Textielfabrieken

Na de onafhankelijkheid van België in 1830 kwam de industrialisatie in Nederland pas echt op gang. De textielindustrie werd door het Rijk in Twente sterk gestimuleerd. Verder kwam een grote concentratie van textielfabrieken in Brabant te liggen. 

De textielindustrie is een bedrijfstak waarbij machinaal of met huisnijverheid textiel wordt geproduceerd. Het is gebaseerd op het proces van het omzetten van vezels in garen, dan stof, en dan textiel. Vervolgens kan hiervan kleding of andere artefacten gemaakt worden.

In de textielindustrie is katoen de belangrijkste natuurlijke vezel. Er is een breed scala aan technologie beschikbaar voor het spinnen en de stofvormende fase tot aan de complexe processen voor de afwerking en kleuring voor een breed gamma aan producten.

Textielfabrieken:

 

  • Almelo,

  • Koninklijke Ten Cate NV,   firma Ten Cate die hier 4 fabriekshallen had met de namen: Indië, Java,Tubantia,en Holland. Het bedrijf heeft het hoofdkantoor in Almelo Nederland en werkmaatschappijen in tal van Europese landen, in Noord-Amerika en Azië. 

    KTC is voortgekomen uit H. ten Cate Hzn. & Co. Dit Almelose bedrijf heeft een geschiedenis waarvan het eerste schriftelijke document teruggaat tot 1704, hoewel reeds in 1691 bleek dat de familie Ten Cate zich met de textielhandel bezighield. Het was oorspronkelijk een handels- en handwerkbedrijf. Vanaf het begin van de 19e eeuw groeide de onderneming uit tot een belangrijk industrieel textielbedrijf. Hierin hebben de directeuren Egbert I t/m Egbert III Ten Cate een belangrijke rol gespeeld. Egbert IV ten Cate (1904-1955) was de laatste textielbaron. Vervolgens hield het bedrijf op een familiebedrijf te zijn.

    In 1957 fuseerde ten Cate met de uit 1836 stammende Koninklijke Stoomweverij (KSW) uit Nijverdal. Dit was de eerste naoorlogse industriële fusie in Nederland. De kroon op de fusie werd gezet op 30 april 1958 toen de toestemming afkwam dat de nieuwe NV het predicaat ‘Koninklijke’ mocht voeren. Dit predicaat zat verscholen in de ‘K’ van KSW, zodat men een nieuwe naam moest verzinnen. Dat werd ‘Koninklijke textielfabrieken Nijverdal-ten Cate’, met Nijverdal voorop aangezien het predicaat bij KSW hoorde.

  • Kapokfabriek Nijhuis en Co.
  • Textielfabriek de Grenzen, van de familie Hagedoorn, Gelegen aan het kanaal, haven NZ 77, later textielfabriek Almelo.
  • Firma Gebr. Scholten & Co.
    Opgericht in 1859 door de broers Barend, Gerrit, Jan Frederik en Jan Scholten.
    De fabriek had in het begin veel afzet in Nederlands Indië. Ze produceerden een fijne doeksoort voor onder andere luxe overhemden. Na de samenwerking met L. van Heek te Losser kreeg het de naam "van  Heek en Scholco" en de fabriek in Wierden werd "van Heek Fashion". Ze maakten in die tijd linnenachtige stof van katoen, stof voor overhemden en stof voor beddengoed, shirts, zakdoeken en nog veel meer. De stoffen waren bestemd voor de export naar het toenmalige Nederlands-Indië en om te verkopen binnen Nederland. De firma werd in 1893 omgezet in N.V. Katoenmaatschappij v/h Gebroeders Scholten & Compagnie.
  • Stoomspinnerij Twenthe. In 1914 - 1916 gebouwd naar ontwerp van A.G. Beltman.
  • Almelosche Ververij en Chemische Wasscherij Gebr. Palthe.
  • SESA fabriek (Scholl Engberts en Scholten Almelo.
  • Textielfabriek van Bendien
  • Firma Hofkes. Rond 1830 begon Hofkes met het machinale spinnen van garen uit katoen.  De eerste stoommachine in Almelo deed zijn intrede.
  • Kleding industrie H. Smits & Co.
  • van Weerd's Confectie. Sluiskade Zuidzijde.
  • de Leeuwarder Textiel Maatschappij ELTEM.
  • Textielfabriek Bavink, in 1833 opgericht, in de fabriek van Barend Bavink werd veel bleekwerk verricht voor Ten Cate.
  • Egger vitrage fabriek, gelegen aan de Violierstraat en Deldensestraat.
  • Firma Hedeman
  • Stoomwolspinnerij, katoenweverij en ververij J. ten Bos. Gevestigd aan de Krikkenstraat, hoek Grotestraat.
  • Bernhard ten BruggeCate, later L. BruggenCate, Bornebroekscheweg, kapokfabriek Java.
  • B.C. de la Fontaine Verwey, Ambt almelo, natuur- en stoomblekerij
  • Gebr. Kamphuis, Almelo, Blekerij
  • Fa. H.H.Kolthof, Confectiefabriek, Bakenstraat 32
  • J.H. Nijhuis, Chemische wasscherij, Dekenstikkerij en verstelinrichting, Goudsbloemstraat 3 Almelo
  • Kunstblekerij van de Heer Becking, Ootmarsumsestraat.

 

  • Borne

  • Spanjaard,  Salomon Jacob Spanjaard (Bodendorf, 13 december 1783  Borne, 22 april 1861) was grondlegger van het textielbedrijf N.V. Stoomspinnerijen en Weverijen S.J. Spanjaard in Borne in de Nederlandse provincie Overijssel. Dit bedrijf groeide in de loop van de 19e eeuw uit tot een van de grootste textielfabrikanten in Twente.

    Salomon Jacob Spanjaard werd in 1783 als Salomon Jacobs geboren in Bodendorf, bij Remagen in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts. Rond de eeuwwisseling verhuisde hij naar Nederland, waar hij zich in Zwolle vestigde als koopman. In 1811 trad hij in Borne in het huwelijk met Sara David van Gelder, die net als hij van joodse afkomst was. Hij kreeg vijftien kinderen, van wie er uiteindelijk negen in leven bleven. In 1812 nam Salomon Jacob de naam Spanjaard aan. Op dat moment was hij in Borne actief als verkoper van tweedehands kleding. Waarom hij de naam Spanjaard aannam, is niet bekend. Vermoed wordt dat hij dit deed omdat zijn voorvaderen van Spaanse afkomst waren. In Duitsland werden deze joden namelijk vaak Spanier genoemd. De firma Spanjaard werd waarschijnlijk opgericht in 1828, omdat de oudste handelsboeken van het bedrijf uit dit jaar dateren. Met twee van zijn zoons, Jacob Salomon en Levie Salomon, voerde hij de directie over zijn handelsbedrijf. Tot ongeveer 1850 droeg ook de handel in tweedehands kleding en voedingsmiddelen voor een groot deel bij aan de omzet. Daarna was uitsluitend de productie van en handel in textiel nog van belang.

    Salomon Jacob Spanjaard kocht garens in Engeland en verkreeg ook Nederlandse garens door deelname in de Enschedese Katoenspinnerij. Het bleken en het verven besteedde hij uit aan respectievelijk de Twentse Stoomblekerij in Goor en Ten Cate in Enschede. Hij oefende vanwege zijn handelsdrift een grote invloed uit op het dorp. De textielfabrikant kende een haat-liefdeverhouding met zijn arbeiders. Vanwege een slecht oog stond hij bekend als Sallie Eenoog of de Olde Eenogige.

    In 1852 namen de beide zoons Jacob en Levie voor de som van ƒ 70.905,93 het bedrijf van hun vader over. Op dat moment telde het bedrijf ruim 50 weefgetouwen en had het een paar honderd handwevers onder contract. Salomon Jacob Spanjaard overleed op 22 april 1861, op 77-jarige leeftijd, in Borne.

  • Eindhoven

  • Smits Johannes Theodorus Smits was een molenaarszoon uit Dommelen en geparenteerd aan de Eindhovense fabrikantenfamilie Keunen. Hij vestigde zich in 1779 in Eindhoven en begon in 1786, samen met zijn zwager A. Janssen, een spinnerij voor katoenen garens. Deze firma werd in 1810 ontbonden. Dat jaar werd een doorstart met de Fa. J. Th. Smits & Zn. waarin vijftien katoenspinmachines waren samengebracht die door spierkracht werden aangedreven. Het jaar 1810 betekende daardoor het begin van de fabrieksmatige textielproductie in Eindhoven. Vervolgens kocht Smits in 1812 de Stratumse Watermolen waarbij het fabriekscomplex Den Bouw verrees. Hierin werden in 1817 acht spinmachines geplaatst die door waterkracht werden aangedreven. In 1820 werd een stoommachine aangeschaft, maar deze investering vond geen navolging en in 1832 werd de stoommachine niet meer gebruikt en ging men weer geheel over op waterkracht. De firma heeft tot 1848 bestaan. De familie Smits kwam door de ondernemersactiviteiten tot grote welstand en werd in de adelstand verheven. In 1851 werd de wolspinnerij op Den Bouw hervat door jhr. Th.G.H. Smits van Eckart en jhr. E.J.C.M. de Kuyper. In 1896 kwam aan dit bedrijf een einde als gevolg van een grote brand. In 1928 werden de laatste resten van de fabriek gesloopt. Naast Smits kende Eindhoven in die tijd nog 14 kleinere textielfabrieken. Niet lang daarna echter werden een enkele grote textielbedrijven gesticht door deels autochtone fabrikantenfamilies die geparenteerd waren aan de families Smits en Keunen.
  • Spoor/Van den Briel & Verster Omstreeks 1795 kocht Spoor een huis aan de Dommel en begon een fabriekje voor katoenen stoffen. In 1810 waren er twee fabrieken: een voor katoen en een voor wol. Er waren 44 arbeiders en 87 thuiswerkers in dienst. In 1816 was er een topjaar; er werkten toen 360 mensen voor Spoor. Daarna ging het achteruit. In 1821 overleed Spoor. De fabriek werd overgenomen door zijn zoons. Er kwam een compagnon en omstreeks 1833 heette het bedrijf W. Spoor & Cie. In 1843 werd de fabriek opgeheven en kwam het gebouw leeg te staan.Van den Briel en Verster, ofwel de Koninklijke Eindhovensche Damast-Linnen- & Pellen-Fabriek is opgericht in 1847 als Linnenfabriek C. Van den Briel. Dit bedrijf betrok de leegstaande fabriek van Spoor. In 1888 kreeg de fabriek haar uiteindelijke benaming, toen Van den Briel met Verster ging samenwerken. Het bedrijf lag aan de Dommelstraat en was voorzien van een prachtige natuur-bleekerij in de vorm van een grasveld aan de Wolvendijk. In 1963 ging het bedrijf samen met Van Dissel.  De fabriek werd in 2002 vrijwel geheel gesloopt en  alleen de voorgevel van de fabriek is blijven bestaan. 
  • Schellens In 1839 kwam Jacobus Schellens vanuit Eersel naar Eindhoven. Hij nam de plaats in van De Moll in de reeds bestaande vennootschap tussen Jan Hendrik de Moll en Mathijs Willems. In 1844 werd de vennootschap ontbonden en ging Schellens alleen verder. In 1851 werd door Jacobus Schellens een fabriek voor katoenen en linnen goederen opgericht. Zijn zoon, Johannes Arnoldus Schellens, richtte samen met J.J. Marto een trijpfabriek op. Deze meubelstof werd voordien nog niet in Nederland vervaardigd. Het bedrijf kwam in 1889 aan de Augustijnendreef bij de Dommel te staan, maar na de Tweede Wereldoorlog werd het overgebracht naar bedrijventerrein De Hurk. De gebouwen werden in 1972 gesloopt. In 1982 werd het bedrijf stilgelegd, want de concurrentie was te hevig.  De zoon van Johannes Arnoldus uit een tweede huwelijk, Leo Schellens, ging bij zijn vader werken maar richtte in 1902 een eigen fabriek op onder de naam fa. Leo Schellens & Co.. Hij trouwde in 1901 met Petronella Johanna Maria Keunen die als mede-oprichter en firmant actief betrokken was bij de leiding. Haar nicht Johanna Paulina Keunen en neef Constant Keunen waren als firmant actief betrokken bij het bovengenoemde textielbedrijf Schellens en Marto. In 1903 werd door Leo Schellens & Co een stoommachine aangeschaft die zeven weefmachines in de trijpweverij aandreef. In 1924 werd dit bedrijf een NV onder de naam Leo Schellens & Co.'s Trijpfabriek N.V.. Men moderniseerde voortdurend en had ongeveer 150 mensen in dienst. Dit bedrijf bestaat nog steeds, maar is inmiddels vertrokken van de Vestdijk en uit Eindhoven. Het was het laatste bedrijf dat van de oorspronkelijke Eindhovense textielfabrieken is overgebleven, omdat het zich op mohair velours is gaan specialiseren. Er is ook een vestiging te Deurne (Vescom) waar men eveneens mohair tapijten maakt. Het bedrijf stopte haar activiteiten in Eindhoven in 2009 om te verhuizen naar een nieuw pand aan de Speltdijk 8 te Helmond
  • Kodijko Van Dijk & Comp. werd opgericht in 1852 door Carolus Boromeus van Dijk als een kleine handweverij aan de Tongelresestraat. Hij kwam uit een familie die al sinds de 17e eeuw in de linnenweverij werkzaam was. In 1855 werd het: Van Dijk en Co., waarbij Ignatius de Haes mede-firmant werd, een samenwerking die in 1869 eindigde. In 1885 werd een stoommachine geplaatst die vijf getouwen kon aandrijven. In 1903 werd de naam veranderd in: NV Eindhovensche stoom- en handweverij v/h Van Dijk & Co. Het bedrijf leverde damast aan het hof en in 1918 kreeg het het predicaat Koninklijk. De handelsnaam was toen: Kodijko. In 1959 werd Kerssemakers uit Gestel overgenomen. In 1964 fuseerde Van Dijk met Van Oerle's Band & Damastweverij te Boxtel. De productie werd toen naar Boxtel overgeplaatst en het pand in Eindhoven kwam leeg te staan. Hier trok toen in 1965 het textielbedrijf Van Dissel in, dat reeds was gefuseerd met Van den Briel & Verster. Van Dissel stopte in 1971. Hierop werd de naam Kodijko overgenomen door Linnenweverijen v/h van Dijk & Zn te Waalre, die toevallig ook dezelfde naam had.Tot Kodijko hoorde ook wasserij en ververij De Iris, waar de gegoede burgers hun tafellinnen konden verzorgen. 
  • Holleman/Elias In 1856 werd te Strijp een linnenfabriek opgericht door Joseph Elias. Dit was een uit Hannover afkomstige ondernemer die in 1831 als huursoldaat tegen de Belgen heeft gevochten. Daarna werd hij handelaar en fabrikeur, had een textielfabriekje in Stratum. De Strijpse fabriek werd gestart in een oud fabriekshuis van de fabrikeur in wollen en katoenen stoffen Wouter Holleman. Deze kwam in 1802 Stratum en wilde een textielfabriek beginnen. In 1820 stond hij ingeschreven als textielfabrikant en had 6 à 9 werklieden in dienst, maar in 1855 overleed hij. Het bedrijf lag gunstig ten opzichte van de Gender, die gebruikt kon worden om wol in te wassen. In 1869 schafte Elias een stoommachine van 20 pk aan, waarop 90 weefgetouwen konden worden aangesloten. Enige jaren later werd een damastmachine aangeschaft. Elias zorgde voor vele innovaties. Sinds 1874 heette het bedrijf: Stoom Linnen Fabriek Willem III Koning der Nederlanden. In 1875 waren er 135 werknemers in dienst. Joseph Elias was een der eerste leden van de Sociëteit Amicitia, die er vooruitstrevende denkbeelden opna hield. In 1875 hielp hij mee het Eindhovense Departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen op te richten, die ten doel had om niet-confessioneel onderwijs te bevorderen. In 1961 ging Elias op in de BEHTI. De weverij van Elias werd overgeplaatst naar de grote centrale weverij te Mierlo. De fabriek aan de Strijpsestraat is sedert 1970 nog in gebruik geweest als supermarkt, waarop nog tweemaal een gewapende roofoverval is uitgevoerd, en daarna als snuffelzolder. Rond 1974 was een kleine dependance van de HTS een paar jaar ondergebracht in het kantoorgebouw. Omstreeks 1982 werd de opvallende watertoren van de fabriek opgeblazen. In 1987 werd de fabriek gesloopt.
  • Von der Nahmer In 1830 begon Heinrich von der Nahmer een mechanische wolspinnerij te Geldrop. In 1850 verhuisde zijn zoon, Julius von der Nahmer naar Stratum en begon een eigen fabriek. In 1855 werd dit een fabriek van bukskin. In 1862 brandde de fabriek af en in 1902 sloot de fabriek vanwege economische tegenslagen. Robert von der Nahmer was een wollenstoffenfabriek aan de Geldropseweg. De fabriek is opgericht in 1866 door Robert von der Nahmer (Medenbach, 1837-1908). In 1903 werd het bedrijf gepresenteerd als een fabriek van Buxkins, Laken, Chaiak, Abas en Cheviots en in 1919 als Eerste Nederl. Electr. Wollenstoffenfabriek. In 1909 werd de fabriek nog deels verwoest door brand, maar ze werd weer opgebouwd. In 1925 kwam het in handen van A.G.W. de Rooij uit Tilburg. Bij deze gelegenheid werd het omgedoopt in Eindhovense Wollenstoffenfabriek (EWOFA). Het bedrijf werd opgeheven in 1964.
  • BARA (NV Baekers & Raijmakers' Textielfabrieken) Tot 1868 vormden Willibrordus Johannes Baekers (1840-1907) en Antonius van Moll (1804-1887) de grossierderij in Belgisch goed annex handweverij Baekers & Cie. Na het terugtreden van A. van Moll op 25 juni 1868 werd het bedrijf voortgezet door zijn stiefzoon Leonardus Cornelius Adrianus Raijmakers (1842-1917) en W.J. Baekers onder de naam firma Baekers & Raijmakers en legden daarmee de basis voor de NV Baekers & Raijmakers' Textielfabrieken (vanaf 1952 NV Baekers' Textielfabrieken). Het eenvoudige handweefbedrijf aan de Spoorstraat, (is na de annexatie van Woensel in 1920, Mathildelaan Eindhoven,) werd in 1907 omgezet in een machinale weverij, onder leiding van Hendrikus Judocus Alphonsus Baekers. Men maakte onder meer tijk en markiezendoek. Vanaf 1911 was de stoomweverij H. Baekers gevestigd aan de Christinelaan in Woensel na de annexatie Steenstraat 1 Eindhoven. Na de verkoop in 1916 van het inmiddels te kleine pand aan de Spoorstraat aan de NV Philips, werd de gehele onderneming verplaatst naar de Christinelaan aan de noordzijde van het spoor, tegenover het huidige PSV-stadion. In 1919 werd de onderneming omgezet in een nv en werd er een uitgebreide nieuwbouw gerealiseerd. Tevens werd midden 1920 de voormalige textielfabriek Holland te Mierlo-Hout overgenomen en als filiaalbedrijf voortgezet, tot circa 1926. Rond 1930 telde het bedrijf te Eindhoven op het zeer grote fabrieksterrein van 80.000 m² een bedrijfsbebouwing van circa 15.000 m². In 1961 ging BARA op in de BEHTI, dat later De Haes Holland ging heten, evenals de fabriek van BARA. Uiteindelijk is de productie stopgezet en heeft de fabriek nog een tijdlang leeggestaan, om uiteindelijk gesloopt te worden. Tegenwoordig leeft de naam voort in BV De Haes Holland te Eibergen, een bedrijf dat nog steeds woningtextiel vervaardigt. NV Baekers' Textielfabrieken, Steenstraat 1, Eindhoven is opgeheven op 19 augustus 1966.
  • BEHTI (NV Baekers-Elias-de Haes Textiel Industrie) De BEHTI werd opgericht in 1961 als een samenwerkingsverband tussen Baekers, De Haes en Elias. Reden tot deze samenwerking was de achteruitgang van de economische omstandigheden voor de textielindustrie. In 1965 ging BEHTI op in de KNTU (Koninklijke Nederlandse Textiel Unie), waar 14 andere, onder meer Twentse, bedrijven bij waren aangesloten. In 1973 viel de KNTU uiteen en was de Eindhovense textielindustrie niet meer te redden.
  • De Haes Ignatius Constantinus Johannes de Haes werkte eerst samen met Van Dijk, maar begon in 1869 een eigen linnenfabriek. Dit bedrijfje was aanvankelijk zeer bescheiden. Een tiental arbeiders voerden nabewerkingen uit aan stoffen die door thuiswevers waren vervaardigd. Toen hij in 1898 een erfenis kreeg, schafte hij een stoommachine aan. Vanaf 1902 was het bedrijf volledig gemechaniseerd. De Haes ging ook katoen verwerken en, sinds 1890, produceerde men tijk, een weefsel van linnen en katoen. In 1906 sprak men van een machinale bont- en tijkweverij. In 1911 produceerde men vooral katoenen stoffen. In 1915 kwam het tot de oprichting van een filiaal te Mierlo. Sinds 1920 heette het bedrijf: NV Eindhovensche Katoenmaatschappij v/h Ign. De Haes. Het bedrijf fuseerde in 1961 met Elias en Baekers tot BEHTI. In 1963 werd de productie naar elders overgeplaatst, en in 1965 werd het bedrijf onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU). Hierin werkten 14 bedrijven samen. Dit verband, waarin voornamelijk Twentse textielbedrijven samenwerkten, ging failliet in 1973.
  • Van Dissel E.J.F. van Dissel & Zn. was een linnenweverij die is opgericht door de Bladelse dominee E.J.F. van Dissel. Hij begon een fabriekje in Bladel om wat extra inkomsten te genereren voor zichzelf en een aantal arme boeren. In 1873 kwam hij naar Stratum en in 1875 startte daar de linnen- en pellenfabriek. Het was een klein fabriekje maar, nadat de dominee zich in 1890 had teruggetrokken, ging men kunstzinnige stoffen maken. Ontwerpers als Cornelis van der Sluys, Kitty van der Mijll Dekker, Chris Lebeau en Maurits Cornelis Escher leverden hun bijdrage. Er werd onder meer geleverd aan rederijen van passagiersschepen en aan vorstenhuizen. In 1963 fuseerde Van Dissel met Van den Briel en Verster. In 1971 werd de fabriek gesloten.
  • Schröder J.E. Schröder begon in 1875 bukskin te produceren in een leegstaande Stoom-fabriek van Draadnagels, Springveeren enz. van de Gebr. Raymakers. Het betrof een oude fabriek waar in 1869 een stoommachine van 45 pk in is geplaatst en ook de schoorsteen is gebouwd. Lang heeft de bukskinfabriek het niet volgehouden, want ze kwam leeg te staan en werd in 1891 gekocht door Philips, die er een gloeilampenfabriekje in begon. In 1902 werd overigens nog melding gemaakt van een bukskinfabriek van Gebr. Schröder aan de Kloosterdreef. C.E. Schröder & Zonen was een elektrische linnen- en damastweverij aan de Oude Haven, bij het Eindhovens Kanaal. Dit bedrijf werd in 1935 omgebouwd tot garage en in 1936 in gebruik genomen door Jacques van der Meulen. 
  • Olandilla De Linnen-, Pellen- en Damastweverij Olandilla bevond zich aan de Willemstraat en werd gebouwd in 1895. De eigenaar was Cornelis Johannes Beukers  (Schiedam, 1866 - Eindhoven, 1944).
  • De Heer J. de Heer was een fabriek van Katoenen, Linnen en Wollen Manufacturen. Het pand en een groot stuk grond werd gekocht van Schröder. Later heeft De Heer dit stuk grond verkocht aan Philips, dat daar het hoofdkantoor bouwde dat nu bekendstaat als De Admirant. In 1929 werd ook De Heer's fabriek door Philips gekocht en is de firma geliquideerd.
  • Van Moorsel De familie Van Moorsel was vanaf het begin van de 19de eeuw actief in de textielnijverheid. Amandus H. van Moorsel, apotheker en vele jaren burgemeester, richtte in 1815 een katoenen- en wollenstoffenfabriek op onder de naam: A. van Moorsel & Co.. Deze was gevestigd in Mariënhage. Na zijn dood, in 1822, werd deze voortgezet door zoon A.S. van Moorsel. In 1833 werd de fabriek overgenomen door Van Gennip. Van der Velden stond borg voor hem. De fabriek had in 1852 95 arbeiders en 400 thuiswerkers in dienst. In 1866 werd de eerste stoommachine aangeschaft. Toen echter in 1888 de laatste firmant stierf werd de fabriek beëindigd. In de tweede helft van de eeuw was A. van Moorsel deelgenoot in de firma Van Agt en Comp. In 1885 richtte Willem van Moorsel een stoomweverij op. De hieruit voortgekomen Koninklijke Nederlandsche Flanelfabriek W. van Moorsel & Co. was een flanelfabriek die aan de Paradijslaan was gevestigd.
  • Kerssemakers Linnen- & Damastweverij G. Kerssemakers was gevestigd aan de Hoogstraat te Gestel. Het bedrijf werd reeds vermeld in 1750. Vanaf 1850 vond mechanisatie plaats. De fabriek brandde in 1936 gedeeltelijk uit, maar werd herbouwd. In 1957 werd de fabriek gesloopt ten behoeve van de aanleg van de Boutenslaan. In 1959 werden de restanten van het bedrijf door Kodijko overgenomen.
  • Stoop C.H. Stoop & Cie. "Hofleverancier van wijlen Z.M. de Koning", was een Fabriek van Linnen, Pellen en Damasten Tafelgoed en KatoengoederenCarel Johannes Gerardus Antonius Franciscus Stoop tot Onstein geboren 28-09-1843 in Vorden, zoon van Abraham Adrianus Stoop en Jkvr Mariana Roberta Bernardina Antonia van Grotenhuis van Onstein. Carel is overleden op 10-02-1912 in Stratum, 68 jaar oud. Bij zijn huwelijk in 1868 met Maria Filomina Keunen tekent hij als Ch. Stoop. In 1887 geeft hij als beroep op: Linnenfabrikant. Charles Stoop diende in 1877 bij de Koning het verzoek in het koninklijke Wapen te mogen voeren. De Hofcommissie vroeg hierop nadere inlichtingen bij het Strijpse gemeentebestuur. Dat liet weten dat Stoop een geacht ingezetene was, die een 'goed burgerlijk bestaan' had en dat zijn bedrijf voor wat soliditeit kon wedijveren met dat van J.Elias. Wel was het bedrijf wat kleiner, want het telde, inclusief thuiswerkers maar 33 werknemers.  Het bedrijf wordt niet vermeld in de staat der fabrieken van Strijp en ook niet in de Nijverheidsstatistiek Struve en Bekaar (1888-1890).
  • Bergeijk J. van Bergeijk was een Uitstoomerij & Ververij, gelegen aan de Hoefkestraat. Men noemde dit een blauwververij, daar met indigo het textiel hier blauw werd geverfd. 
  • Huifkar Kunstweverij De Huifkar heeft zijn oorsprong in België, waar dhr. Isbouts, een oudgediende van Van Engelen & Evers, samen met de Belgische weefmachinebouwer Van Laere-Huwaere (in Hamme) een etikkettenweverij begon. Begin jaren 60 werd dit bedrijf overgeplaatst naar Eindhoven, waar een nieuwe zakelijke partner was gevonden. Tot 1991 was het bedrijf gevestigd aan de Stuiverstraat, toen het overgenomen werd door Van Engelen & Evers. Men produceerde kledingetiketten, zoals die voor C&A. Het bedrijf was gevestigd in een voormalige draadnagelfabriek (1920) en houtfabriek.

 

  • Enschede

 

  • Van Heek & Co. Van 1780 tot 1967. Eigendom van de familie van Heek. Gelegen tussen de spoorlijn naar Gronau en het centrum van de stad. Delen van het complex zijn bewaard gebleven en verbouwd tot appartementen. Rond 1910 een van de grootste industriële ondernemingen van Nederland. In 1958 kreeg het het predicaat 'Koninklijk'.
  • Spinnerij Tubantia Eigendom van de familie Ter Kuile en gelegen tussen de spoorlijn naar Hengelo en de wijk Tubantia.
  • Rigtersbleek Van 1897 tot 1959. Eigendom van de familie van Heek en vanaf 1935 een NV. Gelegen aan de spoorlijn Boekelo - Oldenzaal EO. Delen van de fabriek zijn tegenwoordig nog aanwezig en het omliggende bedrijventerrein, een voetbalvereniging en korfbalvereniging zijn naar de fabriek vernoemd.
  • Schuttersveld Van 1859 tot 1982. Eigendom van de familie van Heek en vanaf 1948 een NV. Gelegen aan de Tubantiasingel en vlak bij Station Enschede Noord. Tegenwoordig een meubelplein en een lange muur aan de Tubantiasingel is bewaard gebleven.
  • Spinnerij Oosterveld Van 1911 tot 1960/1970. Als onderdeel van Schuttersveld eigendom van de familie van Heek. Gelegen naast de fabriek Rigtersbleek. Grote delen van de gebouwen zijn behouden gebleven en doen nu dienst als bedrijfsverzamelgebouw.
  • Blijdenstein & Co. Van 1857 tot jaren '60. Eigendom van de familie Blijdenstein. Gelegen op verschillende locaties in de stad en in Lonneker.
  • J.F. Scholten en Zonen Van 1815 tot 1977. Eigendom van de familie Scholten tot 1936, daarna een NV. Gelegen aan de Haaksbergerstraat waar tegenwoordig het Medisch Spectrum Twente staat.
  • Katoenspinnerij Bamshoeve Van 1896 tot 1990. Eigendom van de familie Blijdenstein, vanaf jaren 30 een NV, 1962 onderdeel van de KNTU en daarna van Spinnerij Nederland. Meeste gebouwen in de jaren 90 gesloopt en de rest is verloren gegaan bij de Vuurwerkramp in 2000.
  • Rozendaal Van 1907 tot 1988. Eigendom van de familie Rozendaal. Gelegen aan de spoorlijn naar Oldenzaal in de wijk Roombeek. Tegenwoordig is De Museumfabriek in delen van het complex gevestigd.
  • Twentsche Textiel Maatschappij (Tetem) Van 1915 tot 1959. Eigendom van de familie Rozendaal. Gelegen in de wijk Roombeek aan de spoorlijn naar Oldenzaal. Gebouwen zijn gesloopt.
  • N.J. Menko Van 1906 tot ?. Eigendom van de familie Menko, vanaf 1965 onderdeel van KNTU. Gelegen in de wijk Roombeek aan de spoorlijn naar Oldenzaal. Gebouwen deels bewaard gebleven en verbouwd tot appartementen.
  • Spinnerij Roombeek Van 1912 tot ?. Eigendom van de familie Menko vanaf 1965 onderdeel van de KNTU. Gelegen aan de spoorlijn naar Oldenzaal.
  • Jannink Van 1900 tot 1967. Eigendom van de familie Jannink. Gelegen aan de Haaksbergerstraat en de spoorlijn naar Ahaus. Schoorsteen en grote delen van de fabriek bewaard gebleven en verbouwd tot appartementen. Tot 2008 was ook museum Jannink in het complex gevestigd.
  • Nico ter Kuile & Zn. Van 1819 tot 1979. Eigendom van de familie Ter Kuile later van de Nederlandse Bontweverij. Gelegen op verschillende locaties aan de spoorlijn naar Gronau. Delen van de fabriek zijn bewaard gebleven en heeft jaren onderdak geboden aan de fabriek van Polaroid.
  • Textielfabriek Holland Van 1914 tot 1966. Eigendom van de familie Stroink en later onderdeel van de KNTU. Gelegen aan de Parkstraat.
  • Geldrop

 

Wolindustrie

  • C. Frantzen & Cie., opgericht in 1852: mechanisch vollen, verven, scheren en appreteren van laken, dat vooral geëxporteerd werd naar Nederlands-Indië. Er werkten maximaal 18 mensen, doch dit aantal liep terug tot 9 in 1873.
  • Raue & Bodde, opgericht in 1866: In deze lakenfabriek werkten in 1876 al 98 mensen. Er werden toen ook katoenen stoffen geproduceerd. Tegen het einde van de 19e eeuw ging het bergafwaarts en in 1901 werd het bedrijf gesloten. De gebouwen zouden nog door andere bedrijven gebruikt worden.
  • W. van den Heuvel & Zn. was de voortzetting van een oudere fabriek, voortkomend uit de firma Van den Heuvel & Eijcken, die vanaf 1820 bestond. De wollenstoffenfabriek maakte gebruik van de Geldropse Watermolen in de Kleine Dommel voor het vollen. In 1865 kwam er een stoommachine. In 1876 werkten hier 70 mensen. In 1895 werd het A. van den Heuvel & Zoon, in 1911 NV Wollenstoffenfabriek v/h A. van den Heuvel & Zoon. In 1906 was er een brand, waarna een nieuw gebouw verrees. Hieraan was ook een linnenweverij verbonden. Het bedrijf was een der grootste van Geldrop. In 1980 werd het bedrijf opgeheven. In het pand aan de Molenstraat is het huidige Weverijmuseum Geldrop gevestigd. Een tweede en ouder pand van het bedrijf, het Hooghuis aan de Heuvel, is nu een restaurant.
  • H. Eijken & Zonen begon in 1855 een stoomwolspinnerij, waar ook geverfd en geappreteerd werd. Aanvankelijk werkten hier 32 mensen, hetgeen opliep tot 85 in 1876. Het bedrijf brandde af in 1896 en werd herbouwd. Het hoogtepunt lag in het begin van de 20e eeuw, toen er meer dan 100 mensen werkten en er een nieuwe spinnerij en drogerij werd bijgebouwd. Het bedrijf heeft tot 1963 bestaan.
  • Fa. Jacob Carp nam de stoomspinnerij van Von der Nahmer over in 1856. Hij was gehuwd met freule Wesselman en zeer bemiddeld. In 1873 was de spinnerij uitgebreid met een stoomweverij. In 1887 werd het bedrijf omgedoopt in Firma A.S. Eijcken. Deze wollenstoffenfabriek bleef enige tijd op het oorspronkelijke peil, maar uiteindelijk nam het personeelsbestand af tot 12 en in 1887 werd de firma overgenomen door A. van der Heijden & Zoon.
  • A. van der Heijden & Zoon was van oorsprong een klein bedrijf in wollen manufacturen dat ontstond in de eerste helft van de 19e eeuw. Omstreeks 1876 werkten er 6 mensen, een aantal dat verdubbelde toen de zaak van een fabrikeur werd overgenomen. Na overname van A.S. Eijcken in 1887 had men 37 medewerkers. De fabriek aan de Mierloseweg produceerde wollen breigarens en was ook gespecialiseerd in kledingstoffen voor kloosters. Driemaal brak brand uit: in 1901, in 1907, en in 1919. Het bedrijf herstelde zich daar steeds weer van, en het heeft bestaan tot ongeveer 1965. Het aantal werknemers bedroeg ongeveer 50.

Linnenindustrie[

  • Fa. A. van den Nieuwenhuyzen begon in 1844 met een linnenweverij aan het Bogardseind. Vanaf 1873 tot 1877 groeide het personeelsbestand van 6 naar 50 medewerkers. In 1875 kwam er een stoommachine. In 1882 werd het overgenomen door Wilhelmus van den Heuvel en ging W. van den Heuvel & Co. heten. In 1892 werd het bedrijf overgenomen en ging Van Besouw & Cie. heten. Dit bedrijf had in 1897, op zijn hoogtepunt 70 mensen in dienst, maar dit aantal zakte in tot 15, toen het in 1920 werd overgenomen door de Eindhovense stoomlinnenweverij Fa. Gebr. Van Agt, met de bedoeling om zwaardere doeksoorten te produceren, zoals zeil- en markiezendoek. Deze firma heeft bestaan tot 1985 en had enkele tientallen werknemers in dienst.
  • Fa. Vissers & Eijcken. Willem Vissers startte in 1863 een machinale stoomlinnenweverij, nadat hij bij van den Nieuwenhuyzen was weggegaan. In 1876 waren er 112 mensen in dienst. In 1905 werd het bedrijf een NV, en in 1924 werd de naam veranderd in: NV Vissers en Eijcken Textielmaatschappij. In de topjaren rond 1910 werkten hier 167 mensen, tijdens de Eerste Wereldoorlog had het bedrijf te lijden onder grondstofschaarste, daarna ging het tijdelijk weer beter maar in 1933 werd het bedrijf gesloten.

Latere bedrijven

  • Fa. A. van Gerdinge & Co. was een stoombontweverij die in 1900 werd gestart en in 1906 werd uitgebreid met een weverij voor halfwollen stoffen en katoen. In 1908 was er een brand, maar het bedrijf herstelde zich en in 1911 waren er 103 medewerkers. Toch ging het failliet in 1913.
  • J.A. Raymakers & Zonen was een onderneming uit Helmond. Deze begon in 1901 een haspelarij aan de Mierloseweg te Geldrop, waar Engelse garens op strengen werden gebracht om in Helmond geverfd te worden. In 1905 had men het maximale aantal van 69 mensen in dienst. In 1914 werd het bedrijf gesloten wegens gebrek aan grondstoffen ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog. Het werd nooit meer heropend.
  • NV Geldropse Wolindustrie was een vestiging van de van oorsprong Amsterdamse firma Fooyer & Meijer. Deze wilde zeer grootschalig van start gaan maar maakte daarbij de nodige misrekeningen en sloot weer in 1906. Het bedrijf was gevestigd in de leegstaande gebouwen van Raue & Bodde.
  • A. Pessers Azn. was een Tilburgse wollenstoffenfabriek. In 1913 vestigde dit bedrijf zich ook te Geldrop aan de Nieuwendjk. In 1916 werd ook een kamgarenspinnerij opgericht. In het topjaar 1916 waren er 122 mensen in dienst. Daarna nam dit aantal af, maar het bedrijf bleef nog bestaan tot 1969.
  • P. de Wit & Co. was een Helmonds bedrijf van Piet de Wit, dat in 1912 een vestiging te Geldrop begon aan de Parallelweg langs de spoorlijn. In het topjaar 1916 waren er 130 mensen in dienst. In 1926 ging de firma failliet. Uiteindelijk kwam de firma in het bezit van de familie Van der Lande. Tot 1959 bleef ze bestaan als Hatéma.
  • NV Wollendekenfabriek ´Nederland´ werd gesticht in 1916 door een groep Rotterdamse zakenlieden. Er werkten hooguit een 40-tal mensen, maar het bedrijf functioneerde niettemin tot 1976.
  • Fa. J.A. de Heer was een tricotfabriek die in 1916 werd opgericht door de Eindhovenaar Jacobus de Heer. Hij startte in het gebouw van Raymakers met 23 personeelsleden. Men maakte badpakken, ondergoed, pullovers, en vesten. Het bedrijf beschikte over rondbreimachines waarmee men flexibiliteit in het assortiment kon realiseren. Men opereerde internationaal. In 1921 had men 135 werknemers in dienst. In 1931 werd de naam Tweka ingevoerd (Twee K's: Kwaliteit en Kleur). Na de Tweede Wereldoorlog ging men ook kunstvezels verwerken. In de jaren 60 van de 20e eeuw werkten er meer dan 700 mensen bij wat toen het grootste bedrijf van Geldrop was. Er kwamen toen ook gastarbeiders uit Turkije. In 1972 werd een atelier in Tunesië geopend en binnen enkele jaren verdween de gehele productie naar lage-lonenlanden. In de tweede helft van de jaren zeventig kwamen 400 mensen op straat te staan. Het bedrijf bleef tot 1981 in Geldrop actief. Daarna werd er in het pand een bedrijvenverzamelgebouw gevestigd. In 1982 opende de vestiging te Nuenen, waar badpakken en sportkleding werden geproduceerd. In 1997 fuseerde Tweka met het Twentse Van Heek tot Van Heek-Tweka (VHT), waar ook L. ten Cate en later de fabriek voor ondergoed Iduna bij was betrokken. De onderneming vestigde zich te Losser en de Nuenense vestiging werd gesloten. De ontwerpstudio van Tweka verhuisde na de fusie naar Uden. Alleen de fabriekswinkel bleef in Nuenen achter. In 2003 ging de vestiging van VHT te Losser failliet. Gevolgd door een succesvolle doorstart voor het merk TWEKA vanuit een ontwerpstudio die weer terugkeerde naar Nuenen en geopend bleef t/m 2008. De naam Tweka bestaat nog steeds als merk en opereert tot op heden geheel vanuit Geesteren (Ov.).
  • Gemert

  • Prinzen. De familie Prinzen is afkomstig uit Glehn, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Korschenbroich en dat niet ver van het textielcentrum Mönchengladbach ligt. Tussen dit Rijnlandse gebied en de Helmondse textielnijverheid bestond vanouds uitwisseling. Willem Prinzen vestigde zich in Helmond en trouwde daar in 1795 met Francisca van de Vrande. Hij was van 1802-1811, samen met zijn broer Johan Pieter Prinzen, betrokken bij het Helmondse bedrijf Fa. Prinzen, Ramaer, Van de Loo & Co. en van 1811-1817 bij Gebr. Prinzen, Van de Loo & Comp. Samen richtten ze in 1810 de Fa. W. Prinzen op. Omstreeks 1840 begon ook deze firma een filiaal in Gemert, er werkten ongeveer 100 wevers en 60 spoelsters voor deze firma. Johan Theodor Prinzen (1784-1864) was de zoon van Johan Pieter Prinzen. Reeds in 1832 had hij een fabriek in Gemert, waaronder een ververij. In 1834 kwam er een kalander, aangedreven door een rosmolen. Na 1840 verdwenen de meeste concurrenten maar breidde Prinzen's fabriek juist uit, terwijl er ook kleine plaatselijke onderneminkjes ontstonden. Een daarvan was Prinzen, Weber & Cie., waarbij een zoon van Johan Theodor, Theodorus Prinzen, betrokken was.Vanaf 1864 werd de fabriek van Johan Theodor geleid door zijn zoons Medard en Felix. Er vond een proces van Consolidatie plaats en omstreeks 1870 was het bedrijf nog een van de twee overgebleven Gemertse textielfirma's. Om de concurrentie met Helmond vol te kunnen houden moest men mechaniseren. Stoommachines en mechanische weefgetouwen werden geïntroduceerd en huisnijverheid maakte plaats voor fabrieksmatige productie. Dit vereiste uiteraard de nodige investeringen.In 1881 werd een nieuwe fabriek gebouwd aan De Hoef achter het Kasteel van Gemert. Deze fabriek kreeg de bijnaam: Het Machinaal. In de jaren die volgden kwam er meer werkgelegenheid naar Gemert, maar de fabriek van Prinzen kwijnde weg en werd uiterlijk in 1916 stopgezet. Daarna is de fabriek nog enige tijd in gebruik geweest bij de Helmondse textielfabrikanten Carp en Piet de Wit. In de jaren 30 van de 20e eeuw werd de fabriek verbouwd tot een rij woningen die nog steeds bestaat.
  • Goirle

  • W. van Enschot & Zonen
  • N.V. Tilkamwol
  • N.V. Pijnenburg
  • HaVeP In 1843 werd de eerste blekerij voor linnen en pellen opgericht door Willem van Enschot. In 1847 volgde de firma P. & W. van de Lisdonk, bepaaldelijk ten doel hebbende het fabriceeren van linnen en pellen, tafelgoederen en andere daarmee gelijkstaande stoffen. Aldus nam ook de werkgelegenheid in de textiel toe. In 1857 waren er 275 mannen en 156 vrouwen en kinderen werkzaam, waarvan 380 als thuiswerker. Uit dit alles blijkt dat de eigenlijke fabrieken nog klein waren. Daarin kwam verandering toen de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) uitbrak, waardoor de invoer van katoen stagneerde en de vraag naar linnen steeg. Aldus werd kapitaal vergaard waarvan de Goirlese fabrieken gebouwd werden. De belangrijkste was HaVeP, in 1865 formeel opgericht door Hendrik van Puijenbroek, uit wiens initialen de bedrijfsnaam gevormd is. Hendrik was toen 19 jaar en werkte met kapitaal en ondersteuning van zijn vader Eduard Joseph.
  • Van Besouw Daarnaast was er de fabriek van Van Besouw, de Textielfabriek Van Besouw N.V.. Deze machinale firma stamt uit 1885, maar de familie was al lange tijd voordien actief in de kaatsballenproductie, en sedert 1840 textiel. De eigenaar van de machinale firma, Jan van Besouw, was onder de indruk van de encycliek Rerum Novarum (1891). Hij verbeterde de sociale omstandigheden en voerde een soort winstdeling in. Ook werd er door hem in 1897 een corporatie opgericht die onder meer het drankmisbruik bestreed, het onderwijs bevorderde, als een soort spaarbank fungeerde en voor ontspanning zorgde. Een aantal werknemers van Van Besouw richtte in 1900 een vakbond voor textielarbeiders op, het Sint-Jozefgilde geheten. Van Besouw voerde een aantal technologische vernieuwingen door. Zo introduceerde het Raschelgebreide tapijten in 1968 en Bisonyl (gecoat zwaar doek) en kunststof ABS-platen voor boten en auto-onderdelen in 1970. Van Besouws fabriek sloot in 1995. Twee bedrijfsonderdelen, kunststof en tapijt, maakten een doorstart en bleven gevestigd in het complex. In 2008 vertrok de tapijtfabriek uit Goirle.
  • De Wijs De firma A. & A. de Wijs N.V. was een weverij die in 1964 reeds kunstvezels toepaste. In 1965 nam zij Weverij De Kempen over en in 1967 werd begonnen met het verven van tapijten. Daartoe werd in 1970 de N.V. Tapijtveredeling De Wijs opgericht. In 1973 was het personeelsbestand gegroeid tot 225 medewerkers. Samen met Arie Veen B.V. en Intertuft B.V. werd een werkmaatschappij gevormd. In 1975 ging de bestaande tapijtgarenspinnerij, onderdeel van de Forbo-groep,over in B.V. Spinnerij De Wijs. In 2007 werden de activiteiten van de spinnerij gestaakt en overgebracht naar Mefil te Maaseik. In 2009 werd het complex gesloopt.
  • H.T.I. De H.T.I. (Hollandse Textiel Industrie) werd in 1917 opgericht door P. van Besouw. In 1970 kwam het bedrijf in handen van de Van de Kimmenadegroep. In 1976 werkten er nog 305 mensen, maar moest surseance van betaling worden aangevraagd. Na een korte bedrijfsbezetting werd meegedeeld dat niemand ontslagen zou worden. 155 mensen bleven werken bij het toen gevormde Goirle Textiel, maar dit bedrijf sloot reeds in 1977 haar poorten.
  • Goor

  • Weefschool, Thomas Ainsworth
  • Helmond

  • Fa. Prinzen, Ramaer, Van de Loo & Co.. De familie Prinzen is afkomstig uit Glehn, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Korschenbroich en dat niet ver van het textielcentrum Mönchengladbach ligt. Tussen dit Rijnlandse gebied en de Helmondse textielnijverheid bestond vanouds uitwisseling. Willem Prinzen vestigde zich in Helmond en trouwde daar in 1795 met Francisca van de Vrande. Hij was van 1802-1811, samen met zijn broer Johan Pieter Prinzen, betrokken bij het Helmondse bedrijf Fa. Prinzen, Ramaer, Van de Loo & Co. en van 1811-1817 bij Gebr. Prinzen, Van de Loo & Comp. Samen richtten ze in 1810 de Fa. W. Prinzen op. Omstreeks 1840 begon ook deze firma een filiaal in Gemert, er werkten ongeveer 100 wevers en 60 spoelsters voor deze firma.
  • Raymakers  De firma Raymakers werd begonnen in 1773 als een weefbedrijf door Johannes Raymakers. Dit bedrijf bestaat nog steeds. Het is gelegen aan Kanaaldijk Noord-West en beschikt over een imposant historisch fabrieksgebouw dat oorspronkelijk grotendeels dateert uit eind jaren twintig van de 20ste eeuw. In 1951 werd het predicaat Koninklijke verleend. Op het hoogtepunt werkten er 1200 tot 1500 mensen. Het was in deze tijd moeilijk om aan personeel te komen. In 1970 <