumi • in bruidegom, °druchtegoom/°druchtegom, °zezegoom/°zezegom, °geumen , mog. ~ gammel ‘vervallen, oud’ (mits eig. ‘tot de aarde bestemd’ o.i.d.)

goom3 m. zie goem

goomloos bn. zie gomeloos

goor bn. goorder, -st, gorig 1 treurig, verdrietig 2 armzalig • ≠ goor ‘smerig, vies’

gopen v. 1 lege hand 2 de beide handen gekomd samengehouden • ~ °giepen

goren zw. -de zie guren

gorig bn. zie goor

gorre v. 1 oude, versleten merrie, knol: gorre om guil gelijk tegen gelijk • Gents gorre, Fries goarre, Duits Gurre, Gorre • wel ~ °gerzen/°garzen ‘verstarren’

gorren zw. -de 1 rommelen, knorren, snorren, grommen • Duits gurren, gew. Engels gurr, gurl

gors m. 1 gaspeldoorn (Ulex europaeus), een stekelige, licht ontvlambare struik die na brand snel weer groeit, ew. °vurs/°vors • Engels gorse • mog. ~ °gerzen/°garzen ‘uitsteken; verstarren’, dan wel ~ °gorselen/°gorstelen ‘verschroeien’

gorselen zw. -de, gorstelen 1 verschroeien, verbranden, verzengen, uitdrogen • Zaans garstelen, Fries goarselje • mog. ~ °gors ‘gaspeldoorn’

gorstel v. 1 kraakbeen • Engels gristle

gorstelen zw. -de zie gorselen

gospel o. zie goedspel

gosselen zw. -de zie gussen

gouder o. 1 toverlied, bezwering 2 tovenarij • IJslands galdur • ~ °galster ‘toverlied’, °galen1

goudroden bn. 1 met gulden ornamenten versierd • van goud + °roden

goudvinger m. 1 ringvinger

gout m. 1 gesneden mannelijk zwijn • ~ °geld1 ‘onvruchtbaar’, °gelt

gouwen zw. -de zie gooien

gouwman m. -mannen, -lui, -lieden 1 streekgenoot 2 dorpeling • Fries geaman, Engels yeoman • van gouw ‘landstreek’ + man

gra bn. 1 askleurig • oude nevenvorm van grauw, ~ °grauwen/°gruwen, °graken/°grieken

graad1 m. 1 honger 2 begeerte, gulzigheid, hebzucht • Engels greed • in graag (ouder gradig)

graad2 m. 1 scherpe punt, spitse punt 2 scherpe rand • Westfaals gråd, Duits Grat • ~ °groeien ‘uitsteken’

graafnede v., gravenede 1 gravin • van graaf + °-nede

graan v. 1 kafnaald, ew. °eil, °ein 2 dennennaald, sparrennaald, ew. °bar, °leem 3 borstelig haar, baardhaar, snorhaar: zijn granen opsteken zijn knevels opstrijken 4 graat • Westvlaams granen mv., Duits Granne, Zweeds gran, gew. grän (ontleend als green, in grenen), Noors gran, IJslands grön • ≠ graan ‘koren’ (van Latijn grānum ‘korrel’), ~ °groeien ‘uitsteken’

graat m. 1 gehuil, geween • ~ °graten

grabben zw. -de zie grapen

graft v. 1 gegraven waterloop • Gronings graft • oude, meer oorspr. nevenvorm van gracht, van graven, ~ °grapen/°grappen/°grabben

graken zw. -te, grieken 1 dagen, aanbreken van de dag • hetz. als krieken (verbastering), ~ °graking/°grieking, °grauwen/°gruwen, °gra/grauw

graking v., grieking 1 dageraad, morgenstond, ochtendschemering • van °graken/°grieken

gram bn. gramer of grammer, -st 1 boos, verstoord, toornig, verbolgen, vijandig • Gronings gram, Noors gram, IJslands gramur • ~ grim, °grimmen

gramhugdig bn. 1 geneigd tot vijandigheid • van °gram+ °hugdig

gran bn. granner, -st 1 puntig, scherp 2 nauwkeurig • Oostfries gran, Noors grann, IJslands grannur • ~ °groeien ‘uitsteken’

grand m. 1 grof zand 2 grof meel • Twents grand, Gronings grand, Fries grân o., IJslands grandi • ~ grind, °grinden

granten zw. -te 1 op iets belust zijn • in °granter

granter m. 1 landloper, bedelaar • van °granten

grapen zw. -te, grappen, grabben 1 schrapen 2 vlug pakken, grissen • Gronings groapen, Engels grab, grapple • ~ °grapsen/°graspen, grap, grabbelen, graven, graf, °graft/gracht, greppel, groep ‘stalgoot’, groeve/groef, °grobben, niet ~ grijpen, °grippen (wel erdoor beïnvloed)

grappen zw. -te zie grapen

grapsen zw. -te, graspen 1 vlug pakken, grissen • gew. Duits grapsen, grapschen, Engels grasp, gew. graps, grapse, Noors grapse, grafse • ~ °grapen/°grappen/°grabben

graspen zw. -te zie grapsen

graten st. griet, h. gegraten 1 wenen, huilen 2 rouwen • Noors gråte, IJslands gráta • ~ groeten, °graat

grauwen zw. -de, gruwen 1 dagen, aanbreken van de dag • Antwerps grauwen, Noors gry • ~ °graken/°grieken, °gra/grauw, mog. ~ °guren/°geuren/°goren ‘stralen; kijken’ en/of °groeien ‘uitsteken’

gravenede v. zie graafnede

grede v., gree 1 wijdbeense stand 2 stap • ~ °grijden

gree v. zie grede

greef m. zie greve

gremmen zw. -de 1 boos maken, kwaad maken • ~ grim, gram, °grimmen

grete v. 1 begerigheid, sterk verlangen • ~ gretig

greur m. 1 verschrikking, iets vreselijks 2 angst, grote vrees • ~ °griezen, wel ~ °grouwen/gruwen, °gruizen ‘huiveren’

greve m., greef 1 kreupelhout, struikgewas 2 klein bos • Westfaals graiwe (in Graiwen, ambtelijk Greven), Engels grove, gew. greave, gew. Noors greivlar mv. ‘takken van een gewei’

grevel m., greving 1 das (Meles meles) • Gronings greven, Westfaals griəwel, Oostfaals grêwing, Noors grevling • ~ graven

greving m. zie grevel

grieken zw. -te zie graken

grieking v. zie graking

griet o. 1 puin, steengruis 2 grof zand 3 strijdperk, krijt • Westvlaams griet, gew. Engels greet, gew. Noors grjot, IJslands grjót • van °grieten ‘vermorzelen, verbrijzelen’, ~ grut, gort

grieten st. groot, h. gegroten 1 vermorzelen, verbrijzelen • ~ °griet, groot, grut, gort, °grom

griezen st. groor, h. gegroren 1 bang maken, verschrikken • ~ °greur, wel ~ °grouwen/gruwen, °gruizen ‘huiveren’, niet ~ °grijzen/°grijzelen/griezelen, afgrijzen

grijden st. greed, h. gegreden 1 de benen uiteen zetten, wijdbeens staan 2 een stap zetten, stappen • ~ °grede

grijm m./v., grim 1 vlek, smet 2 roet, zwartsel, smeer 3 zwart gesmeerd gezicht 4 vermomming, mom, masker 5 helm, al dan niet met masker 6 boze geest, kwade geest • Westvlaams grijm, Noordhollands grim, Gronings grim (in grimd ‘gevlekt’), Engels grime, Deens grime, IJslands gríma • in °grijmen en eigennamen als Grimbert, ≠ grim ‘toorn’, voorlopers zijn uitgeleend aan het Frans en teruggeleend als grimas en grime ‘schmink’, vgl. °mas1/°masser

grijmen zw. -de 1 zwart maken, beroeten 2 knoeien, morsen • Westvlaams grijmen, mog. Drents griemen • van °grijm

grijnen st. green, h. gegrenen 1 flitsen, oplichten 2 snauwen 3 onaangenaam, boosaardig kijken, grijnzen 4 schreeuwen, huilen • Gronings grienen, Zwitsers grīne • ~ grijnzen, °grijzen/°grijzelen/griezelen, mog. ~ gril ‘overmatig licht; fel, wijd open (van ogen)’

grijp m. 1 gier • van grijpen, ~ grip, greep

grijzelen zw. -de zie grijzen

grijzen st. grees, h. gegrezen, grijzelen 1 een lelijk gezicht trekken, van woede, smart of schrik 2 krijsen met een lelijk gezicht 3 huiveren 4 de tanden bloten 5 knarsetanden • Westvlaams grijzelen, krijzelen, Antwerps grijzen, Limburgs grijzen, Gronings griezen, Fries grize, gew. Engels grize, grizzle • hetz. als griezelen (met gew. klinker), in afgrijzen, ~ grijnen, grijnzen, niet ~ °griezen

grim m. grimmen zie grijm

grimmen st. grom, h. gegrommen 1 woeden, tieren, razen • ~ grim, °gram, °gremmen, °grimzen, grommen, °grommel ‘donder; onweer’

grimzen zw. -de 1 woedend zijn, toornen, woeden, razen, wreed optreden • van grim, ~ °grimmen

grind1 m. 1 schurft • Zwitsers Grind • mog. ~ °grinden

grind2 v. 1 omheining, hek • IJslands grind, Noors grind • ~ grendel

grinden st. grond, h. gegronden 1 knarsen, malen, verbrijzelen, vermorzelen • Engels grind • ~ °grand, grind, mog. ~ °grind1

grippen zw. -te 1 pakken, vastpakken, vasthouden • Engels grip • ~ grijpen

gro m. zie grode

grobbelen zw. -de zie grobben

grobben zw. -de, grobbelen 1 schrapen, bijeengrijpen 2 wroeten 3 boenen • Westvlaams grobbelen, Zeeuws grobben, Utrechts grobbelen, Fries grobje, grobbelje, Engels grub, gew. grob, grobble • ~ °grapen/°grappen/°grabben, graven

grode m., gro 1 boezem, borst 2 schoot

groe v. zie groede

groede v., groe 1 ontspruiting, ontkieming 2 groenheid, frisheid 3 groei, wasdom 4 groen buitendijks land, begraasde aanwas • Fries groede, IJslands gróði m., gróður m. • hetz. als Groede (Zeeland), Groet (ouder Groede, Noord-Holland), van °groeien

groeien st. grieuw, h., is gegroeien 1 uitsteken, opsteken, overeind staan: gras grieuw alom 2 ontspruiten, ontkiemen: te lente groeien boom en kruid 3 groen, fris, levenskrachtig zijn • hetz. als groeien ‘groter worden’ (oneig.), ~ °groede/°groe, groen, gras, groeze/groes, graat, °graad2 ‘scherpe punt’, °gran ‘puntig’, °graan ‘kafnaald; dennennaald; baardhaar’, °gerzen/°garzen ‘uitsteken’, mog. ~ °grauwen/°gruwen ‘dagen’

grom o. grommen, grum 1 stofje, vuiltje 2 stof, vuil 3 neerslag, bezinksel, droesem 4 kroost, kinderen, kind: met grom zwanger • Drents grom, grum, Gronings grom, Fries grom, gew. Zweeds gromm, gorm • hetz. als grom ‘visingewanden’, in °grommen ‘zachtjes sneeuwen’, °grommig ‘groezelig’, °grummel ‘kruimel; stofdeeltje’, ~ °grieten ‘vermorzelen’, grut ‘gebroken graan; kroost’

grommel m. 1 donder 2 onweer • Gronings grommel, Drents grommel • ≠ gerommel, in °grommelen, ~ °grimmen ‘woeden, tieren, razen’, grommen

grommelen zw. -de 1 donderen 2 onweren • Gronings grommeln, Drents grommeln, Westfaals grummeln • van °grommel

grommelig bn. zie grommig

grommen zw. -de 1 zachtjes sneeuwen • Drents grommen • van °grom

grommig bn., grommelig 1 groezelig, smerig 2 wazig, troebel 3 onweerachtig, dreigend, vuil • Gronings grommeg, Drents grummelig, grommelig, Westfaals grummelig, Fries grommich, grommelich, gew. Engels grumly, Zweeds grumlig • van °grom, met invloed van °grommel ‘donder; onweer’

groop m. 1 pot 2 ketel

grouwen zw. -de 1 huiveren • Zeeuws grauweren, Fries grouwe, grouje, Duits grauen • oude nevenvorm van gruwen, ~ °gruizen, wel ~ °griezen ‘verschrikken’, °greur

gruizen zw. -de 1 huiveren • Twents groezen, groezeln, Oostfries grûsen, Duits grausen, gew. Engels growze ‘rillen’ • ~ °grouwen/gruwen, wel ~ °griezen ‘verschrikken’, °greur

grum o. grummen zie grom

grummel o., grummetje 1 kruimel 2 stofdeeltje 3 beetje • gew. Engels grummel • van °grom/°grum

grummetje o. zie grummel

gruntelen zw. -de zie grunten

grunten zw. -te, gruntelen 1 knorren 2 grommen • Engels grunt, Duits grunzen

gruwen zw. -de zie grauwen

guf bn. 1 scheutig, vrijgevig 2 kwistig, weelderig, overdadig 3 gulzig • ~ °guiven/°gieven

guien1 zw. -de 1 roepen, aanroepen 2 huilen, gieren, fluiten, met name van de wind • Zaans guien • ~ °gooien/°gouwen ‘schreeuwen, roepen’, °gode ‘geroep’, guiten ‘kraaien (van genot); drenzen; huilen van de wind’, °guis ‘spot’, °guilen ‘huilen’, mog. ~ god (dan eig. ‘het aangeroepene’), °geude/°geu ‘priester’

guien2 zw. -de 1 gieten 2 stromen, gulpen • Drents guien • ~ gieten, °guiven/°gieven, °guizen

guig m., guiger 1 iemand die (of iets dat) zich verbergt, heimelijk doet, misleidt of gekheid maakt • verouderd Deens gyg, gyger, Noors gygr, jyvr, gjøger v., IJslands gýgur v. • ~ °guigen

guigen st. goog, h. gegogen 1 heimelijk doen, zich verbergen, zich verschuilen 2 misleiden, voor de gek houden 3 gekheid maken, spotten • ~ °guig/°guiger, guichelen, goochelen, °gook ‘koekoek’ (eig. ‘bedrieger’), °goken ‘misleiden, voor de gek houden’

guiger m. zie guig

guilen zw. -de 1 huilen, janken, schreeuwen, roepen • Drents goelen, gew. Engels gowl, goul, gool • ~ °guien1 ‘roepen; huilen’, mog. ~ guil ‘knol’ (vroeger o.a. ook ‘hengst’, vgl. °wreen ‘hengst’ bij °wrijnen ‘huilen’)

guis m. 1 hoon, spot 2 opgetrokken neus, minachtend gezicht • ~ verguizen ‘beschimpen’, °guien1 ‘roepen; huilen’

guiven st. goof, h., is gegoven, gieven 1 stromen, vloeien • Noors guve, gjuve • ~ °guf, °gof, °gobben, °guien2 ‘gieten’

guizen st. goos, h., is gegozen, giezen 1 gutsen, stromen 2 hoorbaar stromen 3 regenen • Gronings goezen, gew. Engels gowze, IJslands gjósa • ~ °gussen, °guien2 ‘gieten’, mog. ~ gul

gunde v. zie gond1

gunner m. 1 iemand die een ander gunstig gezind is of begunstigt 2 vriend, makker, maat • van gunnen

gur v. gurren 1 klein meisje • Gelders-Overijssels gör, Oostfaals gör, Engels girl (mog. ontleend aan het Nederduits), gew. Zweeds gorre, gurre m. ‘jongen’ • mog. ~ groeien

guren zw. -de, geuren, goren 1 stralen, pronken 2 kijken, staren • Noordbrabants geure, Drents geuren • mog. hetz. als guren/geuren ‘lekken, vallen, van koren e.d.’ (mits eig. ‘stralen’), mog. ~ °gra/grauw, °grauwen/°gruwen ‘dagen’

gusselen zw. -de zie gussen

gussen zw. -te, gusselen, gosselen 1 gutsen, stromen • Westvlaams gusselen • ~ °guizen

guwen zw. -de 1 gapen, geeuwen 2 aangapen, hunkerend kijken 3 staren • Westvlaams guwen, Fries gouwe • ~ geeuwen, °gijnen

 

 

ha m. haaien, haai 1 hiel, hak 2 knieholte 3 hielvormig stuk land aan zee of een vlakte 4 schuin toelopend stuk land, geer • Westvlaams haai, Engels hough • in °hasen, °haaien1, ~ °haal7/hiel, °hijs2 ‘spier(bundel)’, mog. ~ ham

haaf1 bn. 1 verminkt, kreupel gemaakt 2 eenhandig, met een verminkte hand • uit ouder hamf (vgl. vijf uit fimf), ~ °hampelen ‘kreupel gaan; hinken’, hompelen ‘moeilijk lopen, mank of kreupel gaan’, mog. ~ °hucht/°hocht ‘struik, kreupelhout’

haaf2 bn., havig 1 handig, gemakkelijk te hanteren 2 bruikbaar, nuttig • Westvlaams havig, Noors hæv, IJslands hæfur • ~ °haven1/hebben ‘houden’

haafd o. 1 bovenste deel van het menselijk lichaam • IJslands höfuð • oude (mog. meer oorspr.) nevenvorm van hoofd, mog. eig. ‘kop, houder’ en °haven1/hebben ‘houden’

haai m. zie ha

haaien1 zw. -de 1 scheef lopen, staan, liggen, hangen • van °ha/°haai ‘hiel; schuin toelopend stuk land, geer’

haaien2 zw. -de 1 verlangen, begeren • mog. ~ haai, honger, hengst

haak m. zie hak

haal1 bn. 1 verborgen, heimelijk, geheim • ~ °helen ‘verbergen’, mog. bij uitbreiding ‘verraderlijk’ en dan hetz. als °haal4 ‘glad’

haal2 v., heel2 1 verborgenheid, heimelijkheid: in stiller hale in diep geheim 2 stilzwijgendheid, geheimhouding: zonder haal zonder iets te verzwijgen, zonder er doekjes om te winden, met nadruk • van °haal1

haal3 m. 1 hoek, bocht in het land, ook langs een stroom 2 laag, vlak land langs water • Noordfries hallig, gew. Engels hale, haugh (ouder halgh) • mog. in Halen (Belgisch-Limburg), Haelen (Limburg), Hooghalen (Drenthe), mog. ~ hol, °holk ‘holte’

haal4 bn. 1 glad, glibberig • gew. Duits hahl, Noors hål, IJslands háll • mog. eig. ‘verraderlijk’ en hetz. als °haal1 ‘heimelijk’, anders mog. ~ hal ‘bevroren grond; grondvorst’

haal5 bn. 1 droog, dor, schraal: een hale wind • Drents haol • ~ °halen1 ‘uitdrogen’, °haal6 ‘oven’

haal6 v. 1 oven 2 schoorsteen • ~ °haal5 ‘droog’

haal7 m. 1 achtereinde van de voet • gew. Duits haile, Engels heel, Noors hæl, IJslands hæll • hetz. als hiel (met gew. klinker), ~ °ha/°haai

haalzoen v. 1 heimelijk gegeven geschenk om iemands gunst te verwerven, omkoping • van °haal1 ‘heimelijk’ (of °haal2 ‘heimelijkheid’) + °zoen ‘verzoening, genoegdoening’

haam m., ham3 1 omhulsel, bedekking 2 vorm, gedaante • hetz. als haam/ham ‘nageboorte’ (eig. ‘vruchtvlies’), in °lijkhaam/lichaam ‘vormgevend omhulsel’, °vederhaam ‘verenkleed’, ~ hemd

haan1 st. hoeg, h. gehagen zie hagen1

haan2 v., heen2, hen2 1 riet of ander hoog oevergewas • Gronings hoan (in hoanebòlt), heen, een, Zuidhollands heen, heent, Fries hean, henne (in hennebôlen), Oostfries hane, hân, hânt • ~ °hoen ‘rietland e.d.’, mog. ~ °hoenen ‘strekken, verheffen’

haan3 st. hing, h. gehangen 1 iets vastmaken zodat het niet valt • gew. Duits hahen • oude nevenvorm van hangen, ~ °hang ‘helling, heuvel’, °heng ‘deurhengsel’

haar1 v. 1 heuvel, hoogte in het veld 2 begroeide zandheuvel • Twents haar • in Haren, mog. ~ °harg/°herg of °heren1 ‘hangen’ (vgl. °hang ‘helling, heuvel’ bij °haan3/hangen)

haar2 bn. zie haruw2

haar3 v. zie hare

haarwas m. -wassen 1 pees, zenuw • gew. Duits Haarwachs • van haar + was ‘groei’, vgl. °woudwas

haas bn. hazer, -t zie hazuw

haat o. hateren 1 kledingstuk • gew. Duits Häss (mog. ontleend als hes), gew. Engels hattern mv. • mog. ~ °hat1 ‘hoofddeksel’, hoed

habbelen zw. -de zie haffelen2

hach m. 1 jonge man, knaap 2 waaghals, durfal 3 kwajongen 4 twistzoeker• Drents hachie, Fries hagge, hachje, verouderd Duits Hache • wel niet ~ hachje ‘leven’, °hacht4 ‘gevaar’ (wel erdoor beïnvloed)

hacht1 bn. zie haft1

hacht2 v. zie haft2

hacht3 m. 1 wijze van doen, handelswijze • Noors hått, IJslands háttur • mog. ~ °hagen1/°haan1 ‘kunnen; voortbrengen’

hacht4 v. 1 gevaar, risico • Drents hacht, IJslands hætta • in °hachten ‘wagen’, hachelijk, ~ hangen

hachten zw. -te 1 wagen, riskeren • Drents hachten, IJslands hætta • van °hacht4

hade v. 1 strijd, krijg, oorlog, ew. °baduw, °gond, °hilde/°hild • in voornamen als Hadebrand en Hadewijg, ~ °hader, wel °hat2 ‘hatelijk, vijandig’, °hatel, haat, °hetten/haten

hadel v. 1 (jonge) vrouwelijke geit, sik

hader m. 1 twist, geschil, ew. °baag • in °haderen, ~ °hade

haderen zw. -de 1 twisten, kijven • Duits hadern, Fries hare • van °hader

haf o. haven 1 zee, wereldzee, ew. °aag, °laag, °waar • Fries hêf, Duits Haff, Noors hav, IJslands haf • ~ haven, wel ~ °hop2 ‘inham’

haffelen1 zw. -de 1 klaarspelen • ~ °hap ‘voorspoed, geluk’

haffelen2 zw. -de, habbelen 1 steeds in de mond of handen nemen: de hond haffelt op een bonk 2 liefkozen, knuffelen 3 klungelig, onhandig bewegen 4 stotteren, stamelen 5 bekvechten, kijven, kibbelen, twisten, schelden • Brabants haffelen, Drents haffeln, habbeln, Fries haffelje, gew. Engels haffle, habble • ~ °haven1/hebben, happen

haft1 bn., hacht1 1 vast, gebonden 2 geboeid, gevangen • in °eehaft/°eehacht/echt, ~ °haft2/°hacht2 ‘gevangenschap’, °heften/hechten, haven1/hebben ‘houden’

haft2 v., hacht2 1 gevangenschap, hechtenis 2 boei, kluister 3 ketting • Antwerps hacht, Duits Haft • van °haft1/°hacht1

hag bn. hager of hagger, -st 1 bekwaam, in staat, vaardig, geschikt 2 geslachtelijk vermogend, potent 3 flink, kloek • Gronings haag ‘groot’, Noors hag, IJslands hagur • ~ °hagedroes, °hagen1/°haan1 ‘kunnen; voortbrengen’

hagedroes v. -droezen 1 geslachtsdeel • verouderd Duits Hegedrüse • van een verwant van hagen1 + °droes1 ‘klier; gezwel’

hagel bn. 1 kwaad, boos, woedend, nijdig, vijandig: hagel op iemand zijn; iemand hagel zijn • Drents hagel, Oostfries hagel • hetz. als hagel, mog. ~ °hagen5 ‘tergen; twisten’

hagelspraak v. 1 wisse volksvergadering, voorheen in Drenthe

hagen1 st. hoeg, h. gehagen, haan1 1 kunnen, in staat zijn 2 klaarspelen, voortbrengen, gewinnen 3 verzorgen, opvoeden • ~ °hag ‘bekwaam’, °hagedroes, °hagen2 ‘bekwaam’, °hagen3 ‘stier’, °hoeg ‘bekwaam’,°hekken ‘voortbrengen’, mog. ~ °hoek ‘bok’, hengst, behagen, °hacht3 ‘wijze van doen’

hagen2 bn. 1 bekwaam, kundig, geschikt 2 potent • in de voornaam Hagen (ouder Hagene) ‘bekwame’, ~ °hagen1/°haan1 ‘kunnen’

hagen3 m. 1 stier, fokstier • gew. Duits Hagen, Hegel • van °hagen2 ‘bekwaam; potent’

hagen4 m. 1 haag, doornhaag • ~ haag, heg, hek

hagen5 zw. -de, haggen, haken, hakken 1 tergen, kwellen 2 kijven, twisten • Westvlaams hagen, hakelen, Westfries hakken, Drents haggeln, Westfaals haggen, Engels hag, Noors haga • mog. hetz. als hakken ‘houwen’, mog. ~ hagel ‘ijskorrels’, °hagel ‘kwaad, vijandig’, °hagetis ‘heks, tovenares’, haak, hoek, °hekel ‘prikkel’, °hoe ‘ploeg’ (oorspr. ‘tak’)

hager bn. hagerder, -st 1 mager, schraal, ew. °hoor1 • Duits hager • mog. eig. ‘spichtig, puntig’ en ~ °hoe ‘ploeg’ (aanvankelijk een tak)

hagestoud m. 1 jonge, ongehuwde man in het huishouden van een heer • Duits Hagestolz • ~ °stouden

hagetis v. 1 heks, tovenares • Duits Hexe (ontleend als heks) • mog. ~ °hagen5/°haggen/°haken/°hakken ‘tergen, kwellen; kijven’ (vgl. takkewijf/tagwijf bij °takken1/°taggen ‘plagen, teisteren’)

haggen zw. -de zie hagen5

hak m. hakken, haak 1 kleinhandelaar, koopman • ~ heuken ‘in het klein verkopen’

hakel m. 1 mantel, overkleed • Westfaals hackel (in Hackelberend, bijnaam van de Wilde Jager, waarvoor zie °Woeden/°Woen2), Engels hackle, gew. Noors hakel • mog. eig. ‘bokkenvel’ en ~ °hoek ‘bok’, (vgl. Grieks aigís ‘geitenvel, mantel van Zeús’)

haken zw. -te zie hagen5

hakken zw. -te zie hagen5

hal m. hallen 1 klip, rots, steen • Noors hall, IJslands hallur • mog. ~ °holm ‘eiland; heuvel’, °hul ‘heuvel’, hals

halchter1 v. zie halfter1

halchter2 m. zie halfter2

halen1 st. hoel, h. gehalen 1 hellen, neigen • mog. gew. Engels hale • ~ °houd1 ‘hellend’, °houd2 ‘genegen’, °lijden2 ‘overhangen’, °lenen/leunen ‘steunen, hangen’, mog. ~ half, °halve ‘zijde’, helpen ‘terzijde staan, bijstaan, steunen’, °holpen ‘zich ongelijkmatig bewegen’

halen2 zw. -de 1 verdorren, uitdrogen • Drents haolen • van °haal5

half m. halven, helf 1 heft, greep, steel, met name van een bijl • Twents helf, Engels helve • ~ °halfter2/°halchter2 ‘heester, kreupelhout’, °holf ‘dwarshout’, wel ~ °hulfter/°hulchter ‘klomp’

halfman m. -mannen, -lui, -lieden 1 onvolkomen man 2 zwakkeling 3 tweeslachtige, hermafrodiet 4 gesnedene • van half + man

halfs bw. 1 voor de helft • van half

halfter1 v., halchter1 1 leidsel van een paard • Veluws helfster, Limburgs hèlfter, Duits Halfter • hetz. als halster (verbastering), mog. ~ °halve ‘zijde’, helpen ‘terzijde staan, bijstaan’

halfter2 m., halchter2 1 heester, kreupelhout • in oordnamen als Aalter (voorheen Haleftra, Oost-Vlaanderen), Helchteren (Belgisch-Limburg), Halter (voorheen Halahtron, Nedersaksen), met °-der2/°-ter, ~ °half/°helf ‘heft, greep’, °holf ‘dwarshout’, wel ~ °hulfter/°hulchter ‘klomp’

halk bn. 1 armzalig, karig, schraal: halke grond • mog. Deens Halk (oordnaam)• in °halken/°helken

halken o., helken 1 schrale grond • verouderd IJslands hölkn, helkn • hetz. als Helkijn (ouder Helcin, West-Vlaanderen), Heuchin (ouder Helcin, Pas-de-Calais), Haulchin (ouder Halcin, Henegouwen), Haulchin (ouder Halcin, Nord), van °halk

halling m. 1 kleine munt ter waarde van een halve penning • van half + -ling

halmen zw. -de 1 afstand van iets doen, overdragen, oorspronkelijk plechtig met een halm in de hand: halmen van zijn leengoed 2 plechtig afzweren, verloochenen • van halm

halming v. 1 het op plechtige wijze afstand van iets doen • van °halmen

halve v. 1 zijde, kant 2 richting • Noors halve, IJslands hálfa • in °noordhalve, °oosthalve, °westhalve, °zuidhalve, °zwaardhalve, °speerhalve, °spilhalve, ~ half, helft, mog. van °halen1 ‘hellen, neigen’, mog. ~ helpen ‘terzijde staan, bijstaan, steunen’, °holpen ‘zich ongelijkmatig bewegen’, °halfter1/°halchter1/halster ‘leidsel’

ham1&nbs