Oude Nederlandse ambachten / beroepen

Vrijwel complete lijst van oude Nederlandse ambachten / beroepen met details

Aalvrouw 
Vrouw, die met aal ventte (o.a. in Amsterdam) Deze vrouwen waren zeer bedreven in het levend villen van de alen.

Aannemer

O.a. aannemer van de verlichting der straten, van publieke werken e.d.
Functie bij de postdienst.
Aanplakker 
Verzorgde bekendmakingen van openbare brieven, afkondigingen, ambtelijke besluiten en dergelijke door middel van aanplakking van biljetten op openbare plaatsen.
Een aanplakker werd ook wel reizende bode genoemd.

Aanpikkerateur

  1. Kraanhulp, ook wel aan- en afhoeker, is/was werkzaam bij het laden en lossen met behulp van een hijskraan om de lasten aan de kraan te bevestigen, of los te maken.
  2. Persoon, die moest zorgen dat de wagons van het spoor los- dan wel aangekoppeld werden. Staand tussen twee wagons, die aangehaakt moesten worden moest hij de koppeling tot stand brengen: Als de koppeling van de ene wagon over de neus van de andere schoof moest hij de schroefsluiting bevestigen en de luchtrem aansluiten, een en ander in samenspel met de machinist.

Aanspreker
Een persoon, die de familie en vrienden van de overledene ter begrafenis nodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening der begrafenis belast is. Hij wordt ook Nodiger, Boodschapper, Doodbidder, Lijkbidder, Groefbidder of Leedaanzegger genoemd. De titel "aanspreker" is van de vroegere gilden afkomstig. Iedere gildeknecht was de aanspreker van zijn gilde. Bij de lijkstatie ging hij, als leider van de rouwstoet, vóór de baar uit. Later, toen in de grote steden men dikwijls geen lid meer was van een gilde, waren er andere personen nodig om het werk te verrichten, wat anders de gildeknecht deed. En ofschoon het eigenlijk geen "aan-spreken" meer was, maar een bekendmaken, bleef de oude titel toch in zwang 

Aapjeskoetsier
Koetsier van een aapje = huurrijtuig

Aardemeter
Controleerde de klei, vroeger aarde genoemd, op kwaliteit voor de aardewerk-industrie.

Aardetrapper
In de aardewerkindustrie mengde men verschillende soorten aarde(klei) tot de juiste kwaliteit werd bereikt. Dit mengen werd gedaan door aardetrappers. Op een houten vloer trapten zij de klei tot grote koeken. Dat gebeurde blootsvoets, zodat oneffenheden goed gevoeld konden worden.

Aardewasser
Klei, vroeger aarde genoemd, bestemd voor de aardewerkindustrie moest na aankomst eerst gewassen en gezuiverd worden. Dit werd gedaan door aardewassers, die meestal buiten de stadsmuren werkzaam waren vanwege de grote watervervuiling die het wassen veroorzaakte.

Aardewerkschilder
Voor het beschilderen hadden de pottenbakkers aardewerkschilders in dienst. Schilderen op de ongebakken glazuurlaag vereiste grote vaardigheid want de glazuurlaag zoog/zuigt de verf snel op, zodat correctie niet meer mogelijk is. Voor seriewerk maakte men gebruik sponzenNaast het pottenbakkersmerk vindt men vaak ook de vermelding van degeen die het product beschilderde. Dit was gespecialiseerd werk want de aardewerk- of porseleinschilder moest werken met kleurstoffen die tegen de temperaturen tijdens het bakken bestand waren.

Aardewerkventer
Rondtrekkend verkoper van aardewerk.

Aardmaker (walker)
Met spa werd de kleibult afgegraven en per kruiwagen naar de walkplaats gebracht; daar bracht de aardmaker de klei in lagen aan terwijl hij tussentijds water toevoegde.

Aardschieter (zie kleigraver)

Aardvletter
Schipper die met een vletschip aarde of klei vervoerde.
Een vletschip is een klein vaartuig van hout, staal of (tegenwoordig) kunststof, oorspronkelijk een platboomd vaartuig, een soort praam.

Aardwerker
Aardwerk is het verwerken van aarde of grond ten behoeve van huizenbouw, dijken, sloten/kanalen, vestingwerken enz. Een aardwerker is een arbeider, die grondwerk verrichtte. Tegenwoordig grondwerker genoemd. Het was een zwaar en slecht betaald handwerk. Bij het graven van bijvoorbeeld een bouwput stond men dikwijls tot aan de enkels in het grondwater. Het begrip "aardwerker" was tot in de negentiende eeuw nog in gebruik. 

Accijnsmeester

De accijnsmeester was belast met de inning en registratie van accijnzen (belastingen).

Accishuysmeister
Zie ook accijnsmeester.
Huismeester die zich met de accijnzen (belastingen) bezig houdt.

Achterleenman
Het woord “achter” voor leenman wordt meestal weggelaten. Oorspronkelijk soldaat in dienst van een leenheer. Hij ontving geen soldij maar een stukje erfelijk land van de leenheer. De leenheer zelf was meestal ook leenman en in dienst van de graaf of een bisschop. Nakomelingen van een (achter)leenman noemden zich vaak welgeborenen.

Achtermeid
Dienstbode op een boerderij, die werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het bedrijf. Voor de huishouding waren er de boven- en/of keukenmeid.

Adelborst 
Jongeling behorende tot de adel dan wel het patriciaat, die als aspirant-officier wordt opgeleid tot officier bij de Vloot der Verenigde Nederlanden en later de Koninklijke Marine, ook in dienst van de V.O.C.

Aderlater 
Zie chirurgijn

Administrateur
Administrateur van o.a. de Weeskamer. Voerde de administratie.

Admodiateur 
Een soort rentmeester. Hij was verpachter van landerijen, in dienst van de Domeinen en Geestelijke goederen.
Adsisent - Assistent
Politieagent, Diender

Advocaat
Rechtsgeleerde. Voordat in het verleden iemand tot de balie werd toegelaten, werd hij eerst door de president of door een van de Raden van den Hove "eerstiglijk, getrouwelick ende sonder simulatie" ondervraagd.
Het ging hierbij om het volgende:
1. Of hij met goede manieren, verstande ende rijp en raede begaafd was;
2. Of hij uyt wettelijken huwelicke geprocreëerd was.
3. Of hij van de Christelijke Religie was.
4. Of hij gheleert was, den tijd, daertoe gheordineert, ghestudeert hebbende: ende of hij eenigh teeken van toekomende neerstigheyd is thoonende.
5. Of hij in de Rechten gepromoveert is, ende in wat plaetse hij zijnen titel verkregen heeft 1).
Vervolgens moest de advocaat de eed afleggen. Deze eed hield in "getrouwheid aan den stadhouder, eerbied voor de Magistratuur, goede zorg voor de practijk, en dat hij geen zaak zou aannemen die onregtvaardig was".
Die eed moest jaarlijks hernieuwd worden binnen dertien dagen na de eerste gerechtsdag. Een termijn, voor hen die elders woonden, met nog twee dagen verlengd, alles "op poene van een gouden carolus gulden".

Rechtsgeleerd  raadsman in en buiten proces, verdediger in civiele- en strafzaken, dateert reeds uit het oude Rome. 

Afbaarder

Hiermee werd de persoon aangeduid die

-die bij de schelpenvisserij oesters en mossels ontbaardde.
-in metaalgieterijen de overtollige uitsteeksels verwijderde van de voorwerpen die uit de gietvormen kwamen.

Afbraakkoper
Sloper.

Afdoender 
Zie ook vilder.
Een afdoender is hetzelfde als vilder, verwerker van dode dieren. Deze beroepsaanduiding vooral gevonden in het zuiden van ons land en in België.
Aangezien het een vuil beroep was trok de afdoender zijn vuilste kleren aan. Daarom werd een haveloos en slordig gekleed iemand ook wel als afdoender betiteld.
Naast de huiden, ook van katten en honden (dit laatste o.a. om geprepareerd te worden tot kleedje), werd zo veel mogelijk van het dode dier hergebruikt.
In België wordt een afsnijder van hopranken ook wel afdoener genoemd.

Afdrager

  1. Persoon die in een steenbakkerij de met klei gevulde vormen van de vormer vervoert naar de droogplaats.
    (vaak jongen, meisje of vrouw)
  2. Persoon die in een glasblazerij de nog gloeiendhete producten naar een koeloven vervoert.

Affuitmaker 
Maakte onderstel waarop de loop van een kanon rust en dat diende om de vuurmond tijdens het schieten stabiliteit te geven.

Aflegger, vr. aflegster

De persoon, die lijken aflegt, d.w.z. ontkleedt en ze kleedt ( bijv. doodshemd) om gekist te worden.

Afscheepster, afscheper
Vrouw, resp. man die voor het bevrachten, resp. ontschepen zorgt van vrachtschepen.

Afschrijver 
Copiïst of Kopiïst. Maakte afschriften van documenten.

Afsetter
Ook afzetter, verluchter.

  1. Zowel het kleuren van kaarten als het aanbrengen van het schrift daarop werd in de zestiende tot de achttiende eeuw als beroep uitgeoefend. Dit afschilderen gebeurde op allerlei niveau's, waarbij hun werk zich niet alleen tot landkaarten en plattegronden beperkte. Ook allerlei ander prentwerk werd door hen van kleuren voorzien. We kennen van artistiek en technisch perfecte inkleuringen tot het routinematig aanbrengen van kleuren langs grenzen en in kartouches en kompasrozen.
    In het notarieel archief 112, folio 216v, notaris J.F. Bruyningh in het gemeente archief te Amsterdam komt de tekst voor van een contract. Op 1 januari 1609 verbindt Carel Gallier (met zijn jongen) zich voor een jaar met Jacob Morgenrood te Amsterdam om het "afzetten off d''affschilderinge van alderley cunste, caerten, globes en hetgeen daartoe behoort" te leren. Dit in werkweken van dinsdag tot zaterdagavond van 's morgens zes  uur tot 's avonds acht uur!

  2. Persoon die houten of stenen beelden beschilderde zoals de religieuze beelden, die een belangrijke rol vervulden in het Rooms-Katholieke leven

Afslager
Persoon, die bij een openbare verkoping belast is de afslag te regelen. Het afslagerschap behoorde in het verleden tot die ambten, waarmee mannen van aanzien zich graag lieten bekleden.

Alchimist
Beoefende een primitieve vorm van scheikunde. Hij probeerde onedele metalen om te zetten in goud o.a. door middel van de steen der wijzen. Als voorloper van de chemie was de alchimist van belang voor het opdoen van praktische kennis. De alchimist werd verdrongen door de natuurwetenschappen.

Alias
Liefhebber, speelman

Altarist 
Zie vicaris.

Aluinmaker, -koker, -zieder

Bereider van aluin. Dit kon/kan gewonnen worden uit in de natuur voorkomende mineralen als aluinschilvers of worden vervaardigd door het vermengen van klei of bauxiet met zwavelzuur. Aluin in opgeloste toestand werd gebruikt door papiermakers en leerlooiers, in de verfindustrie als beits. Verder als gorgeldrank of in de vorm van aluinstaafjes waarmee men de huid na het scheren behandelde.

Ambachtsbewaarder 
Lokale bestuursfunctionaris van een kleine bestuurskring(ambacht = vrije heerlijkheid)Ambachtsheer 
Hij bezat het recht van lage jurisdictie en de heerlijke rechten in zijn ambacht.
Die rechten waren o.a. het aanstellen van een schout, het recht van tol, jacht, (wind)molens, visserij, eendenkooi, zwaandrift, aanwas enz.
Gewoonlijk voerde de ambachtheer de naam van zijn heerlijkheid achter zijn geslachtsnaam.

Ambtbode
Bode in dienst van de ambtman.

Ambtman
Een ambtman (amtmann) was beheerder van het landgoed van een vorst of andere heerser. Hij zag toe op het onderhoud, het kappen en verwerken van het hout en was belast met het innen van o.a. de woudpacht. Het gebied dat hij beheerde werd wel ambtmannie genoemd.
Ook: persoon in dienst van de overheid, belast met de rechtssspraak in een bepaaald gebied.

Ambtmansdienaar
Persoon in dienst van de Ambtman.

Ansjovisvisser
In de Schelde werd o.a. door vissers uit Bergen op Zoom speciaal op ansjovis gevist, die graag werd gegeten en daarom een goed prijs opbracht. Ze werden weervissers genoemd omdat ze daarbij gebruik maakten van speciale fuiken, waarden of weren, die tot een km lang konden zijn.

Ankerkuilvisser

Visser die in de rivieren aasvis ving met behulp van een kuilnet, dat met behulp van een anker in de rivierbodem vastgezet was.

Ankerslager
Ook ankersmid genoemd.
Dit is iemand die scheepsankers maakte. Echter is het ook mogelijk, dat het een smid was, die muurankers vervaardigde. Muurankers werden vroeger ook dikwijls in de vorm van een jaartal gesmeed en gebruikt aan de voorgevel van een gebouw. Met muurankers werd de balklaag aan de muur verankerd.Antycksnijder
Deze sneed voornamelijk beelden en figuren in hout op zijn “antycks”, d.w.z. naar het voorbeeld der Ouden die men trachtte te evenaren. 

Apotheker
Een apotheek was van oudsher een werkplaats en winkel waar geneesmiddelen werden toebereid en verkocht. Het werk van de apotheker was "'t prepareren der medicamenten". De apothekers moesten daarom "de Latijnse tale redelicker wijse verstaan"

Appel(en)meter, vr. appelmeetster

  1. Beambte belast met de kwaliteitscontrole van appels.
  2. Persoon die appels met behulp van een ton met een bepaalde inhoudsmaat afmeette om de hoogte van de voor die vruchten geldende accijns vast te stellen.

Appelkoopster
Koopvrouw in appelen

Apprêteur, appreteerder
Iemand die met behulp van appret papier, karton of textiel behandelde: het versterken met vulstoffen.
Als appretuurmiddelen werden/worden o.a. stijfsel, lijmsoorten en gelatine gebruikt.

Arbeider 
Loontrekkend werkman, dagloner.
Iemand die in dienst van een ander (zware) arbeid verricht(te).Armboogschutter, armbostier, armbrostier 
Boogschutter.Armborstmaker, armbrostier, ook bogemaeker 
Vervaardiger van kruis- en handbogen. Ook vervaardigde hij de pijlen.Arm(en)meester 
Lid van een burgerlijk of parochiaal armbestuur, ook charitaatsmeester genoemd.

Artillerie(y)meester
Ook wel busmeester genoemd.
Persoon in dienst van een stad, belast met het toezicht op de ammunitie en de wapens.

Artsenijmenger 
Uitoefening der artsenijmengkunst is het bereiden en tot geneeskundig doel afleveren van geneesmiddelen. In Voorgeslacht deel 3, pag. 202 wordt opgemerkt dat destijds de chemie de artsenijmengkunde nog zo goed als geen ondersteuning leverde, maar vooral op zoek was naar een middel om onedele metalen te veranderen in goud en zilver.

Aschkooper
Handelaar in potas. Potas (kalium-carbonaat) werd vroeger uitgeloogd uit hout-as en weleer in potten verzonden. Potas werd onder andere gebruikt als onderdeel van de zeepfabricage. Vandaar dat askopers dikwijls tevens zeepzieders waren. 

As(ch)molenaar

Exploitant van een as(ch)molen. In as(ch)molens werd hoofdzakelijk potas vermalen. Dit product werd verkregen uit berkenhout dat eerst werd verbrand. Naast potas werd ook weedas (as van eikenhout), kalk en soda geproduceerd. Deze producten werden gebruikt voor het bleken van garen, dat grote aftrek vond bij de zeildoekweverijen. 

Aschman
Vuilnisman

Aschwerker
Zie Aschkooper.
Bereider van potas.

Askramer
Een (kleine) handelaar die de afvoer van as (vuilnis) regelde.

Assayeur
Zie essayeur.
Keurmeester van goud en zilver.

Assessor
Is een persoon die de voorzitter terzijde staat, toegevoegd bestuurlid (vooral in de Academische Senaat, in studentenvereniging en kerkvergadering)

Assuradeur 
Vroeger ook assureur en asssureerder.
Iemand die zijn beroep maakt van het verzekeren tegen brand, ongevallen, gevaren ter zee ed. nu in ver vorm van verzekeringsmaatschappijen.Astrologist 
Astroloog. Deze hield en houdt zich bezig met de theorie dat de hemellichamen invloed uitoefenen op de aanleg en het lot van de mensen, wat tot uitdrukking wordt gebracht in op te stellen horoscopen, schema’s van de stand van de sterren en planeten op het tijdstip van de geboorte en gezien vanuit de geboorteplaats.Asvaarder 
De asvaarders hadden in steden met grachten tot taak as en huisvuil af te voeren naar een aangegeven stortplaats.
Aventurier 
(Avonturier, storier)
Beroepsomschrijving. Een avonturier is daar dan een rondreizend koopman. 

Azijnmaker
Azijn is een kruid- en conserveringsmiddel met als essentieel bestanddeel azijnzuur, gewonnen door de zogenaamde azijnzure gisting uit alcoholische vloeistoffen of door verdunning van gezuiverd azijnzuur of azijnessence. 

Baaidrapier, baaispinner, baaiwever, baaiwerker
De baaidrapier, was de ondernemer, die baaien stoffen liet vervaardigen. De baaispinner spon de voor het weven benodigde en geschikte garens, de baaiwerker was betrokken bij het vervaardigen van baai, de baaiwever weefde baai voor diverse doeleinden. Baai is een dik en grof weefsel, een op molton gelijkend flanel. In de Middeleeuwen sprak men van “baelsch laecken”. Baie is afkomstig uit het Frans in de betekenis van roodbruin, de kleur van paarden.  Baai werd voor vele doeleinden gebruikt. Zo droegen vrouwen in de zeventiende eeuw “baaijen sokken, die ook wel ”besuynen” genoemd werden. Ook droeg men baaien hemden. In de negentiende eeuw waren de rood-baaien borstrok en onderrok nog heel gewone kledingstukken.

Baakenmeester

De baakenmeester was belast met het beheer van de bebakening op zee.

Baakster, baker
Voorloopster van de kraamverzorgster.
De vroedvrouw of vroedmeester begeleidde de bevalling, de baker verzorgde de zuigeling en verluierde deze o.a., zittend in de bakermat, een tenen of houten mand, door een hoogoplopend ruggescherm tegen tocht beschut. Eerst werd de baby in een linnen en vervolgens in een daarover geslagen wollen luier gesloten en daarna met een lange zwachtel van beneden tot de oksels zo stijf omwonden dat het de beentjes niet kon bewegen (het z.g. zwachtelen of inbakeren). Een en ander zou het kind voor kromme benen, lies- en navelbreuk behoeden en zorgen voor een rechte gestalte en brede schouders. Aan hen is de term “bakerpraatjes” ontleend. Door hun zeer beperkte medische kennis, klopte het lang niet altijd wat ze zeiden.

Baander, baanster, baan(ders)gast, baanderknecht, baanmansknecht, baanspinner, baan- of lijndraaier.
Zie ook touwdraaier, touwslager.
Bovengenoemde termen zijn benamingen van de werkman die bij de touwslagerij in de lijnbaan loopt. De spinbaan, ook spinpad of lijnbaan genoemd, was een vijftig tot vijfhonderd meter lange baan, waar het spinnen (draaien) plaats vond. 

Baanderheer (banderheer, baanjerheer, bij verkorting banjer, in oudere vorm ba(n)nerheer)
Een soms erfelijke titel van edelen die het recht hadden onder hun banier hun welgeboren mannen ten oorlog te voeren; hetzelfde als baanrots, dat inzonderheid in Vlaanderen  en Brabant voorkwam. Van oorsprong was de baanderheer de naast de opperheer rijdende of staande ridder, drager van ’s vorsten baanier (teken van het opperbevel en verzamelpunt van diens volgelingen). Het hoge ambt werd wel tot een souvereine titel en erfelijk, zodat baanderheren ook onder “eigen” banier optraden.

Baanwachter
De baanwachter, ook wel overwegwachter genoemd, was in dienst van de spoorwegen. Hij woonde in een baanwachtershuisje bij een bewaakte spoorwegovergang. Telkens als er een trein in aantocht was moest hij de spoorbomen naar beneden draaien. Dikwijls wat het een functie waarbij ook de vrouw betrokken was. Zij bediende de spoorbomen bijv. overdag en de man deed het dan ’s nachts. Zowel de man als de vrouw droegen een uniformjas.

Badstoofhouder

Exploitant van een badstoof, een badinrichting. Eigenlijk een verwarmd vertrek waar men een bad kon nemen. 

Baejdrapier
Zie baaidrapier

Baertscheerder, baardscheerder
In hedendaagse taal: een barbier.
In hedendaagse taal: een barbier. Een beroep, dat in het verleden meestal samenging met dat van chirurgijn.  Als herkenningsteken van hun beroep, hadden de baardscheerders een ronde paal in de kleuren rood, wit en blauw aan de gevel staan. Van oudsher werd deze paal een vlaggestok genoemd, later bekend als barbierspaal. "De vlaggestok van ouds het onderscheidingsteeken van zulke barbiers of chirurgijns, die als heelmeesters gevaren hadden. Later werd echter het uitsteken van de vlaggestok aan barbierwinkels algemeen.

Baggelaar 
Arbeider, die in het laagveen het veen uit de petgaten baggerde met behulp van een baggerbeugel.

Baggelaar, baggerman 
Een arbeider, die sloten en grachten uitbaggerde. Dit gebeurde met behulp van een baggerbeugel. Voor het grotere werk maakte men gebruik van een baggerschuit met daarop een baggermolen, die door mensen- of paardenkracht in beweging werd gehouden.

Ba(a)kenmeester
Vroeger ook baakmeester, in Zeeland bakenaar.

  1. Den Baakmeester sal in den Lantaeren alle avonden ….. aensteken, en den geheelen nacht brandende houden drie Lampen, die van verne sullen konnen gezien werden. 
  2. Later bevoegd ambtenaar van Waterstaat die zorgdraagt voor de afbakening van de vaarroutes. Ook is hij de schippers en gezagvoerders behulpzaam bij het in- en uitvaren van de havens. Zo nodig kan hij bij overtredingen proces-verbaal opmaken.

Bakker
Men kent verschillende soorten bakkers. Het meest voorkomend waren de brood- en de banketbakkers. Ook waren er beschuit- en suikerbakkers. Verder de pannenbakkers ( = dakpannen-), de plateelbakkers, de pijpen-, de steen-, en tegelbakkers. Zij komen bij de betreffende letters aan de orde.

Balansenmaker, balansenmaaker
Op de zeventiende eeuwse luifel van een balansenmaker stond weleer te lezen:
"Al houd deze man veel van speelen, drinken en danssen, Nochtans levert hy curieuse Gewichten en Balanssen"
Waaruit op te maken valt dat de man niet alleen uitblonk in het maken van weegschalen, maar ook in het vervaardigen van gewichten. Een uiterst nauwkeurig werk, want die gewichten dienden aan een belangrijke eis te voldoen, namelijk het juiste gewicht aangeven. Die gewichten moesten daarom geijkt zijn. De winkelier wiens gewichten niet geijkt waren kon in het verleden rekenen op een forse boete. 

Baleinwerker, baleinsnijder
Een balein is een reep veerkrachtige stof, gemaakt uit de baarden van de walvis. Het Latijnse woord balaena en het Middel-Nederlands baleine betekenen dan ook walvis. Baleinen werden gebruikt voor het in model houden van kledingstukken zoals bijvoorbeeld een keurslijf.

Baljuw
Een baljuw was de vertegenwoordiger van de landsheer of de heer van een heerlijkheid met hoge of criminele jurisdictie. Dat wil zeggen, dat hij zware misdrijven mocht berechten en lijfstraffelijke rechtspleging kon vorderen. Zijn ambtsgebied heette baljuwschap. Tot 1572 werd het ambt van baljuw meestal verpacht. Daarna tot 1795 werd hij door de Staten benoemd.

Ballaster 
Zandschipper, die aan uitvarende schepen ballast verkoopt.

Ballenmaker
Ballen voor diverse doeleinden, werden al naar het doel van hun gebruik, gedraaid van hout of been, soms van ivoor. Dikwijls had de ballenmaker een gouden bal als uithangteken aan de voorgevel van zijn bedrijf.
Maar behalve ballen, vervaardigde deze vakman dikwijls nog veel meer:
“Ik draai werp-tollen, klossen, houte stijlen en klooten. Ook palmhoute stokken, om die door de poort aan de pen te stooten”, aldus een zeventiende eeuwse ballenmaker te Rotterdam
Tot een van de balspelen, die vroeger beoefend werden, behoorde het klootschieten. Hierbij moest een met lood gevulde bal over de zogenaamde klootbaan gerold worden. Omstreeks 1500 raakte ook het kegelen in zwang. Verder werd er gekolfd, eveneens een oudhollands balspel, gespeeld op een kolfbaan, waarbij de bal met een korfstok werd weggeslagen. De kolfbal werd gemaakt van zacht wit schapenleer en gevuld met koe- of kalfshaar.

Bandeliermaker
Vervaardigde brede draagriemen of -banden, die over schouder en borst gedragen werden, bijv. om er de sabel of degen aan te hangen, patronen in de steken of dienende tot sieraad.

Bandwever 
Band is een geweven lint van linnen, katoen of fluweel. Een bandwever is iemand, die werkzaam was in een bandweverij.
Zie verder onder Lintwever.

Bankhouder
Houder van een bank (van lening).

Barbier-chirurgijn
Zie onder Baertscheerder en Chirurgijn.

Bardesaenmaecker
Vervaardiger van bardisaens of pertisaens (was een soort hellebaard die vooral in de strijd tegen de cavalerie werd gebruikt).

Beddenverhuurder
Verhuurder van bedden. 

Bedelvoogd
Naam ten tijde van de Republiek van gerechtsdienaar die landlopers en bedelaars moest vervolgen.
(“Ten einde alle Vagabonden, Schoyers en Beedelaars te beeter uit onse Landen werden geweert en de Officieren in het apprendeeren en bewaaren van criminele Misdadigers ook spoedige adsistentie kunnen bekoomen, zo authoriseeren …. wy …. Regenten en geërfden der respective Dorpen en Heerlykheeden, van … aan te stellen … een of twee Beedelvoogden. (anno 1777).

Bedmaakster 
Vervaardigster van beddegoed.

Bedrijfsboer
Beheerder van een boerderij namens de eigenaar, zetboer.

Beeldsnijder
Beeldsnijden is het beeldhouwen in hout of ivoor. In de tweede helft van de vijftiende eeuw had de kunst van het snijden en beeldhouwen in hout een bijzondere hoogte bereikt. Bij het maken van bijvoorbeeld kasten, kwam de kastenmaker of schrijnwerker op de tweede plaats. Het echte mooie werk werd uitgevoerd door de beeldsnijder. 

Beendraaier, beensnijder
Bewerker van been.

Behanger
Behangt,  stoffeert en verkoopt tapijten, gordijnen, behangselpapier, gang- en traplopers enz. Nog steeds bestaand beroep.

Behangselmaker
Zie ook behangselschilder.
Iemand die wandbekleedsel maakt van doek of papier (vroeger ook van leer) dat op wanden van vertrekken aangebracht werd.

Behangselschilder
Geschilderd behang was in vroeger tijden een zeer populaire wanddecoratie. De op doek geschilderde taferelen hadden zich vanuit de zeventiende eeuw ontwikkeld tot een ware kunst. Door een toenemende vraag naar geschilderd behang, vooral door de rijke adel en de beter gesitueerde koopmansstand, werden er in de achttiende eeuw zelfs behangselateliers opgericht. Daar werkten schilders aan "de lopende band" aan het fabriceren van het behang. De voorstellingen op het geschilderd behang waren uiteenlopend van aard. Vogels en vee, bloemwerken, landschappen al dan niet gestoffeerd met mensenfiguren, boeketten en slingers. Dit alles in fraaie kleuren. Op den duur leidde die fabrieksmatige aanpak tot een vervlakking van deze vorm van schilderkunst. Door het veranderen van de interieurmode werd zo rond 1800 het beschilderde linnen vervangen door het goedkopere bedrukte papieren behang.

Beltknaap
Ophaler van vuilnis in de stad.

Berenleider
Persoon die met een gedresseerde beer rondtrok en met het laten doen van kunstjes door die beer een inkomen trachtte te verwerven.

Bergenvaarder
Schipper, die op Bergen in Noorwegen voer om daar stokvis in te laden bestemd voor Amsterdam. Het Bergenvaardersgilde in de hoofdstad - één van de oudste gilden van Amsterdam - werd opgericht in 1539 toen de scheepvaart vanuit Amsterdam op Bergen begon toe te nemen..

Besteedster
Een besteedster zou je kunnen zien als de eigenaresse van een achttiende eeuws uitzendbureau. Zij verhuurde namelijk dienstboden aan een ieder die dit kon betalen. In vroeger jaren zag men aan sommige deuren in dichtbevolkte straten een lang smal bord uitsteken met: Hier verhuurt men meisjens en minnemoers 
Deze minnemoers waren vrouwen, die het kind van een ander aan de borst hadden. Uiteraard tegen betaling. 

Bestelder, besteller, bestelster
Man of vrouw, die brieven of goederen bezorgde in opdracht van derden zoals een postdienst of veer.

Bestelmeester
Hoofdopzichter, beheerder en bestuurder van een aanzienlijke (vorstelijke) bezitting.

Betielbakker
Betiel is een dialectische nevenvorm van plateel.
Zie Plateelbakker.

Beuker
Dialectische benaming voor kuiper, evenals bodeker.
Zie Kuiper.

Beul
Ook o.a. scherprechter, scarprichter en scharprichter genoemd
(zie ook Scherprechter)

Beurtschipper
Beurtvaart is een vaste vaart op gezette dagen onderhouden door beurtschippers. Zij onderhouden een geregelde dienst tussen twee of meer plaatsen. In Nederland bestond al vroeg een heel netwerk van beurtschippers.

Bevlechter

Bevlechter van vooral voorraadflessen. Iedere glasfabriek waar men flessen produceerde had ook een vlechterij. De meest luxe vorm was de “demijohn”, die van bodem tot hals was ingevlochten, vaak nog met een draaghandvat. Een “korffles” of “mandfles was het meest voorkomende type. Deze was over het borstgedeelte apart omvlochten door een soort deksel, waaruit de hals stak. Het vak moest men in de praktijk leren en ging over van vader op zoon. Je wat pas vakman als je een goede bodem kon maken. Het gereedschap maakte men zelf. Als materiaal werden hoofdzakelijk wilgentenen gebruikt. Een volleerd vlechter kon, afhankelijk van de grootte, per werkdag 8 tot 10 flessen bevlechten.

Bezembinder
Ook wel Besemmaaker genoemd.
Boenders en bezems werden weleer gemaakt van oude dopheide. In maart en april werd deze dopheide met de blote handen geplukt. De heide kerfde de handen, waardoor uit tientallen wondjes tijdens het plukken bloed te voorschijn kwam. De heide werd vervolgens gedroogd en daarna gebonden om er bezems van te maken. Een zeer zwaar werk, omdat de bundels stijf moesten worden aangehaald. Bezembinden was bij andere beroepen vergeleken een onaanzienlijk ambacht. Dikwijls ook was het seizoenwerk, dat bovendien nog slecht werd betaald.
Rijsbezems werden  in het najaar en het winterseizoen vervaardigd uit berkentwijgen. De berk is zeer dicht en fijn vertakt en als zodanig de meest geschikte grondstof voor de rijsbezems. De voor een bezem bestemde takkenbos werd eerst met een touw bijeengehouden en daarna met een stuk ijzerdraad op twee plaatsen flink ingesnoerd. De bezemmaker zaagde vervolgens het boveneinde recht en klaar was de bezem. Een lange gepunte stok werd er doorgaans door de afnemers zelf ingeslagen.

Bierbeschooier
Persoon die tappers en anderen voorziet van van buiten ingevoerde bieren, inzonderheid te Amsterdam, waar in 1631 een gild werd opgericht.

Bierdrager, Bierwerker

Zij verzorgden zowel het lossen van de vaten bier uit de schuiten naar de kelders van de Bierstekers, als het vervoer van bestellingen door particulieren of tappers. Bierdragers werkten aan de Bierkaai
Bierdragers - zij werkten volgens vaste voorschriften en vastgestelde tarieven - dienden zich onder andere beschikbaar te houden in hun wachthuis. Het was zwaar werk. Bier werd gevaat in tonnen van 155 liter, ook wel in halve of vierendeelstonnen. Het lossen gebeurde meestal met wippen of kranen, die op de bierkaai stonden. De vracht werd op een door paarden getrokken slede naar de klanten vervoerd.

Bierkoper
Zie Biersteker.Biersleper
Zie Bierdrager.

Bierste(e)ker
Ook bierkoper en bierbeschooier, bierhandelaar.
Eigenlijk was hij een soort tussenhandelaar, want het bier mocht niet rechtstreeks vanuit de brouwerij aan de consument worden verkocht. En een biersteker van toen had een druk leven, er waren namelijk nogal wat verschillende soorten bier. Om er maar een paar te noemen: Israël, Farao, Delfts en Haarlems bier, kuytbier, Engels bier, scheepsbier dat langer houdbaar was, de zware Duitse moutbieren als het Bremer, Hamburger en Jopenbier. Verder was er dikbier en het goedkope dunbier. Dit laatste werd ook wel scharrebier genoemd en was van geringe kwaliteit.
"Scharrebier was de drank voor de gewone man en daarom ook aan geen excys onderworpen. 
Bierstekers mochten volgens contract alleen van bepaalde brouwers bier kopen. 

Biezensnijde
Eeuwenlang is Genemuiden het centrum voor de verwerking van biezen geweest. De biezen waren daar volop aanwezig. In de negentiende eeuw werd de vraag naar biezen zo groot, dat ze ook van elders moesten worden aangevoerd. De biezensnijders stonden dag  in dag uit met lange lieslaarzen of laarsbroeken aan van vroeg tot laat in het water, dat vaak koud was. Waar het water te diep was of de ondergrond te drassig werd de bies vanuit een punter gesneden. Rond de langste dag is de bies volgroeid. Ze moeten dan zo snel mogelijk worden gesneden omdat ze anders kwalitatief sterk achteruitgaan. Biezen werden/worden evenals het riet met de snit afgesneden. De geoogste biezen worden tot bossen met een omtrek van een meter gebonden met behulp van een biezen streng. 100 bossen noemt men ook hier als bij de rietsnijders een 'vim'.
Op het vaste land worden de bossen losgesneden en 'in sprei' gelegd. (waaiervormig uitgelegd) om ongeveer drie dagen te drogen. Daarna worden de bossen weer met een speciale hark (krabber) bij elkaar geharkt en opnieuw tot bossen gebonden. Deze bossen worden dan nog ongeveer twee weken aan 'stoepen' (schoven) gezet. Vervolgens gaan ze twee tot drie weken 'aan de mijt'. Voor ze uiteindelijk definitief onder dak gaan kunnen ze indien nodig nog een keer worden gedroogd om schimmel e.d. te voorkomen.

Bilder
De bilder scherpte molenstenen met behulp van een bilhamer.

Binnenmoeder
Vrouw belast met het dagelijks toezicht en het regelen van de dagelijkse gang van zaken in weeshuizen, armenhuizen, leprahuizen, pesthuizen enz.

Binnenvader
Zie ook Binnenmoeder.
Man belast met het toezicht op het mannelijk personeel en de gebouwen van weeshuizen, armenhuizen, leprahuizen, pesthuizen enz.

Blaasbalgmaker
Een blaasbalg - in de volkstaal ook wel blaasbalk genoemd - is een werktuig tot het samenpersen en uitblazen van lucht en werd onder meer gebruikt om een vuur beter te doen branden. Ook bij kerkorgels werd gebruik gemaakt van blaasbalgen (zie orgeltrappers)
Blaasbalgen werden in alle afmetingen gemaakt, afhankelijk van het doel waarvoor zij gebruikt werden. De materialen die voor het maken van blaasbalgen gebruikt werden waren leer, hout en koper(beslag). 

Blauwdrukker

Naast het blauwverven kwam ook het blauwdrukken van textielstoffen tot ontwikkeling Een combinatie van beide lag voor de hand. Er werd toen niet rechtstreeks gedrukt. Oorspronkelijk werden de drukblokken uit buksboomhout gesneden. Later, in de negentiende eeuw, werden de dessins uit vele kleine stiften gevormd die in een cliché van perenboomhout werden gezet. Deze drukblokken waarbij de grote vlakken met vilt opgevuld waren en de fijne lijnen door koperen strookjes en pinnen waren aangegeven, dienden om de drukpap op het weefsel te stempelen. Deze drukpap, waarvan de receptuur uit de vijftiende of zestiende eeuw stamt, bestond o.a. uit een mengsel van Arabische gom, witte tabakspijpenaarde, kopervitriool, groenspaan, potloodsuiker, potloodsulfaat, aluin en groenspaan. Op die plaatsen nam het doek de verf niet aan als de stukken stof de verfpot ingingen. Na droging werd de pap weer verwijderd. Een blauwverver beschikte al gauw over een flinke voorraad drukblokken. In 1836 telde bijv. Enschede zes blauwdrukkerijen.

Blauwverver
In oude archiefstukken ook wel Blaueverwer genoemd. In het productieproces van de lakennijverheid, was het verven van het laken misschien wel de belangrijkste bewerking. Als het laken was geweven, ging het naar de verver. Deze bereidde zijn verf in grote ketels, die hij eerst vulde water waaraan zaagsel en wat gemalen meekrap werd toegevoegd om het water te verzachten. Als deze stoffen hun werk hadden gedaan werden ze verwijderd en werden plantaardige verfstoffen en beitsmiddelen als aluin en urine. Voor de kleur blauw werd oorspronkelijk  een in Thüringen gekweekte plant gebruikt, wede. Later, na het op gang komen van de vaarten naar het verre Oosten werd dit vervangen door het betere indigo. (Dit is later weer vervangen door indanthreen blauw). Het mengsel werd aan de kook gebracht en dan roerde de verver - meestal bijgestaan door enige knechten - met lange stokken de lakens urenlang door het dampende verfbad.Terwijl de stof zorgvuldig werd gedraaid, veranderde de kleur van het water door de toevoeging van zuurstof van groengeel in blauw. Door andere grondstoffen toe te voegen kon men voor kleurschakeringen zorgen. Wanneer de kleur zich aan het laken had gehecht, werd de stof zorgvuldig uitgespoeld. In de tijd van de lakennering duurde het afwerken minstens een en soms twee tot drie dagen. Een blauwverver uit die tijd kon op deze maniewr drie tot vier kuipen per week afwerken.
In de latere tijd ziet men dat het verfbad veranderingen ondergaat. Boven de kuip kwam een ijzeren kroonring te hangen waar de te verven of bedrukte stof werd gespannen, waarna men de stoffen met de ring onderdompelde. Dat werd zo dikwijls herhaald tot de stof de gewenste kleur had. Een nauwkeurig werk, want de schoonheid en de deugdelijkheid van de kleuren waren immers doorslaggevend voor de handelswaarde van het laken. Na het verfbad werden de lakens goed uitgespoeld en buiten aan palen te drogen gehangen. Soms hielden de wevers het weven en het verven in eigen hand. 

Blecker, bleckaert (blekker)

Persoon die (eike)bomen en wilgentenen ontschorst en dus blank maakt.

Eikenschors werd met de bijl verwijderd en was destijds nodig voor de leerlooierijen.
Om wilgentenen van hun bast te ontdoen werden ze eerst in een sloot gezet, waardoor ze weer gingen uitlopen, waardoor de bast gemakkelijker los liet. Het ontbasten gebeurde met behulp van een bleekijzer Daarna werd de tak een slag rondgedraaid en nogmaals door geslagen. De bast hing dan aan vellen aan de tak en kon door hulpkrachten gemakkelijk worden verwijderd. De gebleekte wilgentenen werden gebruikt door manden- en tonnenmakers en gevlochten tot matten als basis bij de aanleg van dijken.

Bleekvrouw
De  welgestelden stuurden hun wasmanden met vuile kleding naar (was)plaatsen. De middenstand en de wat minder welgestelden wasten veelal op maandag en dinsdag  thuis, waarna het door bleekvrouwen  gebleekt werd. 

Bleker
Eigenlijk een verzamelnaam voor hen, die zich bezighielden met het bleken of reinigen van linnen, lijnwaden, garens en kleding. Zie verder onder: Garenbleker; Kleerbleker; Linnenbleker; Lijnwaadbleker.
De uit vlas vervaardigde linnen garens en geweven linnen stoffen werden al vroeg vervaardigd door de boeren, die vlas verbouwden. Deze garens en stoffen werden gebleekt om ze aan aantrekkelijker aanzien te bezorgen. Naast het produceren voor eigen gebruik begon in de late Middeleeuwen, vooral in de Zuidelijke Nederlanden, de productie voor de handel zich uit te breiden. In die tijd ontstonden er beroepsblekerijen. 

Blikslager
Blik is geplet en vertind plaatijzer, uitgeslagen in dunne bladen. De man die ermee werkte werd blikslager genoemd. Een beroep dat soms samenging met dat van koperslager. Van blik werden allerlei huishoudelijke voorwerpen gemaakt o.a. trommeltjes, ketels, tabaksdozen, bussen en voorraadblikken.  Later ontwikkelde zich dit tot een blikindustrie die o.a. op grote schaal conservenblikken vervaardigde, maar ook nog steeds andere bewaarblikken.

Bloembollenreiziger
Een bloembollenreiziger, ook wel vertegenwoordiger in bloembollen verkocht bloembollen in het buitenland, o.a. Duitsland, Rusland, Scandinavië, de VS, China en Japan. Ze waren een paar maanden per jaar onderweg, ten dele handelend voor eigen rekening. In het laatste geval kochten ze in het voorjaar de bollen in bij de Nederlandse kwekers en probeerden ze dan elders in de wereld aan hun potentiële klanten te verkopen, waarbij men vooral op een bepaalde regio was gericht.

Blokmaker, blookemaker
Een blookemaker of blokmaker is iemand die houten scheepsonderdelen vervaardigde zoals blokken (katrollen), schijven voor takels, maar ook dweilstokken, marsen, pompen, rolpaarden (onderstellen van kanonnen), roeiriemen, vlaggestokken en windbomen maakte, veelal voor schepen, ook in dienst van de V.O.C.

Bode
Er bestonden van oudsher verschillende categorieën van boden. Iemand die brieven of pakjes naar bepaalde steden of gewesten vervoerde en een bode in dienst van het gerecht of van het gemeentebestuur.
De reizende boden waren te Amsterdam al bekend in 1400, maar geregelde posten werden pas na 1568 ingesteld. 
Een geheel ander type bode was de dienaar die vanwege het stadsbestuur fungeerde. Dan als aanzegger, maar ook als de man die namens de burgemeester iemand kon dagvaarden. Hij was dus zoveel als deurwaarder. Traden de burgemeesters en de schepenen van tijd tot tijd af, de bode niet. Hij bleef. De bode was beëdigd en droeg als zinnebeeld van de gemeentelijke overheid een roede of staf. Vandaar ook, dat gesproken werd van gezworen roedragende bode of roedrager.  Die bodestaven waren dikwijls - als uiterlijke tekenen van een zekere macht - fraai versierd. Meestal werden ze vervaardigd van een harde houtsoort en voorzien van een zilveren kn

Bodeker
Ook Beuker.
Streeknaam voor Kuiper.

Boedelschikker, boedelscheider, boedelberedderaar

Man of vrouw, aangesteld door de overheid om nagelaten of failliete boedels af te wikkelen, o.a. door het organiseren van een openbare verkoping.

Boekbeslager
Voorzag boekbanden ter versterking of versiering van een metalen beslag.

Boekbinder
Het boekbinden is zowel een nering als een kunst.
Men maakt onderscheid tussen de handboekbinderij en (later) de machinale (kantoor)boekbinderij, beide met speciale functies.
In de handboekbinderij heeft men naast de eigenlijke boekbinder o.a. de handvergulder, de persvergulder, de sneevergulder, de marmeraar, bij de machinale binderij naast de machinebinder de linieerder.
De handvergulder vervaardigde aan de hand o.a. met bladgoud van een model titels en versieringen. De persvergulder deed dit met behulp van een pers.
De sneevergulder verguldde de afsnee van de boekblokken.
De marmeraar kleurde de schutbladen van boeken. Hiertoe werden marmerverven in geprepareerd grondwater toegevoegd in de marmerbak, waarna met kammen het gewenste dessin werd verkregen voor men het papier er in dompelde.
De linieerder bediende de linieermachine. Eigenlijk is dit meer drukkers- dan bindersarbeid. 

Boekdrukker
Druktechniek waarbij gebruik wordt gemaakt van o.a. lettermateriaal, waarbij het deel dat moet worden afgedrukt hoger staat dan het gedeelte dat niet moet worden afgedrukt. Naast blokdruk, het afdrukken met behulp van houtblokken, waarbij de tekst en eventuele afbeeldingen, dusdanig worden uitgesneden, dat het af te drukken deel uitsteekt, is de hoogdruk vanaf rond 1450 tot pakweg 2000 de voornaamste manier van drukken geweest.
Het losse lettermateriaal wordt opgeborgen in laden, de letterkasten, ingedeeld volgens een vast systeem.Naast het losse lettermateriaal wordt ook gebruik gemaakt van machinezetsel (zie machinezetter).
Met behulp van een zethaak (zie Handzetter) of (regel)zetmachines wordt de drukvorm naar behoefte opgebouwd uit letters, (punt)lijnen, clichés (al dan niet gerasterde afbeeldingen of lijnclichés) en numerators. Eerst wordt een proefdruk vervaardigd en zo nodig gecorrigeerd. Hierna wordt de vorm in de drukpers geplaatst en kan het eigenlijke drukken beginnen. De drukmachine varieerde van een handdegeltje en een o.a. Heidelberger (electrische) degel tot meerkleurenpersen waarbij op ieder persdeel een kleur wordt afgedrukt.
Na het drukken volgt zo nodig de nabewerking zoals rillen (bijv. voor de vouw bij familiedrukwerk), vergaren en schoonsnijden van het gedrukte.
Is een drukklus geheel afgerond dan kan het zetsel weer worden gedistribueerd, voor zover men het niet voor herdrukken bewaart.
Naast de groten waren er ook vele eenmansdrukkerijen, waar de drukker alles in zijn eentje moest doen.

Boekenkramer
Rondreizende boekenverkoper.

Boekhandel 
Dikwijls was de drukker ook uitgever en verkoper van de door hem gedrukte boeken.

Boekvergulder
De boekvergulder werkte nauw samen met de boekbinder. Hij bracht in goud de versieringen aan op de boekomslag. Dit gebeurde door middel van goudfolie en een stempel dat verhit werd. Niet alleen de band werd fraai versierd, ook de snede, de drie door de binder, na het binden, recht afgesneden zijden van het boekblok. De snede werd dan verguld en soms met bepaalde rolstempels geprofileerd.

Boekverkoper
In het verleden was een boekverkoper tevens boekdrukker. 

Boekweitmolenaar
De boekweit is als graansoort in de vijftiende eeuw in West- Europa ingevoerd uit Azië. 
In die tijd sprak men van "boecweit", letterlijk beuktarwe, omdat de korrels overeenkomst vertonen met beukenootjes. De uitgang "weit" duidt op het witte meel dat van de korrels verkregen wordt. Dit gebeurde met de boekweitmolen tussen stenen. 

Boendermaker
Een boender is een werktuig om mee te schrobben. Een lange boender voor vloeren en gangen, een platte boender voor houtwerk en een heiboender voor potten, vaten en gootstenen. Ze werden dikwijls vervaardigd van varkenshaar. De heiboender werd van heide gemaakt. 

Boer
Eigenlijk is iedereen, die zich op een eigen of gepacht bedrijf beroepsmatig bezighoudt of bezighield met landbouw- en/of veeteelt, boer. Hoewel het aantal boeren ieder jaar kleiner wordt, zal het voorlopig geen verdwenen beroep worden. Wel is de bedrijfsvoering nog steeds aan veranderingen onderhevig.
Oorspronkelijk zal men zich, meestal als (kleine) groep gevestigd hebben op plekken, waar men zich in leven kon houden, waarbij ieder een erf kreeg toebedeeld. De in cultuur te brengen gronden waren mogelijk eerst gemeenschappelijk bezit. Ongetwijfeld is al spoedig differentiatie opgetreden, bijv. door vererving of door persoonlijke macht. Het is waarschijnlijk, dat men al vroeg ook gebruik maakte van slaven, verkregen als krijgsgevangene, geroofd of geruild. Sommigen werden tot grootgrondbezitters, die delen van hun grondbezit verpachtten aan horigen. Soms ook zullen boeren al dan niet vrijwillig hun eigendom aan landheren hebben overgedragen in ruil voor bescherming. Kerkelijke gemeenschappen als parochies en kloosters kwamen geleidelijk aan eveneens in het bezit van veel grond, die ze ten dele zelf exploiteerden, maar ook verpachtten.

Allengs ziet men in het verleden verschillende soorten boeren verschijnen, o.a.:
de grootgrondbezitter, al zal deze zich geen boer noemen, die een of meer boerenbedrijven (met daarop pachtboeren) leidde (men denke o.a. aan de oude adel),
de boer, eigenaar, of pachter, die een wat groter bedrijf exploiteerde,
de meier, die (een deel van) de grond pachtte (in Groningen o.a. beklemde meiers), maar daar zijn eigen opstallen op had staan,
de keuter, die een klein bedrijf had, en het boerenbedrijf met slechts enkele koeien en geen paard, uitoefende, de koemelker, keuter in Friesland, die als bijverdienste koeien van derden molk in loondienst,
de horige, in feite een vorm van slavernij. Ze waren gebonden aan de grond en aan de heer. Zij waren bijv. geen eigenaar van hun grond en gebouwen. In ruil voor het gebruik hadden ze verplichtingen, zoals het afstaan van een deel van de oogst en het verlenen van hand- en spandiensten. Vroeger waren ze ook verplicht hun heer te helpen wanneer deze werd aangevallen. In druk en via het internet is hierover de nodige documentatie te vinden.
Ook kwamen mengvormen voor, bijv. boer met eigen grond, die ook een stuk grond als beklemde meier in gebruik had.

Bogartman

Exploitant van een bogaard (bongerd) of gaarde met vruchtbomen, o.a. appels, peren en kersen.

Bokkingro(o)ker
Het roken van haring waardoor deze kon worden verduurzaamd geschiedde in bakstenen bouwsels, z.g. rook- of bokkinghangen, kamers met of zonder deur met in de zijkanten richels, waarin de speten (houten roeden) pasten waaraan de haringen werden geregen. De richels begonnen op manshoogte en gingen met een hoogteverschil van 30 cm door tot de nok van de “hanger”. Aan een speet  gingen zo’n 20 haringen. De haring kon op verschillende manieren worden gerookt en kreeg verschillende benamingen. Voor het hout werd in het begin het afvalhout van de scheepswerven gebruikt.

Boksenmaker
Ook wel geschreven als boxemaker.
Mogelijk de vervaardiger van een soort beenbekleding, maar eigenlijk een broekenmaker. Hoewel het woord "bokse" in feite (broeks)pijp betekent, wordt er ook mee bedoeld "een wijde broek gelijk door zeelieden gedragen". 

Broeken werden gemaakt van verschillende soorten stof. Zo had je "rood baaye broexkens met flanel gevoert", verder broeken van fluweel, linnen of manchester. Opmerkelijk is, dat voor vrouwen de (onder)broeken pas in de zeventiende in zwang kwamen, zij het niet algemeen. Tot in de twintigste eeuw bleven ze hier en daar buiten gebruik. Ook kende men damesonderbroeken zonder kruis. De bovenbroeken van weleer hadden nog geen lange pijpen. Het waren broeken die om de kuit met linten waren toegestrikt. De broek werd gesloten met een broeksband om de middel. Die broeksbanden werden "gemeenlyk verciert met groote Zilveren Knoopen; dikwerf met twee paar, één aan de Onder- en een aan de Bovenbroek" En om het nog deftiger te maken werden er door de broekenmaker zilveren knopen aangebracht bij de afsluiting om de kuiten.

Boldraagster
Zie ook bolloper, bolloopster.
Broodverkoopster,

die met mand brood haar klanten bij langs ging.

Bollenbakker
Met warme bollen vierden de voorouders hun heiligavonden, hun verjaar- en luilaksdagen, hun verhuis- en schoonmaakfeesten. 

Bolloper, bolloopster
(Fries: bolrinner, bolrinster)
Broodventer (vr.: broodvenster) die met een korf brood de klanten bij langs ging. Als regel leverde dit  maar een armelijk bestaan op. Het Friese woord voor brood is bôle, niet te verwarren met bolle = stier en de vooral in Noord-Holland destijds bekende bullo(o)per. Zie aldaar.

Bombazijnwerker
Bombazijn is een bepaalde geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde of uit zijde, kemelshaar en katoen. Later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren of geheel uit kamgaren vervaardigd. In het begin van deze eeuw werd bombazijn vervaardigd uit ketting en inslag van katoen. De stof werd veelal gebruikt voor voering en het maken van "werkmans ondergoed". Een bombazijnwerker is dus iemand die bovengenoemde stoffen weeft of verwerkt. 

Bontwerker
Ook wel pelser genoemd.
Iemand wiens beroep het is pelswerk te bereiden of te bewerken. In vroeger tijden werden de bontwerkers ook wel "grauwwerckers" genoemd.

Boodschapper
Noder ter begrafenis. Zie Aanspreker.

Boogmaker, booghmaecker, boghemaecker

"Een boog is een wapentuig, bestaande uit een stok of reep van taai hout, riet, staal of andere veerkrachtige stof, gebogen door middel van een tusschen de beide uiteinden gespannen pees, streng of koord. Vanouds tot op de uitvinding van het buskruit het voornaamste schietwapen", aldus een definitie uit het begin van deze eeuw. Deze definitie was wel te simplistisch. Al in prehistorische tijden kende men de boog als (jacht)wapen. In de riddertijd voor het tot ontwikkeling komen van de vuurwapens was de boog een belangrijk wapen. Men onderscheidde drie hoofdtypen. Uit de handboog werden de kruisboog en de voetboog ontwikkeld.

Bij de handboog kwamen naast de eenvoudige boog enkele varianten tot ontwikkeling. De gelaagde boog werd vervaardigd uit drie of meer stroken van hetzelfde basismateriaal. Bij de gevoerde boog kwam de versterking tot stand door het toevoegen van een ‘voering’op de rug met dierpezen.. De samengestelde boog werd gemaakt van verschillende materialen, die elkaar versterkten.
Bij de kruisbogen was de boog bevestigd aan een “lade”, die het mogelijk maakte de boog te spannen en te ontspannen, eerst met de hand, later met behulp van mechanische kracht. Men kende daarbij verschillende systemen: o.a. voetbeugel en handkracht, koord en katrol, ingebouwde hefboom, windas (bij de sterkste bogen),  (De chinezen kenden zelfs een repeteerkruisboog, die zelfs in de negentiende eeuw nog werd gebruikt.

Met een goede kruisboog en de juiste pijlen kon men zelfs een harnas doorboren. Op gegeven ogenblik werden harnassen getest. In oude nog bestaande harnassen kan men dan een deukje zien (bij de schouder).
In tijd van oorlog en bij de jacht op groot wild maakte men gebruik van pijlen. Bij de jacht op vogels of klein wild gebruikte men kruisbogen waarmee men stenen of ronde kogels kon afschieten.
In het Middelnederlands wordt het beroep omschreven als "boochmaker" en "boghe-maecker". 

Boomsluiter
Deze was belast met het sluiten van de in het water drijvende bomen, waarmee ’s nachts de toegang tot de vaarwegen binnen de steden werden afgesloten.

Bootsman
Tweede schipper aan boord van oorlogsschepen. Ook functie bij de V.O.C.

Bootsmansmaat
Onderbootsman. Ook in dienst van de V.O.C.

Boratwever, boratwercker
Borat is een bepaalde geweven stof, voorheen gewoonlijk bestaande uit zijde en wol. Het werd voor allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen. Maar ook voor mantels. De boratwever behoorde tot hetzelfde gilde als de droogscheerders, greinwerkers en stofjeswerkers. Merkwaardig is dat vroeger een mindere soort van sajet (zie sajetfabricage), gebruikt voor het stoppen en mazen van kousen, zowel door de winkelier als door de huisvrouw, brat werd genoemd.

Bordenmaker
Oorspronkelijk platvormer in de aardewerkindustrie. De bordenmaker werkte met twee jongens. Een jongen vormde de te gebruiken blokken klei en legde die op de persvormen, waarna de bordenmaker het bord vormde. De tweede jongen bracht de vorm met het geperste bord naar de droogkast en nam de lege vorm (moule) mee terug.

Borduurder
Een ware kunstenaar op zijn vakgebied. Een borduurder, ook wel "borduerwercker" of "borduerder" genoemd, moest "veel stuckskens ende draetkens van verscheydene verwen konstelick ende aerdighlick aen malkanderen voeghen, alsoo datter een schoon beelt, ofte ander fraey werck van komt". M.a.w. Borduren is een kunst waarbij met behulp van naald en draad versiering op het oppervlak van een stuk geweven stof (de 'grond') wordt aangebracht. Het vormt dus geen geïntegreerd deel van het weefproces zelf. In het middeleeuwse borduurwerk werden ook parels, cameeën,halfedelstenen, edelstenen en motieven van zuiver goud toe. Enerzijds werd borduurwerk beoefend als liefhebberij, anderzijds werd het beroepsmatig gedaan, in eerste instantie ten behoeve van de rijkende heersende klasse zoals vorsten, andere aristocratie en (hogere) geestelijken. Later zorgde de toenemende rijkdom van de kooplieden voor een nieuwe markt. 

Borstelmaker
Ook schuyermaker
Zie ook kwastenmaker.
Vervaardigde producten zijn borstels, bezems, stoffers en kwasten. Borstel en kwastenmakerijen waren destijds relatief grote bedrijven, die soms zelfs een paar honderd mensen in dienst hadden. De werknemers hadden ieder hun eigen deeltaak. Ook was er was een duidelijk verschil tussen de kwasten- en de borstelmakers.
Voor borstels werden verschillende vezel- en haarsoorten gebruikt afgestemd op het eindproduct dat tamelijk gevarieerd was. Als voorbeeld: bakkerstoffer, busborstel, glazenborstel, handstoffers in diverse uitvoeringen, luiwagen, ragebol en scheerkwast
Bij de vervaardiging van borstels en bezems kende men verschillende deeltaken:
De vezelbereider, die de vezels sorteerde en op lengte sneed.
De pekker. Deze bevestigde de vezelbundeltjes met pek in de daarvoor bestemde gaatjes.
De intrekker. Dit was een functie die later in zwang kwam: voor de bezems en het grove borstelwerk werd het vezelmateriaal met dun koperdraad in de gaatjes getrokken.
De afwerker, die borstels en bezems afwerkte: bijsnijden, lakken enz.

Bosjesmaker (in sigarenmakerij)
Arbeider(sleerling) die bosjes maakte (oorspronkelijk met de hand, later ook met de bosjesmachine). Dit hield het wikkelen van het omblad om het binnengoed in (waarna het omwikkelen van het dekblad plaatsvond).

Bosschieter, busschieter, busseschieter

  1. Kanonnier, zowel op het land als aan boord van schepen
  2. Soldaat met een bus, destijds de naam voor een draagbaar geweer, ook in dienst van de V.O.C.

Bossemaker
Ook roermaker.
Zie Bussemaker.
Geweermaker.

Bostelvoerder
Vervoerder van bostel, het afval van mouterijen, dat als veevoer diende.

Boterkramer
Handelaar in boter. 

Bottelier
Beheerder van de drank- en voedselvoorraad aan boord van zeeschepen. Ook functie bij de V.O.C.

Botteliersmaat 
Hulp van de bottelier. Ook functie bij de V.O.C.

Bouckvercoopster
Verkoopster van boeken.

Bouwman
Eigenlijk iemand die het land bewerkt, bebouwt. Een landbouwer, een akkerman. De landbouwers waren afhankelijk van het weer en ook van de bodemgesteldheid. Zo verbouwde men vroeger langs de Wadden in hoofdzaak haver. Wat meer zuidelijker lagen de drogere, zwaardere gronden, geschikt voor erwten en bonen. Daarvoor moest men de grond diep omploegen. Toen de achttiende eeuw al flink was gevorderd verbouwde men koolzaad, dat er goed gedijde door het kalkgehalte en de niet te droge bodem. De kleibodem van West-Friesland leende zich uitstekend voor de verbouw van groenten en ooft. In Zuid-Holland, waar de klei doorsneden werd met veenstroken verbouwde men gerst, tarwe, haver en bonen. In het Rijn-Maasgebied volgde men - om de bouwlanden geschikt te houden - een eigenaardig stelsel. Het eerste jaar zaaide men tarwe of gerst. Het tweede jaar verbouwde men tarwe en in het derde jaar werd er haver, rogge of klaver gezaaid. In Twente werd ook sporadisch rogge zowel als boekweit verbouwd, maar de vlasteelt trad meer op de voorgrond.

 

Brander

  1. Iemand die (in)brandt, met behulp van een brandijzer tekens op iets aanbrengt.
  2. In de steenbakkerij de werkman die de gevormde stenen in de oven opeenstapelt om gebakken te worden.
  3. Iemand wiens beroep het is brandewijn of jenever te stoken.
  4. De ambtenaar die van overheidswege de houten maten, (haring)vaten, biertonnen enz.,(zelfs doodkisten) met een brandijzer merkt.
    (Alle maackers van doodkisten …. (sullen) gehouden …. zyn den brander te laten halen, als deselve kisten van binnen geheel bequaam,
    en sonderlinge de boodemplancken doorgaans gepekt, ende met mosch digt gemaakt zijn, Utr. Placaatb. 3, 535 a van 1655).
  5. Kalkbrander. Ongebluste kalk werd gewonnen uit schelpen in kalkovens.
  6. Stoker in een fabriek.

 

Brandewijnbrander
Brandewijn is een alcoholische drank verkregen door distillatie uit gegiste grondstoffen. Dat zijn vloeistoffen waarin door gisting alcohol is ontstaan. Men gebruikt hiervoor graan, druivesap, vruchten of de wortel van de gentiaan. De brandewijnbranders waren van oudsher gebonden aan strenge regels. 

Brandewijntapper
Eigenlijk een waard, een caféhouder die voor iedereen die een borrel van node had, een glas brandewijn tapte. Een glaasje, dat ook wel brandemoris werd genoemd. Dikwijls waren bij de brandewijntapper ook andere zaken verkrijgbaar.

Brasem

  • een brasem is in de nu bekende betekenis een vis.
  • vroeger gebruikt om een opgeschoten jongen of meisje aan te duiden, leeftijdsgroep die we nu tiener plegen te noemen
  • leerjongen Bijvoorbeeld: Bakkersbrasem, leerjongen bij een bakker

Bratwerker
Zie Boratwever

Breeuwer
Scheepstimmerman die het breeuwen of kalefaten verstaat en dat werk uitoefent. Dit was nodig in de tijd van de houten schepen om de naden tussen de planken zo goed mogelijk af te dichten.

Breier
"Zulke personen, die door middel van priemen hand- en beenkleederen, van garen met mazen of steken in elkander werken, noemt men breiders of breidsters". Hoe dat breien in zijn werk gaat:
"Tot het breiden worden gemeenlijk vier dunne, ijzeren, koperen, stalen of zilveren priemen gebruikt. Drie derzelve gebruikt men, om er de noodige mazen op te hebben en den vierden, om eene rij nieuwe mazen om of bijlangs het voorwerp te vormen. Ten dien einde steekt men den priem door iedere maas, slaat de draad er over, haalt dezelve, bij wijze van een oogje, door die maas en schuift de oude of vorige maas van den priem; en zoo gaat deze werking bestendig voort, tot zoolang, dat het voorwerp gereed is. Men vervaardigt door de breidkunst: kousen, handschoenen, sokken, slaapmutsen, mutsjes, armkleederen, moffen, dassen, borstrokken, hemdrokken, onderbroeken, hoofddeksels, omslagdoeken, kousebanden en draagbanden".

Briefschilder
De briefschilder kleurde in feite afbeeldingen met behulp van sjablonen. In boekdruk vervaardigde illustraties zoals landkaarten enz. werden ingekleurd door de in te kleuren afbeeldingen te bedekken met een papier, waar de ruimte voor de gewenste kleur was uitgespaard en daar met een in de verfstof gedompelde tampon over heen te strijken. Later werd dit o.a. bij interieurdecoraties veel gebruikt. Ook de vlokdruk, een veloursimitatie, werd met behulp van sjablonen gerealiseerd. Later werd deze techniek bijv. ook gebruikt voor de vervaardiging van reclame- en straatnaamborden. Ook nu worden sjablonen van papier, metaal en kunststof nog veel gebruikt.

Brievengaarder
Man, resp. vrouw die als beambte belast was met het ontvangen, resp. uitgeven van poststukken op een plaats waar geen postkantoor was gevestigd. Zijn of haar huis fungeerde als hulppostkantoor.

Brijker
Pel- of brijmolenaar. Zie verder pelmolenaar.

Brillenmaker
Wanneer de eerste brillen in Nederland werden gemaakt, is niet bekend. Omstreeks 1300 zou "te Haerlem in Hol- De Brillemaaker lant" de "berylle" reeds zijn gebruikt als hulpmiddel bij het lezen. Algemeen wordt in de historie Zacharias Jansen uit Middelburg gezien als de uitvinder van de bril en de verrekijker. Dat was dan op het eind van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw. "De kunst om oogglazen te slijpen en brillen zamen te stellen, is voorzeker niet alleen een der nuttigste, maar ook voor vele personen, die in hunnen vroegeren of lateren leeftijd door zwakte en gebrekkig gezigt, een der bevredigenste hulpmiddelen geacht" 
Oorspronkelijk waren de brillenmakers alleen in de steden te vinden. Daar woonde mensen als kooplieden, magistraten, advocaten, kortom, mensen die konden lezen en schrijven. Later, toen men op het platteland ook de leeskunst machtig was geworden, trok de brillenmaker er op uit met zijn houten kraam voorzien van allerhande soorten brillen om zijn waren te slijten. De klant probeerde die brillen stuk voor stuk, net zolang totdat de juiste gevonden was en waardoor men het beste kon lezen. Pas in het midden van de vorige eeuw werd serieus aandacht geschonken aan de oogheelkunde en daarna werd de taak van de brillemaker overgenomen door de opticien.

Brillenverkooper
De brillenverkooper ging met een mand/mars gevuld met brillen in diverse sterktes de huizen bij langs om zijn brillen aan de man/vrouw te brengen.

Broodbakker
Brood, vanouds het meest gewone voedsel en dus een eerste levensbehoefte. Nog in het midden van de vorige eeuw wist men: "De broodbakker bekleedt onder alle maatschappelijke bedrijven, wat de nuttigheid en noodzakelijkheid aanbelangt, eene eerste plaats." Ook in het verleden kende men allerlei soorten brood. Zo had je het fijne "heerenbroot", er waren broodsoorten van haver, gerst en zelfs bonen. Door toevoeging van allerlei kruiden kon men veel variaties maken. In de vorige eeuw werd er van twee hoofdsoorten van brood gesproken. Ongerezen en gerezen brood. Het ongerezen brood werd gebakken van roggemeel. 

Broodventer, broodvenster
Verkoper/verkoopster van brood, die met een mand of kar langs de huizen gaat om brood e.d. te verkopen.

Broodweger
Door de stedelijke overheid aangestelde personen, die tot taak hadden het door de bakkers gebakken brood op gewicht te controleren. 

Brouwer
Bier is zo oud als onze beschavingsgeschiedenis. En dus het beroep van brouwer ook. Toch was het brouwen van bier tot in de middeleeuwen thuiswerk, gedaan door vrouwen als onderdeel van de huishoudelijke taak. 

Bruggentrekker
O.a. in Amsterdam kende men de hoge vaste bruggen. Voor de  ‘karrevoerder’ die zijn zwaar beladen handkar moest voortduwen, bij die bruggen tegen die stijle hellingen was dat geen eenvoudige zaak. Zeker in de winter als die bruggen ook nog glad waren. Die inspannende arbeid liet een nieuw beroep ontstaan: de bruggentrekker. Bij vele bruggen stond dan ook een man, die als er een kar aan kwam zich haastte om zijn haak, aan lang touw bevestigd, in een ring onderaan de kar te klemmen, het touw over zijn schouder te slaan en dan mee de vracht op de brug te hijsen, waarvoor hij dan een kleine vergoeding kreeg. Zij werden bruggentrekkers genoemd maar ook de naam ‘kar-ga-door’ werd gebruikt. Zijn beroep kreeg dus een voorname klank (cargadoor)

Bruneur, bruineerder, bruneerster, bruinmaker

  • Polijster (mann.), polijster (vr.) van o.a. wapens in een metaalwarenfabriek.
  • Oorspronkelijk man, resp. vrouw die metalen voorwerpen of o.a. verguldsel op boekbanden polijstte met bepaalde poeders en of een glad en gepolijst stuk staal (bruineerstaal). “Gout oft silver bruyneren”.

Bullo(o)per
(Noord-Holland)

Het bezit van een stier vergde een behoorlijk kapitaal. Daarom werden in vele (Noord-Hollandse) dorpen door de boeren bullestieken (later ook stierenverenigingen genoemd) opgericht. Voor gezamenlijke rekening werden dan een tot enkele stieren gekocht. Iemand die bulloper werd genoemd werd aangesteld om dan met een stier de boerderijen bij langs te gaan waar men een koe had die gedekt moest worden. Soms ook vond vervoer via een praam plaats. De bulloper kondigde zijn komst aan met behulp van een bulhoorn. De eigenaar van de koe of koeien betaalde voor de komst van de bulloper.  Een en ander is nu vervangen door (KI, kunstmatige inseminatie)
Bulloper was ook een nevenberoep van iemand die daarvoor een stier kocht en dus voor eigen rekening werkte.

Buskruitmaker
Buskruit is een poeder voor bussen, dat is geschut. Het zou in 1350 voor het eerst zijn toegepast. Het is een licht ontbrandbaar mengsel van houtskool, salpeter en zwavel. Vroeger sprak men van bussencruyt en bossencruyt. Het was bovendien een gevaarljk goedje en de stadsbestuurderen van weleer probeerden het zoveel mogelijk buiten hun muren te houden. 

Bussemaker
Ook wel bossemaker genoemd. In de middeleeuwen was "bus" een naam voor allerlei geschut. Later, in de zestiende en zeventiende eeuw was een bus een draagbaar vuurwapen, een geweer. Een bussemaker was dus een geweermaker.

Buurman
In het algemeen iemand die in dezelfde buurt (wijk van een stad, dorp) woont. Soms mede recht sprekende in het burengerecht.

Cachetsnijder
Snijder en graveur van zegels en penningen.

Caffawerker
Ook kaffawerker.
Caffa is een zijden weefsel van gebeeld of gebloemd fluweel. Er bestonden verschillende soorten caffa, "caffa ghefluweelt, oft Velourtez, ende andere soorten ende speciën van Zijde-Lakenen. Spaensche Caffa gespickelt bij ghemouchetteert, caffa geseyt de bois, caffa met Satynen gronde, caffa met Armezyden gronden." De caffawerker was dus arbeidzaam in de lakennijverheid. "Een tak van 17de-eeuwsche nijverheid, die hier indertijd bloeide, was de Trijpfabriek, waar gebloemde trijp, Caffas geheeten, werd gefabriceerd.  Veel van deze caffawerkers waren afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden. 

Calculator
Iemand die berekent hoeveel personeel en/of materiaal nodig is om bijvoorbeeld een gebouw te bouwen.

Caliotfabrikant 
Caliot is een fijne witte katoenen stof, oorspronkelijk afkomstig uit en genoemd naar de stad Caliot in India.
Cameraar 
Ook vermeld als camerwaarder
Eèn van de schepenen die voor een bepaald jaar aangewezen was om het financieel beheer van de stad te voeren.

Cameryxdoekwever
Wever van cameryxdoek, een fijn linnen weefsel.

Cargadoor 
Scheepsbevrachter
Iemand die voor zijn lastgevers schepen bevracht en ladingen in ontvangst neemt.Carotten-fabrikant 

Catechesemeester

Godsdienstonderwijzer.

Catechiseermeester, catechiseermeesteres
Man, resp. vrouw die godsdienstles gaf gebaseerd op de catechismus, het leerboek voor het godsdienstonderwijs voor de R.K. kerk waarin de godsdienst en zedenleer in de vorm van vragen en antwoorden uiteen werd gezet.

Celen-verkoper 
Ook wel ziel(en)verkoper genoemd.
(Jonge)mannen, vaak geronseld, die in dienst van de VOC traden, ontvingen schuldbewijzen op de kas van de Compagnie voor soldij. Zij gaven deze celen af aan aan de celenverkoper, die op zijn beurt voor hun kleding, voeding, huisvesting en zakgeld zorgde zolang de Indië-ganger nog in Holland was. De celenverkoper kon de schuldbewijzen pas te gelde maken wanneer de persoon in kwestie in Indië aan was gekomen. Gezien de grote sterfte tijdens de reis, was de kans vrij groot dat de betreffende ceel niet uitbetaald zou worden. De celenverkoper verkocht ze daarom vaak aan speculanten voor ongeveer de helft van de prijs. Waar zowel de celenverkoper als de speculant het een en ander wilden verdienen, kan men zich voorstellen wat de Indiëganger reëel van zijn voorschot in handen kreeg.

Cementmaker
Cement is een bindmiddel, bereid door het sinteren en vervolgens fijnmalen van kalk en mergel. Vroeger was tras een van de voornaamste cementsoorten. Tras werd gemalen van tuf- of duifsteen en de kwaliteit van de tras werd nauwkeurig in het oog gehouden. "Eenige quade of vervalschte Sement, te weten die van geen goede Duyvesteen gemalen is, of wel goet sijnde, met eenige specie of materie geen Sement wesende, is vervalscht." De tras werd gemalen in de trasmolen. Zo had in Haarlem de timmerman en molenmaker Batelaan op de Koudenhorn een molen gebouwd die door een paard in beweging werd gebracht. Met deze molen maalde hij van tufsteen tras of cement, die hij aan steenkopers verkocht. Deze steenkopers waren namelijk tot 1768 ook leveranciers van kalk en cement. Later gebruikte men om tras te malen grotere molens met zwaardere stenen, door twee paarden in beweging gebracht. Maar de techniek stond niet stil. In 1798 liet Marinus Wilhelmus van der Aa eveneens in Haarlem een cementmolen bouwen volgens het systeem van Macalester Loup. Deze molen werd door slechts een paard in beweging gebracht, maar leverde evenveel cement als een molen met twee paarden. Toen men weer later overging op stoomkracht, verdween de paardentrasmolen uit het stadsbeeld 

Chemist, chimist
Scheikundige. De later in gebruik gekomen term is chemicus.

Chirurgijn
Een beroep dat van oudsher samenging met dat van baertscheerder. 

Chocolademaker, chocolademaakster

Man, resp. vrouw die chocolade vervaardigde. De Spanjaarden namen de cacaobonen mee uit Amerika. En vanaf begin 17de eeuw ook in Nederland bekend. De cacaobonen werden oorspronkelijk in met wind-, mens- of dierkracht vermalen tot “Zeeuwse chocolaad” en omgezet in kleine, donkere en heel bittere cacaotabletten en –blokjes, de zogenaamde Zeeuwse koekjes, die ook heel vet waren omdat alle cacaoboter er nog in zat. Opgelost in warme melk of heet water ontstond een vettige cacaodrank, de socculate. Er ontstonden vele cacao verwerkende bedrijven in ons land. 

Chocoladewerker
De cacaobonen die na de ontdekking van Amerika naar Europa kwamen, bleven heel lang het alleenbezit van de Spanjaarden. Het gebruik van cacao drong slecht heel langzaam door naar het noorden. Cornelis Bontekoe schreef in 1685 een boekje "Over de kragten en 't gebruik van Chocolate". En omstreeks dezelfde tijd werd in Amsterdam chocolade als drank in het openbaar geschonken. Dit gebeurde in huizen waar het bordje uithing "Hier schenckt men seculate". Die chocoladedrank werd bereid door stukken bittere chocola te smelten waarin nog al het vet van de cacaobonen zat. Ruim de helft van het gewicht bestond zelfs hieruit. Dit maakte het drinken van chocola tot een wat vettig tijdverdrijf, dat menigeen te machtig was. Pas in 1828 vond Coenraad Johannes van Houten een manier uit om via mechanische weg dit vet te verwijderen en hiermee ontstond de cacaopoeder

Chyrurgus

Cichoreibrander
Producent van “peekoffie”, vervangingsmiddel van echte koffie. De bittere wortels van de chicoreiplant werden gedroogd, gemalen en verkocht als koffiesurrogaat in tijden dat de echte koffie schaars was. Napoleon had het Europese continent verboden handel met Engeland te drijven. De koloniale producten (zoals koffie) die Engeland exporteerde, werden daardoor duurder en mensen zochten hun toevlucht in een goedkope vervanger: cichorei. Ook toen echte koffie weer volop beschikbaar kwam, bleef men lang cichorei gebruiken als koffietoevoegsel. (Buisman)

Cichoreimaker
Cichorei is een samengesteldbloemige plant met blauwe lintbloemen. De wortel wordt door de bereider geroosterd en gemalen en als surrogaat of smaak verbeterend middel voor koffie in de handel gebracht.

Cijfermeester
Rekenmeester. 

Cipier
Zolang er gevangenissen bestaan, zo lang zijn er ook gevangenbewaarders of cipiers. En gevangenissen zijn al bijna zo oud als de mensheid. Van oudsher waren het kerkers in de kastelen en als gevangenis ingerichte stadstorens, later kwamen er rasp-, spin- en tuchthuizen. In het rasphuis moesten de gevangenen onder toezicht van de cipier het harde en zware Braziliënhout met een zware zaag raspen.

Ciseleerder, ciseleurder, ciseleur
Bewerker, afwerker van metalen (gegoten) voorwerpen met behulp van beitels en vijlen.

Coffyschenker
Zie koffieschenker.
Houder van een koffiehuis.

Collecteur

  1. Van overheidswege aangestelde gaarder, inzamelaar van diverse belastingen, imposten.
  2. Van overheidswege aangestelde verkoper van loten (o.a. Staatsloterij).
  3. Verzamelaar van stadsvuil.

Colporteur
Persoon, die de huizen bij langs gaat of op straat klanten werft voor uiteenlopende producten als boekwerken, boekenreeksen, loterijen, stofzuigers of radio’s.

 

Commandeur
Een militair gezag- of bevelhebber over een vesting of garnizoen; rang van een opperofficier bij de Admiraliteit, in de walvisvaart werd de kapitein commandeur genoemd en evenals de baas van een scheepswerf.

Commensaalhouder 
Iemand die kostgangers houdt.Commies 
Een veelal door de overheid benoemd persoon die toezicht houdt en indien nodig enig recherche werk verricht.
Men treft ze o.a. aan als:
Commies in dienst van de overheid of belastingpachter, die tot taak heeft het waken tegen belastingontduikingen  en het innen van de (inderecte)belastingen
Commies aan boord van de VOC- of WIC-vaarders, belast met de leiding van de handel
Commies ter recherche van de Admiraliteit van Rotterdam
Commies van de Hollandse Magazijnen
Commies, ontvanger van de gemeenelandsmiddelen.
Het is ook een titel van ambtenaren op de ministeries, de secretarieën en bij de posterijen, welk een zekere rang aangeeft die hoger is dan die van een klerk.

Commissaris
Gelastigde, gevolmachtigde, aan wie enig gezag is overgedragen of die namens een instantie is belast met toezicht en adviseren van zijn opdrachtgever(s).
Men treft ze aan als commissaris van :
de grote accijns
de ankersmeden
het ballastkantoor
de buitenlandvaarders
de beurtschippers
de 100ste penning
de huwelijkszaken
de nachtwerkers
de rekenkamer
de schuiten- of wagenveren enz.

Commissionair
Iemand die op eigen naam en tegen loon of provisie op order of voor rekening van een ander daden van koophandel verricht en overeenkomsten sluit. Ook bestaat commissionair in effecten en granen.

Compasmaker, compassemaker, kompasmaker
Vervaardiger van scheepscompassen.

Conciërge 
Huisbewaarder, doet ook vaak klein onderhoud, e.d. karweitjes. Hij is belast met de bewaking, het toelaten en aandienen van personen, regelt of houdt toezicht op de opening en sluiting. Met treft ze aan zowel in een tuchthuis als bij de Bank van Lening. Vroeger ook ambtenaar belast met het bewaren en verkopen van failliete inboedels.Conducteur 
Opzichter bij de artillerie- of geniewerken of in het oorlogsmagazijn.

Conducteur der brievenmalen

Brievenmalen zijn van oorsprong postzakken met brieven, die van de ene naar de andere plaats werden vervoerd. Voordat de spoorwegen in gebruik kwamen gebeurde dat o.a. per bode, postkoets, diligence of per schip/trekschuit. Als in 1839 de eerste spoorlijn wordt geopend is in de concessievoorwaarden van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij de bepaling opgenomen dat er op aanvraag van de postdirecteuren brieven moeten worden meegenomen als er een (tijdelijk) geen andere mogelijkheden zijn. De eerste vijf jaar wordt hiervan geen gebruik gemaakt, maar in 1844 gaan expeditiebedrijven met kantoren op verschillende locaties in de grote steden brieven ter verzending in ontvangst nemen en worden dan veelal in koffers in treinen meegenomen. Met de postwet van 1850 komt hier een einde aan. Er wordt dan een regeling getroffen voor het verzenden van losse brieven per trein. Afgegeven aan het station worden ze door de conducteur meegenomen de trein in, waar ze in het postrijtuig door de conducteur der brievenmalen gesorteerd en zo nodig afgestempeld werden. De eerste "Rijkspostrijtuigen" werden in 1856 in gebruik genomen. De spoorwegmaatschappijen werden bij wet verplicht de postrijtuigen zonder vergoeding tussen de reizigerstreinen op te nemen. In ons land koos men daarbij voor het systeem van postverwerking tijdens de rit. Het grote voordeel van dit zgn. "werkend vervoer" was, dat de postkantoren van afzending nu niet meer voor elke plaats van bestemming gesloten zakken behoefden samen te stellen. Voor plaatsen, die naar verhouding weinig post ontvingen, sorteerden de kantoren de brieven slechts op "richting" en de "conducteur der brievenmalen" zorgde in de trein voor verdere behandeling van deze brieven. Bij filatelisten waren deze poststukken populair om de afstempeling.

 

Confitemaecker 
Vervaardigde suikeren tempels en dergelijke, die op feestmaaltijden op tafel prijkten.Confiturier 
Maker en verkoper van jam.Conrector 
Onderdirecteur, leraar aan een gymnasium(vroeger Latijnse school)

Conroeyer, conroeymeester
Lakenwasser, resp. opzichter bij het lakenwassen.

Constabelsmaat 
Constaepel 
Bevelvoeder van geschut en munitie op een schip

Convooilooper, convooiloopster
Man, resp vrouw belast met het in orde brengen en bezorgen van de documenten, nodig voor het in- en uitklaren van de in-, resp. uit te voeren goederen.

Convymeester

Belastingambtenaar in havens(soort douana)

Coomenyhouder
Ook komeyhouder. Houder van een komeny. De coomenyhouder werd ook wel kooman, koomen, coman of comen genoemd.
Aanvankelijk gaat het om een winkel waarin zaken van de meest uiteenlopende aard, voornamelijk eetwaren en huishoudelijke artikelen te koop waren. Zij omvatten onder meer de zogenaamde vette waren als spek, ham, boter en kaarsen, verder bier, erwten, bonen, gort, meel, luiwagens, boenders, zwavelstokken en grauw papier. Er mocht niet alles worden verkocht.

Copiïst of copiëerder
(ook kopiïst of kopiëerder).
1. Copiïst, die men ook wel afschrijver noemde, zijn zij die de door een ander gestelde stukken "weder afschrijven, zoo dat hunne kopijen aan de oorspronkelijke stukken, wat den inhoud betreft, gelijk zijn. Hiertoe wordt gevorderd, dat iemand eene goede leesbare en vlugge hand schrijft; - de spelling en taalkunde, tenminste werktuigelijk, magtig is; - zindelijkheid, netheid en naauwkeurigheid in zijn werk toont; - groote geoefendheid en vaardigheid in zijne kunst bezit, en dat hij geheimhouding bewaart, waar dit gevorderd mogt worden".
2. Copiïst als tussenschakel tussen fotograaf en drukker. Hij had als taak het uitborstelen van de zinkplaat (later werden wat de offsetdruk betreft aluminium- en kunststofplaten gebruikt, die al van een gevoelige laag waren voorzien), het opbrengen van de gevoelige laag: copieerlijm of de eiwitlaag op de steen of zinkplaat met behulp van een tampon of een slingerapparaat. Het maken van klatsen (= ) in aniline op een glasplaat en het maken van indelingen, alsmede het monteren van diapositieven of negatieven op een glasplaat of film en het copieren daarvan op een steen- of zinkplaat met behulp van een copieerraam of -machine. Verder het ontwikkelen, diepetsen en afspoelen van de belichte copie en het drukklaar maken daarvan.

Coppelaetster
Zij zette koppen, als regel glazen bolletjes die verwarmd waren, zodat er weinig lucht inzat. Door afkoeling kromp het luchtvolume in en werd  de huid de bol ingezogen.

Cordewe(e)ner
Afgeleid van corduanier of cordewanier.
Maker van geiteleren schoenen of laarzen. De Spaanse stad Cordova is bekend om zijn leerindustrie.

Cornemuser
Musicus, die een cornemuse oftewel pijpzak bespeelde. Een cornemuse was een soort doedelzak, maar met een houten zak.

Corrector
Persoon, belast met het nazien en corrigeren van drukproeven.

Courantier
Iemand die een courant schrijft of uitgeeft.

Courantierse
Krantenverkoopster, krantenbezorgster 

Courant-ombrenger(looper)
KrantenbezorgerCourier
Renbode/IJlbode in de Franse tijd.Craam(be)waarster
Verzorgster van kraamvrouw met pasgeboren kind(eren). Zij was geen baker, min of zoogmin, die meer op de verzorging van de kraamkinderen gericht was.Craankinderen
Zie ook kraankinderen.

Crasseur

  1. Persoon, die in de metaalnijverheid en de scheepsbouw, op metalen voorwerpen als bijv. platen, cilinders, balken en buizen met behulp van een kraspen of vetkrijt aan moest geven waar er wat geboord, gestanst of gezaagd moest worden.
    Tegenwoordig is dat computerwerk.
  2. Iemand die strepen trekt bij het landmeten.

Cruydenier
Ook kruidenier.
Oorspronkelijk was de cruydenier zoals het woord reeds aangeeft plantkundige, in het bijzonder betreffende geneeskundige kruiden. 
Geleidelijk veranderde het assortiment en werd de kruidenier een neringdoende die in het klein specerijen, koloniale waren en grutterswaren verkocht. (De handel in grutterswaren werd daarvoor door grutters uitgeoefend). Door steeds meer artikelen in het assortiment op te nemen groeide het bedrijf van de kleine zelfstandige uit tot de supermarktketens van vandaag, waardoor veel kleinere zaken zich niet langer wisten te handhaven.

Daggelder
Iemand die voor dagloon werkt, met name landarbeiders, die zich verhuren voor allerlei boerenwerk zoals spitten, ploegen, zaaien, maaien, enz.

Dag -huurder
Dag -loner

Dagwacht 
Iemand die overdag wacht houdt in de stadspoort.

Dakpannenbakker
Zie Pannen(dak)-

  • pannenbakker

Damastwercker (-wever)

Men kende verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het een zijdeweefsel. Het woord is afgeleid van Damascus, waar de kruisridders reeds fraaie zijden weefsels aantroffen. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens.
In beginsel wordt damast uit één soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit.
In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later vooral als tafellinnen. Men kende dan ook verschillende soorten damast. Jacquarddamast werd op een jacquardweefgetouw vervaardigd.
Matrasdamast (damasttijk) wordt met grote patronen in twee kleuren met een kettingsatijn als grond en meestal een inslagsatijn voor de figuren geweven. Zogenaamd origineel damast wordt op een speciaal getouw vervaardigd. In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men in Vlaanderen figuraal damast van linnen garens te vervaardigen Bij het beelddamast overheersten in het begin bijbelse voorstellingen, later ook historische gebeurtenissen. Opvallend zijn de damasten met "banquet op tafel", dat wil zeggen met een patroon van borden, bestek en opgemaakte schotels. Motieven waren verder bijvoorbeeld druiveranken, eikebladeren, familiewapens, goden, godinnen, jachttaferelen en patronen op bestelling.
Doordat op het eind van de zestiende eeuw veel Vlamingen naar de noordelijke Nederlanden uitweken, ontstond ook daar een bloeiende damastweverij.
De damastwever schoot de spoel door de draden van de schering aan de hand van een weerkaart, waarbij hij per dag zo'n zestig centimeter vorderde. In de negentiende eeuw stierf het ambacht bijna uit, maar tegenwoordig is er een hernieuwde belangstelling.

Damhouder
Toezichthouder op de verlaten en duikers. Een verlaat is een schutsluis(je) voor kleine scheepvaart en duikers zijn kokers of doorgangen onder een weg, dijk of dam, die water afvoeren of inlaten.

Damlooper

Belast met toezicht over een dam of (zee)dijk.

Dammeester
Belast met toezicht over een dam of (zee)dijk.

Dansmeester
Onder "dansen verstaat men de kunst, om met vaardigheid de beweging der voeten, of de zoogenaamde passen, naar eene bepaalde maat, interigten. Zij, welke in deze kunst aan anderen onderricht geven, worden Dansmeesters genoemd." 1)
Oorspronkelijk was het dansen in de Nederlanden - zij het met beperkingen - geaccepteerd: "Wordt ook scherpelijck verboden op de voornoemde dagen .... Dansscholen of Kaetsspellen te openen, daer te spelen ofte gaen sien spelen .... voordat die Hoogh-Misse sal ghedaen wesen

Darmsnarenmaker
De vervaardiger van snaren voor muziekinstrumenten, later ook voor (tennis)rackets en voor de als "catgut" bekende soorten chirurgische garen. hiervoor werden speciaal de darmen van geiten en schapen gebruikt.Reeds de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen maakten gebruik van dergelijke snaren. 

Darmwasserij
Dit is een oud maar nog steeds bestaand beroep. Tegenwoordig gaan veel darmen naar China om daar tot worstenvelletjes verwerkt te worden.
Vroeger werden darmen van geslachte paarden, schapen, varkens, ezels, honden en katten voor uiteenlopende doeleinden gebruikt.
Het prepareren van darmen was geen aangenaam werk. De stank en smerigheid waren voor een buitenstaander onverdraaglijk. Ook de darmenwassers zelf stonken.
In de bedrijfsruimte stonden houten vaten, bakken en kruiken, gevuld met darmen in verschillende stadia van ontbinding. Bakken, kruiken en de werkvloer waren bedekt met halfverrotte resten, uit de darmen afkomstige uitwerpselen en vies goor water. Buiten was een stort voor die uitwerpselen en een vloer waarop dierlijk materiaal werd uitgespreid voor het kweken van maden. Deze werden verkocht als voer om kippen en ander gevogelte te mesten en aan vissers.

De darmen die men wist te verwerven werden in kuipen opgeslagen en zo snel mogelijk ontvet. De verse darmen werden bevochtigd en vastgeknoopt aan een pen. Met de ene hand werd de darm gespannen en met een mes in de andere hand werd het buitenste vlies en aanhechtend vet afgeschraapt. Gescheurde en beschadigde delen werden verwijderd. De schraapsels werden verkocht aan een zeepziederij. De afgeschraapte darmen werden in een half met water gevuld vat geworpen en dan stuk voor stuk binnenste buiten gekeerd, waarbij men op moest passen dat de darm niet scheurde. Na het omkeren werden de darmen in bosjes met één aan elkaar gebonden waarna een rottende gisting volgde die ’s zomers twee tot drie dagen vergde en in de winter vijf tot acht dagen. Ze werden daartoe in tonnen opgeslagen. Bij te snelle gisting werd azijn toegevoegd om het gistingsproces af te remmen.
Na deze eerste gisting worden de darmen in een bak met water geweekt, waarna het binnenste slijmvlies gemakkelijk verwijderd kon worden. Dit was vrouwenarbeid.
Daarna volgde een tweede rotting door de darmen weer in water te leggen dat geregeld werd geroerd en ververst. Dit duurde twee tot drie dagen.
Het overgebleven middelste darmvlies moet worden gedroogd. Eerst werd de darm aan een zijde dichtgeknoopt en dan met een mondstukje opgeblazen. Aan het andere eind werd dan een andere darm vastgebonden waardoor de opgeblazen darm op spanning bleef. Dit proces werd herhaald tot een lange ketting ontstond. Daarna werd de ketting in water ondergedompeld om te controleren of de darmen lek waren.
De lekjes werden evenals eventuele scheuren afgebonden. De zo ontstane ketting werd buiten op houten stellingen gedroogd. Blootstelling aan wind, regen, vorst en directe zonneschijn moesten daarbij worden voorkomen.
Na droging werden alle bindsels en niet opgeblazen stukken verwijderd en de lucht uit de resterende stukken geknepen.
De goede stukken darm werden in een gesloten kast gezwaveld om het ontbindingsproces definitief te stoppen, daarna gebundeld. Ze zijn dan klaar voor de verkoop.

Waren de darmen bestemd om er snaren of pezen van te maken dan verliep het verwerkingsproces iets anders. Na het voorweken werden ze aan de buitenkant geschraapt, opnieuw geweekt, nageschraapt en opnieuw geloogd. Hierna worden ze door een nauwe ring heen en weer getrokken om ze soepel en glad te maken. Daarna naait men een aantal darmen aan elkaar.
Voor dikke pezen of snaren worden een variërend aantal van zulke einden in elkaar gedraaid, twee maal gezwaveld en gedroogd.
Voor dunnere snaren, bijv. zweepkoord wordt een zo’n eind getwist en gelijk op een frame gespannen.
Voor de dunste snaren (ten behoeve van de klokkenmaker) worden de darmen na het aaneennaaien over een houten bal, waarin meerdere mesjes waren gezet, getrokken. Enkele op die manier gevormde repen werden in elkaar gedraaid.

Deken
Geestelijke in de Rooms-Katholieke kerk, staande aan het hoofd van een decanaat, boven een pastoor. Buiten de R.K.kerk stond de deken aan het hoofd van een gilde(van een ambacht), dan wel een schuttersgilde of een broederschap(bestaande uit leken).

Dekenfestonneerster
De dekenfestonneerster omboorde de randen van de wollen dekens nadat deze waren geweven.

Dekenstikker, dekenstikster
Stikker, resp. stikster van de vroeger veel gebruikte gestikte of gewatteerde dekens, bestaande uit twee lagen textiel, waarvan de bovenkant veelal voorzien was van een bedrukking, gevuld met o.a. textielafval of kapok, doorgestikt met speciale naaimachines om de vulling op zijn plaats te houden.

Dekker (dakdekker)
Het ambacht van dekker is het dekken van gebouwen, dat wil zeggen gebouwen van een dakbedekking voorzien.
Naar de verschillende manieren van dakdekken onderscheidde men koper-, lei-, lood-, riet-, stroo- en zinkdekkers. De koper- en looddekker, hadden tot taak " de voorseyde kappen en verder dak.... door het herdecken met coper oft loot op de bequaemste wijze van het inlecken te preserveren." 
De leidekkers (vroeger ook wel leiendekker, leyendecker, leydecker en lejdekker genoemd) geven "aan de leijen den vereischten vorm, zij slaan er de spijkergaten in, sorteren dezelve in twee of drie soorten naar de dikte, en leggen dezelve steeds zoo ver over elkander, dat de onderliggende laag voor het minste voo 2/3 der lengte van de leyen door de bovenliggende gedekt wordt." 
De proef om na de gezellentijd als meesterleidekker tot het gilde toegelaten te worden, vergde de nodige tijd. "Dat niemand over het doen van een Proef langer sal mogen besig zijn of werken, als ....
Een oudere omschrijving zegt: "De rietdekker is een ambachtsman, wiens werk het is huizen, boerderijen, hooibergen en molens met riet te dekken. Het dakspan word hierbij bedekt met rieten schoven, die vervolgens door den Rietdekker glad aangeslagen...worden. Het riet (en ook stro) wordt hierbij met een twijg of teen, de derwisch aan de dakroeden gebonden.
De strodekker dekt huizen met stro. Per vierkante meter strodak heeft men daarvan twaalf kilogram nodig." 

Iets uitgebreider komt dit op het volgende neer: Het werk van de rietdekker is altijd overgegaan van vader op zoon en van meester op knecht. Het vak kenmerkt zich door sterk streekgebonden werkmethoden. Elke streek en bijna iedere rietdekker kende/kent zijn eigen manier van werken met de daarbij behorende gereedschappen.
Dit gereedschap bestaat uit een dekstoel of dekklauw om op te staan, vroeger met één, later met twee haken, boomhaken om een balk op te leggen waarop de rietdekker eveneens kon/kan staan.
Verder dekslagen, dekspanen, drijfborden of kloppers om het riet gelijk te slaan, twijghaken, rechte naalden, ronde naalden of halve manen, een mes en 'knechten'. De bossen riet worden door een lat op hun plaats gehouden met behulp van deze knechten. Als het riet losgesneden, opgeklopt en met een draad vastgezet is, kan die lat er weer af tot de volgende rij.
Men begint bij de onderste laag, door eerst een dunne laag riet over de panlatten te spreiden. Daar op worden de rietbossen naast elkaar gelegd, waarover weer een lange ijzerdraad (bandgard, vroeger was dit een wilgenteen). Het riet wordt losgesneden, gelijk gewreven en opgeklopt. Vervolgens wordt een dunnen draad met de twijghaak door de rietlaag gehaald, om de panlat en de gard heen, met een tang aangetrokken en vastgezet Vroeger gebeurde ook dit met behulp van een twijg of wilgeteen. Dit om de ongeveer dertig centimeter.
De rietdekker controleert ook het vrijgekomen houtwerk (panlatten) en vervangt en/of repareert ze. Ook metselwerk aan de schoorsteen of het aanbrengen van vorstpannen behoort tot zijn werk.

Delver

De zand-en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- of de hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht.
een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd.

Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen.
Voor het baggeren op wat grotere diepte moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken en meestal ook boven water getild.
Ook werd grind onder meer op de Veluwe gedolven, waarlangs vroegere waterlopen grindafzetting plaats had gevonden. Nadat men een groot gat had gegraven om bij de grindhoudende laag te komen werd de grindhoudende grond uitgeschept en met kracht tegen een soort schuinstaande zeef, de zogenaamde horde, geworpen. Het zand verdween door de zeef en het grind bleef over. Dit was de droge grinddelving. 

Een heel andere vorm van delving was het darinkdelven, ook wel moeren genoemd, in Zeeland.
Het was een vorm van vervening, soms binnendijks, maar vooral buitendijks. Het veen werd uit de grond gespit, op hopen te drogen gezet en vervolgens verbrand. De as ging dan naar de zoutketen, waar er met toevoeging van zeewater wit zout uit werd gewonnen.
Hoewel er een goede afzetmarkt bestond, zodat ook de prijzen, die men maakte, gunstig waren, was de landvernieling, vooral buitendijks, dusdanig riskant voor de zeeweringen, dat de overheid in de eerste helft van de zestiende eeuw aan het darinkdelven een einde heeft gemaakt. 

Derdewaak, Derdewaeck
Onderluitenant in dienst van de V.O.C.

Dessertwerker
In de 17de en 18de eeuw liet men in de hogere kringen de feestmalen graag op met o.a. suikerwerken, gemaakt van een soort suikerpasta, dragant.

Destilleerder
Ook distilleerder of distillateur.
Zie ook 'Brandewijnbrander'.
Iemand, die zijn beroep maakt van het distilleren van sterke dranken.

Deurwaarder
De gerechtsdeurwaarder is een openbaar ambtenaar, belast met de taken die bij of krachtens de wet, al dan niet bij uitsluiting van ieder ander, aan deurwaarders, onderscheidenlijk gerechtsdeurwaarders zijn opgedragen of voorbehouden. In de volksmond wordt vaak de term “deurwaarder” gebruikt.
Naast de gerechtsdeurwaarder bestaat echter ook de belastingdeurwaarder. Een belastingdeurwaarder kan in dienst zijn van de Rijksbelastingdienst. Ook kan deze in dienst zijn van een lagere overheid zoals een gemeente of een waterschap. Tevens assisteert hij bij rechtszaken.

Diamantbewerkers
Ook diamantwerkers
In India werden diamanten een paar eeuwen voor het begin van onze jaartelling reeds voor verschillende doeleinden gebruikt. In de middeleeuwen waren het voornamelijk de Spanjaarden, de Portugezen en de Venetianen, die het handwerk van diamantslijpen beoefenden en over Europa verspreidden. Toen de Spanjaarden een vierhonderd jaar geleden de havenstad Antwerpen veroverden, weken onder meer ook diverse diamantbewerkers uit naar Amsterdam. Vanaf het eind van de zestiende eeuw kwamen de diamanthandelaars en -bewerkers dus voor in de Noordelijke Nederlanden, speciaal in Amsterdam. Naast de sierdiamant nam (en neemt) ook het gebruik van industriële diamant hand over hand toe. Tot rond 1820 was het diamantbewerken vooral thuiswerk. In 1822 werd de eerste 'paardenfabriek" in werking gesteld, waarbij paardenkrachten de vroegere 'molendraaisters' vervingen. In 1840 kwam de eerste stoomslijperij in bedrijf.

Bij het diamantbewerken onderscheidt men verschillende funkties:
diamantzager, die achtkantige ruwe diamanten in de gewenste vorm zaagde;
diamantklover(kloofster), die de diamant de vorm van een zuiver kristal geeft en de onzuivere gedeelten verwijderd;
diamantsnijder(snijdster), die de gekloofde diamant door schuren en wrijven de grondvorm geeft;
diamantslijper, die de diamant de uiteindelijke vorm geeft, waarbij de
diamantversteller de te slijpen diamant telkens zo in de dop vastzet, dat het te slijpen vlak boven ligt..

Diefhenker
Ontleend aan dieb(s)hencker.
Persoon die dieven ophangt, beul.

Diefleider 
Dienaar van de schout, belast met het aanhouden en ter terechtstelling voeren van dieven, andere misdadigers en wetsovertreders. (Diefleiderschap is het ambt van diefleider).

Dienstbaar, dienstbare
Dienstbode, dienstmeid.

Dienstbode
Thans vooral vrouwelijk persoon, die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Vroeger was dit begrip uitgebreider: 'Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle staatjuffrouwen, gouvernants van mesnage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof- ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelder-knegts, winckel-dochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt, soo wanneer deselve maar in dienst en kost van ymand zyn, ofte dat andersints het kostgeld apart, ofte met ende beneffens 't loon in eene massa bedongen of begrepen is,' 
'Om te beletten de desorders ende confusien voort-comende uyt causen dat de Knaepen, Maerten ende andere Dienst-boden hun dickmaels verhueren aen twee of dry diverswche Meesters,'

Dienstman
Ook dienestman.
Dit was geen beroep maar een funktie. Deze hield in dat de betreffende persoon jegens een persoon of lichaam, dat wil zeggen jegens de bezitter van zekere goederen of rechten, meestal krachtens een leenband, verplichtingen had, in het bijzonder tot het verrichten van gewapende dienst. Dit was vooral van toepassing op de een aanzienlijke stand vormende, maar aanvankelijk onvrije vorstelijke en bisschoppelijke beambten of de uit deze beambten voortkomende stand 

Dieper
Aannemer van rivier- en baggerwerken.
Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen: Die keuren, op die waeteren en het diepen ende onderhoudt van dien gemaekt 1).
Een van de methoden was het gebruik maken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Reeds in de stadsrekening van 1435 zijn kosten opgevoerd om een mol van nieuwe ijzeren tanden te voorzien. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld.
Als bij de delvers is ook bij de diepers waarschijnlijk de beugel het oudste werktuig geweest.
In de zestiende eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven werd opgebaggerd. De modder werd in een schuin liggende goot omhooggeschoven door een daarboven draaiende eindeloze keting waaraan plankjes zaten. Die goot (of ladder) liet men met een eind naar de bodem zakken an als de schoepenketting dan draaide kon men de modder over het boveneind van de goot in een schuitje laten lopen. Dit systeem werkte goed in niet te diepe en modderige wateren zoals het IJ en de Amsterdamse grachten. Naast de door menskracht aangedreven moddermolens ontstond er ook een constructie, waarbij de tredwielen vervangen werden door een rosmolen, aangedreven door paardekracht. 2)

Dijk-

Zo kent men onder meer in alfabetische volgorde de volgende beroepen en functies:
Dijkbaasopzichter over een dijk.
Dijkbode, de beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur; 'Den Boode van yder Dorp (sal) het Boodeampt, als Dyksbode, gedurende den tyd van twee jaren waarnemen.' 
Dijkgraaf. Deze is voorzitter van het dagelijks bestuur van het waterschap. Tegenwoordig wordt hij telkens voor zes jaar benoemd door de Kroon. In het oosten en zuiden van het land wordt hij watergraaf, in Groningen dijkschepper genoemd.
Dijkmeester, ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk. 'Tot Dyckmeesters te stellen goede, getrouwe, experte persoonen, hun dies verstaande, omtrent den dyck woonende ende redelyck gegoet.' 
Dijkmeter, ambtenaar belast met metingen op de dijk. 'Den Dykboode, die mede is Dykmeter,' 'Item, sal als Dykmeter voor het doen van de tienjarige metinge, genieten de somme van hondert guldens,' 
Djkrechter (-richter), overheidspersoon belast met toezicht over dijken (dijkgraaf). 'Dijkrichter en heemraden van Oostzaan erlangden die machtiging, 19 Augustus 1802, van het Departementaal bestuur.'
Dijksschepen, lid van een dijksbestuur, dijkheemraad.
Dijkschrijver, secretaris van een dijksbestuur. 'In geval sy sich daer over in der vrundtschap niet en konden verghelijcken, sulle sy .... ten beyden zijden aan handen des Dijck-schrijvers overleveren memorie. 
Dijkwerker (dijker), de arbeider, die het werk aan de dijken verricht(te). (Eten als een dijker)

 

Dischmeester
Dischmeester komt in twee betekenissen voor: Tafelmeester en armmeester..

Dispencier
Huisbestuurder, beheerder van de provisiekamer, ook aan boord beheerder van de provisievoorraad. Ook functie bij de V.O.C.

Dobbelmeester 
Ambtenaar belast met het toezicht op dobbel- en hazardspelen.

Dobbelsteenmaker
Ook terling- of teerlingmaker genoemd.

Dokter
(Medicus)

In de zestiende en zeventiende eeuw waren er nog weinig dokters en die weinigen oefenden hun praktijk vooral in de grote steden uit. 
Eerst in 1575 begon de opleiding tot medisch doctor in ons land. Voordien moesten zij hun wijsheid elders op doen, hoewel ook daarna wel elders werd gestudeerd. In de eerste plaats was de dokter vooral in de beginperiode een theoreticus, die zijn kennis ontleende aan de boeken van Hippocratus en Galenus. De laatste heeft in de tweede eeuw veel geschreven. Aan het reeds bekende voegde hij veel toe en hij vatte het samen in een systeem, dat tot in de zestiende eeuw de medische wetenschap beheerst heeft, hoewel het bijna zeker is, dat hij zelf nooit een menselijk lichaam ontleed en bestudeerd heeft. Eerst Andreas Vesalius (Andries van Wesel), een Vlaams anatoom die leefde van 1515 - 1564, bracht daar verandering in. Hij studeerde te Leuven, daarna anatomie in Parijs. Van 1536 af was hij terug in Leuven, waar hij lessen in anatomie gaf. Eind 1537 promoveerde hij te Padua, waar hij ook anatomie doceerde. Zijn op eigen bevindingen steunend hoofdwerk is 'De humani corporis fabrica libri septem', met houtsneden van Jan Steven van Kalkar, dat in 1543 verscheen. Dit boek, waarvan ook spoedig in verschillende talen een verkorte versie verscheen (Epitome), geldt als het eerste moderne boek over de anatomie van de mens.
De medicus uit de beginperiode was een theoreticus, waarvan de kennis vooral op boekenwijsheid steunde. Eerst in de eerste helft van de zeventiende eeuw werd hij geconfronteerd met de zieke mens in de kliniek.
Geen arts zou zich in die begintijd veroorloven de geneeskunde praktisch uit te oefenen. Op zijn voorschrift werd het handwerk uitgevoerd door de chirurgijn en de vroedvrouw. Bij bevallingen, waarbij instrumentaal ingrijpen nodig was geschiedde dat door een gespecialiseerd chirurgijn, de vroedmeester. (In Delft en waarschijnlijk ook elders was ook de verzorging van de patienten in het pesthuis taak van een chirurgijn).

Was men onder meer onbekend met ziekteverwekkers en het overbrengen door ongedierte als ratten, muizen en vlooien, ook de verdere medische kennis was in de begintijd nog zeer gering. Ziekten, waarmee men destijds te maken had, waren onder meer pest, cholera, syfilis en malaria.
Hoewel een universitaire opleiding in de Noordelijke Nederlanden eerst in 1575 begon, werd reeds op 28 januari 1461 in Amsterdam een keur uitgevaardigd, waarvan het eerste artikel als volgt luidt: "..dat van nu voortaan niemand binnen deze stad, wie hy zy, eenige medicynen laxatieven, vomitieven, alteratieven, of eenige andere middelen of dranken, van wat natuur die wesen mogen, ordineeren mogen of die ingeven zal mogen, of praktiseeren, tenzy dat hy Doctor of Licentiaat gepromoveerd zy in eenige fameuse Universiteit, of dat hy alvorens geexamineerd zal zyn by de Doctores of medicynen hier ter stede praktiseerende, daertoe by den Gerechte dezer stad geordoneerd zynde, en by de voorzegde Medicyns proeve van zyne scientie en versochtheid gedaan sal hebben, en dat op boete van zes Caroliguldens zoo dikwyls hy ter contrarie".  Ook in andere steden waren overeenkomstige bepalingen van kracht.

Dolster
Een vrouw die buitendijks op het wad pieren stak voor de vissers. Als gereedschap gebruikten zij een drietenige greep (soort vork) om de pieren te steken. Dit zware werk verrichten zij ten behoeve van vissers die onder meer met hoekwand visten. Dit was een lange lijn met daaraan een aantal haken. Op iedere haak werd zo’n pier bevestigd. Voor één schip waren zo’n 6000 pieren nodig.

Doodgraver
Persoon wiens ambt het is doden te begraven
Vroeger werd ook in kerken begraven, wat alleen de meer gegoeden zich konden veroorloven. Napoleon verbood dit reeds en na 1825 zou het niet meer voorkomen. Dit verbod werd in de hand gewerkt door de lucht die deze graven verbreidden (Vandaar de term rijke stinkerds). 

Dorpsomroeper
De dorpsomroeper ging met een soort klepper, later een bel, het dorp rond, oorspronkelijk lopend, later per fiets om belangrijke nieuwtjes of oproepen te verbreiden onder de dorpsgenoten. Het was een bijbaan. Door de opkomst van de lokale huis-aan-huisbladen en de tv werd zijn functie overbodig.

Draaiers (draaijers)
De kunst om onderscheiden ruwe stoffen, door een daartoe geschikt werktuig, rond te bewegen en er dan, met beitels, eenen bepaalden vorm aan te geven, noemt men draaijen en de uitoefenaars dezer werking heeten draaijers. Het kunstwerktuig, waarmede de rondbeweging geschiedt, noemt men draaibank, en is almede uitgevonden door Dedalus, welke nagenoeg 300 jaren voor J.C. in het voormalig Griekenland leefde. De werktuigen der draaijers bestaan hoofdzakelijk uit eenen langen, veerkrachtigen staak aan eene koord verbonden, welke koord om het voorwerp der draijing heenloopt, hetwelk dan door treden met den voet rondgeslingerd wordt en dan door eenen stil-rustende beitel in de handen des werkmans zijnen vorm moet erlangen, - of uit een groot rad, over hetwelk een snaar loopt, die ook tevens het voorwerp rondbeweegt - en welk rad, of ook met de voet des werkmans, of door eenen afzonderlijken draaijer moet rondbewogen worden. Deze laatste soort noemt men kunstdraaistellen, en werken veel gemakkelijker, sneller en zekerder, dan de eerste, eenvoudiger soort. Het voorwerp, dat men draait, loopt in twee ijzeren puntjes, terwijl de werkmeester den beitel moet besturen, om zijn voorgestelde doel te bereiken.
De ruwe stoffen, waarin de draaijer werkt, zijn: hout, been, ivoor, notenschalen, ijzer, koper, tin, lood enz. Hiervan vervaardigt hij: stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenhechten, vorkenhechten, beitelhechten, hamerstelen, knoopen, de inwendige deelen van uurwerken, koffijpotten, ketels; zelfs de zware molenassen, de ankers der schippers en de nog zwaardere luidklokken worden gedraaid, Door middel van de draatstellen bewerkt men allerlei voorwerpen schoon, glad, effen en smaakvol, hetgeen door andere werktuigen niet mogelijk is. De kunstdraaijers verdienen, door de schoone en smaakvolle gewrochten van hunnen arbeid, onze bewondering en achting; terwijl zeker niemand, die eenigen smaak voor het kunstige en schoone bezit, het nut van hunne bezigheid zal ontkennen of betwijfelen. 1)

Ook iemand, die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.

Drapenier

In 1514 verklaarden de burgemeesters van Delft dat ".... de principale neringhe daer de stede bij staet, es brouwerie en de draperie.".. Belangrijke middelen van bestaan, niet alleen in Delft, maar ook elders.
Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij in de vroege middeleeuwen de 'wullewerckers' zelf hun wol inkochten via het lokale aanbod. Geleidelijk aan nam de vraag toe en ook ging men hogere eisen aan de geweven stoffen stellen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten uitgeoefend kon worden, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevorderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed aan loonwerkers. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nederlanden de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers(later verkort tot drapiers) of lakenreders, stelden.
In handvesten en placaatboeken uit uiteenlopende steden komen bepalingen voor, die van toepassing waren voor deze drapeniers. Als vestigingsplaatsen voor de wolnijverheid in de Noordelijke Nederlanden waren vooral bekend Tilburg, dat destijds geen stad was en zo buiten de gildebepalingen viel, waardoor aldaar concurrerende prijsvorming kon ontstaan en Leiden. Na de val van Antwerpen in 1585 gaf de stroom vluchtelingen, ervaren in de moderne technieken een nieuwe impuls aan de saaiweverij, de "nieuwe draperie" en in de zeventiende eeuw was Leiden zelfs de eerste textielstad van Europa. Verschillende andere steden als Amsterdam, Delft en Utrecht hebben eveneens lakenindustrie gekend. In verschillende steden herinneren straatnamen nog aan dit oude ambacht. In Brabant (dat destijds als wingewest werd beschouwd) verplaatste dit 'wollewerck' zich tegen het einde van de achttiende eeuw naar het platteland, waar de arbeidskosten belangrijk lager waren.
Een achttiende eeuwse anonymicus schrijft in "De Koopman VI", pag. 248: "Daer is naauwlijks één handwerk, één Affaire te bedenken - die zoo geschikt is om veele menschen teffens en inzonderheid arme lieden aan een bestaan en aan brood het brood te helpen, dan de weeverijen; en wel inzonderheid die van de Lakenen, omdat daar nog zooveele andere kostwinningen aan verknogt zijn, buiten zelfs de verscheidene behandelingen van de wolle en het daar van gesponnen garen, vermits de zoo verscheiden behandelingen van de wol, van scheiden en dan van broeyen, wasschen, droogen enz. vlaaken, ploozen. smouten en schrobbelen, kammen enz. nog eer ze nog tot de sponders komt,  vervolgens van kaarden, spinnen, haspelen, strengen en winden, bevoorenzij naar 't weefgetouw gaat; dan van weeven, dan moppen, vollen, broeyen, reinigen, nogmaals moppen en zuivering, weder vollen, wederrouwen en wederscheeren, en zoo aan den verwer overgeeven, zonder hier te spreken van verwingen in de wolle zelf."

Drijver
Zie ook meekrapteler.
Iemand, die personen of dieren voortdrijft. De drijver werkte onder meer bij de meekrapproduktie in het stamphuis, waar de meekrapwortels fijngestampt werden. De stamper werd aangedreven via het principe van de rosmolen door drie paarden, die voor de beweegkracht zorgden. Deze aandrijving werd later vervangen door de stoommachine en de drijver door de stoker-machinist. Bij de jacht drijven de drijvers het wild op.

Drogist
De drogisten werden in de zestiende eeuw materialisten genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.
Drogisten waren zij, die uit de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.
"De geneeskundige planten enz. bijeen te brengen; dezelve te droogen of op andere wijzen tegen bederf te behoeden; daaruit vervolgens aftreksels, geesten, zouten enz. te bereiden, ten einde deze geneesmiddelen aan apothekers, geneesheeren, of heelmeesters te verkoopen : dit alles behoort tot hun vak. Hieruit laat zich dus gemakkelijk begrijpen, dat tot dit beroep eene grondige kennis van de eerste stoffen, derselver behandeling en bewaring, bereiding tot geneesmiddelen, en derhalve ook van de scheikunde, alsmede oplettendheid, ondervinding en kunstvaardigheid vereischt worden.
Het vak van Drogist is zeer naauw aan dat van apotheker verwant; doch is hiervan onderscheiden, doordien de apotheker veeltijds van de drogisten de eerste geneeskundige voortbrengselen ontvangt en dezelve daarna aan  eene verdere scheikundige bewerking, samenstelling of ontbinding onderwerpt ; alsmede, dat de apotheker de onderscheidene bestanddeelen der geneesmiddelen, zoo als dezelve door de  geneesheeren zijn voorgeschreven, bereidt, ondereen mengt, kookt en tot gebruik in gereedheid brengt, hetgeen niet regtstreeks tot het gebied der drogisten behoort. ook wordt van den apotheker meerdere kunde geëischt; terwijl hij mede aan een streng toeverzigt onderworpen is en van alles naauwkeurig aanteekening moet houden, waarvan de drogisten vrijgesteld zijn. Hieruit volgt dus, dat het altijd veiliger is, om met de voorschriften der geneesheeren naar den apotheker, dan naar den drogist te gaan. ...." 

Droller (drolster)
Arbeider of arbeidster aan een verdeelstoel of drolmachine, dat wil zeggen een werktuig, verdeelmachine, waarin de katoen een laatste bewerking van het voorspinnen ondergaat (vermoedelijk op de klank af gevormd naar het Engelse drawing-frame). 

Drooger
Ook droger.
Bij diverse vormen van voortbrenging kwam een droogfase voor.
Zo waren er bij voorbeeld visdrogerijen, drogerijen voor geneeskundige- en aromatische planten en drogerijen van ossebloed.
In de Beschrijving van Leyden is sprake van "twee ghesworen Drogers, wiens ampt ende offitie is alle 'tkeurgoet, twelck .... ter Camere sal werden gebracht, op haren Eedt nat te maecken, te crimpen, ende weder te drooghen."
Ook bij de meekrapteelt, die te gelegener tijd aan de orde komt, kent men de dro(o)ger. "Tot de verrichtingen in de (meecrap-)stoof zijn doorgaans negen menschen in dezelve: te weten: de Drooger, deze is het opperhoofd en genoegzaam als eenige die door zijne kunde en oplettendheid aan de krap hare waarde geven kan en moet.....".

Drooggasterijhouder
(ook drogasterij of droge gasterij)
Houder van een inrichting waar men de gelegenheid geeft iets te eten en te drinken, maar niet om alleen gebruik van dranken te maken.
"Dat alle Drooge-gasterij-houders, die de gaende ende komende Man om gelt by de maeltijdt ofte anders logeren, voorts aen van Wynen ende Bieren Tappers Impost sullen betalen .... als andere Tappers,"

Droogmeester
Degeen, die het bewind der Visdrogerijen heeft. Zo sprak men vroeger over 'Droogen-Haring, Bocx-Haringh oft Ty-Bucking.
Ook kende men 'droogen schol en scharren' en 'Drooge of Stokvisch', welke vermoeelijk ook in ons land werd gedroogd.

Droogscheerder (doekscheerder)
De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met
behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte. De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger scaerlaken. De lakens uit Den Bosch ("Bussche" lakens) waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen. Het gildewezen zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder bijvoorbeeld, die doorwerkte bij lamp- of kaarsllicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.

Drossaard, drossaert (later drost)
Titel van een voormalig rechterlijk en bestuursambtenaar ten plattelande. In de Placcaten van Brabant bijvoorbeeld wordt gesproken van "Diversche drossaardijen, schoutetschappen, meyerijen en andere diergelijcke officien van justicie 1) en in het Gelders Placaatboek van "De Bailleurs, Proevoesten, Drossaten, Schoutetten ende andere Officiers van Justitie".2)
In zijn ambtsgebied was de drost de justitiële gezagsdrager namens de soevereine macht; dat is in de middeleeuwen de vorst en ten tijde van de Republiek bijvoorbeeld de Staten van Holland.

Drosseerder, drosser, drosseerster, droster
Man, resp. vrouw die een drosseermachine bediende.

Duin-


Duin-funkties en beroepen, die zowel elders voorkwamen, maar ook in duinstreken, waarbij aan de uitoefening soms speciale funkties werden gekoppeld. Zo kent men onder meer:
de duinmaaier, die maaiwerkzaamheden in de duinen verrichtte. 

Verder:
De duinman, als variatie van de huisman (=boer), die in de duinstreken landbouw beoefende en ook de duinen (met helm) beplantte. Als nevenfunktie was hij soms tevens duinopzichter, die het toezicht in een bepaald duingebied had.
De duinmeyer of duinhouder, pachter van een stuk duingebied, die eveneens vaak tevens als duinopzichter fungeerde, die tegen overtredingen had te waken. Duingrond was en is geschikt voor het verbouwen en kweken van bepaalde gewassen als duinzandaardappelen en bollen, zoals ook nu nog gebeurt. Zo sprak men reeds in 1604 van duinkrochten oftewel duinakkers 2)

Dwangbeveldrager
Persoon in dienst van een fiscale of financiële administratie ten behoeve van de overheid of semi-overheid als bijv. waterschapsbesturen en belast met het uitreiken en incasseren van dwangbevelen.

Ebbenhoutwerker
Meubelmaker, die gespecialiseerd is in het werken met ebbenhout o.a.  voor inlegwerk. Ebbenhout is een zwarte, harde en moeilijk te bewerken houtsoort. Na droging werkt het zeer weinig. Het wordt onder andere nu nog toegepast voor snijwerk, beeldhouwwerk, allerlei sierwerk, lijsten, fineer, schaakstukken, pianotoetsen,muziekinstrumenten of onderdelen ervan.

Eekmolenaar
Molenaar die eikenschors tot poeder maalt.

Eekschiller (eikschiller)
Het eekschillen, het schillen van eikenhakhout, was vooral een bijverdienste, waarbij vaak het gehele gezin betrokken was.
Dit eekschillen vond bij voorkeur in mei plaats, wanneer de schil het gemakkelijkst losliet. In oude couranten kan men wel advertenties vinden waarin hiervoor percelen werden aangeboden. De voorkeur ging uit naar achtjarig hout. De eekschillers trokken dan met hun gehele gezin naar het bos, want iedereen kon meehelpen. Het te eken hout moest eerst worden gekapt door de mannen, waarna het verdeeld werd in stukken van een bepaalde lengte. Met de achterkant van een bijl of dissel werd de schors losgeklopt en dan geschild Dit gebeurde door de kinderen (later officiëeel van twaalf jaar en ouder. De repen bast werden door de vrouwen gebundeld, voorzover deze niet bij het kloppen en schillen hielpen,  en gedroogd. Na droging werd de schors klein gehakt en naar een molen vervoerd, waar hij fijn werd gemalen om gebruikt te worden bij het looien van huiden.  Het geschilde hout werd naar dikte gesorteerd. De dikste stukken, het talhout (van tellen?) werden vergaard tot bundels van honderd stuks en werd verkocht als brandhout. Van het overige hout werden takkebossen gemaakt, die als brandstof voor bakkers en palingrokers dienden. De eekschillers hadden hun werkterrein vooral op de Noord-Veluwe, maar als daar de spoeling te dun was trokken ze ook naar elders: Drenthe, Friesland en Over­ijssel.

Egger, egwerker
Iemand, die met een eg werkt(e), met behulp van een eg de kluiten van omgeploegde of omgespitte grond fijn maakt(e). Eggen konden/kunnen met handkracht, met behulp van paardenkracht of een trekker worden voortgetrokken.

Eigenaar, eigenares
Bezitter resp. bezitster van goederen, percelen grond of vaartuigen en daar inkomsten uit verwerft.

Enter, entenier

Persoon die bomen en/of struiken entte, o.a. vruchtbomen en ook rozen.
Een enterij was een tuin. kwekerij, waar men zich op het enten toelegde.

Equipagemeester
Persoon, die de gehele uitrusting van schepen beheert. Ook functie bij de V.O.C.

Essayeur
Ook assayeur.
Iemand wiens werk het is gouden en zilveren voorwerpen op hun gehalte te onderzoeken.

Etser, etster

Het vervaardigen van etsplatenEtspersOorspronkelijk werd etsen als een inferieure manier van graveren beschouwd, maar geleidelijk is daar verandering in gekomen en sinds de 17de eeuw is er ook door kunstenaars intensief geëtst. Als drukplaat is koper het meest geschikt. Ook o.a. zink werd veel gebruikt.

Eerst moet de plaat geslepen, gepolijst en grondig ontvet worden. Vervolgens wordt de etsgrond aangebracht en de plaat geroet.
Daarna kan getekend worden. Na het tekenen worden de onbeschermde delen van de etsplaat met asfaltlas of afdekvernis afgedekt, waarna de plaat in verdund salpeterzuur werd gedompeld voor de etsing. Als deze voltooid is wordt de plaat gereinigd en van etsgrond ontdaan. Daarna kan het afdrukken met behulp van een etspers plaatsvinden na het ininkten en afslaan van de plaat (het verwijderen van de overtollige inkt).
Na het afdrukken en reinigen wordt de etsplaat gereinigd en geconserveerd.

Factoor
Iemand die voor rekening van een ander zaken drijft, zaakgelastigde, zaakwaarnemer. In de graanhandel iemand die zich belast met de zorg en het verschieten van graan; dan spreekt men van graanfactor.

Felpwercker, felpwerckster
Een vervaardiger, resp. vervaardigster van fluweel.

Fiscaal, fiskaal
Persoon die in rechtszaken voor de belangen van een vorst, een overheidsorgaan of ook de V.O.C. optreedt.

Flankeur
Soldaat die deel uitmaakte van een groep soldaten die links of rechts van de hoofdmacht oprukten.

Flenser
Walvisvaarders die als taak hadden de kop en de buitenste speklaag van de walvis af te snijden.

Fless(chen)bematter
Destijds waren de wegen nog niet geasfalteerd. Om een fles wijn of drank onbeschadigd bij de klanten te krijgen werden ze van een passende verpakking voorzien. Voor gewone flessen werden daarvoor hulzen van stro vervaardigd. Voor de grotere bewaarflessen werden (geschilde) wilgentenen gebruikt. Een en ander soms ook om de slechte kwaliteit van de flessen te verbergen. Oorspronkelijk moesten de destillateurs daar zelf voor zorgen en hadden daartoe een of meerdere flessenmatters in dienst. Rond 1900 kwamen de strohulzenfabrieken, o.a. de Tilburgsche Stroohulzenfabriek, waar de strohulzen machinaal door overwegend jong personeel werden vervaardigd.

Flessenblazer, flessenmaker
Glasblazer, gespecialiseerd in het blazen van flessen in allerlei uitvoeringen. Voor de machinale productie tot stand kwam werden alle flessen stuk voor stuk met de mond geblazen.
In de glasoven werden de grondstoffen voor het glas tot smelten gebracht. Die grondstoffen waren o.a. aangepast aan de kleur die men wenste. Met gebruikmaking van kleine bakjes van pijpaarde gemaakt, scheepjes genoemd, die aan de achterkant van kleine openingen waren voorzien, zodat er geen ongerechtigheden konden binnenkomen, werd het vloeibare glas uit de oven gehaald.
Voor het maken van een fles waren vier man nodig.
Een “aanvanger” die met de blaaspijp, een ijzeren holle pijp, zoveel glas nam als voor een fles nodig was, waarin hij een holte blies, zorgdragende met behulp van een ijzeren “klots”, dat het glas zich overal gelijkmatig verdeelde. Dan liet hij  de pijp in een ijzeren vorm neer en sloot deze met zijn linker voet waarna hij zo sterk in de pijp blies, dat het glas tegen de wanden van de vorm aandrukte.
Door de voet op te tillen werd de fles er uit gehaald en kwam in handen van de “glasmaker”, die de pijp met de daar aan hangende fles ontvangt en de fles van de pijp scheidt.
Met de fles in de tang gaat hij naar de oven en neemt met behulp van een dunne ijzeren staaf (het bindijzer) een weinig glas, dat hij om het boveneinde van de fles legt en met behulp van een schaar tot een monding voor een beugel- of kurksluiting vormt.
Hierna wordt de fles door een indrager naar de koeloven gebracht. Na drie dagen zijn de flessen voldoende afgekoeld en worden uit de koeloven genomen. De flessen worden dan gecontroleerd en verpakt of opgeslagen in het magazijn.

De oudste Flessenfabriek. Flesschenfabriek “Delft”, voorheen Boers & Co. Opgericht 1713.

Fo(e)lieslager
Iemand, die metalen tot zeer dunne bladen uitsloeg. Dit gebeurde voor verschillende doeleinden. Zo maakte men fo(e)lie van tin, verder van een amalgaan (verbinding) van tin en kwik, waarmede men spiegels en ook wel edelstenen van achter bekleedde om de terugkaatsing van het licht te versterken, goud, koper, platina en zilver.

Foerier, fourier
Funktie in het leger. Als regel onderofficier, belast met de zorg voor de militaire kleding en uitrusting.

Fondsbode
Persoon die het geld kwam ophalen voor bijv. een begrafenis- of ziekenfonds.

Fraiser, freezer
De freezer bewerkt(e) hout of metaal met een frees, een werktuig met een van scherpe tanden voorziene schijf of cilinder om metalen of hout uit te boren of af te schaven.

Frizeerder (friseerder)
Deze was werkzaam in de lakenindustrie. Nadat het laken geweven was en verder werd bewerkt kwam het in handen van de friseerder of nopper. Als regel was dit echter vrouwenarbeid, waarbij men dan spreekt van nopster of wiedster. Zij verwijderden de oneffenheden, die als gevolg van de knoopjes, die de wever had aangebracht om gebroken draden te herstellen, waren ontstaan. Zij bedienden zich daartoe van scherpe ijzers of messen. Deze noppen werden gebruikt voor het vullen van bedden en het vervaardigen van slechte soorten laken. Kennelijk werd hierbij ook gebruik gemaakt van zogenaamde friseerborden, die de kwaliteit van het laken aantastten, gezien een bepaling in de Keuren van de Leidse Lakendraperie: 'Niemand (sal) ... tot het Noppen vande Laeckens mogen gebruycken ... frijseer-borden, of eenige andere diergelijcke schadelijcke instrumenten.' In het Handvest van Amsterdam, 1ste Verv. 79 a wordt gesproken van 'Een Saaydrooger, Friseerder, Trypscheerder' enzovoorts. Later vervaardigde men textiel, dat dusdanig geweven werd dat er kleine overeindstaande lussen werden gevormd die men eveneens noppen noemde.
Men kent het woord friseren (frizeren) ook in een andere betekenis: Het haar in de krul zetten.Ook hierbij komt de term friseerijzer voor maar dan in de betekenis van friseer- = krultang.

Garbuleerder
Iemand, die uit droge waren de onreinheden zocht.

Gardenier
Hovenier of tuinman.

Gareelmaker
Deze vervaardigde met behulp van het gareelblok, waarop men het gareel de vereiste vorm gaf, om het om de hals en schouders van het trekdier passend te maken, garelen. Een gareel was oorspronkelijk een halsjuk van een trekdier, vervaardigd van leer. Later werd ook het getouw, waarin een trekdier gespannen werd, de trekstrengen, waarmede het aan het halsjuk oftewel haam verbonden werd, tot het gareel gerekend.

Garenbleker, garenbleekster
Knecht, resp. meid belast met het bleken van de garens voordat deze verder werden bewerkt, linnen en ook kleren. Het bleken van garen werd meest door knechten verricht, linnen en kleren vooral door de bleeksters.

Garenkoker, garenkookster, garensieder, garensiedster

Sieden = koken. Koker, resp. kookster van tot garen gesponnen en gehaspeld vlas alvorens dat geweven werd.

Garentwijnder
Iemand die als beroep garen of zijde twijnt. Het twijnen of tweernen bestaat uit het ineendraaien van twee of meer vezels. 

Kookster van tot garen gesponnen en gehaspeld vlas alvorens dat geweven werd.

Garnaatsman

  1. Vissersman, visser op garnalen (in de volksmond ook garnaat genoemd. Ook een vissersman die op een garnaat vaart. Een garnaat is een klein Brabants vissersbootje, type schouw met aan de voorkant een huik van zeildoek om zo nodig draag te overnachten. Waarschijnlijk zo genoemd omdat de garnaat veel voor het vissen van garnalen werd gebruikt.

  2. Varensgezel aan boord van een walvisvaarder met als taak het aan boord hijsen van de stukken walvisspek met behulp van een garnaat, een speciaal soort hijskraan.

Gasstoker

Voor we het gas uit de bodem haalden werd het gas geproduceerd in gasfabrieken door water en stoom in ovens door verhitte kolen te jagen.  Zij die deze ovens bedienden werden gasstoker genoemd.

Geelgieter
De geelgieter giet allerlei voorwerpen van geelkoper of messing.

Geestelijke dochter, -zuster
Vrouw, die tot een geestelijke orde behoort.

Gemeensman
Gekozen vertegenwoordiger in het stadsbestuur uit de rijkste inwoners van een stad die o.a. een voordracht mochten doen aan het gewestelijk bestuur of vorst voor hun burgemeester en schepenen.
De selectie werd een gesloten aangelegenheid.
Veertigraad was een functie voor het leven. Vanaf 1510 kozen de leden van de Veertigraad ook jaarlijks de nieuwe burgemeester.

Geneesheer
'Zij, die uitwendige kwalen bij den mensch, b.v. gebrokene ledematen, wonden, breuken, enz. herstellen, noemt men chirurgijns of heelmeesters, en die de kwalen van de inwendige deelen bij den mensch herstellen of pogen te herstellen, dragen den naam van doctoren, artsen of geneesheeren.'
'De geneesheer moet dus, in de eerste plaats, eene grondige kennis van het menschelijk ligchaam bezitten, gelijk een uurwerkmaker al de deelen van een uurwerk goed behoort te kennen, zal hij het herstellen, indien er iets aan ontbreekt; ten tweede moet hij de ongesteldheid der menschen kennen, dewijl hij, bij gebreke daarvan geene, of wat nog erger is, ligtelijk verkeerde middelen kan bezigen; ten derde moet hij kennis van geneesmiddelen bezitten, dewijl hij anders ligtelijk eene gevaarlijke dwaling konde begaan; ten vierde moet hij bekend zijn, welke vermogens en krachten de medicijnen bezitten en in welke mate hij dezelve aan zijne lijders moet toedeelen; en ten vijfde moet hij den vereischten leefregel, die de zieken te volgen hebben, weten te bepalen, dewijl bij eenen verkeerden leefregel de doelmatigste geneesmiddelen ligt zonder het gewenschte gevolg kunnen blijven.' 

 

In 1703 ging de kerkeraad van Zwartsluis een contract aan met een geneesheer. In dat jaar werd besloten, 'dat Meester Gerrit Luiceveld alle de kinderen en oude persoonen, die van de diaconie alhier in 't geheel gealimenteert worden, zal genesen van hare qualen. gebreken en ongemakken, die haar moghten toekomen, hoedanigh die ook souden mogen wesen, geene uitgesondert, en daar toe leveren alle medicamenten en kruiden tot de genesinge dienende; voor welken arbeid sijn E. dan jaarlijks sal genieten de somma van 18 Carol. gld 18 st, waarmede hem vergenoegd sal houden, sonder iets meer te mogen den diakonen in rekeninge te brengen.' 

Gestkoper, gistkoper, gistslijter
Verkoper van gist.

Gewrochten
Zie ook meekrapteler.
Bij de verwerking van meekrapwortels werden in het stamphuis de gedroogde wortels fijngestampt.
In dit stamphuis verrichtten onder leiding van de droger een stamper, een drijver (later stoker-machinist) en een onderman als vaste kern de noodzakelijke werkzaamheden. Dit team tezamen werd wel als de gewrochten aangeduid. Hieronder vielen niet de losse werklieden, die als opdoeners, dorsers en slepers dienst deden. Het fijnstampen op zich was niet het prettigste werk want het diende bij nacht te gebeuren, omdat het daglicht een nadelige invloed op de verfstof uitoefende.

Glaase maaker (glasenmaker, glazemaker)
Ook glaszetter.
Oorspronkelijk werd het glas bewerkt met een snijijzer, dik aan het uiteinde, dat, gloeiend gemaakt langs een afgetekende lijn getrokken, het glas deed springen. Met een gruizelijzer, een platte staaf ijzer waarin aan de beide uiteinden een inkeping, iets breder dan de gebruikelijke dikte van het glas, werden er dan schilfers afgeknabbeld en uiteindelijk werd het verkregen ruitje met een slijpsteen bijgeslepen. Ondanks deze primitieve hulpmiddelen werden de moeilijkste vormen aan een stuk glas gegeven.
Omstreeks 1500 kwam de diamant in gebruik om het glas de gewenste vorm te geven, wat een aanzienlijke vergemakkelijking betekende.
De ruitjes werden omzoomd door een loodstrip, waarin zich aan beide zijden een sponningsgroef bevond. Waar de ene strip de andere raakte, werd het raakpunt met zuivere tin gesoldeerd. Deze loodstrippen werden gegoten en daarna door een loodmolen getrokken om ze het juiste profiel te geven.

Glanzer
Een glanzer maakte iets glad en glimmend. De werkzaamheden konden betrekking hebben op weefsels, papier of metalen maar ook op strijkgoed (“Hier wascht, strijkt en glanst men”)
Arbeider die met behulp van glansstijfsel en een glanzer stoffen glanzend maakte.

Glasblaaser (glasblaser, glasblazer)
Reeds in de oudheid kende men de techniek om met behulp van een holle blaaspijp "hol" glas, dat wil zeggen allerlei voorwerpen van glas te vervaardigen. Deze vorm van glasfabricage heeft zich tot deze tijden gehandhaafd.
Het heeft echter tot de vroege middeleeuwen geduurd voor men er in slaagde vlak glas te vervaardigen. Een monnik, Theophilus, vermoedelijk van Duitse origine, heeft omstreeks 1100 een handschrift nagelaten, waarin de werkwijze voor het vervaardigen van vlakglas en van de verwerking daarvan tot een glasraam uiteen werd gezet, inclusief het maken van een werktekening, het beschilderen, branden en in lood zetten.
Er zijn twee technieken tot ontwikkeling gekomen.
De eerste was met behulp van de blaaspijp de geblazen bol om te werken tot een cilinder, die men overlangs liet springen, waarna het resultaat vlak gebogen werd in de oven. Een meer bekende methode was de uitslingermethode. De dikke vloeibare glasmassa aan het eind van de blaaspijp werd uitgeslingerd op de manier, waarop een schipper zijn zwabber droogslingert. De aldus verkregen glasschijf, "butzen" werd dan van de blaaspijp gebroken, waardoor een litteken in de dikke middenkern zichtbaar bleef. Op schilderijen ziet men die kernen een enkele keer in een ruit verwerkt. De eigenlijke schijf bereikte een middellijn van ongeveer één meter. Door toevoegingen was men in staat verschillende soorten gekleurd glas te vervaardigen.
Ook kende men een techniek om het blanke glas te bedekken met een kleurhuidje.
Nog later gelukte het de glasblazer dusdanig grote cilinders te vervaardigen, dat ze opengeritst en gevlakt als één ruit een opening konden vullen. Hierbij werden door de glaszetter de loden strips vervangen door houten roedjes.
Eerst in het industriële tijdperk werden ruiten van meerdere meters hoogte en breedte gegoten en gewalst.

Glaskoper, glaskoopster, glaskoopman, glasverkoper, glasverkoopster
Handelaar resp. handelaarster in glas.

Glaskunstenaar
Ook allerlei sierglas werd op allerlei manieren bewerkt. Niet alleen qua vormgeving was men in beweging," eveneens kreeg de verfraaiing van het uiterlijk de nodige aandacht. In de Noordelijke Nederlanden is het beschilderen van glas nooit zo tot ontwikkeling gekomen als elders. Dit gebeurde wel met de in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling gebrachte versieringstechniek voor glaswerk als bokalen, kelken, fluiten en roemers: het glasgraveren door de glasgraveur met diamant. Vaak werkte men naar prenten.
Ook amateurs wisten op dit terrein ongekende hoogten te bereiken. Ongeveer 1700 werd de diamantgravure verdrongen door de radgravure, waarbij het glas langs een sneldraaiend wieltje werd bewogen. Deze oorspronkelijk in Bohemen en Silezië tot grote bloei gekomen techniek werd ook in ons land overgenomen. Daarnaast werd ook op sierglas geëtst met fluorwaterstof.
Uniek voor de Noordelijke Nederlanden is het in de achttiende eeuw opgekomen stippen of pointilleren met diamant. Hierbij werden de voorstellingen geheel uit dichter bij of verder van elkaar afstaande stippen gevormd. Ook hier trad verval op, waarna eerst in de tweede helft van de negentiende eeuw herstel optrad.

Glasschilder, glasschrijver
Het verwerken van glasplaatjes tot een geschilderd raam vergde een grote technische kennis en ervaring.
Het (houten) tafelblad waarop gewerkt werd, maakte men met behulp van krijt en water wit. Hierop werd met een loodstift, de voorganger van het potlood, de loodverdeling van het glasraam getekend. De verdere figurale details werden met rode of zwarte verf aangebracht en de kleuren van het glas met letters of nummers aangegeven.
Vervolgens werden de benodigde stukjes glas in de juiste vorm gebracht. Naast elkaar passend, als een legkaart werd de tekening op de tafel geheel bedekt met de glasschijfjes in de voorgeschreven vorm en kleur. Vervolgens werden de contouren, ornamenten en details met grissaille, brandschildersverf, op de glasstukjes gepenseeld en in een oven ingebrand. Dit inbranden gebeurde om de verven goed vast te laten smelten.
Voor de grisaille gebruikte men, afhankelijk van de gewenste kleur, één of ander metaaloxyde. Dit werd vermengd met fijngemaakt licht smeltbaar vloeiglas met als bindmiddel Arabische gom of suiker, waardoor het met water verdund kon worden, terwijl ook tijdens de bewerking allerlei ingrepen als retoucheren mogelijk waren.
In de loop der eeuwen onderging de glasschilderverf ingrijpende veranderingen. Daarbij kwam later onder meer de mogelijkheid het dunne gekleurde laagje glas, dat de glasblazer op het ongekleurde glas kon laten smelten, weg te etsen. Dit gebeurde door de delen, die niet aangetast mochten worden met asfaltlak te bedekken. en het glas dan in aanraking te brengen met fluorzuur.
In de zeventiende eeuw werd deze etsbewerking overbodig door het inbranden van doorschijnende emailverven. In de achttiende en negentiende eeuw werden deze emailverven van een slechte kwaliteit, wat niet bevorderlijk was voor de glasschilderkunst.
Deze glasschildertechniek is vanuit de Zuidelijke Nederlanden ook de Noordelijke binnengekomen. Beide Nederlanden vormden destijds een culturele eenheid. Zo werden tekeningen en gravures, om als voorbeeld te gebruiken, uitgewisseld. Ook trokken de glasschilders van het zuiden naar het noorden en omgekeerd.
Destijds was de benaming glasschrijver. Schrijven is een middelnederlands woord dat men voor tekenen en fïjnschilderen gebruikte. De onderschriften bij medaillons getuigden van de schriftbeheersing van deze schrijvers. Een kunst trouwens, die niet verloren is gegaan. 
Aan het eind van de zeventiende eeuw komen veelvuldig glasschilders voor. Het ontwerpen en vervaardigen van het voorbeeld echter werd dikwijls door anderen dan de eigenlijke glasschilder gedaan.
Veel ramen van kerken werden door derden geschonken, zowel voor als na de hervorming. Soms onder bepaalde voorwaarden.
De schenkers omschreven ook vrij nauwkeurig welke voorstelling ze op het te schenken glas wilden zien.

In verschillende kerken zijn nog oude ramen geheel of gedeeltelijk aanwezig. Bekend zijn de Goudse glazen in de St Janskerk te Gouda. Vooral Noord Holland is in de zeventiende eeuw een rijk arbeidsveld voor de glasschilder/schrijver geweest. Veel is in de loop van de tijd verloren gegaan, hetzij door rampspoed, hetzij door nonchalance, vooral in de negentiende eeuw. De gebrandschilderde ramen waren kwetsbaar en de smaak veranderde. Ook kregen ze in de loop van de negentiende eeuw waarde voor de antiekhandel en op die manier zijn heel wat ramen naar elders verdwenen. 
De achttiende eeuw is eenzijdiger. Het aantal glasschrijvers is dan danig afgenomen. Ook de kwaliteit ging achteruit. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er een ommekeer ten goede.

Gleiwerker
Ook gley/glaywercker en gleyer genoemd.
Is de vervaardiger van verlood (geglazuurd) aardewerk.

Gort- en pelmolenaar
Ook gortmulder of grutter.
Onder grutterij vallen twee begrippen samen. In de eerste plaats de winkel, waar grutterswaren verkocht werden. Zie hiervoor bij grutter. In de tweede plaats is er de grut- of gortmolen, waarin de grutten gemaakt werden. In deze molen werden zaadkorrels van boekweit en bepaalde graansoorten als gerst en haver gepeld of in kleine stukjes gebroken.
Tegenwoordig maakt men onderscheid tussen gort en grutten, waarbij gort gebruikt wordt voor gepelde graankorrels en grutten voor gebroken korrels. Wanneer in oudere publikaties het begrip gort aan de orde komt, kan er twijfel bestaan wat precies wordt bedoeld. Ook het Woordenboek der Nederlandsche taal kent geen onderscheid: gort = eigenlijk graan dat na, gepeld te zijn, op den molen verbrijzeld is; grut, grutten. Ook wel fijne gort genoemd in onderscheiding van gort, gepelde gerst. Daarnaast wordt in dit woordenboek gezegd: Inzonderheid, ofschoon min eigenlijk, eene benaming voor: gerst die alleen gepeld maar niet gebroken is; gepelde gerst.
Gort of Grut: word genoemd de graanen, die op een pelde-molen gepelt, en vervolgens klein gebrooken zyn ...; ze worden hoofdzakelijk gemaakt van gerst, haver en boekweit.

Hoewel mogelijk boekweit voor eigen gebruik met een handmolen tot grutten werden gebroken, zijn in Nederland, anders dan in Duitsland geen exemplaren gevonden. Het is ook mogelijk, dat het zelf malen verboden was, omdat men belastingen bij de molenaar kon heffen.
Vroeger was ook het werkterrein van koren- en grut/gortmolenaars streng gescheiden. 

Gort ontstaat door het pellen en malen van gerst.

Gortster, gortwijf
Verkoopster van gort (gepelde gerst).

Goudborduurster/der
De goudborduurster/der verricht ook vandaag de dag zijn en - nu vooral - haar werk.
Cannetille (kantielje, gedraaid zilver, of gouddraad) en passé, ondé (gegolfd), cordonnée (cordon = koord, snoer, band), pailletten, brocaat, koordwerk, weefsel, folien van goud- en zilver, halfmat en glanzend worden onder meer verwerkt op uniformen van land-, lucht- en zeemacht, luchtvaart en koopvaardij, ook wel op die van schutterijen en muziekcorpsen. Verder vindt het goudborduren ook plaats op allerlei voorwerpen als ruggen van zetels, die bijvoorbeeld van een wapen worden voorzien.

Gouddraadtrekker

Goudleermaker
Goudpatser
De goudleermaker was de exploitant van de goudleermakerij, de goudpatser was bij hem in dienst.
Goudleer was leer, versierd met bladzilver, dat door vernis goudkleurig werd gemaakt.
Het maken van goudleer, dat als behangsel en plafondbedekking werd gebruikt, vereiste grote zorg en was alleen betaalbaar voor de beter gesitueerden.
De recepten voor de vervaardiging werd angstvallig geheim gehouden.
Eerst werden de huiden in water in de zogenaamde nijpputten (waar ze met tangen werden gehan­teerd) behandeld. Vervolgens gingen ze de kalkput in om het haar te verwijderen. Daarna kregen ze weer een bad in de nijpput en volgde een behandeling met warme zemelbaden en zoutzuur. De huid werd daarna dun geschaafd. Na deze voorbehandelingen werden de huiden in een vol-tobbe geroerd in lauw water met een toenemend gehalte aan eikenschors en een looistof, sumak. Als chemicaliën werden chloor, ammoniumaluin en keukenzout gebruikt. De Hollandse goudleermakers gebruikten vooral kalfsleer in stukken van ongeveer 75 x 65 cm. Deze vellen, samsons genoemd, moesten eerst worden voorbewerkt. Nadat ze een nacht waren ingeweekt, werden ze op een stenen plaat zacht geslagen en gladgewreven, en met behulp van een raamwerk op maat geslagen. Met behulp van perkamentlijm werden de vellen beplakt met bladzilver.
Wanneer de lijm droog was, werd de zilverlaag gepolitoerd met een agaatsteen tot de verlangde glans was verkregen. Over het gepolijste bladzilver werd met de hand een eiwitlaag aangebracht.
Door de goudpatser werd dan een gele vernislaag in twee kruisslagen met de handen opgebracht. De eerste goudpatser verdeelde de vernis met de vingertoppen in golvende lijnen over het oppervlak terwijl een tweede goudpatser met de vlakke hand voor een verdere behandeling zorgdroeg.

Na het vernissen werden de vellen op rekken gespannen en in de zon gedroogd. Tot 1628 werd het leer aan de voorzijde geornamenteerd met behulp van stempels. Later kwam de methode met behulp van persen in zwang. Met behulp van een negatief gestoken houten vorm werd bij kleine werkplaatsen met de hand een reliëf gedrukt. De grotere maakten gebruik van drukpersen, waarbij het leer tussen een vorm en een tegenvorm, bestaande uit sterk gelijmd papier of papiermaché, onder de drukpers geplaatst werd, waarna deze sterk werd aangedraaid. Deze indrukking gebeurde in een aantal fases omdat bij éénmalige persing het leer kon scheuren.
Na 1681 werden in plaats van houten metalen drukvormengebruik, terwijl de pers het aanzien van een mangel of een etspers kreeg.
In de Zuidelijke Nederlanden werd reeds in 1511 goudleer gemaakt. De 'goudenleermakere' Valentijn Klee werd in dat jaar als poorter van Mechelen ingeschreven. Mechelen werd een belangrijk centrum voor de produktie, maar ook in andere Zuid-Nederlandsche steden kwam de produktie tot grote bloei door de goede kwaliteit die werd geleverd. In de Noordelijke Nederlanden begon de produktie een eeuw later. In 1612 werd aan Claesz Jacobsz. te Amsterdam een octrooi voor zes jaar verleend om 'vergulde en versilverde leeren te maken'. In 1613 bleken ook twee Hagenaars goudleer te fabriceren: Jacob Dircxz. de Swart en Hans le Maire. Later vestigden zich meerdere goudleermakerijen, maar de van De Swart was de bekendste. Behalve Amsterdam en Den Haag waren, voorzover bekend, alleen in Middelburg en Dordrecht goudleermakerijen actief. In de Zuidelijke Nederlanden werd de laatste goudleermakerij opgeheven in 1797, in de Noordelijke gebeurde dat reeds in 1753.

 

Goud-/zilversmid
Gra(e)fma(ec)ker 
Doodgraver

Graveur, grafeerder
In oude stukken ook graveerder genoemd.
"Kunstenaar, die in steen of metaal holle of verhevene figuren snijdt".
Veel wat vroeger met de hand werd gedaan wordt nu vervaardigd met behulp van graveermachines, maar dit is in wezen meer freeswerk. Maar ook nu bestaat dit eeuwenoude ambacht nog, in de kunst (droge naald gravures) en bij industrieën waar bijvoorbeeld munten, penningen en siervoorwerpen worden gemaakt.
Deze beroepsuitoefening kent verschillende vormen: zo is er de (edel)steengraveur, die voornamelijk halfedelstenen bewerkt voor onder meer zegel- en wapenringen. Voor dergelijk werk staat een leertijd van tenminste tien jaar.
Hierbij worden - veelal zelfgemaakte - uiterst fijne freesboortjes, ingewreven met diamantslijpsel, gebruikt.
De graveur, die afbeeldingen in staal, zink, koper of hout stak of steekt, heeft de beschikking over een uitgebreid assortiment stekers (= burijnen). Zo heeft men bijvoorbeeld een spitssteker, ruitsteker, justeersteker en een bolsteker.
Graveert hij ook stempels en/of siervoorwerpen, dan heeft hij ook nog een aantal ponsen tot zijn beschikking. Bij het ponsen worden motieven in het metaal geslagen om bijzondere effecten te bereiken als stofmat, zandmat en streepmat. Verder gebruikte men ponsen van veel voorkomende motieven als bijvoorbeeld sterretjes en heraldische motieven.
Het graveren zou door de edelsmeden tot ontwikkeling zijn gebracht, die met een burijn een tekst of voorstelling in metaal aanbracht (ciseleren). Met behulp van een verfmengsel maakte hij soms een afdruk, zodat hij een voorbeeld had om dezelfde afbeelding in een ander werkstuk te graveren. Hieruit zou het drukken van gravures als zelfstandige techniek zijn ontstaan. Vóór 1400 stak men in brons, later in koper, dat zachter was en daardoor gemakkelijker te graveren. Tussen 1400 en 1450 kwam als concurrent de etstechniek tot ontwikkeling, afkomstig van de wapensmeden. Deze brachten versie­ringen aan door etsen met zuren in onder meer klingen van zwaarden en sabels. Men ontdekte dat dit etsen ook heel goed mogelijk was op koperen platen. Er ontstond een controverse tussen de graveur, die een moeilijke, bewerkelijke en dus ook tijdrovende techniek toepaste en de etser, die alleen maar wat op een waslaagje hoefde te tekenen, de tekening over te "krassen" en die dan verder het zuur het werk liet doen.
Naast de kunst- en de plaatgraveur kende men verdere gespecialiseerde uitoefeningen van dit vak zoals het vervaardigen van platen voor bladmuziek: de muziekgraveur.

Greinnering
Greinreeder
Greinwerker 
Het woord grein kent men in verschillende betekenissen. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal is het via het Franse grain afkomstig van het Latijnse granum, waarvan ook het Nederlandse woord graan afstamt. In feite is het dus een zaadkorrel met bolster, maar het begrip werd ook toegepast op andere structuren. Zo kent men het greinen van lithostenen en offsetplaten om de oppervlakte korrelig van structuur te maken.
Het Franse woord grain werd echter op gegeven ogenblik ook gebruikt als benaming voor het geheel van de eitjes van de zijderups.
Van de laatste begrip is ook het Nederlandse woord (grof)grein afgeleid: een weefsel, waarvan de oorspronkelijke grondstof althans gedeeltelijk van de zijderups afkomstig was. Later ook kregen imitaties deze benaming. Zo kende men Turks greyn, bestaande uit een kerneis- of geitenharen ketting met schapewol als inslag en wollen greyn, waarbij ketting en inslag beide van wol waren. Een huik, een lange vrouwenmantel, werd vervaardigd van lichte stoffen als grein of saai, soms ook van laken.
Het woord grein komt men in verschillende afleidingen tegen.
De greinre(e)der was degeen die grein reedde oftewel fabriceerde.
De greinne(e)ring omvatte de fabricage en de handel van grein.
De greinwerker was degeen, die grein weefde of vervaardigde.
Ook grein moest gekeurd en gelood worden en viel daarbij uiteraard ook onder een impost ('t Ventlood).
Naast grein als stof, die onder meer zwart werd geverfd ('Hoe de greinen met 15 uuren kokens, goed ende vast swart te verwen waren') kende men ook het begrip greinverf als een scharlakenrode kleurstof, bereid uit de de gedroogde lijfjes van een schildluis (Dactylopius coccus), de cochenille, die vroeger voor bessen of zaadkorrels werden aangezien ('schaerlaecken greyn'). Zie ook roodwerker.

Griendbaas
Griendwerker
Grienden zijn gronden (bijvoorbeeld uiterwaarden), gebruikt voor het telen van rijshout (wilgenhout). Griendhout werd ook wel hoephout genoemd en werd vroeger veel in onder anderen de mandemakerij­en gebruikt als grondstof.
Een griendbaas was degeen die grienden exploiteerde, hetzij als eigenaar van de grond, hetzij als huurder, pachter. (voor termijnen van bijvoorbeeld twintig jaar of langer werden dan lage percelen hooiland en uiterwaarden gehuurd, die met wilgen werden beplant).

De griendwerker was dan in loondienst werkzaam bij de griendbaas.

Grietmannen
Grietmannen bekleedden een overheidsfunctie. Ze hadden grote macht. Voorheen werden ze ook met de meervoudsvorm grietsluiden aangeduid. Vanzelfsprekend zijn er ook o.a. verschillende Friese benamingen. De naam grietman komt van greta, groeten in de zin van aanspreken of eisen. Reeds in de Middeleeuwen, met zekerheid sedert de veertiende eeuw kwam deze functie voor. Het was de man die in rechte aanspreekt, de publieke vervolger en aanklager. Tevens was het de persoon die, de bijzitters gehoord hebbend, recht had te doen en vonnis te wijzen. Het was de hoogste rechterlijke en burgerlijk-administratieve  magistraatspersoon in een van de ‘delen’ (de latere grieternijen) van Friesland tussen Lauwers en Vlie. Trouwens ook in West-Groningen kwam de grietman voor. 
Het is meer dan waarschijnlijk dat de grietman oorspronkelijk gekozen werd door de gezamenlijke inwoners van de grieternij. Het grietmansambt en het recht daarop bestaan sinds de dertiende eeuw toen in de staatkundige eenheden delen werden gevormd. In 1795 beëindigde het Franse bestuur de oude bestuurlijke gang van zaken en kwam er een einde aan hun functie. Ze werden vervangen door baljuws en schouten. In 1816 werd de omwenteling van 1795 te niet gedaan en de oude toestand hersteld. Het grietenijbestuur bestond uit een grietman met twee of drie assessoren en drie tot vijf leden die tezamen de grietenijraad vormden, aan wie een secretaris of schrijver was toegevoegd en een ontvanger-generaal en per dorp, onder de grietenij vallend, een dorpsontvanger.
Het Koninklijk besluit van 23 juli 1825 licht zijn functie toe.
Zijn zorg strekte zich verder o.a. uit over de stookplaatsen, brandspuiten, gezondheid, ziekten, broodzetting, maten en gewichten en schouwen van wegen, straten, vaarten enz.

Met de invoering van de Gemeentewet in 1851 verdween de grietmansfunctie en werden de benamingen grietman, assessoren en grietenij vervangen door burgemeester, wethouders en gemeente.
In de loop van de tijd wisselde de inhoud van hun functie. Aanvankelijk was de criminele en civiele justitie in de grietmannen verenigd, maar de eerst gemelde functie hebben zij in 1545 verloren, toen deze aan het Hof gekomen is. Zij gaven de consenten op verkopingen en voerden met de mederechters het hoogste gerecht. Zij waren tevens leden van de staatsvergadering. In 1598 zijn er pogingen gedaan om hen van de Landdag te weren. Zij mochten gedurende de waarneming van het grietmans ambt geen andere vaste bedieningen bekleden.

Vereisten om grietman te worden
Vaak waren de grietmannen van adel. Men moest geërfd hebben en jaarlijks 18 tot 20 goudgulden aan  renten hebben. Vroeger was het op 50 bepaald. Zij moesten tenminste 20 jaar oud zijn. Ingevolge een besluit van de keizer van het jaar 1539 moesten zij borg stellen. Dit omdat zij de ontvangsten van de belastingen bewerkstelligden.

Nieuwe wijze van benoeming
De verkiezing geschieden van oudsher door de gemeente. Onder Albertus, de hertog van Saksen, is de benoeming aan de hertog gekomen. Onder Karel V hebben enige personen van de Bourgondische partij van de keizer het recht verworven dat zij een nominatie van drie aan de keizer zouden voorleggen waaruit hij één tot grietman zou kiezen. Toen de Geldersen verdreven waren, heeft de keizer de benoeming aan zich gehouden. In het jaar 1539 is het recht begeven aan de stadhouder en het hof alhoewel de keizer het recht van aanstelling aan zich behield. Onder Philips schijnt de stadhouder dit alleen te hebben gedaan, zoals blijkt uit de verzoeken van de jaren 1576 en 1577 aan de Staten-Generaal te Brussel gedaan. In het jaar 1578 is dit recht weerom aan de gemeente geweest, welke rechten van nominatie de 22e februari 1581, bij uitsluiting van het hof, aan de stadhouder, met advies van gedeputeerden, is toegekend. Bij de provisionele instructie van Willem I, de eerste april 1581, is het hof in het oud recht hersteld. In het jaar 1600 is een resolutie aangenomen, waarin bepaald werd dat de keuze alleen bij de gouverneur en de gedeputeerden te plattelande, zonder dat de gedeputeerden bij de steden geordonneerd, daarover zouden mogen communiceren, adviseren of stemmen, zouden berusten. In het jaar 1672 heeft men wederom getracht dit aan de stadhouder te brengen. In het jaar 1673 is het wederom, op de oude voet aan de stadhouder en gedeputeerden gekomen, en bij de resolutie van 19 mei 1748 is aan de stadhouder alleen de benoeming overgelaten.

Grindgraver, grinddelver
Naast het opbaggeren van grind uit rivierlopen werd er ook grind gewonnen uit grindbanken, de bezinkingsresten van later verdwenen rivieren of rivierarmen.

Grindschipper
Vervoerder van grind per schip.

Groefbidder
Soms ook alleen bidder genoemd.
Deze term is afgeleid van te groef bidden oftewel ter begrafenis noden. Hij werd ook wel 'bidder ter begrafenisse', 'aenspreker' of 'doodenbidder' genoemd. Het is de man die ter begrafenis nodigt.
In de stad Utrecht kende men de officiële titel 'stads groefbidder'.
In het oosten van het land en ook in Overijssel kende men deze functie als grovenbidder. Volgens het Utrechts Placaatboek zou de groefbidder ook assistentie moeten verlenen bij het vervoeren en zinken (d.w.z. het in de groeve laten zakken) van de overledene.
In de meer gegoede gezinnen kwamen op de eerste avond na een overlijden, de bloedverwanten en vrienden bijeen om de 'leesceelen' of 'opleesrollen' gereed te maken. Dit waren de lijsten met degenen die ter begrafenisse genodigd moesten worden. Aan de hand van deze ceelen werden de begrafenisbriefjes (aenspreek-brieffkens) rondgebracht. 

Groenteboer, groenteboerin, groenteventer, groentevrouw, groenvrouw, groenwyf
Oorspronkelijk waren de groenteboer en de groenteboerin kweker, resp. kweekster van groente en fruit en verkoper, resp. verkoopster van groenten en fruit. Later bleven ook de personen die alleen in groenten en fruit handelden, zowel in winkels als op markten en met de kar, bakfiets of paard en wagen langs de deuren de oude benaming houden.

Groentezouter
Werkzaam bij een bedrijf dat groenten verduurzaamde door ze in te leggen in zout. O.a. andijvie, sperziebonen en zuurkool. Ook vele gezinnen maakten gebruik van inlegkruiken om bepaalde groenten te verduurzamen met zout, waarbij een kei op een rond plankje de groente onder de pekel hield.

Groenwijf
Verkoopster van groente.

Grofschilder
Huisschilder, verver (in tegenstelling met fijn- of kunstschilder) (WNT)

Grofsmid
Een smid (zowel baas als knecht), die grove, grote, zware ijzeren voorwerpen vervaardigt, zoals ankers, grote bouten en hangijzers.
Ook in dienst van de V.O.C.
Grofwerker
Suikerraffinadeur, die alleen de grovere suikersoorten in de handel brengt. De raffinadeur, die alleen broodsuikers produceert noemt men fijnwerker. Daarnaast kent men ook de kandijwerker. Grootknecht
In sommige delen van het land, voornamelijk Drente en Groningen, wordt de oudste, de voornaamste knecht/arbeider op de boerderij grootknecht genoemd. Grootwerker
Bij sommige ambachten, degene die een bepaald deel vervaardigd, vooral bij kleermakers. Degene die bijvoorbeeld alleen jassen of rokken vervaardigt.
In advertenties uit het eind van de vorige eeuw, begin deze eeuw, komt men deze term geregeld tegen, bijvoorbeeld: Gevraagd of biedt zich aan: een net grootwerker of een grootwerker- pompier (= hier kleermakersknecht voor kleine herstellingen). Anders dan de pompier werkt de grootwerker meestal thuis.Grosseerder
Een ambachtsman, die fijn goud tot grove gouden werken verwerkt "Soo sullen alle Meesters, Goud en Silverdraat- Trekkers .... moeten beloven, van geen andere Goude of Silveren Ringen aan de Trekkers te sullen geven om te trekken, als die alhier door de Geauthoriseerde Grosseerders [van Lingotten (= staven goud of zilver, in de vorm waarin het uit de oven komt) uyt de Wisselbank deser Stede gehaalt] zijn gegrosseert" 

Groothandelaar, schakel tussen producent en detaillist.

Gruiter, gruyter, grutenare, gruutmeester
(soms ook grutter)
Gruit was een plantaardig, kruidend toevoegsel, gebruikt voor hop in zwang kwam.  Uit de Cameras Reke­ningen van Deventer blijkt duidelijk dat de gruit bestond uit een mengsel van gedroogde gagel met geringe toevoeging van andere stoffen.Vermoedelijk is de samenstelling niet overal hetzelfde ge­weest.  Het recht op de gruit was oorspronkelijk in handen van de landsheer, die het eventueel aan anderen overdroeg of verpacht­te. In het gruithuis verschafte de gruiter in opdracht van de heer of als diens pachter de gruit voor het bier. Soms gebeurde dit door de levering van de droge stof, soms ook werd het bier in wording naar het gruithuis gebracht, waar de gruiter de gruit dan toevoegde. Toen het met behulp van hop gebrou­wen bier een duchtige concurrent werd en het met behulp van gruit vervaardigde bier geleidelijk verdrong werd hij niet alleen de inner/pachter van het recht op de gruit, maar ook van de onder die naam voort bestaande belasting op het brouwen van hopbier. Het was een belasting geworden op het brouwen van allerlei soorten bier.

Grutmolenaar
Grutter
De molenaar, die graan, hoofdzakelijk boekweit, tot grut of grutten maalde werd grutmolenaar genoemd. Zie verder gort- en pelmolenaar.
In een aantal gevallen werden ook nevenactiviteiten verricht. Voor het malen van boekweit tot boekweitmeel (dat onder meer voor pannekoeken werd gebruikt) was een maalstoel aanwezig.
Daarnaast werd ook wel graan gebroken voor veevoer en in een kleine maalstoel mosterdzaad gemalen voor de mosterdfabricage.
De grutter was degene, die het produkt verkocht. Grutterijen waren in de praktijk buurt verzorgende bedrijfjes, waar men zowel de grutten vervaardigde als verkocht, met andere woorden grutmolenaar en grutter waren meestal één en dezelfde persoon. De eigenaar werkte meestal met een zoon of een hulp.
Tot ongeveer 1800 heeft men vele honderden grutterijen in ons land gekend.Guichelaar = goochelaar

Gunner
Het vangen van walvissen na de 2e Wereldoorlog lag primair in handen van de gunner. Hij moest de harpoen zo richten dat de walvis werd geraakt, het liefst onder de linker borstvin in het hart. De harpoen woog  zo’n 80 kg. Met weerhaken klemde de harpoen zich vast in de dikke speklaag om vervolgens een granaat te laten

Haakbusschutter
Ook har(c)kebusier genoemd.
Van haakbus, harkebuse (Fr. arquebuse)
Destijds militair die gewapend was met een haakbus. Deze wapens werden niet alleen in de strijd gebruikt maar ook om mensen te doden (fusilleren). :
'..Van de 300 overigen werden de meesten, die in handen der overwinnaars vielen, geharkebuseerd of vonden den dood aan de galg'.
Wegens te gering doordringingsvermogen werd de haakbus na 1625 afgeschaft.

Haakiboy of waaierboy
Zijn taak op een walvisvaarder was het vastzetten van draden om delen van de walvis, zodat deze opgetild en verplaatst konden worden. Hij was verantwoordelijk voor het verslepen van vlees of andere restanten van de walvis om het vervolgens in de traanpotten te kunnen stoppen.

Haarkoper
Handelaar in haar. De haarkoper kon zowel in mensenhaar handelen als in dierenhaar.
Mensenhaar werd (en wordt) gebruikt voor de vervaardiging van pruiken. Dierlijk haar, als varkens- of marterhaar voor het vervaardigen van kwasten en penselen, paardenhaar werd gebruikt bij de vervaardiging van kleding, ter opvulling van o.a. kussens en voor strijkstokken van violen e.d.

Haar- en baardscheerder 
Kapper. Vroeger schoor lang niet iedere man zich thuis. Hij ging daarvoor op gezette tijden naar de haar- en baardscheerder (barbier), die in zijn kast voor ieder van zijn vaste klanten een apart vakje had, waarin diens scheerbenodigdheden werden bewaard.Haarsnijder
De haarsnijder was een ambachtsman, die dierlijk haar bundelde en die bundels voor borstels en kwasten op de gewenste lengte sneed.

Haarwerker (pruikenmaker)
Iemand die haar verwerkt(e) tot pruiken, vlechten, haarstukjes enz. In de achttiende eeuw was het mode dat mannen en vrouwen uit de hogere standen pruiken droegen, soms tot het absurde.

Handlanger
Veenarbeider die de onderste turf uit een dikke laag (hoog)veen naar boven gooide.

Handschoenenwasser, handschoenenwaster

Het is ook een beroep dat in verschillende genealogieën wordt genoemd. Men kan zich afvragen of dit een beroep is, dat een bestaan oplevert. Wel is het zo, dat de vroegere was methoden waarbij de was door de gegoede burgers buiten de deur werd gedaan of door de gewone man zelf werd gedaan en er niet zo zacht mee werd omgesprongen voor alle objecten de meest geschikte methode was. Men denke aan kragen, manchetten en ook aan stoffen handschoenen, bijv. van kant. Er zijn vrouwen en mannen geweest die zich hierin hebben gespecialiseerd, mogelijk als nevenverdienste naast dat van de partner.

Handschoenmaker
Handschoenen werden voornamelijk door de hogere standen gedragen. Zij reikten tot de pols. In de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd.

In de riddertijd kende men de met metaal beklede handschoen om zich tegen wapengeweld te beschermen.
De latere handschoenen werden onder meer van dun leer gemaakt, bijvoorbeeld  van geiteleer en in verschillende kleuren geverfd. De kap werd dikwijls van fluweel gemaakt, versierd met edelstenen, parels en franjes. De handschoenen van de aanzienlijke vrouwen werden van mooie stof of dun leer gemaakt, eveneens versierd met edelstenen en parels, maar ook versierd met borduursel.

Handzetter


Met de ontwikkeling van de boekdrukkunst kwam ook het gebruik van losse letters tot ontwikkeling waarbij standaardisaties in verschillende opzichten tot stand kwamen zowel wat betreft de letters en de interlinies als de wijze van bewaren en ook de techniek. De letters werden bewaard in laden, de letterkasten, die een uniforme indeling kregen. Zie afbeelding. Deze letterkasten werden opgeborgen in een staande kast, een bok, met bovenop een werkblad, waarop de drukvorm werd opgebouwd door de handzetter. Voor het bijeengaren van de letters en of cijfers plus de spaties maakte de (hand)zetter gebruik van een zethaak, waarop men eerst de breedte van het te vervaardigen zetsel bepaalde, om vervolgens het zetsel bijeen te rapen en in spiegelschrift kopstaand in de zethaak te plaatsen.

Was de haak vol gezet, dan werd de regel op een galei gezet waarop de vorm werd opgebouwd, zo nodig aangevuld met clichés . Moesten de regels precies even lang worden dan werd dit gerealiseerd door variabele spaties tussen de woorden te plaatsen. De ruimte tussen de regels werd gevuld door interlinies.
Het op deze wijze verkregen zetsel bestond dus uit soms honderden losse deeltjes als letters, spaties, interlinies, clichés enz.
Dit zetsel werd opgebonden, door er een koordje omheen te winden, waarna op een proefpers een proef kon worden vervaardigd om het zetsel te controleren, zodat onjuistheden gecorrigeerd konden worden.
Voor grote reclamebiljetten werd onder meer gebruik gemaakt van grote (houten) letters.
De opleiding tot handzetter was niet zonder meer een pretje. Vooral vroeger waren de werkuren, staande aan de zetbok, lang maar men werd ook wel aan plagerijtjes blootgesteld. En als men een zetsel uit handen liet vallen was het ook niet best. Een schop onder je achterste bijv. kon er dan best af. Ook qua hygiëne was het niet altijd goed. 

Haring-

In de zeventiende eeuw werd met de "groote visscherij" de haringvisserij bedoeld. De walvis­vangst, waarbij het om veel grotere dieren ging heette de "kleine visscherij". Er is dan ook geen vissoort, die in het verleden van zoveel economisch en politiek belang geweest als de visserij op haring. Deze haringvisserij bezorgde vele tienduizenden werk, niet alleen als visser, maar ook omdat talrijke toeleveringsbedrijven nodig waren.
Haringvisserij werd met behulp van drijfnetten uitgeoefend. Deze wijze van vissen is waarschijnlijk in Vlaanderen ontwikkeld, waarna Zeeuwen en Hollanders deze methode overgenomen en geperfectioneerd hebben. Het is een manier van vissen geweest, die zich tot in de twintigste eeuw gehandhaafd heeft.
De Nederlandse haringvisserij is al zeer oud. Op grond van charters en vrijbrieven weet men dat het haringvissen met behulp van drijfnetten reeds in de dertiende eeuw werd toegepast.
Naarmate de haringvisserij en haringhandel belangrijker werden groeide ook de bemoeienis van de overheid, ten dele om door beschermende maatregelen de kwaliteit te waarborgen, ten dele ook ten behoeve van monopolievorming. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de discussie, wie het haringkaken heeft uitgevonden. Wel is van belang dat dit systeem de mogelijkheden voor export sterk bevorderd heeft. Een goede matroos verwerkte per uur ruim twee kantjes oftewel 800 - 1000 haringen. Hierbij werd en wordt met een kaakmesje de gal (= gelletje) plus bijbehoren uit de haring gehaald.
De haringvissers behoorden in onze landen tot de eersten, die ook koopvaart bedreven: zij vervoerden de haring naar andere landen en al gauw ook andere producten als zuivel en textiel en brachten andere producten terug. Het waren ook vermoedelijk de eerste strijders op zee, zowel tegen kapers als tegen schepen van concurrerende organisaties en staten (bijv. de Hanzesteden), waarbij de reeds aan de wal gekozen schipper, de admiraal het opperbevel voerde. Zo waren de eerste vlootvoogden van origine haringvissers, bijv. Tromp.
Het haringkaken was slechts voorbehouden aan de bedrijven van de steden "van de Maze" en van "Hollands noorderquartier". De belangrijkste plaatsen waren Enkhuizen, De Rijp, Brielle, Delfshaven, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. Deze privileges bleven bestaan tot 1857.
In 1852 werd het "Collegie van de Grote Visscherije van Holland ende Westvriesland" opgericht dat zich een zekere wettelijke macht toeëigende en de belangen van een betrekkelijk kleine groep haringgroothandelaren veiligstelden. Het kaakprocédé moest gekoppeld worden aan de vermaardheid die de uit deze gebieden afkomstige producten in het buitenland genoot. Ook moesten er brandmerken op de tonnen komen om de verschillende biologische stadia aan te geven. Zo was het keurmerk 'cirkelbrand' voor haring die gevangen was in de periode van Sint-Jacob tot Sint Barthelomeus (25 juli tot 24 augustus); 'kleine brand' was voor haring uit de periode van Sint Barthelomeus tot Kruisverheffing (14 september).

'Kruisbrand" haring bestond uit volle hommers en kuiters. Dit was de beste haring voor de export. Van 1 januari tot 1 juni mocht niet op haring worden gevist.
Ondanks alle voorschriften waren er toch geregeld klachten uit het buitenland.
In het "Groot Placaetboek II van 1613 tot 1652" werden de haringvissers beschouwd als goede vaklieden, die uitblinken in het kaken en pakken van haring. Deze vissers werden dan ook als een soort "nationaal bezit" beschouwd. Er was voorgeschreven dat ze zich niet in dienst mochten begeven van koopvaardij- of vissersschepen buiten de Verenigde Nederlanden.
De bloeitijd van de grote visserij lag in de eerste helft van de zeventiende eeuw toen de republiek verreweg het grootste deel van de markt in handen had.
De bewerkingen aan de wal stonden onder toezicht van keurmeesters. Om knoeierijen tegen te gaan moesten de pakkers hun werkzaamheden op de openbare weg verrichten.
De vissers die niet woonden in de steden gelegen aan de Maas of in het Hollands Noorder­kwartier mochten dus tot 1857 geen gekaakte haring aanvoeren en moesten hun aanvoer of direct voor de consumptie verkopen of op andere manier verduurzamen (bijvoorbeeld steurha­ring, die tot bokking werd gerookt).
Aan de kust van Holland (= de Zijde), waar havens ontbraken (Bijvoorbeeld Scheveningen en Katwijk) maakten de schippers gebruik van platboom schepen (boom = bodem). De meest bekende strandschuiten zijn de bommen, die bij hoog water op het strand gezet werden. (Goed te bekijken in het Panorama Mesdag in Den Haag). Voor de drijfnetvisserij maakte men vooral gebruik van buizen, kielschepen. Op de Zuiderzee kende men de botter en de schokker, ook platbodemschuiten.
De bemanning van een buis telde 12 - 14 man: de kapitein, de stuurman en de matrozen, die ten dele verschillende funkties hadden als wantaannemer, wantstaander, reepschieter en jongste afhouder trekt langzaam de reep (kabel, waarmee een aantal netten met het schip verbonden is) van de winch en "paait" hem in het reepruim
jongste de oudste van de [drie] jongeren aan boord.
reepschieter vangt de reep op van de reepschieter en schiet deze al ronddraaiende "in ronde slagen" op.
spilloper is degeen die aan het spil (werktuig bestaande uit een cylinder voorzien van een kop met gaten waarin spaken om het geheel rond te draaien) draait. "De stuurmansmaat is een der vier spilloopers bij het inwinden van het vischtuig".
wantaanhaalder (of dombeest)/wantaannemer bemanningslid, belast met het uit het ruim halen van de netten.
wantheffer de perswoon die de bulk van het want (= net) in de schuit hijst
wantstaander haalt de netten binnen boord.

De wijze waarop de verschillende toeleveraars actief waren komt bij hun specifieke beroeps­uitoefening aan de orde. Rechtstreeks met de haring hadden, naast de bemanning van de schepen onder meer de navolgende beroepen (ten dele als seizoenwerker) te maken :

  • Haringdroger = bokkingdroger
  • Haringjager = jager/ventjager, vervoerder of koopman die verse vis van de varende visser­schepen op de markt brengt om te verkopen. Haringjager was ook een schip, uitgerust door de gezamenlijke haringreders tot vervanging en onderdrukking van deze vroeger gebruikelijke ventjagerij.
  • Haringkaker degeen, die de haring ontdoet van kieuwen en gelletje (gal)
  • Haringkooper verhandelt de haring, hetzij als hgroothandelaar, hetzij als winkelier
  • Haringpakker/pakster pakt de haringen uit de (zee)tonnen in voor de handel bestemde vaten. Vroeger was dit een door de overheid beëdigd persoon.
  • Haringre(e)der rust de schepen voor de haringvangst uit. Hij is dus de eigenlijke ondernemer
  • Haringteller telt de haringen
  • Haringtrekkers waren vissers uit den Helder, Nieuwediep en texel, die in februari met de zegen visten op jonge haring die die via het Marsdiep de Zuiderzee introkken. Ten dele gebeurde dit vanaf het strand, ten dele met behulp van vletten, bemand door een schipper en tien roeiers
  • Haringwerker verricht het bewerken van de haring aan de wal (sorteren, inzouten, inpakken enzovoort).

Harnasmaker
Oorspronkelijk vervaardiger van wapenrustingen. Later werd dit tot wapensmid.

Harnasveger
Ook harnasvager.
Harnasveger is degeen, die voor het onderhoud van de harnassen en bijbehorende wapenrusting zorgdraagt.

Harpenist, harp(en)slager
Harpspeler.

Harpoenier
Degeen die op een walvisvaarder bij het jagen op walvissen, de harpoenen (later harpoenen schieten) en lensen werpen. Zodra een walvis werd gesignaleerd, roeide men uit alle macht naar het dier. De stuurman probeerde de sloep zo te manoeuvreren dat hij recht voor of pal achter de walvis uitkwam omdat hij dan buiten het beperkte uitzicht van de walvis bleef. Nadering van voren had de voorkeur omdat men dan buiten het bereik van de machtige staart bleef. Was de afstand voldoende verkleind dan nam de harpoenier de harpoen en probeerde deze in het lijf van de walvis te werpen.
Deze harpoen bestond uit een schacht met een ijzeren van weerhaken voorziene punt.
Het was de kunst de walvis dusdanig in zijn speklaag te raken, dat de harpoen goed vastzat. Als dat gelukt was en de walvis vluchtte, dan vierde men de lijn die aan de harpoen bevestigd was en liet de sloep halend en vierend meeslepen. Door middel van vlaggeseinen op het moederschip werden andere sloepen ter assistentie naar de getroffen walvis gedirigeerd,zodat extra harpoenen in het walvislijf gegooid konden worden om de kans op ontsnapping zo klein mogelijk te maken. Eenmaal stevig verbonden met de walvis was het de bedoeling het dier uit te putten. Uiteraard probeerde het in doodsangst verkerende dier zijn belagers van zich te schudden door onder te duiken en weg te vluchten, zodat de sloepen met grote snelheid door het water werden getrokken. Dit noemde men wel "Op de Spaanse kruiwagen zitten"
Ondertussen moest de lijn (soms zeer snel) gevierd worden om te voorkomen, dat de sloep niet onder water werd getrokken. Soms liep de walvis meer lijnen uit dan de zeven die aan boord van een sloep waren. Andere boten moesten dan te hulp komen om extra lijnen te leveren. Als de walvis eindelijk uitgeput was, begon het eigenlijke doden, het gevaarlijks deel. Het dier moest nu zeer dicht benaderd worden, zodat de harpoenier de doodsteek kon geven, bij voorkeur in het hart of de longen. Dit gebeurde met behulp van lensen. Een lens is een spies van bijzondere vorm.

Havenmeester
Ook wel vest- of poortmeester.
Ambtenaar, belast met het toezicht op de haven, de havenwerken en ook op de stadsmuren, vestingswerken en stadsgebouwen. Ook inde hij accijnzen en tollen. In latere tijd werd hij door en uit de veertigraad gekozen.

Heelmeester
Chirurgijn, wondheler.

Heemraad
Oorspronkelijk was dit de benaming van het college bestaande uit de dorpsbewoners om de plaatselijke vertegenwoordiger van de landsheer, de dijkgraaf, te adviseren. De dijkgraaf en (hoog)heemraden hielden toezicht en deden rechtspraak over de polder- en waterschapszaken.Heemraadsbode
Was de bode van een college van heemraden.

Heibaas, heier, handheier
Anders dan tegenwoordig werden bij het heien de (toen) houten palen vroeger met handkracht de grond ingedreven. Dit gebeurde niet alleen als fundering voor gebouwen, maar ook bij de aanleg van verdedigingswerken en bij het maken van dijkbeschoeiingen. In de loop der tijd is er een heel repertoire aan 'hei-liedjes' ontstaan, die gezongen werden op de maat van het eentonig werk. Meestal 'zong' de heibaas (opzichter, voorman bij het heien) het heierslied en zorgden de heiers voor de regelmatige cadans. Bij het slaan van de eerste paal was het dikwijls gebruik om wat los kruit te laten knallen. Ook was het een gebeurtenis als de laatste paal de grond in ging, vooral als het om een groter publiek gebouw ging zoals bij de fundering van een kerk, een stadhuis of een poort. Deze laatste paal werd eerst versierd rondgedragen waarna bij het heien daarvan men een 'menichte van burgers kinderen, so groot als kleyn, tot gedachtenis mede aan de heij trecken'.

Heideboendermaker

Hier twee verschillende aanduidingen wat betreft de gebruikte heide:

  1. Boenders en bezems werden weleer gemaakt van oude dopheide. In maart en april werd deze dopheide met de blote handen geplukt. De heide kerfde de handen, waardoor uit tientallen wondjes tijden het plukken bloed te voorschijn kwam. De heide werd vervolgens gedroogd en daarna gebonden om er bezems van te maken. Een zeer zwaar werk, omdat de bundels stijf moesten worden aangehaald. Bezembinden was bij andere beroepen vergeleken een onaanzienlijk ambacht. Dikwijls ook was het seizoenwerk, dat bovendien nog slecht werd betaald. 

  2. Heideboenders werden vervaardigd van vooral wat oudere struikheide. De heideboender was zeer stug en hard. Ze werden gebruikt voor het schoonmaken van melkpullen, melkmussen en pannen.  Naast de heideboender werd schoon wit zand gebruikt om de pannen enz. nog fraaier en schoner te krijgen. Met touw werden de bosjes heide gebundeld en stevig aangesnoerd, met een hakmes recht afgehakt, nog wat glad gekrabd en in bossen van 12 of 24 gebundeld.

Heilige-Geestmeester
Bestuurslid van een Heilige-Geesthuis. Zij vormden vanaf de Middeleeuwen tot in de zestiende eeuw het parochiaal armbestuur, aangesteld door de plaatselijke overheid. Ook droegen zij zorg voor de wezen, vondelingen en verlaten kinderen. Na 1572 werden zij en hun instelling, daar waar het Protestantisme overheerste, vervangen door weesmeesters.

Heiligenbacker, heyligenbacker
De heiligenbakker (heyligenbacker), ook wel beeldendrucker genoemd, vervaardigde heiligenbeeldjes. Als grondstof werd pijpaarde (waarschijnlijk afkomstig uit de Maasvallei of het Rijnland) of terracotta, een mengsel van rode klei met pijpaarde, gebruikt. De beeldjes werden vervaardigd in mallen van hetzelfde materiaal. Om deze mallen te maken werd in de nog zachte klei een zogenaamde patrijs gedrukt, dikwijls een gesneden houten beeld. Als de klei voldoende gehard was, werd de patrijs verwijderd en kon de mal gebakken worden.
Voor een beeldje waren een voor- en achterkant nodig. In deze mallen, die eerst ingevet waren, werd dan pijpaarde gedrukt om het gewenste afgietsel te krijgen, waarna het bakken daarvan plaatsvond. Grotere voorwerpen maakte men door de onderdelen los te vervaardigen, met natte klei aan elkaar te plakken en het geheel te bakken. Na het bakken werden de beelden beschilderd. Via de patrijzen (mallen) konden uiteraard meerdere afgietsels worden vervaardigd. Er was handel in de beelden, maar ook in de mallen.
Het bakken werd wel ook wel uitbesteed aan een pottenbakker.

Hekeler, hekelaar, hekelster, hekelaatster, hekeleresse
Man of vrouw, die hekelt: bewerken van vlas of hennep op de hekel, vlas of hennep door de hekel haalt. Het hekelen had als doel het verwijderen van alle nog voorhanden houtige deeltjes. De hekel was een bord, plank bezet met omhoog stekende metalen spitsen, waarover men het vlas of de hennep haalde om de korte houtige vezels te verwijderen en de lange vezels recht te trekken. Het was ongezond werken.

Hellebaardier
Militair die met een hellebaard gewapend was. Later fungeerden de hellebaardiers vooral als lijfwacht.

Hengstensnijder
Hengstensnijder is degeen die hengsten castreert, tot ruin maakt.

Hengstmenner
Hengstenkoopman

Hennepklopper
De bastvezels van hennep dienden als grondstof voor allerlei touwwerk als kabelgaren en stroppen en voor weefsels als zeildoek en zeelen. Dit onder meer ten behoeve van de scheepsbouw , de scheepsvaart en de visserij. Na het roten en braken werd hennep met de hand geslagen oftewel gebeukt. Later gebeurde dit door hennepklopper- windmolens. Dit kloppen of beuken was de eerste bewerking die hennep voor de touwslagerij en zeildoekweverij onderging.. Dat henneptouw niet altijd voor mensvriendelijke bezigheden werd gebruikt weten we door de term 'hennepenvenster' oftewel strop. Vroeger sprak men dan ook wel van 'hij is met een hennepzeel geboren', met andere woorden: voor de galg geboren.

Heraut (wapenheraut)
Degeen die bij het openbaar optreden van een vorst uit diens naam bekendmakingen deed, plechtigheden organiseerde en leidde, soms ook wel als afgezant optrad. Tevens was hij belast met het toezicht op het voeren van heraldische wapens en het verlenen daarvan.
Om de registratie bij te houden vervaardigden zij de middeleeuwse wapenboeken. Daarbij waren zij de scheppers van de heraldische vaktaal (blazoenering), waarmee zij ook derden weerhielden kennis van hun arbeidsterrein te krijgen. In onze landen hield hun functie op door de vestiging van de Republiek. 
In het Zuidelijke Nederlanden bleven ze in functie tot aan de Franse tijd.
Helaas zijn de door hen opgestelde afstammingslijsten niet altijd even betrouwbaar. Soms wilde een familie “opgewaardeerd” worden, d.w.z. ze hadden bijv. behoefte aan een adellijke afstamming.

Herbergier
Een waard die een herberg exploiteert, d.w.z. een gelegenheid waar reizigers en anderen een tijdelijk onderdak en voeding konden vinden.

Heu(c)ker/hoe(c)ker, vr. heu(k)(ster, hoe(c)ster, hokester.
Iemand, die in het klein verkoopt, hetzij als venter of kramer (Drenthe), hetzij als winkelier in 't klein in kruidenierswaren (Groningen), hetzij en graan en meel (Noord- Holland). Heukeren is dan veelal scharrelen om aan de kost te komen, een armelijk leven lijden.

Hieltjesmaker

  1. Schoenlapper, die lapjes op de hiel van schoenen plaatste.
  2. Iemand die de hieltjes van kousen maakte.

Hobbeljongen, hobbelstudent, schommeljongen

Het Joodse volksdeel kocht geen dode vis. De vis voor hen bestemd werd daarom te Amsterdam aangevoerd in schuitjes, die in de visbun met zeewater waren gevuld, waarin de vis zwom. Haaks op de roeibank lag een plank, waarop een jonge man wijdbeens stond en de plank op en neer liet wippen, waardoor het water in de bun in een golvende beweging werd gehouden. Hierdoor bleef het zuurstofrijker en de vis levend. Ook aan de wal op de vismarkt stonden grote kuipen waarin het water op dezelfde wijze door een hobbeljongen in beweging werd gehouden. Door de afsluiting van het IJ in 1972 en het dempen van sommige grachten verdwenen de Amsterdamse vismarkten geleidelijk. Rond 1915 is ook het beroep van schommeljongen verdwenen. Het woord schommelstudent was meer een plaagnaampje.

Hoedendoosmaker, -maakster, ook wel hoedenkasmaker, -maakster
Vervaardig(st)er van hoedendozen, waarin hoeden werden getransporteerd en bewaard.
Het vervaardigen was als regel het gecombineerde werk van mannen en vrouwen.
De mannen knipten, vormden en plakten ze, de vrouwen decoreerden ze.
De man ging dan de straat op om de dozen aan de man te brengen, voor zover ze niet op bestelling werden geleverd.

Hoedenkramer
Rondreizend handelaar in hoeden.

Hoedenmaker
De hoedenmaker van vroeger begon met het vervaardigen van vilt. Dit proces noemt men ook vollen of walken en komt ook bijvoorbeeld voor bij de lakenfabricatie. Te dien einde nam men van enige wolsoorten, krimpwol genoemd, 'dunne lagen of vlokken, doet dezelve in eene met heet water gevulde kuip, waarin zamentrekkende stoffen gedaan zijn, werkt deze vlokken door kloppen en slaan nog meer in elkander, doet over deze eerste vlok nog eene tweede, derde, enz., tot dat de hoede eene behoorlijke dikte gekregen heeft. Dan wordt alles weder door klopping in elkander gewerkt, waarna de laatste laag, welke gemeenlijk van de fijnste wolsoort, of wel van het haar van konijnen, hazen, of bevers wordt vervaardigd, er over gelegd wordt.
Dan wordt alles nog weder in elkander gewerkt, met lijm of andere stoffen tot meerderen zamenhang en stevigheid gebragt en door den vorm het bepaalde fatsoen gegeven. Hierna wordt zij zwart geverwd, gedroogd, geschuijerd, verder gevormd, wordt het leder en de voering er in gemaakt, en nu is de hoed tot het gebruik gereed.' 

Voor elke hoed werden de benodigde hoeveelheden (oorspronkelijk) beverdons, later ook otterhaar, hazedons, konijnehaar en haar van de bisamrat en lamswol afgewogen, gemengd en tot een lichte couche gemaakt met behulp van een gespannen boog. In enkele minuten werd zo een gelijkmatige laag van ongeveer 40 bij 60 cm verkregen. Die laag werd weer met de handen bewerkt om de haren te vervlechten. Dit gebeurde eerst met de blote handen, daarna met een leren lap. Deze couche werd bevochtigd en dan rond een mal in klokvorm gebracht. De uiteindelijk gevormde cloche werd binnenste buiten gekeerd zodat ook het dons voor de onderzijde van de rand kon worden aangebracht. Na terugdraaien werd de cloche op een mal gebonden, opnieuw vochtig gemaakt en net zo lang gefatsoeneerd tot hij er overal goed uitzag. De hoed werd op de vorm gedroogd, geruwd en in een bad geverfd. Daarna volgde het verven (in een oplossing van ijzersulfaat, kopergroen en lakmoes), waarna de nabewerkingen konden beginnen.

Hoedenstoffeerder
Deze versierde en voltooide hoeden met pluimen, hoedbanden, gespen enz.

Hoefsmid
Smid, die (ook) hoefijzers smeedt en paarden beslaat.

Hoekman
De hoekman was een tussenpersoon die op de beurs zorgde voor het samenbrengen van aanbod en vraag van aandelen in de hem toegewezen beursfondsen. Ook diende hij te zorgen voor een ordelijk koersverloop en het opvangen van al te grote schommelingen daarin.

Hoekwever
Wever van hoek, een ruig soort weefsel.

Hoepbuiger
De hoepbuiger vervaardigde allerlei houten hoepels van gespleten wilgen- of populierenhout voor uiteenlopende doelen zoals tonnen, tobbes, vaten en kuipen, maar ook voor het vervaardigen van fuiken, die dienst deden om de rokken van vrouwen te doen uitslaan. Ook werden ze gebruikt voor aan de vang van windmolens.

Hoepelmaker
Veelal in combinatie met reepschrapper.
Het beroep vinden we bij de lagere delen van de rivieren, zoals bijvoorbeeld in het land van Maas en Waal, Oost-Brabant en rond de Biesbosch.
In Oost Brabant (Schijndel en Oss) werd dit vak veelal als thuiswerk beoefend. Zowel het klaarmaken van de hoepels (daar 'reep' genoemd) als het schillen van het hoepelhout ('reepschrabben'). Elders werd ook bij de hoepelmakerijen zelf gewerkt.
Bij het kappen of snijden werden het griendhout in dunnere en dikkere soorten verdeeld en tot bossen gebonden. Deze bossen werden naar de hoepelmakerij of de thuiswerkers gebracht en daar in sloot of berm naast elkaar gezet en stevig geschraagd tot ze verwerkt konden worden. De stokken werden daarbij, nadat ze van de bast waren ontdaan, met de dissel op het kloofblok eerst in tweeën gespleten, een enkele maal in drieën met behulp van een kluft. De gekloofde stokken werden bijgesneden op de snijbank en tenslotte tot hoepel gebogen op de buigbank en hengst. Op de schijftafel werden de hoepels samengebonden via schijven tot een bos hoepels.
De hoepels kregen naar bestemming of afmeting verschillende benamingen. Men onderscheidde bijvoorbeeld kitteband, karreband, haringband, gewone tonnenband en zware rode tonnenband.
Per week vervaardigde een bekwame hoepelmaker 140 bos haringband of 120 bos tonnenband of 100 a 120 bos vierlingen.
Vrouwen en meisjes deden reepschrabben, elders werd dit als mannenwerk gezien.
Maatschappelijk stonden de hoepelmakers op de grens van huisindustriëel en kleine ondernemer.
Hoepelmaken gebeurde in sommige streken vooral in de winter. In de zomer werd dan doorgaans in de grienden gewerkt of polderwerk gezocht. Elders (langs de dijken van de Merwede) ging het hoepelmaken het gehele jaar door behalve als het langdurig hard vroor, omdat dan het hout niet te bewerken was. Het blijkt dat in dit gebied de kleinste soorten hoepels zelfs door kinderen gemaakt werden. Vooral voor het buigen was bij de langere stukken nogal wat kracht nodig, zodat dit het werkje voor de sterksten onder de mannen was.
Dit vak heeft twee bijna vergeten spreekwoorden opgeleverd, beide op opvoedkundig terrein:
"Men moet een rijsje buigen als het nog teer is " en "'t Moet vroeg krommen, zal het een goede hoepel worden". Te oude tenen waren niet meer bruikbaar.

Hoepkoper
Was de handelaar in hoep (wilgen- en populierentwijgen); mogelijk verhandelde hij ook de eindproducten van de hoepmakers.

Hoepsnijder
De hoepsnijder was degeen die de wilgen en populierentwijgen spleet voor het maken van hoepels.Hoer
Publieke vrouw, d.w.z. vrouw die voor geld sexuele handelingen verricht.
Hoevenaar
In Brabant pachter van een (belangrijke) hoeve, behorende aan een abdij of kerk, maar van 1648 af landshoeve genoemd. Deze pachter verpachtte doorgaans zijn eigen hoeve.Hofmaarschalk
De waardigheidsbekleder, die belast was met het bestuur van de vorstelijke huishouding.Hofmeester
Oorspronkelijk een waardigheidsbekleder aan het hof van een vorst, belast met het toezicht over de gehele hofhouding, de leiding van plechtigheden en feesten. Ook voornaamste huisbediende bij een groot heer, ook hoofd van het koks- en keukenpersoneel; bij de Marine de persoon die belastis met het bestuur van de officierstafel.Hofprediker
De predikant die officieel geestelijke is aan het hof.Hoge waarsman
DijkgraafHolblokmaker, holse(n)maker
Volgens het Middelnederlansch Handwoordenboek was oorspronkelijk een holsche een muil met houten zool. Later werd dat woord via holblok (met als variaties holleblok, holsblok) ook voor klomp gebruikt. Een holblokmaker, ook wel holse(n)maker, was dus een klompenmaker Holdraaier
Iemand die gaten (holten) maakte in allerlei materialen, bijv. de loop van een kanon of de naaf van een wiel. Waarschijnlijk is het werk een combinatie van boren en draaien.Homan
Hoofdman van een schuttersgilde.

Hondenslager
Ook hondemepper, koddie of stokman.
Hondenslagers waren geen slachters van honden. Zij zorgden er dus niet voor dat men de hond in de pot vond. In feite zijn ze in twee richtingen actief geweest.
In de eerste plaats waren het personen, die in volledige of gedeeltelijke dienst als zodanig in opdracht van de (stedelijke) overheid functioneerden.
In de tweede plaats waren het kerkelijke functionarissen, die het trouwens niet alleen op honden hadden voorzien.

Het beroep hondenslager kent een lange geschiedenis.
In vroeger tijden waren er mannen, die van stad tot stad trokken om dit vak uit te oefenen, maar later werden ze in vele steden officieel in dienst genomen. In Amsterdam bijvoorbeeld, gebeurde dit in 1532. Deze stedelijke hondenslagers waren niet populair. Zij mochten de honden doden. Als regel hanteerden zij een zweep en/of een knuppel met ijzerbeslag en van een scherpe punt voorzien. Ten dele werden de honden gevangen en later doodgeslagen of verdronken. Meestal werd per (dode) hond betaald. Men had het vooral voorzien op honden als er epidemieën heersten, zoals pest, melaatsheid en niet te vergeten hondsdolheid, omdat men geneigd was ze als ziekte overbrengers te zien. Bij de opdracht honden te vangen werden bepaalde honden uitgezonderd, zoals jachthonden en honden van de magistraat. Deze honden droegen ter herkenning een penning. Verder waren de honden, die de gildehuizen bewaakten en scheepshonden toegelaten. Ook kleine hondjes mochten gehouden worden, althans in Amsterdam. Wel moesten de eigenaren hun honden bij de hondenslager laten meten tegen betaling van een stuiver. Als de hond door een soort ring, beugel genoemd, kon springen, dan mocht hij blijven leven. In twijfelgevallen zal de hondenslager tegen betaling wel eens geholpen hebben een hond toch door de beugel te duwen. Dit meten van honden heeft onze taalschat met een spreekwoord verrijkt: Iets kan niet door de beugel. De honden die dat niet konden, moesten binnen acht dagen buiten de stad worden gebracht om afgemaakt te worden. Het spreekt welhaast vanzelf dat de hondenslagers lang niet bij iedereen populair waren. Mee omdat men dacht dat hondsdolheid vooral in de hondsdagen optrad, waren ze vooral in die periode actief.
De knuppel die gebruikt werd, noemde men ook wel kodde en de hondeslager 'koddie'. Dit woord leeft nu nog voort in het woord koddebeier. Beieren is een oud woord voor heen en weer zwaaien. Een koddebeier is dus iemand, die met een stok zwaait (dreigt) om boosdoeners te verjagen. De knuppel of stok was oorzaak dat men ook wel van stokman sprak.

De kerken waren kennelijk vroeger toegankelijker dan tegenwoordig. Op verschillende oud schilderijen van kerkinterieurs ziet men vaak een of meerdere honden afgebeeld, die ook wel eens een pootje oplichten bij een pilaar. Het was de taak van de kerkelijke hondenslager alle honden die het waagden "onder die sermoene en den dienst Godes'' binnen te sluipen er op staande voet weer uit te ranselen. In hoofdkerken had men doorgaans meerdere van deze meppers rondlopen. Op het platteland behoorde dit ambt vaak tot een van de baantjes van de schoolmeester.

Hij hoefde dus wel niet zelf met de zweep bij de deur te staan - en dat kon hij doorgaans ook niet, want hij was als regel tevens voorzanger of organist - maar moest er wel voor zorgen dat het gebeurde.
De tweede taak van de kerkelijke hondenslager of stokman was het bewaren van de orde onder de jeugd. Tijdens de kerkdiensten zaten de jongeren doorgaans niet bij hun ouders, maar bij voorkeur bij elkaar en zij waren toen (zoals ook nu nog) niet altijd even rustig. Waren ze te lastig, dan kregen ze met de zweep om de oren, maakten ze het al te bont dan werden ze wel in een hok gestopt.

Hoogbootsman
Tweede stuurman, speciaal belast met het toezicht op de bemanning. Ook functie bij de V.O.C.

Hoogheemraad
Oorspronkelijk alleen heemraad genoemd. Titel in sommige waterschapsbesturen in Holland en Utrecht. Om voor een dergelijke functie in aanmerking te komen moest men minstens 50 morgen land binnen het gebied van het hoogheemraadschap bezitten.

Hooploper
Een ongeoefende matroos in lage rang, ook in dienst van de V.O.C.

Hopbeschoeijer
Deze moest van ladingen hop de hoeveelheid begroten, het beschot aangeven.

Hopman
Kapitein, hoofdman over een vendel of compagnie.

Hoppenbrouwer
Brouwer van Bier met behulp van hop.

Hordebreier, hordebreijer
De hordebreier vervaardigde vlechtwerken, bestaande uit staken waartussen (wilgen)tenen werden gevlochten voor verschillende doeleinden. Bij verdedigingswerken en afscheidingen van tuinen en weidegronden werden de staken in de grond gestoken waarna de tenen er tussendoor gevlochten werden. Achter de horden probeerde men in de tijd dat buskruit en vuurwapens nog niet in gebruik waren, bijv. een vestingwerk zo dicht mogelijk te benaderen, waarbij de horden een zekere bescherming moesten bieden..
Gevlochten horden werden liggend gebruikt om een taluud te beschermen. Ook wel om omgeploegde grond te egaliseren, waarbij de boerenarbeider staande op een horde, waar een paard voor was gespannen, over het land werd getrokken.

Houtdraaier
Hoewel dit beroep ook thans nog bestaat, is het nu veelal onderdeel van een ander houtverwerkend beroep als meubelfabrikanten, timmerlieden, jachtenbouwers, wagenmakers en fluitenmakers. Er waren ook bedrijven, die zich speciaal op draaiwerk hadden ingesteld, bijvoorbeeld voor naven ten behoeve van wagenmakers, handvaten voor schopstelen, polsblokken (voor polsstokken, waarmee men over sloten sprong) en handvaten voor gereedschappen als vijlen. Men maakte voordat de bedrijven gemechaniseerd werden gebruik van draaibanken met de voet of met de hand aangedreven. In het laatste geval was bij de draaibank een groot wiel aangebracht, dat men met een handvat ronddraaide. Via een snaar of drijfriem kwam dan de as van de draaibank in beweging. In een aantal gevallen zorgde de draaier zelf voor de voortbeweging, in andere zorgde een ander voor de aandrijving.
Naast degenen, die gebruiksvoorwerpen of delen daarvan maakten waren en zijn er (nog) draaiers, die siervoorwerpen maken. Een enkele maal zijn er nu nog, die zich toegelegd hebben op het vervaardigen van enkele bepaalde producten als spinnewielen en stoelen.

Houtgraveur
Onder invloed van de Engelse graveur Thomas Bewick (1753-1828) maakte de houtgravure grote opgang als illustratiemateriaal. Anders dan bij de gewone houtsnede, waarbij in de lengte gezaagd hout werd gebruikt, zaagde men hard hout als palmhout overdwars. En in plaats van de steekbeitels, de gutsen, konden als gereedschap de graveernaald (= burijn) en getand gereedschap worden gebruikt, waarmee dat harde hout als een kopergravure kon worden bewerkt, maar door de dikte in de vormen van hoogdrukpersen mee worden ingesloten en afgedrukt. Een zeer bekende houtgraveur was Gustave Doré. De houtgravure werd van een kunstvorm een veel gebruikte reproduktietechniek, waaraan wel heel veel vakmanschap te pas kwam. Ondanks krachtige steun kwam het vak in ons land niet tot bloei. Onze markt was er te klein voor en zoals tegenwoordig met kleurendrukwerk liet men de gravures veelal elders maken. Door de perfectionering van de fotografische rastertechniek door Meisenbach in 1882, werd omstreeks 1890 de houtgravure als massaproduct geheel verdrongen.

Houthakker
Tegenwoordig worden bomen meest met behulp van een motorzaag gerooid. Vroeger was het handwerk en kwam de bijl er aan te pas. Het was een zwaar en hard maar slecht betaald beroep. Ook werd een zekere vakkennis vereist. Hij moest de juiste bomen uit kunnen zoeken, ze vellen, ze op de goede plek neer laten komen en ze vervoeren. Het vellen ging met behulp van de bijl, dunne bomen konden met behulp van een spanzaag omgezaagd worden en dikke bomen met een trekzaag. Dit laatste moest dan door twee man gebeuren. Afhankelijk van de doeleinden, hout winnen plus ontginnen of alleen hout winnen, velde men op twee manieren. In het eerste geval moesten de bomen gerooid worden, dat wil zeggen dat men eerst de wortels blootlegde, waarna deze werden doorgehakt of gezaagd. In het tweede geval spreekt men van pinnen, waarbij de stam boven de grond wordt omgehakt of afgezaagd. De stronk oftewel stobbe liet men dan staan. Deze stronken werden dan later soms verwijderd om dienst te doen als brandhout. Het vervoeren van de van takken ontdane stammen met een mallejan kennen we nog wel van de schoolplaten

Houtklover
De houtklover splijtte het hout.

Houtschild
Functie in Utrecht. Benaming voor een vaste corporatie vormende sjouwerlieden, onderscheiden van de zakkendragers Het dragen van grotere zakken was alleen toegestaan aan erkende zakkendragers, maar houtschilden mochten daar wel zakken dragen beneden de 3 el.

Houtskoolbrander
Zie kolenbrander.

Houtsnijder
De houtsnijder komt ook nu nog wel voor. Eigenlijk is het geen goede aanduiding, want er wordt niet gesneden, maar met beitels en gutsen gewerkt. Het houtsnijden, zoals in Friesland, lag meer in de hobby-sfeer. Velen hebben nog wel een doosje of lepelrekje, dat op die manier van versieringen is voorzien. Nog kan men zo hier en daar daartoe voorgetekende houtwaren kopen.
Vaak was (en misschien is) het een oude timmerman die zich is gaan toeleggen op het vervaardigen of versieren van uiteenlopende werkstukken. In vroeger tijden werden huizen (o.a. schouwen), meubels, sleden en ook wagens van allerlei houtsnij- en beeldhouwwerk voorzien. Verder allerlei voorwerpen, die men in het dagelijks leven gebruikte als étagès, stoven, koekplanken en handvaten van bestek. Maar bijvoorbeeld ook gereedschappen. Gebruikt men tegenwoordig goed te bewerken zachtere houtsoorten als linde, esdoorn en tamme kastanje, vroeger ging men onder meer het harde eikenhout en palmhout ook niet uit de weg.

Houttelder
Persoon, aangesteld om het talhout te tellen, d.w.z. hout uit dunne stammen en takken gezaagd.

Houtvester
Persoon belast met het beheer van en het toezicht op een bos of bossen van een zeker gebied.

Houtvlotter
Ook wel houtvoerder.
Bestuurder of vervoerder van houtvlotten, vlotten uit boomstammen of ander zwaar hout sameng­esteld met het oog op het vervoer daarvan. 

Houtzager (houtsager)
Tot aan het eind van de zestiende eeuw, toen houtzaagmolens tot ontwikkeling kwamen, was de houtzagerij een kwestie van handwerk. Uiteraard was het een hard en eentonig werk, dat altijd met twee man moest gebeuren. Het zagen gebeurde met een z.g. raamzaag. Deze zagen er, zij het in grotere vorm, ongeveer uit als de spanzaag van tegenwoordig. Meestal gebeurde dit op de plaats waar het hout nodig was, bijvoorbeeld op scheepswerven of de bouwplaats van een huis. De te zagen stam werd veelal geheel of gedeeltelijk gekantrecht, dat wil zeggen, min of meer vierkant geslagen met een bijl of een dissel (soort bijl, waarbij de scherpe kant overdwars staat). De balk werd dan op een zaagstelling of boven een kuil gerold, waarna de zaagsnede werd afgetekend en het zagen kon beginnen. De meester ging dan boven op de stam staan, wat het beste plekje was. De knecht stond beneden en als de wind ongunstig was kreeg die het zaagsel over zich. Ook moest hij steeds omhoog kijken. Een stuk zeildoek zorgde voor bescherming bij felle zonneschijn of als regen en wind tegen gehouden moesten worden.
In sommige plaatsen maakten de houtzagers al vroeg deel uit van een gilde. In Utrecht bijvoorbeeld behoorden ze tot het verzamelgilde van de Bijlhouwers, waarin allerlei mannen, die zich op de een of andere wijze beroepsmatig met houtbewerking bezig hielden, verenigd waren.

Met het ontstaan van de houtzaagmolens (in de Zaanstreek), die de kracht aan de wind ontleenden, veranderde begin van de zeventiende eeuw de aard van het zaagwerk. De eerste molen die met behulp van windkracht kon zagen werd door Cornelis Czn van Uitgeest in 1592 gebouwd in Uitgeest. In 1593 ontving hij octrooi op de zagende molen en bouwde hij een tweede experimentele molen op een vlot. Dit was geen succes en de vlotmolen werd verkocht naar Zaandam alwaar ze in 1596 op het land werd geplaatst en zo de basis vormde voor de latere paltrok houtzaagmolens. Meestal waren de molenzagerijen maar kleine bedrijfjes, waar zo'n twee tot vier mensen werk vonden. 

Houwer
Iemand die houwt, hakt. Een term, die in verschillende combinaties voorkomt, o.a. als veenhouwer (= veenhakker), beeldhouwer, vleeshouwer (= slager).

Huidenkooper
Handelaar in huiden.

Huide(n)vetter
Eigenlijk degenen, die reeds gelooide huiden met vet insmeren, doch bij uitbreiding toegepast op het gehele bedrijf, dus dan gelijk aan leerlooier, iemand die huiden tot leer verwerkt.

Hui(c)maker, huucmaker, hoocmaker, hoykemaker
Een huikmaker is iemand die huiken maakte. Dit kledingstuk was een capevormige mantel zonder mouwen, een kledingstuk, dat zowel door vrouwen als door mannen werd gedragen. De vrouwen droegen de huik op het hoofd, waartoe de ruimte van de stof was bijeen gerimpeld en met behulp van baleinen een handvat vormde, waardoor men de huik gemakkelijk kon aan- of afdoen. Dit kledingstuk was vooral in Duitsland en de Nederlanden algemeen in de zestiende eeuw en hield stand tot in het midden van de zeventiende eeuw.
Men kende ook een kraam- en een rouwhuik. Als begrafenismantel had de huik een langer leven, op Wieringen zelfs tot het begin van de twintigste eeuw.
Aan dit kledingstuk is de term "onder de huik trouwen" ontleend, dat wil zeggen, trouwen terwijl de vrouw reeds moeder was, waarbij het kind onder de huik van de bruid werd gehouden om gewettigd te worden.

Huisbewaarder, huisbewaarster
Persoon die een huis bewaakt, onderhoudt en eventueel bewoont wanneer de eigenlijke bewoner(s) voor kortere of langere tijd afwezig is/zijn, bijv. in de zomermaanden of tijdelijk in het buitenland verblijven voor werk, vakantie of studie.

Huisman
In de middeleeuwen onder het leenstelsel de naam voor de gewone vrije man en in het bijzonder de vrije boer; later meer algemeen boer, landman, plattelandsbewoner in het algemeen. Vroeger zeer algemeen voor boer, akkerman, bestuurder van een boerderij.

Huisslachter
Op het platteland probeerden velen althans een varken te houden voor de vleesvoorziening. Rond de Pasen of in november kwam(en) dan de huisslachter(s). Het te slachten varken werd ruggelings op een korte ladder gebonden en door een messteek in een halsslagader, waardoor het dood bloedde (het bloed werd opgevangen en werd verwerkt tot bloedworst. Het varken werd onthaard, waarna de ladder met varken (met de kop naar beneden) tegen een muur werd gezet, waarna het eigenlijke slachten begon. Vroeger ging dat zonder meer, later kwam er regelgeving, eerst gemeentelijk, later van Rijkswege.

Hulponderwijzer
Onderwijzer met de laagste van de drie onderwijzersrangen.

Hustie
"Eerste Sluiter in het huis van Arrest", portier, gevangenbewaarder, hofmeester, rentmeester, beheerder van domeingoederen.

IJker, ijkmeester
Ambtenaar belast met het ijken van maten en gewichten.
Waar handel is moet gewogen of gemeten worden. Maar ook toen werd er gesjoemeld met maten en gewichten.  Verder was de overheid van vroeger misschien zelfs meer dan nu een meester in het uitdenken van methoden om belastingen te heffen. Enerzijds leidde dit tot het instellen van wagen. Deze waren aantrekkelijk voor de commercie, die conflicten kon vermijden, maar ook voor de overheid door de opbrengsten uit de weeggelden en de daarmee verbonden accijnsheffingen. De zorg voor de betrouwbaar- en juistheid moest soms van de landsregering komen, want er waren ook steden waar al dan niet met medewerking van de besturen de hand met de gewichten werd gelicht.
De gewichten die in een waag gebruikt werden waren meestal van ijzer gemaakt, kleinere van geelkoperen messing. De oudste waag-ordonnaties uit de veertiende- en vijftiende eeuw waren gebaseerd op het Keulse pond van 467,5 gram, na 1500 in Amsterdam bijvoorbeeld het Trooise pond (genoemd naar de stad Troyes), oorspronkelijk vastgesteld op 489,5 gram, dat langzaamerhand 492,2 gram ging wegen. In de zeventiende eeuw werd het Amsterdamse pond in gebruik genomen, dat 494,1 gram woog, het zwaarste in West-Europa. Tot 1820, toen het metrieke stelsel werd ingevoerd, gebruikten de meeste steden een eigen pond.
Voor het ijken gebruikte men standaardgewichten, ook wel slapers genoemd, omdat ze maar enkele keren per jaar werden gebruikt. De controle van de gewichten werd ook vroeger door een speciale ijkmeester uitgevoerd. Voor de maximaal toegelaten afwijking was de ervaring van de ijker van doorslaggevend belang. De gewichten werden na het ijken en goedkeuring van een voorgeschreven stempel voorzien. In Amsterdam had men aparte ijkers voor het Amsterdams ijzeren gewicht en voor het koperen en Brabants gewicht. In deze stad zijn vanaf 1605 van een achttiental ijkers de namen en vaak ook de door hun gebruikte jaarletters en persoonlijke merktekens bekend. Van de ijkers in andere steden en hun merken bestaat tot nu toe nog slechts een fragmentarische kennis.
In 1820 werden landelijke arrondissementsijkers benoemd, die allen dezelfde jaarletters moesten gebruiken. Men komt ze niet alleen tegen op gewichten maar ook op maatstokken voor handelaars in stoffen en op inhoudsmaten.Voor verzamelaars zijn deze merken welkome tekenen om de ouderdom van een gewicht of maatstok te vinden en enigszins een controle op vervalsingen (waarbij de ijkmerken vaak niet in de goede volgorde staan).
Vroeger kende men ook geijkte tonnen voor turf en fruit en manden voor aardappelen.

IJsdrager
Voor de meeste huishoudingen en zaken op het elektriciteitsnet waren aangesloten, had men ijsfabrieken, die ijs produceerden voor bedrijven en particulieren, die daar behoefte aan hadden. Dit werd met speciale koelwagens ter plekke bezorgd. De ijsdragers droegen het dan van de wagen naar de cliënt.

IJzerkramer, yserverkooper
IJzerkramer is degeen, die ijzer verkocht, kleinhandelaar in ijzerwaren.

IJzerkoper
Handelaar in ijzer. 

IJzersmid
De ijzersmid is degeen, die uit ijzer allerlei voorwerpen smeedt. De term ijzersmid wordt niet meer gebruikt. Geleidelijk is bij de uitoefening van dit vak specialisatie opgetreden, zoals anker-, grof-, hoef-, kachel-, kleine- en wapensmid, maar ook bijvoorbeeld slotenmakers. Tot het St Eloijen of Smidsgilde te Amsterdam behoorden naast de grof- en de kleinsmids ook de slotenmakers, messemakers, zwaardvegers (wapensmid, eigenlijk polijster van zwaarden) en roerenmakers (makers van roeren = oud geweer met lange loop).

IJzersnijder
Snijder van stempels.

Impostmeester
Belastingpachter en als zodanig geen gezien persoon:"Die Bloedt-suyghers, die men nu Impost-Meesters noemt" Men kende verschillende impostmeesters, zoals de impostmeesters van de wijnen.

Inkruier
Persoon, die in een steenfabriek de gedroogde producten met een kruiwagen in de steenoven brengt.

Inktmaker 
De inktmaker vervaardigde inkt. De gewone inkt van vroeger werd gemaakt uit galnoten, groene vitriool (verbinding van zwavelzuur en metalen als koper en ijzer) en Arabische gom. Daarnaast kende men ook gekleurde inkten als paarse, groene en rode.Inlands kramer/kraamster 
Dit is een persoon die officieel vergunning heeft om met handel langs de deuren te gaan of op de markt te staan. De producten, die ze verhandelden kunnen van velerlei soort zijn. Na de Franse tijd moesten zij Patentbelasting betalen en zich in een Patentregister laten registreren.Inslager
“Grossier” in koopwaren.Insluiter 
Grafisch beroep. De insluiter had als taak de in de zetterij opgemaakte pagina's in een bepaalde volgorde in een (druk)raam te plaatsen van de opgebonden zetsels (zie bij letterzetter). Werd een (deel van een) katern van een boek ingesloten, dan moest de ruimte tussen de pagina's met wit (loden vulstukken, lager dan de letterhoogte) opgevuld worden. Het geheel werd dan in het drukraam vastgezet (opgekooid)
Na het drukken moest de zetvorm worden schoongemaakt en de afgedrukte vormen weer worden uitgeslagen. Wanneer men (ongewijzigde) herdrukken verwachtte en het zetsel was nog niet te veel afgesleten, dan werd de vorm opgebonden en bewaard.

Instituteur, institeur, instititor
Houder van een instelling van onderwijs ter opleiding van jongelieden van een bepaalde stand of voor sommige betrekkingen of vakken op een school met daaraan verbonden een internaat.

Inzetter

  1. Plaatst de te bakken stenen, pannen of tegels volgens een bepaalde verdeling / stramien in de oven.
  2. Functie in aardewerkfabriek
  3. Functie in glas- en spiegelfabriek

Ivoorsnijder, ivoordraaier
Ivoor, onder meer afkomstig van de slagtanden van de olifant, narwal en de walrus is de grondstof voor de ivoorsnijder.
Mede door het verbod op het transport en gebruik van ivoor kwam er een eind aan het beroep van de ivoorsnijder, die aanvankelijk biljartballen uit ivoor draaide en allerlei siervoorwerpen uit ivoor vervaardigde als bijv. schaakstukken.

Jeneverbrander
Zie ook destilleerder
Ook coornbrander en later jeneverstoker genoemd.
In de loop van de zestiende eeuw werd in ons land uit verschillende graansoorten als gerst, tarwe, rogge en boekweit jenever gestookt, destijds ten onrechte coornwijn of brandewijn genoemd. In het begin van de zeventiende eeuw werd reeds gesproken van genever en geneverbesiën, jeneverbessen, al voegde men ook andere kruiden toe. In het midden van de negentiende eeuw waren er alleen al in Schiedam uiteindelijk zo'n 390 branderijen en mouterijen actief. Via de mouterij, waar het graan eerst tot kiemen wordt gebracht en na ongeveer vijf dagen op de zogenaamde eestvloeren gedroogd om het kiemen te stoppen, wordt de mout gemalen. Dit gemalen mout wordt tot gisting gebracht. Het uitgegiste mengsel, wort, wordt tot het kookpunt verwarmd. De ontstane damp condenseert in een koeler tot vloeistof. Dit wordt enkele malen herhaald om de gewenste alcoholconcentratie te bereiken. Later werd ook uit suikerbieten gestookte alcohol gebruikt, maar dan zijn we al lang in het industriële tijdperk terecht gekomen.

Jolleman (jolman)
Meestal een gewezen varensgezel die in havenplaatsen met het overzetten naar schepen en, waar de bruggen vrij ver van elkaar verwijderd waren, naar de overkant met zijn jol de kost verdiende. 

Jongen
Afkorting voor o.a. leerjongen, loopjongen en scheepsjongen, ook in dienst van de V.O.C. In vroegere Indië ook bediende.

Jongmatroos 
Aankomend schepeling, die zijn vak nog niet volledig beheerst. Ook in dienst van de V.O.C.Journa(i)lier

Kaaimeester (kaey-meester)
"Een opzigter op eene kaai, die voor het onderhoud derzelve, als ook voor de goede orde en voor de inning der kaaigelden te zorgen heeft".

Kaaiwachter
Bewaker van een kaai (kade).

Kaaiwerker
Iemand die op de kade werkt, de kost verdient met het laden en lossen van schepen.

Kaarde(n)maker (caerdemaker)
Kaarden werden oorspronkelijk zowel vervaardigd van metaal als van de Vollerskaarde of Weverskaarde, die gekweekt werden ter wille van de bollen of knoppen, destijds in ons land voornamelijk in (het zuiden van) Limburg en in de Meierij.
Voor het kaarden van de losse wol gebruikte men twee verschillende handkaarden: schrobbelkaarden en kniekaarden.
Beide kaarden bestonden uit twee delen en de kaardplank was bedekt met ijzeren haakjes of met kaarddistels. De vruchten van de kaarddistel, bezet met kromme haakjes, werden naast elkaar op een plank gezet. Na het spinnen, weven en vollen werden deze kaarden eveneens door de voller gebruikt voor de eerste kaardbewerking.

Kaarsengieter
Vervaardiger van kaarsen door ze te gieten, dat wil zeggen waskaarsen, die met behulp van een lepel werden gegoten, waarbij (gebleekte) bijenwas de grondstof was.
"Gegoten kaarsen .... verkrijgt men door het vet .... te gieten in vormen, die een weinig kegelvormig zijn". Naast waskaarsen werden ook de z.g. smeer-, ongel-, talk- of vetkaarsen vervaardigd.

Kaarsenkoopman

Kaarsenmaker
Anders dan de kaarsengieter vervaardigde de kaarsenmaker getrokken kaarsen. "De getrokken kaarsen .... worden vervaardigd door eenige dubbele pitten, over een stok .... te hangen en vervolgens eenige malen in het gesmolten vet te dompelen. Is eenmaal een begin gemaakt dan worden de pitten telkens weer in het vet gedompeld en daar weer uitgetrokken. Ze nemen dan aan hun oppervlak telkens een laagje vet mee dat in de lucht snel stolt. De bewerking werd zo lang herhaald tot de kaars door ringvorming dik genoeg was geworden. Vroeger wist men nog geen goede pit te maken. Men maakte deze van vlas. Deze vlaspitten noemde men ook kaarsgaren of lemmet. De verkoolde pit werd te lang en moest worden afgeknipt of 'gesnoten'. De Franse geleerden Gay Lussac en Chevreul, die stearine wisten te maken uit dierlijke vetten en die daarop in 1825 octrooi namen, ontwierpen een nieuwe weefmethode voor de pit, waardoor de snuiter overbodig werd. Elders werd de uitvinding van de gevlochten katoenen pit, geïmpregneerd in een oplossing van boorzuur of ammonium- fosfaat toegeschreven aan Cambacérès.
In ons land was het kaarsen maken vaak in handen van zeepzieders.
De meisjes en vrouwen die omstreeks 1900 op de Waskaarsenfabriek werkten, werden de Waspitten genoemd.

Kaartenmaker
Ontwerper, tekenaar van landkaarten en plattegronden. Nederland is voor de cartografie door de eeuwen heen grotendeels zelf verzorgend geweest.
In de vroege middeleeuwen zal men althans schetskaarten gehad willen hebben om zich een beeld te vormen van het gebied, dat men onder (financiële of fiscale) controle had. Grootgrondbezitters, waterschappen en heersers op allerlei niveau zullen behoefte aan overzichtskaarten hebben gehad, ook al zullen die door gebrekkige meettechnieken niet even accuraat zijn geweest. 
Vooral in de periode van ongeveer 1570 tot 1700 domineerde Nederland zelfs in de export van cartografische producten. Een en ander zal verband gehouden hebben met de ontwikkeling van handel en scheepvaart. Tot circa 1520 moest men in de Nederlanden volstaan met hoofdzakelijk buitenlandse kaarten. Maar via Zuid-Nederlandse ontwikkelingen ontstond er een eigen cartografische stijl, die zich door de ontwikkelingen in de tweede helft van de zestiende eeuw naar Holland verplaatste.
In de middeleeuwen beschikten de landmeters slechts over een beperkte wiskundige kennis. Het rekenen met Romeinse cijfers was geen eenvoudige zaak. Eerst in de loop van de vijftiende eeuw begon men met het gebruiken van de (Hindoe- Arabische) cijfers een nieuw tijdperk. In 1600 verscheen in Leiden bij Jan Bouwens de 'Pracktijck des Lantmetens', geschreven door Joh. Sems en Jan Pietrsz. Dou. In het begin van de zestiende eeuw was er eigenlijk nog geen onderscheid tussen landmeters en cartografen. In de zestiende en zeventiende eeuw zijn er honderden landmeters/ kaarttekenaars geweest van wie een enkele als Jacob van Deventer (circa 1505- 1575) van Europees formaat.

Kaartenschilder
Iemand, die speelkaarten met de hand beschilderde. Hierbij maakte men ook gebruik van sjablonen, waardoor men een aantal kaarten gemakkelijk van een kleur kon voorzien.

Kaartschrijver, caertschryver
Kaartschrijvers tekenden kaarten, waarbij het grootste deel van hun werkzaamheden zal hebben bestaan uit het overtekenen van reeds bestaande kaarten. Soms waren ze tevens afzetter, dat wil zeggen, dat ze de kaarten ook van kleuren voorzagen.

Kaartsnijder, c(h)aertsnijder
De getekende kaarten werden, voor zover men ze in druk wenste te laten verschijnen, door plaatsnijders, oftewel graveurs in koperen platen gegraveerd.

Kaatsballenmaker
Vervaardiger van de ballen die bij het kaatsen (nu nog sport in Friesland) werden gebruikt.
De ballen werden gemaakt van speciaal gelooide koeienhuid en gevuld met koeienhaar.

Kaffawerker
Zie caffawerker.

Kajuitwachter
Jongere matroos, werkzaam als oppasser ten behoeve van de kajuit. Ook in dienst van de V.O.C.

Kalkdrager (calckdragher)

  1. Opperman, persoon die de metselkalk naar de metselaar brengt.
  2. Persoon belast met het lossen van kalkschuiten.

Kalkknecht
Hulp van een metselaar.

Kalkmeter
Persoon in stedelijke overheidsdienst die de verschuldigde belasting op kalk vaststelde door meting met een ton.

Kalkweger
Persoon, verbonden aan de kalkwaag. 

Kamenier, kamervrouw
Vrouwelijke lijfbediende van een vrouw, die haar helpt zich aan- en uit te kleden en die behulpzaam is bij haar lichamelijke verzorging zoals het kappen.

Kamme(n)maker
Kammen werden voor verschillende doeleinden vervaardigd. Kammen werden al van oudsher gebruikt om haren te kammen (en te ontluizen), maar ook voor andere doeleinden. Zo vervaardigde men haar-, wol- en weverskammen. De kamzager (kamme(n)zager) zaagde de tanden van de kammen uit. Voor haarkammen gebeurde dit uit hout en been.

Kammer
Een kammer is iemand die wol kamt.Kammoeder
Gestichtsmoeder, die de verpleegde kinderen (als wezen en bestedelingen) hun haar kamt en hun hoofden reinigt.Kanne(n)gieter
Zie ook tinnegieter.
Iemand die kannen, dat wil zeggen tinnenschenk- en drinkkannen giet.

Kantkloster, kantwerkster
Vrouwelijk persoon, die zich met het kantwerk, het vervaardigen van kant of kantwerk bezig houdt. Het klossen (ook wel klotsen) van kant vond (vindt) plaats op een kantkussen. Om de kant te klossen wordt het patroon op een stuk perkament afgetekend, waarna dat op het kantkussen wordt vastgezet. Vervolgens worden spelden volgens het patroon in het kussen gestoken, waarna de kloster het op de klosjes met daarop gewonden garen dusdanig om en door elkaar werpt, dat de draden zich om de spelden slingeren. Het weefsel ontstaat door het draaien of vlechten van deze draden in een reeks bindingen of slagen.
Ook hier is specialisatie: de een vervaardigt bijvoorbeeld de grond, een ander bloemfiguren of althans een deel daarvan.
Kant begint omstreeks 1500 een rol te spelen bij de versiering van kleding en huisraad. Zowel in Engeland als in Frankrijk heeft men de strijd aangebonden tegen het overmatig gebruik van kant. In Nederland wordt voor het eerst gewag gemaakt van het vervaardigen in 1678 in welk jaar in een weeshuis te Amsterdam meisjes onderwezen worden in het maken van naaldkant. Na de herroeping van het Edict van Nantes kwamen vele protestantse vluchtelingen naar de Republiek, waaronder ook vele kantwerkers.

De Hollandse kant, stevig en degelijk, was zeer geliefd in de zeventiende eeuw. Vermoedelijk werd een groot deel daarvan in Vlaanderen vervaardigd. De republiek verbood in de loop van de achttiende eeuw de invoer van buitenlands kant, maar was zelf een voornaam exporteur.
In het begin van de negentiende eeuw kwam de klad in de Nederlandse kantklosserij doordat de mode veranderde. De genadeklap werd gegeven door de ontwikkeling van machines, die complete kantwerken konden vervaardigen. In deze eeuw heeft men af en toe getracht het kantwerken nieuw leven in te blazen, maar veel is daarvan niet terecht gekomen.

Kantonnier
Persoon in dienst van de overheid en belast met het onderhoud van een weg(gedeelte), wegwerker.

Kant re(e)der
Fabrikant van kant.

Kappe(n)maakster (kapmaakster)
Vrouwen, die kappen, vrouwenhulsels maakt of opmaakt.Kappeplooister
Een kappeplooister is een vrouw die kappen of kanten trekmutsen wast en opmaakt. Een trekmuts is in het algemeen een vrouwenbovenmuts die met banden toegetrokken wordt. De vorm en uitvoering verschillen naar tijd en streek. Ook bestonden ze als kinderdracht en werden ze als nachtmuts gebruikt. De trekmuts
kon gelden als kenmerk van een vrouw van eenvoudige stand. In Zeeland was de trekmuts een nauwsluitend kapje.Kappezetster
Vrouw, die bij andere vrouwen de kap zet.

Kareelbakker, kareelmaaker
Bakker van kareelen (ook careelen), d.w.z. vierkante vloertegels en ook wel vierkante bakstenen..

Kargeleider
Was de 'conducteur' van een bestelwagen.

Karreman, karman, karredrijver 
Meervoud o.a. karrelieden, karreluiden.

  • Iemand die met een kar rijdt, voerman, bestuurder van een kar, iemand die iets met een kar vervoert.
  • Vervoerde klei van de walkplaats op zijn kar naar de vormplaats.

Karrenoptrekker
Iemand, die voor enkele centen meehielp karren tegen steile bruggen op te trekken met behulp van een touw met haak. In Amsterdam werden ze ook wel kargadoor genoemd, maar dat is een heel ander vak dan cargadoor. 

Karveelschipper
Schipper op een karveel, een licht snelvarend zeilschip, zowel voor oorlogsdoeleinden als voor de koopvaardij gebruikt. Karvelen (ook onder meer kravelen, karaveelen en kerveelen genoemd) hadden een gladde huid, dus niet overnaads. Een karveel werd in de zestiende en zeventiende eeuw door de Spanjaarden toegevoegd aan een of meer grotere oorlogsschepen als jager. Vermoedelijk zijn ze in ons land het eerst in Friesland als koopvaardijschepen in gebruik geweest.

Kashouder

  1. Een kashouder is een (zilver) kashoudende = winkelhoudende zilversmid. "Dat ook niemand van buyten deeze Stadt (= Haarlem) .... zich zal mogen onderwinden in deeze Stadt.... te veylen, venten enz aan Kashouders of Zilversmits-Winkels eenigerhande nieuw gemaakte Goud- of Zilverwerken." (Keuren van Haerlem 2, 296 a, 1751).
  2. Kashouder is degeen, die in een winkel, kantoor of elders de kas houdt, beheert.

Kassemaker
Ook kaste(n)ma(a)ker, kiste(n)maker.
Oorspronkelijk gebruikte men geen kasten, maar kisten tot berging en bewaring van zijn goederen. 
Men gebruikte kisten om op te zitten, die zich tot stoelen evolueerden, de kisten (o.a. kleerkisten) werden ook tot kasten. Het beroep werd van kistenmaker tot kastenmaker / schrijnwerker.

Kass(e)ijer / kass(e)ijersbaas / kassijmeester
Kassij, ook kassei is een natuursteen, geklopt tot straatkei.
Kassijers, ook wel kassij(en)leggers of kassijmakers, zijn straatmakers.
De kassijersbaas of kassij(en)leggersbaas heeft het toezicht over een ploeg kassijers.
De kassijmeester is een opzichter, een inspecteur van de straatwegen.

Kastelein
Oorspronkelijk een ambtenaar aan wie de bewaring van een kasteel en eventueel het beheer van het bijbehorende rechtsgebied was opgedragen.
Het was ook de titel voor een bewaarder van een burgerlijk dienstgebouw.
Tevens werd het de titel voor de waarden van de vroegere stadslogementen (stadspachters).
Later werd het de algemene benaming voor waard. En zo tevens voor herbergier, tapper en kroeghouder.
De kasteleines of kasteleinse is dan de vrouw van de herbergier of een vrouwelijke herbergier.

Katoendrukker
Katoenbedrukken gebeurde oorspronkelijk met de hand, door middel van drukblokken van o.a. peren- en lindenhout, waarin het patroon was uitgesneden. De druktafels werden met enkele lagen stof bedekt als ondergrond voor het drukken. Op elke tafel werd maar één kleur gedrukt. De plaats waar de volgende kleur moest komen werd aangegeven met behulp van paspennen. Het blok werd bevochtigd met 'beits', op het katoenen weefsel gezet en met een hamer aangeslagen. Hierna werd het doek naar de volgende drukker doorgeschoven door een aan de drukker toegevoegde hulpkracht.
katoenspinnerij
Oorspronkelijk werd ook katoen met de hand gesponnen. In 1779 ontwikkelde Samuel Crompton uit door anderen ontwikkelde primitievere machines een katoenfijnspinmachine,  die fijne katoenen garens kon spinnen.
katoenweverij
Het weven van katoen.

Keet-
Men had keten als tijdelijke woonplaats voor arbeiders die werden ingehuurd voor bijv. grondwerk, aanleg van kanalen en onderhoud van dijken, o.a. in Noord-Holland en tijdens de Zuiderzeewerken, waarbij een keetvrouw de huishouding deed en o.a. zorgdroeg voor de warme hap en zo nodig kapotte kleding herstelde.
Verder waren er de zoutketen, waar aangevoerd zeewater werd verdampt en zo zout werd gewonnen en geraffineerd. Vooral in Noord-Holland waren veel zoutketen gevestigd. In deze keten kende men meerdere functies.

Keetbaas
Eigenaar van en/of bedrijfsleider/werkbaas van een zoutkeet.
Keethouder
Exploitant van een zoutkeet.
Keetmeester
Opzichter in een zoutkeet
Keetmeid
Vrouw/meisje werkend in een zoutkeet.
Keetrijder
Koetsier, die voor de aan- en afvoer naar en van een zoutkeet zorgdraagt.
Arbeider, werkzaam bij de “pannen” waarin het zoute water werd verdampt om het ruwe zout te winnen en te raffineren.

Keisnijder, steensnijder
In de Middeleeuwen geloofde men dat geestelijke stoornissen zoals waanzin veroorzaakt werden doordat een insect (kever, spin spin of vlieg) terwijl men sliep door de neusgaten de hersens binnendrong en daar de basis werd voor een steenvorming, die de geestelijke stoornis tot gevolg had. Dit naar analogie met het gebeurde bij paarden, die door een horzelsteek in het oor dol werden.
Kwakzalvers maakten daarvan gebruik dat men kon genezen door de kei uit het hoofd te verwijderen. Zij maakten een sneetje in het hoofd en haalde daar zogenaamd een kei uit..

Ketelaar
Ketelaar is iemand, wiens handwerk het was het maken of repareren van ketels.

Ketelboeter
Ook ketellapper.
Was een rondtrekkend handwerksman, die ketels en koperwerk repareerde.
Ketelaar, ketelboeter of ketellapper stonden kennelijk vroeger niet zo goed aangeschreven:

Keurnoot
Bijzitter (twee plaatselijke eigenerfden) bij rechtshandelingen met betrekking tot kleinere vorderingen of overtredingen (Drenthe). De schulte hield daartoe een “rocht”, waarbij gezocht werd naar bewijslast en waarbij getuigen werden gehoord. Tijdens een “ding” of “goorsprake”werd dan uitspraak gedaan. Bij geschillen over onroerend goed werden aan de rechtzitting nog drie “zekere”buren toegevoegd.
De keurnoten moesten ook naast de schulte akten van eigendomsoverdracht, oorkonden en schuldbekentenissen mede ondertekenen.

Keurslijfmaker
Zie ook korsettenmaker.
Een keurslijf was oorspronkelijk de benaming van een nauw aangesloten lijf of lijfje, gedragen als bovenkledingstuk. Later werd dit tot korset, ook rijg- of keurslijf genoemd. 

Keurster, keurmeesteres

  1. Op markten van o.a. vis.
  2. Bij textielverwerking zoals in een stoffenververij of in een was- en strijkinrichting.

Keuter
Bezat of pachtte een keuterij, een klein boeren bedrijf, dat eigenlijk niet genoeg opbracht om met een gezin van te leven, zodat de kostwinner nevenverdiensten moest realiseren, bijvoorbeeld als koemelker of door te handelen.

Kiemzetter
Zie ook meekrapteelt.
Het telen van meekrap kon zowel door zaaien als door planten gebeuren. In ons land was het laatste het meest gebruikelijk. In april of mei werden stukken van de wortels van bestaande meekrapplanten afgescheurd en na onderdompeling in een modderbad werden deze zg. kiemen uitgezet in bedden van 2 à 3 voet breed met vrij diepe voren er tussen. De kiemzetters, die dit werk verrichtten waren speciale vaklieden, die gewapend met hun smalle troffelvormige kleine zetspa deze kiemen een behoorlijke zorg geven.
Meekrap werd op grote schaal in ons land vooral rond Reimerswaal en Zierikzee, later ook op Tholen, in de Westhoek van Noord-Brabant en op de Zuidhollandse eilanden verbouwd.

Kiepenkerel

  1. Een kiep of kiepe was een gevlochten draagkorf, die venters op hun rug meedroegen met houten voorwerpen en aardewerk.
    Een kiepenkerel zou identiek aan kiepkeerl kunnen zijn en zou dan derhalve een marskramer zijn, die met houtwaren of aardewerk (pottegoed) langs de boerderijen en huizen trok om zijn waar aan de man te brengen.
  2. Kiep was ook dialect voor kip. Waarschijnlijker heeft men vooral deze handelaar in kippen plaatselijk of regionaal kiepenkerel genoemd.

Kinderma(e)(c)ker
Als beroepsduiding  werd in eerste instantie gegeven, met verwijzing naar het Middeleeuws Handwoordenboek, kinderman = kraamheer, vroedmeester. Een verklaring die meer acceptabel is een kindermaker een 'maker' van kindekijns. 'Kindekijn' is het Middelnederlandse woord voor een vaatje of tonnetje, ook wel 'kinnetje' genoemd. Deze werden gebruikt voor het bewaren van o.a. boter en haring. Met andere woorden het is een maker van houten tonnetjes.

Kistenmaker
Zie kassemaker en schrijnwerker.

Klandermolenaar
Ook kalandermolenaar.
Een kalanderij of een k(a)landermolen was een bedrijf, waar men met behulp van kalanders geweven stoffen, papier en leer glad maakte en glansde. De kalander was een machine die bestond uit twee of meer boven elkaar liggende cilinders, welke door kniehefbomen en gewichten tegen elkaar elkaar geklemd konden worden. Hoe zwaarder de druk, hoe gladder de stof werd.

Kleederlapper
De kleederlapper was degeen, die versleten kleren herstelde, o.a. door het in- of opzetten van lappen.

Kleedermaakster
Dit is de beroepsnaam voor een vrouw, die dameskleren vervaardigde.

Kleedermaker (kleermaker)
Ook snijder.
De kleedermaker vervaardigt bovenkleren voor de man en ook wel voor de vrouw; vroeger als meester, baas, ambachts- of gildenknecht. Een variatie is de Kleedermaker en -snijder: de vakman, die zowel het snijden als het naaien beheerste.
In een keur uit 1566 van Reimerswaal wordt bepaald „Dat sy (de melaatsen of leprozen) oick geensins haer ambacht van cleermaecker, lapper ofte anders, daer die ghemeynte mede soude mogen besmet werden, hantieren".
Die meester wil worden, moet snijden als proefstukken voor de gezworenen:

  1. Een Manstabbert.
  2. Een Vrouwetabbert.
  3. Een Vrouw-lange Huyck of Santé.

„Die dat alles doen kan en dat werk tot verbair ende proffyt dergeener gemaakt en gesneden heeft, die dat hebben doen snijden en maken, zoo mag die in mate voorsz.
Dan Mr. In de Ampte voorsz. Werden"; maar „die dat voorsz. Werk in mate voorsz. bij den voorsz. Gezworen niet te regt gesneeden of gemaakt, soo sal die aan elk stuk werk één pont was gebreukt (als boete) hebben, en nog een vierendeel jaers daernae syn Ambt waal leeren en laten hem dan weer voor den geswooren proeven als voorsz. is."

Kleerble(e)ker
Met als variatie bleekersbaas, bleekersknecht of -meid.

Men onderscheidde verschillende blekerijen, o.a. linnen-, garen- en kleerblekers.
De handeling van het bleken werd bedrijfsmatig uitgevoerd. De kleerbleker (kleederbleeker) was eigenaarof ondernemer van een kleederbleek, d.w.z. een bedrijf waar men (gewassen) lijfgoederen bleekte.
Hieruit kan men afleiden, dat het geen grote bedrijven zijn geweest.

Kleiarbeider
Functie in een tabakspijpenfabriek.

Kleidelver, kleigraver

  • Arbeider die klei graaft in een kleigroeve ten behoeve van aardewerk- en tichelfabrieken of steenbakkerijen.
  • Vulde met een schop de kruiwagens of kipkarren die de klei in een schip stortte dat naar de steenbakkerij voer.

Kleikruier
Vervoert klei met een kruiwagen, o.a. bij kleigroeven en in een steenfabriek.

Kleinwerker
Zilversmid, die (zilveren) voorwerpen vervaardigt, die op het lichaam gedragen worden.

Kleinwinkelier

  1. Degene, die een kleine winkelnering doet.

  2. Degene, die onder de O.I. Compagnie ter plaatse in het werkgebied van de V.O.C. een kleine winkel houdt, bijv. de klein winkelier te Colombo.

Kleischipper (of praamschipper)
Vervoert klei per schip.

Klepperman
Nachtwaker, die met een klepper of klep, eventueel een ratel, zijn rondes loopt.

Klerk
Oorspronkelijk een geestelijke, vooral degene die alleen de lagere geestelijke wijdingen heeft ontvangen („men geeft hen crune, so sijn si clerken": alleen de kruinschering).
Zij, die, zonder priester te worden, soms zelfs gehuwd zijnde, verschillende betrekkingen, vooral lagere in de geestelijke hiërarchie, bekleedden. Mogelijk door de ontwikkeling van de boekdrukkunst, waardoor het afschrijven van boeken verviel gingen ze van schrijven, lezen en de kennis van het Latijn hun beroep maken. Door hun ervaring waren ze geschikt om allerlei formulieren te ontwerpen, bijvoorbeeld bladen van boekhoudboeken en voorraadstaten. De andere klerken konden dan de kolommen invullen.
Cornelis Jansz. was in 1560 clercschrijver van het Hieronymushuis te Utrecht. Zo kwam men ze tegen in diverse variaties.
Destijds was het onder meer de titel van voorname ambtsbekleders, onder meer geheimschrijvers, secretarissen van een bestuursambtenaar, van een college of van (de regering van) een stad, klerk van de financiën, klerk van de weezen enz.
Nog later waren het vooral schrijvers d.w.z. lagere ambtenaren of ondergeschikte beambten bij de gerechten of andere overheidsdiensten: klerken en schrijvers op jaarloon. Na de val van Antwerpen zagen de Hollandse kooplieden hun kansen. De koophuizen bloeiden en groeiden.
Een bijkomstigheid was dat relatief velen in de Republiek konden schrijven. Alles moest geadministreerd worden en daar waren veel mensen voor nodig. Het werken op zo'n zeventiende eeuws kantoor was in het algemeen geen pretje. In het algemeen waren de heren er op uit zich zelf zo veel mogelijk te bevoordelen. Ieder die maar een mogelijkheid zag zich te bevoordelen, greep die kans. De klerken moesten ook dat „gerommel" verwerken. De werktijden waren lang. Men werkte van vroeg tot laat voor een slecht loon. Dikwijls hadden de vrouwen er een baantje bij als bijvoorbeeld dienstmaagd of wasvrouw, soms was zij kleine zelfstandige met een nerinkje. Collegialiteit bestond er niet, de strijd  om hoger op te komen was hard.

Klinker
Arbeider in de metaalindustrie of op scheepswerven, die met behulp van klinknagels of klinkbouten metalen voorgeboorde platen aan elkaar bevestigt/bevestigde.Klinkerbaas 
Persoon die in de metaalindustrie of op scheepswerven belast was met het toezicht op de klinkers.

Klisteerster

Vrouwen gespecialiseerd in het geven van klisma’s.
Dit was een paramedisch beroep, dat niet onder gildebepalingen viel. Men maakte o.a. gebruik van klisteersters bij bevallingen.

Klokkengieter
Lange tijd zijn er klokken gegoten, soms duizenden, soms enkele kilo's zwaar.
Een monnik, Theophilus, die waarschijnlijk in de tiende eeuw leefde, beschreef in Schedula diversarium artium het procédé van het gieten van klokken nauwkeurig. In de dertiende eeuw kregen ze voor het eerst de huidige vorm. Pas in de zeventiende eeuw was men de stemkunst voldoende meester om goede beiaardklokken te maken. In de Republiek wisten de gebroeders Hemony in samenwerking met de Utrechtse beiaardier jonkheer Jacob van Eyck kort na 1640 voor het eerst toonzuivere klokken te maken.
Ze ontdekten, dat het model zo precies moest zijn, dat dat met vormen en gieten niet viel te bereiken. Zij goten de klokken enkele millimeters dikker dan noodzakelijk om daarna het teveel op een draaibank weg te nemen. Ze hielden hun kennis, waar en hoeveel er weggenomen moest worden om tot een zuivere toon te komen echter geheim. Er was maar één leerling van hen, die deze kunst ook volledig beheerste, de Amsterdammer Claes Noorden. Ook diens latere compagnon, Jan Albert de Grave, leerde het stemmen, althans tot op zekere hoogte. Met zijn dood in 1733/34 ging de kunst van het stemmen van klokken in de Noordelijke Nederlanden verloren. Francois vertrok in 1657 naar Amsterdam waar hem een gieterij met woning gratis ter beschikking werd gesteld. (Stedelijke stad- en geschutsgieterij op de Keizersgracht bij de Leidsegracht.

De Hemony's waren naast klokkengieters ook geschutsgieters. Zowel de kanonnen en klokken waren van brons. Na het gieten was een uitgebreide nabewerking noodzakelijk. In een tweede Amsterdams complex beschikte men zowel over een boorbank voor de kanonnen als een voor de klokken (met een diameter van 7,36 meter). Als aandrijfkracht voor de draaibanken diende een rosmolen, aangedreven door meerdere paarden. Broer Pieter vertrok in eerste instantie naar het zuiden (o.a. Gent), maar ging in 1664 ook naar Amsterdam. In de Zuidelijke Nederlanden stierf de laatste klokkengieter, die het stemmen beheerste in 1790. Eerst in de twintigste eeuw werd het een herontdekking in de Nederlandse en Belgische gieterijen. Uit verschillende plaatsen zijn klokkengieters bekend onder meer te Deventer, Enkhuizen, Groningen, Haarlem, Heiligerlee, Hoorn, Kampen, Leeuwarden, Middelburg en Utrecht 1).
Naast de patroons waren er verschillende hulpkrachten nodig zoals vormmakers, gieters en draaiers.

Klokkenmaker

Vervaardiger, restaurateur en reparateur van klokken. Bekend zijn o.a. de Friese klokken. Alleen al in Joure waren er zo’n 20.

Klokopwinder
De klokopwinder moest de kerkklok aan de loop houden. Dit wat een nevenfunctie van o.a. de onderwijzer of dorpsomroeper.

Kloksteller
Ook ouder: clockenstelre.
Persoon, die de klokken, de uurwerken van een stad regelt.

Klompenmaker (klumper)
Tegenwoordig kan men het met de hand vervaardigen van de klompen nog wel op folkloristische markten enz. bij de oude ambachten zien. De resterende klompenmakerijen zijn machinale houtbewerkingsfabriekjes geworden. De klompenmakerij is een vak met een lange geschiedenis. Na 1100 ontwikkelden zich uit de losse zool de trippen en de platijnen (zie platijnmakers).
Omstreeks diezelfde tijd werd bij de beschrijving van het gewone volk en de bewoners van het platteland reeds gewag gemaakt van een hoosbloc, hollebloc of hoelbloeck.

In een Leidse keur uit 1429 wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tussen de platijnmakers en de hoelbloecmakers.
Vanaf de zestiende eeuw komen we in plaats van deze hoelbloecmakers steeds vaker het woord klompenmakers tegen. In de steden organiseren ze zich in gilden (al dan niet met andere ambachtslieden). In Haarlem gaat men in 1693 over tot het instellen van een bekwaamheidsproef ter verkrijging van de titel Meester Klompenmaecker.
Ook kwamen er bepalingen om de klompen van buiten de stad te weren. Hieruit blijkt dat ook op het platteland klompen werden vervaardigd. Misschien eerst binnen de sfeer van alles binnen het eigen bedrijf houden, vooral als doe-het-zelfproduct van de boeren, kwamen er allengs gespecialiseerde bedrijfjes voor de productie.
Bij de meeste klompenmakers bleef tot in de twintigste eeuw de relatie met het platteland bestaan. In de Franse tijd zat ons land economisch aan de grond. In het begin van de negentiende eeuw had ons land bij wijze van spreken de kenmerken van een ontwikkelingsland. Het dragen van de goedkope klompen nam daardoor een grote vlucht. Het platteland bestond in belangrijke mate uit kleine boeren, die vooral in de winter werkkrachten over hadden, een ideaal terrein voor het ontwikkelen van huisindustrie, waaronder het maken van klompen. Omdat ook de gilden opgeheven waren, konden ze ook in de stad worden verkocht. Voordelen voor de klompenmakerij waren dat ze hun bedrijfje in de eigen woning konden onderbrengen, dat zij door het afval goed in de brandstof zaten en hun vak konden uitoefenen op tijdstippen wanneer ze geen ander werk konden doen, zoals in de winter.

Dat de klompenmakerij geen vetpot was blijkt hieruit dat in de negentiende eeuw de meerderheid van de personen, die in de klompenmakerij werkzaam waren op de een of andere manier nevenverdiensten hadden. In de meeste plaatsen was de productie gericht op de lokale markt. Geleidelijk is omstreeks het midden van de vorige eeuw een verzelfstandiging opgetreden waarbij ook de gereedschappen verbeterden.
De grondstoffen waren doorgaans in de directe omgeving aanwezig. Naast hout van wilgen werd hout van populieren gebruikt, oorspronkelijk de inlandse soort, de zwarte populier, later (ook) de Canadese of Virginische populier en ook wel essenhout. Klompen van wilgen- of essenhout waren duurder.

De kleinere bedrijven leverden toen vooral aan de lokale markt, de grotere aan winkeliers in de stad, aan groothandelaars of aan opkopers.
Bestellingen werden bijvoorbeeld gesorteerd uitgeleverd per 100 paar, waarbij een tussenmaat voor tweederde werd geteld en kinderklompen voor de helft.
Gewoonte was dat bij de levering van een grote partij 104 paar werd geleverd voor de prijs van 100.. Rond 1875 telde men in ons land ruim 4.000 klompenmakerijen, die werk verschaften aan een 10.000 mannen.
De klompenmaker van vroeger haalde een productie van 5 à 6 paar per dag bij een 10-urige werkdag. Die klompen kostten zo ongeveer ƒ 0,35 per paar. 
Veel uitrusting is er niet nodig voor het vervaardigen van klompen. Met behulp van een trekzaag wordt een boom in mootjes (bollen) gezaagd. Dan wordt op het zaagvlak met duim en wijsvinger een gunstige verdeling afgemeten en met een kloofbeitel ingekrast. Ze worden met behulp van de kloofbeitel, wiggen en een (houten) hamer, de kloofhamer gekloofd.
Als eerste worden deze stukken tot paren gevoegd. Daarna begint het verbijlen, dat wil zeggen dat ze met kapbijl en dissel een wat regelmatiger vorm krijgen. Die kapbijl had een scheef en breed blad, zodat de vingers bij het kloven niet zo gemakkelijk werden beschadigd. Als werkbank wordt een kapblok gebruikt, een op drie poten staand onderstuk (kont) van een boom.
Daarna worden de beide stukken verder bewerkt op een snijblok, ook wel snijpaard genoemd. Met behulp van een blokmes (paalmes), dat aan de linkerkant met een zware kram is vastgezet aan het blok, eigenlijk de werkbank van de klompenmaker, worden de grondvormen vervaardigd (steeds per paar klompen). De klompen worden vervolgens in de heulbank geklemd.
Eerst wordt de bek uitgedopt met behulp van een dopbeitel en een dophamer totdat een ruwe holte ontstaat van hak tot kap en met een vóórboor boort men de ruwe gaten tot de teen, waarna met een najager de ruimte verder wordt uitgeboord..
Hierna vindt het opsnijden plaats. Dit gaaf maken van de binnenkant gebeurt verder met een bodemmes, de hakhaak en een varshaak. Voor de verdere afwerking maakt de klompenmaker gebruik van een hielmes voor de ruimte van de hak. Als laatste bewerking volgt het fijnsnijden.
Met het blokmes en uitkanters wordt de buitenkant van de klomp verder afgewerkt. Met behulp van ritsmessen werden er dan soms nog versieringen ingesneden.

Klompwacht (Clompwacht)
Klompwacht was de benaming, oorspronkelijk in de volksmond, later ook in officiële stukken van degene die te Amsterdam, de schepen, die in het IJ buiten de palen vastgevroren waren, 's nachts moesten bewaken. Men noemde hen zo omdat ze klompen (met stro) droegen tegen de kou. De stad hief ter bestrijding van de kosten een recht naar de grootte van de schepen.

Knokenhouwer
Een knokenhouwer is een beenhouwer of beenhakker, d.w.z. vleeshouwer, slager.

Knoopmaker, knoopdraaier (Knoopenmaker, knopenmaaker)
Het gebruik van knopen ontstond in de dertiende eeuw. Oorspronkelijk had de knoop een meer decoratieve funktie. Eerst in de 17de eeuw werden de knopen meer functioneel. Als grondstof werden allerlei materialen gebruikt: o.a. hout, been, hoorn, ivoor, verschillende metalen en halfedelsteen. Voor ieder materiaal was er een eigen bewerkingsmethode.

Veel knopen werden uit been gemaakt of uit ebben-, kornoelje- of palmhout. Dit materiaal werd in stripjes op de juiste dikte gezaagd, waaruit men de knopen stak op een trap-draaibank. De draaier had in zijn hand zo'n strip. Nadat hij met de voet de spil met het gereedschap in draaiing had gebracht, schoof hij met de linkerhand de spil naar rechts, zodat de beitel al draaiende in de strip werd gestoken. Wanneer één zijde van het stripje bewerkt was, keerde hij het om en profileerde de tweede kant van elke knoop.
De middelste punt van de beitel kwam al bij de eerste bewerking door de strip heen en het zo gevormde gat diende om de tweede bewerking op de goede plaats te laten plaatsvinden. Werd de knoop met stof bekleed, dan bleef het bij dit ene gat. Vastnaaien gebeurde dan in de stof.
Bleef de knoop kaal, dan boorde men er op een 2- of 4-spillige trap-boormachine in een keer de gaten er in om hem vast te kunnen naaien. In het midden van de negentiende eeuw maakte een kind van 10 jaar 20 tot 25 van deze knopen per minuut.

Voor hoorn werd een andere methode gevolgd. Eerst werd de hoorn in kokend water zacht gemaakt, waarna men er stripjes van knipte, vervolgens vier- en daarna achtkantjes. Zo ontstonden de blanks. Deze werden in een oven verwarmd en daarna per 6 à 10 in een soort 'wafelijzer' gelegd, dat enkele minuten onder een schroefpers geklemd werd tot de hoorn afgekoeld was. Van de knopen, die hol/bol van vorm waren, werden de randen dan afgebraamd en gladgevijld waarna ook hier de gaten werden geboord.

Tinnen knopen goot men in een meervoudige matrijs van gietijzer. Voor knopen met een reliëf werd deze matrijs gegraveerd. De matrijshelft van de achterkant was meestal voorzien van gaatjes waar voor het gieten de vertinde oogjes stuk voor stuk in werden geplaatst. Ze staken in de matrijsholte uit en hechtten in het stollende tin.

Voor knopen uit plaatmetaal ging men uit van messing, tombak of koperstrip. Tombak is een goudkleurige legering van koper en zink en is zeer geschikt voor voorwerpen, die later verguld moe(s)ten worden. Dit plaatmetaal werd op de juist dikte gehamerd of gewalst. Met een schroefpers werden hier de cirkelvormige blanks uitgeperst. Dit was vooral vrouwenwerk. Productie: 30 per minuut. De scherpe ponsranden werden veelal door jongetjes afgebraamd. Een andere arbeider maakte uitsluitend oogjes, die door de vrouwen op de blanks werden geplaatst, die dan in een oven werden gesoldeerd. Eventueel werden de platte knopen nog onder een valhamer hol/bol geslagen tussen twee stempels.
Knopen uit plaatmetaal werden soms vertind maar dikwijls verzilverd of verguld. Het vergulden gebeurde met amalgaan, een verbinding van goud en kwik, dat uit bladgoud werd bereid. Wanneer het amalgaan op de knopen moest worden aangebracht moest het kwik worden afgedampt. Dit gebeurde oorspronkelijk in een open vuur, wat erg schadelijk voor de gezondheid was van de vrouwen die dit werk deden.
In de periode 1850-1880 ging men over tot het gebruik van speciale ovens met afzuiging van de kwikdamp, die dan gecondenseerd en hergebruikt kon worden.

Omstreeks 1840 begon in Engeland de productie van porseleinen knopen. De Fransman Bapterosse verbeterde het procédé aanzienlijk en was binnen enkele jaren monopolist in Europa.

Kochel(in)/kochelwaard(in)
Een kochel of kochelhuis was eigenlijk een bordeel. De kochel of kochelwaard werd ook hoerenwaard genoemd. Dit vak werd ook wel omschreven als 'vleesschelyke zielverkoper'.  Soms was het ook de uitsmijter van een bordeel.
De kochelin of kochelwaardin fungeerde eventueel ook als koppelaarster.

Koddebeier/koddebeer
Oorspronkelijk jachtopziener, bos- of veldachter, maar later doorgaans met een minachtende gevoelswaarde gebruikt.
Kodde (codde) = een knuppel of knots, beieren = zwaaien.

Koddesleeper
Dit is eigenlijk geen beroep. Het was op de oostelijke grenzen van Drenthe de (uit) nodiger of stafdrager voor een bruiloft. Hij kreeg van de bruid een staf of stok met drie linten. De meisjes, die de uitnodiging aannamen, waren dan verplicht de stok door het aanhechten van meer linten verder te versieren.

Koe-
De koe speelde en speelt een belangrijke rol in onze economie. Wel is uiteraard de bedrijfsvoering van de boeren, die koeien hebben, aanzienlijk veranderd, waardoor een aantal (deel-)beroepen zijn verdwenen.
Koeboer/koehouder
Het woord koeboer heeft verschillende betekenissen:
Boer die in de veeteelt en de melkhandel zijn bestaan vindt en die in sommige streken zelf zijn melk in de steden verkocht.
Ook kleine boer, die geen paard(en) had, maar zijn land bewerkte met koeien.
De term werd eveneens gebruikt om een bedrijfsgrootte aan te duiden.
Het bedrijf van een koeboer telde 2 tot 3 ha., van een ossenboer 4 tot 5 ha en van een paardenboer 6 tot 25 ha.
Aan boord van schepen werd vroeger wel levende have meegenomen, w.o. een koe.
De matroos, die belast was met de verzorging van de koe werd ook wel schertsend koeboer genoemd.
Koedocter/koedokter
De koedocter behandelde zieke koeien en verleende assistentie bij het ter wereld brengen van de kalveren al was dit laatste meer de taak van de koehelper.
Koehelper
Zie koedocter
Koeherder/koejongen
Ook koewacht.
Zij waren belast het bewaken en het drijven van koeien langs de wegen en op de koeweide of koekamp, vaak een gemeenschappelijke- of een gemeenteweide.
Koemeester
Andere term voor koedokter.
Koemeid
Meid, die de koeien verzorgt.
Koemelk(st)er
Knecht of meid, die de koeien molk.
In het Noorden (Groningen en Friesland) ook kleine boer, die zijn melk en boter verkocht, of gedeeltelijk in loondienst werkzaam was bij grotere boeren.
Koeter
Koejongen, knechtje, dat op de koeien past en andere kleine werkzaamheden verricht (Zuid-Nederland en Vlaanderen).
Koewachter/Koei(en)wachter/Koewachtster
Zie koeherder/koejongen.

Koek(e)bakker/-backer
Bakker en verkoper van koek.
Men kende een grote variatie aan koek- en koekjessoorten, waarvan sommige sterk streek gebonden. Sommige met voor ons vreemde benamingen als bagijnekoek, heerenkoek, kuise-zusterkoek, kul koek, lariekoek, salmiakkoek, secretariskoek en zusterkoek(je).
Een koudekoekbakker is een winkelier, die koek verkoopt, maar niet zelf bakt.

Koekprentsnijder
Snijder van koekprenten. Eigenlijk is het geen snijden, want er wordt gewerkt met beitels en gutsen. Een koekprent is een in hout 'gesneden' figuur als vorm voor te vervaardigen koeken. Verschillende van de figuren zijn aan de bijbel ontleend.

Koekslijters
Venters in koek.

Koeliemeester
Een beroep uit de Indische tijd.
De koeliemeester was de baas van een aantal koelies (contractarbeiders).

In de handpapiermakerij degeen, die de door de schepper vers geschepte vellen van de vorm op de natte vilten, die op het koetshout lagen, afdrukte.
De vilten werden gereinigd in een vildestoterskuip.
Voor bepaalde papier/kartonsoorten we(o)rden meerdere lagen papier op elkaar gekoetst.
De kleine koetser is een jongen, die de koetser helpt (Voornamelijk het uitspreiden van een vilt over het gekoetste blad.

Koetsvoerder
Verouderde term voor koetsier.Koffermaker/koffer-maecker
Vervaardiger van koffers.
Eertijds van een andere constructie dan de koffers van nu.
Een koffer was dan ook oorspronkelijk een meubel, dat bestond uit een houten kist, die vervolgens doorgaans op allerlei manieren versterkt werd en doorgaans voorzien van meestal gewelfd, op scharnierend draaiend deksel en een slot. Soms waren ze bekleed met (schapen)leer.

Kofkapitein
Kapitein op een kofschip, zeilschip voor binnen- en kustvaart, sterk gelijkend op een smak.
Ze werden vooral in Groningen gebouwd.

Koffie-
Eind vijftiende eeuw kwamen de koffiehuizen in het Midden-Oosten in zwang. Via de handel werden zij ook naar Europa verbreid.
In Venetië was de eerste vestiging rond 1615, in Den Haag ongeveer 1650. Zij waren oorspronkelijk alleen toegankelijk voor mannen en vormden allengs centra voor handels- en politieke activiteiten, terwijl men ook met kaartspel en dobbelen bezig hield. In het Utrechts Placaatboek 3, 482 b (1712) "Word by dese ... verboden aan N.R., G., en alle andere coffy-luyden ... grof spel ten haaren huyse te laten speelen."
In de achttiende eeuw werden veel kleine koffiehuizen vervangen door grotere op een betere stand. Enkele werden dienstbaar gemaakt aan een of andere tak van nijverheid of handel. Mensen die tot hetzelfde gilde behoorden plachten hun zaken in hun stam- of gildekoffiehuis af te doen. In Amsterdam was een beroemd en berucht koffiehuis Quincampoix, waar op grote schaal in acties werd gehandeld tot deze hele windhandel in elkaar stortte.
Men beperkte zich kennelijk niet alleen tot koffie 'zonder en met soet' en chocolade, gezien een advertentie uit de "Opregte" van 3 april 1688 1):
"Tot Amsterdam, by Pieter de Graef in de Kalverstraet, in 't Royal Coffy-huis, is te bekomen de Kracht en 't Gebruyck van de Pil Scorbutica, eerst uytgevonden door Dr. Willis van Londen: Als mede de Kracht en 't Gebruyck van d'oprechte Engelsse Spiritus of Geesten van Lepelbladeren op een extraordinaire wyse bereyt by Nathaniel Powel."
Koffiehuisjongen
Bediende in een koffiehuis
Koffieman
Vroeger houder van een koffiehuis. Later werd dit beroep naar beneden gewaardeerd en werd de koffieman de exploitant van een koffiestalletje of koffiekelder (schaftlokaal voor arbeiders).
Koffiemeester
Houder van een koffiehuis.  
Koffieopzichter, opziener
Beroep, uitgeoefend in het voormalige Ned. Indië: Opzichter over de koffiecultuur. 
Koffiepikster
Het verlezen (sorteren) van koffiebonen gebeurde, om voldoende licht te hebben op zolder in een stoffige omgeving.
Het sorteren gebeurde zittend aan lange tafels. Iedere pikster had een hoop bonen voor zich liggen, waaruit zij het afval en het piksel, d.w.z. beschadigde en miskleur bonen, haalde. De betaling gebeurde per pond gesorteerde bonen. Tijdgenoten beschreven het loon als 'schandelijk laag'.
Vaak waren het gehuwde vrouwen, die werkdagen maakten van 11 tot 12 uur, eventueel op zondag zodat ze 's zaterdagmiddags de boodschappen op de markt konden doen.
Koffieschenker
Iemand, die er een koffieschenkerij op na houdt.
Koffïevrouw
Houdster van een water- en vuur nering, bij wie men ook koffiewater of gezette koffie kon krijgen.

Kogelgieter
(Loden) kogels werden zowel gegoten als geperst. Ten behoeve van het gieten had men gietvormen ter beschikking, waarin men het gesmolten lood goot. Geweerkogels goot men  met behulp van een kogeltang, een kleine ijzeren mal, in de vorm van een smeedtang. Het woord kogeltang wordt ook voor andere begrippen gebruikt (WNT) Na afkoeling werden de kogels uit de vormen gehaald en met behulp van een kogelontbaardtang, een toestel met stalen schaar, of met behulp van een kogelknijptang, van de giettap en de baard ontdaan. In een kogelontbaardton werden de kogels verder ontbaard en glad gemaakt.
Beroepsziekte bij de kogelgieters was loodvergiftiging.

Kolder, kolderganger
Arbeider in een papier- of kartonfabriek, werkzaam aan de kollergang, een ronde gietijzeren bak met een vaste grondsteen als bodem. Malend draaien twee ronde loperstenen over de grondsteen, waarin cellulose, lompen, oud papier of karton werden fijn gemaakt voor (her)gebruik terwijl lijmstoffen en andere hulpgrondstoffen werden toegevoegd om tot de gewenste papier of kartonsoort te komen, waarbij de bovenste molensteen was vervangen door 2 walsen.

Kolenbrander, koolbrander, koolberner, coolberner
De kolenbrander vervaardigt houtskool. De kolenbranderij is mogelijk afkomstig uit Westfalen, althans de naam meiler voor een kolenbrandersmijt is uit dat gebied afkomstig. Het was een vak apart om de grote houtstapels model op te stapelen. Het richten van het hout moest met grote nauwkeurigheid gebeuren. Zo moest een schoorsteen overblijven voor de afvoer van de gassen. De hele houtstapel werd bekleed met een dikke laag plaggen, waarop een laag zand. Behalve de schoorsteen was nog een aantal gaten nodig in deze deklaag. Schoorsteen plus trekgaten moesten zorgen voor de juiste trek. Het hout mag niet branden of smeulen. Het eigenlijke ‘smoorproces’ duurde zo’n drie weken, waarna nog een afkoelingsperiode van enkele weken volgde.

Naast kool verkregen uit houtskool werden ook turf en de harde zwarte schillen van cocosnoten (klapperdoppen) als grondstof gebruikt. De laatste soort zou zeer geschikt zijn voor goudsmeden.
Kool uit het hout van de vuilboom zou zeer geschikt zijn voor de vervaardiging van buskruit.
Voor het tekenen met houtskool gebruikte men kolen van linde- of wilgenhout.

Kolenman
Handelaar in steenkool en daaruit afgeleide producten als cokes en briketten.

Kolfdrager (colfdrager, colffdra(e)ger)
Dit was vroeger de benaming van een lagere gerechtsdienaar. Een kolf was oorspronkelijk een wapen, bestaande uit een zware stok, met een verdikt uiteinde, een soort knots dus. Later werd ook het slaghout bij het kolfspel kolf genoemd.

Kolfmaker, kolvenmaker
De kolf was het slaghout bij het kolfspel, waarmee men een bal moest raken. Een dergelijk slaghout was lange tijd geheel van zeer hard en vast hout (bij voorkeur essen-, maar ook populier- of palmhout). De steel werd ook wel slager genoemd.  Het hout werd eerst op lengte gezaagd, gekloofd en op dikte gesneden, waarna met de dissel aan het eind met de distel de kolf werd gehakt, die op de snijbank met het snijmes verder werd afgemaakt. Voor de stevigheid werd deze kolf met dun koper beslagen. Later werd de kolf  aan het benedeneinde met koper of lood omgoten of werd met smeedijzer omgelegd. Ook bestond het ondereinde, ongeveer drie duim lang, ruim een duim dik en breed, wel uit  koper met lood gevuld. Men kende kolven in verschillende uitvoeringen, maten en gewichten. Daardoor kon ieder "een kolfje naar zijn hand" krijgen.
Later (het kolven bestond al voor de uitvinding van het buskruit) werd de term ook gebruikt voor het breed uitlopende eind van een geweer, pistool of revolver.

Koloniaal, colonialen
Waarschijnlijk een verkorte vorm van koloniaal soldaat, soldaat bestemd om in de koloniën dienst te doen.

Kolonier
Verouderde vorm van kolonist, iemand die zich in de koloniën vestigde o.a. om de landbouw/veeteelt, handel of jacht te beoefenen.

Kolvenier, klovenier
Een klover, clover of coluvrijn was zowel een lang dun kanon als een soortdraagbaar vuurwapen, waarmee schutters op gegeven ogenblik bewapend waren. Het was het eerste bij de Amsterdamse schuttersgilden ingevoerde handvuurwapen. De naam leeft nu nog voort in benamingen als Kloveniersburgwal (gracht te Amsterdam), waar zich aan het einde de kloveniersdoelen bevonden. In Amsterdam werd de Cloveniers- of KLolveniers schuttersgilde, bestaande uit 200 man in 1522 opgericht. Het werd weldra de keurtroep van de Amsterdamse gilden, hoewel ook de Hand- en Voetboogschutters bleven bestaan.
Later kwamen de haakbussen en nog later de musketten in gebruik. De lieden van het Cloveniersschuttersgilde waren welgestelde lieden, die zich graag op een schilderij lieten vereeuwigen.

Komenijsman, komenijsvrouw
Man, resp. vrouw die een komenijs- oftewel kruidenierswinkel exploiteerde.

Kompasmaker (compassemaker)
Vervaardiger van kompassen, vooral voor de scheepvaart. In Amsterdam volgens de Handvesten der stad Amstelredam van 1664 tot een 'gilt' verenigd.
Het kompasmakersambacht kende dus zowel de meesterkompasmaker als de kompasmakersknecht.

Konijnman
Vermoedelijk was een konijnman een handelaar in konijnen

Konstabelsmaat
Tweede kanonnier bij het geschut aan boord van schepen. Ook in dienst van de V.O.C.

Kooiker (kooiman)
Houder van een eendenkooi.
Waarschijnlijk is deze manier van vangen in de Middeleeuwen hier te lande ontstaan. In de zeventiende eeuw lieten vooraanstaande (adellijke) families de meeste eendenkooien aanleggen. Een eendenkooi bestaat uit een vijver of plas en één, maar meestal meerdere vangpijpen. Dit zijn sloten die op de vijver of de plas uitkomen en gedeeltelijk met netten overdekt zijn. Omdat eenden, wanneer ze willen opstijgen dat bij voorkeur tegen de wind in doen, zijn meerdere pijpen wenselijk. Langs die uitlopers, de kooipijpen en de vijver staan rieten wanden met kleine openingen. Ze zijn zo geplaatst dat de eenden niet kunnen zien wat er achter gebeurt. In en om de kooi is het terrein bebost. Buiten het gekwaak van de eenden en het geluid van tjilpende vogels is het stil. Vanaf de zestiende eeuw kregen eendenkooien rechtsbescherming (paal- of afpalingrecht). Dit hield in dat binnen een straal van ruim 1 km rond het midden van een kooi geen lawaai mocht worden gemaakt. Op diverse plaatsen werd dat paalrecht afgekocht of ging om andere oorzaken verloren, waardoor ook vele eendenkooien verloren gingen. Degene die het eigenlijke werk doet is de kooiker.

Kooiophanger (kooi(en)stuwer)
Schepeling, belast met het ophangen en in de verschansing stuwen van de hangmatten, waarin geslapen werd.

Kookvrouw
Vrouw, die bij derden uit koken gaat.

Koolbrander
Zie kolenbrander.

Kooldrager (coeldragher, kolendrager)
Zij zorgden voor het opdragen en storten van de kolen.

Koolhouwer (coolhouwer, kolenhouwer)  
De koolhouwer was werkzaam in de steenkoolmijnen, waar hij de kolen losbrak en op een transportmiddel schepte.Koollosser (kolenlosser) 
Ook wel kolendrager of kolensjouwer genoemd.
De werkman, die kolen uit schepen lost.Koolman 
Oorspronkelijk kolenbrander of mijnwerker, later als kolenman: handelaar in- of bezorger van kolen.Koolmeter (coolmeter, kolenmeter) 
Was oorspronkelijk een officieel en 'gesworen' persoon, die met behulp van de 'kool-maate' de hoeveelheid kool vaststelde.

Kooltjer
Ook gardenier, kofker, hovernier, guardenier.
Kweker van groenten en andere tuinbouwproducten (kool, uien enz.).

Koolweger 
Zie koolmeter.Koomen  
Ook coomen, comenier, kome, kooman.
Zie Coomenyhouder (komijhouder)

Koopvrouw
Vrouw, die haar beroep er van maakt handel te drijven. Meestal is dit kleinhandel. De benaming in wettelijke taal was destijds soms openbare koopvrouw.
Van het Amsterdamse snijders- en kleermakersgilde konden ook nieuwe vrouwenklerenverkoopsters lid zijn. Verder brachten vrouwen - veelal getrouwd of weduwe - allerlei waren aan de man (en de vrouw) het zij op straat, hetzij in winkel(tje)s: appelen, groenten, boter, eieren, garen en band, kaas, kaarsen, lucifers, mosselen, oliebollen, snoep, snuisterijen, uien en vis, al dan niet gebakken. Vaak hadden ze de naam zeer gehaaid te zijn, wat wel nodig was in de rauwe venterswereld van toen. En over het algemeen leverde het geen dik belegde boterham op. Anderzijds maakte deze handel van hen erg onafhankelijke vrouwen. Visverkoop kon weliswaar een aardige boterham opleveren, maar 

Koper-
Verschillende beroepen, die met de verwerking van koper te maken hebben bestaan ook nu nog, zij het in een gemoderniseerde vorm of onder een andere naam.
Koperblazer
Musikant, die op koperen instrumenten speelt
Koperdekker
Dekt daken of dakdelen met koperen platen
Koperdraaier
De koperdraaier werkt onder meer gegoten koperen voorwerpen af met behulp van een draaibank zoals kandelaars en vazen.
Koperdrijver
Iemand die koperen drijfwerk maakt. Met behulp van hamertjes en ponsen in verschillende modellen worden vlakke koperen platen, die op een ondergrond van o.a.. zand liggen in reliëf gedreven. 
Koperdrukker
Degeen, die met behulp van een etspers afdrukken maakt van geëtste of gegraveerde koperen platen. Bij deze techniek spreekt men van diepdruk, omdat het (vochtig) papier dusdanig geperst wordt dat de inkt in de groeven van de koperen plaat over gaat naar het papier.
Koperetser
De koperetser dekt een koperen plaat af. Nadat de afbeelding in spiegelschrift is aangebracht verwijderd de koperetser de afdeklaag conform de afbeelding met een etsnaald, waarna de plaat in een etsbad wordt gehangen. Hier bijt de ets het koper op de onbedekte plaatsen uit. Vervolgens wordt een proefdruk gemaakt, waarna het procédé werd herhaald tot de verlangde kwaliteit bereikt was. Deze techniek, die omstreeks 1590 in ons land tot ontwikkeling kwam, werd vooral door de makers van 'vrije' grafiek toegepast. Oorspronkelijk werd de ets gezien als een snellere en goedkopere manier dan het graveren, om een afbeelding te realiseren. Het waren vooral de schilders uit de zeventiende eeuw, die van het etsen een zelfstandige uitingsvorm hebben gemaakt.
Koper(geel)gieter
De koper (geel)gieter vervaardigt (sier)voorwerpen door het gieten van gesmolten koper in daartoe vervaardigde vormen.
Kopergraveur
Nadat op een gladde koperen plaat een tekening is aangebracht in spiegelschrift, steekt de kopergraveur deze afbeelding met behulp van burijnen (kleine scherpe beitels die uitlopen in een driehoekige punt) in de plaat uit. Een kopergravure wordt dus gekenmerkt door een fijn lijnwerk. (zie vergrote afbeelding). Begin zestiende eeuw werd het graveren van afbeeldingen vooral gedaan door kunstschilders. Zo staan op naam van Lucas van Leyden zo'n 170 kopergravures. Vooral in de zuidelijke Nederlanden werd deze techniek verder ontwikkeld. Rond 1550 wijzigde de marktsituatie zich. Ook deze situatie deed zich eerst in de zuidelijke Nederlanden voor: In de grote steden vestigden zich een aantal uitgeverijen/drukkerijen, die op het gebied van de geïllustreerde boeken en losse gravures min of meer een monopolieachtige positie kregen. De graveur kwam bij hen in loondienst. Eind 1500, begin 1600 ontwikkelde deze situatie zich ook in de noordelijke Nederlanden.
Kopermeester
Was vroeger de benaming van een smelter van koper
Kopermolenaar
In een kopermolen, ook koperpletterij genoemd, werd onder meer bladkoper vervaardigd door het koper plat te hameren.
Koperslager
De koperslager vervaardigt voorwerpen van geslagen koper, bijv. ketels. Ook in dienst van de V.O.C.

Kopersmid
Hetzelfde als koperslager, vroeger ook voor kopergieter: "een busghieter oft copersmit"
Koperwerker
Hetzelfde als kopersmid of koperslager.

Kopiïst
Ook kopist, kopiëerder,copiïst of copiëerder.

  1. Persoon die een afschrift of afschriften vervaardigt van door anderen vervaardigde stukken. "Een copist kan niet hooger aspireren als om Klerk te worden op een Procureurs Comptoir" (Doedyns, Merc. 2,222).

  2. Persoon die originele kunstwerken namaakt, een beroep dat destijds geheel normaal werd gevonden. Ook nu nog vindt men in menige huiskamer een schilderij waarbij voor de signatuur een n. staat (voor naar).

Koppedraaier
Het draaien van kaaskoppen op een houtdraaibank. De kaaskoppen werden gebruikt in de kaasmakerij bij het vormgeven en het uitpersen van de wrongel tot kazen. De koppen werden meestal uit wilgehout gedraaid.

Koppelaar (coppela(e)r(e)
De koppelaar(ster) gaf tegen beloning gelegenheid tot het plegen van ontucht en werd als zodanig gelijkgesteld met hoerenwaard, bordeelhouder. 

Overigens kende men de koppelaarster ook als huwelijksmakelaarster.

Kopster
Was een beroep in de marge van de gezondheidszorg, dat zo hier en daar ook nu nog wel wordt beoefend (Indonesië). Destijds werd in de daartoe gebruikte bolvormige kleine glaasjes vlas gestoken, dat men aanstak of boven een brandende kaars hield. Door de warmte werd de lucht verdund. Men plaatste het glaasje dan omgekeerd op de huid. Door afkoeling ontstond onderdruk in het glaasje en werd de huid naar binnen gezogen. Men kende het droge en het natte koppen. Bij de laatste vorm werd eerst met een scherp mes, het vlijm, een of meerdere sneetjes in de huid gegeven. Met een kopsnepper zelfs met twaalf mesjes tegelijk. Het schijnt dat er ook vrouwen waren, die zich lieten koppen om er zo bleek mogelijk uit te zien en zo hun schoonheid te verhogen. Koppenzetsters waren niet altijd even gezien. Bij sommige kopsters kon men ook terecht als men abortus wenste ("een olie om de stonden af te dreiven") Het onttrekken van bloed gebeurde niet alleen op grond van medische overwegingen, maar ook wel om uit het afgetapte bloed de waarheid, inzonderheid in liefdeszaken te leeren kennen. Koppen en waarzeggen werden als hetzelfde beschouwd. Dat niet alleen bij liefdeszaken, maar ook wanneer het ging om verloren of gestolen goed.

Korenbrander, koornbrander
Zie brandewijnbrander en destilleerder

Het oudst bekende document uit de vroege middeleeuwen is van een chirurgijn die de techniek van het distilleren beschrijft; in 1477 verschijnt in Augsburg een boekje over het ausgebrannte Wasser. In 1500 publiceerde de arts Hieronymus Brunsweich Das Buch der rechten Kunst zu disillieren, die einzigen Ding, in 1517 vertaald door Thomas Vandernoot in Brussel onder de titel Die distelaciën ende vertuyten der Wateren. Naast wijn als grondstof werd in onze streken evenals in Engeland en Schotland geleidelijk aan vooral graan gebruikt (immers reeds bekend ten behoeve van het brouwen van bier. Coornbranders stookten alcohol uit graan, voornamelijk gerst, tarwe, rogge en boekweit. Hun product werd oorspronkelijk coornwijn genoemd. Coornwijn was goedkoper dan brandewijn, mede omdat de afval, de spoeling na de distillatie aan de boeren kon worden verkocht, wat kostendrukkend werkte. Later ging men - weer om economische redenen - melasse, afvalproduct van de bietensuiker als grondstof gebruiken.

Korendrager
De korendrager had tot voornaamste taak het dragen van zakken koren (en ook wel zout) uit schepen naar pakhuizen enz.

Korenkoper

In Amsterdam over het algemeen een handelaar in granen die vooral in het Oostzeegebied actief was. Verder kwam graan vroeger ook uit Frankrijk.
De makelaardije gaf het recht om als tussenpersoon, als makelaar, op te treden. Het uitzetten was het recht om koren te koop aan te bieden.

Korenmeter, koornmeter

Dit was een ambt dat vanwege het stadsbestuur werd gegeven. Niemand mocht korenmeten of hij moest door de burgemeester zijn beëdigd. De korenmeter beloofde daarbij zijn  ambt goed te zullen uitoefenen. Ook dat hij zijn korenmaat niet aan een onbeëdigde zou uitlenen.
De korenmaat werd ook achtendeel genoemd. Het was een houten ton met van boven als de middellijn van een cirkel, een ijzeren staaf. Na afloop van het werk nam elke korenmeter zijn maat mee naar huis, maar eens in de veertien dagen moesten ze ingeleverd worden in het korenmetershuis. Door het lot werd dan aangewezen welke ton hij de volgende veertien dagen moest gebruiken.
Als een koopman een partij graag gekocht had ging hij naar het korenmetershuis, waar met behulp van dobbelstenen (teerlingen) werd bepaald wie van de meters het werk kreeg  toegewezen. Voor de loting moest een bewijs worden ingeleverd, dat het graan goedgekeurd was. Als een korenmeter niet aanwezig was ging zijn beurt voorbij. Als hij niet mee wilde dobbelen, omdat de klus te klein was, dan werd hij die verdere dag van mee dobbelen uitgesloten. Een korenmeter die een werk kreeg toegewezen dat meer dan 16 hoet (last) of  groter was, mocht een andere meter, die geen werk had mee laten helpen, uiteraard tegen betaling.
Voor de meter met zijn werk kon beginnen moest hij het schriftelijk bewijs van de koop hebben ontvangen en aan de makelaar overhandigen. In de schuit moesten zij hun maat recht in het koren plaatsen. Wanneer de maat voor en achter even vol was en de staaf met koren bedekt was moest hij een rechte streek met de strijkstok geven.
In  een uitzetzak (monsterzak) mocht hij niet meer koren doen dan er ging in een wijnkan tot aan het merk van de stadsijker. Als hij verder merkte dat het koren onder en boven niet van gelijke kwaliteit was moest hij het gerecht gelijk waarschuwen.

Korenstorter
Diegeen die het gemeten koren in zakken stortte. Hij werd ook ophouder genoemd. In 1655 werden korendragers en korenophouders of korenstorters tot één gilde verenigd.

Korenwerker 
Ook korenverschieter.
Blijkbaar werd dit werk ook door vrouwen verricht.
Hun werkzaamheden bestonden uit het omscheppen van koren, om dit zo goed mogelijk in conditie te houden, zodat het niet muf werd.Korenzetter 
De persoon die samen met de korenmeter met het meten van het graan was belast. Zijn taak daarbij was het rechtzetten en rechthouden van de korenmaat.

Korfloper, korfloopster
In Groningen een vrouw of meid die wittebrood en beschuiten bij de huizen verkoopt.

Korfmaker, corffmaecker, korvenvlechter
Bij de korfmakers maakte men onderscheid tussen wit- en groenwerkers.
De groenwerkers maakten gebruik van ongeschilde tenen.
De korven die gevlochten werden dienden onder meer voor het vangen en bewaren van vis en schaaldieren. Verder had men schans-korfmakers, die grote korven vervaardigden van een flink formaat. Zij werden met zand, grond, grind of fijn puin gevuld en dienden ter versterking van de schansen. Ze werden ook gebruikt voor korfbruggen, eenvoudige militaire bruggen waarbij als ze in een of twee rijen aaneensluitend naast elkaar werden gezet als tussen steunpunten.
Men kende ook kreeftenkorven, om kreeften in te bewaren, kruikorven, die een garnalenvisser op zijn rug droeg en waarin hij zijn vangst deponeerde en meedroeg.
De aalkorf diende zowel als bewaarmand als voor de vangst van aal.
Daarnaast waren er onder meer hengsel, hand en waskorven.
Een meester, die zowel de groene als de witte proef had gedaan mocht binnen zijn eigen  deur zowel groene als witte manden maken.
Bij het eigenlijke korvenvlechten gebruikte men als grondstrof buntgras, een grassoort die, in pollen groeiend, hoofdzakelijk voorkomt in hoogveen en natte heidegebieden. Het heeft een lange rechte stengel, is zeer buigzaam en breekt niet snel. De korfvlechter nam een handvol gebundeld buntgras en omwikkelde die met vlechtriet (gespleten rotan), waarmee het gelijk  aan de vorige werd bevestigd via een met een priem gemaakte opening. Voor het rotan ter beschikking kwam gebruikte hij als vlechtriet lange braamtwijgen, die met behulp van een spleethoutje in drieën of vieren werden gesplitst. Ze maakten o..a. bijenkorven, maar ook bankorven om boze geesten te verjagen. Het onderste deel is de eigenlijke bijenkorf . Andere producten waren de wan (om kaf en koren te scheiden) en de stopmand.

Kornel
Is kolonel

Kornet
Standaarddrager bij de cavalerie, vaandrig te paard. Ook aspirant reserve-officier bij een bereden wapen, in rang gelijk met adjudant-onderofficier.

In het vroegere Indië was een kornet helper, handlanger, bijv. helper van een chauffeur.

Korsettenmaker/korsettenmaakster
Zie ook keurslijfmaker
Oorspronkelijk de vervaardiger van keurslijven.
Het keurs, keursje of rijglijf maakte oorspronkelijk deel uit van de zichtbare kleding, maar werd allengs tegen de achttiende eeuw een onder de bovenkleren gedragen stijf rijglijf, dienend om het bovenlijf, de middel, de buik en de heupen de gewenste slanke vorm te geven.
Bij het vervaardigen werd gebruik gemaakt van baleinen, oorspronkelijk van dierlijke oorsprong (walvis), later van metaal. Corsetten waren er trouwens niet alleen voor dames en kinderen, maar ook voor heren)

Kortegaard
Verbastering van het Franse 'corps de garde'. De kortegaard was oorspronkelijk het wachtlokaal van de nacht- of ratelwacht, later o.a. het arrestantenlokaal, politiebureau en wachtlokaal voor de brouwers die 's nachts aanwezig moesten zijn. Soms werden ook de wachters zelf bedoeld.

Korve(n)maker/vlechter
Zie korfmaker.

Kossaard
(Brabant:) Iemand, die in een kot woonde; kleine boer, die een stuk eigen land bebouwde of rond de vier bunders (hectares) huurland bezaaide, die hooguit één paard heeft en ten hoogste vier of vijf koeien  hield. 

Kostschoolhouder(es)
Lera(a)r(es) op een school waar de leerlingen naast onderwijs ook voeding en huisvesting ontvingen.
Men onderscheidde verschillende kostscholen. Zo kende men De Franse, waar Frans de omgangstaal was en de Latijnse, waar Latijn werd onderwezen. Ook kende men een nonnenkostschool, waar de nonnen meisjes onderwezen.

Koter
Kleine boer, keuterboer. O.a. in Friesland de eigenaar/pachter van een klein bedrijfje, die als bijverdienste bij de grotere boeren werkte als koemelker. In Drente sprak men van een kleine boer als hij 1 paard had en van keuter als hij wel enkele koeien maar geen paard had. De keuters in Drente hadden geen waren of waardelen maar mochten krachtens gewoonterecht beperkt heide, veen en bos medegebruiken. Daarnaast bestond ook de landbouwerkeuter, bouwboer met een klein bedrijf. In het Oosten van ons land sprak men van een katerstede.

Kousenbreier
Kousen kennen een lange geschiedenis.
Op vroegchristelijke mozaïeken dragen geestelijken witte kousen. Ook in vroege bisschoppelijke graven zijn wel kousen gevonden, maar men heeft lange tijd in het duister gezeten wat betreft de wijze van vervaardiging. Volgens toenmalige kerkelijke voorschriften mochten ze geen lengtenaad hebben. Vermoedelijk zijn ze een met de naald vervaardigd vlechtwerk van linnen.
Laat middeleeuwse bisschoppelijke kousen zijn uit geknipte zijden en brocate delen samengevoegd. De oorsprong van de kous zouden we dus bij de liturgische gewaden moeten vinden. Bij de wereldse dracht vond dit navolging.
Het (rond)breien van kousen is in de zestiende eeuw verbreid, hoewel het breien met vier pennen veel eerder bekend moet zijn geweest.
Op een Maria-altaar uit het einde van de veertiende eeuw is Maria afgebeeld, terwijl ze met vier houten naalden de naadloze rok voor het kindje Jezus breidt. Ook de ontwikkeling van de kous is via de oude schilderijen te volgen..

In de tweede helft van de zestiende eeuw leefde Lee, een Engelse geestelijke, verbonden aan het St. Johnscollege te Cambridge. Hij trouwde en werd daarom ontslagen. Zijn vrouw besloot toen met breien de kost te verdienen. Lee vond dit maar matig en construeerde met vallen en opstaan een machine die zesmaal zo vlug kon breien als met de hand mogelijk was. Koningin Elizabeth I stond afwijzend tegenover dit apparaat omdat zij het handwerk wilde beschermen. Lee stief in 1610 arm en berooid in Parijs, maar uit zijn vinding werd een steeds betere breistoel ontwikkeld, waardoor het machinale breien zowel in Engeland als in de rest van Europa tot ontwikkeling kon komen.

De Franse koning Lodewijk XIII liet voor zich zelf een zilveren weefstoel bouwen, waarmee hij zijden kousen weefde, die hij aan de dames uit de hofadel ten geschenke gaf.
Daarnaast bleef het handwerk voortbestaan.

Bekend zijn de breiende schaapherders, ganzenhoedsters en koemeisjes. Maar ook thuis werd er veel gebreid, vooral in de grote gezinnen. Vooral daar waar de levensomstandigheden slecht waren zoals op de schrale zandgronden. Dit naar alle waarschijnlijkheid vooral in Brabant, waar de bevolking gedurende de generaliteitsperiode extra zwaar werd belast. Vermoedelijk leven er nu nog heel wat oudere vrouwen die over dit kousen en sokken breien mee weten te praten. Trouwens tot vandaag de dag zijn er nog steeds vrouwen, die zich onder meer bezig houden met het breien van sokken voor hun man of zoon(s), al is dat niet uit economische redenen.
Bekend uit het verleden zijn daarbij de breischeeën of breischeyen, een houten kokertje, later ook van leer, metaal of been, vastgehecht aan de gordel of aan het middel. Dit om onder het breien de vierde breinaald, waar de steken van afgenomen werden, te steunen. In verschillende (museum) verzamelingen kan men nog zeer fraai bewerkte exemplaren tegen komen.
Op gegeven ogenblik kwam ook de rondbreimachine tot ontwikkeling, waarbij de kous via de breimachine de ronde vorm kreeg. In de huisindustrie was dat een welkome aanvulling en in vele dorpen was er wel een vrouw, die zo haar brood verdiende, te meer omdat de machinaal rondgebreide kousen vaak mooier waren dan de met de hand vervaardigde.

Het machinale breiwerk kreeg als industriële productiemethode allengs de overhand. Zo vestigde zich, om een voorbeeld te geven, Martinus Jansen, kousenmaker, omstreeks 1840 in Tongelre, waar hij een kousenbreierij begon. Hij legde zich vooral toe op het vervaardigen van priesterkousen.
Aan het bedrijf waren ook een aantal thuisbreisters verbonden, die hij een breimachine en garen verschafte. Zij vervaardigden de gewone wollen kous. Hij overleed in 1879. Zijn jongste zoon voegde aan zijn bedrijf de naam van zijn echtgenote toe, waarna het uiteindelijk Jansen de Wit's Kousenfabrieken werden, die in 1955 het honderdvijfentwintigste jaar na de oprichting het veertigjarige bestaan van het bedrijf vierden. Toen werden daar ook de moderne dameskousen vervaardigd. Hoe het dit bedrijf verder is vergaan heb ik helaas nog niet kunnen achterhalen.

Kousenkoopman/kous(en)nering
Handelaar in kousen. Reeds in het midden van de zestiende eeuw kende men in ons land een Kousenkoopersgilde.  Kousenmaker
Vroeger ook kousschepper.
Kousenverzoler/kous-verzoolder
Ook verzoolster of zolenlapster genoemd.
Verzoolde beroepsmatig kousen, d.w.z. voorzag ze van nieuwe zolen.Kraakschipper 
Schipper op een kraak.
Oorspronkelijk was een kraak een vrij groot koopvaardij- of oorlogsschip, een scheepstype dat tegen het eind van de zeventiende eeuw in onbruik raakte. Later werd de term gebruikt voor een kleiner soort van schepen met één mast, die alleen in de binnenvaart werden gebruikt.

Kraandrijver
Kraanbestuurder, kraanmachinist.

Kraankinderen, kraenkinders 
Bedienaars van hijskranen en ook werkzaam als waagwerkers.

Kraankruier
Vervoerder per kruiwagen van met behulp van een (hijs)kraan geloste goederen.

Kraanmeester (craenmeester)
De opziener (opzichter) van een stadskraan.
Hij had onder meer het toezicht op de kraankinderen.

Kraanzager
Zie ook houtzager.
Het werken met de kraanzaag, die werd gehanteerd door twee mannen. Dit diende om voor de periode van de houtzaagmolen van boomstammen balken en ribben te zagen, een zware en monotone arbeid.
De kraanzaag was een z.g. raamzaag, die er ongeveer uitzag als de spanzaag van tegenwoordig . De te zagen stam werd als regel gekantrecht, d..w.z. min of meer vierkant geslagen met een bijl of dissel (soort bijl, waarbij de scherpe kant overdwars staat).

De balk werd dan op een zaagstelling gehesen of boven een kuil gerold, waarna de zaagsnede werd afgetekend en het zagen kon beginnen. De meester ging boven op de stam staan, de knecht er onder. Als de wind ongunstig was kreeg deze het zaagsel over zich. Ook moest hij steeds omhoog kijken Een stuk zeildoek moest bescherming bieden tegen felle zonneschijn, regen of wind.

Kralenmaker
Vervaardiger van kralen, die uit allerlei materialen konden bestaan zoals porselein, glas, hout, metaal, koraal, hars (barnsteen), been, gele amber(steen) enz.
Naast sieraden als halssnoeren en armbanden werd ook rozenkransen vervaardigd.

Kramer
Ook kremer, kleinkram(st)er.
Oorspronkelijk het verkopen van waren in het klein.
Men kende diverse kramers, o.a. de boterkramer, die handelde in boter. In de keuren van Haerlem 2, 81 a staat o.a. "Dat …. Geen Boter-Kramers of Kommeny luyden zullen vermogen, met Vaten of Tonnen …. Boven de 19 Pond Boter te gelyk aan één Persoon uyt te slaan.
Andere voorbeelden zijn:
de brillenkramer, die brillen op de markten verkocht,
de glazenkramer, die handelde in glaswerk,
de ijzerkramerij
de modekramerij en
de marskramer, die met de mars (soort draagmand) op zijn rug zijn potentiele klanten bij langs ging
en - minachtend - de aflaatkramer, d.w.z. een geestelijke, die op onbetamelijke wijze aflaten te koop aanbood.

Kras, krasmeester
Voorman of onderbaas van een ploeg werklieden, bijv. bootwerkers.
In textielfabrieken opzichter op de afdeling waar katoen, vlas, wol, zijde enz. machinaal gekaard, gekamd wordt.

Krooier

  1. Veenarbeider die met een platte kruiwagen de turven in twee lagen naar het zetveld (vlak stuk grond) vervoerde en daar de kruiwagen op zijn kant hield, waardoor de turven goed lagen om te drogen.
  2. veenarbeider die de turf van het zetveld naar een turfschip vervoerde.

Kroonwerker, cronewercker
Textielarbeider, belast met de verzorging van de kroon, het bovenste gedeelte van een weefgetouw. De kettingdraden lopen naar de kroon van het getouw, eerst op verdelingsrollen en daarna geven de valrollen de vereiste spanning (door tegengewichten, bijv. gevuld met zand).
(De wever moest dan de kettingdraden nog door het verdelingsriet, de schachten en het voorriet halen voor het eigenlijke weven kon beginnen.)

Krotenspitter
Ook meedelver of meekroter.
Meekrap diende als grondstof voor een rode verfsoort, later vervangen door een synthetische verfstof)
Krotenspitten oftewel meedelven was seizoenarbeid. In de herfst trokken een tien tot twintig personen, 'bende' genaamd, elke morgen naar het land. Voorop de 'voorman', daarop volgde de 'neusman' (mogelijk verbastering van 'nevensman') en dan de 'volgers', begeleid door een trompetter. Op het arbeidsveld werd de bende aan het werk gezet om de wortels van de twee of driejarige meekrapplanten uit te graven. Dit werk in de zware grond vergde veel kracht.

Kruid(en)lezer
Persoon die ongerechtigheden zoekt en verwijdert uit (genees)kruiden.

Kruidenzoeker
Persoon, die (genees)kruiden zoekt in de natuur.

Kruier
Kruiwagens vormden enkele eeuwen de basis van het bestaan van de kruier. We vinden afbeeldingen van kruiwagens en transport per kruiwagen vanaf het begin van de zeventiende eeuw. Niet alleen kruiers maakten van dit vervoermiddel gebruik, maar ook allerlei anderen. Zo werd in 1634 te Amsterdam verboden met kruiwagens en manden op bruggen of langs straten te staan met allerlei koopwaar. In 1640 werd bepaald dat kruiers de lege kruiwagens niet mochten duwen maar voort moesten trekken, wat minder gevaarlijk voor derden zou zijn.
Op 7 april 1663 werd daar een verbod uitgevaardigd om kruiwagens met twee wielen te gebruiken. Van die datum af mochten alleen kruiwagens gebruikt worden met één onbeslagen wiel op straffe van verbeurdverklaring van tweewielige kruiwagens en een boete van zes gulden.
Op 28 augustus 1675 werd een keur uitgevaardigd tegen het gebruiken van de trekkracht van honden omdat de leden van het slepersgilde daar aanmerkelijk nadeel van ondervonden.
Naast degenen, die er hun beroep van maakten vrachten voor derden te vervoeren, waren er ook die met het vervoer van bepaalde artikelen waren belast. Men had onder meer appel-, boter-, mossel- en viskruiers.

Kruikenkoper
Nering in allerhande kruiken.

Kruikenruiker
De gebruikte jeneverkruiken kwamen vroeger weer terug bij de jeneverstokerij voor hergebruik. De kruikenruikers moesten ruiken of de kruiken hergebruikt konden worden, omdat ze nadat ze leeg gedronken waren, wel met andere vloeistoffen werden gevuld. De kruikenruiker kon zo'n 2000 kruiken per dag beoordelen.

Kruitmaker/kruitmolenaar

Degeen, die kruit vervaardigde.
Er was zowel sprake van "De Kruydmaakerijen"als van kruidmolens: "Het Bus-kruid word op besondere kruidmoolens door stamping, vermenging en zifting bereid". Grondstoffen waren salpeter, houtskool en zwavel.
Het spreekt wel vanzelf dat zowel voor de vestiging als voor de vervaardiging strenge regels waren voorgeschreven. 

Kruitverleser (kruydlezer)
Zie ook garbuleerder/garbuleur.
Iemand die uit droge waren als kruiden en specerijen de verontreinigingen zocht en verwijderde. Onder meer in dienst bij de V.O.C.)

Kruiwagenmaker
Vervaardiger van kruiwagens in diverse uitvoeringen, afhankelijk van de te vervoeren vrachten.

Kuiper
De kuipers worden onderscheiden in natte en droge kuipers. De laatste maakt vaten om droge stoffen in te bewaren. De natte kuipers vervaardigden vaten als haringtonnen, wijn- en biervaten, wringtobbes, pers- en opslagkuipen.
Daarnaast werden emmers, wastobbes en ook wel drijvers voor netten vervaardigd.
De verschillende producten, die in de vaten moesten worden opgeslagen stelden verschillende eisen.
Haringvaten of regentonnen behoefden niet van de allerhoogste kwaliteit te zijn. Als grondstof gebruikte men inlands grenen of eiken. Voor cognac was  bij voorkeur Frans eiken de grondstof, voor andere alcoholische  dranken gebruikt(e) men Slavonisch of Amerikaans eiken. Biervaten moesten aan de binnenkant gepekt worden, zodat het hout geen invloed op de smaak kon uitoefenen. Voor de hoepels gebruikte men oorspronkelijk wilgenhout, later werd dit vervangen door ijzer.
De duigen werden op maat gemaakt met behulp van verschillend gereedschap.
Wanneer de duigen op maat en in de juiste vorm zijn gebracht, worden ze rechtop gezet en àan een kant bijeengehouden door beslagbanden. Vervolgens wordt het vat met de wijde kant naar beneden boven een vuur rondgedraaid, zodat ze kunnen buigen. Vervolgens wordt het vat in wording omgekeerd, waarna men de duigen met een strop, die aangedraaid kan worden, in het juiste model brengt, waarna ook daar een hoep kan worden aangebracht. Onder en boven wordt een groef aangebracht waarin de bodem en later het deksel worden vastgezet.
Zo nodig wordt een gat aangebracht met een stop, zodat daar t.z.t. een kraan in kan worden bevestigd.

De wringtobbes, pers- en opslagkuipen ten behoeve van de zuivelindustrie worden van teakhout gemaakt.

Kunstplaatsnijder, plaatsnijder
Kunstenaar, die met behulp van een graveernaald oorspronkelijk in hout, later in metaal (koper, zink) afbeeldingen sneedt, graveerde, die na beinkting konden worden afgedrukt.

Kunstverlakker
Beroep ontstaan in de achttiende eeuw. Bepaalde schildertechniek, afkomstig uit Japan en Indonesië om allerlei voorwerpen van houtwerk, porselein en metaal te kunnen kleuren en decoreren.

Kwartiermeester

  1. Hoofd van een wijk.
  2. Officier, belast met het beheer van de geldzaken.
  3. Commandant van een kwart van de scheepsbemanning, ook in dienst van de V.O.C.

Kwastenmaker
Borstels- en kwastenmaken ging hand in hand.
Hoewel overal kwasten gebruikt werden heeft de vervaardiging zich vooral in plaatsen met scheepvaart ontwikkeld. Grote zeereizen en houten zeilschepen vergden een voortdurend onderhoud, ook tijdens de reizen.
Tanen van de tuigage en teren van het houtwerk behoorden tot de vaste werkzaamheden.
Eerst later kwam het grof- of huisschilderen op gang.
Oudtijds zal men voor de vervaardiging van kwasten vooral inlands haar gebruikt hebben, in het bijzonder varkenshaar. De soms nog natte haren werden eerst gehekeld. Een hekel is een lat , waardoorheen lange scherpe pennen geslagen waren op een onderlinge afstand van circa 1 cm. Deze hekel was met de punten omhoog op een smalle tafel bevestigd. Door dit hekelen werden wolharen en huidresten verwijderd.

Van de haren werden dan bosjes gemaakt die tot kleine bundels werden verenigd. Deze bundels, carrotjes genoemd, werden gekookt om de haren recht te maken. Dit was zeer nauwkeurig werk. De haren moesten daarna gericht worden, zodat koppen en blessen (de uiteinden van de haren) dezelfde' kant uitlagen. Na het richten volgde het sorteren in lengte.
Naast het varkenshaar werden allengs ook andere haarsoorten gebruikt, zoals haar van paarden (van staart en manen), geiten (ten dele als vervanging van dassenhaar), koeien, kamelen, marters, visotters, eekhoorns en bevers.

Stelen, handvatten enz. vormen een aspect van de kwastenvervaardiging. Het hout moest droog en trekvrij zijn, voordat het tot de verschillende vormen verwerkt kon worden. Bij voorkeur werd beuken-, iepen- of essenhout gebruikt. Alleen de stelen van puntkwasten en die voor bandkwasten met ingeslagen steel waren van vurenhout.
Enkele kwastsoorten waren band-, stucadoors-, Friese band-, was-, loogkwasten, marmerdassen (om te marmeren), marmerchiqueteer- (kwast met vijf haarbundels), teer-, vernis- en zinkwitkwasten.
Het gebruik bepaalde de vorm van steel en kwast. Verschillende kwastsoorten, die vroeger gebruikt werden, zoals de marmerdas, marmerchiqueteerkwast, de goudstoffer en de zinkwitkwast zijn inmiddels verdwenen.

Kwastenmakerijen waren eertijds zelfs grote bedrijven. Ieder had daar zijn eigen specialiteit.
Men kende de volgende functies:
De haarbereider. Zijn taak was het op lengte uitzoeken van het haar en het sorteren op lengte.
De menger. In één bepaalde kwast werden vaak twee soorten haar verwerkt. Dit vergde een grote zorgvuldigheid, omdat het verder werk van zijn productie afhing. Hij kreeg daarom een hoger loon.
De kwastenmaker. Deze zette de verschillende bundeltjes haar aan de steel. Ook hier werd het maken van de ene kwastsoort beter betaald dan die van andere.
De afwerker. Deze verzorgde de eindbewerking van de kwast en werkte deze o.a. met verf af.

Ladingmeester
Persoon belast met het laden van schepen, later ook van treinen.

Lakbereider, lakstoker

Iemand die mengsels van oliën en hars tot lak stookt.
De lakbereiding valt uiteen in twee delen:

  • de vervaardiging van zegellak, gebruikt voor het zegelen van brieven
    Anders dan de oude zegels, gehecht aan oorkonden e.d. werden de latere zegels, gebruikt in de achttiende eeuw en later bereid uit Oostindische gom, een harsachtige afscheiding van de boom Lacca. Deze harsachtige gom werd, als men rode lak wenste, gemengd met menie of vermiljoen.Voor zwarte lak vond menging met Engels ivoorzwart plaats.
  • de vervaardiging van lakken voor lakwerkers, ook verlakkers genoemd
    Om ijzerwerk te verlakken vervaardigde men zwarte vuurlakken, bereid met behulp van wijborger pik, amber, lijnolie, terpentijnolie en zwartsel (zie verder 57ste tafereel v. Ned. tafereelen v. kunsten enz.)

Lakenbereider
Persoon, werkzaam in de lakenindustrie, die het geweven laken ruwt, scheert en perst.

Lakenbesnijder
Verkoper van laken in stukken en van aanverwante stoffen. Soms ook kleermaker.

Lakendrapier 
Zie drapenier

Lakenkoper
De wantsnijders, eertijds kleinhandelaren in wollen stoffen, importeerden de wol en verkochten op hun (gehuurde) standplaats in de lakenhal de zware lakense stoffen per el.

Lakenmenger
Een lakenmenger mengde wol voor lakens die uit verschillende soorten of uit verschillende kleuren wol geweven werden.

Lakenperser
Functie in de lakennering. De lakenperser vouwde de stukken laken tot een bepaald formaat, waarna ze in een lakenpers werden gestapeld en daarop onder druk gezet, waardoor de stukken laken er gladder en glanzender uit kwamen te zien.

Lakenpluister
De lakenpluister controleerde het weefsel en verwijderde met een pluisijzer, een soort pincet, de ongerechtigheden. Dit was nauwkeurig werk, waartoe het meisje of de vrouw goed voor moest zijn opgeleid.

Lakenverver, lakenverwer 
Zie blauw- en roodverver.

Lakenvolder (-volder, -voller)
Werkman in de lakenindustrie met als taak het weefsel van het laken hechter te maken door de vezels dichter bij elkaar te brengen. Eerst werd het gereinigd en ontvet. Hiervoor werd vollersaarde (vollersmergel) gebruikt.
Oorspronkelijk gebeurde het vollen in grote volkuipen, die gevuld waren met warm water, de zeepplant en zemelen, later gebruikte men volaarde, vet of boter en urine. Dit laatste werd in kruiken van huis meegebracht. De bewoners van Tilburg ontlenen hier hun scheldnaam 'kruikezijkerd' aan.
In deze kuipen werd het laken gedeponeerd. Vervolgens stampten de volders  in deze kuipen enige uren naakt op dat laken. Dit kromp daar door en kreeg enigszins een viltachtige structuur.

Na het vollen moest het laken weer gewassen worden, waarna het verder werd verwerkt.
In de loop van de zeventiende eeuw kwamen volmolens tot ontwikkeling, die dit zware werk overnamen.

Lakenwever 
Wever van laken. In het begin werkten de meeste wevers als kleine zelfstandige thuis, waarbij de wol door de drapeniers werd geleverd.Lakmoesmaker 

Lakwerker
Ook verlakker/verlakkersbaas/verlakkersknecht.
"De schepen van de V.O.C. brachten niet alleen grondstoffen en specerijen mee maar ook gebruiksvoorwerpen zoals porselein, behangsels en lakwaren uit china en Japan. Deze producten waren kwalitatief en esthetisch van zo’n hoog gehalte dat het onder de beter gesitueerden een zeer begeerd goed was. Bij rijke kooplieden werden vertrekken wel volledig in oosterse stijl ingericht. Dit oosterse lakwerk was soms zeer kostbaar. De vraag was groter dan het aanbod, zodat het geen verwondering wekt dat men het ook o.a. in ons land en Engeland  trachtte te vervaardigen.

Het probleem was achter het geheim van de feilloze afwerking van gelakte producten te komen. Het heeft lang geduurd eer men ontdekte dat de belangrijkste grondstof voor de afwerklagen het sap van de lakboom (Rhus-Venicifera), werd gebruikt. Hieraan werden dan pigmenten of kleurstoffen toegevoegd. Zo verkreeg men transparante of gepigmenteerde lakken zoals goud-, rood- of zwartlak. Bij het verwerken van deze lakken werd ook o.a. ivoor of parelmoer op een decoratieve wijze in de natte laklaag ingelegd.
Na voorbewerking van de ondergrond werden de verschillende lagen aangebracht die telkens geslepen moesten worden.

Verlakken werd op verschillende manieren en ondergronden gedaan. Men kende verlakt leer (laarzen, laarsjes en riemen), het verlakken van ijzerwerk, dat aan de open lucht was blootgesteld en van gebruiksvoorwerpen als kannen. Verder werden allerlei houten voorwerpen en meubelen verlakt.

Landbouwresse, Landbouweresse
Vrouwelijke vorm van landbouwer, boer op een bedrijf waar de akkerbouw mogelijk een voorname plaats inneemt.

Landman
Landgebruiker, landeigenaar, boer.

Landmeter
Na het vertrek van de Romeinen heeft men lange tijd niets van landmeetkundige activiteiten gemerkt, maar een zekere vaardigheid moet op de een of andere manier aanwezig gebleven zijn. In een charter uit 816 bepaalde Lodewijk de Vrome dat bij elke te bouwen kerk een stuk land ter grootte van een volle hoeve, d.w.z. een grootte van ongeveer 13½ ha., moest zijn gelegen ten behoeve van parochiekerk en pastorie. Ook bij de ontginningen, die omstreeks het jaar duizend op gang kwamen in Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Utrecht is een zekere planmatigheid te herkennen. Ook hiervoor was een zekere landmeetkundige bedrevenheid nodig.

Hoe deze werkzaamheden in het begin exact gebeurden, is niet meer na te gaan, al kan uit sommige benamingen wel iets worden afgeleid: lijntrekker, stadspaalder en roedrager. Rond 1400 sprak men te Utrecht van 'lijntreckinge' en 'ghesworen werckende mitter lijnden'
Evenals bij de andere ambachten is de opleiding oorspronkelijk in de praktijk gebeurd. Hoewel ook officiële opleidingen ontstonden, kreeg tot in de twintigste eeuw een belangrijk deel van de landmeters zijn opleiding bij oudere collega's of bij kleinere particuliere scholen. Dit zal in de hand gewerkt zijn omdat bij het werk tenminste een hulp noodzakelijk is.

In de loop van de zestiende eeuw deden zich enkele ontwikkelingen voor, die van groot belang waren voor de landmeetkunde. Er ontstond behoefte aan kaarten voor militaire doeleinden, de grondadministratie en de stedelijke ontwikkelingen. Verder ontstonden betere wiskundige rekenmethoden en betere instrumenten.. Ook de opleiding werd verbeterd. Bij een besluit van 14 december 1598 verboden de Staten van Holland het optreden van niet-geadmitteerde landmeters. De eisen om toegelaten te worden waren doorgaans niet hoog, het examengeld wel.

Gebruikte gereedschap waren: een 'Winckel-kruys', een meetketting, een meetlat, een aantal meetpenningen, een aantal jalons (bakenstokken) en een 'Memory-boeck' om de meetresultaten vast te leggen.
Of destijds het landmeterschap alleen een toereikend inkomen opleverde is moeilijk te beoordelen. Abraham van Persijn, begraven te 's-Gravenhage staat vermeld als mathematicus, landmeter, wijnroeier en ingenieur.
Daarnaast bestond de combinatie landmeter en plaatsnijder, een combinatie, die het mogelijk maakte om kaarten te vervaardigen en te verspreiden. 

Landpoorter
Was hij die de rechten van een stedeling had, zonder stedeling te zijn.

Landschapsytiger
IJker van vaten, korven e.d.

Landssoldaat 
(Vermoedelijk) soldaat met politietaken, o.a. te Wymbritseradeel (Fr.) en Oost Groningen.

Lantaarn-
Voor verlichting binnenshuis beschikte men destijds over kaarsen en olielampen. Allengs werden ook allerlei lantaarns gebruikt, vervaardigd door de lantaarnmaker.
In 1595 werd te Amsterdam bepaald, dat elke twaalfde woning aan de straatzijde van een lantaarn met brandende kaars moest zijn voorzien. Dit bleek niet goed te werken. In 1597 werd de eerste lantaarnopsteker aangesteld om voor de straat verlichting zorg te dragen. Daarvoor was al bepaald, dat ieder, die zich na negen uur 's-avonds op straat begaf, een lantaarn bij zich moest dragen. In 1663 ontwierp Jan van der Heyden een houten muurarm met een twee-voet hoge lantaarn met daarin een lamp die met raapolie werd gestookt. Dit begin van de straatverlichting vereiste ook een organisatie voor 'De dienst der Straatlantaarnen":
Iedere lantaarnopsteker had ongeveer 20 lantaarns te vullen en aan te steken. Dit gebeurde met brandende kaarsen. (Het vullen vond kennelijk althans ten dele ook plaats door lantaarnvulder/vullers, want deze beroepaanduiding wordt eveneens aangetroffen.)
In 1682 had Amsterdam al 2380 straatlantaarns aangebracht.
Een voorbeeld dat spoedig door de andere steden en ook dorpen werd nagevolgd.

In het midden van de negentiende eeuw leek het er op dat de petroleumlamp in gebruik zou komen, maar deze vorm van verlichting werd direct grotendeels door gaslantaarns verdrongen. In Amsterdam stonden in 1910 9500 gaslantaarns en toch ook nog 136 petroleumlantaarns. Deze lichtbronnen zouden op hun beurt weer door elektrische verdrongen worden.
Ook voor het aansteken van vuurbakens op o.a. havenhoofden had men lantaarnopstekers.
Kennelijk waren deze beroepen deeltijd beroepen want meestal werden ze in combinatie met andere uitgeoefend om voldoende inkomsten te verwerven.
Soms fungeerden ook vrouwen als lantaarnopsteker.

Lapper
Het woord 'lapper' is een aanduiding voor meerdere vormen van beroepsuitoefening. Een lapper is een hersteller.
Een lapper die ketellapper was, ook ketelboeter genoemd, repareerde ketels, kannen e.d.
De lapper die schoenlapper was, repareerde schoeisel.

Lede(n)zetter (lidzetter)
Zetter van gebroken ledematen. Ook o.a. nevenfunctie van de beul.

Leed(aan)zegger
Leed(aan)zegger is een andere term voor aanspreker of doodbidder.
De leedaanzegger gaat rond om het leed aan te zeggen, het sterfgeval bekend te maken. Tot zijn werkzaamheden behoren het bij de huizen aanzeggen bij buurtgenoten en het verzenden van de uitnodigingen ter begrafenis aan familieleden, vrienden en bekenden van de overledene. Ook kan hij de dode afleggen en gereed maken om gekist te worden.
Dit gebruik kent een lange geschiedenis.
Om een sterfgeval van een niet geestelijk persoon bekend te maken stelden de steden officiële functionarissen aan om hardop de naam van de overledene te roepen om diens ziel aan te bevelen in de gebeden van de gelovigen. Een dergelijke stadsbeambte werd “dodenroeper”genoemd. De oudste vermelding dateert uit 1426. Na de Reformatie is dit ambt vervallen. Vele dodenroepers werden doodbidder.

In de steden was van oudsher eigenlijk iedere burgerbegrafenis een gildebegrafenis omdat bijna iedere stedeling tot een gild behoorde. Het was een recht van het gilde zijn gestorven leden te begraven. De gildeknecht moest voor het ten grave dragen het gilde bijeenroepen. Dit bijeenroepen werd “aanspreken” genoemd. De gildeknecht was dus de aanspreker van het gilde. Hij ging de gildebroeders bij langs en gaf daarbij een begrafenispenning af. Deze werd na de begrafenis weer ingenomen. Dit als controle om te weten wie er niet verschenen was. Als aanspreker ging de gildeknecht als leider van de stoet voor de baar uit, gekleed in een rouwmantel die tot op de grond hing en een met zilver beslagen doornen stokje in de hand.

Zij die niet tot een gilde behoorden konden zich wenden tot personen die van het leiden van begrafenissen hun beroep hadden gemaakt. Ofschoon zij niet het recht hadden tot aanspreken noemden velen van hen zich ook aanspreker. Leden van een gilde die ook van dergelijke diensten gebruik wilden maken moesten aanhet gilde een boete betalen.

Na de stichting van de Republiek geschiedde het aanzeggen in de steden door een koster of een aanspreker (“gesworen bidder”) De bidders gebruikten voor het nodigen gedrukte “aanspreekbriefjes” . Op de eerste avond na een sterfgeval kwamen bloedverwanten en vrienden bijeen om de “leesceelen”of “opleesrollen”gereed te maken, lange stroken papier waarop de namen van de te nodigen personen werden opgetekend. Deze opleesrollen oftewel aansprekersceelen die met een zwart bandje waren dichtgebonden, werden overgegeven aan de “bidders ter begrafenisse”. Aan de hand hiervan werden de begrafenisbriefjes rondgebracht. Er werd ruim gebruik gemaakt van deze briefjes. In gevolge van een van de keuren uit 1667 moest men te Amsterdam voor dat gebruik voor iedere honderd briefjes één gulden aan de aalmoezenier van het Weeshuis betalen met een minimum van drie gulden. Ook werd een maximum formaat vastgesteld. Dit aanzeggen en persoonlijk afgeven van de overlijdensbrief heeft zich in Nederland tot na de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd. Later gebeurde het vooral per post. In de zeventiende eeuw werd het deftig meerdere aansprekers te huren, maar reeds in 1654 verbood bijv. De Amsterdamse vroedschap het gebruik van meer dan vier aansprekers.

De bidders vormden in de steden een eigen gilde. Hun baan was aantrekkelijk, mede omdat zij ook rouwkleding verhuurden. In Amsterdam werd in 1696 een keur uitgevaardigd waardoor het aansprekersberoep een stadsmonopolie werd. Hierdoor werden vele aansprekers en lantaarndragers brodeloos wat leidde tot een oproer. Gezien de daardoor veroorzaakte schade, die hoger was dan de opbrengsten van de nieuwe regeling werd deze keur weer ingetrokken.
De gildeaanspreker droeg een lange tot de grond afhangende rouwmantel en een grote flaphoed. De bidders een lange mantel en een flaphoed met een sluier. In de achttiende eeuw ging men in kleding en manieren de predikanten nabootsen. De “mode” was niet overal gelijk en onderging in de loop van de tijd veranderingen.
Het platteland was en is ook wat de begrafenisgebruiken betreft, het meest behoudend.

Leedbidder
De leedbidder gaat de vrienden tot de leed bidden, d.i. ter begrafenis verzoeken (Friesland).

Leerbereider, leerlooier
Men maakte onderscheid tussen huiden (zwaar leer) en vellen (licht leer). De huiden of vellen werden vers, gedroogd of gezouten aangevoerd. De laatste twee bewerkingen dienden om bederf tegen te gaan. Als de huiden van ver (o.a. Argentinië, Kaap De Goede Hoop en Rusland) kwamen, was alleen drogen toereikend. De gedroogde en gezouten huiden moesten eerst een tweetal weken worden geweekt, voor ze verwerkt konden worden. De verse werden alleen gewassen en met een vleesmes op de boom van vleesresten ontdaan. De verse huiden werden enkele dagen opgehangen in een verwarmde gesloten ruimte, waarna een rottingsproces plaatsvond, waardoor ze 'afgetrokken' konden worden, d.w.z. met een haalmes werden de haren en de opperhuid er afgeschraapt. Alle andere huiden en vellen gingen de kalkkuip of -put in. In vier opeenvolgende baden van toenemende sterkte werden de huiden en vellen geprepareerd. In de kalkput moest het materiaal regelmatig 'gehandeld' worden, geroerd, uit de kuip gelicht, dooreen gehusseld en weer teruggezet. Daarna waren ook deze huiden en vellen geschikt voor ontharing en het verwijderen van vleesresten. Dit ontharen, ontvlezen en ontvetten noemde men ploten, later bloten. Daarna vond het eigenlijke looien plaats, waarvan men destijds drie vormen kende: roodgaren (met run, een aftreksel van eikenbast), witgaren (met aluin) en zeemgaren (met levertraan en eieren).

  1. Plantaardig gelooid
    De geplote oftewel geblote huiden werden voor het roodlooien laag op laag in een looiput of -kuip gelegd, telkens met een laagje gemalen eikenbast er tussen. Op gezette tijden verving men bast en run door verse. Na 13½ maand werd het gedroogd en gewalsd en was het o.a. gereed voor zoolleer.
    Lichtere huidsoorten vergden minder tijd. De vellen werden na het ploten voorbereid in een met een aftreksel van duivenmest gevulde kuip. In die tijd werden ze dagelijks gehandeld en op de boom geschraapt. Daarna gingen ze de looikuip in, die met zwakke run gevuld was, daarna volgende baden in sterkere  runoplossingen. Na ongeveer vier maanden was het looien voltooid. De vellen werden dan gedroogd en gingen naar de touwer, de leerbereider, die het verder gebruiksklaar maakte, bijv. bovenleer voor schoenen.
    Zie ook cordeweener.

  2. Witgelooid leer werd met aluin gelooid. Het is wit tot lichtgeel of grauwachtig.

  3. Zeemleer. Dit heeft een gele tint en is zeer soepel. De oppervlakte van de haarzijde werd bewerkt. De natuurlijke nerf werd versterkt door krispelen, d.w.z. het rollen van de op de haarzijde dubbelgeslagen huid. Verzwakking door pletten: vroeger handmatig met een gladkolf, later gebeurde dit machinaal met een pletplaat of –wals.

Leerkoper
Handelaar in leer.

Leerlooier 
Zie leerbereider

Leerlooierij
In de Middeleeuwen werden de hoorns op locatie van de huid gesneden. Vervolgens moesten de huiden nat worden gehouden en bewerkt met urine, kalk en mest. De urine en de mest dienden om vet en haar van de huiden te verwijderen. Verder werd mest gebruikt om het leer zacht te houden. Om de huiden te looien werd meestal de schors van de eikenboom gebruikt.

Leertouwer en zeemtouwer
Reeds in de dertiende eeuw kende men de beroepsaanduiding touwere of tauwere. 
Onder touwen wordt het opmaken van de rungare huiden verstaan om het een fraaier uiterlijk te geven of om het voor sommige doeleinden beter geschikt te maken. Na het looien moeten de huiden daartoe enige bewerkingen ondergaan. Afhankelijk van de soort huiden en de bestemming van het verwerkte leer spreekt men van leer- en van zeemtouwen. De bewerkingen en de orde, waarin zij elkaar opvolgen zijn niet gelijk voor alle soorten leer, maar hangen af van de eigenschappen en de doelstellingen.
Bij het leertouwen onderscheidt men o.a. zooileer, overleer, (hoofdzakelijk door - schoen- of zadelmakers gebruikt) en leer voor handschoen- en portefeuillemakers (geiten, lams- en schaapsleer).
Door de zeemtouwerij worden de huiden van o.a. herten, elanden, reeën, hamels, schapen en soms ook kalfsvellen in zeem gaar leer of zeemleer veranderd. Het werd/wordt hoofdzakelijk gebruikt voor en bij het maken van kledingstukken als broeken, vesten, slobkousen, zakken. Verder voor bretels, banden en verbanden voor chirurgisch gebruik, en in de huishouding als zeem (bij het ramen wassen).

Leeskabinethouder
Beheerder van een leeskabinet. Een leeskabinet was een kamer waar men de gelegenheid vond boeken, tijdschriften en couranten te lezen. 

Leesmeester (Lesemeester)

  1. Meester die het lezen onderwijst.
  2. Meester die in het openbaar les, lessen gaf.

Leeste(n)maker
De leeste(n)maker vervaardigt houten modellen van voeten waarover een schoenmaker een schoen vormt.

Ook in de techniek kent men het begrip leest, ook wel doorn genoemd, en de vervaardiging daarvan. Hier gaat het om gereedschap dat dient om de met een doorslag of anderszins aangebrachte gaten in ijzer op een bepaalde wijdte of vorm te brengen: een 15 tot 30 dm lang stuk staal van vierkante, rechthoekige of cirkelronde dwarsdoorsnede, welke naar onder pyramide- of kegelvormig toe loopt.

Legatuur
-maker
-werker
-wever

Legatuur was een soort stof die op brocaat of goudlaken geleek.

Legger
Deze beroepsuitoefening komt voor

1 bij de verwerking van haring 

en 2 bij het papiermaken.

Leggermaker
Leggers, laagjes papier en karton van verschillende samenstelling, hadden in de hoogdruk de functie zorg te dragen, dat de gehele drukvorm egaal het papier bedrukte. De legger plus het te bedrukken papier moesten tezamen een bepaalde dikte hebben, waar bij de legger niet te zacht moest zijn, zodat de drukvorm niet te diepe moeten in het te bedrukken papier veroorzaakte. Via de legger ook waren aanpassingen aan de drukvorm mogelijk, bijv. als een cliché meegedrukt  moest worden. In de kleine drukkerij vervaardigde de drukker zelf zijn leggers, in grotere bedrijven zorgde een leggermaker voor de goede leggers.

Leidekker
Er is een grootverschil in leisteensoorten. De duurzaamheid kan van tien tot driehonderd jaar uiteenlopen.
Eeuwenlang was het de gewoonte alle voorname gebouwen, kerken en kloosters met natuurlei te bedekken. In 1368 werden leien en leipannen (van klei gebakken) van dakbedekking door de stad Utrecht bij voorkeur aanbevolen en zelfs voorgeschreven.
Lei werd vroeger, evenals  een dakbedekking, die uit over elkaar liggende plankjes (ook als dakbedekking gebruikt) schalie genoemd.
De stad Maastricht koos in 1382 'gouverneurs' voor de 'leyendekkers': twee vakpatroons, die op goede levering en goed vakwerk moesten toezien.
De leien werden eerst op grootte gesorteerd en van nagelgaten voorzien.
Bij bouwwerken boven en langs de Rijn, zomede tussen Waal en Rijn werd uitsluitend de Rijndekking toegepast (schubmodel). In de omgeving van enkele zeehavens als Zierikzee en Edam werden Engelse leien verwerkt.
Voor bouwwerken langs de Maas (Limburg, Noord-Brabant en een gedeelte van Zeeland) werden vrijwel uitsluitend Franse leien gebruikt. De wijze waarop deze werden verwerkt noemde men Maasdekking.
Soms vond (vindt?) men gesigneerde leien, die iets zeggen over de opdrachtgever(s) of de leidekker.

Leidselmaker
Ook wel leidselbreier genoemd.
vervaardiger van leidsels (leidzelen, leizelen).

Lemmer
De lemmer was werkzaam op het vleesdek van een walvisvaarder. Ze waren onderverdeeld in eerste en tweede lemmer.

Lemmetmaker 
Vervaardiger van de pitten (lemmets) voor kaarsen en (olie)lampen.Lepelgieter, lepelmaker 
Lepels om te eten werden destijds vooral van tin gegoten. Daarnaast kende men uiteraard de uit hout gesneden (pol)lepels en grotere opscheplepels van ijzer voor allerlei doeleinden.Leprozenmeester 
Beheerder van een leprozij, een gesticht ter huisvesting van leprozen, melaatsen, lepralijders.

Lettergieter, letterschaver, lettersnijder, lettersteker
Na de uitvinding van de boekdrukkunst met losse letters zijn er veel lettersoorten voortgebracht. De  eerste letters en later de grotere korpsen (ten behoeve van reclamebiljetten) werden uit hout gestoken.. Op rommel- en antiekmarkten komt men ze nog wel tegen. In het begin vervaardigde iedere lettergieter (veelal tevens de drukker) naar eigen opvatting letters, zowel wat hoogte als dikte betrof. De Parijse lettergieter Pierre Fournier had in 1737 een systeem tot ordening bedacht, maar het bleek wenselijker dat de maten, die gebruikt werden, in overeenstemming werden gebracht met de toen wettelijke maat, de Piede du Roi oftewel koningsvoet. In 1879 werd de eenheidsmaat van Didot hier te lande door de lettergieterijen aangenomen.
De letter- of stempelsnijder sneed/stak de letters positief in staal. Deze stempels werden in koper overgeslagen. Ze verkreeg men negatieve letterbeelden. Deze dienden om de matrice te maken, de eigenlijke vorm. Deze  werd in een geelkoperen werktuig, de klemhaak, die uit twee helften bestond, gezet. Van dit werktuig werden de beide helften met een vijftiental schroeven vastgezet. Hier in werd het gesmolten lettermateriaal, dat naast lood andere stoffen bevatte om de letters duurzamer te maken, gegoten.

De letters werden daar uit gelicht, geslepen en door de letterschaver op de juiste hoogte gebracht. Hij neemt daartoe een aantal in een rek geplaatste letters en zet die het onderst boven in een gleuf van een ijzeren plaat, waarna hij die gehele regel, door middel van een trekschaaf van een gleufje voorziet. Uiteindelijk worden de letters bij elkaar gebonden. Dit procédé verdween toen de lettergietmachines in gebruik kwamen.

 

Lettertekenaar
De lettertekenaar ontwerpt de letter, bovenkast, onderkast, mager, vet, cursief, enz. waarna vroeger in de lettergieterijen de matrijzen gemaakt werden.  Tegenwoordig gebeurt dit met behulp van en voor de computer.

Letterzetter
De letterzetter was (en incidenteel is) werkzaam in dat deel van het drukkersbedrijf, dat men de hoog- of boekdrukkerij noemt. De zetterij valt uiteen in twee groepen: de handzetterij en de machinezetterij, die allebei weer variaties kennen.

Het oudst is de handzetterij, in feite het bijeenrapen van letters e.d. om zetsels te vervaardigen. De letters worden bewaard per soort en per grootte in laden, die in de grafische wereld kasten heten. Deze kasten worden in (zet)bokken bewaard. Een letterlade is verdeeld in een boven- en een onderkast, die een geheel vormen en waarin de letters niet in alfabetische volgorde worden opgeborgen, maar volgens een systeem van praktische overweging. In de bovenkast worden o.a. de kapitalen (= hoofdletters) bewaard, in de onderkast de kleine letters, tekens als de komma, de dubbele punt enz. plus het z.g. letterwit, waarmee men de ruimte tussen de woorden opvult.
Het gereedschap bestaat uit zethaak, zetlijn, galei, zetlood en els. De zethaak dient om de letters tot woorden en de woorden tot zinnen bij elkaar te voegen, de zetlijn (van koper of nikkel op letterhoogte is hulpmiddel om de letters gemakkelijker in de haak te doen glijden. De regels worden bij elkaar gevoegd in de galei, waar ze met zetlood op hun plaats worden gehouden. Met de els wipt men eventuele verkeerde of beschadigde letters er uit. Merkwaardig is dat de zetters de letters kopstaand verwerken.
De leerling zetter begon als regel met het distribueren van gebruikte zetsels: ze terugleggen op de goede plaatsen in de kasten.

Men onderscheidt in de handzetterij de platzetter, de smoutzetter en de tabelzetter.

De platzetter zet vooral platte teksten, d.w.z. de teksten voor kranten, tijdschriften, boeken, polisvoorwaarden e.d., een bezigheid die later in belangrijke mate door zetmachines werd overgenomen.

De smoutzetter vervaardigde zetsel voor meer gecompliceerde objecten als handels-, reclame- en familiedrukwerk.

De tabelzetter zette met de hand staat- en tabelwerk: formulieren, cijfertabellen, statistieken, kasboeken e.d. Een tabel bestaat uit een aantal door horizontale en verticale lijnen gescheiden kolommen, waar getallen in staan of later moeten worden ingeschreven of getypt. Met opschriften er voor en/of er boven.

De machinezetters.
Bij het machinaal zetten kende/kent men verschillende systemen.

In het begin van de negentiende eeuw werden de eerste zetmachines vervaardigd. Aan de later gebruikte zetmachines gingen een tweehonderd 'voorlopers' vooraf. Via het werk van Ottmar Mergenthaler, die op 18-jarige leeftijd naar Amerika emigreerde, werden de Linotype- en Intertype zetmachines ontwikkeld. Deze bestonden uit een magazijn, waarin de matrijzen zich bevonden, een toetsenbord, door middel waarvan de matrijzen uit het magazijn worden gelaten, het gietmechanisme, waarmee de letterregels gegoten werden en een distribueerapparaat dat de gebruikte matrijzen weer op hun plaats bracht. In 1894 werd de eerste Linotype-zetmachine in ons land geplaatst bij Gebr. Binger te Amsterdam. Felix Binger was de eerste machinezetter in ons land.

Een tweede type was de Typograph, bestaande uit een vaststaand onderdeel en een beweeglijk bovendeel. Dat een net van trek- en glijdraden draagt. Via het typen op het toetsenbord glijden de matrijzen naar beneden. Is een regel gezet, dan wordt het uitvul- en gietapparaat in werking gesteld en wordt de regel gegoten. De gegoten regels glijden in een galei waar ze een kolom vormen. Door het bovendeel te kiepen glijden de matrijzen op hun plaats, waarna een volgende regel gezet kan worden.

Een derde type is de Monotype-Zetmachine. Deze bestaat uit twee aparte delen: de toetsenbordmachine, waarmee men in stroken papieren band gaatjes ponst en de gietmachine, die via deze geponste band het gewenste zetsel giet (in de vorm van losse letters).
Daarnaast had men nog de Ludlow-lettergietmachine voor grotere letter en een Elrod-lijnengietmachines voor het gieten van lijnen in verschillende diktes. 

Leurkramer
Ook leurder en leurster.
Kramer, kleinhandelaar, die met zijn koopwaar langs de deuren trok. De handelswaar was zeer uiteenlopend, o.a. mossels, boter (van een mindere hoedanigheid), hout, zand.
Soms waren ze concurrent van de 'officiele' handel. I
Ook leurders waren wel verenigd in een gilde. 

Leyker 
De leyker of slotenschoonmaker, ook wel hekkelaar genoemd, schoonde de sloten om te voorkomen dat deze dichtgroeiden, wat de doorstroming van het water zou belemmeren.

Licentmeester, Licent-Meester

In het bijzonder in de Republiek der Vereenigde Nederlanden was een licent in eerste instantie de toestemming om met onderdanen van een vijandelijk land handel te drijven tegen betaling van zeker recht ten behoeve van de admiraliteiten. Zowel bijv. op de Zuidelijke-Nederlanden als op Spanje dreven de Noord-Nederlandse kooplieden onder licent der Staten een voordelige handel. De eerste vergunning daartoe werd in 1577 te Vlissingen geveild. In 1577 werden deze belastingen van Holland en Zeeland overgenomen door de Staten Generaal van de Republiek. Ook na de Vrede van Munster bleven deze belastingen in stand, maar kregen het karakter van een in- en uitvoerbelasting

Lichter
Een lichter is werkzaam bij de aanleg van dijken en wegen. Het was een werkman die de zoden of de bovenaarde op de vereiste dikte afstak. Een ploeg zodensnijders, bestaande uit twee ploegers en twee lichters kon op een dag 400 vierkante ellen afsteken. In sommige streken een functie in de steenbakkerij. Ook iemand die zijn beroep maakte van het lichten van schepen.

Lichterman, lichterschipper
Een lichter was ook een type schepen, dat werd gebruikt om goederen uit grotere (zee)schepen te lossen. In Amsterdam kende men het lichtermans- en lichtersliedengilde en ook het korenlichtermansgilde.

Lichtopzichter, lichtwachter 
De lichtdienst moest zorgdragen voor lichttoestellen op havenhoofden, lichtschepen en lichtbakens. Men onderscheidde de lichtopzichter der 1ste klasse, id. der tweede klasse, de hoofdlichtwachter, de lichtwachter en de tweede lichtwachter.

Lijfrijgmaker, keurslijfmaker
Vervaardiger van keurs- oftewel rijglijven, een onder de bovenkleding gedragen stijf rijglijf, een soort korset, met baleinen verstevigd, dat de rug, borst en dijen omvatte, dat met veters werd toegehaald om aan het bovenlichaam, middel, borst en heupen de gewenste slanke vormen te geven.
Ook mannen maakten wel gebruik van een rijglijf.

Lijkbezorger 
Degeen die de begrafenis regelt.

Lijkbidder
Zie ook aanspreker.
Na de stichting van de Republiek vond het aanzeggen in de steden plaats door een koster of door een aanspreker of 'gesworen bidder', die door de burgemeester of de regeerders werd aangesteld. In Leiden werd gesproken van een 'noodiger ter begrafenis', elders van lijkbidder, doodsbidder, bidder, leedaanzegger, groevebidder, leedbidder, lijkbode, aanzegger. Dit is een persoon die de familie en vrienden van een overledene voor de begrafenis uitnodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en belast is met de regeling van de begrafenis. De bidders gebruikte voor het noodigen gedrukte 'aanspreekbriefjes', die soms geheel op rijm waren. In een gegoed gezin kwamen op de eerste avond na het sterfgeval de bloedverwanten en vrienden bijeen om 'leesceelen'of 'opleesrollen' gereed te maken, waarop de namen werden aangetekend van degenen, die genodigd moesten worden. Deze 'aansprekersceelen' werden aan de 'bidders der begrafenisse' ter hand gesteld. Aan de hand van deze celen werden de begrafenisbriefjes rondgebracht. Volgens een keur van 1667 moest men te Amsterdam voor iedere honderd begrafenisbriefjes één gulden aan de aalmoezeniers van het Weeshuis betalen met een minimum van drie gulden. Ook het formaat was bepaald. Dat mocht niet groter zijn dan 'quarto ordinaris schrijfpapier'. Het aanzeggen en persoonlijk afgeven van de overlijdensbrief heeft zich in Nederland tot ongeveer 1950 kunnen handhaven, maar werd vervangen door verzending per post.
De (lijk)bidders vormden destijds een eigen gilde, waartoe ook vrouwen konden behoren. Zij verhuurden tevens rouwkleding, wat extra inkomsten verschafte. In Nijmegen werd het ambt van bidsters tot 1672 uitgeoefend, elders handhaafden zij zich tot in de negentiende eeuw. De gilden hadden hun eigen aansprekers, die gekleed waren in een lange tot op de grond hangende rouwmantel en droegen grote flaphoeden. De bidders droegen lange mantels, een flaphoed met een sluier van crêpe, die soms zo lang was, dat hij moest worden opgenomen. In de achttiende eeuw werd het gebruikelijk de predikanten na te bootsen, zowel in kleding als in manieren.

Lijkwagensverhuurder
De voorloper van de hedendaagse begrafenisondernemer.

Lijmkoker , lijmmaker, lijmsieder, lijmwerker
Lijm, niet te verwarren met 'plaksel' (stijfsel of gom) was van dierlijke oorsprong.
Dierlijke lijmen werden gekookt uit slachtafval, restanten huid en botten. Als grondstof, 'lijmgoed', dienden reststukken en schraapsel van schapenvellen, paarden- en runderhuiden, beschadigde vachten, konijnenvellen, oren van slachtdieren, kalfshoefjes, hoornkernen, snippers perkament, afval van varkenspotenkokers, botten en kraakbeen, zwemblazen van vissen (o.a. van de steur) en oud leer (als zwepen, riemen en oude handschoenen.
Voor het koken moesten bij vers lijmgoed eerst de aanhangende vleesresten en eventueel aanwezig haar worden verwijderd. Het werd daartoe in kalkwater geweekt, geschraapt en gewassen.

Het lijmgoed ging in netten, die in gemetselde vaten werden gekookt. De vaten hadden een dubbele bodem want de lijm mocht niet aanbranden. Tijdens het koken vormde zich een vies, stinkend schuim, dat van tijd tot tijd werd afgeschuimd. Ook kwam vet bovendrijven, dat naar de zeepzieder ging. Na verloop van tijd, als de oplossing sterk genoeg was, kon het lijmgoed worden verwijderd. De oplossing werd verder gekookt en ingedikt. Na het koken en klaren werd de hete oplossing afgetapt in houten afzetbakken, die van binnen met dun lood bekleed waren en van buiten met slechte warmtegeleiders opdat de afkoeling en de hardwording van de lijmoplossing zoveel mogelijk vertraagd werden. In de afzetbakken bezonken de in de lijm zwevende vaste resten. Het lijmgoed werd zo'n drie maal afgetrokken. De overblijvende resten van het lijmgoed werd als meststof aan landbouwers verkocht.

De gevormde lijm werd in grote houten koelers gegoten om tot een gelei te stollen, die met een schop in een snijvorm werd gedaan en met een messing draad tot dunne plakken gesneden. Deze werden op een droogzolder op  netten gespreid om verder te verharden. Dit drogen veroorzaakte vaak problemen. Bij te veel vocht in de atmosfeer beschimmelde de lijm, bij harde wind droogde hij te snel en scheurde, bij te warm weer smolt hij.
Al bij al was een lijmkokerij herkenbaar aan de stank.

De aldus vervaardigde lijm werd schrijnwerkerslijm genoemd, maar werd onder meer ook gebruikt door boekbinders, hoedenmakers, kartonneurs, kunstparelmakers, leerbewerkers, vergulders en zadelmakers.

Lijnbaander/lijnbaner
Iemand die een lijnbaan (touwslagerij) exploiteerde of daar werkzaam was..

Lijndraaier
Ook touwslager of baander (baandersbaas) genoemd.

 

De lijndraaier kocht de hennep van de boeren uit de omgeving en verwerkte dit tot touw.

Lijndrijver 
Degeen, die het paard aan de lijn, waarmee schepen worden voortgetrokken, bestuurt, dus scheepsjager of jager voor een schuit.

Lijnentrekker/lijntrekker
Met deze benaming worden twee verschillende beroepen aangeduid.

  1. De scheepsjager, ook lijnloper of tragelaar/trakelaar genoemd. Dit niet alleen bij de binnenvaart. Ook degeen die een sloep bij stil weer of ongunstige wind langs het havenhoofd in of uit de haven trekt.

  2. Hulp van de rooimeester. Zij die met lijn en rad de erfscheidingen moesten trekken wanneer bijv. de partijen het niet eens waren over de erfscheiding(en)
    Zie: rooimeester

Lijnloper 
= lijntrekker = scheepsjagerLijnschieter/lynschieter 
De lijnschieter was degeen die de lijnen van de harpoenier verzorgde bij de walvisvaart
Daarbij moest hij onder meer opletten dat geen lussen van de lijn om de armen of benen van de opvarenden van de sloep terecht kwamen. Als de harpoen doel trof en de walvis ging er vandoor dan was dat voor degeen die in de lijn verward was geraakt geen aangename situatie.Lijnslager, touwslager, lijntrekker 
Zie lijndraaier.

Lijnwaad, lijnwaet = linnen

 

Grondstof voor de vervaardiging van lijnwaad is vlas. Vlasverbouw vond in het hele land plaats, vroeger vooral op zandgronden. Bekend zijn o.a. Twente en de Brabantse Meieri. Anders dan bij graan werd vlas uit de grond getrokken. Dit gebeurde door vrouwen, mannen en kinderen. Nadat het vlas winddroog was werd het tot schoven gebonden en overeind gezet in hokken (aantal schoven tegen elkaar aan). Na narijping volgde het repelen op de repelbank. Daarbij werden de toppen van het vlas door de rekel (een soort kam met lange tanden) getrokken om de zaaddozen van de stengels te scheiden. Het gerepelde vlas werd tot (dunne) rootschoven gebonden. Het vlas werd dan direct of later in water te roten gelegd. Dit diende om de aan het houtige gedeelte van de halm vastgekitte vezels los te maken. Was het vlas weer droog dan werden de schoven tot dubbele schoven samengevoegd en onder dak gebracht tot ze in het braakhok verder verwerkt konden worden. Dit braken was winterwerk voor losse arbeiders. De bewerkingen begonnen met het beuken van de losgemaakte schoof met de beuker. Daarna volgde het eigenlijke braken op de braak waarbij de houtige delen van de stengels in kleine stukjes, scheven, gebroken en voor een deel van de vezel gescheiden. Een verdere verwijdering van de scheven vond plaats op de slijpbraak. Indien nodig werd het vlas over de hekel gehaald. Daarna werd met behulp van een plank en het zwingelbord de rest van de scheven verwijderd door het slaan met houten stokken. Dit veroorzaakte een enorme stofontwikkeling, waardoor de meeste vlasarbeiders vroeg of laat last van hun longen kregen en vroeg stierven. Eventueel werden de laatste restjes met behulp van een ribbelmes verwijderd. De geschoonde lintbosjes werden samengevoegd tot bundels. Het vlaslint kon dan worden gesponnen en getwijnd of met dat doel worden verkocht.
De lijnwaad/linnen industrie was, vergeleken met de draperie minder ingewikkeld. Het zware werk van het vollen en ook het verven kwam meestal niet voor. Dit werkte zowel de inschakeling van vrouwen als de verspreiding op het platteland in de hand.

De lijnwaadspinster spon het vlaslint tot garen. Anders dan bij het spinnen van wol, dat van af de schoot plaats vindt, wordt linnen van af het rokken gesponnen. Er waren vrouwen, die zelfs twee draden tegelijk konden spinnen Het mindere afval werd veelal verkocht naar het Gooi (Laren), waar het werd gesponnen en verwerkt tot koedekken en tapijten.

De lijnwaadwever verwerkte het gesponnen garen tot weefsels. De linnenweverij was vooral een vorm van huisindustrie, die op verschillende manieren werd uitgeoefend. De productie varieerde van (grof) boerenlinnen tot fijne damastsoorten. Het linnen werd, voor zover niet nodig voor eigen gebruik, opgekocht door lijnwaad/linnenkopers, ook linnenreders genoemd. Deze verschaften zo nodig de noodzakelijke grondstoffen en kochten de producten van ambachtelijke en boerenwevers op. Omstreeks 1770 telde Almelo zo'n twintig linnenreders, die elke gemiddeld omstreeks honderd wevers aan het werk hadden. De linnenweefsel waren niet alleen bestemd voor binnenlands gebruik, maar werden ook geëxporteerd, o.a. via Amsterdam naar West-Indië en Amerika. Bekend zijn de Vriezenveense kooplieden, die met linnen heel Europa rondtrokken, o.a. Rusland en verschillende landen aan de Middellandse Zee.

De stukken linnen werden op de gewenste maat gesneden door de lijnwaadsnijder/ linnensnijder.

Het pakken werd gedaan door de lijnwaadpakker (lijnwaetpacker)/pakker van linnen.

De lijnwaad/linnennaaier/naaister verwerkte de stof tot gebruikstextiel. 

Lijstensnijder

Snijder van sierlijsten voor kastenen ander meubilair.

Lijstenvergulder
De lijstenvergulder vergulde lijsten van spiegels en schilderijen, oorspronkelijk door ze met in kwik opgelost goud te bestrijken, waarna dit werd verwarmd, waardoor het kwik verdampte en het goud achterbleef. Dit was een zeer ongezonde activiteit, die later werd vervangen door de lijsten met bladboud te bedekken of te bestrijken met goudkleurige verf als goudbrons.

Likeurmaker, likeurstoker

Vervaardiger van likeuren, (sterk) alcoholische dranken, die met kruiden, vruchten en suiker zijn bereid.

Likeurverkoper

Handelaar, verkoper van likeuren.

Linieerder, linieerster
Man, resp vrouw, die werkzaam in een kantoorboekbinderij of in een papierwarenbedrijf de linieermachines bedient. Men onderscheidde daarbij de enkelzijdige, de tweezijdige vellenroteermachines en de rotatie-linieermachines.

Linnenbleker
In de vijftiende eeuw was Antwerpen o.a. een stapelplaats voor geweven linnen stoffen. waardoor in de Zuidelijke Nederlanden o.a. de beroepsblekerijen tot ontwikkeling kwamen. Toen in de zestiende eeuw daar de geloofsvervolgingen begonnen, weken een groot aantal mensen uit naar de Noordelijke Nederlanden, waar ze hun beroep in alle rust konden uitoefenen. Als gevolg hiervan ontstond er in verschillende gewesten (o.a. Holland, Groningen, Friesland en Overijssel) een belangrijke linnenindustrie.

 

De lijnwaadbleker/linnenbleker nam in de linnenindustrie een aparte plaats in. De aanwezigheid van grond- en hulpstoffen speelde daarbij een belangrijke rol. De ligging moest zodanig zijn, dat de grondstoffen en de eindproducten op eenvoudige wijze aan-, respectievelijk afgevoerd konden worden. Een groot aantal blekerijen vestigden zich langs open water. De terreinen bij de blekerijen moesten op eenvoudige wijze ingericht kunnen worden tot bleekvelden en zo gelegen zijn dat de wind bij het drogen vrij spel had. Ook moest er voldoende schoon water aanwezig zijn. Tot het eind van de achttiende eeuw was het ook belangrijk dat er in de omgeving een belangrijke veeteelt bestond. Tot 1784, toen men begon zwavelzuur toe te passen bij het bleekproces, werd melk gebruikt voor de zuurbaden. En één blekerij kon in een jaar meer dan zestien ton melk gebruiken. Ook een uitgebreide vlasteelt in de omgeving speelde een relatief grote rol, zij het dat dat geen doorslaggevende reden was.  Zo is 's-Hertogenbosch een tijdlang een belangrijke vestigingsplaats geweest, waar zelfs Antwerpse wevers hun lijnwaad naar toe zonden. Het zachte rivierwater van Dommel en Aa bleken bij uitstek geschikt. Op gegeven ogenblik werd het daar door de hervorming en de oorlogsomstandigheden echter minder rustig. Inmiddels bleek ook de omgeving van Haarlem - reeds een centrum van de linnenproductie - bij uitstek geschikt voor het bleken, zodat ook verschillende Bossche blekers zich daar vestigden. Hier te lande gebruikte men als brandstof voor de ovens voornamelijk turf, gemakkelijk per schip over water aan te voeren.
Een andere grondstof voor het bleken is as. Naast schoon water was de kwaliteit van de as in belangrijke mate van belang. Deze as werd voor een groot deel gewonnen te en uitgevoerd uit landen rond de Oostzee.
De deelbewerkingen van het bleken bestonden uit weken (= losmaken van vuil), wassen en spoelen (om het losgeweekte vuil te verwijderen), wringen en drogen op de bleekvelden, logen (in de loogketel, gevuld met water en potas en gestookt met turf), bleken op de bleekvelden, melken (het zuren met karnemelk gaf stevigheid aan het linnen), wassen met blekerszeep (= zachte zeep om het nog aanwezige losse vuil te verwijderen, schouwen (= controleren op een lange tafel, waarbij eventueel nog aanwezige vlekken worden verwijderd), appreteren (= opmaken met geblauwde stijfsel), drogen en plooien (= pakken). Dit pakken werd allengs tot zelfstandige bedrijfsuitoefening. In 1579 wordt in Haarlem de pakkerij voor het eerst als zelfstandig beroep vermeld. Het is Stijntje Mr. Adriaensz, van Empel uit Den Bosch.
In die gevallen waar een ander, bijvoorbeeld een koopman, die de grondstoffen leverde, eigenaar was werden de blekerijen loonblekerijen genoemd.
Het werk op de blekerijen duurde van omstreeks eind maart tot half november.
Blekerijen waren, economisch, gezien, kwetsbare bedrijven, immers sterk afhankelijk van het weer en van de prijzen van de benodigde grond- en brandstoffen.
Tot de stoommachine in gebruik kwam werd als krachtbron o.a. de rosmolen gebruikt.

 

In het laatst van de achttiende eeuw raakten vele van deze linnenblekerijen in verval. Een aantal verlengde het bestaan door over te gaan op kledingblekerij, wasserij. In die tijd hadden adellijke families en gegoede burgers relatief grote voorraden lakens, linnen- en lijfgoed. De vuile was ging enkele keren per jaar het huis uit om bij de wasserij gereinigd te worden. Na de komst van de stoommachine werden het stoomwasserijen.

Linnenglanzer
Glanslinnen oftewel trielje, een los linnen weefsel en met lijm opgemaakt werd op een gladmachine geglansd.

Linnenmeetster
Vrouw, aangesteld om het linnen te meten.

Lint-
Lintier -lintmaker - lintwerker
Linten, waaronder men ook band,en boordsel of galons kan rekenen, zijn smalle weefsels.
Al naar de gebruikte grondstoffen onderscheidt men linnen, katoenen, wollen (kamwol-garen) en zijden linten, deels effen, deels gekeperd, gefatsoeneerd (= met ingeweven versiering) of fluweelachtig.
Vooral de zijden linten werden veelvuldig gebruikt.
Gazen linten worden vaak uit ongekookte zijde vervaardigd.
Linten werden o.a. ten behoeve van de mode gebruikt. Voor ordetekenen kende men een speciaal lint, evenals voor de boekbinder (kapitaal-band, dat men onder en boven bij de rug van een ingebonden boek vindt).
Het weven geschiedde o.a. met behulp van lintmolens. In kleine werkplaatsen, veelal dienende om fluwelen linten te vervaardigen, doch ook wel voor andere soorten, werd gebruik gemaakt van het lintmakersgetouw of de schuifstoel. Daarnaast kende men het handgetouw, weefgetouwen met snel-schietspoelen en de lint- of bandmolen.
Lintkramer
(klein)handelaar in linten
Lintmolenmaker
Vervaardiger van lintmolens, gebruikt voor het weven van linten.
Lintopmaakster
Zij maakte de geweven linten op.
Lintverver
De lintverver gaf de linten, voorzover deze niet uit gekleurde garens geweven waren, zo nodig de gewenste kleur.

Lithograaf

De lithografie, het drukken via (vlakke) stenen werd ontdekt in 1796 door Aloys Senefelder. Hij gebruikte deze techniek eerst om muziek te kunnen reproduceren. Later ook gebruikte hij de techniek ook voor het vervaardigen van handelsformulieren en landkaarten. Later werd deze techniek ook voor kunstuitingen gebruikt. 

De term 'lithograaf' werd gebruikt voor degenen, die bezig waren met verschillende fasen van het steendrukken:

lithograaf als tekenaar, die de illustraties en teksten op de lithostenen aanbracht;
lithograaf als steendrukker.
Dus degeen die de vlakpers bediende, de eigenlijke steendrukker;
lithograaf als fotolithograaf.
Voor de vlakdrukkerij (steendruk en later ook offsetdruk) maakte de fotolithograaf na de uitvinding van de fotografie met behulp van een grafische camera opnames of deelopnames van foto's, tekeningen, schilderijen of modellen op natte of droge glasplaten of films, zo nodig met behulp van kleurfilters, in raster of halftoon, ten behoeve van een te maken drukwerk, in één of meer kleuren vlakdruk uitgevoerd. Tot zijn werkzaamheden behoorden ook het vervaardigen van diapositieven uit negatieven, het ontwikkelen, fixeren, spoelen en drogen van belichte platen of films.
Chromolithograaf.

Zijn taak was het analyseren van meerkleurenwerk volgens een vooraf vastgestelde kleurenschaal, onder toepassing van de verschillende lithografische technieken, zoals het tekenen met pen en krijt, het punteren, spritsen, spuiten en filmen, zonder hulp van fotografische kleuropnamen, het vervaardigen van de contour en het overbrengen van deze contour op steen- of zinkplaten (klatsen). Verder het gereedmaken van de deelstenen of –platen.

Schriftlithograaf.
Zijn taak was het graveren en/of etsen op steen van ornamenten, lettervormen, liniaturen en cijfers, eventueel naar eigen ontwerp, het maken van pentekeningen op een steen of zinkplaat. Het samenstellen van de etschemicaliën.

Copiïst.

Zijn taak was het ontzuren en uitborstelen van de zinkplaat, het opbrengen van de kopieerlijm of de eiwitlaag op de steen of zinkplaat met behulp van een tampon of een slingerapparaat. Verder het beoordelen van de negatieven of diapositieven; het maken van klatsen in aniline op een glasplaat en het maken van indelingen, alsmede het monteren van diapositieven of negatieven op een glasplaat of film en het kopiëren daarvan op een steen of zinkplaat, het ontwikkelen, diepetsen en afspoelen van de belichte kopie en het drukklaar maken daarvan. Voorts het maken van diapositieven, het gereedmaken van de preparaten en het onderhoud van de installatie.

Loegster
Vrouw die de turf op een turfschip aan de zijkanten in verband stapelde, soms tot drie meter hoogte.

Lombard(ier), lommerdbaas, lommerdhouder
Destijds benaming voor geldhandelaars, bankiers, wisselaars en pandjeshuishouders.
In vele steden doen namen als 'Lombardsteeg' herinneren aan de lombarden. Reeds in de dertiende eeuw zijn agenten, veelal oorspronkelijk vooral afkomstig uit Lombardije, van grote Italiaanse banken actief in alle centra van West-Europa, waarbij ze de joden in eerste instantie geleidelijk uit de geldhandel verdrongen. Vanaf de tijd van de kruistochten werd er tegen de joden geageerd. Daarnaast werd het leven in de latere middeleeuwen ingewikkelder en ontstonden er meer beroepen. De beoefenaars van deze beroepen gingen zich organiseren in groepen (de gilden), die zich zelf en elkaar beschermden. Bij deze groepen was er een sterke invloed van de kerk. Voor de joden bleef derhalve, naast de handel in tweedehands goederen, de dienstverlening in de kredietvoorziening over. Tijdens de jodenvervolgingen van 1349 verdween o.a. de joodse bankiersfirma van Godscalke van Recklinghausen. Hun bezittingen werden verbeurd verklaard en hun vorderingen vervielen.

Vanaf de dertiende eeuw werd door de vorst, veelal hun beste klant, aan lombarden tegen betaling van een jaarlijkse heffing het recht gegeven in een bepaalde stad een bank of tafel te houden. De lombarden deden de betere bankzaken, de nog aanwezige joden leenden voornamelijk kleinere bedragen op termijn. 
Tegen het eind van de dertiende eeuw werd bijv. te Leiden een 'Peter de Lombarde' genoemd. In de veertiende eeuw waren ze actief in verschillende steden. Zij traden niet alleen op als geldwisselaars maar ook als geldschieters. Omdat de kerk het lenen van geld tegen rente verbood, waren de lombarden en joden de enigen die de vorsten, veelal ook hun beste klant, de verdere overheid en de kooplieden aan geld konden helpen ter financiering van oorlog en handel. Als onderpand werden kostbaarheden gegeven. Later werd ook rente bedongen.

Albrecht van Beieren gaf in 1397 aan enkele Lombarden te Middelburg verlof om daar te "copen, vercopen, bejaghen, wisselen ende comanscap mit haren ghelde te doen, alzo zi wanen 't beste te doen haer voordel ende bate'. Ook waren ze onder meer vrijgesteld van belasting, terwijl met betrekking tot vroeger begane misdrijven geen onderzoek zou worden ingesteld. Als tegenprestatie moesten ze de graaf jaarlijks wel een aanzienlijk bedrag betalen voor deze voorrechten.
Gezien de woekerrente die zij vroegen (tot 80 procent 's jaars), waren ze bij de bevolking niet erg gezien. Na onlusten onder de bevolking gaf dat de vorst de gelegenheid de lombarden voor een tijd te verbannen en hun bezittingen in beslag te nemen.
Tegen het einde van de zestiende eeuw begon men in vele plaatsen middelen te beramen om de woeker van de tafelhouders tegen te gaan en toch de instelling als zodanig te behouden.

Uiteindelijk kwam men tot stedelijke banken van lening, waarbij de bank voor een aantal jaren verpacht werd. De pachter moest een bedrag ineens betalen en daarnaast een jaarlijkse pachtsom. In het begin was de rente nog hoog (32½%), later daalde deze maar bleef relatief hoog.
Eerst in de zeventiende eeuw werden in de noordelijke provinciën van overheidswege leenbanken opgericht, waarbij het toezicht meestal bij de Staten bleef.
In  Amsterdam, later gevolgd door Holland en Zeeland, werd het bestuur in handen gesteld van twee (later vijf) door de burgemeesters aangestelde commissarissen. Deze werden aanvankelijk voor een jaar benoemd, maar al spoedig werd het gewoonte het zittende bestuur telkens te herbenoemen.

Lompenscheider, lompensorteerder
De gebruikelijkste grondstof voor het vervaardigen van papier bestond uit min of meer versleten geweven stoffen waarbij door het gebruik de samenhang van de fijnste vezeltjes in de draden van het spinsel meer verbroken is. De voorkeur ging uit naar linnen lompen, welke het fijnste, gladste, dichtste en stevigste papier leverden.
Daarnaast werden katoenen lompen verwerkt, die een sponzig, week, ijl papier opleverden. Voor steendruk gebruikte men vier delen linnen en een deel katoen. Ook voor het drukken van boeken en voor voor behangsels bestemde papieren voegde men katoenen lompen toe.

De lompenlezer of sorteerder moest verschillende zaken in het oog houden, o.a. de meer of mindere mate van versletenheid en de kleur.
Fijne of versleten lompen laten zich gemakkelijker fijn maken dan grove en/of weinig gedragene.
Naast het sorteren van de lompen moesten ook de ongerechtigheden worden verwijderd zoals knopen. Men verdeelde de lompen in een aantal soorten (tot 8 à 10) die overeenkomstig de hoofdsoorten van het papier vernoemd werden.

Lompenscheurder 
De lompenscheurder scheurde de lompen met de vrije hand tot kleine stukken van drie tot vijf vierkante decimeter door middel van een staand op de werktafel bevestigd zeisvormig mes, waarvoor men bij voorkeur de spitse einden van oude zeisen gebruikte, die met de scherpe kant van de lompenscheurder af bevestigd waren.

Loodgieter, lootgieter
Soms in combinatie met lei- of schaliedekker.
Hoewel dit geen verdwenen beroep is toch een enkele kanttekening.
Vroeger werd in de bouw veel meer lood gebruikt dan tegenwoordig. Men gebruikte lood in verschillende diktes al naar gelang het gebruik. Soldeer maakte de loodgieter zelf, ook in verschillende soorten. Grofsoldeer bijv. voor het repareren van lekken in goten e.d. Dit bestond uit drie delen lood en twee delen roostin. Dit laatste werd zo genoemd naar het merk dat op oude schotels en kannen, die door omsmelten dit tin leverden, voorkwam. Op deze manier is heel wat antiek tin uit de circulatie verdwenen.
Loodgieters veroorzaakten vroeger nog al eens brand. Bij het verbranden van de kerk te Burg sprak men zelfs van het ondier loodgieter.
Wanneer een voorvader loodgieter is geweest kan men mogelijk in de gildenboeken en bouwrekeningen sporen van hem terug vinden. Daarnaast heeft hij in een aantal regio's mogelijk ook sporen nagelaten op kerken, en openbare en andere bouwwerken, waaraan hij werkte. Dit in de vorm van trotseer- of dakloodjes, veeal gegoten in de vorm van een wapenschild met daarop zijn naam of initialen, vaak een jaartal en een of meer figuren die gereedschappen voorstelden. In gebieden beneden de grote rivieren werden ze tot in de twintigste eeuw niet toegepast. Deze werden vast gesoldeerd ter afdekking van de spijkerkoppen, waarmee loden bekledingen op daken werden vastgespijkerd. 

Het eigenlijke loodgieten vond in speciale bedrijven plaats, waar het lood in bladen en andere manieren ten dienste van het loodgietershandwerk werd vervaardigd.

Loodklopper, loodpletter, loodslager

Werkman, die het lood plette, d.w.z. met een hamer tot platen sloeg.
Op een harde steen (Liassteen), het loodgietersaambeeld werd het lood platgeslagen.

Loodpunter

Loods/loodsman
meervoud, lootsluyden.
De man die een schip de weg wijst in moeilijk bevaarbaar water. Dit beroep was reeds in de veertiende eeuw bekend. Zij deden dienst op sommige rivieren en in de zeegaten 

Loodsmelter
Arbeider in een loodsmelterij, waar oud lood werd gesmolten, waarna het in gietvormen werd geschept.

Loodsnijder
De loodsnijder sneed uit loden platen de gewenste vormen, die dan verder be- en verwerkt konden worden.

Loodwerker
Persoon, die lood verwerkte, loodgieter.

Loodwitmaalder, loodwitmaker, loodwitwerker
De verschillende loodwitmolenaars waren niet al te openhartig over hun productiemethoden, die van molen tot molen verschilde. Het Hollandse loodwit kreeg in de achttiende eeuw bekendheid. Een in Nederland veel gebruikte methode was de Oudhollandse . Dunne gegoten repen lood werden spiraalgewijs opgerold, echter zo dat de windingen elkaar niet raakten. Vervolgens nam men potten, die op ongeveer een derde van de bodem enkele uitsteeksels hadden en vulde deze tot die uitsteeksels met verdund azijnzuur, salpeter of bier-azijn. Op de uitsteeksels kwamen de rollen lood te staan. De gevulde potten werden op een laag stro gezet, die met paardenurine doordrenkt was en zodanig met loodplaten afgedekt, dat zij niet goed afgesloten waren. Daarop kwamen weer verscheidene lagen lood. Daarboven planken waarop een nieuwe laag met potten. Dit werd herhaald tot er zo'n zes meter hoge hoop was ontstaan, die duizenden potte bevatte.
Na vijf tot acht weken waren de opgerolde repen lood in loodwit overgegaan en werd de hoop weer uit elkaar gehaald. Hierna werd het loodwit gezeefd en met water op een molen tot brei vermalen. Deze brei werd in kleine kegelvormige potjes geschept om te drogen. Na droging werden de kegelvormige stukken loodwit in blauw papier verpakt en verkocht. Ligging voor de aan- en afvoer bij voorkeur bij waterwegen. De molens werden veelal door windkracht aangedreven, soms met paardekracht. Het was geen gezonde arbeid. Men werd aangeraden veel melk te drinken en vooral veel vet te eten. Ook gebruikte men graag buitenlandse arbeiders.

Loofwerker
Stukadoor, die zich gespecialiseerd heeft in het aanbrengen van loofwerk, d.w.z. sierpleister in de vorm bladeren en vruchten.

Looger, loogster
Man, resp. vrouw die met behulp van loog, verkregen door water en potas samen te voegen, stoffen 36 tot 48 uren in kuipen te wassen, waarna ze op een bleekveld gedroogd werden, waarna dit proces een of enkele keren herhaald werd. Dit gebeurde om stoffen te bleken en onreinheden te verwijderen.

Loonslachter, loonslager
Slager, die in opdracht van anderen of in dienst van anderen, als particulieren of vleeswarenfabrieken, slacht en het geslachte vlees, spek enz. niet zelf verkoopt.

Loopknecht, loopjongen
Man, resp. jongen, belast met het doen van boodschappen voor een winkel of ander bedrijf.

Loopsmid (Lopensmid) 
Maakt en repareert lopen van geweren.

Loopwachter
Spoorwegbeambte belast met de controle, het schouwen van een baanvak.

Loper (Looper)
Een looper of bode kende men reeds in de tijd van de oudheid. Ze werden aangesteld om staatsbrieven van vorsten met spoed over te brengen. Deze loopers, ook wel posten genaamd reden in het Midden Oosten soms op dromedarissen, die sneller zouden zijn dan paarden. In de Romeinse tijd werden overal posten in het rijk geplaatst, iedere post voorzien van veertig paarden. In de negende eeuw had men in Duitsland, Frankrijk en Italie rijdende boden. In het begin van de dertiende eeuw had de Parijse hoogeschool boden te voet, die wegens hun snelheid vliegende boden werden genoemd. Vorsten en andere deftige personen hadden ook lopers in dienst, die voor de koets uitliepen. Dit waren de voorlopers.

Lotemeester
Persoon die van de overheid toestemming had een loterij te organiseren.

Loterijsplitter
Persoon die gemachtigd was de staatsloten te splitsen en ze in delen te verkopen.

Lotzegger, lotzegster
Man, resp. vrouw die het lot voorspelde, waarzegger, resp. waarzegster.

Lulleman
Brandweerman, Lul is het mondstuk van de brandslang.

Maaier
Ook hooier.
Degeen die het graan of het gras maaide. Dit was vooral seizoenwerk en leverde o.a. een aanvullend inkomen op aan de hannekemaaiers, de z.g. Hollandgänger, die in ons land oogstwerkzaamheden kwamen verrichten.

Maaksman (makeman)
In Oost-Nederland gebruikte term voor een soort huwelijksmakelaar, bemiddelaar, die kon schrijven. Vaak was het een dorpsonderwijzer die kon schrijven en die voor het toekomstige paar de huwelijksvoorwaarden opmaakte. Men kent ook de term 'maaksmaal', voor de feestelijke bijeenkomst, waarop de huwelijksvoorwaarden gemaakt werden.

Machinehouder
(Gebruiker en) verhuurder van machines.

Magistraat
Geen eigenlijke beroepsaanduiding. De magistraat bestond uit het stadsbestuur.

Magnesietmale
Verwerkte magnesietsteen (magnesiumcarbonaat), een gesteente dat veelal kleurloos of wittig is. Magnesiet diende/dient voor de vervaardiging van vuurvaste tegels en vloeren.

Mahoniewerker
Iemand die mahoniehout bewerkt. In een aantal gevallen bezig met een bepaald onderdeel van het productieproces, bijv. het draaien van stoelpoten. Mahoniehout is een houtsoort die veel werd gebruikt voor de vervaardiging van meubelen, zowel massief als in de vorm van fineer.

Majolicabakker
Ook o.a. faïence-, 'petiel'- of plateelbakker en verglaesde (=glazuur) wercker genoemd.
Naast de pottenbakkers, die van oudsher de stenen gebruiksvoorwerpen vervaardigden, afgewerkt met loodglazuur, nam het aantal majolica- of platteelbakkers in het begin van de zeventiende eeuw aanzienlijk toe. Ten dele werd dit veroorzaakt door de uittocht uit de Zuidelijke Nederlanden na de val van Antwerpen. Onder de emigranten bevonden zich vele geschoolde vaklieden. Enerzijds werd de verhoogde produktie in de hand gewerkt door de veranderde smaak van de mensen uit die tijd, anderzijds door de teruggang van de aanvoer uit China.

Het productieproces van plateel is in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. De grondstof is ook hier klei, die voor het eigenlijke gebruik gereinigd moet worden. Grijze klei gebakken wordt rode steen. Vervaardiging vond en vindt plaats met behulp van de draaischijf. Na het draaien wordt het vervaardigde voorwerp een nacht te drogen gezet voor verdere afwerking als het afvlakken van de bodem en het eventuele aanzetten van oren. Daarna wordt het aardewerk gebakken in de pottenbakkersoven. De versiering wordt op het nog ongebakken hiervoor gebruikte tinglazuur aangebracht.

Makelaa
Thans een door de rechtbank beëdigd persoon, die er zijn bedrijf van maakt te bemiddelen bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in een vaste betrekking staat.
Reeds in de zestiende eeuw bestond dit beroep, dat onderhavig was aan allerlei overheidsvoorschriften. Alleen de 'gesworen ende geadmitteerde Makelaer', mocht dit beroep uitoefenen.
In de zeventiende en achttiende eeuw werden de officiële makelaars door het stadsbestuur benoemd.
Men was makelaar in allerlei producten en diensten o.a. in granen, zijde, maar ook in vaste goederen, 'obligatien', 'actiën' (= aandelen), wissels en 'zeeassurantien'. Net als nu waren er in die tijd nogal wat beunhazen. Om zich van hen te onderscheiden was de erkende makelaar verplicht - door betaling van hoge leges - een makelaarsstokje/stafje aan te schaffen.
Dit is een houten stafje met beslagen zilveren knoppen aan de uiteinden, waarmee gezegeld kon worden. Het stokje stond dus voor kwaliteit.

Ook in de Franse tijd en de negentiende eeuw bleef dit stokje, vaak ook batonnet genoemd, gehandhaafd..

Makelaarse, makelerse
Naast makelaar werd destijds ook voor vrouwen de term 'makelerse' of makelaarse/makelares gebruikt. Deze term is afgeleid van makelen, iets door een schikking tot stand brengen. Zij was een koppelaarster, bijv. om een huwelijk tot stand te brengen, maar zij functioneerde ook wel als 'waardin van publieke vrouwen'. 

Mandenmaker
Zie Korfmaker.

Mangelaar(d), manghelart, mengeler
Handelaar, o.a. appelmanghelare en hengstmengeler (paardenkoopman) Vroeg Middelnederlandse term. Mang(h)elen, werd van ruilen handelen. Met de term werd ook wel het gemeenschappelijk gebruik aangeduid, bijv. bij twee boeren, die samen een paard hadden.

Mantelmaker, mantelmaakster, mantelwerker, mantelwerkster
Vervaardiger van mantels, overkleden, al of niet van een kap voorzien.

Mantelverhuurder
In de zeventiende eeuw was het rouw dragen zo algemeen dat onder aan het begrafenisbriefje stond vermeld dat men verzocht werd aan het sterfhuis te verschijnen "met de lange Rouw-mantel". De meer welgestelde mannen hadden meestal een of meer lamfers (soort sluier waarmee men de rand van de hoed naar beneden hield) en een zwarte rouwmantel in hun bezit. Voor anderen ontstonden er rouwverhuurondernemingen, waar men de benodigdheden kon huren, zo ook rouwmantels (huiken).

Manufacturier, manufacturierster
Handelaar, resp. handelaarster in textiel, garen, wol, textiel, band en knopen.

Marskramer
Kleinhandelaar, die te voet met een mand op zijn rug of voor zijn buik op het platteland rondtrok om allerlei waren te verkopen zoals textiel en kruidenierswaren of ze ruilde voor producten in natura zoals kippen en eieren. Ze werden ook wel kiepkerels genoemd.

Mastenmaker
Eeuwenlang waren de schepen in hoofdzaak zeilschepen.
Derhalve was de mastenmakerij in die tijd een veel voorkomend beroep, doorgaans in de buurt van of bij scheepswerven beoefend.
Na het vierkant zagen van de stam, werd deze in de lengte doorgezaagd en binnenste buiten weer aan elkaar gelijmd om het trekken van het hout tegen te gaan. Vervolgens werd de paal op dikte gezaagd, naar boven toe smaller. Van de voet tot de bovenkant (hommer) werd hij nog eens smaller gemaakt en achtkantig gezaagd. Daarna volgde voorbewerking met het trekmes bij de voet en het hommer en werd hij met de hand rondgeschaafd en gladgeschuurd.

Naast masten waren ook verdere onderdelen voor de tuigage nodig zoals de boegspriet (in de binnenvaart kluiverboom genoemd), bokkepoten (om de mast te laten zakken), stengen (als verlenging van de mast) en rondhouten.

Matres

Zowel degeen, die we nu kleuteronderwijzeres noemen, als degeen, die tegenwoordig vakonderricht in naaien geven, valt onder deze vroegere beroepsaanduiding. De vrouwen- of matressenschooltjes waren van zeer verschillende kwaliteit. Een aantal beperkte zich vrijwel tot het bewaren.

Ze ontstonden in de zestiende eeuw ter vervanging van schooltjes geleid door nonnen, begijnen en kloppen toen de hervormden allerlei scholen oprichtten en die scholen dienstbaar maakten aan het eigen geloof.
In deze schooltjes was nauwelijks plaats voor spel, de discipline was streng en de tucht hard.

In de negentiende eeuw kwamen ze nog in allerlei vormen voor. In Amsterdam bijv. bestonden in 1840 nog zo'n 400 van deze z.g. matressenschooltjes. Het was een bestaansmiddel voor bijv. oude bakers en kostersweduwen. De kinderen werden 'bewaard' op allerlei plaatsen, bijv. vochtige kelders, bedompte kamers en op zolders. De bewaarster werd als matres aangeduid. De naai-matres oefende haar vak uit in een naaiwinkel. Ze had particuliere leerlingen maar ook meisjes, die haar door de diaconie gezonden werden.

Mattenbreier/Mattenmaker, matterij

Zij vervaardigden matten en allerlei soort, o.a. uit gedroogde biezen.
Voor de fijnere soorten werd gebruik gemaakt van de fijnste soort biezen, die in gomwater werden gelegd en met was en een wollen doek werden opgeglansd.
De biezen mat is lange tijd een product geweest dat in de vorm van huisindustrie werd vervaardigd o.a. door schipperspersoneel dat ik de winter werkeloos was. Het 'matraam', een verticaal weefapparaat stond bij veel gezinnen in de huiskamer. (o.a. Blokzijl en Genemuiden). Matten werden per span verhandeld. Dat waren rollen van eenzelfde maakstel. Men had mooie fijne matten maar ook goedkope, grove. Het opslaan vergde veel kennis en zorg.

De blokmat, die uit biezen tegels werden samengesteld. Hiervoor moesten eerst strengen van biezen gevlochten worden. Een ervaren vlechter had 2 ½ tot 3 uur nodig om een streng van 100 meter te vlechten. Ook de gezinnen waren vaak bij dat vlechten betrokken. Kinderen moesten, meestal na schooltijd, eerst een aantal meters vlechten voor ze mochten spelen. De strengen werden aan blokken van 40 x 40 of 50 x 50 cm genaaid. Er ontstonden later vele modellen matten, bijv. achtkantige. Ook ging men biezen vooraf verven waardoor kleurige patronen verkregen werden. Later ondervond de mattenindustrie veel concurrentie van goedkope matten uit Azië en vervangen door de kokos- en tapijtindustrie. De matten werden opgekocht door de mattenschippers

Mattenschipper
Mattenschippers werden ook wel negotieschippers genoemd. Ze verhandelden zowel de producten van de matterij als andere produkten op dat gebied. Blokzijl bijv. telde in de negentiende eeuw op het hoogtepunt zo’n zestig mattenschepen, die allemaal hun eigen afzet gebied hadden om hun waren aan de man te brengen. De verkoop gebeurde vanaf de schepen of per kruiwagen, later ook met de fiets. Als de voorraad aan de man was gebracht werden lokale produkten als kaas, boter, aardappelen of hard fruit ingekocht voor de thuismarkt.

Mazelaar
Mazelaar is een ander woord voor zakkendrager. 
Dit gilde dankte zijn naam aan de bezigheden van het overladen van koren dat over de maas werd aangevoerd op kleine vletten. Later werkten de mazelaars op de wal als zakkendragers.

Meedelver
Het meedelven is het opgraven van de meewortels, destijds een belangrijke verfstof voor de verfindustrie.
Een groep veldarbeiders bestaande uit tien tot twintig man, die elke morgen in de herfst naar het land trok om mee te delven, heette een 'bende'. Voorop loopt de 'voorman', die een zeker gezag over de anderen uitoefent. Daarop volgt de 'neusman' (mogelijk een verbastering van het woord 'nevensman') en daarna komen de 'volgers'.
De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot de arbeid opgeroepen. De hoornblazer of trompetter laat zijn instrument gedurig horen totdat het arbeidsterrein bereikt is. Ter plekke krijgen de arbeiders hun taak toebedeeld. Het meespitten vergt bijzonder veel spierkracht, maar gaat door tot in de middag, onderbroken door een pauze van een half uur, het z.g. 'halfschof', wanneer de hoorn of trompet zich weer even laat horen. In die pauze wordt een boterham gegeten.
Ook bij het huiswaarts keren is de hoornist of trompettist in actie.

Elk lid van de bende ontvangt wekelijks een voorschot op het te verdienen loon. Is het werk gedaan dan rekent de voorman af met de eigenaar. Daarna komt men in het huis van de voorman bijeen, waarop deze verantwoording aflegt en ieder zijn nog openstaand deel ontvangt. Er wordt een stevig maal geconsumeerd en er wordt soms zeer stevig gedronken.

Meekrapteler
Het voorttelen van meekrap kan zowel door zaaien als door planten gebeuren. In ons land gebruikte men de laatste manier. Als het land gemest is wordt het opgedeeld in bedden. Omstreeks mei plukt de kiemzetter de jonge spruiten van de twee jaar oude plant en poot deze met zetspaden in lange rijen. Het loof van dit kruid laat men afsterven of men maait het om als veevoer te gebruiken. Na de derde zomer, ongeveer 20 maanden na het planten zijn de wortels dik genoeg om ze in september te oogsten.

 

Na het oogsten laat men ze in hopen op het land liggen, waardoor ze enigszins taai werden. Ze werden dan naar de Stoof vervoerd, waar ze in de koude stoof (een grote schuur) per eigenaar op stapels werden gelegd. Van daar gaan ze naar de Toren, een ruimte met vier verwarmde zolders boven elkaar, waarop de meekrap achtereenvolgens wordt gelegd voor een eerste droging. Hierna wordt de meekrap gedorst, dat wil zeggen dat schil, aarde en andere ongerechtigheden er van losgemaakt worden. Het dan ontstane product had de Franse naam: 'racine',

 

Daarna transporteert men de wortels, in stukjes gebroken, de racine naar de Ast, een oven ook wel 'varken' genoemd, en naar een daarmee verbonden lang kanaal of 'vuurwerk'. In dit kanaal ondergaat de meekrap een tweede drogingsproces van ongeveer 24 uur waarna ze gestampt kan worden.
Dit gebeurt in het stamphuis, het domein van de stamper en de drijver, welke laatste een groot molenrad door drie paarden in beweging wordt gezet. Het rad staat in verbinding met een dikke as, waaraan een aantal houten vuisten zitten die de stampers moeten opheffen. Deze stampers vallen in een massief eikenhouten bak waarin de gedroogde meekrap ligt, die dus fijngestampt wordt. Door een bepaalde manier van zeven kan men vier soorten meekrap krijgen, die in vier afgesloten bakken terecht komen.:

  1. De onberoofde: de gedroogde krap wordt dan in zijn geheel voldoende fijn gestampt en in vaten verpakt.

  2. Twee en één: onder het stampen breekt eerst het buitenste en slechtste deel van de wortels.
    Dan wordt de krap gezeefd. Wat gebroken is valt er door, maar het taaiere en betere deel van de wortels dat niet gebroken is, blijft in de zeef achter.
    Dit beste deel, twee derde van het totaal, stampt men opnieuw en bergt het in aparte vaten. Het heet krap.
    Het slechtere deel, één derde van alles, komt ook in een vat en heet gemeene.

  3. Eén en één volgt weer dezelfde bewerking als hierboven, maar nu is de verdeling half om half.

  4. Mullen, de schillen met daaraan nog stukjes van de wortel en het afval, door nog grotere zuivering van de onberoofde en de twee en één.

Het stampen van de krap moest 's nachts gebeuren omdat deze onder invloed van het daglicht gemakkelijk verkleurt. Stamper en drijver waren ondergeschikt aan de droger, die de verantwoordelijke bedrijfsleider was.
Tijdens de bewerking bleef de meekrap het eigendom van de boer. Iedere partij werd apart verwerkt, zodat iedere meekrapteler zijn eigen partij aan de handel kon overdoen.

Meesterknecht
Is eigenlijk geen speciaal beroep maar een functie. Het kan iemand zijn, die de meesterproef heeft gedaan, maar zich nog niet zelfstandig heeft gevestigd.
In het algemeen is het de onderbaas, de eerste knecht, de voornaamste knecht die aan het hoofd staat van de andere ondergeschikten.


Ook scherprechter, beul.
Het ambt was in bepaalde families erfelijk. Hij ontving naast een vaste vergoeding de gelegenheid neveninkomsten te verwerven. Ook werd hij voor ieder karwei nog eens apart betaald. Daarnaast kreeg hij nog wel eens steekpenningen van familieleden van de veroordeelde om bij folteringen matig te werk te gaan of de genadeslag vlug en trefzeker aan te brengen. De beul moest de onthoofding met één slag voltrekken. Het hoofd moest echt bij het lichaam wegrollen. Mislukte dit dan had hij de smaad en soms erger van de toeschouwers te verwachten. Dit mee uit bijgeloof.
Vaak ook verleende de scherprechter, al dan niet toegestaan, diensten als chirurgijn. Gezien de aard van zijn ambt was hij qua kennis van het lichaam goed onderlegd.

Me(e)ter (gesworen)
Naam van overheidsdienaren, belast met het op de juiste wijze afmeten van allerlei materialen.
O.a.:
meeter van leien.
Zo kent men verder onder meer meters van:
- appelen en peren
- lakens en carsayen
- schepen op Noorwegen varende
- zout.

Meier / Meijer
Huurder, pachter van grond. In de provincie Groningen en directe omgeving kent men het begrip “beklemde meier”, d.w.z. iemand die een stuk grond beheert in niet afkoopbare, erfelijke eeuwigdurende pacht tegen een onveranderlijke vergoeding. Dit werd in de hand gewerkt doordat de pachters toestemming kregen op de grond hun boerderij te bouwen, zodat er regelingen moesten worden getroffen over de opstallen. Door de geleidelijke geldontwaarding is de pachtsom een laag bedrag geworden. Bij bepaalde gebeurtenissen, bijv. Bij een huwelijk of bij vererving is naast de huursom een geschenk verschuldigd, als regel ter grootte van eenmaal de huursom. Dit systeem werd in de hand gewerkt doordat de boeren er hun boerderijen op bouwden. De grond raakte daardoor beklemd. Wel konden beklemde gronden (de beklemmingen) worden overgenomen. In de negentiende eeuw waren uit meerdere beklemmingen opgebouwd. Door de beklemmingen werd versnippering van de grond voorkomen. Bij vererving was er altijd maar een kind dat het bedrijf in zijn geheel overnam. De andere erfgenomen werden afgekocht.
Door de naasting van de kloostergoederen ten tijde van de Hervorming werd het provinciebestuur van Groningen eigenaar en beheerder van grote stukken cultuurgrond, die werden verpacht aan z.g. stadsmeiers.

Melkboer
Destijds werd de melk nog los verkocht, zowel in de winkel (waar ook andere zuivelproducten werden verkocht) als langs de deuren. Hoewel het niet mocht werd tijdens de Tweede Wereldoorlog de melk geregeld aangelengd, wat extra inkomsten opleverde als ze niet werden gesnapt.

Melkmeter
Werkzaam in een zuivelfabriek om het vetgehalte van en de hoeveelheid melk te bepalen, die van de verschillende boerderijen afkomstig is.

Melkrijder, melkvaarder
Met de opkomst van de boter- en kaasfabrieken en het ophouden van het boter- en/of kaasmaken op de boerderij in de laatste jaren van de negentiende eeuw ontstond er ook behoefte aan personen, die per paard- en wagen, vrachtauto, trekker met aanhanger of per boot de melk in bussen bij de boeren de melk kwamen ophalen en de lege bussen, soms gevuld met wei (het vocht dat overbleef en diende als voer voor de varkens) naar de boeren terugbrachten.
Door het in gebruik komen van de koeltanks bij de boeren is hier een eind aan gekomen.

Melkslijter, melkverkoper
De melkslijter verkocht melk en als regel enkele verwante zuivelproducten als boter, eieren en soms ook kaas. Vroeger ging hij of zij met een kar, hondenkar of paard-en-wagen de klanten bij langs, later ook per bakfiets, nog later per mechanische voortbewogen voertuig. Met de opkomst van de supermarkt is de melkboer uit het straatbeeld verdwenen. Enkelen zijn doorgegaan als rijdende supermarktjes (bijv. de SRV-man).

Meshegtenmaker, Messe(n)maker
De hecht (ook wel heft), het handvat waarmee het lemmet wordt vastgehouden, bestond als regel uit hout of been.De (zilveren) heften voor de luxere messen werden veelal door gespecialiseerde vaklui, de Messe(n)maker Meshegtenmakers vervaardigd. Zij behoorden als regel tot het smidsgilde.

Bij de vervaardiging ging men uit van het zachte ijzer, dat verhit, op het aambeeld geleidelijk in de goede vorm werd geslagen en gehard door het in koud water, bloed, talk of urine te dompelen, waarbij de temperatuur van het mes, de gebruikte vloeistof voor de afkoeling en de duur van de onderdompeling daarin de kwaliteit van het lemmet bepaalden.
De messen werden scherp geslepen via een slijpmolen.

Messenslijper
Tot in het derde kwart van de twintigste eeuw was de messen- en scharensliep, die met zijn kar van huis tot huis trok, een vertrouwd beeld. Hij sleep op een natte zandsteen, die hij met zijn voet draaiend hield, messen en scharen. In de winter sleep hij ook schaatsen.

Meterstokkenmaker

Vervaardiger van maatstokken.

Metser, metseraer, metselman, metselaar
In de tijd van de gilden moesten zij, evenals andere vaklieden, een proef afleggen om hun vak als meestermetselaar te mogen uitoefenen. Naast kennis van de te gebruiken steensoorten moest hij ook allerlei constructies tot stand weten te brengen. Ook moesten zij zich aan allerlei voorschriften houden.

Mijnwerker
Mijnwerker was hier te lande een beroep bij de mijnen in Limburg tot deze werden opgeheven en wel ondergronds in verschillende functies. Om mijnwerker te worden moest je eerst drie jaar naar de ondergrondse vakschool. Tijdens het derde jaar mocht je een aantal dagen ondergronds werken. Na dat derde jaar en een succesvolle opleiding kreeg je een diploma en mocht je aan de slag.

Misvaarder 
Iemand die de inhoud van de beerputten met een schuit naar een verzamelplaats bracht. De fecaliën werden vermengd met straat- en huisvuil en dienden daarna als meststof voor de land- en tuinbouw.

Moddermaker (zie ook aardmaker of walker)
Functie in een steenfabriek. Draagt zorg dat de klei geschikt is voor de vormer.

Modderman
De modderman was werkzaam op een moddermolen, een varende baggerinstallatie.  De emmers waarmee gebaggerd werd, werden eerst voortbewogen door mannen die in tredmolens liepen. Later werden zij door paardenkracht vervangen.

Moesker
Verkoper van groente. (Groningen)

Molenaar
Oorspronkelijk was het exploiteren van wind- en dwangmolens een recht van de leenheer. De molens werden dan gepacht door steden en pariculieren. Vanaf  ca. de zestiende eeuw werd overgegaan tot verkoop aan particulieren. De molensteen c.q. andere apparatuur kon in beweging worden gebracht door wind, water, dan wel door het gebruik van paarden. In het laatste geval spreekt men van rosmolens.
Afhankelijk van het doel, waar voor de molen werd gebruikt onderscheiden we o.a. houtzaagmolens, korenmolens, pelmolens, runmolens en watermolens.

Molenmaker 
Bouwer en reparateur van molens.Molenmeester
Ook poldermeester of waarsman.
Met het ontstaan van de windwatermolens ontstond ook het ambt van molenmeester. Dit was een functionaris die aan het gezag van het hoogheemraadschap was onderworpen. Hij kreeg het beheer over de molens in de polder en oefende met enkele ingelanden (in Delfland kroosheemraden geheten), de polderschouw uit. Verder inde hij de omslag, regelde het onderhoud, betaalde de rekeningen en legde aan de ingelanden verantwoording af over het gevoerde beleid. De wijze van verkiezing van molenmeester verschilde van polder tot polder. In veel polders rouleerde de functie onder de boeren, in vaste volgorde van de boerderijen. Soms werden boeren die niet konden rekenen en schrijven overgeslagen. Soms ook verrichte de dorpssecretaris het schrijfwerk tegen vergoeding (Oude Lierpolder). Het bestuur met molenmeesters en ingelanden bleef tot in de Franse tijd in stand. De term waarsman wordt aangetroffen in de polders vallende onder Leerdam en Schoonrewoerd.

Mollenvanger (mollendelver)
Het vangen van mollen was als regel een bijverdienste.
Een vroegere methode om mollen te vangen was met behulp van mollengalgen oftewel mollenstrikken. Men plaatste twee strikken van koperdraad om de mollengang heen. Die strikken zaten vast aan een het touw dat aan de ene kant aan een kromgebogen vastzat en aan de andere kant aan een houtje, dat klem zat tussen de korte delen van een soort houten schaar, waarvan een been in de grond was gestoken en het andere op de grond rustte. Al gravend werkte de mol de graszode waarop dat houtje rustte omhoog, waardoor het houtje losschoot, zodat de tak met het touwtje en de koperen strikken losschoot en de mol door het koperdraad zowat in tweeën werd getrokken en overleed.
Later werden deze mollengangen vervangen door klemmen, waartussen zich een plaatje bevond met een gat er in. Dat plaatje wipte tussen de klemhelften uit als de mol wilde passeren, waarna de klem dichtsloeg en de mol klem kwam te zitten en na kortere of langere tijd overleed. Uiteraard waren beide vangmethoden niet erg diervriendelijk en voor de mol uiterst pijnlijk.

Een andere vangstmethode was met behulp van een daartoe getraind hondje. Het hondje lokaliseerde de mol, de mollenvanger wipte hem er uit met een spa en sloeg het dier dood. Misschien wel de minst pijnlijke oplossing.

De gevangen mollen werden gevild en de velletjes werden opgespannen, gedroogd en aan opkopers verkocht. Tot na de Tweede Wereldoorlog was een winterjas gevoerd met mollenbond een gewaardeerde dracht. De klemmen waren niet erg diervriendelijk. Vaak duurde het geruime tijd eer de mol dood was.
Later ging men ook vergif gebruiken. Vermoedelijk ook geen diervriendelijke methode.

Mosselman, mosselvisser
Venter, die in het seizoen met een kar de door de mosselvisser gevangen mosselen verkocht of op een vaste standplaats of trekkend door de straten.
De mosselen werden ingekocht in Zeeland waarna men ze met handkar, honden- of paardenkar vooral in de arbeidersbuurten probeerde te slijten. Ik meen mij te herinneren dat een emmer mosselen voor de Tweede Wereldoorlog ongeveer een gulden kostte. Tijdens de Duitse bezetting kwam aan deze handel een einde. De Duitsers legden beslag op alle mosselgronden en de oogst verdween naar Duitsland.

Mouter
Persoon werkzaam in een mouterij, d.w.z. een bedrijf waar van granen, hoofdzakelijk gerst, mout wordt gemaakt door die granen in water te weken, het dan te laten ontkiemen en het vervolgens te drogen.

Munt-

In de Nederlanden werden al vroeg munten geslagen. Friezen en Franken hadden in de zevende eeuw reeds een muntslag.
De bisschoppen van Utrecht en Luik kregen al vroeg het recht om munten te laten slaan, onder de wereldlijke groten waren het de Brunswijkse graven. Zij die dat recht hadden waren de muntheren. Later kreeg ook een aantal steden dit recht.
Vanaf de Middeleeuwen waren diverse munthuizen in bedrijf, waarvan de leiding in handen was van een muntmeester.
Deze muntmeester was in wezen een particuliere ondernemer, die van de muntheer het recht ontving munten te slaan, uiteraard tegen betaling.
Muntgewichtmaker
Gezien de grote verscheidenheid aan munten en de toestand daarvan (mogelijk afgesleten of gesnoeid) beschikten de kooplui over muntgewichtdoosjes. Voor iedere bekende soort gouden munten bestond een eigen normaal gewicht in de vorm van een vierkant blokje koper waarop schematisch het betreffende muntstempel was aangebracht. Deze gewichtjes werden met de te gebruiken weegschaal bewaard in een plat houten doosje. De meeste particuliere 'balancemaeckers' hebben geen gildeverband gekend, zodat het moeilijk is veel over hen aan de weet te komen. In 1937 is een vroeg vijftiende eeuwse scheepskist opgehaald uit de Schelde waarin zich een dergelijk kistje bevond.

Musketier
Voetsoldaat in het leger van de Republiek. Hij droeg een stormhoed en was uitgerust met een musket, die van een lontslot was voorzien, en een furquet of vork waarop de musket rustte tijdens het afvuren. Daarnaast had hij nog een rappier.

Mutsenmaaksters
In het verleden, toen nog vele vrouwen in klederdracht rondliepen, vormde de muts daar een onderdeel van.
Deze mutsen waren van kant, tule en katoen. Ze vergden veel onderhoud. Ze moesten geregeld losgehaald en gewassen worden. Dit werd veelal uitbesteed aan de mutsenmaaksters, die in het opmaken gespecialiseerd waren.
Daar waar de mutsen van geplooide stroken waren voorzien, werd deze voor het reinigen losgetornd en gewassen. Voor het plooien werden verschillende hulpmiddelen gebruikt. In sommige streken werd bijv. voor fijne plooitjes een plooimachine gebruikt waarbij de kant tussen twee geribbelde rollen van het machientje werd gelegd. Die rollen waren eerst voorverwarmd door twee ronde bouten. Ook konden fijne plooitjes zonder machientje worden aangebracht, soms met behulp van een geribbeld plankje met een geribbeld houten rolletje, soms met behulp van een speciaal plooiknijpertje.
Ook werden na het stijven en het strijken de stroken met behulp van een plooirek met plooipennen opnieuw in de gewenste vorm gebracht. De gesteven stroken in het plooirek werden boven de stoom gehouden en daarna gedroogd waardoor de plooien er goed in zaten, waarna de stroken weer aan de muts gezet konden worden.
Elders (Volendam) werden de plooien met de hand aangebracht met behulp van een aardappelmesje. Voor de grovere plooien werden diverse plooitangen en plooischaren gebruikt, waarbij de plooien stuk voor stuk in de vochtige gesteven kant werden aangebracht.

Naaikussenmaker
Maker van naaikussens. Deze werden gebruikt om naaigoed op te spelden.

Naai-matres
De naai-matres oefende haar vak uit in een naaiwinkel.
Ze had particuliere leerlingen, maar ook meisjes, die haar door de diaconie gezonden werden. 
Ook oefende ze haar beroep uit in een weeshuis. 

Naaimoeder
De naaimoeder gaf onderricht in het naaien (van linnen) in een wees- of een spinhuis. 

Naaldenkoopman, naaldenkramer
Koopman/kramer in allerhande soorten naalden.

Naaldenmaker
Een specialisme was de stalen zeilnaaldenmakerij. In de Amst. Crt van 22 februari 1800 werd de volgende advertentie geplaatst:
Bij spelden- en naaldenmakers was een veel voorkomende naam Apollinarius.

Nachtbidder
Nachtbidder is geen beroep maar een naam voor  'sterke bedelaars” die 's nachts om aalmoezen komen vragen. 

Nachtblaser (-bleser), nachtwaker
Eigenlijk nachttrompetter of nachthoornblazer.

Nachtroeper, nagtroeper
Nachtwacht, ook klapwaker (meerv.o.a. klapperluyden) of ratelwacht genoemd.
Hun waakloon bedroeg soms één, soms anderhalve stuiver. Bij zware dienst wel eens twee stuivers. Hun kapitein had altijd het dubbele daarvan. (De 

Nachtwerker
Iemand die nachtwerk verricht.
De baas of commandeur had de leiding van de lokale nachtwerkers.

Nappendraaier
Draaier van houten drinknappen en schalen.

Nastelingmaker
Zie nestelmaker.

Negotiant
Handelaar.

Nestelmaker, nestelmakere, nestelmaecker
Vervaardiger van nestels.
Een nestel is een koord, veter, riem of rijgsnoer waarvan het einde gesloten wordt door een malie, een klein kapje, o.a. van koper, teneinde het gemakkelijk door  een opening gehaald kon worden. Er waren zeer eenvoudige nestels maar ook gecompliceerde, bijv. op uniformen en livreien. 
Ook waren er waar men schoenen mee vastmaakte.

Nestelkoetsier, nestellakei
Koetsier, resp. lakei in dienst van het koninklijk hof hier te lande, nestels hebbend als onderscheidingsteken.

Nettenboetster, nettenbreier, nettenmaker
In de visserij op de binnenwateren zorgden de vissers veelal zelf voor de aanmaak en het onderhoud van hun netten. De wintermaanden en de zomeravonden werden daaraan besteed. Werden de vissers te  oud voor hun gewone werk, dan was hun vaardigheid in het nettenbreien nog het enige middel om wat bij te verdienen. Voor andere vissers, voor rederijen (vooral zalmvisserijen) waren in verschillende plaatsen vrij veel oude lieden bezig.

 

De netten voor de zeevisserij waren te groot om in huis gemaakt of hersteld te worden te worden. In de Noordzeeplaatsen ontbreekt deze vorm van huisindustrie dan ook. Het breien en boeten van deze grotere netten vond fabrieksmatig plaats. Het repareren van netten, het boeten, was vooral werk voor vrouwen en meisjes. Doorgaans gebeurde dit in de open lucht van april tot november. Vaak hadden de vrouwen een wit schort voor van wit zeildoek of canvas. Dit moest hen beschermen tegen het vocht van de netten en de kapotte mazen van de getaande netten waren beter zichtbaar.

Nettentaander
Verver van netten met taan, afkomstig van de Taanboom.

Noodslachter
Slachter van dieren, die door een ongeval ernstig zijn getroffen of gedood of door ziekte in onmiddellijk dreigen levensgevaar verkeerden. Later dienden deze geslachte dieren, voor het vlees voor consumptie werd vrijgegeven, gekeurd te worden. I

Nopper, vr.: nopster
Man resp. vrouw/meisje, die met behulp van een nop- oftewel steekijzer (soort pincet) en een nopschaar afhangende draadjes of ongeregeldheden in weefsels verwijdert of wegwerkt. Het noppen vond eerst voor het wassen plaats en na het wassen nogmaals.
Dit noppen vergde veel ervaring en degenen die met dit werk belast waren, moesten daarvoor goed opgeleid zijn.

Notaris, notarijs, notarius
Van lat. notarius, waarvan ook fra. notaire e. a. Benaming van een ambtenaar, wiens praktijk behoorde tot het geestelijke rechtsgebied, beambte van het geestelijke gerecht, notaris. Later ook ambtschrijvers wier akten bijzondere kracht hadden, door het wereldlijk gezag aangesteld. 

Oculist
De 'ogendokter', behandelde onder meer staar.

Oesterverkoper, oesterverkoopster
Verkoper resp. verkoopster van oesters.

Olderman
Oude benaming van verschillende overheidspersonen in de Friese en Saksische landstreken, hetzij rechters, vertegenwoordigers van het volk in stadsbesturen of hoofden van gilden en ambachten, o.a. van het wantsnijdersgilde.

Olieman

  1. Venter in petroleum
  2. O.a. aan boord van schepen (ook olieman/stoker), bier- en zuivelfabricage. Belast met het onderhoud van de machinerie.

Oliemolenaar, olieslager

Bereider van olie. In de oliemolens wordt olie onttrokken aan oliehoudende zaden. Oorspronkelijk gebruikte men koolzaad en raapzaad, later ook lijnzaad en hennepzaad. In de olieslagerij wordt het zaad onder toevoeging van een klein beetje water onder de kantstenen gekneusd en fijngewreven. De twee kantstenen lopen 'op hun kant' in het rond over een vastgemetselde platte, liggende steen of ijzeren plaat, die rust op een gemetseld onderstel, het zogenaamde doodsbed omdat dit niet meedoet aan de beweging, dus 'dood' is, en waar een opstaande houten rand omheen is bevestigd.
Deze wijze van malen door middel van een kollergang, werd uitgevonden door Cornelis Cornelisz. van Uytgeest, die in 1597 daarop octrooi kreeg. Een houten strijker zorgt ervoor dat het weggeschoven zaad steeds weer voor de kantstenen terechtkomt. Na een bepaalde tijd wordt het gekneusde zaad (nu meel genoemd) opgevangen om te worden verwarmd omdat dit het uitpersen van de olie vergemakkelijkt. Dit gebeurt op de vuister, een gemetseld fornuis met daarop een ijzeren plaat en een opstaande losse ring. Een ronddraaiend roerijzer moet voorkomen dat het meel aanbrandt.
Nadat het meel is verwarmd, wordt het opgevangen in een 'buul'. Dit is een wollen zak. De buul gaat in een dikke dubbel te vouwen mat van paardenhaar die is verstevigd met leder. De buul in de 'haar' wordt tussen twee ijzeren platen geplaatst die met grote kracht naar elkaar toe worden gedrukt. De buul wordt samengeperst en de olie die eruit stroomt wordt in oliekelders opgeslagen. Het samenpersen van de builen en het weer los slaan wordt gedaan door het slagwerk dat bestaat uit twee lange palen, een slaghei en een loshei, die door een nokkenas worden opgeheven en weer losgelaten.
Met ongeveer vijftig tot zeventig slagen zorgt de slaghei dat een wig naar beneden wordt gedreven waardoor de bulen worden samengeperst. De loshei zorgt dat een andere wig wordt losgeslagen zodat de buul weer kan worden weggenomen. De samengeperste meelkoeken worden in het 'pottenblok' door stampers weer tot meel fijngemaakt, nogmaals verwarmd en ten tweede male geslagen. De olie van de tweede persing, de 'naslag olie', is van mindere kwaliteit.
De hardgestampte zaadschilletjes worden uit de buul genomen en als veekoeken verkocht. De veekoek was als handelswaar net zo belangrijk als de olie.
Het werk in een oliemolen moest worden uitgevoerd in het oorverdovende lawaai van de heien en de stampers en in de walm van de verwarmde zaden.
De molenaar woonde daarom niet in de molen maar meestal in een huisje ernaast. Bij de molens waren vaak één of meer schuren aangebouwd voor de opslag van zaad, olie en koeken.

Omlo(o)per, omloopster

  1. Venter o.a.met kooien en muizenvallen.
  2. Werkzaam in een sajetfabriek.
  3. Visverkoper, visverkoopster.
    Zij kochten vis op de afslag met de bedoeling deze weer door te verkopen langs de deuren.
    Bron:

Omroep(st)er
Ook wel roeper.
De dorps- of stadsomroeper was door de overheid aangesteld om zaken die ter kennis van de bevolking gebracht moest worden, in het openbaar op straat om te roepen. Vroeger ook heraut der poorterij, die met enige slagen op een bekken de aandacht van de poorters vroeg.

Naast  het omroepen werden ook andere werkzaamheden verricht. Zo was de omroeper in sommige plaatsen ook visafslager (stokman).

 

Onderbootsman
Staat in rang onder de bootsman en is belast met het toezicht op het achterschip. Ook functie bij de V.O.C.

Onderman

  1. Functionaris bij de gilden. 
  2. Werkzaam in de meekrapstoof. Hij behoorde met de droger (d.i. de bedrijfsleider), de stamper en de drijver, tezamen wel als de gewrochten aangeduid, tot de vaste krachten in een meestoof. Men begon als (losse) arbeider, werd dan tweede medewerker of onderman, vervolgens kon men eerste medewerker, dan stamper en uiteindelijk droger worden
  3. Werkzaam in een appreteerderij.

Onderkoopman
Rang bij de VOC.

Onderkuiper
De onderkuipers waren aan boord van VOC-schepen de hulpen van de opperkuiper.

Ondertimmerman 
Hulp van de timmerman, o.a. bij de V.O.C.

Opdoener
Losse werkkracht, werkzaam in de meekrapstoof.
Ook opdoenster, vrouw die de was opdoet

Oplegster
Werkzaam in een passement- of sajetfabriek. Passementen waren vormen van decoratief borduurwerk.

Opperbottelier 
Vroeger de opperschenker  Later benaming functie aan boord van VOC schepen. Daar hield hij zich bezig met de distributie van voedsel en drank, o.a. aan de kok en zijn maat, die de gehele bemanning van voeding voorzagen.
Hij moest de schipper wekelijks op de hoogte houden van de voedsel- en drankvoorraden. Hij werd bijgestaan door een botteliersmaat, de kuipers en enkele matrozen (ruimgasten genoemd). 

Opperchirurgijn
Eerste chirurgijn, o.a. bij de V.O.C., ook wel oppermeester genoemd.

Opperknecht
In de landbouw de eerste knecht of meesterknecht. Ook opperknecht van de metselaars (Zaltbommel 1585).

Opperkoopman 
Rang bij de VOC.

Opperkuiper
De opperkuiper was aan boord van VOC-schepen belast met het toezicht, het openen en zo nodig repareren van kuipen, vaten e.d. Hij werd bijgestaan door onderkuipers. De kuipers (drie tot vier op een schip) werkten onder de bottelier. De opperkuiper schafte bij de bottelier.

Opperman
Eertijds operman, ook wel upperman
De werkman die voor de metselaar de materialen (stenen, kalk, enz.) aandraagt. Vroeger ook de handlanger van de (dak)dekker.
De term 'oppermans dagloon' werd gebruikt om aan te geven dat het om een gering loon ging.

Opperstuurman
Eerste stuurman, ook op schepen van de V.O.C.

Opsnijder
Functie in een steenfabriek.
Verwijdert de uitstekende randen van de door de vormer gevormde stenen.

Opsteker

  1. opsteker en vuller van lantaarns.
  2. functie in een katoenspinnerij of katoenfabriek.
  3. functie in een steenfabriek: het op een kant zetten van stenen, die te drogen hebben gelegen.
  4. aangever van de klei; vaak een kind. Stak van de kleihoop naast de vormtafel een homp klei af, rolde deze door fijn zand en legde de bezande bol op de vormtafel.

Opzetter

  1. persoon die goederen in een waag op de weegschaal plaatst.
  2. preparateur van dode dieren.
  3. Stapelde de vormelingen (stenen) in rijen (hagen), soms in de open lucht, soms in de haaghutten
    (meestal vrouwen)
  4. jongen die op een kegelbaan de gevallen kegels weer overeind en goed zet.

Organist(e)
Man, resp vrouw, die het kerkorgel bespeelde/bespeelt.

 

Orgelboekdrukker

Een draaiorgel wordt aangestuurd door een klavier, dat bestaat uit een aantal op een rij staande pennen, waar het orgelboek langs gestuurd wordt. De pennen tasten het orgelboek af dat met een vaste snelheid door het orgel schuift. Komen ze een gat in het boek tegen, dan schiet een pen omhoog, waardoor een klep opent, zodat lucht vanuit de blaasbalg naar een bepaalde pijp stroomt die dan afhankelijk van de lengte van de boekopening korter of langer geluid geeft. Naast de orgelpijpen worden ook andere instrumenten als slagwerk aangeblazen. De orgelbouwers waren beducht voor concurrentie en bijna ieder orgel had zijn eigen formaat orgelboek zodat de orgeldraaiers hun boeken niet konden uitwisselen. Een nieuw arrangement moest eerst met de hand op een stuk papier worden getekend. Dat vel werd dan op een leeg orgelboek bevestigd, waarna met een ponsapparaat de gaten werden gemaakt.
Later gebeurde dit gaten maken met een mechanische ponsmachine. Deze wordt tegenwoordig door een computer aangestuurd.

Orgelbouwer, orgelmaker
Vervaardiger van kerkorgels.
De orgelbouwer ontwerpt en fabriceert de met de hand gemaakte pijporgels. Dit vergt naast muzikale kwaliteiten vakkennis betreffende constructie van het orgel, hout- en metaalbewerking.

Orgelman
Een nog niet geheel uitgestorven beroep. Het draaiorgel werd van plek naar plek getransporteerd door man-, paarde- of motorkracht, waarna allerlei populaire deuntjes werden afgespeeld, meestal door een man, die het mechanisme met een draaiwiel in beweging bracht en hield. De af te spelen melodietjes waren in orgelboeken geponst. Door de ponsgaten werd lucht geblazen die het betreffende instrument in beweging bracht.

Orgelpijpenmaker
Een orgel bevat vele orgelpijpen. Het basismateriaal voor deze pijpen is koper, zink of tin. De lengte van een pijp varieert van vijftien cm tot tien meter. Elke pijp wordt met de hand gemaakt. De platen worden of ingekocht of zelf gegoten, dan geschaafd, gebogen en gerold om stalen leesten. Een orgelpijp bestaat uit een voet, een kern, een stemspleet, het corpus en het labium. Na het construeren volgt het intoneren waardoor de pijp de juiste stemming krijgt.

Orgeltrapper, orgeltreder

De orgeltrapper, ook wel caltant of pomper genoemd, voorzag in de tijd dat er nog geen elektriciteit was, het orgel tijdens het bespelen door de organist van een constante luchtdruk. Hij moest daartoe op de aan de daar voor aanwezige blaasbalgen gemonteerde hefbomen treden om het orgel van voldoende lucht te voorzien. Bij grote orgels was meer dan een orgeltrapper noodzakelijk. Meestal was dit een klus voor arme mannen, die zo wat konden bijverdienen. Een enkele maal wordt een vrouw als orgeltrapster genoemd, waarschijnlijk in een dorpskerk met een klein orgel.

Ornamentmaker
Vervaardiger van ornamenten,. Decoratieve versieringen, aangebracht door schilders-, beeldhouwers en ornamentmakers.

 

Ossenkoper
Ook wel ossenkramer.
Koopman in ossen.

Oudkleerkoper, oude-kleerenkooper
Koopman in oude kleederen, iemand die oud goed verkoopt en herstelt..

O(o)venmeester
Nu:

  1. iemand die zeer bekwaam is in het bereiden van gerechten in de oven.
  2. functie in een crematorium.

Vroeger:

Iemand belast met het toezicht op hoogovens waar ijzererts werd gewonnen of  bij steen- en pannenbakkersovens.

Overwegwachter
Belast met het openen en sluiten van de spoorbomen bij bewaakte overwegen toen dit nog niet geautomatiseerd was.

Paalmeester
Ook wel pael- of boommeester.

  1. In Holland was de paalmeester de persoon die gerechtigd was het paalgeld van de schepen te innen.
  2. In Brabant was de paalmeester erfscheider, ambtenaar die belast was met het vaststellen van de grenzen tussen eigendommen.
  3. Opzichter over het paalwerk.

Pachters van den haardasch of straatvuilnis

Zij kregen het recht de haardas en of het straatvuil in te zamelen, waarna het door hen werd verkocht.

Pakker

  1. Degeen die op een papiermolen de verse vellen aanpakte: Op de vroegere papiermolen vond men twee pakkers: de boven- en onderpakker.
  2. Werkzaam in een pakkerij - klanderij - glanzerij (textielbehandeling).
  3. Inpakker van koopmansgoederen, haring enz. Dit mocht oorspronkelijk alleen gebeuren door daartoe bevoegde personen. 

Paklo(o)per
Manufacturier, die met een pak textiel van deur tot deur ventte.

Palfrenier 
Eerst paardenknecht, stalknecht, later tweede of hulpkoetsier, koetsbediende.Pander 
Gerechtelijke beslaglegger, pandnemer.Pandmeester 
Degenen die het beheer hadden over een pand- of verkooplokaal

Panneboeter
Ketellapper, maker en reparateur van pannen en ketels.

Panneerder
Werkzaam in emailleerfabriek.

Panneman, ook pannemeester
Panneman, eigenaar van een panneering, zoutziederij, zoutzieder. 

Pannen(dak)-
Dakpannen worden van een iets vettere kleisoort vervaardigd dan steenbakkersklei. De nog weke platen werden van een nokje (neus) voorzien en op een houten vorm krom gebogen in de gewenste vorm en na het drogen in een gesloten steenoven gebakken.
Bij de pannenfabricage kwam men verschillende functies tegen die voor zich spreken:

  • panafsnijder/pannensnijder
  • pannenbakker
    Doc.
    A. Schellingerhout, Dakpannen, 2600 jaar terracotta of keramische dakpan, A & Historische Cahiers nr 2.
  • pannendrager
  • pannenmaker
  • panovenbaas
  • panvormer
  • panwerker (ook een functie die bij de zoutziederij bestond)
  • panzetter

Pannenknecht
O.a. werkzaam in een suikerraffinaderij. Hij is degeen die voor de zied (kook)pannen zorgt.
De pannenknecht is altoos de eerste op wanneer er gekookt wordt; hij moet de ziedpannen stoken.

Pannensmid
Maker van koperen en andere pannen.

Panne(n)strijker, pannenbezetter 
Metselaar, die tussen de dakpannen mortel strijkt. Ook het gereedschap, dat hij daartoe bezigt, heet panne(n)strijker.

Pannepopper
De man die pannendaken, o.a. van boerderijen waterdicht maakt door het instoppen van pannepoppen of -dokken. (bosjes stro, aan een kant omwonden)

Panwerker
Functie in een zoutkeet.

Papierfabricage
De eerste papiermolen heeft mogelijk in de nabijheid van Hattem gestaan (1598).
De eerste eeuwen werd het papier voornamelijk uit lompen vervaardigd. Bekend is dat de papierfabrieken hier te lande een product hebben geleverd waarmee andere landen niet konden wedijveren.
Inmiddels is echter ook deze industrie nagenoeg geheel uit ons land verdwenen.
Het produktieproces bestond (beknopt aangegeven) uit de volgende fasen:

  1. zuiveren en verdelen van de lompen (uit 100 kg ruwe ongewassen lompen verkreeg men uiteindelijk ongeveer 27 kg papier)
    Voor de verschillende papiersoorten, die konden worden vervaardigd, had men daarop afgestemde lompen nodig.
    a. ontsmetten
    b. sorteren en snijden; lompenscheider, -sorteerder.
    c. van stof ontdoen en koken; koker
    d. malen tot halfgoed, waarbij de lompen dusdanig worden vermalen dat de aard van de gebruikte stof en ook de draaiing van het garen niet meer te zien is, ofschoon de delen nog te lang zijn om met water een soort brei op te leveren.
  2. toebereiden van de papierbrij
    a. wassen en malen tot heel goed, een uiterst fijne vlokkige massa, die zich met water tot een soort brij laat samenroeren.
    b. lijmen en kleuren van deze pap
  3. het vormen tot vellen
    a. door handenarbeid scheppen, persen drogen en eventueel lijmen. Oorspronkelijk gebeurde het eigenlijke scheppen met de hand door de schepper. Voor verschillende papiersoorten werden verschillende vormen of ramen gebruikt, verdeeld in twee hoofdsoorten: de post- of geribde vorm en de velijnvorm. Dit was een soort zeef. Als regel was in de  vorm van dun koperdraad het watermerk aangebracht. Met deze vorm werd de brei uit een kuip opgeschept. Door deze brei te schudden wist de schepper het gelijkelijk over de vorm te verdelen. Het water zakte uit het raam weg, zodat er een dunne laag papierbrei overbleef.
    b. later machinaal
  4. het apprêteren van het papier: glanzen of satinere

Papkoker
Functie in de apprêteerderij, de bontweverij en de blekerij van stukgoederen.

Papper
Werkzaam in was- en strijkinrichting.

Parapluieversteller
Reparateur van parapluies.

Parelzetter
Bevestigde parels bij goud- en zilverwerken.

Parlevinker
De parlevinker bevoorraad met zijn boot als een soort minisupermarkt de in de haven liggende schepen.

Passementwerker
Ook wel boordselwever genoemd.
Passementen worden enerzijds onderscheiden in
a. gouden en zilveren boordsels of galons en anderzijds
b. in wollen en zijden boordsels of passementen.
De passementwerker weefde doorgaans op een recht scheerraam

Ad a.
De hoofdgrondstof hier was goud- en zilverspinsel, dat verkregen werd wanneer men een draad, bijv. van zijde, schroef- dan wel spiraalvormig omwond (omspon) met goud- of zilverplatsel.
Men onderscheidde echt of vals platsel. Ook gebruikte men als gronddraad wel dun ijzer- en koperdraad, bijv. ten behoeve van dameshoeden.

Ad b.
De wollen of zijden boordsels of passementen onderscheidde men in militaire passementen, zelen of singels en leidsels (waartoe ook broekdraagbanden oftewel galgen of bretels gerekend werden, met als grondstof o.a. hennep- of werkgaren en vlas), meubelpassementen voor het bezetten van zijden behangsels, opgevulde meubels enz., naadbelegsels (zeer smalle zijden of wollen passementen voor het bezetten van de naden van de binnenbekleding van rijtuigen), rijtuig en livreipassementen (van onversneden fluweel en waarvan de oppervlakte met kleine noppen bedekt is.

Pasteibakker
De pasteibakker, leverde pasteien, maar veelal ook ander gebak als taarten en koekjes. Hij bakte zowel het pasteibrood, de korst voor een pastei als de inhoud, die overigens zeer variabel was: duiven, aal, garnalen, ham, hart, haas, hert, hoender, kalfsnier, kalfstong, kreeft, lever, limoen , pauwe, prommel- schildpad en Venesoen Pastei om er enkele te noemen.

Pastelleur
Fabrikant van suikerwerk.

Peerlegater (parelgater)
De peerlegater boorde gaten in parels.

Pegelaar
Pegel of peil werd gebruikt:

  1. in maten voor drinkwaren
  2. hoogtemerk van de waterstand
  3. als teken ter aanduiding van de diepte waarop een vaartuig geladen mag zijn
  4. graad van sterkte bij het brouwen

Degenen die dit controleerden werden pegelaars (pegelaers) genoemd en waren ze in dienst van een stad stadspegelaars. Ze konden dus verschillende functies hebben.
Pegelaars of wijnroeiers waren functionarissen die zich bezig hielden met de controle op de hoeveelheden wijn in de vaten bij slijters en verbruikers met het doel de hoogte van de accijnzen vast te stellen.

Peilmolenaar
Molenaar die een peilmolen bedient. De peilmolenaar bewaakt de stand van het boezemwater en geeft de andere molenaars door (seinen), met het malen te beginnen of er mee op te houden.

Pekjongen/pikjongen
Leerling (leergast) op een scheepstimmerwerf, belast met het bereiden van pek pluis- en kalfaatwerk.
Kalfaat of kalefateren is het dichtstoppen van reten, naden, spleten en voegen tussen de planken van de buitenhuid of van het dek van schepen dichtstoppen met ‘werk’ met behulp van een kalfaat hamer en -ijzer, waarna er kokend pik op werd gegoten totdat de naden dicht waren).

Pelletier, peltenier
Pelsmaker of bontwerker. Geleerden, kooplieden, overheidspersonen en edellieden droegen niet alleen op straat maar ook in huis en in de vergaderzaal met bont “gevoerde”opperkleden. 

Pellewever
Wever van pellen oftewel pellendoek. Onder pellendoek verstond men  “tafellakens, servetten, handdwalen en handdoeken of ook wel die soort van linnen, waarvan dezelve vervaardigd worden”.

 

Ook pelterij bereider of pelterijwerker.
Bontwerker. 

Penne(n)bereider(sknecht)
De pennenbereider maakt uit de schachten of slagveren van bepaalde vogels penneschachten, die geschikt zijn om er schrijfpennen van te maken. Men gebruikte schachten of slagveren van verschillende soorten vogels: struisvogels, kalkoenen, eenden, raven, zwanen en vooral ganzen.
De pennenbereidersknecht werkte bij een pennenbereider.

Penningwarier
Iemand die in het klein verkoopt, winkelier.

Pennist
Iemand, die de pen hanteert, klerk, schrijver. In het bijzonder als benaming voor klerken in dienst van de O.I. Compagnie van ‘den pen’. Dit in tegenstelling met hen, die bij het leger of de marine dienst deden.

Pensman
Ook pensverko(o)p(st)er, pensvrouw, penswijf en beulingwijf.
Iemand die pens, al dan niet gevuld, toebereidt en verkoopt. 
De pens is de eerste en grootste afdeling van de maag van een koe. De taaie huid van deze maag wordt o.a. gebruikt om er gehakt vlees in te rollen (rolpens).
Ook kende men pensbeuling in verschillende soorten: bloed-, gort-, lever-, potje-, en varkensbeuling.

Pens werd verkocht in een penshal, penshuisje of  penskraam.

Peperkoekbakker (peperkoekverkoper, -verkoopster)
Bakker en verkoper van peperkoeken. Deze waren bereid uit meel, honing, suiker of stroop waardoor peper werd gedaan.

Perenverkoper
Verkocht ’s winters warme stoofperen.

Perforeerder

  1. Werkzaam in een boekbinderij
  2. Ponser van Hollerithkaarten, ponskaarten waarin gaatjes werden geponst volgens een bepaalde patroon, o.a. gebruikt ten behoeve van de boekhouding het vervaardigen van rekeningen door verzekeringsmaatschappijen. Eind 1900 tot ontwikkeling gebracht door een Amerikaan, Hollerith.

Perkamentmaker
Vervaardiger van perkament. Perkament werd vervaardigd uit ongelooide, met kalkmelk behandelde lams-, schapen-, kalfs-, ezels- of geitenhuiden, aan beide zijden afgeschaafd en gepolijst, o.a. met puimsteen. Een goede kwaliteit werd reeds in de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling vervaardigd in Pergamumin (Klein-Azië). Als drager van teksten verdrong het papyrus, dat minder duurzaam was. Het maakte een enorme opgang in de Middeleeuwen.

Persdoekreinigster
Persdoek was een geweven stof vervaardigd uit sterke jute of wollen grondstof, die gebruikt worden bij de olieslagerij, beetwortelsuikerfabrieken en andere industrieën.
Na gebruik werden deze doeken op gezette tijden gereinigd.

Persenmaker
Vervaardiger van persen. 

Pestmeester
De pestmeester werd belast met het bezoeken van zieken

Petroleum verkoper/venter

Venter, verkoper langs de deuren van petroleum. Vroeger werd veel gebruik gemaakt van oliestellen om diverse gerechten zachtjes te laten garen 

Pettenboorder
Het woord pet heeft uiteenlopende betekenissen. Men kent pet in de zin van put, bijv. veenput, ontstaan door het weggraven van veen, maar ook als waterput, soms gegraven maar ook geboord met een petboor. De petboorder is arbeider die petten/putten boort.

Pettenmaker
Pet is o.a. de benaming van een buitenshuis door mannen en jongens gedragen hoofddeksel.
Oorspronkelijk was het een soort ronde muts of baret met een grote klep van voren om het gelaat tegen zon en regen te beschermen, soms met oorkleppen, die opgeslagen konden worden en met banden, die onder de kin vastgestrikt konden worden. Later kwamen allerlei modellen petten in gebruik, zowel met stijve bol en leren klep als ongesteven. Ook kwamen petten in gebruik als deel van een te dragen uniform.

In het begin werden ook de petten door de hoedenmakers vervaardigd. Men kende de pettenknipster, de pettenmaakster en de pettenmaker.
Tegenwoordig is de vervaardiging van petten min of meer fabrieksmatig.

Peulder

  1. Iemand die peulgewassen (erwten en bonen) dopt

  2. Hij die bij het dorsen op de den (dorsvloer op het veld, bestaande uit over de grond uitgespreide stukken zeildoek) het koolzaad of de boekweit peult: de peulder trekt met de rijf (= hark) het zaad en de stekken van peulen en van stroo tegen het peulbard ( = plank, gebruikt bij het dorsen op het land) waarbij de wind dan de afval meeneemt, zodat het zaad gezuiverd wordt.

Peurder

Visser die paling of aal vangt

  1. met behulp van de peur, een tros wormen geregen aan een touw (peurtros) welke meestal dicht bij de bodem zacht op en neer bewogen wordt om de aal of paling aan te laten bijten. Onder aan de peurtros hing het peurlood, een stukje lood, dikwijls in een pijpekop gegoten, dat diende als gewicht om deze te laten zinken.

  2. met de elger (= vistuig bestaande uit een soort vork met platte, dicht bijeenstaande tanden) door deze telkens in de modder van een viswater te steken om op die manier aal of paling te vangen.

Piekenier (picquenier, piekeling, piekenaar, piekdrager, pijckenaer, pijckenier, pijckier)
Soldaat, bewapend met een piek. Deze bestond uit een lange stok met een puntig uiteinde van ijzer en staal. Oudtijds was de piek het hoofdwapen van een deel van de infanterie, maar raakte door de invoering van de bajonet in de achttiende eeuw geleidelijk in onbruik.

Pijenwerker
Pij was een grove wollen stof (pijlaken), bruin of grauw van kleur. Ook de kleding die uit deze stof werd vervaardigd werd pij genoemd. Als zodanig was een pij oorspronkelijk een overkleed oftewel pijrok gedragen door eenvoudige lieden, soldaten en monniken. De Pijenwerker vervaardigde deze pijen.

Pijnder (pijner, pijniger)

  1. Iemand die een ander pinigde: rechters of beulsknechten die een gevangene pijnigden op de pijnbank

  2. Als benaming voor een arbeider, in het bijzonder een sjouwer of een zakkendrager (o.a. Gent, Brugge)

Pijpe(n)brander, Pijpe uytbrander
Iemand die kalken pijpen uitbrandt om ze weer wit te maken.

Pijpendraaier
Degeen die stenen tabakspijpen draait of rolt.

Pijp(en)maker 
Tegen het einde van de zestiende eeuw heeft de pijpenfabricage in Engeland een hoge vlucht genomen.

Begin 1600 trokken een aantal calvinisten, die later onder de naam  ‘Pilgrim Fathers’ naar Nederland. Onder hen waren een aantal pijpenmakers. In 1620 vertrok een groep van hen naar Amerika, maar een groot deel bleef achter in Leiden, waaronder ook pijpenmakers. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij het beroep in Leiden geïntroduceerd hebben. In Leiden en Amsterdam ontstond de productie in huiselijke sfeer. Maar ook elders (o.a. Gouda, Gorinchem, Groningen, Rotterdam, Schoonhoven en Utrecht) kwam dit beroep tot ontwikkeling, bij voorkeur in plaatsen waar reeds pottenbakkers werkzaam waren. Beiden verkozen plaatsen, die aan het water lagen, zodat klei, pijpaarde en brandstof gemakkelijk kon worden aangevoerd,en gereed product gemakkelijk kon worden afgevoerd. Uiteindelijk groeide Gouda in de loop van de eeuwen uit tot de stad van de kleipijpen.
In de beginjaren waren de pijpen kort van stuk. Later werden de stelen langer. De grotere exemplaren werden meestal thuis gerookt of in de kroeg. De kleine pijpen zijn vrij heet om te roken. Hoe langer de steel, hoe koeler de pijp rookt en des te lekkerder was de smaak. Doordat in de zeventiende eeuw de prijs van de tabak daalde werden ook de pijpenkoppen allengs groter. De kleipijpen waren goedkoop en werden in alle lagen van de bevolking gebruikt. Kinderen gebruikten ze graag om bellen te blazen.

Voordat de pijp de oven inging had de witbakkende klei (pijpaarde), geïmporteerd uit Engeland, Duitsland, Frankrijk of België, een zeer bewerkelijk proces ondergaan. Eerst werd de klei gewassen om verontreinigingen en schadelijke stoffen te verwijderen. Na het wassen volgde droging. Deze droge brokken klei werden twee maal gemalen en door toevoeging van water kneedbaar gemaakt.
De roller maakte de grondvorm, de rol, die aan een kant dik was voor de ketel (kop) en die aan de andere kant dun uitliep voor de steel. Deze rollen werden enige tijd gedroogd en in een mal gelegd. Vervolgens ging de ‘kaster’ aan het werk, die met behulp van een stuk ijzerdraad (de wijer), waarvan het uiteinde knopvormig was, het rookkanaal aanbracht (= aanwijeren). Met wijer en al werd de rol in een metalen vorm gedaan en in een soort bankschroef  geklemd. Aan de kopzijde een kogelvormig stuk metaal (de stopper) in de mal werd gedrukt. Deze stopper bepaalde de inhoud van de pijpekop of ketel. Daarna werd de wijer (of weijer) zover doorgeduwd tot hij contact maakte met de stopper. Vervolgens werden wijer en stopper verwijderd en werd de pijp uit de mal gehaald om verder te drogen. In de steel werd een wat dunner ijzerdraadje geplaatst om te verhinderen dat de steel krom trok. Na het drogen werden de vormnaden en overtollige klei veelal verwijderd door vrouwen, de tremsters.

Onder aan de kop zit doorgaans een uitsteeksel, waar de pijpmakers dikwijls hun merk aanbrachten met behulp van een stempeltje.

De pijpen van de hoogste kwaliteit werden daarna geglaasd met behulp van een agaatsteen, waarmee op de buitenkant van de pijp de kleiplaatjes in één richting werden gestreken.

De ongebakken maar volledig afgewerkte pijpen werden in rekken gedroogd. Daarna werden ze in grote spits toelopende aarden pijpenpotten in de oven geplaatst en bij een temperatuur van ongeveer 1000º gebakken. Uit de terminologie die men voor de diverse handelingen gebruikte blijkt de Engelse oorsprong.
Oorspronkelijk zal men pijpen met korte steellengtejhebben vervaardigd, maar al gauw kwamen er ook pijpen met langere stelen.

Na 1750 werden steeds meer pijpen uit andere materialen vervaardigd, zoals houten en meerschuimen pijpen.

Pijpenmaker 
Maker van orgelpijpen
De orgelpijpen worden met de hand gemaakt uit platen van een tin/lood alliage. Deze platen worden gegoten op een houten lattentafel die met linnen is bespannen. Daarna worden ze op dikte geschaafd.
Nadat de pijpenmaker het corpus en de voet van elke pijp van een register heeft uitgesneden worden de onderdelen gevormd en gesoldeerd. Na het ronderen zijn de onderdelen eerst zuiver rond en wordt de zogenaamde kern op de voet gesoldeerd.
Tenslotte worden voet en corpus aaneen gesoldeerd en worden de zijbaarden aangezet. Voor de tongwerken worden kelen geslagen en gevlakt. De tongen worden uit speciaal messingplaat gesneden. De nog niet sprekende pijpen worden door de intonateur op de intonatielade (een open orgel) geplaatst waar hij volgens zijn ervaring een eerste klank in de pijpen aanbrengt.
Men kan dit intoneren vergelijken met het blazen over een flesje waarbij met de juiste lipopening, luchtdruk en richting de beste toon ontstaat. De definitieve klank ontstaat pas in de akoestiek van de ruimte waar het orgel wordt geplaatst. Tenslotte wordt de pijp op lengte gemaakt.Dit laatste noemt men stemmen.

Pijpensteller
Iemand die de pijpen stelt.

Pikster
Zie ook koffie-
Sorteerster van koffiebonen.

Pillendraaier, -maker, -roller
Degeen die in de apotheek de pillen vervaardigde

Pindachinees
Destijds namen de stoomvaartmaatschappijen graag Chinezen in dienst, o.a. als stoker. Ze waren goedkoper en betrouwbaarder dan hun Nederlandse collega’s, die af en toe ook nog staakten. In de crisisjaren omstreeks 1930 werden heel wat schepen opgelegd, waardoor de Chinezen op straat kwamen te staan en zich in leven moesten zien te houden. Dit laatste o.a. door te venten met blokjes pinda’s in suiker, die ze voor een stuiver (5 cent) aan de man probeerden te brengen. Ze bewaarden hun koopwaar in een broodtrommel die ze met een stuk band om hun nek voor zich droegen.

Pisbeziener, piskijker
Aan de hand van het onderzoek van de urine werden diagnoses betreffende iemands kwaal gesteld. Dit gebeurde zowel door de toenmalige artsen als door kwakzalvers. Het flesje met urine werd onder andere gebruikt bij zwangerschapstests. Maar die methode was medio de zeventiende eeuw al achterhaald. Het piskijken gold derhalve later als teken van kwakzalverij. Daarmee werd de arts, die dit nog toepaste, gebrandmerkt als Quacksalversche Pisbesiender, ofwel een charlatan.


Werkzaam bij de lakenindustrie voor het vervoeren van urine ten behoeve van het vollen.

Pistolier, pistolettier
Ruiter, bewapend met een pistool.

Pistoolmaker
Eerst omstreeks het midden van de negentiende eeuw maakten de technische ontwikkelingen het mogelijk een groot gedeelte van het vuurwapen met behulp van machines te vervaardigen. Daarvoor was het handwerk.

Aanvankelijk werden de vuurwapens in hun geheel grotendeels in thuiswerk met de hand vervaardigd door de geweermakers. Naarmate het aantal benodigde wapens groeide en de wapens qua constructie gecompliceerder werden, gingen de gevestigde geweermakers er meer en meer toe over werk uit te besteden, vooral als het grotere militaire orders betrof.
Naast de geweermaker werkten aan de tot standkoming van een vuurwapen mee: slotenmakers, loopsmeden, lademakers maar ook o.a. kopergieters en zilversmeden.
Door het groeien van de vraag werd het uitbesteden van diverse werkzaamheden geleidelijk vervangen door het produceren van grotere series wapens in werkplaatsen, waar een aantal gespecialiseerde vaklieden ieder op hun eigen terrein werkzaam waren.
Hiertoe behoorden bijv. loopsmeden, loopfitters, slotenmakers en –fitters, lademakers, beslagmakers en –fitters, polijsters, graveurs, harders, bruineerders, afwerkers en keurmeesters.

Plaatdrukker
Drukker van gegraveerde of geëtste koperen platen.
De ingeinkte drukklare plaat werd op een harde ondergrond gelegd, daarop het iets vochtig gemaakte te bedrukken papier, daarop een stuk vilt. Het geheel werd dan tussen twee rollen onder grote druk door de pers gedraaid, waarna vilt en het bedrukte papier voorzichtig werden verwijderd.
De afdruk werd dan te drogen gehangen, waarna aan het drukken van de volgende afdruk kon worden begonnen.

Plaatmaker
De plaatmaker is/was werkzaam in een offsetdrukkerij, waar hij geprepareerde platen tezamen met een negatief belichtte en vervolgens ontwikkelde.

Plaatslijper
In de beginperiode van de offsetdruk. In het begin maakte men gebruik van zinken platen als beelddrager. Deze platen moest men zelf prepareren. Zie copiïst. Het geschikt maken van deze zinken platen om de gevoelige laag er op aan te kunnen brengen was de taak van de plaatslijper, die nieuwe of gebruikte zinkplaten machinaal sleep en greinde (van enige ruwing voorzien). Verder moest hij met zuur de platen vetvrij maken.

Plaatsnijder
Plaatsnijder of graveur.
Het graveren van af te drukken afbeeldingen en teksten o.a. in koperen platen.
De plaatsnijder kon rechtstreeks afbeeldingen en zo nodig ook teksten rechtstreeks in het koper graveren, maar ook indirect: door de plaat te bedekken met een voor zuren ondoordringbare laag, waarop hij in en net door die laag de te vervaardigen voorstelling vervaardigde. De plaat werd dan in een etsbad (zuur) gedompeld, waarna het zuur de opengewerkte afbeelding in het koper uitbeet.

Daarna werd de plaat schoongemaakt, een proefdruk vervaardigd (eerste statie), waarna het proces herhaald werd tot de afbeelding aan de verwachting voldeed en klaar was voor de definitieve druk.

Planeetkramer
Persoon die kermissen en jaarmarkten bij langs trok en aan de kost probeerde te komen, door mensen hun toekomst te voorspellen op grond van de stand van de hemellichamen.

Plateelbakker
In verschillende plaatsen is deze tak van nijverheid tot grote bloei gekomen. Ook in Delft ging men zich toeleggen op de vervaardiging van majolica. Oorspronkelijk onderscheidde men plateelbakkers en pottenbakkers. De plateelbakker vervaardigde oorspronkelijk o.a. platelen (platte schotels of schalen) van aardewerk. Later ook de nabootsingen van het Chinese porselein, o.a. het bekende Delftsblauw, ook “Hollants Porcelyn” genoemd.
De plateelbakkers worden onderscheiden van de gleibakkers, die glanzend wit aardewerk maakten en de tegelbakkers en estrikbakkers, die muur en vloertegels vervaardigden..
De kern van het bedrijf bestond uit een of meer ovens in een werkplaats. Verder had men nog andere ruimten in gebruik - droogzolders, pakhuizen, houtschuren, hooizolders, een woonhuis voor de meester-bakker en tenslotte een voor in dat huis gevestigde verkoopruimte.
Men onderscheidde:

  1. Ordinair plateelgoed (of faience), dikwijls met eenvoudig schilderwerk
  2. Fijn plateelgoed (fayence), waartoe het vermaarde Delftse aardewerk behoorde

Platijnmaker
Platijnen (ook wel patijnen of trippen genoemd) waren een soort slippers met een houten zool. Ze werden met een riem over de wreef bevestigd. Ze hadden onder de hiel en de voorvoet een verdikking. Ze zijn waarschijnlijk ontwikkeld in Frankrijk.

Platloodgieter
Loodgieter die plat lood giet en verwerkt, dus geen ronde buizen e.d.

Platstrijkster
Vrouw, werkzaam in een wasserij, die het gewone platte goed streek.

Platwerker
Zowel de persoon die in een aardewerkfabriek plat werk als schotels en borden maakte als de bandwever werden platwerker genoemd.

Platzetter
Handzetter in een drukkerij.
Met de hand pakte de handzetter de letters uit de kast (= lade uit een zetbok) en plaatste deze in een zethaak. Deze zethaak diende om de letters in de juiste volgorde op de juiste maat te zetten. Merkwaardig is dat dat kopstaand gebeurde, d.w.z. de zetter ziet de regels op de kop. Als een regel gereed is werd deze in een galei gezet. Een galei is een platte houten of zinken bak met lage randen. Het omvallen van de letters werd voorkomen door stukken zetlood tegen het zetsel te plaatsen. Was het zetsel klaar dan werd het met een touwtje omwonden en kon er een proef worden gemaakt.
Na goedkeuring van de proef kon het zetsel in een vorm worden geplaatst en afgedrukt. Na het drukken werd het zetsel soms bewaard voor een herdruk, maar anders weer gedistribueerd (teruggeplaatst in de zetkasten) De handzetter verrichtte zijn werk staande. Vroeger soms 12 uur of langer. Als men slaap kreeg kon men wel eens een schop tegen het achterste verwachten.

Pleegman

  • Is een opperman
  • Ook het verzorgen van vee werd wel plegen genoemd

Pleisteraar, pleistergieter
De pleisteraar of pleistergieter goot figuren in gips. Ook de maker van vormen voor voorwerpen, die niet gegoten konden worden werden wel pleisteraar genoemd.

Plesser, pletser

  1. Degeen die in een pletterij een pletmolen bedient
    In een plet- of drukmolen werd metaal geplet of buskruit gemalen.
  2. Iemand die inghewanden van dieren verwijdert

Pletsvolder, pletsvoller
Plets is een wollen stofsoort, oorspronkelijk afkomstig uit Schotland, o.a. dienende voor kleding van de Hollandse militie. De pletsvoller/volder zou deze weefsels ontvetten door ze te treden of te slaan.

Plooister
Zo werd de vrouw genoemd, die genaaide en/of gestreken plooien in kledingstukken als kragen en mutsen of gordijnen aanbracht.

 

Plugge(n)draaier, plugge(n)maker
Vervaardiger van pluggen, metalen, of houten ronde aan een zijde spits toelopende voorwerpen om gaten in vaten e.d. te kunnen afsluiten.

Pluimas(s)ier
Ook vederman
Vervaardiger/ verkoper van pluimage: versieringen van veren voor o.a.  hoeden en helmen.

Pluimenmaker
Vervaardiger van allerlei producten van vogelveren.

Pluimgraaf
Oorspronkelijk een hoge ambtelijke functie: Degeen die het toezicht hield op het gevogelte van een vorst of ander hooggeplaatst persoon. Later werd de term ook gebruikt voor minder voorname oppassers van het gevogelte op een buitenplaats.

Pockmeester, pok(ken)meester
Tegen het eind van de vijftiende eeuw zou de geslachtsziekte syfilis zich voor het eerst in Europa hebben gemanifesteerd. 
De personen, meestal leken, die deze ziekte behandelden, kregen al spoedig de naam Pockmeester. Aangezien de kerk een zorgvuldige bestudering van de ziekte en van eventuele voorbehoedsmiddelen tegen ging, waren het vele jaren hoofdzakelijk kwakzalvers, die allerlei middeltjes aangaven en verspreidden om een besmetting te voorkomen.
Die pockmeesters hadden meestal al snel een zeer winstgevende praktijk. Dit werd in de hand gewerkt omdat de artsen en chirurgijns het veelal beneden hun waardigheid vonden, lijders aan “vuile ziekten” te helpen.
In vele plaatsen werden de pockmeesters ook nog beschermd. Bleek iemand in het genezen van de “pocken” een zekere vaardigheid te hebben dan werd hem vergund zich in het openbaar door middel van een uithangbord bekend te maken.

Poestertreder (puistertreder)
Orgeltrapper.
Benaming van degeen die tijdens het bespelen van het orgel door de organist, de blaasbalgen, die voor de noodzakelijke luchtvoorziening zorgden, aantrapte.

Pokmeester
Zie pockmeester.

Polderwerker
Grondwerker, werkzaam bij de aanleg en het onderhoud van dijken en polders. Dit beroep was hard en zwaar, maar de besten verdienden in het seizoen het dubbele van andere arbeiders.

Pompema(a)ker
De waterpomp diende/dient om water omhoog of andere vloeistoffen naar elders te verplaatsen.

Oorspronkelijk werden de pompen uit ronde of vierkant houten balken vervaardigd bij en door speciale vaklieden, die vaak ook scheepsblokken, takelblokken vervaardigden, de pompenmakers, alhoewel er ook molenbouwers waren die dit werk in eigen hand hielden. De pompen werden gebruikt in de schepen (verwijderen lekwater), oliemolens, stijfselhuizen, boerderijen en woningen, kortom overal waar vloeistoffen vanuit de diepte omhoog moesten  worden gebracht. De pompenmakers gebruikten vooral iepen stammen, die in voorraad te water lagen. Dit laatste omdat droog hout te hard was om te boren. Zo’n iepen stam moest niet alleen recht maar ook vrij van kwasten of noesten zijn. Zo’n stam werd onwrikbaar op twee schragen bevestigd. Met een pomp of lepelboor, die voor het midden werd opgesteld op schraagjes met in het midden pollen, blokjes van hard hout of ijzer met een uitsparing om de boor te geleiden, werd er door het midden een rond gat geboord. De lepel van deze boor was ongeveer vijf cm breed en dertig tot veertig cm lang. Aan het eind van de boorstang was een dwarshout en een handwiel met vier uitstekende spaken bevestigd. Een man draaide de boor, die hij ondertussen aandrukte. Eventueel had hij hulp van een jongen, die aan de boorstang trok als de man boorde. Vee malen moest de boor wanneer het gat dieper werd, teruggehaald worden om het boorsel, het afval te verwijderen. Na de eerste boring volgde een tweede met een grotere lepel. Bij dit opboren werd een boor met verwisselbare lepels gebruikt met aan de punt een draaibaar haakje of oog. Vanuit het einde van het geboorde gat werd dan een ijzeren staaf voorzien van een haakje geschoven en aan de boor vastgehaakt. De hulp trok dan aan die staaf bij het boren.. Dit werd herhaald tot de juiste grootte van het boorgat was bereikt.
Eerst daarna werd de doorboorde stam vierkant gemaakt, zodat men als het gat iets uit het midden was geboord, men dit nog kon corrigeren. Na het vierkant maken werden de hoeken er nog afgehaald.
De zuiger, ook emmer genoemd, en de voetklep of hart werden op een draaibank vervaardigd.

Een eindje onder de bovenkant werd een dwars gat met een gootje vervaardigd, waar het water/de vloeistof uit moest komen. In dat gat moest een houten prop met een naar boven opengaande (leren) klep komen, eerst bevestigd aan een houten, later ijzeren staak. Deze kon met de pomparm heen en weer worden bewogen om het water uit een wel of water op te pompen.

Allengs werden de houten pompen door metalen verdrongen. Deze werden oorspronkelijk door loodgieters vervaardigd en werden vaak op hun trotseerloodjes afgebeeld. Later werd het fabriekswerk.

Pompier

  1. De pompier was een kleermakersknecht of zelfstandige die pompwerk verrichtte: uitvoeren van kleine reparaties en het passend maken van confectie, bijv. door de broekspijpen iets in te korten.
  2. Ook de brandweerman werd wel pompier genoemd.

Pompslager
De pompslager was degeen die de door de pompenmaker vervaardigde pompen plaatste.

Pondegoedkoper/-koopster, Pondegoedraper/-raapster
Deze vergaarde en verhandelde vodden en ander afvalmateriaal dat per gewicht werd verkocht.

Pontvoerder
Veerman.
Iemand die met een (veer)pont mensen, dieren en goederen overvaart van de ene zijde van een rivier of kanaal.

Poortier/Poortierster
De poortiers zorgden voor het openen en sluiten van de stadspoorten.
Bij ordonnantie werd bepaald op welke tijden de poorten geopend en gesloten moesten worden.
De poortiers moesten een eed afleggen met betrekking tot zijn/haar taken, o.a. omdat zij poortgeld moesten innen van degenen die na sluitingstijd alsnog naar binnen wilden. Zij mochten daarbij geen fooien aannemen van overtreders.
Ook moesten ze er op letten dat de poorten niet werden bevuild.
Aan de poortier waren wachten (soldaten) toegevoegd om zo nodig bijstand te verlenen.

Poortwachter, poortwachtster
Ook wel poorthoeder/poorthoedster genoemd.
Man, resp vrouw belast met het toezicht op de gaande en komende man of vrouw bij de stadspoorten.

Porder - porster
In de tijd dat er nog geen wekkers waren en men vroeg aan de slag moest zorgden de porders of porster er voor dat men tijdig gewekt werd. Een porder/porster bediende een aantal klanten door met zijn stok op de betreffende huisdeur te kloppen of tegen het raam te tikken. 

Porseleinbakker
Zie ook plateelbakker.
Vervaardiger van op porcelein gelijkend aardewerk.

Porseleinschilder
Zie plateelbakker.

Posthouder
Aanvankelijk in het vroegere Nederlands Indië de naam voor een officier of onderofficier die het commando had over een door de O.I. Compagnie in een handelspost gelegde bezetting.
Later ondergeschikt bestuursambtenaar, lager dan een controleur, die in een afgelegen streek het gezag van de regering vertegenwoordigde.
In West-Indië was het de titel van de ambtenaar, die bij iedere stam van de bosnegers aangesteld was om toezicht op hen uit te oefenen. Hij tekende hun passen af en zorgde voor het nakomen van alle bepalingen in de verdragen. Veelal waren het oud-militairen, ‘mensen van geringe beschaving’.

Postiljon
Eigenlijk postbode of koerier die de post overbrengt. Hij deed dat te voet  (lopende- of voetbode) of per paard. Later ook met een (post)wagen.

Postkruier
Kruier van slijk, modder. Zou in West-Friesland voorkomen.

Postmeester
Oorspronkelijk de naam voor de door de stedelijke overheid aangestelde beheerder van een postkantoor.
Meestal beheerden de stedelijke magistraat de posterijen niet zelf, maar droeg die over aan de postmeester.. Bij de benoeming in de grote steden werd derhalve slechts gelet op de familieverhoudingen en allerminst op de bekwaamheden van de begunstigde.

Potaschbrander
Potas(ch) oftewel kaliumcarbonaat verkreeg men vroeger uitsluitend uit houtas, die men met heet water uitloogde. De verkregen loog werd dan ingedampt. De droge rest werd gebrand waardoor men watervrije potas verkreeg, die men in gesloten potten in de handel bracht. (omdat het anders vocht aantrok).

Potgieter
Een potgieter was een tinnegieter.

Potte(n)bakker, Pottenmaker
Typische pottenbakkerscentra waren Bergen op Zoom, Gouda, Tegelen en Workum, maar ook in andere plaatsen waren pottenbakkers actief om aan de vraag naar gewoon gebruiksaardewerk te voldoen.
Hieronder verstond men het gewone keukengerief en het daarmee overeenkomende vaatwerk alsmede aarden ovens en ovenkachels.

In het Rijngebied van Koblenz tot Krefeld was eveneens een aanzienlijke aardewerkproductie op gang gekomen. Het was van uitstekende kwaliteit. De daar aanwezige klei kon bij hoge temperatuur worden gebakken waardoor het samensmolt tot een lucht en waterdicht product. Hier ontwikkelde zich een professionale handel. Het belangrijkste afzetgebied waren reeds van de zestiende tot in de negentiende eeuw de Nederlanden. De lokale producenten ondervonden hiervan veel hinder en poogden zich via overheidsmaatregelen tegen deze handel te verzetten.

Pottendraaier
Degeen die potten op een draaischijf vervaardigt.

Pottendrager, pottenkoopman
Venter van grof aardewerk ten dele uit Duitsland afkomstig.

Potvaarder
Potschipper, schipper op een klein vaartuig die in aardewerk handelde en dat met zijn schip vervoerde.

Praamschuiver
Ook wel praamschouwer.
Schipper op een praam. De praam werd voortbewogen door het gebruik van een vaarboom. Hiermede kon de schipper de praam vooruit bomen, maar ook kon hij die vaarboom klem zetten in zijn praam en deze zo vooruit duwen.

Praktisijn, prakticijn, practizien, practicien
De algemene betekenis is: hij die zich bezig houdt met de praktijk van enige kunst, wetenschap, vak of handwerk.
Doorgaans: Al dan niet gegradueerd persoon die zich bezighoudt met de rechtspraktijk en vandaar een algemene naam voor verschillende daarmee verband houdende beroepen als advocaten, procureurs, notarissen of ambtenaren, verbonden aan rechtbanken of gerechtshoven.. Later was het iemand die rechtskundige bijstand verleent zonder daartoe de wettelijke bevoegdheid te hebben.
Ook de deurwaarder werd wel practizijn genoemd. 

Preekstoelenmaker
De preekstoelmaker was gespecialiseerd in het vervaardigen van preekstoelen en behoorde tot het St Jorisgilde.  De preekstoelen waren vaak meesterstukjes met o.a. fraai houtsnijwerk. 

Prentdrukker
Drukker, gespecialiseerd in het drukken van prenten van allerlei aard, o.a. in samenwerking met een prentenkleurder, die de gedrukte prenten inkleurde en de prentensnijder/snijdsters, die ze uitsneedt. Deze prenten konden van allerlei aard zijn, bijv. centsprenten, prenten voor bruiloften, zinneprenten, afdrukken van houtsnedes.

Prenter, printer
Met dit beroep werden  twee verschillende beroepen aangeduid:

  1. Beambte van overheidswege bij de weverij, die belast was met het aanbrengen van waarmerken op de zich nog op het weefgetouw bevindende stukken (laken, grein, karsaai enz.) en met het controleren van verschillende werktuigen. 
  2. Drukker: boekdrukker

Prentmaker
Ook dit beroep komt voor in verschillende betekenissen:

  1. vervaardiger van prenten op papier. Zie prentdrukker.
  2. vervaardiger van houtprenten, o.a. houten koekvormen en houtsneden.

Presmeester, prestmeester

  1. In oorlogstijd iemand die goederen vordert en personen dwingt dienst te  nemen bij leger of vloot.
  2. Een door de stad aangestelde presmeester (stalhouder) die toezicht hield en er voor zorgde dat de stal voor de scheepsjagerspaarden schoon bleef 

Preter (praeter)
Opzichter over bossen en landerijen. Sinds einde van de zeventiende eeuw blijkbaar verouderd woord. Andere term: vorster.

Priemvlechter (vitter)
Mogelijk vervaardiger van gevitte wanden, d.w.z. wanden van gevlochten tenen, die met leem bestreken werden.

Priemwerkster
Een priem is een dun scherp steekwapen of werktuig. Zo werd eertijds bij iemand die zich schuldig had gemaakt aan ketterij of lastertaal de tong met een priem doorstoken. Als werktuig werd het gebruikt om gaatjes voor te prikken in stoffen zoals leer, die moeilijk met een naald te doorboren waren. Als werktuig kende men priemen in velerlei uitvoering.

Prikster
Werkzaam in een tricotfabriek.

Principaelvinder
Belangrijkste rechter, hoofdrechter.

Procurator, procurateur
Gekozen en gemachtigd beheerder en bestuurder van de stoffelijke aangelegenheden (huishouding, geldmiddelen enz,) van een geestelijke stichting

Procureur fiscaal 
aanklager.Procureur postulant 
Advocaat aan de Nedergerechten.Proefmeester 
Gildemeester, belast met het examineren van gezellen.

Prosser
In verschillende opvattingen, die aansluiten bij het begrip morsebel, knoeier, gebruikt. O.a. iemand (bijv. een dokter), die graag snijdt, handelaar in oude paarden, paardenviller.

Provisor
Plaatsvervangend bisschop
Beheerder van de stoffelijke zaken van een instelling en handhaver van de tucht aldaar bijv.

  • van een klooster
  • van een armenhuis of van een “gasthuis”of hofje.
  • van een onderwijsinrichting in R.K. kringen:

    Gediplomeerd apotheker die in dienst van de eigenaar aan het hoofd van een apotheek staat en daarvoor verantwoordelijk is.

Provoost (prevoost)

In het algemeen bestuurder, beheerder.
Ook naam van bepaalde gerechtelijke ambtenaren, wier rang het meest overeenkwam met die van een ambtman of baljuw. Verder gerechtsdienaar. Ook was het de benaming van bepaalde militaire ambtenaren; o.a. van bevelhebbers van een legerafdeling, of ambtenaar die de militaire tucht in een legerplaats of kazerne uitoefende. Ook was hij bij alle strafzaken de tussenpersoon tussen de schout, die het recht uitoefende en het vonnis uitsprak en de scherprechter die het ten uitvoer bracht.

Provoostgeweldige(r)
Ambtsdrager bij de land- of zeemacht. Een functie die ook in het vroegere Nederlands-Indië voorkwam.

 

Pruimtabakmaker/-handelaar

Punter, puntker
Schipper op een punter, een soort schouw.

Putbaas
Voorman, ploegbaas van een ploeg grondwerkers of polderjongens, gewoonlijk in ploegen van 10 tot 12 man. Een aannemer van aarde- of grondwerken besteedde het werk in gedeelten uit aan dergelijke ploegen, die onder leiding stonden van de putbaas die alles regelt.

Put(ten)boorder
De putboorder boort putten, o.a. om pompen te slaan. 

Putgraver
Graver van putten.

Putleeger, put(te)ruimer
Nachtwerker, leger van secreten (toiletten).

Putmeester
Het bestuur van putten of wijken was opgedragen aan twee of meer put- of wijkmeesters.

Put(jes)schepper
Leger van beer- of zinkputten.

Quarantaine-beambten
Waren werkzaam bij de quarantaine-dienst. Zij waren o.a. belast met het toezicht op de quarantaine-houders, d.w.z. degenen die quarantaine moesten houden. Omkoping van quarantaine-beambten schijnt niet zeldzaam te zijn geweest.Quarantaine-dokter 
Deze was belast met de zorg en behandeling van de zieken van in quarantaine liggende schepen. Hij werd ook wel quarantaine-geneesheer genoemd.Quarantaine-loods 
De loodsdienst op de quarantaineplaats. De quarantaine loods was tevens de opzichter van de quarantaineplaats.Quartiermeester
Wijkmeester, belast met het toezicht op de wijk (deel van een stad).

Questeerder
Persoon, later vooral een geestelijke van de R.K. kerk  die rondtrok met een reliquieënkas, om daarmee aan de gelovigen voor geld aflaat van zonden of genezing van ziekte te brengen.

Questor
Oorspronkelijk in het oude Rome de rechters van instructie voor halsmisdaden. Op gegeven ogenblik werden zij tevens belast met het beheer van de financiën. Toen hun rechterlijke bezigheden naar anderen overgingen, bleven zij het financiële beheer doen.  Het waren zo Romeinse ambtenaren, zowel burgerlijk als militair.
De questoren in burgerdienst inden de belastingen en andere staatsinkomsten.
De questor in militaire dienst moest de oorlogsbuit verkopen, de soldij uitbetalen, voor de oorlogsbehoeften zorgen enz.
Later werd de term ook gebruikt voor penningmeester. In de Nederl. Herv. Kerk werd de penningmeester van een ring, classis of synode questor genoemd. Men kende bijv. Classicale Questoren en een Questor-generaal.
Ook de penningmeester van een studentenvereniging of -corps werd questor genoemd.

Raambewaarder, raembewaarder
Deze controleerde het aantal weefgetouwen in een plaats.

Raamwachter
Wachter, bewaker op een raamveld.  Op een dergelijk veld werden de ramen, die nodig waren voor de lakenindustrie, opgeslagen.

Raamzager
Zie ook kraanzager.
Een raamzaag is een grote zware zaag, waarvan het blad in een horizontaal of verticaal raam gespannen is. Hij werd gebruikt door twee mannen en diende om boomstammen en balken tot planken te zagen. De onderstaande man was er het minst aan toe. Hij kreeg, vooral als de wind ongunstig was, het zaagsel in zijn gezicht.

Rachelaar, raggelaar
Rachels/raggels, smallere stroken hout van geringe dikte, latten dus, werden gebruikt om plafonds te betimmeren om er daarna het riet voor de bepleistering aan te brengen.

Racker, rakker
Persoon, die voor de politie of justitie het "vuile werk" opknapt, hetzij als helper van de schout of baljuw (en dan ook wel diefleider wordt genoemd), hetzij als helper van de beul. De benaming zou zijn afgeleid van recker.
Het waren oorspronkelijk beulsknechten, helpers van de beul bij het ondervragen van verdachten Zij voerden de pijnigingen uit.

Raddraaier
Werkzaam op de lijnbanen
Hield het wiel in beweging waarmee men de touwen in elkaar draaide. Was veelal kinderarbeid.

Rade(n)maker
In het noorden en oosten gebruikte term voor de wielmaker, degene die karrewielen vervaardigde.

Raswercker
Wever van een soort laken, dat ras genoemd werd, mogelijk ontleend aan Arras, waar dat weefsel zou zijn uitgevonden.

Ratelaar, ratelwacht
Nachtwacht met een ratel

Rechtlegster
Functie van vrouwen in een dakpannenfabriek: het goed leggen van de te bakken dakpannen.

Reder
In de textielindustrie degeen die de vervaardiging van geweven stoffen regelde
Nu nog ondernemer in de scheepvaart (binnenvaart, zeevaart, zeevisserij).

Reepafhouder
Is actief bij het uitzetten en binnenhalen van de netten. 
Zowel de reepafhouder als de reepschieter zijn jongens.

Reepgast
Verbindingsman tussen de kraandrijver en de mannen werkzaam in de ruimen om aanwijzingen te geven met betrekking tot het lossen en laden.

Reepmaker

  1. Re(e)pemaker  (verouderde term): touwslager. O.a werd de reep destijds gebruikt als meetsnoer.
    Ook dik touw, o.a. gebruikt om zware gewichten op te hijsen en voor touw waarmee de kerkklokken worden geluid.
  2. Vervaardigen van repen ten behoeve van de visserij.
    a. De kabel, waarmee een aantal netten met het schip verbonden is.
    b. Een wisselend aantal netten aan een kabel noemde men een reep. Alle repen tezamen vormden een beug.
    c. Een reep is een vistuig bestaande uit een lange lijn waaraan korte dwarslijntjes zijn bevestigd, voorzien van haken. Zowel voor de binnenvisserij (o.a. gebruikt voor de vangst van aal)als op zee. De dwarslijntjes noemt men ook wel sneuien. De afstand van sneui tot sneui is iets groter dan de lijntjes lang zijn, zodat ze niet in de war kunnen komen.
  3. Vervaardiger van smalle cirkelvormig gebogen banden, oorspronkelijk van wilgen- of populierenrijshout als bevestigingsmiddel voor de duigen van een vat In vroegere tijden van oorlog werden ze met teer en pek besmeurd en brandend naar de vijand geworpen.

Reepmeester
De reepmeester was in functie bij het meten van lakens:

Reepschieter
Zie ook reepafhouder.
Bij in de zeevisserij:
De reepschieter ging het ruim in om de netten aan te geven. De jongste en de oudste matroos stonden aan de reling om de netten die overboord gingen aan de reep vast te maken en om op een gelijke afstand van elkaar een blaasboei te bevestigen.

Reepvisser
Visser die met de reep vist op o.a. aal of bot.

Reetrecker, reetrekker, reettrekker, redetrekker
Erfscheider, persoon in overheidsdienst, belast met het aanwijzen van de rooilijn.
Ook metselaar of timmerman, aangesteld om de afscheiding van naast elkaar staande gebouwen aan te wijzen.

Reeuwer
Iemand die lijken reinigt en voor de begrafenis gereedmaakt. Destijds in het bijzonder:
iemand die belast was met de verzorging en eventuele teraardebestelling van pestlijders. Als een huisgezin geheel uitstierf zou al het goed er van overgaan naar de reeuwer.
Daarom gebeurde het wel dat de reeuwer middelen gebruikten om de gehele familie te doen uitsterven.

Regetwerker
Polderwerker in aangeslipt land (reget is aangeslipt terrein, aanwas. Men probeerde die aanwas te laten groeien, te beschermen en gebruiksklaar te maken voor bijv. veeteelt.

Rekenaar
Administrateur, boekhouder.

Rekenmeester
Onderwijzer of leraar in de rekenkunde.

Remmer
Persoon die belast was met de taak voertuigen te doen stilhouden of de snelheid er van te verminderen. Dit beroep werd uitgeoefend bij

  1. de spoorwegen.
    Bij goederentreinen, die niet van doorgaande remtoestellen waren voorzien, werd aan de remmers door een alarmfluit het teken om te stoppen gegeven. Het aantal remmers hing af van het aantal te beremmen wagens. Zolang de trein in beweging was moesten de remmers onafgebroken op het post zijn en steeds gereed om op het sein van de machinist de hun toevertrouwde remtoestellen te bedienen.
    In de winter was dit een onaangename baan door kou en vocht.
  2. de mijnbouw.
    De persoon die het vervoer op de remhelling regelde en zorg droeg dat de galerij, die aan de beurt was een wagen te ontvangen.

Remmingwerker
Werkzaam bij het vervaardigen en onderhouden van remmingswerken. Een remming was een beschermingsmiddel van een kade of paalwerk bij een sluis en diende tot het geven van leiding aan vaartuigen bij de invaart of tot het meren van wachtende schepen om beschadiging te voorkomen.

Rentebesteller
Persoon, die voor derden verschuldigde rente int.

Rentmeester, rentmeister, rentmeyster
Persoon, die namens derden landgoederen of andere gebieden of geldelijke vermogens beheert, en verschuldigde pachten e.d. int.

Repelaar(ster)
Het repelen gebeurde altijd in de herfst, als het kouder werd en de mensen zich terugtrokken in hun huizen. Niet alleen werd er in boerderijen dan gerepeld, ook werd er ‘gebraakt’. Het vlasbewerkingsmuseum in Ee staat zelfs in een oude braakhok, waar vroeger de houtdelen van de stengels van vlasplanten werden gebroken, zodat uiteindelijk het ruwe vlaslinnen overbleef. Feitelijk was het braakhok de voorloper van de sociale werkplaats. ,,Vroeger kocht de gemeente het vlas op van de boeren. De werklozen moesten dat in de winter gaan repelen’’, vertelt Wilman. Zo konden de zomerarbeiders ook in de wintermaanden, als er weinig ander werk wa bijverdienen.

Nadat het vlas geoogst en aan schoven gezet, gedroogd was, volgde het repelen op de repelbank. Daarbij werden de toppen van het vlas door de rekel (een soort kam  net lange tanden) getrokken om de zaaddozen van de stegels te scheiden. Dit repelen is dus seizoenwerk. Het gerepelde vlas werd tot dunne rootschoven gebonden, die dan in water te roten werden gelegd.

Reper

  1. Touwslager

  2. Belastingambtenaar, die met de reep (een soort meetlint) meet. (Reep was vroeger een lengtemaat voor linnen en laken (Middelnederlandsch Handwoordenboek)

Reydmaker
De reydmaker vervaardigt kammen voor een weefgetouw.

Ribsnijder
Deze had als taak de meterslange ribben van een walvis te verwerken.

Richter
Rechter.

Riembeslager, ryembeslager
Hij was de kunstenaar, die de riemen of gordels, die toen een onmisbaar onderdeel van de kleding uitmaakten, met koperen of ook wel met zilveren versiersels besloeg, waaronder de gespen van verschillende vorm en bewerking uitmuntten.

Riemenmaker
Zie ook riembeslager.
Vervaardigde riemen.

Rietbinder
De rietbinder bindt het riet tot bossen.

Rietdekker
Zie ook dekker.

Het rietdekkersvak is een eeuwenoud ambacht dat in de loop van de tijd slechts weinig veranderingen heeft ondergaan.
Een rietdekker steunt bij zijn werk op een rietdekkerstoel, die met behulp van scherpe kromgebogen haken in het dak wordt vastgezet. Als gereedschap dienen o.a. het zetje, de goot, het drijfbord, de naald en de gaffel.
Een rieten dak is circa 25 cm dik. Het riet wordt in lagen opgebracht, uiteraard onderaan te beginnen. Eerst wordt een dunne laag riet over de panlatten gespreid, de spreilaag. De bossen riet worden dan naast elkaar gelegd met de dikste kant naar beneden. Met behulp van het drijfbord, ook wel dekplank genoemd wordt het riet gelijk geklopt.
De bevestiging van het dekriet gebeurt door middel van een dikke gegalvaniseerd draad die met koperdraad op de panlat wordt gebonden. Men onderscheidt daarbij verschillende methoden: de Hollandse, de Gelderse en de Fries-Groningse werkwijze. De dekker heeft hierbij de hulp nodig van een jongen, die de draad van binnen terugsteekt, terwijl de rietdekker hem van buiten aantrekt.

Deze manier van bevestigen werd vroeger veel bij de bekleding van molens toegepast, vandaar dat men deze steek molensteek noemde.

Bij de Gelderse methode maakt de rietdekker gebruik van een twijgijzer, dat lijkt op een in een driekwart cirkel gebogen paknaald, terwijl het aandrukken van de gaard tijdens het binden geschiedt met een hefboompje.
Bij de Hollandse bindwijze wordt goot en naald gebruikt. De goot heeft enigszins de vorm van een lepelboor, de naald is aan de ene kant voorzien van een groot oog en aan het andere einde van een handvat. De naald wordt onder de panlat door in het oog van de naald gestoken. Langs de uitholling van de goot wordt de koperdraad naar binnen geschoven in het oog van de naald. Als deze teruggetrokken wordt, komt het koperdraad mee. Met het zetje, een vorkachtig instrument wordt de staaldraad aangetrokken en wordt het koperdraadje in elkaar gedraaid.
Het riet wordt met de hand en een klopper gelijkelijk verdeeld. Als het dekken klaar is, wordt het gehele dak nog met een klopper afgewerkt en geëgaliseerd, de losse rietdeeltjes worden verwijderd.

Rietkam(men)maker
Vervaardiger van rietkammen, ook wel weefkammen of het riet genoemd. Oorspronkelijk bestond het uit een houten raam, waartussen biezen of rietstaafjes waren gezet, die echter snel afsleten, te dik waren en het weefsel beschadigden; alleen grove stoffen konden daarmee geweven worden. In 1730 vervolmaakte de Engelsman John Kay het riet door dunne gepolijste metalen staafjes te gebruiken die een minder wrijvende werking op de kettingdraden uitoefenden, veel dunner waren en dus heel wat dichter ingesteld konden worden, waardoor men veel fijnere stoffen kon vervaardigen.

Rietmaker
Iemand die de rieten van een weefkam maakt, iemand die weefkammen vervaardigt.

Rietsnijder
Rietsnijder is een beroepsbezigheid in het winterseizoen. Tegenwoordig is het vooral gemechaniseerd, maar vroeger was het puur handwerk.
Riet wordt van oudsher gebruikt voor dakbedekking en voor rietmatten. Riet is alleen te gebruiken als het ieder jaar wordt gemaaid.
De rietsnijder gebruikte als gereedschap de rietsnit of -oort, een soort korte zeis, waarmee het riet werd gesneden. Verder uitkammers. Hiermee werd het gesneden riet ontdaan van allerlei rommel, zoals het dode blad. Voor transport een rietslee. Aan zijn voeten droeg hij laarzeklompen, klompen met een leren schacht.

Men onderscheidt/de verschillende rietsoorten:

Bladriet, kort materiaal met daartussen ruigt en grassen. Dit werd gebruikt in de land- en tuinbouw als afdekmateriaal.

Stookriet, eveneens een inferieur produkt, werd op scheepswerven gebruikt bij het krombranden van planken en het wegbranden van schelpen en andere aangroei aan scheepshuiden.

Dulleriet zijn de sigaren oftewel de lisdodden. De stengel is dikker en holler en lichter. Het is gewild bij het maken van hooibergkappen.

Dekriet is het meest geoogste riet en wordt gebruikt voor dakbedekking. Beste lengte ongeveer 1.80 meter. Het riet kon/kan in januari na de eerste vorst worden gesneden.

Het gesneden riet wordt/werd tot grote bossen met een omvang van een meter (meterse bossen) gebonden, in de Biesbosch maakt men nog grotere bossen (12-handers) en in Noordwest Overijssel maakt men bossen met een omvang van 1.40 meter. Aan het eind van het maaiseizoen werden ze na de dooi met de bok (een soort praam) opgehaald om tot werkbare bossen te worden verwerkt. Die veldbossen werden losgesneden en tot dunnere bundels van 55 cm omvang gebonden. 20 van deze bossen van 55 cm (vroeger 100 bossen van 26 cm plus 1 voor het tellen heetten een vim, een benaming die ook nu nog wordt gebruikt. In Noordwest Overijssel en Friesland werden het bossen van 46 cm omvang.
Tegenwoordig gebeurt verwerking en vervoer vooral machinaal/per vrachtauto.

Stucadoor- en matriet was tot 2 à 2.50 meter. Het moest fijn en recht zijn. Het werd gebruikt in de bouw als ondergrond voor gipsen wanden en plafonds (nu nog wel bij restauraties) en voor de vervaardiging van rietmatten (en rietplaten).
Met een koppensneller werd het riet eerst op de juiste lengte gesneden. Vroeger werden daaruit de rietmatten geheel met de hand genaaid. Tegenwoordig gebeurt de vervaardiging machinaal.

Rijglijfmaker
Een rijglijf was een onderkledingstuk, veelal door vrouwen, maar ook wel door mannen gedragen, vervaardigd uit stevig doek en baleinen en van een rijgsluiting voorzien. Het was de voorloper van het corset.

Rijksvoetbode, rijksvoetbodin
Brievenbesteller resp. brievenbestelster.

Rijschool voor fietsers
Fietsen moest geleerd worden; je kon er maar niet zo mee beginnen; vooral in de steden, waar de vélocipèdes sterk de aan­dacht trokken kon je niet maar zo, zonder enige voorbereiding en oefening met een dergelijke machine op de straat verschijnen. 
Ook Nederland heeft vele, vele rijscholen gehad. 

Rijtuigbekleder
De rijtuigbekleder stoffeerde rijtuigen.

Rijtuigmaker
Vervaardiger van rijtuigen.

Ringspinster
Vrouw die in de katoenspinnerij aan een ringspinmachine werkt.

Ringster
1. Bij schoenfabricage
2. in een sigarenfabriek
In beide gevallen: brengt ringen aan.
In het eerste geval om de veters door te kunnen halen, zodat het leer niet uitscheurt.
In het tweede geval aanbrengster van de sigarenbandjes om de sigaren.

Ritser
Persoon die van overheidswege met een ritsijzer tonnen en vate merkt en er de inhoudsmaat op aantekent. 

Riviervisser
Zoetwatervis, afkomstig uit onze rivieren, is lange tijd deel van het menu van onze streken geweest

De riviervisserij kunnen we in twee perioden verdelen: voor en tijdens de Republiek. In vroeger tijden, voor het ontstaan van de Republiek. Vanaf de vroege Middeleeuwen was alle grond, water en zelfs de lucht in de streken waar hij gezag had, van de vorst, hetzij koning, hetzij graaf. Zo behoorden alle onbeheerde, niet in cultuur gebrachte gebieden buiten de gemene gronden van buurschappen, die nog aan niemand hadden toebehoord, tot het domein van de landheer. Wateren konden juridisch in twee soorten worden verdeeld: De landsheer had recht op de bevaarbare grotere stromende wateren en dus viel ook het visrecht op die wateren. Vissen met de hengel was vrijwel altijd en overal vrij.
De oudste vermelding van visrechten voor het Maas-Merwedegebied stamt uit 877. In dat jaar voldeed keizer  Karel aan een verzoek van keizerin Richildis en zonderde hij een deel van het patrimonium van de abdij van Nijvel af ten behoeve van de zusters en kanunniken aldaar. Dit betrof onder meer de visserij in de Merwede. Volgens de bisschopskroniek van Kamerijk uit de elfde eeuw hadden ook de aartsbisschoppen van Trier en Keulen en een aantal andere abdijen visrechten op de Merwede, zelfs in gemeenschappelijk bezit. Die visrechten waren mogelijk van kracht op de hele toenmalige rivier die als Merwede bekend stond van Gorinchem tot bij Vlaardingen. Uit 1108 is de eerste schikking van een visrecht door een Hollandse graaf, Dirk III bekend. Westfriese graven hadden sinds een onbekende tijd een aantal visserijrechten in het mondingsgebied van de Oude Rijn. In 1275 stelde Floris V dat het visrecht in alle weteringen in zijn landen aanhem toe behoorden. Deze visrechten gingen geregeld van de ene hand naar de andere, hetzij door schenking, hetzij door koop. Het vroon voor Rotterdam, Schoonderloo (en Katendrecht, Schiedam en Vlaardingen werd begin vijftiende eeuw als één domein verpacht. In 1403 kwam deze combinatie in erfpacht aan Arent van Riede, in 1420 was dit geheel in handen van Geerlof Janz., baljuw van Rotterdam, in 1423 in handen van Aernt Woutersz. en zijn metgezellen. In deze twee gevallen kwam jonkheer van Gaasbeek als heer van Putten 1/3 deel toe van de vroonvisserij voor Vlaardingen. De vis diende afgeslagen te worden in de plaats waar de vissers zich hadden laten inschrijven. Dit onder controle van de vroonmeester, die aangesteld was om het vroongeld. de zesde penning in natura of in geld te ontvangen.
Naast de zeven genoemde vissoorten werd er gevist op zalm, waarvan vooral de winterzalm aantrekkelijk was, steur, houting, elft en fint. Andere soorten stonden minder in aanzien. Als de juist genoemde soorten het lieten afweten, richtten de vissers zich op andere vissoorten als karper, bliek en andere “Schampvis”. Deze soorten hadden dus een niet al te positieve bijnaam. In de zeemonden waren ook de zeehond en de bruinvis prooi.
Vroonvisserij is ‘heerlijke visserij’, waarvan de rechten dus in handen waren van de heren. De vroonvisserij werd verdeeld in visserij met stalen langs de oevers en de diepvisserij in het midden van de rivier. In 1847 verkochten de gezamenlijke eigenaren hun visrecht aan baron Van Brienen van de Groote Lindt. Sindsdien werd het geexploiteerd als zalmvisserij De Merode. De toenmalige ambachtsheer mr. O.P. Baron Groeninx van Zoelen ontving voor zijn kwart deel 36.250 gulden. Het voorgaande is een beknopt uittreksel van een artikel van de heer M. Harbers, bedoeld als beknopte inleiding tot het eigenlijke vissen. Het laat zien dat er achter het riviervissen een hele maatschappelijke. ordening tot stand is gekomen ten behoeve van de maatschappelijke bovenlaag. Deze ontwikkeling op zich is niet alleen interessant, maar al die verpachtingen van visrechten moeten, voor zover nog aanwezig, documenten hebben opgeleverd die ook interessant voor genealogen kunnen zijn.
De visserij op trekvis varieert van vis- tot vissoort. Onderstaand volgt een opsomming van de verschillende vissoorten waarop gevist werd .
Elft
De elftstand in de Nederlandse rivieren is vanaf rond 1890 nog sterker teruggelopen dan die van de zalm. Het merendeel van de riviervissers vond in het voorjaar (april t/m mei) zijn hoofdbestaan. De elft is een trekvis met groene rug en zilveren buik, meestal niet groter dan 50 cm.

Vint
Deze trekt vooral in april de rivier op. Momenteel is ook deze soort op onze rivieren (nagenoeg) uitgestorven. Ze werden met de zegen of het drijfnet gevangen.

Houting
Kenmerken zijn een spitse snuit, die boven de onderkaak uitsteekt. Het is een echte trekvis. Tegen de tijd van het kuitschieten, twee maanden van het jaar, komt hij de rivieren op. De overige tijd brengt hij in het zoute water door.

Schotje
Het schotje is een kruisingsprodukt van zal en beekforel en lijkt veel op een jacobszalm.

Steur en steurvisserij
De steurvisserij wordt sinds 1900 op de Nederlandse rivieren niet als een afzonderlijke visserij uitgeoefend, maar tijdens de zalmvisserij werd er af en toe nog wel eens een exemplaar gevangen. Meestal werd deze vis in een steurnet naar de wal getrokken en daar aan een touw door de kieuwen vastgelegd. Nooit mocht hij direct worden gedood, want bij de kuiters (vrouwtjes steuren) zou anders de kaviaar bederven.

Zalm
De zalm brengt een deel van zijn leven in het zoetwater van de bovenstroom van een rivier doorbrengt en een ander deel in zee. Het merendeel van de jonge zalmen verblijft na de geboorte gedurende ongeveer een jaar op of in de nabijheid van de plaatsen waar ze geboren zijn. Een klein deel, de overblijvers, meestal mannelijke exemplaren, blijven twee jaar, soms nog langer op die plaatsen. Tijdens of na het aftrekken krijgen zij het zalmkleed, de kleur van de volwassen zalm, Als regel wordt aangenomen dat de zalmen slechts een keer aan de voortplanting deelnemen. Deze opzwemmende zalmen zijn bestemd om deel te nemen aan de voortplanting.. De vissers onderscheidden nog winter-, zomer- en jacobszalmen. Ze zijn alle van dezelfde soort maar verschillen wat betreft het gewicht, de tijd van opzwemmen tot de ontwikkeling van de geslachtsklieren.

Wijze van vissen
De visserij op trekvis vond plaats met:
1. de zegen
2. het drijfnet
3. de steek
4. het zalmkruisnet, een verdere ontwikkeling van het gewone kruisnet

De visserij op de verschillende soorten trekvis onderscheidt zich qua methode en terminologie nauwelijks. De vistuigen waarmee op zalm, houting, elft en fint werd gevist verschillen alleen in maaswijdte en de manier van inrijgen van de hoepels aan de fuiken.

Ad 1 De zegen
De zalmzegen was het voornaamste vistuig op zalm. Om te voorkomen, dat niet alle zalm werd weggevangen, was in ons land de zalmvisserij elke week gesloten van zaterdagavond zes uur tot zondagavond zes uur gedurende de periode van 16 augustus tot en met 15 oktober. De wijze waarop de visser de zegen gebruikte was zeer verschillend en hing af van de plaats waar gevist werd.
De zalm(zegen)visserij kan als volgt worden ingedeeld:
A. Staatsvisserij
B. Handzegenvisserij. De laatste is dan weer onder te verdelen in:
     1. klep-vlotvisserij
     2. galgvisserij
     3. kantvisserij

Ad 2 De drijfnetvisserij
Het drijfnet is een driewandig net dat met de stroom meedrijft en waarmee op zalm en trekvis gevist wordt. De visser onderscheidde drie soorten drijfnetten: winternetten, zomernetten en jacobsnetten waarmee resp. op winter-, zomer- en jacobszalm gevist werd.

Ad 3 De steek
De steek is een inrichting om zalm te vangen, een schutting, bestaande uit palen met daartussen vlechtwerk  van halverwege de rivier en niet geheel tot de oever. Een zeilgat van ongeveer 25 meter breed moet vrij blijven. Bij de benedenrivieren werden links en rechts van de schutting palen geplaatst, verder stroom opwaarts aan een kant. (bouten) en tussen schutting en bouten bevestigde men fuiken. Om het half jaar moest de schutting worden vernieuwd. Hoewel de vangsten met steken minder waren dan die van de zegenvisserijen, was de steekvisserij niet onbelangrijk. De exploitatiekosten waren lager.

Ad 4 Het zalmkruisnet.
Met dit net werd alleen op de Maas in Limburg gevist en wel uitsluitend op zalm. Het werd uitsluitend vanuit een boot bediend. Het zalmkruisnet bestond uit een vierkant gebreid net, uitgespannen gehouden aan twee elkaar kruisende buigzame stokken. Aan twee zijden waren rechthoekige keernetten aangebracht.

Visserij op aal en prik
Aal of paling. Om eieren te leggen trekken alle palingen naar zee. In de Saragossazee paren ze, zetten de eieren af en sterven. De jonge visjes komen na drie jaar in Nederland aan. Het zijn glasaaltjes, waarvan de vrouwtjes de rivieren optrekken, terwijl de mannetjes meestal in de riviermonden achterblijven. Als de jonge aal jaren in zoet water heeft geleefd en geslachtsrijp is geworden, begint de trek naar zee, gewoonlijk van oktober tot januari. De aal die het trekkleed heeft aangenomen, wordt door de vissers paling genoemd. Ze zijn vet, voelen vast aan en nemen geen voedsel meer op. Daarom gaat de paling, anders dan de aal, weinig in gewicht achteruit, wanneer ze in een bun of kaar bewaard worden. Op deze naar buiten trekkende paling berust de ankervisserij.
De mannelijke alen zijn veel kleiner dan de vrouwelijke. Bij de zgn. telpaling, waarvan er vier à vijf in een halve kilo gaan heeft men waarschijnlijk met mannelijke exemplaren te maken. De meeste vrouwelijk paling wordt in twee soorten verdeeld volgens de wijze waarop hun vangstmethode gebaseerd is: slokkers en spitskopjes. De slokkers hebben brede koppen, leven van roof en worden met repen en dobbers gevangen Een reep is een lange lijn met zijlijntjes waaraan haakjes met aas, dobbers zijn losse lijntjes met daaraan een haakje met aas (met aan de bovenkant een stukje hout). Deze wijze van vangen werd door de riviervissers als amateuristisch ervaren. Zij prefereerden de aalkorf of aalwant, een uit teen gevlochten fuik, die nog steeds in gebruik was toen ook de garenfuik toepassing vond. De korven waren reeds in de Middeleeuwen van grote betekenis, meestal met schuttingen of weren verbonden tot koppels. Sinds ca. 1300 wordt er in vele oorkonden gewag van gemaakt.Van een nieuwe methode werd in 1968 gewag gemaakt: het gebruik van palingkistjes op het IJsselmeer, hoewel deze vorm van vissen ook reeds voor de Tweede Wereldoorlog bekend was.
Inmiddels is de palingstand sterk teruggelopen en ten dele vervangen door gekweekte paling.

Prik en prikvisserij. De prik, ook lamprei genoemd, is een slangachtige parasitaire vis zonder zichtbare kieuwen. Men onderscheidt twee soorten: de zeeprik of moerprik en de rivierprik.. De prik wwerd in Nederland niet gebruikt als tafelvis. De in Nederland gevangen prikken werden naar vissersplaatsen rond de Zuiderzee gezonden om als aas gebruikt te worden voor de beugvisserij op kabeljauw en schelvis. 

Velen langs de grote rivieren hebben als hoofd- of bijverdienste hun inkomen verworven via de riviervisserij.

Robbenjager
In de negentiende eeuw brachten de zeehonden veel schade toe aan de netten van de vissers. Bovendien aten ze veel vis. Men stelde toen een premie beschikbaar voor elke gedode zeehond. Zowel in Zeeland als in het Noorden (waddeneilanden) werd professioneel op deze dieren gejaagd. Daarnaast waren er vissers die bij tijd en wijle aan deze jacht deelnamen.
In 1857 werd de premie afgeschaft, waarna de aantallen weer snel toenamen. Vooral de vissers in de omgeving van Urk en Schokland ondervonden veel schade.
In 1900 werd weer een premieregeling ingevoerd. Het besluit werd daarna nog verschillende keren gewijzigd. Van elke getoonde gedode rob werden de voorvinnen afgesneden om te voorkomen dat men fraudeerde.
Zeerobben en zeehonden werden op verschillende manieren bejaagd. Men kende robbenjagers die de dieren doodden met de knots, Ook waren er jagers die er met een geweer op uittrokken. Ook Prins Hendrik heeft nog enkele keren aan deze jacht deelgenomen.

 

De meest wrede vorm van jagen was met behulp van ijzeren kammen. In dit geval gebruikte men hoekijzers van drie meter lengte waarop vijftien pennen met pijlvormige punt in de vorm van een zwanenhals waren geklonken en daarom gelijk als weerhaan fungeerden. De hoekijzers werden met behulp van ijzeren steunen en pennen in de grond verankerd. De kammen werden bij laag water geplaatst. Bij hoogwater zwommen de zeerobben er over heen. Als het weer laag water was beslopen de jagers de robben van achteren en joegen ze in de richting van de kammen, waarin ze bleven hangen en door de jagers werden doodgeknuppeld.
In 1920 werden activiteiten ontplooid om deze vorm van robben en zeehonden vangen verboden te krijgen. De toenmalige burgemeester was zeer actief om dit verbod er door te krijgen, maar de overheid deed daar weinig mee. Wel kreeg burgemeester Van Heusden het voor elkaar dat van af Terschelling niet meer op deze wijze werd gejaagd.

Roedrag(h)er
Voormalige benaming van de dienaar of bode die vanwege het gerecht of een besturend lichaam aanzei of dagvaardde, deurwaarder, gerechts- of stadsbode.

Roeier

  1. In het belastingwezen
    De ambtenaar die vaten of andere vochtmaten roeit oftewel de inhoud daarvan peilt of meet. 
  2. In de binnenscheepvaart
    Roeiers waren te Rotterdam degenen, die (vroeger met behulp van een roeiboot) behulpzaam zijn bij het aanleggen van schepen (bevestiging van de kabels)
  3. In de graanhandel
  4. In de vleeshouwerij

Roeper
Iemand die in het openbaar iets aan- of afkondigt of bekendmaakt.
Ook iemand die van gemeentewege is aangesteld om zaken die ter kennis van het algemeen moeten worden gebracht in het openbaar uit- of omroept
Ook de persoon die op een openbare verkoping de goederen afroept en ze aan de meestbiedende toewijst.

Roerdrager
Destijds dragers van een roer oftewel geweer. Zij werden destijds ook arkebusiers, haak-,  busschutters of musketiers genoemd.

Roerganger
Deman die te roer gaat, zijn roeiergang waarneemt, de man die het schip stuurt.

Roer(e)maker
Maker van roeren, geweren.

Roerruiter
Militair te paard. In het begin van de zeventiende eeuw kwamen naast de lansiers en kurassiers  ook roerruiters voor. Zij werden ook karabiniers of bandelierruiters genoemd.
Zij droegen rechts een korter vuurwapen dan de musketiers.

Roerschutter
Dit was een term die wel in het vroegere Ned. Indië werd gebruikt:

Roffelaar
Werkman, timmerman, die met de roffel, de roffelschaaf, werkte om daarmee het ruwste van de planken af te schaven. Iemand die zijn werk niet goed deed, een knoeier werd ook wel roffelaar genoemd.

Rofster
Kopelaarster of hoerenmadam, bordeelhoudster.

Roggebakker
Bakker van roggebrood. Uiteraard was het bakken van roggebrood gebonden aan allerlei voorschriften.

Roggemolenaar, rogmolenaar
Molenaar, die rogge maalde.

Rogmeter
Belastingmeter op koren, door de stad aangesteld.

Rokjeswerker, rokjeswerkster, rokkenmaker, rokkenmaakster
Werkzaam bij de vervaardiging van rokjesgoed, weefsel waarvan destijds vrouwenrokken werden gemaakt.

Rokkenwever
Lange tijd verdienden boerengezinnen thuis een extra inkomen met het weven van linnen en later katoenen stoffen voor textielhandelaren. Voor de lokale markt werden ook handmatig rokken geweven. Na de jaren dertig van de twintigste eeuw verdween de streekdracht. Daardoor verdween de vraag naar deze rokken en kwam er een einde aan de vervaardiging van dit product.

Rolbidder
Ongeveer in het jaar 1860 werd te Rotterdam het begrafeniswerk uitgevoerd door z.g. rolbidders. Ze maakten deel uit van een groep bedienaars die door de gemeente was aangesteld en die volgens een rooster waren aangewezen om een eventuele begrafenis aan te nemen en daarbij als eerste man te fungeren. Zij waren gekleed met steek, korte broek en lage schoenen met gespen.

Rolder, roller

  1. Wagenbestuurder

  2. In de Goudse tabakspijpen industrie de persoon die een rolletje klei in de pijpenvorm rolt en pijp de eerste vorm geeft.

Rolreder
Fabrikant die doeken vervaardigde of liet vervaardigen om scheepszeilen uit te vervaardigen. Dit startte met het opkopen van de goede hennep, zowel in de Oostzeegebieden als ik de Lopiker-, Krimpener- en Alblasserwaard, dat per schip werd aangevoerd. Het werd eerst in beukmolens geplet en gehekeld, waarna het tot garen gesponnen en op klossen werd gespoeld. Dit garen werd door thuiswerkers en/of in eigen onderneming tot zeildoek geweven door rolwevers.

Rondassier (schilddrager)
Militair, uitgerust met een klein schild (rondas) en een hellebaard.

Rondleurder
Rondreizend kramer of koopman, als regel met kleine draagbare waren als garen en lint, stoffen, naalden, spelden, soms zelfs brillen.

Ronselaar
In feite handelaar in mensen(arbeid) vooral ten behoeve van de  Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.), een vroege vorm van uitzendbureau. De Compagnie had altijd moeite om voldoende zeelui te werven voor de scheepvaart op Indië, zodat men gebruik maakte van de ronselaars. Deze wierven mannen, vaak bijv. deserteurs uit een van de Duitse legers, aan de grenzen van de Republiek, of andere, ook uit onze provincies afkomstige gelukzoekers. Dit gebeurde vaak onder valse voorwendsels en het royaal verschaffen van drank. Had het slachtoffer getekend dan werd hij met zijn medeslachtoffers naar Amsterdam gebracht en opgesloten in speciale huizen tot ze tegen vergoeding aan de V.O.C. werden overgedaan waar ze als varensgezel of zeesoldaat dienst moesten doen.

Roodgieter
Ambachtsman of fabrikant die gietwaren uit roodkoper of roodmessing vervaardigt.

Roodleermaker
Leerlooier, die de huiden looiden met behulp van run.

Roodschilder
Afhaler van gestorven vee. Moest er voor zorgen dat de karkassen van gestorven vee werden verwijderd. I

Roodverver (roodverwer)
De roodververs leverden de licht en donkerrood getinte lakens. Grondstof was o.a. Braziliehout.

Roodwerker
Zie greinwerker.

Rooimeester
(landmeter, erfscheider, rooimeester)

Roomeester
Een meester (geneesheer), die, bij pestziekte, vanwege de stad werd aangesteld om diegenen, welke aan deze ziekte leden, te behandelen. Hij kreeg een vrije woning, benevens een jaargeld enz.

Rosmolenaar
Molenaar van een molen die door een of meer paarden (ezels, soms ook andere trekdieren) in beweging wordt gebracht.

Rotmeester, onderrotmeester
Buurt- of wijkmeester.

Rottenkruitsman
Persoon, die zijn werk maakt van het doden van ratten met behulp van rattenkruit.

Rottenman, rottenvanger
Rattenvanger, destijds een onmisbaar personage, die met uiteenlopende middelen (vergif, vallen en klemmen) ratten ving.

Rottingwerker
Vervaardigde wandelstokken, veelal van rotting, stengels afkomstig van de rotanplant, mar ook van andere materialen zoals Spaans riet en min of meer versierd.

Rouwbeklager 
Persoon die de rouw beklaagt, condoleert, persoon die rouwklachten aanheft.

Rouwer, ruwer 
Lakenruwer, betrokken bij de fabricatie van katoen, bij een appreteerderij of katoenververij.

Rouwgoedverhuurder 
Verhuurder van rouwkleding.Rouwmantelverhuurder 
Verhuurder van rouwmantels.Rouwstalhouder, rouwkoetsenverhuurder
Stalhouder die lijkwagens en rouwkoetsen verhuurde.Rouwsteller 
Begrafenisondernemer.Rouwwinkelier
Handelaar in rouwkledij.

Ruimer

  1. Werkman die privaten, beerputten, kolken, riolen enz. ruimt,  schoon maakt. Ook wel ander binnenwater en havens.

  2. Werkman. die met een hakmes het op stam staande hout ruimt, snoeit.

Runmolenaar
Molenaar die eikeschors fijnmaalde ten behoeve van de leerlooierij.

Ruwer 
Zie rouwer.

Saaidrapier, saaireder
Ondernemer, die de grondstof, grove wol inkocht en die deze tegen stukloon door thuiswerkers liet verwerken:
wassen, spinnen, kammen, weven enz. en die het eindproduct verkocht.

Saaimaker

De saaimaker vervaardigde saai, d.w.z. een wollen gekeperde stof. Men kende saai in verschillende uitvoeringen. Deze stof werd voor verschillende doeleinden gebruikt. Als kleding hoofdzakelijk door de lagere standen bijv. als huik, een lange vrouwenmantel. Maar men maakte er bijv. ook gordijntjes van voor de bedstee.
(Saai was ook wel de benaming voor wollen- of halfwollen breigarens, sajet)

Saaiwerker
Werker, die thuis saaivervaardigde in opdracht van de saaidrapier.

Saalmaker
Zie zadelmaker.

Sacristie-bewaarder (Sacristy-bewaerder)
Bewaker van de sacristie, d.w.z. het vertrek (soms ook kast), waarin de gewijde voorwerpen worden bewaard en waar niet openbare kerkelijke plechtigheden plaats vonden/vinden.

Sajetfabricage 
Sajetgarens werden o.a. in Leiden en Veenendaal geproduceerd, waarschijnlijk ook in Noord-Brabant  o.a. wat betreft de volgorde van  de productie van wol tot en met sajetgaren.
De produktie is ontstaan als kleinschalige huisarbeid.
De functies komen aan de orde in de volgorde van het productieproces.
Sajetkammer
De na het scheren gesorteerde en gereinigde wol werd eerst door de sajetkammer gekamd.
Oorspronkelijk gebeurde dit met de hand. (Men deed dit op twee manieren, de Duitse en de Engelse). De kammen bestonden uit een houten onderlade en een kam van hout met  daarin ijzeren tanden. Deze tanden werden in een kampot, een soort kachel, waarom een zestal kammers zaten, sterk verwarmd. De kammer nam dan een pluk met olie besprenkelde wol (om de wol soepeler te maken.) en kamde de haren in een richting. Als de pluk wol gekamd is, maakt hij daarvan een trek, krul of vlij, 1 ½ tot 1 ¾ el lang en 15 dm. breed. Voor sajet werden, anders dan voor kamgarens, korte wolvezels niet verwijderd.
Later gebeurde dit kammen op kaard- of krasmachines. Men kende enkele, dubbele en driedubbele kaardmachines. Hier ging men uit van gewassen wol. De trek of vlij die machinaal tot stand kwam was uiteraard veel langer dan de met de hand vervaardigde. Deze trek of vlij moest eerst nog verder uitgerekt, en onderling evenwijdig gelegd worden. Er moesten uit die trekken zeer lange gelijkvormige banden worden gevormd en door trapsgewijze uitrekking verfijnd en tenslotte ook flauw ineengedraaid. Zodoende werd de wol in voorspinsel veranderd.
Sajetnopster
Enkele knopen en onzuiverheden worden later door afzonderlijke werksters verwijderd, die daarbij de trek of vlij tegen het daglicht hielden en controleerden.en de ongerechtigheden met de lippen wegnamen.
Sajetspoeler, sajetwasser
Het was niet ongewoon de reeds in banden verwarmde wol met zeepwater te wassen teneinde de vóór het kammen ingebracht olie te verwijderen. Ook gebeurde dit wassen wel na het spinnen. Dit wassen was de taak van de sajetspoeler of –wasser.
Sajet(garen)spinner
De al dan niet gereinigde vlij of trek werd door de sajet(garen)spinners tot draden gesponnen.
Sajettwijnder/-tweenster
De gesponnen draden werden vervolgens door de sajettwijnder/-tweender of twijnster/tweenster in elkaar gedraaid tot garen van de gewenste dikte.
Sajetwinder/windster
was degeen die zorgde voor de verwerking van het getwijnde garen tot grote klossen.
Als regel vond hierna het verven plaats, oorspronkelijk in enkele, later in meer kleuren.
Sajetoverjager/jaagster
Zorgde dat de grote bossen sajet om werden gezet in knotten van 50 of 100 gram, hanteerbaar om te breien.

Sappeur 
Soldaat belast met het maken van sappen oftewel loopgraven (al dan niet overdekt met schanskorven of  fascines) en tunnels. Het waren ongewapende militairen die in groepjes van 3 of 4 man werkten.

Sasknecht
Helper van de sasmeester.

Sasmeester
Sluiswachter, ook wel sassenier genoemd.

Schaatsenmaker
Het maken van de schaatshouten bleef heel lang handwerk, vooral bij de kleine bedrijven. Voor deze ambachtelijke productie werd het leerwerk (hakleer, teenleer en veter) geleverd door de schoen- of zadelmaker.
Schaatsen werden dus vrijwel nooit in hun geheel door één persoon gemaakt. De verkoop was meestal in handen van een smid of een timmerman. Voor de schaatshouten werd meestal gestoomd beukenhout gebruikt. Verschillende handwerkslieden hielden zich hier mee bezig: de timmerman, de wagenmaker, de meubelmaker en de scheepsbouwer. Net als de smid hadden zij genoeg aan hun normale gereedschap.
Schaatsen hebben een lange ontwikkeling achter zich. Onder de archeologische vondsten behoren reeds schaatsen, in het begin bestaande uit bijgeslepen botten. Daarna is de schaats pas langzaam verbeterd. Het is een hele stap geweest om van het bot te komen tot schaatsen bestaande uit een ‘ijzer’ bevestigd in een bewerkt stuk hout. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw is de ontwikkeling min of meer in een stroomversnelling gekomen.
Alle bronnen wijzen echter naar het Germaanse woord schake, dat 'bot' of 'stelt' betekende in de zin van 'dikke zool'. Dit woord evolueerde in de Middeleeuwen in het Nederlands via schaic tot schaetse, in het Frans via escace tot échasse en later in het Engels via scatch tot skate. In oude geschriften worden schaatsen ook wel aangeduid als schoverlink, scheuvel, schrenkelschoen, schaverdyne, schuiverdyne, scoloetsen of scricschoen. In Friesland werden en worden schaatsen 'redens' genoemd.

Schabul en kip
(grote jongen en meisje; zij waren belast met opruimwerkzaamheden)
Aankomende werkkracht in een steen- en pannenbakkerij, die helpt bij de diverse werkzaamheden.

Schachtenmaker
De schachtenmaker vervaardigt voornamelijk het bovenwerk van maatschoenen en laarzen. Hij begint bij de leest, een kopie van de voet in hout, waarop hij een patroon maakt van stevig papier. Daarna wordt het leer gesneden in de vorm van dat patroon. Er worden verschillende soorten leer gebruikt.

Schalootsemaker (maecker)
Deze vervaardigde schalootsen Dit was een soort schoeisel, bestaande uit een houten zool met een leren bovenstuk. Schalootse was tevens een soort schaats

Scharenslijper, scharensliep
Zoals vele andere oude beroepen is ook dat van scharensliep ten dode opgeschreven. De scharensliep verdiende vooral de kost met het slijpen van scharen en messen. Daarnaast sleep hij in voorkomende gevallen ook allerlei andere voorwerpen zoals schaatsen in de winter.

 

Schatter, schatster

 

  1. Iemand die opgedragen is de waarde van bepaalde goederen te schatten.

  2. Als ambt bij de dienst van verschillende belastingen.

Ook kent men variaties als rijksschatter, bijschatter (iemand die een schatter bijstaat) en tegenschatter  (die bij herziening voor de belastingschuldige optreden).

Scheden- en bandenmaker (scheemaecker)
De scheden- en bandenmaker vervaardigde scheden voor allerlei soorten slagwapens, als regel ook bandelieren, soms rijkelijk versierd, die men droeg om een zwaard of degen mee te kunnen dragen.

Scheepsbeschieter
Een van de begrippen beschieter is de beschieter die wanden beschoot, d.w.z. met hout bekleedde. Mogelijk dat de scheepsbeschieter de scheepswanden aanbracht.

Scheepsfabriek
Bouwer van schepen.

Scheepsjager
Ook wel schuitenjager.

Schepen werden ten dele voortgetrokken met behulp van mankracht, waarbij die mankracht o.a. geleverd werd door vrouwen en kinderen. Het z.g. jagen van schepen gebeurde met behulp van paarden, vooral bereden door jongens, oorspronkelijk vanaf acht jaar. Ten opzichte van volwassen mannen hadden deze jongens twee voordelen: zij waren lichter van gewicht, waardoor de paarden minder werden belast en ze waren goedkoper. De schuit werd met een zekere snelheid getrokken, waarbij de paarden veelal in een sukkeldrafje liepen. Als regel zaten de jagertjes op het paard, zodanig dat ze de schuit en de weg in de gaten konden houden. Bij geladen vrachtschuiten werd door het paard meestal stapvoets gelopen en liep de jager naast het paard mee.De jaaglijn was ongeveer 70 meter lang en acht millimeter dik. De lijn was kort geslagen, zodat er veel rek in zat. Dit was van belang bij het op gang brengen van de schuit en voor het opvangen van eventuele schokken. De grote lengte diende ervoor om de schuit zo recht mogelijk achter het paard te houden. Er waren strikte regels opgesteld om het passeren van twee trekschuiten zo soepel mogelijk te laten verlopen en om te voorkomen dat de lijnen van de uit tegengestelde richting komende schuiten in de war zouden raken.

Waar een paard kleine bruggetjes moest passeren was de aan de waterkant grenzende leuning dusdanig geconstrueerd, dat de zijkanten schuin afliepen, zodat de lijn niet zou blijven haken. Bij scherpe bochten waren rolpalen geplaatst, oorspronkelijk van hout, later van metaal, waaraan verticaal een rol was bevestigd. Door de lijn buiten deze palen om te leiden, werd de trekkracht zo veel mogelijk in de lengterichting van de schuit gehouden.

Scheepsklinker

Op de werf werden schepen gebouwd met stalen scheepsplaten die de huid van het schip moesten gaan vormen. De scheepsplaten klonk men aan elkaar met robuuste klinknagels.

Het was precisiewerk. De overlap van de met elkaar te verbinden platen moest worden voorzien van exact gelijke nagelgaten die werden geboord of geponst want er mocht natuurlijk geen druppel water tussen komen. De stalen klinknagel bestond uit een halfronde kop, een ronde massieve steel en weer een halfronde sluitkop aan de binnenkant van de huid.

Scheepssjouwer
Arbeider belast met het lossen en laden van schepen.

Scheepssmederij
Dit is dus een smederij gericht op allerlei onderdelen die op een schip nodig zijn.

Scheepssoldaat, ook zeesoldaat en later marinier
Scheepssoldaten waren vanaf de oudheid tot in de zestiende en zeventiende eeuw vooral bedoeld voor het nabij- en het entergevecht op zee. Later werden zij (ook) als specialisten ingezet voor amfibische operaties. De wijze waarop men van scheepssoldaten gebruik maakte is in de loop van de eeuwen veranderd. Begin 1600 bestond de bemanning van de schepen van ’s Lands vloot uit matrozen en soldaten van het leger. Als er voor schepen soldaten nodig waren lichtte men daartoe als regel uit het staande leger zoveel voetvolk als nodig was. Ook gebeurde het wel dat ze rechtsstreek door de admiraliteiten werden geworven, vooral onder voormalige soldaten van het leger.
De strijd ter zee stelde speciale eisen en men kon dan ook van deze landsoldaten niet verwachten dat zij zich snel aanpasten aan boord van een slingerend schip en optimaal van hun wapens gebruik konden maken. Hun taak was het onderhouden van geweervuur met een vijandelijk schip tijdens het zeegevecht. Het scheepsgeschut van die tijd kon niet snel en accuraat schieten. Hierdoor kwam het dat de schepen elkaar op pistoolafstand beschoten alvorens tot entering werd overgegaan. Goede vaardigheid met musket, pistool en sabel speelden dus een grote rol. In de praktijk was dit geen groot succes. De scheepssoldaten waren vaak zeeziek, waardoor ze lang niet altijd aan vechten toekwamen. Ook waren ze niet opgeleid voor het typische zeegevecht. Het schieten aan boord van een slingerend schip was heel wat anders dan een schietpartij op het land.

De naar de vloot gezonden soldaten brachten hun eigen kleding mee. Die eenvoudige plunje was voor een deel wel bruikbaar, maar als regel niet afgestemd voor het verblijf aan boord. Dit gold nog in sterkere mate voor hen die rechtstreeks geworven waren. Sommigen bezaten nog wat legerkleding maar anderen moesten het doen met hun eigen legerkleding, soms nauwelijks meer dan wat vodden. Soms was er kleding beschikbaar voor zwaar weer.
De scheepssoldaten onderscheidden zich van de eigenlijke zeelieden, voor zover ze althans daartoe in staat waren, door hun militaire oefeningen in gevechtsexercitie en het onderhoud van hun wapens zoals de vuursteenmusket, de enterbijl en de entersabel. Als ze geen eigen werk hadden moesten ze meedraaien in de scheepsdienst, bijv. schoonmaken en schilderen.
 
Na de vrede van Munster in 1648 raakte de landmacht in verval. Dit had tot gevolg dat dikwijls lieden die te jong, te oud of door ziekte niet of nauwelijks geschikt waren naar zee werden gezonden.  Deze soldaten kwamen, vaak slecht uitgerust en bewapend, aan boord. In deze vreemde werkomgeving werden ze te werk gesteld onder militaire meerderen die zij niet kenden, maar waarmee ze wel oorlog moesten voeren. Degenen die de reis overleefden werden aan het einde daarvan van boord gezet zonder voedsel en geld. Zij moesten dan op eigen gelegenheid, soms zelfs bedelend, naar hun garnizoenen terugkeren. Al in 1627 drong luitenant-admiraal Van Dorp er op aan compagnieën op te richten die uitsluitend moesten worden bestemd voor dienst op zee.
In die tijd werden de schepen als regel door zeer kundige kapiteins gecommandeerd en bemand met ervaren zeelieden. De tucht liet echter dikwijl te wensen over ondanks de zeer pittige tuchtmaatregelen. Ook bestond er weinig eenheid voor wat de bemanning en uitrusting van de schepen betrof. Oorzaak was dat hiermede vijf aparte colleges der admiraliteit belast waren (Amsterdam, Friesland, Rotterdam, West-Friesland en Zeeland). De kosten moesten door een ieder afzonderlijk worden betaald en de middelen werden niet overal gelijk toegewezen.

Gedurende de eerste Engelse oorlog (1652-1654) bleek duidelijk dat de zeemacht van de Republiek niet tegen de Engelse was opgewassen. Men constateerde dat de aan boord aanwezige soldaten niet voldeden aan de verwachtingen. De roep om verbetering gaf aanleiding tot een lange briefwisseling tussen de Staten van Holland, West-Friesland en de Raad van State met de Staten-Generaal. In 1659 diende de Raad van State een voorstel in bij de Staten-Generaal om naast zesduizend zeelieden in vaste dienst ook enkele compagnieën van de landmacht uitsluitend voor de dienst op de oorlogsschepen van de vloot te bestemmen. Dit voorstel werd echter door de admiraliteit in Amsterdam tegengehouden daar zij dit voorstel als een beperking van hun rechten en vrijheid van handelen zagen. Het duurde nu weer vijf jaar, voordat er enig schot in deze zaak kwam, mogelijk door vertraging door de Friese admiraliteit. Op aandrang van de Staten van Holland kwam in 1664 een plan tot stand. Dit plan hield in dat op 23 december 1664 alle compagnieën voetvolk met 25 man versterkt werden. De 4000 aldus verkregen soldaten waren bestemd voor dienst aan de wal, maar voornamelijk om als soldaten en matrozen aan boord van oorlogsschepen dienst te doen. Het werd toen niet nodig gevonden dit contingent in een andere vorm te organiseren. In artikel 2 van de resolutie van 1665 werd bepaald dat het nieuw gevormde regiment scheeps- oftewel zeesoldaten zou bestaan uit bekwame zeelieden, die reeds in kwaliteit van matroos of soldaat enige tochten op zee gedaan hadden.

In 1665 voer de vloot uit met deze ‘soldaten de marine’ en ook nog met landsoldaten, aangezien het aantal zeesoldaten onvoldoende was. Als kader van deze zeesoldaten traden korporaals en sergeanten op. Officieren waren niet aanwezig. Aan boord raakten deze landrotten in de verdrukking en werden door de zeelieden geminacht. De krijgstucht onder hen liet veel te wensen over. Dit initiatief leverde in de rampzalige slag van Lowestoft van 13 juni 1665 dan ook niet het gewenste resultaat. Luitenant-admiraal Johan Evertsen schreef hierover aan de Staten-Generaal dat de “soldaten de marine” zich zo slecht gedroegen dat dit niet te beschrijven was. Na deze ervaring werden deze “soldaten de marine” onder bevel van kapiteins en luitenants der landmilitie ingescheept. Men dacht hierdoor de krijgstucht beter te kunnen handhaven. De Staten van Holland, voorgelicht door de raadpensionaris Johann de Witt, waren van mening, dat deze reorganisatie onvoldoende verbetering garandeerde. Zij waren van oordeel dat het mengen van zeesoldaten met gewone landsoldaten schadelijk was voor de dienst ter zee. Een brief van 23 juni 1664 aan De Witt van de heer Herman Ghijssen, die voor handelsaangelegenheden van Dordrecht naar Engeland was gereisd, heeft mogelijk ook invloed gehad op de beeldvorming van de raadpensionaris. Deze heer Ghijssen vergeleek in zijn brief de samenstelling van de vlootbemanning van de Nederlandse en Engelse marine en kwam tot de conclusie, wilde de marine van de Republiek op gelijke voet met de Engelse marine kunnen vechten, dat het kunnen beschikken over 4000 zeesoldaten, geschikt om aan boord te dienen, noodzakelijk was.
Van die tijd af ontstond er ook een soort beroepskleding voor de zeesoldaten. De scheepskapiteins werden verplicht de scheepssoldaten behoorlijk te kleden, wel tegen korting van soldij.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat zich bij de opkomst van grote maritieme mogendheden, zoals in die tijd Spanje, Engeland en Nederland, de behoefte ontstond aan speciaal voor dat doel getrainde eenheden. Niet alleen op operationeel gebied, maar eveneens als handhavers van orde, tucht en discipline werd hen een speciale taak toebedeeld in de maritieme gevechtsorganisatie. Ook elders was men in deze richting actief. Een Spaans corps dateert uit 1658, een Engels uit 1664.

Na advies te hebben ingewonnen van de luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland, Michiel Adriaansz. De Ruyter, wist Johan de Witt een besluit uit te lokken van de Staten van Holland tot oprichting van een “Regiment de Marine” met eigen officieren en verdeeld in 19 compagnieën. Dit regiment diende in plaats van het “contingent de marine”. Dit besluit werd op 10 december 1665 afgekondigd. Deze datum wordt nu beschouwd als de oprichtingsdatum van het “Korps Mariniers”. Het bevel over het eerste ‘regiment de marine’ werd opgedragen aan kolonel Willem Joseph baron van Ghent. Voordat Van Ghent tot commandant van het regiment de marine werd aangesteld, was hij ongeveer twintig jaar bij de landmacht in dienst en alleen met de zeemacht in aanraking geweest gedurende de onderneming van De Ruyter tegen het eiland Funen in 1669. Aangezien hoofdofficieren van het regiment tevens het bevel over een oorlogsschip voerden, voer Van Ghent op 1 juni 1666 onder bevel van De Ruyter als commandant van de Gelderland uit om de vijand op te zoeken en slag te leveren.

Het regiment bestond uit 18 compagnieën van 120 man en een kolonelscompagniet van 170 man, totaal 2330 man. Aan boord vielen de scheepssoldaten onder de krijgswet van het zeevolk, aan de wal waren ze onderworpen aan de krijgswetten van de landmacht.  De overige provinciën volgden het voorbeeld van Holland echter niet na. Daar bleven de zeesoldaten verdeeld over de compagnieën van de landmacht. Op 7 augustus 1666 werd door de Staten van Holland besloten nog twintig compagnieën van de landmacht voor dienst op de vloot te bestemmen. Deze compagnieën bleven deel uitmaken van hun oorspronkelijke regimenten. Pas in 1669 werden deze compagnieën verenigd tot een tweede regiment de marine. In 1817 werd voor hen de naam “Korps Mariniers”officieel ingevoerd. Van dat tijdstip af waren de scheepssoldaten formeel mariniers.

Scheepstimmerman, scheepsbouwer
De geschiedenis van de scheepsbouw is zeer lang. Ook hier te lande werd al voor het begin van de christelijke jaartelling in boten gevaren, die handmatig werden vervaardigd. In een Accijnsbrief van 1274, uitgevaardigd door graaf Floris V betreffende belastingen die hij aan de Haarlemse nijverheid oplegt blijkt er ook scheepsbouw in die stad te bestaan. De scheepsbouwers moesten belasting betalen per gebouwd schip. De hoogte is afhankelijk van de grootte van het schip. Er is sprake van haringschepen, koggen en heerkoggen (bedoeld voor oorlogshandelingen), handelsschepen en kleine schepen. De kogge is het meest bekende middeleeuwse zeilschip, dat een zekere ontwikkeling door maakte. Wil men iets meer weten dan is er naast enkele scheepsmusea voldoende literatuur.

Ook nu bestaat de scheepstimmerman nog steeds, maar de scheepstimmerman van nu is vooral meubelmaker, de man die aan de afwerking van een schip meewerkt. Als men de personeelsadvertenties doorziet is het zelfs een gevraagd beroep. Een enkeling is nog scheepsbouwer, maar niet de scheepstimmerman die de houten schepen van vroeger vanaf het begin opbouwde. Als regel begin hij zijn werk als krullenjongen op een werf. Hij was o.a. belast met het inzamelen van de krullen, spanen en afvalhout de kachel in de loods werd gestookt als het koud was. Hij moest ook het houtvuur maken en onderhouden onder de pekketel (hij werd daarom ook wel pikjongen genoemd). Vloeibaar pek was nodig om de naden aan te gieten of om bij het breeuwen te gebruiken. Men leerde door hard te werken en zijn ogen goed de kost te geven en werd zo van leerling tot meester. Aan hem werden zwaardere eisen gesteld dan aan een gewone timmerman. De laatste heef veelal te maken met haakse constructies, maar bij de scheepsbouw was dat niet zo. Destijds werden al die schepen uit het hoofd gebouwd!
Uiteraard waren er verschillende soorten arbeid nodig voor het bouwen van een (groter) schip. Voor de uitvinding van de houtzaagmolens zaagden de kraanzagers (zie aldaar) de balken. het waren de scheepstimmerlieden die het “fijnere” werk verrichtten. Men gebruikte daartoe een groot assortiment aan gereedschappen zoals de dissel (een soort platte bijl), verschillende soorten schaven zoals de voorloper, de korte en de lange rijschaaf. Verder de avegaar (soort boor),  verschillende maten spijkerboren die met een booromslag werden aangedreven, beitels, hamers en zagen. Ook de zwei (zwaaihaak) was zeer belangrijk. Een scheepstimmerman moest vele houtverbindingen kennen, waarbij de uiterste nauwkeurigheid vereist was. Een kleine fout kon immers een duur stuk hout, dat al de nodige voorbereidingen had ondergaan onbruikbaar maken.

Scheepsvoogd
Oefende het gezag uit op een schip.

Scheermaker
Vervaardiger van diverse soorten scharen. Behoorden tot het ambachtsgilde van de smeden (’s Hertogenbosch voor 1629).

Schelpenvisser
Vroeger waren schelpen een bekende grondstof voor de kalkfabricatie. De schelpenvissers visten of per schip (bijv. waddenzee) op schelpen of trokken met hun door een paard getrokken tweewieler (Noordzeekust) over het strand langs de vloedlijn om daar de schelpen met een soort schuifnet op te scheppen. Naast het inmiddels vervallen, maar destijds belangrijke gebruik voor de kalkfabricage dienden en dienen de schelpen ook om paden te verharden. Tegenwoordig is het paard wel vervangen door een trekker.

Schelpkalkbrander
Deze brandde met behulp van kalkovens schelpen tot ongebluste kalk. Kalk werd, vermengd met zand en baksteengruis als metselspecie en voor pleisterwerk. In Europa werd meestal als grondstof kalksteen gebruikt, maar hier te lande maakte men gebruik van schelpen, die in grote hoeveelheden langs de kusten en het waddengebied werden aangetroffen. Voor het branden werd turf (later ook kolengruis) gebruikt. In de oven ging een laag turf, daarop een laag schelpen enz. tot de oven gevuld was. De turf werd aangestoken waardoor de schelpen tot 900 – 1200 graden werden verhit. Na een twee tot drie weken werd de gebrande kalk uit de ovens gehaald. In het blus- of leshuis, een schuur met ombeschoten dak werd over de ‘levende’ kalk water gesproeid. Hierdoor ontstond een chemische reactie waarbij de temperatuur een honderd graden steeg en de schelpen als kalk uit elkaar vielen. De stoom ontsnapte door het open dak. Deze was na het uitzeven van ongerechtigheden als ongebrand gebleven schelpen, gereed voor de verkoop.
Concentraties van kalkovens vond men langs de oostkust van de Zuiderzee (o.a. Harlingen, Makkum, Zwartsluis en Hasselt).
Oorspronkelijk hadden de kalkovens de vorm van een afgeknotte kegel. Later werden ze voorzien van een schoorsteen en dusdanig geconstrueerd dat ze, door van boven bij te vullen en van onderen leeg te maken, continu konden blijven branden.
Het definitieve einde van de kalkbranderijen werd veroorzaakt door de toenemende cementproductie.

Schelver
Arbeider die van hooi-, ongedorst graan, stro en vlas schelven opbouwt, die geruime tijd kunnen blijven staan en die bestand zijn tegen regen.

Schepen (scepen)
De schepen maakt deel uit van de schepenbank waarvan de voorzitter, afhankelijk van de streek, meier, schout of baljuw wordt genoemd. Samen met deze voorzitter formuleerden zij de vonnissen. De schepenbanken hadden in de eerste plaats een rechterlijke taak ten aanzien van personen en goederen die binnen hun rechtsgebied vielen. Naar gelang van de mate van bevoegdheid (graad van jurisdictie) (hogere, middelste of lagere jurisdictie) was de schepenbank bevoegd om bepaalde misdrijven te berechten en uitspraak te doen in burgerlijke geschillen. Soms ook in criminele zaken (hogere jurisdictie), doorgaans uitgezonderd die waarvoor lijfstraffen golden.

Scheper 
Schaapherder.

Schepper
De scheppers waren werkzaam bij de papierfabricage. Zij schepten met een papierzeef wat vezelhoudend vocht op en schudden dat zo gelijk mogelijk over de zeef. In oud papier ziet men dan ook altijd een zekere structuur zitten plus een watermerk dat op de zeef werd aangebracht. Zij gaven dan de zeef door aan de koetser, die het natte vel uit de zeef verwijderde en de vellen om en om met een vilt stapelde. Als de stapel een bepaalde dikte had werd die door de heffer in een pers gezet om zo veel mogelijk water te verwijderen, waarna de vellen ter verdere droging werden opgehangen.

 

Scherprechter, scherprichter
(zie ook Beul)
De scherprechter was belast met het volstrekken van de lijfstraffen. Wanneer iemand onthoofd moest worden betaalden men de scherprechter wel om te zorgen dat hij in één slag goed het hoofd afsloeg. Hij kreeg ook het nodige commentaar als dat enigszins minder goed ging. Verder was hij betrokken bij de verschillende ‘verhoortechnieken’. Een bezoek aan de Gevangenpoort te Den Haag laat zien welke hij ter beschikking had bij het verhoren van gevangenen, dit in samenspel met beulsknechten, die hem daarbij behulpzaam waren.

 

Schieman
De schieman was vroeger op de grote zeilvaart (o.a. de V.O.C.) de speciale vakman die verantwoordelijk was voor al het touwwerk: het repareren en vervaardigen van scheepstuigage’s en het verfraaien van een schip d.m.v. sierknopen.
Hij moest dus kennis hebben van touwsoorten en de verschillende verbindingen en verwerking van het touwwerk, welke aan boord en in het tuig toegepast worden zoals o.a. het bekleden, het splitsen en knopen, het leggen van steken en bindsels, het stroppen van blokken, het maken van plattings en matten.
Touwwerk werd oorspronkelijk uitsluitend gemaakt van hennep en manilla. Henneptouwwerk werd vooral gebruikt voor lood- en loglijnen. Ongeteerd henneptouwwerk vergaat spoedig wanneer het voortdurend in aanraking komt met water. Manillatouwwerk is iets minder sterk, maar beter bestand tegen vocht. Het werd o.a. gebruikt voor lopend touwwerk, sloepslopers, stroppen en verhaaltrossen.

Schiemansmaat
Helper van de schieman. Ook op schepen van de V.O.C.

Schijvenschuurder
Schijvenschuurder is een tamelijk oud beroep.De schijvenschuurder heeft het zwaarste werk bij de diamantbewerking. Hij heeft tot taak de afgewerkte schijven, die door de diamantslijpers worden gebruikt weer glad te schuren. Bij het slijpen van diamanten komen er groeven in. De schuurder moet met behulp van een amarilsteen door langdurig wrijven de schijf glad terug slijpen. Wanneer de eerste fase achter de rug is, volgt een tweede ronde, die gebeurt met “Godlandsteen”, die veel zachter is en de poriën van de schijf dicht. Uiteraard moet de schuurder zorgen dat de schijf goed vlak blijft. Vroeger gebeurde dit slijpen volledig met de hand, nu kan het ook mechanisch.

Schilderij hersteller (het herstel van het conterfeitsel)

Schildpadwerker

 

  1. Bewerker van het rugschild van de schildpad. Men vervaardigde o.a. doosjes, kammen, haarspelden en monturen van brillen.
  2. Mogelijk vervaardiger van schildpakblokken, o.a. gebruikt aan boord van schepen, hetzij tussen het want gebonden hetzij staande op de raas gespijkerd.

Schillenboer
De schillenboer haalde met paard en wagen, een handkar of een bakfiets de schillen en eventueel oud brood bij de huisvrouwen op om die weer aan de boeren te verkopen als veevoer. 

Schiller
Schelpenvisser, ook schilvisser. 

Schipper (binnenvaart en Zuiderzee)
Dit is geen verdwenen beroep, maar in het vervoer te water hebben zich de nodige veranderingen voorgedaan.
Vindt tegenwoordig een groot deel van het vervoer over de weg, per spoor of per vliegtuig plaats, vroeger was men vooral op vervoer over het water aangewezen. Dit gold zowel voor het personen als het vrachtvervoer.
Het spreekt welhaast vanzelf dat hier een uitgebreide regelgeving voor nodig was. Dit betrof zowel de regelgeving door de overheid als de regelgeving door de schippers zelf. Zij waren georganiseerd in de schippersgilden. Wat het goederenvervoer betreft ontstonden allerlei voorschriften, vastgesteld in reglementen waarin o.a. de vracht en bestellonen waren vastgelegd.
De overheid (stadsbesturen) regelden allerlei zaken.
Voor vervoer tussen verschillende steden maakten deze steden afspraken. Zo werden voor de verschillende bestemmingen vaste beurt- of marktschippers aangesteld. Omdat er voor bepaalde routes meerdere schippers werden aangesteld, die evenals bij sommige andere beroepen om de beurt aan bod kwamen, ontstond het woord beurtschipper. Verder bepaalden de overheden o.a. de ligplaatsen, de vaartijden enz. Voor het toezicht op de verbindingen werden commissarissen aangesteld. Voor het vervoer van personen werd vooral gebruik gemaakt van trekschuiten. De schipper en zijn knecht bestuurden het schip, dat door een scheepsjager met paard werd voortgetrokken. Dit trekvaartnetwerk ontwikkelde zich sterk vanaf het midden van de zeventiende eeuw. Ook poststukken en kleine pakjes mochten door de trekschuitschipper worden meegenomen. Vaartijden en aanlegplaatsen waren uiteraard vastgelegd per veerverbindingen, uiteraard altijd in overleg met de steden waar naar toe werd gevaren. Deze vormen van vervoer waren vooral populair in het waterrijke Holland. Maar waar mogelijk werd ook elders gevaren, soms met aangepaste schepen, zoals de zompen uit Overijssel.

Voor lokaal vervoer binnen een stad of over korte afstanden werden vletters gebruikt. Deze maakten gebruik van platbodems en pramen. Omdat niet altijd de beste schepen werden gebruikt die ook niet altijd goed werden onderhouden, waardoor er schade aan de lading ontstond werden ook voor hen regelingen ingevoerd.
Ook het goederenvervoer in, van en naar de andere gewesten vond, waar mogelijk, zoveel mogelijk over het water plaats. Denk maar aan het vervoer van bijv. stenen, turf, hooi en vee.

Schoenflikker, schoenlapper
Reparateur van schoeisel en laarzen. Dit in tegenstelling tot de schoenmaker, die schoeisel vervaardigde. Tegenwoordig gebruikt men voor de reparateur het woord schoenmaker en de schoenmaker van vroeger bestaat nu als maatschoenmaker. Tegenwoordig is het schoenmaken in hoge mate geautomatiseerd. Vroeger kwamen aan het repareren de nodige losse gereedschappen te pas: de kantenlikker, de leest, het likhoutje (voor het vaststrijken van de zool, de pekdraadtrekker, de roulette (gebruikt voor de randversiering in lee)r, de ringtang, stansmessen om zoelen en hakken uit te stansen en de zwiktang.

 

Scholte, schout, schulte
(Zie ook Schout)
Persoon in dienst van de overheid, in steden hoofd van het gericht en de politie, op het land uitoefenaar van de lagere jurisdictie.
Ook was hij wel hoofd van een waterschaps of polderbestuur.

Scholteboer

Landbouwers, bosbouwers en jagers die door de bisschop van Münster aangesteld waren om diens eigendommen te beheren, beschikten over grote stukken bos toen de bisschop zijn greep op de boeren verloor. 
Aan de boerderij van een scholteboer was destijds een zeker rechtsgezag verbonden. (Scholte is een gewestelijke benaming van schout, dus een functionaris die op het platteland de lagere rechtspraak uitoefende.
Later: een scholteboer was zo rijk dat hijzelf zijn land niet behoefde te bewerken, maar dat door zijn arbeiders kon laten doen.

Schommeljongen
(zie Hobbeljongen)

Schommelkok
Keukenbediende voor het vatenwassen en ander schoonmaakwerk.

Schommelmeid 
Dienstbode voor het ruwe schoonmaakwerk.

Schooldienaar
Iemand die een school bedient, schoolmeester.

 

 

Schoolhouder
De schoolhouder geeft gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs op een school.

Schoolmatres 
Onderwijzeres, ook houdster van een kleinekinderschool, de latere bewaarschool.

Schooltandarts

Een functie die inmiddels grotendeels is verdwenen. De schooltandarts bezocht de scholen.

Schoonschrijver 
Beoefenaar van het schoonschrijven.  Schreef in de tijd dat velen de schrijfkunst niet (voldoende) meester waren in opdracht allerlei geschriften: mededelingen, akten, verzoekschriften, overeenkomsten, kortom alles wat men graag op schrift vastgelegd zag.Schoonverver 
Verver van wollen stoffen.Schorteldoekverver 
Verver van schorteldoek, d.w.z. weefsel bestemd voor de vervaardiging van schorten.

Schotter/schutter
In de meeste Zeeuwse dorpen bevond zich een omheinde en soms ook wel overdekte plaats, waar losgebroken of verdwaald vee tijdelijk werd gestald, de schutte of schotte. Dit onder de hoede van een daarvoor aangestelde functionaris, de schotter of schutter. Alleen tegen betaling kon de rechtmatige eigenaar zijn vee ‘vrijkopen’. 

Schotvanger
Ontvanger van het schot, d.w.z. een soort belasting.
Schot: Zekere vroegere belasting, oorspronkelijk aan den landheer verschulldigde grondrente, vervolgens aandeel in verschillende omslagen”

Schout
(Zie ook Schulte)
Vroeger ook o.a. scout, scoutet, scouthete, schultete, schulte. Overheidspersoon die in een stad aan het hoofd van het gerecht en de politie stond of op het land de lagere jurisdictie uitoefende.

Schout bij nacht

 

  1. Politiebeambte. die de schout oorspronkelijk ’s nachts verving, nachtschout
  2. Bevelhebber tot wiens taak het behoorde, te zorgen dat de schepen van een vloot bij nacht in de voorgeschreven orde voeren
    Bevelhebber van een smaldeel van een vloot.
    Later rang bij de marine.

Schouwmaker
Schoorsteenmaker. Hij vervaardigde de overdekking of bekleding van stookplaatsen en schoorstenen.

Schouwman (schouwknecht)
Een schouw is een platboomde schuit met platte voor en achterkant, in verschillende groottes, gebruikt voor vee- en vrachtvervoer, zoals zand, mest, hooi of turf. Ze dienden ook voor personenvervoer. Grotere waren in gebruik om personen of voertuigen over te zetten, dienden dus als veerpont. Zij werden voortbewogen door de schouwman en/of zijn knecht.

Schrabbenmaker
Een schrabbenmaker vervaardigde schrabbers, krabbers oftewel schrapijzers, d.w.z. stukken gereedschap in verschillende vorm waar mee men onder meer oude verf, of bij buizen  ongerechtigheden en bij schepen ook teer en aangroeisels verwijderde.

Schriftlithograaf
Deze was in de vlakdruk werkzaam. Hij bracht op steen ornamenten, lettervormen, liniaturen en cijfers aan, eventueel naar eigen ontwerp. Tot zijn taak behoorde ook het samenstellen van etschemicaliën. Een specialisme werd uitgeoefend door de merkantillithograaf, die hele fijne letters en briefhoofden met vaak een tekening van het bedrijf (fabriek) in zeer fijne lijnen vervaardigde.

Schrijfmeester
Zie schoonschrijver.
Toen het handelsverkeer zich in de zestiende eeuw uitbreidde bestond er een toenemende behoefte aan het geschreven woord. In de steden vestigden zich toen schrijfmeesters aan wie het schrijven van brieven en stukken kon woorden opgedragen en die daarnaast schrijflessen gaven. In de verschillende landen van Europa werden andere letters geschreven en de schrijfmeesters moesten al deze schriftsoorten beheersen. Nederlandse handelaren ontvingen brieven uit allerlei delen van Europa. In Holland werd een schuin schrift geschreven, het ‘Nederlandtsche Loopende Schrift”. De eenvoudigste vorm was het “Gemeyn Schrift”, maar dat was niet zo duidelijk omdat de letters s, f en h zo ongeveer hetzelfde waren en de r op de v of w geleek. Later in de zeventiende eeuw vonden de Italiaanse of humanistische letters meer ingang. Echt “schoonschrift” werd gebruikt voor geschriften die een fraai uiterlijk vereisten zoals ambtelijke oorkonden, zakenbrieven en verzoekschriften. Verschillende schrijfmeesters hebben fraaie voorbeeldboeken achtergelaten. Deze werden in koper gegraveerd (een kunst op zich) en als gravures afgedrukt. 

Schrijnwerker (schrijnwerkersknecht)
Vervaardiger van fijn kastenmakers- of meubelmakerwerk. Ook nu komt de term schrijnwerker nog voor, maar deze maakt en monteert binnen- en buitenschrijnwerk, waaronder zaken worden verstaan als ramen, deuren, poorten, trappen, houten wanden en plafonds en vloeren.

Schrobbelaar, vr. schrobbelaarster
Man, resp. vrouw die de ruwe wol vóór oftewel grof kaardt door deze op een schrobbelbank door een schrobbel (een ijzeren kam) te trekken om het kaarden gemakkelijker te maken.

Schrobber

 

  1. Deze was (is?) werkzaam in de textielindustrie. Hij voert de eerste spinmachine met gewassen en/of geverfde wol, waarna door een kammende werking van de eerste machine het eerste garen tot stand komt: het voorgaren.
  2. Schoonmaker
  3. Persoon die lijders aan besmettelijke ziekten verpleegde en doden aflegde. Gewoonlijk in de vrouwelijke vorm: schrobster.
  4. Iemand die met een schrobnet vist.
  5. Jager die het wild in een net drijft.

Schuierhoutmaker
De schuierhoutmaker vervaardigde het houtwerk voor bezems en schuiers en ook wel voor borstels.

Schuitenjager
Zie scheepsjager.

Schuitenmaker, Schuyte(n)maecker
Zie scheepsbouwer.

Schuitenschuiver
Schuitenschuiven was een  middel om schepen voort te bewegen. Op het voor- en achterschip was een constructie aangebracht, waarin men een weegboom dwars op het schip kon steken. Zo kon men, naast het schip op de wal lopend, het schip voorwaarts duwen.

Schuitenvoerder
Schipper op een schuit zoals een dekschuit of een lichter.

Schuitwasser
Persoon, die van een modderschuit af baggerwerkzaamheden verrichtte.

Schulper
Onder de beroepsaanduiding schulper vallen vier verschillende beroepen.

 

  1. Persoon die gaten boort met behulp van een schulpboor (ook wel naafboor genoemd) en bestemd voor het boren van grotere gaten. Het is een lange en brede boor, die van  onderen (de punt) gevormd is als een gewone boor, maar meer naar boven s-vormig is, waarbij de ene kant van de s dient om het hout glad te maken, terwijl de andere kant scherp is en snijdt. Aan de bovenkant bevindt zich dwars het handvat, dat in staat stelt de boor met twee handen rond te draaien.(afb. 1) Wordt er veel kracht gevraagd dan kan men aan een kant van het handvat een achtvormig ijzer bevestigen, waardoor men een stevige stok kan steken tot voorbij het boorijzer (afb. 2). Men kan de boor dan met twee man bedienen: Eén aan het handvat die tevens de boor stuurt en één aan de verlenging van het handvat. Dit type boor wordt o.a. gebruikt door de wagenmaker om de ruimte, nodig voor de wielas, te boren. Als het gat voldoende groot is wordt er een metalen bus ingeslagen, waar de as van de wagen in past. De schulpboor wordt ook gebruikt door de blokmaker, in de scheepsbouw en om pompen te vervaardigen.
  2. Persoon die werkt met een schulpzaag, andere benaming voor een kraanzaag, gebruikt om balken door te zagen.
  3. Schelpenvisser langs de Noordzeekust. Anders dan op de Waddenzee, waar men met behulp van schepen schelpen visten, werkte de schelpenvisser vanaf de kant met een soort schepnet, dat hij leegde in een kar die door een paard getrokken werd.
  4. Schulper of schulpzandmaker. Deze vervaardigde door het malen van schelpen een min of meer fijn zandachtig poeder dat als schuurmiddel werd gebruikt.

Schutmeester

 

  1. Opzichter over een waterkering of sluis. 

  2. Beheerder van de schietwapenen.

  3. Vroeger te Utrecht de ambtenaar, oorspronkelijk een der kameraars, die het toezicht had op bouw- en onderhoudswerken.

  4. Belast met het vangen van en het toezicht op gevangen loslopend vee. Dit werd gestald in een schot, schutte (schutplaats), een stal en/of omheind stuk grond schutskooi). “Dat den 

Schutter

 

  1. Iemand die loslopend vee vangt (schut) en stalt in een schutte.
    (zie ook schutmeester)

  2. Iemand die met hand- of voetboog of enig schietgeweer tot de krijgsmacht gewapend is.

  3. Iemand die deel uitmaakte van een uit burgers bestaand plaatselijk verdedigingscorps, de schutterij.
    In Delft bestond de schutterij uit vier kwartieren of vaandels (groene, oranje, witte en blauwe vaandel). Aan het hoofd stond een colonel en als verdere officieren in ieder kwartier een kaptitein, een kapitein-luitenant en vier hoofdmannen. Elk vaandel bestond uit vier rotten en elk rot uit veertig mannen, de hoofdman, zijn luitenant en de rondassier (met een rondas, d.w.z. een rond schild en een hellebaard of ander slag of steekwapen bewapend )daaronder begrepen. Bij ieder vaandel zijn twee tamboers. De officieren kwamen uit de plaatselijke bovenlaag.

  4. Militair, oorspronkelijk met een hand- of voetboog, later o.a. bus-, haak- of scherpschutter.

  5. Iemand die met een schudnest vist op platvis.

Schuyermaker
Zie borstelmaker.

Scuteman 
Scuitenvoerder, schipper.

Secondant
Hulponderwijzer, leerkracht die de houder van een kostschool bij staat.

Secreetruimer, sekr