De Nederlandse tegelproductie, tegel- en plateelbakkerijen.

 

De Nederlandse tegelproductie, tegel- en plateelbakkerijen.

Rottedamse tegelproductie van 1609 - 1866

In het begin van de 17e eeuw waren de eerste plateelbakkerijen te Rotterdam gevestigd en tot 1866 werden alleen daar vele miljoenen tegels gebakken. In de loop de 17e eeuw werden er niet minder dan 17 bedrijven genoemd. 

De belangrijkste waren: Aan de Delftsche Vaart, Het Wapen van Dantzich en de Bloempot.

Delftse Vaart   1635 - 1773

Claes Jansz. Wytmans, geboren in Rotterdam ’s Hertogenbosch, ca. 1570 richtte in februari 1614 een bedrijf op aan de Glashaven in Rotterdam voor het maken van huis- en vensterglas. Maar in 1634 werd dit glasbedrijf verkocht aan Lambrecht de Hooch. Claes Jansz. Wytmans trouwde in 1603 te Rotterdam met Dieverke Jacobdr. van Wageningen. Hij was werkzaam in Rotterdam, Gouda en Utrecht.

In de Wijnstraat aan de Delftsche Vaart in Rotterdam opende hij in 1635 de plateelbakkerij “Delftse Vaart” en legde zich in geen tijd toe op het produceren van majolicategels. Bij hem in het tegelbedrijf werkten zijn drie zonen Jan, Jacob en Carel Wytmans en werden evenals hun vader tegelbakkers. Claes Jansz. Wytmans overleed in 1642 te Rotterdam en werd begraven enkele dagen later op 9 oktober. Zijn bedrijf kwam onder leiding van zijn zoon Carel Claesz.Wytmans, getrouwd op 29 oktober 1641 te Rotterdam met Maertge Pieters Hontoms.

Na het overlijden Carel Claesz. Wijtmans in 1689 werd de tegelfabriek verkocht aan de familie Hendriks Schut tot 1709. De familie Schut had haar roots in  de Duitse deelstaat Mecklenburg. Hendrik was reeds getrouwd in Rotterdam met Hester De Meijer, de dochter van Leendert Govertsz. De Meijer uit de tegelbakkerij “Het wapen van Dantzich”.

Hendrik Schut, overleden in 1709 werd opgevolgd door zijn weduwe Hester de Meijer en zijn zoon Hendrik Schut (II).

Hendrik (II) werd geboren in 1683 te Rotterdam en trouwde met Hendrina van de Bogaert. Hendrik werd tot hoofdman benoemd van de Sint-Lucasgilde in 1735 en 1736 en overleed in 1738 te Rotterdam en werd begraven enkele dagen later op 21 november. Hij werd opgevolgd door zijn zonen Jacob en Hendrik III.

Jacob Schut associeerde zich met de tegelbakker Gerrit Bakhuizen (ca. 1700-1760) de broer van Ludolf bakhuizen (1717-1782). Na het overlijden van Jacob Schut werd in 1773 de productie stilgelegd bij de Baambrug aan de Delftsche Vaart.

De bekendste tegelschilder was Cornelis Boumeester (1652-1733), hij was in deze fabriek werkzaam tussen ca. 1676-1732. Het tegelbedrijf “Aan de Delftschevaart”, was gespecialiseerd in grote tableaus met voorstellingen van zeeschepen, zeeslagen, zeegezichten en havens. Meerdere tegeltableaus zijn bekend uit het bedrijf: o.a.  het tableau met ’s Landsschip Rotterdam en de haringvloot, 194 cm x 155 cm. - tegeltableau met rivierlandschap met koeien op de voorgrond, 88 cm x 75,5 cm. - tegeltableau met een zeegezicht, 77,5 cm x 77 cm. - tegeltableau met een havengezicht, 78 cm x 65 cm., enz…..

.

 

Het Wapen van Dantzich     1641 - ca.1807

De tegelbakkerij “Het wapen van Dantzich” werd opgericht werd in 1641 aan de zuidzijde van de Hoogstraat, tegenover het Gasthuis door Leendert Govertsz. De Meijer, geboren ca.1717 te Rotterdam, zoon van Govert Isaacsz. en Pietertgen Cornelis. In zijn bedrijf werkte zijn schoonbroer, Jacob Adamsz. De Konia (meester-tegelbakker) die na het overlijden van zijn vrouw Adriaantje van der Arent (1658) hertrouwde in 1660 te Rotterdam met Hester De Meijer (1618-1689). Leendert Govertsz. dochter Hester trouwde met Henrik Jacobsz. Schut. Hij werd opgevolgd door zijn zonen Adriaan en Isaac. In 1712 na het overlijden van Isaac werd het geleid door Leendert Icaaksz. De Meijer tot in 1741.

In 1742 werd de fabriek “Het wapen van Dantzich” verworven door Joannes Bakhuizen, geboren in Amsterdam ca.1681 uit het derde huwelijk van de bekende in Emden (Duitsland) geboren marineschilder Ludolf Bakhuizen (1630-1708). Joannes Bakhuizen trouwde met Christina Sibilla Mol (ca.1695-1762) en overleed na 1751 te Rotterdam. Het tegelbedrijf “Het wapen van Dantzich” werd verder geleid door de weduwe Bakhuizen samen met haar kinderen tot aan haar overlijden in 1762. Daarna werd het bedrijf overgenomen door haar zoon Ludolf Bakhuizen, gedoopt op 29 augustus 1717 te Amsterdam. Ludolf huwde met Juliana Charlotte Elisabeth Parmesant (1717-1778). Na zijn overlijden op 6 april 1782 te Rotterdam, werd het bedrijf opgevolgd door zijn dochter Christina Sibilla Charlotte (1750-1810) en schoonzoon Johannes van den Brink en geleid door hun meesterknecht Johannes van der Wolk. In 1784 werd de plateel- en tegelfabriek door zijn dochter Christina verkocht Johannes van der Wolk (1748-1843). tot ca.1807. Johannes van der Wolk werd gedoopt in de Domkerk te Utrecht op 18 februari 1748. Hij woonde in Utrecht aan de Nieuwe Camp en was in dienst in de tegelbakkerij bij “Oudegracht” van François Kúvêl (1725-1786), die in 1753 door Kúvêl was opgericht. Johannes van der Wolk verliet op 23-jarige leeftijd in 1771 Utrecht en ging naar Rotterdam waar hij in 1771 trouwde, om meesterknecht te worden in de tegelbakkerij “Het Wapen van Dantzich”. In 1784 werd hij de eigenaar van deze tegelbakkerij. Daar hij geen opvolgers had sloot hij zijn bedrijf in 1841 op 91-jarige leeftijd na er bijna 70 jaar te hebben gewerkt. Hij overleed op 95-jarige leeftijd te Rotterdam op 15 mei 1843.

 

De Bloempot     1691 - 1852

De tegelbakkerij “De Bloempot” gelegen op de hoek van de Schiedamsedijk/Leuvehaven, genoemd naar het tableau dat daar in de muur is aangetroffen, maar beter bekend onder de naam: de tegelbakkerij Aalmis-Verwijk & Zonen-Van Traa aan de Schiedamsedijk, werd in 1691 opgericht door Pieter Jansz. Aalmis en Abraham Mozes van Lier.

Pieter Jansz. Aalmis was alleen eigenaar van de tegelbakkerij in 1699. Na zijn overlijden op ongeveer 58-jarige leeftijd op 29 oktober 1707 werd hij opgevolgd door Jan Pietersz. Aalmis (1674-1755). In 1755 kwam de fabriek in handen van zijn zoon: Jan Bartholomeüs Aalmis, meester-tegelbakker, geboren in 1725 te Rotterdam.

In 1788 werd het bedrijf verkocht aan Laurens Verwijk (1734-1796) gehuwd met Katharina van Beusekom (1730-1801). Laurens overleed op 17 augustus 1796 te Rotterdam. Het bedrijf werd verder geleid door zijn vrouw Katharina samen met haar twee zonen Martin (1808) en Cornelis Roeland Verwijk.

In mei 1843 werd de Willem van Traa (geboren op 7 mei 1804-1870)  de eigenaar van het bedrijf van zijn overbuur Cornelis Roeland Verwijk (1842). Hij kocht deze van de erven Verwyk. Willem van Traa, Rotterdamse steenhouwer, geboren op 7 mei 1804 te Rotterdam en er overleden op 4 maart 1890 was de zoon van Willem (1812) en Susanna Oudshoff (1848). Hij huwde op 3 juni 1835 te Rotterdam met Anna Wilhelmina Dijxhoorn (1813-1836) en hertrouwde op 23 november 1836 te Rotterdam met Adriana Boer (1811-1893). In de inventaris van het bedrijf Verwijk die Willem had laten opmaken bleken er honderd grote tegeltableaus in blauw en in paars te zitten, samen ruim 9.000 tegels. Nadat het bedrijf zijn productie had stilgelegd en zijn deuren had gesloten in 1852 probeerde zijn meester-tegelbakker Frans Kleijn opnieuw een bedrijf op te richten in Delfshaven, gelegen aan de Nieuwe Maas, nu een deelgemeente van Rotterdam. Twaalf jaar later moet ook Frans zijn productie stopzetten. De tegelfabriek Aalmis-Verwijk & Zonen-Van Traa groeide uit tot een van de grootste fabrieken van Rotterdam, bekend voor zijn Bijbelse voorstellingen en verfijnde tegeltableaus. Veel Rotterdamse tegels zijn te vinden in Franse kastelen, Duitse paleizen, Spaanse en Portugese kerken en zelfs in het Topkapi paleis in Istanbul.

 

Rotterdamse plateelbakkerij Den Bergh Sion - opgericht in 1611.

De familie Hendrik Gerritsz. van den Heuvel (1638) stichtte in 1611 een majolica- en plateelbedrijf op die hij de naam gaf “De Bergh Sion” van den Heuvel in Rotterdam in de Hoogstraat vlak bij de Spul. In 1621 richtte Hendrik Gerritsz. samen met zijn schoonbroer Willem Janz. Olivier in Gouda een majolica- en plateelbedrijf op aan de Oosthaven onder de naam “Willem Verswaen”. Willem Janz. Olivier was afkomstig uit Rotterdam. Vandaar soms die twijfel of sommige tegels in Rotterdam of in Gouda werden geproduceerd. Ook was Hendrik van den Heuvel in 1633 betrokken bij het oprichten van het bedrijf in Harlingen. Twee andere broers Van den Heuvel starten in 1613 in Dordrecht.

Een onbekend tegelbedrijf, Rotterdam.

Helman Pietersz. van Rijsoort (ca.1569-1618), tegelbakker trouwde op 20 mei 1598 te Rotterdam met Agniesge Dirksdr. van Geffen (ca.1572-1643) en hadden voor zover bekend 4 kinderen.

  • Pieter Helmansz., geboren ca. 1609, gehuwd met Christina Jans Beeckmans
  • Helmans van Rijsoort, geboren en overleden in januari 1611.
  • Catalina, geboren ca. 1616, gehuwd op 23 september 1642 met Hendrik Sachman.
  • Helmans van Rijsoort, geboren en overleden op 16 december 1617.

Of hij eigenaar was van een tegelbedrijf werd nergens vermeld. Hij werd begraven op 8 september 1618 te Rotterdam. Zijn zoon Pieter Helmansz. van Rijsoort, geboren ca.1609 was meester-tegelbakker en tegelfabrikant. Hij trouwde op 5 mei 1641 te Rotterdam met Christina Jans Beeckmans en het echtpaar kreeg twee kinderen, waaronder Helman Pieters, gedoopt op 15 april 1642. Pieter huurde een huis met atelier voor vier jaar op de Glashaven voor jaarlijks 220 gulden en ging er wonen. Pieter machtigde Joris Sageman uit Brugge op 9 september 1643 om 122 gulden te innen van Jacques Harbij, schipper uit Brugge, betreffende levering en koop van tegels. Pieter overleed op 26 mei 1655 en werd begraven op 30 mei te Rotterdam.

Jan Pluis heeft in vele publicaties de Rotterdamse tegels, tegeltableaus en Bijbelse tegels beschreven, zoals deze die in de tegelbakkerijen “Het wapen van Dantzich” van Johannes van der Wolk en in “De Bloempot” van Willem van Traa te Rotterdam. Deze publicaties leenk mij uitstekend te passen voor de homepage www.tegels-uit-rotterdam.com van Wilhelm Joliet. Ook Johan Kamermans, heeft uitvoerig de tegelbakkerij van Willem van Traa beschreven.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

Plateelbakkersknechten, draaiers en schilders, Rotterdam

Cornelis Boursette, plateelbakker, begraven op 26 april 1797 te Delft. Gehuwd op 10 maart 1757 te Rotterdam met Francisca de Roo (1726-1800).

Adam Jacob Adamsz. De Colonia, tegelbakker / tegelschilder, geboren ca.1618 te Rotterdam en er overleden op 9 mei 1700. Gehuwd op 14 februari 1644 te Rotterdam met Adriaentje van der Arent (1658). Zoon van Adam Loysz., meester-schilder, geboren in Antwerpen en gehuwd in 1593 te Rotterdam met Beatrijs Dircksdr.van Beijeren (1570-1648).

Jacob Adamsz. De Colonia, meester-tegelbakker in 1684 in Rotterdam, geboren in 1620 te Rotterdam en er overleden op 17 juli 1692. Zoon van Adam Loysz. en Beatrijs Dircksdr.van Beijeren .Gehuwd op 29 juli 1646 met Adriaentje van Strijen (1625-1685). Ook zij hadden een zoon, Dirck Jacobsz. Colonia, tegelschilder, gehuwd met Hester Goverts. de Meijer (1689).

Esaias Michielsz. de Lindt, tegelbakker, gedoopt op 18 april 1618 te Rotterdam en er gehuwd op 9 oktober 1640 met Dingema Cornelis Sonnevelt, zuster van Pieter Cornelsz.

Anne Adams Dinhart, tegelbakkersknecht, geboren op 27 mei 1798 te Harlingen en overleden op 18 november 1849 te Delfshaven. Gehuwd op 12 oktober 1826 te Harlingen met Jacoba Scholtens (1797-1839).

Michiel Pietersz. Dullaert, tegelbakker, begraven op 8 november 1643 te Rotterdam. Gehuwd met Geertje Sijpenhoff.

Gerbrand Hendrik Helmig, plateelschilder, geboren op 11 november 1879 te Nieuwer Amstel en overleden op 9 februari 1955 te Rotterdam. Gehuwd in 1910 te Rotterdam met Anna Catharina Wevers.

Joost Linseé, tegelbakkersknecht, gedoopt op 8 juli 1748 te Rotterdam en er overleden op 10 mei 1815. Gehuwd op 16 mei 1775 met Anna Sophia Niemeijer (1745-1830).

Joachim Oudaen, tegelbakker, dichter – gedoopt op 7 oktober 1628 te Rijsburg en begraven op 26 april 1692 te Rotterdam. Gehuwd met Ewoutgen Stout.

Abraham Jans Paalvast, tegelbakkersknecht, geboren op 12 november 1795 te Rotterdam en er overleden op 3 oktober 1834. Gehuwd op 26 maart 1828 te Rotterdam met Christina Bastijn (1799-1874).

Johannes Hendrik Schols, tegelbakker, geboren op 14 februari 1821 te Rotterdam en er overleden op 18 maart 1902. Gehuwd op 27 mei 1902 te Rotterdam met Jaapje van de Kruit (1815-1892).

Casper Smeehuijzen, tegelbakkersknecht, gedoopt op 20 april 1771 en overleden op 21 september 1846. Gehuwd op 22 juni 1794 te Rotterdam met Joanna Kramer (1770-1837).

Hermanus Smeehuijzen, tegelbakker, geboren op 21 oktober 1812 te Rotterdam en er overleden op 6 februari 1880. Gehuwd op 9 januari 1839 te Rotterdam met Catharina Wilhelmina Mol (1815-1886).
 

Cornelis Willemsz. Sonnenvelt, tegelbakker, overleden te Rotterdam ca. 1637. Gehuwd met Annetgen Pieters (1649).

Pieter Cornelisz. Sonnenvelt, tegelbakker, geboren ca.1617 te Rotterdam en er begraven op 15 maart 1654. Gehuwd op 11 november 1635 te Rotterdam met Aeltjenvan Eck (1620-1692).
 

Pieter Cornelisz. Sonnenvelt werkte samen als tegelbakker in hetzelfde bedrijf met Nicolaas van der Hoeven en zijn schoonvader Esaias Michielsz. de Lindt (1618-1640), tegelbakker, gehuwd in 1640 met Dingema Cornelis Sonnevelt.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         

Pieter Adriaans Waelpot, plateelschilder, gedoopt op 18 september 1650 te Rotterdam en begraven op 26 december 1694. Gehuwd op 16 november 1670 te Schipluiden met Annitge Claesdr. van Lee. Werkte later als plateelschilder in de plateelbakkerij “De 4 Romeinse Helden” bij Cornelis van den Hollaert in Delft.

 

Amsterdamse tegelproductie van 1584 – ca. 1854

In Amsterdam zou er tot kort na de eerste helft van de 19e eeuw één tegelbakkerij in productie zijn geweest. Veel tegels uit die periode zijn bekend. In Amsterdam werden tot in 1866 vele miljoenen tegels gebakken, er waren in de 17e- en 18e eeuw ongeveer 14 tegelbakkerijen. De bekendste drie bekende tegelbakkerijen waren: “De Twee Romeinen”, “ d’ Oude prins” en “De Botermarkt”.

Vermoedelijk werd in Amsterdam in de Kerkstraat een begin gemaakt met het produceren van tegels (majolica) door Carstiaen van den Abeele uit Antwerpen wanneer hij zich in 1584 in het centrum van de stad kwam vestigen. Nadien werd het tegelbedrijf in 1599 verhuist naar het Karthuizersklooster. Het Karthuizersklooster was gelegen tussen de Carthuijsersstraat en de Lijnbaansgracht. Het ouderlijk huis in de Kerkstraat van Jan Eijssen, plateelbakker, geboren in 1610 werd in 1646 gekocht door Willem Jansz Verstraeten, plateelbakker uit Haarlem.

Haye Esdré, plateelbakker en eigenaar van de plateelfabriek kwam in 1626 in dat huis wonen van 1627 tot 1647. Op 8 juli 1644 werd het tegelbedrijf verkocht voor de som van 2.800 gulden aan Adriaen Claess, plateelbakker. Getuigen: Adriaen van Oort en Bartholomeüs Wijers uit Utrecht. Adriaen Claess, tegelbakker/schilder van het Mariabolwerk te Utrecht had in 1643 een poging gedaan om in Amsterdam voet aan de grond te krijgen en de tegel- en plateelbakkerij van Haye Esdré over te nemen. Maar omdat de betaling uit bleef kwam er een rechtszaak van en vertrok hij na een jaar weer naar Utrecht. Adriaen Van Oort en Bartholomeüs Wijers uit Utrecht tekenden als getuigen. In feite was Adriaen Claess beschikbaar gekomen omdat de activiteiten van de tegelbakkerij aan het Mariabolwerk te Utrecht waarschijnlijk stil waren gevallen vanwege het monopolie van Adriaen van Oort.

Adriaen Claess zou als meester-tegel- en plateelbakker een jaar bij Adriaen van Oort aan de Agter ‘t Weystraat meegedraaid hebben en toen de stap hebben willen maken, waarschijnlijk met het geld van Adriaen.

Samen met Jan Pieterszoon Wielant had Adriaen Claess van 1643 tot in 1644 al gewerkt in de tegelbakkerij van Haye Esdré te Amsterdam ondanks dat het nog niet betaald was.

In ieder geval zien we hem kort na 1644 terug in Utrecht en hij wordt enige jaren tevens deken van het plateelbakkersgilde. Hij ging omstreeks 1660 bij Van Oort in Utrecht werken als eerste man. Jan Pieterszoon Wielant was tegel- en schotelbakker op het Mariabolwerk te Utrecht tot omstreeks 1655-1660 en vertrok daarna naar de tegelbakkerij van Van Oort aan de Agter ‘t Weystraat te Utrecht. Adriaen van Oort begon met zijn zoon Jan (Johan) in 1669.

Botermarkt   1669 - ca. 1720

De familie Van Oort was afkomstig van Antwerpen. Jacob van Oort, zoon van Daniël, trouwde op 23 oktober 1595 te Amsterdam met Sijlletgen Sproten. Adriaen Jansz. en zijn zoon Jan van Oort (1645-1699) kregen van de Amsterdamse magistraat op 6 juni 1669 de toestemming om een plateel- en tegelbakkerij op te richten op de Reguliersmarkt en heeft een grote rol gespeeld in het uitvoeren van Nederlandse tegeltableaus naar Portugal en andere landen.

Jan van Oort werd in 1710 opgevolgd door Dirck van Ulsen, gehuwd te Amsterdam met Magdalena van Oort. (Zijn zoon, Jacobus werd gedoopt op 24 april 1701 te Amsterdam).

In 1716 werd het bedrijf verkocht aan Abraham Muyssart. Later kwam (1854) de tegelbakkerij in handen van C.A. van Breda. Na 1850 zijn er geen tegels meer bekend uit het bedrijf van C.A. van Breda.

De Twee Romeinen   ca. 1686 - 1808

De plateel- en tegelfabriek “De Twee Romeinen” werd vlakbij de Amstel opgericht door Jan van Oort (1645-1694) op een nog onbebouwd perceel aan de Amsterdamse Prinsengracht. Jan van Oort heeft nog in datzelfde jaar Willem Cornelisz. van der Kloet (1639-1686), een meester-tegelbakker uit Rotterdam naar Amsterdam laten komen om zijn bedrijf in te richten, op te starten en te leiden.

In 1685 kon Willem Cornelisz. van der Kloet het tegelbedrijf “De Twee Romeinen” aan de Prinsengracht overnemen en kopen met geld dat hij grotendeels heeft moeten lenen voor een bedrag van 17.000 gulden. Willem Cornelisz. was getrouwd met Celitje Willems Osch (1694) en samen hadden zij acht kinderen: Trijntje (1662), Celitje (1664), Willem (1666-1747), Cornelis (1672-1733) en Bartholomeüs (ca.1670, alias Bartel Willems), Pieter (ca. 1674) en Cornélia (1676). In zijn bedrijf had hij als meesterknecht Nicolaas Wolf.

Kort nadat Willem Cornelisz. van der Kloet het bedrijf had gekocht overleed hij op 15 juni 1686. De tegelfabriek werd verder geleid door de weduwe samen met haar kinderen. Na haar overlijden in 1694 neemt de oudste, Willem van de Kloet het roer over. Willem was jarenlang hofleverancier voor Portugese kerken, kloosters en paleizen.

d’Oude Prins   1638 - 1802

Van het tegelbedrijf in de Anjelierstraat “ d’ Oude Prins” was Cornelis van der Kloet, gedoopt op 13 februari 1672 te Rotterdam de eigenaar in 1694 na het overlijden van Jan van Oort. Hij was de zoon van Willem Cornelisz. en Celitje Willems Osch (1694). Willem was gehuwd met Joanna Hoos. Na zijn overlijden in 1733 werd het bedrijf overgenomen door zijn zoon Pieter van der Kloet, tegeltekenaar, gedoopt op 24 november 1713 te Amsterdam en er overleden op 1 juli 1785. Pieter was gehuwd te Amsterdam met Adriana Margreta van der Meulen. Als tegelschilder had Pieter, Gerrit de Graaf (1732-1794) in dienst.

Adam Sijbel, geboren in 1746 te Amsterdam en overleden in 1803 te Makkum was werkzaam in het tegelbedrijf “d’Oude Prins” vanaf ca. 1764 tot 1784. In 1784 verhuisde hij naar Makkum om te gaan werken in het zopas opgerichte tegelbedrijf “Kromme Sloot” van  Hylke Jans Kingma.

“De Twee Romeinen” en “d’Oude Prins” was de werkplaats van Jan van Oort (1645-1699). Jan van Oort was net als Willem van der Kloet jarenlang hofleverancier voor Portugese kerken, kloosters en paleizen.

Plateel- en tegelfabriek “De Distel”   1895 - 1925

In 1895 werd er nog een plateel- en tegelfabriek opgericht in Amsterdam door Jacobus Mozesz. Lob. Jacobus Lob, geboren op 14 november 1872 te Amsterdam en er overleden op 19 februari 1942, huwde op 12 april 1910 te Amsterdam met Liberta Wolf (1877-1936). Jacobus Lob had als artistiek leider, plateelschilder en ontwerper Cornelis de Bruin (1870-1940) in dienst.

Het tegelbedrijf Lotus van Lambertus Nienhuis, opgericht in 1896 te Watergraafsmeer werd in 1901 door Jacobus M. Lob overgenomen en Lambertus (Bert) Nienhuis werd artistiek leider van “de Distel”. Lambertus Nienhuis, geboren op 14 november 1873 te Groningen en overleden op 26 mei 1960 te Amsterdam, huwde op 28 april 1904 te Amsterdam met Elisabeth Antonia Schutz (1876-1925). Na haar overlijden hertrouwde hij op 30 december 1926 te Amsterdam met Seline Teixeirad Andrade (1901-1964).

Nadat “De Distel” in 1897 verhuisde naar een grotere locatie veranderde het bedrijf van naam en werd het een Naamloze Vennootschap “N.V. De Distel”. In 1902 werd Jacobus Lob terug alleeneigenaar.

Nadat Bert Nienhuis in 1911 het bedrijf van Lob verliet werd hij opgevolgd door Willem Hendrik van Norden (1883-1978), plateelschilder, die de artistieke leiding overnam. Willem Hendrik van Norden, geboren in 1883 te Amsterdam en er overleden op 26 september 1978 was gehuwd op 24 december 1913 te Amsterdam met Berendina Hakkert (1888-1980). Hij was reeds in dienst op 15-jarig leeftijd in het bedrijf als leerling schilder. De productie werd stopgezet in 1925.

 

Plateelbakkersknechten, draaiers en schilders, Amsterdam

 Lodewijk van Drongelen, plateelbakker, gedoopt op 25 maart 1770 te Amsterdam en overleden op 15 januari 1837 te Delft. Gehuwd op 15 januari 1837. Gehuwd op 8 april 1792 te Delft met Marijtje Hoksteen (1767-1842).

Willem G.F. Jansen (1871-1949), plateelschilder.

Dirk Straus (1884-1963), plateelschilder

Theo Nieuwenhuis (1866-1951), plateelschilder

Frederik Kloek, plateelschilder, geboren op 30 april 1873 te Amsterdam.

Jacobus van den Bosch (1886-1949), plateelschilder

Theodorus Molkenboer (1871-1920), plateelschilder.

Chris de Moor, plateelschilder, geboren op 5 februari 1899 te Rotterdam en overleden op 27 september 1981 te Amsterdam was gehuwd op 28 juli 1921 te Rotterdam met Hedwig de Roos (1902-gesheiden op 28 maart 1935).

Philip van Praag, grafisch ontwerper, plateelschilder, geboren op 31 mei 1887 te Amsterdam en overleden op 12 oktober 1942 in Auschwitz, (Polen). Gehuwd op 12 november 1913 te Arnhem met Marianna Flora Groenstad (18842-1942).

Meijer Smeer, plateelbakker, geboren op 8 september 1886 en overleden op 23 januari 1944 in Auschwitz (Polen). Gehuwd op 10 maart 1910 te Amsterdam met Branca Degem (1887-1944).

 

Delftse plateelproductie van 1602 – ca. 1820

Delft ontwikkelde zich pas in de eerste helft van de 17e eeuw tot een van de grote centra  en was een kwantitatief en kwalitatief centrum en een van de belangrijkste productiecentra van aardewerk in tinglazuurtechniek met blauwe decoratie. De tegels die er gemaakt werden waren van hoge kwaliteit. In de 17e eeuw waren er ca.40 bedrijven, op het einde van de eeuw waren er nog 33 plateelbakkerijen aan het werk, waarvan nog hoogstens 9 bedrijven waren waar tegels vervaardigd werden. De helft van die fabrieken had maar één oven.

De Delftse pottenbakkers zijn in de eerste helft van de 17e eeuw begonnen met de nabootsing van het Wa Li-porselein.

De Porceleyne Schotel    ca. 1595 – 1800

Het plateel- en tegelbedrijf gelegen aan de zuidzijde van de Molslaan werd opgericht omstreeks de eeuwwisseling door Egbert Huijgensz. Sas (°ca.1570). Zijn zoon Cornelis Egbertsz. Sas, plateelbakker en oprichter in 1615 van “De Vergulde Blompot” werkte bij hem in het bedrijf. Egbert Huygensz. Sas, werd in 1612 ook eigenaar van “De Vergulde boot”.

Hans Willemsz. van der Wint was de nieuwe eigenaar van het bedrijf in 1613, het jaar waarin Willem Jansz. Verstraeten, geboren in Amsterdam in 1594, voor het eerst werd vermeld als plateelbakkersknecht in “De Porceleyne Schotel”. Na Hans van der Wint kwam het bedrijf in handen van Gerrit Pietersz. Durven (ca.1590-1625), zoon van Pieter Durve(n), plateelbakker en Trijntgen Jansdr…….

Gerrit Pietersz. huwde met Elisabeth Cornelisdr. Suijcker. Willem Jansz. Verstraeten bleef als plateelbakkersknecht in het bedrijf. Ondertussen kwam ook zijn broer Claes Jansz. Verstraeten werken in de plateelbakkerij.

Willem Jansz. en zijn broer Claes Jansz.Verstraeten, beide geboren Amsterdam, waren zonen van Joannes Franciscus Delarue (Verstraeten) en Adriana Adriaens uit Antwerpen. Rond de eeuwwisseling verhuisde de familie van Amsterdam naar Haarlem. Willem heeft jarenlang in Delft een belangrijke bijdrage geleverd in de plateelindustrie tot hij in 1625 de mogelijk had een plateelbakkerij op het Bagijnhof in Haarlem over te nemen. Daarom verbrak hij in Delft zijn contract om zich als zelfstandige plateelbakker te vestigen. Zijn broer Claes Jansz. Verstraeten kocht samen met Frans Gerritsz. Vallenhof uit Amsterdam de plateelbakkerij “De Lampetkan” in 1637.

In “De Porceleyne Schotel” leidde Elisabeth Suijcker na het overlijden van haar man Gerrit Durve(n) in 1625 het bedrijf samen met haar schoonbroer Abraham Pieterz. Durve. Haar zoon Pieter Durve was toen amper 8 jaar oud. Enkele jaren daarna hertrouwde Elisabeth met Hendrick Marcelisz. van Gogh die na haar overlijden in 1640 de mede-eigenaar werd van het bedrijf samen met haar zoon Pieter Gerritsz. Durve.

Pieter Gerritsz. Durven, plateelbakker, geboren ca.1617 en zoon van Gerrit Pietersz. en Elisabeth Suijcker werd aangenomen bij de St.Lucasgilde en tot meester-plateelbakker benoemd op 17 januari 1654. Hij huwde enkele jaren na het overlijden van zijn moeder op 7 september 1642 te Delft met Maertge Heijndirckx van der Burch, (1621-1709).

De plateelbakkerij “De Porceleyne Schotel” werd verkocht in 1647 aan Dirck Hieronimusz. Van Kessel, de broer van Pieter Pieter Hieronimusz. van Kessel, eigenaar van “De Vergulde Boot”. Hendrick Macelisz. van Gogh richtte het jaar nadien in 1648 de plateelbakkerij “Het Geroond Porceleyne” op. Dirck Hieronimusz. Van Kessel verkocht enige tijd daarna het bedrijf aan Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruijck / Cruyck. eigenaar van de plateelbakkerij “De Pauw”.

Daarna werd het bedrijf verkocht aan Aelbrecht Cornelisz. de Keizer, meester plateelbakker. De weduwe van Aelbrecht de Keyser, Elisabeth Willemsdr. Vos kwam in het bezit van het bedrijf na het overlijden van haar man in 1671 en liet het beheer en de leiding ervan over aan haar schoonzoon Jacobus Pijnacker die kwam uit het bedrijf “De Twee Scheepjes”. Jacobus kreeg in 1675, na vier jaar een kwart van de aandelen en het bedrijf werd door hem helemaal overgenomen in 1686.

Isaack Pietersz. van der Voorn en Jan Frerichs, twee bekende plateelschilders waren sedert 1676 werkzaam in de fabriek. Isaack Pietersz. van der Voorn, gedoopt op 26 januari 1630 te Delft en er begraven op 17 augustus 1709, huwde met Trijntje Jansdr. Bouden. Hij en zijn zonen zouden later eigenaars worden van het bedrijf “De Lampetkan”.

Jacobus Pijnacker kocht in 1693 een rij huizen met schuren en tuinen, breidde de plateelbakkerij “De Porceleyne Schotel” uit en verdeelde het in twee fabrieken met een eigen kleienwasstraat. Het bedrijf “De Vergulde Blompot” dat gelegen was aan de noordzijde van het Rietveld in Delft, die hij eerder in 1692 had gekocht, bracht hij onder in één bedrijf. Hij scheidde een deel van zijn bedrijf “De Porceleyne Schotel” af en verhuurde het aan diverse eigenaren o.a.: Jan Berman, Joost Lowijs Godyn, Matheus van den Bogaert, Cornelis van der Houve en Abraham Bredervelt.

  • Jan Berman was net zoals Joost Godyn in 1692 een huurder van een deel van het bedrijf.
  • Matheus van den Bogaert huurde het bedrijf sedert 1692 en was eigenaar van de plateelbakkerij “De Twee Wildemannen” in 1757.
  • Cornelis van der Houve werkte sinds 15 oktober 1668 in “De Porceleyne Schotel” en huurde sedert 1692 het bedrijf van Jacobus Pijnacker.
  • Abraham en zijn dochter Johanna Bredervelt zetten daar de productie onder de naam “De Vergulde Blompot” voort. Abraham, geboren in februari 1658 was de broer van de plateelschilder, Hendrick Abrahamsz. Bredervelt.

Jacobus Pijnacker verkocht in 1701 het bedrijf aan Pieter Jansz. Mol die kort daarna twee bekwame plateelschilders, Pieter Simonsz. Mesch en Arent Looting in dienst nam.

In 1706 werd Pieter Simonsz. Mesch , zoon van Simon en Barbara Rotteveel, mede-eigenaar van "De Drye Clocken" tot aan zijn dood in 1725 en Arent Looting, gehuwd met Maria van Norden. Hij kocht het bedrijf van Pieter Mol in 1706 en zette de productie in “De Porceleyne Schotel” verder. Hij verkocht het op 8 oktober 1715 aan Cornelis Jansz. Brouwer, plateelbakker, voor 8.000 gulden. Cornelis Jansz. Brouwer, gedoopt op 22 oktober 1684 te Delft en er begraven op 11 oktober 1752, was de zoon van Jan Cornelisz. Brouwer (1657-1697) en Machtelt Jacobsdr. de Lange (1655-1723). Hij huwde op 5 november 1715 te Delft met Adrijana Boender (1691-1755).

Negen jaar later op 26 november 1723 verkocht hij het bedrijf aan de Rotterdammer Johannes Pennis en zijn vrouw Dina Brinkman voor de zelfde prijs. Veertig jaar lang zal Johannes succesvol de plateel- en tegelbakkerij leiden. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Johannes. Johannes Pennis en zijn vrouw Dina Brinkman kochten in 1750 de plateelbakkerij “De Twee Scheepjes”, waarschijnlijk voor hun zoon Anthony.

In 1763 werd het overgenomen door de gebroeders Johannes en IJsbrand van Duijn en werd het verder gezet in 1777 door IJsbrand van Duijn, die zich nadien associeerde met de eigenaren van “De Lampetkan”, “De Drie Klokken” en “De Drie Porceleyne Astonne”.

Na het overlijden van IJsbrand in 1800 werd de plateelbakkerij opgegeven en verkocht. Het bedrijf “De Porceleyne Schotel” was de enige plateelfabriek die drie ovens had.

 Rouaen   1603 - 1715   /    Het Lage Huys   1715-1742

Het plateel- en tegelbedrijf werd opgericht in 1603 door Thomas Jansz. Van Boonen (1649), plateelbakker en werd later opgevolgd in 1715 door “Het Lage Huys” (1715-1742).

Paulus Bourseth was eigenaar van de plateel- en tegelbakkerij de “Rouaen” in 1620 en werd in 1655 opgevolgd door Jacobus van den Veen, meester-plateelschilder benoemd op 15 mei 1662, en Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruyck, meester-plateelbakker.

  • Als tegel- en plateelschilder namen zij Jan Willemsz. van Haetrechts in dienst.

Ghijsbertus Jacobusz. van Veen vervangt zijn vader op 8 juni 1683. Twee werknemers uit de plateel- en tegelbakkerij “De Griekse A”, J. F. Schoonjan en L. van der Horst namen in 1715 het bedrijf over en veranderden de naam van de plateelbakkerij in “Het Lage Huys”.

Jan Frans Schoonjan, plateelschilder, geboren in 1676 te Köln en overleden op 17 april 1754 te Delft, huwde op 23 november 1698 te Delft met Geertruid van der Toets (1753).

In 1722 was L. van der Horst de alleeneigenaar. Hij was de zoon van Salomon Claesz. Van der Horst (1651-1704), plateelschilder in dienst van “De Pauw” en Grietge Van Son en mede-eigenaar van “Het Lage Huys”.

In 1723 kwam Christijaan Bredervelt als plateelschilder erbij. Christijaan Bredervelt, geboren op 23 oktober 1687 te Delft en er overleden op 21 oktober 1734 huwde op 9 mei 1711 te Delft met Pieternelletje Francksdr. Van Dalen (1689-1741). Hij was de zoon van de plateelschilder, Hendrick Abrahamsz. Bredervelt en Maayke de Groot (1660-1725).

In 1735 werd het bedrijf verworven door Paulus van Essen die de productie stopzette in 1742.

 

De Lampetkan   1609 - 1812

Het plateel- en tegelbedrijf, gelegen aan de Oostzijde van de stad op de hoek van de Nieuwe Langendijk werd opgericht in 1609. Het veranderde in 1637 van naam in “De Porceleyne Lampetkan” en werd de plateel- en tegelbakkerij eigendom van de familie Vallenhoff en Claes Jansz.Verstraeten, geboren in Amsterdam ca.1597, uit “De Porceleyne Schotel”, de broer van Willem uit het tegelbedrijf "Geleyer Plateelbacke­rije" in Haarlem. Claes Jansz. Verstraeten werd door de St.Lucasgilde benoemd als meester-plateelbakker op 27 juni 1650.

In 1644 was de “Lampetkan” eigendom van Hendrik Marcelisz. Van Gogh, hij was eigenaar geweest van “De Porceleyne Schotel” van 1627 tot 1647, weduwnaar van Elisabeth Cornelisdr. Suijcker. Hij was de oprichter van “Het Gecroond Porceleyn” in 1648. Hij hertrouwde met de Ermpgen Cornelisdr., weduwe van Cornelis Harmansz. Vackenhoven en werd begraven op 15 april 1650 te Delft.

Johannes van der Voorn, plateelschilder, zoon van de plateelschilder, Isaack Pietersz. van der Voorn en Trijntje Jansdr. Bouden, kocht het bedrijf in 1703. Johannes van der Voorn werd gedoopt op 11 oktober 1676 te Delft en werd er begraven op 13 maart 1729. Hij had zijn beroep geleerd in “De Porceleyne Schotel” en huwde op 22 mei 1707 te Delft met Ariaentje van der Berch. Na het overlijden van zijn vrouw in juli 1709 hertrouwde hij met Ariaantje van der Slop (1689-1766) en hadden samen zeven kinderen.

In 1723 werd het bedrijf verkocht aan Abraham van der Ceel, meester-plateelbakker, afkomstig uit Rotterdam, hij werd opgevolgd in 1741 door zijn zoon Maarten van der Ceel die op 12 november 1753 het bedrijf van zijn vader kocht. Maarten was getrouwd met Maria van der Hagen (°1712). Na zijn overlijden in 1754 hertrouwde zijn vrouw Maria op 12 april 1755 met Gerardus Hugosz. Brouwer, chirurgijn op het schip "De Ketel" van de VOC kamer van Rotterdam, varende naar Oost-Indië op 6 juni 1734. Van het plateel- en tegelbedrijf "De Porceleyne Lampetkan" waren Gerardus en Maria de alleeneigenaars. Gerardus Brouwer, gedoopt op 11 juni 1713 te Delft, was de zoon van Hugo Brouwer (1690-1727) en Wilhelmina van Verrendaal (1675-1754) en de broer van de meester plateelbakker Justus Brouwer (1716-1775).

Gerardus overleed op 18 mei 1758 en werd op 24 mei begraven te Delft. Na zijn dood zette zijn vrouw Maria van der Hagen nog een tijd de productie verder tot op 21 februari 1778. Toen verkocht zij alle materialen en gereedschappen voor een bedrag van 6.000 gulden aan haar zoon Abram van der Ceel.

Abram van der Ceel, getrouwd op 27 januari 1780 te Arnhem met Geertruda Viervant zette de productie tot aan zijn dood op 4 oktober 1808 verder. Daarna volgde zijn zoon Hendrik van der Ceel-Courou zijn vader op. In 1812 werd de productie in het bedrijf opgegeven.

 

De Vergulde Blompot    1615-1841

De plateel- en tegelbakkerij werd opgericht in 1615 door Cornelis Egbertsz. Sas, zoon van Egbert Huygensz. Sas, eigenaar van “De Porceleyne Schotel” en “De Vergulde boot”. Hij trouwde op 19 juli 1615 te Delft met Jorisge Dircks en werd opgevolgd in 1671 door zijn zoon Gerrit Cornelisz. Sas, gedoopt op 3 augustus 1634 te Delft.

Het bedrijf gelegen aan de noordzijde van het Rietveld in Delft werd in 1692 gekocht door de eigenaar van “De Porceleyne Schotel”, Jacobus Pijnaker. Hij scheidde een deel van zijn bedrijf “De Porceleyne Schotel” af en verhuurde het aan diverse eigenaren o.a. Van de Houve, Matheus van den Bogaert, Jan Berman, Joost Lowijs Godyn, Abraham en Johanna Bredervelt die daar de productie onder de naam “De Vergulde Blompot” voortzette.

Pieter Verburgh, meester-plateelbakker die er sedert 1734 werkzaam was kocht het bedrijf in 1756. De erfgenamen van Pieter Verburg verkochten de plateelbakkerij in 1789 aan een zeker Compagnie die de naam “De Vergulde Blompot” in 1806 veranderde in “Erven Verburgh & Co” en achteraf vanaf 1813 in “Terburg, Perk & Co” dat de productie verder zette tot 1841.

 

De Dissel    1640 - 1701

Het plateel- en tegelbedrijf werd opgericht aan de zuidzijde van de Molslaan in 1640 door Lambrecht Ghijsbrecht Cruyck (1644). Na zijn dood gingen beide zonen een compagnon schap aan met Abraham de Cooge en Cornelis Ariensz. Mol, meester-plateelbakker. Wouter van Eenhoorn kocht het bedrijf na zijn overlijden van zijn schoonvader Lambrecht Ghijsbrecht Cruyck.

Nadien waren Abraham de Cooge en Cornelis Ariensz. Mol nog de enige deelgenoten. Abraham de Cooge, geboren in 1598 te Alkmaar, kunstschilder, tekenaar, graveur en hoofddealer in schilderijen en luxegoederen. Hij was gehuwd met Jannetje Wolf en kwam in 1632 naar Delft, waar hij herhaaldelijk een van de hoofdmannen van de St.Lucasgilde werd.  Hij volgde Pieter Jorpen Oosterlaen na de dood van op, op 6 december 1666.

In 1682 werd het bedrijf verworven door Leendert Boersse die als meester-plateelschilder werd opgenomen door de St.Lucasgilde op 13 september 1683. Vanaf de jaren ca.1690 begon hij in slechte papieren te geraken.

In 1694 werd de plateelbakkerij openbaar verkocht en op die manier kwam het bedrijf in het bezit van Cornelis van der Kloot. In 1701 werd “De Dissel” opgenomen door het bedrijf “De Grieksche A” van Adriaen Kocks.

Naar verluid zou de plateelbakkerij “De Dissel” in Delft de eerste geweest zijn die het Chinees Wan Li-porselein met succes heeft gekopieerd.

 

De Paeuw     1651 - 1779

Het plateel- en tegelbedrijf werd opgericht op de Kroonmarkt in 1651 door Dirck Hieronimusz. van Kessel (ca.1606), mede-eigenaar van “De Metalen Pot”. Dirck Hieronimusz. was getrouwd met Jacomijntje Stevens en werd meester-plateelschilder op 28 juni 1655. In het bedrijf werkten zijn zoon Steven, meester-plateelbakker en zijn schoonzoon Claes Jansz. Messchaert (1674), gehuwd op 9 mei 1649 te Delft met Anna van Kessel (1626-1651). Later verkocht zijn zoon Steven Dircksz. van Kessel, meester-plateelbakker sinds 30 mei 1661, het bedrijf aan Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruyck, Willem Cleffius en Wouter van Eenhoorn. Steven Dircksz. van Kessel werd in 1681 mede-eigenaar van het plateelbedrijf “De Wildemanspoort” die het veranderde van naam in “De Twee Wildemannen”.

Gerrit Pietersz. Kam kreeg in 1668 de helft van de aandelen in handen. Hij werd als meester-plateelbakker benoemd op 15 juli 1675 en toegelaten tot de St.Lucasgilde. In 1668 kwamen Heynrick van Corenbusch, Jan van Ackeren en Salomon Claesz. van der Horst, in dienst als plateelschilders. Salomon Claesz. van der Horst (1651-1704) was gehuwd op 12 november 1672 te Delft met Grietge Van Son. Gerrit Pietersz. Kam, gedoopt op 10 april 1652 te Delft en er begraven op 6 maart 1705, huwde op 24 december 1673 te Voorburg met Johanna de Roo (1708). Gerrit Pietersz. Kam overleed in 1705 en werd begraven op 6 maart te Delft.

In 1701 werd zijn zoon Pieter Gerritsz. Kam in 1701 de alleen eigenaar van het bedrijf en behaalde zijn diploma van meester-plateelbakker op 5 december 1667 voor de St.Lucasgilde te Delft. Hij werd op 25 mei 1705 te Delft begraven.

David Gerritsz. Kam, gedoopt op 7 april 1677, nam de plateelbakkerij van zijn broer over. Hij huwde op 12 januari 1701 te Delft met Margaretha Jacobsdr. Oversloot (1684-1725). Na David overlijden in 1719 zette zijn vrouw Margaretha het bedrijf verder. Nog vóór haar dood op 24 september 1725, op bijna 41-jarige leeftijd verkocht zij het bedrijf aan Joannes Verhagen.

In 1740 volgde Jacobus de Milde als nieuwe eigenaar Joannes Verhagen op en zijn zoon Abraham de Milde volgde zijn vader op in 1772. Abraham huwde in 1732 met Saartje Theunis, de weduwe van Abraham van Dijck (1727), plateelbakker, eigenaar van “De Roos” sedert 1712. De productie werd in 1779 stopgezet.

Abraham van Dijck, gedoopt op 13 mei 1665 in Haarlem, zoon van Cornelis Pietersz. van Dijck, geboren in Delft. Gehuwd op 27 juni 1685 te Haarlem met Jannetge Andries. Abraham van Dijck hertrouwde op 14 mei 1690 te Haarlem met Saartje Theunis en overleed in 1727.

Hun zoon Cornelis van Dijck, gedoopt op 8 januari 1694 te Haarlem, huwde op 19 mei 1715 te Haarlem met Alida van der Kerkhoven (°1687).

 

De Grieksche A     1658 - 1818

Het plateel- en tegelbedrijf werd opgericht door Wouter van Eenhoorn in 1658. Het bedrijf had twee ovens. Wouter was de zoon van de zakenman en beddenmaker Johan van Eenhoorn ( Delft, 23 november 1649) en was omstreeks 1665 eigenaar of mede-eigenaar van vijf plateelbedrijven. Aanvankelijk was Wouter een koopman en vlashandelaar.

In 1644 werd hij eigenaar van de plateelfabriek “De Dissel” van zijn schoonvader Lambrecht Ghijsbrecht Cruyck (1644). In 1655 mede-eigenaar van de “De Porceleyne Fles”. In 1652 mede-eigenaar van het bedrijf “De Paeuw”, opgericht in 1651. In 1665 mede-eigenaar van het bedrijf  “Het Hooge Huys”, opgericht in 1648.

In 1668 kocht hij het bedrijf  “De 3 Vergulde Astonnekens”, opgericht in 1655 en bleef er eigenaar van tot in 1679. Zakelijk eigenaar van een bedrijf betekende in die tijd niet dat zo iemand ook daadwerkelijk deelnam aan de productie, bijvoorbeeld als meester-pottenbakker of meester-schilder. Daarvoor moesten eerst Gildeproeven worden afgelegd. Hij trouwde in 1642 te Delft met Christina Cruyck (Delft, 22 oktober 1677) de dochter van de servies- en glazenverkoper en oprichter in 1640 van het plateelbedrijf “De Dissel”. Lambrecht Ghijsbrecht Cruyck (1644) en Judickgen Gerritsdr. Zijn belangrijkste medewerkers waren Adriaen Kocks en Arie de Milde.

 Wouter van Eenhoorn zijn dochter Judith trouwde met Adriaen Kocks. Zijn jongste zoon Samuël van Eenhoorn (1655-1686) kreeg als huwelijksgeschenk “De Grieksche A” waarin hij sedert 1674 reeds de bedrijfsleider was. Na het overlijden van Samuel van Eenhoorn in 1686 kocht Adriaen Kocks, eigenaar van “De Dissel”, de plateelbakkerij “De Grieksche A” van zijn schoonzuster en leidde samen met zijn zoon Pieter Kocks het bedrijf tot aan zijn dood in 1701. Na het overlijden van Adriaen (1701) en Pieter Adriaensz. Kocks (1703) zette de weduwe van Pieter, Johanna van der Heul, plateelschildster, nog twintig jaar de plateelbakkerij verder.

Jan Verburgh, plateelschilder, afkomstig uit het bedrijf  “De Proceleyne Fles” was er werkzaam sinds 1698 tot 1706. Goris (1715) en zijn broer Michaël van Torenburg werkten sinds 1686 in het bedrijf. Goris van Torenburg verliet het bedrijf in 1693 en ging werken in "De Porceleyne Bijl" waar hij na twee jaar later trouwde met Marija van der Sante op 29 mei 1694 te Delft, de dochter van het bedrijf. Zijn broer Michaël van Torenburg verliet in 1697 het bedrijf en ging als meesterknecht naar "De Porceleyne Bijl".

 Twee werknemers van het bedrijf, Jan Frans Schoonjan en L. van der Horst namen in 1715 de plateel- en tegelbakkerij de “Rouaen” over van Jacobus van den Veen en Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruyck.

Ook nam het bedrijf in 1713 Adrie Ariensz. van Rijsselberg (1665-1735), plateelschilder, vergulder in dienst die na vijf jaar in 1718 overstapte naar “De Drie Vergulde Astonnekes”.

Adriaen Ariensz. was de zoon van de plateelschilder Arien Harmensz. Van Rijsselberg (1634-1687) en Heijtje Cornelisdr. van der Burch (1626-1698). Adriaen Ariensz., gedoopt op 13 december 1665 te Delft, huwde in 1688 te Delft met Maria van der Scherm.

In 1722 werd het bedrijf overgenomen door Jacob van der Kool, meester-plateelbakker, en hij werd opgevolgd in 1757 door Jan Theunis Dextra.

In 1765 kwam het bedrijf slechts voor drie jaar in handen van Jacobus Adriaensz. Halder en werd het overgenomen in 1768 door Jan van den Briel tot 1785. Wie het nadien overnam, tussen 1785 en 1796, vond ik niet terug.  Het bedrijf “De Grieksche A” was sterk op Engeland georiënteerd. Denk aan de keukentegels van het jachtslot Amalienburg in Nymphenburg en de residentie van Willem III van Orange. Het overleefde samen met “Van der Goes & Co”, het vroegere tegelbedrijf “De Roos” de Franse Revolutie.

De laatste eigenaars waren Pieter Jansz. van Marksveld en Joost Vrijdag die in 1796 het bedrijf overnamen en die de productie staakten in 1818. Joost Vrijdag, trouwde op 14 maart 1784 te Delft met Dirkje van der Hoeven (1762-1787), dochter van Pieter van der Hoeven (1770) en Maria van den Enden.

 

Frederik van Frijtom   1658 - 1702

Frederik, geboren in ca.1632 was kunstschilder, prentkunstenaar, olieverfschilder, vooral landschappen en ook tegelschilder. Hij kwam in 1658 naar Delft. Hij richtte in 1658 een plateel- en tegelbedrijf op dat hij als zelfstandige uitbaatte tot aan zijn dood in 1702.

De Roos   1661 - 1854

Opgericht werd de plateelbakkerij “De Roos” in 1661 door Jan Jansz. Culik, meester-plateelbakker. Cornelis van der Hoeve, mede-eigenaar liet in 1668 zijn neef Isaac Adriaensz. Soubrée, meester-plateelbakker komen om de leiding over het bedrijf op zich te nemen. Opeenvolgende eigenaars waren Claes Jansz. van Straeten en zijn zonen Jan Claesz. van Straeten en Nicolaes van Straeten.

In 1675 volgde Arendt Cosijn hen op. Hij stierf rond 1730, en op 25 mei 1732 hertrouwde zijn weduwe met Jacobus De Milde. Nadien kwam het bedrijf “De Roos” in handen van Frederick Van Hess. In 1685 kwam Hendrick Jansz. Paridon, plateelschilder in dienst en Joris Arentsz. van Vliet, plateelschilder kwam er in 1686 werken van 1698 tot 1702. Hendrick Jansz. Paridon, gedoopt op 18 december 1642 te Delft en er begraven op 14 februari 1722, huwde op 26 december 1664 te Delft met Trijntje Willems van der Spek.

In 1694 werd het bedrijf verkocht aan Dammas Hoffdijck / Hofdyck en met Jacobus de Lange werd er een samenwerkingsverband gevormd. Als gevolg van deze samenwerking vertoont de productie van De Roos en De Witte Ster in deze periode veel overeenkomsten.  Jacobus de Lange, plateelschilder werd in 1724 tot 1753 mede-eigenaar van het bedrijf “Fortuyn”.

Abraham van Dijck kocht het bedrijf in 1712. Na zijn overlijden in 1727 hertrouwde zijn vrouw in 1732 met Jacobus van Milde. Als erfdeel nam Abraham van Dijck zijn zoon Cornelis Baptiste de plateelbakkerij over. Abraham van Dijk trouwde op 7 mei 1694  met de zus van de plateelbakker Joannes van der Wal, Engeltje van der Wal, met wie hij tien kinderen kreeg (1697 tot 1721). Een van deze kinderen, Kornelis Baptiste van Dijk, geboren op 6 oktober 1711 te Delft, heeft later het plateelberoep uitgeoefend. Op 17 september 1714 schreef Abraham van Dijk zich in de St.Lucasgilde als eigenaar van de fabriek aan “De Roos”. Abraham van Dijck, gedoopt op 13 mei 1665 in Haarlem, zoon van Cornelis Pietersz. van Dijck, geboren in Delft, huwde op 27 juni 1655 te Haarlem met Jannetge Andries. Abraham van Dijck hertrouwde op 14 mei 1690 te Haarlem met Saartje Theunis en overleed in 1727.

Hun zoon Cornelis van Dijck, gedoopt op 8 januari 1694 te Haarlem, huwde op 19 mei 1715 te Haarlem met Alida van der Kerkhoven (°1687). Dirck van de Does was eigenaar van 1755 en staakte zijn productie in 1770. Van wat er nadien is gebeurd, daarover vond ik niets terug. Wel weten wij dat de stad er alles heeft aan gedaan om de fabriek draaiende te houden en er zelfs een korte periode beheerder van geweest is.

Het bedrijf veranderde van naam in het begin van de eerste helft van de 19e eeuw in “Van der Goes & Co”. J.M. van der Mandele werd er in 1841 de nieuwe eigenaar van. De laatste eigenaars waren J. van der Mandele en Christiaan Dekker (1812-1846) die de productie staakten in 1854/56.

 

De Vier Romeijnsche Helden    ca.1580 - 1738

De plateelbakkerij “De Vier Romeinse Helden” werd opgericht ca.1580 tussen het sluis en de Nieuwe Langendijk door Samuël Prereius Berreveldt.

In 1626 verkocht hij zijn bedrijf aan Cornelis Cornelisz. Hollaert en Jan Jonasz. van der Burgh. Door hen werd op het daar achterliggend terrein van de voormalige brouwerij “Het Anker” in 1657 een nieuw plateelbedrijf “De Dubbelde Schenkkan” opgericht. Evert Janz. van Westen, meesterbakker werkte in de plateelbakkerij tussen 1649 en 1653.

Ook Pieter Adriaans Waelpot was er als plateelschilder in dienst. Pieter Waelpot, gedoopt op 18 september 1650 te Rotterdam en begraven op 26 december 1694, huwde op 16 november 1670 te Schipluiden met Annitge Claesdr. van Lee.

Johannes Simonsz. Mesch (°Delft, 1655) werd eigenaar in 1676. Hij was de zoon van de notaris Simon Jansz. Mech (°ca.1625), gehuwd op 28 september 1650 te Delft met Barbara Cornélia Rotteveel (°Delft,1627). Johannes Simonsz. richtte in 1671 het plateelbedrijf “De Drye Clocken” op.

Bij hem werkte zijn broer Joris Jansz. Mesch (1674), gehuwd met Judith Philipsdr. van Velsen. Zijn zuster Elisabet Mesch was gehuwd op 19 augustus 1629 te Delft met Cornelis van der Brurch.

Hij werd opgevolgd door zijn zoon Quirinus Jorisz. Mesch, plateelschilder, werd geboren op 20 augustus 1677 te Delft en gehuwd met Margaretha den Appel (1685-1718), dochter van Jan Appel (1657-1696) en Maria van Leeuwen (1656-1717).

Matheijs Boender, meester-plateelbakker / plateelschilder sinds 1714 in Delft, werkte of was eigenaar van het bedrijf. Zijn zuster Adrijana Boender (1691-1755) trouwde op 5 november 1715 met Cornelis Brouwer (1684-1752).

Aelbrecht van den Bogaert en Hans Baenaert werkten tussen 1720 en 1736 in deze fabriek. De productie werd opgegeven in 1738 en er werd een productieverbod opgelegd.

De Romeyn    1606 - 1769

Opgericht werd het plateelbedrijf in 1606 door Egbert Janz. Van Swinnen. Martinus Gouda en Arie de Milde kochten het bedrijf in 1671. Arie Hansz. de Milde, meester-plateelbakker benoemd op 11 juni 1658, werkte reeds vóór 1671 in het bedrijf. Hij trok zich nog geen jaar later terug uit het bedrijf en ging zich toeleggen op het vervaardigen van rode theepotten.

Nog vóór zijn overlijden verkocht Martinus Gouda (1697) de plateelbakkerij in 1696 aan Reiner Gerritsz. Hey.

  • Gerrit van Beek, plateelschilder kwam in het bedrijf in 1722 en Johannes van der Kloot, plateelschilder in 1727.

Reiner Hey werd opgevolgd in 1745 door Petrus Marum. Van Petrus Marum kocht Johannes van der Kloot in 1764 het bedrijf en kort daarna werd het pand door een maatschappij overgenomen en verhuurd. In 1769 werd de productie opgegeven en deed men de poorten dicht.

 

De Vergulde Boot    1612 - 1770

Op een brouwerij terrein werd in 1612 de plateelbakkerij opgericht door Egbert Huygensz. Sas, de oprichter van “De Porceleyne Schotel” in ca.1595.

Pieter Hieronimusz. van Kessel, geboren ca.1610, meester-plateelbakker was er eigenaar in 1634. Hij werd toegelaten tot de St.Lucasgilde op 20 december 1638.

Hij werd opgevolgd door Augusteyn Reijgensbergh, meester-plateelbakker in 2 april 1633. In het bedrijf werkte als meester- plateelbakker Jan Jansz. Culick van 1663 tot 1667. Jan Jansz. Culick, meester-plateelbakker sedert 27 maart 1662 verliet het bedrijf en liet zich op 15 augustus 1667 inschrijven in de St.Lucasgilde als eigenaar van “De Porceleyne Bijl”.

Augusteyn Reijgensbergh werd in 1663 opgevolgd door Pieter Woutersz. Katersvelt.

In 1683 werd

  • Claes Dircksz. Harleus in dienst genomen als meester-plateeldraaier.
  • Johannes van de Appel, plateelschilder werkte er in 1764 en overleed op 14 april 1797 te Delft.

Willem van Blommesteijn, geboren op 29 april 1723 te Delft en er overleden op 9 januari 1789, werd in 1753 de nieuwe eigenaar van het plateelbakkerij “De Vergulde Boot”. Hij huwde op 12 september 1747 te Amsterdam met Catharina Anna Grommée (1723-1789). Hij was burgemeester van 1772 tot 1786 en havenmeester. Willem staakte de produktie en sloot de deuren van het bedrijf in 1770.

\

De Twee Scheepjes   1621 - 1794

Het plateelbedrijf “De Twee Scheepjes” werd gesticht in 1621 door Adriaen Cornelisz. de Kater. Na zijn overlijden erfden zijn mede-eigenaars, waaronder Nicolaes Cornelisz. de Keyser, de plateelbakkerij.

Nicolaes Cornelisz. de Keyser, meester-plateelbakker, was degene die begon met het Imari-porcelein te kopiëren. Nicolaes was de broer van Aelbrecht Cornelisz. de Keizer, meester plateelbakker en eigenaar van “De Porceleyne Schotel”.

Na de dood in 1667 van Nicolaes de Keizer nam Cornelis Aelbrechtsz. de Keizer, de zoon van zijn broer Aelbrecht Cornelisz, samen met nog enkele schoonbroers, Jacobus Sijmonsz.  en Adriaen Sijmonsz. Pijnacker de plateelbakkerij over. Cornelis Aelbrechtsz. de Keizer behaalde zijn proef als meester-plateelbakker op 10 september 1668 en werd toegelaten tot de St.Lucasgilde.

Jacobus en Adriaen Pijnacker waren zonen van Sijmon Jacobsz. Pynacker en Dieuwertye Floris van der Laer uit Leiden. Zij leerden hun beroep in het bedrijf van Aelbrecht de Keizer “De Porceleyne Schotel” en trouwden elk een dochter.

Jacobus Pijnacker, gedoopt op 14 mei 1645 te Delft, trouwde in 1671 te Delft met Teuntje Aelbrechtsdr. de Kiezer en kreeg zeven kinderen (1672 tot 1680). Op 29 februari 1672 werd hij toegelaten tot de St.Lucasgilde en op 19 april 1679 werd hij, meester-plateelbakker benoemd.

Adriaen Sijmonsz. Pijnacker, meester-plateelbakker was alleeneigenaar van 1689 tot 1694.

Adriaen, trouwde in 1680 met de dochter Willemyna Aelbrechtsdr. de Keizer, gedoopt op 1 oktober 1651 te Delft.

Pieter Poulisse werd op 25 juli 1690 als meester-schilder opgenomen in de St.Lucasgilde te Delft en werd door Adriaen Pijnacker ingehuurd om zijn bedrijf te leiden. Hij bleef een viertal jaren werkzaam in het bedrijf.

In 1707 werd Jan Abrahamsz. Gael, meester-plateelschilder, geboren op 16 juli 1660 te Delft en er overleden op 1 juli 1725, de nieuwe eigenaar van “De Twee Scheepjes” en zette de productie in de traditionele stijl verder. Hij was de zoon van Abraham Willemsz. Gael (1633-1695), plateelschilder en Agnietgen De Vos (1633-1686).

Jan Abrahamsz. Gael huwde in 1686 te Delft met Elisabeth van der Planck (1663-1728) en het echtpaar telde zeven kinderen:

Angenietie (1687), Engeltie (1690), Marytye (1692-1734), Abram Jansz. (1695), Cornelia (1698-1761), Johanna (1701-1701) en Cornelis (1705-1709).

  • Marytye Gael, trouwde in 1727 met Hendrik van den Velden, plateelbakker.
  • Abram Jansz. Gael, plateelschilder. Hij overleed op 39-jarige leeftijd in 1734.
  • Cornelia Gael, trouwde in 1725 met Adriaen van der Does, meester plateelbakker die in 1728 deelgenoot werd van het plateelbedrijf “De Drye Clocken” en er eigenaar van werd op 5 juli 1743.

Na zijn overlijden in 1726 nam zijn vrouw Elisabeth deze taak over en overleed twee jaar later op 25 december 1728. Daarna nam Abram Jansz. Gael, plateelschilder, de leiding over het bedrijf, maar ook hij stierf op 39-jarige leeftijd op 21 september 1734 in het huis van zijn schoonbroer, Hendrik van den Velden.

Nadien kwam het bedrijf in het bezit van Johannes Pennis en zijn vrouw Dina Brinkman, eigenaars van “De Porceleyne Schotel”, die later werden opgevolgd door zijn zoon Anthony. In 1764 nam Anthony officieel de fabriek van zijn vader over waarin hij reeds vanaf 1750 het beheer voerde.

Na het overlijden van Anthony in 1770 werd het bedrijf verder geleid door zijn vrouw tot in 1782, die daarna werd opgevolgd door haar zoon Johannes jr. Na het overlijden van Johannes jr. Pennis werd het bedrijf verder gevoerd door een maatschappij tot in 1796 tijdens de Franse Revolutie de productie werd opgegeven.

 

De Metalen Pot   1638 - 1757

De plateelbakkerij “De Metalen Pot” gelegen op de Lange Geer, werd waarschijnlijk opgericht in 1638 door Dirck Hieronimus van Kessel en werd overgenomen door de West-Indische Compagnie die het op haar beurt verkocht in 1670 aan Willem Cleffius voor 6.000 gulden die het bedrijf samen met zijn zoon Lambertus leidde.

Lambertus Cleffius, zoon van Willem trouwde in 1672 te Delft met Catharina van der Wiel (1651-1677) en was een tijd lang mede-eigenaar van de plateel- en tegelbakkerij “De Paeuw”, samen met Wouter van Eenhoorn de oprichter van “De Porceleyne Fles”. Na het overlijden van zijn halfbroer Hendricus Cleffius nam ook hij de plateelbakkerij “De Witte Starre” over. In het bedrijf hadden zij Johannes van der Wal, meester-plateelschilder sinds 9 april 1685 in dienst samen met Hendrick Jansz. Paridon, Michiel van Eemst, meester-schilder en Jan Verburgh. Lambertus Cleffius had samen met Catharina drie kinderen, waarvan Willem en Lambert. Na haar overlijden hertrouwde hij op 16 september 1679 in Delft met Maria van Leensvelt. Hij overleed op 28 januari 1691 te Delft. Reeds op 6 april 1691 werd door zijn erfgenamen de plateelbakkerij verkocht aan zijn neef Lambertus van Eenhoorn (1651-1721).

Lambertus van Eenhoorn leidde de plateelbakkerij met succes tot aan zijn dood in 1721. Hij had sinds 22 april 1697 Cornelis van der Kloot in dienst. Na zijn overlijden zette zijn vrouw de productie nog enkele jaren verder en verkocht het bedrijf in 1724 aan Cornelis Coppens.

Pieter Paree kocht het bedrijf in 1756. Van wat er toen verder met het bedrijf is gebeurt heb ik geen weet! In 1757 werd de productie opgegeven.

Hendrick Jansz. Paridon, plateelschilder, gedoopt op 18 december 1642 te Delft en er begraven op 14 februari 1722 was gehuwd op 26 december 1664 te Delft met Trijntje Willems van der Spek (1693).

 

Het Gecroond Porceleyn    1645 - 1753

De plateelbakkerij gelegen aan de zuidkant, in de Molslaan werd in 1645 opgericht door Hendrick Marcelisz. Van Gogh. Gillis Bailley, meester-plateelbakker die sedert 1701 in het bedrijf werkte nam het van hem over in 1706.

In 1753 werd een productieverbod opgelegd in opdracht van de gilde en werd het bedrijf gedwongen zijn deuren te sluiten.

 

Het Hooge Huys   1648 - 1741

Door Samuël Pererius van Bereveldt , meester-plateelbakker werd de plateelbakkerij opgericht in 1648.

Wouter van Eenhoorn en Johann de Waerdt werden in 1665 mede-eigenaar van het bedrijf.

Op 12 augustus 1675 werd Samuël van Bereveldt vervangen door Amerensie (vrouw) van Kessel.

In 1686 kwam het in handen van Nicolaes van der Kest, meester-plateelbakker en werd het in 1693 verkocht aan Jacobus van Veen. In 1721 was Franciscus Ferrier de laatste eigenaar die twintig jaar later in 1741 de produktie stop zette en de gebouwen liet slopen.

 

De Porceleyne Fles      1653 -  …..

 De plateelbakkerij “De Porceleyne Fles” gelegen aan de Westzijde van het Oosteinde in Delft werd opgericht door David Anthonisz. van der Pieth in 1653, waarschijnlijk voor zijn jongste zoon Jan Davidsz. van der Pieth. Bekend is dat Jan van de Pieth zich liet inschrijven op 21 juli 1653 bij de St.Lucasgilde te Delft. Maar reeds na twee jaar op 19 maart 1655 werd het bedrijf verkocht door vader David van de Pieth aan Quirinus Aldersz. van Kleynoven, meester-plateelbakker en Wouter van Eenhoorn.

Wouter van Eenhoorn was een koopman en vlashandelaar die nog niet veel af wist van plateelbakken. In de eerste plaats was hij zakenman en had financiële belangen in meerdere Delftse plateelbakkerijen. Hij was reeds eigenaar van het plateelbedrijf sedert 1644 van “De Dissel” die hij gekocht had van zijn schoonvader Lambrecht Ghijsbrechtsz. Cruyck (1644). Hij was mede-eigenaar sedert 1652 van het bedrijf “De Pauw”. In 1658 richtte hij “De Griekse A” op en werd ook mede-eigenaar in 1665 van  “Het Hooge Huys”. In 1668 kocht hij “De Drye Vergulde Astonnekes”. Wouter van Eenhoorn zelf woonde en stierf in december 1679  in “de Grieksche A”, te midden van kostbare huisraad en 47 schilderijen. Dat bleek later uit zijn nalatenschap. Hij werd een van de bekendste plateelbakkers van Delft en was echter nooit als meester-plateelbakker ingeschreven in de gildeboeken.

Wouter van Eenhoorn verkocht na acht jaar in 1663 zijn aandelen aan Quirinus Aldersz. van Kleynoven die vanaf dat ogenblik dus alleeneigenaar was. Als meester-plateelbakker stond Quirijnus een aantal jaren tussen 1659 en 1688 als hoofdman van de St.Lucasgilde.

Quirijnus Aldersz.  trouwde op 9 augustus 1648 te Delft met Engeltje Pietersdr. Oprust. Zijn dochter Catarina trouwde met Johannes Mesch, de zoon van Joris Mesch en Judith van Velsen.

Na het overlijden van Quirijnus Aldersz. van Kleynovens in 1695 zette zijn weduwe, Engeltje Pieters Oprust (1699) nog enkele jaren de productie verder en verkocht het bedrijf  met zijn twee ovens op 5 februari 1697 aan Johannes Willemsz. Knotter uit Leiden, zoon van Willem en Maria Cornélia van Houten. Nog hetzelfde jaar nam Johannes, Johan Verburg als meesterknecht in dienst.

Vier jaar later in 1701 kwam het in bezit van Marcelis de Vlugt. Vermoedelijk zou Marcelis de Vlugt geen plateelbakker of plateelschilder zijn geweest en nam hij daarom Jan Sixtus van der Hoeck, meester-plateelschilder in dienst die bekend werd vanwege zijn prachtige decoraties die hij schilderde.

In 1750 werd het bedrijf verkocht aan Christoffel van Doorne en zijn zoon Pieter.

Christoffel Pietersz. van Doorne, gedoopt op 12 juli 1693 te Delft en begraven op 26 februari 1762, huwde op 7 mei 1712 te Delft met Susanna Spaendonck (1689-1761). Na het overlijden van zijn vader in 1762 zette Pieter het bedrijf verder.

Pieter Christoffelsz. van Doorne, gedoopt op 8 augustus 1717 te Delft en er begraven op 5 april 1770, huwde op 3 april 1745 te Delft met Hendrina van der Klok. Na haar overlijden op 10 januari 1758 hertrouwde hij op 6 mei 1758 te Delft met Magteld Bluset (1727-1777). Na zijn dood in 1770 verkocht zijn vrouw Magteld Bluset het bedrijf op 9 mei 1771 aan Jacobus Harlees. Jacobus stierf in 1786 en zijn zoon Dirck Harlees volgde zijn vader op.

Door de economische crisis na de Franse bezetting en het afsluiten van het Kanaal in de periode tijdens de Franse Revolutie voelde Dirck zich gedwongen de productie te staken en het bedrijf te verkopen. "De Proceleyne Fles" werd verkocht in 1794 door Agatha Herlees.

Op 23 mei 1804 kwam het in handen van Henricus Arnouldus Piccardt uit Leiden, een oud-officier van het Franse bezettingsleger. Hij was een van de eerste die zijn aardewerk begon te versieren met gedrukte decoraties. Samen met zijn twee dochters Geertruida en Sara leidde hij het bedrijf tijdens de Franse bezetting en ook nog daarna tot in 1849. Hij werd opgevolgd door zijn dochters Geertruida en Sara Piccardt die de fabriek “Piccardt en Co.” draaiende hielden tot in 1876. Hendrik Arnouldus Piccardt strief in 1851.

In 1876 kwam de plateel- en tegelbakkerij in het bezit van Joost Thooft (1844-1890), een jonge Delftse ingenieur die er meteen mee begon de moderne Engelse technieken over te nemen. Hij wilde iets beters en zocht en vond de oplossing in het gebruik van een samenstelling van het witte harde en taaiere Engelse aardewerk  en moest daarom de samenstelling van de grondstof die zij gebruikten wijzigen.

In het bedrijf werden nieuwe machines geplaatst om geperste tegels sneller te kunnen vervaardigen die hij met behulp van de nieuwe techniek op een niet geglazuurde, hard gebakken witte biscuit, net zoals bij echt porselein, liet beschilderden om het daarna met een doorzichtige glazuur te overtrekken.

Joost Thooft vertrouwde kort na de overname de opleiding van de zopas aangenomen schilders toe aan de drieënzeventigjarige Cornelis Tulk (1803-1893). Hij was de enig overgebleven plateelschilder in het bedrijf.

Samen met Adolf Le Comte (1850-1921), een jonge en ambitieuze ontwerper ondernam hij pogingen om modern  aardewerk  te produceren. In Karlsruhe en Neurenberg had Adolf Le Comte zijn opleiding gekregen en was in Parijs een tijdlang werkzaam geweest voor hij terug keerde naar Delft en professor werd aan de Polijtechnische School in Delft.Hij was getrouwd met Anna Catharina Carbentus en trad later op als artistiek leider in “De Porceleyne Fles”.

In 1878 kwam de 18-jarige Leon Senf (1860-1940) zich als werknemer aanbieden en is 52 jaar in het bedrijf gebleven. Hij leerde zijn vak als plateelschilder en werd later één van de belangrijkste ontwerpers In acht jaar tijd, in 1884 was hij erin geslaagd, samen met Adolf Le Comte en Abel Labouchere, die sinds 1881 in het bedrijf werkzaam was, een keramiek van hoge kwaliteit wereldwijd op de markt te brengen dat gewild, geliefd, beroemd werd en een goede naam verkreeg.

Nog in datzelfde jaar besloot Joost Thooft om de plateel- en tegelbakkerij uit te breiden en associeerde zich met Abel  Labouchere (1860-1940) als zakelijke partner en veranderde het bedrijf van naam “De Porceleyne Fles - Joost Thooft en Labouchere”. Joost Thooft stierf op 27 mei 1890 op de leeftijd van 46 jaar en Abel Labouchere zette de fabriek als alleeneigenaar voort.

In 1904 werd “De Porceleyne Fles” door Abel Labouchere omgezet in een naamloze vennootschap met als firmanaam “De Porceleyne Fles anno 1653”. De plateelfabriek verhuisde in 1916 van het Oosteinde naar de Rotterdamseweg te Delft en er werd aan de fabriek in 1919 het predicaat “Koninklijke” verleend.

De enige overgebleven Delftse tegelfabriek “De Porceleyne Fles”, was het enige bedrijf dat in 1858 stand had gehouden en had op het einde van de 19e eeuw toen de belangstelling voor tegels en aardewerk herleefde de produktie weer ter hand genomen.

 

Het Jonge Moriaenshooft    1654 - 1792

Het bedrijf werd opgericht in 1654 aan de Gasthuislaan door Jacobus Wemmersz. van Hoppesteyn van Leeuwen samen met zijn leermeester-plateelbakker aan Jan Aelbrechtsz. Groenlant.

Jacobus Wemmersz. Hoppesteyn, gedoopt op 5 mei 1626 te Delft en trouwde op 29 augustus 1649 te Delft met Jannetje Verstraeten (1686), dochter van Claes Jansz. Verstraeten uit de tegelbakkerij “De Lampetkan”. Claes Jansz. was de broer van Willem Verstraeten, stichter van de plateel- en tegelbakkerij de "Geleyer Plateelbacke­rije" in Haarlem. Jacob Wemmersz. overleed op 17 april 1671 te Delft. Hij werd opgevolgd door zijn vrouw en later door zijn zoon Rochus Hoppesteyn, gedoopt op 4 januari 1661 te Delft en er overleden op 30 maart 1692, meester-plateelbakker en schilder. Rochus werd in 1680 zaakvoerder en na het overlijden van zijn moeder Jannetje Verstraeten in 1686 alleeneigenaar. Rochus huwde op 15 september 1685 te Delft met Aaltje Lantsvelt (1664-1705).

Het bedrijf had in dienst:

  • Willem van der Lith, plateelbakker
  • Jeremias T. Godtling als meester-plateelschilders
  • Wouter Bornat, plateelschilder, gehuwd op 17 juni 1657 te Delft met Berber Lathouwer en overleden in 1692.
  • Stoffel Wouterz. Bornat / van Bornat, plateelschilder, gehuwd op 11 mei 1681 te Delft met Catharina Dircks van Rijsselbergh.
  • Jan Brasem, plateelschilder, gedoopt op 25 augustus 1673 te Delft en er begraven op 5 december 1722 en gehuwd te Delft met Josijntje Dooij (1741).
  • Michiel de Heus, plateeldraaier, gedoopt op 29 november 1645 te Delft, gehuwd op 20 juli 1669 te Delft met Maria van der Meijde (1690).
  • Stefanus Michielsz. de Heus, plateelschilder, gedoopt op 15 november 1678 te Delft en er begraven op 8 november 1732. Gehuwd op 1 mei 1701 te Delft met Haasje Jans (1732).
  • Jacobus de Heus, plateelschilder, geboren in 1650 te Delft en gehuwd op 22 januari 1678 te Delft met Marija Philips van Dijck.

Rochus liet de plateelbakkerij door ziekte belast met schulden achter zodat het bedrijf in tweeën scheurde. Zo ontstond in 1690 “Het Oude Moriaenshooft”.

 Lieven van Dalen nam de plateelbakkerij in 1691 van Rochus Hoppesteyn over. Rochus stierf op 31-jarige leeftijd in 1692.

 Jan van der Hagen nam van Lieven van Dalen, het bedrijf over in 1732 en werd opgevolgd in 1764 door (zijn) weduwe Van der Strale.

Thomas Jansz. Fonteyn, eigenaar van “Het Oude Moriaenshooft” kocht de plateelbakkerij in 1782. In dienst had hij als plateelbakkers Arent van Straeten en Gijsbrecht Claesz. Verhaast en als meester-schilder, Jan Thomas de Blij en Jan Aldertsz. Bart van Weck.

Daar hij voornamelijk exporteerde naar Engeland was het bedrijf niet bestand tegen de door de Franse Revolutie veroorzaakte moeilijkheden en werd de productie, zowel in dat van “Het Jonge Moriaenshooft” als in “Het Oude Moriaenshooft” opgegeven in 1792.

Het Oude Moriaenshooft

Jacobus van der Kool was er werkzaam als meesterbakker vanaf 1714 en werd een deelgenoot van Nicolaes Cornelisz. Van der Planck, de toenmalige eigenaar. Van der Kool Jacobus nam het bedrijf van Van de Planck over in 1716 en verkocht het vier jaar later in 1720 aan Pieter van Dalen. Geertruij Verstelle volgde Pieter van Dalen op in 1761. Na haar huwelijk in 1740 met Cornelius Jansz. Fonteyn werd de plateelbakkerij in 1769 eigendom van de gebroeders Cornelis, Thomas en Anthony Fonteyn. Daar het bedrijf exporteerde naar Engeland was het niet bestand tegen de door de Franse Revolutie veroorzaakte moeilijkheden en werd de productie opgegeven in 1792.

 

China / Syna    1654 - 1743

De plateelbakkerij werd opgericht in 1654 door Steven Gerritsz. van Noorden, gehuwd met Amalie Emerentia. Na zijn overlijden werd hij opgevolgd op 23 juli 1663 door zijn broer Abraham Gerritsz. van Noorden, gedoopt op 5 augustus 1632 te Delft, die zijn meester-plateelbakkersdiploma behaalde op 17 oktober 1651. Abraham Gerritsz. van Noorden huwde op 1 maart 1654 te Delft met Geertuijt van der Brugge. Samen hadden zij zeven kinderen.

Frederick Sixtusz. van der Sande (1637-1724), nam het bedrijf van hen over in 1685. Frederick huwde ca.1672 met Clasijna Jacobs van der Poel, van wie hij drie kinderen kreeg.

  • Marija, gehuwd op in 1694 met Goris van Torenburgh (1715) die in 1694 werkzaam was als plateelschilder in “De Porceleyne Bijl” en die zich op 4 oktober 1700 als meester-plateelbakker benoemd.
  • Sixtus van der Sande, geboren ca.1677.
  • Clasijna,(1684-1780) gehuwd op 12 april 1716 te Delft met Pieter Pieters Hanout (1688-1726) en hertrouwde op 8 maart 1727 te Delft met Jacobus van de Ceel.

Frederick hertrouwde met Claasje Hartman. Op 11 februari 1686 werd hij door de St.Lucasgilde opgenomen als meester-plateelbakker. Na zijn dood in 1724 liet hij het bedrijf als erfdeel over aan zijn zoon Sixtus van der Sande.

Nadien kwam het in handen van Jacob Simonsz. Mesch (1693-1739) gehuwd op 11 december 1717 te Delft met Wilhelmina Torenburgh die het bedrijf na het overlijden ophief en de deuren sloot in 1743.

                                                                                                                                                                                                                                                

De Drie Vergulde Astonnekes    1655 - 1803

De invoer naar Nederland van het zeer geliefde kraakporselein stagneerde door een burgeroorlog in 1647  in China. De vraag naar Chinees porselein was echter groot. Om dit gat in de markt te vullen richtte Hieronymus Pietersz. van Kessel langs de Lange Geer in Delft in 1655 de plateelbakkerij “De Drie Vergulde Astonnekes” op. Ook was Hieronymus Pietersz. van Kessel mede-eigenaar van “De Metalen Pot” in 1656 samen met zijn zoon Dirck Hieronimus van Kessel.

Hieronymus Pietersz. van Kessel verkocht in 1668 het bedrijf aan Wouter van Eenhoorn en Gerrit Pietersz. Kam. Wouter van Eenhoorn was reeds eigenaar van “De Dissel” sinds 1644 dat hij gekocht had van zijn schoonvader Lambrecht Ghijsbrechtsz. Cruyck (1644). Hij was mede-eigenaar sedert 1652 van het bedrijf “De Pauw”. In 1658 richtte hij “De Griekse A” op en werd ook mede-eigenaar in 1665 van  “Het Hooge Huys”. Hij overleed in 1679 te Delft.

Gerrit Pietersz. Kam was alleeneigenaar van 1700 tot aan zijn dood in 1705. Anthony van der Kloot volgde Gerrit op en nam Zacharias Dextra, meester-plateelbakker in 1712 en in 1718 en Arie van Rijsselberg (1735), plateelschilders, vergulders in dienst die van “De Griekse A” kwamen.

Zacharias Dextra, meester-plateelbakker, kwam in bezit van de plateelbakkerij in 1721. Ook door Zacharius werd Adriaen van Duyn, plateelschilder in 1729 aangenomen om bij hem te werken. Zacharias Dextra was eigenaar tot in 1757. Hij werd opgevolgd door een van zijn werknemers, Hendrik van Hoorn die sinds 1738 in het bedrijf werkzaam was. Na zijn overlijden in 1803 werd het bedrijf verkocht door zijn erfgenamen.

 

De Porceleyne Bijl    1657 - 1803

De plateelbakkerij “De Porceleyne Bijl” gelegen aan de zuidzijde aan de Gasthuislaan, bij de Bijlepoort werd in januari 1657 opgericht door Jacobus Wemmersz. Hoppesteijn (1631-1671), meester-plateelbakker en zijn vriend, Benédictus van Houten. Beiden hebben zij hun vak geleerd van Jan Aelbrechtsz. Groenlant, meester-plateelbakker en medeoprichter en mede-eigenaar van de in 1654 opgerichte Jonge Moriaenshooft samen met Jacobus Wemmersz. Hoppesteijn.

Benédictus van Houten, geboren in 1626 te Delft en er begraven op 25 november 1675, huwde op 9 juli 1656 te Delft met Maria Pietersdr. van Castilien (1623-1668). Hij had zijn proef afgelegd voor de St.Lucasgilde te Delft in mei 1656 en behaalde zijn titel van meester-plateelbakker. Zijn zoon Adriaen van Houten, plateelbakker, werkte mee in het bedrijf.

 Nog in 1657 verkocht Jacobus Wemmersz. Hoppesteyn zijn aandelen van “De Porceleyne Bijl” aan Pieter Woutersz. Katersvelt (1611-1776) iets later verkocht hij ook die van het plateelbedrijf “Het Jonge Moriaenshooft”. Met dat geld kocht Jacobus Hoppesteyn een bedrijf waar hij op zijn eigen kon beginnen.

In de periode tussen 1659 en 1662 breidden Pieter Woutersz. Katersvelt en Benédictus van Houten hun bedrijf uit door een rij huisjes met tuinen te kopen gelegen tussen de Bijle- en de Vestpoort en zij kochten nog een stuk grond aan het oosteinde van de Bijlepoort om er een nieuwe kleiwasserij op te bouwen. In 1663 nam Katersveld de helft van de aandelen van Benédictus van Houten over. Benédictus van Houten kocht met dat geld op 8 september 1663 het aan de Molslaan gelegen plateelbedrijf “Het Gecroond Porseleyne” waarvan hij de alleeneigenaar werd.

Pieter Woutersz. Kastersvelt voelde zich nu verplicht om Jan Otte van Schaeck / van Schagen als meesterknecht, plateelbakker in dienst te nemen, na het vertrek van Benédictus van Houten. Maar drie jaar later, na vertrek van Jan Otte van Schaeck stelde hij de plateelbakkerij te koop voor 8.000 gulden, maar daar er zich geen koper kwam melden verhuurde hij na een tijd het bedrijf aan:

  • August Cool (1666-1667), broer van Jacobus.
  • Dancard Versélewel, een advocaat uit Den Haag.
  • Jan Jansz. Culick (ca. 1625-1677). Het drietal was ook mede-eigenaar van “De Roos” sinds 13 juni 1671.

Jan Jansz. Culick kwam van de “De Vergulde Boot” liet zich in augustus 1667 inschrijven als eigenaar van “De Porceleyne Bijl”. Op 20 februari 1662 had hij zijn meesterproef afgelegd voor de St.Lucasgilde, hij zou vermoedelijk zijn beroep geleerd hebben bij Aelbrecht de Keyser.

Het verhuren van het bedrijf aan het drietal was geen succes daar het tien maanden later werd verkocht aan Cornelis Cornelisz. van der Hoeve (ca.1637-1679), mede-eigenaar samen met de gezusters Cornélia, Maria en Elisabeth van Schoonhoven van “De Porceleyne Clauw”. Hij trouwde met zijn dienstmeid Catharina Jansdr. Slagtoe.

Op 17 april 1662 had Cornelis Cornelisz. van der Hoeve Jan Otten van Schaeck aangetrokken als meesterknecht van de “De Porceleyne Clauw” om uit de nood te geraken. Jan Otten van Schaeck kwam uit het bedrijf van Joris Mesch en werd daar vervangen op 19 September 1661 door Jan Sixtus van den Hoeck.

Verder kocht hij samen met Abraham de Cooge, schilder, een verfmolen, de molen was gelegen op de stadswal aan het einde van de Nieuwe Langendijk.

Op 15 oktober 1668 kwam de meester-plateelbakker Isaac Adriaensz. Soubree in dienst in “De Porceleyne Bijl”, een neef van Cornelis van der Hoeve zijn vrouw. Soubree was mede-eigenaar van “De Roos”. Abram van der Elst en Arijns Brugman plateelbakker en plateelstoker werkten in het bedrijf.

Van der Hoeve was in 1663 één van de hoofdmannen van de St.Lucasgilde. Na het overlijden van Cornelis Cornelisz. van der Hoeve in 1679 werd de plateelfabriek door de erfgenoten verkocht aan Huijbrecht Brouwer (1646-1697). Deze bleef alleeneigenaar tot aan zijn dood in 1697. Als meesterknecht benoemde Huijbrecht Brouwer op 27 december 1679 Jacob Aldersz.

van der Haec, die reeds sedert 1662 werkzaam was in het bedrijf en die er gebleven tot 1692. Dat betekend dat Isaac Adriaensz. Soubree het bedrijf had verlaten. Jacob Aldersz. van der Haec behaalde zijn meesters-diploma voor de gilde op 26 augustus 1686.

Huijbrecht Brouwer was één van de hoofdmannen van de gilde in 1692-93. Hij trouwde op 17 november 1696 met de weduwe Elsgen Pietersdr. Berckelhouck. Hun huwelijk was kort want Brouwer overleed op 8 maart 1697.

Frederick van der Sande (1637-1724) de eigenaar van het bloeiend bedrijf plateelbedrijf “China” sedert 1685, kocht het bedrijf “De Porceleyne Bijl”. Op 1 februari 1686 had hij de titel van meester-plateelbakker behaald. Zijn dochter Marija trouwde in 1694 met Goris van Torenburgh (1715) die in 1694 werkzaam was als plateelschilder in “De Porceleyne Bijl” en die op 4 oktober 1700 als meester-plateelbakker werd benoemd. Mogelijk kocht Frederick van der Sande het bedrijf voor zijn schoonzoon op 17 juni 1697 was Goris baas van de Porcelyne Bijl”. Hij nam zijn broer Michiel van Torenburgh, meester-plateelbakker bij hem in dienst die kwam als meesterknecht van “De Porceleyne Claeuw”. Goris stierf in 17 april 1715, zijn vrouw zette nog twee jaar de zaak veder tot aan haar dood in 1717.

De enige erfgename was haar dochter Wilhelmina die huwde op 11 december 1717 te Delft met Jacob Simonsz. Mesch (1693-1739) die werkzaam was in het bedrijf “De Porceleyne Bijl” en die door zijn huwelijk mede-eigenaar werd van het bedrijf. Jacob Simonsz. Mesch was de zoon van Simon, de eigenaar was van het bedrijf “’t Hart” en kleinzoon van Simon en Barbara Rotteveel. Toen zijn vader overleed in 1713 erfden Jacob Simonsz. Mesch en zijn zes broers en twee zussen ieder een zevende deel van de plateelbakkerij “’t Hart”. In 1717 kocht een van zijn zusters de aandelen op en werd alleeneigenares.

Jacob Mesch werd in 1718 tot meester-plateelbakker benoemd door de St.Lucasgilde. In dienst had hij als plateeldraaiers: Johannes Verburgh in 1724 en Pieter Derwanr in 1733.

Hij verkocht het plateelbedrijf waarschijnlijk wegens ziekte op 15 mei 1739 aan Willemina van Verrendaal (1675-1754), weduwe van Hugo Brouwder (1690-1727). Jacob Mesch overleed een half jaar later en werd begraven op 3 december 1739 te Delft. Zijn vrouw Wilhelmina van Torenburgh (1778) kocht het jaar nadien in december de plateelfabriek “China” dat ze liet afbreken in 1743.

Willemina van Verrendaal had de plateelbakkerij “De Porceleyne Bijl” gekocht als huwelijksgeschenk voor haar zoon Justus Hugosz. de Brouwer (1716-1775). Justus huwde op 21 juni 1739 te Delft met Anna Maria Christina van Oorden, een dochter van Hendrik van Oorden, een buitengewoon diplomaat voor de Hollandse Provinciën in Zweden en Anna Strobel uit Zetten. Justus Hugosz. de Brouwer kocht op 15 november 1760 het plateelbedrijf “De Drije Porceleijne Flesschen” van de weduwe van Johannes de Maare-Colijn waar hun zoon Hugo de leiding had. Hij kocht het voor zijn zoon, maar Hugo kreeg maar het volledige gebruik van “De Drije Porceleijne Flesschen” op 5 februari 1767. Als plateeldraaier werkte Jan Goester er in 1749.

Na het overlijden van Justus Hugosz. Brouwer op 8 september 1775 zette Hugo samen met zijn moeder in beide bedrijven de productie verder. Maar nog geen twee jaar later werd de plateelbakkerij "De Drye Porceleijne Flesschen" opgegeven en op 24 maart 1777 verkocht door Anna Cristina van Oorden, die nog de helft van de aandelen bezat en haar zoon Hugo aan Jacobus Oosterhout en Jacobus de Hooyer. Na de dood van zijn moeder op 14 maart 1785 ging uit de nalatenschap de plateelbakkerij "De Porceleijne Bijl” over op zijn zoon Hugo die hij tot 1788 in eigendom hield.

In 1788 werd het bedrijf verkocht aan een zakenman Jacobus Craenendonck (1808) die het verder verkocht aan Floris Breda, meester-plateelbakker. Floris Breda had het reeds van af het begin moeilijk wegens gebrek aan geld en door het uit van de Franse Revolutie voelde hij zich genoodzaakt, net zoals de meeste plateelbakkerijen in 1803 zijn deuren te sluiten.

 

De Dobbelde Schenckan   1657 - 1777

De plateelbakkerij “De Dubbele Schenkkan” werd in 1657 gesticht op het terrein van de voormalige brouwerij “Het Anker” aan de Oude Langendijk door Cornelis Cornelisz. Hollaert en Jan Jonasz. van der Burgh. Beiden waren reeds eigenaars van het daar achterliggende plateelbedrijf “De Vier Romeynse Helden”. Jan Jonasz. van der Burgh, geboren 13 januari 1623 te Delft, trouwde op 13 december 1648 te Delft met Cornelia de Vos (1625-1668) waarmee hij zeven kinderen had. Jan Jonasz. had zijn beroep geleerd in het plateelbedrijf “De Porceleyne Schotel”.

In 1661 was Jan Adriaensz. van Hamme er de nieuwe eigenaar van, hij had het gekocht in december 1660. In het bedrijf kwam zijn broer Cornelis van Hamme als plateelschilder werken.

Cornelis van der Velde was de eigenaar in 1676. Hij werd drie jaar later in 1679 opgevolgd door Dirck Jansz. van Schie die de leiding overnam. Dirck Jansz. van Schie verkocht “De Dobbelde Schenckan” in 1688 aan Victor Victorsz. …. en zijn zoon Louwijs Victorsz. …

Jacobus van Thiel nam in 1713 het bedrijf van zijn schoonvader van Louwijs Victorsz. over.

In het bedrijf waren omstreeks 1720 de gebroeders Hendrick en Gilles de Koningh als schilders en vergulders aan het werk. Later, in 1735 namen Hendrick en Gilles de Koningh het bedrijf over. De productie werd opgegeven in 1777 en het bedrijf sloot zijn deuren.

 

De Porceleyne Claeuw    1661 - 1840

De plateelbakkerij “De Porceleyne Claeuw” werd opgericht in 1661 door Arent Gouda. Die was gevestigd aan de overkant van de Gasthuissteeg, aan de oostzijde van de Koornmarkt. In het bedrijf was op 16 oktober 1661 Jacob Wemmersz. Hoppesteyn, benoemd als plateelbakker.

De gezusters Elisabeth, Maria en Cornélia van Schoonhoven en Cornelis van der Hoeve waren eigenaars van het bedrijf in 1661. Als meesterknecht werkte er op 17 april 1662 Jan Otten van Schaeck / Schragen om zich uit de nood te geraken en vertrok nadien naar “De Porceleyne Bijl”. In 1677 was Michaël Van Torenburgh er als meesterknecht werkzaam en die werd op 15 januari 1685 benoemt als meester-plateelbakker. Toen Cornélia van Schoonhoven stierf in 1691 liet zij haar aandelen na aan haar zusters. In 1702 na de dood van Maria was Elisabeth alleeneigenares.

Pieter van Oosterwijck kocht het in 1705. In 1740 verkocht hij het verder. Cornelis en  Jan Otten van Schaeck / Schragen, Gerrit Paape, Hendrik Knijff en Pieter Verschoor waren nadien de eigenaars van 1740 tot 1763. In het bedrijf waren de plateelschilders: Gerrit van Passauw (sinds 1730) en Willem Witsenburgh werkzaam.

Bezitter ervan van 1763 tot 1806 was Lambertus Sanderus, plateelbakker, getrouwd met Maria Cloppenburg. Hun zoon Lambertus Sanderus (°Delft, 1787-1853) plateelbakker, trouwde op 27 juli 1832 te Edam met Anna Elisabeth Arentz. (1795-1864). Sanderus zette in 1806 zijn bedrijf met zijn twee ovens in een vennootschap om, onder de naam Sanderus & Co en stapte later in 1822 uit de vennootschap. De familie Sanderus was afkomstig van Antwerpen en heeft de stad verlaten tijdens de Spaanse bezetting.

In 1840 werd door de vennootschap de productie opgegeven.

 

De Witte Starre   1660 - 1804

In 1660 werd aan de westzijde van de Oude Delftvaart bij de Ketelpoort, een plateel- en tegelfabriek opgericht door Willem Cleffius en zijn schoonbroer Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruyck. Gijsbrechts broer Lambrecht Gijsbrecht Cruyck was eigenaar van de plateelbakkerij “De Dissel” in Delft. Gijsbrecht Lambrechtz. Cruyck was getrouwd met Annitgen van der Leth (1685).

Willem Cleffius hertrouwde na het overlijden van zijn vrouw Judith Van Eenhoorn (1660) met Cornelia Woutersd. van de Leth, de zuster van Annitgen. Hierdoor werden in 1661 Cornelia en haar broer Nicolaes Woutersz. van der Leth mede-eigenaars. In 1677 kocht hij de aandelen op en werd samen met zijn vrouw tot aan zijn dood in 1679 de enige eigenaars. In 1668 beschikte het bedrijf over twee ovens. Na zijn overlijden in december 1679 werd Willem opgevolgd door zijn zoon Henricus Cleffius.

In 1690 kocht Dirck Witsenburgh (1709), getrouwd met Sara Fest een vierde van de aandelen en werd mede-eigenaar van het bedrijf. Hij introduceerde zijn zoon Cornelis in 1696 tot meesterknecht, die in 1699 de plateelbakkerij met een behoorlijk aantal werknemers leidde.

In het begin van de 18e eeuw kwam het bedrijf in financiële moeilijkheden en werd het in 1705 verkocht aan Dammas Hoffdijck en Jacobus de Lange (1668-1723), die al voordien in 1694 de plateel- en tegelfabriek “De Roos” hadden gekocht. Vandaar toonde de productie van “De Witte Ster” en “De Roos” veel gelijkenissen.

Door de aandelen te kopen van Dammas Hoffdijck (1726) in 1711 werd Jacobus de Lange de alleeneigenaar van de fabriek. Na zijn overlijden in 1723 zette zijn vrouw Francina van Eijck het bedrijf verder.

Jannetje Adriaansdr. van Eijck, neef van Francina van Eijck en haar man Cornelis Specx erfde in 1723 van hun tante de plateelfabriek “De Witte Ster” die enkele maanden nadien op 21 november 1723 werd verkocht voor 9000 gulden aan Cornelis Jansz. Brouwer en Adriana Boender, de vroeger eigenaars van de plateelbakkerij "De Porceleyne Schotel" verkocht in 1723 aan Johannes Pennis en Dina Brinkman uit Rotterdam.

Cornelis Jansz. Brouwer verkocht in 1737 de plateel- en tegelfabriek aan zijn zoon Jacobus Cornelisz. Brouwer, gedoopt op 16 november 1716 te Delft en die dat jaar in september 1737 in Delft trouwde met Cornelia de Held, een plateelbakster in de plateelbakkerij. Na het overlijden van haar man, Jacobus Cornelisz. Brouwer op 6 februari 1742 zette zij nog enkele maanden de productie verder onder toezicht van haar schoonvader Cornelis Brouwer en haar schoonbroer Cornelis Mesch.

Als weduwe van Jacobus Brouwer verkocht zij op 4 april 1743 de plateelfabriek aan Johanna Jacoba en Maria van de Bergh.

Albertus Kiell kocht in 1761 het bedrijf van de familie van den Bergh. In 1772 kwam het opnieuw in handen van de familie van de Bergh. Cornelis van de Bergh verkocht in 1803 de plateelbakkerij aan een vennootschap die werd ontbonden in 1804.

 

De Drije Porceleyne Flesschen    1661 - 1777

In 1661 werd dit bedrijf, gelegen aan de Gasthuislaan, opgericht door Cornelis Jansz. Bijlleweht, meester-plateelbakker benoemd op 30 mei 1661. Hendrick Jansse, plateelschilder was tussen 1663 en 1665 een van zijn medewerkers.

Nadien kwam de plateelbakkerij in het bezit van Nicolaes Woutersz. van der Leth, de schoonboer van de plateelfabrikant Willem Cleffius (1679) en van de plateelfabrikant Gijsbrecht Lambrechtsz. Cruyck die getrouwd waren met elk één van zijn zusters.

In januari 1698 zou het bedrijf in handen geweest zijn van Johannes Knotter / van der Knotter samen met Pieter Poulisse, meester-plateelbakker die van het bedrijf “De Twee Scheepjes” kwam. Verder werd het bedrijf verworven door Johannes de Maare-Colijn. In het bedrijf was Jacob Willemsz. van der Kool werkzaam.

Op 15 november 1760 kocht Justus Brouwer (1716-1775) en Anna Maria Christina van Oorden (1785) het bedrijf van de weduwe van Johannes de Maare-Colijn, waar hun zoon Hugo Brouwer nadien de volledige leiding had. Hugo Brouwer werd geboren op 17 april 1740 te Delft, trouwde op 28 juni 1762 te Delft met Cornelia Pennis (1736-1808), dochter van Jan Pennis, meester plateelbakker en Dina Brinkman, eigenaars van “De Twee Scheepjes”. Hij werd erkend door de St.Lucasgilde als meester-plateelbakker in 1761 een jaar voor zijn huwelijk.

Na het overlijden van Justus Hugosz. Brouwer op 8 september 1775 zette zijn zoon Hugo in "de Porceleijne Bijl" en in "De Drye Porceleyne Flesschen" samen met zijn moeder de productie verder.

Maar nog geen twee jaar later werd de plateelbakkerij "De Drye Porceleyne Flesschen" opgegeven en op 24 maart 1777 verkocht door Anna Cristina van Oorden, die nog de helft van de aandelen bezat en haar zoon Hugo aan Jacobus Oosterhout en Jacobus de Hooyer.

Na de dood van zijn moeder op 14 maart 1785 ging de nalatenschap de plateelbakkerij "De Porceleijne Bijl” over op zijn zoon Hugo Justusz. die hij tot 1788 in eigendom hield. Hugo Justusz. Brouwer overleed te Delft op 8 april 1817.

 

’t Fortuyn    1661 - 1791

Het plateelbedrijf “’t Fortuyn” dat grensde aan de plateelbakkerij “De Metalen Pot” werd opgericht in 1661 door Joris Jansz. Mesch. Langs deze vaart waren er nog een viertal plateelbakkerijen gevestigd: “De Metalen Pot”, “De Grieksche A”, “Drie Vergulde Astonnekens” en “De Drye Clocken”.

Joris Mesch was getrouwd met Judith van Velsen en was ook eigenaar van het plateelbedrijf “’t Hart” van 1661 tot aan zijn dood in 1674 en van “De Vier Romeinsche Helden” opgericht in 1616. Tevens was hij mede-eigenaar van het plateelbedrijf “De Drye Clocken” die hij samen met zijn broer Simon Mesch (notaris) in 1671 had opgericht. Andere leden van de familie (Jacobus Mesch) hadden belangen bij “De Porceleyne Bijl” opgericht in 1657 en bij het plateelbedrijf “China” opgericht in 1654. Tot 1724 was het bedrijf “’t Fortuyn” in handen van de familie Mesch.

Nadien kwam de plateelbakkerij in het bezit van Johannes van der Wal, Dammas Hofdijck en Jacobus de Lange, plateelschilder.

Joannes van der Wal, plateelbakker, kwam als werknemer vanuit “De metalen Pot”.

Dammas Hofdijck (1726) en Jacobus de Lange, waren eigenaars van “De Witte Starre”.

Jacobus de Lange (1668- 1723), meester-plateelbakker ontving op 10 oktober 1694 zijn meesterdiploma in de St.Lucasgilde. Waarschijnlijk werkte hij vijftien jaar in de bakkerij “Fortuyn”. Hij was de schoonbroer van Abraham van Dijk.

Pieter van den Briel kocht het bedrijf in 1753 en na zijn overlijden zette zijn vrouw Elisabeth Elling het verder.

Haar zoon Johann Hermann Frerkingh uit haar eerste huwelijk was in 1769 de alleeneigenaar en staakte zijn productie in 1784/1791.

 

’t Hart    1661 - 1762

De plateelbakkerij “’t Hart” werd in 1661 opgericht door Joris Jansz. Mesch, meester-plateelbakker, geboren ca.1620 en overleden te Delft in 1674, huwde met Judith Philipsdr. Van Velsen. Hij was ook eigenaar van het plateelbedrijf  “De Vier Romeinsche Helden” opgericht in 1616 tot aan zijn dood in 1674. Tevens was hij mede-eigenaar van het plateelbedrijf “De Drye Clocken” opgericht in 1671 samen met zijn broer Simon. Joris Mesch werd opgevolgd door zijn zoon Johannes, gehuwd met Catarina Van Kleynoven. Samen met zijn broer Simon presenteerde Joris Mesch zich in 1667 aan de St.Lucasgilde en bracht vijf dagen door in loge voor het maken van zijn meesterwerk, hij behaalde zijn meesterdiploma op 27 juni 1674. Zijn zoon Quirijnus werd in 1702 toegelaten tot de St.Lucasgilde, als meester-plateelbakker.

In 1662 verliet hij Joris Mesch om de richting van het bedrijf van “De Porceleyne Claeuw” te volgen, die hij met Cornelis Cornelisz. van der Hoeve had opgericht.

In 1694, op 6 december, liet hij zijn zoon Johannes, Cornelis van Schagen, meester-plateelbakker ontvangen en kreeg hij de plaats van medewerker / vennoot en contra-meester die hij in de plateelbakkerij van “De Porceleyne Claeuw” bezette.

Jan Oette van Schaeck / van Schagen uit Pijnacker bij Delft, werd op 23 december 1658 toegelaten om deel uit te maken van de St.Lucasgilde, in kwaliteit van meester-plateelbakker. Later omstreeks  1660, voegde hij zijn naam Schaeck toe, en ging hij in dienst van Joris Mesch, om zijn vestiging te leiden in maart 1661.

In 1654 stierf Jannetje Abrahams, met wie hij meerdere kinderen kreeg. Toen hij weduwnaar werd, hertrouwde hij op 14 april 1675 met Ryckje Lourens Hasenduyn, weduwe van Cornells van der Woorm.

Jan Frédèric Jansz. Kriekelioen trouwde op 11 oktober 1659 met Vroutge Pieters. Zijn huwelijksakte geeft hem de kwaliteit van plateelschilder. Hij woonde in de Rysselstraat. Zijn oorspronkelijke Franse naam is Criquillion. Zijn zoon Frederic Jansz. Criekelioen, plateelbakker in 1682. Jan Sicktis Van Den Houk werd toegelaten in de hoedanigheid van meester-plateelschilder op 17 oktober 1659.

Op 19 september 1661 ging Jan Sicktis of Sirrus Van Der Home naar Joris Mesch, in de kwaliteit van meesterknecht, met de missie om zijn vestiging te leiden. Hij verving Jan Oette Van Schagen, die oorspronkelijk deze plaats had bezet. Op 11 juli 1701, trad hij opnieuw in dienst bij Marcelus de Blugt. Ook Jan Van Der Houk signeerde een aantal stukken uit het bedrijf.

Jan Jansz. van der Laen / Laan, geboren in 1655 te Delft, plateelbakker, gehuwd op 21 augustus 1661 te Delft met Sara Jacobsdr. van de Wal. Hij hertrouwde op 23 januari 1666 te Delft met Jaepje Dirckx van de Pijl.

Jan Jansz. van der Laan, hertrouwde op 26 februari 1695 te Delf met Marija Lantsot, weduwe van Jan Abrahamsz. Blieswijck. Op zestig jarige leeftijd hertrouwde hij op 6 maart 1715 met Anna van der Voest. Op 29 januari 1675 werd hij opgenomen en erkend als meester-plateelbakker tot de Sint Lucasgilde en maakte een zesjarige verbintenis met de plateelfabriek “De Drye Clocken” opgericht in 1671 door Simon Jansz. Mesch en zijn vrouw Barbara Cornelisdr. Rotteveel. Hij vernieuwde zelf zijn contract, afgezien van een korte afwezigheid die hij maakte (3 maart 1691, tot 6 april 1693), bleef hij altijd verbonden aan deze fabriek.

Het plateelbedrijf “’t Hart” bleef in handen van de familie Mesch tot in 1745.

Daarna werd Hendrick van Middeldijk de eigenaar. De plateelbakkerij sloot zijn poorten in 1762.

 

De Wildemanspoort   1661 - 1681  

Opgericht in 1661. De eigenaars: Steven Dircksz. van Kessel, Sebastian van Cuyck / Kuyck en Augustyn Reygersbergen.

Sebastiaan Maartensz. van Cuyck, plateelbakker, geboren ca.1625 en begraven op 21 november 1678 te Delft, trouwde met Catharina Mauriksz. Van Steenhuysen (1681). Sebastiaan werd meester-plateelbakker benoemd op 15 mei 1662 door de St.Lucasgilde.

Na hem kwam het bedrijf in het bezit van zijn schoonzoon Cornelis Willemsz. Holaert.

Cornelis Willemsz. Holaert, plateelbakker, geboren in 1651 en overleden op 13 oktober 1716 te Delft, huwde op 23 november 1681 met Krijntje van Cuyck, dochter van Sebastiaan Maartensz. van Cuyck, en Catharina Mauriksz. Van Steenhuysen. Hij veranderde het bedrijf van naam in 1681 in “De Twee Wildemannen”.

Mattheüs van den Bogaert was er eigenaar van in 1757. Willem van Beek volgde hem op.

Willem van Beek, eigenaar, gedoopt op 6 maart 1725 te Delft en er overleden op 17 januari 1796 , liet in 1764 zijn merk registreren. Hij was gehuwd met Adriana van Dorp. Hun zoon van Willem ( 1688-ca.1740) plateelschilder, gehuwd in 1716 te Delft met Elsje Bellaert (1690-1763)

Daarna kwam de familie Harlees die ook de eigenaars waren van “De Porceleyne Fles”.

Agatha Harlees verkocht in 1794 het bedrijf.

 

De Drye Clocken”   1669 - 1841

Opgericht in 1669 door Joris Mesch. Na zijn overlijden in 1674 nam zijn vrouw Judith van Velsen en haar schoonbroer Simon Mesch en zijn vrouw Barbara Rotteveel het bedrijf over. ( Barbara Rotteveel was plateelbakster en lid van de St.Lucasgilde). Zij waren werkzaam in het bedrijf:

  • Jan Jansz. van der Laan, meester-plateelbakker, geboren in 1655 te Delft, nam de leiding van het bedrijf over van 1675 tot 1693. Vertrok vandaar als bedrijfsleider naar “’t Hart”.
  • Abraham Willemsz. Gael, plateelschilder, gedoopt op 27 januari 1633 te Haarlem trouwde op 2 april 1657 te Delft met Agnietgen Nathanaëlsdr. de Vos (1633-1686). Hij overleed op 6 februari 1695 en werd op 10 februari in de Nieuwe Kerk te Delft begraven.
  • Willem Abrahamsz. Gael, plateelschilder, gedoopt op 20 augustus 1665 te Delft en er begraven op 16 januari 1714 was de zoon van Abraham, werkte eveneens in “De Drye Clocken”. Gehuwd op 24 september 1695 te Delft met Geertruid Middendorp (1657-1740).

Pieter Simon Mesch nam in 1706 de plateelbakkerij over en leidde het bedrijf tot 1725. Pieter Mesch zijn vrouw was een Geijr.…van der Does. Of het een zuster was van Dirck van der Does, heb ik niet kunnen terug vinden. Dirck zijn zoon, Adriaen van der Does werd mede-eigenaar in 1728.

Jan Abrahamsz. Gael, meester-plateelschilder, geboren op 16 juli 1660 te Delft en er begraven op 7 juli 1725, trouwde in 1686 met Elisabeth van der Planck (1663-1728). Hij werd eigenaar of mede-eigenaar van het plateelbedrijf “De Drye Clocken”. Kinderen:

  • Abram Jansz. Gael, plateelschilder, gedoopt op 22 november 1695 te Delft en is er overleden op 21 september 1734.
  • Marytje Jansdr. Gael, gedoopt op 1 januari 1693 te Delft en is er overleden op 24 september 1776 trouwde met Hendrik van de Velde, plateelbakker (1735), geboren in 1699 en begraven op 31 januari 1770 te Delft.
  • Cornélia Jansdr. Gael (1698-1761), gehuwd met Adriaen van der Does, meester-plateelbakker.

De schoonzoon van Jan Abrahamsz. Gael, Adriaen van der Does werd op 5 juli 1743 eigenaar van “De Drye Clocken” en werd opgenomen in de St.Lucasgilde als meester-plateelbakker.

Adriaen Dircksz. van der Does, gedoopt op 21 september 1702 te Delft en er overleden op 15 juni 1750, werd in 1728 deelgenoot in het plateelbedrijf “De Drye Clocken”. Hij trouwde in 1725 met Cornélia Jansdr. Gael (1698-1761). Voor zover wij weten hadden zij vier kinderen:

  • Maria Adriaensdr van der Does (1725-1792), trouwde op 7 december 1762 te Delft met Cornelis Mom, notaris te Utrecht.
  • Dirk Adriaensz van der Does, plateelbakker, gedoopt op 30 augustus 1729 te Delft trouwde met Susanna Margretha Moolenaar (1736-1784).
  • Willem Adriaensz. van der Does, plateelbakker, geboren op 17 januari 1734 werd eveneens meester-plateelbakker in “De Drye Clocken” en trouwde op 13 november 1762 met Cornélia Rijshouwer. Willem van de Does liet in 1764 zijn merk registreren.
  • Henderina Maria van der Does (1740-1793), trouwde op 11 augustus 1762 te Delft met Johannes (Jan) van Eijk (1734-1816), koopman te Amsterdam.

Na het overlijden van Adriaen in 1750 zette zijn vrouw Cornelia het bedrijf verder.

Het bedrijf kwam in 1799 in handen van een coöperatie. De firma “Jacobus van der Putten & Co” nam de coöperatie over in 1809. Wilhelmina Brouwer (1756-1828), ongehuwde dochter van Gerardus en Maria van Haagen was in de periode 1808 en 1809 nog mede-eigenaar van de coöperatie.

De coöperatie “De Drye Clocken” ging in 1840 een fusie aan met “De Porceleyne Claew”, beide bedrijven werden kort daarop opgegeven.

 

Dan vinden we nog de volgende plateelbakkerijen:

  • De Nagtegaal, opgericht in 1633 en stopte de productie in 1651.
  • De Ham, Plateel- en tegelbedrijf, opgericht in 1639, dat zijn poorten sloot in 1726.
  • De Gecroonde Theepot, theepotbakkerij/rood aardewerk van Ary de Mile, opgericht in 1689, die zijn productie staakte in 1724.
  • Buitenwatersloot, plateelbakkerij, opgericht ca.1669-1717/1732.
  • De Hollandsche Daelder, 1696 - 1708/1721.<