Nederlandse Landwacht

De Nederlands(ch)e Landwacht was een Nederlandse paramilitaire organisatie die op 12 november 1943 van Duitse zijde werd opgericht. Ze dient niet te worden verward met het militaire vrijwilligerskorps 'Landwacht Nederland' dat in maart 1943 werd opgericht en in oktober werd hernoemd tot Landstorm Nederland, een onderdeel van de Waffen-SS. Na Dolle Dinsdag werd de Vrijwillige Hulppolitie toegevoegd aan de Landwacht.

 

Kees van Geelkerken, de tweede man binnen de NSB, werd in november 1943 door Seyss-Inquart benoemd tot Inspecteur-Generaal van de Landwacht. Na Dolle Dinsdag viel de Landwacht direct onder Rauter als Befehlshaber der Ordnungspolizei. Na de aanslag op Rauter in maart 1945 werd de Duitse SD'er Eberhard Schöngarth zijn plaatsvervanger.

Het hoofdkwartier van de Landwacht was gevestigd in Villa Bloemheuvel aan de Hoofdstraat 23-25 te Driebergen.

 

De Landwacht bestond voornamelijk uit NSB'ers die met jachtgeweren waren uitgerust. Vandaar dat de bevolking de scheldnaam "Jan-Hagel" bedacht. Zij droegen geen uniform, maar wel een rode armband.

Gevreesd was de Landwacht wel, want op 27 maart 1945 wijdde het illegale Parool er een artikel aan. In dat blad werd gewag gemaakt van talloze arrestaties en executies door diezelfde Landwacht. Het Parool stelde dan ook dat na de bevrijding de Landwachters de kogel verdienden.

De Landwacht werd door de bevolking gehaat onder meer omdat ze de voedselpakketten van de bevolking in de Hongerwinter in beslag nam. Vele duizenden Nederlanders hadden tijdens de hongertochten een lange weg afgelegd om een stuk brood of wat aardappelen te bemachtigen. Hoewel de Landwacht uit leden van de NSB bestond, stond na Dolle Dinsdag aan het hoofd van de Landwacht niet het hoofd van de NSB (Anton Mussert), maar de SS-politiechef Hanns Albin Rauter.

De Landwacht werd voor het eerst op straat gesignaleerd in maart 1944. Ze werd vooral ingezet voor de bewaking van gebouwen, het controleren van persoonsbewijzen en het uitvoeren van arrestaties, huiszoekingen en visitaties.

 

Leden van de Landwacht droegen de zwarte NSB-partijkleding: zwarte overhemden, zwarte pantalon of rijbroek, zwarte leren motor- of rijlaarzen, zwart lederen koppelriem met bijbehorende draagriem. Al naargelang de weersomstandigheden kon een zwarte tuniek en/of zwarte overjas worden gedragen. Het is niet onmogelijk dat hier en daar zwarte pistooltassen aan de koppelriem werden gedragen. Gezien de vrij povere bewapening zal het hier om incidentele gevallen zijn gegaan.

Gewestelijke indeling van de Nederlandse landwacht:

  • Stormban I Zuid-Holland en Zeeland H.A.M. van der Heijden (NSB)
  • Stormban II Noord-Holland en Utrecht W. Slob (NSB)
  • Stormban III Groningen, Friesland en Drenthe T.J.S. van Efferen (Germaanse SS)
  • Stormban IV Gelderland en Overijssel N.J. Alblas (NSB)
  • Stormban V Noord-Brabant en Limburg G. Rollema (Germaanse SS)

 

 

 

Namenlijst Nederlandsche Landwacht

niet compleet !!!

 

Voornaam - naam - geboorteplaats - geboortedatum - plaats overlijden - datum overlijden

 

Arie Johann Zondervan

Berlijn, 1 oktober 1910 - Duitsland, 1 januari 1983

 

Jacob Adriaan Minderhoud

Middelburg, 11 mei 1904 - Zwaag, 13 maart 1945

 

Wouter Slob

Rotterdam, 30 mei 1903 - Haarlemmermeer, 15 juni 2001

 

Meinoud Marinus Rost van Tonnigen

Soerabaja, 19 februari 1894 - Scheveningen, 6 juni 1945

 

Chris Wenniger Mulder

Paree (Nederlands-Indië), 20 januari 1907 - 

 

Albertus Beukman

Rotterdam, 16 september 1915 - Amersfoort, 5 februari 1945

 

Antonius Jacobus de Man

Venlo, 25 juni 1922 - Zevenhuizen(gr)/Jonkersvaart, 13 april 1945

 

Dirk de Jong

St. Jacobieparochie, 5 maart 1923 - Zevenhuizen (Gr), 24 oktober 1944

 

Cornelis van Geelkerken

St Jan Molenbeek, 19 maart 1901 - Ede, 29 maart 1976

 

Sander Borgers

Den Hulst, 13 september 1917 - Haren, 1 januari 1985

 

Jacob Luitjens

Buitenzorg (Nederlands-Indië), 18 april 1919 - 

 

Bob van Maasdijk

Breda, 20 december 1904 - Brummen, 20 november 1985

 

Gerrit Sanner

Dordrecht, 5 november 1909 - Groningen, 1 mei 1947

 

Dirk Eijkelboom

Sloten, 13 mei 1895 - Amsterdam, 6 juli 1948

 

Arie Van Der Staaij

Ridderkerk, 24 oktober 1905 - Zwaag, 13 maart 1945

 

Alphons Maria Emmink

Amsterdam, 11 januari 1902 - Zwaag, 13 maart 1945

 

Frederic Louis Rambonnet

Den Helder, 20 oktober 1899 - Diepenveen, 24 augustus 

 

Bart de Kok

Nijmegen, 6 september 1896 - 1 januari 1972

 

Rijkele Sijtzema

Schoterland, 2 april 1926 - Bozum, 10 februari 1945

 

Hendrik van der Molen

 

Foute Nederlanders die ongeschikt waren voor de Waffen-SS, grepen hun kans bij de Landwacht. Ze waren zeer geschikt als informant van de Sicherheitsdienst.

Achtergrond Nederlandsche Landwacht 

 

De Landwacht was in november 1943 opgericht op aandringen van Anton Mussert, de leider van de NSB. Mussert maakte zich zorgen over de groei van het verzet. Na de April-Mei-staking in het voorjaar van 1943, een spontaan protest tegen de hernieuwde krijgsgevangenschap van het Nederlandse leger, werden er steeds meer aanslagen op NSB’ers gepleegd. Veel indruk maakte de aanslag op Folkert Posthuma, de landbouwdeskundige van de NSB, in de serre van zijn boerderij bij Ruurlo op 3 juni 1943. Drie maanden later werd de Jodenjager Gerard Kerlen, hoofdcommissaris van de politie in Utrecht, van zijn fiets geschoten.

 

De Landwacht moest zulke liquidaties voorkomen. Rijkscommissaris Seyss-Inquart bepaalde dat de Landwacht werd ingezet ‘tot handhaving van de openbare orde en tot bescherming van leven en goed van de ordelievende bevolking’. De leden werden geworven bij de NSB en geestverwante organisaties, de wapens werden geleverd door de chef van de SS en het Duitse politieapparaat in Nederland, Hanns Albin Rauter. Hij was ook verantwoordelijk voor de organisatie en de salariëring.

 

Tot ergernis van Mussert maakte Rauter van de Landwacht algauw een hulppolitie. Rauter had de hulpagenten van de Landwacht nodig, omdat hij de Nederlandse politie niet betrouwbaar vond. Menig agent speelde onder één hoedje met het verzet of werkte de bezetter lijdzaam tegen. Daarentegen waren Landwachters onbesmuikt pro-Duits.

Ze waren er in twee soorten, de Beroepslandwachters en de Hulplandwachters. De eersten, ongeveer twaalfhonderd, waren permanent in dienst. Na een opleiding in Schalkhaar, bij Deventer, kregen ze een aanvangssalaris van vijftig à zestig gulden per week. Ze droegen een rode band om de linkerarm met de woorden ‘Landwacht Nederland’ en waren ondergebracht in kwartieren. De Hulplandwachters, ongeveer negenduizend, woonden thuis en kregen overdag drie kwartjes per uur betaald en ’s avonds en ’s nachts één gulden. Het was een vrij hoog salaris, hoger dan dat van een geschoolde arbeider, hoewel de uitbetaling te wensen overliet.

Landwachters ontvingen bovendien een forse toeslag op hun voedselrantsoen. De Hulplandwachters deden hun werk in hun vrije tijd, ongeveer vijf uur per dag. Zo waren vooral te vinden in het noorden en het oosten van het land, van Groningen tot de Achterhoek.

 

Een van de taken van de Landwacht was het controleren van voedselvoorraden en het opsporen van zwarte handelaren. Vaak namen ze voedsel in beslag voor eigen gebruik of roofden ze eigendommen van hun arrestanten. Landwachters met een zwak ontwikkeld geweten, en die waren er veel, kwamen met gemak de Hongerwinter door.

Het was niet moeilijk om Landwachter te worden. De lichamelijke keuring stelde weinig voor. Een districtscommandant noteerde dat een ‘meer dan afschuwelijk groot deel van de leden’ lichamelijk ongeschikt was om politieman te zijn. Een andere commandant zag Landwachters ‘met één hand, nachtblind, doof, en één moest in het gekkenhuis worden opgenomen’. Foute Nederlanders die ongeschikt waren voor de Waffen-SS of bang waren om aan het Oostfront te sneuvelen, zagen de Landwacht soms als uitkomst.

 

De Landwacht bood status en inkomen aan mensen die tot dusver kansloos gebleven waren. Ze konden macht uitoefenen over hun dorps- en streekgenoten. Symbool van hun macht was het jachtgeweer. Kort na de capitulatie in mei 1940 moesten alle jachtgeweren worden ingeleverd en die werden aan de Landwachters als wapen uitgereikt, inclusief tien hagelpatronen. In de volksmond heette zo’n geweer ‘Jan Hagel’. Het werd al snel de bijnaam voor de Landwachters. De naam had dezelfde gevoelswaarde als ‘uitschot’ en ‘gepeupel’.

 

Het ethisch besef van de meeste Landwachters was even gering als hun politionele vaardigheid. Sommigen vulden hun hagelpatronen aan met spijkertjes en ijzerafval. Onoordeelkundig gebruik van het jachtgeweer is ‘reeds meer dan honderd onschuldige volksgenoten noodlottig geworden’, schreef een commandant in mei 1944.

 

Rauter had veel profijt van de Landwachters. Ze waren goed op de hoogte van wat er speelde in hun omgeving en daardoor zeer geschikt als informant van de SD, die meer op afstand van de bevolking stond. Landwachters waren beter te benaderen. Wie een buurtgenoot wilde verraden, hoefde maar een verklikkersbriefje bij een Landwachter in de bus te doen. Alleen al in juli 1944 werden in Groningen, Friesland en Drenthe op die manier 106 mensen gearresteerd, meest verzetsmensen en onderduikers. Honderden Joden vielen door verraad in handen van de Landwacht.

 

Eind juli 1944 kreeg de Landwacht van Rauter het recht om ‘terroristen en saboteurs’ dood te schieten als die een wapen bij zich droegen. Na Dolle Dinsdag kregen ze zwaardere geweren en kwamen de Hulplandwachters in vaste dienst. Officieel stonden ze onder toezicht van de Nederlandse politie, maar in de praktijk gingen ze hun eigen gang en verrichtten ze huiszoekingen en arrestaties zoals het hun uitkwam. 

 

De gruwelpraktijken in de Wormshoef in Lunteren waren geen uitzondering.

 

De naderende bevrijding leidde niet tot matiging. Op 4 mei 1945, om tien uur ’s avonds, toen de bevrijding nog een kwestie van uren was, versierde een Haagse caféhouder het interieur met de kleuren van de Nederlandse vlag. Een Landwachter zag het, stormde naar binnen en sloeg de kastelein tot bloedens toe. ‘Wat zitten jullie hier te zuipen,’ brulde hij, ‘je moest je schamen, rouwen moesten jullie, nu de Führer dood is.’