De jaren 50

 

De jaren vijftig van de twintigste eeuw waren de afgelopen decennia weinig populair. Deze periode werd gezien als een saaie tijd van hard werken en weinig veranderingen. De maatschappij was strak georganiseerd en het gezag van de overheid en het eigen kerkgenootschap was nog onaantastbaar.

 

Veel gezinnen leefden in bittere armoede, de oorlogsjaren nog vers in het geheugen en de portemonnee nog even leeg. Een tijd van burgerlijkheid en een benepen moraal aan de ene kant, maar ook een tijd van knusheid en saamhorigheid aan de andere kant. De moraal was streng, en de jeugd van de weeromstuit opstandig, toch moesten ze zich conformeren aan die tijd anders lagen ze eruit ! Huiselijke gezelligheid stond hoog in het vaandel. Het gezin was in die tijd ook werkelijk de hoeksteen van de samenleving. De kinderen werden opgevoed onder het motto: rust, reinheid en regelmaat.

Tussen 1945 en 1950 werd er massaal getrouwd in Nederland. En de pasgetrouwde stelletjes wilden ook graag kinderen. Het gevolg was een enorme geboortegolf: de babyboom (tussen 1946 en 1954 werden twee miljoen kinderen geboren). In de jaren vijftig bloeide het instituut verloving volop, het was in die tijd dat er niet veel geld was dé gelegenheid om dankbaar de cadeaus in ontvangst te nemen voor de uitzet.

Het leven was begrijpelijk en duidelijk maar ook benauwend. Een tijd waarin de handen uit de mouwen werden gestoken om een betere toekomst op te bouwen. De meeste mensen hadden de oorlog meegemaakt en kenden de ellende van de depressie uit de jaren dertig. Men wilde nu vaste grond onder de voeten krijgen en zekerheid hebben. Het was een tijd van orde, regelmaat en discipline. Willem Drees was een bepalend gezicht voor de Nederlandse politiek in de jaren vijftig.

Na de oorlog was de Nederlandse samenleving verdeeld in vier gescheiden, naast elkaar levende groepen: de katholieken, de protestanten, de socialisten en de liberalen. Iedere groep was een zuil en daarom wordt die verdeling in groepen verzuiling genoemd. De verzuiling was voor de Tweede Wereldoorlog al begonnen. Sommige mensen hoopten dat het na de oorlog zou verdwijnen, maar dat was niet zo. De verzuiling was doorgedrongen tot alle hoeken van de maatschappij. Iedere zuil had bijvoorbeeld een eigen school, een eigen krant, een eigen omroep, een eigen politieke partij. Was je protestant en wilde je bij een sportclub dan moest dat een protestante sportclub zijn, enzovoort. Zelfs in je vrije tijd, die toen nog schaars was, werd je geacht die door te brengen met mensen van je eigen geloofsovertuiging.

 

Een zaak als zondagsrust was in de jaren vijftig een zeer serieuze aangelegenheid. In de tweede Kamer werd in 1953 bij de behandeling van een nieuw wetsontwerp over de zondagsrust heftig gedebatteerd over de vraag of het luiden van kerkklokken op zondag niet in strijd was met de zondagsrust. Een parlementslid vroeg zich sarcastisch af of Abe Lenstra op zondag wel een doelpunt mocht maken, omdat dat gejuich zou oproepen wat in strijd was met de zondagsrust. Een serieuzer gevolg van het strikt vasthouden aan de zondagrust was dat na de watersnoodramp in 1953 de hulpverlening pas laat op gang kwam omdat de ramp op zondag plaats vond.

 

In de eerste naoorlogse jaren leefde bij één op de drie Nederlanders de wens om naar een ander land te emigreren en daar een betere toekomst te vinden. Met het oog op de snelle bevolkingsgroei in Nederland en de daarmee samenhangende problematiek op de arbeidsmarkt speelde de Nederlandse overheid in op deze verlangens door gedurende ruim tien jaar emigratie actief te stimuleren. Bijvoorbeeld: in 1958 vertrok de honderdduizendste Nederlandse emigrant naar Australië. Vooral Australië, Zuid-Afrika en Canada waren populair bij de emigranten. Deze landen waren juist heel dun bevolkt. Maatschappelijke organisaties waren zowel bij de vorming als bij de uitvoering van dit beleid betrokken. Uiteindelijk zouden bijna een half miljoen Nederlanders naar nieuwe overzeese vaderlanden vertrekken in de jaren vijftig.

 

Binnen- en Buitenlandse politiek in de jaren vijftig

Willem Drees (1886-1988) groeide op in Amsterdam. Zijn loopbaan begon als stenograaf. Vervolgens klom hij op van SDAP-wethouder in Den Haag en kamerlid, tot minister en minister-president.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij enige tijd gijzelaar in het kamp Sint Michielsgestel en een centraal figuur in het politieke verzet. Zijn Noodwet Ouderdoms-voorziening 1947 (de voorloper van de AOW) maakte hem erg populair. Ook zijn leiderschap en zijn soberheid droegen daartoe bij. Hij wordt door menigeen beschouwd als een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse politici.

Onder zijn leiding vonden zowel de dekolonisatie van Indonesië als de wederopbouw van Nederland plaats. Drees kreeg als minister-president vanaf 1948 de leiding over kabinetten die te maken hadden met de naweeën van de desastreuze gevolgen van de bezetting. Het beleid richtte zich daarbij op industrialisatie, oplossen van de woningnood, bevordering van export, modernisering en ordening van landbouw en het economische leven, herstel van de betalingsbalans, gezondmaking van de overheidsfinanciën en het stimuleren van emigratie.

Ten tijde van zijn regering kreeg Willem Drees te maken met de Greet Hofmans affaire. Hij aarzelde lange tijd zich te mengen in de ‘privé-problemen’ op het paleis, waar hij zich niet thuis voelde. Noemde Greet Hofmans al in 1951 een ‘Raspoetin’, maar greep niet in.

Drees was een overtuigd sociaaldemocraat, maar hij was wel pragmatisch ingesteld. Van 1904 tot 1946 was hij lid van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij)

Van 1946 tot 1971 van de PvdA (Partij van de Arbeid). In de jaren zeventig brak hij met de PvdA uit onvrede over de koers. Hij sympathiseerde vanaf die tijd met Democratisch Socialisten ’70 (DS’70), maar sloot zich er niet bij aan.  Drees is van grote betekenis geweest voor Nederland en voor de Nederlandse sociaaldemocratie. In de Tweede Wereldoorlog heeft hij een belangrijke plaats ingenomen in het verzet tegen de Duitsers. Drees zal ook blijvend worden herdacht als de premier van de wederopbouw. Zijn sobere karakter paste uitstekend bij een tijd waarbij aan alles tekort was.

Drees ontving het Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw op 22 december 1958, uitgereikt door koningin Juliana persoonlijk. Hij ontving ook de erepenning van ‘s Gravenhage. Voor zijn verzetswerkzaamheden ontving hij van de Amerikaanse regering de ‘Medal of Freedom with bronze palm’ te Den Haag op 8 april 1953. Willem Drees overleed in 1988 op bijna 102-jarige leeftijd.

Nederlandse Kabinetten van de jaren vijftig:

1948-1958   Willem Drees  PvdA

1958-1959   Louis Beel       KVP

1959-1963   Jan de Quay     KVP

Kabinet-Drees I

 

Het Kabinet Drees-Van Schaik (1882-1962) was het Nederlandse kabinet van 7 augustus 1948 tot 15 maart 1951. De ministersploeg bevatte ministers uit vier verschillende partijen, en daarnaast twee partijloze ministers. De coalitie besloeg een 76% meerderheid, zodat de grondwetswijziging die nodig was voor de onafhankelijkheid van Nederlands Oost-Indië ook in tweede aanleg door het parlement gevoerd kon worden. In 1951 leidde uiteindelijk een motie over Nieuw-Guinea tot de val van het kabinet. Er werden geen nieuwe verkiezingen gehouden, maar een nieuwe coalitie werd gevormd met dezelfde partijen.

Kabinet Drees II.

 

Het Kabinet-Drees II was het Nederlandse kabinet van 2 september 1952 tot 13 oktober 1956. Kabinet-Drees II kende twee ministers voor Buitenlandse Zaken.. Dit omdat enkele partijen geen katholiek wensten op die post, aangezien alle andere landen van de Europese Gemeenschap op dat moment ook een katholieke minister van buitenlandse zaken hadden. Men vreesde een te papistisch Europa. Hierom werd gekozen voor een constructie met twee ministers: de partijloze liberaal  Jan Willem Beyen en de KVP-politicus Joseph Luns (1911 – 2002). De laatste had geen portefeuille. De beide ministers konden niet goed met elkaar overweg, en de constructie met twee ministers op deze post werd na 1956 dan ook niet voortgezet.

 

Kabinet Drees III

 

Het Kabinet-Drees III was het Nederlands kabinet van 13 oktober 1956 tot 22 december 1958. De socialistische ministers traden af naar aanleiding van een conflict met de Tweede Kamer over het niet accepteren van de tijdsduur van bepaalde tijdelijke belastingen op 11 december 1958, een kabinetscrisis was geboren. Op 12 december bood het Kabinet zijn ontslag aan. Dit betekende het einde van de rooms-rode samenwerking. Een uitsluitend uit confessionelen bestaand rompkabinet onder leiding van Louis Beel (1902 – 1977) bereidde vervroegde verkiezingen voor.

 

De kwestie Nieuw-Guinea

 

In 1949 was Indonesië onafhankelijk geworden. Toch vond de toenmalige president Soekarno (1901 – 1970) dat het onafhankelijkheidsproces nog niet voltooid was. Hij meende dat ook Nieuw-Guinea bij de Republiek Indonesië hoorde. In Nederland was men het daar helemaal niet mee eens: Nieuw-Guinea was een Hollandse kolonie, en dat moest zo blijven !

In 1950 werd er een conferentie gehouden om de problemen op te lossen. Daar kwam niets uit. Het regeringsbeleid inzake Nieuw-Guinea leidde in 1951 tot een Kabinetscrisis. Op 23 januari 1951 viel het kabinet-Drees/van Schaik, nadat de VVD-fractie met een motie van wantrouwen was gekomen, die was gericht tegen het regeringsbeleid inzake Nieuw-Guinea.

Het feit dat de VVD die motie steunde, was voor VVD-minister Stikker reden om zijn ontslag aan te bieden, en dat leidde tot een kabinetscrisis. De VVD verweet haar eigen minister Stikker dat hij zich in het kabinet niet had verzet tegen het voorstel van minister Van Maarseveen om de soevereiniteit over Nieuw-Guinea over te dragen aan de Nederlands-Indonesische Unie. Nadat pogingen om een vijfpartijen-kabinet te vormen waren mislukt, keerde het kabinet Drees in enigszins gewijzigde samenstelling terug. De kwestie Nieuw-Guinea werd voorlopig ‘in de ijskast’ gezet.

Pas in 1955 kwam de kwestie Nieuw-Guinea opnieuw op de agenda. Minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns zat voor Nederland aan de onderhandelingstafel. Het resultaat van de besprekingen was nog meer ruzie tussen Nederland en Indonesië. Indonesië zette Nederland onder druk door in 1957 alle Nederlandse bedrijven Indonesisch te maken. De nog aanwezige Nederlanders in Indonesië werden het land uit gezet. Het conflict over Nieuw-Guinea sukkelde nog een paar jaar voort. In 1962 kwam er zelfs een mini-oorlog van. President Kennedy (1917 – 1963) van de Verenigde Staten loste uiteindelijk het conflict in het voordeel van Indonesië op. Nieuw-Guinea werd bij Indonesië gevoegd.

 

De Greet Hofmans affaire

Margaretha Hofmans (1894 – 1968) werd in 1894 in Amsterdam geboren. Al op jonge leeftijd verloor zij haar ouders. Zij zocht haar toevlucht tot de theosofie en werd gebedsgenezeres. Na een „roeping” vestigde zij zich in Hattem. Daar won zij het vertrouwen van de adelijke familie Van Heeckeren van Molecaten. Gebedsgenezeres en ‘doorgeefster’ van boodschappen van ‘Boven’. Greet Hofmans werd de vertrouwelinge en steun en toeverlaat van koningin Juliana, die regelmatig om ‘doorgevingen’ vroeg. Hofmans had via de hofhouding nog meer invloed op de koningin.

Prinses Marijke, de jongste dochter van koningin Juliana en Prins Bernhard, had een ernstige oogafwijking.

In het ziekenhuis konden artsen niet veel meer voor haar doen. Vrienden adviseerden prins Bernhard de alternatieve geneeskunst te benutten. Greet Hofmans kreeg daarop in 1948 een uitnodiging om naar het hof te komen. Hofmans won direct het vertrouwen van koningin Juliana. De vorstin trof in haar een gelijkgezinde. Ook zij vond dat als de mensen meer in harmonie zouden leven, er een betere wereld zou ontstaan. Hofmans’ pacifistische ideeën spraken haar erg aan. De koningin en veel hovelingen bezochten regelmatig de pacifistisch getoonzette conferenties op kasteel Het Oude Loo in Apeldoorn.

Prins Bernhard merkte dat de komst van Hofmans geen verbetering bracht bij Marijke. Ook een van zijn paarden kon de gebedsgenezeres niet genezen. De prins verzette zich daarna fel tegen Hofmans’ aanwezigheid op Paleis Soestdijk. De prins ontzegde haar de toegang, waarop Juliana een ander onderkomen voor haar regelde. De prins vreesde daarnaast dat de goede contacten met de Verenigde Staten door de invloed van Hofmans onder druk zouden komen te staan. Het huwelijk van het echtpaar dreigde stuk te lopen. Het paleis werd verdeeld in twee kampen: de koningin en haar naaste omgeving versus prins Bernhard en zijn (oudste) dochters. De koningin wilde haar man het paleis uitzetten.

29 juni 1956

In het buitenland deden geruchten de ronde over een op handen zijnde aftreden van Koningin Juliana ten gunste van Beatrix en een mogelijke scheiding tussen Juliana en Bernhard. De inhoud van de Oude Loo conferenties baarde de regering zorgen. Prins Bernhard stapte uiteindelijk naar premier Drees. De premier wilde een echtscheiding voorkomen. De ernst van het conflict drong aanvankelijk niet door tot de Nederlandse bevolking. De media zwegen erover totdat er in 1956 in het Duitse blad Der Spiegel een artikel over de affaire verscheen. Prins Bernhard bleek -zo gaf hij in 2004 toe- de schrijver van informatie te hebben voorzien.

De regering benoemde in reactie op de ontstane onrust en op verzoek van het echtpaar een commissie van wijze mannen: oud-premier Beel, oud-premier Gerbrandy en oud-gouverneurgeneraal Tjarda van Starkenborg Stachouwer. De mannen brachten op 24 augustus 1956 hun rapport uit. Wat voor advies de commissie gaf is nog geheim. Destijds kwamen drie belangrijke conclusies naar buiten: de koningin zou alle contacten met Greet Hofmans verbreken en alle Hofmans-aanhangers om haar heen ontslaan, koningin Juliana zou niet meer naar de bijeenkomsten op Het Oude Loo gaan en prinses Beatrix zou in Leiden gaan studeren en niet direct de troon bestijgen, zoals was geopperd. Voor het oog sloten de gelederen zich weer.

Greet Hofmans en ook de mensen in de hofhouding die achter haar stonden, verlieten Soestdijk. Hofmans en Juliana zagen elkaar daarna nooit meer, maar bleven elkaar wel schrijven.nDoor de geheimzinnigheid van officiële zijde en de zelfcensuur van de Nederlandse pers is de Greet Hofmans affaire een eigen leven gaan leiden. Sommigen zijn van mening dat de affaire in feite een maskering was van een dreigende echtscheiding van het koninklijk paar. Door de publicatie (november 2008) van Fasseur (“Juliana & Bernhard, Verhaal van een huwelijk 1936-1956”) die het Koninklijk Huisarchief als bron mocht gebruiken, is gebleken dat het conflict waarschijnlijk escaleerde door het dreigen met echtscheiding door Juliana.

 

In 1956 beleefde Nederland zijn langste kabinetcrisis in zijn staatkundige geschiedenis. Vier maanden lang, van 14 juni tot 12 oktober, hebben achtereenvolgens dr. Drees, prof. Romme, prof. Lieftinck, prof. De Gaay Fortman, de heer Burger en wederom dr. Drees gesleuteld aan de samenstelling van een kabinet op brede basis. Dank zij een door de heer Burger van de PVDA opgestelde tussenoplossing werd tenslotte de tweede poging van dr. Drees met succes bekroond. Mej. Dr. M.A.M. Klompé kreeg de portefeuille van maatschappelijk werk en werd daarmee de eerste vrouwelijke minister in de geschiedenis van Nederland.

 

Politieke partijen

 

CHU

Oprichter Jhr. A.F. de Savornin Lohman (1837 – 1924)   e.a.  De Christelijk-Historische Unie was een Nederlandse, protestants-christelijke politieke partij, opgericht in 1908, die vooral aanhang had onder Nederlands-Hervormden. De CHU baseerde zich op Bijbelse grondslagen in protestantse zin, waarbij de Overheid als dienares van God wordt beschouwd. Niet alleen de Bijbel, maar ook de historische ontwikkeling van de staat moest een rol spelen bij het bestuur. De CHU hechte daarom zeer aan de band met het Huis van Oranje en gold als één van de meest koningsgezinde partijen. Op 13 september 1980 gefuseerd met andere partijen tot het CDA.

 

ARP

De Anti-Revoluitionaire Partij werd in 1879 opgericht door Abraham Kuyper (1837 – 1920). Zij was de eerste nationale politieke partij. De ARP was een christen-democratische, protestantse partij. Van 1918 tot 1959 was de ARP de derde partij van het land. De ARP baseerde zich op Bijbelse normen volgens de protestantse leer. Volgens de anti-revolutionaire opvattingen ging het overheidsgezag uit van God en niet van de mensen. De partij was voorstander van een door het Huis van Oranje geregeerd Nederland met een sterk gezag en een overheid die toeziet op handhaving van goede zeden en openbare orde. De ARP was steeds voorstander van een  krachtige defensie. Bekende ARP-politici waren Kuyper, Talma, Heemskerk, Colijn, Gerbrandy, Schouten, Zijlstra, Biesheuvel en Aantjes. Op 13 september 1980 gefuseerd met andere partijen tot het CDA.

 

SGP

De Staatkundig Gereformeerde Partij werd op 24 april 1918 in Middelburg opgericht. Als kleine, getuigende orthodox-protestantse politieke groepering vertolkt de partij een authentiek geluid in ons staatsbestel. Hoewel veel van haar standpunten slechts door een kleine minderheid worden gedeeld, is daarvoor wel altijd respect in de samenleving. Deels is dat te verklaren doordat vaststaat dat de voorstellen van de SGP toch weinig kans zullen maken. Deels komt dat ook omdat de SGP steeds beschikte over gedegen en minzame volksvertegenwoordigers. De SGP wilde een strikt volgens Bijbelse normen geregeerd, protestants Nederland. Het politiek bondgenootschap van ARP en de Katholieken werd afgewezen. Het katholicisme werd beschouwd als ‘afgoderij’ en ‘een valse godsdienst’, die door de overheid moest worden geweerd en bestreden.  P. Zandt (1880 – 1961) was lijsttrekker in 1952, 1956 en 1959

 

Boerenpartij

Oprichter van de Boerenpartij was Hendrik Koekoek (1922 – 1987), sinds 1946 voorzitter van de door hem opgerichte Vereniging van Bedrijfsvrijheid in de Landbouw. Deze vereniging, die zich ook wel de ‘Vrije Boeren’ noemde, verzette zich tegen de bemoeienis van de overheid met de landbouw, onder andere via het Landbouwschap. De Boerenpartij was een belangenpartij. De partij werd opgericht in 1958 als voortzetting van de ‘Vrije Boeren’. De partij maakte nooit deel uit van de regering. Bekende personen binnen de Boerenpartij waren Hendrik Koekoek en Evert Jan Harmsen, die na een ruzie met boer Koekoek uit de partij stapte en een eigen fractie begon, de Groep Harmsen.

 

KVP

De Katholiek Volkspartij was een christen-democratische partij, die, hoewel zij voor iedereen openstond, vrijwel uitsluitend aanhang had onder de katholieken. De KVP speelde tussen 1946 en 1971 een leidende rol in de Nederlandse politiek. De KVP baseerde zich op Bijbelse normen volgens de katholieke leeropvatting. De taak van de overheid werd grotendeels als aanvullend beschouwd, met name op economisch gebied. Particulier initiatief diende voorrang te hebben boven staatsbemoeienis. De KVP streefde naar bezitsvorming door gezinnen, onder meer door bevordering van eigenwoningbezit, sparen, kinderbijslag, en door belastingverlaging en een goede sociale zekerheid. Op 13 september 1980 gefuseerd met andere partijen tot het CDA.

 

De KVP-ministers Klompé en Veldkamp speelden een belangrijke rol bij de opbouw van de sociale zekerheid. Op internationaal gebied was de KVP  voorstander van de samenwerking in de NAVO en van Europese samenwerking. De KVP was lang de grootste partij van het land. Alleen in 1956 werd zij door de PvdA van Drees overvleugeld. Met Drees was KVP-voorman Romme (1896 – 1980) de leidinggevende figuur van de Nederlandse naoorlogse politiek. Romme bleef echter buiten het kabinet. Bekende personen in de KVP waren Romme, Beel, Klompé, Cals, Luns, Schmelzer, Andriessen en Van Agt.

Marga Klompé

 

Dr. Margaretha Albertina Maria Klompé (1912 – 1986) was een Nederlands politica. Doortastend politiek zwaargewicht in de KVP. Vertrouwelinge van Romme, die als Tweede Kamerlid buitenlandwoordvoerder van haar fractie was, met belangstelling voor de Europese samenwerking. Volgde in 1956 Van Thiel op als minister van Maatschappelijk Werk. Bracht in 1963 de Algemene Bijstandswet tot stand. Loodste in 1966 als minister van Cultuur de Omroepwet door het parlement. Vormde in het kabinet-De Jong in haar eentje op de linkervleugel een essentiële steunpilaar.

Vrouw met veel gezag in het parlement, die door haar mannelijke collega’s vaak vriendschappelijk werd geplaagd om de grote ernst waarmee zij haar taken uitvoerde.

Marga was aanvankelijk docente scheikunde en op dat terrein gepromoveerd. Actief in het verzet als koerierster. In 1956 werd ze de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Ze is nog steeds de enige vrouwelijke minister van staat. Ze werd geroemd als een doortastend politiek zwaargewicht in de KVP. Zo bracht ze in 1963 de Algemene bijstandswet tot stand.

Jan de Quay (1901 – 1985)

 

Van 5 april tot 23 juni 1945 was hij minister van Oorlog in het Tweede kabinet-Gerbrandy. Willem Drees wilde De Quay echter niet in zijn kabinetten hebben vanwege diens omstreden oorlogsverleden. Van 1946 tot 1959 was De Quay Commissaris van de koningin in de provincie Noord-Brabant. Van 1959 tot 1963 was Jan de Quay  Nederlands minister president en minister van Algemene zaken in het kabinet dat zijn naam droeg. Na twaalf jaar rooms-rode coalitie was dit het eerste naoorlogse liberaal-confessionele kabinet. Tijdens dit kabinet stegen de salarissen explosief en kregen degenen die de economische wederopstanding van Nederland mogelijk hadden gemaakt eindelijk loon naar werken.

 

PvdA

Op 9 februari 1946 werd de Partij van de Arbeid opgericht. Die kwam voort uit een samensmelting van SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie (CDU), aangevuld met individuele katholieken, en leden van CHU en ARP.  De PvdA is enkele malen de grootste partij van het land geweest en haalde enkele malen eenderde van alle zetels. Daardoor speelde zij, zowel in de regering als in de oppositie, een belangrijke rol in de Nederlandse naoorlogse politiek. Vanaf haar oprichting is de PvdA sterk voorstander van Europese samenwerking geweest. Vooral M.Van der Goes van Naters en Nederhorst, die beiden deel uitmaakten van het eerste Europese Parlement, waren daarvan pleitbezorger. Vanaf 1958 speelde Sicco Mansholt als Europees Commissaris voor de Landbouw een prominente rol bij het tot stand brengen van een Europees Landbouwbeleid.

Sicco Mansholt (1908 – 1995)

 

Mansholt nam deel aan zes regeringen: Schermerhorn- Drees in 1945; Beel in 1946; Drees-Van Schaik in 1948, en nog drie kabinetten Drees: kabinet Drees I in 1951, kabinet- Drees II in 1952 en kabinet-Drees III in 1956. In 1958 werd Mansholt een van de commissarissen van de pas opgerichte Europese Commissie en werkte hij als land-bouwcommissaris aan de modernisering van de Europese landbouw. Mansholt was de geestelijk vader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid. Subsidiëring van de landbouw vormde voor Mansholt een oplossing voor het traditionele socialistische vraagstuk tot welke klasse de agrarische bevolking behoort.

 

VVD

De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie werd in 1948 opgericht als een organisatorische voortzetting van de Partij van de Vrijheid. Met de komst van enkele oud-leden van de Vrijzinnige Democratische Bond vanuit de PvdA, die zich in de PvdA niet thuis voelden, werd het behoudend liberalisme nieuw leven ingeblazen. Eén van de oud-VDB’ers was Pieter Oud, die ook de eerste partijvoorzitter en fractieleider werd van de VVD. Als partijvoorzitter en fractievoorzitter groeide Oud al snel uit tot de politiek leider van de partij. Onder zijn straffe leiding vertoonde het zeteltal van de VVD tot het einde van de jaren 50 een opwaartse koers.

Het aantal zetels bedroeg zelfs 19 zetels in 1959. Bij de oprichting speelde verder D.U. Stikker een belangrijke rol. De VVD  is een liberale partij.  In het beginselprogramma van de VVD staat dat de partij de individuele vrijheid zeer belangrijk vindt en dat de staat zich niet dient te bemoeien met de individuele vrijheden van haar burgers. De overheid dient wel te zorgen voor de veiligheid van haar burgers. De VVD nam van 1948-1952 deel aan de brede basiskabinetten-Drees I en Drees 2. Van 1952 tot 1959 verkeerde de VVD in de oppositie, maar daarna zaten ze continu in de regering tot 1973. (met uitzondering van 1965-1967).

P.J. Oud (1886 – 1968)

Staatsrechtgeleerde en voorman van de VDB en de VVD, richtte met Stikker in 1948 de VVD op. Oud werd daarvan de onbetwiste politieke leider. Sprak met een wat hoge, zachte stem, maar had in de Kamer veel gezag door zijn kennis van het staats- en parlementsrecht. Hij kon overigens ook vilein uit de hoek komen en gold als autoritair.

P.J. Oud schreef enkele standaardwerken over de parlementaire  geschiedenis.

 

PSP

De Pacifistisch-Socialistische Partij, opgericht in 1957 door onder andere Frad van der Spek (13 december 1923 – 23 november 2017), was een pacifistische partij, die tevens streefde naar hervorming van de maatschappij in socialistische zin (pacifisme = vredelievendheid, afwijzing van geweld). Tot het midden van de jaren zestig kenmerkte de PSP zich door een ethisch bevlogen pacifisme (ethisch, behorende tot de ethiek, moraal-filosofie). Daarnaast ontwikkelde de partij zich meer en meer tot de partij van de buitenparlementaire actie. De PSP had van 1959 tot 1989 doorlopend enkele zetels in de Eerste en Tweede Kamer. De partij maakte steeds deel uit van de oppositie. In 1990 fuseerde de partij met CPN, EVP en PPR tot GroenLinks.

 

Fred van der Spek

Henk Lankhorst (1914 – 1976)

Een PSP’er die afkomstig was uit de kring van de vooroorlogse CDU en in de jaren zestig hét gezicht van zijn partij was. Medeoprichter van de PSP. Maakte vanaf 1959 deel uit van de PSP-Tweede Kamerfractie en werd daarvan in 1962 voorzitter. Plichtsgetrouw en nauwgezet; beminnelijk in de omgang en daardoor, ondanks zijn radicale standpunten, gewaardeerd door zijn collega-Kamerleden. Was een goed organisator. Kreeg later in zijn partij het verwijt dat hij niet fel genoeg was. Bedankte voor het Tweede Kamerlidmaatschap en stapte in 1969 over naar de Eerste Kamer.

 

CPN

De Communistische Partij Nederland was een voortzetting (1935) van de Communistische Partij Holland (CPH) die op haar beurt in 1918 was voortgekomen uit de Sociaal Democratische Partij (SDP). Deze was in 1909 ontstaan door een scheuring in de SDAP waarbinnen een groep revolutionaire marxisten zich afscheidde. In 1919 sloot de Communistische Partij zich aan bij de Komintern, de overkoepelende internationale communistische organisatie.

Van 1938 tot 1968 was de stalinist Paul de Groot de leider van de partij die lange tijd sterk onder de invloed van Moskou stond. De CPN was een communistische partij.

In haar beginselprogramma stond onder meer dat het kapitalistisch stelsel vrijwel bankroet was en dat niets de overwinning van de werkers nog kon tegenhouden. De partij streed voor hogere lonen en lagere prijzen, tegen de toenemende macht van monopolies en voor de vernieuwing van de democratie. Zij wees de Nederlandse dekolonisatiepolitiek in Nederlands-Indië af en steunde dienstweigeraars.

De CPN had na de Tweede Wereldoorlog veertig jaar lang (tot 1986) doorlopend enkele zetels in de Eerste en Tweede Kamer, met een hoogtepunt van tien Tweede Kamer zetels in 1946-1948. De partij maakte altijd deel uit van de oppositie

Paul Groot (1899 – 1986)

Paul was de zoon van Jacob de Groot, diamantslijper, en Rachel Sealtiel. Op 28 december 1920 trad hij in het huwelijk met Szajndla Borzykowska, met wie hij een dochter kreeg. Vrouw en dochter werden op 13 november 1942 in Auschwitz-Birkenau vergast. Op 6 november 1951 hertrouwde hij met Eke Bouchina Wilhelmina de Jong. Paul wordt verlegen genoemd, bescheiden. Maar ook een intrigant, een doordrammer, belust op macht. Paul de Groot, leider van de CPN, de Communistische Partij Nederland, van 1938 tot 1977. Bijna 40 jaar heeft hij er de touwtjes in handen. Zijn meest bekende bijnaam: Stalin aan de Amstel. Hij blijft een overtuigd aanhanger van Stalin, ook nadat deze in 1956 de Sovjet-Unie in ongenade is gevallen.

 

Van Chroesjtsjov moet De Groot weinig hebben, al is hij wel zo slim om zich te blijven verzekeren van steun uit Moskou. Met die steun weet hij ook alle stormen in de CPN te overleven.  In de Koude Oorlog werden communisten vaak gezien als ‘landverraders’, mensen die klaar staan om de Sovjet-Unie te helpen bij een aanval op het kapitalistische Westen. Vele CPN-ers vermoeden terecht dat ze dag en nacht worden afgeluisterd door de BVD, de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Het maakt ze voorzichtig in contacten met andersdenkenden. Buiten de communistische familie is er geen leven. Dat hoeft ook niet, want de CPN is meer dan een politieke partij.

Gerben Wagenaar (1912 – 1993)

Gerben Wagenaar had zich in 1953 aangesloten bij de CPN. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde hij een dusdanige rol in het verzet, dat hij na de bevrijding een ministerschap zonder portefeuille kreeg aangeboden. Wagenaar weigerde en werd naast algemeen secretaris Paul de Groot de tweede man van de CPN.

Hij was fractieleider tot 1952. In 1958 werd hij met enkele medestanders uit de partij gezet wegens oppositie tegen de autoritaire de Groot.

 

Een greep uit de Buitenlandse politiek

1950

In Korea breekt oorlog uit. Noord Korea valt zonder waarschuwing Zuid-Korea binnen. Bij Inchon in Korea gaan 40.000 militairen van de Verenigde Naties aan land en zorgen voor een ommekeer in de Korea-oorlog.

In oktober vallen Chinese troepen Tibet binnen. In November voegen de Chinese-communistische troepen zich bij de strijdkrachten van Noord Korea.

In december wordt door president Truman (1884 – 1972) van de VS de noodtoestand uitgeroepen i.v.m. de toestand in de wereld (het communisme rukt gevaarlijk op).

1951

Op zaterdag 12 mei 1951 wordt in de buurt van het atol Eniwetok in de Stille Oceaan door de Amerikanen voor het eerst een waterstofbom (H-bom) tot ontploffing gebracht. 

Hier wordt de kiem gelegd voor het verzet tegen atoomwapens.

 

Op 31 januari 1951 verminderde de Geallieerde Hoge Commissaris John McCloy verschillende straffen die uitgesproken ware in het Neurenberg proces.

Van diegenen die ter dood veroordeeld waren, werden slechts 12 doodstraffen uitgevoerd. Elf werden omgezet naar gevangenisstraffen en een persoon werd er uitgeleverd aan België, en een persoon werd er uitgeleverd aan België, waar hij in gevangenschap stierf. In juni worden de laatste doodvonnissen als gevolg van de processen in Neurenberg voltrokken.

1952

In Kenia slaat de Mau Mau om zich heen. Mau Mau is de naam van een guerrillabeweging die tussen 1952 en 1960 actief was in Kenia, en die zich richtte tegen de Britse koloniale overheersing. Een belangrijk onderdeel van de strategie was het zaaien van angst onder de aanzienlijke groep blanke kolonisten door het plegen van gewelddadige overvallen op afgelegen boerderijen en andere ‘zachte doelwitten’. Hierdoor verliet een groot aantal blanken het land.

Dwight D. Eisenhower (1880 – 1969), voormalig opperbevel-hebber der geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog, wint op 4 november 1952 de presidentsverkiezingen in de VS.

In Oost-Berlijn komen arbeiders in opstand tegen het Communistische bewind.

1953

Op donderdag 5 maart 1953 overlijdt Jozef Stalin. Een staatsman die geen tegenspraak tolereerde. Jozef Stalin (1879 – 1953) was een kwart eeuw dictator van de communistische Sovjet-Unie. Onder zijn bloedige heerschappij werd het land een wereldmacht.

 

1954

Abdel Nasser (1918 – 1970) wint de machtsstrijd in Egypte.

Bij een actie tegen de Mau Mau wordt meer dan een kwart van de zwarte bevolking van Nairobi in Kenia  opgepakt en in kampen ondergebracht. Tevens wordt het kopstuk van de Mau Mau, Itote, gearresteerd.

 

1955

Een belangrijke dag voor de Spaanse monarchisten. Op 18 januari 1955 arriveerde per trein uit Lissabon prins Juan Carlos, oudste zoon van Don Juan en kleinzoon van de laatste Spaanse koning, Alfonso XIII. Prins Juan Carlos, wel genoemd als de vermoedelijke troonopvolger keerde naar Spanje terug om er een militaire opleiding te volgen. In 1962 trad hij in het huwelijk met prinses Sophia van Griekenland.

Op 11 mei begon in de Poolse hoofdstad Warschau een conferentie van de Sovjetunie en zeven Oost-Europese landen, welke heeft geleid tot de oprichting door die landen van een Oost-Europese defensie-organisatie.

De Chinese volksrepubliek, toen nog goede maatjes met Rusland, was op de conferentie aanwezig. Generaal Peng Tehloeai, toenmalig minister van defensie, verklaarde onder andere, dat het heldhaftige, zeshonderd miljoen zielen tellende Chinese volk de Oost-Europese landen onverwijld te hulp zou snellen, als zijn door ‘imperialisten’ zouden worden aangevallen.

Oostenrijk wee onafhankelijk. Op 15 mei 1955 vond in het slot Belvédère door de ministers van buitenlandse zaken van de Sovjetunie, Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten en van Oostenrijk zelf, de ondertekening plaats van het staatsverdrag, waardoor Oostenrijk na zeventien jaar bezetting weer een onafhankelijk, soevereine staat werd.

Op dinsdag 5 april 1955 diende sir Winston Churchill (1874 – 1965) bij koningin Elizabeth zijn ontslag in. Hij werd daags daarna in zijn hoge functie opgevolgd door sir Anthony Eden, die tot dan toe minister van buitenlandse zaken was geweest.

 

Een groot probleem voor de Franse regering was in 1955 ongetwijfeld het internationale aspect van de Algerijnse kwestie. Het succes van de Marokkaanse en Tunesische bevolking bij hun poging hun land vrij te maken van de Franse bevoogding, werkte aanstekelijk op de Algerijnse inheemsen, die steeds driester van hun verzet begonnen blijk te geven. Op 1 april 1955 kondigde de Franse regering de noodtoestand af voor een deel van Algerije voor een bepaalde periode. Het gebied in Algerije waar de opstandelingen de scepter zwaaiden breidde zich steeds verder uit. Eind 1955 hadden de Franse circa tweehonderdduizend militairen in het naar zelfstandigheid strevende rijksdeel in Afrika.

In september kwam er een eind aan het bewind van de Argentijnse president Juan Peron (1895 – 1974). De maanden ervoor en ook reeds in 1954 had de dictator strijd gevoerd tegen de kerk en bepaalde groepen uit vloot en luchtmacht. Tenslotte ontaarde de strijd in een revolutie, die in  de nacht van 15 op 16 september in het zuiden begon.

Op 19 september trad Peron af en vluchtte op een in de haven gelegen Paraguayaans schip. Tot zijn opvolger werd enkel dagen later Eduardo Lonardi benoemd.

 

1956

Een dramatische periode uit de Hongaarse geschiedenis. De jarenlange moeilijkheden bij de wederopbouw van dit, in de Tweede Wereldoorlog zwaar gehavende land, de politieke en culturele knechting en de economische uitbuiting door Rusland, wekten zoveel rancune dat het op 23 oktober 1956 tot een openlijk verzet kwam. Op 1 november trokken Russische troepen in grote getale het land binnen en er ontbrandden, verbitterde gevechten, die meer dan twee weken duurden en waarbij onvoorstelbare schade werd aangericht. Duizenden Hongaren vluchtten met hun gezinnen naar het westen. Velen van hen ontkwamen daardoor aan arrestatie en terechtstelling. Overal in het westen wekte het Russische optreden een golf van verontwaardiging. Pas omstreeks half november keerde de ‘rust’ geleidelijk aan weer terug in Hongarije.

Oprichting E.E.G (Europese Economische Gemeenschap). 25 maart 1956 is een belangrijke dag voor de eenwording van Europa. De ministers van buitenlandse zaken van West-Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Luxemburg en Italië zetten op 25 maart in Rome hun handtekening onder het E.E.G. verdrag.

Inhoud van het verdrag: een nauwere aaneensluiting van de volkeren waarbij de welvaartsbronnen worden gecoördineerd, een bevordering van de economische en sociale vooruitgang, een verhoging van de levensstandaard en verbetering van de arbeidsvoorwaarden, het wegnemen van internationale handelsbelemmeringen en versterking van de band tussen Europa en de overzeese gebiedsdelen. Het EEG-Verdrag werd op 1 januari 1958 van kracht. Deze landen hadden eerder de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht.

Het besluit op 18 oktober 1956 van de Arabische Liga tot vergroting van de hulp aan Jordanië was er de oorzaak van dat ook Israël betrokken raakte bij het Suez conflict. Op 29 oktober vielen Israëlische troepen de Egyptische Sinai woestijn binnen. Toen een door Engeland en Frankrijk opgesteld ultimatum tot staking van de vijandelijkheden door president Nasser werd verworpen, opende de Brits-Franse lucht – en zeestrijdkrachten aanvallen op Egyptische doelen. De gevechten duurden slechts twee dagen, maar pas na de komst van politiemacht van de V.N. trokken de Brits-Franse troepen zich uit Egypte terug.

 

1957

Onrust in Jordanië. Nadat op 10 april 1957 op last van koning Hoessein de pro-sovjetregering was afgetreden, braken er weldra in Jordanië felle gevechten uit tussen westersgezinde en linkse groeperingen. Op 25 april werd er een nieuwe regering gevormd uit gematigde pro-westerse politici en kondigde de koning de staat van beleg af. Tegen de linkse nationalisten werden strenge maatregelen genomen.

Na 170 jaar koloniaal bewind werd op 31 augustus 1957 Malakka een onafhankelijke staat binnen het Britse Gemenebest. Staatshoofd van de Maleise Federatie, die uit negen sultanaten bestaat, werd sir Abdoel Rahman.

 

Op 25 juli werd de Noordafrikaanse staat Tunesië door de wetgevende vergadering uitgeroepen tot republiek. Dat betekende tevens het einde van de 250 jaar oude monarchie.

Tot eerste president werd benoemd Habib Bourguiba (1903 – 2000). Het jaar daarvoor had hij bij de Franse regering volledige zelfstandigheid van zijn land weten te bewerkstelligen.

 

1958

Nadat reeds in juni Malenkof, Kaganowitsj, Molotof en Sjepilof uit hun partijfuncties waren gestoten en naar afgelegen oorden waren verbannen, verdween op 27 maart 1958 plotseling ook Boelganin van het politieke toneel. Hij werd vervangen door Chroesjtsjov, die daarmee zowel partij- als regeringsleider was geworden. 

We zullen ons niet scheren, voordat we het dictatoriale bewind  van president Batista (1901 – 1973) omver hebben geworpen”, had de Cubaanse rebellen-leider Fidel Castro gezegd.

In april 1958 kondigde de opstandelingen de totale oorlog tegen Batista aan. Eind december ontbrandde bij Santa Clara de beslissende strijd, die op de eenendertigste leidde tot de uittocht van Batista’s aanhangers en op 1 januari 1959 tot de vlucht van de president zelf. 

 

Charles de Gaulle (1890 – 1970) als redder in nood in de Frans-Algerijnse crisis. Op 15 mei 1958 verbrak De Gaulle na drie jaar zijn stilzwijgen en verklaarde zich bereid de macht in de Franse republiek op zich te nemen. Na de putsch op 13 mei in Algiers van de revolutionairen kreeg hij de wind in de zeilen. Op 2 juni maakte De Gaulle een nieuw kabinet bekend en twee dagen later reeds bracht hij een bezoek aan Algiers waar hij op het Forum een grote rede hield. Niet alleen kondigde hij daarin een referendum over een nieuwe grondwet aan, ook stelde hij algemene verkiezingen in het vooruitzicht.

Bij de verkiezingen op 2 september 1958 werd dr. Henri Verwoerd gekozen tot leider van de Nationale Partij van Zuid-Afrika, dit maakte hem automatisch tot premier van de Unie. Over de apartheidspolitiek zei hij: “De politiek van een gescheiden ontwikkeling wil geluk, zekerheid en stabiliteit voor zowel de Bantoes als voor de blanken, met ieder hun eigen thuis, taal en bestuur.” “Deze politiek” aldus dr. Verwoerd, “is gebaseerd op het beginsel, dat alleen op deze wijze de zwakkeren tegen de sterken beschermd kunnen worden en de minderheid zich veilig zal kunnen voelen.  Dr. Verwoerd kwam op 6 september 1966 bij een moordaanslag om het leven. 

Rood China

De maandenlange beschietingen op het nationalistische eiland Quemoi door de kustbatterijen van communistisch China wekte in het najaar van 1958 overal in de wereld grote onrust. De vrees dat Rood China van plan zou zijn om Formosa te veroveren, met alle risico’s voor de wereldvrede, bleek echter ongegrond. Nadat Amerika Tsjang K’ai-sjek (1887 – 1975) te verstaan had gegeven, dat hij niet op steun hoefde te rekenen bij een eventuele vergeldingsactie tegen het Chinese vasteland, kwam er al snel een einde aan de provocaties. 

 

1959

 Mao Tse-Toeng (1893 – 1976)

Begin 1959 trad Mao Tse-Toeng af als president van China. Dit riep in de hele wereld vele vragen op. De werkelijke reden hiervoor werd nimmer onthuld maar het was waarschijnlijk geen andere dan dat Mao, die als partijleider zou aanblijven, meer tijd wenste te hebben voor de verdere uitbouw van de leer van Marx en Lenin, waaraan hij een eigen interpretatie gaf die vaak sterk afweek van die van andere communistische theoretici buiten China. 

Dalai Lama (geb. 1935)

De drieëntwintigjarige Dalai Lama (dit is 1578 de veertienden Dalai Lama en zijn naam is Tenzin Gyatso) vluchtte eind maart 1959 uit zijn paleis in Lhasa, de hoofdstad van Tibet naar India waar hem politiek asiel verleend werd. Op een persconferentie verklaarde hij dat vergaande inmenging van Chinese communisten in de binnenlandse en godsdienstige aangelegenheden van zijn land hem hadden gedwongen te vertrekken. Voor China betekende zijn vlucht een ernstige tegenslag daar men had gehoopt de Dalai Lama voor het communistische karretje te kunnen spannen bij het doorvoeren van de nodig geachte hervormingen in Tibet. 

 

Ceylon

Premier Bandaranaike van Ceylon werd op 25 september 1959 vermoord. De dader was lector aan het college voor inheemse geneeskunde in Colombo. Men vermoedde dat de aanslag een politiek-religieuze achtergrond had. Bandaranaike was zelf boeddhist, maar had geweigerd Ceylon tot een boeddhistische staat te verklaren. Bovendien had hij niet toegestaan dat de westerse geneeskunde in zijn land vervangen werd door de traditionele oosterse geneeswijze.

 

De kwestie Cyprus

Een ernstig meningsverschil tussen aartsbisschop Makarios (1913 – 1977) van Cyprus en de voormalige leider van het Grieks-Cypriotische, Georgeos Grivas (1898 – 1974), verzet liep zo hoog op dat de dreiging van een nieuwe golf van terrorisme op het eiland niet denkbeeldig leek. Dit meningsverschil hield verband met de uitvoering van de Londense overeenkomst welke in het voorjaar van 1959 een einde maakten aan de kwestie Cyprus. Een gesprek tussen Makarios en Grivas ruimde alle misverstanden uit de weg. In het openbaar verzekerde Grivas dat Makarios op zijn loyaliteit kon rekenen en dat hij zich zou distantiëren van de nieuwe geheime organisaties die de extremisten in augustus hadden opgericht.

 

Zowel in de binnenlandse als buitenlandse politiek was te merken dat er een andere tijd aanbrak. De inzichten veranderden, men zocht meer en meer de dialoog en men probeerde echt te luisteren naar de ideeën en visies van de andere partij. Er stonden nieuwe leiders op waarvan sommige hun best deden en anderen al snel weer van het politieke toneel verdwenen. De komende jaren zou de politiek zich snel aanpassen aan de nieuwe tijd, er was geen weg terug!

 

Religie in de jaren vijftig

Tot de jaren ’60 bestond in Nederland een verzuilde samenleving. De mensen waren op grond van hun levensbeschouwing (opvatting over de zin van het leven) verdeeld over vier zuilen: een Katholieke, protestantse, socialistische en neutrale zuil. In de jaren vijftig ontstonden er scheuren in de katholieke zuil.

Op 1 mei 1954 brachten de Nederlandse bisschoppen, met aan het hoofd kardinaal Johannes de Jong een herderlijk schrijven (Mandement) uit over de katholiek in het openbare leven. Kernpunten van het Mandement: een verbod voor katholieken om lid te zijn van de socialistische vakbeweging NVV en om regelmatig socialistische vergaderingen bij te wonen, socialistische pers te lezen of naar de VARA te luisteren. Als sanctie werd genoemd het onthouden van sacramenten.

Met het Mandement hoopten de bisschoppen de doorbraakgedachte een halt toe te roepen. Zij noemden socialisme, onkerkelijkheid, humanisme en materialisme als bedreigingen. Het lidmaatschap van de PvdA werd ontraden, maar de uiteindelijke beslissing daarover was een zaak van het eigen geweten. Wel stelden de bisschoppen dat een doorbraak van katholieken naar de PvdA afbraak van de eigen katholieke partij (KVP) betekende.

Het mandement had echter een boemerangeffect: de katholieken werden zich des te meer bewust van hun behoefte aan openheid. Het katholicisme dat zich wilde vernieuwen liet zich niet tegenhouden! Het Mandement werd pas in 1965 worden ingetrokken.Het Rijke Roomse Leven is in katholiek Nederland de aanduiding voor de periode 1860-1960, waarin door het benadrukken van katholieke identiteit, door de gerichtheid op Rome, en dankzij een rijke liturgie, de katholieke cultuur een ongekende bloei beleefde. In de periode van maatschappelijke emancipatie hadden Nederlandse katholieken een hechte band met de wereldkerk en de Paus. Met een zekere zelfspot karakteriseerden zij zichzelf wel als Roomser dan de paus’. Zij toonden zich volgzaam en getroostten zich veel inspanningen voor de geloofsgemeenschap. In 1953 werd met de nodige pracht en praal 100 jaar herstel van de hiërarchie herdacht. Er was wat bereikt! De feestelijkheden vonden plaats in het oude stadion ‘Galgenwaard’ te Utrecht. De viering kan zonder overdrijven als het hoogtepunt van het Rijke Roomse Leven worden beschouwd. Een trots bouwwerk van katholieke organisaties vormde de katholieke ‘zuil’. Als vanzelfsprekend werd gedacht in termen van ‘wij’ en ‘ons’. Het verschil met ‘de anderen’ werd sterk benadrukt. Die anderen – protestanten, liberalen en socialisten – zetten zich ook af: tegen elkaar en tegen de katholieken. Ook zij organiseerden zich, net als de katholieken, in ‘zuilen’. Van de wieg tot het graf bleef in het ‘verzuilde’ Nederland iedereen in zijn eigen wereld.

 

Parochiepriesters constateerden begin jaren 1950 ‘onrust in de zielzorg’: gelovigen begonnen afstand te nemen van het (over)georganiseerde katholicisme.

De actie ‘Dit is ‘leven’ van de redemptorist Piet Wesseling trok in de jaren vijftig veel jongeren. De pastoor genoot veel maatschappelijk aanzien. Zusters, fraters en priesters speelden een grote rol in de maatschappij en waren ook duidelijk zichtbaar in het dagelijks leven. 

Op moreel vlak kwam de strenge katholieke zedenleer ter discussie te staan onder invloed van nieuwe visies op geestelijke gezondheidszorg. Onder aanvoering van A.J.H. Bartels en de psychiater C. Trimbos bracht het Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg een omslag teweeg van een moraliserende naar een psychologiserende benadering van opvoedings- en relatieproblemen.  De macht van de katholieke kerk reikte tot na de dood van haar volgelingen. Zelfmoordenaars en ongedoopte werden tot ver in de jaren zestig in ongewijde aarde begraven.

 

Seminarie

Het aantal jongens dat priester wilde worden, nam in de jaren 50 gestaag af. Een seminarie of seminarium is een katholiek internaat voor de priesteropleiding onder leiding van een rector. Het idee van een seminarie stamt uit de 16e eeuw en was deel van de contrareformatie. De term stamt van het Latijnse woord ‘seminarium’ = kweekschool. Het Concilie van Trent (1543-1565) schreef de oprichting van seminaries in elk bisdom voor. Nederland kende ook Nederlands Gereformeerd seminaries en een Doopsgezind seminarium.

Als binnen de katholieke zuil een half dozijn (of meer), geloofsgenoten zich verenigde om te voetballen, te dansen, te kienen of anderszins, dan wees mijnheer pastoor hun een kapelaan of non toe om toezicht te houden. En in controle uitoefenen waren ze goed, het leek de vliegende brigade wel, niets bleef onopgemerkt! De controle onder de vleugels van de moederkerk was groot! In de kerk was het al niet veel anders.

 

Aalmoezenier

Een rooms-katholieke geestelijke die belast is met de zielzorg van specifieke groepen (militairen, jeugdigen, arbeiders, gevangenen). Ook in het leger was een aalmoezenier aanwezig voor het geestelijke welzijn en het afnemen van de biecht. De Aalmoezenier heeft ook een rang in het leger (bijvoorbeeld: kolonel of majoor) en kunnen volgens het verdrag van Geneve van 1906 niet als krijgsgevangenen worden behandeld.

 

Suisse

Een ‘suisse’ (kerkbaljuw) hield toezicht in de kerk om er de orde te bewaren. De suisse droeg een min of meer militair uniform met een imposante steekhoed op het hoofd. Als teken van zijn gezag droeg hij een hellebaard of “piek”. Ook liepen de suisse voorop bij een processie. Het is een kerkelijk ambt dat ontstaan is op het einde van de 19e eeuw. De naam is afkomstig van de Zwitserse wacht, de persoonlijke lijfwacht van de Paus. Dit ambt werd veelal doorgegeven van vader op zoon en het werd als een eer beschouwd het te mogen vervullen.

De Katholieke Illustratie, sinds 1867, was tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw het lijfblad voor het katholieke gezin. Begonnen als zondagsblad (want op zondag moest er worden gelezen) en dan vooral bedoeld voor de meer belezen katholiek, groeide het uit tot een heus familieblad. Ruim honderd jaar lang was de Katholieke Illustratie spreekbuis en lijfblad van generaties katholieken. Het blad voorzag in een behoefte aan informatie en vermaak in een tijd waarin er nog geen sprake was van radio en tv, en er werd door het hele gezin als het ware stukgelezen. Het was gedurende 101 jaar (1867-1967) een veelgelezen en alleen daardoor al invloedrijk familieblad en in de hoogtijdagen van de zogeheten verzuiling (tussen 1910 en 1960), een van de grootste tijdschriften van Nederland. Het was een instituut. Nog in de jaren ’50 – ’60 bezat het blad een ruime redactionele staf en bood het kwalitatief goede journalistieke artikelen en fotoreportages, naast een aantal vaste rubrieken. In 1968 werd het blad opgeheven.De Katholieke Illustratie

 

De hogere geestelijken

Kardinaal de Jong

Kardinaal De Jong werd 10 september 1885 te Nes op Ameland geboren. Hij was de oudste zoon van Jan de Jong en Trijntje Mosterman. Zijn geboortehuis, dat er nog steeds staat, was aan de Reeweg nummer 34. Bij de burgerlijke stand van de gemeente Ameland, werd hij ingeschreven met de naam Jan. Dezelfde naam als zijn vader dus. Jan de Jong ging in 1898 naar Culemborg, naar het kleinseminarie. Daarna ging hij in Rome studeren. De studie werd afgesloten met twee doctorstitels in filosofie en wijsbegeerte. In 1936 volgde hij Mgr. Jansen op als Aartsbisschop van Utrecht. Op grond van zijn vastberaden houding en de vooraanstaande rol die hij heeft gespeeld in het Nederlandse verzet gedurende de Tweede wereldoorlog, werd hij terecht in de pers genoemd ‘een kampioen voor recht en waarheid’.

In alle andere Europese landen zwegen de bisschoppen. Ook als kerkhistoricus heeft kardinaal De Jong grote bekendheid gekregen. De oorlog sloopte zijn gezondheid. Na de oorlog zag hij er veel ouder uit dan dat hij in feite was. Op 8 september 1955 overleed kardinaal de Jong in het moederhuis van Onze Lieve Vrouwe van Amersfoort rustig in zijn slaap.

 

Kardinaal Alfrink

Bernardus Johannes Alfrink, rooms-katholiek aartsbisschop en kardinaal. Werd geboren in 1900 als zoon van Theodorus Johannes Alfrink, timmerman-aannemer, en Elisabeth Catharina Ossenvoort. Bernard Alfrink was de jongste in een streng katholiek gezin van drie jongens. Toen zijn moeder een jaar na zijn geboorte overleed, nam een kinderloze jongere zuster van zijn vader te Barneveld de zorg voor hem over. Rond zijn vijfde jaar keerde Bernard terug naar Nijkerk, waar zijn vader inmiddels was hertrouwd. In 1913 ging hij naar het kleinseminarie ‘Kuilenburg’ van het aartsbisdom in Culemborg. Daar viel hij op door ieder jaar te eindigen als de beste van de klas. Daarna begon Alfrink aan de theologische vorming op het grootseminarie ‘Rijsenburg’ bij Driebergen. Ook hier blonk hij in intellectueel opzicht uit.

Na zijn priesterwijding op 15 augustus 1924 vertrok hij dan ook naar Rome voor verdere studie aan het Pauselijk Bijbelinstituut. Zomer 1928 studeerde hij summa cum laude af. In 1955 volgde hij kardinaal De Jong op als  aartsbisschop van Utrecht en op 3 november 1960 werd hij door Paus Johannes de XXIII benoemd tot kardinaal. In de omgang straalde Alfrink een kilheid uit die iedereen – ook zijn huisgenoten – als vanzelf op eerbiedwaardige afstand hield. Gezelligheid en huiselijke sfeer waren behoeften die hij niet kende.

De priesters, voor wie hij moeilijk toegankelijk was, vreesden zijn scherpe tong en zijn vaak als sarcasme overkomende humor en gingen hem daarom liever uit de weg.

Alfrink vond het onvermijdelijk dat het ambt hem eenzaam maakte, maar zijn geringe vermogen begripvol met mensen om te gaan droeg daartoe het zijne bij. In 1987, kort voor kerstmis, overleed Alfrink na een zwaar ziekbed als gevolg van een hersenbloeding en een longontsteking in het Sint Anthoniusziekenhuis te Nieuwegein.

 

Paus Pius XII

Pius XII, Eugenio Maria Giuseppe Giovanni Pacelli, werd op 2 maart 1876 geboren in Rome. Het pontificaat van Pius XII, dat negentien jaar heeft geduurd, viel in een zowel sociaal als politiek uiterst bewogen periode. Na de dood van Paus Pius XI, werd Pacelli in een conclaaf dat slechts één dag duurde op 2 maart 1939 tot Paus verkozen. De keuze voor hem zou vooral ingegeven zijn door zijn diplomatieke kwaliteiten, die de Kerk in de toenmalige moeilijke internationale situatie van dienst konden zijn. Paus Pius  rol tijdens de oorlog wordt door velen gezien als controversieel, met name de vraag of de paus voldoende verzet bood tegen de jodenvervolging is sinds met name de jaren zestig het onderwerp van discussie onder historici, ethici en theologen. Hij werd ook wel Hitlers Paus genoemd !

Na de oorlog begon de linkse laster en leugen over paus Pius XII. Aangevoerd vanuit de Sovjet Unie werd een campagne tegen de Rooms Katholieke kerk opgezet. Vanaf 1946 beschuldigen de Pravda en Radio Moskou Pius XII van collaboratie met het Italiaanse fascisme, van hechte banden met Hitler, van medewerking aan de ‘Anschluss’ en van de toestemming voor de opdeling van Tsjecho-Slowakije. In zijn Pius XII verdedigende boek “The Myth of Hitler’s Pope” (De Mythe van “Hitlers paus”) schrijft rabbijn en historicus David Dalin echter dat de pausen door de geschiedenis heen altijd de joden beschermd hebben, en weerlegt hij punt voor punt de aanklachten tegen Pius XII. Hij rekent af met de motivaties van de ‘critici’ en legt hun doelstellingen en gebrek aan bewijzen bloot. Vanwege zijn reddingswerk voor de joden van Europa, moet paus Pius XII in Yad Vashem geëerd worden, zegt Dalin. Pius XII schreef 41 encyclieken.

Op 9 oktober 1958 overleed Paus Pius XII in Castel Gandolfo. Paus Johannes de XXIII werd zijn opvolger.

 

Paus Johannes XXIII

Paus Johannes XXIII werd geboren als Angelo Giuseppe Roncalli, Bergamo Italië, op 25 november 1881. Toen hij op 28 oktober 1958 na een conclaaf van vier dagen op 77-jarige leeftijd tot paus gekozen werd, beschouwde men hem vanwege zijn vrij hoge leeftijd als tussenpaus. Johannes XXIII riep tot algemene verrassing op 25 januari 1959 het Tweede Vaticaans Concilie bijeen, dat tot vele veranderingen in de Katholieke kerk zou leiden. Johannes XXIII riep het concilie uit met de woorden “aggiornamento”, wat ‘bij de tijd brengen’ betekent. Hij opende het concilie op 11 oktober 1962 maar heeft slechts een zitting, periode oktober/december 1962 bijgewoond. Johannes XIII stierf op 3 juni 1963.

Kenmerkend voor paus Johannes XXIII was dat hij altijd alles van de positieve kant bekeek. Als Paus was hij zeer geliefd.

Hij kreeg dankzij zijn humor en spontaniteit al snel de bijnaam “de goede paus”, want hij wist zich tijdens zijn korte pontificaat – mede dankzij de media en zijn progressieve politiek van ‘aggiornamento’ – uitermate geliefd te maken, hetgeen tot uiting komt in zijn graf onder de Sint-Pieterskerk: het is een van de rijkst gedecoreerde praalgraven. Heden wordt zijn lichaam bewaard in een grote reliekhouder. Een bekende uitspraak van hem was: “Hoeveel mensen er in het Vaticaan werken? Ik hoop de helft”.

Een ander uitspraak van de paus was: “Er zijn mensen die de eenvoudige dingen ingewikkeld maken. Ik geef er de voorkeur aan ingewikkelde dingen te vereenvoudigen”. Hij was als mens eenvoudig, zijn geloof was eenvoudig.

Johannes jXXII schreef acht encyclieken. Zijn laatste encycliek, “Pacem in terris” (Vrede op aarde), verscheen in zijn sterfjaar en werd van grote betekenis voor de ontwikkeling van de internationale katholieke vredesbeweging Pax Christie.  Op 3 september 2000 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

 

Kloosters

Kloosters en abdijen, of in officiële zin, ‘instituten van gewijd leven’ vallen niet onder het gezag van de bisschoppenconferentie. Goedkeuring van de religieuze gemeenschap, vindt plaats door de Apostolische Stoel. Overigens, de bisschop geeft wel zijn toestemming voor de behuizing van de gemeenschap op bisdomlijk grondgebied. Een gemeenschap woont onder het gezag van een overste (abt/abdis in een abdij of een prior/priorin).

Kloosterordes en congregatiesEen groep van (dezelfde) kloosters die onder een overste vallen, wordt een ‘provincie’ genoemd. Het bestuur van een ordeprovincie geschiedt via een generaal kapittel: deze beschermt de identiteit van de orde of congregatie en kiest nieuwe bestuurders. Het celibaat, ongehuwde staat voor priesters en kloosterlingen, was verplicht.

Mensen besloten, in hun zoektocht naar God, om uiteenlopende redenen kloostergemeenschappen te stichten. Geregeld kwam dat voort uit inspiratie van andere, bewogen mensen of heiligen. Er zijn dan ook gemeenschappen met soms zeer verschillende accenten van spiritualiteit en een aan god gewijd leven. Hieronder de belangrijkste stromingen

  • Orde van de Benedictijnen

  •  Orde van de Augustijnen

  •  Orde van de Franciscanen

  •  Orde van de Dominicanen

  •  Orde van de Jezuïeten

  •  Orde van de Karmelieten

Iedere orde heeft zijn eigen leer en leefregels, die voorschrijven hoe de broeders of zusters zich, naar de ideeën van hun stichter(es) moeten leven. Sommige traden al op zeer jonge leeftijd in en werden zoals zo mooi gezegd wordt: ‘de bruid van Christus’. Vele kwamen in het onderwijs, de verpleging en in de zorg voor wezen terecht, waar ze veel goed werk verrichtte. Na de tweede wereldoorlog en in het begin van de jaren vijftig hadden de kloosters niets te klagen, er was geen gebrek aan nieuwe intredingen. Bij een intreding in een klooster moest al het wereldse bezit worden afgezworen.

Tevens werd de Geloften van zuiverheid en gehoorzaamheid, tijdelijk of eeuwig afgelegd bij intreding in het klooster. Kloosternaam, naam die men aanneemt bij intrede in een orde of congregatie waar de gewoonte bestaat om de eigen doopnaam te vervangen, soms met de motivering dat het leven in de wereld en de eigen identiteit ophoudt te bestaan bij het begin van het kloosterleven. De ouders waren zeer trots op hun dochter of zoon, en als ze voor een bezoek naar huis kwamen werd er een feestje gevierd waar vaak de hele straat bij betrokken was.

 

Religieuzen in de maatschappij

‘Pater’ is in de Rooms-katholieke kerk de naam die gegeven wordt aan een monnik, kloosterling, missionaris of lid van een religieuze congregatie die priester is.

Het woord zelf komt uit het Latijn, Grieks en Umbrisch en betekent ‘vader’. Vergelijk met ‘frater’, wat ‘broeder’ betekent. Een frater is ook een lid van een kloostergemeenschap, religieuze congregatie of niet-diocesaan instituut, maar géén priester. Een ‘missiepater’ is een pater die zich bezighoudt met missionaire bezigheden.


De Fraters van Tilburg (een rooms-katholieke broedercongregatie1844) hebben zich bijzonder ingezet voor het katholiek onderwijs in Nederland. Niet alleen stichtten zij vele scholen, maar zij ontwikkelden ook zelf onderwijsmethodes. Generaties schoolkinderen leerden en leren lezen aan de hand van de methode “Veilig leren lezen” van frater Caesarius Mommers, de ‘leesvader van Nederland’. De beschikking over een eigen drukkerij en later uitgeverij speelde hierbij een grote rol. De fraters hebben verder een belangrijke rol gespeeld in het onderwijs, de dovenzorg en de missie in Suriname en de Nederlandse Antillen.De ‘kapucijnen
‘, zo genoemd door het volk omwille van hun lange spitse kap, ontstonden in 1525 bij de observanten van de Marken (Midden Italië). Zij wilden een strenger, meer teruggetrokken en contemplatief leven leiden. De regels wilden zij ‘eenvoudig en zuiver, zonder aantekeningen’ onderhouden, zoals Franciscus in zijn testament bepaald had. In die zin bleven zij observanten.

 

De zusters van liefde

De congregatie van ‘Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouw Moeder van Barmhartigheid’ werd op 23 november 1832 door pastoor Johannes Zwijsen gesticht. Hij stichtte twee congregaties: de Zusters van Liefde (1832) en de Fraters van Tilburg. 

Het doel van beide congregaties was om zich in Tilburg in te zetten op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg ten behoeve van de armen en achtergestelde. Naast het geven van onderwijs zetten de zusters zich ook in voor de zorg voor weeskinderen, bejaarden en gehandicapten en voor de verpleging van zieken in Nederland en elders. Dit werk werd ook verricht in missiegebieden.

 

Zwijsen

Protestanten

Het protestantisme is een stroming in het christendom, die bestaat uit vele uiteenlopende kerkgenootschappen. In tegenstelling tot in de Rooms Katholieke kerk is er geen centraal gezag dat de leer van de protestantse kerken bepaalt. Dit heeft in het verleden geleid tot een groot aantal afscheidingen op landelijk en internationaal niveau. In Nederland is de Protestantse Kerk het grootste protestantse kerkgenootschap. Daarnaast is er een groot aantal gereformeerde en protestantse kerken. Dit zijn kerken die zich oorspronkelijk van de Nederlandse Hervormde Kerk hebben afgescheiden of weer afscheidingen zijn van de ‘afgescheidenen’ Een ‘dominee (afkorting: ds of ds.) of predikant is iemand die voorgaat bij een godsdienstoefening van protestantse gezindte.

Het woord dominee is afkomstig van het Latijnse ‘dominus’ dat ‘heer’ betekent. Dominee is een aanspreektitel, zoals professor dat is bij een hoogleraar. Voor de aanduiding van het beroep wordt het woord ‘predikant’ gebruikt. De belangrijkste functie van een predikant is verklaarbaar vanuit de archaïsche omschrijving ‘dienaar van het Woord’ (Verbi divini minister). In brede zin is haar of zijn taak het opbouwen van geloof en christelijk leven van de gelovigen door middel van prediking vanuit de Bijbel en het geven van onderwijs (bijvoorbeeld in de vorm van kringenwerk). Daarnaast is het pastoraat belangrijk (‘pastor’ is Latijn voor ‘herder’, vergelijk pastor in de RK-kerk). Hierin wordt hij of zij bijgestaan door een team van ouderlingen en diakenen, de kerkraad.

 

Pastoorsmeid

Het huishoudelijk werk in de pastorie, de woning van de pastoor en eventuele kapelaans, werd gedaan door een huishoudster. De huishoudster was bijna altijd een ongetrouwde vrouw, die ook in de pastorie woonde. Vaak was de huishoudster familie van de pastoor, maar het kwam ook voor dat zij een zuster (geestelijke) was. Het was belangrijk dat een huishoudster van canonieke leeftijd was, dat wil zeggen minstens dertig jaar oud.

Enige sacramenten, gebruiken, rituelen en tradities van het Rooms Katholieke geloof

 

Sacramenten

Tekenen van bijzondere genade, door Christus ingesteld en door de kerk nader vastgesteld in de vorm van zeven rituele handelingen elk met begeleidende taal, waardoor een specifieke zegening, wijding of genade wordt gegeven. De zeven sacramenten zijn: doopsel, vormsel, biecht, eucharistie, priesterschap, huwelijk en heilig oliesel.

 

Doopsel

Eerste en noodzakelijke sacrament dat door de afwassing met water en de aanroeping van de Heilige Drievuldigheid (Ik doop U – met de toevoeging van de voornaam – in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest) de erfzonde en de vóór het doopsel bedreven zonden vergeeft, en de dopeling(e) tot lid van de christelijke gemeenschap maakt.


Sacrament, toegediend door handoplegging en zalving van de bisschop, dat kracht geeft om het geloof volwassen te beleven en te belijden. (hernieuwing van hun doopbeloften, die bij de toediening van het doopsel na hun geboorte namens hen door peter en meter gedaan waren).
Het Vormsel, (ook wel plechtige communie genoemd)

 

Huwelijk

Sacrament dat de partners elkaar toedienen en door de priester ingezegend en kerkrechtelijk geregistreerd wordt; de voltrekking en voltooiing ervan vinden plaats door de geslachtsgemeenschap.

 

Biecht

Sacrament waarin door de priester in Christus’ naam zonden vergeven worden uit kracht van de evangelietekst: Ontvangt de Heilige Geest, wier zonden gij zult vergeven hun zijn zij vergeven, wier zonden gij zult houden hun zij ze gehouden (Johannes 20, 23): woorden van Jezus tot de apostelen op de dag van zijn verrijzenis.

 

Eucharistie

Dankzegging: sacrament waarin brood en wijn gewijd worden door de instellingswoorden die Jezus tijdens het Laatste Avondmaal uitgesproken heeft: “Dit is mijn Lichaam, dit is de kelk van mijn Bloed”; ten gevolge van Zijn opdracht herhaald: “Doet dit tot mijn gedachtenis.”

 

Heilig oliesel

Officiële, traditionele naam van het sacrament van de ziekenzalving.

 

Priesterschap

Sacrament dat door handoplegging en gebed van de bisschop de persoon machtigt tot uitoefening van het ambt van geloofsverkondiging en toediening van de sacramenten.

 

Eerste Heilige Communie

Nuttiging van geconsacreerd brood, soms ook wijn, aan een daartoe bestemde knielbank (communiebank) tijdens een eucharistieviering.

Rond het zeven jaar levensjaar ontvangen kinderen de Eerste Heilige Communie. Kinderen kregen met de eerste communie vaak een rozenkrans en een kerkboekje, dat meestal wit was met een goudkleurig slotje er op.

 

Rozenkrans

De rozenkrans bestaat uit 5 grote en 50 kleine kralen en wordt gebruikt voor het rozenkransgebed. Dit gebed bestaat uit het bidden van het Onze vader (15 maal) en het Weesgegroet (150 maal) door de rozenkrans drie maal te doorlopen. Tijdens dit gebed wordt het leven en lijden van Jezus overwogen, alsmede de verrijzenis.

 

Scapulier

1) door sommige kloosterordes  op borst en rug tot aan de voeten neerhangende lap stof,  over het habijt heen gedragen; 2)  in navolging daarvan uit devotie door leken gedragen lapjes stof, verbonden door een lint; 3)  ter vervanging daarvan: de  (schapulier) medaille, aan een kettinkje om de hals gedragen of met een veiligheidsspeld aan hemd, borstrok onderrok vastgemaakt.

 

Bidprentje

Een bidprentje is een klein prentje dat binnen de Katholieke kerk als herinnering aan bepaalde gebeurtenissen zoals doopsel, eerste communie, vormsel, huwelijk, priesterschap en in het bijzonder bij een overlijden wordt uitgegeven. Het gebruik van een bidprentje komt bijna uitsluitend voor onder Katholieken. Veel katholieken hadden ook devotieprentjes of heiligenprentjes in het kerkboek zitten. Een devotieprentje  of heiligenprentje is een prentje met een afbeelding van Jezus, Maria of een andere heilige met op de achterkant een gebed.

 

De biecht

Elk kind dat katholiek werd opgevoed zal zich nog de biechtstoel in de kerk herinneren, zeker het schuifje ! En vooral het verzinnen van welke zonden men dan wel op zou moeten biechten. Want………wat wist een kind over zonden !! Vaak werd het: een snoepje weggepakt, belletje getrokken, stout geweest etc. Voor deze kleine vergrijpen kreeg men dan als penitentie (boetedoening) meestal 3 weesgegroetjes en het onze vader te bidden. 

 

Zonden

Dagelijkse zonden. Kleine overtreding van Gods wet.

Hoofdzonden. De zeven voornaamste zonden, vaak oorzaak van andere zonden, te weten: hovaardigheid, gierigheid, onkuisheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid.

 

Doodzonde. Zware overtreding van Gods wet.

 

Vergiffenis der zonden

De erfzonde wordt vergeven door het doopsel, de zware (dood)zonden door de biecht, de lichte (dagelijkse) zonden door de biecht of door gebed en rechtvaardig leven.

 

De deugden

Hoofddeugden. De vier voornaamste deugden, nl. voorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid; deze worden ook wel kardinale deugden genoemd.

 

De Blasiuszegen  op 3 februari, het feest van de heilige Blasius, de patroon tegen keelziektes, de priester raakt met twee kruislings gehouden kaarsen de keel van de gelovige aan en zegt: “Door tussenkomst van de heilige Blasius, bisschop en martelaar, behoede de Heer U tegen alle keelziektes en tegen alle ander kwaad, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.”

 

Vastentijd Processie. Plechtige omgang van geestelijken en gelovigen in of buiten het kerkgebouw, waarbij vaak het heilig sacrament wordt meegevoerd.

De grote of 40-daagse vasten duurt van As-woensdag tot Pasen (zondagen uitge-zonderd). De rooms-katholieken aten tijdens de vasten geen vlees, snoep en lekkernijen. Kinderen hadden tot halverwege de 20e eeuw een vastentrommeltje, waarin ze hun snoep bewaarden. Alleen op zondag mochten ze daar een snoepje uit halen. De rest van het snoepgoed bewaarden de kinderen tot na de vasten.

 

Huiswijding

Ook wel huiszegening: toewijding aan God en zegening van een huis en zijn bewoners door gebed en besprenkeling met wijwater.

In de meeste huiskamers of slaapkamers van de jaren vijftig hing een wijwatervaatje met een palmtakje (takje van de boombuxus) erbij. Ook het kruisbeeld nam een prominente plaats in. Beelden van Heiligen, vaak onder een stolp, stonden op het dressoir.

 

Onnozele kinderen

De jongetjes van twee jaar en jonger die (naar Mattheus 2, 16-18) op last van Herodes te Bethlehem werden vermoord om zo ook het kindje Jezus te doden; op hun feest van 28 december is het hier en daar nog de gewoonte dat de jongste van het gezin of van de kloostergemeenschap zogenaamd de baas mag zijn.

 

Begrafenis

De begrafenis in de jaren vijftig. Een zwarte koets getrokken door vier paarden met zwarte dekleden. Op een kind maakte dit een diepe indruk en het was ook wel een beetje eng, de briesende paarden met hun wuivende pluimen, de streng, in het zwart gekleed, uitziende koetsier en vooral de diepe stilte. Het geheel straalde waardigheid en respect uit.

In 1957 wordt besloten het begraven voortaan per auto te laten gebeuren, omdat het moeilijk is om nog zwarte paarden te krijgen. Dit gaf de begrafenis een heel ander aanzien.

 

Misdienaar

Veel jongens werden in de jaren vijftig misdienaar. Een misdienaar is een leek die tijdens H. Missen van de Rooms-katholieke kerk de priester behulpzaam is.

Er wordt soms een onderscheid gemaakt tussen ‘misdienaar’ (tot 12 jaar), ‘serviënt’ (van 12 tot 16 jaar) en ‘acoliet’ (16 jaar en ouder); soms ontbreekt de “fase” van serviënt. De jongens waren maar wat trots op hun misdienaarschap.

Het misdienaarschap was voor jongens vaak een opstap naar het priesterschap. Tot in de jaren vijftig was het voor een of meer zoons uit katholieke gezinnen nog vanzelfsprekend dat zij priester zouden worden. Sommigen speelden thuis alvast misje, compleet met altaar en kleding. De beslissing om priester te worden, viel wanneer ze elf of twaalf jaar waren – te jong vaak om de consequenties van deze keuze te overzien.


Processie meisjes

Meisjes hadden vaak een rol als bruidje in de processie, en ze vervulden die rol met toewijding.  Pas vanaf de jaren zeventig mochten meisjes misdienaar worden. De kerk heeft in 2003 officieel bevestigd dat deze zogenaamde ‘misdienettes’ mogen blijven. Processiebruidjes

 

Engelen. Onsterfelijke, door God geschapen geesten, genoemd in de heilige Schrift, onder andere in de Paulusbrieven, en naar traditie ingedeeld in negen koren: Serafijnen, Cherubijnen, Tronen, Heerschappijen, Vorsten (dommen), Machten, Krachten, Aartsengelen en Engelen.

 

Engelbewaarder. Naar vrome traditie door God gezonden geest die waakt over persoon of groep: de feestdag der engelbewaarders valt op 2 oktober.

 

Engelenmis, rouwmis voor zeer jong gestorven kind.

 

De Vijf geboden der heilige kerk

  1. Verplichte feestdagen vieren als zondag;

  2. Op zondagen en verplichte feestdagen de mis bijwonen en geen zware (vroeger ‘slafelijke’) arbeid verrichten;

  3. Zich houden aan vasten- en onthoudingsdagen;

  4. Minstens eenmaal per jaar biechten;

  5. In de Paastijd ter communie gaan.

 

Uit de Cathechismus:

De tien geboden

  1. Gij zult geen afgoden vereren maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen;

  2. Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken;

  3. Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt;

  4. Eer uw vader en uw moeder;

  5. Gij zult niet doden;

  6. Gij zult geen onkuisheid doen;

  7. Gij zult niet stelen;

  8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen;

  9. Gij zult geen onkuisheid begeren;

  10. Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort.

 

Mariaverering

De aandacht voor Maria, moeder van Jezus Christus, is bij de katholieken zeer groot. Met name sinds de negentiende eeuw. Dit kwam mede doordat toen enkele beroemde ‘verschijningen’ plaatsvonden, waarvan de beroemdste in Lourdes. De Mariaverering heeft sindsdien een belangrijke plaats in het kerkelijk jaar gekregen. De term heeft betrekking op de actieve verering die de meerderheid van de christenen (Katholieken, Anglicanen, Kopten en Orthodoxen)  heeft voor de Heilige Maagd Maria, de moeder van  Jezus Christus. De maand mei is de Mariamaand.

Deze verering komt tot uitdrukking in gebeden en gezangen tijdens kerkdiensten en door de aanwezigheid van beelden, schilderijen en iconen in kerken en in eigen huis.

Mariaverering moet evenals heiligenverering niet verward worden met aanbidding. Een gebruikelijke aanduiding van deze verering is ‘bidden tot’ Maria of een andere heilige. Hiermee wordt volgens de leer van de hiervoor genoemde kerken echter niet gezegd dat Maria wordt aanbeden; aanbidden kun je immers alleen God. Het betekent het bidden tot God via Maria (of de betreffende heilige). Maria is ‘slechts’ de middelares/voorbidster tussen God en mens.

Het belangrijkste Mariafeest is op 15 augustus: ‘Maria Tenhemelopneming’. Het is één van de oudste Maria-feestdagen en herdenkt het einde van haar leven en haar opname in de hemel. In veel landen is 15 augustus daarom een vrije dag, in Nederland echter niet.

Mariaverering is in de ogen van christenen uit de reformatie een vorm van ‘afgodendienst‘. Zo werd dit vooral gezien door Calvijn en in navolging van hem door de meeste Protestantse kerken. Deze kennen Maria geen speciale voorbiddersrol toe en verwerpen de Mariaverering dan ook uitdrukkelijk.

 

Bedevaart

Hoewel de gelovige hiertoe niet verplicht was, behoorde het maken van een bedevaart tot een belangrijk onderdeel van een katholiek jaar. Het maken van zo’n tocht is een zeer oud gebruik dat ook bij andere geloven voor komt. Het aantal plaatsen waarheen een bedevaart gemaakt kan worden is talloos. Alleen al in Nederland zijn er zo’n 659 plaatsen. De beroemdste en belangrijkste bedevaartplaatsen bij het Rooms Katholieke geloof zijn Rome, Jeruzalem, Lourdes (Frankrijk en Santiago de Compostella (Spanje). Nederlandse Rooms Katholieken gaan naar Kevelaer (Duitsland) of Scherpenheuvel (België). In de jaren vijftig gingen veel gelovigen ter bedevaart.

 

Een katholiek jaar

Voor een katholiek verloopt een jaar volgens een vaste structuur waarin belangrijke gebeurtenissen uit het christendom worden herdacht. Pasen, Pinksteren en Kerstmis, de belangrijkste christelijke feestdagen, vormen de kern van deze jaarcyclus.

 

Preken

“Die man kan praten als Brugman !” Wanneer mensen dat van je zeggen versta je blijkbaar de kunst om zeer vurig en overtuigend te spreken. Door deze uitdrukking is de minderbroeder-observant Johannes Brugman (15e eeuw) zo’n beetje de beroemdste predikant uit de Nederlandse geschiedenis geworden. Preken, zo is de algemene overtuiging, hoort bij kerk en christendom.

Maar door de al te moraliserende wijze van preken in het nabije verleden heeft het in de volksbetekenis wel een negatieve klank gekregen: preken is volgens een bekend, dik, woordenboek ook: ‘zedenmeesteren’. Ook spreekwoorden als “voor eigen parochie preken” en “als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen” geven aan dat preken een plaats heeft (of had ?) in de belevingswereld van de mensen

Er waren pastoors die, zeker in de jaren vijftig, vanaf de preekstoel flink uithaalde naar de gelovigen. Dat werden ‘donderpreken’ genoemd. Het preken van hel en verdoemenis joeg de kinderen vaak angst aan en sommige konden ‘s avonds maar moeilijk in slaap komen. Vader of moeder moest er aan te pas komen  om de kinderen gerust te stellen. 

 

Kerkelijke collecte

Binnen het geloof en de kerk was collecteren belangrijke voor de kerkelijke gemeenschap. Oorspronkelijk was de collecte bedoeld om geld in te zamelen voor de onderhouding van de armen.

In de Middeleeuwen werd er nog maar weinig gecollecteerd. Dit veranderde tijdens de Reformatie, toen werd de collecte belangrijk in de protestantse kerk. De rooms-katholieke kerk voerde de collecte in de negentiende eeuw weer in.

 

Katholieken en andere christenen

Nederlandse katholieken beschouwden hun eigen kerk als de ware kerk, maar ze waren zich er goed van bewust dat hun beleving van het christendom niet de enige was. De meesten hadden dagelijks met protestanten te maken, die het op hun beurt belangrijk vonden in hun geloofsbeleving vooral niet op katholieken te gaan lijken. Zij noemden hen ‘roomsen’ wegens hun band met èn verering voor de paus, de bisschop van Rome. In hun ogen was katholicisme maar een armzalige vorm van christendom. Zelf lazen zij dagelijks in de bijbel, terwijl katholieken zich Gods woord door de priesters lieten verbieden. Protestanten stelden weliswaar prijs op degelijk onderricht door de dominee, maar als bemiddelaar in hun relatie met God hadden ze hem strikt genomen niet nodig.

Katholieken waren daarentegen aangewezen op de sacramenten en de bediening daarvan was (en is) voorbehouden aan de geestelijkheid. Vooral het sacrament van de biecht sprak bij niet-katholieken tot de verbeelding. In de ogen van protestanten, calvinisten met name, die hun eigen zondigheid heel serieus namen, maakten katholieken zich er gemakkelijk van af. Kenmerkend voor de Nederlandse situatie, want afwijkend van vele andere Europese landen, is intussen dat de uitgesproken tegenstellingen in de geloofsleer vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw zelden tot gewelddadige confrontaties hebben geleid. De wederzijdse minachting heeft niet tot godsdienstoorlogen geleid.

In de latere jaren ontstonden scheurtjes in de kerk. De gelovigen begonnen vragen te stellen en namen niet alles meer voor zoete koek aan. Het werd allemaal een beetje vrijer en de jeugd verwelkomde de nieuwe tijd met opluchting. Het strakke keurslijf kon af en meer vrijheid lag in het verschiet. De oude generatie had moeite om te volgen, gewend als ze waren om regels die van boven af opgelegd waren op te volgen. Maar men moest met de nieuwe tijd mee en leren inzien dat deze ook voor hen voordelen bood.

 

Onderwijs en scholen

Tot 1962 werd ook op zaterdagochtend naar school gegaan. Gedurende de vooroorlogse jaren had niet meer dan 42 procent meer dan lager onderwijs genoten. In 1959 was dat percentage tot ruim tachtig procent gestegen. In tien jaar tijd werden 270 bibliotheken gebouwd, en een groot aantal scholen.Het onderwijs nam in belang toe in de jaren vijftig en was tevens nauw verbonden met de kerk. In 1901 was de duur van de leerplicht zes jaar, in 1950 was dit al acht jaar en in 1972 elf jaar. Dat wil zeggen, dat alle kinderen uit de jaren vijftig minimaal de lagere school doorliepen. Voor individuele aandacht was weinig tijd, een klas met veertig of vijftig kinderen was in de jaren vijftig geen uitzondering. Tot in de jaren zestig waren de meeste katholieke middelbare scholen naar sekse gescheiden..

Het onderwijs van de religieuzen was vaak gratis, omdat deze zelf geen salaris kregen. Daarom was het mogelijk dat ook de kinderen uit arme gezinnen naar school konden.

Verschillende vormen van onderwijs

In Nederland is voortgezet onderwijs het onderwijsniveau dat volgt op het basisonderwijs en dat doorgaans gevolgd wordt vanaf de leeftijd van 12 jaar. Het voortgezet onderwijs bereidt de leerling voor op verschillende soorten van hoger onderwijs, Middelbaar Beroeps Onderwijs, dan wel op een maatschappelijke positie. Vóór de onderwijshervorming met de invoering van de Mammoetwet in 1968, werd de term middelbaar onderwijs gebruikt.

Het openbaar onderwijs is een onderwijsvorm in Nederland die door de overheid wordt opgericht en onderhouden, zonder een bepaalde godsdienstige of anderszins levensbeschouwelijke richting als grondslag.

Naast het openbaar onderwijs bestaat in Nederland het bijzonder onderwijs: scholen die vanuit een bepaalde religieuze, levensbeschouwelijke of onderwijskundige stroming worden ingericht en sinds 1917 op dezelfde wijze als openbare scholen door de overheid worden bekostigd.

Kleuterschool, bewaarschool of fröbelschool, (school voor de leeftijdsgroep 4-6 jaar). De laatste naam was afgeleid van de naam van een Duitse pedagoog die dit soort onderwijs voor de hele kleintjes voorstond. De kleuterscholen werden overwegend geleid door nonnen. In de jaren vijftig kreeg de opleiding tot kleuterleidster enige structuur en erkenning. In 1955 kwam er een wet die het kleuteronderwijs en de subsidiëring daarvan regelde, en daarbij de opleidingen voor kleuterleidster. Verplicht is het nooit geweest, kinderen waren met 4 en 5 nog niet leerplichtig. De kleuterschool kende twee klassen, na de tweede klas ging het kind naar de eerste klas van de lagere school.

Op de kleuterschool  mochten de kinderen nooit zomaar het klaslokaal binnen. In de gang hing aan een haakje een tasje met daarin slofjes. De slofjes werden over de schoenen aangedaan om beschadiging van de vloer te voorkomen en uit hygiënisch oogpunt. 

 

Het Montessorionderwijs

Maria Montessori werd geboren in Chiaravelle (Italië) op 31 augustus 1870 en overleed in Noordwijk op 6 mei 1952 waar zij ook begraven is.  Maria was een Italiaans arts en pedagoog die vooral bekend werd door het naar haar genoemde Montessorionderwijs.

Maria Montessori meende dat er al tijdens de eerste levensjaren een enorme energie en actiedrang in het kind aanwezig zijn. Het wordt vanuit zichzelf gemotiveerd om zich te ontwikkelen en om te leren.

Dat uit zich in een spontane belangstelling van kinderen. De onderwerpen van die belangstelling verschillen per kind en veranderen in de loop van de tijd. Dit betekent dat kinderen kortere of langere perioden ontvankelijk zijn voor bepaalde leergebieden. Als het kind zich in zo’n “gevoelige periode” bevindt, is het in staat op dat moment een functie zeer intensief te ontwikkelen. Het is de taak en de deskundigheid van de leerkracht om op deze gevoelige perioden adequaat te reageren, door het juiste materiaal in de juiste omgeving aan te bieden.

In Nederland sloeg  het Montessorionderwijs zeer goed aan. De kern van het montessorionderwijs wordt meestal samengevat in de uitspraak: “Help mij het zelf te doen”. De leerlingen werken individueel of in kleine groepjes aan materiaal dat zij zelf aan het begin van de dag gekozen hebben. Dat materiaal is oorspronkelijk door Maria Montessori ontworpen. De leerkracht observeert de activiteiten van kinderen, om erachter te komen waar zij behoefte aan hebben, en reikt dan materiaal aan om in die behoefte te voorzien.

Een kenmerk van montessorimateriaal is dat het kind zelf fouten kan herstellen doordat het zo is ontworpen dat het kind zelf merkt dat het iets niet goed doet. Daarnaast is het materiaal zo ontworpen dat steeds één eigenschap centraal staat. Als het om bijvoorbeeld optellen gaat, speelt niet ook nog een andere vaardigheid een rol.

In een montessoriklas zitten altijd drie leeftijdsgroepenleerlingen door elkaar. Volgens Maria Montessori is dit essentieel voor een harmonische ontwikkeling. Ook in een gezin is een kind omringd met oudere en jongere kinderen. Het geeft kinderen bovendien de kans zich te spiegelen aan anderen. Ieder kind is dus een periode de jongste, de middelste en de oudste. Die klassen worden onderbouw, middenbouw en bovenbouw genoemd.

 

Lagere school

De scholen hadden een eigen bibliotheek, uiteraard met veel stichtelijke lectuur, geschikt voor de tere kinderzieltjes. De eerste communie was een spannende tijd. Vooral in het zuiden van Nederland en in België werd naar aanleiding van de eerste communie een bescheiden familiefeest gevierd, met als middelpunt het communicantje.De lagere RK-meisjesschool werd geleid door nonnen en de lagere RK-jongensschool door fraters. Godsdienstles was een belangrijk vak en werd door de kapelaan en soms door de pastoor zelf gegeven, en wee je gebeente als je niet goed had opgelet. Pas in de 20ste eeuw kwamen voor het godsdienstonderwijs aan kinderen speciaal geschreven catechismus-teksten in zwang. In 1920 stelden de Nederlandse bisschoppen een zogeheten Schoolcatechismus verplicht voor de godsdienstles op de katholieke lagere school. Hele generaties katholieke kinderen moesten de antwoorden op de vragen van deze Schoolcatechismus uit hun hoofd leren. De pastoor kwam wekelijks op school om de catechismus te overhoren. Vaak kreeg de jeugd op school als beloning devotieprentjes, die zorgvuldig bewaard werden in het eigen kerkboek. Sinds 1964 is de catechismus niet langer verplicht op de katholieke school.


De huishoudschool

Op de lagere school kreeg men verkeersles waar men na een afgelegd examen een verkeersdiploma kreeg.

Omdat Nederland een waterrijk land was bevond men het nodig dat de kinderen zwemles kregen, uiteraard in een ‘zedelijk’ badpak en met de ‘verplichte badmuts’ op het hoofd.

Met een diploma A op zak konden de ouders hun kroost met een gerust hart naar het zwembad laten gaan. Het zwemmen was wel gescheiden, jongens en meisjes apart ! Dus wat kon er nou misgaan……… Pas in de jaren zestig werd het gescheiden zwemmen opgeheven.

Voor de meeste meisjes was doorleren in die tijd niet weggelegd, ze waren voorbestemd om huisvrouw te worden. Dus werd het de huishoudschool, ook wel de ‘Spinazie-academie’ genoemd. De Nederlandse huishoudschool of kookschool behoorde tot het lager beroepsonderwijs en leidde op voor een beroep als huishoudster en had tegelijk als functie vrouwen voor te bereiden op hun klassieke rol als huisvrouw en om als echtgenote en moeder  zuinig en efficiënt met huishoudgeld om te gaan. Huisvrouw was een beroep !Op deze scholen leerden meisjes koken, voedingsleer en de basisvaardigheden die bij huishouden van pas komen, zoals het bijhouden van een huishoudboekje en uiteraard naaien en handwerken. En ja……….. vaak was de directrice een non die de touwtjes stevig in handen had. 

 

De ambachtschool

Heel veel jongens gingen in de jaren vijftig naar de ambachtschool en volgde er een drie- of vierjarige opleiding.

De ambachtsschool was vanaf  1865 de naam voor een groep scholen voor dagonderwijs, waar werd opgeleid voor ambacht en nijverheid.. Dit schooltype was erg populair bij diegenen die na de lagere school nagenoeg geen mogelijkheid hadden om door te leren. De ambachtsschool verzorgde onder andere opleidingen tot smid, timmerman, meubelmaker en schilder.

De school koos de opleidingen zo dat werd aangesloten bij de behoefte van de toekomstige arbeiders en werkgevers.

Samen met de verlenging van de leerplicht heeft de ambachtschool een enorme invloed gehad op de emancipatie van de arbeider en het scholingsniveau in Nederland. Bij de invoering van de ‘Mammoetwet‘, die in werking trad op 1 augustus 1968, is de naam ambachtschool gewijzigd in Lagere Technische school (LTS), een veelal vierjarige opleiding.

 

MULO

Mulo (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs, niveau huidige HAVO) was een Nederlandse schoolvorm die ontstond onder de Onderwijswet van 1857. De meisjes die wel door mochten leren droegen vol trots hun boekentas, duidelijk zichtbaar voor iedereen, onder de arm mee naar school. En wie komen we daar weer tegen…Jawel, de nonnen ! De meisjes werden streng in de gaten gehouden door de nonnen die werkelijk overal in de school opdoken om te controleren. Het lesgeven ging de nonnen  voortreffelijk af.  Soms volgde de meisjes een aanvullende huishoudopleiding. De Katholieke Mater Amabili-opleidingen boden uitkomst voor meisjes die huishoudelijke kennis ontbeerden.

Naast de huishoudelijke kennis werd er ook tijd ingeruimd voor knutselen. Dat kon weer van pas komen als een meisje straks onverhoopt de huwelijksboot had gemist. De nonnen waren op heel veel gebieden actief en gaven zelfs balletles ! 

Het Mulo examen (schriftelijk en mondeling) bestond uit Nederlands, Frans, Engels, Duits, algebra, meetkunde, aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde. Ook werd er een cijfer voor schrijven (handschrift) toegekend, dat overigens niet meetelde voor de uitslag.

 

MMS

De MMS (Middelbare Meisjesschool) was een vijf jaar durende Nederlandse onderwijsvorm speciaal gericht op meisjes en wat betreft het curriculum vergelijkbaar met de HBS (niveau huidige VWO/Gymnasium). De eerste MMS werd in 1887 in Haarlem opgericht. Er werd les gegeven in vele vakken, onder meer natuur- en scheikunde, meetkunde, algebra, biologie, geschiedenis, aardrijkskunde, tekenen, muziek en de talen Nederlands, Frans, Duits en Engels. De talen wogen extra zwaar mee bij bevordering naar een volgend leerjaar en bij het eindexamen.

De economische en exacte vakken wogen wat lichter omdat meisjes met aanleg voor deze vakken de HBS A en B konden volgen. Ook lessen in vakken als fijne handwerken, voordrachtskunst, psychologie, sociologie, kunstgeschiedenis en godsdienst moesten gevolgd worden. Het eindexamen MMS gaf, in tegenstelling tot de HBS, geen toelating tot de universiteit, maar wel tot een aantal voortgezette middelbare opleidingen zoals de kweekschool, de kunstacademie en de school voor maatschappelijk werk.

 

HBS

Jongens uit de gegoede stand gingen naar de HBS (Hogere Burgerschool). De HBS werd ingevoerd bij de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863 van Johan Rudolf Thorbecke die een nieuw schooltype in gedachten had. Het moest algemeen vormend zijn én handel en industrie dienen. Er bestonden twee soorten, namelijk de driejarige en de vijfjarige HBS. Bij beide lag de nadruk op het onderwijs in wiskunde, exacte vakken en moderne talen. 

In het begin mochten meisjes in principe niet naar de HBS, dit mocht slechts na toestemming door de minister. Pas in 1906 werd deze verplichting afgeschaft. In grote steden werden ook aparte meisjes HBS-en met zesjarige cursus gesticht, vaak in samenhang met een Middelbare Meisjesschool (MMS).

 

Kweekschool, en internaten (kostschool)

Tot in de jaren zestig was een aanzienlijk deel van de katholieke middelbare scholen een kostschool of internaat: een school waar leerlingen intern verbleven. Internaten waren er op alle onderwijsniveaus: gymnasia, ambachtscholen en kweekscholen. Zulke scholen werden geleid door religieuzen, die toezagen op orde en tucht. Rond 1970 zijn de meeste van deze kostscholen gesloten. Een klassieke kostschool had veel verschillende ruimtes voor de verschillende activiteiten die door de begeleiders werden bepaald. Deze activiteiten hadden een vooraf bepaalde structuur en tijdstip waarop ze plaatsvonden. Deze programma’s moesten strikt worden gevolgd.

Tot de ruimten in een kostschool behoorden de slaapzaal, waar de leerlingen gezamenlijk de nacht doorbrachten, de eetzaal, waar de leerlingen op vaste tijden een maaltijd nuttigden, en een studiezaal, waar de leerlingen hun huiswerkwerk maakten, uiteraard onder toezicht ! Bovendien had een kostschool faciliteiten zoals douche en toilet. De meeste kostscholen hadden ook een speelplaats en organiseerden activiteiten voor de studenten. Tegenwoordig worden deze programma’s opgesplitst naar leeftijd en krijgt elke leeftijdsgroep eigen verantwoordelijken. Daarnaast zijn er in Nederland en België ook verschillende internaten voor schipperskinderen.

 

Patronaten

Een club voor jongens en meisjes onder leiding van een geestelijke. Patronaten waren vooral gericht op godsdienstonderwijs, vakonderwijs en ontspanningsactiviteiten, met het doel de jongens en meisjes van de straat en uit het café te houden. Bijvoorbeeld: voor een dubbeltje kon men er films van de Dikke en de Dunne (Laurel en Hardy), Charlie Chaplin en Buster Keaton gaan kijken. Dat het er razend druk was in de filmzaal van het patronaat zal niemand die opgegroeid is in de jaren vijftig verbazen. Die films waren enorm populair. De andere activiteiten van het patronaat werden minder druk bezocht door de jeugd. Ook in het patronaat was altijd toezicht aanwezig !


Schoolreisjes
  waren in de jaren vijftig nog geen gewoonte. Op de lagere school werd er vaak voor gespaard, elke week brachten de kinderen een dubbeltje mee naar school. Vlak voor de zomervakantie was het dan eindelijk zover. De bussen reden voor en de ouders zwaaiden hun kinderen uit. De kleintjes gingen meestal naar een grote speeltuin en vermaakten zich daar opperbest. De nonnen schepten met een pollepel ranja uit een melkbus in de emaillen bekers die de dorstige kinderen stevig in hun handjes geklemd hielden. De wat grote kinderen gingen naar Madurodam, de dierentuin, of Scheveningen waar ze de meegebrachte inmiddels klef geworden boterhammen met smaak opaten.Schoolreisjes

En ja hoor… de nonnen en fraters kwamen weer met de ranja op de proppen kwamen Die ranja was in de jaren vijftig niet weg te denken en menig kind heeft later nooit ranja meer gedronken! Op de terugreis werd er volop gezongen in de bus, het niet weg te denken “potje met vet” en “chauffeur, chauffeur rij een beetje door” etc. Zelfs de nonnen en fraters kwamen een beetje los. Moe maar vol verhalen rolden de kinderen de bus uit en vertelde opgetogen aan hun ouders over hun belevenissen.

Wat later in de jaren vijftig gingen de leerlingen van de middelbare scholen zelfs naar het buitenland op schoolreis,  bijvoorbeeld naar de Ardennen.

 

Schoolplaten en hun geschiedenis

Een schoolplaat of een plaat voor het aanschouwingsonderwijs werd gebruikt als illustratie bij de verhalen die de schoolmeester vertelde. Het aanschouwingsonderwijs was een leermethode die ontwikkeld is in de negentiende eeuw, waarbij Lagere School kinderen door zien, horen, ruiken, tasten of voelen vertrouwd raakten met de dingen om hen heen.

De platen werden gemaakt naar tekeningen, schilderijen of aquarellen en op linnen of karton geplakt. De eerste 40 platen werden in 1839 door Berend Brugsma uit Duitsland gehaald, waar ze gebruikt werden voor het onderwijs aan dove kinderen

In 1857 ontwikkelde onderwijzer Hendrik Jan van Lummel een serie van 48 platen. Van Lummel tekende zelf de platen en schreef de handleidingen erbij. Deze werden uitgegeven door Kemink en Zoon uit Utrecht. De tweede serie van 35 platen verscheen in 1862. In totaal maakte van Lummel ruim 150 platen verdeeld in vier series: ‘In en om ons huis’, ‘Landbouw en veeteelt’, ‘In de dierenwereld’ en ‘Handel en bedrijf’. Na zijn dood in 1877 werd zijn werk voorgezet door Josef Hoevenaar. Rond 1900 werden de platen ook van Franstalige teksten voorzien, zodat ze in België gebruikt konden worden.


Marinus Adrianus Koekoek (1873-1944) maakte biologieplaten die gebruikt werden op de lagere scholen bij het vak kennis der natuur. Hij maakte twee series van twaalf platen: ‘In ons land’, met onder andere ‘In sloot en plas’ en ‘Vogels in de winter’. De tweede serie was ‘Buiten ons land’, met onder andere ‘In een Duits bergwoud’ en ‘In de Siberische vlakte’.
Tussen 1905 en 1909 werd door uitgeverij  J.B. Wolters in Groningen ‘Het Volle Leven’ uitgegeven. Het bestond uit vier series van zes schoolplaten met bijbehorende handleidingen en werkboekjes. Ze waren geschreven door Jan Ligthart, Hendricus Scheepstra en W. Walstra. Noordhoff kwam in  1934 voor het laatst met een serie schoolwandplaten. Wolters ging nog door tot 1954. Door de fusie in 1968, kwamen alle platen in één archief. 

 

Sparen voor de missie

Op de lagere school was het de gewoonte om zilverpapier te sparen voor de missie. Ik heb nooit begrepen wat daarmee werd gedaan en het werd ook niet uitgelegd. De kinderen vonden het raar dat zij bijvoorbeeld de chocolade opaten en de negertjes het zilverpapier kregen. Pas veel later kwam men te weten hoe het in elkaar zat. Het zilverpapier, waarin vooral chocoladerepen en bonbons zaten verpakt, werd gerecycled. In het zilverpapier zat vroeger stanniool, een zeer dun gewalst tin. En dat bracht geld op. Het ging niet om grote bedragen, maar ’enige waarde’ had het wel en in die tijd hielpen alle beetjes.

De zilveren kleur had volgens sommigen ook een ’symbolische waarde’. Ook de doppen van melkflessen werden ingeleverd. Bij de katholieken gooide je dit vaak in een missiebusje en op de zondagsschool had men een zwarte pop die het zilverpapier in ontvangst nam. Het inzamelen van zilverpapier stamt uit het begin van de 20ste eeuw.

In de jaren vóór de oorlog gebeurde het op grote schaal. Toen waren er ook overal op de wereld missionarissen aan het werk. Eind jaren vijftig is het gebruik verdwenen.

 

De Melkbrigade

Maurits Aronson, directeur van reclame-bureau Prad, besluit om zich samen met een creatief team in een hotel in Wageningen op te sluiten om een reclamecampagne verzinnen die gericht is op de jeugd en die ook effect heeft op de lange termijn. Ze komen met het M-plan, een plan waar ook reclamechef Krijnen van het Zuivelbureau direct enthousiast over is. Krijnen: “Jongeren moesten melk drinken en konden zo lid worden van de M-brigade, ze werden dan echte Melkbrigadiers.”

Melkbrigadiers zijn flink en sterk en daar wil je wel bijhoren. Om Melkbrigadier te worden, moest je een logboek bijhouden, dat je kon afhalen bij je melkman of kruidenier. In het logboek moest je de extra glazen melk aangeven die je, naast je gewone porties melk, op een dag gedronken had. Na dertig glazen was het logboek vol en kon je het laten ondertekenen door je ouders en opsturen naar het Zuivelbureau. Het Zuivelbureau stuurde dan een mouwembleem met een M en je was bevorderd tot M-brigadier.

Het blijkt wel dat kerk en school in de jaren vijftig een stevige band hadden. Langzaam maar zeker groeiden het aantal leken onderwijzers en onderwijzeressen op de scholen. En in de beginperiode van de jaren zestig was het aantal nonnen en fraters op de scholen sterk afgenomen. De jeugd wende snel aan de nieuwe tijd en was blij met elk stukje extra vrijheid. Het keurslijf ging wat losser zitten. Het straatbeeld veranderde, het leven ging in een hogere versnelling, maar het aansturen moest nog geleerd worden. De komende jaren zou men hier de handen aan vol hebben.De campagne is een onmiddellijk succes en de opzet dat melk drinken flink is, lijkt ook te werken. Een M-brigadier kon namelijk nog een M-brevet verdienen door middel van het doen van “verrichte flinke daden”. Volwassenen mochten kinderen voordragen voor zo’n brevet. M-brigadiers hadden met hun M-paspoort gratis toegang in diverse dierentuinen en attractieparken, en er waren M-optochten en M-feesten. Het was een enorm succes.Op 25 november 1958 gaat de Melk-brigade van start. Het Zuivelbureau geeft een persconferentie waarin het principe van de M-brigade wordt uitgelegd en waarbij ook twintig ere-melkbrigadiers aanwezig zijn. Deze twintig mensen waren bekende Nederlanders als kunstschaatsster Sjoukje Dijkstra, parachutiste Willy Geertsema, scheidsrechter Leo Horn en straaljagerpiloot John Block. Deze stoere mensen zijn het levend bewijs dat je van melk drinken flink en sterk wordt.

 

Radio en televisie in de jaren vijftig

 

Radio 

In de jaren vijftig waren de uitzendingen horizontaal geprogrammeerd. Iedere uitzending werd op dezelfde tijd op dezelfde zender en bij dezelfde omroep uitgezonden. Vooral op de zaterdagavond en de zondagen werd er veel uitgezonden. Op de avonden dat er een hoorspel werd uitgezonden waren de straten uitgestorven. Het hele gezin had zich om de radio geschaard en luisterde naar “Paul Vlaanderen” en “Sprong in het heelal”.

Een krant met pel-pinda’s op schoot, kopje thee bij de hand, schemerlampjes aan voor de sfeer en de avond kon niet meer stuk. Verder luisterden we naar: “Ochtendgymnastiek” (‘Goeiemorgen luisteraars…staat u allen klaar ?’), “De groenteman”, “Moeders wil is wet” en nog veel meer.

allerlei tunes van bekende radio programma’s in de 50er jaren zijn te beluisteren via www.kwaad.net/Radio.html

 

De toestand in de wereld

Analyse van de politieke situatie in de wereld door meester G.B.J. Hiltermann. In 1956 begon Hiltermann zijn wekelijkse column voor de AVRO-radio. “De toestand in de wereld” werd direct na het nieuws van één uur op zondagmiddag uitgezonden. Hij bleek in staat de meest complexe ontwikkelingen in tien minuten helder uiteen te zetten. Zijn scherpe en erudiete analyses werden zowel geroemd als bekritiseerd. Hiltermanns feitenkennis werd nooit in twijfel getrokken. Wel kreeg hij kritiek voor de stellige overtuiging waarmee hij zijn opinies verkondigde.

 

Nederlandse Strijdkrachten

Zondags (na het wekelijkse Toestand in de Wereld van Mr. G.B.J. Hiltermann) verzorgde Roel Balten een verzoekplatenprogramma voor de Ned. Strijdkrachten. Het programma begon altijd met de Manoeuvremars.

 

De waterhoogten van hedenmorgen

De Waterstanden voor binnenschippers: “De waterhoogten van hedenmorgen” klonk het vroeger op de radio en werden met een monotone stem voorgelezen. Na de beginaankondiging (9.10 uur) werden een reeks plaatsnamen genoemd, beginnend met Konstanz en eindigend met Grave beneden de sluis.

 

Mededelingen ten behoeve van land- en tuinbouw

En hoe vaak hebben we de Mededelingen ten behoeve van land- en tuinbouw om 12.30 uur ook wel niet gehoord?

 

Arbeidsvitaminen

Het radioprogramma “Arbeidsvitaminen” bestaat sinds 19 februari 1946, waarmee het het langstlopende landelijke radioprogramma ter wereld is. Op 19 februari 1946 ging de eerste uitzending van start. Het eerst gedraaide nummer was: “Go Ahead” van the Colombia Orchestra. Iedere aflevering staat er een bedrijf of vereniging centraal. De eerste jaren was er enkel muziek. In de jaren zestig werden er presentatoren aangetrokken.

 

De bonte dinsdagavondtrein

“De bonte dinsdagavondtrein” was een radioprogramma dat van 1936 tot 1940 werd uitgezonden. Enkel de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een vroegtijdig einde. Geen nood, na de grote wereldbrand werd de draad weer opgepakt tot in… 1957. De bonte dinsdagavondtrein dankt zijn naam aan drie belangrijke elementen van het programma: het had de vorm van een bonte avond. Het werd op dinsdag uitgezonden en het publiek werd per trein naar Hilversum vervoerd en vervolgens door het Philips Fanfareorkest naar de AVRO-studio’s begeleid.

Het programma was ontstaan uit de vele wijd en zijd verspreide amusementsavonden die de Nederlandse omroepen destijds her en der in het land organiseerden om nieuwe leden te werven. Het was een van de populairste programma’s uit die dagen en het zorgde voor de eerste landelijke bekendheid van artiesten als Snip & Snap, Bobbejaan Schoepen, Toon Hermans, Rudi Carrell, en Willy Alberti.

 

Negen heit de klok

“Negen heit de klok” was een Nederlands radioprogramma dat van 1949 tot 1954 werd uitgezonden door de KRO. Het programma werd bedacht door Jan de Cler en Alexander Pola, die ook de belangrijkste medewerkers waren. In tegenstelling tot andere amusementsprogramma’s haakte het regelmatig in op de actualiteit. Zo schreef Jan de Cler elke week een actuele tekst op de herkenningsmelodie. Tijdens het programma werden sketches en liedjes uitgezonden, begeleid door het KRO-orkest onder leiding van Klaas van Beeck. Tot de velen die aan het programma medewerkten behoorden Jules de Corte, Wam Heskes, Jacques van Kollenburg en Piet Ekel. Negen heit de klok werd niet uitgezonden tijdens de vastentijd, omdat de KRO dit niet gepast vond.

 

Showboat

Wim Sonneveld (1917-1974) dankte zijn populariteit voor een groot deel aan de radio. Vanaf oktober 1953 kroop hij in het VARA-programma “Showboat” wekelijks in de huid van de orgeldraaier Willem Parel. Kreten als, “niet op reageren Lena” en “waterverf”, waren in die dagen dankzij deze creatie veel gehoorde kreten op straat.

 

De familie Doorsnee

Annie M.G. Schmidt schreef zes jaar lang op onnavolgbare wijze de belevenissen van een ogenschijnlijk gewoon gezin. De bioscopen waren leeg wanneer “De familie Doorsnee” op de radio was.

Elke 14 dagen zond de VARA op maandagavond tussen 13 oktober 1952 en 21 april 1958 de serie “In Holland staat een huis” uit, in de volksmond bekend als “De familie Doorsnee”.  De teksten waren van Annie M.G. Schmidt, de muziek van Cor Lemaire.

De afleveringen hadden minstens 1 à 2 liedjes die werden begeleid door Cor Lemaire, piano en Jan Blok, gitaar. Bekende liedjes uit de serie waren onder andere “Ik ben Alie Cyaankali”, “Geachte cliënten, het wordt lente”, “Met Willem naar de fillem” en “Als moeder jarig is”. De hoofdfiguren in de serie waren de leden van de familie Doorsnee, de mopperende vader en sussende moeder en hun rebelse kinderen Rob en Liesbeth.

Andere vaste figuren waren werkster Sjaan en haar (politie)man Willem. Rolverdeling: Vader Doorsnee – Cees Laseur, Moeder Doorsnee – Sophie Stein, Rob – Kees Brusse, Liesbeth – Lia Dorana, Sjaan – Hetty Blok en Willem – Jo Vischer Jr.De uitzendingen werden gepresenteerd door Wim Ibo. Het was één van de populairste Nederlandse radioprogramma’s in die tijd.

 

De Wadders

(1957 – 1961)

Een vervolgserie van Jan de Cler uitgezonden door de KRO op zondagmiddag. Detective Loeris en zijn assistente Sientje begeven zich tussen moordenaars en maffiabazen maar weten altijd te ontkomen door gebruik te maken van bizarre judogrepen. Er zijn maar liefst 150 afleveringen gemaakt van dit hoorspel. De laatste aflevering was op 21 juni 1961.

 

Koek & ei

Het hoorspel “Koek & ei” gaat over de beslommeringen van een gezin aan de ontbijttafel. Hoofdpersoon is Ko van Dijk in de rol van kantoorbediende Albert de Koning. Hij heeft hoogdravende dagdromen waarover hij op gloedvolle wijze kan vertellen. Verder schuiven aan: Conny Stuart als zijn vrouw Jo de Koning-Spruyt, Joop Doderer als Opa Bobby (‘De pindakaas is op !’) en Johan Kaart als Opa Roel Spruyt (‘Nou zou ik wel eens een mok sterke thee lusten, maar dan ook een mok !’).

 

Sprong in het heelal

Iedere aflevering start – de fans zullen het zich herinneren – met Dean Martin’s “How do you like your eggs in the morning ?” (wilt u het nog eens horen, klik hier). “Koek & ei” werd voor publiek opgenomen in het Minerva-paviljoen en werd door de AVRO uitgezonden tussen 1958 en 1961, altijd op donderdagavond. Van de ongeveer 145 uitzendingen zijn helaas maar weinig professionele opnames bewaard gebleven. De meeste banden zijn in het verleden gewist. Het “Marsmysterie” is het succesvolste science fiction-hoorspel dat in de jaren vijftig op de Nederlandse radio werd uitgezonden. Het uit drie series bestaande feuilleton werd gebaseerd op het BBC-hoorspel “Journey into space” van de Engelse schrijver Charles Chilton. In Nederland werd het hoorspel, vertaald door Eddy Franquinet en geregisseerd door Léon Povel, uitgezonden tussen 1955 en 1957.

Serie 1: Operatie Luna, Serie 2: Het marsmysterie en Serie 3: Mars slaat toe.

In “Sprong in het heelal, het Marsmysterie”, wagen kapitein Jeff Morgan, ingenieur Steve Mitchell, telegrafist Jimmy Barnett, dokter -Doc- Matthews in hun ruimteschip Discovery de sprong van de maan naar de geheimzinnige rode planeet Mars. Daar wordt de bemanning in een piramidevormige stad geconfronteerd met onder meer onverklaarbare slaapaanvallen, mysterieuze ruimtemuziek, maar ook met vreemde wezens. Met de stemmen van o.a. John de Freese, Paul Deen, Adolf Bouwmeester, Jan Borkus, Peter Aryans, Paul van der Lek en Jo Vischer jr.

 

Paul Vlaanderen

“Paul Vlaanderen” werd voor het eerst in 1939 op de Nederlandse radio uitgezonden Deze hoorspelserie was zeer populair, er werd massaal voor thuisgebleven Men kan wel stellen dat dit het beroemdste radiohoorspel is dat ooit in Nederland werd uitgezonden. “Paul Vlaanderen” was gebaseerd op de boeken van “Paul Temple” van de Engelse schrijver Francis Durbridge. De eerste serie, “Send for Paul Temple”, werd al in 1938 door de BBC uitgezonden. Naast het hoorspel zou de beroemde detective ook opduiken in films en later op de televisie. Uiteindelijk kwam er ook nog een stripverhaal op de markt.

Het succes op de radio is vooral te danken aan de spannende geluidseffecten, aan het eind van elke aflevering en vooral het resolute optreden van de hoofdpersoon. De rol van Paul Vlaanderen werd vertolkt door Jan van Ees en Eva Janssen speelde vanaf 1948 de rol van zijn vrouw Ina.

Een andere bekende medewerker was Donald de Marcas, die het hulpje Charlie speelde. Helaas zijn de meeste hoorspelen niet bewaard gebleven. Herhalingen van oudere Paul Vlaanderen hoorspelen zijn nog wel regelmatig te beluisteren in Engeland en Duitsland als de Paul Temple hoorspelen

 

De omroepen hadden hun eigen orkesten

The Ramblers

Wie herinnert zich niet het orkest The Ramblers uit onze prille jeugdjaren. Werd opgericht in 1926 o.l.v. Theo Uden Masman en startte bij de VARA. In 1933 werd het eerste radioconcert gegeven voor de VARA, er zouden er nog meer dan tweeduizend volgen. The Ramblers introduceerden de swing in Nederland.

Ook na de oorlog bleven The Ramblers nog lange tijd populair. Jack Bulterman was de motor achter Nederlandstalige succesliedjes als “Wie is Loesje”, “Het proces van Pietertje Swing”, “Meneer de baron is niet thuis”, “De Ramblers gaan naar Artis” (van Paul Roda) en “Weet je nog wel die avond in de regen ?”. In 1992 werd het orkest opgenomen in het Guinness Book of Records als het oudste orkest ter wereld.

 

De Skymasters

De Skymasters het radio-orkest en big-band van de AVRO (ook bekend als het: AVRO Dansorkest), dat ook veelvuldig voor publiek optrad werd opgericht in 1945. De Skymasters speelden veel Amerikaanse muziek, maar ook Nederlands en eigen werk stonden op het repertoire. Het orkest bestond tot in de jaren negentig, maar was vanaf 1985 niet meer wekelijks op de radio te horen.

Talloze Nederlandse musici vonden in de loop der jaren emplooi bij de Skymasters.

Onder andere: Pi Scheffer, dirigent en trombone, Annie de Reuver als zangeres, Karel van der Velden als zanger, Willy Schobben speelde er trompet, Dick Scherpenhuizen zat achter de piano en ook Greetje Kauffeld startte haar carrière als soliste bij de Skymasters in 1957. En het liedje bekende liedje “Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen” werd bekend door Annie de Reuver en Karel van der Velden.

 

KRO dans orkest

onder leiding van Klaas van Beeck

In 1946 gaf de KRO Van Beeck opdracht een dansorkest te formeren. Twee jaar later trad hij in vaste dienst en kreeg hij ook de leiding van een KRO-amusementorkest, waarvan kleine combinaties als een ballroomorkest deel uitmaakten. Zijn grote orkest werd breed bekend door de jarenlange ondersteuning van de radioprogramma’s “Negen heit de klok” en “Tierelantijnen op zaterdagavond”. Van Beeck functioneerde hierbij ook als muziekregisseur.

Het Metropole Orkest werd in 1945 opgericht door Dolf van der Linden en stond direct al in de belangstelling. Dolf van der Linden had de opdracht gekregen een radio-ensemble te formeren dat op hoog niveau jazz en pop kon spelen. Hij rekruteerde musici in geheel Europa en ontwikkelde een fris en uitdagend muzikaal concept dat na de cultuurarme oorlogsjaren warm werd onthaald. Vijfendertig jaar leidde Dolf van der Linden het orkest van succes naar succes. 

 

Het Metropole Orkest

onder leiding van Dolf van der Linden

Via radio, en in latere jaren ook televisie, werden naam en de faam van het Metropole Orkest verbreidt. Internationale tournees en registraties van de European Broadcasting Union (EBU) brachten het Metropole Orkest bij talloze luisteraars in de gehele wereld. Als grootste verdienste van Dolf van der Linden mag gezien worden dat hij het Metropole Orkest een duidelijke identiteit gaf, het orkest liet groeien in een verscheidenheid van muzikale stijlen en technische innovaties stimuleerde.

 

Radio voor de jeugd

Het was leuk voor de kinderen op de radio, zowel voor de hele kleintjes als voor de wat grotere kinderen. Ik herinner mij nog dat ik bij radioprentenboek op zondagmiddag zowat met mijn oor tegen de radio aan zat. En bij “Paulus de boskabouter” vergat ik alles om mij heen, zo leuk en spannend waren de avonturen van Paulus. Ik luisterde ook naar “Ernstjan en Snabbeltje”, “Saskia en Jeroen”, en “Soebkad uit de pot”. De stem van Donald de Marcas, die in veel hoorspelen te horen was, is mij altijd bij gebleven. Kortom het was leuk om als kind in de jaren vijftig naar de radio te luisteren.

 

Kleutertje luister

“Kleutertje luister” was een radioprogramma voor kleuters dat door de AVRO werd uitgezonden van 1946 tot 1975. Het programma werd gepresenteerd door Herman Broekhuizen en Lily Petersen, vaste pianist was Arie Snoek

De meeste teksten en liedjes waren van de hand van Herman Broekhuizen. Later werd deze opgevolgd door Joop Stokkermans. In de uitzending, die 10 minuten duurde, werden verhaaltjes verteld en liedjes gezongen met kinderen. Er was een vaste groep kinderen aanwezig in de studio.

Doel van het programma was, volgens de samensteller, een opvoedend klimaat te creëren om de kleintjes, als ze voor de microfoon zaten, vervolgens gewoon ‘zichzelf’ te laten zijn. Eens in de twee weken werden buiten de studio opnames gemaakt. De beroemde openingszin van Lili Petersen luidde: “Hallo kindertjes van het hele land.” Het kinderprogramma werd dertig jaar lang op de radio uitgezonden.

Het klokje van 7 uur en dus….

Dit radioprogramma werd door de AVRO in de jaren ’50 en ’60 uitgezonden. Henk de Wolf (1898 – 1989) schreef onder het pseudoniem Emil v.d. Brande de verhaaltjes, o.a de verhalen over Koning Kaskoeskilewan, hofnar Krokeledokus en het koksmaatje, die hij samen met de muzikale begeleiding van Pierre Palla (orgel) op de radio bracht.

 

Radio Prentenboek

Het Radio Prentenboek werd gepresenteerd door Annemarie Lippes en Wim Quint (Quint presenteerde ook het kinderprogramma Wigwam zaterdagsmiddags) en was iedere zondagmiddag om 14.30 uur. Het werd aangekondigd als een programma voor jong en oud. De eerste uitzending zou in 1947 hebben plaatsgehad op basis van een idee van Wim Quint.

Eén van de hoofdbestanddelen van “Radio Prentenboek” was het wekelijkse minihoor-spel, waarbij ook vervolgafleveringen werden opgenomen om het één en ander spannend te houden en de kinderen de daarop volgende zondag ook weer te kunnen aantreffen bij de radio. In het mini-hoorspel waren avonturen van Pim en Wiebe te horen met o.a. in het Wilde Westen en met de ‘beruchte’ tweeling, die beiden tegelijk praatten (vanaf 1953 geschreven door Wim Meuldijk). De stem van Pim werd vertolkt door Rijk de Gooyer.

 

Paulus de boskabouter

(door Jean Dulieu)

Van 1955 tot 1964 heeft de Vara-radio ongeveer 900 uitzendingen van 10 minuten aan Paulus de boskabouter gewijd. Twee maal per week, iedere woensdag- en vrijdagavond was er om vijf voor zeven een uitzending. Het was ongelooflijk leuk en natuurlijk stopte het verhaaltje net op het spannendste moment zodat we moesten wachten op de volgende uitzending. De verschillende stemmen die Jean Dulieu allemaal zelf doet, zijn zo karakteristiek dat ze menigeen nog in de oren klinken. Alleen voor de stem van het elfje Priegeltje riep hij de hulp in van zijn dochter Dorind.

 

Saskia en Jeroen

(door Jaap ter Haar)

In 1953 start de NCRV een serie hoorspelen over de tweeling Saskia en Jeroen door schrijver Jaap ter Haar (1922 – 1998). Zijn eigen kinderen (o.a. een tweeling, met de namen Sakia en Jeroen) staan hiervoor model. De eerste aflevering werd in 1953 uitgezonden. Het werd een groot succes, er kwamen uiteindelijk 120 afleveringen. Drie jaar lang hebben talloze kinderen (en volwassenen) naar de avonturen van Saskia en Jeroen kunnen luisteren. Omdat de echte tweeling hinder ondervond van het succes, stopte Jaap ter Haar de serie en werden de verhaaltjes in boekvorm uitgebracht. Ook deze serie liep als een trein.

 

Ernstjan en Snabbeltje

(door Jaap ter Haar)

Op een dag neemt Ernstjan stiekem zijn eendje mee in de bus. Maar Snabbeltje ontsnapt en poept op de tas van een mevrouw ! Hoe zal dat aflopen ? Als Ernstjan naar binnen wordt geroepen om een boterham te eten, zet hij Snabbeltje zolang in de vuilnisbak. Maar als Ernstjan binnen zit, komt de vuilniswagen langs. Snabbeltje is weg ! Daar moet Ernstjan achteraan…

 

Monus de man van de maan

Uitgezonden als hoorspel op de VARA-radio, zondagmiddag 17.30 uur, in de jaren vijftig. Professor Andree, hoogleraar in de ruimteluchtvaart en zijn assistent, ingenieur Harm Peters, hebben een ruimteschip gebouwd, waarmee zij na toestemming van de regering naar de maan vliegen. Tot hun grote verbazing en schrik, blijkt de maan bewoond te zijn. Ze ontmoeten er Monus, de maanwachter, die hun al had zien aankomen en hun opwacht.


Soebkad uit de pot

De maanmensen leven in een stad, Sinopol genaamd, onder de grond en maken zelf lucht en water, zodat ze kunnen blijven leven. Van Monus leren ze hoe kleinzielig aardemensen zijn. Ze zijn hebzuchtig, maken ruzie en praten veel te veel. Maanmensen zijn rustig en hebben geleerd om niet om stoffelijke zaken als goud en diamanten te geven. Ze spreken af om met Monus terug te reizen naar de aarde, zodat hij de mensen op aarde kan leren, hoe ze in vrede met elkaar kunnen leven !

 

(door A.D. Hildebrand)

Dit radiohoorspel werd op zondagnamiddag eind jaren vijftig uitgezonden door de VARA-radio. De hoofdfiguur is professor Kraay’s zoon Tom. Hij krijgt van zijn vader de opdracht bij een verkoping op enkele antieke voorwerpen te bieden. Samen met zijn vriend Paul Potter gaat Ton er op af. De knapen slagen er in voor een prikje een oude oosterse pot te bemachtigen. Groot is hun verrassing als bij het openen van de pot blijkt, dat er een oosterse geest, een dzjinn, in zit, die zich voorstelt als Soebkad.

Hij is zo blij na eeuwenlange opsluiting eindelijk uit zijn isolement verlost te zijn, dat hij Ton Kraay als zijn meester erkent en hem belooft iedere wens die Ton maar bedenkt, te vervullen. Maar Ton moet er wel even aan wennen, alles te kunnen krijgen wat zijn hart begeert. Hij vergist zich keer op keer bij het uitspreken van zijn wensen. En…. het was  heel erg was spannend !

 

Kinderkoren op de radio in de jaren vijftig

De kinderkoren met de welsprekende namen als ‘de Leidse Sleuteltjes’, ‘de Karekieten’, ‘de Schellebellen’, ‘de Damrakkertjes’ en ‘Kinderkoor Jacob Hamel’ waren in de jaren ‘50/’60 en ’70 de voorlopers van het tegenwoordige ‘Kinderen voor Kinderen’ koor. Via de radio, grammofoonplaat en later de televisie luisterden we naar de welbekende kinderliedjes.

 

De Leidse Sleuteltjes, o.l.v. Henk Franke, zongen liedjes van Annie M.G. Schmidt. Bijvoorbeeld: “Dikkertje Dap”, “Het Fluitketeltje” en “Beertje Pippeloentje”.

 

De Karekieten, o.l.v. Willy François, zongen met Heleentje van Capelle het liedje “Naar de speeltuin” (1951) en ook brachten zij een singeltje uit met dé bekende Sinterklaasliedjes en Kerstliedjes.

 

Avro’s kinderkoor. In 1929 werd het AVRO’s kinderkoor opgericht onder leiding van Jacob Hamel (1883-1943). Elke dinsdag rond 17.00 uur was er een uitzending van het kinderkoor op de radio. Er verschenen boekjes en lp’s met liedjes die door het koor werden gezongen.

 

De Schellebellen was een Schiedamse kinderkoor o.l.v. Paula van Alphen met het orkest o.l.v. Jack Bulterman.Het Kinderkoor Jacob Hamel, o.l.v. Herman Broekhuizen, zong een serie van 8 singels met de titel ‘Zingen in de kring’ vol. Dit waren van die heerlijke kinderliedjes die je nooit meer zou vergeten: Ken je ze nog: “Schipper mag ik overvaren”, “Boer wat zeg je van mijn kippen”, “Zakdoekje leggen”, “Elsje Fiederelsje”, “Ozewiezewoze”, “In Den Haag daar woont een graaf”, “Daar zat een aapje op een stokje” en “Moriaantje zo zwart als roet”.

 

De Damrakkertjes. De Amsterdamse (koor) dirigent Hans de Jong (1908-1994) had in de jaren ’50 enkele koren onder zijn hoede, waaronder het Amsterdams Vrouwenkoor. Een paar vrouwen van dit koor vroegen de dirigent om een koor voor hun kinderen op te richten. Zo ontstond in 1957 het kinderkoor ‘Zingende Jeugd’. Platenmaatschappij Philips wist dit koor al snel te vinden en de eerste plaatopnames volgden, zoals het bekende “Zing ze maar mee”. Al na een paar maanden kon het koortje een koor worden. De naam werd veranderd in ‘De Damrakkertjes’. Zij traden op in zalen en voor radio en televisie. Succesnummers waren onder meer “Dikkertje Dap” en “De Scharensliep”. Maar ook de programma’s met de kerstliedjes waren zeer populair.