Armenzorg

Inhoud:

- Stichting Sint Anthony Groote Broederschap Zutphen

- Armoedezorg

-

 

Sint Anthony Groote Broederschap


De Stichting Sint Anthony Groote Broederschap te Zutphen is een van de oudste charitatieve instellingen van Nederland. Zij is opgericht in 1451 en heeft als doel het verlenen van steun aan hen die hulp nodig hebben om hun levensomstandigheden te verbeteren. De Broederschap was gewijd aan Sint Antonius.

Sint Anthonius (251-356) was kluizenaar, leraar en wonderdoener. Hij werd vereerd als beschermer tegen de pest en het Anthoniusvuur, een huidziekte. Hij wordt afgebeeld met staf, bedelklokje om de hals en het varken. Zo staat in de Zutphense stadsrekening van 1439 vermeld dat Degelkens soon ter bedevaart ging naar Senten Anthonys in Oestenrijcke om hulp af te smeken voor de burgers van Zutphen en omgeving die erg hadden geleden onder de pest.

In 1450 verenigden zich enkele burgers in een gilde dat gericht was op het eigen zielenheil, maar dat ook de liefdadigheid zou beoefenen. Op 11 april 1451 keurde het stadsbestuur de broederschap goed en bepaalde de regels waaraan zij moest voldoen.

Zutphen viel onder het bisdom Utrecht. Dit bisdom kende zeven questen, genoemd naar heiligen. Een quest is een kerkelijke bron van inkomsten. Een bedelprediker trok van parochie naar parochie om geld bij elkaar te schrapen, maar ten aanzien van de Sint Anthoniusquest golden andere regels dan voor de overige. Het bisdom mocht zich niet bemoeien met de Anthoniusquest. De mensen gaven ruimhartig want er bestond een heilig ontzag voor een processie van de relieken van een heilige die werd aangeroepen om hulp of bescherming. Omdat de broederschap het recht om bedeltochten te houden van de bisschop had gepacht, mocht zij de inkomsten houden en kon zij zo haar bezittingen uitbreiden.

De Broederschap heeft door de eeuwen heen haar bezittingen bekwaam beheerd en bijgedragen aan de verbetering van de leefbaarheid binnen het werkgebied van de Broederschap.

 

Armoedezorg

 

Armoede is van alle tijden. De bestrijding ervan was overwegend een zaak van lokale, vaak kerkelijke autoriteiten. De wereldlijke overheid trad voornamelijk toezichthoudend op. Pas na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) werd een stelsel van sociale wetgeving ingevoerd dat aan structureel ernstige sociale misstanden een einde maakte. Behalve armenzorg was er ook aandacht voor zorg voor zieken en ouderen.

Voor mensen die zichzelf niet konden bedruipen waren er, variërend per plaats of regio, mogelijkheden om financiële of materiële ondersteuning te genieten. Er werd alleen bijstand verleend als was gebleken dat de naaste familieleden niet in staat waren bij te springen. De behoeftige kreeg dan enkele goederen in natura en een klein beetje geld om te kunnen overleven. Soms waren er armhuizen waar armen konden verblijven als zij zelf niet in staat waren in hun eigen onderhoud te voorzien.

Vanaf de 17e eeuw kan een duidelijk beeld worden gekregen van wat de behoeftigen in Zeeland aan steun ontvingen en welke personen voor bedeling in aanmerking kwamen.

 

Armbesturen en diaconieën
De armenzorg ten tijde van de Republiek bestond uit een grote verscheidenheid aan instellingen en besturen. In de grotere steden traden armmeesters of rentmeesters van de armen op. Zij beheerden een soort fonds, meestal bijeengebracht door particulieren, waarmee de arme inwoners van de stad werden ondersteund.

Op het platteland en in de steden waren de diaconieën van de protestantse kerken de eerstaangewezen instantie om behoeftige mensen bijstand te verlenen. Ook mensen die geen lidmaat van de kerk waren, werden ondersteund. In aanmerking voor bedeling kwamen mensen die door ziekte, ouderdom of invaliditeit niet meer konden werken.

 

De inkomsten van de armmeesters of ontvangers der armen bestaan voornamelijk uit ontvangsten van pacht van landerijen, de verhuur van de kerkbanken, de verhuur van doodskleden en de verkoop van legaten.

De uitgaven van de armmeesters bestaan deels uit de aankoop van goederen zoals eten en kleding voor de armen en deels uit directe financiële ondersteuning van individuen.

Het geven van bijstand aan armen en behoeftigen ging gepaard met een grondige controle van de omstandigheden waarin zij verkeerden. Daarbij werd kritisch gekeken naar de levenswandel van de betrokkenen. Daardoor vind je in archieven van de instellingen voor armenzorg niet alleen gegevens over de financiële situatie van mensen, maar zo nu en dan ook gegevens over hun levenswijze. Bovendien kunnen deze archieven informatie bevatten over de herkomst van personen.


In 1818 werd de ondersteuning van behoeftige personen een staatszaak, zonder dat de overheid zelf verplichtingen aanging om diep in de buidel te tasten. Volgens de in dat jaar aangenomen Wet op het domicilie van onderstand moest het armbestuur in de gemeente waar een bedeelde was geboren, zorgen voor zijn of haar onderhoud, ook al was die persoon elders woonachtig.

De plicht tot het geven van onderstand ging pas van de geboorteplaats over op de nieuwe woonplaats, als iemand daar vier jaar had gewoond en gedurende die tijd belasting had betaald. Was aan deze voorwaarden niet voldaan, dan konden de kosten van bedeling worden verhaald op de geboorteplaats. Eigenlijk was deze vorm van borgstelling al in de late 16e eeuw zo geregeld.

In de praktijk leidde deze maatregel ertoe dat de uitkerende instanties probeerden bedeelden op elkaar af te schuiven. Geschillen binnen de provincie werden door Gedeputeerde Staten beslist, terwijl bij conflicten die de gewestelijke grenzen overschreden de koning het laatste woord had. Aan een besluit ging een soms zeer uitgebreide correspondentie vooraf, die voor de genealoog zeer boeiende informatie kan bevatten.

 

Armenwet van 1854
Rond het midden van de 19e eeuw heerste er zo’n omvangrijke armoede (die nog door slechte oogsten werd verergerd), dat de rijksoverheid een einde wenste te maken aan de afschuifstrategieën van gemeenten en diaconieën. Dit resulteerde in de Armenwet van 1854.

Hierin werd iemands plaats van onderstand gedefinieerd als iemands geboorteplaats. Burgerlijke armbesturen hoefden alleen steun te verlenen als geen enkele kerkelijke instantie zich om een persoon bekommerde, zodat de diaconale zorg maatgevend bleef.

Dit werd versterkt door het in 1857 van kracht geworden Synodaal Reglement voor de Diaconieën der Nederlandsche Hervormde Kerk, dat bepaalde dat diaconieën zorg moesten dragen voor de armen die in het kerkelijk ressort van hun gemeente woonden. Anders gezegd: het probleem van de afschuifstrategieën van de verschillende instanties werd gecontinueerd, met als gevolg dat opnieuw de diaconale en gemeentelijke notulen en correspondentie de genealoog gegevens kunnen opleveren over armlastige voorouders.

Pas in het begin van de 20e eeuw kwam er wetgeving waarmee de rijksoverheid zelf structureel geld beschikbaar stelde voor armenzorg.