Illustrator J.H. Isings

Boeken voor volwassenen geïllustreerd door J.H. Isings

John Bunyan, De Christen-en Christinnenreis (1905),

Jan Veltman De Vlaamsche scharenslijper (1913),

Jan Veltman, De Vlaamsche stoelenmatter (1914),

Jan Veltman, De Vlaamsche spitsbroeders (1916),

W. de Vletter, Lieveke Harms. (1914),

Lewis Wallace, Ben Hur (1929).

 

Kinderboeken en schooluitgaven geïllustreerd door J.H. Isings

L. Penning, De overwinnaar van Nooitgedacht. 's-Gravenhage, J.N. Voorhoeve, 1903.

L. Penning, Onder de vlag van Jan Pietersz. Coen. Rotterdam, Daamen, 1905.

Joh. H. Been, De drie matrozen van Michiel de Ruyter. Alkmaar, Kluitman, 1907.

Joh. H. Been, Paddeltje. De scheepsjongen van Michiel de Ruyter. Alkmaar, Kluitman, 1908.

P. Visser, De laatste der Arkels. Alkmaar, Kluitman, 1908.

J.L.F. de Liefde, Onder zes nichtjes en neefjes. Nijkerk, Callenbach, 1908.

Ch. Krienen, Uit den vreemde. Schetsjes uit het leven der volken. 3 deeltjes. Meppel,

H. ten Brink, 1909.Jan van de Croese, Willem Wijcherts. Nijkerk, Callenbach, 1909.

W.G. van de Hulst, Ouwe Bram. Nijkerk, Callenbach, 1909.W.G. van de Hulst, 

Jaap Holm en z'n vrinden. Nijkerk, Callenbach, 1910.

Top Naeff, In den dop. Amsterdam, Van Holkema en Warendorf, 1911 (3e druk).

Hesba Stretton, Jessica's eerste gebed. Nijkerk, Callenbach, 1912. (14e druk).

Suze Andriessen, De page van Napoleon. Alkmaar, Kluitman, 1912.

C. Holle, Hoorn voor den Prins. Oorspronkelijk verhaal uit het begin van den tachtigjarige oorlog. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1913.

Joh. H. Been, De pleegkinderen van den veteraan. Alkmaar, Kluitman, 1913E.

Gerdes, Rosa Fluweeltje. Nijkerk, Callenbach, 1913 (5e druk).

F.H.N. Bloemink, Oogst. Bloemlezing voor het lager onderwijs. deeltjes 7 t/m 10. Gouda,

G.B. van Goor, 1915-1918.J. Lens en H.J. van Wijlen, Bloei. Leesboek voor de Christelijke school. Deeltjes 1,2 en 4 t/m 10. Amsterdam. H.J. Spruyt, 1916-1920.

J.W. de Jongh en A.G. van Poelje, Uit vroeger eeuwen. Geschiedkundig lees- en repetitieboekje voor de lagere school. Deeltje 3. Van 1650 tot heden. Groningen, Wolters, 1918.

W.G. van de Hulst, De Bijbelsche Geschiedenisen. Rijswijk,

H.J. Spruyt, 1918.W.G. van de Hulst, Peerke en z'n kameraden. Nijkerk, Callenbach, 1919

.Joh. H. Been, Om de schatten van Il Tigretto. Alkmaar, Kluitman, 1921.

Cor Bruijn, Keteltje in de lorzie. Gouda, Van Goor, 1922.

Cor Bruijn, Keteltje in het veerhuis. Gouda, Van Goor, 1923.

Willem de Mérode, Goede vrienden. Serie leesboeken voor de hoogste klassen van het Christelijk lager onderwijs. Deeltjes 1 en 2. Groningen, Wolters, 1922-1923.

L. Penning, De vaandrig van den Stedendwinger. Nijkerk, Callenbach, 1925.

W.G. van de Hulst, Bijbelsche vertellingen voor onze kleintjes. Amsterdam, H.J. Spruyt, 1926.

[p. 10]
 
Artikelen over J.H. Isings

Cor Bruijn en Nienke van Hichtum, Uit het sagenland. Leesboek voor de hogere klassen der de lagere school. Deel 1 en 3. Groningen, Wolters, 1927-1929.

Jac. van der Klei en J.B. Ubbink, Het ruisende woud. Leesboek voor de lagere school. Deel 5 tot 10. Groningen/Den Haag, Wolters, 1930-1933.

J.G. Kramer en J. van der Klei, Feiten en verhalen. Leesboek over de vaderlandsche geschiedenis. Deeltjes 1 en 2. Groningen, Wolters, 1931.

J. Stamperius, Het leven van Willem van Oranje. Alkmaar, Kluitman, 1933.

H. ter Merwe, Luyt Lievens, de liedjeszanger. Delft, Meinema, 1935

J. van Hulzen, L. Keemink en Anne de Vries, In volle wapenrusting. Schetsen uit de geschiedenis der kerk. Groningen, Wolters, 1936

K. Norel, De grote gouverneur. Nijkerk, Callenbach, 1937.

Anne de Vries, De avonturen van een Russische bijbel. Nijkerk, Callenbach, 1937.

W.G. van de Hulst, J. van Hulzen, Anne de Vries, Toen... en nu! Schetsen uit de algemene geschiedenis. Deeltjes 1 en 2. Groningen, Wolters, 1937.H. ter Merwe, Luyt Lievens, de zwerver. Delft, Meinema, 1937

Nienke van Hichtum, Afke's tiental. Alkmaar, Kluitman, 1940, 11e druk (De eerste druk, met tekeningen van C. Jetses, verscheen in 1903 bij Wolters, Groningen).

Wolf Meesters, De bijbel behandeld voor jonge mensen. Groningen, Wolters, 1949-1952. (De platen zijn in 1977 op groot formaat uitgegeven door De Vuurbaak in Groningen.)

P.K. Huibregtse, bewerking van Titus Livius, Ab urbe condita. 3 delen. Groningen/Djakarta, J.B. Wolters, 1954-1956.Over J.H. Isings

J.H. Isings, Wat doe je eigenlijk de hele dag? In: Ik blijf werken, personeelsblad Wolters-Noordhoff, 11e jaargang (1957), nr 9. (Later opgenomen in Isings, realist van de verbeelding en in J.H. Isings, Bekend en onbekend.)

Alfred Kossmann, Isings, realist van de verbeelding. Groningen, Wolters-Noordhoff, 1973.Fred Lammers, Johan Isings: Ik zocht in mijn werk altijd de mens. In: Trouw, 14-10-1975.Gulden Sporen. Naar de oorspronkelijke teksten van de toelichtingen bij de serie schoolplaten voor de vaderlandse geschiedenis van J.W. de Jong en H. Wagenvoort in de bewerking van D. Wijbenga. Groningen,

De Vuurbaak, 1975-1976, 5 delen.Wolf Meesters, Isings, zijn leven, zijn werk. In: Zestig bijbelplaten. Groningen, De Vuurbaak, 1977.

Jacqueline Burgers, Brood op de leesplank. Zes illustratoren in dienst van het onderwijs. Leiden, A.W. Sijthoff, 1977.

Jacqueline Burgers, Helden aan de wand. Historische schoolplaten. Haarlem, Fibula-Van Dishoeck, 1979.D.P. Snoep en J.J. Heij (red.), 

De geschiedenis gekleurd, historie-schoolplaten - J.H. Isings. Utrecht, Centraal Museum, 1982. (Daarin o.m. Rik Vos, J.H. Isings en de schoolplaten voor de vaderlandse geschiedenis.)Isings, bekend en onbekend. [Soest], Comite J.H. Isings 1884-1984. [1984].Rudi Kousbroek, Is het zoo geschied? Groningen, Wolters-Noordhoff, 1995.

Isings, ‘niet zomaar een plaatje’. Groningen, Rijksuniversiteit, Instituut voor Kunst en Architectuurgeschiedenis, 1997.

Frits van Oostrom (red.), Historisch Tableau. Geschiedenis opnieuw verbeeld in schoolplaten en essays. Amsterdam, Amsterdam University Press, 1998.Het vaderlandsch gevoel. Vergeten negentiende-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis. Amsterdam, Rijksmuseum, 1998.

De schoolplaten van Isings. Een kleurrijk verleden. Barneveld, Veluws Museum Nairac, 2000. (Een aantal schoolplaten met samenvattingen van de toelichtingen van Isings.)

Jan A. Niemeijer, J.H. Isings, historieschilder en illustrator. Kampen, Kok, 2000. (Met een bibliografie, samengesteld door Ad Hörst en Anko Huizinga.)

 

Johan Herman Isings werd op 31 juli 1884 in Amsterdam geboren als elfde kind in een gezin met dertien kinderen. Zijn vader was bakker. Omdat er in het grote gezin geen geld was voor een kunstopleiding, begon Isings in 1897 als decoratieschilder te werken. Later werkte hij op de tekenkamer van een ingenieursbureau, waar hij nauwkeurige technische tekeningen moest maken. Achteraf stelde hij vast dat dit werk nuttig was geweest, omdat er daardoor meer structuur en ‘een zekere redelijkheid’ in zijn tekeningen was gekomen.

Intussen volgde hij avondlessen op de Tekenschool voor Kunstambachten in Amsterdam, waar hij onder meer les kreeg van Jan Visser Jr. en Georg Rueter. Omdat zijn eerste opdracht voor een aquarel niet goed lukte, wendde hij zich in 1905 tot Nico van der Waay met de vraag of hij bij hem lessen in aquarelleren en compositie kon volgen. Hij ging daarna werken in het atelier van Van der Waay op de Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Daar heeft hij veel geleerd en praktische aanwijzingen gekregen voor zijn werk.

In 1909 nam Isings contact op met zijn elf jaar oudere collega Cornelis Jetses; dat werd het begin van een levenslange vriendschap. Het contact leidde ertoe dat Isings als ‘historieschilder’ voor uitgeverij J.B. Wolters ging werken. Tot 1940 nam hij - met goedkeuring van Wolters - ook opdrachten aan van uitgevers als Callenbach, Kluitman en Van Goor. Vanaf 1947 gold een overeenkomst die het werken voor andere uitgevers uitsloot. Pas op latere leeftijd ontving Isings van Wolters naast de betaling per opdracht ook een vast week- en nog later een vast maandbedrag.

 

In 1909 trouwde hij met Clasina van den Dungen; ze gingen wonen in een zelfgebouwd huis aan de Kolonieweg in Soest. In 1916 verloor hij binnen een paar maanden de pasgeboren tweeling, zijn driejarige zoontje en zijn vrouw aan de tbc. Hij bleef bij het gezin van Jetses in Zeist wonen tot zijn tweede huwelijk in 1918 met de schildersdochter Elisabeth Niesten. Ze kregen drie kinderen, die uit angst voor besmettelijke ziektes vrij geïsoleerd werden opgevoed.

Tijdens de Duitse bezetting werd Isings huis gevorderd door de Duitsers. In 1943 moest hij vluchten met zijn gezin; zijn hele collectie boeken en voorwerpen die hij nodig had als studiemateriaal voor zijn werk, werd geroofd. Pas in 1948 kon hij terugkeren naar zijn huis in Soest, waar hij zijn hele verdere leven is blijven wonen. Voor zijn werk had hij rust nodig en daarom leefde hij in betrekkelijke afzondering. Hij overleed op 19 augustus 1977.

 

Schoolplaten

Isings illustreerde historische verhalen en geschiedenisboeken voor het onderwijs, maar is vooral bekend door zijn historische wandplaten. Tijdens zijn werkzame leven maakte hij in totaal 44 aquarellen voor de reeks Schoolplaten voor de Vaderlandsche Geschiedenis, met bijbehorende toelichtingen onder redactie van J.W. de Jongh en H. Wagenvoort, uitgegeven door Wolters.

Het idee voor de wandplaten ontstond als gevolg van de onderwijsvernieuwing rond de vorige eeuwwisseling. De lesstof moest dichter bij de kinderen worden gebracht. De bedoeling was dat zij de stof niet uit het hoofd leerden, maar de informatie konden begrijpen en onthouden door zelf waar te nemen. De onderwijzer moest het onderwijs aanschouwelijk maken, liefst aan de hand van de praktijk; en als dat niet kon, door middel van plaatjes. Voor het vak vaderlandse geschiedenis hield dat in dat de onderwijzer uitging van de gebouwen uit de omgeving van de kinderen. Op het lesprogramma stonden stadswandelingen, musea bezoeken en oude voorwerpen in de klas halen. De platen in de boeken waren essentieel om kinderen een beeld te geven van de tijd die besproken werd.

De onderwijzer moest verhalen vertellen aan de hand van wandplaten waarop zoveel mogelijk te zien moest zijn. Zo'n plaat was ook de eerste aquarel van Isings uit 1911, Op den Dam omstreeks 1665. Het zwaartepunt van de reeks schoolplaten lag bij de zestiende en zeventiende eeuw. Later verschoof het accent van gebeurtenissen naar meer culturele onderwerpen. De reeks werd steeds aangevuld als er vanuit het onderwijs vraag was naar nieuwe onderwerpen. Platen werden vervangen als ze uitverkocht waren of als de uitgever ze ouderwets vond. Aan de reeks werkten ook andere tekenaars, waaronder Jetses, maar na de vernieuwing van de reeks in de jaren 1925 tot 1928 bleven alleen Van der Waay en Isings over. Na 1950 gingen nieuwe opdrachten uitsluitend nog naar Isings.

 

Isings correspondeerde uitgebreid met de directeuren van uitgeverij Wolters. Uit zijn correspondentie met F.R. ter Horst, A.M.H. Schepman en J.A. Schreuder blijkt welke eisen de uitgever aan de platen stelde. Isings vermeed controversiële onderwerpen en hij volgde de eis van Schepman om geen gevechten of bloederige scènes uit te beelden.

Bij elke plaat maakte Isings een uitvoerige beschrijving waarin hij de opzet en de keuze van de details toelicht. Hij stond erop dat elk detail verantwoord was. Daarom verdiepte hij zich grondig in het onderwerp van de wandplaten. Hij bestudeerde de beschikbare bronnen, raadpleegde wetenschappers en specialisten, las boeken, ging naar archieven en musea en bezocht zo mogelijk de plaats van handeling. Ook probeerde hij aan materiaal te komen uit de tijd en de streek die hij moest uitbeelden. Op die manier verzamelde hij een eigen collectie bronnenmateriaal.

Zijn plaat van Stad in de Middeleeuwen (1926) is een combinatie van gebouwen uit verschillende steden, zoals hij in zijn toelichting beschrijft. Schepen, penningen, zegels en modellen bekeek hij in de scheepvaartmusea van Amsterdam en Rotterdam. Voor personen baseerde hij zich op portretten van tijdgenoten; zo maakte hij voor een tekening van Erasmus gebruik van de portretten die Holbein de Jongere en Abrecht Dürer van Erasmus hadden gemaakt. Als er weinig materiaal beschikbaar was, was dat een groot probleem voor Isings. Daarom vond hij het illustreren van Livius' driedelige Ab urbe condita (1954-1956) zo zwaar. Er was bijna niets waar hij zich op kon baseren.

Sommige platen schilderde Isings na jaren opnieuw, waaronder Op den Dam omstreeks 1665 (1911), vervangen door De Dam te Amsterdam 1666 (1947). Een zomermiddag met de Muiderkring (1929) is een van de platen die Isings in 1952 ingrijpend wijzigde omdat het interieur historisch niet juist bleek. Toen er bezwaren rezen tegen de plaat van Karel V heeft hij die in 1952 op essentiële punten gewijzigd. In een Middeleeuws klooster (1912) heeft hij twee keer (in 1930 en in 1972) gecorrigeerd, onder meer omdat hij als protestant moeite had met het onderscheid tussen de verschillende kloosterorden. De plaat van de hagenpreek bij Utrecht is uit de roulatie genomen omdat uit nieuw onderzoek gebleken was dat er op die plaats geen hagenpreken gehouden werden. Meestal waren het nieuwe historische inzichten die ertoe leidden dat Isings een plaat corrigeerde. Slechts bij uitzondering ging het om stijl en techniek.

 

Stijl en techniek

Isings zag zichzelf als historieschilder. ‘Ik heb mezelf nooit als illustrator gezien, omdat ik niet zomaar een plaatje maakte. Ik beleefde alles wat ik schilderde en tekende.’ (Ik blijf werken, 1957) Een van zijn voorgangers op het gebied van de historische wandplaten was Charles Rochussen (1814-1894), die zich als schilder had toegelegd op historische taferelen en daarom veel opdrachten voor historische wandplaten kreeg. In de loop van de negentiende eeuw verschoof de belangstelling voor de uitbeelding van belangrijke historische gebeurtenissen, die het vaderlandse gevoel moesten stimuleren, naar een meer psychologische uitbeelding van spanning tussen de personages. De schilders van historische genre-taferelen beeldden niet meer de hoogtepunten uit, maar het moment daarvoor. Isings deed dat niet, gezien zijn opdracht voor het onderwijs. Hij vond dat hij niet zo veel vrijheid had als de schilders. De historieschilders waren in de tijd van Isings niet meer de tekenaars van de schoolplaten, waardoor de directe verbinding tussen de ‘officiële’ kunst en boekillustratie werd verbroken.

Meer dan de uitbeelding van een gebeurtenis zijn de platen van Isings de uitbeelding van de cultuurgeschiedenis. Hij moest beelden laten zien van het dagelijks leven in een bepaalde tijd. Niet alleen de voorbereiding van de wandplaten, maar ook de uitvoering ervan vergde veel studie. Als hij geen portretten had, gebruikte Isings andere modellen; vaak moesten zijn vrouw en kinderen voor hem poseren, waardoor er een zekere herhaling in de personages optrad. Voor de beweging van figuren, het spannen van de spieren en om de val van plooien in een gewaad te zien, poseerde hij zelf voor de spiegel, soms met gedrapeerde lappen voor de kleding. Vorm en glans van een helm bestudeerde hij in verschillende lichtvallen. De beweging van de wind in de zeilen probeerde hij uit met grote lappen.

Na alle voorbereidingen en proefschetsen van de onderdelen waaruit een plaat moest bestaan, maakte hij een schets in potlood. Daarna begon hij te werken in kleur. In de aquarellen van voor 1940 is de getekende schets er nog doorheen te zien en bracht hij met zwart krijt of een pen de zware accenten aan. Na de Tweede Wereldoorlog gebruikte bij meer dekkende verf. Vanaf 1947 zijn de aquarellen dan ook dieper van toon. Isings moest ook rekening houden met de wijze van reproduceren. Na 1930 verdrong de fotolithografie met raster de techniek van litho op steen. Door een bezoek aan de drukkerij van Enschede in Haarlem kreeg hij meer begrip voor de problemen van de drukker.

Rik Vos (De geschiedenis gekleurd, 1982) en L. Janssen (Isings ‘...niet zomaar een plaatje’, 1997) stelden vast dat Isings steeds hetzelfde compositieschema gebruikte. Op de voorgrond staan links en rechts en soms in het midden stillevens of grote afgewende figuren die vaak vanonder zijn afgesneden. Ze dienen als decorstukken en geven de ruimte erachter een grotere diepte. De hoofdpersoon van de voorstelling staat gewoonlijk in die ruimte iets uit het midden, terwijl een groep toeschouwers in een kring de ruimte omzoomt. Daarin speelt zich het verhaal af. Als achtergrond gebruikte Isings vaak een landschap of gebouwen.

De gezichten van de personen vertonen verrassend weinig variatie in gelaatsuitdrukking. Voor een deel zal dat komen doordat Isings de portretten schilderde naar voorbeelden die hij aantrof op schilderijen en prenten. Mensen en voorwerpen op de voorgrond worden net zo helder weergegeven als die op de achtergrond. Dat is de consequentie van het didactisch doel: de platen moeten helder en duidelijk zijn. Daarom zijn op de platen ook nauwelijks licht-donker effecten te zien.

 

Boekillustraties

De eerste boekillustraties van Isings waren tekeningen bij De overwinnaar van Nooitgedacht (1903). Het boek was een bundeling van de afleveringen van een vervolgverhaal van L. Penning over de Boerenoorlog (1899-1902), verschenen in het christelijke jongerenblad Timotheus. Isings had veel geleerd van illustraties in de kranten. Voor zwart-wit illustraties werkte hij graag met pen, waarvoor hij ook van Jetses later nog adviezen had gekregen. Eerst maakte hij een nauwkeurige potloodschets en daarna tekende hij pas met pen en Oost-Indische inkt. Met hele fijne lijntjes zette hij de figuren en voorwerpen neer. Correcties bracht hij aan met witte verf.

De lijn is bij Isings opgebouwd uit kleine puntjes. S. Bouma (Isings bekend en onbekend, 1984) citeert Isings, als hij schrijft: ‘Er is maar een bron, de lijn. En in de ruimte die vol lucht is, trilt de lijn mee.’ Dat meetrillen van de lijn trachtte Isings te suggereren door het stippelen van die lijn. Grijstinten gaf hij weer met veel kleine lijntjes, streepjes en stippeltjes. Een enkele keer gebruikte hij een filmraster. De gedetailleerde tekeningen zijn vaak te klein afgedrukt om echt tot hun recht te komen. Gedetailleerd zijn bijvoorbeeld de plaatjes voor de geschiedenisboeken die Wolters uitgaf, zoals een deel uit de serie Uit vroeger eeuwen (1918) van J.W. de Jongh en A.G. van Poelje en drie delen Feiten en verhalen (1931) van J.G. Kramer en J. van der Klei. In een plaat in één van deze delen laat hij de kleine jongen Michiel de Ruyter zien, die vanaf het haantje van de kerktoren verlangend uitkijkt over de wijde zee. Hoe Isings ruimte kan scheppen in een zeegezicht, is ook te zien in de grote platen bij de trilogie van J.H. Been, De drie matrozen van Michiel de Ruyter (1907), Paddeltje. De scheepsjongen van Michiel de Ruyter (1908) en het vervolg daarop De schatten van Il Tigretto (1921). Zelfs in de kleinste plaatjes kon hij een suggestie van ruimte brengen. Hoewel hij de historische werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk weergaf, ging het hem vooral om de sfeer. De wolkenluchten boven de zee, schepen en vergezichten verbeeldde hij ook in Keteltje in de lorzie (1922) en Keteltje in het veerhuis (1923) van Cor Bruijn.

In de jaren twintig tekende Isings met veel streepjes en haaltjes en zette hij zijn contouren sterk aan. Daardoor kregen de gezichten volgens Jacqueline Burgers soms iets griezeligs (Brood op de leesplank, 1977). Willem de Mérode liet om die reden aan de uitgever weten dat hij voor zijn serie leesboekjes Goede vrienden (1922-1923) liever een andere tekenaar wilde. De meeste auteurs waren heel tevreden met zijn werk. De goede samenwerking met W.G. van de Hulst begon met een verhaal dat in de Tachtigjarige oorlog speelt: Willem Wijcherts (1909), gepubliceerd onder het pseudoniem Jan van de Croese. Daarna illustreerde hij veel van de bekend gebleven leesboeken en zondagsschoolboekjes van Van de Hulst. Isings tekende echte persoonlijkheden. Toch kreeg hij soms de kritiek dat zijn werk zo koel was, zeker in vergelijking met Jetses.

Opvallend door de expressie van de gezichten zijn de illustraties in de drie ‘Vlaamse’ boeken van Jan Veltman, waaronder De Vlaamsche stoelenmatter (1914). In ander werk voor volwassenen, met name in de jaren dertig, zijn de tekeningen als geheel opener en de contouren steviger, waardoor er meer rust uitgaat van de afbeeldingen en de emoties sprekender zijn. Minder vol en gedetailleerd zijn de platen voor een bijbelbewerking van Van de Hulst, Bijbelsche vertellingen voor onze kleintjes (1926), waarin ook sfeervolle silhouetten opgenomen zijn.

Het illustreren van bijbelse taferelen was werk waarbij Isings zich vanuit zijn diepe geloofsovertuiging sterk betrokken voelde. In De bijbel behandeld voor jonge mensen (1949-1952) van Wolf Meesters staan de aquarellen en tekeningen die hij gemaakt had voor een afzonderlijke uitgave van bijbelse platen. Het schilderachtige effect van de zwart-wit tekeningen bereikte hij door met penseel te tekenen in gewassen inkt; daarbinnen bracht hij contrasten en accenten aan met de pen. Het was voor hem een teleurstelling dat zijn aquarellen en gewassen tekeningen alleen verkleind werden opgenomen.

De platen in Livius' Ab urbe condita gaf hij een zachte fluwelige toon door met sepia, de bruine inkt van de inktvis, te werken. Die techniek had hij ook toegepast in verschillende schoolboekjes, waaronder Het ruisende woud (1931-1933). Voor zes delen van deze uitgave heeft Isings alle 300 illustraties verzorgd; Jetses illustreerde de andere delen. Hoewel het eenvoudige schooluitgaven zijn van een klein formaat, heeft Isings er gevarieerde leesboekjes van gemaakt met kleine tekeningetjes tussen de tekst, enkele silhouetten, vignetjes en een aantal grote platen in gewassen inkt.

Meestal ontwierp Isings zelf de banden van de boeken waarvoor hij de platen had getekend. Als dat een keer niet het geval was, bijvoorbeeld bij de uitgave van de platen in De bijbel behandeld voor jonge mensen (1949-1952), was dat voor hem een teleurstelling, maar toonde hij begrip voor de beslissing van de uitgever.

 

Waardering

Alfred Kossmann die in Isings, realist van de verbeelding (1973) schreef over Isings betekenis voor het onderwijs, stelde vast dat hij altijd zichzelf gebleven is, zowel in zijn persoonlijk leven als in zijn geloofsovertuiging en manier van werken. Echte leerlingen heeft hij niet gehad. Wel heeft hij de tekenaar Henk Poeder op weg geholpen toen die begon te illustreren, door hem aanwijzingen en adviezen te geven, zoals hij ook deed voor Jan Veenendaal. Isings werd in zijn tijd geprezen om zijn zorgvuldigheid en de bruikbaarheid van zijn platen en tekeningen voor het onderwijs. Later kwamen er kritische geluiden. Rik Vos (De geschiedenis gekleurd, 1982) wees erop dat zijn voorstellingen vaak geïdealiseerd zijn. Zelfs op de plaat van Napoleon bij Moskou is niets van de ellende te zien.

Isings wandplaten zijn nog lang veel gebruikt in het onderwijs. Pas eind jaren zestig raakten ze geleidelijk in onbruik, maar nog steeds zijn er scholen die met de platen werken. Het gesprek met Jan Niemeyer, opgenomen voor de Evangelische Omroep (15 januari 1976) ging speciaal over Isings' schoolplaten, die in het begin van de jaren tachtig opnieuw waardering kregen. H.F. Grondijs (De geschiedenis gekleurd, 1982) ziet ook in het onderwijs van nu een rol voor de historische wandplaat naast andere leerlingenmaterialen. Als introductie voor een onderwerp - bijvoorbeeld de ontdekking van Amerika - of uitgangspunt voor een opdracht die de kinderen zelfstandig moeten uitvoeren. Rudy Kousbroek (Is het zoo geschied?, 1995) betreurt het verdwijnen van de platen uit de schoollokalen; er is volgens hem niets voor in de plaats gekomen. In Historisch Tableau (1998) zijn zowel oude als nieuwe schoolplaten opgenomen. Schrijvers werd gevraagd een essay te schrijven over een door hen zelf gekozen historisch moment. De tekenaars die nieuwe platen tekenden, kregen al werkend steeds meer bewondering voor hun voorganger. In de inleiding op dit boek pleit Frits van Oostrom voor een hernieuwd gebruik van de schoolplaten, ook voor mensen die - buiten de schoolbanken - geïnteresseerd zijn in de geschiedenis. Ook nu nog valt op met hoeveel vakkundigheid een plaat als Sprooksprekers in de ridderzaal (1968) getekend is. Historisch klopt alles.

Tentoonstellingen van Isings werk zijn onder meer gehouden in Soest (1984 en 2002) en in het Veluws Museum Nairac in Barneveld (2000); niet alleen van zijn schoolplaten maar ook van zijn tekeningen, schetsen, boekillustraties en vrij werk.

Dat Isings door zijn wandplaten en illustraties voor zoveel scholieren het beeld van de geschiedenis heeft bepaald, blijft zijn grote verdienste