Oude Nederlandse ambachten / beroepen

Vrijwel complete lijst van oude Nederlandse ambachten / beroepen met details

Aalvrouw 
Vrouw, die met aal ventte (o.a. in Amsterdam) Deze vrouwen waren zeer bedreven in het levend villen van de alen.

Aannemer

O.a. aannemer van de verlichting der straten, van publieke werken e.d.
Functie bij de postdienst.
Aanplakker 
Verzorgde bekendmakingen van openbare brieven, afkondigingen, ambtelijke besluiten en dergelijke door middel van aanplakking van biljetten op openbare plaatsen.
Een aanplakker werd ook wel reizende bode genoemd.

Aanpikkerateur

  1. Kraanhulp, ook wel aan- en afhoeker, is/was werkzaam bij het laden en lossen met behulp van een hijskraan om de lasten aan de kraan te bevestigen, of los te maken.
  2. Persoon, die moest zorgen dat de wagons van het spoor los- dan wel aangekoppeld werden. Staand tussen twee wagons, die aangehaakt moesten worden moest hij de koppeling tot stand brengen: Als de koppeling van de ene wagon over de neus van de andere schoof moest hij de schroefsluiting bevestigen en de luchtrem aansluiten, een en ander in samenspel met de machinist.

Aanspreker
Een persoon, die de familie en vrienden van de overledene ter begrafenis nodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening der begrafenis belast is. Hij wordt ook Nodiger, Boodschapper, Doodbidder, Lijkbidder, Groefbidder of Leedaanzegger genoemd. De titel "aanspreker" is van de vroegere gilden afkomstig. Iedere gildeknecht was de aanspreker van zijn gilde. Bij de lijkstatie ging hij, als leider van de rouwstoet, vóór de baar uit. Later, toen in de grote steden men dikwijls geen lid meer was van een gilde, waren er andere personen nodig om het werk te verrichten, wat anders de gildeknecht deed. En ofschoon het eigenlijk geen "aan-spreken" meer was, maar een bekendmaken, bleef de oude titel toch in zwang 

Aapjeskoetsier
Koetsier van een aapje = huurrijtuig

Aardemeter
Controleerde de klei, vroeger aarde genoemd, op kwaliteit voor de aardewerk-industrie.

Aardetrapper
In de aardewerkindustrie mengde men verschillende soorten aarde(klei) tot de juiste kwaliteit werd bereikt. Dit mengen werd gedaan door aardetrappers. Op een houten vloer trapten zij de klei tot grote koeken. Dat gebeurde blootsvoets, zodat oneffenheden goed gevoeld konden worden.

Aardewasser
Klei, vroeger aarde genoemd, bestemd voor de aardewerkindustrie moest na aankomst eerst gewassen en gezuiverd worden. Dit werd gedaan door aardewassers, die meestal buiten de stadsmuren werkzaam waren vanwege de grote watervervuiling die het wassen veroorzaakte.

Aardewerkschilder
Voor het beschilderen hadden de pottenbakkers aardewerkschilders in dienst. Schilderen op de ongebakken glazuurlaag vereiste grote vaardigheid want de glazuurlaag zoog/zuigt de verf snel op, zodat correctie niet meer mogelijk is. Voor seriewerk maakte men gebruik sponzenNaast het pottenbakkersmerk vindt men vaak ook de vermelding van degeen die het product beschilderde. Dit was gespecialiseerd werk want de aardewerk- of porseleinschilder moest werken met kleurstoffen die tegen de temperaturen tijdens het bakken bestand waren.

Aardewerkventer
Rondtrekkend verkoper van aardewerk.

Aardmaker (walker)
Met spa werd de kleibult afgegraven en per kruiwagen naar de walkplaats gebracht; daar bracht de aardmaker de klei in lagen aan terwijl hij tussentijds water toevoegde.

Aardschieter (zie kleigraver)

Aardvletter
Schipper die met een vletschip aarde of klei vervoerde.
Een vletschip is een klein vaartuig van hout, staal of (tegenwoordig) kunststof, oorspronkelijk een platboomd vaartuig, een soort praam.

Aardwerker
Aardwerk is het verwerken van aarde of grond ten behoeve van huizenbouw, dijken, sloten/kanalen, vestingwerken enz. Een aardwerker is een arbeider, die grondwerk verrichtte. Tegenwoordig grondwerker genoemd. Het was een zwaar en slecht betaald handwerk. Bij het graven van bijvoorbeeld een bouwput stond men dikwijls tot aan de enkels in het grondwater. Het begrip "aardwerker" was tot in de negentiende eeuw nog in gebruik. 

Accijnsmeester

De accijnsmeester was belast met de inning en registratie van accijnzen (belastingen).

Accishuysmeister
Zie ook accijnsmeester.
Huismeester die zich met de accijnzen (belastingen) bezig houdt.

Achterleenman
Het woord “achter” voor leenman wordt meestal weggelaten. Oorspronkelijk soldaat in dienst van een leenheer. Hij ontving geen soldij maar een stukje erfelijk land van de leenheer. De leenheer zelf was meestal ook leenman en in dienst van de graaf of een bisschop. Nakomelingen van een (achter)leenman noemden zich vaak welgeborenen.

Achtermeid
Dienstbode op een boerderij, die werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het bedrijf. Voor de huishouding waren er de boven- en/of keukenmeid.

Adelborst 
Jongeling behorende tot de adel dan wel het patriciaat, die als aspirant-officier wordt opgeleid tot officier bij de Vloot der Verenigde Nederlanden en later de Koninklijke Marine, ook in dienst van de V.O.C.

Aderlater 
Zie chirurgijn

Administrateur
Administrateur van o.a. de Weeskamer. Voerde de administratie.

Admodiateur 
Een soort rentmeester. Hij was verpachter van landerijen, in dienst van de Domeinen en Geestelijke goederen.
Adsisent - Assistent
Politieagent, Diender

Advocaat
Rechtsgeleerde. Voordat in het verleden iemand tot de balie werd toegelaten, werd hij eerst door de president of door een van de Raden van den Hove "eerstiglijk, getrouwelick ende sonder simulatie" ondervraagd.
Het ging hierbij om het volgende:
1. Of hij met goede manieren, verstande ende rijp en raede begaafd was;
2. Of hij uyt wettelijken huwelicke geprocreëerd was.
3. Of hij van de Christelijke Religie was.
4. Of hij gheleert was, den tijd, daertoe gheordineert, ghestudeert hebbende: ende of hij eenigh teeken van toekomende neerstigheyd is thoonende.
5. Of hij in de Rechten gepromoveert is, ende in wat plaetse hij zijnen titel verkregen heeft 1).
Vervolgens moest de advocaat de eed afleggen. Deze eed hield in "getrouwheid aan den stadhouder, eerbied voor de Magistratuur, goede zorg voor de practijk, en dat hij geen zaak zou aannemen die onregtvaardig was".
Die eed moest jaarlijks hernieuwd worden binnen dertien dagen na de eerste gerechtsdag. Een termijn, voor hen die elders woonden, met nog twee dagen verlengd, alles "op poene van een gouden carolus gulden".

Rechtsgeleerd  raadsman in en buiten proces, verdediger in civiele- en strafzaken, dateert reeds uit het oude Rome. 

Afbaarder

Hiermee werd de persoon aangeduid die

-die bij de schelpenvisserij oesters en mossels ontbaardde.
-in metaalgieterijen de overtollige uitsteeksels verwijderde van de voorwerpen die uit de gietvormen kwamen.

Afbraakkoper
Sloper.

Afdoender 
Zie ook vilder.
Een afdoender is hetzelfde als vilder, verwerker van dode dieren. Deze beroepsaanduiding vooral gevonden in het zuiden van ons land en in België.
Aangezien het een vuil beroep was trok de afdoender zijn vuilste kleren aan. Daarom werd een haveloos en slordig gekleed iemand ook wel als afdoender betiteld.
Naast de huiden, ook van katten en honden (dit laatste o.a. om geprepareerd te worden tot kleedje), werd zo veel mogelijk van het dode dier hergebruikt.
In België wordt een afsnijder van hopranken ook wel afdoener genoemd.

Afdrager

  1. Persoon die in een steenbakkerij de met klei gevulde vormen van de vormer vervoert naar de droogplaats.
    (vaak jongen, meisje of vrouw)
  2. Persoon die in een glasblazerij de nog gloeiendhete producten naar een koeloven vervoert.

Affuitmaker 
Maakte onderstel waarop de loop van een kanon rust en dat diende om de vuurmond tijdens het schieten stabiliteit te geven.

Aflegger, vr. aflegster

De persoon, die lijken aflegt, d.w.z. ontkleedt en ze kleedt ( bijv. doodshemd) om gekist te worden.

Afscheepster, afscheper
Vrouw, resp. man die voor het bevrachten, resp. ontschepen zorgt van vrachtschepen.

Afschrijver 
Copiïst of Kopiïst. Maakte afschriften van documenten.

Afsetter
Ook afzetter, verluchter.

  1. Zowel het kleuren van kaarten als het aanbrengen van het schrift daarop werd in de zestiende tot de achttiende eeuw als beroep uitgeoefend. Dit afschilderen gebeurde op allerlei niveau's, waarbij hun werk zich niet alleen tot landkaarten en plattegronden beperkte. Ook allerlei ander prentwerk werd door hen van kleuren voorzien. We kennen van artistiek en technisch perfecte inkleuringen tot het routinematig aanbrengen van kleuren langs grenzen en in kartouches en kompasrozen.
    In het notarieel archief 112, folio 216v, notaris J.F. Bruyningh in het gemeente archief te Amsterdam komt de tekst voor van een contract. Op 1 januari 1609 verbindt Carel Gallier (met zijn jongen) zich voor een jaar met Jacob Morgenrood te Amsterdam om het "afzetten off d''affschilderinge van alderley cunste, caerten, globes en hetgeen daartoe behoort" te leren. Dit in werkweken van dinsdag tot zaterdagavond van 's morgens zes  uur tot 's avonds acht uur!

  2. Persoon die houten of stenen beelden beschilderde zoals de religieuze beelden, die een belangrijke rol vervulden in het Rooms-Katholieke leven

Afslager
Persoon, die bij een openbare verkoping belast is de afslag te regelen. Het afslagerschap behoorde in het verleden tot die ambten, waarmee mannen van aanzien zich graag lieten bekleden.

Alchimist
Beoefende een primitieve vorm van scheikunde. Hij probeerde onedele metalen om te zetten in goud o.a. door middel van de steen der wijzen. Als voorloper van de chemie was de alchimist van belang voor het opdoen van praktische kennis. De alchimist werd verdrongen door de natuurwetenschappen.

Alias
Liefhebber, speelman

Altarist 
Zie vicaris.

Aluinmaker, -koker, -zieder

Bereider van aluin. Dit kon/kan gewonnen worden uit in de natuur voorkomende mineralen als aluinschilvers of worden vervaardigd door het vermengen van klei of bauxiet met zwavelzuur. Aluin in opgeloste toestand werd gebruikt door papiermakers en leerlooiers, in de verfindustrie als beits. Verder als gorgeldrank of in de vorm van aluinstaafjes waarmee men de huid na het scheren behandelde.

Ambachtsbewaarder 
Lokale bestuursfunctionaris van een kleine bestuurskring(ambacht = vrije heerlijkheid)Ambachtsheer 
Hij bezat het recht van lage jurisdictie en de heerlijke rechten in zijn ambacht.
Die rechten waren o.a. het aanstellen van een schout, het recht van tol, jacht, (wind)molens, visserij, eendenkooi, zwaandrift, aanwas enz.
Gewoonlijk voerde de ambachtheer de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam.

Ambtbode
Bode in dienst van de ambtman.

Ambtman
Een ambtman (amtmann) was beheerder van het landgoed van een vorst of andere heerser. Hij zag toe op het onderhoud, het kappen en verwerken van het hout en was belast met het innen van o.a. de woudpacht. Het gebied dat hij beheerde werd wel ambtmannie genoemd.
Ook: persoon in dienst van de overheid, belast met de rechtssspraak in een bepaaald gebied.

Ambtmansdienaar
Persoon in dienst van de Ambtman.

Ansjovisvisser
In de Schelde werd o.a. door vissers uit Bergen op Zoom speciaal op ansjovis gevist, die graag werd gegeten en daarom een goed prijs opbracht. Ze werden weervissers genoemd omdat ze daarbij gebruik maakten van speciale fuiken, waarden of weren, die tot een km lang konden zijn.

Ankerkuilvisser

Visser die in de rivieren aasvis ving met behulp van een kuilnet, dat met behulp van een anker in de rivierbodem vastgezet was.

Ankerslager
Ook ankersmid genoemd.
Dit is iemand die scheepsankers maakte. Echter is het ook mogelijk, dat het een smid was, die muurankers vervaardigde. Muurankers werden vroeger ook dikwijls in de vorm van een jaartal gesmeed en gebruikt aan de voorgevel van een gebouw. Met muurankers werd de balklaag aan de muur verankerd.Antycksnijder
Deze sneed voornamelijk beelden en figuren in hout op zijn “antycks”, d.w.z. naar het voorbeeld der Ouden die men trachtte te evenaren. 

Apotheker
Een apotheek was van oudsher een werkplaats en winkel waar geneesmiddelen werden toebereid en verkocht. Het werk van de apotheker was "'t prepareren der medicamenten". De apothekers moesten daarom "de Latijnse tale redelicker wijse verstaan"

Appel(en)meter, vr. appelmeetster

  1. Beambte belast met de kwaliteitscontrole van appels.
  2. Persoon die appels met behulp van een ton met een bepaalde inhoudsmaat afmeette om de hoogte van de voor die vruchten geldende accijns vast te stellen.

Appelkoopster
Koopvrouw in appelen

Apprêteur, appreteerder
Iemand die met behulp van appret papier, karton of textiel behandelde: het versterken met vulstoffen.
Als appretuurmiddelen werden/worden o.a. stijfsel, lijmsoorten en gelatine gebruikt.

Arbeider 
Loontrekkend werkman, dagloner.
Iemand die in dienst van een ander (zware) arbeid verricht(te).Armboogschutter, armbostier, armbrostier 
Boogschutter.Armborstmaker, armbrostier, ook bogemaeker 
Vervaardiger van kruis- en handbogen. Ook vervaardigde hij de pijlen.Arm(en)meester 
Lid van een burgerlijk of parochiaal armbestuur, ook charitaatsmeester genoemd.

Artillerie(y)meester
Ook wel busmeester genoemd.
Persoon in dienst van een stad, belast met het toezicht op de ammunitie en de wapens.

Artsenijmenger 
Uitoefening der artsenijmengkunst is het bereiden en tot geneeskundig doel afleveren van geneesmiddelen. In Voorgeslacht deel 3, pag. 202 wordt opgemerkt dat destijds de chemie de artsenijmengkunde nog zo goed als geen ondersteuning leverde, maar vooral op zoek was naar een middel om onedele metalen te veranderen in goud en zilver.

Aschkooper
Handelaar in potas. Potas (kalium-carbonaat) werd vroeger uitgeloogd uit hout-as en weleer in potten verzonden. Potas werd onder andere gebruikt als onderdeel van de zeepfabricage. Vandaar dat askopers dikwijls tevens zeepzieders waren. 

As(ch)molenaar

Exploitant van een as(ch)molen. In as(ch)molens werd hoofdzakelijk potas vermalen. Dit product werd verkregen uit berkenhout dat eerst werd verbrand. Naast potas werd ook weedas (as van eikenhout), kalk en soda geproduceerd. Deze producten werden gebruikt voor het bleken van garen, dat grote aftrek vond bij de zeildoekweverijen. 

Aschman
Vuilnisman

Aschwerker
Zie Aschkooper.
Bereider van potas.

Askramer
Een (kleine) handelaar die de afvoer van as (vuilnis) regelde.

Assayeur
Zie essayeur.
Keurmeester van goud en zilver.

Assessor
Is een persoon die de voorzitter terzijde staat, toegevoegd bestuurlid (vooral in de Academische Senaat, in studentenvereniging en kerkvergadering)

Assuradeur 
Vroeger ook assureur en asssureerder.
Iemand die zijn beroep maakt van het verzekeren tegen brand, ongevallen, gevaren ter zee ed. nu in ver vorm van verzekeringsmaatschappijen.Astrologist 
Astroloog. Deze hield en houdt zich bezig met de theorie dat de hemellichamen invloed uitoefenen op de aanleg en het lot van de mensen, wat tot uitdrukking wordt gebracht in op te stellen horoscopen, schema’s van de stand van de sterren en planeten op het tijdstip van de geboorte en gezien vanuit de geboorteplaats.Asvaarder 
De asvaarders hadden in steden met grachten tot taak as en huisvuil af te voeren naar een aangegeven stortplaats.
Aventurier 
(Avonturier, storier)
Beroepsomschrijving. Een avonturier is daar dan een rondreizend koopman. 

Azijnmaker
Azijn is een kruid- en conserveringsmiddel met als essentieel bestanddeel azijnzuur, gewonnen door de zogenaamde azijnzure gisting uit alcoholische vloeistoffen of door verdunning van gezuiverd azijnzuur of azijnessence. 

Baaidrapier, baaispinner, baaiwever, baaiwerker
De baaidrapier, was de ondernemer, die baaien stoffen liet vervaardigen. De baaispinner spon de voor het weven benodigde en geschikte garens, de baaiwerker was betrokken bij het vervaardigen van baai, de baaiwever weefde baai voor diverse doeleinden. Baai is een dik en grof weefsel, een op molton gelijkend flanel. In de Middeleeuwen sprak men van “baelsch laecken”. Baie is afkomstig uit het Frans in de betekenis van roodbruin, de kleur van paarden.  Baai werd voor vele doeleinden gebruikt. Zo droegen vrouwen in de zeventiende eeuw “baaijen sokken, die ook wel ”besuynen” genoemd werden. Ook droeg men baaien hemden. In de negentiende eeuw waren de rood-baaien borstrok en onderrok nog heel gewone kledingstukken.

Baakenmeester

De baakenmeester was belast met het beheer van de bebakening op zee.

Baakster, baker
Voorloopster van de kraamverzorgster.
De vroedvrouw of vroedmeester begeleidde de bevalling, de baker verzorgde de zuigeling en verluierde deze o.a., zittend in de bakermat, een tenen of houten mand, door een hoogoplopend ruggescherm tegen tocht beschut. Eerst werd de baby in een linnen en vervolgens in een daarover geslagen wollen luier gesloten en daarna met een lange zwachtel van beneden tot de oksels zo stijf omwonden dat het de beentjes niet kon bewegen (het z.g. zwachtelen of inbakeren). Een en ander zou het kind voor kromme benen, lies- en navelbreuk behoeden en zorgen voor een rechte gestalte en brede schouders. Aan hen is de term “bakerpraatjes” ontleend. Door hun zeer beperkte medische kennis, klopte het lang niet altijd wat ze zeiden.

Baander, baanster, baan(ders)gast, baanderknecht, baanmansknecht, baanspinner, baan- of lijndraaier.
Zie ook touwdraaier, touwslager.
Bovengenoemde termen zijn benamingen van de werkman die bij de touwslagerij in de lijnbaan loopt. De spinbaan, ook spinpad of lijnbaan genoemd, was een vijftig tot vijfhonderd meter lange baan, waar het spinnen (draaien) plaats vond. 

Baanderheer (banderheer, baanjerheer, bij verkorting banjer, in oudere vorm ba(n)nerheer)
Een soms erfelijke titel van edelen die het recht hadden onder hun banier hun welgeboren mannen ten oorlog te voeren; hetzelfde als baanrots, dat inzonderheid in Vlaanderen  en Brabant voorkwam. Van oorsprong was de baanderheer de naast de opperheer rijdende of staande ridder, drager van ’s vorsten baanier (teken van het opperbevel en verzamelpunt van diens volgelingen). Het hoge ambt werd wel tot een souvereine titel en erfelijk, zodat baanderheren ook onder “eigen” banier optraden.

Baanwachter
De baanwachter, ook wel overwegwachter genoemd, was in dienst van de spoorwegen. Hij woonde in een baanwachtershuisje bij een bewaakte spoorwegovergang. Telkens als er een trein in aantocht was moest hij de spoorbomen naar beneden draaien. Dikwijls wat het een functie waarbij ook de vrouw betrokken was. Zij bediende de spoorbomen bijv. overdag en de man deed het dan ’s nachts. Zowel de man als de vrouw droegen een uniformjas.

Badstoofhouder

Exploitant van een badstoof, een badinrichting. Eigenlijk een verwarmd vertrek waar men een bad kon nemen. 

Baejdrapier
Zie baaidrapier

Baertscheerder, baardscheerder
In hedendaagse taal: een barbier.
In hedendaagse taal: een barbier. Een beroep, dat in het verleden meestal samenging met dat van chirurgijn.  Als herkenningsteken van hun beroep, hadden de baardscheerders een ronde paal in de kleuren rood, wit en blauw aan de gevel staan. Van oudsher werd deze paal een vlaggestok genoemd, later bekend als barbierspaal. "De vlaggestok van ouds het onderscheidingsteeken van zulke barbiers of chirurgijns, die als heelmeesters gevaren hadden. Later werd echter het uitsteken van de vlaggestok aan barbierwinkels algemeen.

Baggelaar 
Arbeider, die in het laagveen het veen uit de petgaten baggerde met behulp van een baggerbeugel.

Baggelaar, baggerman 
Een arbeider, die sloten en grachten uitbaggerde. Dit gebeurde met behulp van een baggerbeugel. Voor het grotere werk maakte men gebruik van een baggerschuit met daarop een baggermolen, die door mensen- of paardenkracht in beweging werd gehouden.

Ba(a)kenmeester
Vroeger ook baakmeester, in Zeeland bakenaar.

  1. Den Baakmeester sal in den Lantaeren alle avonden ….. aensteken, en den geheelen nacht brandende houden drie Lampen, die van verne sullen konnen gezien werden. 
  2. Later bevoegd ambtenaar van Waterstaat die zorgdraagt voor de afbakening van de vaarroutes. Ook is hij de schippers en gezagvoerders behulpzaam bij het in- en uitvaren van de havens. Zo nodig kan hij bij overtredingen proces-verbaal opmaken.

Bakker
Men kent verschillende soorten bakkers. Het meest voorkomend waren de brood- en de banketbakkers. Ook waren er beschuit- en suikerbakkers. Verder de pannenbakkers ( = dakpannen-), de plateelbakkers, de pijpen-, de steen-, en tegelbakkers. Zij komen bij de betreffende letters aan de orde.

Balansenmaker, balansenmaaker
Op de zeventiende eeuwse luifel van een balansenmaker stond weleer te lezen:
"Al houd deze man veel van speelen, drinken en danssen, Nochtans levert hy curieuse Gewichten en Balanssen"
Waaruit op te maken valt dat de man niet alleen uitblonk in het maken van weegschalen, maar ook in het vervaardigen van gewichten. Een uiterst nauwkeurig werk, want die gewichten dienden aan een belangrijke eis te voldoen, namelijk het juiste gewicht aangeven. Die gewichten moesten daarom geijkt zijn. De winkelier wiens gewichten niet geijkt waren kon in het verleden rekenen op een forse boete. 

Baleinwerker, baleinsnijder
Een balein is een reep veerkrachtige stof, gemaakt uit de baarden van de walvis. Het Latijnse woord balaena en het Middel-Nederlands baleine betekenen dan ook walvis. Baleinen werden gebruikt voor het in model houden van kledingstukken zoals bijvoorbeeld een keurslijf.

Baljuw
Een baljuw was de vertegenwoordiger van de landsheer of de heer van een heerlijkheid met hoge of criminele jurisdictie. Dat wil zeggen, dat hij zware misdrijven mocht berechten en lijfstraffelijke rechtspleging kon vorderen. Zijn ambtsgebied heette baljuwschap. Tot 1572 werd het ambt van baljuw meestal verpacht. Daarna tot 1795 werd hij door de Staten benoemd.

Ballaster 
Zandschipper, die aan uitvarende schepen ballast verkoopt.

Ballenmaker
Ballen voor diverse doeleinden, werden al naar het doel van hun gebruik, gedraaid van hout of been, soms van ivoor. Dikwijls had de ballenmaker een gouden bal als uithangteken aan de voorgevel van zijn bedrijf.
Maar behalve ballen, vervaardigde deze vakman dikwijls nog veel meer:
“Ik draai werp-tollen, klossen, houte stijlen en klooten. Ook palmhoute stokken, om die door de poort aan de pen te stooten”, aldus een zeventiende eeuwse ballenmaker te Rotterdam
Tot een van de balspelen, die vroeger beoefend werden, behoorde het klootschieten. Hierbij moest een met lood gevulde bal over de zogenaamde klootbaan gerold worden. Omstreeks 1500 raakte ook het kegelen in zwang. Verder werd er gekolfd, eveneens een oudhollands balspel, gespeeld op een kolfbaan, waarbij de bal met een korfstok werd weggeslagen. De kolfbal werd gemaakt van zacht wit schapenleer en gevuld met koe- of kalfshaar.

Bandeliermaker
Vervaardigde brede draagriemen of -banden, die over schouder en borst gedragen werden, bijv. om er de sabel of degen aan te hangen, patronen in de steken of dienende tot sieraad.

Bandwever 
Band is een geweven lint van linnen, katoen of fluweel. Een bandwever is iemand, die werkzaam was in een bandweverij.
Zie verder onder Lintwever.

Bankhouder
Houder van een bank (van lening).

Barbier-chirurgijn
Zie onder Baertscheerder en Chirurgijn.

Bardesaenmaecker
Vervaardiger van bardisaens of pertisaens (was een soort hellebaard die vooral in de strijd tegen de cavalerie werd gebruikt).

Beddenverhuurder
Verhuurder van bedden. 

Bedelvoogd
Naam ten tijde van de Republiek van gerechtsdienaar die landlopers en bedelaars moest vervolgen.
(“Ten einde alle Vagabonden, Schoyers en Beedelaars te beeter uit onse Landen werden geweert en de Officieren in het apprendeeren en bewaaren van criminele Misdadigers ook spoedige adsistentie kunnen bekoomen, zo authoriseeren …. wy …. Regenten en geërfden der respective Dorpen en Heerlykheeden, van … aan te stellen … een of twee Beedelvoogden. (anno 1777).

Bedmaakster 
Vervaardigster van beddegoed.

Bedrijfsboer
Beheerder van een boerderij namens de eigenaar, zetboer.

Beeldsnijder
Beeldsnijden is het beeldhouwen in hout of ivoor. In de tweede helft van de vijftiende eeuw had de kunst van het snijden en beeldhouwen in hout een bijzondere hoogte bereikt. Bij het maken van bijvoorbeeld kasten, kwam de kastenmaker of schrijnwerker op de tweede plaats. Het echte mooie werk werd uitgevoerd door de beeldsnijder. 

Beendraaier, beensnijder
Bewerker van been.

Behanger
Behangt,  stoffeert en verkoopt tapijten, gordijnen, behangselpapier, gang- en traplopers enz. Nog steeds bestaand beroep.

Behangselmaker
Zie ook behangselschilder.
Iemand die wandbekleedsel maakt van doek of papier (vroeger ook van leer) dat op wanden van vertrekken aangebracht werd.

Behangselschilder
Geschilderd behang was in vroeger tijden een zeer populaire wanddecoratie. De op doek geschilderde taferelen hadden zich vanuit de zeventiende eeuw ontwikkeld tot een ware kunst. Door een toenemende vraag naar geschilderd behang, vooral door de rijke adel en de beter gesitueerde koopmansstand, werden er in de achttiende eeuw zelfs behangselateliers opgericht. Daar werkten schilders aan "de lopende band" aan het fabriceren van het behang. De voorstellingen op het geschilderd behang waren uiteenlopend van aard. Vogels en vee, bloemwerken, landschappen al dan niet gestoffeerd met mensenfiguren, boeketten en slingers. Dit alles in fraaie kleuren. Op den duur leidde die fabrieksmatige aanpak tot een vervlakking van deze vorm van schilderkunst. Door het veranderen van de interieurmode werd zo rond 1800 het beschilderde linnen vervangen door het goedkopere bedrukte papieren behang.

Beltknaap
Ophaler van vuilnis in de stad.

Berenleider
Persoon die met een gedresseerde beer rondtrok en met het laten doen van kunstjes door die beer een inkomen trachtte te verwerven.

Bergenvaarder
Schipper, die op Bergen in Noorwegen voer om daar stokvis in te laden bestemd voor Amsterdam. Het Bergenvaardersgilde in de hoofdstad - één van de oudste gilden van Amsterdam - werd opgericht in 1539 toen de scheepvaart vanuit Amsterdam op Bergen begon toe te nemen..

Besteedster
Een besteedster zou je kunnen zien als de eigenaresse van een achttiende eeuws uitzendbureau. Zij verhuurde namelijk dienstboden aan een ieder die dit kon betalen. In vroeger jaren zag men aan sommige deuren in dichtbevolkte straten een lang smal bord uitsteken met: Hier verhuurt men meisjens en minnemoers 
Deze minnemoers waren vrouwen, die het kind van een ander aan de borst hadden. Uiteraard tegen betaling. 

Bestelder, besteller, bestelster
Man of vrouw, die brieven of goederen bezorgde in opdracht van derden zoals een postdienst of veer.

Bestelmeester
Hoofdopzichter, beheerder en bestuurder van een aanzienlijke (vorstelijke) bezitting.

Betielbakker
Betiel is een dialectische nevenvorm van plateel.
Zie Plateelbakker.

Beuker
Dialectische benaming voor kuiper, evenals bodeker.
Zie Kuiper.

Beul
Ook o.a. scherprechter, scarprichter en scharprichter genoemd
(zie ook Scherprechter)

Beurtschipper
Beurtvaart is een vaste vaart op gezette dagen onderhouden door beurtschippers. Zij onderhouden een geregelde dienst tussen twee of meer plaatsen. In Nederland bestond al vroeg een heel netwerk van beurtschippers.

Bevlechter

Bevlechter van vooral voorraadflessen. Iedere glasfabriek waar men flessen produceerde had ook een vlechterij. De meest luxe vorm was de “demijohn”, die van bodem tot hals was ingevlochten, vaak nog met een draaghandvat. Een “korffles” of “mandfles was het meest voorkomende type. Deze was over het borstgedeelte apart omvlochten door een soort deksel, waaruit de hals stak. Het vak moest men in de praktijk leren en ging over van vader op zoon. Je wat pas vakman als je een goede bodem kon maken. Het gereedschap maakte men zelf. Als materiaal werden hoofdzakelijk wilgentenen gebruikt. Een volleerd vlechter kon, afhankelijk van de grootte, per werkdag 8 tot 10 flessen bevlechten.

Bezembinder
Ook wel Besemmaaker genoemd.
Boenders en bezems werden weleer gemaakt van oude dopheide. In maart en april werd deze dopheide met de blote handen geplukt. De heide kerfde de handen, waardoor uit tientallen wondjes tijdens het plukken bloed te voorschijn kwam. De heide werd vervolgens gedroogd en daarna gebonden om er bezems van te maken. Een zeer zwaar werk, omdat de bundels stijf moesten worden aangehaald. Bezembinden was bij andere beroepen vergeleken een onaanzienlijk ambacht. Dikwijls ook was het seizoenwerk, dat bovendien nog slecht werd betaald.
Rijsbezems werden  in het najaar en het winterseizoen vervaardigd uit berkentwijgen. De berk is zeer dicht en fijn vertakt en als zodanig de meest geschikte grondstof voor de rijsbezems. De voor een bezem bestemde takkenbos werd eerst met een touw bijeengehouden en daarna met een stuk ijzerdraad op twee plaatsen flink ingesnoerd. De bezemmaker zaagde vervolgens het boveneinde recht en klaar was de bezem. Een lange gepunte stok werd er doorgaans door de afnemers zelf ingeslagen.

Bierbeschooier
Persoon die tappers en anderen voorziet van van buiten ingevoerde bieren, inzonderheid te Amsterdam, waar in 1631 een gild werd opgericht.

Bierdrager, Bierwerker

Zij verzorgden zowel het lossen van de vaten bier uit de schuiten naar de kelders van de Bierstekers, als het vervoer van bestellingen door particulieren of tappers. Bierdragers werkten aan de Bierkaai
Bierdragers - zij werkten volgens vaste voorschriften en vastgestelde tarieven - dienden zich onder andere beschikbaar te houden in hun wachthuis. Het was zwaar werk. Bier werd gevaat in tonnen van 155 liter, ook wel in halve of vierendeelstonnen. Het lossen gebeurde meestal met wippen of kranen, die op de bierkaai stonden. De vracht werd op een door paarden getrokken slede naar de klanten vervoerd.

Bierkoper
Zie Biersteker.Biersleper
Zie Bierdrager.

Bierste(e)ker
Ook bierkoper en bierbeschooier, bierhandelaar.
Eigenlijk was hij een soort tussenhandelaar, want het bier mocht niet rechtstreeks vanuit de brouwerij aan de consument worden verkocht. En een biersteker van toen had een druk leven, er waren namelijk nogal wat verschillende soorten bier. Om er maar een paar te noemen: Israël, Farao, Delfts en Haarlems bier, kuytbier, Engels bier, scheepsbier dat langer houdbaar was, de zware Duitse moutbieren als het Bremer, Hamburger en Jopenbier. Verder was er dikbier en het goedkope dunbier. Dit laatste werd ook wel scharrebier genoemd en was van geringe kwaliteit.
"Scharrebier was de drank voor de gewone man en daarom ook aan geen excys onderworpen. 
Bierstekers mochten volgens contract alleen van bepaalde brouwers bier kopen. 

Biezensnijde
Eeuwenlang is Genemuiden het centrum voor de verwerking van biezen geweest. De biezen waren daar volop aanwezig. In de negentiende eeuw werd de vraag naar biezen zo groot, dat ze ook van elders moesten worden aangevoerd. De biezensnijders stonden dag  in dag uit met lange lieslaarzen of laarsbroeken aan van vroeg tot laat in het water, dat vaak koud was. Waar het water te diep was of de ondergrond te drassig werd de bies vanuit een punter gesneden. Rond de langste dag is de bies volgroeid. Ze moeten dan zo snel mogelijk worden gesneden omdat ze anders kwalitatief sterk achteruitgaan. Biezen werden/worden evenals het riet met de snit afgesneden. De geoogste biezen worden tot bossen met een omtrek van een meter gebonden met behulp van een biezen streng. 100 bossen noemt men ook hier als bij de rietsnijders een 'vim'.
Op het vaste land worden de bossen losgesneden en 'in sprei' gelegd. (waaiervormig uitgelegd) om ongeveer drie dagen te drogen. Daarna worden de bossen weer met een speciale hark (krabber) bij elkaar geharkt en opnieuw tot bossen gebonden. Deze bossen worden dan nog ongeveer twee weken aan 'stoepen' (schoven) gezet. Vervolgens gaan ze twee tot drie weken 'aan de mijt'. Voor ze uiteindelijk definitief onder dak gaan kunnen ze indien nodig nog een keer worden gedroogd om schimmel e.d. te voorkomen.

Bilder
De bilder scherpte molenstenen met behulp van een bilhamer.

Binnenmoeder
Vrouw belast met het dagelijks toezicht en het regelen van de dagelijkse gang van zaken in weeshuizen, armenhuizen, leprahuizen, pesthuizen enz.

Binnenvader
Zie ook Binnenmoeder.
Man belast met het toezicht op het mannelijk personeel en de gebouwen van weeshuizen, armenhuizen, leprahuizen, pesthuizen enz.

Blaasbalgmaker
Een blaasbalg - in de volkstaal ook wel blaasbalk genoemd - is een werktuig tot het samenpersen en uitblazen van lucht en werd onder meer gebruikt om een vuur beter te doen branden. Ook bij kerkorgels werd gebruik gemaakt van blaasbalgen (zie orgeltrappers)
Blaasbalgen werden in alle afmetingen gemaakt, afhankelijk van het doel waarvoor zij gebruikt werden. De materialen die voor het maken van blaasbalgen gebruikt werden waren leer, hout en koper(beslag). 

Blauwdrukker

Naast het blauwverven kwam ook het blauwdrukken van textielstoffen tot ontwikkeling Een combinatie van beide lag voor de hand. Er werd toen niet rechtstreeks gedrukt. Oorspronkelijk werden de drukblokken uit buksboomhout gesneden. Later, in de negentiende eeuw, werden de dessins uit vele kleine stiften gevormd die in een cliché van perenboomhout werden gezet. Deze drukblokken waarbij de grote vlakken met vilt opgevuld waren en de fijne lijnen door koperen strookjes en pinnen waren aangegeven, dienden om de drukpap op het weefsel te stempelen. Deze drukpap, waarvan de receptuur uit de vijftiende of zestiende eeuw stamt, bestond o.a. uit een mengsel van Arabische gom, witte tabakspijpenaarde, kopervitriool, groenspaan, potloodsuiker, potloodsulfaat, aluin en groenspaan. Op die plaatsen nam het doek de verf niet aan als de stukken stof de verfpot ingingen. Na droging werd de pap weer verwijderd. Een blauwverver beschikte al gauw over een flinke voorraad drukblokken. In 1836 telde bijv. Enschede zes blauwdrukkerijen.

Blauwverver
In oude archiefstukken ook wel Blaueverwer genoemd. In het productieproces van de lakennijverheid, was het verven van het laken misschien wel de belangrijkste bewerking. Als het laken was geweven, ging het naar de verver. Deze bereidde zijn verf in grote ketels, die hij eerst vulde water waaraan zaagsel en wat gemalen meekrap werd toegevoegd om het water te verzachten. Als deze stoffen hun werk hadden gedaan werden ze verwijderd en werden plantaardige verfstoffen en beitsmiddelen als aluin en urine. Voor de kleur blauw werd oorspronkelijk  een in Thüringen gekweekte plant gebruikt, wede. Later, na het op gang komen van de vaarten naar het verre Oosten werd dit vervangen door het betere indigo. (Dit is later weer vervangen door indanthreen blauw). Het mengsel werd aan de kook gebracht en dan roerde de verver - meestal bijgestaan door enige knechten - met lange stokken de lakens urenlang door het dampende verfbad.Terwijl de stof zorgvuldig werd gedraaid, veranderde de kleur van het water door de toevoeging van zuurstof van groengeel in blauw. Door andere grondstoffen toe te voegen kon men voor kleurschakeringen zorgen. Wanneer de kleur zich aan het laken had gehecht, werd de stof zorgvuldig uitgespoeld. In de tijd van de lakennering duurde het afwerken minstens een en soms twee tot drie dagen. Een blauwverver uit die tijd kon op deze maniewr drie tot vier kuipen per week afwerken.
In de latere tijd ziet men dat het verfbad veranderingen ondergaat. Boven de kuip kwam een ijzeren kroonring te hangen waar de te verven of bedrukte stof werd gespannen, waarna men de stoffen met de ring onderdompelde. Dat werd zo dikwijls herhaald tot de stof de gewenste kleur had. Een nauwkeurig werk, want de schoonheid en de deugdelijkheid van de kleuren waren immers doorslaggevend voor de handelswaarde van het laken. Na het verfbad werden de lakens goed uitgespoeld en buiten aan palen te drogen gehangen. Soms hielden de wevers het weven en het verven in eigen hand. 

Blecker, bleckaert (blekker)

Persoon die (eike)bomen en wilgentenen ontschorst en dus blank maakt.

Eikenschors werd met de bijl verwijderd en was destijds nodig voor de leerlooierijen.
Om wilgentenen van hun bast te ontdoen werden ze eerst in een sloot gezet, waardoor ze weer gingen uitlopen, waardoor de bast gemakkelijker los liet. Het ontbasten gebeurde met behulp van een bleekijzer Daarna werd de tak een slag rondgedraaid en nogmaals door geslagen. De bast hing dan aan vellen aan de tak en kon door hulpkrachten gemakkelijk worden verwijderd. De gebleekte wilgentenen werden gebruikt door manden- en tonnenmakers en gevlochten tot matten als basis bij de aanleg van dijken.

Bleekvrouw
De  welgestelden stuurden hun wasmanden met vuile kleding naar (was)plaatsen. De middenstand en de wat minder welgestelden wasten veelal op maandag en dinsdag  thuis, waarna het door bleekvrouwen  gebleekt werd. 

Bleker
Eigenlijk een verzamelnaam voor hen, die zich bezighielden met het bleken of reinigen van linnen, lijnwaden, garens en kleding. Zie verder onder: Garenbleker; Kleerbleker; Linnenbleker; Lijnwaadbleker.
De uit vlas vervaardigde linnen garens en geweven linnen stoffen werden al vroeg vervaardigd door de boeren, die vlas verbouwden. Deze garens en stoffen werden gebleekt om ze aan aantrekkelijker aanzien te bezorgen. Naast het produceren voor eigen gebruik begon in de late Middeleeuwen, vooral in de Zuidelijke Nederlanden, de productie voor de handel zich uit te breiden. In die tijd ontstonden er beroepsblekerijen. 

Blikslager
Blik is geplet en vertind plaatijzer, uitgeslagen in dunne bladen. De man die ermee werkte werd blikslager genoemd. Een beroep dat soms samenging met dat van koperslager. Van blik werden allerlei huishoudelijke voorwerpen gemaakt o.a. trommeltjes, ketels, tabaksdozen, bussen en voorraadblikken.  Later ontwikkelde zich dit tot een blikindustrie die o.a. op grote schaal conservenblikken vervaardigde, maar ook nog steeds andere bewaarblikken.

Bloembollenreiziger
Een bloembollenreiziger, ook wel vertegenwoordiger in bloembollen verkocht bloembollen in het buitenland, o.a. Duitsland, Rusland, Scandinavië, de VS, China en Japan. Ze waren een paar maanden per jaar onderweg, ten dele handelend voor eigen rekening. In het laatste geval kochten ze in het voorjaar de bollen in bij de Nederlandse kwekers en probeerden ze dan elders in de wereld aan hun potentiële klanten te verkopen, waarbij men vooral op een bepaalde regio was gericht.

Blokmaker, blookemaker
Een blookemaker of blokmaker is iemand die houten scheepsonderdelen vervaardigde zoals blokken (katrollen), schijven voor takels, maar ook dweilstokken, marsen, pompen, rolpaarden (onderstellen van kanonnen), roeiriemen, vlaggestokken en windbomen maakte, veelal voor schepen, ook in dienst van de V.O.C.

Bode
Er bestonden van oudsher verschillende categorieën van boden. Iemand die brieven of pakjes naar bepaalde steden of gewesten vervoerde en een bode in dienst van het gerecht of van het gemeentebestuur.
De reizende boden waren te Amsterdam al bekend in 1400, maar geregelde posten werden pas na 1568 ingesteld. 
Een geheel ander type bode was de dienaar die vanwege het stadsbestuur fungeerde. Dan als aanzegger, maar ook als de man die namens de burgemeester iemand kon dagvaarden. Hij was dus zoveel als deurwaarder. Traden de burgemeesters en de schepenen van tijd tot tijd af, de bode niet. Hij bleef. De bode was beëdigd en droeg als zinnebeeld van de gemeentelijke overheid een roede of staf. Vandaar ook, dat gesproken werd van gezworen roedragende bode of roedrager.  Die bodestaven waren dikwijls - als uiterlijke tekenen van een zekere macht - fraai versierd. Meestal werden ze vervaardigd van een harde houtsoort en voorzien van een zilveren kn

Bodeker
Ook Beuker.
Streeknaam voor Kuiper.

Boedelschikker, boedelscheider, boedelberedderaar

Man of vrouw, aangesteld door de overheid om nagelaten of failliete boedels af te wikkelen, o.a. door het organiseren van een openbare verkoping.

Boekbeslager
Voorzag boekbanden ter versterking of versiering van een metalen beslag.

Boekbinder
Het boekbinden is zowel een nering als een kunst.
Men maakt onderscheid tussen de handboekbinderij en (later) de machinale (kantoor)boekbinderij, beide met speciale functies.
In de handboekbinderij heeft men naast de eigenlijke boekbinder o.a. de handvergulder, de persvergulder, de sneevergulder, de marmeraar, bij de machinale binderij naast de machinebinder de linieerder.
De handvergulder vervaardigde aan de hand o.a. met bladgoud van een model titels en versieringen. De persvergulder deed dit met behulp van een pers.
De sneevergulder verguldde de afsnee van de boekblokken.
De marmeraar kleurde de schutbladen van boeken. Hiertoe werden marmerverven in geprepareerd grondwater toegevoegd in de marmerbak, waarna met kammen het gewenste dessin werd verkregen voor men het papier er in dompelde.
De linieerder bediende de linieermachine. Eigenlijk is dit meer drukkers- dan bindersarbeid. 

Boekdrukker
Druktechniek waarbij gebruik wordt gemaakt van o.a. lettermateriaal, waarbij het deel dat moet worden afgedrukt hoger staat dan het gedeelte dat niet moet worden afgedrukt. Naast blokdruk, het afdrukken met behulp van houtblokken, waarbij de tekst en eventuele afbeeldingen, dusdanig worden uitgesneden, dat het af te drukken deel uitsteekt, is de hoogdruk vanaf rond 1450 tot pakweg 2000 de voornaamste manier van drukken geweest.
Het losse lettermateriaal wordt opgeborgen in laden, de letterkasten, ingedeeld volgens een vast systeem.Naast het losse lettermateriaal wordt ook gebruik gemaakt van machinezetsel (zie machinezetter).
Met behulp van een zethaak (zie Handzetter) of (regel)zetmachines wordt de drukvorm naar behoefte opgebouwd uit letters, (punt)lijnen, clichés (al dan niet gerasterde afbeeldingen of lijnclichés) en numerators. Eerst wordt een proefdruk vervaardigd en zo nodig gecorrigeerd. Hierna wordt de vorm in de drukpers geplaatst en kan het eigenlijke drukken beginnen. De drukmachine varieerde van een handdegeltje en een o.a. Heidelberger (electrische) degel tot meerkleurenpersen waarbij op ieder persdeel een kleur wordt afgedrukt.
Na het drukken volgt zo nodig de nabewerking zoals rillen (bijv. voor de vouw bij familiedrukwerk), vergaren en schoonsnijden van het gedrukte.
Is een drukklus geheel afgerond dan kan het zetsel weer worden gedistribueerd, voor zover men het niet voor herdrukken bewaart.
Naast de groten waren er ook vele eenmansdrukkerijen, waar de drukker alles in zijn eentje moest doen.

Boekenkramer
Rondreizende boekenverkoper.

Boekhandel 
Dikwijls was de drukker ook uitgever en verkoper van de door hem gedrukte boeken.

Boekvergulder
De boekvergulder werkte nauw samen met de boekbinder. Hij bracht in goud de versieringen aan op de boekomslag. Dit gebeurde door middel van goudfolie en een stempel dat verhit werd. Niet alleen de band werd fraai versierd, ook de snede, de drie door de binder, na het binden, recht afgesneden zijden van het boekblok. De snede werd dan verguld en soms met bepaalde rolstempels geprofileerd.

Boekverkoper
In het verleden was een boekverkoper tevens boekdrukker. 

Boekweitmolenaar
De boekweit is als graansoort in de vijftiende eeuw in West- Europa ingevoerd uit Azië. 
In die tijd sprak men van "boecweit", letterlijk beuktarwe, omdat de korrels overeenkomst vertonen met beukenootjes. De uitgang "weit" duidt op het witte meel dat van de korrels verkregen wordt. Dit gebeurde met de boekweitmolen tussen stenen. 

Boendermaker
Een boender is een werktuig om mee te schrobben. Een lange boender voor vloeren en gangen, een platte boender voor houtwerk en een heiboender voor potten, vaten en gootstenen. Ze werden dikwijls vervaardigd van varkenshaar. De heiboender werd van heide gemaakt. 

Boer
Eigenlijk is iedereen, die zich op een eigen of gepacht bedrijf beroepsmatig bezighoudt of bezighield met landbouw- en/of veeteelt, boer. Hoewel het aantal boeren ieder jaar kleiner wordt, zal het voorlopig geen verdwenen beroep worden. Wel is de bedrijfsvoering nog steeds aan veranderingen onderhevig.
Oorspronkelijk zal men zich, meestal als (kleine) groep gevestigd hebben op plekken, waar men zich in leven kon houden, waarbij ieder een erf kreeg toebedeeld. De in cultuur te brengen gronden waren mogelijk eerst gemeenschappelijk bezit. Ongetwijfeld is al spoedig differentiatie opgetreden, bijv. door vererving of door persoonlijke macht. Het is waarschijnlijk, dat men al vroeg ook gebruik maakte van slaven, verkregen als krijgsgevangene, geroofd of geruild. Sommigen werden tot grootgrondbezitters, die delen van hun grondbezit verpachtten aan horigen. Soms ook zullen boeren al dan niet vrijwillig hun eigendom aan landheren hebben overgedragen in ruil voor bescherming. Kerkelijke gemeenschappen als parochies en kloosters kwamen geleidelijk aan eveneens in het bezit van veel grond, die ze ten dele zelf exploiteerden, maar ook verpachtten.

Allengs ziet men in het verleden verschillende soorten boeren verschijnen, o.a.:
de grootgrondbezitter, al zal deze zich geen boer noemen, die een of meer boerenbedrijven (met daarop pachtboeren) leidde (men denke o.a. aan de oude adel),
de boer, eigenaar, of pachter, die een wat groter bedrijf exploiteerde,
de meier, die (een deel van) de grond pachtte (in Groningen o.a. beklemde meiers), maar daar zijn eigen opstallen op had staan,
de keuter, die een klein bedrijf had, en het boerenbedrijf met slechts enkele koeien en geen paard, uitoefende, de koemelker, keuter in Friesland, die als bijverdienste koeien van derden molk in loondienst,
de horige, in feite een vorm van slavernij. Ze waren gebonden aan de grond en aan de heer. Zij waren bijv. geen eigenaar van hun grond en gebouwen. In ruil voor het gebruik hadden ze verplichtingen, zoals het afstaan van een deel van de oogst en het verlenen van hand- en spandiensten. Vroeger waren ze ook verplicht hun heer te helpen wanneer deze werd aangevallen. In druk en via het internet is hierover de nodige documentatie te vinden.
Ook kwamen mengvormen voor, bijv. boer met eigen grond, die ook een stuk grond als beklemde meier in gebruik had.

Bogartman

Exploitant van een bogaard (bongerd) of gaarde met vruchtbomen, o.a. appels, peren en kersen.

Bokkingro(o)ker
Het roken van haring waardoor deze kon worden verduurzaamd geschiedde in bakstenen bouwsels, z.g. rook- of bokkinghangen, kamers met of zonder deur met in de zijkanten richels, waarin de speten (houten roeden) pasten waaraan de haringen werden geregen. De richels begonnen op manshoogte en gingen met een hoogteverschil van 30 cm door tot de nok van de “hanger”. Aan een speet  gingen zo’n 20 haringen. De haring kon op verschillende manieren worden gerookt en kreeg verschillende benamingen. Voor het hout werd in het begin het afvalhout van de scheepswerven gebruikt.

Boksenmaker
Ook wel geschreven als boxemaker.
Mogelijk de vervaardiger van een soort beenbekleding, maar eigenlijk een broekenmaker. Hoewel het woord "bokse" in feite (broeks)pijp betekent, wordt er ook mee bedoeld "een wijde broek gelijk door zeelieden gedragen". 

Broeken werden gemaakt van verschillende soorten stof. Zo had je "rood baaye broexkens met flanel gevoert", verder broeken van fluweel, linnen of manchester. Opmerkelijk is, dat voor vrouwen de (onder)broeken pas in de zeventiende in zwang kwamen, zij het niet algemeen. Tot in de twintigste eeuw bleven ze hier en daar buiten gebruik. Ook kende men damesonderbroeken zonder kruis. De bovenbroeken van weleer hadden nog geen lange pijpen. Het waren broeken die om de kuit met linten waren toegestrikt. De broek werd gesloten met een broeksband om de middel. Die broeksbanden werden "gemeenlyk verciert met groote Zilveren Knoopen; dikwerf met twee paar, één aan de Onder- en een aan de Bovenbroek" En om het nog deftiger te maken werden er door de broekenmaker zilveren knopen aangebracht bij de afsluiting om de kuiten.

Boldraagster
Zie ook bolloper, bolloopster.
Broodverkoopster,

die met mand brood haar klanten bij langs ging.

Bollenbakker
Met warme bollen vierden de voorouders hun heiligavonden, hun verjaar- en luilaksdagen, hun verhuis- en schoonmaakfeesten. 

Bolloper, bolloopster
(Fries: bolrinner, bolrinster)
Broodventer (vr.: broodvenster) die met een korf brood de klanten bij langs ging. Als regel leverde dit  maar een armelijk bestaan op. Het Friese woord voor brood is bôle, niet te verwarren met bolle = stier en de vooral in Noord-Holland destijds bekende bullo(o)per. Zie aldaar.

Bombazijnwerker
Bombazijn is een bepaalde geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde of uit zijde, kemelshaar en katoen. Later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren of geheel uit kamgaren vervaardigd. In het begin van deze eeuw werd bombazijn vervaardigd uit ketting en inslag van katoen. De stof werd veelal gebruikt voor voering en het maken van "werkmans ondergoed". Een bombazijnwerker is dus iemand die bovengenoemde stoffen weeft of verwerkt. 

Bontwerker
Ook wel pelser genoemd.
Iemand wiens beroep het is pelswerk te bereiden of te bewerken. In vroeger tijden werden de bontwerkers ook wel "grauwwerckers" genoemd.

Boodschapper
Noder ter begrafenis. Zie Aanspreker.

Boogmaker, booghmaecker, boghemaecker

"Een boog is een wapentuig, bestaande uit een stok of reep van taai hout, riet, staal of andere veerkrachtige stof, gebogen door middel van een tusschen de beide uiteinden gespannen pees, streng of koord. Vanouds tot op de uitvinding van het buskruit het voornaamste schietwapen", aldus een definitie uit het begin van deze eeuw. Deze definitie was wel te simplistisch. Al in prehistorische tijden kende men de boog als (jacht)wapen. In de riddertijd voor het tot ontwikkeling komen van de vuurwapens was de boog een belangrijk wapen. Men onderscheidde drie hoofdtypen. Uit de handboog werden de kruisboog en de voetboog ontwikkeld.

Bij de handboog kwamen naast de eenvoudige boog enkele varianten tot ontwikkeling. De gelaagde boog werd vervaardigd uit drie of meer stroken van hetzelfde basismateriaal. Bij de gevoerde boog kwam de versterking tot stand door het toevoegen van een ‘voering’op de rug met dierpezen.. De samengestelde boog werd gemaakt van verschillende materialen, die elkaar versterkten.
Bij de kruisbogen was de boog bevestigd aan een “lade”, die het mogelijk maakte de boog te spannen en te ontspannen, eerst met de hand, later met behulp van mechanische kracht. Men kende daarbij verschillende systemen: o.a. voetbeugel en handkracht, koord en katrol, ingebouwde hefboom, windas (bij de sterkste bogen),  (De chinezen kenden zelfs een repeteerkruisboog, die zelfs in de negentiende eeuw nog werd gebruikt.

Met een goede kruisboog en de juiste pijlen kon men zelfs een harnas doorboren. Op gegeven ogenblik werden harnassen getest. In oude nog bestaande harnassen kan men dan een deukje zien (bij de schouder).
In tijd van oorlog en bij de jacht op groot wild maakte men gebruik van pijlen. Bij de jacht op vogels of klein wild gebruikte men kruisbogen waarmee men stenen of ronde kogels kon afschieten.
In het Middelnederlands wordt het beroep omschreven als "boochmaker" en "boghe-maecker". 

Boomsluiter
Deze was belast met het sluiten van de in het water drijvende bomen, waarmee ’s nachts de toegang tot de vaarwegen binnen de steden werden afgesloten.

Bootsman
Tweede schipper aan boord van oorlogsschepen. Ook functie bij de V.O.C.

Bootsmansmaat
Onderbootsman. Ook in dienst van de V.O.C.

Boratwever, boratwercker
Borat is een bepaalde geweven stof, voorheen gewoonlijk bestaande uit zijde en wol. Het werd voor allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen. Maar ook voor mantels. De boratwever behoorde tot hetzelfde gilde als de droogscheerders, greinwerkers en stofjeswerkers. Merkwaardig is dat vroeger een mindere soort van sajet (zie sajetfabricage), gebruikt voor het stoppen en mazen van kousen, zowel door de winkelier als door de huisvrouw, brat werd genoemd.

Bordenmaker
Oorspronkelijk platvormer in de aardewerkindustrie. De bordenmaker werkte met twee jongens. Een jongen vormde de te gebruiken blokken klei en legde die op de persvormen, waarna de bordenmaker het bord vormde. De tweede jongen bracht de vorm met het geperste bord naar de droogkast en nam de lege vorm (moule) mee terug.

Borduurder
Een ware kunstenaar op zijn vakgebied. Een borduurder, ook wel "borduerwercker" of "borduerder" genoemd, moest "veel stuckskens ende draetkens van verscheydene verwen konstelick ende aerdighlick aen malkanderen voeghen, alsoo datter een schoon beelt, ofte ander fraey werck van komt". M.a.w. Borduren is een kunst waarbij met behulp van naald en draad versiering op het oppervlak van een stuk geweven stof (de 'grond') wordt aangebracht. Het vormt dus geen geïntegreerd deel van het weefproces zelf. In het middeleeuwse borduurwerk werden ook parels, cameeën,halfedelstenen, edelstenen en motieven van zuiver goud toe. Enerzijds werd borduurwerk beoefend als liefhebberij, anderzijds werd het beroepsmatig gedaan, in eerste instantie ten behoeve van de rijkende heersende klasse zoals vorsten, andere aristocratie en (hogere) geestelijken. Later zorgde de toenemende rijkdom van de kooplieden voor een nieuwe markt. 

Borstelmaker
Ook schuyermaker
Zie ook kwastenmaker.
Vervaardigde producten zijn borstels, bezems, stoffers en kwasten. Borstel en kwastenmakerijen waren destijds relatief grote bedrijven, die soms zelfs een paar honderd mensen in dienst hadden. De werknemers hadden ieder hun eigen deeltaak. Ook was er was een duidelijk verschil tussen de kwasten- en de borstelmakers.
Voor borstels werden verschillende vezel- en haarsoorten gebruikt afgestemd op het eindproduct dat tamelijk gevarieerd was. Als voorbeeld: bakkerstoffer, busborstel, glazenborstel, handstoffers in diverse uitvoeringen, luiwagen, ragebol en scheerkwast
Bij de vervaardiging van borstels en bezems kende men verschillende deeltaken:
De vezelbereider, die de vezels sorteerde en op lengte sneed.
De pekker. Deze bevestigde de vezelbundeltjes met pek in de daarvoor bestemde gaatjes.
De intrekker. Dit was een functie die later in zwang kwam: voor de bezems en het grove borstelwerk werd het vezelmateriaal met dun koperdraad in de gaatjes getrokken.
De afwerker, die borstels en bezems afwerkte: bijsnijden, lakken enz.

Bosjesmaker (in sigarenmakerij)
Arbeider(sleerling) die bosjes maakte (oorspronkelijk met de hand, later ook met de bosjesmachine). Dit hield het wikkelen van het omblad om het binnengoed in (waarna het omwikkelen van het dekblad plaatsvond).

Bosschieter, busschieter, busseschieter

  1. Kanonnier, zowel op het land als aan boord van schepen
  2. Soldaat met een bus, destijds de naam voor een draagbaar geweer, ook in dienst van de V.O.C.

Bossemaker
Ook roermaker.
Zie Bussemaker.
Geweermaker.

Bostelvoerder
Vervoerder van bostel, het afval van mouterijen, dat als veevoer diende.

Boterkramer
Handelaar in boter. 

Bottelier
Beheerder van de drank- en voedselvoorraad aan boord van zeeschepen. Ook functie bij de V.O.C.

Botteliersmaat 
Hulp van de bottelier. Ook functie bij de V.O.C.

Bouckvercoopster
Verkoopster van boeken.

Bouwman
Eigenlijk iemand die het land bewerkt, bebouwt. Een landbouwer, een akkerman. De landbouwers waren afhankelijk van het weer en ook van de bodemgesteldheid. Zo verbouwde men vroeger langs de Wadden in hoofdzaak haver. Wat meer zuidelijker lagen de drogere, zwaardere gronden, geschikt voor erwten en bonen. Daarvoor moest men de grond diep omploegen. Toen de achttiende eeuw al flink was gevorderd verbouwde men koolzaad, dat er goed gedijde door het kalkgehalte en de niet te droge bodem. De kleibodem van West-Friesland leende zich uitstekend voor de verbouw van groenten en ooft. In Zuid-Holland, waar de klei doorsneden werd met veenstroken verbouwde men gerst, tarwe, haver en bonen. In het Rijn-Maasgebied volgde men - om de bouwlanden geschikt te houden - een eigenaardig stelsel. Het eerste jaar zaaide men tarwe of gerst. Het tweede jaar verbouwde men tarwe en in het derde jaar werd er haver, rogge of klaver gezaaid. In Twente werd ook sporadisch rogge zowel als boekweit verbouwd, maar de vlasteelt trad meer op de voorgrond.

 

Brander

  1. Iemand die (in)brandt, met behulp van een brandijzer tekens op iets aanbrengt.
  2. In de steenbakkerij de werkman die de gevormde stenen in de oven opeenstapelt om gebakken te worden.
  3. Iemand wiens beroep het is brandewijn of jenever te stoken.
  4. De ambtenaar die van overheidswege de houten maten, (haring)vaten, biertonnen enz.,(zelfs doodkisten) met een brandijzer merkt.
    (Alle maackers van doodkisten …. (sullen) gehouden …. zyn den brander te laten halen, als deselve kisten van binnen geheel bequaam,
    en sonderlinge de boodemplancken doorgaans gepekt, ende met mosch digt gemaakt zijn, Utr. Placaatb. 3, 535 a van 1655).
  5. Kalkbrander. Ongebluste kalk werd gewonnen uit schelpen in kalkovens.
  6. Stoker in een fabriek.

 

Brandewijnbrander
Brandewijn is een alcoholische drank verkregen door distillatie uit gegiste grondstoffen. Dat zijn vloeistoffen waarin door gisting alcohol is ontstaan. Men gebruikt hiervoor graan, druivesap, vruchten of de wortel van de gentiaan. De brandewijnbranders waren van oudsher gebonden aan strenge regels. 

Brandewijntapper
Eigenlijk een waard, een caféhouder die voor iedereen die een borrel van node had, een glas brandewijn tapte. Een glaasje, dat ook wel brandemoris werd genoemd. Dikwijls waren bij de brandewijntapper ook andere zaken verkrijgbaar.

Brasem

  • een brasem is in de nu bekende betekenis een vis.
  • vroeger gebruikt om een opgeschoten jongen of meisje aan te duiden, leeftijdsgroep die we nu tiener plegen te noemen
  • leerjongen Bijvoorbeeld: Bakkersbrasem, leerjongen bij een bakker

Bratwerker
Zie Boratwever

Breeuwer
Scheepstimmerman die het breeuwen of kalefaten verstaat en dat werk uitoefent. Dit was nodig in de tijd van de houten schepen om de naden tussen de planken zo goed mogelijk af te dichten.

Breier
"Zulke personen, die door middel van priemen hand- en beenkleederen, van garen met mazen of steken in elkander werken, noemt men breiders of breidsters". Hoe dat breien in zijn werk gaat:
"Tot het breiden worden gemeenlijk vier dunne, ijzeren, koperen, stalen of zilveren priemen gebruikt. Drie derzelve gebruikt men, om er de noodige mazen op te hebben en den vierden, om eene rij nieuwe mazen om of bijlangs het voorwerp te vormen. Ten dien einde steekt men den priem door iedere maas, slaat de draad er over, haalt dezelve, bij wijze van een oogje, door die maas en schuift de oude of vorige maas van den priem; en zoo gaat deze werking bestendig voort, tot zoolang, dat het voorwerp gereed is. Men vervaardigt door de breidkunst: kousen, handschoenen, sokken, slaapmutsen, mutsjes, armkleederen, moffen, dassen, borstrokken, hemdrokken, onderbroeken, hoofddeksels, omslagdoeken, kousebanden en draagbanden".

Briefschilder
De briefschilder kleurde in feite afbeeldingen met behulp van sjablonen. In boekdruk vervaardigde illustraties zoals landkaarten enz. werden ingekleurd door de in te kleuren afbeeldingen te bedekken met een papier, waar de ruimte voor de gewenste kleur was uitgespaard en daar met een in de verfstof gedompelde tampon over heen te strijken. Later werd dit o.a. bij interieurdecoraties veel gebruikt. Ook de vlokdruk, een veloursimitatie, werd met behulp van sjablonen gerealiseerd. Later werd deze techniek bijv. ook gebruikt voor de vervaardiging van reclame- en straatnaamborden. Ook nu worden sjablonen van papier, metaal en kunststof nog veel gebruikt.

Brievengaarder
Man, resp. vrouw die als beambte belast was met het ontvangen, resp. uitgeven van poststukken op een plaats waar geen postkantoor was gevestigd. Zijn of haar huis fungeerde als hulppostkantoor.

Brijker
Pel- of brijmolenaar. Zie verder pelmolenaar.

Brillenmaker
Wanneer de eerste brillen in Nederland werden gemaakt, is niet bekend. Omstreeks 1300 zou "te Haerlem in Hol- De Brillemaaker lant" de "berylle" reeds zijn gebruikt als hulpmiddel bij het lezen. Algemeen wordt in de historie Zacharias Jansen uit Middelburg gezien als de uitvinder van de bril en de verrekijker. Dat was dan op het eind van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw. "De kunst om oogglazen te slijpen en brillen zamen te stellen, is voorzeker niet alleen een der nuttigste, maar ook voor vele personen, die in hunnen vroegeren of lateren leeftijd door zwakte en gebrekkig gezigt, een der bevredigenste hulpmiddelen geacht" 
Oorspronkelijk waren de brillenmakers alleen in de steden te vinden. Daar woonde mensen als kooplieden, magistraten, advocaten, kortom, mensen die konden lezen en schrijven. Later, toen men op het platteland ook de leeskunst machtig was geworden, trok de brillenmaker er op uit met zijn houten kraam voorzien van allerhande soorten brillen om zijn waren te slijten. De klant probeerde die brillen stuk voor stuk, net zolang totdat de juiste gevonden was en waardoor men het beste kon lezen. Pas in het midden van de vorige eeuw werd serieus aandacht geschonken aan de oogheelkunde en daarna werd de taak van de brillemaker overgenomen door de opticien.

Brillenverkooper
De brillenverkooper ging met een mand/mars gevuld met brillen in diverse sterktes de huizen bij langs om zijn brillen aan de man/vrouw te brengen.

Broodbakker
Brood, vanouds het meest gewone voedsel en dus een eerste levensbehoefte. Nog in het midden van de vorige eeuw wist men: "De broodbakker bekleedt onder alle maatschappelijke bedrijven, wat de nuttigheid en noodzakelijkheid aanbelangt, eene eerste plaats." Ook in het verleden kende men allerlei soorten brood. Zo had je het fijne "heerenbroot", er waren broodsoorten van haver, gerst en zelfs bonen. Door toevoeging van allerlei kruiden kon men veel variaties maken. In de vorige eeuw werd er van twee hoofdsoorten van brood gesproken. Ongerezen en gerezen brood. Het ongerezen brood werd gebakken van roggemeel. 

Broodventer, broodvenster
Verkoper/verkoopster van brood, die met een mand of kar langs de huizen gaat om brood e.d. te verkopen.

Broodweger
Door de stedelijke overheid aangestelde personen, die tot taak hadden het door de bakkers gebakken brood op gewicht te controleren. 

Brouwer
Bier is zo oud als onze beschavingsgeschiedenis. En dus het beroep van brouwer ook. Toch was het brouwen van bier tot in de middeleeuwen thuiswerk, gedaan door vrouwen als onderdeel van de huishoudelijke taak. 

Bruggentrekker
O.a. in Amsterdam kende men de hoge vaste bruggen. Voor de  ‘karrevoerder’ die zijn zwaar beladen handkar moest voortduwen, bij die bruggen tegen die stijle hellingen was dat geen eenvoudige zaak. Zeker in de winter als die bruggen ook nog glad waren. Die inspannende arbeid liet een nieuw beroep ontstaan: de bruggentrekker. Bij vele bruggen stond dan ook een man, die als er een kar aan kwam zich haastte om zijn haak, aan lang touw bevestigd, in een ring onderaan de kar te klemmen, het touw over zijn schouder te slaan en dan mee de vracht op de brug te hijsen, waarvoor hij dan een kleine vergoeding kreeg. Zij werden bruggentrekkers genoemd maar ook de naam ‘kar-ga-door’ werd gebruikt. Zijn beroep kreeg dus een voorname klank (cargadoor)

Bruneur, bruineerder, bruneerster, bruinmaker

  • Polijster (mann.), polijster (vr.) van o.a. wapens in een metaalwarenfabriek.
  • Oorspronkelijk man, resp. vrouw die metalen voorwerpen of o.a. verguldsel op boekbanden polijstte met bepaalde poeders en of een glad en gepolijst stuk staal (bruineerstaal). “Gout oft silver bruyneren”.

Bullo(o)per
(Noord-Holland)

Het bezit van een stier vergde een behoorlijk kapitaal. Daarom werden in vele (Noord-Hollandse) dorpen door de boeren bullestieken (later ook stierenverenigingen genoemd) opgericht. Voor gezamenlijke rekening werden dan een tot enkele stieren gekocht. Iemand die bulloper werd genoemd werd aangesteld om dan met een stier de boerderijen bij langs te gaan waar men een koe had die gedekt moest worden. Soms ook vond vervoer via een praam plaats. De bulloper kondigde zijn komst aan met behulp van een bulhoorn. De eigenaar van de koe of koeien betaalde voor de komst van de bulloper.  Een en ander is nu vervangen door (KI, kunstmatige inseminatie)
Bulloper was ook een nevenberoep van iemand die daarvoor een stier kocht en dus voor eigen rekening werkte.

Buskruitmaker
Buskruit is een poeder voor bussen, dat is geschut. Het zou in 1350 voor het eerst zijn toegepast. Het is een licht ontbrandbaar mengsel van houtskool, salpeter en zwavel. Vroeger sprak men van bussencruyt en bossencruyt. Het was bovendien een gevaarljk goedje en de stadsbestuurderen van weleer probeerden het zoveel mogelijk buiten hun muren te houden. 

Bussemaker
Ook wel bossemaker genoemd. In de middeleeuwen was "bus" een naam voor allerlei geschut. Later, in de zestiende en zeventiende eeuw was een bus een draagbaar vuurwapen, een geweer. Een bussemaker was dus een geweermaker.

Buurman
In het algemeen iemand die in dezelfde buurt (wijk van een stad, dorp) woont. Soms mede recht sprekende in het burengerecht.

Cachetsnijder
Snijder en graveur van zegels en penningen.

Caffawerker
Ook kaffawerker.
Caffa is een zijden weefsel van gebeeld of gebloemd fluweel. Er bestonden verschillende soorten caffa, "caffa ghefluweelt, oft Velourtez, ende andere soorten ende speciën van Zijde-Lakenen. Spaensche Caffa gespickelt bij ghemouchetteert, caffa geseyt de bois, caffa met Satynen gronde, caffa met Armezyden gronden." De caffawerker was dus arbeidzaam in de lakennijverheid. "Een tak van 17de-eeuwsche nijverheid, die hier indertijd bloeide, was de Trijpfabriek, waar gebloemde trijp, Caffas geheeten, werd gefabriceerd.  Veel van deze caffawerkers waren afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden. 

Calculator
Iemand die berekent hoeveel personeel en/of materiaal nodig is om bijvoorbeeld een gebouw te bouwen.

Caliotfabrikant 
Caliot is een fijne witte katoenen stof, oorspronkelijk afkomstig uit en genoemd naar de stad Caliot in India.
Cameraar 
Ook vermeld als camerwaarder
Eèn van de schepenen die voor een bepaald jaar aangewezen was om het financieel beheer van de stad te voeren.

Cameryxdoekwever
Wever van cameryxdoek, een fijn linnen weefsel.

Cargadoor 
Scheepsbevrachter
Iemand die voor zijn lastgevers schepen bevracht en ladingen in ontvangst neemt.Carotten-fabrikant 

Catechesemeester

Godsdienstonderwijzer.

Catechiseermeester, catechiseermeesteres
Man, resp. vrouw die godsdienstles gaf gebaseerd op de catechismus, het leerboek voor het godsdienstonderwijs voor de R.K. kerk waarin de godsdienst en zedenleer in de vorm van vragen en antwoorden uiteen werd gezet.

Celen-verkoper 
Ook wel ziel(en)verkoper genoemd.
(Jonge)mannen, vaak geronseld, die in dienst van de VOC traden, ontvingen schuldbewijzen op de kas van de Compagnie voor soldij. Zij gaven deze celen af aan aan de celenverkoper, die op zijn beurt voor hun kleding, voeding, huisvesting en zakgeld zorgde zolang de Indië-ganger nog in Holland was. De celenverkoper kon de schuldbewijzen pas te gelde maken wanneer de persoon in kwestie in Indië aan was gekomen. Gezien de grote sterfte tijdens de reis, was de kans vrij groot dat de betreffende ceel niet uitbetaald zou worden. De celenverkoper verkocht ze daarom vaak aan speculanten voor ongeveer de helft van de prijs. Waar zowel de celenverkoper als de speculant het een en ander wilden verdienen, kan men zich voorstellen wat de Indiëganger reëel van zijn voorschot in handen kreeg.

Cementmaker
Cement is een bindmiddel, bereid door het sinteren en vervolgens fijnmalen van kalk en mergel. Vroeger was tras een van de voornaamste cementsoorten. Tras werd gemalen van tuf- of duifsteen en de kwaliteit van de tras werd nauwkeurig in het oog gehouden. "Eenige quade of vervalschte Sement, te weten die van geen goede Duyvesteen gemalen is, of wel goet sijnde, met eenige specie of materie geen Sement wesende, is vervalscht." De tras werd gemalen in de trasmolen. Zo had in Haarlem de timmerman en molenmaker Batelaan op de Koudenhorn een molen gebouwd die door een paard in beweging werd gebracht. Met deze molen maalde hij van tufsteen tras of cement, die hij aan steenkopers verkocht. Deze steenkopers waren namelijk tot 1768 ook leveranciers van kalk en cement. Later gebruikte men om tras te malen grotere molens met zwaardere stenen, door twee paarden in beweging gebracht. Maar de techniek stond niet stil. In 1798 liet Marinus Wilhelmus van der Aa eveneens in Haarlem een cementmolen bouwen volgens het systeem van Macalester Loup. Deze molen werd door slechts een paard in beweging gebracht, maar leverde evenveel cement als een molen met twee paarden. Toen men weer later overging op stoomkracht, verdween de paardentrasmolen uit het stadsbeeld 

Chemist, chimist
Scheikundige. De later in gebruik gekomen term is chemicus.

Chirurgijn
Een beroep dat van oudsher samenging met dat van baertscheerder. 

Chocolademaker, chocolademaakster

Man, resp. vrouw die chocolade vervaardigde. De Spanjaarden namen de cacaobonen mee uit Amerika. En vanaf begin 17de eeuw ook in Nederland bekend. De cacaobonen werden oorspronkelijk in met wind-, mens- of dierkracht vermalen tot “Zeeuwse chocolaad” en omgezet in kleine, donkere en heel bittere cacaotabletten en –blokjes, de zogenaamde Zeeuwse koekjes, die ook heel vet waren omdat alle cacaoboter er nog in zat. Opgelost in warme melk of heet water ontstond een vettige cacaodrank, de socculate. Er ontstonden vele cacao verwerkende bedrijven in ons land. 

Chocoladewerker
De cacaobonen die na de ontdekking van Amerika naar Europa kwamen, bleven heel lang het alleenbezit van de Spanjaarden. Het gebruik van cacao drong slecht heel langzaam door naar het noorden. Cornelis Bontekoe schreef in 1685 een boekje "Over de kragten en 't gebruik van Chocolate". En omstreeks dezelfde tijd werd in Amsterdam chocolade als drank in het openbaar geschonken. Dit gebeurde in huizen waar het bordje uithing "Hier schenckt men seculate". Die chocoladedrank werd bereid door stukken bittere chocola te smelten waarin nog al het vet van de cacaobonen zat. Ruim de helft van het gewicht bestond zelfs hieruit. Dit maakte het drinken van chocola tot een wat vettig tijdverdrijf, dat menigeen te machtig was. Pas in 1828 vond Coenraad Johannes van Houten een manier uit om via mechanische weg dit vet te verwijderen en hiermee ontstond de cacaopoeder

Chyrurgus

Cichoreibrander
Producent van “peekoffie”, vervangingsmiddel van echte koffie. De bittere wortels van de chicoreiplant werden gedroogd, gemalen en verkocht als koffiesurrogaat in tijden dat de echte koffie schaars was. Napoleon had het Europese continent verboden handel met Engeland te drijven. De koloniale producten (zoals koffie) die Engeland exporteerde, werden daardoor duurder en mensen zochten hun toevlucht in een goedkope vervanger: cichorei. Ook toen echte koffie weer volop beschikbaar kwam, bleef men lang cichorei gebruiken als koffietoevoegsel. (Buisman)

Cichoreimaker
Cichorei is een samengesteldbloemige plant met blauwe lintbloemen. De wortel wordt door de bereider geroosterd en gemalen en als surrogaat of smaak verbeterend middel voor koffie in de handel gebracht.

Cijfermeester
Rekenmeester. 

Cipier
Zolang er gevangenissen bestaan, zo lang zijn er ook gevangenbewaarders of cipiers. En gevangenissen zijn al bijna zo oud als de mensheid. Van oudsher waren het kerkers in de kastelen en als gevangenis ingerichte stadstorens, later kwamen er rasp-, spin- en tuchthuizen. In het rasphuis moesten de gevangenen onder toezicht van de cipier het harde en zware Braziliënhout met een zware zaag raspen.

Ciseleerder, ciseleurder, ciseleur
Bewerker, afwerker van metalen (gegoten) voorwerpen met behulp van beitels en vijlen.

Coffyschenker
Zie koffieschenker.
Houder van een koffiehuis.

Collecteur

  1. Van overheidswege aangestelde gaarder, inzamelaar van diverse belastingen, imposten.
  2. Van overheidswege aangestelde verkoper van loten (o.a. Staatsloterij).
  3. Verzamelaar van stadsvuil.

Colporteur
Persoon, die de huizen bij langs gaat of op straat klanten werft voor uiteenlopende producten als boekwerken, boekenreeksen, loterijen, stofzuigers of radio’s.

 

Commandeur
Een militair gezag- of bevelhebber over een vesting of garnizoen; rang van een opperofficier bij de Admiraliteit, in de walvisvaart werd de kapitein commandeur genoemd en evenals de baas van een scheepswerf.

Commensaalhouder 
Iemand die kostgangers houdt.Commies 
Een veelal door de overheid benoemd persoon die toezicht houdt en indien nodig enig recherche werk verricht.
Men treft ze o.a. aan als:
Commies in dienst van de overheid of belastingpachter, die tot taak heeft het waken tegen belastingontduikingen  en het innen van de (inderecte)belastingen
Commies aan boord van de VOC- of WIC-vaarders, belast met de leiding van de handel
Commies ter recherche van de Admiraliteit van Rotterdam
Commies van de Hollandse Magazijnen
Commies, ontvanger van de gemeenelandsmiddelen.
Het is ook een titel van ambtenaren op de ministeries, de secretarieën en bij de posterijen, welk een zekere rang aangeeft die hoger is dan die van een klerk.

Commissaris
Gelastigde, gevolmachtigde, aan wie enig gezag is overgedragen of die namens een instantie is belast met toezicht en adviseren van zijn opdrachtgever(s).
Men treft ze aan als commissaris van :
de grote accijns
de ankersmeden
het ballastkantoor
de buitenlandvaarders
de beurtschippers
de 100ste penning
de huwelijkszaken
de nachtwerkers
de rekenkamer
de schuiten- of wagenveren enz.

Commissionair
Iemand die op eigen naam en tegen loon of provisie op order of voor rekening van een ander daden van koophandel verricht en overeenkomsten sluit. Ook bestaat commissionair in effecten en granen.

Compasmaker, compassemaker, kompasmaker
Vervaardiger van scheepscompassen.

Conciërge 
Huisbewaarder, doet ook vaak klein onderhoud, e.d. karweitjes. Hij is belast met de bewaking, het toelaten en aandienen van personen, regelt of houdt toezicht op de opening en sluiting. Met treft ze aan zowel in een tuchthuis als bij de Bank van Lening. Vroeger ook ambtenaar belast met het bewaren en verkopen van failliete inboedels.Conducteur 
Opzichter bij de artillerie- of geniewerken of in het oorlogsmagazijn.

Conducteur der brievenmalen

Brievenmalen zijn van oorsprong postzakken met brieven, die van de ene naar de andere plaats werden vervoerd. Voordat de spoorwegen in gebruik kwamen gebeurde dat o.a. per bode, postkoets, diligence of per schip/trekschuit. Als in 1839 de eerste spoorlijn wordt geopend is in de concessievoorwaarden van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij de bepaling opgenomen dat er op aanvraag van de postdirecteuren brieven moeten worden meegenomen als er een (tijdelijk) geen andere mogelijkheden zijn. De eerste vijf jaar wordt hiervan geen gebruik gemaakt, maar in 1844 gaan expeditiebedrijven met kantoren op verschillende locaties in de grote steden brieven ter verzending in ontvangst nemen en worden dan veelal in koffers in treinen meegenomen. Met de postwet van 1850 komt hier een einde aan. Er wordt dan een regeling getroffen voor het verzenden van losse brieven per trein. Afgegeven aan het station worden ze door de conducteur meegenomen de trein in, waar ze in het postrijtuig door de conducteur der brievenmalen gesorteerd en zo nodig afgestempeld werden. De eerste "Rijkspostrijtuigen" werden in 1856 in gebruik genomen. De spoorwegmaatschappijen werden bij wet verplicht de postrijtuigen zonder vergoeding tussen de reizigerstreinen op te nemen. In ons land koos men daarbij voor het systeem van postverwerking tijdens de rit. Het grote voordeel van dit zgn. "werkend vervoer" was, dat de postkantoren van afzending nu niet meer voor elke plaats van bestemming gesloten zakken behoefden samen te stellen. Voor plaatsen, die naar verhouding weinig post ontvingen, sorteerden de kantoren de brieven slechts op "richting" en de "conducteur der brievenmalen" zorgde in de trein voor verdere behandeling van deze brieven. Bij filatelisten waren deze poststukken populair om de afstempeling.

 

Confitemaecker 
Vervaardigde suikeren tempels en dergelijke, die op feestmaaltijden op tafel prijkten.Confiturier 
Maker en verkoper van jam.Conrector 
Onderdirecteur, leraar aan een gymnasium(vroeger Latijnse school)

Conroeyer, conroeymeester
Lakenwasser, resp. opzichter bij het lakenwassen.

Constabelsmaat 
Constaepel 
Bevelvoeder van geschut en munitie op een schip

Convooilooper, convooiloopster
Man, resp vrouw belast met het in orde brengen en bezorgen van de documenten, nodig voor het in- en uitklaren van de in-, resp. uit te voeren goederen.

Convymeester

Belastingambtenaar in havens(soort douana)

Coomenyhouder
Ook komeyhouder. Houder van een komeny. De coomenyhouder werd ook wel kooman, koomen, coman of comen genoemd.
Aanvankelijk gaat het om een winkel waarin zaken van de meest uiteenlopende aard, voornamelijk eetwaren en huishoudelijke artikelen te koop waren. Zij omvatten onder meer de zogenaamde vette waren als spek, ham, boter en kaarsen, verder bier, erwten, bonen, gort, meel, luiwagens, boenders, zwavelstokken en grauw papier. Er mocht niet alles worden verkocht.

Copiïst of copiëerder
(ook kopiïst of kopiëerder).
1. Copiïst, die men ook wel afschrijver noemde, zijn zij die de door een ander gestelde stukken "weder afschrijven, zoo dat hunne kopijen aan de oorspronkelijke stukken, wat den inhoud betreft, gelijk zijn. Hiertoe wordt gevorderd, dat iemand eene goede leesbare en vlugge hand schrijft; - de spelling en taalkunde, tenminste werktuigelijk, magtig is; - zindelijkheid, netheid en naauwkeurigheid in zijn werk toont; - groote geoefendheid en vaardigheid in zijne kunst bezit, en dat hij geheimhouding bewaart, waar dit gevorderd mogt worden".
2. Copiïst als tussenschakel tussen fotograaf en drukker. Hij had als taak het uitborstelen van de zinkplaat (later werden wat de offsetdruk betreft aluminium- en kunststofplaten gebruikt, die al van een gevoelige laag waren voorzien), het opbrengen van de gevoelige laag: copieerlijm of de eiwitlaag op de steen of zinkplaat met behulp van een tampon of een slingerapparaat. Het maken van klatsen (= ) in aniline op een glasplaat en het maken van indelingen, alsmede het monteren van diapositieven of negatieven op een glasplaat of film en het copieren daarvan op een steen- of zinkplaat met behulp van een copieerraam of -machine. Verder het ontwikkelen, diepetsen en afspoelen van de belichte copie en het drukklaar maken daarvan.

Coppelaetster
Zij zette koppen, als regel glazen bolletjes die verwarmd waren, zodat er weinig lucht inzat. Door afkoeling kromp het luchtvolume in en werd  de huid de bol ingezogen.

Cordewe(e)ner
Afgeleid van corduanier of cordewanier.
Maker van geiteleren schoenen of laarzen. De Spaanse stad Cordova is bekend om zijn leerindustrie.

Cornemuser
Musicus, die een cornemuse oftewel pijpzak bespeelde. Een cornemuse was een soort doedelzak, maar met een houten zak.

Corrector
Persoon, belast met het nazien en corrigeren van drukproeven.

Courantier
Iemand die een courant schrijft of uitgeeft.

Courantierse
Krantenverkoopster, krantenbezorgster 

Courant-ombrenger(looper)
KrantenbezorgerCourier
Renbode/IJlbode in de Franse tijd.Craam(be)waarster
Verzorgster van kraamvrouw met pasgeboren kind(eren). Zij was geen baker, min of zoogmin, die meer op de verzorging van de kraamkinderen gericht was.Craankinderen
Zie ook kraankinderen.

Crasseur

  1. Persoon, die in de metaalnijverheid en de scheepsbouw, op metalen voorwerpen als bijv. platen, cilinders, balken en buizen met behulp van een kraspen of vetkrijt aan moest geven waar er wat geboord, gestanst of gezaagd moest worden.
    Tegenwoordig is dat computerwerk.
  2. Iemand die strepen trekt bij het landmeten.

Cruydenier
Ook kruidenier.
Oorspronkelijk was de cruydenier zoals het woord reeds aangeeft plantkundige, in het bijzonder betreffende geneeskundige kruiden. 
Geleidelijk veranderde het assortiment en werd de kruidenier een neringdoende die in het klein specerijen, koloniale waren en grutterswaren verkocht. (De handel in grutterswaren werd daarvoor door grutters uitgeoefend). Door steeds meer artikelen in het assortiment op te nemen groeide het bedrijf van de kleine zelfstandige uit tot de supermarktketens van vandaag, waardoor veel kleinere zaken zich niet langer wisten te handhaven.

Daggelder
Iemand die voor dagloon werkt, met name landarbeiders, die zich verhuren voor allerlei boerenwerk zoals spitten, ploegen, zaaien, maaien, enz.

Dag -huurder
Dag -loner

Dagwacht 
Iemand die overdag wacht houdt in de stadspoort.

Dakpannenbakker
Zie Pannen(dak)-

  • pannenbakker

Damastwercker (-wever)

Men kende verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het een zijdeweefsel. Het woord is afgeleid van Damascus, waar de kruisridders reeds fraaie zijden weefsels aantroffen. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens.
In beginsel wordt damast uit één soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit.
In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later vooral als tafellinnen. Men kende dan ook verschillende soorten damast. Jacquarddamast werd op een jacquardweefgetouw vervaardigd.
Matrasdamast (damasttijk) wordt met grote patronen in twee kleuren met een kettingsatijn als grond en meestal een inslagsatijn voor de figuren geweven. Zogenaamd origineel damast wordt op een speciaal getouw vervaardigd. In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men in Vlaanderen figuraal damast van linnen garens te vervaardigen Bij het beelddamast overheersten in het begin bijbelse voorstellingen, later ook historische gebeurtenissen. Opvallend zijn de damasten met "banquet op tafel", dat wil zeggen met een patroon van borden, bestek en opgemaakte schotels. Motieven waren verder bijvoorbeeld druiveranken, eikebladeren, familiewapens, goden, godinnen, jachttaferelen en patronen op bestelling.
Doordat op het eind van de zestiende eeuw veel Vlamingen naar de noordelijke Nederlanden uitweken, ontstond ook daar een bloeiende damastweverij.
De damastwever schoot de spoel door de draden van de schering aan de hand van een weerkaart, waarbij hij per dag zo'n zestig centimeter vorderde. In de negentiende eeuw stierf het ambacht bijna uit, maar tegenwoordig is er een hernieuwde belangstelling.

Damhouder
Toezichthouder op de verlaten en duikers. Een verlaat is een schutsluis(je) voor kleine scheepvaart en duikers zijn kokers of doorgangen onder een weg, dijk of dam, die water afvoeren of inlaten.

Damlooper

Belast met toezicht over een dam of (zee)dijk.

Dammeester
Belast met toezicht over een dam of (zee)dijk.

Dansmeester
Onder "dansen verstaat men de kunst, om met vaardigheid de beweging der voeten, of de zoogenaamde passen, naar eene bepaalde maat, interigten. Zij, welke in deze kunst aan anderen onderricht geven, worden Dansmeesters genoemd." 1)
Oorspronkelijk was het dansen in de Nederlanden - zij het met beperkingen - geaccepteerd: "Wordt ook scherpelijck verboden op de voornoemde dagen .... Dansscholen of Kaetsspellen te openen, daer te spelen ofte gaen sien spelen .... voordat die Hoogh-Misse sal ghedaen wesen

Darmsnarenmaker
De vervaardiger van snaren voor muziekinstrumenten, later ook voor (tennis)rackets en voor de als "catgut" bekende soorten chirurgische garen. hiervoor werden speciaal de darmen van geiten en schapen gebruikt.Reeds de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen maakten gebruik van dergelijke snaren. 

Darmwasserij
Dit is een oud maar nog steeds bestaand beroep. Tegenwoordig gaan veel darmen naar China om daar tot worstenvelletjes verwerkt te worden.
Vroeger werden darmen van geslachte paarden, schapen, varkens, ezels, honden en katten voor uiteenlopende doeleinden gebruikt.
Het prepareren van darmen was geen aangenaam werk. De stank en smerigheid waren voor een buitenstaander onverdraaglijk. Ook de darmenwassers zelf stonken.
In de bedrijfsruimte stonden houten vaten, bakken en kruiken, gevuld met darmen in verschillende stadia van ontbinding. Bakken, kruiken en de werkvloer waren bedekt met halfverrotte resten, uit de darmen afkomstige uitwerpselen en vies goor water. Buiten was een stort voor die uitwerpselen en een vloer waarop dierlijk materiaal werd uitgespreid voor het kweken van maden. Deze werden verkocht als voer om kippen en ander gevogelte te mesten en aan vissers.

De darmen die men wist te verwerven werden in kuipen opgeslagen en zo snel mogelijk ontvet. De verse darmen werden bevochtigd en vastgeknoopt aan een pen. Met de ene hand werd de darm gespannen en met een mes in de andere hand werd het buitenste vlies en aanhechtend vet afgeschraapt. Gescheurde en beschadigde delen werden verwijderd. De schraapsels werden verkocht aan een zeepziederij. De afgeschraapte darmen werden in een half met water gevuld vat geworpen en dan stuk voor stuk binnenste buiten gekeerd, waarbij men op moest passen dat de darm niet scheurde. Na het omkeren werden de darmen in bosjes met één aan elkaar gebonden waarna een rottende gisting volgde die ’s zomers twee tot drie dagen vergde en in de winter vijf tot acht dagen. Ze werden daartoe in tonnen opgeslagen. Bij te snelle gisting werd azijn toegevoegd om het gistingsproces af te remmen.
Na deze eerste gisting worden de darmen in een bak met water geweekt, waarna het binnenste slijmvlies gemakkelijk verwijderd kon worden. Dit was vrouwenarbeid.
Daarna volgde een tweede rotting door de darmen weer in water te leggen dat geregeld werd geroerd en ververst. Dit duurde twee tot drie dagen.
Het overgebleven middelste darmvlies moet worden gedroogd. Eerst werd de darm aan een zijde dichtgeknoopt en dan met een mondstukje opgeblazen. Aan het andere eind werd dan een andere darm vastgebonden waardoor de opgeblazen darm op spanning bleef. Dit proces werd herhaald tot een lange ketting ontstond. Daarna werd de ketting in water ondergedompeld om te controleren of de darmen lek waren.
De lekjes werden evenals eventuele scheuren afgebonden. De zo ontstane ketting werd buiten op houten stellingen gedroogd. Blootstelling aan wind, regen, vorst en directe zonneschijn moesten daarbij worden voorkomen.
Na droging werden alle bindsels en niet opgeblazen stukken verwijderd en de lucht uit de resterende stukken geknepen.
De goede stukken darm werden in een gesloten kast gezwaveld om het ontbindingsproces definitief te stoppen, daarna gebundeld. Ze zijn dan klaar voor de verkoop.

Waren de darmen bestemd om er snaren of pezen van te maken dan verliep het verwerkingsproces iets anders. Na het voorweken werden ze aan de buitenkant geschraapt, opnieuw geweekt, nageschraapt en opnieuw geloogd. Hierna worden ze door een nauwe ring heen en weer getrokken om ze soepel en glad te maken. Daarna naait men een aantal darmen aan elkaar.
Voor dikke pezen of snaren worden een variërend aantal van zulke einden in elkaar gedraaid, twee maal gezwaveld en gedroogd.
Voor dunnere snaren, bijv. zweepkoord wordt een zo’n eind getwist en gelijk op een frame gespannen.
Voor de dunste snaren (ten behoeve van de klokkenmaker) worden de darmen na het aaneennaaien over een houten bal, waarin meerdere mesjes waren gezet, getrokken. Enkele op die manier gevormde repen werden in elkaar gedraaid.

Deken
Geestelijke in de Rooms-Katholieke kerk, staande aan het hoofd van een decanaat, boven een pastoor. Buiten de R.K.kerk stond de deken aan het hoofd van een gilde(van een ambacht), dan wel een schuttersgilde of een broederschap(bestaande uit leken).

Dekenfestonneerster
De dekenfestonneerster omboorde de randen van de wollen dekens nadat deze waren geweven.

Dekenstikker, dekenstikster
Stikker, resp. stikster van de vroeger veel gebruikte gestikte of gewatteerde dekens, bestaande uit twee lagen textiel, waarvan de bovenkant veelal voorzien was van een bedrukking, gevuld met o.a. textielafval of kapok, doorgestikt met speciale naaimachines om de vulling op zijn plaats te houden.

Dekker (dakdekker)
Het ambacht van dekker is het dekken van gebouwen, dat wil zeggen gebouwen van een dakbedekking voorzien.
Naar de verschillende manieren van dakdekken onderscheidde men koper-, lei-, lood-, riet-, stroo- en zinkdekkers. De koper- en looddekker, hadden tot taak " de voorseyde kappen en verder dak.... door het herdecken met coper oft loot op de bequaemste wijze van het inlecken te preserveren." 
De leidekkers (vroeger ook wel leiendekker, leyendecker, leydecker en lejdekker genoemd) geven "aan de leijen den vereischten vorm, zij slaan er de spijkergaten in, sorteren dezelve in twee of drie soorten naar de dikte, en leggen dezelve steeds zoo ver over elkander, dat de onderliggende laag voor het minste voo 2/3 der lengte van de leyen door de bovenliggende gedekt wordt." 
De proef om na de gezellentijd als meesterleidekker tot het gilde toegelaten te worden, vergde de nodige tijd. "Dat niemand over het doen van een Proef langer sal mogen besig zijn of werken, als ....
Een oudere omschrijving zegt: "De rietdekker is een ambachtsman, wiens werk het is huizen, boerderijen, hooibergen en molens met riet te dekken. Het dakspan word hierbij bedekt met rieten schoven, die vervolgens door den Rietdekker glad aangeslagen...worden. Het riet (en ook stro) wordt hierbij met een twijg of teen, de derwisch aan de dakroeden gebonden.
De strodekker dekt huizen met stro. Per vierkante meter strodak heeft men daarvan twaalf kilogram nodig." 

Iets uitgebreider komt dit op het volgende neer: Het werk van de rietdekker is altijd overgegaan van vader op zoon en van meester op knecht. Het vak kenmerkt zich door sterk streekgebonden werkmethoden. Elke streek en bijna iedere rietdekker kende/kent zijn eigen manier van werken met de daarbij behorende gereedschappen.
Dit gereedschap bestaat uit een dekstoel of dekklauw om op te staan, vroeger met één, later met twee haken, boomhaken om een balk op te leggen waarop de rietdekker eveneens kon/kan staan.
Verder dekslagen, dekspanen, drijfborden of kloppers om het riet gelijk te slaan, twijghaken, rechte naalden, ronde naalden of halve manen, een mes en 'knechten'. De bossen riet worden door een lat op hun plaats gehouden met behulp van deze knechten. Als het riet losgesneden, opgeklopt en met een draad vastgezet is, kan die lat er weer af tot de volgende rij.
Men begint bij de onderste laag, door eerst een dunne laag riet over de panlatten te spreiden. Daar op worden de rietbossen naast elkaar gelegd, waarover weer een lange ijzerdraad (bandgard, vroeger was dit een wilgenteen). Het riet wordt losgesneden, gelijk gewreven en opgeklopt. Vervolgens wordt een dunnen draad met de twijghaak door de rietlaag gehaald, om de panlat en de gard heen, met een tang aangetrokken en vastgezet Vroeger gebeurde ook dit met behulp van een twijg of wilgeteen. Dit om de ongeveer dertig centimeter.
De rietdekker controleert ook het vrijgekomen houtwerk (panlatten) en vervangt en/of repareert ze. Ook metselwerk aan de schoorsteen of het aanbrengen van vorstpannen behoort tot zijn werk.

Delver

De zand-en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- of de hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht.
een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd.

Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen.
Voor het baggeren op wat grotere diepte moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken en meestal ook boven water getild.
Ook werd grind onder meer op de Veluwe gedolven, waarlangs vroegere waterlopen grindafzetting plaats had gevonden. Nadat men een groot gat had gegraven om bij de grindhoudende laag te komen werd de grindhoudende grond uitgeschept en met kracht tegen een soort schuinstaande zeef, de zogenaamde horde, geworpen. Het zand verdween door de zeef en het grind bleef over. Dit was de droge grinddelving. 

Een heel andere vorm van delving was het darinkdelven, ook wel moeren genoemd, in Zeeland.
Het was een vorm van vervening, soms binnendijks, maar vooral buitendijks. Het veen werd uit de grond gespit, op hopen te drogen gezet en vervolgens verbrand. De as ging dan naar de zoutketen, waar er met toevoeging van zeewater wit zout uit werd gewonnen.
Hoewel er een goede afzetmarkt bestond, zodat ook de prijzen, die men maakte, gunstig waren, was de landvernieling, vooral buitendijks, dusdanig riskant voor de zeeweringen, dat de overheid in de eerste helft van de zestiende eeuw aan het darinkdelven een einde heeft gemaakt. 

Derdewaak, Derdewaeck
Onderluitenant in dienst van de V.O.C.

Dessertwerker
In de 17de en 18de eeuw liet men in de hogere kringen de feestmalen graag op met o.a. suikerwerken, gemaakt van een soort suikerpasta, dragant.

Destilleerder
Ook distilleerder of distillateur.
Zie ook 'Brandewijnbrander'.
Iemand, die zijn beroep maakt van het distilleren van sterke dranken.

Deurwaarder
De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar, belast met de taken die bij of krachtens de wet, al dan niet bij uitsluiting van ieder ander, aan deurwaarders, onderscheidenlijk gerechtsdeurwaarders zijn opgedragen of voorbehouden. In de volksmond wordt vaak de term “deurwaarder” gebruikt.
Naast de gerechtsdeurwaarder bestaat echter ook de belastingdeurwaarder. Een belastingdeurwaarder kan in dienst zijn van de Rijksbelastingdienst. Ook kan deze in dienst zijn van een lagere overheid zoals een gemeente of een waterschap. Tevens assisteert hij bij rechtszaken.

Diamantbewerkers
Ook diamantwerkers
In India werden diamanten een paar eeuwen voor het begin van onze jaartelling reeds voor verschillende doeleinden gebruikt. In de middeleeuwen waren het voornamelijk de Spanjaarden, de Portugezen en de Venetianen, die het handwerk van diamantslijpen beoefenden en over Europa verspreidden. Toen de Spanjaarden een vierhonderd jaar geleden de havenstad Antwerpen veroverden, weken onder meer ook diverse diamantbewerkers uit naar Amsterdam. Vanaf het eind van de zestiende eeuw kwamen de diamanthandelaars en -bewerkers dus voor in de Noordelijke Nederlanden, speciaal in Amsterdam. Naast de sierdiamant nam (en neemt) ook het gebruik van industriële diamant hand over hand toe. Tot rond 1820 was het diamantbewerken vooral thuiswerk. In 1822 werd de eerste 'paardenfabriek" in werking gesteld, waarbij paardenkrachten de vroegere 'molendraaisters' vervingen. In 1840 kwam de eerste stoomslijperij in bedrijf.

Bij het diamantbewerken onderscheidt men verschillende funkties:
diamantzager, die achtkantige ruwe diamanten in de gewenste vorm zaagde;
diamantklover(kloofster), die de diamant de vorm van een zuiver kristal geeft en de onzuivere gedeelten verwijderd;
diamantsnijder(snijdster), die de gekloofde diamant door schuren en wrijven de grondvorm geeft;
diamantslijper, die de diamant de uiteindelijke vorm geeft, waarbij de
diamantversteller de te slijpen diamant telkens zo in de dop vastzet, dat het te slijpen vlak boven ligt..

Diefhenker
Ontleend aan dieb(s)hencker.
Persoon die dieven ophangt, beul.

Diefleider 
Dienaar van de schout, belast met het aanhouden en ter terechtstelling voeren van dieven, andere misdadigers en wetsovertreders. (Diefleiderschap is het ambt van diefleider).

Dienstbaar, dienstbare
Dienstbode, dienstmeid.

Dienstbode
Thans vooral vrouwelijk persoon, die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Vroeger was dit begrip uitgebreider: 'Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle staatjuffrouwen, gouvernants van mesnage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof- ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelder-knegts, winckel-dochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt, soo wanneer deselve maar in dienst en kost van ymand zyn, ofte dat andersints het kostgeld apart, ofte met ende beneffens 't loon in eene massa bedongen of begrepen is,' 
'Om te beletten de desorders ende confusien voort-comende uyt causen dat de Knaepen, Maerten ende andere Dienst-boden hun dickmaels verhueren aen twee of dry diverswche Meesters,'

Dienstman
Ook dienestman.
Dit was geen beroep maar een funktie. Deze hield in dat de betreffende persoon jegens een persoon of lichaam, dat wil zeggen jegens de bezitter van zekere goederen of rechten, meestal krachtens een leenband, verplichtingen had, in het bijzonder tot het verrichten van gewapende dienst. Dit was vooral van toepassing op de een aanzienlijke stand vormende, maar aanvankelijk onvrije vorstelijke en bisschoppelijke beambten of de uit deze beambten voortkomende stand 

Dieper
Aannemer van rivier- en baggerwerken.
Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen: Die keuren, op die waeteren en het diepen ende onderhoudt van dien gemaekt 1).
Een van de methoden was het gebruik maken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Reeds in de stadsrekening van 1435 zijn kosten opgevoerd om een mol van nieuwe ijzeren tanden te voorzien. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld.
Als bij de delvers is ook bij de diepers waarschijnlijk de beugel het oudste werktuig geweest.
In de zestiende eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven werd opgebaggerd. De modder werd in een schuin liggende goot omhooggeschoven door een daarboven draaiende eindeloze keting waaraan plankjes zaten. Die goot (of ladder) liet men met een eind naar de bodem zakken an als de schoepenketting dan draaide kon men de modder over het boveneind van de goot in een schuitje laten lopen. Dit systeem werkte goed in niet te diepe en modderige wateren zoals het IJ en de Amsterdamse grachten. Naast de door menskracht aangedreven moddermolens ontstond er ook een constructie, waarbij de tredwielen vervangen werden door een rosmolen, aangedreven door paardekracht. 2)

Dijk-

Zo kent men onder meer in alfabetische volgorde de volgende beroepen en functies:
Dijkbaasopzichter over een dijk.
Dijkbode, de beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur; 'Den Boode van yder Dorp (sal) het Boodeampt, als Dyksbode, gedurende den tyd van twee jaren waarnemen.' 
Dijkgraaf. Deze is voorzitter van het dagelijks bestuur van het waterschap. Tegenwoordig wordt hij telkens voor zes jaar benoemd door de Kroon. In het oosten en zuiden van het land wordt hij watergraaf, in Groningen dijkschepper genoemd.
Dijkmeester, ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk. 'Tot Dyckmeesters te stellen goede, getrouwe, experte persoonen, hun dies verstaande, omtrent den dyck woonende ende redelyck gegoet.' 
Dijkmeter, ambtenaar belast met metingen op de dijk. 'Den Dykboode, die mede is Dykmeter,' 'Item, sal als Dykmeter voor het doen van de tienjarige metinge, genieten de somme van hondert guldens,' 
Djkrechter (-richter), overheidspersoon belast met toezicht over dijken (dijkgraaf). 'Dijkrichter en heemraden van Oostzaan erlangden die machtiging, 19 Augustus 1802, van het Departementaal bestuur.'
Dijksschepen, lid van een dijksbestuur, dijkheemraad.
Dijkschrijver, secretaris van een dijksbestuur. 'In geval sy sich daer over in der vrundtschap niet en konden verghelijcken, sulle sy .... ten beyden zijden aan handen des Dijck-schrijvers overleveren memorie. 
Dijkwerker (dijker), de arbeider, die het werk aan de dijken verricht(te). (Eten als een dijker)

 

Dischmeester
Dischmeester komt in twee betekenissen voor: Tafelmeester en armmeester..

Dispencier
Huisbestuurder, beheerder van de provisiekamer, ook aan boord beheerder van de provisievoorraad. Ook functie bij de V.O.C.

Dobbelmeester 
Ambtenaar belast met het toezicht op dobbel- en hazardspelen.

Dobbelsteenmaker
Ook terling- of teerlingmaker genoemd.

Dokter
(Medicus)

In de zestiende en zeventiende eeuw waren er nog weinig dokters en die weinigen oefenden hun praktijk vooral in de grote steden uit. 
Eerst in 1575 begon de opleiding tot medisch doctor in ons land. Voordien moesten zij hun wijsheid elders op doen, hoewel ook daarna wel elders werd gestudeerd. In de eerste plaats was de dokter vooral in de beginperiode een theoreticus, die zijn kennis ontleende aan de boeken van Hippocratus en Galenus. De laatste heeft in de tweede eeuw veel geschreven. Aan het reeds bekende voegde hij veel toe en hij vatte het samen in een systeem, dat tot in de zestiende eeuw de medische wetenschap beheerst heeft, hoewel het bijna zeker is, dat hij zelf nooit een menselijk lichaam ontleed en bestudeerd heeft. Eerst Andreas Vesalius (Andries van Wesel), een Vlaams anatoom die leefde van 1515 - 1564, bracht daar verandering in. Hij studeerde te Leuven, daarna anatomie in Parijs. Van 1536 af was hij terug in Leuven, waar hij lessen in anatomie gaf. Eind 1537 promoveerde hij te Padua, waar hij ook anatomie doceerde. Zijn op eigen bevindingen steunend hoofdwerk is 'De humani corporis fabrica libri septem', met houtsneden van Jan Steven van Kalkar, dat in 1543 verscheen. Dit boek, waarvan ook spoedig in verschillende talen een verkorte versie verscheen (Epitome), geldt als het eerste moderne boek over de anatomie van de mens.
De medicus uit de beginperiode was een theoreticus, waarvan de kennis vooral op boekenwijsheid steunde. Eerst in de eerste helft van de zeventiende eeuw werd hij geconfronteerd met de zieke mens in de kliniek.
Geen arts zou zich in die begintijd veroorloven de geneeskunde praktisch uit te oefenen. Op zijn voorschrift werd het handwerk uitgevoerd door de chirurgijn en de vroedvrouw. Bij bevallingen, waarbij instrumentaal ingrijpen nodig was geschiedde dat door een gespecialiseerd chirurgijn, de vroedmeester. (In Delft en waarschijnlijk ook elders was ook de verzorging van de patienten in het pesthuis taak van een chirurgijn).

Was men onder meer onbekend met ziekteverwekkers en het overbrengen door ongedierte als ratten, muizen en vlooien, ook de verdere medische kennis was in de begintijd nog zeer gering. Ziekten, waarmee men destijds te maken had, waren onder meer pest, cholera, syfilis en malaria.
Hoewel een universitaire opleiding in de Noordelijke Nederlanden eerst in 1575 begon, werd reeds op 28 januari 1461 in Amsterdam een keur uitgevaardigd, waarvan het eerste artikel als volgt luidt: "..dat van nu voortaan niemand binnen deze stad, wie hy zy, eenige medicynen laxatieven, vomitieven, alteratieven, of eenige andere middelen of dranken, van wat natuur die wesen mogen, ordineeren mogen of die ingeven zal mogen, of praktiseeren, tenzy dat hy Doctor of Licentiaat gepromoveerd zy in eenige fameuse Universiteit, of dat hy alvorens geexamineerd zal zyn by de Doctores of medicynen hier ter stede praktiseerende, daertoe by den Gerechte dezer stad geordoneerd zynde, en by de voorzegde Medicyns proeve van zyne scientie en versochtheid gedaan sal hebben, en dat op boete van zes Caroliguldens zoo dikwyls hy ter contrarie".  Ook in andere steden waren overeenkomstige bepalingen van kracht.

Dolster
Een vrouw die buitendijks op het wad pieren stak voor de vissers. Als gereedschap gebruikten zij een drietenige greep (soort vork) om de pieren te steken. Dit zware werk verrichten zij ten behoeve van vissers die onder meer met hoekwand visten. Dit was een lange lijn met daaraan een aantal haken. Op iedere haak werd zo’n pier bevestigd. Voor één schip waren zo’n 6000 pieren nodig.

Doodgraver
Persoon wiens ambt het is doden te begraven
Vroeger werd ook in kerken begraven, wat alleen de meer gegoeden zich konden veroorloven. Napoleon verbood dit reeds en na 1825 zou het niet meer voorkomen. Dit verbod werd in de hand gewerkt door de lucht die deze graven verbreidden (Vandaar de term rijke stinkerds). 

Dorpsomroeper
De dorpsomroeper ging met een soort klepper, later een bel, het dorp rond, oorspronkelijk lopend, later per fiets om belangrijke nieuwtjes of oproepen te verbreiden onder de dorpsgenoten. Het was een bijbaan. Door de opkomst van de lokale huis-aan-huisbladen en de tv werd zijn functie overbodig.

Draaiers (draaijers)
De kunst om onderscheiden ruwe stoffen, door een daartoe geschikt werktuig, rond te bewegen en er dan, met beitels, eenen bepaalden vorm aan te geven, noemt men draaijen en de uitoefenaars dezer werking heeten draaijers. Het kunstwerktuig, waarmede de rondbeweging geschiedt, noemt men draaibank, en is almede uitgevonden door Dedalus, welke nagenoeg 300 jaren voor J.C. in het voormalig Griekenland leefde. De werktuigen der draaijers bestaan hoofdzakelijk uit eenen langen, veerkrachtigen staak aan eene koord verbonden, welke koord om het voorwerp der draijing heenloopt, hetwelk dan door treden met den voet rondgeslingerd wordt en dan door eenen stil-rustende beitel in de handen des werkmans zijnen vorm moet erlangen, - of uit een groot rad, over hetwelk een snaar loopt, die ook tevens het voorwerp rondbeweegt - en welk rad, of ook met de voet des werkmans, of door eenen afzonderlijken draaijer moet rondbewogen worden. Deze laatste soort noemt men kunstdraaistellen, en werken veel gemakkelijker, sneller en zekerder, dan de eerste, eenvoudiger soort. Het voorwerp, dat men draait, loopt in twee ijzeren puntjes, terwijl de werkmeester den beitel moet besturen, om zijn voorgestelde doel te bereiken.
De ruwe stoffen, waarin de draaijer werkt, zijn: hout, been, ivoor, notenschalen, ijzer, koper, tin, lood enz. Hiervan vervaardigt hij: stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenhechten, vorkenhechten, beitelhechten, hamerstelen, knoopen, de inwendige deelen van uurwerken, koffijpotten, ketels; zelfs de zware molenassen, de ankers der schippers en de nog zwaardere luidklokken worden gedraaid, Door middel van de draatstellen bewerkt men allerlei voorwerpen schoon, glad, effen en smaakvol, hetgeen door andere werktuigen niet mogelijk is. De kunstdraaijers verdienen, door de schoone en smaakvolle gewrochten van hunnen arbeid, onze bewondering en achting; terwijl zeker niemand, die eenigen smaak voor het kunstige en schoone bezit, het nut van hunne bezigheid zal ontkennen of betwijfelen. 1)

Ook iemand, die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.

Drapenier

In 1514 verklaarden de burgemeesters van Delft dat ".... de principale neringhe daer de stede bij staet, es brouwerie en de draperie.".. Belangrijke middelen van bestaan, niet alleen in Delft, maar ook elders.
Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij in de vroege middeleeuwen de 'wullewerckers' zelf hun wol inkochten via het lokale aanbod. Geleidelijk aan nam de vraag toe en ook ging men hogere eisen aan de geweven stoffen stellen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten uitgeoefend kon worden, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevorderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed aan loonwerkers. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nederlanden de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers(later verkort tot drapiers) of lakenreders, stelden.
In handvesten en placaatboeken uit uiteenlopende steden komen bepalingen voor, die van toepassing waren voor deze drapeniers. Als vestigingsplaatsen voor de wolnijverheid in de Noordelijke Nederlanden waren vooral bekend Tilburg, dat destijds geen stad was en zo buiten de gildebepalingen viel, waardoor aldaar concurrerende prijsvorming kon ontstaan en Leiden. Na de val van Antwerpen in 1585 gaf de stroom vluchtelingen, ervaren in de moderne technieken een nieuwe impuls aan de saaiweverij, de "nieuwe draperie" en in de zeventiende eeuw was Leiden zelfs de eerste textielstad van Europa. Verschillende andere steden als Amsterdam, Delft en Utrecht hebben eveneens lakenindustrie gekend. In verschillende steden herinneren straatnamen nog aan dit oude ambacht. In Brabant (dat destijds als wingewest werd beschouwd) verplaatste dit 'wollewerck' zich tegen het einde van de achttiende eeuw naar het platteland, waar de arbeidskosten belangrijk lager waren.
Een achttiende eeuwse anonymicus schrijft in "De Koopman VI", pag. 248: "Daer is naauwlijks één handwerk, één Affaire te bedenken - die zoo geschikt is om veele menschen teffens en inzonderheid arme lieden aan een bestaan en aan brood het brood te helpen, dan de weeverijen; en wel inzonderheid die van de Lakenen, omdat daar nog zooveele andere kostwinningen aan verknogt zijn, buiten zelfs de verscheidene behandelingen van de wolle en het daar van gesponnen garen, vermits de zoo verscheiden behandelingen van de wol, van scheiden en dan van broeyen, wasschen, droogen enz. vlaaken, ploozen. smouten en schrobbelen, kammen enz. nog eer ze nog tot de sponders komt,  vervolgens van kaarden, spinnen, haspelen, strengen en winden, bevoorenzij naar 't weefgetouw gaat; dan van weeven, dan moppen, vollen, broeyen, reinigen, nogmaals moppen en zuivering, weder vollen, wederrouwen en wederscheeren, en zoo aan den verwer overgeeven, zonder hier te spreken van verwingen in de wolle zelf."

Drijver
Zie ook meekrapteler.
Iemand, die personen of dieren voortdrijft. De drijver werkte onder meer bij de meekrapproduktie in het stamphuis, waar de meekrapwortels fijngestampt werden. De stamper werd aangedreven via het principe van de rosmolen door drie paarden, die voor de beweegkracht zorgden. Deze aandrijving werd later vervangen door de stoommachine en de drijver door de stoker-machinist. Bij de jacht drijven de drijvers het wild op.

Drogist
De drogisten werden in de zestiende eeuw materialisten genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.
Drogisten waren zij, die uit de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.
"De geneeskundige planten enz. bijeen te brengen; dezelve te droogen of op andere wijzen tegen bederf te behoeden; daaruit vervolgens aftreksels, geesten, zouten enz. te bereiden, ten einde deze geneesmiddelen aan apothekers, geneesheeren, of heelmeesters te verkoopen : dit alles behoort tot hun vak. Hieruit laat zich dus gemakkelijk begrijpen, dat tot dit beroep eene grondige kennis van de eerste stoffen, derselver behandeling en bewaring, bereiding tot geneesmiddelen, en derhalve ook van de scheikunde, alsmede oplettendheid, ondervinding en kunstvaardigheid vereischt worden.
Het vak van Drogist is zeer naauw aan dat van apotheker verwant; doch is hiervan onderscheiden, doordien de apotheker veeltijds van de drogisten de eerste geneeskundige voortbrengselen ontvangt en dezelve daarna aan  eene verdere scheikundige bewerking, samenstelling of ontbinding onderwerpt ; alsmede, dat de apotheker de onderscheidene bestanddeelen der geneesmiddelen, zoo als dezelve door de  geneesheeren zijn voorgeschreven, bereidt, ondereen mengt, kookt en tot gebruik in gereedheid brengt, hetgeen niet regtstreeks tot het gebied der drogisten behoort. ook wordt van den apotheker meerdere kunde geëischt; terwijl hij mede aan een streng toeverzigt onderworpen is en van alles naauwkeurig aanteekening moet houden, waarvan de drogisten vrijgesteld zijn. Hieruit volgt dus, dat het altijd veiliger is, om met de voorschriften der geneesheeren naar den apotheker, dan naar den drogist te gaan. ...." 

Droller (drolster)
Arbeider of arbeidster aan een verdeelstoel of drolmachine, dat wil zeggen een werktuig, verdeelmachine, waarin de katoen een laatste bewerking van het voorspinnen ondergaat (vermoedelijk op de klank af gevormd naar het Engelse drawing-frame). 

Drooger
Ook droger.
Bij diverse vormen van voortbrenging kwam een droogfase voor.
Zo waren er bij voorbeeld visdrogerijen, drogerijen voor geneeskundige- en aromatische planten en drogerijen van ossebloed.
In de Beschrijving van Leyden is sprake van "twee ghesworen Drogers, wiens ampt ende offitie is alle 'tkeurgoet, twelck .... ter Camere sal werden gebracht, op haren Eedt nat te maecken, te crimpen, ende weder te drooghen."
Ook bij de meekrapteelt, die te gelegener tijd aan de orde komt, kent men de dro(o)ger. "Tot de verrichtingen in de (meecrap-)stoof zijn doorgaans negen menschen in dezelve: te weten: de Drooger, deze is het opperhoofd en genoegzaam als eenige die door zijne kunde en oplettendheid aan de krap hare waarde geven kan en moet.....".

Drooggasterijhouder
(ook drogasterij of droge gasterij)
Houder van een inrichting waar men de gelegenheid geeft iets te eten en te drinken, maar niet om alleen gebruik van dranken te maken.
"Dat alle Drooge-gasterij-houders, die de gaende ende komende Man om gelt by de maeltijdt ofte anders logeren, voorts aen van Wynen ende Bieren Tappers Impost sullen betalen .... als andere Tappers,"

Droogmeester
Degeen, die het bewind der Visdrogerijen heeft. Zo sprak men vroeger over 'Droogen-Haring, Bocx-Haringh oft Ty-Bucking.
Ook kende men 'droogen schol en scharren' en 'Drooge of Stokvisch', welke vermoeelijk ook in ons land werd gedroogd.

Droogscheerder (doekscheerder)
De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met
behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte. De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger scaerlaken. De lakens uit Den Bosch ("Bussche" lakens) waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen. Het gildewezen zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder bijvoorbeeld, die doorwerkte bij lamp- of kaarsllicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.

Drossaard, drossaert (later drost)
Titel van een voormalig rechterlijk en bestuursambtenaar ten plattelande. In de Placcaten van Brabant bijvoorbeeld wordt gesproken van "Diversche drossaardijen, schoutetschappen, meyerijen en andere diergelijcke officien van justicie 1) en in het Gelders Placaatboek van "De Bailleurs, Proevoesten, Drossaten, Schoutetten ende andere Officiers van Justitie".2)
In zijn ambtsgebied was de drost de justitiële gezagsdrager namens de soevereine macht; dat is in de middeleeuwen de vorst en ten tijde van de Republiek bijvoorbeeld de Staten van Holland.

Drosseerder, drosser, drosseerster, droster
Man, resp. vrouw die een drosseermachine bediende.

Duin-


Duin-funkties en beroepen, die zowel elders voorkwamen, maar ook in duinstreken, waarbij aan de uitoefening soms speciale funkties werden gekoppeld. Zo kent men onder meer:
de duinmaaier, die maaiwerkzaamheden in de duinen verrichtte. 

Verder:
De duinman, als variatie van de huisman (=boer), die in de duinstreken landbouw beoefende en ook de duinen (met helm) beplantte. Als nevenfunktie was hij soms tevens duinopzichter, die het toezicht in een bepaald duingebied had.
De duinmeyer of duinhouder, pachter van een stuk duingebied, die eveneens vaak tevens als duinopzichter fungeerde, die tegen overtredingen had te waken. Duingrond was en is geschikt voor het verbouwen en kweken van bepaalde gewassen als duinzandaardappelen en bollen, zoals ook nu nog gebeurt. Zo sprak men reeds in 1604 van duinkrochten oftewel duinakkers 2)

Dwangbeveldrager
Persoon in dienst van een fiscale of financiële administratie ten behoeve van de overheid of semi-overheid als bijv. waterschapsbesturen en belast met het uitreiken en incasseren van dwangbevelen.

Ebbenhoutwerker
Meubelmaker, die gespecialiseerd is in het werken met ebbenhout o.a.  voor inlegwerk. Ebbenhout is een zwarte, harde en moeilijk te bewerken houtsoort. Na droging werkt het zeer weinig. Het wordt onder andere nu nog toegepast voor snijwerk, beeldhouwwerk, allerlei sierwerk, lijsten, fineer, schaakstukken, pianotoetsen,muziekinstrumenten of onderdelen ervan.

Eekmolenaar
Molenaar die eikenschors tot poeder maalt.

Eekschiller (eikschiller)
Het eekschillen, het schillen van eikenhakhout, was vooral een bijverdienste, waarbij vaak het gehele gezin betrokken was.
Dit eekschillen vond bij voorkeur in mei plaats, wanneer de schil het gemakkelijkst losliet. In oude couranten kan men wel advertenties vinden waarin hiervoor percelen werden aangeboden. De voorkeur ging uit naar achtjarig hout. De eekschillers trokken dan met hun gehele gezin naar het bos, want iedereen kon meehelpen. Het te eken hout moest eerst worden gekapt door de mannen, waarna het verdeeld werd in stukken van een bepaalde lengte. Met de achterkant van een bijl of dissel werd de schors losgeklopt en dan geschild Dit gebeurde door de kinderen (later officiëeel van twaalf jaar en ouder. De repen bast werden door de vrouwen gebundeld, voorzover deze niet bij het kloppen en schillen hielpen,  en gedroogd. Na droging werd de schors klein gehakt en naar een molen vervoerd, waar hij fijn werd gemalen om gebruikt te worden bij het looien van huiden.  Het geschilde hout werd naar dikte gesorteerd. De dikste stukken, het talhout (van tellen?) werden vergaard tot bundels van honderd stuks en werd verkocht als brandhout. Van het overige hout werden takkebossen gemaakt, die als brandstof voor bakkers en palingrokers dienden. De eekschillers hadden hun werkterrein vooral op de Noord-Veluwe, maar als daar de spoeling te dun was trokken ze ook naar elders: Drenthe, Friesland en Over­ijssel.

Egger, egwerker
Iemand, die met een eg werkt(e), met behulp van een eg de kluiten van omgeploegde of omgespitte grond fijn maakt(e). Eggen konden/kunnen met handkracht, met behulp van paardenkracht of een trekker worden voortgetrokken.

Eigenaar, eigenares
Bezitter resp. bezitster van goederen, percelen grond of vaartuigen en daar inkomsten uit verwerft.

Enter, entenier

Persoon die bomen en/of struiken entte, o.a. vruchtbomen en ook rozen.
Een enterij was een tuin. kwekerij, waar men zich op het enten toelegde.

Equipagemeester
Persoon, die de gehele uitrusting van schepen beheert. Ook functie bij de V.O.C.

Essayeur
Ook assayeur.
Iemand wiens werk het is gouden en zilveren voorwerpen op hun gehalte te onderzoeken.

Etser, etster

Het vervaardigen van etsplatenEtspersOorspronkelijk werd etsen als een inferieure manier van graveren beschouwd, maar geleidelijk is daar verandering in gekomen en sinds de 17de eeuw is er ook door kunstenaars intensief geëtst. Als drukplaat is koper het meest geschikt. Ook o.a. zink werd veel gebruikt.

Eerst moet de plaat geslepen, gepolijst en grondig ontvet worden. Vervolgens wordt de etsgrond aangebracht en de plaat geroet.
Daarna kan getekend worden. Na het tekenen worden de onbeschermde delen van de etsplaat met asfaltlas of afdekvernis afgedekt, waarna de plaat in verdund salpeterzuur werd gedompeld voor de etsing. Als deze voltooid is wordt de plaat gereinigd en van etsgrond ontdaan. Daarna kan het afdrukken met behulp van een etspers plaatsvinden na het ininkten en afslaan van de plaat (het verwijderen van de overtollige inkt).
Na het afdrukken en reinigen wordt de etsplaat gereinigd en geconserveerd.

Factoor
Iemand die voor rekening van een ander zaken drijft, zaakgelastigde, zaakwaarnemer. In de graanhandel iemand die zich belast met de zorg en het verschieten van graan; dan spreekt men van graanfactor.

Felpwercker, felpwerckster
Een vervaardiger, resp. vervaardigster van fluweel.

Fiscaal, fiskaal
Persoon die in rechtszaken voor de belangen van een vorst, een overheidsorgaan of ook de V.O.C. optreedt.

Flankeur
Soldaat die deel uitmaakte van een groep soldaten die links of rechts van de hoofdmacht oprukten.

Flenser
Walvisvaarders die als taak hadden de kop en de buitenste speklaag van de walvis af te snijden.

Fless(chen)bematter
Destijds waren de wegen nog niet geasfalteerd. Om een fles wijn of drank onbeschadigd bij de klanten te krijgen werden ze van een passende verpakking voorzien. Voor gewone flessen werden daarvoor hulzen van stro vervaardigd. Voor de grotere bewaarflessen werden (geschilde) wilgentenen gebruikt. Een en ander soms ook om de slechte kwaliteit van de flessen te verbergen. Oorspronkelijk moesten de destillateurs daar zelf voor zorgen en hadden daartoe een of meerdere flessenmatters in dienst. Rond 1900 kwamen de strohulzenfabrieken, o.a. de Tilburgsche Stroohulzenfabriek, waar de strohulzen machinaal door overwegend jong personeel werden vervaardigd.

Flessenblazer, flessenmaker
Glasblazer, gespecialiseerd in het blazen van flessen in allerlei uitvoeringen. Voor de machinale productie tot stand kwam werden alle flessen stuk voor stuk met de mond geblazen.
In de glasoven werden de grondstoffen voor het glas tot smelten gebracht. Die grondstoffen waren o.a. aangepast aan de kleur die men wenste. Met gebruikmaking van kleine bakjes van pijpaarde gemaakt, scheepjes genoemd, die aan de achterkant van kleine openingen waren voorzien, zodat er geen ongerechtigheden konden binnenkomen, werd het vloeibare glas uit de oven gehaald.
Voor het maken van een fles waren vier man nodig.
Een “aanvanger” die met de blaaspijp, een ijzeren holle pijp, zoveel glas nam als voor een fles nodig was, waarin hij een holte blies, zorgdragende met behulp van een ijzeren “klots”, dat het glas zich overal gelijkmatig verdeelde. Dan liet hij  de pijp in een ijzeren vorm neer en sloot deze met zijn linker voet waarna hij zo sterk in de pijp blies, dat het glas tegen de wanden van de vorm aandrukte.
Door de voet op te tillen werd de fles er uit gehaald en kwam in handen van de “glasmaker”, die de pijp met de daar aan hangende fles ontvangt en de fles van de pijp scheidt.
Met de fles in de tang gaat hij naar de oven en neemt met behulp van een dunne ijzeren staaf (het bindijzer) een weinig glas, dat hij om het boveneinde van de fles legt en met behulp van een schaar tot een monding voor een beugel- of kurksluiting vormt.
Hierna wordt de fles door een indrager naar de koeloven gebracht. Na drie dagen zijn de flessen voldoende afgekoeld en worden uit de koeloven genomen. De flessen worden dan gecontroleerd en verpakt of opgeslagen in het magazijn.

De oudste Flessenfabriek. Flesschenfabriek “Delft”, voorheen Boers & Co. Opgericht 1713.

Fo(e)lieslager
Iemand, die metalen tot zeer dunne bladen uitsloeg. Dit gebeurde voor verschillende doeleinden. Zo maakte men fo(e)lie van tin, verder van een amalgaan (verbinding) van tin en kwik, waarmede men spiegels en ook wel edelstenen van achter bekleedde om de terugkaatsing van het licht te versterken, goud, koper, platina en zilver.

Foerier, fourier
Funktie in het leger. Als regel onderofficier, belast met de zorg voor de militaire kleding en uitrusting.

Fondsbode
Persoon die het geld kwam ophalen voor bijv. een begrafenis- of ziekenfonds.

Fraiser, freezer
De freezer bewerkt(e) hout of metaal met een frees, een werktuig met een van scherpe tanden voorziene schijf of cilinder om metalen of hout uit te boren of af te schaven.

Frizeerder (friseerder)
Deze was werkzaam in de lakenindustrie. Nadat het laken geweven was en verder werd bewerkt kwam het in handen van de friseerder of nopper. Als regel was dit echter vrouwenarbeid, waarbij men dan spreekt van nopster of wiedster. Zij verwijderden de oneffenheden, die als gevolg van de knoopjes, die de wever had aangebracht om gebroken draden te herstellen, waren ontstaan. Zij bedienden zich daartoe van scherpe ijzers of messen. Deze noppen werden gebruikt voor het vullen van bedden en het vervaardigen van slechte soorten laken. Kennelijk werd hierbij ook gebruik gemaakt van zogenaamde friseerborden, die de kwaliteit van het laken aantastten, gezien een bepaling in de Keuren van de Leidse Lakendraperie: 'Niemand (sal) ... tot het Noppen vande Laeckens mogen gebruycken ... frijseer-borden, of eenige andere diergelijcke schadelijcke instrumenten.' In het Handvest van Amsterdam, 1ste Verv. 79 a wordt gesproken van 'Een Saaydrooger, Friseerder, Trypscheerder' enzovoorts. Later vervaardigde men textiel, dat dusdanig geweven werd dat er kleine overeindstaande lussen werden gevormd die men eveneens noppen noemde.
Men kent het woord friseren (frizeren) ook in een andere betekenis: Het haar in de krul zetten.Ook hierbij komt de term friseerijzer voor maar dan in de betekenis van friseer- = krultang.

Garbuleerder
Iemand, die uit droge waren de onreinheden zocht.

Gardenier
Hovenier of tuinman.

Gareelmaker
Deze vervaardigde met behulp van het gareelblok, waarop men het gareel de vereiste vorm gaf, om het om de hals en schouders van het trekdier passend te maken, garelen. Een gareel was oorspronkelijk een halsjuk van een trekdier, vervaardigd van leer. Later werd ook het getouw, waarin een trekdier gespannen werd, de trekstrengen, waarmede het aan het halsjuk oftewel haam verbonden werd, tot het gareel gerekend.

Garenbleker, garenbleekster
Knecht, resp. meid belast met het bleken van de garens voordat deze verder werden bewerkt, linnen en ook kleren. Het bleken van garen werd meest door knechten verricht, linnen en kleren vooral door de bleeksters.

Garenkoker, garenkookster, garensieder, garensiedster

Sieden = koken. Koker, resp. kookster van tot garen gesponnen en gehaspeld vlas alvorens dat geweven werd.

Garentwijnder
Iemand die als beroep garen of zijde twijnt. Het twijnen of tweernen bestaat uit het ineendraaien van twee of meer vezels. 

Kookster van tot garen gesponnen en gehaspeld vlas alvorens dat geweven werd.

Garnaatsman

  1. Vissersman, visser op garnalen (in de volksmond ook garnaat genoemd. Ook een vissersman die op een garnaat vaart. Een garnaat is een klein Brabants vissersbootje, type schouw met aan de voorkant een huik van zeildoek om zo nodig draag te overnachten. Waarschijnlijk zo genoemd omdat de garnaat veel voor het vissen van garnalen werd gebruikt.

  2. Varensgezel aan boord van een walvisvaarder met als taak het aan boord hijsen van de stukken walvisspek met behulp van een garnaat, een speciaal soort hijskraan.

Gasstoker

Voor we het gas uit de bodem haalden werd het gas geproduceerd in gasfabrieken door water en stoom in ovens door verhitte kolen te jagen.  Zij die deze ovens bedienden werden gasstoker genoemd.

Geelgieter
De geelgieter giet allerlei voorwerpen van geelkoper of messing.

Geestelijke dochter, -zuster
Vrouw, die tot een geestelijke orde behoort.

Gemeensman
Gekozen vertegenwoordiger in het stadsbestuur uit de rijkste inwoners van een stad die o.a. een voordracht mochten doen aan het gewestelijk bestuur of vorst voor hun burgemeester en schepenen.
De selectie werd een gesloten aangelegenheid.
Veertigraad was een functie voor het leven. Vanaf 1510 kozen de leden van de Veertigraad ook jaarlijks de nieuwe burgemeester.

Geneesheer
'Zij, die uitwendige kwalen bij den mensch, b.v. gebrokene ledematen, wonden, breuken, enz. herstellen, noemt men chirurgijns of heelmeesters, en die de kwalen van de inwendige deelen bij den mensch herstellen of pogen te herstellen, dragen den naam van doctoren, artsen of geneesheeren.'
'De geneesheer moet dus, in de eerste plaats, eene grondige kennis van het menschelijk ligchaam bezitten, gelijk een uurwerkmaker al de deelen van een uurwerk goed behoort te kennen, zal hij het herstellen, indien er iets aan ontbreekt; ten tweede moet hij de ongesteldheid der menschen kennen, dewijl hij, bij gebreke daarvan geene, of wat nog erger is, ligtelijk verkeerde middelen kan bezigen; ten derde moet hij kennis van geneesmiddelen bezitten, dewijl hij anders ligtelijk eene gevaarlijke dwaling konde begaan; ten vierde moet hij bekend zijn, welke vermogens en krachten de medicijnen bezitten en in welke mate hij dezelve aan zijne lijders moet toedeelen; en ten vijfde moet hij den vereischten leefregel, die de zieken te volgen hebben, weten te bepalen, dewijl bij eenen verkeerden leefregel de doelmatigste geneesmiddelen ligt zonder het gewenschte gevolg kunnen blijven.' 

 

In 1703 ging de kerkeraad van Zwartsluis een contract aan met een geneesheer. In dat jaar werd besloten, 'dat Meester Gerrit Luiceveld alle de kinderen en oude persoonen, die van de diaconie alhier in 't geheel gealimenteert worden, zal genesen van hare qualen. gebreken en ongemakken, die haar moghten toekomen, hoedanigh die ook souden mogen wesen, geene uitgesondert, en daar toe leveren alle medicamenten en kruiden tot de genesinge dienende; voor welken arbeid sijn E. dan jaarlijks sal genieten de somma van 18 Carol. gld 18 st, waarmede hem vergenoegd sal houden, sonder iets meer te mogen den diakonen in rekeninge te brengen.' 

Gestkoper, gistkoper, gistslijter
Verkoper van gist.

Gewrochten
Zie ook meekrapteler.
Bij de verwerking van meekrapwortels werden in het stamphuis de gedroogde wortels fijngestampt.
In dit stamphuis verrichtten onder leiding van de droger een stamper, een drijver (later stoker-machinist) en een onderman als vaste kern de noodzakelijke werkzaamheden. Dit team tezamen werd wel als de gewrochten aangeduid. Hieronder vielen niet de losse werklieden, die als opdoeners, dorsers en slepers dienst deden. Het fijnstampen op zich was niet het prettigste werk want het diende bij nacht te gebeuren, omdat het daglicht een nadelige invloed op de verfstof uitoefende.

Glaase maaker (glasenmaker, glazemaker)
Ook glaszetter.
Oorspronkelijk werd het glas bewerkt met een snijijzer, dik aan het uiteinde, dat, gloeiend gemaakt langs een afgetekende lijn getrokken, het glas deed springen. Met een gruizelijzer, een platte staaf ijzer waarin aan de beide uiteinden een inkeping, iets breder dan de gebruikelijke dikte van het glas, werden er dan schilfers afgeknabbeld en uiteindelijk werd het verkregen ruitje met een slijpsteen bijgeslepen. Ondanks deze primitieve hulpmiddelen werden de moeilijkste vormen aan een stuk glas gegeven.
Omstreeks 1500 kwam de diamant in gebruik om het glas de gewenste vorm te geven, wat een aanzienlijke vergemakkelijking betekende.
De ruitjes werden omzoomd door een loodstrip, waarin zich aan beide zijden een sponningsgroef bevond. Waar de ene strip de andere raakte, werd het raakpunt met zuivere tin gesoldeerd. Deze loodstrippen werden gegoten en daarna door een loodmolen getrokken om ze het juiste profiel te geven.

Glanzer
Een glanzer maakte iets glad en glimmend. De werkzaamheden konden betrekking hebben op weefsels, papier of metalen maar ook op strijkgoed (“Hier wascht, strijkt en glanst men”)
Arbeider die met behulp van glansstijfsel en een glanzer stoffen glanzend maakte.

Glasblaaser (glasblaser, glasblazer)
Reeds in de oudheid kende men de techniek om met behulp van een holle blaaspijp "hol" glas, dat wil zeggen allerlei voorwerpen van glas te vervaardigen. Deze vorm van glasfabricage heeft zich tot deze tijden gehandhaafd.
Het heeft echter tot de vroege middeleeuwen geduurd voor men er in slaagde vlak glas te vervaardigen. Een monnik, Theophilus, vermoedelijk van Duitse origine, heeft omstreeks 1100 een handschrift nagelaten, waarin de werkwijze voor het vervaardigen van vlakglas en van de verwerking daarvan tot een glasraam uiteen werd gezet, inclusief het maken van een werktekening, het beschilderen, branden en in lood zetten.
Er zijn twee technieken tot ontwikkeling gekomen.
De eerste was met behulp van de blaaspijp de geblazen bol om te werken tot een cilinder, die men overlangs liet springen, waarna het resultaat vlak gebogen werd in de oven. Een meer bekende methode was de uitslingermethode. De dikke vloeibare glasmassa aan het eind van de blaaspijp werd uitgeslingerd op de manier, waarop een schipper zijn zwabber droogslingert. De aldus verkregen glasschijf, "butzen" werd dan van de blaaspijp gebroken, waardoor een litteken in de dikke middenkern zichtbaar bleef. Op schilderijen ziet men die kernen een enkele keer in een ruit verwerkt. De eigenlijke schijf bereikte een middellijn van ongeveer één meter. Door toevoegingen was men in staat verschillende soorten gekleurd glas te vervaardigen.
Ook kende men een techniek om het blanke glas te bedekken met een kleurhuidje.
Nog later gelukte het de glasblazer dusdanig grote cilinders te vervaardigen, dat ze opengeritst en gevlakt als één ruit een opening konden vullen. Hierbij werden door de glaszetter de loden strips vervangen door houten roedjes.
Eerst in het industriële tijdperk werden ruiten van meerdere meters hoogte en breedte gegoten en gewalst.

Glaskoper, glaskoopster, glaskoopman, glasverkoper, glasverkoopster
Handelaar resp. handelaarster in glas.

Glaskunstenaar
Ook allerlei sierglas werd op allerlei manieren bewerkt. Niet alleen qua vormgeving was men in beweging," eveneens kreeg de verfraaiing van het uiterlijk de nodige aandacht. In de Noordelijke Nederlanden is het beschilderen van glas nooit zo tot ontwikkeling gekomen als elders. Dit gebeurde wel met de in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling gebrachte versieringstechniek voor glaswerk als bokalen, kelken, fluiten en roemers: het glasgraveren door de glasgraveur met diamant. Vaak werkte men naar prenten.
Ook amateurs wisten op dit terrein ongekende hoogten te bereiken. Ongeveer 1700 werd de diamantgravure verdrongen door de radgravure, waarbij het glas langs een sneldraaiend wieltje werd bewogen. Deze oorspronkelijk in Bohemen en Silezië tot grote bloei gekomen techniek werd ook in ons land overgenomen. Daarnaast werd ook op sierglas geëtst met fluorwaterstof.
Uniek voor de Noordelijke Nederlanden is het in de achttiende eeuw opgekomen stippen of pointilleren met diamant. Hierbij werden de voorstellingen geheel uit dichter bij of verder van elkaar afstaande stippen gevormd. Ook hier trad verval op, waarna eerst in de tweede helft van de negentiende eeuw herstel optrad.

Glasschilder, glasschrijver
Het verwerken van glasplaatjes tot een geschilderd raam vergde een grote technische kennis en ervaring.
Het (houten) tafelblad waarop gewerkt werd, maakte men met behulp van krijt en water wit. Hierop werd met een loodstift, de voorganger van het potlood, de loodverdeling van het glasraam getekend. De verdere figurale details werden met rode of zwarte verf aangebracht en de kleuren van het glas met letters of nummers aangegeven.
Vervolgens werden de benodigde stukjes glas in de juiste vorm gebracht. Naast elkaar passend, als een legkaart werd de tekening op de tafel geheel bedekt met de glasschijfjes in de voorgeschreven vorm en kleur. Vervolgens werden de contouren, ornamenten en details met grissaille, brandschildersverf, op de glasstukjes gepenseeld en in een oven ingebrand. Dit inbranden gebeurde om de verven goed vast te laten smelten.
Voor de grisaille gebruikte men, afhankelijk van de gewenste kleur, één of ander metaaloxyde. Dit werd vermengd met fijngemaakt licht smeltbaar vloeiglas met als bindmiddel Arabische gom of suiker, waardoor het met water verdund kon worden, terwijl ook tijdens de bewerking allerlei ingrepen als retoucheren mogelijk waren.
In de loop der eeuwen onderging de glasschilderverf ingrijpende veranderingen. Daarbij kwam later onder meer de mogelijkheid het dunne gekleurde laagje glas, dat de glasblazer op het ongekleurde glas kon laten smelten, weg te etsen. Dit gebeurde door de delen, die niet aangetast mochten worden met asfaltlak te bedekken. en het glas dan in aanraking te brengen met fluorzuur.
In de zeventiende eeuw werd deze etsbewerking overbodig door het inbranden van doorschijnende emailverven. In de achttiende en negentiende eeuw werden deze emailverven van een slechte kwaliteit, wat niet bevorderlijk was voor de glasschilderkunst.
Deze glasschildertechniek is vanuit de Zuidelijke Nederlanden ook de Noordelijke binnengekomen. Beide Nederlanden vormden destijds een culturele eenheid. Zo werden tekeningen en gravures, om als voorbeeld te gebruiken, uitgewisseld. Ook trokken de glasschilders van het zuiden naar het noorden en omgekeerd.
Destijds was de benaming glasschrijver. Schrijven is een middelnederlands woord dat men voor tekenen en fïjnschilderen gebruikte. De onderschriften bij medaillons getuigden van de schriftbeheersing van deze schrijvers. Een kunst trouwens, die niet verloren is gegaan. 
Aan het eind van de zeventiende eeuw komen veelvuldig glasschilders voor. Het ontwerpen en vervaardigen van het voorbeeld echter werd dikwijls door anderen dan de eigenlijke glasschilder gedaan.
Veel ramen van kerken werden door derden geschonken, zowel voor als na de hervorming. Soms onder bepaalde voorwaarden.
De schenkers omschreven ook vrij nauwkeurig welke voorstelling ze op het te schenken glas wilden zien.

In verschillende kerken zijn nog oude ramen geheel of gedeeltelijk aanwezig. Bekend zijn de Goudse glazen in de St Janskerk te Gouda. Vooral Noord Holland is in de zeventiende eeuw een rijk arbeidsveld voor de glasschilder/schrijver geweest. Veel is in de loop van de tijd verloren gegaan, hetzij door rampspoed, hetzij door nonchalance, vooral in de negentiende eeuw. De gebrandschilderde ramen waren kwetsbaar en de smaak veranderde. Ook kregen ze in de loop van de negentiende eeuw waarde voor de antiekhandel en op die manier zijn heel wat ramen naar elders verdwenen. 
De achttiende eeuw is eenzijdiger. Het aantal glasschrijvers is dan danig afgenomen. Ook de kwaliteit ging achteruit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er een ommekeer ten goede.

Gleiwerker
Ook gley/glaywercker en gleyer genoemd.
Is de vervaardiger van verlood (geglazuurd) aardewerk.

Gort- en pelmolenaar
Ook gortmulder of grutter.
Onder grutterij vallen twee begrippen samen. In de eerste plaats de winkel, waar grutterswaren verkocht werden. Zie hiervoor bij grutter. In de tweede plaats is er de grut- of gortmolen, waarin de grutten gemaakt werden. In deze molen werden zaadkorrels van boekweit en bepaalde graansoorten als gerst en haver gepeld of in kleine stukjes gebroken.
Tegenwoordig maakt men onderscheid tussen gort en grutten, waarbij gort gebruikt wordt voor gepelde graankorrels en grutten voor gebroken korrels. Wanneer in oudere publikaties het begrip gort aan de orde komt, kan er twijfel bestaan wat precies wordt bedoeld. Ook het Woordenboek der Nederlandsche taal kent geen onderscheid: gort = eigenlijk graan dat na, gepeld te zijn, op den molen verbrijzeld is; grut, grutten. Ook wel fijne gort genoemd in onderscheiding van gort, gepelde gerst. Daarnaast wordt in dit woordenboek gezegd: Inzonderheid, ofschoon min eigenlijk, eene benaming voor: gerst die alleen gepeld maar niet gebroken is; gepelde gerst.
Gort of Grut: word genoemd de graanen, die op een pelde-molen gepelt, en vervolgens klein gebrooken zyn ...; ze worden hoofdzakelijk gemaakt van gerst, haver en boekweit.

Hoewel mogelijk boekweit voor eigen gebruik met een handmolen tot grutten werden gebroken, zijn in Nederland, anders dan in Duitsland geen exemplaren gevonden. Het is ook mogelijk, dat het zelf malen verboden was, omdat men belastingen bij de molenaar kon heffen.
Vroeger was ook het werkterrein van koren- en grut/gortmolenaars streng gescheiden. 

Gort ontstaat door het pellen en malen van gerst.

Gortster, gortwijf
Verkoopster van gort (gepelde gerst).

Goudborduurster/der
De goudborduurster/der verricht ook vandaag de dag zijn en - nu vooral - haar werk.
Cannetille (kantielje, gedraaid zilver, of gouddraad) en passé, ondé (gegolfd), cordonnée (cordon = koord, snoer, band), pailletten, brocaat, koordwerk, weefsel, folien van goud- en zilver, halfmat en glanzend worden onder meer verwerkt op uniformen van land-, lucht- en zeemacht, luchtvaart en koopvaardij, ook wel op die van schutterijen en muziekcorpsen. Verder vindt het goudborduren ook plaats op allerlei voorwerpen als ruggen van zetels, die bijvoorbeeld van een wapen worden voorzien.

Gouddraadtrekker

Goudleermaker
Goudpatser
De goudleermaker was de exploitant van de goudleermakerij, de goudpatser was bij hem in dienst.
Goudleer was leer, versierd met bladzilver, dat door vernis goudkleurig werd gemaakt.
Het maken van goudleer, dat als behangsel en plafondbedekking werd gebruikt, vereiste grote zorg en was alleen betaalbaar voor de beter gesitueerden.
De recepten voor de vervaardiging werd angstvallig geheim gehouden.
Eerst werden de huiden in water in de zogenaamde nijpputten (waar ze met tangen werden gehan­teerd) behandeld. Vervolgens gingen ze de kalkput in om het haar te verwijderen. Daarna kregen ze weer een bad in de nijpput en volgde een behandeling met warme zemelbaden en zoutzuur. De huid werd daarna dun geschaafd. Na deze voorbehandelingen werden de huiden in een vol-tobbe geroerd in lauw water met een toenemend gehalte aan eikenschors en een looistof, sumak. Als chemicaliën werden chloor, ammoniumaluin en keukenzout gebruikt. De Hollandse goudleermakers gebruikten vooral kalfsleer in stukken van ongeveer 75 x 65 cm. Deze vellen, samsons genoemd, moesten eerst worden voorbewerkt. Nadat ze een nacht waren ingeweekt, werden ze op een stenen plaat zacht geslagen en gladgewreven, en met behulp van een raamwerk op maat geslagen. Met behulp van perkamentlijm werden de vellen beplakt met bladzilver.
Wanneer de lijm droog was, werd de zilverlaag gepolitoerd met een agaatsteen tot de verlangde glans was verkregen. Over het gepolijste bladzilver werd met de hand een eiwitlaag aangebracht.
Door de goudpatser werd dan een gele vernislaag in twee kruisslagen met de handen opgebracht. De eerste goudpatser verdeelde de vernis met de vingertoppen in golvende lijnen over het oppervlak terwijl een tweede goudpatser met de vlakke hand voor een verdere behandeling zorgdroeg.

Na het vernissen werden de vellen op rekken gespannen en in de zon gedroogd. Tot 1628 werd het leer aan de voorzijde geornamenteerd met behulp van stempels. Later kwam de methode met behulp van persen in zwang. Met behulp van een negatief gestoken houten vorm werd bij kleine werkplaatsen met de hand een reliëf gedrukt. De grotere maakten gebruik van drukpersen, waarbij het leer tussen een vorm en een tegenvorm, bestaande uit sterk gelijmd papier of papiermaché, onder de drukpers geplaatst werd, waarna deze sterk werd aangedraaid. Deze indrukking gebeurde in een aantal fases omdat bij éénmalige persing het leer kon scheuren.
Na 1681 werden in plaats van houten metalen drukvormengebruik, terwijl de pers het aanzien van een mangel of een etspers kreeg.
In de Zuidelijke Nederlanden werd reeds in 1511 goudleer gemaakt. De 'goudenleermakere' Valentijn Klee werd in dat jaar als poorter van Mechelen ingeschreven. Mechelen werd een belangrijk centrum voor de produktie, maar ook in andere Zuid-Nederlandsche steden kwam de produktie tot grote bloei door de goede kwaliteit die werd geleverd. In de Noordelijke Nederlanden begon de produktie een eeuw later. In 1612 werd aan Claesz Jacobsz. te Amsterdam een octrooi voor zes jaar verleend om 'vergulde en versilverde leeren te maken'. In 1613 bleken ook twee Hagenaars goudleer te fabriceren: Jacob Dircxz. de Swart en Hans le Maire. Later vestigden zich meerdere goudleermakerijen, maar de van De Swart was de bekendste. Behalve Amsterdam en Den Haag waren, voorzover bekend, alleen in Middelburg en Dordrecht goudleermakerijen actief. In de Zuidelijke Nederlanden werd de laatste goudleermakerij opgeheven in 1797, in de Noordelijke gebeurde dat reeds in 1753.

 

Goud-/zilversmid
Gra(e)fma(ec)ker 
Doodgraver

Graveur, grafeerder
In oude stukken ook graveerder genoemd.
"Kunstenaar, die in steen of metaal holle of verhevene figuren snijdt".
Veel wat vroeger met de hand werd gedaan wordt nu vervaardigd met behulp van graveermachines, maar dit is in wezen meer freeswerk. Maar ook nu bestaat dit eeuwenoude ambacht nog, in de kunst (droge naald gravures) en bij industrieën waar bijvoorbeeld munten, penningen en siervoorwerpen worden gemaakt.
Deze beroepsuitoefening kent verschillende vormen: zo is er de (edel)steengraveur, die voornamelijk halfedelstenen bewerkt voor onder meer zegel- en wapenringen. Voor dergelijk werk staat een leertijd van tenminste tien jaar.
Hierbij worden - veelal zelfgemaakte - uiterst fijne freesboortjes, ingewreven met diamantslijpsel, gebruikt.
De graveur, die afbeeldingen in staal, zink, koper of hout stak of steekt, heeft de beschikking over een uitgebreid assortiment stekers (= burijnen). Zo heeft men bijvoorbeeld een spitssteker, ruitsteker, justeersteker en een bolsteker.
Graveert hij ook stempels en/of siervoorwerpen, dan heeft hij ook nog een aantal ponsen tot zijn beschikking. Bij het ponsen worden motieven in het metaal geslagen om bijzondere effecten te bereiken als stofmat, zandmat en streepmat. Verder gebruikte men ponsen van veel voorkomende motieven als bijvoorbeeld sterretjes en heraldische motieven.
Het graveren zou door de edelsmeden tot ontwikkeling zijn gebracht, die met een burijn een tekst of voorstelling in metaal aanbracht (ciseleren). Met behulp van een verfmengsel maakte hij soms een afdruk, zodat hij een voorbeeld had om dezelfde afbeelding in een ander werkstuk te graveren. Hieruit zou het drukken van gravures als zelfstandige techniek zijn ontstaan. Vóór 1400 stak men in brons, later in koper, dat zachter was en daardoor gemakkelijker te graveren. Tussen 1400 en 1450 kwam als concurrent de etstechniek tot ontwikkeling, afkomstig van