Aardewerk is een verzamelnaam voor bij temperaturen tot ongeveer 1100 graden Celsius uit klei gebakken keramiek, zoals vaatwerk, potten, schalen, drinkbekers, kruiken en tegels.

Aardewerk is zachter en minder duurzaam dan steengoed en porselein, maar het is veel gemakkelijker en goedkoper te maken. Vanwege de poreusheid van aardewerk dient het vrijwel altijd geglazuurd te worden. Keramiek wordt pas steengoed genoemd als het op een temperatuur van meer dan 1200 graden Celsius is gebakken. Goede klei voor deze producten is kaolien (China-clay), een fijne witbakkende kleisoort.

Onder aardewerk in eenvoudige vorm worden voorwerpen verstaan die gemaakt zijn van leem of klei, veelal gehaald langs rivieren. Deze worden na droging gebakken en daardoor hard. Door de hoge temperatuur bij het bakken zijn de kleideeltjes aan elkaar geklit of gesinterd. Het materiaal zal dan meestal niet meer door water worden verweekt en uiteenvallen, maar bijvoorbeeld het zwarte aardewerk uit de omgeving van Mohács is zonder nabehandeling niet watervast.

Bij gebruik van mindere soort klei kan men niet met hoge temperaturen bakken en blijft het werkstuk poreus. Deze moet dan met een glazuurlaag worden bedekt om waterdicht te worden. Voor glazuur, een glassoort, gebruikt men lood- of tinglazuur. Deze smelt bij niet te hoge temperatuur en vloeit over het oppervlak van het product. Deze glazuur kan transparant of dekkend van kleur zijn. Tevens worden glazuren gebruikt om het aardewerk van diverse kleuren te kunnen voorzien.

Aardewerk voor bouwkundige doeleinden wordt wel aangeduid met bouw- of woonkeramiek.

Verschillende vormen en functie van aardewerk:

  • pot, bedoeld als bewaarplaats voor losse goederen of vloeistof.
  • kookpot, gemaakt om voedsel in te bereiden.
  • kruik, met een nauwe, afsluitbare opening, bedoeld als bewaarplaats voor vloeistof.
  • kan, met een schenktuit, bedoeld om vloeistoffen in te bewaren en uit te schenken.
  • beker, gemaakt om uit te drinken.
  • schaal, gemaakt om iets op te presenteren.
  • kom, gemaakt om in de hand te houden en uit te eten of te drinken.
  • schotel, gemaakt als onderlegger.
  • römertopf, Romeinse stoofpot bestaande uit een poreuze, aardewerken schaal met deksel.
  • vaas, een object dat vloeistof bevat
  • tegels, als bouwmateriaal voor tegelkachels en ter waterdichte bedekking van vloeren of wanden, bijvoorbeeld van keukens of badkamers

 

Glas is een amorfe (niet-kristallijne) vaste stof. De bekendste verschijningsvorm is het kleurloze glas zoals het voor vensterglas en drinkglazen wordt gebruikt. Dit glas bestaat voornamelijk uit de stof silica of siliciumdioxide (SiO2).

Hoewel glas geen kristalstructuur heeft is het, net als veel kristallen, doorzichtig en treedt er in glas, net als in kristal, lichtbreking op. Een bekende glassoort, voor gebruiks- en (vooral) siervoorwerpen, wordt kristalglas of kortweg kristal genoemd. Het verschil tussen glas en kristal is gedefinieerd op basis van het loodgehalte (glas met minder dan 4% loodoxide heeft de commerciële benaming "glas"). Het taalgebruik houdt zich niet altijd aan formele definities: het Spaanse cristal bijvoorbeeld, betekent (evenals vidrio) gewoon glas.