Bewoners boerderijen Friesland
Inhoud:
- Wederopbouw boerderijen
- Boerderijen, stinsen, states en wieren en haar bewoners
- Plaatsen in Friesland
-
Wederopbouw boerderijen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Nederland meer dan 9000 boerderijen verwoest.
Een wederopbouwboerderij is een Nederlandse boerderij die na in Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen vernield te zijn daarna onder regie van de overheid is herbouwd.
In Nederland zijn tussen 1940 en 1945 meer dan 9000 boerderijen verwoest of zwaar beschadigd. Een aantal daarvan werd gedwongen afgebroken voor onder meer de aanleg van de Atlantikwall, Duitse militaire vliegvelden of vernield bij het onder water zetten van gebieden. De meeste boerderijen gingen aan het eind van de oorlog verloren door krijgshandelingen bij de opmars van de geallieerde legers in Noord-Brabant, Limburg, de Betuwe en Oost-Nederland. De vele vaak in eenzelfde stijl herbouwde boerderijen vormen een herinnering aan de gevolgen die de oorlog ten plattelande met zich heeft gebracht.
Vrijwel alle opbouwboerderijen bezitten een gedenksteen in de gevel, waarop een uit de vlammen herrijzende leeuw is afgebeeld.
Bijzonder is dat er gekozen is voor een afbeelding in de gevel van een leeuw tijdens de Duitse bezetting.
Totaal aantal 81 Wederopbouw boerderijen zijn er in Friesland gebouwd.
Alfabetisch op plaatsnaam
Adres Plaats
nr. 63 Anjum
Singelburen B 114 Anjum
Nr. 95 Baard
Sondeler Gaast 85 Balk
Dyksterhuzen 320 Beetgum
nr. 295 Beetgum
Dijkstrahuizen 335 Beetgumermolen
West 210 Bergum
Drachtster Hooiweg B 93 Boornbergum
nr. 89 Boxum
Singel 2 Bozum
adres onbekend Doniaga
nr. 16 Doniaga
nr. 287 Donkerbroek
Hoofdweg K 55 Driesum
nr. 163 Driesum
nr. 114 Engelum
nr. 118 Engelum
nr. 30 Engelum
Formerum Zuid 3 (vh 2) Formerum
nr. 54 Gersloot
adres onbekend Giekerk
adres onbekend Giekerk
adres onbekend Giekerk
adres onbekend Giekerk
adres onbekend Hardegarijp
Hemrik 18 Hemrik
nr. 93 Hoorn
adres onbekend Huis ter Heide
adres onbekend Huis ter Heide
Kerkbuurt 72 Irnsum
Wilde Hornstersingel 3 Joure
Jubbega 57a Jubbega Schurega
nr. 14 Kiesterzijl
adres onbekend Klidse
adres onbekend Langweer
Harlingerstraatweg 85 Leeuwarden
Keegsdijkje Leeuwarden
Schapedijkje 11 Leeuwarden
Tjessingerweg 1 Leeuwarden
Pollepaed 5-7 Lekkum
adres onbekend Lemmer
Landweg Lemmer
Mennerweg 485 Makkinga
nr. 56 Nes
Nieuwe Bildtdijk 93b Nieuwebildtdijk
adres onbekend Nijega
adres onbekend Nijega
adres onbekend Oldeberkoop
adres onbekend Oldeberkoop
Hoarnestreek 19 Oosterbierum
Zeedijk 208 Oosterbierum
Oosterend 55 Oosterend
nr. 197 Oostermeer
adres onbekend Oosterwolde
Echtenerpolder 237 Oosterzee
Legouke A 99 Opeinde
Oppenhuizen 7 Oppenhuizen
Oude Bildtdijk 589 Oudebildtdijk
adres onbekend Oudemirdum
nr. 94 Rijperkerk
Stenendam 37 Rinsumageest
nr. 46 Scharsterbrug
nr. 71 Scharsterbrug
Beuckenswijkstraat 40 Sondel
Sondelnorde 86 Sondel
nr. 179 St. Annaparochie
adres onbekend St. Nicolaasga
adres onbekend St. Nicolaasga
adres onbekend Suameer
nr. 217 Suameer
nr. 21 Teroele
adres onbekend Tietjerk
Hellingpaed 9 Wartena
nr. 75 Wijckel
B 288 Witveen
nr. 317 Witveen
adres onbekend Wollegaast, De
Lycklamaweg 23 Wolvega
adres onbekend Wons
nr. 8 Zwartveen
Boerderijen, stinsen, states en wieren en haar bewoners
Niet alfabetisch
- Lutke Dotinga Marssum
<1547 Eén tak van boerenafstammelingen van de oude Dotinga's pachtte in de 16de eeuw Groot Dotinga, een andere tak had in de 16de eeuw eigendom en gebruik, later alleen de eigendom van het aan Groot Dotinga grenzende Lutcke Dotinga. Deze state lag op het nieuwland buitendijks, tegenover Heringa-state. (…) Hun zoon Siuerdt Tietesz Baerdt woonde aanvankelijk (1546) op de Poelen in Dronrijp, later (1547) op het eveneens van zijn grootouders afkomstige Lutcke Dotinga in Marssum. Siuerdts zoon Hobbe Baerdt, secretaris van Harlingen en van 1585 tot zijn dood griffier van het Hof van Friesland, werd in 1591 in Marssum begraven. Hij verpachtte Klein Dotinga. Dat deden ook zijn nazaten Baerdt en Baerdt van Sminia in 1640 en 1700.
- Aesgema, Heringa of Popta Marssum
<1473 Aesgema, Heringa of Popta slot. In 1473 testeerde Yde Aylva, dochter van Tiaerd Aylva en Swob Juwsma en achtereenvolgens gehuwd geweest met Eelck Heringa en Sasker Jelmera. Ze begeerde daarbij datse sie mey Aesghen, her fadir, to Rawert, to Mantchum ende to Mersum in dae joegha beed gehouden mocht worden. Met deze fadir Aesghen kan zij niemand anders bedoeld hebben dan haar eerste schoonvader, die dus belangen te Rauwerd, Mantgum en Marssum moet hebben gehad. Aesgema is dus waarschijnlijk oud bezit van de Heringa's geweest en kan zijn naam aan Ydes schoonvader Aesghe Heringa of een gelijknamige voorvader van Aesghe hebben ontleend. In 1473 liet Yde Aylva bij genoemd testament Aesgheme gued na aan haar dochters zoon Sasker Heringa. Steen afkomstig van de stins op dit goed had zij al eerder verkocht, maar lag in 1473 blijkbaar nog op het erf.
Saskers zoon Eelcke Heringa pretendeerde in 1529 de zwanenjacht in Marssum vanwege Heringa offt Azinga staete.
In 1687 werd het door advocaat dr. Henricus Popta gekocht, die het tot zijn dood in 1712 bewoonde. Bij testament bestemde hij het tot het bestuurshuis van het door hem ernaast gestichte Poptagasthuis.
In 1631 liet Tjalling van Eysinga, grietman van Menaldumadeel, de state in- en uitwendig verbouwen.
In 1687 kwam de state in het bezit van Dr. Henricus Popta, advocaat van het hof van Friesland. Ook hij zal de nodige veranderingen hebben aangebracht. In 1711 stichtte hij het nabijgelegen vrouwengasthuis.
- Lunia Marssum
<1439 Lunia wordt voor het eerst in 1439 vermeld, als Wpka Doyema de pastorie van Marssum met drie pondemaat en twee einzen land in dae Dyckland by Lioyngia huus bedenkt. Heer Tjalling, prebendaris te Marssum schonk in 1501 aan het Maria-beeld in de kerk van Marssum land op't suyden van Lyonie sylslaet. Naast Lunia lag in de 15de eeuw dus een waterlossing in de Middelzeedijk. De sate Lunia was in 1640 eigendom van Schelte van Paffenrode, in 1700 van de heer Cammingha. In 1702 werd de sate gekocht door Wybren Sipckesz Bokma en Jan Taeckesz, die zich Luinia ging noemen.
- Heslinga Marssum
<1500 Dichtbij het dorp Engelum, maar vallend onder de parochie Marssum liggen de sates Pinnema en Heslinga; het bijbehorende land vormt één geheel. In 1640, 1698 en 1700 waren ze beide eigendom van de Heslinga's. Op Heslinga heeft een stins gestaan.
In 1511 was Heercko Feyckez, heerscip, eigenaar en gebruiker. In 1543 werden Feycke Heerckesoons landen en het goed Hesselinge herhaaldelijk genoemd. In de loop van de 16de eeuw werd Heslinga een gewone boerderij. In 1614 verkocht de eigenaresse Anna van Eelsma, weduwe van Siuck van Winia, het goed aan Sybrand Hanses, die de stamvader van de boerenfamilie Heslinga werd.
- Sirtema-of-Groustins Engelum
<1444 <1446 De stins wordt in elk geval in 1446 genoemd, maar is waarschijnlijk veel ouder. Gesloopt in 1757 De Grovestins heeft vooral bekendheid gekregen door Wybe Sjoerdsz van Grovestins, de Vetkoperse vechtersbaas skerne Wybe, die overleed in 1482. De stins werd ten tijde van Wybes vader Sjoerd in 1444 door Schieringers ingenomen. Door hun militaire rol genoten de Grovestins'en - later Sirtema geheten - grote bekendheid.
De oorsprong van stinsen/states als Heringa te Marssum, Groot-Terhorne te Beetgum, Hemmema te Berlikum en ook Grovestins gezocht worden in de tijd dat de Middelzee nog bestond. Langs beide oevers van de Middelzee lagen op vrij regelmatige afstand stinsen vlakbij de zeedijk waarvan veel worden aangemerkt als sterk of zwaa’ en die veelal op een behoorlijk hoge ouderdom kunnen bogen. Mogelijk zijn dit oorspronkelijk forten geweest die het achterland moesten beschermen tegen zeerovers, plunderaars en ander gespuis uit zee.
de eigenaar en zijn geslacht noemden zich naar deze stins to of van Grovestins en gingen hun oude geslachtsnaam Van Sirtema steeds minder gebruiken. Ten tijde van de verschillen tussen de Schieringers en Vetkopers, sloot de familie Van Grovestins zich bij de Vetkopers aan. Vooral van Wybe van Grovestins kregen de Vetkopers veel steun. Helaas verdronk hij met 800 mensen tijdens de grote watervloed van 1313. In 1446 werd de stins belegerd en ingenomen door Sikke en Douwe Sjaerdama
In 1602 is het huis in bezit van Idzard van Grovestins. In 1640 wordt het goed vermeld als Staete Groot Grovestins en is dan eigendom van Foppe van Grovestins die zelf tevens als enige gebruiker wordt vermeld.
In 1728 is het goed inmiddels gezamenlijk eigendom van Johan van Glinstra en Schelte van Heemstra. 29 jaar later laten de heren Humalda de state slopen de laatste resten van de zeer zware stins zijn rond 1770 opgeruimd. Er werd op deze plaats een boerenwoning werd gebouwd, die eigendom was van de Heer Maurits Pico Diderik Baron van Harinxma thoe Slooten, die woonachtig was te Beetsterzwaag. Tot in de zestiger jaren van de 20e eeuw werd een stuk land naast de plek waar de stins gestaan heeft nog De Loopgraven genoemd
- Groestra Marssum
<1481 De stins werd in 1481 verwoest. In de naam van de bewoner wordt dit goed indirect in 1481 vermeld als Grioestera. Tyaerd Grioestera, een bastaardzoon van de hoofdeling Douwe Aylva alias Siaerdema in Franeker, werd toen door Wybe Syuerdz Grovestins uit Engelum - bijna zijn buurman dus - gevangengenomen, samen met zijn vrouw. Hun huis werd ingenomen en omgeworpen.
Hoewel Groestra in 1664 nog als vernietigde edele state wordt aangegeven, was het inmiddels een gewone boerderij, waarop zowel in Engelum als in Marssum een stem lag. Bij het westelijke huis op Groestra werd in 1718 een stinswier aangegeven, waarop waarschijnlijk het in 1481 genoemde huis van Tyaerd Grioestera had gestaan.
- Unia op Franjumburen Marssum
<1510 Unia op Franjumerburen of Oenya, zoals het goed indirect in de naam van de bewoner in 1510 heet, was de woonplaats van een familie die volgens de traditie een zijtak van de hoofdelingen Unia te Wirdum was. Naast de state lag in 1718 nog een wier.
Aan het begin van de 17de eeuw was Unia eigendom van leden van de familie Van Albada van Poppingawier. Naar Pibo's schoonzoon Bertrant de Gachet werd de buitenplaats die bij de boerderij werd gebouwd genoemd. In 1766 kocht Pieter van Jongestal, oud-koopman en landraad op Ambon, de buitenplaats Gachet en het ernaast gelegen Unia. Hij bewoonde het huis, dat hij in zijn testament in 1770 Vreederust noemde. De state Unia stond waarschijnlijk op de plaats waar in de 13de eeuw het Benedictinessenklooster Franjum had gestaan. Dit klooster werd 1270 opgeheven. De abdij Lidlum werd eigenares van het terrein. Rond 1420 stond er nog een kapel die toen door de Schieringers onder leiding van de Siaerdema's van Franeker werd verbrand.
- Wobbema of Eminga Schingen
<1511 In 1765 afgebroken en vervangen door een boerderij In de 19de eeuw werd verteld dat de hoofdelingen Wobbema de kerk van Schingen stichtten, omdat ze in Dronrijp de andere hoofdelingen de voorrang niet gunden. Wobbema wordt als Wobbingen (in de pachtersnaam) in 1511 en als Wobbinga staeten in 1543 genoemd.
In 1578 woonde Syds van Eeminga, aangeslagen als edelman, op Wobbema.
In 1742 werd het voor de afbraak verkocht,maar door geldgebrek kwam het daar niet van. Uiteindelijk werd het in 1765 afgebroken en dooreen boerderij vervangen
- Jongema te Geins Wommels
<1622 Na de verkoop van 1695 werd Jongema te Geins een gewone boerderij Geins is een terpbuurschap die in de late Middeleeuwen uit drie sates bestond. Eén daarvan was Jongema. In 1622 wordt Geins en in 1664 Jongama als adellijke state aangegeven. Tot 1695 was het nageslacht van Laes van Jongema eigenaar van de state te Geins. In dat jaar werd hij verkocht. Bij die gelegenheid werd het geheel omschreven als de aedelycke state ende sate met de adelycke huysinge, hovinge, bomen ende plantagie cum annexis, Jongma state genaemt. Verder werden de huysmanne huysinge, schuiere, watermuelen, poort, blauwpand barge- en schiphuys, singels en grachten genoemd. Na de verkoop van 1695 werd Jongema te Geins een gewone boerderij.
- Gietens Kubaard
<1511 In 1511 bestond deze buurschap uit 3 saten. Eén was pachtgoed van Tyets Hero Hottinga weduwe; in 1529 pretendeerde haar schoonzoon Schelte Roorda hiervan het zwaanrecht. Twee goederen waren in eigenerfde hand. Ertussen lag een wier met een gracht eromheen, op de terp
- Jorum Kubaard
<1400 Door een huwelijk met een erfdochter Jorum zou deze state rond 1400 aan de Roorda's zijn gekomen. Zij bezaten en bewoonden het tot in het begin van de 17de eeuw. Er was zwaanrecht aan deze state verbonden.
- Scheltema of Oedsma Boxum
Oedsma betreft een andere state in Boksum
<1619 Ook Scheltinga te Boxum wordt in de door Sibrandus Leo verwoorde traditie met bezit van klooster Lidlum onder Boxum in verband gebracht.
Volgens het stemkohier van 1640 is Jan Arriens boer op Scheltema State en eigenaar is dan Ulbe van Aylva. Van Burmania vermeldt dat bij testament van 29 september 1619 Insch van Scheltema, de weduwe van Epo van Aylva, praelegateert Scheltema State met huys, hof en Poorte” etc. aan haar tweede zoon Sybe van Aylva. Het stemkohier van 1670 vermeldt Juffr. Lycklama, wed van den Heere Ailva tot Witmarsum voor 2 parten ende de Here Grietman Jr. Sicco van Ailva voor een derde part eigenaars van Scheltema plaats
In 1698 en 1700 staat grietman Hector van Glinstra als eigenaar vermeld en vervolgens in 1708, 1718 en 1728 Johanna van Vierssen, wed. Van Glinstra.
In 1738 is vermeld Vrouwe Wyckel, wed. Glinstra” en van 1748 t/m 1768 Secr. Wyckel.
Van 1708 tot 1768 heeft de fam. Oedsma de boerderij in gebruik.
- Fockinga of Wissema Blessum
<1484 in 1484 vermaakte Lysck Doekema alias Rinia in Blessum behalve Rinia state en het goed ten zuiden daarvan ook Fockinga goed, gelegen ten zuidwesten van het dorp. Aan het eind van de 16de eeuw zou Fockinga zich ontwikkelen tot een herenhuis, dat in handen was van een andere staak van nakomelingen van de Rinia's dan die waaraan Rinia was gekomen: uit het tweede huwelijk namelijk van Reynsck Pietersdr Auckema - een Riniakleindochter -, met Sape van Wissema. Een zoon van hen, Jan Sapes van Wissema woonde in 1592 te Blessum op Fockema dat voortaan ook als Wissema voorkomt. Zijn zoon Doeke van Wissema was in 1640 eigenaar.
- Rinia Blessum
Op de plaats van de State staat nu een boerderij
<1484 <1400 De State werd afgebroken in 1832 In 1484 vermaakte Lysck Doekema, oftewel Lisck Pybes Sickema, weduwe van Doeke Rinia, Ryedingha goed met 91 pondemaat en dat huys ende stynts mey syn timmeringhe aan haar jongste zoon Haring Rinia. Hij en andere zoons kregen bovendien delen van dat goed oppa suyra yg fan Rydinghe stynts.
In de 17de eeuw zou Rinia als zomerhuis van de regentenfamilie Bouricius dienen.
De State werd waarschijnlijk reeds vóór de 15e eeuw gebouwd. In 1469 was de hoofdeling Doecke Rinia bewoner van de Ringia State. Hij was scheidsman in geschillen, dus een soort (scheids)rechter en wordt beschouwd als de stamvader van de familie Ringia. Hij was getrouwd met Lisck Sickema, afkomstig van Sickema State te Herbajum. Hij overleed op 2 februari 1478 op Ringia State. In 1749 is de state eigendom van H.W. van Altena, dan oud-griffier, thans Volmagt ten Landsdage nopens Tietjerksteradeel
Van Altena wordt in dat jaar in de Quotisatie (een soort vermogensbelasting) aangeslagen voor 289-15-0 Caroliguldens. De State werd afgebroken in 1832.
- Grombach
- Du Tour
1930 aangegeven als Toerenburg.
- Hemmema Nijfenne
>1721 Na 1850- afgebroken Het huis werd na 1721 gebouwd. Nijefenne onder Sint Jacobiparochie was één van de weinige lenen in Friesland. In 1502 werd Doecke Hemmema van Berlikum er mee beleend door Georg en Heinrich van Saksen. Nadat de familie Hemmema in 1721 uitsterft, komt het leen aan de familie Du Tour. Zij zijn afstammelingen van een zus van de laatste Hemmema. Deze familie erft overigens niet alle bezittingen, want de Hemmema State te Berlikum komt niet in hun bezit. Daarom besluit de familie Du Tour een nieuwe State op Nijefenne te bouwen. Opdracht voor het bouwen van dit nieuwe huis wordt gegeven door David Constantijn Baron du Tour. Een lang bestaan is het huis niet beschoren, want tijdens de Franse tijd worden delen van het leen verkocht en na de dood van de laatste bezitter, Marc Cornelis Baron du Tour van Bellinchave, in 1850, word het restant ook verkocht. De state is later afgebroken. De State lag ten noorden van Berlikum en ten zuiden van de Blikvaart.
- Hemmema Berlikum
Van de state resteert het tot woonhuis verbouwde poortgebouw in het dorp Deze heet nog Hemmemapoarte
<1500 <1500 Een belangrijk adelshuis te Berlikum was dat van de Hemmema's, die oorspronkelijk op Bessum onder Menaldum woonden. Berlikum was in de late middeleeuwen een stadje aan de mond van de Middelzee, met een eigen bestuur. Waarschijnlijk had bij de Hemmema's een vergelijkbaar proces plaats als bij de Sjaerda's te Franeker (Oud Sjaerdema-Sjaerda bij de kerk), de Cammingha's (Camminghaburen-Cammingha in Hoek) en Oenama's (Terkaple-Joure), namelijk dat men ook bij handelsplaatsen een machtspositie opbouwde. Hemmema was bij de 15de-eeuwse partijtwisten een belangrijk huis. In de 16de eeuw waren de Hemmema's vermaard om hun geleerdheid. Van de state resteert het tot woonhuis verbouwde poortgebouw in het dorp.
Voor zover bekend is de State in de 15e eeuw of al (veel) eerder gebouwd, mogelijk als fort om de haven van Tuytkum/Utgong te beschermen, wat zou verklaren waarom deze state als enige in Friesland buiten de oude zeedijk is gebouwd. Kennelijk vertrouwden de Groningers hem niet, want in 1496 belegeren zij Hemmema State en veroveren het, maar steken het niet in brand. Ze wilden het sterke kasteel zelf gebruiken, maar die bezetting was van korte duur.
De erfgenamen verkochten in 1747 het bezit aan een zekere heer Quader. Die kon, zo wordt verteld, het goed meteen met een flinke winst in zijn geheel doorverkopen. Volgens zijn berekening kon hij echter nóg meer winst maken als hij het gebouw zou slopen en het materiaal verkopen. Kort daarna werd de trots van Berlikum en de Berlikumers aan de slopershamer overgeleverd. Op de plaats waar de state had gestaan werd zelfs geen boerderij gebouwd, zoals dat elders wel vaak het geval was.
- Sjaarda
- Rienstra Lytsewierrum
<1595 Uit de buurschap Rheen was de aanzienlijke eigenerfde familie van deze naam afkomstig Hier lag ook in 1718 een herenhuis.
- Mollema Lutkewierum
<1511 De beide Mollama-staten waren in 1511 eigendom van de eigenerfden Mollema. De stamvader van deze familie, Sirck Mollema, zou met een dochter van Agge Donia zijn getrouwd De sate naar een latere bewoner Palsma geheten
- Kooi Fenne
zathe Kooifenne Oosterend
- Donia Lutkewierum
<1458 In de vroege 15de eeuw was Donia te Oosterend het huis van een familie Donia. Door het huwelijk met een erfdochter Donia kwam het huis aan een tak van de familie Harinxma, die zich ook Donia ging noemen. De Donia-oorlog van 1458 en volgende jaren werd naar hen genoemd.
- Rispens Oosterend
<1402 Rispens was in de late 15de en 16de eeuw een eigenerfde state. De familie wordt al in 1402 genoemd: dan wordt Andelif in Respenze genoemd. In de 16de eeuw woonde hier een familie (thoe) Rispens die met Aylva's van Schraard en Buwalda's van Tjerkwerd trouwde. (…)
- Hottinga Wommels
<1475 <1500 Hottinga te Wommels was met de huizen te Kee en te Nijland een van de belangrijke steunpunten van de Hottinga's. Jarich Epaz Hotnya vermaakte in 1475 deze huizen aan verschillende zonen. In de jaren 1514-1524 was het huis herhaaldelijk toneel van oorlogsgeweld.
De State stond ten noordwesten van Wommels aan de overzijde van de Bolswarder Trekvaart, gemeente Hennaarderadeel. De State of stins wordt al in de 15e eeuw genoemd.
In Wommels waren de Hottinga's de belangrijkste familie en zij behoorden tot de Schieringers. Dit leverde nogal wat schermutselingen op met Bolsward en de Donia's van Oosterend, omdat deze twee partij hadden gekozen voor de Vetkopers. Bolsward deed uitvallen naar Wommels en de Hottinga's op hun beurt vermoordden Agge Donia in 1491 en brandden z'n stins plat. De Schieringers zochtten steun bij de Saksische troepen, terwijl de Vetkopers steun vonden bij de Geldersen. Dit had tot gevolg dat de Geldersen de Hottinga State belegerden en innamen. Pas in 1524, na de machtsovername door Karel V, kon Jarich van Hottinga weer terugkeren naar zijn voorouderlijk huis. In het verloop van de 17e eeuw tot het begin van de 18e eeuw werd de State bewoond door de familie Grovestins, die in die tijd grietmannen leverde (1639-1706). Aan de hand van historisch kaartmateriaal kunnen we vaststellen dat de state op een royaal bemeten terrein met singels lag. Aan de andere zijde van de provinciale weg Leeuwarden-Workum ligt nu nog een grote boerderij
- Stapert Wommels
<1547 Op deze state woonde de eigenerfde familie Stapert, die vanwege de verdiensten van dr Sipcke Stapert (Cyprianus Vomelius), assessor in het Rijkskamergerecht in Spiers, in 1547 en 1569 in de Rijksadelstand werd verheven.
- Hobbema Dronrijp
<1444 De oudste vermelding van de Hobbema's betreft het overlijden van Buth Hobbema in 1444. In 1511 werd aan Hobbema staeten het recht verbonden samen met de pastoor en met de eigenaars-gebruikers van Hermanastate te Minnertsga en Flaringa te Menaldum de prebendaris te benoemen van het door heer Douwa Pibez bij testament gestichte beneficie.
In 1529 werd het zwanenrecht van Hobbema state geregistreerd. Tot in de 17de eeuw werd de state bewoond door leden van de familie Glins. Een intermezzo was er alleen tijdens de oorlogshandelingen rond 1575. De goederen van Douwe Takes Glins werden toen verbeurdverklaard en Hobbema ... mettet huys gelyck 'tselve gebrant nederleyt, met 70 pondemaat land werden op last van de regering verkocht
Met Oedsinga lag Hobbema het dichtst bij de kerk van Dronrijp.
In 1572 wordt Douwe van Glins, geboren op Hobbema State te Dronrijp, te Groningen met de swaerde gericht (onthoofd) omdat hij de zijde van de Reformatie gekozen zou hebben.
- Dotinga Dronrijp
<1511 <1500 Niet lang voor 1786 werd dit herenhuis door een boerderij vervangen Dotinga werd in 1511 door de adellijke eigenaar bewoond. Als Dotinga state wordt het in 1529, als Doetnye in 1543 genoemd. De naam Dotinga valt onder Dronrijp tot 1444 terug te volgen.
Voor zover bekend is de State in de 15e eeuw gebouwd. In 1529 was Aelcke van Hermana, weduwe van Lolle Heresz. van Ockinga eigenaresse van dit huis, dat ze waarschijnlijk van haar vader Hobbe Taeckesz. van Hermana had geërfd. In 1529 liet haar tweede man Salvius van Foppinga het zwanenrecht registreren van het door hen bewoonde Foppinga State en tevens dat van Dotinga State waarvan hij verklaarde dat het eigendom was van zijn echtgenote.
Vermaakte Wytze van Cammingha in februari 1606 bij testament Groot Dotinga aan zijn neef Frans, zoon uit het eerste huwelijk van zijn overleden broer Sybrand met Catharina van Donia.
Later in de 17e eeuw was Dotinga State de royale buitenwoning van Sicco van Grovestins, raadsheer aan het Hof van Friesland en in 1700 eigendom van jkvr. Jetske Mari van Grovestins en in gebruik bij hr. Heemstra c.s. Dat was Schelte van Heemstra. In 1722 is het eigendom van secretaris De Hertoghe die echter op het naastgelegen Schatzenburg woonde, dat hijzelf in 1698 naar zijn eigen smaak had laten bouwen. De State bestond in 1718 nog in zijn volle glorie, gesloopt zijn in 1742.
Groot Dotinga, in de wandeling ’t Roodhuis genoemd
- Fetsa Dronrijp
<1500 Rond 1750 is het mooie huis met trapgevels, gracht, poort en al “gansch vervallen” Fetsa was een belangrijke state, waaraan ook zwanenrecht was verbonden. Het werd vermoedelijk eerst tussen 1511 en 1543 door de adellijke eigenaars zelf bewoond. De oudste vermelding van Fetsa, in de toenaam van de pachter, is Fetze in 1511." "Tot in de 18de eeuw domineerden de bewoners van Fetsa samen met die van Dotinga en Hobbema het dorp Dronrijp. In 1653 werden ook de zwanenjachten van deze drie staten tot één kryte samengevoegd, waarin elk van de huizen voor éénderde gerechtigd was.
In het midden van de 17e eeuw, in ieder geval in 1656 en 1665 was de state eigendom van Douwe van Ockinga. Rond 1700 is bezitter de oud-kapitein Taecke Sybrand van Burmania. Hij was verslingerd aan de bullescheyt (sterke drank) en raakte in geldnood. Misschien ook wel omgekeerd, door geldnood aan de drank. Hij verkocht op zeker moment de magnifique alé of opreed na Fetza, bestaande uit 6 rijen vleurige yperen boomen om nooddruft voor half geld.
Op de plek van de state staat nu een boerderij.
- Schatzenburg
Schatzenburg Benaming: Brantsma State
<1698 In 1780 gemoderniseerd Het oudste huis op deze plaats dateert van voor 1698. In 1698 werd op Brantsma State een nieuw woonhuis met een vlaamse gevel gebouwd. Eigenaar was Christiaan de Hertoghe, secretaris van Menaldumadeel.
Omstreeks 1725 is het pand door Hermanus Huber en zijn vrouw Elizabeth Huber-de Hertoghe, onder architectuur van Wijbe Saagman drastisch verbouwd, c.q. vernieuwd.
Kort voor 1749 kreeg het huis de naam Schatzenburg. Rond 1780 werd door Johannes Lambertus Huber, een der leiders der patriotten, het huis gemoderniseerd.
In 1787 moest J. L. Huber de wijk nemen naar Frankrijk. Het huis werd door de Staat verbeurd verklaard en kwam in 1790 in handen van Cornelis Martinus Haersma te Wijkel.
Van 1837 tot 1887 werd het huis door dr. Questius bewoond, die het bij zijn dood aan de stichting Vredenhof te Dronrijp naliet ten gebruike van de voogden, die uit de afstammelingen van de familie Huber gerecruteerd worden.
- Gralda state Menaldum
<1476 Ca 1795 werd de state afgebroken Onder de vóór 1476 aan de Osinga-prebende in Dronrijp geschonken inkomsten behoorden ondermeer renten uit Gheraude of Graude gued.
Rond 1543 werd uit Gryalde goet te Menaldum een jaarlijks rente van 20 goudgulden geschonken aan het getijdencollege van de kerk van Oldehove in Leeuwarden. In 1578 werd Tiepcko van Gerbranda, die op Gralda woonde, als edelman in het Genyerummer sextendeel van Menaldum aangeslagen.
In de 17de eeuw raakte het goed in burgerhanden: in 1698 was de heer J.H. de Wolf eigenaar, tussen 1728 en 1738 werd het door de grietenijsecretaris Johannes Casparus Schik gekocht.
Mogelijk is de naam ontleend aan de oude voornaam Grealt zoals de naam van het naburige Orxma State aan de oudfriese jongensnaam Orck ontleend lijkt te zijn
In 1795 werd de state verkocht. Kort daarna werd ook dit grote huis tegen de vlakte gewerkt om zoveel mogelijk geld te verdienen aan de verkoop van het vrijkomende bouwmateriaal.
- Goerda Menaldum
<1500 In 1640 was Goerda een gewone boerderij.
In de 16de eeuw werd de familie tot de eigenerfden gerekend, maar reeds in de 15de eeuw waren er verwantschappelijke betrekkingen met de Jongema's te Bozum en Rauwerd, de Juwsma's te Camminghaburen en de Andringa's uit Akkrum. In 1578 werd zijn zoon als aanzienlijke eigenerfde aangeslagen; Goerda blijkt dan in het Lyaersma sextendeel van Menaldum te liggen. In 1640 was Goerda een gewone boerderij.
- Fleringa of Galema Menaldum
<1511 In 1728 was het goed niet meer in adellijke handen In 1511 was Renick Wybez Popma van Terschelling eigenaar en bewoner van die staeten toe Flaeringe. Ook in 1505 werd hij al als edelman in Menaldumadeel vermeld. In 1529 maakten Renicks beide in het buitenland vertoevende weeskinderen aanspraak op de gerechticheyt van swanejagen als sy hebben ter cause van Fleeringa state. In 1622 werd Fleringa naar de eigenaar als edele state Gaelema aangegeven, in 1664 als edele state Fleringa. In 1728 was het goed niet meer in adellijke handen. Bij de invoering van het kadaster was het een boerderij, die samen met de bijbehorende boomgaard door een ruime vierkante gracht omgeven was
De naam Flaringa of Fleringa wordt vermeld in 1501. In 1618 wordt Gale van Galema vermeld en in 1640 is het eigendom van Joris Camp en in gebruik bij Jan Yges Tiesma. In 1700 is het in bezit van jonker Hector van Glinstra, oud Grietman over Tzietzerksteradeel en is dan 80 pondemaat groot. De boerderij ligt op een oorspronkelijk zeer uitgestrekte terp
- Buma Beetgum
<1501 <1511 Rond 1970 brandde de kapitale kop-hals-romp boerderij tot de grond toe af Evenals Aysma was ook Buma een belangrijke eigenerfde state.n In 1501 was sprake van een rente uit Buama goedt tot Dixtrahuysum.De oudste bekende vermelding van de Stins/State dateert uit 1511
Onder Beetgum de vermakelijke buurt Dyxtrahuizen ligt daar de erfelijke sloten of stinsen Buwma en Aysma staan. Buwema, Buwma of Buama
De oudst bekende bewoner was Wybrandt Buama, die in 1511 54 pondemaat nieuwland en 7,5 pondemaat oudland in eigendom had. Rond 1970 brandde de kapitale kop-hals-romp boerderij tot de grond toe af. Op de plaats van de vroegere State is na 1970 weer een boerderij gebouwd.
Aysma Beetgum
Op het terrein waar Aysma State heeft gestaan rest nu nog het voorhuis van een voormalige boerderij
<1500 Aysma-goed te Beetgum komt sinds de 15de eeuw in de bronnen voor. Binnen de familie Aysma bestond in de vroege 16de eeuw de traditie dat zij een tak van de Lauta's te Wier was. Dat beide families nauw verwant waren, is inderdaad wel zeker.Evenals hun buren Buma verkeerden de Aysma's in de 16de eeuw op de grens van adel en eigenerfd. In de 17de eeuw werden de Aysma's soms als jonker aangeduid; in 1825 werden ze onder de naam Lauta van Aysma als adel erkend.
De oude (Groot) Aysma State stond enkele honderden meters verder naar het oosten in de buurt Dijksterhuizen. Nu heet de weg over deze oude zeedijk officieel Dyksterhuzen en Aysma State stond ten zuiden van deze weg, dus aan de landzijde van de oude zeedijk. Dat duidt erop dat de plek waar deze stins/state heeft gestaan al vóór de afsluiting en inpoldering van de Middelzee bewoond werd.
Groot-Aysma in 1881 op afbraak verkocht is. Dat betreft dan het jongere huis dichtbij Beetgumermolen. Net ten oosten van Beetgumermolen, aan de zuidkant van de J.H. van Aysmawei is het terrein waar Nieuw Groot Aysma State stond nog zichtbaar.
- Groot Wytsma Tzummarum
<1544 In 1640 een pachtboerderij. In 1928 was de boerderij verbouwd tot een rij arbeidershuisjes, genaamd De Kampioen Wytsma, oudste vermelding Wyttzyma staten (ende) zate (1544)
Na 1640 was Groot Wytsma, evenals het op de oostelijke hoek van de Schillaan en Hoarnestreek gelegen Klein Wytsma een gewone pachtboerderij.
In 1928 was de schuur afgebroken en het voorhuis, op een hoog perceel, tot een rij arbeiderswoningen verbouwd, genaamd de Kampioen.
- Haerda Oosterbierum
<1500 In 1718 een door singels omgeven hofstede Haerda state was in de 15de en het begin van de 16de eeuw een edelmanswoning. De stins werd in 1498 als Pybe Haarda huys toe Oosterbierum en in 1506 als Haerda gued, staeten, stens en huus genoemd. Nog in 1640 behoorde Haerda state aan de familie Haerda; in 1546 en 1640 was het land aan een boer verpacht. In 1622 werd het door Winsemius nog wel als adelshuis aangegeven. De scheidingsacten van omstreeks 1506 en de Buitendijkse dijkag" van 1546 geven een uitgebreide omschrijvingen van de omgeving van Haerda state. Behalve het land worden in 1506 genoemd Haerda staeten als stens, huus, hoeff met den hoernleggher ... den alda huussteed ende dyo eester,... dae stens greft, ... Garbranda wyeer, misschien dus een stinswier en (land bij) Tzomghe huus en in 1546 Harda staten; van de 65 pondemaat liggen bij het huis dan 29 pondemaat met die eester ende huyssteedt, strekkende van Tzommema naar die Slachte.
- Hibbema Oosterbierum
<1400 In 1586 nog een vervallen stins naast Hibbema zaete Hibbema in Oosterbierum is de woonplaats van een adellijke familie die in het begin van de 15de eeuw in mannelijke lijn uitstierf, en in vrouwelijke lijn opging in de familie Liauckema. Sinsdien was het een pachtgoed. De oudste vermelding van het huis is uit 1479: Hibbema huus of Hebbema huus.
In 1479 werden bij Hibbema naast het huus nog stee, stins ende state genoemd; in 1546 was er nog sprake van Hibbema state, saete, of die staten ende steed van Hibbema goet en 't huys. Relatief vroeg werd Hibbema een gewone pachtboerderij; door het vroege overlijden van Wibe Liauckema alias Hibbema ging een waarschijnlijk geplande functie als zetel van een neventak van de Liauckema's niet door. In het testament van Frans van Dekema uit 1586 wordt naast Hibbema zaete nog het stins althans vervallen genoemd.
- Roordama Tzummarum
<1500 Vooral in de 15de eeuw was Roorda een belangrijke stins. De bewoners waren herhaaldelijk in gevecht met hun buren, de kloosterlingen van Lidlum. De familie Roorda splitste zich in verschillende takken: in Barradeel, Hennaarderadeel en in Menaldumadeel.
- Eelsma Sexbierum
<1498 In 1700 was Eelsma state buiten bezit van de Friese adel geraakt De stins van de Eelsma's was - na die van de Liauckema's - in belangrijkheid het tweede huis in Sexbierum. Het was het stamhuis van de gelijknamige familie Elincsma (1420) of Elkisma (1413,1425); de stins zelf werd in 1498 als Rippert Eelsma huys toe Sexbierum, in 1546 als die stins van Rippert Elincxma aangeduid. In 1546 was er ook nog een wier
In 1622 werd het huis onder de adellijke huizen gerekend; in 1640 verpachtte jonker Wyger Eelsma van Hottinga de boerderij, zonder zelf nog land te gebruiken. Diens moeder Anna Wygersdr Eelsma was een kleindochter van Rippert.Jonker Wyger sprak in 1640 van myn huys ofte stins; en in 1647 was sprake van een sate Eelsma sate genaemt met het stins ter plaetse, sampt huysinge en hovinge.
In 1700 was Eelsma state buiten bezit van de Friese adel geraakt; het werd toen door monsieur Stapert cum suis verpacht. In 1546 was sprake van die Stins, waarnaast bouwland lag, en 't hyem en die wier, eveneens naast bouwland. De wier mag misschien met de noordelijke wier van Klein Eelsma worden vereenzelvigd.
- Gerlewa Sexbierum
<1500 Dit goed heette in 1546 Gerlue saete. Gerlewa kende in late 15de eeuw en daarna geen adellijke bewoning.
Waarschijnlijke woonplaats van een (ontrouwe) leenman van de graaf van Holland.
Allereerst verdween de naam na 1546 uit de herinnering. In 1640/1698 werd het, hoewel de eigenaren de erven Mockema waren, Groot Meckema genoemd; dit ter onderscheiding van de naburige boerderij Klein Meckema, die wel eigendom van Meckema's was.
- Klein Eelsma Sexbierum
<1546 Deze sate wordt in 1546 zonder eigennaam als die staten aangeduid, in 1641 als sate landts gelegen by Eelsma stins,in 1698 als Kleyn Eelsma. Bij deze sate lagen twee wieren
in 1546 was een klein deel van Klein Eelsma eigendom van de Eelsma's.
- Jonger of Groot Tjaerda Sexbierum
<1386 Omstreeks 1850 was de sate onbehuisd. Na 1850 werd de boerderij naar de tegenover liggende, westelijke hoek verplaatst Dit goed werd reeds in 1386 indirect - in de naam van de aanzienlijke bewoner Stzialing Thiarda - genoemd; het goed als zodanig heette in 1546 Jongere Tyaerde landen.Naast de boerderij lag een stinswier
Pas in 1546 vernemen we weer iets over Tjaerda. Dan ligt op de oosthoek van de Hoarnestreek en de weg naar het dorp de sate Jonger Tyaerda, myt die huyssteedt, wyer ende cleyne fenne.
Het perceel ten zuiden ervan heet nog steeds de Hegewiers fjouwere. De ligging van de wier van Tjaerda lijkt op die van de nog bestaande Hege Wier en die van Oldehuis in Wynaldum: aan de toegangsweg naar het betreffende dorp. Al vanaf 1511 is er geen sprake meer van een adellijk bewoond goed.
Omstreeks 1830 lag de boerderij nog op de oude plaats, op een terpje aan de Hoarnestreek, naast de plaats van de voormalige wier. Omstreeks 1850 was de sate onbehuisd. Na 1850 werd de boerderij naar de tegenover liggende, westelijke hoek verplaatst; tegenwoordig heet hij Vredenoord
- Liauckema Sexbierum
Martena of Liauckama Liauckema State
<1479 <1400 In 1498 werd Liauckama Stins door een bende Vetkopers in brand gestoken, maar al gauw weer bewoonbaar gemaakt en mogelijk ook wat uitgebreid. In 1824 werd de state afgebroken, in 1860 werd de boerderij vervangen door een nieuwe boerderik
In verschillende testamenten wordt het Liauckema-goed nader omschreven: Schelta Lyauckama spreekt in 1479 van Lyawckama huus, porte, stins ende staete, jonge Schelte Liauckema bepaalt in 1503 dat zijn zoon Sicke zal hebben Lyawkeme staten mit dat hof ende hoernlegher ende graft als forndeel; Epe Liauckema gaf in zijn testament van 1535 het fideicommis van Liauckema zijn definitieve vorm.
Deze state wordt al in de 14e eeuw genoemd. De volgende Liauckama die we kennen is de bekende abt Eelco Liauckama die op de stins werd geboren en in 1332 vermoord. De State was eeuwenlang in het bezit van een der oudste en voornaamste Friese geslachten, de inmiddels uitgestorven Liauckema's. De lange reeks van eigenaren begint in 1398
In 1498 werd Liauckama Stins door een bende Vetkopers in brand gestoken, maar al gauw weer bewoonbaar gemaakt en mogelijk ook wat uitgebreid. Om aanzienlijk op de onderhoudskosten van zijn onroerend goed te besparen liet hij in 1824 Liauckama State afbreken. Alleen het poortgebouw bleef bewaard. Dat gaf financieel enige tijd wat lucht, maar toch zag hij zich in 1842 genoodzaakt ook de overgebleven boerderij met de landerijen te verkopen. De boerderij wordt gekocht door Jacob Wiebes Hanekuyk, een steenrijke notaris uit Harlingen, die rond 1860 de bouwvallige boerderij liet afbreken en er een nieuwe boerderij voor in de plaats zette. Dat gebeurde iets verder van de slotgracht af dan de plek waar de oude boerderij stond. Op die manier kon het nieuwe woonhuis naast het oude, waarvan hij in de zomermaanden gebruik maakte, gebouwd worden. Ruim een eeuw bleef de boerderij in handen van de familie Hanekuyk. In 1947 werd de boerderij gekocht door Rients Bruinsma, wiens vader en grootvader al sinds omstreeks 1845 pachters waren van deze boerderij. Voor hij het bedrijf aan zijn zoon overdroeg en ging rentenieren, liet Rients Bruinsma het huis bouwen dat op het vroegere stateterrein staat.
In 1979 werd de boerderij gekocht door een mevrouw Rietveld uit Woerden. De landerijen waren al eerder verkocht aan drie neven (oomzeggers) van Rients Bruinsma die boerderijen in de nabije omgeving hadden. Mevrouw Rietveld heeft nooit op de nogal bouwvallige boerderij gewoond. Zij verkocht het gebouw in 1986 aan Gosse Bloem uit Woerden, die de boerderij door de jaren heen gerestaureerd heeft en er een restaurant, pension en zalencentrum in heeft opgezet.
- Latsma Sexbierum
<1546 Latsma wordt in de Middeleeuwen niet expliciet als stins genoemd, reeds aan het begin van de 15de eeuw voor in de familienaam Laetkama of Latkama en in 1511 in de naam van de pachter Gerit Latzema; in 1546 heette het goed Latzema zaete en state.
Het wordt in 1546 als zaete, staten, huyssteedt, huys ende hoff aangeduid. In 1621 wordt de ligging aangeduid als tusschen de staeten van Lyauckama ende die van Adelen.
- Adelen Sexbierum
<1420 Al in de late 15de eeuw bestond de traditie dat de Van Adelens afstamden van de oude Friese koningen en dat (de heilige) bisschop Frederik van Utrecht ook een Van Adelen zou zijn geweest.
Waarschijnlijk heeft ze haar naam ontleend aan een toponiem: een adeel is een (perceel land belast met een) eeuwige memorie, mogelijk de Cleine Fenne tegen het kerkhof aan. De Van Adelens hadden in de 16de eeuw (evenals hun buren Latsma) een nauwe band met de dorpshoofdelingen, de Liauckema's. In 1552 woonden hier zowel de eigenaar als de pachter: Claes Aedelen met een harnas, rincoft stalenkraech, helbaert, spies, deegen, bacconyel, de pachter Baernt op Aedelen met dezelfde wapens, maar zonder de kraag en hellebaard. In 1566 vermaakte Claes van Adelen Fettzema zijn aandeel in de state en 't slot van Adelen met de Cleine Fenne by de bueren als fideicommis aan jonge Claes van Adelen, myn susters zoon. De latere familie Van Adelen, eigenlijk Van Adelen van Cronenburch, stamt van deze jonge Claes af.
- Mernstera of Gerbranda Pietersbierum
<1456 In 1546 en nadien kende Mernstera geen adellijke bewoning meer Mernst(r)a voor het eerst in 1456 genoemd; de oudste expliciete vermelding is van 1506: Mernstra staten ende landen en Marnstera staeten. De naam is waarschijnlijk afgeleid van een toponiem De Marnen, dat onder Pietersbierum ook elders langs de Hoarnestreek op verschillende plaatsen voorkwam. Tot in het begin van de 16de eeuw was Mernstera een adellijke woonplaats; er wordt ook een stins genoemd.
In 1546 en nadien kende Mernstera geen adellijke bewoning meer. Het werd door de Gerbranda's en latere eigenaren verpacht. In 1698 heette het goed Groot Marnstra, terwijl dichtbij ook Klein Marnstra lag; in 1850 was de naam Gerbranda, naar de latere eigenaars.
- Jongema Pietersbierum
<1506 Van Jongema is geen adellijke bewoning bekend. Wel was er een wier en was het binnen het Liauckema- en eerder Nyenhuis-bezit een belangrijk goed. Als Jonghama komt het in 1506 voor, als Jonghema gued in 1507.
In 1546 wordt het goed omschreven als Jongema staete groot zynde negen en dertich pondematen myt die huyssteedt, wyer, saetlandt, fenlandt ende maedlandt. Het land van Jongema lag grotendeels buiten de Oude Zeedijk/Hoarnestreek, de state en waarschijnlijk ook de stinswier daartegenover ten zuiden van de dijk.
- Nyenhuis Wynaldum
<1423 In 1700 een gewone boerderij geworden Noomen: "Nyenhuis die eind 15de eeuw door huwelijk opging in het goederenbezit van de Liauckema's van Sexbierum. De oudste vermelding van deze stins is van 1423: tot Nyenhuyse. Het eerste historisch betrouwbare bericht over Nyenhuis is van 1423. De graaf van Holland gaf aan Sicke hovetlinge tot Nyenhuyse toen een vrijgeleide.
In 1640 was Jarich van Liauckema nog eigenaar, maar in 1700 was het in nietadellijke handen.Nyehuis was toen een gewone boerderij geworden.
- Oldehuis Wynaldum
<1423 De eigendomsverhoudingen, de toponymie (Oldehuis ten opzichte van Nyenhuis) en de stinswier doen Oldehuis kennen als een oude adelspositie. Vanwege het voorkomen van de naam Nyenhuis in 1423 zal de naam ook toen al hebben bestaan. Latere vermeldingen zijn Aldahuus (1474), Oldehws (1496) en Oldehustera gued (1507). Het was al in de 15de eeuw opgegaan in het grondbezit van de Te Nyenhuizen.
Oldehuis ligt strategisch aan de noordwestelijke toegangsweg, de Aldhuustre laan (1546), naar Wynaldum.
- Ropta State (Wynaldum)
<1718 Het huidige huis stamt uit het begin van de 19e eeuw
- Gerbranda Almenum
<1511 In 1718 lag naast de boerderij nog wel een stinswier; in 1830 was ook deze verdwenen Voor de state komt de naam in 1540 voor als Gerbranda saete en Gerbranda landen; indirect wordt de naam van het goed in 1511 genoemd, de Gerbranda's in de 15de eeuw enige tijd de belangrijkste hoofdelingen van Almenum waren, en daarbij ook het stadje Harlingen domineerden. Er lag in 1718 dan ook een stinswier naast.
De ligging van Gerbranda was bijzonder strategisch: waar de Hoarnestreek en de Nieuwe Zeedijk bij elkaar komen. De wier lag ten noorden van de boerderij; vandaaraf kon deze splitsing worden gecontroleerd. De grootte van het goed was oorspronkelijk omvangrijker: in 1535 had Gerbrandastate nog hooilanden buitendijks, ver ten westen van Harlingen. Naderhand sloeg de zee deze weg. In 1640 was Gerbranda van een niet-adellijke eigenaar. In 1718 lag naast de boerderij nog wel een stinswier; in 1830 was ook deze verdwenen
- Deckinga stelle te Kopens
een stinswier aan direct ten noorden van de sate Deckinga (1640) of Dikkinga (1850) in de buurschap Coepens (1511).
- De Hege Wier te Coutum aan de Zandweg
In 1640 was jonker Keimpe van Donia op Hemmemastate te Bessum eigenaar
In 1832 en 1850 lag naast de wier nog een boerderij.
De Hege Wier ligt aan de Zandweg in de uit vijf à tien boerderijen bestaande buurschap Coutum, ook wel het Joukema sextendeel van Menaldum genoemd. In 1640 was jonker Keimpe van Donia op Hemmemastate te Bessum eigenaar, Sjoerd Ebles de pachter. In 1700 was de gravin Carelson eigenaresse, Bauke Jarigs pachter. De sate was toen ruim 39 pondemaat groot.
- Epingahuys Menaldum
<1300 Epinga-state was nog in de 16de eeuw een belangrijke eigenerfde state. Hij lag op de terp Epingaterp (1543) en had zwaanrecht (1529).
familie Van Epingahuys noemde als stichters van Klooster Anjum (13de eeuw) en kloosterlingen in Lidlum.
- Orxma state of Juckema Menaldum
Op de plaats van de vroegere State vinden we nu een verzorgingstehuis, dat de naam Orxma State draagt
<1511 1630 Gesloopt in 1831 Als heerscip bewoonde de eigenaar Renick Rioerdtsz Roerda Orxma state in 1511 zelf. Het goed werd voor 30 floreen aangeslagen en dat zou tot 1850 zo blijven. in 1642 liet het echtpaar Eduarda Riuerdtsdr Juckema van Oedsma en Homme Tiallingsz van Camstra een nieuw symmetrisch herenhuis bouwen.
In 1832 was het huis al afgebroken naar de eigenaars werd het terrein rond 1850 Orxma of Sminia genoemd
De State is rond 1630 ontstaan. De oudst bekende, of althans als zodanig geregistreerde, bewoner van Orxma State is Renick van Roorda, die gehuwd was met Rixt van Juckema. Dat moet rond 1600 geweest zijn. In 1487 werd er echter te Menaldum een proces gevoerd tussen ene Oerck Abbas en Rioerd Roorda (…) De genoemde Oerck Abbas ofwel Orck Aebes zou de naamgever van de state kunnen zijn geweest. Er wordt vermeld dat Orxma oorspronkelijk een boerderij was. Het terrein ligt echter dichtbij de kerk en bijna tegen de kerkterp aan.
Toen dit in 1629 als belegging werd gekocht door Ruurd van Juckema uit Rinsumageest, droeg het huis al de naam Orxma. In 1640 overleed de oude Juckema en Orxma werd eigendom van de oudste dochter uit zijn tweede huwelijk, Barbara. Zij was echter non en woonde in Haarlem.
Door een schikking is Orxma al snel nadat Barbara de boerderij geërfd had, eigendom geworden van haar halfzuster Eduarda van Juckema, die met Homme van Camstra was getrouwd. Deze Homme van Camstra liet de oude boerderij vervangen door een prachtig huis met grachten, singels en een groot park.
In 1818 ging Wickje, die ondertussen weduwe was, op Orxma State wonen. Het huis was haar veel te groot, dus werd het verbouwd. Dat betekende het begin van het eind van het trotse Orxma State. In 1830 werd het verkocht en in 1831 gesloopt.
Vrijwel zeker is een deel van het afbraakmateriaal gebruikt voor de bouw van het arm- en werkhuis te Menaldum dat in 1832 is gesticht.
- Lauta Wier
<1600 1192 In 1631 liet Andries Hiddema een nieuw huis neerzetten, met veel natuursteen versierd In de nacht van 1 op 2 juni 1748 werd het slot in brand gestoken, alleen de toren bleef overeind Onder de middeleeuwse hoofdelingen en ook in de lijst van edelen van 1505 komen de Lauta's niet voor. Wel worden latere bewoners van Lauta, evenals leden van de verwante familie Aysma sinds de late 16de eeuw geregeld als edelen aangemerkt. De stins Lauta is vanaf de vroege 16de eeuw met Aysma state in Beetgum in een deels traditie opgenomen.
Aan het begin van de 16de eeuw worden Lauta en Aysma vermeld als twee afzonderlijke goederen, elk met een eigenaar: respectievelijk Bauck, weduwe van Schelte Lauta te Wier, en de erfgenamen van Hessel Aysma te Beetgum. Rond 1545 hertrouwde Jel Lauta met Goslick Hiddema, zoon van Harmen Piersz Sytzama en Tyets Hiddema.2437 In 1548 kocht hij het huys daer hy nu inne woent, staende op Lauttestate,2438 waarschijnlijk dus het huis van de pachter. Een echte stins die eigendom was van de eigenaar, stond er blijkbaar niet op Lauta.
In 1631 liet Andries Hiddema een nieuw huis neerzetten De stins wordt voor het eerst vermeld in 1192. Als bouwheer van de Lautastins wordt Schelte Lauta genoemd. De bouw zou plaatsgevonden hebben in 1192, in dezelfde periode als de kerk van Wier, maar verder zijn hierover geen gegevens bekend. Rond 1620 is Andries van Hiddema eigenaar van Lauta State. Hij is Ontvanger Generael (directeur van de belastingdienst) en dat was destijds een zéér lucratieve functie. In 1634 laat hij een nieuw huis bouwen. Het ziet er naar uit dat de oude stins niet in de nieuwbouw werd opgenomen
In de nacht van 1 op 2 juni 1748 werd het slot in brand gestoken en de bewoners moesten vluchten.
- Bonga, Roorda op Bonga Berlikum
<1511 In 1511 bewoonde Scelto Roerda als heerschap Bonghe staten.
- Herema State (Berlikum)
Wanneer deze State werd gebouwd is niet bekend.
Heerema, Heerma, Harama of Herama
- Hemmema te Bessum of Donia Menaldum
<1439 1500 Afgebroken voor 1788 De eerste maal dat Hemmema te Bessum onder Menaldum, maar vlakbij Beetgum gelegen, wordt genoemd, is in de huwelijkse voorwaarden van Hannyke, een bastaardzoon van Ritzke Jelmera van Ameland, en Thiede, de dochter van Doekka Hemmema, in 1439.
Het huis werd voor 1788 afgebroken, de schuur rond 1859. De state is in het begin van de 15e eeuw of al eerder gebouwd. Reeds in 1439 wordt er een Hemmema statthen to Bessum vermeld. Daaruit blijkt dat dit huis toen al een veel groter en voornamer voorkomen had dan de simpele verdedigbare woontoren die stins (= steenhuis) werd genoemd en waarmee Friesland destijds bezaaid was. Waarschijnlijk is het huis na 1680 (vrijwel) leeg blijven staan. Doordat haar vader bijna failliet was gegaan en zij na zijn dood met de schulden bleef zitten, wist Isabella wat geldnood betekent en zij was dan ook niet van plan geld te verspillen aan een oud huis waar ze toch geen gebruik van wilde maken. In 1718 was het al flink in verval geraakt. In 1748 stond er nog een huis binnen de grachten, maar aan het eind van de 18e eeuw was daar niet veel van over
- Martena of Gr. Terhorne
<1517 <1496 De state is in 1879 gesloopt De familie Martena uit Cornjum, precies tegenover Beetgum gelegen, bezat naast het stamhuis te Cornjum huizen in Leeuwarden en in Beetgum. Hessel Martena maakte in 1517 zijn testament, waarbij hij ondermeer beschikkingen trof over Hoernster staeten mitten steenn en over de twe en dertich morgenn upt Bildt nae luidt m(yns) g(enadigen) h(eren) hartoch Georgiens brive ende segell. Met het laatste doelde hij op het leengoed dat hij van de landsheer had ontvangen. In de wandeling werd Hessel naar zijn huis ook wel als Hessel Hoerna aangeduid. Terhorne bleef tot in de 19de eeuw een belangrijk adelshuis. De oudste vermelding dateert uit 1496 De stins Thoe Hoerne wordt vermeld in 1496, wanneer in de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers een groep Vetkopers gesteund door Groningers de stins aanvallen en de brand er in steken.
Nadat de stins in 1496 onbewoonbaar geworden was, leek het Hessel raadzaam om niet in het kwetsbare Beetgum te blijven en liet het Martena Huis in Franeker bouwen. Wel liet hij later een nieuw huis bouwen naast de verwoeste stins. Dit nieuwe huis had een grondvorm, die overeenkomt met de (Friese) bouwtrant uit het eind van de 15e en begin van de 16e eeuw. Een hoog, rechthoekig huis op kelders met zware kruisgewelven en aan de achterkant, iets links van het midden, een achtkantige toren met de hoofdingang en de trappen naar alle verdiepingen, het geheel uit het water opgetrokken.
Als hij in 1633 sterft, verhuist zijn weduwe naar haer groote blauw gleydekte huysinge in de Grote Kerkstraat te Leeuwarden. Eén zoon erft Holdinga State, terwijl een andere zoon, Georg Frederik (I) bewoner van de state te Beetgum werd. Hij liet het slot helemaal opknappen, verbouwen en uitbreiden.
Van de drie zoons wordt alleen Georg Wolfgang Carel Duco volwassen, die zijn vader in 1783 opvolgde als grietman van Menaldumadeel, maar werd in 1795 door de Fransen afgezet. Net als zijn vader veranderde ook hij het een en ander aan de state.
Ook diens oudste Georg Frederick (III) liet de state ingrijpend veranderen.
Op 28 juli 1851 kwam zelfs de Prins van Oranje deze tuinen bekijken en op 21 april 1852 kwam koning Willem III zelf de collectie bloemen bewonderen. Hij overleed in 1868 op 77-jarige leeftijd. Van zijn vier zoons erft de oudste, Georg Wolfgang Carel Duco baron thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg de state Groot Terhorne. De teruglopende inkomsten uit overheids- en andere bestuursfuncties, de economische achteruitgang en de vrdeling van het grondbezit onder de vier zoons maakten de instandhouding van de state tenslotte onmogelijk. Was om aan geld te komen de bibliotheek in 1864 al onder de hamer gekomen, in 1872 werden een menigte bomen verkocht en in 1879 nog eens, maar de state was niet meer te redden. Nog dat zelfde jaar wordt Groot Terhorne voor afbraak geveild en gesloopt.
- Goslinga State (Dongjum)
>1640 1600 In het midden van de 17de eeuw werd door Johan van Goslinga, van 1662 tot 1688 grietman van Franekeradeel, waarschijnlijk deels op land van deze sate, het slot Goslingastate gesticht De state is in 1803 afgebroken In het midden van de 17de eeuw werd door Johan van Goslinga, van 1662 tot 1688 grietman van Franekeradeel, waarschijnlijk deels op land van deze sate (Jelmersma te Bootwerd), het slot Goslingastate gesticht. Omdat deze state van na 1640 dateert, had hij geen stemrecht.
Deze State werd in het begin van de 17e eeuw gebouwd. Op de Sickemastate te Herbaijum woonde in het begin van de 17e eeuw Johan van Goslinga, die grietman van Franekeradeel is; hij is getrouwd met Fed Sophia van Cammingha van Ameland. Dit echtpaar besluit om een nieuwe State te bouwen in Dongjum. De familie Goslinga stierf uit in mannelijke lijn toen Sicco in 1731 overleed. Wel werden afstammelingen van zijn dochters, de Burmania's en de Graven van Wassenaer-Obdam, later nog grietman van Franekeradeel. Uiteindelijk werd de state in 1803 afgebroken.
- Klein Lankum
- Groot Lankum
deze state, welke eene oppervlakte beslaat van 6 bund. 99 v. r. 2 v. ell., wordt thans in eigendom bezeten door Mevrouw de wed. Pieter Rodenhuis, woonachtig te Harlingen.
- Sickema Herbayum
<1484 <1500 Pybe te Herbayum nam in het begin van de 15de eeuw deel aan de rechtsomgang in Franekeradeel. Van hem werd gezegd dat hij zijn recht ontleende aan zijn afstamming van de naburige Thoe Kee's onder Franeker. In 1484 vermaakte zijn dochter Lisck Sickema, weduwe van Doeke Rinia te Blessum, Sickama goed toe Haerbayem met 70 pondemaat aan de kinderen van haar zoon Douwe.
De State werd waarschijnlijk in de 15e eeuw, maar mogelijk nog eerder, gebouwd. Langs de rijksweg Franeker-Harlingen ziet men net voor Herbajum rechts een restant van een poort van de v.m. Sikkema State staan.
oonde in 1635 Andries Waltinga en daarna Douwe Walta, oud grietman van Barradeel. Ook op dezelve is geboren de heer Jr. Sikko van Goslinga. In het Register van den Aanbrengh wordt gesproken over een Andries van Waltinga, die al in 1546 wordt genoemd. Hij is mogelijk de voorvader van de hierboven genoemde Andries Waltinga.
- huis behorend tot Tyaertza prebende Midlum
<1356 De bewoner van Tyaertza werd al in 1356 genoemd als getuige voor zijn buurman op Sibada. Ook in de rechtsomgang draaide de state mee. Aan het goed was - evenals aan de naburige stinzen Gratinga te Hitsum en Sickema te Herbayum - het collatierecht op een prebende in de parochiekerk verbonden. De bewoner Abbe Remmersma komt in 1505 als edelman in Franekeradeel voor.
- Runia Midlum
<1400 Anscke Johan Sybrandsz dochter (Auckema) laat in 1505 in haar testament Ronighe guet na, dat ze onjuist in Harlingen localiseert. Ondermeer het Sint-Annaklooster in Leeuwarden krijgt er renten uit. In 1534 liet Pieter Johanz (Auckema) bij testament een deel van Ronya gued na. Runia was aan het begin van de 15de eeuw een eigenerfd goed dat deelnam aan de rechtsomgang. In 1546 werd er ook een stins genoemd.
- Oud Herema
<1406 De naam Herum is afgeleid van de buurschapsnaam Hederum, waarschijnlijk het al in de vroege 10de eeuw voorkomende Heterheim. Beide vormen - Hederum en Herum - komen in de jaren 1406-1438 naast elkaar voor. In de 13de eeuw werd Herum verworven door de abdij van Bloemkamp, die het weer kwijtraakte in de 14de eeuw.
In 1406/1437 was er sprake van twee staten te Herum: Hedrum eene statha en Beyta statha op Hederuma therpe. Later ligt Nieuw Herum (Nuwe Herrem) dichtbij de dorpsterp van Tzum. Of de huisplaats later naar de omgeving van de kerk is verplaatst, zoals bij staten van dorpshoofdelingen vaker gebeurde, òf dat een van de Herumer staten van 1406/1438 werd samengevoegd met een reeds in Tzum bestaande stins is onbekend.
Olde Herrem was in 1511 eigendom van Tyerck Walta ende is een heerscap; hij was getrouwd met Tieth Herema van wie de state afkomstig zal zijn geweest.
- Nuwe Herrem Nuwe Herrem, Nieuw-Herum, Herama Zate
Benaming: Nuwe Herrem, Nieuw-Herum, Herama Zate
<1450 Wat betreft grondbezit was Nieuw-Herum kleiner dan Oud-Herum; het werd in 1640 dan ook Clein Heerma genoemd. Als huis, dichtbij de dorpskom en de kerk, was het waarschijnlijk belangrijker. Bovendien kan de eigendomsgeschiedenis hier duidelijker getraceerd worden: in de eerste helft van de 15de eeuw Gerrold van Herema, vervolgens oude Take van Herema (doodgeslagen). Diens zoon, jonge Take van Herema, was in 1511 en 1514 eigenaar. In 1545 vermaakte hij Nieuw-Herum of Herama zate, stins ende staten toe Tzum met eer ende veer en ius patronatus aan Wigle Herema, de zoon van zijn volle neef Sibren Agges Herema van Zweins.
- De stins bij Sybranda state op Holpryp
<1433 Op Holprijp ten westen van Tzum lagen twee belangrijke staten. Eén daarvan ontwikkelde zich in de 16de eeuw tot adelshuis. De continue eigendomsgeschiedenis van dit Holprypera gued reikt tot het jaar 1470 terug. De eerste vermelding van Holprypera statha - mogelijk het in 1470 genoemde goed - en van een andere, gelijktijdig genoemde state in Holprijp, waar ooit een stins heeft gestaan, is van 1433.
In Holprijp lagen twee "rechtvoerende staten: Holprypera statha en Sybranda statha deer en stins wessen hath. (…) zou het in 1433 genoemde Sybranda de sate kunnen zijn. Voor 1433 stond bij Sybranda een stins, in 1433 was deze reeds afgebroken.
- Holprypera goed, 't slot Holpryp of Hottinga
<1470 Rond 1730 werd het huis afgebroken. Op Holprijp ten westen van Tzum lagen twee belangrijke staten. Eén daarvan ontwikkelde zich in de 16de eeuw tot adelshuis. De continue eigendomsgeschiedenis van dit Holprypera gued reikt tot het jaar 1470 terug. De eerste vermelding van Holprypera statha - mogelijk het in 1470 genoemde goed - en van een andere, gelijktijdig genoemde state in Holprijp, waar ooit een stins heeft gestaan, is van 1433
In Holprijp lagen twee rechtvoerende staten: Holprypera statha en Sybranda statha deer en stins wessen hath. In 1470 wordt Holprypera gued genoemd in een boedelscheiding van de familie Sjaerda van Franeker. Tot in de tweede helft van de 16de eeuw is de eigendomsgeschiedenis onzeker. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat het latere slot Holpryp (1700) of Hottinga plaets Holpryp genaempt (1686) gedurende drie generaties vererfde. In het begin van de 18de eeuw was de grietman van Menaldumadeel Siuck Tiaerdt van Burmania eigenaar van d'huisinge Holryp; in 1728 verhuurde hij het herenhuis aan de kapitein Feugen, de boerderij aan een pachter. Rond 1730 werd het huis afgebroken.
- sate De Werren, Roordaburg Franeker
<1510 <1600 Gesloopt in 1765 Als sate dae Werren wordt het goed in 1510, als die Weeren en de Werren in 1511 en 1514, en als die Weeren by Franicker in 1550 genoemd. Aan de eigenaars sinds het midden van de 16de eeuw ontleende het de naam Roordaburg. Het was één van de dertien adelshuizen - naast Oud-Sjaerdema en Lioula en de tien huizen binnen de stad van de erfgenamen Sjaerdema. Edewer Sjaerda vermeldde de sate In dae Werren in 1510 in haar testament; in 1511 en 1514 was haar dochter Swob eigenaresse van deze pachtboerderij.
Het huis werd in 1765 gesloopt.
Het kasteel wordt voor het eerste in de 16e eeuw genoemd. Catharina en Alef hebben alleen een dochter Catharina en zij verkoopt in 1692 het huis aan Gerrolt van Cammingha en Catharina Victoria van Sternsee. Het slot wordt geërfd door hun zoon Sjuck van Cammingha, maar bij zijn dood blijken zijn bezittingen zo zwaar belast te zijn, dat zijn erfgenamen de erfenis verwerpen. Uit de boedel koopt Tiberius Pepinus van Eminga van Wiarda State te Goutum het huis, maar verkoopt dit 2 jaar later alweer. Uiteindelijk wordt het kasteel in 1765 gesloopt.
- De wier "oppa Dyck" bij de Grote Flaren
<1511 In 1718 wordt een stinswier aangegeven bij de sate De Grote Flaren. De namen Oppa Dyck en In de Flaeren worden in 1511 en 1514 genoemd. De sate De Grote Flaren, toen oppa Dyck genoemd, was in 1511 voor 10/25ste eigendom van Gerrolt Herema, voor 9/25ste van Sibrant Roorda en voor 5/25ste van het klooster Ludingakerke. In 1550 vermaakte Sibrant in zijn testament zijn deel van het goet opte Dyck in Tzummegae aan zijn neef Hero Roorda. In 1640 was juffer Perck van Roorda eigenaresse van het goed Op Dyck, dat in 1700 De Grote Flaren heette ter onderscheiding van de naburige Kleine Flaren. De stinswier lag in 1718 tegenover de huisplaats van de sate, ten westen van de Plattedijk. In 1832 was dit perceel als boomgaard in gebruik.
- Wiersma of Roorda
<1571 Gerland Hermana liet in 1456 aan haar achterneef Upke te Birdingaterp een deel van haar stins te Hitsum na met de goederen die ze door ruil had verkregen van Woltho in Midlum (partem castri sui in Hitzum cum praediis qua Gherlanda permutavit contra Wolthonem in Midlem). Van Upcke stamden in patrilineaire lijn de families Gratinga en Burmania af; in de familie Gratinga vererfde het huis te Hitsum tot het door Popck Gratinga aan Sibrandt van Roorda werd verkocht; deze liet in 1550 bij testament 't huys te Hitzum, gecocht van jonckfrouwe Popcke Gratinga, met een stuck van de werff aen 't huys geleghen aan zijn kleinzoon Hero Gratinga na, op voorwaarde dat deze zich van Roorda zou gaan noemen. In de tweede helft van de 16de eeuw waren er in Hitsum twee adelshuizen die beide op het oude Gratinga-bezit teruggingen: Wiersma- of Roorda-state geheten en Gratinga, terwijl een derde, naburig goed - het prebendeland van het Gratinga-leen - eveneens op het Gratinga-goed terug gaat.
Rienck Hemmema (met een moeder Gratinga)
- Doyuma state te Doyum
<1433 In Doyum lagen in de vroege 15de eeuw drie rechtvoerende saten in het land van Heslinga lag een wier, Hilderda en Fertza lagen ook bij een wier
\was het stamhuis van de familie Van Doyum die in de 16de eeuw alsnog in de Friese adel werd opgenomen.
- De "Grata Were" te Doyum Franeker
<1433 In Doyum lagen in de vroege 15de eeuw drie rechtvoerende saten. het land van Heslinga lag een wier, Hilderda en Fertza lagen ook bij een wier
- Offingahuizen
<1600 De familie Offingahuizen of Offenhuizen lijkt eerst in de 16de deel van de Friese adel te zijn gaan uitmaken. (…) In 1640 was Offingahuizen een pachtboerderij, verpacht door jonker Assuede te Groningen.
- Heslinga Pietersbierum
<1424 Indirect werd Heslinga genoemd in de familienaam van de eigenaar in 1424; als Heslinge saete in 1546. In 1424 woonplaats van een hoofdeling. Mogelijk lag er oorspronkelijk een stinswier naast.
In 1546 behoorde bij Heslinge saete onder andere twee pm lants, de Wier genoempt, zodat hier misschien een stinswier lag.
- Hottinga of Aebingha Sexbierum
Op voormalig prebendeland, waarvan de Liauckema's pretendeerden dat ze het ooit aan de Catharina-prebende hadden geschonken, lieten de grietmannen Hottinga die na de Opstand de Liauckema's de eerste plaats in het dorp betwistten, een huis bouwen. Ze wisten er ook stemrecht op te krijgen. Uiteraard protesteerden de Liauckema's hiertegen.
- Fetza Pietersbierum
<1456 Fetza was een huis dat tot in het begin van de 16de eeuw door edellieden was bewoond. De oudste vermelding van het goed is Fetsa saet in 1546; indirect kwam de naam in 1465 al voor in die van de eigenaar en van bepaalde rechten, Fyeertza fiaerdendeel geheten.
- Hottinga Pietersbierum
<1468 <1640 Afgebroken rond 1740-1750, vervangen door een nieuw huis. Dit is uiteindelijk in 1844 afgebroken
Het rapport van een Hollandse spion in Friesland van omstreeks 1468 vermeldt: Peetersbirum, dat beheert een geheeten Syrop ende heeft oic een slotken.
In 1728 werd Hottinga verkocht; het kwam in handen van patriciërsfamilies, Westerhuys en later Van Wielinga. Rond 1740/1750 liet Epeus Wielinga het oude gebouw afbreken en een nieuw buiten met ornamenten in een overdadige baroktrant bouwen.
In 1640 komt de State voor in de Floreenkohieren van Westergo, en deze is dan in het bezit van Julius van Eysinga. Hun zoon Epeus Wielinga is tussen 1740 en 1750 de nieuwe eigenaar geworden. Hij was raadsheer aan het Hof van Friesland en laat het gebouw afbreken en vervangen door een nieuw buiten. Uiteindelijk werd de Hottinga State in 1844 op afbraak verkocht.
- Sixma van Andla
Andere benamingen: Andla State, Hottinga State, Sixma State
1400-1500 De Sixma van Andla State stond ver ten oosten van Minnertsga, gemeente Het Bildt, aan het eind van de weg die veelbetekenend de Boslaan' heet(te). Tegenwoordig een kapitale boerderij, maar voorheen veel meer dan dat. Adres: W. Binnemaleane 10.
De State werd waarschijnlijk in de 15e eeuw gebouwd.
Mede door het feit dat de eigenaren familie van elkaar waren, is er nog wel eens verwarring geweest over de bewoners van deze state en de vlakbij gelegen (eigenerfde) Sixma State.
- Groot Hermana Minnertsga
<900 De oudste stins zou hier al in de 9e eeuw gestaan hebben Rond 1700 is de state afgebroken. In 1772 is een nieuwe boerderij gebouwd Hermana-state vererfde tot het einde van de 16de eeuw binnen de familie. Daarna werd het een pachtboerderij. De functie van adellijk huis werd overgenomen door Klein Hermana, aan de Middelweg.
Al in die zelfde 9e eeuw werd Hessel Hermana gekozen tot Potestas van Friesland. Rond 1700 was Tjalling Homme van Camstra eigenaar van zowel Klein als Groot Hermana. Hij liet Groot Hermana afbreken
- Sellinga Minnertsga
<1511 Doko Sellinga uit Minderskerka van adellijke afkomst; ten tijde van abt Ids Hermana (1296-1309) was hij prior van Lidlum. Een generatie eerder (1256) was uit hun verwantschapskring door hun verwante Eebel Sellinga in samenwerking met de Van Epingahuys'en het klooster Marienberg in Anjum gesticht. In 1511 waren Ritske Boelema en Ofke Attes (Haytsma) samen eigenaars. In 1533 en 1544 trof Ritske Boelema in zijn testament beschikkingen over Sellinga goet of Sellinga zate in Minnertsga.
- Haytsma Minnertsga
<1543 Haytsma met het ernaast gelegen Fernia adellijke woonplaats in de late 15de en 16de eeuw. In de oudste generatie waren er relaties met Dotinga's en een bastaardtak Sjaerda, woonachtig in Dronrijp. Evenals andere families in deze omgeving, waren de Haytsma's in het bezit van twee niet ver van elkaar af gelegen stinzen, waarvan de namen Haytsma en Fernia afwisselend als familienaam werden gebruikt.
"Haytsma werd als goed in 1543 genoemd: den huyse van Haytzumma; in de naam van de eigenaars is de naam indirect in het einde van de 15de eeuw geattesteerd.
Eind 16de en begin 17de eeuw zakten de Haytsma's en Fernia's af tot eigenerfde boeren en pachters.
De oudst bekende bewoners zijn het echtpaar Atte Haytzumma en His Ofkes Dotinga. Waarschijnlijk was Tyed Fernia een zuster van Atte.Attes kinderen worden in 1505 genoemd onder de edelinghen in Barradeel.
- De Stadhouders Jachthuis
Het Bosch bij St.-Annaparochie, van ouds stadhouders jachthuis
- Van Haren Van Harenshuis
<1673 In 1732 afgebrand en herbouwd, voor 1800 gesloopt Het huis werd in 1673 gebouwd op de plaats van een ouder huis. De oudst bekende Van Haren was Adam van Haren, die als watergeus deelnam aan de inname van Den Briel in 1572. Daarna kwam hij eerst in dienst van Willem van Oranje en later van Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland. Door deze laatste aanstelling, verhuisde hij naar Friesland. Zijn kleinzoon Willem van Haren werd in 1652 grietman van Het Bildt. Daarnaast was hij ook lid van de Staten Generaal, de Raad van State, en ambassadeur van Denemarken, Zweden en Engeland en buitengewoon gezant. In 1658 trouwde hij met Elisabeth van Hemmema en enkele jaren later huurden ze het huis van de secretaris van Het Bildt, Albertus Wijngaarden. Nadat Willem en Elisabeth het huis gekocht hadden, lieten ze het omstreeks 1673 vervangen door een geheel nieuw huis
De familie Van Haren was grietman van Het Bildt van 1652 tot 1763 en daarna nog van 1788 tot 1795. Na het uitsterven van de familie werd het huis afgebroken.
- Kuyk
<1578 ten noorden van Beetgum
naam Kuyck voor een boerderij
- Frittema
<1598 Zijne weduwe woont in 1598 in Dongjum (Doanjum) een paar kilometer ten noorden van Franeker in Franekeradeel op Fritema State
- Tjessinga State (Minnertsga)
<1500 De Tjessinga State stond rechts van de weg van Minnertsga naar Tzummarum, gemeente Het Bildt. Deze State werd mogelijk in de 15e eeuw gebouwd.
In 1543 wordt hier, als westelijke naastleger van de pastorie, een Hermana genoemd.
- Groot Folta Minnertsga
1.454 Folprechia, Folperda, Folpta of Folta. Tijdens het abbatiaat van Ethelger Jelgera (1240-1259) was Onseb uit Westergo prior van Mariengaarde. Hij stamde uit de edele Folprechia-mannen, wier dapperheid en fierheid de Sikengga-mannen ondervonden hadden.
adellijke familie Folperda uit Firdgum in Westergo. Interessant is dat Folta in 1511 inderdaad Folpta heette. Een familie Folta wordt later in Minnertsga niet meer genoemd. In 1511 behoorde Folta aan Offke Attes Haytsma. Diens dochter Ath Fernia verkocht in 1595 met haar zoon Oene Jouckes Oenema Groot Folta aan het Sint Anthonygasthuis te Leeuwarden; verkopers zouden nog 13 jaar de bruikma (het gebruiksrecht) hebben. Ook latere generaties nakomelingen bleven pachters op Folta.
- Fernia Minnertsga
Op de plaats van de vroegere state bevindt zich nu de pastorie van de Gereformeerde Kerk <1500 <1500 In 1640 wordt Fernia nog aangeduid met Huys ende hoff
In de oudste generatie waren er relaties met Dotinga's en een bastaardtak Sjaerda, woonachtig in Dronrijp. Evenals andere families in deze omgeving, waren de Haytsma's in het bezit van twee niet ver van elkaar af gelegen stinzen, waarvan de namen Haytsma en Fernia afwisselend als familienaam werden gebruikt. Eind 16de en begin 17de eeuw zakten de Haytsma's en Fernia's af tot eigenerfde boeren en pachters.
De State is in de 15e eeuw ontstaan. Fernia State en Haytsma State hadden aan het eind van de 15e eeuw samen een eigen kapel, gesticht door Atte Fernia en zijn en zijn buurman Atte Haitsma. De kapel stond tussen beide stinsen in en had een eigen priester die onderhouden werd uit de opbrengst van 74 pondemaat land onder Firdgum. Deze landerijen werden wel het Capelle vrijleen toe Mynnersgae en het Fernia capelle leen genoemd.
In 1543 wordt in een koopakte gesproken van de Fernije-landen en niet meer van Fernia State of, zoals gebruikelijk, de naam van de eigenaar van de betreffende state. De adellijke state is dan inmiddels vrijwel zeker een gewoon woonhuis geworden. In 1640 wordt Fernia nog aangeduid met Huys ende hoff
- Klein Hermana
<1550 De state werd rond 1835 afgebroken De state werd in de 16e eeuw gebouwd. De State Klein Hermana werd waarschijnlijk gebouwd in de eerste helft van de 16e eeuw in opdracht van Frans van Hermana, een broer van Hessel van Hermana die op het stamslot Hermana Stins in Minnertsga woonde. Het nieuwe huis werd ter onderscheid van het al lang bestaande huis Klein Hermana genoemd, waarbij de oude stins de toevoeging Groot toebedeeld kreeg. Waarschijnlijk stond hier al een boerderij die Frans van zijn vader geërfd had. Het verdeelde vermogen was zo groot, dat daar nog wel een representatief huis af kon. Rond 1660 werd Tjalling Homme van Kamstra eigenaar van de state. In 1663 trouwde hij met Susanna Margaretha van Donia.
Leeuwarder Courant: 21 september 1835: Klein Hermana onder Minnertsga met houten zomerhuis op afbraak verkocht. 2 december 1836: verkoop van afbraakmateriaal van het slot Hermana onder Minnertsga, waaronder 3 miljoen stenen en 12.000 dakpannen. 21 februari 1839: houtverkoop op het voormalige Klein Hermana onder Minnertsga.
Deeze State is lange jaaren door de Heeren van Kamstra en Haarsolte bewoond geweest; doch komt nu in eigendom toe aan den Heere Grietman, Jhr. Jan van Echten'.
- Idsama of Jelgersma
<1453 De stinswier ligt op het erf, binnen de singel, ten oosten van de boerderij In 1511 was Lieuwe Jelgers de gebruiker van 21 pondemaat van die kapellepriester te Minnertsga; in 1543 heette deze sate geheeten thoe Yedsma. In 1546 blijkt de ligging: ten oosten van Camstra state. De sate heette toen Idsama saet. Idsama sate behoorde in 1640 en 1700 tenminste niet meer aan de Haytsma's of hun leen, maar was opgegaan in een grote sate van 100 pondemaat. De in 1718 opgegeven naam Jelgersma verwijst mogelijk terug naar de gebruiker van 1511. Idsama of Jelgersma was in 1640 en later een gewone pachtboerderij. In 1546 heet de directe omgeving dat huys myt dat terp. De stinswier ligt in 1718 op het erf, binnen de singel, ten oosten van de boerderij.
- Camstra Firdgum
<1413 <1500 In 1413 werd binnen de familie Camstra een regeling getroffen waarbij werd bepaald dat de bastaardzoon van de overleden Take Camstra op de stins in Firdgum zou opvolgen. Omdat de stins later in het bezit is van nakomelingen van Takes dochter, die met een Hermana trouwde, heeft deze regeling waarschijnlijk geen effect gesorteerd. De betreffende bastaard Peter Camstra komen we in 1420 tegen als hij in de Rechtsomgang van Franekeradeel het recht voor Getswerd bij Getswerderzijl voert.
- Sytzama
- Andla Ried
<1400 De Andla's waren de dorpshoofdelingen van Ried. In 1529 wordt het dorp naar hen zelfs 't dorp van Andlariet genoemd; zij pretendeerden in dat jaar het zwaanrecht in het dorp. Andelatille gold in 1402 als de oorstelijke grens van het Franeker marktrechtsgebied. De Andla's worden vanaf het begin van de 14de eeuw vermeld. Rond 1400 bezaten twee takken van de Andla's goederen en rechten in de rechtsomgang van Ried en Boer: de Andela's van Ried en van Menaldum.
In Ried lagen twee states Andla: Oud en Nieuw Andela. Bij de eerste stond een stins: Alda Andela, deer een stins steet, ende Nya Andela. In 1408 voerde Hessel Andela het recht van Nieuw Andla, in 1406 dat van Heslinga in het oosterend van Ried. Hijzelf of zijn vrouw stamde af van de familie Tamminga, waardoor hij ook goederen en rechten op Tamterp onder Peins had. In 1424 en 1430 voerde voor Oud en Nieuw Andla Peter Camstra het recht; de laatste state was met zekerheid ook zijn eigendom: hij had hem verpand.
- Elgersma
Elgersma Benaming: Elgersma of Humalda
<1406 Elgersma nam in 1406-1438 wel aan de rechtsomgang deel, maar de bewoners lijken een eigenerfde status te hebben gehad.
Het goed werd in 1637 door Taecke Aebes Elgersma, een nakomeling van de eigenaar/ gebruiker van 1511 als Elgersma state, groot 114 pmt bouw- en miede-landen, 't huys, schuyr en hovinge en plantagie etc. in hur by Cornelis Jans verkocht, houdende de vercopers aen hun 't recht van de legersteden by hun althans op den kerckhove 't Boer geposideert met de stenen daerop leggende, sampt het glas in den kercke aldaer ende voor hem ende syne erfgenamen den titele ende name van Elgersma. In 1640 werd het verpacht door jonker Dominicus van Hottinga
- Rodmersma te Kitzelum Dongjum
<1425 De terpbuurschap Kitzelum lag ten oosten van Dongjum bij de Dongjumertil. Zij telde in de vroege 15de eeuw vier rechtvoerende staten: Rodmersma, Lyuwama, Kitzelama en een state waarop geen huis stond. Bij Kitzelama stond toen een stins, terwijl Rodmersma het woonhuis was van een geletterde grietman.
Kitzelama state behoorde in 1406 aan Intia Fedda(ma); die voerde tenminste het recht ervan. In 1431 voerde echter Tjalling Rodmersma, mogelijk als eigenaar, het recht. Dat deed hij ook voor de state zonder huis en voor zijn woonhuis Rodmersma. Over Kitzelum merkte hij in 1433 niet zonder gevoel voor humor dan ook op: daar zijn eveneens vier rechtvoerende staten, naar ik vernomen heb drie van Rodmersma en één Lyuwama. Als eigenaar of als plaatsvervanger deed hij dat ook voor talrijke andere staten in Franekeradeel. In 1431-1432 was hij bovendien tevens grietman. In 1433 schreef hij de Rechtsomgang, de beschrijving hoe het recht omging over de rechtvoerende states. Kitzelama wordt na 1438 niet meer genoemd. Rodmersma was in de late 15de eeuw eigendom van de familie Sjaerda van Franeker. De terp die Eekhoff ten noordwesten van Rodmersma aangeeft zal het oude Kitzelum zijn.
- Groot Tamminga te Tamterp Peins
<1400 Eind 14de eeuw was de stins te Tammingaterp of Tamterp eigendom van Rombert Tamminga. Zijn zoon Goffe Tamminga trouwde voor 1406 met Edewer Gerbranda, de weduwe van Goffe Sjaerda van Franeker. In de jaren 1406/1438 werd het recht van de drie boerderijen bij de stins (Doeckama, Offinga en Kampama) door verschillende erfgenamen (Tamminga, Bolted Sickinga en Hessel Andela van Ried) van de Tamminga's gevoerd.
- Aesgema Peins
<1437 In 1437 was Gerrolt Herema van Tzum eigenaar van Aesgema.
- Oud Sjaerdama Franeker
<1400 Oud-Sjaerdema is het stamgoed van de familie Sjaerdema. Hierop lagen de rechten in de rechtsomgang van Franekeradeel. Rond 1420 hield Sicke Sjaerda hier in de strijd tussen Schieringers en Vetkopers enige tijd de abt van Lidlum gevangen. Al in de 14de eeuw werd naast deze plattelands-stins het huis Sjaerdema-bij-de kerk gesticht.
- Doyema leen Pingjum
<1500 Het leen zou als prebende tot 1720 bestaan en al die tijd ook een relatie behouden met (nakomelingen van) de Beyma's
- Aylva state te Berrum Tzum
<1406 In de 16de eeuw lag in Berrum het woonhuis van een tak van de familie Aylva. In 1406 lagen op de terp Berrum ten zuiden van Tzum twee rechtvoerende staten: Egberts state en Elgera statha by Siurd Berma stinze. In 1408, 1421 en 1433 voerde Egbert thoe Berrum het recht voor zijn eigen state. Voor de andere state, Elgera bij de stins, trad in 1406 en 1416 Gerrolt Herema op. Siurd Berma, die op de stins woonde, fungeerde wel als rechter, maar niet vanwege zijn stins. In 1511 en 1514 behoorden de state te Berrum en het aangrenzende goed Nyedoor toe aan Sits Walta, de weduwe van Syurd Aylva te Schraard. Hoe zij die had verkregen is onbekend. Omdat de buurschap Berrum in 1511 geen andere sates had, zal Sits Aylva-Walta in ieder geval rechtsopvolgster in Gerrolt Herema's rechten op Elgera state en ten aanzien van Siurd Berma's stins zijn geweest. Sits liet de sates te Berrum en Nyedoor na aan haar zoon Watze Aelua. Deze woonde met zijn vrouw Sitke Roorda ook te Berrum. In 1563 liet Sitke, als weduwe van Wattzie Ayluwa thoe Tzum, in haar testament de sate Nyedoor na aan haar kleindochter Auck Scheltes Aelua (gest. 1608), en Berrum als prelegaat aan haar zoon Joan Aelua, die ook te Tzum ging wonen. In 1640 en 1700 waren beide goederen gewone pachtgoederen geworden.
- Hermana state of Dekema te Koum Tzum
<1406 In 1550 en opnieuw rond 1630 zou Hermana te Kouum tot een aanzienlijk huis verbouwd zijn.
In Kouum werd in 1406 een stins genoemd die naast een rechtvoerende state lag, waarschijnlijk de voorganger van de latere state Hermana. Deze laatste ontleende zijn naam aan de eigenaars, in 1511 vermeld. In 1622 heette het goed naar de eigenaar Dekema, in 1664 en 1718 werd het als edele state Hermana en in 1700 als 't slot Koum genoemd. In 1511 en 1514 bestond Kouum uit drie sates. Eén daarvan was in eigenerfde hand, de tweede was de kerkegoed. De derde, de grootste, was eigendom van Hobbo Hermana, een schoonzoon van His Herema. Waarschijnlijk was dit Hermana-goed oorspronkelijk dus Heremagoed en daarom een van de beide staten Jariggha en Hildarda van 1410, 1413 en 1436. Mogelijk verrees het latere slot Hermana op de plaats van Hessels stins van 1406. Hobbo Hermana bewoonde de state niet zelf: hij verhuurde hem aan Folckert toe Coudum.
In 1550 en opnieuw rond 1630 zou Hermana te Kouum tot een aanzienlijk huis verbouwd zijn. In de tweede helft van de 16de eeuw is er van adellijke bewoning sprake.
" "Op de kaart van 1622 wordt Dekema als één van de adellijke huizen onder Tzum aangegeven. In 1700 en 1728 was het goed verpacht.
- Kingma Sweins
<1500 <1650 In 1864 afgebroken Kingma-state te Zweins was een van de belangrijke pachtgoederen van de familie Sjaerda van Franeker; het goed had ook deel aan de rechtsomgang. In de loop van de 15de en 16de eeuw verwierf de familie van de pachter steeds meer rechten in het goed; in 1511 moest de pachter nog wel om het andere jaar een hengst van de Sjaerda's voeden, terwijl in 1529 het zwaanrecht omstreden was tussen Sjaerda's en Kingma's. In de 16de eeuw ontwikkelde dit huis zich daardoor tot het landgoed Kingma-state van de Kingma's, die van de (gedeeltelijk) pachter (- gedeeltelijk eigenaar) Peter Kenghem van 1511 afstamden en waarvan een tak eind 16de eeuw tot de regentenkringen wist door te dringen; later was de familie Van Beyma thoe Kingma, die het wapen Kingma als hartschild voerde, eigenaresse.
Saeckle van Kingma koopt in de eerste helft van de zeventiende eeuw deze State. Na zijn dood erft zijn Ignatius de State, die in 1700 sterft. Door vererving komt de State eerst in bezit van Zachaeus van Ghemmenich en daarna van de familie Van Beyma. De zoon van Coert Lambertus, Jhr. Julius Matthijs van Beyma, erfde de State. Hem lukte het wel om in 1825 grietman van Franekeradeel te worden. Zijn afstammelingen noemden zich Beyma thoe Kingma en bewoonden Kingmastate tot 1847, waarna het gebouw in 1864 afgebroken is.
- Groot Heerma
<1500 De dorpshoofdelingen van Zweins waren in de late 15de eeuw de Herema's, afkomstig uit Tzum. Agge Herema in Sweins stamde uit een zijtak van de familie. In 1511/1514 woonde zijn zoon Sybren Herrem heerscap zelf op de state; de erfgenamen en de bastaard van zijn broer Bocke Agges waren eigenaars van het andere Herema-goed onder Zweins.
- Bonga Kimswerd
<1500 De stins is rond 1626 afgebroken Als versterkt huis te Kimswerd nam Bonga aan het eind van de 15de eeuw de rol van Osinga over. De familie Bonga te Kimswerd wordt vanaf 1494 vermeld; Bonga gued en Bonga saet worden in 1522 en 1546 genoemd. De eerste generaties waren rond 1500 betrokken bij militaire acties. Een proces in 1626 geeft een fraai inzicht in de afbraak van de stins. Bonga wordt op de kaart van Sibrandus Leo van 1579 als adellijk huis aangegeven. In 1626 ontstond een conflict tussen de eigenaars en de huurders dat licht werp op het verdwijnen van de stins. De eigenaars van Bonga sate voerden voor het Hof van Friesland aan dat van het verhuurde land seeckere schoon terp ofte terplandt, groot 2,5 pondemaat, deel uitmaakte. Deze terp was mit zyn grachten van old althoos genaempt Bunga terp ofte Bunga staten en was door de voorouders van de eigenares Idke Bunga gemaect mit grooter arbeyt ende costen; daerop oeck van olds gestaen hadde een schoon stins ende wydere wooninge, hebbende gediend tot ... geryff van de eygenaers van de selve Bunga staten ende bewoonders van dien, waertoe zy oock hun toeflucht in tyt van nood, ende verseeckerheyt tegens alle noodt, swarigheyt ende periculen van der viandt sampt hooge waeteren plachten te nemen. De huurders hadden nu de terp echter wtgesmeeten, gedemolieerd, geslechtet ende gedestrueerd en de sloot gedempt tussen de terp en het naburige perceel, die in de tijd dat de stins op de terp had gestaan als beheininge had gediend. In de grachten, waarin overvloedig riet had gegroeid, waarmee men de schuyre en het lanckhuys placht te dekken, was verder veel overtollige aarde terecht gekomen. De eigenares, Idke Bunga en haar man Cornelis van Voort, eisten herstel van de oude toestand of vergoeding voor de waardevermindering. De huurders verweerden zich door te stellen dat ze geen boodschap hadden aan de sterckheyt van't stins in de tijd van 't oorlogen van de olde Friesen en dat het land juist in waarde was gestegen; het afgraven van de dorre hoochten en het dempen van de grachten was met grote moeite, arbeid, geld en tijd gepaard gegaan. Zij zagen het als een goedt werck. Het Hof gaf hen gelijk.
- Bonga
- Oedsinga of Osinga Kimswerd
<1468 Oedsinga wordt in 1468 expliciet vermeld als een huis dat militair van belang was. De oudste vermelding van een stins Osinga dateert van 1468. In het verslag dat een Hollandse spion in Friesland in dat jaar. uitbracht wordt genoemd een cleyn dorp geheeten Kemswart ende is beheert van eenen geheyten Meyla Oedsumma ende heeft oic een slotken.
In de 17de eeuw is sprake van een een old familie Van Osingha geweest toe Kimswert seer vernaemt, dan is lang uitgesturven, blykt uit de olde quartieren van andere geslachte daer sy aen getrout syn geweest; met name werd daarbij genoemd een Meiloff van Osinga ... tot Kimswert. Mogelijk was met de laatste de in 1468 genoemde Meyla op het slotje te Kimswerd bedoeld.
In 1640 en 1700 was het goed, evenals de gebruikseenheden van de aangrenzende geestelijke goederen tegen de dorpskom aan, nog verder verbrokkeld
- Heemstra Groote Pier
- Watzema Arum
<1507 In 1640 was het goed een eigenerfde boerderij Watzema werd in 1507 indirect genoemd als belending van het nabij gelegen goed Sytzama. Een deel van de landerijen van Sytzama sate lag namelijk to Watzama finna eynd. Het was één van de goederen van de Arumer hoofdelingen Beyma.
- Sytzama Arum
<1506 Rond 1540 werd het huis opnieuw opgetrokken. In 1665/6 werd het huis geheel vernieuwd. Als Syttyema gued wordt Sytzama te Arum in 1506 voor het eerst genoemd, de bijbehorende Zydsama fenna in 1492, de familienaam Sytiama, later Van Sytzama, vanaf 1487 Het gaat om een eigenerfde state, waarvan de bewoners reeds in de 15de eeuw met hoofdelingenfamilies geparenteerd waren. Mede daardoor lukte het de Sytzama's al in de 16de eeuw tot de Friese adel gerekend te worden.
In 1507 verdeelden zijn kinderen de nagelaten goederen van hun ouders, waaronder Sytzama hws, staten ende alle landen. Rond 1540 werd het huis opnieuw opgetrokken. Uit 1541 dateert een overeenkomst tussen de Sytzama's en de gebruikers over de nieuwe huizing en d'ene helft van den olden stien. In 1544 is sprake van sekere parc (plantage), huys, steen, staten ende landen in Zytthiema, in 1565 van het huys staende op Sytziema statten, de hoeyberch daerby staende en Sytziema hoeffs graft; het hof was dus omgracht. Bij een verkoop tussen familieleden onderling worden in 1592 nog de boomen van't noorder hoff en noorder ringhmuyre genoemd, terwijl dan ook blijkt dat het goed in tweeën is gesplitst: Groot en Cleyn Sytzama. In 1640 waren de erfgenamen van Andries Sytsma voor tweederde deel eigenaars. In 1665/6 werd het huis geheel vernieuwd door Jetske van Sytzama.
Het in 1665/6 herbouwde huis was een deftig symmetrisch huis met een vlaamse gevel en tussen trapgevels.
- Sytzama
- Hooghuistra of Cammingha Arum
<1543 De state was in 1724 waarschijnlijk al verdwenen Tevens is er een boerenhoeve aanwezig
Behalve Sibalda hadden de Siaerdema's nog meer goederen in Arum. Op één daarvan ging, in de eerste helft van de 16de eeuw, Catharina Gerroltsdr Herema, achterkleindochter van Edewer Siaerdema en gehuwd met Sicke Pytersz Cammingha, wonen. Generaties lang werd de state vervolgens door Cammingha's bewoond. In 1543 beurde de Arumer pastorie een rente van Camminggha staeten. Die naam behield de state ook in latere tijd. Daarnaast komt de naam Hooghuystra en 't Slot voor. Rond het huis, dat strategisch aan de vaart naar Arum en Franeker lag, is in 1832 een samengesteld grachtenpatroon te zien. De state en de boerderij waren afzonderlijk omgracht.
1670 ..nu by den Ed. Heer Jr. Taco van Camminga, Grietman zynde bewoont. Eigenaar is jr. Schelto van Heemstra op Dronryp (nom. filiae). Of te wel, de dochters van deze jonkheer waren de eigenaars. Het goed is in gebruik bij Tomas Tomas en beslaat een oppervlakte van 80 pondemaat; dit is ongeveer 27 ha. Voor de State moet in totaal fl. 38-7-6 betaald worden.
Jhr. Schelto van Heemstra eigenaar, maar hij en zijn familie hebben mogelijk nooit of weinig op de State gewoond, omdat ze een veel voornamer optrekje hadden in Dronrijp: Dotinga State. Dronrijp lag dan ook veel dichter bij het provinciale bestuurscentrum Leeuwarden.
- Sibalda Arum
<1420 Sibalda was waarschijnlijk al in de late 15de eeuw geen adellijk en versterkt huis meer De eerste vermelding van Sibalda is van 1420. De oudst bekende eigenaar was de niet met name genoemde vader van ene Douwe Sybalda, die we ook als kerkvoogd van Arum kennen. Uit de oorkonde van 1420 blijkt dat Douwes vader hem een deel van Sybalda gued had nagelaten, met tweederde van da stens ende werUit de vermelding van de stins en de stinswier blijkt wel dat Sibalda geen gewone boerderij was. Sibalda was waarschijnlijk al in de late 15de eeuw geen adellijk en versterkt huis meer.
- Hobbema
Hobbema State.
- Aggema op de Kampen Witmarsum
<1500 1410 Aggema werd in rond 1500 bewoond door Alef Peters Walta (uit de familie Walta van Schettens/Schraard).Hij was getrouwd met Ints Epes Aylva. In 1543 woonde hun zoon Peter daar. Nog in de 18de eeuw was het slot Aggema een fraaie buitenplaats, bewoond door de Aggema's.
Langs de Pingjumervaart stond het Aggema-slot bij het buurtje de Campen'in Pingjum. Vandaar dat de stins ook wel ’t slot op De Campe werd genoemd. In 1715 werd het opgemeten en besloeg het 63 pondemaat en 10 einzen (1 pondemaat was 12 einzen). Er schijnt later nog meer land bijgekomen te zijn, want in 1889 werd de state met 38 hectare land aangeboden (= ruim 100 pondemaat).
- Heslinga stins Pingjum
<1640 Heslinga lag direct ten oosten van Hania; het land van beide goederen grensde aan elkaar. Houckien Hillema, weduwe van Hector van Bouritius, raadsheer in het Hof van Friesland, verpachtte het goed in 1640 aan Jan Wybes. In 1645 was Jan Wybesz overleden, zijn vrouw Syts Eelckes leefde nog. Hun boerderij werd toen vermeld als Heslinga staten, met huysinge, dorschhuys met een hoybergh daerby staende, met hovinge en plantagie; het geheel genaempt Heslinga stins.
- Hania Pingjum
<1529 Rond 1640 een pachtboerderij Volgens de 16de-eeuwse overlevering zou Hania-state in Pingjum het stamhuis van alle Hania's in Friesland zijn geweest. De stamvader zou vele vetes hebben gevoerd met de premonstratenzers op het Zand onder Pingjum. Later werd hun klooster naar Bolsward verplaatst. Eén van de zonen van deze Hania zou zich in Holwerd, een ander in Weidum, en een derde in Welsrijp hebben gevestigd. Inderdaad was er in al deze dorpen een Hania-state. De vierde zoon behield de oude possessio Hanya in Pingjum.
Aan haar zoon Wattze Douwe Hania gaf ze inmiddels ook weduwe van Douwe bij Wattzes huwelijk met Ffoekel Agghes Walta in 1529 ondermeer dat statten, hoeff ende dat huys dat der op steet to Haenye, dier ick nu op wennye. De landerijen moest hij met zijn (half)zuster Ulbet delen, terwijl de timmering van het foerhuys uit de gemeenschappelijke goederen zou moeten worden bekostigd. In 1543 wordt onder de inkomsten van zowel de pastorie als de vicarie van Pingjum onder de grondrenten genoemd: Haenye, 12 stuvers, ende es lange niet gegeven. In 1546 bezit Watze Hania veel land onder Pingjum en wordt hij er ook vaak als naastligger genoemd. In 1640 was Hania state, aan de Hanialaan, eigendom van Epe Douma, die het verpachtte. Ook later was het een gewone boerderij. Wèl werd het in 1664 samen met Waltinga en Pibema nog als adellijke state aangegeven.
- Rommertha Pingjum
<1546 In 1546 kocht Jacob Theyesz land in Rommarta saete in Pingjum. Waarschijnlijk was Rommertha een aanzienlijk eigenerfd huis
- Pybinga of Pibema Pingjum
<1483 Een tegenstander van de Schieringer vechtersbazen Rompta en Beyma op het Bolwerk in Pingjum, vetehelpers van de Siaerdema's van Franeker, woonde waarschijnlijk ten noorden van het dorp: op Pibema state. In 1483 kwam Hessel Pybynga tot een vergelijk met de erfgenamen van de Franeker hoofdeling Douwa Zyaerda. Douwe en zijn mannen hadden in de vetes misdaden begaan, ze waren mede schuldig oen sillige Doeden - myn moeders - daed, en ook was er schade aan ous stins en gued. Op anderen die bij de vete betrokken waren, handhaafde Hessel echter zijn aanspraken. Vanwege de naamsgelijkheid ligt de veronderstelling voor de hand dat Hessel woonde op Pibema.
Pibema werd in 1640 gepacht door Jan Jans Siersma. In 1699 kocht Petrus Hilarides het; sindsdien bleef het in het bezit van die familie.
- Aylva Witmarsum
<1439 <1421 Er is sprake van een stins in 1421. In 1485 en 1496 werd de stins platgebrand. In 1747 is de oude state vervangen voor een nieuwe. In 1860 vernieuwd
In 1421 werd de stins bewoond door Tjaert Aylva. Hij liet de stins na aan zijn zoon Epo Aylva die getrouwd was met Wick Sickema. Wick overleed op 26 maart 1475 en na haar werd de stins tot 1515 bewoond door kleinzoon Epo van Aylva. Deze Epo wist in de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers niet welke kant hij moest kiezen. Eerst was hij waarschijnlijk Vetkopersgezind, want in 1485 werd de stins platgebrand door de schieringer Seerp Beyma. Waarschijnlijk heeft hij zich daarna bekeerd tot de Schieringers, want in 1496 onderging de stins hetzelfde lot door de hand van een groep Vetkopersgezinde Groningers. In 1747 was Hobbo van Aylva heer en meester. Hij gaf opdracht de oude state te slopen en een nieuw huis te bouwen. Na hem werd de nieuwe state eigendom van Tjaard van Aylva en daarna tot 1795 van een J.D. van Aylva. Tijdens de Franse overheersing werd in 1804 het huis en omliggende park te koop aangeboden.
In 1860 was het goed eigendom van ene T. Mulier, die de state geheel liet vernieuwen. Al in 1867 kwam het huis weer te koop. Het werd mogelijk gekocht door een heer Rodenhuis. In 1875 werd het opnieuw verkocht, nu in drie delen: 1. het huis met een deel van het park; 2. het achterste deel van het park; 3. het koetshuis.
- Oud of Groot Beyum Arum
1450-1500 Beyum is de vroegmiddeleeuwse naam van een terpbuurschap op de grens van de dorpsgebieden van Arum en Ruigelollum. De belangrijkste state daar was Oud of Groot Beyum. De eigenaars noemden zich Beyma of Van (de of à) Beyum. De Beyums duiken in de tweede helft van de 15de eeuw op als vetehelpers van de Sjaerda's van Franeker. Naast Groot Beyum lag in 1718 en 1832 nog een stinswier. Omdat de zonen van Syuerdt en Kathryn, Lieuwe en Wytse Beyma, respectievelijk op de Nyestins of Nyestinstera en op Watzema te Arum woonden, is Oud Beyum in het begin van de 16de eeuw zijn adellijke bewoning en verdedigbare uiterlijk kwijt geraakt.
In 1622 woonden Josias van Aersen en Hack Wpckedr Tallum op Beyum. In 1640 was Jan Josias van Aersen eigenaar en bewoner; in 1667 werd Groot Beyum door de Van Aersens verhuurd.
- Eminga
- Ockinga Burgwerd
<1430 <1424 Ockinga en Donia, waarvan de landerijen aan elkaar grenzen, zijn een mooi voorbeeld van het dicht bijeen wonen van verschillende leden van dezelfde adellijke familie. In dit geval werd door fideicommissaire bepalingen van 1430 en 1478 lange tijd voorkomen dat beide staten door vererving aan verschillende families kwamen. Al in de 15de eeuw lijkt Donia, strategisch gelegen bij de kerk en aan de vaart, belangrijker dan (Oud) Ockinga geworden te zijn. ze had volgens de oorkonde van 1478 bepaald dat de hwsen ende stenzen die de beide broers in 1478 bezaten - respectievelijk dat stens ende staten ... by der tzercka tho Borghwerth deer van aldis heet tho Doyngha ende nu haet Nye Ockyngha en het hws ende hof, stens ende staten ... by Sioungha dyck, geheten Ald Ockingha - nooit uit het geslacht mochten vererven.
Oud Ockinga was in 1622 in handen van de regentenfamilie Van Wyckel en wordt dan als adellijk huis Wyckel door Winsemius aangegeven. De oudste vermelding van de State dateert uit 1424.
De Ockinga State stond aan de Sjungadijk op de plaats waar nu de boerderij van Frans Hettinga staat. Wanneer het geslacht Ockinga zich hier vestigde, is niet bekend. De oudste Ockinga was Lolle Ockinga (ca 1376). Twee achterkleinzonen, Hero en Pieter, bewoonden elk één van de twee States, maar het is niet duidelijk wie welke. "
- Donia Burgwerd
<1430 <1424 In 1869-1870 geheel afgebroken Ockinga en Donia, waarvan de landerijen aan elkaar grenzen, zijn een mooi voorbeeld van het dicht bijeen wonen van verschillende leden van dezelfde adellijke familie. In dit geval werd door fideicommissaire bepalingen van 1430 en 1478 lange tijd voorkomen dat beide staten door vererving aan verschillende families kwamen. Al in de 15de eeuw lijkt Donia, strategisch gelegen bij de kerk en aan de vaart, belangrijker dan (Oud) Ockinga geworden te zijn.
Volgens de oorkonde van 1478 bepaald dat de hwsen ende stenzen die de beide broers in 1478 bezaten - respectievelijk dat stens ende staten ... by der tzercka tho Borghwerth deer van aldis heet tho Doyngha ende nu haet Nye Ockyngha en het hws ende hof, stens ende staten ... by Sioungha dyck, geheten Ald Ockingha - nooit uit het geslacht mochten vererven. Donia daarentegen was in 1640 nog wel eigendom van Tryn Ockinga, de dochter van Joost Ockinga. Deze stins stond ten zuiden van de kerk van Burgwerd, gemeente Wûnseradiel, aan de jaagvaart van Bolsward naar Leeuwarden.
Wanneer de stins gebouwd werd is onbekend. De oudste vermelding dateert uit 1424." "De nieuwe eigenaar wordt Dirk Tammes de Vries voor een bedrag van 6.924 gulden, die waarschijnlijk al voor 1834 pachter was van een zathe te Burgwerd, die in het bezit was van Engeltje Monsma. De Vries hechtte maar weinig waarde aan het buitenhuis, wat algemeen was voor die tijd. Dit komt omdat de grondprijzen erg hoog waren. Twee jaar na de aankoop liet De Vries een deel van de state slopen (waarvoor in 1866 een advertentie in de Leeuwarder Courant geplaatst werd) en in 1869 - 1870 volgde de volledige afbraak. Op 8 sept. 1869 is er een Boelgoed van Afbraak op Donia State. Na de sloop van de panden werden de grachten gedempt en het hele terrein omgeploegd tot weiland.
- Wybinga Nijland
<1452 In 1452 maakte Bauck Hesselswyf, de vrouw van Hessel Albada in Westhem, haar testament. (…) Bauck stichtte ondermeer een prebende in de Sint-Maartenskerk van Bolsward. Het belangrijkste bestanddeel van de dotatie van deze prebende werd Wybinga goed oppa Nyland. Nog eeuwen lang zou deze boerderij eigendom van het Wybingaleen zijn. (…) De wier die tot in 19de eeuw naast Wybinga sate lag (…) is een teken dat Wybenga een oude adellijke machtspositie was. Waarschijnlijk was de stins in 1452 al afgebroken; Wybenga lijkt dan een gewone boerderij te zijn.
Hij lag direct ten zuiden van de boerderij, bij de splitsing van de Tjaarddijk en de Remswerder laan, niet ver van Nijlander Zijl.
Wybranda Hichtum
<1511 Omstreeks 1840 werd de state afgebroken en vervangen door een boerderij Waarschijnlijk was Wybranda in het begin van de 15de eeuw één van de stinzen van de familie Ockinga, die in het naburige Burgwerd woonde.
In 1511 zijn Douwe Rienckz Bourmannia en Bocke, zijn broer, eigenaars van Wybrande te Hichtum. Gedurende enige tijd werd de state meestal als Aysma aangeduid
Wybranda lag strategisch aan de vaart die Bolsward met Achlum, Franeker en Tzum verbond.
- Buwalda-Stapert te Buwaldaburen
<1700 Rond Buwalda-Stapert lag een gracht
- Hoytema state of Oenema te Buwaldaburen
De uit vier boerderijen bestaande buurschap Buwalda, Buwaldaburen, Bouwoude of Jonkershuizen wordt in 1478 als Buwauda voor het eerst vermeld. Op Oenema-state te Buwalda woonde in 1503 Abbe Gerckes. In de 17de eeuw verleende Hoytema onderdak aan de Jezuïeten-zending. In de 18de eeuw is nog sprake van een achter bedstede-deuren verborgen huisaltaar.
- Hottinga Nijland
<1399 Hottingahuis op Nijland was vanouds het belangrijkste adelshuis in het dorp. In 1399 woonde hier Here Hottinga, die van hertog Albrecht van Beieren de ambachtsheerlijkheid van Nijland in leen kreeg en door de hertog tot ridder in de orde van de Hollandse Tuin werd gemaakt. Hottingahuis werd in de 15de eeuw vaak als militair object genoemd; de bewoners waren bij talrijke vetes betrokken. In 1468 berichtte een Hollandse spion dat Jarich Epazn in een dorp geheeten 't Nyewelandt een slotken had. In 1481 werd Hottingahuis door de Bolswarders en Snekers belegerd. Met het kanon van Sneek - Sneecker grote busse - schoten ze het olde werck van 't huys, dat over de nieuwe muren te zien was, er helemaal af, maar aan het nieuwere deel van het gebouw konden ze met de bus geen schade doen.
In 1640 was het land in twee sates verdeeld.
In 1399 komen we de eerste bewoner van de stins tegen. Hij heet Here Hottinga en is een aanhanger van graaf Albrecht van Holland. Voor zijn bewezen diensten wordt hij in bovengenoemd jaar verheven tot heer van Doedenkerke, een oude naam voor Nijland. De kleindochter van Here Hottinga, Foockel, erft de State, maar de naam Hottinga blijft voortbestaan, doordat haar man Epe Jarichs van Kee de naam Hottinga aanneemt. De stins heeft veel te verduren gekregen in de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers, omdat de Hottinga's tot de Schieringer partij behoorden, terwijl het nabijgelegen Sneek tot de andere partij behoorde.
- Donia huis en Donia wier
In 1458 woonde Haring Donia op Nijland. (…) Harings sterck steenhuis in Nijland lag volgens Worp van Thabor niet veer van Hottinga. Het werd in 1458 door Goslick Juwinga en de Bolswarders, geholpen door Douwe Siaerdema, ingenomen en verdurven
Tussen 1458 en 1511 moet het door het klooster Thabor zijn verworven. Direct ten westen van - en het dichtste bij - Hottingaterp lag in 1511 namelijk de sate myt die huyssteed ende dat terplant, die werd gebruikt door Jarich Mollaz en die voor het grootste deel eigendom was van Thabor. In 1606 werd het bedrijf door twee pachters gebruikt; in 1640 was het goed in twee afzonderlijke bedrijven gesplitst, elk gerechtigd tot een halve stem.
- Homminga, Syaerda of Bonninga Abbega
<1450 Vernietigd in 1490, daarna herbouwd, in 1495 opnieuw vernietigd, daarna gewone boerderij geworden. Homme wordt in 1422 onder de Schieringer hoofdelingen genoemd, direct na de gebroeders Harinxma
In 1450 wordt met zoveel woorden gezegd dat Homme Homminga in Abbega woonde. Hij trof toen als één van de grietmannen van Wymbritseradeel een regeling over het gerecht van de stad Ijlst. In 1490 bestormde de Vetkoperse hoofdeling Douwe Epez Hettinga, die op een nabije stins in Abbega woonde, het huis van de inmiddels bejaarde Foppe (II) Siaerda. Deze was daarop niet bedacht en had ook geen helpers op het huis. Met behulp van rook en vuur lukte het Douwe Hettinga Syaerda styns ende huys in te nemen. Foppe, een guedt, vreedsaem oldt heerschap stierf door die moeienisse ende bangicheit binnen drie dagen. Vijf jaar later, in 1495, verwoesten de Vetkopers, ditmaal onder leiding van Juw Juwinga uit Bolsward, namelijk Pier Foppes Bonninga huys in die Morra. Ook ditmaal werd de stins beroofd en in brand gestoken. Daarna is het huis van de Siaerda's in de Morra een gewone boerderij geworden. In 1511 verhuurde Pier Foppes' zoon, de hoofdeling Goffa Pierssz te Oppenhuizen de sate in die Morra, groot 50 pondematen en aageslagen voor 16 floreen.
In 1700 was het goed in twee gelijke helften gesplitst. In 1718 lag direct ten oosten van de boerderij nog een stinswier, ongetwijfeld de rest van de oude stins in de Morra.
Wobbema Abbega
<1447 Het andere goed, bij het dorp gelegen, direct ten zuiden van de stins in de Morra en ten westen van Attama-sate, verpachtte hij aan Jetthie Sywrdz. Dit laatste goed was Wobbema, waarover in de zoen tussen Hessel Albada en Homme Homminga door de zoenlieden in 1447 was bepaald: om Wobbema guedt twyssche Hessel ende Homma dier leydt in Abbagha wysa wy Humma in da besittynghe; met andere woorden dat het aan Homme werd toegewezen. In 1543 werden Wobbinga zaete landen genoemd als zuidelijke begrenzing van een klein stuk land van de Westhemster kerk, dat ten noorden aan Morster landen grensde.
Tiete van Popma liet in zijn testament van 1619 een deel van Wobbema te Abbega na.
- Wier ten zuiden van de Hemdijk
In 1718 wordt onder Abbega ten zuiden van de Hemdijk een stinswier aangegeven. in 1640 40 pondematen groot en aangeslagen voor 7-9-0 floreen. Sybolt Hessels was toen de eigenaar en gebruiker.
Vóór 1734 is de wier geslecht: toen lag op dezelfde plaats het huisje van de schoenmaker Johannes Douwes; ook in 1832 woonde er een schoenmaker.
- Sibranda of Aylva Schraard
<1480 In 1514 werd toe Schraerdt Syuerdt Aelua huys door de Geldersen in brand gestoken In Schraard was het belangrijkste hoofdelingenhuis Sibranda-state. Als stins ende staten to Schadaert en Sibranda gueden wordt het in 1480 genoemd bij de door Agge Walta nagelaten en onder zijn erfgenamen verdeelde goederen. Bij die goederen waren drie stinzen: de Walta-stins (later Sickama geheten) te Makkum, Jonghama te Sotterum onder Schettens en Sibranda te Schraard. Elke stins vererfde in een andere staak van Agges erfgenamen; die te Makkum en Schraard werden in de 16de eeuw door zijn nageslacht in vrouwelijke lijn (respectievelijk Sickema en Aylva) bewoond, de derde - te Schettens - werd pachtgoed
Bij de verdeling van 1480 werd de stins te Schraard samen met 100 pondematen in Sibranda-goed toebedeeld aan Wattia kynden, de kinderen van Agges zoon Wattia/Watze. In 1514 werd toe Schraerdt Syuerdt Aelua huys, samen met Wibranda-huis, door de Geldersen in brand gestoken.
- Aylva
<1421 In 1711 vervangen door een boerderij. In 1930 is een nieuwe boerderij gebouwd Naam herinnert nog aan state en geslacht van de Aylva's Rest slot te Filens verdween in 1930. Er zijn vele Aylva's grietman geweest van Wonseradeel: elf zonen van dat geslacht regeeerden met tussenpozen van 1456 tot diep in de achtiende eeuw.
Oostelijk van het dorp was weleer nog eene state van Aylva, alsook Bonga-stins, Nystinstra en Filens, benevens de buurtjes Rypend, 't Vlied, Gerns, Koudehuizen, enz. In den jaare 1421 woonde hier Tjaard Aylva, een overschrokken voorstander der Friesche vrijheid, gelijk hij onder anderen in dit jaar deed blijken, door het Hollandsch garnizoen te Makkum, door de Schieringers ingehaald en onder bevel van Sikke Sjaardema staande van daar op eene behendige wijze te doen verhuizen
Want al was die state dan in 1788 al lang afgebroken of waarschijnlijk omgebouwd tot boerderij, pas in 1930 verdwenen de laatste resten van Aylva's slot, toen de plaats - bewoond door Johannes Hibma - werd afgebroken.
In 1700 behoorde de plaats aan Tjaard van Aylva, en de bewoner was een zekere Aage Johannes. Wanneer Tjaard is overleden, erft zijn weduwe Margaretha Johannesd. barones van Ghendt de plaats: bewoner is in 1708 Douwe Foekes, die we tot in 1738 aantreffen. Vermoedelijk ging de plaats over op de dochter van Tjaard en Margaretha, Agatha Wilhelmina, die met haar neef Hans Willem van Aylva huwde. Hun zoon Hans Willem, gehuwd met Catharina Rumph en hun kleinzoon - ook een Hans Willem - gehuwd met Cornelia van Brakel zijn de opvolgende bezitters geweest. Deze laatste Hans Willem overleed in 1827 en zijn goederen gaan over op de laatste der Aylva's, zijn dochter Johanna Anna Jacoba Wilhelmina, gehuwd met mr. Frederik Willem Floris Theodorus baron van Pallandt, heer van Keppel. Na de hierboven genoemde Douwe Foekes zijn de volgende bewoners der boerenplaats: Piet Watses, diens weduwe, Sjoerd Teunis, Watse Sjoerds (Hidma), Pieter Watses Hidma, Sjouke Gatzes Rusticus, Meinte Gosses Bootsma, Sjerp Baukes Jansen (van Parrega), Bauke Sjerps Jansen en in 1919 Johannes Hibma. In 1930 werd dus de nieuwe plaats gebouwd en kwam vader Hibma daar te wonen. In '38 opgevolgd door zijn zoon Jan. Het geslacht Aylva bestond niet meer. De goederen gingen over in het geslacht Van Pallandt: Carel Anne Adriaan , gehuwd met jonkvrouw Cecilia Maria Steengracht werd bezitter van de plaats. Hun dochter Cornelia Johanna gehuwd met Jan Carel Elias graaf van Lynden werd erfgename. In 1930 ging de plaats - met meerdere oud-Aylva bezittingen - over in handen van hun dochter Cecile Maria, gehuwd met jonkheer mr. P.J. Repelaer van Molenaarsgraaf. Na haar overlijden in 1952 viel het bezit uiteen en ging de plaats, bewoond door de familie Hibma, eerst naar mr. G.A.F. baron van Lynden te Hemmen en in 1953 door verkoop over in handen van mevrouw Hannema-Stork te Harlingen.
- Osinga Schettens
nu een kapitale boerderij
<1640 <1500 De Osinga's van Schettens behoorden tot de Friese adel, hoewel ze vaak wat op de achtergrond bleven
In 1640 was juffer Tiemck van Osinga eigenaresse van 't Slot. Zij was getrouwd met Schelte Hotsesz van Aysma. In 1677 werd Osinga, dat daarna enkele generaties aan de Aysma's bleef, Aysma state genoemd. Het werd toen verhuurd, met huismanne huisinge, buytehuys ende schuyre en 't hof aen de zingel. De Aysma's mochten hooi en paardenvoer in de schuur opbergen. In 1694 werd het door Anna van Spruyt, weduwe Aysma verkocht; het werd toen omschreven als een sate lands te Schettens, Osinga state genaamd, met de huisinge, schuire, hovinge, boomen en plantagie, en de kleine plaatse liggende aan de Dijkshoek omtrent myne woninge.Osinga lag onderaan de oostelijke flank van de terp Sotterum onder Schettens.
Op den duur is Osinga tot boerderij vervormd, waarschijnlijk omstreeks 1743. Het is verschillende malen verbouwd, b.v. in 1861, toen Y.C. de Haas er woonde en ook nog in de periode van de tegenwoordige eigenaar de heer D. Postma en bewoond door zijn schoonzoon, de heer A. van der Meer, die behalve boer, ook drs. in de economie is
- Jonghema te Sotterum
<1480 Bij de regeling rond 1480 van de geschillen over de erfenis van Agghe Walta worden ondermeer genoemd 45 pondematen to Jonghama, waarop Sibrent de kuiper pleegt te wonen, mey dat stins, weer, greeft, ende walla ende hem ende diin steen deer tho Jonghema ende tho Bittens is. Dit goed zou komen aan Agghes erfgenamen Hero Hayez en zijn vrouw Rynck. Om de stins lag dus zowel een gracht als een wal, en bovendien was er mogelijk een stinswier. Bovendien was er op het erf een voorraad steen, iets dat vaker expliciet wordt vermeld. Een ander Walta-goed was 75 pondematen groot, gelegen tho Sottrum in Jonghama gueden, waarop Luutghien woonde. Blijkbaar was Jonghama-goed dus in twee delen gesplitst. Dít goed kwam aan Epo Hesselsz Jongema te Bozum, een schoonzoon van Agge Walta.
- Walta Tjerkwerd
<1500 Rond 1800 wordt de state afgebroken De Stins/State werd mogelijk tegen het einde van de 15e eeuw gebouwd. In 1765 wordt de State met arbeiderswoning en molen verkocht en rond 1800 afgebroken. Op het terrein wordt dan een boerderij gebouwd.
- Hoytema Oudega
In Oudega lag de stins van de familie Hoytema. Hoyta van Hoytama, die op't stins tot Oudegae woonde en in 1330 in een grote overstroming omkwam. Diens weduwe Teet was er in 1511 met haar kinderen eigenaar van en woonde er ook. De sate was toen 63 pondematen groot.
In de 17de eeuw werd het een gewone boerderij.
- Hoytema Symon Hottiesz Hoitama sate
<1528 Tussen de eveneens dicht bij de kerk gelegen vicarie en de Hoytema-stins, bewoond door de weduwe van Hoyte Lioleffz, lag de sate van Symon Hottiesz, 40 pondematen groot. Hij was een kleinzoon van (oude) Hoyte Hoytema en Eesck Hiddama, en dus een neef van Hoyte Lioleffsz.
Indien we de pastorie meerekenen als Hoytema-huis, woonden in 1543 dus drie Hoytema-nazaten in Oudega naast elkaar. Na Symon Hottiesz en zijn zoon Gercke Hoytema zal dit tweede Hoytema-huis een gewone pachtboerderij zijn geworden. Anders dan met betrekking tot de Hoytema-stins bestaat over dit huis niet de traditie dat het een stins of adellijke state was.
- Adama Scharnegoutum
<1538 De stins is in 1538 geslecht. De naam komt in dat jaar voor het eerst voor: als Adama gued; in 1569 als Adema zaete. Adama was in 1511 een pachtgoed, dat half (16 fl.) aan Feyka Kampstra te Wirdum en half (14 fl.) aan het klooster Groendijk behoorde. In 1543, 1556 en 1562 waren de erfgenamen Camstra mandelig eigenaars; in 1640 was Goffe Camstra eigenaar. De grootte was tussen 1511 en 1640 stabiel: 47 respectievelijk 48 pm, aangeslagen voor 30 fl. In 1538 was Gale Aentkes (Scholtema) pachter van het goed. De kloosterlingen van Groendijk hadden toen de styns op Adama gued geslecht. Gale eiste tweederde deel van de styns ofte den steen van dien op. In 1569 hield men nog rekening met aanspraken op het gebruiksrecht van de sate door Gale of zijn kinderen. De stins lag naast de tweede sate ten zuiden van de kruising van de weg naar Ysbrechtum en de Overdijk of Ivige Leane.
- Hiddema Nijland
<1452 Met de vermelding van Douwe Hiddema's kinderen in het testament van hun verwante Bauck Hesselswyf in 1452 komen we voor het eerst op historisch gezien vastere grond; misschien was Epa Hiddama, die een prelegaat van één pondemaat kreeg, één van Douwes kinderen. Wèl is Hiddama steenhuys op't Nylandt één van de huizen waarom gevochten wordt. In 1462 nam Haring Donia, die reeds in Nijland op een andere stins woonde, het huis in. Hij liet er rondom extra grachten rond graven en ging erop wonen. Blijkbaar gaf hij er de voorkeur aan boven zijn eigen stins op Nijland. Het jaar daarop werd Haring in de omgeving van Irnsum in een slag tegen Jancke Douwama doodgeslagen. Toen die knechten die op Hiddama huys waeren op Nylandt dit vernamen, vluchten ze en lieten het huis leeg achter. Goslick Juwinga van Bolsward nam het huis in en bezette het. Vandaar beoorloogde hij de Nijlander gemeente, maar door verraad van die wyven op Nylandt lukte het de schoonzoon van Haring Donia het huis weer te veroveren. In 1511 was Hiddema geen adellijk huis meer.
Deze sate lag tussen de Jongedijk en de Huniadijk; binnen de sate is sprake van 2 pondematen bouwland bij Hiddema wyer, en 1 pondemaat an dat heem. De omvang van de sate en het floreenbedrag lag in 1511 in dezelfde orde van grootte als in 1700. In 1511 was de eigendom versnipperd: naast de gerechtigden tot enkele kleine renten waren er vijf eigenaars die elk 6-7-0 floreen uit het goed ontvingen. (…) In 1700 was het grootste deel van de sate weer eigendom van één eigenaar
- Foeckema Tjalhuizum
Als Foeckema ghuedt of Foeckama goedt komt het goed in 1543 voor; als Foeckema saete in 1562. In 1511 zijn Dodo Taekaz met zijn vrouw en haar broer en zuster de belangrijkste eigenaars van de sate; Dodo gebruikt de sate, die dan groot 49 pm groot is en voor 24 fl. Wordt aangeslagen. Dodo behoorde tot de aanzienlijke eigenerfden. Gezien de eigendomsverhouding was Foeckema van zijn vrouw afkomstig. Dodo zelf had rechten in Ulbada sate in Terzool, en in Lolla Taekaz' goed in Folsgare. In 1543 en 1562 waren Jan Bockes gebruiker en leden van de familie Scholtema eigenaar. Van 1604 tot 1811 werd de sate bewoond door de familie Foeckema die tevens gedeeltelijk de eigendom bezat en haar naam eraan ontleende. Rond 1600 was aan Foeckema het recht op het houden van zwanen verbonden.
- Galama Warns
Aan het einde van de 15de eeuw, in of voor 1494, bouwde Doede of Douwe Galez Galama een versterkt huis in Warns. De stins paste goed in het netwerk van steunpunten die de Galama's naast hun stamhuis te Koudum in de 15de eeuw verwierven: te Oldega-Noordwolde, Kolderwolde, Hemelum en Bakhuizen.
- Sydtsma huis Warns
<1494 Sydtsma huys wordt voor het eerst in 1494 genoemd als Schieringse positie tegen de Vetkoperse Galama's. Bij het huis lag in 1718 een wier. In 1494 belegerden Douue Gaelis ende zijn oomzegger Otto Yges Galama met andere Vetkopers Jelmer Ottes Sydtsma huys in Warns. Douue Gaelis verkreeg echter Jelmers stins; hij verwoestte het. Misschien is het huis snel weer opgebouwd, want in 1498 werd in de beschrijving van de slag bij Laaxum over Warns gezegd: auf der andern seiten des grabens (de Potsloot) leg ein schon dorf, darin ein edlmanssitz.
- Rienkema of Tjalma
griet. West-Dongeradeel
- Hoytema
boerenhoeve.
- Oenama
boerenplaats. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 14 bund. 70 v. r., worden thans in eigendom bezeten door den Heer J. P. Idsinga, woonachtig te Hantumhuizen.
- Ulfarda Hantumhuizen Olphert Zathe
<1423 Tegelijk met Thiallamahuse werden in 1423 Ulfarda huse en de inmiddels gestorven Ritzeke Ulfarda genoemd. In 1511 en 1640 was Ulfarda een eigenerfde boerderij; in 1700 werd het goed in 1850 Ophert zathe geheten verpacht.
- Aylva of De Spycker Ternaard
Op de plaats van dit huis staat tegenwoordig het bejaardencentrum De Spiker
1650 1658 Afgebroken in 1882 en vervangen door nieuw huis. Dit huis is inmiddels ook gesloopt. In het midden van de 17de eeuw werd in Ternaard een tweede Aylva-huis gesticht: de adelyke huysinge de Spycker (benaming in 1698/1700) ten oosten van het dorp, voor een zoon als tegenwicht voor de bruidschat van een dochter. Ook het nabije filiaalhuis De Spijker werd aan het einde van de 18de eeuw door de erfgenamen Aylva verkocht.
De State werd rond 1658 gebouwd. In de oudste archieven wordt alleen gesproken over een korenschuur (Spiker), en daarna over een boerderij. Rond 1658 werd aan de zuidzijde van deze boerderij een adellijk huis of Slot gebouwd. In eerste instantie worden het Slot en de boerderij apart genoemd in de archieven, maar later, omdat beide in eigendom waren van één eigenaar, werden de namen van beide gebouwen samen gevoegd en werd gesproken van het adelijk huis de Spijker. In Ternaard stond nog een State, die Slot Herweij werd genoemd, beide zijn in bezit geweest van o.a. de familie van Aylva.
Rond 1800 wordt het Slotje als woonhuis gebruikt en is de schuur waarschijnlijk in gebruik als bedrijfsruimte. In die tijd woonden er vaak twee gezinnen in het slotje. Meestal betrof het kleine boeren met enkele koeien en wat bouwgrond.
Na de dood in 1807 van de eigenaar Sicco Douwe Ernst van Aylva wordt het huis verkocht, te weten: herenhuizinge, het erf en de halve grachten' Vijftien jaar later vindt er opnieuw een verkoop plaats van het adelijk huis de Spijker.
De laatste eigenaar was notaris mr. Witteveen. Deze laat het huis in 1882 afbreken en vervangen door een moderne woning, dat later het Aylva Slot of gewoon Het Slot wordt genoemd. Ook deze woning is al afgebroken. Op de plaats van dit huis staat tegenwoordig het bejaardencentrum De Spiker.
- Reinsma
<1511 Als familienaam wordt Reynsma al in 1390 genoemd; de stins wordt als Rensma (1511), Renskemagoet (1517) en Rensma guedt (1543) vermeld. In 1390 was Webka Reynsma parochiaan van Ternaard. Met de pastoor zegelde hij een verkoopacte van land. In 1511, 1543 en 1580 werd uit Reinsma een rente aan de pastorie en de vicarie betaald. In 1511 was Juka Ringia, zoon van Wilke Rinia te Stiens, de belangrijkste eigenaar van het goed, dat toen door een pachter werd bewoond. Door Juka's verzet tegen de landsheerlijkheid werd Renskemagoet to Nauwert geconfisqueerd en toegewezen aan Juw Botnia. De Botnia's waren tot 1624 eigenaars. Toen verkochten ze de state met 95 pondemaat land, het stins, de huizinge, de schuur met de bomen en plantagie aan Ebel van Haitsma, gehuwd met Keimpe van Donia. Later was Reynsma zathe, zoals het in 1698/1700 genoemd werd, steeds een pachtboerderij.
- Herwey Ternaard
<1425 <1425 De stins Heerwey wordt als woonplaats in 1425 voor het eerst genoemd. De familie die haar naam aan de stins ontleende stierf in het begin van de 16de eeuw in mannelijke lijn uit. Herwey en Reinsma waren de twee belangrijkste huizen in Ternaard. In 1425 was Uffa tho Heerwey grietman over het dan nog ongescheiden Dongeradeel. In 1596 was Herwey bezit van Ernst van Aylva, grietman in Dongeradeel. Hij woonde er ook en werd in Ternaard begraven. Uit hem stamde de familietak Aylva toe Herwey. In het midden van de 17de eeuw werd in Ternaard een tweede Aylva-huis gesticht: de adelyke huysinge de Spycker (benaming in 1698/1700) ten oosten van het dorp, voor een zoon als tegenwicht voor de bruidschat van een dochter.
Tot 1770 werd Herwey adellijk bewoond. Toen het in 1796 door de erfgenamen van de Aylva's werd verkocht stonden er op het erf twee huizen; een daarvan had meer dan 40 vertrekken.
In de 19de eeuw werd het terrein verkaveld en verrees een nieuw huis ter plekke. Ook het nabije filiaalhuis De Spijker werd aan het einde aan de 18de eeuw door de erfgenamen Aylva verkocht.
In 1596 komen we Ernst van Aylva tegen als eigenaar van de State; Tot 1720 blijft het huis in bezit van deze familie. Van 1748 tot 1770 bewoonde Johanna Wilhelmina van Schratenbach, getrouwd met Edzard Hobbe van Burmania, de State. Na 1770 gaat het huis door verkoop verschillende keren over in andere handen om tenslotte in 1818 afgebroken te worden.
- Sibetsma Ternaard
Direct ten zuiden van het erf van de plaets Sybersmam of Sibetsma een wier aan
- Poutsma Wierum
<1423 Waarschijnlijk woonde op Poutsma in 1423 Jilt Poptsma Kotrahusim, dus Jilt Poptsma te Koterhuizen. Powtsma sate, 69 pondemaat groot, werd in 1511 door de edelman Ritske Boelema aan Botte Powtsma verpacht. In zijn testament omschreef hij het goed als een zaete lants leggende te Wierum in Dongerdeel westerzyde der Pasens, hetende to Poulsma, met alle zyn heerlicheyt ende gewalt. Via de families Minnema en Baerdt vererfde het goed op Tammerus Gerardi, in 1640 predikant te IJlst, die de stamvader van de families Poutsma en Van Poutsma werd. In 1830 lag rond het perceel ten westen van de boerderij een brede gracht.
- Winia of Noyntema
<1543 Als familienaam komt Winghia in Nes in 1481 voor; als Wynnie huys en Wynnie landen in 1543. In 1481 was Sywck Winghia to Ness een van de zoenlieden in een geschil over de sate Lithiaweer te Wetsens.Deze zoons raakten in de jaren 1603-1607 in verschillende processen betrokken, die ze verloren. Ze zagen zich daardoor genoodzaakt Groot- en Klein Wynia te verkopen; de goederen werden daarbij omschreven als Grot Vinia sate ende state cum annexis onder de clockslach Nes gelegen, een schone heerlicke saate ende state met stins ende alle sijn gerechticheydt, exempt die meyers huysinge gelegen tot Nes in Dongerdeel daer Lyue Feyes op woont, Groot Vinya genaempt, groot nae die naem ende faem tachtich pondematen en als sate ende landen genaempt Cleijne Wijnia leggende tot Nes in Dongerdeel althans bij eenen Lijckle Jurjens als meyer bewoont ende gebruyckt.
In 1640 was het goed Wynia dus reeds uit de familie Wynia geraakt. Het was toen een gewone boerderij; eigenaar was Thomas Alis, die het verpachtte aan Hylcke Lieuues.
Aan Wynia ontleende een boerenfamilie die niet van de oude familie afstamde in de 18de eeuw haar naam.
- Popma Nes
<1511 Als familienaam komt Poppama in Nes in 1466 voor
Samen met Wynia was Popma in 1511 het enige eigenerfde goed in Nes. Evenals de Wynia's golden de Popma's (van IJlst) in de late 16de eeuw als edelen. In 1619 is sprake van een steenhuis op de state. Gerleff Poppama was in 1511 eigenaar en gebruiker van een sate van 88 pondemaat (fl. 22) in Nes.
Het goed was in 1619 verpacht; de pachter bewoonde toen ook het steenhuis. In 1640 behoorde Popma aan Aesghe en Frouck Popma cum suis; pachter was toen Mary Keimpe Joostes wed. tot Popma. In 1700 en 1718 bestond het huis, toen een gewone boerderij, nog wel. Het land was echter in verschillende delen uiteengevallen
- Mennerda Brantgum
<1511 De enige andere Brantgumer familie die in de 16de eeuw verwantschapsbetrekkingen had met de adel - Stania, Stenstera, Buuinga -, was die van de Mennerda's.
Adzert Mennerden was in 1511 eigenaar en bewoner van een sate die voor 25 floreen werd aangeslagen. Zijn vrouw was Auck Stania, een dochter van Gercke Stania van Reitsum en Luidts Stenstera van Foudgum.
- Bolta Holwerd
<1450 het was vanaf 1511 pachtgoed naam van de pachter Goewert Bolte in 1511, werd toen de naam Bolte voor dit goed reeds gebruikt. In 1543 werd het Bolte guedt en Bolte state genoemd; in 1640 Boltha; in 1718 en 1850 Bouta.
Bolta lag in het uiterste oosten van de parochie Holwerd, aan de Ketelvaart.
Helbada Ternaard
<1511 De sate Helbada, in 1511, 1625 en 1640 een pachtboerderi
In 1511 was Tamma Habbaden pachter voor 97 pondemaat van de landheer Wyttie Jongema. In 1625 was de grootte 120 pondemaat. Het huis was toen 21 vack lanck en had twe schuiren en een molckencamer. In 1700 was het bedrijf 104 pondemaat groot.
- Mennema Hiaure of De Lyse Jouwer
<1500 in de 15de eeuw de woonplaats was van de adellijke familie Mennema. Als Mennema staten en het guet heetende te Mennema wordt het in 1543 vermeld; de familienaam komt te Hiaure in de 15de eeuw al voor
Elinga of Heringa Hantumhuizen
<1511 Als familienaam komt Elingha al in 1423 te Hantumhuizen voor. In 1511 wordt Gielt Ellengen syn eygen besit genoemd. In 1561 werd Bennert van Heringa, zoon van Haring Heringa en His Aebingha te Hijum, in Hantumhuizen begraven. Waarschijnlijk was hij met een vrouw Itsma/Elinga getrouwd. Omdat de Heringa's in Hijum woonden, verpachtten ze Elinga; later verkochten ze het. In 1640 was het goed in handen van een eigenerfde boer. Schotanus gaf in 1664 en 1718 Heringa echter nog als edele state aan. In 1635 werden naast een binnenhuis, een koecken, een poeskoecken, een langhhuys ende schuire nog een graft en cingel vermeld.
- Popta Hantumhuizen
<1511 <1617 Als familienaam komt Popta in 1491 voor. Als Ypt Popta syn bisit wordt de stins in 1511 genoemd, als Popte goet in 1543. De adellijke Popta's stierven in de 16de eeuw uit.
In 1491 sloot Jypth Popta zich aan bij het verbond met Groningen en hoopte daardoor beschermd to wesen myt miin landsaten. In 1511 was zijn bezit te Hantumhuizen 94 pondemaat groot.
De boerderij was daarna een pachtboerderij. In de 17de eeuw verwierf dr Henricus Popta te Marssum de boerderij, later was het door Popta gestichte Poptagasthuis de eigenaar. In 1617 werd de boerderij omschreven als 't stins ende die vordere huysinge te Popta staende.
Jeppema State Scheltinga State
<1543 De state bestond reeds in de eerste helft van de 16e eeuw. Iets ten westen van Tademastins stond voorheen Jeppema State of Jeppema-huijs dat in 1543 voorkomt en in 1560 vermoedelijk werd bewoond door Aebe Jeppema, die althans in Kollum woonde en getrouwd was met Sjuw van Beijma. Reijdt Jeppema was in 1555 eigenaar van deze state of heert opt west van Colmerbuyren. Mogelijk was hij de vader van Aebo Jeppema en de grootvader van Reijdt Jeppema of Ipema die in 1623 te Westergeest woonde. Deze laatste verkocht in dat jaar een zathe die hij geërfd had van zijn ouders en gelegen was ter Laen aan Aett Gaetzedr., weduwe van Sjoerd van Boelens. Hun kinderen bezaten het goed nog in 1700. Omstreeks 80 jaar later was de standplaats van de voormalige Jeppema State het eigendom van Willem Livius van Bouricius, die hier een buitenverblijf stichtte met de naam Nijenburgh. Bouricius was kapitein-ter-zee bij de Admiraliteit van Friesland en commandant van een compagnie mariniers. Hij trouwde met Cecilia, zuster van grietman Martinus van Scheltinga. In maart 1793 kwam hij om het leven bij een brand aan boord van zijn schip, de hulk de Dwinger, op de rede van Vlieland. Hierbij kwamen 67 van de 140 opvarenden om het leven waaronder Willem. Zijn weduwe bewoonde de state tot omstreeks 1840 toen L.G.A. graaf van Limburg Stirum en zijn vrouw Cecilia Johanna van Scheltinga hun buiten Vaartzicht te Oudwoude voor Nijenburg verruilden. Cecilia erfde Nijenburg van haar tante toen die in 1848 te Leeuwarden overleed. Later werd het bewoond door Bonifacius Hendrik van der Haer en daarna door mr. Bernardus Hopperus Buma die burgemeester van Kollumerland was. In het najaar van 1875 werd het huis op afbraak verkocht en gesloopt.
- Abbema Kollum
<1505 1500 In 1775 werd op de plaats van de State het Huis Braak gebouwd Abbema was het stamhuis van een adellijke familie die zich in de 16de eeuw nog op haar afstamming van hoofdelingen liet voorstaan, maar daarna vooral stadsbestuurders van Sneek en eigenerfden en kooplieden in het midden van Friesland telde. In 1505 werd Focko Abbema als edelman in Kollumerland genoemd; een Sneker Abbema pretendeerde enkele generaties later slechts voor het Hof van Friesland terecht te hoeven staan omdat hij een nazaat van deze hoofdeling was. Tot het einde van de 16de eeuw bleef de state eigendom van de Abbema's in Sneek, daarna werd het verkocht. In 1517 verkochten Bauk en Hylk, weduwe en dochter van Fokke Abbema land onder Oudwoude aan het Veenklooster. In 1543 werden genoemd Abbemahuys, Abbema staetten ter Laen, en Abbema koefenne, in 1550 drie akkers in Aebema guedt, in 1619 land gelegen voor Abbemahuys op't noordt van de wech. Een adellijk huis was Abbema-zathe, zoals het in 1607 genoemd werd, aan het begin van de 17de eeuw niet meer; in de 18de eeuw verrees hier het huis Braak van een vermogende Oost-Indiëganger.
- Het Olde Casteel of Nieuw Meckema
1467 Rond 1775 werd Nieuw Meckema afgebroken Bij het streven van de stad Groningen in Oostergo de hegemonie te verwerven, sloot zij met vele dorpen en hoofdelingen verdragen. Daarnaast probeerde de stad haar positie ook militair te consolideren. Daartoe werden hier en daar verdedigbare steunpunten ingericht. In 1467 werd zo met Kollumerland een verdrag gesloten voor de tijd van 30 jaar, waarbij de stad het recht kreegeen huus in te richten en daarop enen casteleyn te zetten. De kosten werden bestreden uit een nieuwe huisbelasting. Verder zou de bevolking een bijdrage leveren aan het graven, arbeiden en bolwarken rond het huis. Doel zou zijn recht en vrede te bevorderen. Buiten dit verdrag bleven enkele met name genoemde personen, waarschijnlijk hoofdelingen die zich tegen de stad keerden. In Kollum waren dat Pybe Meckema (alias Eernsma) op Meckema in Meckemaburen en Pybe Bawama op Bama.
Na Pybes dood in 1549 vererfde Nieuw Meckema verder binnen de familie. In 1612 verkreeg de weduwe van Hessel van Meckema, Lisck van Eysinga, het olde Casteel ofte nieuwe Meckemahuis. Rond 1640 werd het door haar broer, de grietman Ritscke van Eysinga gekocht. Aan het einde van de 17de eeuw werd door de eigenaars van Nieuw Meckema het zogenaamde Nieuwe Gasthuis of De Zeven Kamers gesticht, waarvan het bestuur tot 1883 aan de eigendom van Nieuw Meckema was verbonden.
- Bootsma Boythiema staete
<1500 Waarschijnlijk werd de stins reeds voor 1616 afgebroken Aan het eind van de 15de eeuw behoorde Bootsma state aan Ritscke Gauckema alias Boitsma. Geel en Sierck Bootsma lieten de state na aan hun zoon Hessel Bootsma, in 1518 vanwege zijn Bourgondische gezindheid in ballingschap en later ondermeer kerkvoogd in Kollum. In 1550 maakte hij zijn testament. (…) Zijn jongste zoon, Eepo Bootsma, kreeg volgens oude Friese gewoonte het stamgoed Boythiema staete toe Collum. Hessels vrouw, Mary Harinxma, mocht echter tot haar dood op de state blijven wonen. Van het goed geeft hij een uitgebreide beschrijving. Genoemd worden dye huisinge Boythiema, schuyer, bachuys, het heem, onsen groeten warmoestuyn en onse appelhoff, en de verschillende percelen bouw- en weiland rond het huis. Waarschijnlijk werd de stins reeds voor 1616 afgebroken.
De stins wordt voor het eerst vermeld aan het einde van de 15e eeuw, maar moet ouder zijn geweest. Aan het eind van de 15de eeuw behoorde Bootsma state aan Ritscke Gauckema alias Boitsma. Zijn weduwe Geel Bootsma, die het huis waarschijnlijk had ingebracht, hertrouwde met Sierck Remmersma. Hij stamde uit de Dokkumer familie Remmersma of Riemersma, en was een broer van Feye Riemersma alias Meckema, die in Kollum in de familie Meckema introuwde. Ook Sierck ging zich naar (het huis van) zijn vrouw Bootsma noemen, maar hij behield in zijn wapen de herinnering aan de Dokkumer afstamming van de Remmersma's. Sierck Bootsma komt samen met zijn zoon Hessel Bootsma in 1515 voor in een charter. In 1518 worden beiden genoemd onder degenen die in ballingschap zijn gegaan vanwege hun Bourgondische gezindheid. Het is met zekerheid bekend dat Hessel terug kwam naar Kollum, want in 1548 woonde hij daar met zijn tweede vrouw Mary van Harinxma thoe IJlst, waarschijnlijk op de state. In 1550 was hij kerkvoogd maar voelde zich kennelijk niet erg goed, want in het begin van dat jaar maakte hij zijn testament op. Hij stierf omtrent Sinte Jacob (25 juli) 1552. Als voogd over zijn kinderen stelde hij zijn lyewe myech ("lieve verwant") Syuck Mellema aan. Als getuigen waren er ondermeer de pastoor van Kollum en de prebendaris van het Heilig Sacramentsleen bij aanwezig. Aan elk van zijn zonen kon hij een s(t)ate nalaten, en steeds ook enkele andere goederen in dezelfde omgeving: zoon Syerck Bootsma kreeg de sate upten Uutterdyck by Lyoel Phaesma huys, waarop deze reeds woonde met zijn vrouw Sythke Phaesma, Abbe de sate in Roordahuizum die hij eveneens al bewoonde, Douwe kreeg het door hem bewoonde Gerbada te Oosterwierum, en Hayo aandelen in verschillende goederen in Achtkarspelen. Zijn jongste zoon, Epo Bootsma, kreeg volgens oude Friese traditie het stamgoed Boythiema staete toe Collum. Hessels vrouw, Mary Harinxma, mocht echter tot haar dood op de state blijven wonen. Zij testeerde te Leeuwarden in 1558 maar is na 1561 overleden.
Tot 1616 behoorde ook de aangrenzende Riniafenne bij Bootsma state. Epo trouwde omstreeks 1566 met Riencktien Aesgama en zij kregen 5 kinderen waaronder Epo en Gabbe. Die laatste is eigenaar en bewoner van de state geweest. Onder de Friese ballingen die in januari 1568 te Emden woonden, kom took een Epo van Bootsma voor. In 1640 waren de drie kinderen van Gabbe eigenaren van het eerder vermelde hoff met de daarbij behorende 41 pondemaat land. Bootsmastate behoorde toen in eigendom aan Ipe (meestal als Epo vermeld). Zijn dochter Juliana Maria werd later eigenares van al die goederen. Juliana ging eerst in het klooster, maar trouwde later met Alexandre Chevrier, markies de Montauban, een Franse kolonel. Na haar hele vermogen hier verbrast te hebben trok zij met haar man naar Frankrijk. Ook Bootsmastate en zathe te Collum werde te gelde gemaakt evenals het halve gestoelte en legerstede (graf) in de Kerk tot Collum. Een en ander werd in 1689 verkocht aan Epo van Aylva. Diens dochter Juliana Dorothea van Aylva, weduwe Schratenbach, droeg dit onroerend goed na 1722 over aan Everardus Ulric van Hanecrooth. Die woonde hier in 1741 nog, maar in 1742 werd het goed aangekocht door Cornelis van Scheltinga uit Heerenveen. Cornelis trouwde in datzelfde jaar met Cecilia Johanna van Eysinga. Uit de akte van overdracht blijkt dat de goederen bestonden uit “sekere groote Huisinge, schuire, hovinge, boomen en plantagiën”, met een oppervlakte van 4 pondemaat. Er hoorde ook 22½ pondemaat land bij gelegen aan de gebuirte van den Dorpe Kollum. Cornelis solliciteerde in 1743 naar de functie van grietman van Kollumerland, maar bood daar blijkbaar te weinig geld voor (zulke functies dienden voor veel geld gekocht te worden) want hij kreeg de aanstelling niet.
Van Scheltinga had meerdere kinderen van wie Martinus, die op Bootsma State woonde, het beter deed dan zijn vader, want hij werd in 1775 wèl grietman van deze grietenij. Hij was van plan om bij Kollum een fraaie buitenplaats te stichten, maar door de onrustige tijden rond 1789 werd het werk maar gedeeltelijk uitgevoerd. In 1795 werd hij uit zijn ambt ontzet, vertrok naar Overijssel en trouwde in juli 1800 te Weerselo met Catharina Louise Antoinette Anna barones du Tour van Bellinchave. In 1813 vestigde hij zich, samen met zijn echtgenote, weer in Kollum. Martinus werd lid van de Staten van Friesland en stierf in 1820 waarna hij in de kerk van Kollum werd bijgezet. Zijn weduwe vestigde zich op Vaartzicht te Oudwoude en het huis werd afgebroken.
- Buma Westergeest
<1632 De Kollumerlandse hoofdelingenfamilie Buma had een steenhuis op Wygeest en verschillende staten onder Westergeest. Tegelijk met andere Westergeester heerschappen, zoals de kinderen Idema en Ouwe Algersma op de Triemen, hield Sye Bouwema zich in 1467 afzijdig van het verbond van Kollumerland met de stad Groningen. Ook in het dorp zelf lag een state Buma. In 1632 verkocht Sytke Wiarda (dochter uit een later huwelijk van Anna Bauma, weduwe van Sye Ballings Buma) haar sate en landen te Westergeest, Bumaheert genaamd, met 89 pondematen en 9 einsen, huizinge, bomen en plantagiën aan Hessel van Sminia te Akkrum, als voogd over zijn oomzegger jonge Wyger van Buma. Sminia werd daarom als eigenaar van deze heerd opgegeven.
In 1675 kocht Wilhelm Maurits van Hanecrooth, gehuwd met hun dochter Catharina van Buma, de helft van een heerlycke state en sathe, Buma genaempt, te Westergeest, groot 68 pondematen van Catharina's moeder; de andere helft had zij van haar broer geerfd; Hanecrooth was in 1698 en 1700 dan ook eigenaar van de state. Omdat Bunlatiro op de Triemen later als herenhuis dienst deed, werd Buma in Westergeest als gewone boerderij verpacht. Met de verkoop van de goederen van de familie Hanecrooth in 1748 werd ook Buma state in Westergeest, toen met 93 pondematen, verkocht. Een deel van het bij Buma behorende land lag dicht bij huis in een groot blok op de geest, een deel strekte vandaar uit op naar het noorden, terwijl op de es-achtige hoge bouwlanden ten zuiden en westen van het dorp verschillende smalle akkers bouwland lagen.
- Siccama State (Augustinusga)
Van het huis is niets meer terug te vinden <1482 De State wordt voor het eerst aan het eind van de 15e eeuw genoemd.De oudste bewoner van Siccama State vinden we in 1482 vermeld: Harco Siccama. Hij woonde eerder op Siccamahuis te Niehove in Groningerland, waar hij vrij zeker ook geboren is. Harco is mogelijk de bouwheer geweest van deze state, maar waarschijnlijker is het dat het een, onder een andere naam bestaande stins geweest is. In 1511 wordt Atte Siccama op deze plek vermeld; mogelijk een zoon van Harco. Daarna is tot omstreeks 1545 diens zoon Rytschke Attes Sickema, geboren rond 1480, eigenaar van de state. Ritske was hereboer, landeigenaar te Surhuizum in 1511 en in 1543 kerkvoogd te Surhuizum. Zoon Wyt Ritskes Sijckema, geboren rond 1520 in Augustinusga, erfde de state rond 1545. Hij was landbouwer (hereboer) en bezat al in 1543 veen te Ophuis onder Surhuizum. Hij overleed in 1576 te Surhuizum. Eelthye Wyts Syckema, geboren in 1550/1560 in Surhuisterveen erfde de state van zijn vader. Hij stierf voor 29 november 1621 te Doezum. Landeigenaar te Surhuizum 1598-1621. Heer van de Siccamastate te Augustinusga. Assessor, commissaris, rechter en volmacht. Waarschijnlijk vererft de state daarna in de vrouwelijke lijn van de Siccama’s.
In 1722 Eelke van Haersma eigenaar.
- Gaykama of Gaikema
- Haren
Dit landgoed is rond het jaar 1600 gesticht door het geslacht Oenema Pauwenburg genoemd. De familie De Blocq van Scheltinga heeft verschillende grietmannen en een burgemeester van Schoterland opgeleverd van 1647 tot 1795 en ook na de Franse tijd. De eerste was Daniël (1647-1692), opgevolgd door Martinus (1692-1715), vervolgens Menno Coehoorn (1715-1777) en Martinus (1777-1795). Na de Franse tijd Menno Coehoorn (1816-1820) en Mr. Hans Willem (1834-1851), terwijl diens zoon burgemeester van Schoterland is geweest van mei 1872 tot oktober 1890. De familie woonde oorspronkelijk in Heerenveen - haar buiten (afgebroken in 1832) stond ter plaatse van de voormalige RK kerk naast Oenemastate.
Omstreeks 1780 kocht de familie 'Pauwenburg' in Oranjewoud van de familie Van Haren. In dit huis woonde een Daniël, die in de Franse tijd maire van Mildam was. Zijn zoon, Mr. Hans Willem (zie onder) kocht in ongeveer 1830 het stadhouderlijk hof (de beide huizen, waarvan het slot reeds voor 1810 was afgebroken) van Mr. Jackema van Burmania Rengers. Deze laatste had het op de domeinenverkoop in 1813 gekocht voor 36.000 goudfrancs (perceel 15 'Les deux Jardins et Hantations', groot 21.80.81 ha) en kocht er nog vele bospercelen bij, samen voor 50.000 frs. Mr. Hans Willem heeft in ongeveer 1832 het slot Oranjewoud laten bouwen, hetwelk omstreeks 1953 is verbouwd door de Stichting Landbouwcoöperatie (die het kocht van Martinus de B.van S.). Mr Hans Willem woonde in 1830 nog op Pauwenburg en in 1840 op het slot.
- Carolinaburg
<1751 Gebouwd door prins Willem IV (1711-1751). Ook vlakbij onder Brongerga had de prinses nog landbezit
Tamminga, ook Carolinenburg, niet te verwarren met de Tamminga-state, die later als Paauwenburg n.f. onafgebroken bezit van de geslachten Van Haren en Van Scheltinga geweest is. Op die plaats heeft dan later prins Willem IV ter ere van zijn dochter het naar haar genoemde zomerverblijf Carolinenburg gebouwd, dat, blijkens een aankondiging in de Leeuwarder Courant, reeds in 1774 weer met zijn twee vleugels, ringmuur en poorten voor afbraak verkocht is.
- Stinshiem en Rinsema Kollumerzwaag
<1463 een stuk grond ten zuiden van de weg, tegenover de Kollumerzwaagstervaart de naam droeg stinshiem.
- Aebinga Hijum
<1442 <1500 Aebinga state was het stamhuis van de familie Aebinga, die tot 1442 is terug te volgen. Goffe Aebinga, genoemd in 1442, had vier zoons. In 1578 en 1580 woonden Harings dochter Doed en haar man Binnert Roorda op Aebinga. In 1590 werd de inventaris opgemaakt van de nalatenschap van Foekel Roorda, weduwe van Harings kleinzoon Bennert Bennertsz van Heringa. Tot die nalatenschap behoorde ondermeer Aebinga saete ende staete te Hijum, met eer ende veer en suaenejacht. In 1640 behoorde de state aan Andries van Waltinga, gehuwd met Rixt Binnertsdr van Heringa. Het goed werd toen verpacht; zij woonden zelf op Sickema in Herbayum. In 1652 liet Rixt Abbinga sate met het swanejacht na aan Binnert Heringa van Grovestins.
Waarschijnlijk was de state, die ook later steeds werd verpacht, inmiddels een gewone boerderij.
- Juckema State
<1468 <1400 Rond 1755 afgebroken Juckema was het stamhuis van de familie Juckema, die aan het eind van de 15de eeuw actief aan de vetevoering deelnam. Het heette in 1468 een slotken, in 1556 Juckema staeten. Bij het huis werd een stinswier genoemd. Na zijn dood in 1554 werd Juckema in 1556 door Ritscke Eysinga, zoon van Lieuwes zuster Tied Juckema en Aede Eysinga van de andere erfgenamen van Ritscke gekocht. De state werd toen omschreven als: Juckema staeten, geleegen te Steens, mettet stins, poorte, groethuys, cleynhuys, schuyre ende oeck den wier, hoff, huysstede, grachten, cingel en 54 pondematen land. De state Groot Juckema had daarna wisselende bewoners; in 1754 werden 240 abely- en vruchtboomen verkocht, in 1757 werd ongeveer 400 last oude Friese stenen uit de afbraak verkocht. Uit de omschrijvingen wordt duidelijk dat binnen de poort de stins (Groot Juckema, groothuis) en de boerderij kleinhuis en hooiberg") lagen, terwijl er in 1556 ook nog een stinswier was. Het gebouw, in 1661 verbouwd
Dit huis is vaak bewoond geweest door grietmannen van de grietenij Het Bildt. In 1754 was het al afgelopen met de state. In dat jaar werden zeer veel zware bomen verkocht en een paar maanden later 400 last oude friezen (kloostermoppen), afkomstig van de afbraak van de state. Dat betekent dat de oorsprong van de stins/state zo tussen 1150 en 1400 geschat moet worden.
Ringia Stiens
<1469 <1400 Afgebroken in 1807 In de 15de eeuw was Ringia evenals het er naast gelegen Juckema een Schierings steunpunt. Rond 1500 kwamen de Ringia's desondanks in het anti-Saksische kamp terecht. Ringia werd daarom geconfisqueerd en als leengoed in Friesland een zeldzaamheid aan de Saksische ambtenaren Van Grombach gegeven. In het midden van de 15de eeuw leefde in Stiens Douwe Ringia
In 1481 kwam hij met anderen Wybe Jarichsz Jelckema te Akkrum te hulp. Twee jaar later werd Wilcke Ryngia huys verwoest omdat hij een vrouw die in Leeuwarden terecht gesteld zou worden omdat ze haar kind had vermoord, aan justitie onttrok.
Na het begin van de 16de eeuw is Ringia niet voortdurend door de eigenaars bewoond. Vaak werd het bewoond door de pachter, die op het land zijn eigen huis had. Zo worden in 1571 die helfft van zeeckere groote ende cleyne huysinge met die hoeyberch staende op Rynghe staten genoemd.
In 1807 werd het huis gesloopt; in 1809 werd de stal, het wagenhuis en 3 pondemaat land verkocht. Rinia State is gebouwd in de 14e eeuw. Over de plek waar vroeger de Rinia State stond loopt nu de rondweg om Stiens.
Tegen het einde van de 18e eeuw was het slot eigendom van Hermannus Balk, lid van de vroedschap van de stad Leeuwarden. Hij was ook eigenaar van het buiten Mariënburg dat Maria Louise van Hessen Kassel had laten bouwen. Na het overlijden van Hermannus in 1807 werd de state verkocht voor 7.000 gulden en nog datzelfde jaar afgebroken.
- Mellinga State
<1650 terpen van Lettinga State onder Britsum, het Witte Huis, Unia, de dorpsterp van Stiens, Burmania, Juckema, Mellinga en tenslotte Holdinga onder Finkum lagen op een keurig nette rij langs de Middelzee. Deze plaatsen zijn zó oud dat de vroegere Hooge Heere Weg, de voormalige hoofdweg van zuid naar noord, om deze terpen heen gelegd is. Mellinga State stond iets te noorden van Juckema State en veel dichter bij Finkum dan bij Stiens. Rond 1650 was het eigendom van de familie Van Burmania. In 1700 is de state eigendom van Allard van Burum die hier tot 1729 heeft gewoond. Rond 1740 zou de state zijn afgebroken.
- Hayema of Burmania Stiens
<1468 <1550 In 1468 wordt Hayema genoemd als starcke platse, in 1508 als Hayama hws. Later heette het Burmania state. Waarschijnlijk was Hayema oorspronkelijk de stins van een afzonderlijke hoofdelingenfamilie. Daarop wijst de ligging dicht bij de kerk. Later was Hayema een huis van de Stienzer takken van de Aebinga's uit Hijum en de Leeuwarder Burmania's. Douwe Aebinga uit Hijum schijnt zich voor het eerst in Stiens gevestigd te hebben. In 1463 kwam hij met anderen de Donia's te hulp tegen Jancke Douwema. Rond 1468 bericht een Hollandse spion dat hij een starcke platse in Stiens bewoont. In 1483 verkrijgt hij door ruil land onder Stiens. Douwe had twee zoons, Goffe en Take. Samen sloten ze zich in 1495 aan bij het verbond met de stad Groningen. Beiden bewoonden een huis in Stiens. Taka Douwaz woonde in 1508 te Stiens op Hayama hws ende landen. Take Douwes' weduwe Saepck Werpsdr van Ytsma1336 hertrouwde met Douwe Renicksz van Burmania en bracht Hayema zo aan de Burmania's. In 1543 en 1546 wordt Douwe van Burmania te Stiens genoemd. In 1552 liet Saepck Hayma na aan haar mans kleinzoon Sybren Herez van Burmania. Genoemd worden dan ook dat huys ende hoornleger, die poorten, dat hoff, die singel, en die ryeffkamp, beplant met essen. Aanvankelijk bleef diens vader Hero Burmania er wonen; in 1580 en 1596 woonde Sibrant er zelf. Hij werd opgevolgd door Georg van Burmania, de zoon van zijn broer Upcke Heres van Burmania.
Na diens dood woonde zijn broer Sibrand Upckez van Burmania er; Sibrands weduwe Wick van Ockinga was in 1640 eigenares van Hayema, dat toen Burmania staten werd genoemd. Hayema lag strategisch: direct ten noorden van het kerkhof van Stiens.
De oudste vermelding van de State dateert uit ca 1550. In het midden van de 16e eeuw, dus zo rond 1550, werd deze state bewoond door Hero van Burmania. De belangrijkste bewoner van deze state was diens zoon Upco (Oepke) van Burmania, getrouwd met Rinsck van Roorda uit Tzummarum. Hij was een van de eerste Friese edellieden die zich openlijk uitspraken voor de Hervorming en zich tegen het bewind van de Hertog van Alva keerden. Om die reden vluchtte hij naar Emden. Hij stond bekend als ‘it lytse geuske’ (het kleine geusje) welke naam zeker aan zijn postuur te danken is geweest.
Hij was de enige van zijn tak van de familie die in ballingschap naar Emden is gegaan. Zijn vader Hero bleef in Stiens wonen als trouw aanhanger van het oude gezag. Drie zoons van Upco worden vermeld als bewoners van de state. Eerst zou zoon Jurjen op de state gewoond hebben en later wordt zoon Hero vermeld. Deze laatste sneuvelde in 1632 bij het beleg van Maastricht. Zijn vrouw Anna van Eysinga hertrouwde met buurman Philips van Boschhuysen die op Juckema State woonde. Die state stond iets ten noorden van wat tegenwoordig de Hege Hearewei heet. Anna is bij haar huwelijk verhuisd naar de mooiere state van haar nieuwe echtgenoot, want ook de derde zoon van Oepke en Anna, Sybrand van Burmania, wordt vermeld als eigenaar/bewoner. Sybrand overleed in 1639. Volgens het stemkohier van 1640 was het huis in dat jaar eigendom van juffr. Wick van Ockinga. Na haar kwam de state aan Watze van Burmania. Ook die was militair en kwam om op zee in 1691. In 1700 is de Burmania State eigendom van juffr. Rins van Burmania en in gebruik bij Palle Douwes. Later is de state verkocht en in 1722 was Frans Julius Johan van Heringa van Eysinga de eigenaar.
Patterhuisterstate
Gedurende de onlusten tusschen de steden en het platteland, hebben de laatste aldaar hunnen landsdag gehouden. Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boereplaats. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 32 bund. worden thans in eigendom bezeten door Jonkvrouwe Louisa Albertina Vegilin van Claerbergen, woonachtig te Leeuwarden.
- Unia State (Stiens)
<1640 Afgebroken voor 1870 Dit huis stond op de plek waar vroeger de Gereformeerde Kerk stond. Het werd bewoond door de familie Unia, maar verder is er weinig van bekend. I
n het stemkohier van 1640 wordt als eigenaar vermeld de secr. Aysma terwijl Griet Unia de gebruiker is. In 1700 is het 87 grote goed eigendom van de bijzitter Aucke Auckes die zelf bewoner en gebuiker is. De state moet voor 1870 zijn afgebroken Van de State is niets meer terug te vinden.
- Oranjewoud vh Sickema
Huize Oranjewoud is gebouwd op de plaats waar voordien Paleis Oranjewoud gestaan heeft. Hieronder worden beide beschrijvingen weergegeven: Huize Oranjewoud. Het huis werd omstreeks 1834 gebouwd. Het huis Oranjewoud werd gebouwd op het landgoed, waarop voorheen Paleis Oranjewoud van de Friese Nassaus had gestaan. Tijdens de Franse Revolutie werd het Paleis verbeurd verklaard en weldra op afbraak verkocht. In 1822 werden de bossen en tuinen verkocht. Nadien werden er diverse landhuizen op het landgoed gebouwd, zoals het huis Oranjewoud. Dit huis werd op de plaats van het geplande middenpaviljoen tussen de twee grote vleugels van het paleis omstreeks 1834 door mr. Hans Willem Blocq van Scheltinga in klassicistische stijl gebouwd.
Het huis is lang eigendom geweest van de familie De Beaufort, maar is tegenwoordig eigendom van de Friesland Bank, die het gebouw gebruikt voor ontvangsten.
Het paleis werd in 1676 gebouwd. Door prinses Albertina Agnes, weduwe van de in 1664 noodlottig om het leven gekomen Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau, werd in 1676 op de uitgestrekte heidevelden tussen Brongerga en Oudeschoot een buitenverblijf gesticht. Het huis met de tuinen, plantsoenen, vijvers, rij- en wandelwegen kreeg de naam Oranjestein, terwijl het aangelegde bos van dennen en eiken, afgewisseld door graan- en groenlanden de naam Oranjewoud kreeg. Zij woonde er tot haar dood in 1696. Haar kleinzoon Johan Willem Friso, die in 1707 stadhouder werd, wilde het geheel verbouwen tot een paleis. Hij liet twee grote vleugels met een halfronde toren aan een der zijmuren verrijzen, omstreeks 1708.
Door zijn vroegtijdige dood, hij verdronk in 1711 bij Moerdijk, werd het paleis nooit voltooid. Zijn vrouw Maria Louisa van Hessen-Kassel (Marijke Muoi) nam zijn taak over en verbleef veel op Oranjewoud.
Na 1747, toen Willem Carel Hendrik Friso (Willem IV) tot algemeen stadhouder werd verheven en derhalve naar Den Haag verhuisde, werd het paleis zo goed als verlaten. Maria Louisa bleef achter en stichtte direct buiten de stad Leeuwarden een kleiner buitenverblijf: Mariënburg. Na haar dood in 1765 was er geen regelmatige bewoning meer. In 1777 werd het paleis nog eenmaal bezocht door prins Willem V. Na 1795 moest hij ons land verlaten. Het paleis werd verbeurd verklaard en weldra op afbraak verkocht. In 1822 werden de bossen en tuinen verkocht. Nadien verschenen diverse landhuizen, zoals: het huis Oranjewoud.
- Lettinga Britsum
<1496 <1571 Lettinga was afwisselend adellijk huis (1496, na 1601), pachtgoed (1511) en eigenerfde sate (1533-1591). In 1496 woonde Worp jongha Lywa z Jwkama te Britsum. (…) Zeer waarschijnlijk bewoonde hij Lettinga. (…) Deze gebruikte Lettinga in 1540 zelf. In de inventarisatie van zijn sterfhuis is sprake van het prinsipale huys, groet wesende 14 deurgaende vacken met noch een old vervallen huys staende voer an't voern. huys, waer in den melckencaemer is, met een groet hoff en een cleyn hoff by't huys staende.
Op 16 juli 1571 wordt op Lettinga State de inventaris opgemaakt na het overlijden van de eigenaar, Feycke Tzierts Lettinga. Op 22 maart 1797 wordt in de Leeuwarder Courant te koop aangeboden de heerlijcke Buitenplaats Lettinga genaamd, groot 14 pmt., met een daarbij gelegene Zathe en Landen, met een magnifique Huizinge en schuure cum annexis groot 95 pondemaat bouw- en weiland.
- Harinxma
<1708 Haersma, Haarsma, waarschijnlijk dezelfde state
Haersma State stond dan ook ruim tien minuten lopen ten oosten van het dorp en Harinxma op de zogenoemde achterste terp vlak ten noorden van de kerk en bijna tegen de dorpsterp aan. In 1708 was grietman Ernst Mockema van Harinxma thoe Slooten eigenaar van de State. Het is vrij zeker dat deze grietman de state bewoonde afgaande op zijn naam en de beide benamingen die voor de state gebruikt zijn.
- Fetsa, later Camstra of Dekema
<1461 <1300 Renick Camstra, die in 1461 sneuvelde, had twee zonen, Peter en Feyke
Toen ook hun moeder Thiet Unia in 1486 overleden was, verdeelden ze de nalatenschap van hun ouders. Feyko kreeg daarbij Camstra in Wirdum, Peter Fetza statten to Hielsim mitta landen ende gueden Na de slag bij Barrahuis in 1492 verbrandden de Vetkopers Pieter Camstra huysen toe Hielsum ende Grouw. In 1498 leed de stins te Jelsum opnieuw schade. Toen lagen Saksische soldaten op Rienick Camstra huys toe Hjelsum. De Leeuwarders belegerden daarna het huis en staken het in brand.
in 1544 liet zij in haar testament haar huys toe Jelssum daer ick nuu ter tyt inne woene, met zyn koehuys ende alle die beesten ... met het hoff, graff, singel ende singelsloet en met de ten noorden van het hof gelegen sate Eeckema goedt na aan haar zoon Pieter van Dekama. Fetsa, dat inmiddels meestal Camstra werd genoemd, kreeg daardoor de naam Dekema state. Tot 1996 vererfde Dekema steeds in de familie, soms via vrouwelijke lijn, soms in de zijlijn. Meestal werd het door de eigenaars bewoond.
Een oorkonde uit 1486 begint met: Wy Peter ende Feyko salighe Renick Kampstra ende salighe Thietie Kampstra zoenen ende kynden…. Zij maken daarin bekend dat zij uit vrije wil een scheiding van eigendommen overeen gekomen zijn. Pieter krijgt Fetza Statten to Hielsum mitta landen en de gueden –de state met de landerijen en de boerderijen. Rond 1700 bewoonde Johan Louis van Doys het slot.
In 1791 kwam de state in het bezit van Gerard van Wageningen.
De State is nu een museum.
- Martena Cornjum
<1427 <1427 Afgebroken in 1899 De oudste vermelding van Martena in Cornjum dateert van 1422. In dat jaar zegelde de Schieringer hoofdeling Jarich Mertena het grote verbond met Groningen en Focke Ukena. Jarich Marthena blijkt in 1427 in Cornjum te wonen. Epe liet in 1542 Martena staten te Cornjum mit huyss, hoff, hoernleger, eer ende feer met de bijbehorende landen na aan zijn broeders zoon Doecke Tiebbez Martena. Deze was een bekend politicus in de strijd tegen de Spanjaarden. In 1572 staken de laatsten de state opnieuw in brand. Tot de verkoop in 1833 vererfde het huis, dat in 1899 werd afgebroken, binnen de familie.
In 1427 woont hier Jarich Martena, die in dat jaar zijn ruzie met de Azegha van Mantgum over het Willenga-goed bijlegt. Hun zoon Laes van Burmania was de volgende eigenaar. Hij liet de state in 1658 grondig renoveren. De laatste bewoner van Martena State was jonkheer Duco Martena van Burmania Vegelin van Claerbergen. Die zat ruimer in de adellijke namen dan in het geld en de al niet meer zo frisse state verviel door gebrek aan onderhoud steeds verder. Hij vermaakte het ruïneuze slot in 1899 aan de kerkvoogdij van Cornjum. Martena-State werd in 1899 afgebroken, waarna er een nieuw landhuis werd gebouwd in neo-renaissance stijl naar ontwerp van de architect W. C. de Groot.
- Jellinga Britsum
<1402 <1463 In 1664 vernietigde state. Als adellijke machtspositie wordt Jellinga ongeveer gelijktijdig met Tjessinga genoemd. In 1402 en 1413 was Kempo Jellinga van Britsum grietman van Leeuwarderadeel, in 1436 en 1437 Alteke Jellinga grietman en mederechter. Een Hollandse spion berichtte in 1468 dat hij het dorp beheerde en er een slotken bezat. Jellinga werd al aan het begin van de 16de eeuw verpacht. De eigendom werd herhaaldelijk verkocht. In 1624 was het een gewone boerderij met huysinge, een koehuis van 12 vakken, een hooiberg met 5 roeden, bomen en plantayze; in 1649 werd nog een dorschhuizinge en een jonge hovinge genoemd.
In 1463 is Lywa Jellinga eigenaar van de state. Lieuwe was feitelijk een Sytsma, maar had de naam Jellinga aangenomen van deze uitgestorven tak van de familie Botnia. In 1511 wordt als eigenaar Sybruch Jelgmen (ook Sibrich en Ziburch genoemd) vermeld.
- Jornsma State (Britsum)
<1511 In 1760 afgebroken Met Tjessinga, Jellinga en de pastorie heeft Jornsma de ligging gemeen: direct tegen de Britsumer dorpsterp aan. Terwijl de beide andere goederen in de 15de eeuw hun karakter van adelshuis verloren, ontwikkelde Jornsma zich pas in de vroege 16de eeuw van pachtboerderij tot adellijke state. In 1511 was Hessel Martena de eigenaar. In zijn testament van 1517 noemde hij het gued tot Bretzem, hietende Geringe guued en het gued tot Jornssman int dorp Bretzum afzonderlijk "
Na de verkoop in 1758 werd het huis in 1760 afgebroken. In 1794 was sprake van één zathe met de beide huizingen, Jornsma en Geringa state genaamd. In 1832 was het grachtenpatroon nog goed te zien, maar stond op het terrein nog slechts één boerenhuis."
Jornsma State is in 1511 eigendom van Hessel van Martena, de bewoner van Groot Terhorne te Beetgum.
Secretaris Julius Matthijs van Beyma is eigenaar van de boerderijen Jornsma en Geringa state, tegelijk met de Gestoeltens in de kerk van Britsum, die naderhand altijd overgaan op de volgende koper. In een koopakte van 4 oktober 1794, wanneer H.J. Bruinsma en zijn vrouw Jetske Arjens Jornsma en Geringa kopen, staat: de Gestoeltens in de Kerk de Verkooper eigen, worden gerekend onder deze verkoop te versmelten
- Swijnzerhuis
Oostergoo, griet. Leeuwarderadeel
- Herbranda Buitenpost
<1505 Botte (Herbranda) werd in 1505 tot de edellieden van Achtkarspelen gerekend. In 1511 was het door hem gebruikte bedrijf 108 pondematen groot; het was de grootste sate van het dorp. Botte en verschillende van zijn nakomelingen waren grietman van Achtkarspelen. In 1640 was juffer Hylckjen van Herbranda, gehuwd met jonker Abbe van Bootsma, eigenaresse van Herbranda state. In 1698 en 1700 was de grietenijsecretaris Nicolaas Bay eigenaar.
- Haersma-state
de state na Groot Schepper Haersmastate wordt genoemd. <1673 Buitenpost is de hoofdplaats van Achtkarspelen. Hierdoor vinden we hier verschillende States. Elke familie die een grietman leverde bouwde hier zijn eigen State. Zo vinden we hier Herbranda State, Leltinga State en Scheltinga State. De meest bekende familie was de familie Boelens. De familie Boelens was bijna de hele periode van 1618 tot 1673 grietman van Achtkarspelen. Ze hadden grote belangen in de verveningen in deze grietenij. In of na 1673 sterft de familie Boelens uit en de State komt in bezit van Isaac de Schepper. Ook hij is grietman van Achtkarspelen geweest en wel van 1677 tot 1688. Vanaf die tijd wordt de State ook wel Groot Schepper genoemd. Isaac wordt opgevolgd door zijn neef Eelco van Haersma. Deze is zowel grietman als eigenaar van de State. Opnieuw krijgt de State een nieuwe naam: Haersma State. De volgende bekende eigenaresse van de State is Catharina Wilhelmina, dochter van grietman Daniel de Blocq van Haersma. Zij trouwde in 1794 met Jan Minnema de With. De laatste grietman, die Boelens State bewoonde was hun zoon Jhr. Daniel de Blocq van Haersma de With. Als hij in 1857 blijkt uit zijn testament, dat hij de State vermaakt aan de gemeente. Het vroegere terrein is nu gemeentepark.
- Jeltcama of Jeltinga Buitenpost
<1500 De Jeltcama's of Jeltinga's van Buitenpost werden al in het begin van de 16de eeuw als heerschappen aangeduid. De herschap Benne van Ielcama stierf in 1504.De (…) sate te Buitenpost was in 1511 70 pondematen groot, na Herbranda het grootste bedrijf. Het lag in de zelfde kavel als de kerk, ten noorden van de weg. In 1640 was Jeltinga state eigendom van Fecke Jeltinga, in 1698 en 1700 van Margrieta van Mejontsma.
- Hinnema Jelsum
<1457 <1450 In 1732 afgebroken Als Hennema komt de familienaam in 1457 voor het eerst voor. In 1534 heette het Hinnema gued toe Hilsum. De state werd in 1732 afgebroken. Daarna was het een aanzienlijke boerderij. In 1850 was het stinsterrein verlaten en de boerderij enkele percelen zuidwaarts verplaatst.
- De hofstede of stins Buygers Lekkum
<1600 <1578 De familie Buygers verwierf haar positie in Leeuwarderadeel door huwelijken met de Auckema's uit Leeuwarden. Het Buygers-land in Lekkum was echter geen oud Auckema-land. Het werd in de 16de eeuw verworven van de families Holdinga, Sjoorda, Martena en Herjuwsma en Andringa. (…) Soms wordt de familie ook Buygers van Lekkum genoemd. In 1640 was het eigendom van jonker Wiglius Buigers, die het goed verpachtte. Zijn dochter Hisck trouwde met Menno van Eminga. Uit hun boedel verkreeg hun zoon Frans van Eminga in 1679 het huis Buygers, dat bij die gelegenheid werd omschreven als seeckere stins, vordere huysinge ende plantagie met 58 pondematen.
Piter Buygers, Grietman van Wymbritseradeel, en zijn vrouw Yd kopen op 24 januari 1578 een sate in Lekkum in het sterfhuis van Van Andringha voor 1100 goudguldens. Volgens het stemkohier van 1640 is in dat jaar eigenaar jhr. Wiglius Buigers en de gebruiker is Sybout Ruyerts. In 1700 is volgens het Floreenkohier eigenaar de Ed. Heer Frans van Eminga en er hoort dan 92,5 pondemaat land bij. In 1832 is het eigendom van Tiete Hessels van der Tjoeg, een landbouwer die te Jelsum woont en de boerderij dus verpacht zal hebben.
Er hoort dan (veel) minder land bij de state, want grote stukken van de vroegere landerijen zijn nu eigendom van Tiete Solkes Tromp, Vicepresident bij de Rechtbank en eigenaar/bewoner van het nabijgelegen Eeburg.
Taniaburg
Op het grondgebied van Taniaburg staat nu een groot deel van de woonwijk Bilgaard
<1400 Waarschijnlijk voor 1400. Het kasteel was in 1422 eigendom van Minno Tiessama alias Tania. In 1846 liep daar ter plaatse nog een waterlossing die Taniameer genoemd werd.
De Leeuwarder historicus Wopke Eekhoff schrijft over dit huis echter weinig meer dan het volgende: Ook aan de westzijde van den stroom de Ee of de vaart naar Dockum ontstonden in deze eeuw de beginselen eener buurt of voorstad, welke wij onder den naam van Camstraburen kennen. Zij ontleende dezen naam van het adellijk geslacht Camstra, dat de meer noordelijk gelegene stins Taniaburg, nabij de Taniameer, op eene nog kenbare terp, te Bilgaard, toen Taniaburen genoemd, bewoonde. Hier, in de nabijheid der stad, stond dit geslacht van tijd tot tijd eenige erven ter bebouwing af, tegen zekere grondpacht, welke ook in opvolgende tijden aan zijne nakomelingen is betaald geworden. Het moet een erg welvarende buurt geweest zijn, want Bilghaerdt werd door de Hertog van Saksen voor een hoger bedrag aan Jaertax en Renthen aangeslagen dan het grote Camminghaburg en de daar omheem liggende Cammynghabuer.
In 1650 werd de grondpacht van de huizen op Camstraburen betaald aan jhr. Goffe van Camstra te Minnertsga
- Idzerda stins
Op de plaats van de vroegere Stins bevindt zich nu een boerderij <1500 Rond 1500 woonde Barth van Idzerda op de stins. Rond 1740 is de oude zaalstins met uitbouw vervangen door een moderner huis Het is niet bekend wanneer de Stins werd gebouwd. Dit dorp heeft ongetwyffeld zyn naam gegeeven aan het geslacht van Idzerda, het welk hier, ten tyde der troebelen, een sterk Stins heeft gehad, in het Noordoosten des Dorps, nabij de scheiding van Nyeholtpade, welk, na tweemaalen afgebrand geweest te zyn, wederom werd opgebouwd door den Heer en Mr. Baerth van Idzerda, eerst Gedep. Staat, en naderhand Raadsheer ten Hove van Friesland, na welken hier nog twee Grietslieden uit dat geslacht hebben gewoond. Het oude Stins vervallen zynde, is daar voor, by onzen tyd, een ander huis, wel van minder omtrek, doch in eenen meer hedendaagschen smaak, opgebouwd door de Familie van Ter Wisga, thans deeze plaats in eigendom bezittende
Rond 1740 is de oude zaalstins met uitbouw door de familie Ter Wisga vervangen door een moderner huis.
- Lemenburg / Friesburg later Leemborg
<1514 Voor 1780 afgebroken. Van oorsprong heette deze State Lemenburg. Later werd dit stamslot van de familie Lyclama à Nijeholt officieel Friesburg genoemd. Dit gebeurde door zowel de eigenaar als de officiële instanties. Maar de bevolking was hardleers en bleef de state Lemenburg noemen.
Dit huis werd in ’t jaar 1514 door de Geldersche partij, in Sint Andrie nach geplonderd, en in ’t volgende jaar op St. Anthonius dag geheel afgebrand, en ook veel bosschagie afgehouwen; ter vergoedingen van deeze schade, en ter belooninge van zijne getrouwheid, werd de Eigenaar beschonken met het recht van Opvolginge voor zijne Familie in de halve Grietenij van Stellingwerf, en in de geheele van Schooterland; zijnde deeze gifte ook in 1524 door Keizer Karel bevestigd. De genoemde Eigenaar was de Saksische grietman Lyckle Eables, die de stamvader werd van de Lycklama's. Zijn afstammelingen gingen zich naar de plaats Nijeholtpade, Lycklama a Nijeholt noemen. Keizer Karel V wilde zelfs het grietmansambt in de grietenij Stellingwerf erfelijk maken en Lyckle verheffen in de adelstand, maar hij wees dit af, waarbij hij gezegd zou hebben: Deugd allinne makket wiere adel.
Het Huis Liewenburg onder Oldeholtpade in de grietenije van Stellingwerf westeinde, behorende den heere Augustinus Lyklama à Nijeholt 1724. Waar hij de naam Liewenburg" vandaan haalde is niet bekend. De Lemenburg stond op het grondgebied van Nijeholtpade. Tegenwoordig is op de plaats van de stins de Trotting Stable TEB van de familie Allard van der Wal gevestigd.
- Groot en Kleyn Siccama Roodkerk / Oudkerk
<1511 <1700 Sickama wordt, zij indirect, het eerst in 1511 genoemd.
- De Wier van Siccama op Weerburen Roodkerk-Oudkerk
<1511 <1700
- Herckema heerd, Clant state of Ausburgh
<1463 <1463 In de tweede helft van de 17de eeuw werd een klassisistisch slotje gebouwd. In 1757 Herckema was de zetel van een kleine hoofdelingenfamilie, die in 1463 voor het eerst werd genoemd. Het goed heette in 1536 Heerckema heert en to Herckema; de naam Clant state verwijst naar de eigendomssituatie tussen 1536 en 1570, de naam Ausburgh naar de dorpsnaam. Mogelijk woonde Hedde Harkumma, die in 1463 in Kollumerland als getuige optrad, hier. In 1505 behoorden Sicke Herckema kinderen tot de edelingen in Colmerlandt: Herka, één van hen, werd rond 1503 wegens een toegebrachte verwonding veroordeeld. In 1536 verkocht Hilcke Herckema Heerckema heele heert ... als steenhuys myt dat sael ende andere huysen, nu staende to Herckema in Lutkewolde aan de van oorsprong Groninger edelman Claes Clant, grietman van Kollumerland en Nieuw Kruisland, die gehuwd was met Anna Harckema. Hun kinderen verkochten in 1572 't huys, hoff, lanckhuys, hiem, graft, singel en inboedel, met 31 pm land in Augsbuur met twee ernaast gelegen saten land, samen 115 pm, en een sate aan de Kollumerlaan
In een boedelbeschrijving van 1617 werd het huis beschreven als het blaeuhuys ende andere camers en achterhuysinge met het lantsatehuys over het diept. Tot in het midden van de 18de eeuw werd het huis adellijk bewoond; in 1757 werd het afgebroken. Daarna ging de naam over op de boerderij.
- Vogelzang Fogelsangh State
Enkele vertrekken worden in het weekend nog altijd bewoond door graaf de Marchant et d' Asembourg, die huwde met de laatste eigenaar: barones van Harinxma thoe Sloten.
Deze State is rond 1640 ontstaan uit het Klooster de Olijfberg, dat uit de 13e eeuw stamt. Mogelijk ter plaatse van het huidige pand werd in de 13e eeuw het Premonstratenser dubbel klooster, de Olijfberg, gesticht. In 1580, na de reformatie, werd het klooster verlaten en kwam het in handen van de Staten van Friesland. Omstreeks 1640 werd het verkocht aan Sjouck van Fogelsangh. Na de dood van Sjouck, komt de state in het bezit van haar 2 zoons Dirck van Fogelsangh en Pibo van Doma. Dirck van Fogelsangh woonde alleen zomers af en toe op de state. Hij was secretaris van Franekeradeel en kon niet (destijds meer dan een dagreis) ver van zijn werk verwijderd wonen. Van 1659 tot ca. 1664 werd de state bewoond door zijn zoon Hilarius (Hylke) van Fogelsangh en zijn vrouw Richtje van Rosema. Als Dirck in 1664 sterft wordt zijn broer Pibo van Doma de enige eigenaar. Hij woonde op Tadema State onder Kollum (dichter bij zijn werk) en heeft waarschijnlijk nooit echt op Fogelsangh State gewoond. Het pand werd in 1666 als volgt omschreven: 'Zathe, state en landen Veenklooster genaamd, mitsgaders de groote nieuwe huizinge, toren, wijnhuis, put, poort, twee hovingen, bleekveld en gracht.
Na de dood van Pibo van Doma in 1675, erft zijn dochter Catharina van Doma de state. Maar zowel zij als haar zoon Jacob van Rosema (1675 - 1721) ook nooit zelf de state bewoond. Op een tekening van Jacob Stellingwerf uit 1723 is nl. een uit het water opgetrokken bouwvallig huis te zien van twee verdiepingen met grote scheuren in de muren onder een schilddak waar pollen gras op groeien. Achter het huis bevindt zich een half ingestorte uitbouw. Omstreeks 1730 werd het geheel opnieuw verbouwd tot een huis
Van 1783 tot 1836 is Cecilia Johanna van Heemstra eigenaresse, maar zij moest het land uit vluchten tijdens de Franse bezetting. In 1810 (tot waarschijnlijk ca. 1825) woonden haar neef Willem Hendrik van Heemstra en zijn vrouw Johanna Balthasarina van Idsinga op de state. In 1873 werd het pand ter gelegenheid van een bezoek van Koning Willem III gemoderniseerd.
Het geheel is thans eigendom van Kyra Livia barones van Harinxma thoe Slooten.
- Allema Oudwoude
<1400 in de 15de eeuw beschikte over een goed verdedigbaar steenhuis met dikke muren. Tot in de 18de eeuw vererfde deze stins binnen de familie Allema, en de in vrouwelijke lijn daaruit stammende Alma van Idema's. In 1832 lagen rond de boerderij aan drie zijden nog grachten.
Het is aan boer Ruurd Lieuwes te danken dat Allema State er nog staat. Hij kocht de boerderij in 1989 en vroeg aan een architect de verwaarloosde stins op te knappen, maar die zag daar geen heil in. Deze architect adviseerde sloop. Maar Lieuwes legde zich er niet bij neer: Hij wilde Allema State behouden. Hij kwam er achter dat deze state niet op de Monumentenlijst stond. Toen is hij daar achteraan gegaan en dat had tot gevolg dat hij subsidie kreeg voor restauratie. Vervolgens gingen gespecialiseerde architecten zich er mee bemoeien. Tussenmuren werden gesloopt, vloeren, plafonds en ramen werden vervangen, maar de stins bleef intact. Enkele jaren geleden moest Lieuwes de stins verlaten, omdat zijn broer ging emigreren naar Denemarken. Op de boerderij van zijn broer stonden de koeien, en het was voor hem financieel niet mogelijk eigenaar te zijn van 2 boerderijen. De vorige eigenaar gelooft in het verhaal dat de stins in de tijd van Schieringers en Vetkopers een ondergrondse vluchtgang richting Veenwouden had.
- Lycklama stins
<1626 Het slot is in 1736 op afbraak verkocht Het huis werd gebouwd in het begin van de 17e eeuw De stamburcht van de familie Lycklama a Nijeholt was de Friesburg te Nijeholtpade. Dit slot werd gebouwd door Lyckle Eables, de stamvader van de Lycklama's. Een afstammeling van hem was Rinco van Lycklama die de Lycklamastins liet bouwen. In 1626 werd hij grietman van Stellingwerf-Westeinde. Na hem bewoonde zijn zoon en opvolger Agge het slot, dat na 100 jaar bestaan te hebben in 1736 in een vervallen toestand verkeerde en op afbraak werd verkocht.
- Bucama, Aytta Swichum
<1500 Aan het eind van de 18e eeuw gesloopt De Bukama's komen in de 15de eeuw voor als aanzienlijke inwoners van Swichum; ook leverden ze verschillende geestelijken. Een erfdochter Bukama bracht het goed aan de familie Aytta, die eerder op Groot Hemriksend te Warga en daarvoor op Aytta te Roordahuizum haar belangrijkste woonplaats had. Zij bouwden er ook een fraaie stins, aldus de bronnen uit de familie Aytta. Ook toen rond 1500 een volgende generatie, die van Folkert Aytta zich als pachtboer tegen voordelige voorwaarden op de vruchtbaardere voormalige uithof Barrahuis onder Wirdum vestigde, bleef Aytta te Swichum eigendom. Omdat de positie van de familie hier het meest op die van een dorpshoofdeling had geleken, werd bij de verheffing in de adelstand de naam Aytta van Swichum een vaste combinatie.
Rond 1500 woonde Bernardus Bucho van Aytta op Aytta State te Swichum. Op 19 april 1573 stierf Gerbrant van Aytta, rentmeester van Groningen en Groninger Ommelanden en van Drenthe, grietman van Wymbritseradeel. Hij woonde vrij zeker op de state en ligt in de kerk van Swichum begraven. Aytta State werd tot het einde van de 17e eeuw bewoond door de Aytta’s. Rond 1690 was Wiglius Ernestus van Aytta eigenaar en bewoner. Waarschijnlijk was hij de laatste van zijn geslacht, want daarna vererfde het goed op Wybrandus de Laignier die in 1698 als eigenaar wordt vermeld. In 1728 was de state eigendom van Ulbo Aylva van Burmania. In 1773 was de state in handen van de familie Van Cammingha, want in dat jaar verkocht de heer Cammingha vele bomen van Ayttahuis. Het begin van het einde. Het huis is waarschijnlijk aan het eind van de 18e eeuw gesloopt.
Op de plaats van deze state bevindt zich nu een boerderij.
- Techumer sate te Techum Goutum
<1451 In 1569 is sprake van een stins; van deze stins en state is geen eigen naam bekend. In haar testament uit 1451 noemde Site Lousma, afkomstig uit een Lekkumer familie, dat land to Teghum. Inderdaad kocht mr Jacob Roussel, raad in het Hof van Friesland in 1569 de helft van Techumer zate te Goutum, met die helft van het stens ende steen van dien en de helft van terplanden, fennen en meden, zowel oud- als nieuwland, leggende op't oest ende west van de Heerenwech ofte Hoegendyck, streckende van Leuwarden nae Sneeck van Jan Burmania, wonende te Schingen. In 1511 en ook nadien was het goed verpacht en blijkt er niets van adellijke bewoning. Techum is een terpbuurschap die al vroeg wordt genoemd. Als Dacheim komt het in de 10de eeuw in de registers van de abdij Fulda voor. In de late middeleeuwen bestond het uit vier sates, waarvan er één kerkegoed was.
- Wiarda Goutum
<1400 In 1881 werd de state op afbraak verkocht Een belangrijke stins was Wiarda-state in Goutum. Rond 1400 waren de Wiarda's partijgangers van graaf Albrecht van Beieren. In 1422 waren ze mede-bezegelaars van het Grote Verbond tussen Schieringers en Vetkopers. Met de dood van Tzomme Wiarda, die vele vrome schenkingen deed en geen kinderen had, vererfde de state op de Eminga's die op vele manieren aan de Wiarda's verwant waren (en misschien één familie waren).
Deze state werd in de late middeleeuwen bewoond door de Wiarda’s, een belangrijk hoofdelingengeslacht. Omstreeks 1380 woonde Pybe Wiarda te Goutum en waarschijnlijk was hij de vader van Sjoerd Wiarda. Deze laatste was in 1399, in de strijd tegen de graaf van Holland, aanvoerder van Oostergo. In 1481 deden de Goutumers mee aan een aanval van de Schieringers op Leeuwarden, maar die mislukte. In 1498 kwamen veel voorname mannen om in een grote veldslag tegen de Leeuwarders. Daarbij was ook Doytse Wiarda. Volgens historicus Gabbema haalde de Leeuwarders schoone buit in Goutum. Een jaar later werden de stinsen van vooraanstaande Schieringers te Huizum, Goutum en Wirdum gesloopt door de Leeuwarders. Minne van Eminga begon in 1525 van Wiardastins een beter bewoonbaar huis te maken. Een rustiger tijd was aangebroken. Karel V was Heer van Friesland, de strijd tussen Schieringers en Vetkopers was de kop ingedrukt en de oude stinsen konden de bewoners toch niet meer beschermen tegen de kanonnen en geweren van eventuele vijanden. Minne maakte een begin van wat in de loop der tijd een grote en statige Wiarda State zou worden. In juli 1881 werd de state op afbraak verkocht. Een jaar later lag alles tegen de vlakte.
- Drinkuitsma
1400 Afgebroken in 18e eeuw in 1720 nieuwe boerderij gebouwd, in 1850 vervangen en in 1947 plaatsgemaakt voor het Van Harinxmakanaal
Volgens de overlevering wisten deze broers wel van wanten, want de states Burmania, Wiarda en Eminga werden in deze volgorde ook wel Putsma State, Schenkinsma State en Drinkuitsma State genoemd.
Deze state zou gebouwd zijn rond 1400. De stins/state zou gebouwd zijn door Ids Wiarda, een broer van Sjoerd Wiarda die op Wiarda State vlakbij de kerk woonde. Ids nam de familienaam van zijn moeder aan omdat die familienaam bijna uitgestorven was en noemde zich Eminga. De state is eeuwenlang eigendom geweest van de familie Van Eminga. Al in 1698 het eigendom van Ruerd Juckema van Burmania, getrouwd met Elisabeth Wiglina van Eminga. Ruerd was ondermeer ook eigenaar van het naastgelegen Burmania State.
De in 1720 gebouwde boerderij werd op zijn beurt in 1850 vervangen door een nieuwe boerderij Het Bos. In 1947 moest die tenslotte wijken voor het Van Harinxmakanaal.
- Putsma Burmania
1400 In 1700 al afgebroken Deze state zou rond 1400 gebouwd zijn door Oeds Wiarda, maar mogelijk bestond de stins toen al. Er wordt vermeld dat Oeds Wiarda, broer van Sjoerd Wiarda die rond die tijd op de gelijknamige state dichtbij de kerk woonde, zijn eigen state kreeg in de buurt van de state van zijn andere broer Ids en die bekend werd onder de naam Burmania State. In 1698 (en in 1720 nog) was het eigendom van Ruerd Juckema van Burmania die getrouwd was met Elisabeth Wiglina van Eminga, eigenaresse van de naastgelegen Eminga State. Volgens dr. Abma heeft Ruerd in 1720 Putsma State laten afbreken en op dezelfde plek een boerderij laten bouwen.
- Idszingha goed of Schierstins
De stins is in 1436 in kloosterhanden overgegaan. <1300 <1439 De Schierstins fungeerde na 1436 als kloosteruithof van Klaarkamp en als centrum van de veenexploitatie van het klooster.
- Solcama of Hoogstins
<1500 <1622 In 1622 nog bestaand Van Solcama/Hoogstins was in 1700 William Custos c.s. de eigenaar.
- Galkehiem of Binnenrust
in 1504 waarschijnlijk reeds genoemd als Ghawteheem, geen stins maar een boerderij waaruit het klooster Sigerswoude een jaarlijkse rente ontving op grond van een vrome schenking.
- Broersma Kollum
<1505 De resten van het stinsgebouw werden omstreeks 1630 ter afbraak verkocht In 1505 worden Tako en Gaico Broersma als edellieden in Kollumerland vermeld. De laatste was in 1515 grietman vanwege de Geldersen. Broersma state was hun stamgoed. In 1532 verkocht Sjoerdt Broersma Broersmahuis aan Graats Cammingha, weduwe van Wilco van Holdinga. Sindsdien had Broersma geen adellijke bewoners meer. Omdat zij verzuimde de koop te bode te doen stellen, dus openlijk af te laten kondigen, verviel het goed aan keizer Karel V. In een proces dat volgde, werd als compromis bereikt dat Broersma een onversterflijk leengoed zou worden. In 1569 en 1612 werd de boerderij toe Broersma genoemd.
- Tadema Kollum
<1400 De stins werd vermoedelijk afgebroken rond 1622 Tademastins werd aan het begin van de 16de eeuw bewoond door Buwe Tadema. Hij wordt genoemd in 1511 en 1529, zijn erfgenamen in 1543. Een van die erfgenamen was Kempo van Tadema die met Wyts van Foppinga uit Dronrijp trouwde; een zuster van trouwde in op Bama in Kollum. Kempo bezat ook in het dorp Kollum zelf tuinen en huissteden. In 1562 vertegenwoordigde hij met Scipio van Meckema het dorp Kollum bij het protest tegen het betalen van tol op de Scholbalg. In 1574 was hij volmacht van Oostergo.
Kempo van Tadema, rekenmeester van Friesland en dijkgraaf van Kollumerland, stierf in 1622 liet Tademastins na aan zijn dochter Dodonea van Tadema (…). Van een oom had zij ook Tadema state, later Domabosch geheten, in de Uiterdijksterkluft geërfd. Daarop gingen zij wonen; Tademastins in de Laansterkluft werd toen waarschijnlijk afgebroken.
- Ublema State (Teerns)
<1510 In Teerns bestaat een traditie met betrekking tot de stichting van de kerk, gesticht door d'eygenaers der state Ublema.
- Auckama State
<1510 In het stemkohier van 1640 is bij stem 6 juffr. Tunnecke van Sande vermeld als eigenaresse en de boerderij wordt dan gebruikt door Jan Douwes. In 1700 is de ed. hr. jr. Duco Gerrolt van Burmania als eigenaar vermeld in het floreenkohier. Gebruiker is dan Douwe Jacobs. Hij wordt aangeslagen voor 22–21-0, in verhouding met andere boerderijen de hoogste aanslag per hectare. Bij deze boerderij hoorde blijkbaar het beste land en het grootste huis. Overigens was jonker Duco in 1700 ook eigenaar van de boerderijen met stemmen 1, 2 en 4 onder dit dorp.
- Feitsma Huizum
<1463 <1450 Jelger Feitsma trouwde rond 1463 met Tied Witzes Oenema uit Wirdum. Zij werden de stamouders van de familie Feitsma. De oudst bekende bewoner van de stins was Hessel Jelgersz. Feijtsma. Hij woonde hier in de tweede helft van de 15e eeuw en was een volbloed Schieringer. Zo dicht bij het Vetkoperse Leeuwarden was dat natuurlijk vragen om moeilijkheden. In 1498 werd deze stins dan ook door de Leeuwarders verwoest, net als Aebingha State en de states in Goutum en Wirdum. Later komt een kleinzoon, ook een Hessel, op de nieuw gebouwde state te wonen. Hij had een goede verstandhouding met zijn buren op Aebingha State. Samen met ondermeer Epo van Douwma en Epo van Bootsma werd Hessel van Feitsma in 1568 voor Alva gedaagd vanwege hervormingsgezinde acties. Ook hij had geen trek in een schijnproces en kwam niet opdagen, ondanks het feit dat het Spaanse gezag dreigde zijn bezit te verkopen. Waarschijnlijk is hij naar Emden gevlucht, dat destijds een vrijwel Nederlandse stad was door alle vluchtelingen die daar woonden. In het begin van de 17e eeuw kwam het huis in bezit van een jonkheer Van Rinia. Later werd het bewoond door T. Poppinga. In 1697 werd de state verkocht aan secretaris Tacitus Taco Buma en Heynardus Dotingh. In de eerste helft van de 18e eeuw werd de state afgebroken en kwam er een boerderij voor in de plaats.
- Abbema en Mellens Huizum
<1432 <1400 In 1859 op afbraak verkocht Als persoonsnaam komt Abbema in Huizum voor het eerst in 1432 voor; de stins in 1463 als Abbama huus thoe Huusem en Abbama huus jefta statta.
De oudst bekende eigenaar van Abbemahuis en van de door de eigenaars van Abbema verpachte sate Mellens is Kampe Abbama. Hij wordt vanaf 1432 genoemd. In 1463 wordt verklaard dat vroeger op Abbama huus thoe Huusem een testament berustte, waarin werd bepaald dat de huurlanden te Mellens, die behoorden bij Abbama huus jefta statta aan de priesters van Huizum ten goede zouden komen. Bij de stins Abbema te Huizum behoorde direct rond het huis weinig land.
De Aebingastins wordt voor het eerst rond 1400 genoemd. De oudste bewoner van deze stins die we kennen was een zekere Abba Abbingha, die hier leefde rond 1400. In 1511 was het in bezit van Hessel van Abbingha (of Abbema) die de state herbouwde na de verwoesting in 1498. De state werd later diverse malen verkocht en stond in 1833 leeg. In 1859 is zij op afbraak verkocht en werd op het terrein een aardappelmeel- en siroopfabriek gebouwd.
- Jelgerhuis, Ethelgeraburen Leeuwarden
<1300 <1458 Na Camminghaburen is Jelgerhuis het oudst bekende huis in het plattelandsgebied van Leeuwarden. De familie Ethelgera was in de 13de eeuw verwant met de Cammingha's van Camminghaburen. Een belangrijke rente werd nog in de 16de eeuw uit dit goed aan het door de Cammingha's gestichte dominicanenklooster (Grote Kerk) in Leeuwarden betaald. Pas in de late 15de eeuw werd Jelgerhuis opnieuw genoemd. Het was toen eigendom van de gelijknamige familie van stadsbestuurders.
In 1567 werd het huis bewoond door Pier Jelgerhuis en in 1600 door Haye Scheltema. In 1728 wordt Douwe Upckes als eigenaar vermeld. In de 18e eeuw wordt het huis op die plek als Canterhoven en Catershoven vermeld.
Als in de eerst helft van de 19e eeuw de heer Dodonius Pierius van Kolde Reneman het huis vernieuwt en verfraait heet het Zorgvliet hoorde er 70 pondematen (22 hectare) grond bij. Rond 1850 wordt het huis bewoond door diens dochter mej. F.O.R. Reneman.
- Camminghaburen Leeuwarden
<1200 <1400 Rond 1500 verwoest en in 1510 weer herbouwd. In 1810 gesloopt Als Kempingabure komt Camminghaburen of Cambuur al aan het einde van de 12de eeuw voor. Het ontleende zijn naam aan de aanzienlijke edelman Kempo Kempinga. Op zijn beurt stimuleerde het bezit van Cambuur het gebruik van de naam Cammingha bij de bewoners, ook als zij uit andere families stamden.
De Camminghaburg stond iets ten westen van het tegenwoordige Cambuurplein. Het kasteel kende een dubbele omgrachting en een versterkte voorpoort en werd omringd door nog andere verdedigingswerken. Begin 14e eeuw wordt het slot bewoond door Regnerus Cammingha en in 1398 door Gerrit Cammingha. Gerrit was bondgenoot van Albrecht van Beieren, graaf van Holland. Door zijn bondgenootschap had hij zijn stins van een Hollandse bezetting voorzien, waardoor hij de woede van het volk op zijn hals haalde. Het kasteel werd belegerd en na de inname werd de bezetting deels gedood en deels op de vlucht gedreven. Rond 1500 beleefde Friesland onrustige tijd en werd het slot verwoest, waarna het ca 1510 weer opgebouwd werd door Wytze van Cammingha en zijn vrouw Rints van Minnema. Met de dood van Gerrolt Cammingha in 1589 sterft de familie in mannelijke lijn uit. Zijn dochter Edwert bewoont vanaf 1589 het slot met haar man Ruurt van Juckema. Na in bezit geweest te zijn van de familie Juckema, gaat het kasteel door vererving over in handen van de Burmania's en later de familie Rengers op Epemastate te IJsbrechtum. Tegen het einde van de 18e eeuw is het kasteel niet meer particulier bewoond, maar heeft het enige tijd dienst gedaan als gevangenis. In 1785 geeft de Gedeputeerde Staten opdracht om de Camminghaburg buiten Leeuwarden tot kruitmagazijn te verbouwen: het ging dienst doen als ammunitie- of tuighuis. Ten slotte werd het slot in 1810 met kapel en bijgebouwen gesloopt.
- Twixel
Afgebroken in 1839 Westergoo, griet. Idaarderadeel
- Jelgersma Roordahuizum
<1498 Jelgersma was woonplaats van een grietmansfamilie en wordt in 1498 in een vetecontext genoemd. Omdat ook later de naam Hebba Jelgersma nog in Roordahuizum voorkwam, woonde in 1453 mogelijk Hetta Hebbaz Jelghersma, grietman van Idaarderadeel, hier; hij was in dat jaar betrokken bij een overeenkomst tussen het waterschap van de Leppa en vier dorpen rond het Bergumermeer. In 1498 staken de Leeuwarders Auck Feddis, Schelte opper Geest susters, huys in brand en begonnen ook de nabije huizen in brand te steken. De soldaten van de hertog van Saksen die uit Irnsum kwamen zagen de brand, trokken de droogliggende Moezel over en achtervolgden de Leeuwarders. Bij de weg die van de dijk naar de kerk van Roordahuizum voert kwam het tot een treffen. De Leeuwarders delfden het onderspit en verloren 23 man. Auck Feddes was een dochter van Sitse Scheltinga uit Huizum en getrouwd met Fedde Jelgersma; ze hadden een zoon Sitse Jelgersma. De door D.J. van der Meer gelegde relatie tussen Auck Feddis huys en Jelgersma state op Tsjinserburen wordt ondersteund door de vermelding van de Moezel in de kroniek. In 1511 komt een Sytia Feddensz onder Roordahuizum voor als eigenaar van de grootste boerderij: 80 pondemaat (43 fl.); gelijktijdig waren een Hette Feddez en een Hebba Jelgersma (overleden voor 1543) er landeigenaar. In 1640 was Jelgersma, groot 47 pondemaat (21 fl.), eigendom van de jufferen van Ayta te Swichum; zij verhuurden het toen.
- Beslinga Friens
<1410 <1543 In 1828 afgebroken en vervangen door een nieuw huis, dat in 1849 eveneens is afgebroken De familie Utisma/Uthsma, die ook te Grouw voorkwam, lijkt ook in Friens goederen te hebben gehad. In 1410 hadden Wika Utisma en zijn broer Sicca, pastoor van Roordahuizum, een geschil ondermeer over Besselingha gud met Fedeka Elgherisma. Pas rond 1500 valt de geschiedenis van het goed weer verder te vervolgen; het was toen een boerderij. In de 16de eeuw bouwde de familie Van Sytzama hier een aanzienlijk adelshuis
Een zekere Andries Pytersz, koopman te Leeuwarden werd halverwege de 16e eeuw eigenaar van Beslinga State door een erfenis van zijn moeder Alyt Pyters. Zijn moeder had de State al voor 1543 verworven. Andries heeft nooit de naam Beslinga gebruikt. De State komt daarna al snel in andere handen, doordat zijn dochter Jets van Beslinga in 1573/4 met Douwe van Sytzama trouwt. Omdat hij een Friese edelman was en zij maar een koopmansdochter, nam zij de naam Beslinga aan, naar het huis dat zij van haar vader geërfd had en liet zich een familiewapen maken. Deze Friese edelman werd twee keer grietman van Idaarderadeel en stierf in 1607. Beslinga State is tot 1620 een grote boerderij met een langhuis (zaalstins). In dat jaar wordt het geheel door Andries van Sytzama, de zoon van Douwe en Jets, afgebroken, om op dezelfde plaats een State te bouwen. Bij een State hoorde bijna altijd ook het zwanenrecht. Jacob Tjallings was in 1740 meier van de Beslinga State em had daarmee de zorg voor de zwanen in dat jachtgebied. Drie jonge zwanen waren afgedreven en Jacob dreef ze daarom terug naar de slotgracht van Beslinga. De familie Nijdam, eigenaar van de Douma- of Ludringastate onder Akkrum, betwistte Jacob het eigendom van de zwanen en spande een rechtszaak aan bij het Hof te Leeuwarden. De rechter stelde Jacob Tjallings in het gelijk. De grenzen van de zwanenjachten waren ook erg summier afgetekend. De State zal altijd in de familie Sytzama blijven. De laatste eigenaar is Maurits Pico Diederik Baron van Sytzama. In 1828 besluit hij de State af te breken, om te laten vervangen door een veel groter landhuis.
Deze baron is eerst grietman van Idaarderadeel, maar wordt in 1841 Gouverneur van de Koning in Friesland. Zijn zoon Eyzo de Wendt baron van Sytzama volgt hem dan op als grietman. In 1843 sterft zijn zoon plotseling als hij met zijn sjees op de Leeuwarder Nieuwestad rijdt en na de dood van Maurits Pico Diederik in 1848 komt de State leeg te zijn. Blijkbaar zijn er geen kopers voor te vinden en een jaar later wordt al besloten om de State af te breken.
- Diorrema Friens
<1486In 1486 verkocht Molla Jansz tweederde van Dyoerama stins staende tho Freens bider tzercka - blijkbaar het gebouw zonder het land - aan het klooster Aalsum.
- Hania
boerderij. De tot deze state behoord hebbende gronden, worden thans in eigendom bezeten door de erve van Sloterdijk.
- Jongama
landhoeve. thans in eigendom de Heer J. A. van der Goot, woonachtig te Sneek.
- Uthsma Grou
<1438 Als familienaam komt Wtsma en Uthsma in relatie tot Grouw in 1438 voor; als boerderijnaam Oetsma en Utsma in 1640 en 1718. In het laatste jaar werd er een stinswier naast aangegeven. Dat Uthsma een oude machtspositie is, blijkt uit een oorkonde van 1438, waarin Bocko Wtsma, dan wonend te Friens, verklaart dat hij met Eko Kempama Kempama syl liet timmeren en dat hij de zorg voor deze zijl geheel op zich neemt to scade of toe bate ho dattet vallen mach, waarbij hij de zusters van het klooster Aalsum vrijstelt van bijdragen.
Utsma met de stinswier ligt aan de Haniasloot, niet ver van Keimpemazijl
In 1625 verkocht Idtscke Oenes Regnaerda, wed. van Tinco Andringa, Wtsma sate te Grouw aan Jantcke Jarichs. In 1640 was Oetsma 80 pondemaat groot (fl. 9-15-0) en eigendom van Leuwe Rollema, die het verpachtte. De stinswier van Uthsma was in 1718 en 1786 nog aanwezig. Overigens was Uthsma toen (…) een gewone boerderij.
- Asinga Grou
<1438 Grouw telde 71 stemdraagende plaatsen, waar onder weleer veele adelyke staten waren, op welke voor deezen, naar rang, jaarlyks het grietmans ampt viel: dus was in 1438 hier Asinga, wegens Asinga State, en op een anderen tyd Bokke Uthsma, wegens Uthsma State... Jorerd Azyngha in 1438 grietman
- Gotama te Gotum Grou
<1468 In 1468 verkocht aan het convent van Aalsum, waarschijnlijk als bouwmateriaal (op afbraak). In de buurschap Gotum wordt in 1468 de stins te Gotum genoemd. Op 16 april van dat jaar verkochten Popka Gothama en zijn vrouw Doede, woonachtig te Grouw, aan het convent van Aalsum de stins te Gotama, bij hun huis. Ze erkenden voldaan te zijn door het convent ten aanzien van de koopsom en zagen af van alle aanspraken op die stins. In latere tijd behoorde het land van de sate Gottama niet tot de kloostergoederen van Aalsum. De verkoop zal dan ook alleen de stenen van de stins betroffen hebben. Het klooster had deze nodig.
Popke Gothama en zijn stins ontleenden hun naam aan de buurschap Gotum. Popke en Doed verkochten in 1466 land in de omgeving aan Jorith Andringa. In 1474 woonden zij te Warga. Zij verkochten toen de aanspraken die Doed als lid van de familie Rypkema had op Amkamagoed te Birstum. Daarmee wordt duidelijk dat Popke behoorde tot het milieu van kleine hoofdelingen, waartoe ook de Rypkema's behoorden. Na de afbraak van de stins zullen zij, evenals de Rypkema's, geleidelijk tot de eigenerfdenstand zijn gaan behoren. In 1543 blijkt dat de buurschap Gotum uit twee sates bestond: Gottama guedt, daer Feddo Jacklez nv ter tyt op woent, en Reensma guedt t'Gottama. Beide betaalden renten aan de geestelijkheid te Grouw.
In 1640 worden beide goederen opnieuw vermeld: als Rinsma en Goltema Goltema was toen eigendom van juffer Cunira ab Ayta, als curatrix over haar kindskind. Dat dit laatste goed de sate was, waarop de stins stond, bleek mooi bij de opstelling van het kadaster in 1832: ten zuiden van het erf en de bijbehorende boomgaard ligt een vrijwel geheel omgracht eivormig perceeltje bosch als weiland, waarin we de stinspôlle zullen mogen herkennen.
- Gralda Grou
<1543 Gralda guedt werd in 1543 voor het eerst genoemd; een Joucke Jouckez had er een rente uit geschonken aan de prebende te Grouw. In 1596 legateerde Rennert van Solckema de stens- sate te Grou liggende, Graelde genaemt aan zijn zoon Abraham van Solckama. Om zijn adellijke kwartieren te vermeerderen vertelde hij in zijn lineageboek dat dit goed afkomstig was van zijn grootvader aan moeders kant, die Edsardus à Douma nobilis in Garryp, dominus in Graelda in Grou geheten zou hebben en woonachtig geweest zou zijn op 't stens Graelda, die hij van zijn moeder zou hebben geërfd.
- Blinxtra of Galama Akkrum
<1447 In 1447 komt Renic Blinctera als kerkvoogd te Akkrum voor, samen met Tyart Aulinga (Andringa). Later heette het goed naar de eigenaars vanaf ongeveer 1470 ook Galama. Aan het eind van de 15de eeuw ontleende Haye Blynxtera, de zoon van Rints Aytta, zijn naam aan dit goed, waarvan zich toen de Douwema's meester hadden gemaakt.
Een der vroegere bezitters dezer state, Douwe Galama, een zoon van Gale Galama, te Koudum, was gemengd in de eerste onlusten tegen de Saksische regering; gebannen zijnde, werd hem, op vrij geleide, voor eenen bepaalden tijd, toegestaan in het land te komen, om over eene verzoening te handelen; doch hiervan kwam niets, en daar hij de onvoorzigtigheid had, om over den bepaalden tijd in Friesland te blijven, deed de Saksische Stadhouder Schomberg, die zich nu van zijne belofte ontslagen hield, hem te Sneek van het bed ligten, en op Sjaerdama-huis te Franeker overbrengen. Weldra vergaderde de naburige adel te Franeker, om voor hem vergiffenis te vragen; maar de Stadhouder, wetende dat dit den dag na de aankomst moest plaats hebben, liet hem, in den nacht voor den 8 October 1500, heimelijk onthoofden, opdat hij, door de weigering van hetgeen hij niet wilde toestaan, geen haat mogt verwekken.
- Gauma Oldeboorn
<1528 Gauma, of Gauwinge sate en ernaast gelegen stinswier. De Gauma's waren in de 15de en 16de eeuw aanzienlijke eigenerfden, die herhaaldelijk trouwden in vergelijkbare families op het grensvlak van adel en eigenerfden, zoals Minnema (Irnsum), Andringa, Heslinga (Poppingawier), Wiarda en Aytta. Als stamvader kan gelden Hans Hokez te Oldeboorn. Met zijn vrouw, een dochter van Watse Mynnaz of Mynnama te Irnsum, wordt hij in 1479 samen met andere erfgenamen van Watse genoemd in stukken van het klooster Haskerconvent. Een zoon van Watse werd toen in het klooster verzorgd; de erfgenamen onder wie Hans Hokez droegen een deel van hun erfenis in ruil daarvoor aan het klooster over. Hans' ene zoon, Douwe Hanses had in 1528 een geschil met de kerk van Oldeboorn over 18 pondemaat in Gauwinge sate aldaar. Van het grietenijgerecht krijgt hij aanvankelijk ongelijk; het beroep bij het Hof van Friesland wordt echter door hem gewonnen. Het nageslacht van Hans' andere zoon, Watthie Hanses, in 1511 eigenaar van land te Irnsum, noemde zich gedurende vele generaties Gauwema of Gauma.
In 1640 was Adrianus Slyp cum suis eigenaar, in 1700 Ael en Mecke Mercx (Gauma). Gauma ligt strategisch op goede grond: op de klei waar de weg over Haskerdijken en Lekkerterp de Boorn bereikte; vanaf de klei strekte bovendien een strook hooiland op de Voorste Langewarren het veen in.
- Blauwe huys / De Slotplaats
In 1818 verrees achter het Blauwhuis een landgoedwoning, die in 1920 verbouwd is tot de huidige vorm van het theehuis De Slotplaats
De Slotplaats werd in 1668 aangelegd. Toen bouwde de familie Aylva een slot, het Blauwhuis genoemd. Dit Blauwhuis werd in 1838 afgebroken. In 1818 verrees achter het Blauwhuis een landgoedwoning, die in 1920 verbouwd is tot de huidige vorm van het theehuis De Slotplaats.
In het jaar 1503 zijn aldaar, door de droogte en de hitte der lucht, vele veenen in brand geraakt, waardoor het gewas en de bosschen in den omtrek groote schade leden. Deze veenen zijn waarschijnlijk eerst geestelijke goederen geweest, afkomstig van het klooster Mariengaard te Hallum, en werden, vermoedelijk in eene massa, verkocht aan onderscheidene personen, die zich daartoe tot eene compagnie hadden vereenigd. Later hebben zij eerst aan het geslacht van Aylva en daarna aan dat van Burmania toebehoord; maar in het jaar 1778 zijn zij door koop in eigendom gekomen van eenige Friesche en Groninger Heeren, die ze in gemeenschap bezeten hebben, en hier eene menigte turf deden graven. Achtervolgens bleef echter een dier Heeren, namelijk Allard Scheltinga, koopman te Harlingen, alleen eigenaar van deze veenen, die, later echter weder verkocht zijnde, meerendeels vergraven en tot land gemaakt, thans toebehooren aan de geslachten van Lynden, van Eysinga, van Boelens enz. Onder de verkochte goederen van den Heer Allard Scheltinga, te Bakkeveen gelegen, was ook de heerenhuizing, welke na het aanvangen der veengraverijen aldaar gesticht, zeer vermakelijk gelegen, en door bosschen omgeven was, maar in het jaar 1838 voor afbraak verkocht en gesloopt is
- Groot Haersma
Het huis is in 1841 afgebroken Blijkbaar heette het (de Oud Stins van Aempke Geuckez grietmanshuis Groot Haersma
De State werd tussen 1660 en 1668 gebouwd. In Oudega heeft vroeger een Stins gestaan, die in bezit was van de hoofdeling van de grietenij Smallingerland. Verder is hierover niets bekend. Ook niet of deze stins de voorganger is geweest van deze State. In elk geval stond er in 1638 een Zathe, die eigendom was van het Benedictijner Nonnen-klooster te Smalle Ee. Sinds de hervorming waren de goederen van het Klooster eigendom van De Staten van Friesland. Deze besloten in 1638 enkele Zathen te verkopen. In 1646 koopt Aulus (Alle) van Haersma, grietman van Smallingerland, koopt dan deze boerderij met landerijen. Aulus van Haersma was getrouwd met Catharina van Scheltinga en zij woonden op Haersma State, gelegen aan de Sânbuorren, ten oosten van de Hervormde Kerk. Later besluit het echter ten behoeve van hun zoon Arnoldus (Arent), Groot-Haersma State te bouwen. Waarschijnlijk heeft de bouw in de jaren 1664 en 1665 plaatsgevonden
Na de bouw van de State wil men de toegang tot het huis verfraaien. Om dit te bereiken was echter wel de medewerking nodig van de boeren uit Oudega, Nijega en Opeinde, die recht van gebruik van de Heawei hadden. In oktober 1666 pleegde Arnoldus van Haersma daartoe overleg met de betrokken boeren. Hij stelde hun voor om het eerste stuk van de Heawei, dat toen begon waar nu het gebouw van de Gereformeerde Kerk staat en schuin naar Groot Haersma-State liep, te verleggen. Men kwam hierover tot een accoord en zo ontstond de Skeane Heawei. De familie Haersma was het belangrijkste geslacht in deze omgeving en speelden een grote rol in de ontginning van het land. De State is altijd in bezit gebleven van deze familie. Als in 1839 Sybrand van Haersma sterft, hij was grietman van Achtkarspelen, sterft de familie Van Haersma uit.
De State met bijbehorende gronden komen in bezit van drie leden uit de familie Van Vierrsen. Zij besluiten alles in 1841 te verkopen. Het slot werd afgebroken en door notaris Jan Gelinde van Blom werd het landgoed in 8 percelen verkocht.
- Heemstra te Abbewier Anjum
<1511 Stinswier werd in 1961 afgegraven De naam Heemstra kwam hier in 1511 al voor. De naam was ontleend aan die van de eigenaars, de pachter Peter Heemstra werd op zijn beurt naar het goed genoemd. In 1640 heette het Hiemstra state. Waarschijnlijk betreft het een reeds voor 1500 verdwenen stins. De state ligt in Abbewier of Jewier, een terpbuurschap ten oosten van Anjum.
- Oudhuistra (Eekhoff).
griet. Oost-Dongeradeel
- Aldhuistra Morra
<1440 Na 1511 een boerderij Volgens de traditie zouden de Mockema's van deze state komen. Omtrent den jare 1370 heeft geleeft eenen Botta Mockama op syn stins ende staten in den dorpe Morra; zijn zoon zou zijn geweest Popka Mockama die ook Popka tot Morra mede genoemt, wonachtich op syn stins & staten tot Morra, heeft geleeft anno 1410; een neef zou zijn geweest Juu Bottama van Mockama, de vader van Botta Mockama, die oock Botta Aldehuystra worde genoemt heeft gewoont op syn stins tot Morra anno 1440
Eerst later zouden de Mockema's op Cammingha te Ferwerd, Mockema te Ee en Mockema te Aalsum gekomen zijn. Botte Oldahuistra sloot zich in 1444 aan bij het verbond met Groningen en in 1453 zegelde hij de oorkonde over de jaarmarkten van Oostergo mee. In 1511 was Tyaerd Mockama eigenaar van Oldhustera. Sindsdien was het goed een boerderij
- Bolta Morra
<1490 De locatie in Stinzen wordt Bolta genoemd, maar het is waarschijnlijker dat hier Botma wordt bedoeld
Samen met andere hoeflingen byder oestersyde der Pasen sloot Syds Buttema zich in 1490 aan bij het verbond met Groningen. Anna Epes Aesgema erfde rond 1550 27 pm land in Buttema, haar halfbroer Tjaert Bolta de rest van Buttema of Botema guet ende staeten metten steen boven eerde ende onder eerde, met die landen, eygendom ende heerlicheden daertoe behorende. Inderdaad treden daarna de Bolta's in Morra op als aanzienlijke inwoners. Mogelijk is hun state Buttema bedoeld met het door Sibrandus Leo aangegeven adelshuis Bolta te Morra. In 1580 was Tjaert Bolta's zoon Gerlif administrateur van de kerkvoogdij van Morra. Omstreeks 1585 was de state eigendom van Wyger Gabbesz, grietenijvolmacht, dijkgraaf van Oostdongeradeel en stamvader van een nieuwe familie Botma, van rijke eigenerfden. Tot 1748 bleef Buttema in eigendom aan deze Botma's. Bij een gedeeltelijke verkoop in 1660 werden huizinge, schuur, hoving, poort, gracht en singels en de stoel en grafsteden in de kerk genoemd.
- Heemstra Morra
<1491 In 1801 werd het huis afgebroken In 1474 behoorde Sippe Heemstra tot de Schieringse partij; hij werd op Douwema-huis in Langweer enige tijd gevangen gehouden. Hij was een zoon van Syds Tjaerda in Rinsumageest en ontleende zijn naam Heemstra aan zijn vrouw Ansck Heemstra, met wie hij in Morra woonde. In 1491 maakte Ansck Heemstra haar testament In 1511 was Heemstra gued te Morra eigendom van Anscks kleinzoon Sippe Sydsz Heemstra; andere Heemstra's hadden onder Morra nog drie andere goederen. Via een tweede huwelijk kwam Heemstra in de zestiende eeuw aan de familie Scheltema, naar wie het in 1800 als de stins Scheltema met poort werd aangeduid.
- Ropta Metslawier
<1422 <1300 Het huis werd waarschijnlijk rond 1748 afgebroken Op Ropta woonde de belangrijkste hoofdeling van Metslawier. De familie wordt in 1422 voor het eerst genoemd. De Schieringse hoofdeling Focko Roberde zegelde in dat jaar samen met de beide andere Metslawierster hoofdelingen Wibalda (Schierings) en Jaersma (Vetkoper) het verbond met Focko Ukena. Met andere hoofdelingen sloot hij in 1444 een verdrag met de stad Groningen.
Het uit twee bedrijven bestaande Ropta-complex lag ten noorden van Metslawier op de grens met Morra. Het grensde aan de in dat dorp gelegen Heemstra state. In 1700 was Ropta state, bij de stins, 62 pondemaat groot, de pachtboerderij Clein Ropta sathe 106 pondemaat.
Tegen het einde van de 13e eeuw woonde op de Roptastins Worp van Ropta, een man, van seer forts en onversaecht ghemoet thegens syne vyanden, doch seer goet lyberael ende lieflijck int ommegaen thegens een yeder man’
Met andere woorden: een man die je beter niet kwaad kon maken. Hij, zijn zoon Doede en zijn vriend Tythe Cammingha hadden het rond 1299 nog wel eens aan de stok met Juck Helbada van Hogebeintum
Omstreeks 1500 woonde Sybren van Ropta te Metslawier, die opgevolgd werd in zijn ambt en bezit door Focke van Ropta, in 1512 overleden, evenals zijn vrouw Graets van Eysinga. De een overleed op 24 juni, de ander op 4 juli. Het was weer een woelige tijd, want de Saksische overheersers bedreven veel moedwil in Friesland en kort na de dood van Focke en Graets bezetten zij ook Roptahuys toe Metzelwier. Van brandstichting en plundering wordt echter niet als elders gerept, zodat dorp en stins niet erg geleden hebben.
Ropta’s meegedaan hebben aan de strijd tegen de indringers. Als zovele edelen hebben ook zij tenslotte Karel V erkend als heer en de beloning bleef dan ook niet uit. Worp, de zoon van Focke, werd vanwege de Roomse Keizerlijke Majesteit Grietman over Dongeradeel.
De grietman had naar het schijnt slechts één dochter, Cunera, die in het huwelijk trad met Christoffel von Sternsee, een hoofdman in dienst van de keizer. Hij was kolonel, bevelhebber van de dwangburcht in Harlingen en grietman vanwege de keizer over Barradeel. Dit echtpaar had twee kinderen, Karel en Maria. De eerste was genoemd naar de Keizer, die als peet optrad en de dochter naar ’s keizers zuster, de landvoogdes Maria. Viglius van Ayta hield het meisje ten doop. Maaycke Sternsee kreeg van haar peettante rijke doopgiften. Von Sternsee heeft aan zeer vele tochten van de Keizer deelgenomen en hij stond dan ook in zeer hoge gunst bij zijn meester. In 1560 is hij overleden, 5 jaar na Cunera. Hun al genoemde zoon Carel bezat Ropta, maar door huwelijk ook Sjaerdemahuis te Franeker, waar hij met zijn vrouw heeft gewoond. Er komen althans klachten voor, dat een priester van de Maatschappij (Jezuïet) geregeld op Roptastate zijn dienstwerk kwam verrichten en een van deze heren werd zelfs te Dokkum gearresteerd. De 14e mei 1615 is Carel von Sternsee en Ropta overleden en hij liet de stins te Metslawier na aan Bocke van Humalda, met de bepaling dat Bocke de naam van Sternsee zou aannemen, wat ook geschied is, want de zoon van Bocke en Trijn noemde zich Jr. Carel van Sternsee, eigenaar van Groot en Klein Ropta.
Er was dus ook een Klein-Ropta, dat trouwens een honderd jaar eerder ook al genoemd werd. Een verschijnsel, dat dikwijls voorkwam. Soms was het een tweede stins voor een jongere tak, soms een boerderij bij het slot. Dit laatste was hier het geval. De jonge Carel had slechts één dochter, die driemaal getrouwd is geweest. Onder haar gaat de glorie van Ropta al tanen en spoedig na haar dood (1711) wordt de stins door de erven verkocht en afgebroken (1731). Het huis was volgens Foeke Sjoerds ongemeen sterk, met zware muren en van wijde en diepe grachten voorzien. De poort steunde op een gemetseld gewelf boven de gracht en dit gevaarte is eerst in de lente van 1769 afgebroken.
- Jaersma Metslawier
Het huis werd in 1771 afgebroken Evenals Wibalda is Jaersma een in de 15de eeuw opgegeven hoofdelingenhuis, en ook in dit geval is de eigendomsgeschiedenis van de gelijknamige familie naar de 16de-eeuwse eigenaars niet precies bekend. In 1417 verklaarde Jarich Jarixsma te Metslawier dat Alyka Roorda van Genum goederen verkocht had om Auke Sjoerdsma te Lekkum uit de ban te bevrijden.
In 1639 kochten de erven van Douwe Aylva Jaarsma sate en state met een cleyn huys ende twe hiemingen van de grietenijsecretaris Verspeeck; in 1640 waren zij eigenaar van Jaersma hornleger maar woonde Verspeeck er nog. In 1698 verhuurden de kinderen van Hobbo Esaias van Aylva het hornleger, waarop de stem lag en dat 2 pondemaat groot was." In de 18de en 19de eeuw stonden het herenhuis en de tuinen op Jaersma hornleger bekend als Unia state. De ligging bij de kerk en de brede gracht suggereren dat het hier om een belangrijke en oude machtspositie gaat.
Het huis werd in 1771 afgebroken. Het oude perceel Jaersma hornleger was toen weer leeg.
- Juwsmahuis te Camminghaburen
Juwsma- of Teekelehuis te Camminghaburen <1500 Dit goed is lang als Jouwshuys, en later als Teekele huus aangeduid. Onder de oude naam Jouwsma staete ende landen of Juwsma komt het in 1565, 1664, 1700 en 1718 voor
Vanwege de adellijke bewoning gedurende de 15de eeuw, lijkt het wel waarschijnlijk dat hier een stins heeft gestaan.
- Eysema (Van der Aa)
- Bonga of Buynga Dantumawoude
<1423 Taka Buynga was in 1423 eeheer in Dantumadeel. Tako Bonga of Buvinga werd in 1505 onder de edelingen van Dantumadeel gerekend. In 1511 was hij eigenaar van ondermeer Bonga in Dantumawoude en Rinsma in Driesum.
De kleindochter van Jan Tadema en Bauck Bonga, Auckien Polman, verkocht in 1634 Buyngha state, sate en landen, met het stins, hovinge, bomen en plantagie aan Abbe Frederyks Gabbema, die het goed het jaar daarop doorverkocht aan dr. Johannes Reneman. Het werd toen omschreven als sekere sate en landen ... Buinga state genaamt ..., groot ongeveer 90 pondematen, mette eigendom van 't stins op de selve saete staende, sampt homey, hovinge en verdere plantagie. Reneman was in 1640 eigenaar. In de 17de eeuw raakte de stins buiten gebruik.
- De stinswier op het Heechhiem
<1369 In 1369 was Dodo Ewingha de Dointhimwalda een van de grietmannen van het district Wininghe, dat de Noordelijke Nioghen en de Leppa omvatte en Wyns als vergaderplaats had. In 1423 waren de gezusters Betteka en Wapeka Ewyngha mede-erfgenamen van Ducko Onnama in Dantumawoude. Hij was ooit parochiaan in Damwoude geweest, maar leefde nu als kostganger in het klooster Klaarkamp.
Deze was in 1640 eigendom van de erfgenamen van de grietman Aernsma
.
- Donia Dantumawoude
<1511 In 1631 geen sprake meer van een stins. In 1738 is het huis afgebroken. De familie Doyngha komt in Dantumawoude vanaf 1418 voor. Een deel van Doniagoed in 1487 als Doynghie fyf jerda; in 1511 de state als Donnye bisit, in 1543 als Donya guedt, in 1597 als Donia hornleger.
In 1632 als Doniahuizinge, plaetse, hornleger, gracht, singel, hoff, bomen ende plantagie met nog een verhuurd huis en de eigendom van 70 pondematen; in 1654 als de groote heerlycke huysinge, meyers huisinge, de groot roodpandeckte schuire, zomerhuis, old en nye hoff, iperen bosch, zwaanejagt etc. De zwanejacht werd in 1694 omschreven als streckende van Mormertille tot Wouterstille.
De oudste vermelding van de naam Donia komen we in 1421 tegen. In dat jaar wordt Dowa Doyngha vermeld, als grietman (van Duntumadeel) en hij woont te Dantumawoude.
In 1511 wordt als op één na grootste grondeigenaar Worp Donia genoemd, die veertig pondemaat venen bezit en daarnaast achttien pondemaat zaailand en vier en twintig pondemaat mieden, die hij zelf bebouwt
De State werd vervolgens eigendom van een andere dochter van Siverdt van Heemstra, die trouwde met Marten van Schonenberg. Zij krijgen een dochter Atke, die in 1597 Donia State mette huijsinge, stins, porte enz. verkoopt aan Wijger Folkertsz, maar om de één of andere reden wordt die verkoop weer ongedaan gemaakt. Tien jaar later, in 1607, verkoopt Atke van Schonenberg opnieuw de State, nu aan hopman Taecke Pyeuwesz.
Daarna vindt er een verkoop plaats in 1631 aan Bonefaes van Scheltema en Frouck van Goslinga
In 1654 in de verkoop gedaan. De nieuwe eigenaar Tjerck van Scheltinga liet het volgend jaar een nieuwe poort bouwen en tien jaar later wordt het door de erfgename van Tjaerdt als eigenaresse bewoond. In 1738 lijkt het afgebroken te zijn, omdat de meijer van de landerijen ook de gebruiker is van het hornleger. In 1758 is het hornleger onbehuisd.
Botnia of Buttema, met wier
<1477 <1543 Als familienaam kwam Bottama in 1431 voor; als Buttema huus en Bottema werd het goed respectievelijk in 1477 en 1543 genoemd. In 1622 en later heette het Botnia. Bij Botnia wordt in 1640 een stinswier genoemd, zodat op Botnia hoogstwaarchijnlijk al vroeg een stins stond. Tegelijk wijzen de ligging en de eigendomsverhoudingen op een nauwe band met het aangrenzende Onnemahuis.
In 1505 woonden Worp Donia alias Ytsma en zijn zoon Douwe Donia beiden als edellieden te Dantumawoude. Worp op het van zijn eerste vrouw afkomstige Donia en Douwe op Bottema, afkomstig van Worps tweede vrouw Frau Gatzesdr Juwsma. Bottema, dat in 1511 niet met name genoemd wordt, was toen 70 pondemaat fennen, 12 pondemaat bouwland en 12 pondemaat hooiland groot.
In 1543 wordt vermeld dat de pastoor uit Bottema een jaarlijks rente van een goudgulden kreeg In 1622 verkocht Popck Itsma's kleindochter Atke van Schonenburch de herlycke saete ende state landts Bottnia genaempt ... metten visschernye, swanejacht, ... twie hoven, huysinge, hecken, heckstokken, den poorte, graft, cingel ende horneleger aan Abbe Freercks (Gabbema) en zijn vrouw en twee andere echtparen.
In 1431 komen we een Juw Bottema tegen, die grietman van Dantumadeel is. Of hij iets met Botnia-state te maken heeft gehad is onduidelijk. Pas in 1543 wordt Bottema vermeld in het Beneficiaalboek. In 1621 kopen Abbe Frericksz (Gabbema), dr. Theodorus Marssum en dr. Matthias van Vierssen en hun vrouwen de state Bottnia met wat er bij behoorde zoals visscherye, swannejacht, den poort, graft ende cingell en twee hovingen van Atcke van Schonenburgh en haar twee kinderen. Waarschijnlijk was de State eigendom van Worp (Ydtsma) van Donia en vererfde de State op zijn kleindochter Atcke van Schonenburg, die getrouwd was met Carel van Esserden. Matthias van Viersen doet in 1630 zijn derde deel in de state over aan zijn mede-eigenaren. De andere twee eigenaren verkopen de state vervolgens aan dr. Tiete van Galema: de state was toen 127 pondemaat groot en bewoond door Foecke Rinnertsz. Deze blijkt volgens het Stemkohier in 1640 eigenaar te zijn van twee stemmende hornleggers, waarvan een wordt aangeduid als 't corpus aan de wier.
Een dochter van Foecke Rinnertsz verkocht in 1654 Botnia met onder andere de gracht, de cingel en het old en jong hoff aan dr. Hans van Wijkel te Leeuwarden. In 1698 is Tjaerd van Aylva eigenaar en Godefidus Scheltinga's weduwe de bewoonster volgens het Stemkohier. Zij had in 1694 de Donia State verkocht en vervolgens haar intrek op Botnia genomen, dat kleiner was.
- Aesgama State
De oude state is voor 1845 (vermoedelijk 1765) afgebroken en vervangen door een nieuw huis (Plantenhove). Dit is in 1906 vervangen door een boerderij
<1467 Hessel Aesgama ruilde in 1467 veen tegen hooiland met Gatze Juwsma in Rinsumageest. Of Hessel op Aesgama in Dantumawoude woonde, wordt niet vermeld. Jasper Aesgama was in 1511 eigenaar van 74 pondematen die hij zelf gebruikte. In 1543 werd het Jaspar Aesgema guedt genoemd; jaarlijks werd er een floreen aan de pastorie van betaald. Aesgema in Dantumawoude omdat het de stins was van een familie op de uiterste onderrand van de adel.
In 1523 kocht Jasper 2 pondematen bouwland bij zijn huis. In 1531 kochten Jasper Asghama en Thyepk zijn vrouw een stuk weiland in Dantumahemrik van Eesgha Asgama en diens moeder Heympk. Tyepk kocht als weduwe in 1538 het recht van overpad langs Aesge Aesgama's huis.
In 1640 was Johannes Wygers eigenaar en gebruiker. Aan het einde van de 18de eeuw werd op land van en het ten oosten daaraan grenzende door Pieter Adrianus Bergsma, grietman van Dongeradeel, het huis Plantenhove gesticht.
De Aesgama State stond op de plaats waar zich nu de Linia's hoeve bevindt, aan de Doniaweg nr. 73 in Damwoude, gemeente Dantumadeel.
De Aesgama State wordt voor het eerst in 1467 genoemd. De geschiedenis van Aesgama State vangt aan met Hessel Aesgama, die in 1467 een landruil aanging met Gaithie Iwesma uit Rinsumageest. Pas in 1640 is er weer iets bekend over de State. Eigenaar is dan oud-hopman Taeke Lieuwesz; in 1698 is ook dit goed in handen van Tiaerd van Aylva te Rinsumageest, die het huis verhuurt. Ook na zijn dood wordt het huis door zijn erfgenamen verhuurd, onder andere door mevr. Juliana Wilhelmina van Schratenbach in het midden van de 18e eeuw. Via haar erfgename kwam het huis in handen van J.B. de Coninck die het verkocht aan secretaris Willem Bergsma; deze was het slechts om de kennelijk tot het hornleger behorende stem te doen. Hij doteerde het geheel aan zijn zoon P.A. Bergsma onder voorwaarde dat de schenker an sig behoudt de materialen tot de huisinge behoorende, die de schenknemer tot zijn kosten af zal breken.
Pieter Adrianus Bergsma stichtte een nieuwe behuizing op het oude hornleger en veranderde de naam in Plantenhove. Het goed wordt dan (1845) verkocht aan Broer P. Plantenga en omschreven als een aanzienlijk en zeer aangenaam gelegen buitengoed met een hechte en welonderhoudenen Heerenhuizinge, voorzien van onderscheidene net behangen kamers, twee ruime woonkelders, twee wijn- en een provisiekelder, een ruime keuken, twee koets- en wagenhuizen'. Voorts een grote bloemenkast, broeibakken, een tuinmanshuis, een orangerie, honderd zware opgaande eiken en andere boomen, een vischvijver en Berg'. De Plantenga's hebben er slechts zeven jaar gewoond en deden het huis over aan notaris van Riesen, die de overtuin liet uitroeien. Ook zijn opvolger notaris W.H. Hellema bewoonde Plantenhove. Diens zoon H.W. Hellema liet Plantenhove afbreken in 1906 en vervangen door een boerderij, die de naam Linia's Hoeve kreeg. In 1929 verkocht hij het huis aan de 'Chr. vereniging tot verzorging van ouden van dagen' de Talma-Stichting.
- Glins
Deze state beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 3 bund. 93 v. r. 60 v. ell., en wordt thans in eigendom bezeten en bewoond door den heer S. IJselstein.
- Hiddema State
<1300 In Hempens zou de kerk gesticht zijn door twee susters op Hiddema State. Deze stins werd mogelijk al in de dertiende eeuw gebouwd.
In 1698 zijn de heren Sjuck Gerrolt en Taco van Burmania als curatoren over jonker Duco Gerrolt van Burmania, heer van Camminghaburch, in het bezit van de het stemrecht dat op deze state rust. In 1700 staat Duco Gerrolt zelf als eigenaar vermeld in het floreenkohier. Gebruiker is dan Pijtter Broers.
In de 19e eeuw werd de boerderij bewoond door de destijds in West-Europa alom bekende veehandelaar Pieter Annes Boersma, ook wel Pieter Annes van Hempens genoemd. Hij verhandelde veel Fries rundvee naar Holland en exporteerde rundvee naar diverse landen. Naar Engeland zelfs zoveel dat hij in Londen een eigen makelaar had aangesteld. Maar ook trok hij ieder jaar met eene onoverzienbare menigte klaveren naar Drachten, waar hij ze verkocht aan Pruissische handelaren die ze naar Polen vervoerden. Boersma werd een rijk man door deze handel, hoewel hij de lagere school nooit had afgemaakt en niet kon lezen, schrijven of boekhouden.
- Groot Hemrikseind
<1400 De oudste vermelding is van 1452: thoe Hemrickes-ende; gelegen dus aan de rand van het dorpsgebied van Warga. In de 15de eeuw was het woonplaats van de Aytta's uit Roordahuizum, die het erfden van hun verwanten Thoe Hemrikseind. In de 17de eeuw stond er een adellijke hofstede.
De oudste eigenaar is Buche thoe Hemrikseind, die leefde rond 1400. Fercke Aytta vestigde zich na zijn huwelijk met diens dochter Syts Buchesdr thoe Hemrikseind op Groot Hemrikseind.
Hoewel Hemrikseind in de 17de eeuw niet meer door de eigenaars zelf werd bewoond werd
Met Groot Palma en Oud Roorda onderscheidde Groot Hemrikseind zich nog in de 19de eeuw door een brede gracht van de overige Wargaaster boerderijen.
- Tjepma Roordahuizum
<1477 Eind 18de, begin 19de eeuw verrees de huidige kop-hals-romp-boerderij
Als familienaam van de bewoners komt Tiebbama in 1477 voor. In 1601 heette het goed die state ende sate van Tjepma. In de 17de en 18de eeuw gold het huis als adellijke state. Het is hier opgenomen omdat de bewoner in 1477 grietman was.
Een kleindochter van Jarich van Tyepma, Eustacia van Hemert, maakte in 1601 haar testament, waarin ze Tjepma omschreef als die state ende sate van Tjepma ... metten huysinghe ende boomgaert ende landen en bepaalde dat den seluen state, met den gevolgen van dien, blyuen verbonden ende subiect den familie daer van den seluen state is gecomen; de state zou dus niet verkocht of bezwaard mogen worden.
Eustacia's zoon Eustachius van Quarebbe was in 1640 eigenaar van de state, die toen was verhuurd. In 1664 werd het goed onder de edele staten gerekend.
- Groot-Mellema
thans een boerenwoning.
De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 42 bund. 24 v. r. 25 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door de Heer Gerben Bruinsma, woonachtig te Warrega.
- Haersma State (Oostermeer)
<1645 De familie Van Haersma verwierf in de gemeente Smallingerland grote bekendheid. De tak van de familie in Oostermeer deed het minder goed. Niet alleen financieel maar zeker ook wat nageslacht betreft, boerden zij minder goed dan de Smallingerlandse tak van de familie. Rond 1645 is de state eigendom van Meijert Eerckes van Haersma en zijn vrouw Sjoertie Piers Rinckema. Dertig jaar later, rond 1675, wonen zoon Ericus Meijerts van Haersma en zijn vrouw Anna Clara Canter op Haersma State. Anna Clara erft Canter State te Driesum van haar vader, dus door dit huwelijk breidt Ericus zijn grondbezit behoorlijk uit. In 1698 is hij ondermeer eigenaar van de stemmen 4 en 5 te Dantumawoude. Hij is volmacht op de Landdag voor Dantumadeel, ouderling te Driesum en lid van de Synode te Heerenveen. In 1688 wordt hij burgemeester van Harlingen en is daar lid van de Admiraliteit. Zij wonen ’s zomers afwisselend op Canter State te Driesum en op Haersma State te Oostermeer. In de winter wonen ze veelal in Harlingen. Na de dood van Ericus omstreeks 1720 gaat Anna Clara permanent op Canter State wonen en laat Haersma State aan haar dochter Aurelia, die getrouwd is met haar neef, ritmeester Johannes Petrus Poutsma. Deze laatste laat tussen 1708 en 1718 een nieuw herenhuis bouwen dat ook Haersma wordt gedoopt. Johannes sterft in 1723 en is in de nacht van 25 op 26 mei van dat jaar in de kerk van Oostermeer begraven. Dat was destijds mode onder de rijken. Hoe later in de nacht de begrafenis was, hoe hoger de status van de overledene. Zijn weduwe blijft in Oostermeer wonen, maar verkoopt het prachtige nieuwe huis aan jonkheer Jetze Baerdt van Sminia. Deze koop wordt als volgt beschreven: De Heerenhuisinge met hovinge, singels, boomen en Plantagiën met de stecken en homeyen, het gestoelte in ’t choor van der kerk tot Oostermeer, doch buiten de graven in de kerk; een zathe lands bij Jan Beerents als meyer gebruikt (de slotplaats); zekere huisinge het klein blauwhuis bij Hoeke Haiis als meyer in gebruik, bestaande in een camp land voor het huis en twee fennen op de meerswal, alles tezamen voor 20.000 car. gulden.
Jetze Baerdt van Sminia overlijdt in 1771 en het huis wordt eigendom van zijn zoon Hobbe Baerdt van Sminia en in 1786 is het eigendom van A.J. (Arend Johannes) van Sminia, secretaris van Gedeputeerde Staten van Friesland.
- Douma Oldeboorn
<1450 In het midden van de 15de eeuw was Focke Eeskes te Oldeboorn betrokken bij vele veten in de Boorne-streek; ook was hij grietman van Opsterland. Zijn dochter Riem trouwde met Douwe Oenema alias Douwema (overleden 1488) uit Terkaple; zij vestigden zich waarschijnlijk op het goed van Focke Eeskes te Oldeboorn. Hun zoon was de bekende politicus en kroniekschrijver Jancko Douwama. Douwe of Jancko Douwema zullen de stichters zijn geweest van de in 1543 voor het eerst genoemde prebende Kruis- of Doumaleen.
- Oenema of Roordahuis
<1700 Deze state behoorde aan het adellijk geslacht van Albama, later genoemd Roordahuis of het Roodhuis
- Abbema Akmarijp en Sint_Jansga
Abbema ontleende zijn naam aan de eigenaar in het midden van de 16de eeuw; in 1664 aangegeven als vernietigde edele state. In 1511 en 1700 was Abbema met 100 pondemaat het grootste bedrijf van Akmarijp en Sint-Jansga. Ede Romckes, bierbrouwer en burgemeester van Sneek was toen de eigenaar. Hij is bekend omdat hij in 1520 met enkele anderen een bedevaart naar Jeruzalem maakte
In 1523 was Eede Romkis die in Sneeck vaeck borghemeyster hadde gheweest in de oorlog tussen de Geldersen en de Bourgondiërs in ballingschap gegaan. In 1598 behoorde het goed, inmiddels Abbema geheten, aan Sypcke van Abbema, een kleinzoon van Ede Romckes' kleindochter Rinck Jelmersdr. In 1700, 1832 en 1850 was Abbema een boerderij.
- Unia
Zevenwouden, griet. Utingeradeel
- Molla Akmarijp en Sint_Jansga
<1511 In 1664 aangegeven als vernietigde edele state Molla dankte zijn naam hoogstwaarschijnlijk aan de zeldzame voornaam Molla in de familie Rypkema. Een kleinzoon van deze Molla bewoonde in 1511 een sate onder Akmarijp/Sint-Jansga, waarschijnlijk Molla state.
- Grovestins Koudum
<1660 1450-1500 Een derde state die door grietmannen werd bewoond, was Grovestins van Jarich van Grovestins, grietman van 1660 tot 1672. Dit huis was later eigendom van de grietmannen Jacobus van der Wayen (1688-1743) en A.J. de Beere (1779-1787).
De Grovestins komt voor het eerst in de tweede helft van de 15e eeuw voor.
twee states huis van den ouden heer Frederik van Vierszen te Koudum' en de andere huis dat aan de heer Jacob van der Wajen, grietman van Hemelumer Oldevaert behoort'
In de tweedehelft van de vijftiende eeuw komen we een oude stins tegen, van de vermaarde vechtersbaas Igo Galama, die tijdens de partijschappen voortdurend op veldtocht was.
- Wibalda Metslawier
<1422 In 1511 een pachtboerderij De eerste vermelding van Wibalda te Metslawier is uit 1422. Toen behoorde Jucko of Yweke Wybalda tot de Schieringer hoofdelingen die met Focke Ukena vrede sloten
In 1511 was Wibalda, 108 pondemaat groot, eigendom van Sippe Meckama, die het verpachtte. Toch had het huis nog een zeker prestige, want in 1504 en 1505 werd hij in de lijst van edelingen van het Saksische bestuur Sippe Wybalda genoemd.
Nog in 1582 was Wibalda een pachtboerderij van de Meckema's.
- Het huis Bosman en sate De Velde
In 1850 afgebroken Op land van de Velde (…) dat in 1698/1700 met Wibalda één gebruikseenheid vormde, liet hij (Cornelius van Bosman) aan de noordzijde van het dorp in 1674 het huis Bosman op een omgracht terrein met (in 1832) plaisierwater, tuin, gracht en singel bouwen, dat in 1850 weer werd afgebroken.
- Eernsma Jouswier
In 1850 lagen de boerderij en het hornleger vlakbij elkaar, met de naam Klein-Eernsma
<1444 Als familienaam verschijnt Eernsma in 1444, als huisnaam Ernsma in de toenaam van de pachter in 1511 en Eernsmahuys in 1543. Evenals Mellema te Oostrum, Wibalda in Metslawier en Meckema te Kollum was Eernsma te Jouswier een 15de-eeuws hoofdelingenhuis dat aan de familie Remmersma te Dokkum vererfde; sommige leden van de Meckema-tak van de Remmersma's die eigenaar van Eernsma waren, werden nog in de 16de eeuw ook wel Eernsma genoemd.
In 1640 en 1700 was het Eernsma-land in totaal 128 pondemaat groot. Het werd als één bedrijf gebruikt, maar er lagen twee stemmen op: een op de sate en een op het hornleger . In 1850 lagen de boerderij en het hornleger vlakbij elkaar, met de naam Klein-Eernsma;
- Holdinga te Medhuizen Ee
<1444 In 1511 een pachtboerderij. In 1718 werd nog een stinswier aangegeven
Waarschijnlijk was Holdingen (1511) of Old Holdingha (1640) te Ee een ouder huis van de Holdinga's dan Holdinga te Anjum. Gabbe Holdinga, die getrouwd was met Tiemck Meckema, uit de oudste familie Meckema uit Kollum, werd voor het eerst in 1444 genoemd.
In 1511 was Old Holdinga eigendom van Bottes zoon Wilcke Holdinga. Het was toen al een pachtboerderij. Dat het bij Old Holdingha inderdaad om een oude stins gaat, zoals door de naam wordt gesuggereerd, blijkt uit de stinswier die in 1718 direct ten zuiden van de sate wordt aangegeven.
- Mockema te Medhuizen in Ee
<1501 In 1501 belegerd en vernield, sinds 1700 boerderij De Mockema's hadden aan het einde van de 15de eeuw stinzen te Aalsum en Ee; volgens de traditie kwamen ze oorspronkelijk uit Morra. Misschien was reeds Take Mockema omstreeks 1470 eigenaar van dit huis. In ieder geval was Takes zoon Popcke Mockema in 1501 eigenaar van Mockema te Ee. In dat jaar lieten Popke en zijn broer Gerbrant Mockema, die in ballingschap waren omdat ze tegenstanders van het Saksische bewind waren, het huis door twaalf soldaten bezetten. Dat huys was dick ende sterk, maar door gebruik van zwaar kanonvuur lukte het de landsheerlijke soldaten het huis in te nemen en vervolgens in brand te steken en te vernielen. In 1511 verpachtte Popka Mockama een sate bij Mockama huys en daarnaast veel ander land. In 1578 woonde Popkes achterneef Taecke Bottes Mockema in Ee. In 1700 werd de state met 't oud stins aan de pachters verkocht. Sinsdien was Mockema een boerderij.
- Winia
In 1511 was Wynie eigendom van Tieth Meckema. Aan het einde van de 16de eeuw, toen Pibo Meckema Eernsma kreeg en zijn broer Julius Meckema Winia, ging de vererving een andere kant op. In 1640 waren ondermeer de kinderen van wijlen Willem van Schwartzenberg eigenaars; de laatste had als moeder Siouck Meckema, een zuster van genoemde Julius Meckema. In 1664 werd Winia als edele state bij Klein-Medhuysen aangegeven.
De wier op het Hoog van Winia Jouswier
<1511 In 1511 was Wynie eigendom van Tieth Meckema. Aan het einde van de 16de eeuw, toen Pibo Meckema Eernsma kreeg en zijn broer Julius Meckema Winia, ging de vererving een andere kant op. In 1640 waren ondermeer de kinderen van wijlen Willem van Schwartzenberg eigenaars; de laatste had als moeder Siouck Meckema, een zuster van genoemde Julius Meckema. In 1664 werd Winia als edele state bij Klein-Medhuysen aangegeven.
Ripema in de Tioegen Ee
<1543 De eigenerfde state Ripema in de Tioegen werd ook wel de Grote Tioegen genoemd. In 1491 sloot ook Jarick in da Tyoghum met andere inwoners van Ee zich aan bij het verbond met Groningen. In 1543 was sprake van Gercke Ryppama zaete in die Tyoeghen. In 1640 was Gerckes kleinzoon Lieuwe Rypema eigenaar en gebruiker. Hij trouwde in 1632 met Anna Elama tho Allersma. Aanvankelijk woonden ze op haar ouderlijk huis Allersmaborg in Ezinge; al in 1633 was Lieuwe Rypema vanwege de Elama's grietman van Ezinge. Later betrokken ze Rypema state, waar Lieuwe ook bijzitter te Ee was. Lieuwes nageslacht, waarvan een deel zich Elama van Rypema ging noemen, had zowel goederen, rechten en verwantschapsbetrekkingen in Friesland als in de Ommelanden.
- Humalda te Ee Ee
In 1440 vocht Hessel Humalda samen met Botte Jarla en hun helpers op de mieden bij het klooster Sion. In een volgende generatie leefde Teet Humalda. Haar grafsteen uit 1494, met als wapen "Oud-Humalda" (een pelikaan die haar jongen voedt), ligt in de kerk van Ee. Uit latere kwartierwapens kan worden afgeleid dat Teet waarschijnlijk met Hessel Mockema, die zich Humalda ging noemen, was getrouwd. In 1488 vond bij Hessel Hummalda huys toe Ee een gevecht tussen Gabbe Jaerla en knechten van Sydts Botnia plaats. Hessel sloot zich in 1491 aan bij het verbond met Groningen. Door het huwelijk van Hessels dochter Beyts met Syurd Aebingha van Blija vererfde Humalda-state te Ee aan de Aebingha's, die zich sindsdien Aebinga van Humalda noemden. Syurds kleindochter Geel Humalda woonde op Humalda toen ze in 1565 haar testament maakte. Ook in 1640 en 1700 was het huis nog in
- Lioenya Ee
<1491 Op 11 oct. 1491 was Haynkia Lyongya onder de inwoners van Ee die zich bij het verbond met de stad Groningen aansloten. In 1511 werd het goed bewoond door Jouke Lioenye die ook de belangrijkste eigenaar was. Het was toen 50 pm groot. In 1640 was Loenia sate (eigenaar de secr. Lambertus Beima) 67 pm en in 1700 81 pm groot.
- De stinswier bij Wierda op de Vellingen
De stinswier bij Wierda lag op land van Wierda onder Engwierum. In 1511 pachtte Wilko Wyrden 80 pm van ondermeer Sybrich Jellinga en de erfgenamen van Focka Ropta. In 1543 en 1580 werd jaarlijks fl. 2 uit Wierda staede aan de pastoor betaald. In 1640 was Gerlandt Liauckema, weduwe van Aebinga, eigenaresse van Wyerda-sathe.
- De stinswier op de Vellingen
- Obbema te Oudterp Ee
<1511 Take Obbema alias Heemstra was getrouwd met Auck Feyes Heemstra. Hij sloot zich in 1495 bij het verbond met Groningen aan; in 1505 werd hij genoemd onder de Friese edelingen. In 1511 verpachtte hij 136 pondemaat to Older Torp. Tegelijk gebruikte zijn zoon Poppe Obbema 111 pondemaat onder Ee. Via Poppes kleindochter Tet Eminga, getrouwd met Lieuwe Wytsma van Birdaard, vererfde Obbema op de Wytsma's. Tet werd in Ee begraven in 1624. Bij verkopen in 1652 en 1677 werd het als het stins, toorn, huysinge, schuyr, schip- en wagenhuys, watermolen, zingel, gracht, zingelopreed en tuyn, en als Obma state te Outterp met de adellijke stins omschreven.
Na 1677 zijn er over het herenhuis geen gegevens meer
- Dodinga of Donia
<1473 Verwoest bij belegering in 1473. In 1473 belegerden de rechters van Oostergo het huis van Bennert Doenya omdat Bennert rebels was tegen het recht, de landgemeente en de rechters. (…) Bennerts gevangenneming, waarbij ook het huis verwoest werd
In 1511 was Botte Doynie eigenaar van 42 pondemaat die hij zelf gebruikte; verder trok hij renten uit twee huissteden.
- Idemahuis op Westerburen Westergeest
<1467 De oudste vermelding van de Idema's is uit 1467. Van het verdrag van Kollumerland met Groningen werden toen Jdema kinderen uitgezonderd, hetgeen erop wijst dat zij in een vete betrokken waren. Wel is duidelijk dat zij na 1500 niet meer tot de edelen werden gerekend. Tot minstens 1654 behoorde dit (…) goed aan nakomelingen in vrouwelijke lijn van de Idema's. In mannelijke lijn stamden de families Van Idema, Alma van Idema en Bouricius van Idema uit de oude Idema's. Zij behoorden deels tot het patriciaat en hadden geen rechten meer in Idema op Westerburen; de Alma van Idema's echter wel in Allema te Oudwoude.
- Gauckema op Oudwoudmerzijl Oudwoude
<1500 Bij de Wirden ten noorden van Wijgeest lag op Oudwouderzijl de sate Gauckema, zo vermeld in 1624, en later Galama zathe genoemd. Een stins wordt er niet genoemd. De state is het stamhuis van een adellijke familie die aan het begin van de 16de eeuw met Remmersma's van Dokkum, Mellema's van Oostrum en Bootsma's van Kollum verzwagerd was. Eind 15de eeuw woonde Ritscke Gauckema er, wiens dochter Eets trouwde met Poppe Remmersma alias Mellema. In 1543 had inderdaad Poppe Mellema land by Oltwaltmer syel, terwijl in 1624 zijn achterkleindochter Aelcke Galama eigenaresse was. Aelckes dochter Sjouck van Hiddema trouwde met Epe Douma, die in 1640 als eigenaar wordt genoemd.
- Het slot of huis Ter Luine Kollum
<1399 Hertog Albrecht van Beieren stichtte in 1399 buitendijks op't Slic daer't tslot staen soude een kasteel ter Luine, dat als steunpunt moest dienen bij de verovering van Oostergo. Hij liet het slot ook met grachten omgeven. Er werden per schip bouwmaterialen en een reeds bestaande schuur uit Dokkum heen gebracht. In het verdere krijgsverloop was Ter Luine een belangrijk strategisch punt. Enerzijds kon vanaf het huis het Dokkumer Diep worden gecontroleerd, anderzijds beheerste het de sluis waardoor een deel van Kollumerland via de Rijd (en de nu drooggevallen Dwars Rijd, Lune of Luine) ontwaterde. Ter Luine en Tochma liggen aan een drooggevallen meander van de Rijd.
In 1416 werden door de Vetkoperse hoofdeling Keno ten Broek uit Ostfriesland veel Schieringers doodgeslagen; anderen werden berecht. Hun hoofden werden ter Lune op raederen geseth.
- Feytsma State (Kollum)
Deze state is gebouwd in het begin van de 17e eeuw Iets verder westelijk van Kollumerterp dan Groot Bama. De boerderij op die plaats droeg in 1883 deze naam nog
Na het overlijden van Scipio van Meckama in 1599 was Bocko, zoon van zijn voorganger Jelger van Feytsma, in 1600 tot grietman aangesteld. Bocko van Feytsma trouwde in dat zelfde jaar met Haring van Burmania. Blijkbaar was er voor het jonge paar geen representatieve woning in de buurt beschikbaar. In het huwelijkscontract van 29 juni 1600 ontving hij daarom van zijn ouders een Sate Landts, geleegen bij Collumersyl, groot 70 pdm. met noch een Sate Landts mede aldaar bij de syl geleegen, groot omtrent 30 pdm. In totaal 36,74 hectare, maar dat was niet alles, wan ter is verder vermeld dat dese bovengescreven Landen niet gelegen, noch met bequame huisinge ende hoovinge versien sijn, omme bij de voorn. Jonge luiden selfs naa haarluyder qualiteit bewoont te worden. Soo hebben wij Jelger van Feytsmx ende J. Auck van Heerma den voorsz. onsen soon Bocco van Feytsma ende Haring van Burmania, in plaetse van huysinge mede belooved ende aengenomen in gereeden gelde op te tellen ende te betalen de summe van twee dusend gouden guldens eens, van acht ende twintich stuivers ’t stuc . Bocko stierf in 1627 en werd in de kerk van Kollum begraven. Zijn weduwe liet het goed door een meijer beheren. Waarschijnlijk is de state kort na de dood van Bocko afgebroken
In 1649 kocht Menno Houwerda van Meckama, die met een dochter van Bocko getrouwd was, van zijn schoonzuster Machteld van Roorda, weduwe van Bocko’s zoon Ruurdt van Feytsma de helft vant hoornleger, huysinge, schuyre, singell, grafft ende poort, sampt boomen en plantagie met 62 pdm. land, alles gelegen bij Collumersijl. In 1690 verkocht Catharina van Burmania, kleindochter van Houwerda van Meckama, de hele zathe voor 2.145 Caroligulden aan Gosse Eetes, ontvanger van Kollumerland. Gosse was een kleinzoon van de vroegere meijer van de sate en bewoonde de boerderij al met zijn vrouw. Hun zoon Folckert Gosses nam de naam Feytsma aan en stierf in 1739 als procureur-postulant van het gerecht van Kollumerland
- Klein Bama of Bauwema Kollum
Waarschijnlijk is Klein Bama het oorspronkelijke Bauwama. <1467 Direct ten westen van Kollumerterp lagen Groot en Klein Bama. Toen in 1467 Kollumerland en de stad Groningen besloten tot de bouw van kasteel of blokhuis in Kollum, keerden enkele hoofdelingen zich daar tegen: in Kollum Pybe Eernsma in Meckemaburen en Pybe Bawama. In 1516 werden de goederen van Anth Bauwema van Kollum verbeurdverklaard wegens zijn verzet tegen het landsheerlijk gezag. In de jaren tussen 1531 en 1554 was zijn schoonzoon Sappe Bauwema grietenijvolmacht, kerkvoogd en dijkgraaf van Kollumerland. Een tijdgenoot en verwant van Sappe was Adzert Bauwema. Hij trouwde met Gerland Foppinga. Hun zoon Ofcke van Bauwema had uit zijn huwelijk met Anna van Eminga een dochter Bjuck, geboren in 1579 bij Kollum, die de beide sates Bama erfde. Met haar man Gerrit van Wytsma woonde ze op Obbema bij Ee. Bama was sindsdien geen adellijk huis meer. In 1628 wordt over afbraak van één der sates Bama op het Torp gesproken; behalve de stien ende metselerye aan het binnenhuis ofte stins, die aan Gerrit van Wytsma bleef behoren. In 1640 waren Gerrit van Wytsma en zijn vrouw eigenaars van beide sates. Zij stierven beiden in 1652 te Ee. In 1664 wordt Bama als adellijke state aangegeven; in 1718 Groot en Klein Bama als gewone boerderijen.
- Sybema State
<1476 <1458 Bij Kollumerterp, waarschijnlijk Annynghedorpe, lagen in de 15de en 16de eeuw in de Torpmakluft twee stinzen: Sybema en Bama. In 1476 ruilde Harke Sybama, woonachtig in Annynghedorpe, land met het klooster Gerkesklooster.
In 1571, 1573 en 1578 werden delen van Sybema verkocht: eenmaal is sprake van de huizinge staande op Sybema heert op het Torp, uitgezonderd het stins, een andere keer van het stenhuys. In 1601 verkocht Saecke Sybema land op het Torp aan Jeldert en Tamme Rompts. Tamme gebruikte in 1616 Sybema landen; hij stierf in 1632 en werd op het kerkhof van Kollum begraven. Zijn zoon Rompt Tammes, die de naam Sybema aannam, was in 1640 samen met zijn nicht Rycktien Jelderts van Rosema eigenaar en woonde daar, op het Collumertorp in 1633 met zijn moeder. De stins zal in de eerste helft van de 17de eeuw verkocht zijn. In 1662 werd namens de kinderen van Jetscke Jelderts van Rosema land uit Sybemastate verkocht.
- Eysinga State (Oenkerk)
<1511 <1412 Gesloopt in 1782 De hoofdeling Tzalingh Inttez (Eysinga) was in 1511 eigenaar van een sate te Oenkerk, die hij ook in gebruik, althans in eigen beheer had, hoewel hij in Rinsumageest woonde.
In de jaren 1656 tot 1669 was Frans van Eysinga's schoonzoon Scipio (Sippe) Meckema van Aylva grietman van Tietjerksteradeel en bewoner van Eysinga; aan het eind van de 17de eeuw verkocht zijn zoon Douwe van Aylva de state aan de doctoren Holwerda en Strigelius. Het herenhuis en de tuinen werden door de twee eigenaars gescheiden; de landerijen en de boerderij, die na een brand nieuw opgetrokken werd, verhuurden ze. Bij een verhuur in 1709 door de toenmalige eigenaars Isabella Anna van Heemstra, weduwe van dr. Cornelis Strigelius, en dr. Johannes Holwerda werd de state omschreven als: een sate en landen te Oenkerk, Eysinga State genaamd, 134 pondematen groot, met boerehuizingen, 't hof buiten de gracht en singel, d'Enterie genaamd, met ook het recht vrij te mogen malen en bakken op de molen. In 1727 werd voor het Hof van Friesland een proces gevoerd waarin drie van de zes eigenaars de andere drie beschuldigden hun deel van de adelijke huisinge te laten vervallen: ze haden de loden goten verkocht, bomen laten kappen en nieuwe beplanting achterwege gelaten.
Op de Eysingastins woonde in 1412 Gercke Eysinga, die (later) getrouwd was met Jeij Tjaerda, geboren op Tjaarda State te Rinsumageest. Gerke was zelf geboren op de Eysinga stins te Rinsumageest als zoon van Feye Eysinga en Etcke Bornhuistra. Hij trouwde met zijn buurmeisje. Van Gercke wordt vermeld, dat hij in 1452 Eysinga State liet bouwen. Het is mogelijk dat hij daarvoor de stins liet afbreken, maar het ligt meer voor de hand, dat hij de stins liet uitbreiden tot een grotere woning met meer comfort. Hun enige kind, dochter Hack (geboren in 1445), trouwde met Aede Jonghama, zoon van Keimpe Jonghama van Raerd. Om de familienaam Eysinga te behouden, naam hij de naam van zijn vrouw/schoonvader aan en noemde zich voortaan Aede Eysinga. Kort na het huwelijk stierf hij echter kinderloos. Hack hertrouwde in Rinsumageest met Tzalingh Eyntez Bolta uit Ferwerd. Ook Tjalling nam de familienaam Eysinga aan. Zij kregen 4 kinderen: Aede, Eelck, Graets en Fije. Hack erfde de stins/state van haar vader, maar ging er pas in 1511 wonen. De oudste zoon Aede werd de volgende eigenaar van Eysingastins. Hij trouwde met Tsied Ritskesdochter van Juckema. Zij kregen 4 zoons, Ritske, Frans, Jelte en Juw, die vooraan stonden in de strijd tegen Spanje. Jelte sneuvelde bij de belegering van Maastricht en zijn broers lieten een grafsteen voor hem maken. Ritske erfde als oudste zoon de Eysinga State. Door hun strijd tegen Spanje moest hij echter samen met zijn broers voor de wraak van de Hertog van Alva het land uit vluchten. Ritske stierf in Oost-Friesland in 1578, net voor het in Friesland weer veilig werd om er een andere mening op na te houden dan die van de Spaanse Inquisitie. In datzelfde jaar keert zijn broer Frans van Eysinga, aan wie hij de state had nagelaten, dan ook terug naar Oenkerk. De volgende eigenaar is Aede van Eysinga (geboren 1565) die getrouwd was met Fock van Eelsma. Aede had in Heidelberg gestudeerd, was later lid van de Staten Generaal en lid van de Admiraliteit van Dokkum. Hij stierf op 2 juni 1619 op Eysinga State. Zoon Frans van Eysinga volgende hem op als eigenaar van de state in Oenkerk. Frans was van 1622 tot 1656 grietman van Tytsjerksteradiel. Hij was getrouwd met zijn nicht Hylck van Eysinga. Na zijn dood in 1661 erft zijn dochter Lisck de State. Zij is getrouwd met Scipio (Sippe) Meckema van Aylva, die zijn schoonvader opvolgt als grietman van Tytsjerksteradiel. Van hen is de familiebank in de Hervormde kerk te Oudkerk. Die kerk was dichter bij huis dan die van Oenkerk, tot welke gemeente ze eigenlijk behoorden. Hun zoon Douwe Ernst Meckema van Aylva is zowel eigenaar van Eysinga State, als van de tegenover liggende Stania State waar hij woonde, waardoor Eysinga State een tijd leeg heeft gestaan. Hij verhuisde omstreeks 1688 naar de Tammingaborg in Groningen. Tenslotte vererft het huis in de 18e eeuw aan Willem Hendrik baron van Heemstra, die het huis verhuurt aan zijn nicht Wiltiana Isabelle van Heemstra en haar man Antony van Hettinga. Tenslotte wordt de state in 1759 gesloopt.
Op de plaats van de state werd na 1759 een grote boerderij gebouwd, waarop de douairière Van Hettinga - barones Van Heemstra in 1782 stierf. Deze boerderij werd al in het eerste kwart van de 19e eeuw afgebroken en er kwam een kleinere voor in de plaats. Deze kleinere boerderij is in 1974 verbouwd tot woonboerderij, had als adres Rengersweg 79
- Camminga of Heemstra Oudkerk
De State stond op het land achter de nog bestaande boerderij van de familie Adema <1567 1563 Begin 19e eeuw afgebroken Camminga te Oudkerk wordt voor het eerst vermeld rond 1567. Het werd toen als een heel oud goed gezien. In 1597 ruilde Gerrold van Feytsma land van Cammingha sate te Oudkerk tegen land van de sate Cleyn Tysma aldaar In 1657 werd Camminga state omschreven als huysinge, hovinge, grachten, cingels, poorten, homeyen, bomen en plantagie, sampt de nieuwe en olde steen; erbij behoorde ook Haytsma sate te Oudkerk, 200 pondematen land en graven en gestoelte in de kerk.
In de 18de eeuw stond Camminga herhaaldelijk te koop. Het huis werd in 1563 gebouwd. In de 16e eeuw komen we als eerste eigenaar Einte Bolta tegen, die zich ook wel Heemstra noemde. Hij wordt opgevolgd door Willem Heemstra. De State blijft niet steeds in bezit van deze familie, maar gaat door vererving en huwelijk over in achtereenvolgens de families Feitsma, Walta en Cammingha. Sjuck van Cammingha, zoon van Pieter van Cammingha en Eelck van Aebinga laat in 1563 een representatief huis bouwen onder Oudkerk. Hij trouwde in dat jaar met Popck van Heemstra, dochter van Feye van Heemstra en Ebel van Hemmema van de in het nabije Oenkerk staande Heemstra State. Waarschijnlijk hebben de jonggehuwden een stuk land van pa gekregen om een huis op te bouwen. Popck overleed in 1574 en Sjuck hertrouwde met Riem van Galama; zijn derde huwelijk. Ondanks deze drie huwelijken sterft hij kinderloos in 1581. Daarna wordt de state bewoond door Gerrolt Nicolaes van Heemstra en zijn vrouw Ath van Heemstra. Gerrolt was kapitein in het leger. Waarschijnlijk was hij degene die de naam van het huis laat veranderen in Heemstra State
Hun dochter Tzietke van Heemstra erft het buitengoed in de 18e eeuw en gaat er wonen met haar man Feye Haring van Harinxma thoe Heeg. Feye Haring stamt uit de militaire tak van de familie Harinxma. Als in 1779 Feye Haring sterft, wordt de State niet meer bewoond. Zijn vrouw Tzietke sterft op 82-jarige leeftijd in 1787. Na haar dood werd het Buitengoed Cammingha-state onder Oudkerk met het gestoelte in de kerk te koop aangeboden. Die verkoop verliep niet zo vlot, want van 1787 tot 1795 stond het huis leeg. In 1795 werd het dan eindelijk verkocht en enige tijd later afgebroken. De state stond op de hoek van de Kaas Douwesweg en de Bosweg, net binnen het dorpsgebied van Oudkerk, gem. Tytsjerksteradiel, op de grens met Roodkerk dat in Dantumadeel ligt.
- Heemstra huis, de Klinze, Aysma of Sminia Oudkerk
De Klinze is nu een hotel-restaurant\
<1493 <1567 Afgebroken in 1670 De eigendomsgeschiedenis reikt namelijk terug tot een 15de-eeuws hoofdelingenhuis. Feye Heemstra woonde in 1493 als hoofdeling al te Oudkerk. In 1640 waren leden van de families Aernsma, Walta en Van Loo eigenaars van de Klinze
In 1645 woonden Sybrandt van Walta en Franscke van Doyem er. In 1667 worden jonker Hessel van Aysma en Hester van Loo als eigenaars en bewoners van de Clinse. Hij was verwant met de Walta's en Aernsma's, zij was een dochter van Albert van Loo, medeëigenaar in 1640. Rond 1670 lieten zij een nieuw huis op de Klinze bouwen; bij een tichelaar in Berlikum kochten ze steen tot opbouwinge van onze huysinge ende schuire tot Oltkerck. Naar hen werd de Klinze ook wel Aysma genoemd. In 1681 waren ze door schulden gedwongen de state aan Hobbe Baerdt van Sminia, raadsheer in het Hof van Friesland, te verkopen.
Tot 1966 bleef het goed eigendom van de familie Van Sminia
In 1567 bewoonden Johannes van Heemstra en zijn vrouw Jantien Hendriksdr. het huis oppe Clincke te Oudkerk, ook wel de Klinze" genoemd. Tussen 1680 en 1687 werd het oude oppe Clincke afgebroken en op dezelfde plaats verrees Aysma State in opdracht van Hessel van Aysma.
In 1687 verkocht hij de state aan Jhr. Hobbe Baerdt van Sminia (geboren 1655). (…) Vermoedelijk heeft jonker Hobbe de state omgedoopt tot De Klinze naar het eerdere oppe Clincke.
- Sjoerda Giekerk
<1475 <1511 Rond 1850 gesloopt, daarna boerderij In 1475 woonde Eerert Sioerda te Giekerk. Zijn land lag daar niet ver van de weg naar Wyns. (…) Hij was een aanzienlijk man, want hij had een eigen zegel en in 1481 trad hij samen met de pastoor van Tietjerk op als vertegenwoordiger van het Tietjerkster vierendeel bij een verdrag met de stad Leeuwarden. In 1511 was Lywe Syorde onder Giekerk eigenaar van de sate waaraan hij zijn naam Syorde ontleende. Eind 16de en begin 17de eeuw behoorden de Sjoerda's te Giekerk tot de rijke eigenerfden. Sytske Sjoerda (…) was in 1640 eigenaresse van zes sates te Giekerk, waaronder Sjoerda. Hun dochter Idtie van Andringa trouwde met Hartesius Jepema, van 1645 tot 1666 raadsheer in het Hof van Friesland. Zij erfden Sjoerda state en werden in Giekerk in 1677 en 1666 begraven.
De oudste vermelding van het huis dateert uit 1511. Wanneer dit huis gebouwd werd is niet bekend, maar de bouw moet al voor 1511 plaats gevonden hebben, want in dat jaar was Lieuwe Sjoerda eigenaar van de state. Na hem hebben waarschijnlijk zijn zoon Sicke Lieuwes Sjoerda en zijn kleinzoon Benne Sickes Sjoerda de state in eigendom gehad. Benne Sickes was getrouwd met Jent Rintses Ytsma. In 1640 was de state van Sytske Bennes Sjoerda. Zij was getrouwd met Jhr. mr. Tinco van Andringha, grietman van Utingeradeel. Zelf woonden ze in Akkrum en ze verhuurden de state aan Ate Copsma. In 1660 wordt Ina van Andringha vermeld, getrouwd met dr. Hartesius Jepema, raadsheer aan het Hof van Friesland. Hartesius overlijdt in 1666 en Ina volgt hem nog geen jaar later op 31 januari 1667. Wie dan de state in eigendom krijgt is niet bekend, maar in 1698 is dr. Suffridus (Sjoerd) Eelcoma eigenaar van de state. In 1748 vinden we Arnoldus Gerardus Ernthuys vermeld op dit buitengoed en twintig jaar later T. Sijlstra. In 1798 is het eigendom van Clara Maria Sijlstra, dochter van de vorige eigenaar. Zij was getrouwd met de architect Abraham Anastasius Bruinsma.
Op 30 december 1850 werd de buitenplaats Sjoerda-state te Giekerk met 80 bunder greide, bouw en bosgrond verkocht. De weduwe P.S. Westra was toen de (laatste) bewoner van de state. Waarschijnlijk is Sjoerda State kort na deze verkoop gesloopt.
- Poelzicht
<1700 State afgebroken in 1883 Het huis werd voor 1700 gebouwd.In 1700 is het eigendom van de erven Rhala. In 1708 Dr. Petrus Johannes (van) Poutsma Advocaat voor het Hof van Friesland, commies financiën van de prov. Friesland en van 1705 tot zijn dood in 1713 rentmeester van het St. Anthony Gasthuis te Leeuwarden, woont er dan. Hij was gehuwd met Saepcke Meyerts van Haersma, afkomstig van Oostermeer. Petrus was ook eigenaar van Poutsma State in Oostdongeradeel, maar dit was veel te ver van zijn werk in Leeuwarden om er ook werkelijk te kunnen wonen. In 1713 erft zijn zoon Johannes Petrus Poutsma, ritmeester, Poelzicht. Hij was getrouwd met Ida Recalf. De moeder van deze Ida was Anna Cornelia Rhala, waardoor Poelzicht toch weer tijdelijk in die familie kwam. Overigens bleven ze in Oostermeer wonen en werd Poelzicht verhuurd aan mr. Schulting, die Raed-Ordinaris in het Hof van Friesland was. In 1738 wordt Dr. Franciscus Frisius eigenaar van Poelzicht. Waarschijnlijk heeft hij het goed genaast als naastleger. Hij was nl. sinds 1722 ook eigenaar van het buitengoe" Buitenrust, een huis gelegen ten westen van Poelzicht.
In 1744 is mr. Cornelis Franciscus Frisius, zoon van dr. Franciscus, de nieuwe eigenaar. Ook hij was, tot zijn dood in 1772, Advocaat in Den Hove van Frieslandt. Rond 1772 werd C.F. van Meijers eigenaar van zowel Poelzicht als Buitenrust. Waarschijnlijk woonde hij zelf op Poelzicht, want in 1780 bood hij Buiterust te huur aan. In 1830 werd mr. Cornelis Franciscus Rinia van Nauta (1800-1872), kantonrechter te Bergum en advocaat voor het Hof van Friesland, eigenaar van Poelzicht en Buitenrust. Hij was getrouwd met Willemina Hendrika barones van Heemstra (1803-1881) uit Oenkerk. Hun 12 kinderen werden allemaal in Giekerk geboren, de meesten waarschijnlijk op Poelzicht. In 1883, twee jaar na de dood van hun moeder, lieten de gezusters Rinia van Nauta het oude huis afbreken. Eén van de zussen, Petronella Anthonia Johanna Rinia van Nauta, blijft nog tot 1899 eigenaar van de grond, maar dan besluit ze deze te verkopen aan Hendrikus Posthumus, kandidaat-notaris te Oudkerk, die meteen het bouwen van een woonhuis in Het Buiten Poelzicht aanbesteedde. Het huis moest op 30 april 1900 klaar zijn en kwam iets dichter naar de weg te staan dan het oude huis. Het huis werd modern gebouwd, want bij de afbraak in november 1978 bleek dat dit huis redelijk goed geïsoleerd was: namelijk met turf
In 1920 werd Poelzicht (en de notarispraktijk) verkocht aan Sytse Terpstra, notaris, afkomstig van Bergum. Het buitengoed had toen een oppervlakte van 4.93.15 hectare. Op 24 maart 1947 volgt W.J. Nijenhuis hem op als notaris en eigenaar van Poelzicht. Het buitengoed was toen echter gekrompen‘ tot 2.23.20 hectare. In 1978 wordt het nieuwe Poelzicht verkocht aan Jelle Bijlsma, eigenaar/directeur van het gelijknamige loonbedrijf te Giekerk. Opnieuw wordt het huis afgebroken, om plaats te maken voor een derde huis Poelzicht: een geheel nieuw 20e eeuwse villa
Heemstra Oenkerk
<1511 1500 In 1972 afgebroken Take Heemstra alias Obbema, wiens schoonvader Feye Heemstra in 1491 in Oudkerk woonde, bezat in 1511 in Oenkerk verschillende goederen, waarschijnlijk afkomstig uit Heemstra-bezit. Een deel van dit goed gebruikte hij zelf. Samen met de pastoor oefende hij bovendien visrecht uit, tot het einde van de 19de eeuw vererfde de state steeds binnen de familie.
Aan het begin van de 16e eeuw worden als eigenaars en bewoners van de State Feye en Taecke Obbema genoemd, die ook wel onder de naam Heemstra vermeld worden. Vanaf die tijd is de State bijna 400 jaar in bezit gebleven van deze familie. In de tweede helft van de 19e eeuw werd het te duur om het landgoed te kunnen onderhouden en ging de familie elders wonen. De belangrijkste oorzaak hiervan was het teruglopen van de inkomsten uit de landerijen. Rond 1878 ontstond er zelfs een landbouwcrisis en werd de State te huur aangeboden. Weer later besloot de familie de State te verkopen en kwam deze in bezit van Theo van Welderen baron Rengers. Deze baron woonde oorspronkelijk op Stania State en verhuisde in 1895 naar de Heemstra State, terwijl zijn zus Clara op Stania State ging wonen. Na 1932 werd Heemstra State in gebruik genomen als rusthuis. Het einde van de State kwam, toen in 1972 besloten werd om te State af te breken en er een nieuw bejaardentehuis voor in de plaats gezet. Dit nieuwe bejaardentehuis werd toen Nieuw Heemstra State genoemd. Het uit 1972 daterende gebouw werd in 2002 al weer afgebroken en vervangen door de nieuwe Van Welderen State.
- Stania Oenkerk
<1533 1520-1533 In 1664 vernietigde state, nieuwbouw in 1738 en 1843 Jeppe Stania had behalve de oude stins van zijn familie in Reitsum ook in Oenkerk een huis. Mogelijk had hij dat verkregen door zijn tweede huwelijk, met Margaretha Takesdr Heemstra. De Heemstra's bezaten immers in de Trynwouden veel goederen. Jeppe overleed in 1533 en werd in de kerk van Oenkerk begraven.
In 1738 werd een nieuw gebouw met een nieuw ontworpen tuin aangelegd, terwijl ook in 1843 nieuwbouw plaats had. De state is waarschijnlijk in de 16e eeuw ontstaan. Het huidige pand dateert uit 1843. Rond 1520 trouwde Jeppe Stania, afkomstig van Reitsum in Ferwerderadeel, met Margaretha Taeckedr. van Heemstra. Daardoor verwierf hij een flinke lap grond bij Oenkerk, waar hij een fraai slot liet bouwen en dat hij Stania State noemde. Jeppe overleed in 1533 en Margaretha volgde hem in 1546. Ze hadden drie dochters, waarvan twee met rijke edelen getrouwd waren en één, Popck, priorin was van het klooster Bethlehem onder Oudkerk. In 1546 kwam de state vrijwel zeker in handen van Margaretha’s familie: de Van Heemstra’s, wiens landerijen grensden aan die van Stania State. De Van Heemstra’s hielden het landgoed bijna twee eeuwen in bezit, maar zorgden er niet goed voor. In de 16e eeuw werd de state omringd door een gracht
Toen omstreeks 1730 Jhr. Hans Hendrik van Haersma eigenaar werd, was er van de state niet veel bruikbaars meer over. Hans was getrouwd met Catharina van Scheltinga, maar na haar dood in 1741 trouwde hij met Dodonia van Wyckel. Hij was eerst officier in het leger, in 1733 secretaris van de Algemene Rekenkamer en in 1744 werd hij grietman van Oostdongeradeel. In 1738 liet hij de restanten van het huis tot de grond toe afbreken en een nieuwe villa bouwen volgens de eisen van de tijd en die van zijn stand als jonkheer, grietman en (groot)grondbezitter. Het was een gebouw van twee verdiepingen onder een zadeldak. De tuin werd aangelegd door J.H. Knoop, de hof-hovenier van prinses Maria Louise van Hessen Kassel, die bij de Friezen beter bekend is als Marijke Meu (tante Marijke). Hans Hendrik overleed in 1759.
In 1759 wordt Jan de With eigenaar van Stania State. Jan was van oorsprong een Deen genaamd Jens Nielsen True. Hij was Commandeur in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), welke functie hem bepaald geen windeieren legde. Later was hij officier bij de Admiraliteit van Friesland, maar toen had hij zijn schaapjes al lang op het droge. Hij trouwde op 19 april 1750 met Wikje Michiels Minnema, weduwe van Hendrik Canter Visscher. Jan noemde de state Hofwegen naar een schip dat hij voor de VOC als gezagvoerder had bevaren. Hij overleed op 12 september 1781 en Wikje op 25 maart 1786. Eerst is hun ene zoon Cornelis Michaël de With eigenaar van de state, maar als hij in 1792 ongehuwd en kinderloos sterft, wordt hij opgevolgd door zijn jongere broer Michaël de With. Hij trouwde met Ypkjen Rintske Boelardus van Boelens en kregen één zoon: Jan Frederik, die echter jong stierf. Michaël besluit de state in 1803 te verkopen en vestigt zich in Augustinusga. De nieuwe eigenaar wordt mr. Jacob Nanning du Tour, die de state voor 46.500 Caroliguldens koopt. Hij heeft geen geluk met het huis, want in 1813 breekt er brand uit, die het huis voor een deel in de as legde. Toch is het huis vrij snel weer opgeknapt, door hem of de nieuwe eigenaresse, douarrière R. van Burmania-barones thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, die het huis bewoonde van 1815 tot 1843. In 1843 koopt Theodorus Marius Theresius Looxma, gehuwd met Berendina Johanna Willinge, Stania State en bijbehorende landerijen. Looxma was eigenaar van een grote olieslagerij in Sneek en werd steenrijk in de Napoleontische tijd. Vóór hij in Oenkerk kwam wonen, liet hij het oude huis grotendeels afbreken en het huidige huis bouwen.
In 1843 had het huis de naam Stania State inmiddels weer terug, maar het is niet bekend wie de oude naam weer heeft ingevoerd. In 1885 was hun dochter Catharina Theresia Looxma eigenaresse van het landgoed. Zij was gehuwd met Wilco Julius van Welderen baron Rengers, zoon van Willem Carel Gerard van Welderen Rengers en Jacoba van Andringa de Kempenaer. Wilco en Catharina trouwden op 26 oktober 1864 en erfden de state in 1885. Wilco, geboren op 14-11-1835 te Leeuwarden en overleden op 21-02-1916, was in 1885 burgemeester van Leeuwarden. ’s Winters woonden ze in een herenhuis aan de Nieuwestad te Leeuwarden en ’s zomers op de state. Zij kregen 9 kinderen: Willem Bernhard Reinier, Theodorus Marius Theresius, Quirina Jacoba, Berendina Johanna, Tjallinga Aurelia Wilhelmina, Age Johan, Johan Edzart, Daniël en Clara Carolina Anna Augusta. Rond 1916 bleef Clara C.A.A. van Welderen barones Rengers na de dood van haar ouders op Stania State wonen. Zij was ongehuwd, evenals haar broer Theo, die in 1895 Heemstra State had gekocht. Clara vestigde zich in 1934 in Wassenaar, waarheen Theo al 4 jaar eerder vertrokken was in verband met zijn werk als adviseur van Koningin Wilhelmina. In 1944 woonde zij aan de Noordersingel in Leeuwarden als evacué. Na de oorlog woonde zij in het tehuis voor voorname ouden van dagen Spaaren Hout te Haarlem. Op 1 maart 1962 overleed zij op 74-jarige leeftijd. In 1934 kocht het St. Anthony Gasthuis te Leeuwarden de state, maar verkocht het huis al vrij kort daarna aan een Schot van Nederlandse afkomst, een zeker Van Loon. Deze Van Loon verhuurde de state aan een stichting, die er een cultureel centrum van maakte, waarbij de state dienst deed als jeugdherberg, conferentieoord, theeschenkerij en uithof van het Fries Museum te Leeuwarden. Rond 1970 werd Stania State aangekocht door de gemeente Tietjerksteradeel. Die liet de state in eerste instantie haar bestaande functies behouden. Vanaf die tijd werden tuin en bos opengesteld voor het publiek
Jongema Rauwerd
<1481 <1515 Kempo Jongema zou aan het einde van de 14de eeuw Ansck te Geins in Wommels tot vrouw hebben gehad. De stins te Geins onder Wommels kwam daardoor aan de Jongema's. Hun zoon Edo Jongema, gestorven in 1439, zou gehuwd zijn geweest met Fokel van Bozum. Daardoor kwamen omvangrijke goederen in Bozum aan de Jongema's. Hun zoon Hessel Edes vestigde zich in Bozum, hun andere zoon, Kempo Edes, in Rauwerd. Aeda maakte in 1481 zijn testament, waarin hij Jonghama staeta naliet aan zijn broer Ede Jongema; ook dat styns op Jonghama state werd daarbij genoemd. Andere broers kregen Geynsera gued. In 1531 maakte Eda Jonghama zijn testament. Hij liet alla dae landen ende renten, hues ende hoeff, hlesten ende onlesten ... als't in Raerdera gae leyt en die hij toen gebruikte, na aan zijn zoon Ada. Deze liet in 1532 op zijn beurt Jongghama staten, huis, hoff ende hoerenliegher met de landen en de steden in de buren na. De Burefenne liet hij de kerk en priesters na, maar de erffgenamen tho Jongghama huis zullen het recht te verhuren behouden, waarmee zij konden controleren wie het land gebruikte. Ada liet geen kinderen na.
Het is niet precies bekend wanneer het huis gebouwd is, in 1515 werd het verwoest. In 1515 werd dit huis door de Zwarte Hoop verbrand, gelijk ook daarna de gehele buurt
- Heringa Rauwerd
<1473 adellijke familie die een abt van Lidlum voortbracht. Vanaf de 14de eeuw zijn er oorkonden die over de Heringa's van Rauwerd spreken; de Van Hoxwiers uit Mantgum blijken een zijtak van deze familie te zijn. Yd Heringa of Aylva, weduwe van Eelcke Heringa en hertrouwd met Sasker Jelmera, bedacht in 1473 de kerk van Rauwerd met een fundatie, te betalen uit Krenzera gode. Ook de Heringa-prebende (Herenghe leen) en Heringhe ald gued noemde ze in haar testament. Haar belangrijkste erfgenaam was haar zoon Haye, die ondermeer stenzen, huusen, stoe ende statten kreeg. Haye maakte zelf in 1486 zijn testament. Hij was toen olderman van Leeuwarden. Naar zijn vrouw noemde hij zich Haye Kammingha. Heringha stins ende staetha liet hij met de bijbehorende landerijen en met Heringhe auld gued na aan zijn zoon Peter Cammingha. Deze liet op zijn beurt Heringhe staten to Raerd met dy hornleger mey't heem ende dy steen deryr leyt in 1521 na aan zijn zoon Sicke, onder voorwaarde dat de state niet "in vreemde handen" zou mogen vererven. Vlak ten noorden van en op land van Heringa lag in 1718 nog een stinswier.
- Stinswier bij Inhemren Rauwert
<1400 Bij Inhemren, vlak ten zuiden van het dorp, wordt in 1718 en in 1850 een stinswier aangegeven. Het huis zou door Albrecht van Beieren rond 1400 zijn ingenomen in het begin van de 15de eeuw trouwde Hapke in Hem met Epe NN; hun dochter Iouk zou Inhemren door haar huwelijk met Ulke Douma aan de Douwema's hebben gebracht. Hun zoon Sicke noemde zich zowel Douma als Inhem(st)ra.
- Fetza Rauwert
<1401 Het castrum Fetza werd al in 1401 genoemd. In 1543 wordt cleyn Fetze guedt en in 1580 een kleen sate genaempt Lutke Fetse genoemd. In 1401 maakte Clothus Bentha te Rauwerd zijn testament. Hij had drie erfgenamen: Sicco Ydszarda te Poppingawier, Tzalengh Fethza te Rauwerd en diens broer Poptat die in Terzool woonde. Hij beschikte over vier goederen: de stinzen Bentha en Fetza, een huis in Monekagha en het eveneens Feddingahus. Poptat Fethza uit Terzool zou de stins Bentha, huis, erf en zes pondemaat krijgen, benevens het gebruiksrecht van het bijbehorende land, dat hij van zijn mede-erfgenamen mag pachten. Het goed zal met drie eeuwige memoriën in de kerk van Rauwerd, waaronder die voor Clothus, belast zijn. Zijn vrouw Anseke zou zo lang zij leefde de stins Fetza, met huis, erf en alle landerijen, zoals bouwland, weiland en grasland mogen gebruiken. Zij moest er wel zelf wonen en twee eeuwige memoriën in Rauwerd bekostigen. Na haar dood zou de patroonheilige van Rauwerd het erf van Dodo Eenoog en een daarbij gelegen erf bij de dijk krijgen; het lijkt er dus op dat deze erven bij Fetza behoorden.
De enige sate die in Rauwerd in 1640 voor een derdedeel eigendom is van de kerk. De rest was toen eigendom van de olde heer jonker Piter van Eisinga. Waarschijnlijk is dat dus Lutke Fetza. Mogelijk gaat het derdedeel in deze sate deels terug op Clothus legaat uit Fetza aan de kerk; de ligging van een erf bij de dijk zou daar goed bij passen.
- Hoge Huys
<1640 Het buiten is in 1771 gesloopt Het huis werd voor 1640 gebouwd.Het Hooghuis werd waarschijnlijk als jachthuis gesticht door stadhouder Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz. Daarna bewoonde Menno van Coehoorn, die een bekende vestingbouwer was, het huis samen met zijn ouders, maar in 1686 werd het weer in gebruik genomen door stadhouder Hendrik Casimir II. Hendrik Casimir's weduwe, Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau, verkocht het buiten in 1706 aan Frans Menno van Eminga. Vijftien jaar later, in 1721, wordt het huis gekocht door Hector Willem van Glinstra. Hij was grietman van Tietjerksteradeel en maakte van het huis een lusthof. Vervolgens komt het Hooghuis door erfenis in de tweede helft van de achttiende eeuw in het bezit van Hobbe Baerdt van Sminia, die het huis in l771 laat afbreken.
- Hillama
- Heslinga Poppingawier
<1482 Als familienaam Heslinge en gelijktijdig als veldnaam Heslumma meden komt de naam in Poppingawier vanaf 1446 voor; de stins Hesselinga huys vanaf 1482; Hesslema guedt in 1543; in de 17de eeuw Heslinga staten. In 1640 was Heslinga verhuurd, van een stins was toen waarschijnlijk al geen sprake meer.
- Harsta
ook wel onder de namen van Haksta, Haxta, Haagsta, Haakstra, Hartsma of Harsma voorkomende, voorm. state, griet. Rauwerderhem
- Itsma sate of Albada Terzool
<1543 Bij deze sate werd in 1605 een stinswier genoemd. De naam van de sate is in 1543 Yttyama en Ytzma; naar eigenaars in het midden van de 17de eeuw heette hij in 1718 Albada.
Op Yttyama lagen toen twee memorielasten voor eerdere bewoners: Ayl en Fraeths Ytyama. In de Middeleeuwen lag hier waarschijnlijk wel een stins. In 1605 worden Jelle Greolts Hobbema en zijn vrouw Christina van Albada namelijk genoemd met bezit en renten uit Itsma in Terzool, waarbij ook van den ghehele stens wier liggende in Itsma saate sprake is. Hun kinderen zijn in 1640 eigenaar van de states De Borg en Itsma); door vererving en verkoop komen delen van Itsma in 1646, 1647 en 1652 aan Antje Jelles Hobbema en Sicke Aesges van Albada te Speers. Via hun dochter Christina van Albada, gehuwd met Anthonius van Hettinga vererfde het goed op jonker Jelle Gerrolt Hobbema van Hettinga, die Ytsma in 1687 verkocht aan Aefke van Buttinga wed. van Wyckel, en Henricus van Wyckel, secretaris van Gedeputeerde Staten.
- Andringa State (Oldeboorn)
<1500 In 1894 afgebroken De oudste vermelding dateert uit de 15e eeuw. Deze State is het stamhuis van de familie Andringa. In de vijftiende eeuw komen we Thiart Jorrits Andringa tegen, die grietman van Utingeradeel is. Een funktie die ze niet generatie op generatie vervulden, omdat de familie Andringa niet geliefd was bij de regering in Brussel. Gedurende de 16e eeuw bekleedden ze helemaal geen hoge funkties; de oorzaak hiervan lag daarin, dat ze anti-Habsburg gezind waren. Pas na de Hervorming keerden ze weer terug als grietman. Na het uitsterven van de familie Andringa, gaat de State over in handen van de familie Lycklama a Nijeholt. Veel leden uit deze familie komen we tegen als grietman. In 1882 wordt de State verkocht aan de Hervormde Kerk, die het huis gaat gebruiken als pastorie. Twaalf jaar later voldoet de State niet meer en wordt grotendeels afgebroken. Er voor in de plaats komt een villa.
- Tadema op Tilburen Oostrum
<1511 In de jaren 1780 of '90 is een stins afgebroken Tadema werd in de 16de eeuw bewoond door een familie die in vrouwelijke lijn van de adellijke eigenaars, de Heemstra's, afstamde. (…) Berichten uit later tijd maken het waarschijnlijk dat Tadema een stins is geweest. De naam Tadema komt, indirect, voor het eerst voor in 1511, in de naam van de bewoner. In 1543 is sprake van de zaete toe Oestrum over die Tille. Later, bijvoorbeeld in 1679, duikt de naam Tadema weer op; in 1850 heet een nabijgelegen afgesplitste sate naar de oude eigenaars Heemstra. In een koopcontract uit 1679 blijkt dat Tadema een voornaam uiterlijk moet hebben gehad. Daarin is sprake van ... seekere state ende sate landts, Tadema genaemt, gelegen tot Oostrum ... met de huysinge daerop staende, schuyre, poort, singel ende grachten, bomen ende plantagie ... groot nae naem ende faem ses en sestig pondematen ... met de gerechtigheyt van twee stemmen. Verder is bekend dat in de jaren 1780 of '90 een zeer hogen stins op kelders, die voor het voorhuis stond, is weggebroken.
- Rintjema Oostrum
<1498 In 1498 veroverden de Saksisch-gezinde hoofdelingen Schelte Tjaerda van Rinsumageest en Take Heemstra een huys toe Aestrum dat Jaerla toe hoorde, ende hiete Ryntiama huys. In 1511 waren Amke Jaerla en de kinderen van zijn broer Botte eigenaars van dit Jaerle guet. In 1640 was juffer Perck van Roorda, weduwe Emingha de eigenaresse. Haar man, Pybo van Eminga was een kleinzoon van Minne Eminga en Eelck Jaerla, een dochter van Amke Jarle.
- Starkenborgh met wier Sibrandahuis
<1400 <1452 In 1664 nog als adellijk huis aangegeven, in 1718 rest alleen de wier Starkenborgh was in de 14de eeuw de stins van een afzonderlijke familie Van Starkenborgh. Opvallend is de nabijheid van de stins en de kerk, die allicht een stichting van deze familie was. De familie onderhield goede betrekkingen met het nabije klooster Klaarkamp: Boldewinus van Starkenborg trad daar in en maakte vervolgens in Utrecht een kerkelijke carrière. Aan het eind van de 14de eeuw moet Starkenborg aan de Tjaerda's in het naburige Rinsumageest gekomen zijn. Syds Tjaerda kon in het midden van de 15de eeuw daardoor Tjaerda aan zijn zoon Worp nalaten, Starkenborgh aan zijn zoon Bartold, terwijl de derde zoon, Sippe introuwde op Heemstra in Morra. Bartold komt in de tweede helft van de 15de eeuw in verschillende politieke stukken voor; zijn stins werd in 1468 door een Hollandse spion genoemd als één van de twee sloten van Reynsmageest. In 1664 werd Starkenborgh nog als adellijk huis aangegeven, in 1718 restte alleen de wier.
Syds Tjaerda van de Tjaerdastins te Rinsumageest had twee zoons, Worp en Barthold (Bartele). Deze laatste kreeg of kocht in 1452 deze stins en voegde de naam Sterkenburg aan zijn familienaam toe. Voortaan noemde hij zich Barthold Tjaerda van Sterkenburg. Al snel vestigt deze tak van de familie Tjaerda zich in de Groninger Ommelanden. Zij verkregen daar de borg Wehe dicht bij Leens. Daar hebben de nakomelingen van Barthold eeuwenlang gewoond. De naam Sterkenburg werd vergroningst tot Starckenborgh. W
Rond 1785 is van ’t oude huis Sterkenburg is alleen de Wier over. In de 50er jaren van de 20e eeuw stond op deze plek nog een boerderij die eigendom was van het Douwe Egberts concern en bewoond werd door D. de Groot.
- Halbada Driesum
<1404 Halbada en Wobbema, twee goederen die nog in de 16de eeuw bij elkaar hoorden, waren oorspronkelijk één geheel. In de 15de eeuw was het de zetel van een familie die ook in Dokkum een huis had. De goederen zelf worden vanaf 1506 genoemd: Halbada statha (1506), Wobba gued en Halbaeden (1511), Halbaede sate, Wobme weyde en Wobbema (1540), Halbede huys en Wobbema staede en fenne (1543) en tot Helbada op't west van Drysumterp en in de Weyde De oudst bekende bewoner Feya Halbada zijn geweest. Deze was een van de getuigen die in 1404 een oorkonde bezegelden over Bauwerda stins in Holwerd. In 1506 kwam hij met zijn halfbroer Wybren Sydsz Roorda tot een boedelscheiding; ook dae statha … hietende Halbada statha werd daarbij genoemd. In 1511 waren Wobbema en verschillende andere states eigendom van Syds. Toen en ook in 1540 trokken de Tiaerda's van Rinsumageest er een rente uit. In zijn testament uit 1540 beschrijft Syds Tiaerda dat Wobbema of Wobmeweyde ooit van Halbada was afgesplitst: welcke twe goeden voertyts een sate is gewest ende doe ter tyt genoemt worde Halbaede ende van ... sommigen Wobme, ende daeraf so wortet een goed genoemt in Wobme weyde.
In 1505 en 1511 woonden de Wobbema's mogelijk nog in Driesum. Beide staten werden in de loop van de 16de eeuw pachtgoederen. Van een stins is dan ook geen sprake meer. De boerderijen liggen naast elkaar op de vruchtbare kleistrook langs de Ee, het oudst bewoonde deel van Driesum.
- Foyinga state of heerd
<1400 Foyinga state of -heerd bij Kollumerpomp
Wygher Foyngha in 1464 samen met Pyba Eernsma op Meckema, met Buwa Meckema, eigenaar van Ter Luine, en met de abt van Gerkesklooster besloot desnoods geweld te gebruiken bij het verkrijgen van het hun toekomende grondbezit. Hij was dus een man die zelfstandig dreigde geweld te zullen gebruiken ter handhaving van zijn rechten. Een andere Wiger Foyinga was in 1531 subprior van Gerkesklooster en in 1552 pastoor van Burum. De erfgenamen en kleinkinderen van Jancke Foyinga werden in 1529 genoemd onder de belanghebbenden bij de bedijking van Nieuw Kruisland.
In 1847 werd de zathe verkocht waarbij de grietenij het terrein waar de state heeft gestaan aankocht en op een gedeelte daarvan een school heeft gesticht.
- Botte Jarla stins of Grovestins op Gaastmaburen
<1400 1398 Afgebrand in 182
In 1676 verkocht Oene van Grovestins, grietman van Hennaarderadeel, een oomzegger van Botto, de stins aan Willem van Viersen, raadsheer in het Hof van Friesland. Het werd toen omschreven als seeckere heerlycke adellycke state ende sathe landts, meer dan 200 pondematen groot en aangeslagen voor 9 floreen, met het heerlycke stins en een voortreffelycke swanejaght volgens de caerte daeraff synde. (…) In 1698 was majoor Hector van Glinstra eigenaar, in 1728 Johannes van Glinstra. De grootte van de bijbehorende sate die in 1700 en 1728 aan de bijzitter Heerco Rinsonides was verhuurd, was toen in totaal 126 pondemaat.
In 1718 bewoont by den byzitter Harke Renses. De stins brandde op 31 october 1829 af. De familie Van Grovestins was tot 1676 eigenaar van de stins. In dat jaar verkoopt Gene van Grovestins de stins met de boerderij en het land aan raadsheer Willem van Vierssen. Door vererving komt de stins nog in bezit van de familie Glinstra, maar uiteindelijk brandt de stins door blikseminslag af in 1829 en wordt enkele jaren later afgebroken.
- Palma of Palmera Warga
<1529 In de late 19de eeuw verrees hier een fraaie kop-hals-rompboerderij De oudste vermelding van Palma is Palmere gued in 1529. Palma behoorde lange tijd aan de zelfde families als Roorda, waaraan het grenst. In 1529 noemde Douwe Jousma in zijn testament een rente uit Palmere gued. Antoenis Galama en Douwes dochter Kunier Jousma waren in 1543 eigenaars van Palmer guedt. Evenals Roorda was ook Palmera geen oud Jousma-bezit. In de 15de eeuw had het waarschijnlijk aan de familie Wiarda uit Goutum behoord. In 1543 was het namelijk nog belast met memorielasten voor Tzalingh Wyaerda en Aeyl.
In 1640 waren Groot en Klein Palma eigendom van ondermeer Eliana Thonisdr van Hettinga, een kleindochter van Tiete Epez Hettinga en dus een betachterkleindochter van Douwe Jousma. Groot Palma werd door de jufferen van Hittinga zelf bewoond en werd in 1664 dan ook als edele state aangegeven. Ook in 1728 had het nog een heerlijke bewoning: de heer B. Nysten bewoonde de state toen zelf.
- Roorda of Popma Warga
<1500 <1423 In 1787 gesloopt en vervangen door een boerderij
De oudste vermelding van Roorda is van 1516. Het heet dan Roerda state; Roerda gued in 1529. Het was in de late 15de, 16de en 17de eeuw een adellijke woonplaats. De naam Roorda was in Warga al ouder dan de eerste vermelding van Roorda goed in 1516. In 1452 bemiddelde Tzumma Ryoerda in een geschil in Warga; of hij er ook woonde, wordt niet vermeld.
In 1543 bewoonde een Hessel Roerda Roerda guedt, dat toen eigendom was van zijn vrouw Thiet Janckes Douwema, weduwe van Oenne Jousma. (…) Verder was er in Warga een Auldt of Lutke Roorda guedt, waarvan een Ydts Ydtsz eigenaar was. In de 17de eeuw werd de aanduiding Oud Roorda niet meer gebezigd voor Klein Roorda, maar juist voor Roorda.
In 1619 was Oud Roorda in Warga eigendom van Tyete Popma en zijn tweede vrouw Anna van Feytsma. Zij maakten in dat jaar hun testament; Oldt Roorda staten in Warregae, groot nu synde ontrent tachtich pondematen met het huys, hoybergh ofte schuyere, hoven, poorte, plantagie, swanejacht en de huyssteden in Warregae op den Lutkebuyren zouden komen aan hun zoon Hessel, die in 1640 inderdaad eigenaar en bewoner van Oud Roorda was.
De Popma's stichtten in 1664 in Warga een gasthuis, dat ook later nog als Popmagasthuis bekend stond. Nog in de 18de eeuw waren Oud Roorda en het Popmagasthuis eigendom van nazaten van de Popma's; Oud Roorda werd toen verpacht. In de 18de eeuw verrees het tegenwoordige voorname herenhuis.
In 1787 werd de huidige boerderij met een herenhuis ervoor opgetrokken
De oudste gegevens omtrent het gebouw, oorspronkelijk Ald Roarda genoemd, dateren uit 1423. Het Roardagoed bestond toen uit een aantal boerderijen, vele kavels losse landerijen en de state, bewoond door Siurd Roarda. Omstreeks 1500 gaat het landgoed over op het adellijke geslacht van de Bootsma's. In 1589 kwam het in eigendom van Dr. Tiede van Popma thoe Ylst, bij testamentaire schikking.
In 1787 werd het slot door Reynoldus Popma-de Schiffart gesloopt en de huidige Herenboerderij gebouwd: een woonhuis met erachter een schuur.
- Groot Haringa Aegum
<1450 De state werd als Harrengha gued in 1450 voor het eerst genoemd. Hij was het stamgoed van een familie die enige tijd de Hottingazijl bij klooster Aalsum beheerde. Zo rond de jaren 1520 hebben de Camstra's en Tijetie Hottijez een kleine ruilverkaveling in Aegum hebben doorgevoerd, waarbij ondermeer Klein Haringa van Groot Haringa werd afgesplitst en er bepaalde lasten kunnen zijn verlegd.
Groot Haringa na 1511 door de eigenaars werd verpacht. Het was toen een gewone boerderij
- Canter state te Driesumer Driesum
<1511 In 1855 voor afbraak verkocht Een sate To Terp werd in 1511 verpacht door Claes Tymens te Dokkum. Hij bewoonde in 1511 een huis in Dokkum en werd in 1513 tot de heerschappen gerekend. Hij was getrouwd met Reinsck Canter, dochter van de Leeuwarder burgemeester Jacob Canter en Lieuwck Gerritsdr van Belckum. Zijn dochter Anna, gehuwd met Jacob Adams, burgemeester van Leeuwarden in 1538, 1541 en 1550, werd de stammoeder van een nieuwe familie Canter. Verschillende Canters en latere eigenaars woonden op de state op Driesumerterp, die tot een herenhuis werd uitgebouwd. Een verdedigbare stins of hoofdelingenhuis is Canter state nooit geweest.
In 1511 eigendom van Klaas Timens, lakenkoopman en (mede) door zijn huwelijk met Renscke Jacobs Canter, grootgrondbezitter. In 1640 zijn de kinderen/erfgenamen van Jacob Canter eigenaren en wordt de state bewoond door Frans Jacobs Canter. Frans heeft de aandelen van zijn broers en zusters blijkbaar successievelijk opgekocht, want bij zijn dood in 1663 erven alléén zijn kinderen met elkaar de Canter State. Hoewel de state in 1782 bewoond wordt door hun (achter)neef Mr. Adrianus Canter Visscher, blijft Johannes van Knijff eigenaar tot zijn dood in 1839. Johannes zat goed in de slappe was, want in 1817 laat hij het oude huis volledig restaureren en uitbreiden voor een bedrag van maar liefst 40.000 gulden!
Van 1839-1855 is hun zoon Petrus Jacobus van Knijff eigenaar en bewoont de state met zijn vrouw Sietske de Cock. Hun 10 kinderen werden waarschijnlijk allemaal op de state geboren, in ieder geval in de gemeente Dantumadeel. In 1847 biedt Petrus de Canter State te koop aan. Hij krijgt een bod van 5.481 gulden, maar gaat daar niet op in. In 1855 wordt het huis voor afbraak verkocht voor een bedrag van 3.000 gulden.
- Unia State (Oenkerk)
<1511 <1650 Even ten noordoosten van de kerk van Oenkerk lag Unia state. Onder de edelen van Tietjerksteradeel werd in 1505 Tako Sytgema genoemd. Zijn weeskinderen waren in 1511 eigenaars van Oennya gued te Oenkerk, terwijl ook een Lod Wnnye land gebruikte, dat deels zijn eigendom en deels van de kerk was. In 1580 werd uit Wynie sate jaarlijks een rente van 35 stuivers aan de pastorie en evenveel aan de prebende betaald. In 1640 was de grietman Frans van Eysinga en in 1698 en 1700 Petrus Poutsma eigenaar. Op de Franse kadastrale minuutplans staat Uniae saete aangegeven
De eerste vermelding van de State komen we tegen in de tweede helft van de zeventiende eeuw, als Jhr. Douwe Carel van Unia, gehuwd met Luts Sippedr. van Aylva eigenaar van het goed is. Hij was een zoon van Julius Mockema van Unia en Ida van Aylva te Jelsum. Van 1669 tot 1686 was Douwe grietman van Tietjerksteradeel. Als Douwe Carel in 1686 sterft, erft zijn zoon Jhr. Julius van Unia, die getrouwd is met Helena Maria van Aylva, de Unia State. Hij was luitenant-kolonel in het leger en woonde met Helena in hoofzaak op Holdinga State te Anjum, waar hij op 10 januari 1731 overleed. Vervolgens komen we bijna 100 jaar later de State weer tegen in de archieven en dan blijkt rond 1820 de state bewoond te zijn door een zekere weduwe Swalue, een telg uit een rijke Leeuwarder familie waaruit veel advocaten, predikanten, burgemeesters enz. zijn voortgekomen. Tussen 1820 en 1840 is de genees-, heel- en vroedmeester L. van Weeteringen, die te Noordwolde woont, eigenaar geworden van Unia State. In het laatst genoemde jaar besluit hij de State te verkopen aan mevrouw E.A.S. barones thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, douarrière van Jhr. Rienck van Burmania, voor de prijs van 2.200 gulden. Dit is de zelfde barones die vanaf 1815 op Stania State heeft gewoond. Waarschijnlijk wilde zij wat kleiner gaan wonen. Mogelijk heeft ze Unia State eerst laten opknappen, want pas drie jaar later verkoopt ze het naastgelegen Stania State aan Theodorus Looxma. Op 14 augustus 1852 koopt Simeon Petrus baron van Heemstra, Kamerheer des Konings en gehuwd met Sophia Adriana Fabricius de state met alles wat daarbij hoort. Hij is de laatste adellijke eigenaar, want in 1860 wordt de State gekocht door Dr. S.H. Kijlstra, die arts is. Hij koopt het huis voor 4.500 gulden.
Vanaf 1860 wordt in Unia State een huisartsen praktijk gestart. In 1910 neemt een zoon van Kijlstra, zelf ook arts, de praktijk en het huis van zijn vader over. In 1930 koopt de heer J.H. Buis (arts) de state en praktijk van dokter Kijlstra jr; gevolgd in 1943 door J.P.S. Wijthoff. Weer later woont E.P.P. Wijthoff (sinds 1975), zoon van J.P.S. Wijthoff en ook arts, op Unia State. In 1990 wordt de State weer particulier bewoond door de aankoop van de State door de heer F. van der Bij, die stedenbouwkundige is. Na 14 jaar verkoopt hij de State aan de familie Hagoort. Nu woont er in het huis een arts/cardiologe, die verbonden is aan het ziekenhuis Sionsberg in Dokkum
- Galeslot of Roorda state Hardegarijp
<1478 In de 18e eeuw boerderij geworden In 1478 verkocht Folka Wytiaz toe Gelaslaet land onder Tietjerk. In de 16de eeuw werd hier een herenhuis gesticht, dat vermoedelijk eigendom was van de ambtenarenfamilie Rataller.
Jeroen van Rataller was in 1531 en 1543 grietman van Tietjeksteradeel, Johan van Rataller van 1549 tot 1584.1867 Een dochter van de laatste trouwde met de opvolger van haar vader, Wolphert van Lezaen; ze liggen in Hardegarijp begraven. Hun dochter Ida van Lezaen, gehuwd met Johan Roorda, liet de kostelycke zate ende landen, bestaende in een huisinge, schuyre, hovinge, bomen ende plantagie Gaeleslot genoemd, met een gestoelte in de kerk en een vogelkooi als prelegaat na. Haar man Johan van Roorda wordt in 1640 als eigenaar opgegeven. In 1664 werd Gaelslot als belangrijke eigenerfde state vermeld
In 1728 was Gielt Claassen Reitsma eigenaar, in 1832 Gerrit Gjalts Reitsma
- Bennema State (Hardegarijp)
De State werd niet lang na 1661 gebouwd. In 1661 trouwt een Jelmer(us) Bennema, zoon van de burgemeester van Harlingen, met zijn achternicht Elbertje Pouwelsdr Fortuyn. Hij stamde uit een familie van rijke bierbrouwers en kooplui. Zijn overgrootvader Pytter Jeltes was eigenaar van de Bennemaheerd te Noordhorn in Groningen. Dit landhuis werd gesticht door de familie Ben(n)inga, en door vererving komt het in bezit van Jelle Jaspersz, die zich daarom Bennema gaat noemen. Jelle sterft in ca 1640 en zijn zoon enige zoon Jelmerus erft Bennemaheerd. Jelmerus en Elbertje krijgen een dochtertje Sophia, dat echter jong sterft en na 4 jaar huwelijk sterft ook Elbertje (1665). Ondanks het feit dat hij geld genoeg had om zijn hele leven te rentenieren, is hem geen lang leven beschoren, want hij sterft in 1668. Jelmer en Elbertje hadden een testament opgesteld en beide landhuizen vererven op een broer van Elbertje: Gerardus Fortuyn. Gerardus had naast deze bezittingen ook al veel geërfd van zijn eigen ouders. Hij is dan ook rentenier en is o.a. dijkgedeputeerde van het Nij Bilt en ouderling en kerkvoogd van Hardegarijp. Hij deed echter zijn naam geen eer aan en maakte vele schulden. In de periode 1664 tot 1675 zijn gemaakte schulden met een totaal bedrag van 60000 gulden bekend.
Na 1675 gaat hij over te de verkoop van zijn bezittingen, om zijn schulden te kunnen aflossen. Alleen Bennema State verkoopt hij niet, maar laat deze juist verfraaien.
Gerardus Fortuyn sterft in 1713, hij is dan weduwnaar, en de State vererft op zijn zoon Jelmer Gellius Fortuyn, die advocaat was in Leeuwarden. Hij heeft geen belang bij de State en verkoopt het huis nog hetzelfde jaar aan Jurjen Isacks Groenewolt. In de koopakte staat de volgende beschrijving: "sekere heerlijke en plaijsante zathe en landen, zamt huysinge, schuyre, hovinge, bomen en plantagie
In 1718 is waarschijnlijk een zoon van Jurjen, Isaäck Groenewolt, eigenaar van de State, die het huis in 1725 verkoopt. De nieuwe eigenaar wordt kolonel Willem Livius van Vierssen, die naast Bennema State, ook nog van 2 boerderijen eigenaar is. Hij overlijdt op 72-jarige leeftijd in 1752 en wordt begraven in de Hervormde Kerk van Hardegarijp. Zijn erfgenamen verkopen de State aan Boelardus Augustinus van Boelens, die bekend werd als Fries dichter. In 1752 luidt de omschrijving van het huis: heerlijke huysinge, bestaande in een rojaal voorhuys, groot zaal, met een sijkamer, twee behangen agterkamers, drie bovenkamers, twee dito kleindere, een keuken met een bedstee en botlerij; een galerij met een tinkast, een bierkelder met een afgeschutte wijnkelder, kleer- en turffsolder. Verder wordt er gesproken over een secreet, een schuur en een paardenstal, waar plaats is voor 5 paarden en een wagenhuis. Boelardus woonde lange tijd samen met Anna Mellinga, en ze kregen 5 kinderen. Pas later, in 1771 trouwden ze en werden de kinderen alsnog gedoopt. Op 9 november 1777 sterft hij en wordt begraven in de Herv. Kerk. Alle kinderen gingen in Leeuwarden wonen en de State werd in de periode 1777 tot 1792. Na verdeling van de erfenis erft Hillegonda van Boelens de State. Vanaf die tijd woont de familie af en toe in het huis, ook na het overlijden van haar man Epeus Wielinga Hubers. Hun niet getrouwde dochter Catharina woont wel op Bennema State en overlijdt er op 3 december 1841 en de State vererft dan op haar enige broer Dr. Ulrich Herman Wielinga Huber. Ulrich was getrouwd met jonkvrouwe Anskjen Doys Vegilin van Claerbergen en woonde op Martena State te Cornjum. Ulrich overleed in 1871, maar had geen kinderen. De State vererft op een verre neef: Epeus Huber, die rechtenstudent in Leiden was. Naast de State erft Epeus ook een half miljoen gulden. In het testament wordt de hoop uitgesproken dat hij in de State gaat wonen. Dat heeft hij ook gedaan, tot 1876. Dan besluit hij de State te verkopen. Bij deze Openbare verkoping wordt een zeer uitvoerige beschrijving van de State gegeven. Albert Jans Gleistra wordt de nieuwe eigenaar voor f. 42892,- Hij is rentenier, maar lang heeft hij niet op de State kunnen wonen, want hij sterft al in 1878 overleden. Hij heeft geen kinderen en naaste familie. Opnieuw komt de State in de verkoop en wordt dan gekocht door Eeltje Mulder en Hendrik Fokkes van der Heide. Zij zijn speculanten en proberen de State nog weer datzelfde jaar te verkopen, maar dat mislukt. In 1880 wordt er toch een koper gevonden, Frederik de Boer, die een huisartsenpraktijk in de State begint. gedurende 15 jaar is hij huisarts in Hardegarijp en wordt daarna als eigenaar en huisarts opgevolgd door Hendrik Anema. Na 3 jaar vertrekt hij al weer en de volgende huisarts wordt Pieter Gerlofs Bontekoe. Tot 1936 blijft de heer Bontekoe huisarts en na zijn pensionering blijft hij op Bennema wonen tot zijn dood in 1953. Zijn weduwe Janke Koning verhuisd en de State wordt verkocht aan de diaconie van de Gereformeerde Kerk te Oenkerk.
Er worden plannen gemaakt om achter de State een zorgcentrum te bouwen, dat een harmonisch geheel met de State moet vormen. In 1958 vindt de opening plaats. In 1970 blijkt het onderhoud van de State te veel geld te kosten en men besluit de State af te breken. Op de plaats van de State bevindt zich nu een zorgcentrum.
- Toutenburg Ryperkerk
1525 1525 Rond 1850 gesloopt Onder Rijperkerk werd rond 1525 door stadhouder Georg Schenk van Toutenburg het buitenhuis Toutenburg gesticht. Enkele jaren later, in 1529, liet hij vanuit Leeuwarden de Zwarteweg erheen aanleggen. Toen deze weg het verkeer vergemakkelijkte, werd Tietjerksteradeel een aantrekkelijke omgeving voor meer hoge ambtenaren die daar een buitenhuis stichtten. In de volgende eeuwen werden in de omgeving vele andere buitenplaatsen gesticht.
George Schenk van Toutenburg was een zoon van de Duitse edelman Johann Schenk von Toutenburg en zijn vrouw Ludomitia von Schleinitz. Hij was overste in het leger van Keizer Karel V en werd in 1521 tot stadhouder van Friesland benoemd. Hij trouwde eerst met jonkvrouw Anna de Vos van Steenwijk en na haar dood met Johanna gravin van Egmond. George stichtte omstreeks 1525 de buitenplaats Toutenburg tussen de dorpen Rijperkerk en Tietjerk. Om gemakkelijk en snel te kunnen reizen tussen zijn landhuis en Leeuwarden, de zetel van zijn regering, liet hij tussen 1528 en 1531 een weg aanleggen, de Zwarte Weg genoemd. Daardoor wordt dit kruispunt nog steeds Zwartewegsend genoemd. Bij zijn dood in 1540 laat George het slot Toutenburg na aan zijn zoon Carel Schenk van Toutenburg. In een missieve van 1564 met betrekking tot de tolheffing op de Zwarteweg, wordt melding gemaakt van het feit dat de bewoner van Hove Toutenburg, joncker Carel Schenk en diens huisgenoten en dienstbaren, van die tolheffing worden vrijgesteld. Van wat er de volgende eeuw met Toutenburg gebeurde is weinig of niets bekend.
In 1640 is het slot eigendom van een heer Marssum, één der Burgemeesteren van Leeuwarden, die het huis verhuurde aan de weduwe Trijn Jacobs. In 1698 wordt Reiner Gijsbert Fontein als eigenaar vermeld. Waarschijnlijk liet hij op het landgoed Toutenburg aan het begin van de 18e eeuw een tweede huis laten bouwen, Vijversburg genaamd.
In 1748 is het landgoed eigendom van jonkvrouw Jaycke van Wyckel, weduwe Kuffelaar en tien jaar later, in 1758, Blijkt Eelco van Haersma de eigenaar te zijn. Nog eens tien jaar later, in 1768, is eigenaar mr. H. van Steeken, Old Raad-Ordinaris in den Hove van Friesland. In 1820 woont hier jonkvrouw Titia van Sminia uit de Bergumer tak van deze familie. Tien jaar later verkopen de erven Van Sminia het buiten aan Salomon Nathan Leeuwenstein, die het overdroeg aan de douairière Van Sytzama. In 1842 wordt de State verkocht voor de sloop voor 6300 gulden. Toch is het huis niet direct afgebroken, want in 1850 wordt de bouwvallige state door dr. Nicolaas Ypeij aangekocht voor elf duizend gulden. Door deze familie wordt vrij spoedig daarna opdracht gegeven de state af te breken. Deze familie was eigenaar van het naastgelegen Vijversburg.
De zoon van Nicolaas Ypey, Age Looxma Ypey was een kunstliefhebber en verzamelaar. Age was ongeneeslijk ziek en toen zijn moeder in 1890 op 84-jarige leeftijd stierf, trof hij testamentaire beschikkingen, waaraan o.a. de Stichting op Toutenburg te danken is. Op de plaats waar Toutenburg heeft gestaan werd een gasthuis gebouwd naar een ontwerp van de Leeuwarder architect H.H. Kramer, dat de oude naam Toutenburg nog steeds draagt. Age overleed op 8 augustus 1892 in de ouderdom van 59 jaar. Op het terrein staan 20 woningen, die al sinds 1894 in gebruik zijn als bejaardenwoningen.
- Vijversburg
Op het terrein staan 20 woningen, die al sinds 1894 in gebruik zijn als bejaardenwoningen Het huis werd eind 17e of begin 18e eeuw gebouwd. Op het landgoed Toutenburg waarop de buitenplaats Toutenburg stond werd aan het eind van de 17e of begin 18e eeuw een tweede huis gebouwd, dat Vijversburg werd genoemd.
1 november 1799 door Age Binses Looxma gekocht wordt voor 3.000 goudguldens. In 1828 trouwt zijn dochter Baudina met de medicus en filantroop dr. Nicolaas Ypey. Dit echtpaar kwam na het overlijden van haar vader in 1843 op Vijversburg wonen. In 1844 lieten zij het oude huis ingrijpend verbouwen.
Om de werkgelegenheid in de omgeving op te krikken liet hij o.a. de Bergumer heide ontginnen. Ook liet hij de poelen rond Vijversburg droogleggen en er boerderijen bouwen als werkverschaffingsproject. Deze dr. Nicolaas Ypey koopt vervolgens in 1855 de buitenplaats Toutenburg, om dat huis af te laten breken. Hun zoon Age Looxma Ypey was een kunstliefhebber en verzamelaar. Age overleed op 8 augustus 1892 in de ouderdom van 59 jaar. In 1892 komt Vijversburg aan de Stichting op Toutenburg, die het 2 jaar later laat verbouwen. In het begin van de 20e eeuw werd het huis (gedeeltelijk) bewoond door de beheerder van het landgoed, de heer Teunissen. Rond 1964 kwam Hector Baerdt van Sminia, getrouwd met Taetske Hempenius, op Vijversburg wonen. Hector was regent van de Stichting Op Toutenburg. Hij was tevens voorzitter van het Fries Paarden Stamboek en een vermaard paardenkenner. In laatste decennia van de 20e eeuw werd Vijversburg verhuurd als vakantieverblijf aan de International Police Association.
- Birdama of Wygara Terzool
<1511 Het werd reeds voor 1511 het belangrijkste goed van de Wigara's en hun erfgenamen in Terzool, een tweede stamhuis. In 1584 en 1639 wordt het, als opvolger van de oude stins, hoewel op een andere plaats gelegen, daarom Wygara saete ende staeten genoemd."Birdama-of-Wigara was in 1511 eigendom van de hoofdtak van de Wigara's, het werd door hen bewoond, en ook de memorielasten van de familie waren, nadat het oude Wigara aan de Donia's was gekomen, van Wigara naar Birdama verlegd. In de tweede helft van de 17de eeuw werd door de Wigara's en hun nakomelingen Van Coehoorn en Van Scheltinga het grondbezit in Terzool sterk uitgebreid: in 1584 bestond dat alleen nog uit Birdama-Wigara state, in 1640 uit vijf, in 1700/1708 uit elf, en in 1728 uit 14 boerderijen. De verdeling van de landerijen - inmiddels de helft van het dorpsgebied - tussen de verschillende erfgenamen van Menno van Coehoorn in 1704 leidde tot een ruilverkaveling binnen dit bezit
- Albada of Douma Poppingawier
<1511 In de 16de eeuw werd dit huis gewoond door leden van de familie Albada, maar eerst in 1602 werd het Albada zaat, en in 1641 en 1642 Albada state genoemd. Eind 15de eeuw reeds door Hette Bottez Heslinga en diens vrouw Syttje Sytthiema bewoond.
De eerste eigenaar-bewoner was Lieuwe Hettez (Heslinga) in 1511. Waarom hij zich Albada noemde is onzeker; zeker is wel dat zijn nageslacht pretendeerde af te stammen van de Albada's van Goënga. Hij werd in 1504 en 1513 tot de geprivilegieerde heerschappen gerekend, was grietman van Rauwerderhem en stierf in 1543. Zijn zoon Hette, 1545 heerschap en 1543-1578 grietman van Rauwerderhem, volgde hem op als bewoner. Hij vermaakte het goed in zijn testament van 1580 aan zijn zoon Lieuwe: huys, hoff met den heele fenne by 't huys om ende riedtlandt ... die ick nu selfs bruycke ende altyt gebruyckt hebbe.2072 In 1640 waren de jonkers Hector en Pybe van Albada, respectievelijk een oomzegger en een broer van Lieuwe, eigenaars. Zij woonden er niet meer; het goed werd verpacht. De weduwe van Hector liet in 1641 de helft van de state en sate Albada, groot 46 pm, verkopen. Pybe liet in 1642 een gerechte vierde part van Albada state ... met syn gerechtinge van husinge, hoovinge, swaneiacht na aan zijn zoon Oene van Albada. In 1700 behoorde de state voor de helft nog aan de Albada's. Na 1600 werd Albada verpacht.
- Idzarda Poppingawier
<1401 Als familienaam komt Ydszarda te Poppingawier al in 1401 voor.
Sicco Ydszarda was in 1401 een van de drie erfgenamen van Clothus Bentha van de Bentha-stins onder Rauwerd. Omdat Clothus tenminste vier sates bezat, waarvan twee met een stins.
Evenals het naburige Sytthiema was het toen half eigendom van een Dekema en half van Heslinga. In 1640 was juffer Syds van Heerma eigenares.
- Stinswier te Abbenwier Irnsum
<1640 Abbingawier telde in 1640 drie boerderijen. Bij twee ervan lag een stinswier. Na de verwoesting van zijn stins te Westhem in 1443 vestigde Hessel Albada zich te Irnsum. Zijn waarschijnlijke zoon Doitse Albada maakte in 1466 zijn testament. Hij liet toen twee goederen te Abbingawier na: dat groete guedt toe Abbinghawier en dat gued daer Ids op woent. Bovendien lag ook zijn Idsingha gued te Irnsum. Hoogstwaarschijnlijk mogen de stinswieren wel met de machtsposities van de Albada's in verband worden gebracht. In de Donia-oorlog vochten de Albada's dikwijls met de Douwema's die eveneens een stins te Irnsum hadden. Ook Doitses zonen en zijn kleindochter Jel Reniksdr gehuwd met Hessel Kempez Jongema bezaten goederen te Irnsum; zijn achterkleinzoon Kempo Jongema verkocht Idsinga voor 1531.
- Stinswier te Abbenwier Irnsum
<1640 Abbingawier telde in 1640 drie boerderijen. Bij twee ervan lag een stinswier Na de verwoesting van zijn stins te Westhem in 1443 vestigde Hessel Albada zich te Irnsum. Zijn waarschijnlijke zoon Doitse Albada maakte in 1466 zijn testament. Hij liet toen twee goederen te Abbingawier na: dat groete guedt toe Abbinghawier en dat gued daer Ids op woent. Bovendien lag ook zijn Idsingha gued te Irnsum. Hoogstwaarschijnlijk mogen de stinswieren wel met de machtsposities van de Albada's in verband worden gebracht. In de Donia-oorlog vochten de Albada's dikwijls met de Douwema's die eveneens een stins te Irnsum hadden. Ook Doitses zonen en zijn kleindochter Jel Reniksdr - gehuwd met Hessel Kempez Jongema - bezaten goederen te Irnsum; zijn achterkleinzoon Kempo Jongema verkocht Idsinga voor 1531.
- Crack State
Het gebouw is nu in gebruik als gemeentehuis Het eerste huis dateert van ongeveer 1600. Omstreeks 1600 bouwde Hypolitus Roelofs Crack, grietman van Aengwirden, een huis op de plaats van de tegenwoordige Crack State.
Johannes Crack sloopte het huis in 1647 en liet een nieuw huis bouwen naar ontwerp van Willem de Keyser, een zoon van de beroemde Amsterdamse architect Hendrick de Keyser. In 1833 ging het pand over in Rijks-eigendom en werd het als rechtbank en huis van arrest ingericht.
In 1891 werd achter het pand een afzonderlijke gevangenis gebouwd. In 1923 werd de rechtbank opgeheven, de kantonrechter bleef er echter zitting houden. In 1949 ging het in gemeente eigendom over en werd het als gemeentehuis geschikt gemaakt. De gevangenis achter het gebouw werd in 1976 vervangen door de nieuwe uitbreiding van het gemeentehuis.
- Ophuystra Driesum
<1540 Van enig belang in de 17de eeuw werd Ophuystra. In 1540 was het eigendom van de Tiaerda's van Rinsumageest, die het verpachtten. Voor 1609 verwierven de Rinia's het; sindsdien heette het ook wel Rynia sathe
- Rinsma state of Bungha Driesum
<1511 <1747 In 1745 afgebroken en vervangen, in 1843 nieuwe huis ingrijpend verbouwd In 1944 door brandbommen verwoest en herbouwd
Tot 1617 behoorde het in 1511 voor het eerst als Riensma gued en Bwinghe staede genoemde Rinsma of Bungha in Driesum aan de Dantumawoudster familie Bonga, tot 1745 aan haar nakomelingen in vrouwelijke lijn. Met haar man jonker Jacob van Ruffelaer woonde ze in 1614 op Rinsma oftwel tot Bungha in Driesum.
Jacob van Ruffelaer heeft waarschijnlijk het huis laten verbouwen en een tuin laten aanleggen. Tot 1745 bleef het huis door vererving of verkoop binnen de familie in handen van nazaten (Ruffelaer, Aysma) van de Bonga's. Na de verkoop in 1745 werd het huis afgebroken en vervangen door een ander huis dat op zijn beurt in 1843 werd afgebroken.
In 1511 was eigenaar Taco Buwinga (Buingha), getrouwd met Idtzen van Aylva, die te Dantumawoude op Buwinga State woonde. De gebruiker van Riensma gued was zijn zoon Peter Buwinga.
Op 28 december 1745 kocht de 'Hoogh Welgeboren Heer' Fecco Dominicus baron van Sytzama de heerlijke wel geproportioneerde en logeabele Heerenhuysinge off deftige buitenplaats cum annexis staande en gelegen in den dorpe Driesum, Rinsma State genaamt, begeregtigt met een grote swane Jagt op alle Driesumer Brakken, alsmede een dubbele bank in de kerk, mitsgaders de geheele regel grafsteeden lopende dwars door de kerk van de Suydermuur tot aan de Noordermuur van de broers Van Aysma.
In 1747 liet Fecco Dominicus het oude huis afbreken en op de zelfde plaats een nieuw huis bouwen. In 1843 liet zoon Douwe Jan Vincent, luitenant bij de cavalerie, het pand drastisch verbouwen en de naastgelegen boerderij afbreken. In 1941 werd het pand ingericht als tehuis voor ouden van dagen. In 1944 werd het door brandbommen verwoest. In 1948 werd het huis herbouwd, een vage afspiegeling van het oudere pand. Vanaf 1971 is het huis als gemeentehuis in gebruik geweest. In 1998 werd Rinsma State verkocht aan het Soester echtpaar Jan en Corrie Smeeing.
- Eysinga State (Burum) Het Hoog
Het is niet bekend wanneer de state is gebouwd. Dit huis komt meestal voor onder de naam ‘t Hoog, welke naam aan huizen met bewoners met rechterlijke macht gegeven placht te worden. Het huis zou eigendom zijn geweest van het Gerkesklooster. Aan de tegenwoordige van Eysingaweg, de weg naar Warfstermolen, voorbij de korenmolen lag Eijsinga State
In 1639 werden zathe en landen als voormalig kloostergoed door de provincie Friesland verkocht aan Sjouck Fogelsangh, echtgenote van Jacob Pibes Doma die ook Eysma State in bezit hebben gehad.
- Eysema heerd of state Burum
<1492 <1492 In 1661 nog een stins aanwezig In 1586 woonde Ant Eysma op Eysmastate toe Burum. Het pad naar de state heette in 1492 Eysemawech, in 1627 reedt van Eysmasaete of vuytwech nae Eysmaheert en nog later 't kerckepad van Eysma hornleger.
Bij de verschillende overdrachten bleek dat op Eysma state in 1661 nog een stins stond. Deze werd in 1616 genoemd, toen sprake was van de gerechtigheit aen't Steenhuys en van de bij de state horende graven in de kerk. In 1620 worden genoemd Eysma state en zaete met huys, stins ende schuyren en 65 pondematen land en de graven in de kerk; in 1641 de stins, suaneiacht en legersteden in de kerk; in 1661 d'oud stins met de legersteden of grafkelder. Uit de beschrijving van 1616 bleek verder dat de boerderij 14 vakken lang was, waarbij de schuur en de melkkamer 12 vakken hadden en het woonhuis van de pachtboer 2 vakken. Dit woonhuis was zonder eigen muur tegen de muur van de stins, die in eigendom en gebruik bij de landheer was, aangebouwd. In 1718 lag op het terrein een gewone boerderij, in 1832 een klein huisje, omringd door tuingrond.
- Boekma Tietjerk
<1511 Waarschijnlijk woonde in 1511 hier Syds Buwckama. In 1700 was burgemeester Gerard Radijs eigenaar.
- Roorda en Mingia Grou
<1502 Als familienaam komt Rowarda in 1436 voor het eerst voor in relatie tot dit goed, in 1640 wordt de state als de drieëenheid Groot Roorda, Clein Roorda, Minia omschreven.
Abraham was grietman van Idaarderadeel van 1626 tot 1635. Hij overleed in 1649. Hij was eigenaar en bewoner van Groot Roorda, dat in 1640 met het aangrenzende Clein Roorda en Mingia één geheel maar gerechtigd tot drie stemmen vormde.
Vanwege de positie van de familie in de 15de eeuw heeft op Roorda hoogstwaarschijnlijk een stins gestaan. In 1698 en 1728 werd Roorda in Grouw niet meer door de eigenaars bewoond, maar aan een meijer verpacht; de Roorda's waren inmiddels in mannelijke lijn uitgestorven.
- Helvardera Roordahuizum
<1500 Volgens de traditie vererfde Helvardera in de 15de eeuw op de bewoners van het naburige goed Aytta. Door het huwelijk van Siouck Aytta met Jarich Jelckema vererfde het in de 15de eeuw aan de Jelckema's, die er ook enige tijd woonden. Vanwege hun betrokkenheid bij veten is het niet onwaarschijnlijk dat Helvardera versterkt was. Later vererfde het goed op Abbema's en Douma's te Huizum en uiteindelijk kwam het aan Sids Botnia.Viglius wist dit goed evenals ander oud familiegoed terug te kopen.
- Dekema / Decama
voorm. landhuis, aan de Jonkermanssloot, in de griet. Opsterland, welligt vroeger bewoond door den Ridder Pieter van Dekama, die in 1551 een der compagnons was, ter vergraving der Heeren-veenen in Schoterland, en in de zeventiende eeuw door Sixtus van Dekama.
- Stinswier bij Flansum Rauwert
Bij Flansum wordt in 1718 nog een stinswier aangegeven. Inderdaad wordt ook hier in de 15de eeuw een adelshuis genoemd. Een andere zuster van Onne Oenema zou hier aan het begin van de 15de eeuw zijn ingetrouwd. Later behoorde het huis te Flansum aan de Albada's
- Ludringa of Douwema Akkrum
<1478 Tegenover Irnsum, waar de Douwema's in de Donia-oorlog rond 1460 steunpunten hadden, ligt Ludringa. In 1478 gaf Jorrert Andringa aan (oude) Jancko Douwama en diens zoon Douwe zijn aandeel in Liweringa. Later staat deze stins ook als Douwema bekend.
- Kempama Grou
<1438 Dat Uthsma een oude machtspositie is, blijkt uit een oorkonde van 1438, waarin Bocko Wtsma, dan wonend te Friens, verklaart dat hij met Eko Kempama Kempama syl liet timmeren. Keimpemazijl is identiek met de Molenzijl, waardoor een deel van het water van het Nauwdeel en de Haniasloot langs het Zuidereind door de Leppadijk in de Boorne werd afgevoerd
Eko Kempama zal naast de zijl hebben gewoond: de sate direct ten zuiden van de Keimpema- of Molenzijl heette in 1471 Kempama gued. Het was toen eigendom van het klooster Aalsum. Dat betaalde er een rente uit aan de commanderij te Nes; deze rente werd in 1471 kwijtgescholden.
- Rypkema en Roorda Aalsum
<1427 De familie Rypkema in Utingeradeel. De oudste vermelding van de Rypkema's is van 1427. Toen deed Sywrd Riipkama, parochiaan te Aalsum, afstand van aanspraken op goederen te Birstum. Het "stamhuis van de familie lijkt in de 15de eeuw te Aalsum gelegen te hebben. Daar woonde de stamvader Sywrd Riipkama in 1427. In 1455, 1470 en 1491 hadden de Rypkema's daar belangen in Hottingagoed bij Hottingazijl, een strategische plaats! En in 1455 ruilden ze land op de terp te Aalsum en in Gerbrandisma goed aldaar. Tenslotte was in 1471 een kleindochter van Sywrd met haar man woenachtich toe Roerda by Aelsim. Aan het eind van de 15de eeuw lijken de Rypkema's gewone boeren te zijn geworden. De concurrentie met grotere hoofdelingen in de streek, zoals de Oenema's, Douwama's en Wiarda's hebben ze niet volgehouden. De goederen te Birstum en Hottinga te Aalsum kwamen uiteindelijk aan het klooster Aalsum; Roorda state te Aalsum aan de Jacobijnen van Leeuwarden, waarna het na de Reformatie aan het Sint-Antonygasthuis kwam.
- Jelckema te Meskewier Akkrum
<1500 Noomen: "Over de Schieringer hoofdelingen Jelckema, afwisselend Wybe en Jarich geheten. Naast hun stins te Meskewier lag nog in 1718 een stinswier.
- Waltinga Pingjum
<1504 In 1664 werd Waltinga, met Hania en Pibema, nog als adellijke state te Pingjum aangegeven. In 1832 lag om het erf en de boomgaard nog een brede gracht Hobbe Buwesz op Waltinga was één van de eerbaarsten van Pingjum, die in 1504 samen met Douwe Hiddema en Douwe Abbez op Hania het dijkrecht van Pingjum opstelden. In 1511 gebruikte hij eigen land onder Pingjum. Hobbe kreeg in 1516 van het centraal gezag de geconfisqueerde goederen van jonge Sybrant te Schraard toegezegd als vergoeding van syn fangenschip. In 1519 kreeg hij als balling financiële steun van de Bourgondiers. In 1527 kreeg hij een boete opgelegd omdat hij iemand een steekwond in de arm had toegebracht. In 1532 werd het huwelijkscontract opgesteld tussen Hobbes zoon Andries Waltinga en Trynke Glins. Andries' moeder Rieme Hobbe Wattinga-weduwe, een dochter van Doecke Rinia en Lisck Sickema, gaf het jonge paar bij die gelegenheid Wattinga gued thoe Pingum mei eer ende feer, waar ze toen woonden, met al het timmert en huisraad. Ze beloofde bovendien vervreemde en belaste delen van het goed weer vrij te maken. In 1531 procedeerden Andries Hobbez Wantnye en zijn moeder met het klooster Tjummarum over de door jonge Lisck, een zuster van Andries' moeder, in het klooster ingebrachte land.Andries van Waltinga vestigde zich op het in 1541 door hem aangekochte huis Sickema te Herbayum (waarop zijn grootmoeder Lisck Sickema was geboren, en waarin bovendien zijn vrouw van haar moeder gekregen rechten bezat). Gedurende enkele generaties bleef dit huis het belangrijkste Waltinga-huis. Wel woonde in 1578 ook in Pingjum nog een Waltinga: Liuue Walthya, aangeslagen als edelman. Terwijl op Sickema in Herbayum nog wèl Waltinga's woonden, was Waltinga in Pingjum in 1640 buiten de familie geraakt. Eigenaars waren toen dr. Beilanus, Michiel Potter en Frans Gosses Heringa; zij verpachtten het goed. In 1664 werd Waltinga, met Hania en Pibema, nog als adellijke state te Pingjum aangegeven. I
- Unia-of-Nyehuys Beers
<1500 In 1515 in vlammen opgegaan, en herbouwd. In 1756 gesloopt om plaats te maken voor een boerderij. Deze is in 1879 afgebroken. De state Nyehuis werd in het begin van de 16de eeuw bewoond door een zijtak van de Unia's uit Wirdum. Het huis wordt meestal geen stins, maar state genoemd.
Beers was in de middeleeuwen een klein dorpje en sindsdien zijn er weinig inwoners bij gekomen. Wel stond daar de Uniastins waar in 1443 Keimpe Unia de scepter zwaaide. Deze Keimpe was een van de meest vooraanstaande edelen en een van de aanvoerders van de Schieringer partij. De stins bood regelmatig onderdak aan Schieringer vechtjassen, wat natuurlijk niet naar de zin was van de Vetkopers in het nabije Leeuwarden. Die probeerden dan ook de stins in te nemen, maar hoe vaak ze het ook probeerden en hoe hard ze ook hun best deden, het lukte hen niet de stins en zijn bewoners klein te krijgen. In 1498 was Worp Keimpes Unia eigenaar. Hij is grietman van Leeuwarderadeel en één der hoofden van de Schieringers, die wellicht de state bewoonde. Wat de Leeuwarders eerder niet gelukt was, kreeg de Zwarte Hoop in 1515 wel voor elkaar en net als de rest van het dorp ging de stins in vlammen op. Maar de Uniastins wordt weer herbouwd. In 1616 komt het geheel in het bezit van Tjaerd Tyara. Door hem werd waarschijnlijk de stins uitgebreid
In het jaar 1700 kreeg het huis de naam Nieuw Huistra-State of Nyenhuis'. In 1756 liet Hobbe van Aylva, generaal en gouverneur van Maastricht, het gebouw, op de poort na, slopen om er een statige boerderij voor in de plaats te zetten. Deze boerderij werd vrijwel zeker gebouwd van het afbraakmateriaal van de state; dat gebeurde in die tijd wel vaker.
In 1786 was de boerderij eigendom van jonker H.W. van Aylva, grietman van Het Bildt en was deze in gebruik bij Meinte Sjoerds Meinsma, mederechter van Baarderadeel. Als de boerderij op 28 juni 1879 op afbraak verkocht wordt, is de poort het enige dat overblijft.
- Oedsinga of Hottinga Dronrijp
Aan het begin van de 15de eeuw was Oedsinga of Osinga het huis van de familie Oedsinga. In 1529 behoorde Osinga of Oedsma state en de daarbij behorende zwanenjacht aan Juws zoon Sicke Hottinga. In de loop van de 16de eeuw raakte Oedsinga in verval.
In 1476 is er te Dronrijp sprake van ene Sicke Allartz Oedzinga die waarschijnlijk op Osinga State woonde.
- Martena Franeker
<1517 1498 Rond 1700 drastisch verbouwd. In 1972 gerestaureerd en in gebruik genomen als gemeentehuis, gebouwd door Hessel Martena, die zelf met een meisje Hottinga een van de Sjaerda-erfgenamen was getrouwd. In 1517 maakte hij in zijn testament ondermeer beschikkingen over myn huiss met schuren ende hoevenn in Franicker. Het huis is in 1498 ontstaan. Hessel van Martena, een uit Cornjum afkomstig edelman, liet in 1498 op deze plaats een huis bouwen.
In 1694 kwam het pand door openbare verkoping in eigendom van Suffridius Westerhuis. Hij heeft rond 1700 het pand drastisch verbouwd, waarbij aan de Voorstraat een hoofdingang werd gemaakt.
In 1826 erft mr. Albartus Deketh het huis. Hij is een zoon van mr. Petrus Deketh en Gezina barbera Telting en daarmee een kleinzoon van de vorige eigenaresse. Acht jaar later besluit hij het huis te verkopen, omdat hij er zelf niet woont. Hij verkoopt Martenahuis aan zijn achterneef mr. Albartus Telting, die het geheel koopt voor f. 5.000. Het huis werd toen bewoond door dhr Walraven Willem Noodt, de kelders door Sjoerd Faber en Koenraad Ysbrandi.
In 1895 werd het pand aangekocht door de gemeente Franekeradeel en in 1971 en 1972 werd het pand gerestaureerd en geschikt gemaakt als gemeentehuis. Inmiddels is het geen gemeentehuis meer
- Juwingahuis Bolsward
in 1839 afgebroken Juwingahuis in bezit te zijn van Oeberius.
<1400 <1513 In 1513 verwoest (en weer opgebouwd). In 1839 is het huis gesloopt
De stadshoofdelingen waren aan het einde van de 14de eeuw de Juwinga's. Zij verzwagerden zich in de vroege 15de eeuw met de Walta's uit Tjerkwerd en de Hottinga's van Nijland. Walta, Hottinga en Juwinga werden daarmee feitelijk één familie. Tot in de vroege 16de eeuw bleven de Juwinga's de stadshoofdelingen van Bolsward. Zij hadden in de stad een indrukwekkende stins Juwingahuis met een ommuurde hof ernaast.
Juwinga en later het Hooghuis genaamd, van het oude geslacht Jongema, hetwelk het voorregt had van altoos eenen Olderman der stad en Gilden in de Regering te hebben, hetwelk zijn aanzien en invloed in het bestuur der zaken grootelijks vermeerderde, waarom het ook in de processie voor alle anderen ging. Het laatste mannelijk lid van dit geslacht van Godschalck Jongema, die in het jaar 1545, wegens de stad Bolsward, als Olderman in bezending gebruikt werd, tot het doen van nadrukkelijke vertoogen aan den Keizer tegen het verkrachten van ‘s Lands voorregten en het opleggen van ongewone lasten. Na die tijd schijnt het voorregt van Oldermanschap, waarschijnlijk door huwelijk, overgegaan te zijn op het geslacht Herema’s. Jongema-Huis is, in het jaar 1839, door den toenmaligen eigenaar afgebroken, en de gronden van 19 v. r. 70 v. ell., en in eigendom toebehoorende aan den Heer Sicke Braunius Oeberius, Seceratris van de stad Bolsward.
In 1513 wordt het Jongemahuis verwoest in de strijd tussen Gelderse en Saksische troepen. De dochter van Goslick, Sijts van Jongema, trouwt later met Johan van Herema, de zoon van Tjerck van Walta, waaruit blijkt dat de vijandschap van de vaders niet overging op de kinderen. Johan van Herema werd ook grietman van Wonseradeel en de familie heeft het bovengenoemde huis bewoond.
- Lieuwkema Makkum
De Lieuwkema's trouwden ondermeer met Hoppers, Buwalda's en Van Terwisscha's. Ze pretendeerden afstamming van de grote hoofdelingen Liauckema van Sexbierum.
- Epinga Pietersbierum
Het lag ten zuiden van de Hoarnestreek, ten oosten van Mernstera en ten westen van de Jaagakker met de Hogesteed
<1500 Tussen 1525 en 1546 pachtgoed geworden Dit huis, in de 15de eeuw woonplaats van de adellijke familie Epinga, werd tussen 1525 en 1546 pachtgoed en verdween als zelfstandig bedrijf geheel tussen 1558 en 1640. De oudste vermelding van het goed is Epinghe in 1506.
- Goslingaland, Feyckemasate, Hege Wier Sexbierum
<1546 De namen Goslinge land en Feyckema saete worden voor het eerst in 1546 vermeld; de gangbare aanduiding tegenwoordig is de Hege Wier.
- De Werringa Marssum
Ten westen van het kerkeland de Buirefenne was in 1718 ten noorden van het dorp naast een boerderij nog de plaats bekend van een inmiddels geslechte wier. Als naam wordt daarbij aangegeven de Werringa.
In 1640 was juffer Van Espelbach eigenares van de bijbehorende boerderij, in 1700 was Tjalling Camstra van Rinsumageest eigenaar.
- Oedsma of Juckema Boxum
<1420 <1400 In 1481 verwoest, na 1505 herbouwd. In 1670 is het huis afgebroken
Oedsma's zouden aan klooster Lidlum een uithof te Boxum hebben geschonken. Oedsma komt in 1420 voor onder de Schieringer hoofdelingen. De oorspronkelijke stins werd waarschijnlijk al ver vóór 1400 gebouwd.
In de noordwestelijke hoek van de Hegedyk en de Tiltsjedyk liggen nog twee lage terpjes.
Worp hoofdeling van het dorp liet zich ook 400 goudguldens door de stad uitbetalen voor de vernieling van Oedsma State. Rond 1505 was hij Grietman van Ferwerderadeel. Van dat geld heeft hij Oedsma State mogelijk herbouwd.
Rond 1640 woont hier nog een Walta Juckema. In 1670 is eigenaresse Vrouwe Lucia van Walta, wed. van de Heere van Sommelsdijk. Het huis is dan afgebroken en het terrein van 5 pondemaat wordt in verschillende stukjes verhuurd.
- Ockinga huis, Hoxwier Franeker
<1536 Afgebroken in 1887. In 1536 woonde in het huis mr. Hette of Hector van Hoxwier. Omdat hij met Ath, dochter van Gerrolt Herema en Luts Sjaerdema was getrouwd, kan het huis als een van de huizen van de erven Sjaerdema worden gezien. (…) Ernaast lag het abtshuis van Klaarkamp. (…) In 1598 werd het Ockingahuis door de Franeker burgemeester Juckema bewoond. (…).
Om plaats te maken voor het nieuwe weeshuis werd het geheel in 1887 afgebroken.
- Hottinga huis, Oistheim Franeker
<1536 Het terrein van het huis is sinds 1891 opgenomen in dat van het psychiatrisch ziekenhuis Het Hans van Oistheim-, Offenhuysens- of Hottinga-huys aan de Voorstraat ZZ Appelatief komen de aanduidingen Oistheim huys in 1536 en Offenhuysens huys in 1598 voor; later heet het Hottinga huys.
Echtpaar Dominicus (Douwe) van Hottinga en Habel van Offenhuysen, dat er rond 1600 woonde; in 1664 was secr. Fogelsang de eigenaar.
Een eerdere bewoner Hans van Oistheim
Groot-Botnia
<1538 1450-1500 Het huis werd voor het grootste deel in 1810 afgebroken en pas in de loop van de 19e eeuw is de gehandhaafde noordmuur hergebruikt bij de bouw van de Korenbeurs In 1538 was Juw Botnia, ridder en raadsheer van de keizer, de eigenaar.
Het huis werd in 1810 grotendeels afgebroken, een deel van de noordmuur werd bij de bouw van hotel De Koornbeurs hergebruikt.
Oud Botnia, ter plaatse van het stadhuis Franeker
<1536 In 1561 afgebroken ten behoeve van een nieuw raadhuis wordt in 1536 als her Julius huys en in 1538 als her Juus olde huuys aangeduid, dit in tegenstelling tot het er tegenover gelegen heer Juus ny huuys, oftwel Groot-Botniahuis. Heer Juw of Julius was Juw van Botnia, ridder. Bij de verkoop van dit huis in 1550 aan de stad, die het als stadhuis in gebruik nam en er in 1598 het huidige stadhuis liet bouwen, werd vermeld dat het op grond van Feicke van Botnia stond. Bij de verkoop van 1550 werd het Oud-Botniahuis als volgt omschreven: een hoeckhuys dair eenen Jacob Woutersz goudtsmidt inne woont mitten schuyr ende 't browhuys ende den gehelen ledige plaetz op 't zuyd van voorz. huys sampt de put myt 't radt ende ketten sulcx als dair toe behoort, ... op Fecke van Botnya landt, wij Hero ende juffrow Anna selfs op 't zuyd, de voorz. Brolbrugge op 't noordt. In 1561 werd door de stad nog een aangrenzend pand bijgekocht.
Cammingha huis Franeker
<1510 <1400 De stins in't west van Sinte Martens kerck wordt met toebehoor expliciet op 28 januari 1510 voor het eerst genoemd. Het wordt dan omschreven als dat stens gedekt met pannen ende dat hws gedeckt met blaw leyen staende in't west van Sinte Martens kerck binnen Fraenker met horen toebehoeren, als't vorschreven Edwar Zyerde ... ende Lutzie ... nwtertyt bruckende zyn, ende die steden dar hws ende stens vorschreven up staet met sampt all die hwssteden van dit stins ende hws int nordt streckende tot Frerick Jansz' hws upt Kowdal. Naar een latere eigenaar heette het in 1552 't huys daer Minne van Cammingha bewoont, in 1576 't huys byder kercke, in 1643 nadat het de functie van logement had verkregen inne Fergulde Falck oppe Merckt en in 1646 Camminghahuis, waar de Volk uithangt. Het huis was, totdat in 1446 het Sjaerdemaslot op Kalahey werd gesticht, het belangrijkste Sjaerdemahuis binnen de stad Franeker.
Na de bouw van het Sjaerdemaslot fungeerde Sjaerdema bij de kerk als filiaal van het slot, waar verwanten van het familiehoofd konden wonen.
De oudst bekende bewoner was Sicke Siaerda, die eigenaar van de stins was tot zijn dood in 1422. Zijn dochter Edwer Sjaerda, die getrouwd is met Douwe Sjaerdema (gedoopt als Douwe Aylva) erft dan het huis. Als Edwer na 1510 is overleden, vinden we in 1527 Lutke (Luts) van Sjaerdema, dochter van Douwe en Edwer, met haar man Gerrolt van Herema als eigenaar van de stins en in 1552 Luts van Herema, een dochter van Gerrolt en Lutke, die getrouwd is met Minne van Cammingha. In 1571 erft zoon Gerrolt van Cammingha het huis dat dan al zo’n 25 jaar Camminghahuis wordt genoemd. In 1600 woont hier Jkvr. Atcke van Ockinga, weduwe van Gerrolt van Cammingha. Ten westen van de stins werd in de l5e eeuw wellicht door de Sjaerdema's een woonhuis gebouwd.
In 1631 is het pand in handen van Ruurd van Juckema en zijn vrouw Edwer Gerroltsdr. van Cammingha. In 1643 is het in ieder geval een logement en in 1646 wordt het huis vermeld als Camminghahuis, waar de Valk uithangt. In 1648 is Gerrolt van Juckema eigenaar, die o.a. ook eigenaar was van Camstra State te Firdgum en in 1670 Duco Martena van Burmania, die grietman is van Wymbritseradeel en inmiddels op Epema State te Ysbrechtum woont en ook eigenaar is van Camstra State te Firdgum. Als exploitant van het logement wordt in 1676 Hessel Claessen genoemd. In de loop van de 17e eeuw is de stins gesloopt, later gevolgd door het noord-zuid huis.
Klein Botnia Franeker
<1538 <1530 In 1853 werd het huis bestemd tot Diaconie-weeshuis
In 1538 het huis van Vrouw her Tzalincx (namelijk: Frouck Hottinga, weduwe van heer Tialingh Botnia) In 1598 Pieter Bast heet het dan ook heer Tyallingh van Bottnya ridder etc. huys. Naar een latere eigenaar werd het in 1735 incidenteel Gerroltsmahuis genoemd. Tegenwoordig wordt het meestal Klein-Botniahuis genoemd. Aan het einde van de 18de eeuw werd het na een schenking bestemd tot Diakonie-weeshuis.
Omstreeks 1530-1540 werd een reeds bestaand gebouw waarschijnlijk door Jarich (van) Botnia, grietman van Franekeradeel, drastisch verbouwd.
- Egmondshuis Franeker
<1598 Egmondshuis op de hoek van de Dijkstraat en de Lijnbaanstraat.
- Dekema Franeker
<1525 In 1525 nam Cathryn Hottinga, weduwe van Juw Dekema, een fideicommissaire bepaling op in haar testament betreffende dat huus toe Franeker dat in eerste instantie aan haar zoon meester Jarich Dekema zou toevallen. In een volgend testament, uit 1528, noemde ze dat huys daer ick nu ter tydt bewoon staende opt suyd van de kerck ende plaets der stadt van Franeker met dat hof, schuer ende huisraed opnieuw.
- Het huis en de state van Hoppers
<1537 Het grondbezit van de Staverse familie Hopper - landen, suaenen, terpen, steeden leggende tot Hemelum - werd in 1537 genoemd. In 1575 kreeg dat huys ende state van Hoppers van koning Philips II een bijzonder statuut.
- Old Galama Oudega
Te Oudega bouwde Ige Galesz Galama aan het eind van de 15de eeuw een sterke stins. Vanaf zijn huis in Oudega beroofde hij over de Fluessen langsvarende Sneker - en dus Schieringer- kooplieden. In 1487 traden de Schieringers tegen de Galama's op. Eerst beschoten ze Galama-huis te Koudum en namen het in. Daarna beschoten ze met Sneecker grote bosse, het stadskanon van Sneek dus, Yge Gaelis huys, dat in Oldegae stonde. Ende was seer sterck: want (als men seit) soe waeren die mueren vyftien grote stenen dick. Yge zelf was niet thuis; het huis werd beheerd door zijn zoon Otto Yge Gaelisz. Na een lange belegering, waarbij het kanon veel muurwerk stuk schoot, moest Otto Ygez het huis opgeven. Hijzelf werd gevangen genomen en op Hettinga in de Hommerts gevangen gezet. Het huis werd geheel afgebroken.
Harinxmastins
<1300 In 1560 is de stins al verdwenen Het gebouw werd mogelijk in de 13e eeuw gebouwd. De stad Sloten ontstond langs de handelsweg van Bentheim naar Stavoren in de dertiende eeuw. Waar deze weg gekruist werd door een andere belangrijke weg, was een versterkt huis gebouwd, dat deze kruising beheerste. Dit huis werd waarschijnlijk door de Harinxma's of een voorvader van hen gebouwd. In de vijftiende eeuw wordt de Stins in ieder geval bewoond door afstammelingen van Haring Donia (circa 1400), die zich Haringsma en later Harinxma noemden. In het midden van de vijftiende eeuw woonde Watze Bockes Haringsma in het huis. Een afstammeling van hem, Homme Harinxma, die getrouwd was met Doedt van Mockema, is waarschijnlijk de laatste bewoner geweest. Zij wonen namelijk later in de Sjuxmastate te Waaxens. De afstammelingen van Homme en Doedt gingen zich Van Harinxma thoe Slooten noemen.
Wellicht heeft het huis dienst gedaan als tolhuis: als controlepunt voor het betalen van de passagegelden. Het is echter ook mogelijk dat er bij het kruispunt van weg en gracht, bij de brug, een afzonderlijk tolhuis heeft gestaan. Tijdens verschillende belegeringen van Sloten, wat regelmatig voorkwam omdat Sloten een strategische nederzetting was, had de stins voldoende bescherming geboden. Maar bij een beleg in 1523 werd het gedeeltelijk gesloopt en in 1531 op last van Karel V geheel ontmanteld. Om de plek waar de Van Harinxmastins gestaan had kwam een grote dwinger (bastion) als onderdeel van de vesting Sloten. Deze werd toen Harinxmaschans genoemd.
- Wolsma stins, 'Groet steenhuys' Ouwsterhaule
<1480 Wol, de naamgever van de familie Wolsma, werd in 1480 in de omgeving van Ouwsterhaule genoemd; de familie Wolsma en haar groet steenhuys of stens worden in de 16de eeuw vermeld. In zijn brief van rond 1570 vertelde mr. Minne Broersma dat zijn moeder een achterkleindochter was van Folkert Wolsz of Wolsma en dat het steenhuis van deze familie te Ouwsterhaule een belangrijke versterking was: een seer groet steenhuys op haer saeten ende landen, van welcken stens ick anno '53 den muyren noch hebbe gesien, ende heeft 't zelve met yseren doeren geweest, staende toe middel in't ae, ... ende is 't zelve stens het machtichste, hoochste ende starckste geacht geweest in den geheele Sevenwolden, soe dat men van oldts secht op 't zelve stens gebrocht ende bewaert toe syn Saenwaldma bosse.
Het kanon van de woudlieden of Woudfriezen die we in de Thaborse kronieken van de 15de eeuw zo vaak aan de vetevoering zien deelnemen, werd hier dus bewaard.
Zo verkocht Poppe Folkerts Wolsma in 1621 land tussen de oude dijk en de veenscheiding in Ouwsterhaule en was Poppe in 1640 daar eigenaar en gebruiker van twee naast elkaar gelegen stemmende sates
- Sickinga staete Ouwsterhaule
<1490 De oudst bekende bewoner was Abbe Idskes van Sickinga. Hij werd geboren voor 1490 en was dorpsrechter van Ouwsterhaule. In 1640 was jonker Gerrit van Sickinga eigenaar van Sickinga state in Ouwsterhaule en gelijktijdig van Sickinga op't Wold in Oudeschoot. Bovendien pretendeerden de Sickinga's in die tijd het zwanenrecht over het grondgebied van de dorpen Goengaryp, Broek en Ouwsterhaule.
- Popkemahuis Leeuwarden
<1450 Popkemahuis lag op het Nieuwland bij Bilgaard. De oudst bekende eigenaar is Gerke, die in het midden van de 15de eeuw leefde. Zijn zoon heer Fedde was pastoor van de Sint-Vituskerk van Oldehove. Aan het eind van de 15de eeuw hadden de Cammingha's een klein deel van Popkemahuis. Doed Dokema alias Cammingha beschikte in haar testament van 1499 ondermeer over een rente in Popkama goed, die heer Fedde mogelijk zou inlossen. Van Doeds kleinzoon Haye Cammingha kocht heer Fedde land gelegen in prediis meis in Popkema huyss voor 1523 terug.
In zijn testament van 1523 maakte heer Fedde deze twee halfzusters tot zijn erfgenamen. Zij waren in 1540 dan ook eigenaars van de twee goederen toe Popkamahuys onder Bilgaard, die in 1511 nog eigendom van heer Fedde waren geweest.
Juwsma State (Wirdum)
<1400 <1515 Op de plaats van de voormalige state werd vanaf 1828 een begraafplaats ingericht Jousma is het stamhuis van de gelijknamige familie. Een zijtak van de familie vestigde zich aan het einde van de 15de eeuw te Warga. In 1517 werd de stins verbeurd verklaard en aan de stad Leeuwarden gegeven.
Eysinga's eigenaar, die in de 19de eeuw ook een begraafplaats inrichtte.
In de laatste helft van de 15e eeuw woonde hier Oene Juwsma, in 1482 grietman van Leeuwarderadeel, die zich in de strijd van de landadel tegen Leeuwarden niet onbetuigd liet. In 1515 woonde Juw Juwsma, waarschijnlijk een zoon van Oene. In de 17e eeuw werd de state verkocht aan de familie Eysinga. Van 1665 tot 1673 woonde hier de grietman Frans van Eysinga, die ook wel van Juckema achter zijn naam plakte.
Toen in 1828 het begraven in de kerk om hygiënische redenen definitief verboden werd, kon de familie geen gebruik meer maken van haar grafkelder in de kerk van Wirdum. Er moest snel een ander oplossing gevonden worden toen in dat zelfde jaar jonker Frans Julius Johan van Eysinga, onder andere oud-grietman van Doniawerstal, overleed werd de begraafplaats ingericht
- Unia Wirdum
1400 <1300 In de late 15de eeuw waren de Unia's veel betrokken bij de partijtwisten. Naast het huis te Wirdum hadden ze toen ook stinzen in Leeuwarden (Uniabuurt) en Beers (Nyehuis). Vanaf 1511 wordt de prebende of dye cappelanye van Unya vermeld, waarvan de bewoners van Unia state de collatie hadden.
De oorspronkelijke stins werd mogelijk reeds vóór 1300 gebouwd.
Het Slot van Unia, ’t welk de eerste stem te Wirdum heeft, was reeds door dat geslagt gesticht in de veertiende eeuw, en strekte tot eene veilige wykplaats voor Auke Keimpes Unia, toe hy in 1498, verzeld met veele huislieden uit Idaarderadeel, Rauwerd en Wirdum, de Leeuwarders, die uit de Wouden naar huis keerden, wilde aantasten, doch door hen geslagen werd. Thans is het oude Stins of Kasteelstooren weggebroken, en aldaar een fraai nieuw huis gebouwd, door een huisman met naame Eelko van Offringa.” Auke Kempes Unia werd op 3 augustus 1499 grietman van Idaarderadeel en bleef dat tot 1502. De floreen- en stemkohieren van Wirdum vermelden echter Jousma State als eerste stem. In het stemkohier van 1698 wordt bij stem nummer 54 vermeld Unia state en stins, Grietie Rienx, weduwe wijlen Gellius Dominici, usufructuaria, papist. De gebruiker van boerderij en landerijen is dan Willem Pijters. Na de bovengenoemde nederlaag tegen de Leeuwarders, waarbij het grootste deel van de Wirdumer vechterbazen op Uniastins het vege lijf redden, ging Auke Unia zijn stins onmiddellijk extra versterken en nam 40 vechtersbazen in dienst om het huis te verdedigen. Niet voor niets, want korte tijd later, op 30 juni van datzelfde jaar trok een strijdmacht van 900 man uit Leeuwarden op naar het zuiden om te plunderen. De helft van dat legertje belegerde de Wirdumer stinsen Unia en Oenema om de terugtocht te dekken en de andere helft trok verder de provincie in. Die tweede groep werd echter verslagen bij een gevecht op het kerkhof van Rauwerd en daarna was ook de belegering van de stinsen gauw bekeken. Auke Unia sloeg terug. Eerst plunderde hij het klooster te Bergum en overmeesterde de stins van Botte Minneszoon. Ondertussen belegerde hij de stad Leeuwarden, maar de Leeuwarders deden voortdurend uitvallen waardoor Auke de stad niet binnen kon komen. Hij verhinderde echter wèl dat de Groningers de Leeuwarders kwamen helpen. Hij versloeg de Groningers terwijl die nog onderweg waren en joeg ze terug naar huis. Daarna bleef het een tijdlang rustig, maar in 1515 laaide de strijd weer op nadat de Leeuwarders enkele huizen te Wirdum in brand hadden gestoken. Na enkele inleidende schermutselingen kwamen de Leeuwarders met zo’n 1.500 Saksische soldaten naar Wirdum. Ze vielen Uniastins aan, overmeesterden de ringmuur en sloegen in de kelders 54 mannen dood. Uniastins werd leeggeplunderd maar bleef staan. De nabijgelegen Juwsmastins werd na geplunderd te zijn wèl in brand gestoken.
- Camstra Wirdum
<1451 >1461 In 1821 is de poort omgewaaid, de state was toen al verdwenen De familienaam van de Wirdumer Camstra's komt in 1369 reeds als de Campis voor; in 1440 als Kampstera voor; de stens to Camstera, het castrum de Camstra oftwel Kampstra statten
In 1486 verdeelden Renicks zonen Peter en Feyko de nalatenschap van hun ouders. Peter kreeg daarbij Fetza state te Jelsum, Feyko kreeg Kampstra statten mitta landen ende gueden. Zij zouden ieder volkomen vrij zijn ermee te handelen, zoals elke frya Fresa of guede eedlingen in dae land.Veel van de Camstragoederen onder Wirdum, waaronder de state, vererfden op Feyckes zoon Homme Camstra, gestorven tussen 1543 en 1548. Zijn dochter Anna trouwde voor 1548 met Gerrolt Feytsma op Oenema in Wirdum. Camstra state vererfde vervolgens binnen de familie van Camstra langs de lijn Foppe Hommez (geb. 1530), Homme (gest. 1579), Tjallingh (1576-1614), Homme (gest. 1652) en zijn broer Goffe (gest. 1663), Tjallingh Hommes (gest.1663) en zijn neef Tjallingh Goffes (gest. 1693). De zonen van deze neven, naar hun vaders vernoemd, waren in 1698 eigenaars: Tjallingh Homme van Camstra, als grietman gereformeerd gezind, en de kapitein Tjallingh Goffe van Camstra, die papist was.
In 1461 sneuvelt Rienck Camstra, die eigenaar is van de Camstra Stins. Omdat hij meerdere zonen heeft, erft de oudste zoon de Stins, terwijl een andere zoon, Feijcke, in 1506 op Camstra State II woont. Waarschijnlijk heeft hij de State laten bouwen. Feijcke is net als zijn vader grietman en een Schieringer, een vechtjas net als zijn kleinzoon, de watergeus Foppe. Feijcke, is getrouwd met Syts Foppes Sjaarda. Hij sterft in 1517. Homme Camstra, een zoon van Feijcke erft de State, terwijl een andere broer, mogelijk door het kinderloos sterven van hun oom, in bezit komt van de Eerste Camstra State. Homme woont tussen 1530 en 1550 op Camstra State. Homme is de vader van de watergeus Foppe Camstra, die hier waarschijnlijk in 1530 geboren is en ca 1570 sterft.
- Oenema of Feitsma Wirdum
<1640 <1436 In 1756 gedeeltelijk afgebroken, in 1848 het restant van het herenhuis, in 1844 is de bijbehorende boerderij afgebrand Ten westen van Wirdum lagen naast elkaar twee staten Oenema. Ter onderscheiding worden ze aangeduid met de toevoegingen Oud, Groot of Klein.
Als familienaam komt Onnama of Oenema in Wirdum in 1436, 1460 en 1463 voor. Als naam voor de twee stinzen respectievelijk Oenama staeten (Cammingha) in 1533 en Clein Oenema state (Feitsma) in 1640. De buurschap waarin beide stinzen lagen heette Marwird of Marwirderaburen, in 1314 Merwethe. Oenema tot Wirdum, bewoont by Feitsma, zoals het huis van Tieth en Jelger Feitsma in het midden van de 17de eeuw werd aangeduid, was waarschijnlijk het zuidwestelijke huis Oenema. In 1664 werd Oenema-Feitsma als edele state Marwird door Schotanus aangegeven.
In de 18de eeuw werd de state voor het eerst verkocht: eenmaal tussen 1700 en 1718, in 1726 en in 1756. In 1726 werd het omschreven als een heerlijke en oud adelijke state, geleegen onder Wirdum aan de gemeene rijdweg, met de aanzienlijke grote huisinge, bestaande in verscheijden zalen, kamers, soo onder als boven, kelders, keukens, agterhuisinge, schuire, paarde- en koestallen, mitsgaders grote hovinge, deftig geprepareert en met kostelijke vrugtbomen beplant en net verdeelt. Voorts met gracht, zingel, homeijen, boomen en plantage en een moestuin over de weg, gerechtigt met een stem en een gestoelte in de kerk tot Wirdum. Bij verschillende verkopen kwam het huis in de late 18de en 19de eeuw herhaaldelijk in dezelfde handen als het aangrenzende Oenema-Cammingha; als eigenaars zijn bekend: Van Cammingha, Van Asbeck, Van Middachten en (tot 1908) Helmig.
In 1756 werd een gedeelte van het huis afgebroken; in 1848 het laatste deel van het herenhuis. In 1844 brandde de bijbehorende boerderij af. De huidige boerderij stamt uit 1848.
In 1755 kocht buurman Wytze Watze van Cammingha de state en alles wat er bij hoorde, maar liet in 1756 een deel van het huis afbreken. In het resterende deel van het huis liet hij een van zijn kinderen wonen. Sinds 1818 woonde er een kleindochter in het huis. Zelf was ze een Van Asbeck en getrouwd met Reint Wilhelmus baron van Middachten. Zij woonden afwisselend te Vollenhove en op Oenema State en hebben veel gedaan voor de RK parochie van Wijtgaard. Op 15 november 1844 brak er brand uit op Oenemastate.
De verwoeste opstallen waren dubbel verzekerd, bij de toenmalige verzekeringmaatschappij O.B.A.S. en Woudsend, en dat betekende niet verzekerd. Jarenlang heeft het terrein een troosteloze aanblik gegeven, omdat de verzekeringmaatschappijen in een juridisch gevecht waren verwikkeld. Pas in 1848 is de statige huizinge gesloopt. Op dezelfde plaats verrees een nieuwe stelpboerderij, die in 1908 is aangekocht door Sjerp IJsselstein. De familie IJsselstein heeft de boerderij tot 1982 bewoond. Er werd toen al jaren geen boerenbedrijf meer uitgeoefend. Daarna is het gebouw verkocht aan de familie Jakobs
- Oenema of Cammingha Wirdum
<1436 Het slot werd in gedeelten, in 1821 en in 1920, afgebroken De andere dochter van Wytze Oenema was Wick Oenema. Zij trouwde eerst met Hessel Abbema van Abbema state in Huizum. Na zijn dood hertrouwde zij in 1454 met Watze Abbes, bijgenaamd Dekema (naar de eerste man van zijn moeder). Naar Oenema state, dat Wick in het huwelijk inbracht, werd Watse Abbes ook Watse Oenema genoemd. Wytse van Cammingha liet Oenama staeten in zijn testament van 1533 na aan zijn zoon Watse. Diens weduwe Frouck Haerda werd in de personele impositie van 1578 in Marwirderburen aangeslagen als edelvrouw, namelijk voor 12 caroligulden. Tot 1821 behoorde Oenama-Cammingha aan leden van de katholiek gebleven familie Cammingha.
17de eeuw werd door Josias Rispens deze state bewoont
In 1436, het slot is dan vermoedelijk al zeer oud, woonde er ene Wytze Oenema met zijn vrouw His Sjaerdema. Zij hadden vier kinderen, namelijk Feijcke, Oene, Wick en Tieth. Ongetwijfeld is de naam van het slot afkomstig van deze familie. Oene Oenema verloor het leven in 1463 nabij Irnsum in de zogenaamde Donia-oorlog, één van de veldslagen in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers. Oene’s zus Wick trouwde met Watzes Abbes Dekema. Hun nazaten, die de naam Cammingha hadden aangenomen, hebben steeds op de state gewoond. De tweede zuster, Tieth, huwde Jelger Feytsma thoe Jelgersma. Dit echtpaar en hun kinderen bewoonden de zuidelijke state, die we als Oud- of Klein-Oenema State kennen. In 1560 is de state eigendom van Watze van Cammingha. De beroemde generaal Wytze Watze van Cammingha woonde in 1584 op de State. Hij was de man van de 12 W’s: wie wil weten waar Wytze Watze woont, Wytze Watze woont west Wirdum. Hij stierf in 1612. In 1653 ontving zijn zoon Watze Wytze de apostolische vicaris Zacharias Metz op Cammingha State, want de Cammingha’s waren en bleven Rooms Katholiek. Het zijn in hoofdzaak de Cammingha’s geweest die ervoor hebben gezorgd dat de RK parochie van Wijtgaard na de Reformatie is blijven bestaan. In 1755 werd deze familie, met steeds een Wytze Watze of Watze Wytze aan het hoofd, ook eigenaar van Oud- of Klein-Oenema State. Een dochter van de in 1764 overleden laatste Watze Wytze van Cammingha schonk twee zilveren armkandelaars aan de kerk van Wijtgaard.
In april 1793 houdt Adriaan Speijart de Woerde uit pure armoede boelgoed op Cammingha State In 1821 kocht timmerman Rondema van Sneek voor ca. ƒ 4.000 de oostelijke vleugel van het huis met de aanzienlijke stalling en de grote schuur op afbraak.
Het resterende bezit was na 1821 in handen van Tjalling Minne van Asbeck en zijn vrouw Susanna Barbara van Cammingha, de schoonouders van Reinier baron van Middachten. Het gespaarde deel van het huis werd na 1821 bewoond door R. de Boer. In 1909 ging opnieuw een deel van het huis tegen de vlakte en het restant van het eens zo roemrijke slot van de Oenema’s en de Cammingha’s is in 1920/’21 gesloopt
- Camstra of Bootsma te Marwird
<1547 <1453 In 1823 waren het huis en de poort al afgebroken Dit huis werd tenminste vanaf het begin van de 16de eeuw bewoond door een neventak van de Camstra's van Wirdum. Het huis te Wyrdom op Kamstra saeten wordt voor het eerst in 1547 vermeld; als Camstra staten in 1575. Naar latere eigenaars wordt het ook wel Bootsma genoemd. De state stond afwisselend bekend als Camstra en Bootsma: in 1664 als de edele state Kamstra, in 1698 als Camstra state, in 1718 als Bootsma, en in 1823 en 1850 weer als Camstra. De state en ook de medevoogdij van het weeshuis in Westernijkerk bleven door vererving en verkoop binnen de familie tot 1849 binnen dezelfde verwantschapskring: van de families Van Bootsma, Van Wyckel, Van Jeltinga en Van Sytzama. In 1669 werd bij testament vastgelegd dat het goed nooit verkocht of verdeeld zou mogen worden. Tot 1764 werd het door de eigenaars zelf bewoond. In 1849 de fideicommissaire bepalingen waren inmiddels niet meer bindend werd Camstra, incluis het aandeel in de Tjallinga-voogdij, buiten de familie verkocht.
Er waren vaak twisten tussen de stad Leeuwarden en de grietenij Leeuwarderadeel. De strijd verscherpt tijdens de rivaliteit tussen de Schieringers en de Vetkopers. Rienck Camstra stond aan de kant van de Schieringers. Hij sneuvelde in 1461 in een gevecht tegen Vetkopers bij het dorp Akmarijp. Rienk Camstra zou als eerste persoon de gevolgen van het gebruik van buskruit hebben ondervonden. Hij was de eerste Friese edelman (headeling in het Fries) die is gedood door een kogel, afgeschoten met buskruit. Rienck heeft drie zonen. De oudste erft de Camstra Stins, die in 1492 door de Vetkopers wordt platgebrand. Waarschijnlijk had deze oudste zoon van Rienck geen kinderen, want na hem is het huis in bezit van een zoon (weer Rienck geheten) van zijn broer Feijcke. Feijcke liet (mogelijk) de Tweede Camstra State bouwen. Na de verwoesting van de stins, laat Wietse Camstra, een neef van Foppe, een huis bouwen in 1549 op de oude plaats van de stins. Wietse stierf kinderloos en het huis kwam in bezit van Hessel Bootsma, bijgenaamd Hessel de Blinde, die tot dan toe op de State Twixel onder Roordahuizum had gewoond. De naam van het huis werd toen Bootsma. Later kwam de state in handen van de familie Van Sytzama, waarschijnlijk via Anna Epedr. van Bootsma, de overgrootmoeder van onderstaande Fecco van Sytzama. Jonkvrouw Margaretha van Dambitz, geboren op en eigenaresse van Het Roodhuis te Minnertsga, die met haar inmiddels overleden man Jhr. Fecco van Sytzama op Camstra State woonde, sloot in oktober 1721 een zogenoemde wandelkoop’met Arent van Haersolte die op Klein Hermana te Minnertsga woonde. Daarbij ruilde zij Het Roodhuis dat dicht bij de kerk in Minnertsga stond tegen zes pondemaat van zijn landerijen onder Sexbierum. Op dat stukje land zal vast en zeker een stem gerust hebben en misschien zelfs twee, anders zou de waarde lang niet opgewogen hebben tegen een groot woonhuis in een ruime hof en verdere aan- en toebehoren.
Beide bezittingen werden gelijkgesteld in waarde, namelijk 1.200 goudguldens. Margaretha van Dambitz bleef tot haar dood in 1741 op Camstra State wonen, waarna het huis naar haar jongste zoon Watze Andries van Sytzama ging. Watze was luitenant in het regement te voet van Willem Hendrik erfprins van Saksen Eisenach. Later werd hij majoor in het regiment van de generaal-luitenant Graf von Lippe Schaumburg. Hij stierf op Camstra/Bootsma State in 1764.
- Friesma Idaard
<1511 1625 In 1881 gesloopt Het goed nam in de 17de eeuw de functie van Roorda te Grouw als stamhuis van de Idaarderadeelster grietmansfamilie Roorda over; de familie stierf daarna snel uit. De oudst vermelde eigenaar-bewoner is Hette Gerritsz in 1511 en 1543. (…) Vóór 1640 en opnieuw in 1649 in dat jaar ongeveer 60 pondematen wisten Abraham en zijn neef Carel Roorda uit Grouw het goed te kopen. Het hele goed was 95 pondematen groot. Uit de omschrijving Friesma state ende sate, met de geheele huisinge, hoijbergh, watermeulen en alle widere gerechticheit daerinne versmolten blijkt duidelijk dat het in 1649 om een gewone boerderij ging. Waarschijnlijk bezaten de Roorda's ook in 1622 al rechten op Friesma,
Carel Roorda, grietman van Idaarderadeel, gaf rond 1649 Groot Roorda in Grouw als woonplaats op en vestigde zich op Friesma. Hij liet op de sate het classicistische landhuis bouwen, dat in 1881 werd afgebroken.
De State is vermoedelijk kort na 1625 ontstaan.Van oorsprong bevond zich bij Idaard het landgoed Friesemazathe. Dit landgoed was in de loop van de eeuwen erg versnipperd geraakt. Rond 1625 woont in de Groot Roorda State bij Grouw Carel van Roorda, die grietman van Idaarderadeel is. Deze Carel verenigt de versnipperde percelen van de Friesemazathe weer tot één geheel en laat waarschijnlijk de zathe (boerderij) verbouwen tot state en gaat er wonen. Als hij in 1670 sterft, vererft de State op zijn zus Sophia, die getrouwd is met Joannes van Velsen. Hiermee komt de State in de familie Van Velsen. De familie Van Velsen sterft al snel uit en dan komt het huis in bezit van de Scheltinga's. In 1728 komen we als eigenaar Cornelis van Scheltinga tegen. (…) Als in 1881 Cornelis Bergsma sterft, laten de erven Bergsma de state afbreken
- Melkema Rinsumageest
<1439 <1532 In 1754 op afbraak verkocht Als Melkama gud en stynze wordt Melkema voor het eerst in 1439 genoemd. Vanaf dat jaar tot in de jaren '80 van de 15de eeuw was het een nevenhuis van Juwsma: het diende als woonplaats voor broers of kinderen van het familiehoofd dat op Juwsma woonde. In 1439 schonk Thieppka Sceltama Melkama gud met stynze, huzinga unde da stadda aan Juw Bottema; de bijbehorende landerijen en rechten - waaronder veengronden in Veenwouden en visrechten bij Aeckera therp ten noorden van Akkerwoude -kocht Juw van hem.
In 1581 woonde Ulbe Tiaerdtsz Aylva, gehuwd met Saepck Winia, op Melckema. Van hen stamde de tak op Melkema van de familie Aylva. Hun zoon Tiaerd Aylva was in 1601 grietman van Dantumadeel.
De oorspronkelijke bewoners zullen Melcama geheten hebben, maar over deze familie is weinig bekend. Het geslacht was in mannelijke lijn al vóór 1600 uitgestorven. In de 16e, 17e en 18e eeuw was de state eigendom van een tak van de uitgebreide familie Van Aylva. In 1532 woonde hier Tjaerd Ulbo van Aylva. Zijn zoon Tjaerd van Aylva was in 1582 tijdelijk grietman en in 1601 werd hij het definitief. Zijn (klein)zoon, ook een Tjaerd van Aylva, bekleedde dat ambt van 1656 tot 1666 waarna hij raadsheer in het Hof van Friesland werd. Hij liet de state helemaal verbouwen, vergroten en verfraaien. Deze tweede Tjaerd is in 1679 op Melkama State overleden. Zijn zoon, alweer een Tjaerd, volgde zijn vader in 1666 op als grietman van Dantumadeel en bleef dat tot 1713. Hij woonde met zijn vrouw Helena Maria thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Zij stierven kinderloos en in 1723 werd de state bewoond door een mevrouw Van Unia, dochter van generaal Schratenbach. Daarna gaat het huis diverse keren in andere handen over tot het in 1754 op afbraak werd verkocht. Deze verkoop gebeurde in gedeelten: Cosijnen, Engelsche schoorsteen, Schoorsteenmantel, Goudleeren behangsel, blauwe en bonte vloeren, staande en liggende plaaten, het muurwerk, hout, ijzer en lood. En na zulks zal alles te zamen getrokken in één perceel worden opgeroepen. De poort bracht 67 goudguldens op en de state slechts 1727. Het kasteelterrein en in ieder geval een deel van de landerijen werden bij het naastgelegen Eysinga State gevoegd.
- Eysinga Rinsumageest
<1422 <1400 Het oude huis werd in 1623 afgebroken, een nieuw gebouwd. In 1805 afgebroken, het koetshuis is afgebroken in 1909 Eysinga-huis in Rinsumageest was een belangrijke stins. Bij de beschrijving van de veten rond 1474 wordt het herhaaldelijk genoemd; wèl was Tjaerda-huis sterker dan Eysinga.
In 1789 werd de grote state verkocht aan J.P. Andrae van Haren, een zoon van Onno Zwier van Haren, die er in 1793 nog een koetshuis, een stal en een koetsierswoning bij liet bouwen. In 1798 had jonker Van Haren echter al genoeg van het huis. De tijd was dan ook niet gunstig voor de adel en zeker niet voor oranjegezinden. Eysinga State werd verkocht aan de timmerman Oberman, die het verkocht aan Johannes Jacobus Loensma, die het echter weer terugverkocht aan Oberman, die het weer verkocht enz., enz. Enkele jaren lang ging het trotse huis van hand tot hand, in zijn geheel of in gedeelten. Ook de dominee/koopman Cahais heeft een deel van de tuinen en hoven gekocht. In maart 1805 biedt hij uit de hand te koop aan het Engelsch plantsoen van Eisinga-State In 1805 is alles afgebroken.
Het nog maar 12 jaar oude koetshuis, stal en koetsierswoning bleven staan en werden in 1820 als armhuis ingericht. Dit armhuis heette Pleinhuizen. In 1909 is ook dit laatste restant van Eysinga State afgebroken.
Tiaerda Rinsumageest
<1223 <1450 In 1834 afgebroken Al vroeg wordt Rinsumageest als de woonplaats van aanzienlijken genoemd. In de tweede helft van de 11de eeuw woonde hier Ulbrand, die schout was; zijn verwanten werden als edelen (nobiles) aangeduid. Vanwege de ligging van Tjaerda-huis en Juwsma-huis in Rinsumageest dicht tegen een in oorsprong grafelijk domein aan, ligt de veronderstelling voor de hand dat de Tjaerda's rechtsopvolgers van deze grafelijke ambtenaar waren. Honderdvijftig jaar later, in 1223, wordt in de kroniek van Wittewierum in de omgeving van Dokkum een castellum Thitardi genoemd. Tegen de achtergrond van de naamsvorming bij de oudste stinzen uit persoonsnamen zou daarmee de Tjaerda-stins bedoeld kunnen zijn. Honderdtwintig jaar, in 1341, later woonde in Rinsumageest een aanzienlijke leek Thitard met ondermeer de zonen Hessel, naar wie de Juwsma's genoemd kunnen zijn, en Sidachus, van wie de Tjaerda's zouden kunnen afstammen. De eerste geheel zekere bewoner van Tjaerda-huis was Sydze Thiarda upter Gaest. In 1421 bezegelde hij rechten op veen van het klooster Klaarkamp, in 1422 bezegelde hij samen met Juwsma's en Eysinga uit Rinsumageest het verdrag van de Friese hoofdelingen met Focko Ukena, en tot 1444 komt hij herhaaldelijk als grietman van Dantumadeel, mederechter en hoofdeling voor. Vanwege zijn keuze voor de hertog van Saksen namen de Geldersen in 1515 zijn huis in en staken het in brand, nadat ze all wt braken, dat hoer diende ende voerden't binnen Dokkum. (…) maakte hij in zijn testament van 1540 Tjaerda state tot het centrum van een omvangrijk fideicommis. Behalve Tziaerda huis ofte slot, schuyre, langhuys met eer, feer, heerlicheit, swannejacht, gewalt (…). De stinzen Tjaerda en Juwsma waren ook militair van belang. Beide komen herhaaldelijk in een context van geweld voor. (…) Tjaerda werd door Sydts Tjaerda aan het begin van de 16de eeuw opnieuw opgebouwd. Als kernvertrekken, waarin zijn weduwe zou mogen blijven wonen, noemde hij in zijn testament dye grote camer dat stins, dye coecken, onse slaapkamer, dye camer by het brouhuys met dye uuthganck tot der brugge.
In 1242 wordt te Rinsumageest een zekere Botte d’ Gast vermeld. Die naam kan naar modern Nederlands vertaald worden als Bote van de Gaast oftewel Bote uit Rinsumageest. Mogelijk bewoonde deze Botte al een (voorloper van de) Tjaerdastins. In de eerste helft van de 15e eeuw komen we als eigenaar van de Stins Sydachus of Syds Thiarda tegen. In 1423 was hij grietman van Dantumadeel en vervulde daarnaast ook nog allerlei andere functies. Na zijn dood werd de Stins geërfd door zijn zoon Werp. Een jongere broer, Barthold, verkreeg in 1452 de stins Sterkenburg te Sybrandahuis. Diens afstammelingen noemden zich later Tjaerda/Tjarda van Starkenborgh en vestigden zich zich in de Groninger Ommelanden.
- Galama Hemelem
Beide Boerderijplaatsen waren in 1832 in bezit van jkvr. Rengers
Als militair tegenwicht tegen de Spycker van het klooster Hemelum, die als Schieringer machtsbasis diende, wordt herhaaldelijk een Vetkopers steunpunt te Hemelum genoemd. Daarbij worden de families Galama en Donia genoemd.
- Epema (Sch. en E.)
Epema, Epama of Ebema-state, voorm. state
- Harinxma Heeg
<1399 In 1832 was het terrein van Harinxma-huis tot tuinen verkaveld De stins van de Harinxma's in Heeg was het stamhuis van de familie. Rechtsvoorgangers van Haring het huis hebben gesticht op voormalig kerkelijk bezit. Haring in Heeg was aanvankelijk medestander van hertog Albrecht van Beieren.
Douwes zoon Haring Douwaz Harinxma werd in 1468 door een Hollandse spion genoemd als hoofdeling van een dorp met eenen slotken geheeten den Haghen.
- De stinsfenne in de sate Holpoort Jutrijp
<1511 De sate Holpoort ontleende zijn naam aan het nabij gelegen meertje. In 1511 wordt in de sate ter Helpoerta een perceel van twee pondematen grasland, genoempt die Stins fenne genoemd. De sate was toen voornamelijk eigenerfd bezit van de gebruiker Gerben Doeythiaz, terwijl drie anderen met de pastoor kleine renten uit het goed trokken.
- Hettinga Hommerts
<1468 In 1422 behoorde Teta in Hummertse tot de hoofdelingen die zich aansloten bij het verdrag met Focke Ukena. Tetes nakomelingen noemden zich in de 16de eeuw Hettinga, hoewel ze ook vaak alleen met hun vadersnaam werden aangeduid. De Hettinga's waren in de 15de en vroege 16de eeuw bij talrijke vetes en oorlogshandelingen betrokken. Rond 1468 beheerde hij een dorp met een slotken geheeten in die Hommers
In 1552 woonde Epe Hommez Hettinga als heerschap in de Hommerts; hij had een volledig harnas in huis. De laatste Hettinga in de Hommerts was zijn zoon Tiete Epesz van Hettinga. Deze was in 1561 kerkvoogd; hij was ook grietman van Baarderadeel (1558-1567) en sloot zich, nadat hij in 1568 verbannen was, bij de Geuzen aan.
- Huis te Rijs
Het huis te Rijs werd aan het begin van de twintigste eeuw afgebroken en vervangen door een modern huis
<1800 Waarschijnlijk stond op de uithof, zoals bij veel andere kloosters en uithoven tevens een stins. De uithof wordt tenminste vermeld in een vetecontext: in 1486 werd hij door Yge Galama, die zijn intrek op de naburige Galamastins in Bakhuizen had genomen, verwoest. In de 17de eeuw ontstond te Rijs een groot landgoed, eerst van De Wildt, later door vererving van de families Rengers en Van Swinderen.
De omgeving van Rijs behoorde vroeger aan de Galama's, die ook een stins hadden in Rijs, niet ver van het latere buitenhuis. De plaats Rijs werd eigenlijk gesticht door Hiob De Ruyter De Wildt, oud-secretaris van de Admiraliteit van Amsterdam. Hij werd in de zeventiende eeuw eigenaar van Rijs en omstreken, dat toen uit heuvelachtige heidevelden bestond. Hij liet o.a. graan verbouwen en tabaksplantages aanleggen. Voor zichzelf liet hij een lusthof aanleggen, bestaande uit het Huis te Rijs
Een kleinzoon van Hiob, David de Wildt, trouwde met Nicasia van der Haer. Na zijn dood hertrouwde zijn weduwe in 1756 met Ulbo Aylva Rengers, grietman van Gaasterland, waarmee het Huis te Rijs in deze familie kwam. Na de dood van dit echtpaar erfde hun zoon Albertus Aemilius Rengers het slot, dat daarna door het huwelijk van zijn dochter Constantia Johanna met Jhr. Gerard Reynier Gerlacius van Swinderen in het bezit van deze oorspronkelijk Groningse familie kwam.
Huis te Rijs aan het begin van de twintigste eeuw afgebroken en vervangen door een modern huis.
- De wier tegenover Riniastate Oudemirdum
Tegenover de plaats van het latere in 1844 gestichte huis Riniastate werd in 1718 en 1739 een wier naast een huis aangegeven. De akkers rondom bestaan uit hoge zwarte enkeerdgronden, gedeeltelijk met keileem. In 1832 en 1855 stond er nog een huis
- Wier in Hoyteburen bezuiden de Hereweg Nijemirdum
Ten zuiden van de weg twee stinswieren aan, beide naast een boerderij.
- Meerestein vr. Coehoorn en Van Haren (
Het huis werd in 1678 gebouwd. Menno van Coehoorn liet in 1678 de buitenplaats Meerestein bouwen en trok er zich terug door tegenstellingen binnen het leger.
Hier schreef hij De Nieuwe Vestingbouw, dat in 1685 werd uitgegeven. Dit boek werd beschouwd als een meesterwerk op het gebied van de vestingbouw en werd dan ook vertaald in Duits, Engels, Frans en Russisch. Na de dood van Menno werd het huis bewoond door zijn zoon Gosewijn Theodoor van Coehoorn, dat daarna verkocht werd aan de familie Patras. In 1811 werd het huis voor afbraak verkocht. Alleen de omringende bossen, de Coehoornbossen, bleven gespaard
- Burmania Epema State
<1566 <1449 Epema was eerst een eigenerfde state, later een herenhuis.
De oudste vermelding is uit 1449 In dat jaar is Abba Sitter eigenaar van een boerderij en een stinswier (= een heuveltje waarop een verdedigbare toren heeft gestaan).
In 1564/1565 koopt een zekere Anne Pietersdr., weduwe van Allaerd Andreasz. Jongma een deel van de landerijen en krijgt zij de helft van een huissteed, tuin en stinswier in Epingaguedt toe Ysbrechtum in de eigendom. Na 1566 slaagt zij er in ook de rest van het Epingaguedt te kopen. Met deze aankoop komt het goed in eigendom van de familie Jongma, die echter met de dood van Pieter Pieters Jongma in 1620 uitsterft.
Het huis vererft dan op zijn neef Idts Idtsz van Albada (die een zoon is van zijn zus Rieme Pieters Jongma).
In 1651 wordt het huis gekocht door Doeke Martena van Burmania, grietman van Wymbritseradeel, die later ook eigenaar is van o.a. Camminghahuis te Franeker en Camstra State te Firdgum. Door Doeke Martena is de state mogelijk in 1652 verbouwd
- Joertsa stins IJsbrechtum
In 1407 wordt deze stins voor het eerst als Jourssa stinze genoemd. Het huis is van belang samen met de stins te Abert/Thabor, de Rodenburg en de Johansma-stins te Sneek en Sickinga te Goënga als één van de stinzen van de stadshoofdeling Rienck Bockema van Sneek. In 1407 was er een geschil tussen het klooster Hospitaal bij Sneek en de Sneker stadshoofdeling heer Reuenic Bockama. Zoenlieden, onder wie Reuenics schoonvader Feckka Sickinga te Goënga, maakten toen een compromis. Ondermeer werd afgesproken dat Reuenic in eigendom zou hebben da fenna by Jourssa stinze buitendijks en verder de kamp die in zijn beste grasland binnendijks ligt. Hoewel het om land bij de stins gaat, ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook de stins zelf aan Rienck Bockema behoorde.
Uit de latere eigendomsgeschiedenis blijkt dat uiteindelijk Hospitaal de stins weer geheel in zijn bezit kreeg. In de late 15de en in de 16de eeuw werd de stins door een pachtboer van Hospitaal bewoond.
- Sickinga of de Hege Wier Goδnga
<1383 Feicke Sickinga wordt rond 1383 samen met zijn neve Sicke Albada genoemd als rechthebbende op een deel van de opbrengst van de -oorspronkelijk grafelijke tol te Staveren. Ze dreigden de Hamburgers met geweld als die niet zouden willen betalen. Uit latere bronnen weten we dat zij te Goënga woonden; hun rechten te Staveren hadden ze van verwanten (maechen) geërfd. Tijdens de Friese oorlog van hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, koos Feicke de zijde van de hertog. Zijn dochter Bott Sickinga trouwde met de eveneens Hollands gezinde Sneker stadshoofdeling Renick Bockema. Renicks dochter His trouwde in 1402 met Agge Haringsz Harinxma van Heeg, die daardoor zowel hoofdeling van Sneek als eigenaar van Sickinga te Goënga werd. Daarna kwam Sickinga aan hun zoon Bocke Harinxma van Sneek. Omdat de Harinxma's over talrijke andere stinzen beschikten, degradeerde Sickinga tot een pachtboerderij. Opmerkelijk is echter wel dat Syckingha in de 15de en 16de eeuw herhaaldelijk wordt genoemd als belangrijk bezit van de Harinxma's; waarschijnlijk mede omdat het oud familiegoed was. Zo was de schade die Bocke Harinxma's pachter op Sickinga in de vete met Hessel Albada had opgelopen één van de punten waarover in de zoen van 1447 overeenstemming werd bereikt. Bockes dochter Yde Harinxma vermaakte in 1483 haar deel van Sickyngha goet tho Goyngum deels aan de armen, deels aan familieleden. Ydes tantezegster Kathryn Feickes Harinxma gaf in 1501 bij testament renten uit Syckinghe Guet toe Goynghum aan haar zuster Yde. Een andere nicht, Katherina Watzes Harinxma genoot in 1518 blijkens haar testament eveneens renten uit een goed in Goënga. Ook de dochter Jel van oude Bocke Harinxma, die gehuwd was met Kempo Jongema, kreeg een aandeel in het voorouderlijke Sickinga. Haar kleinzoon Laes Agges Jongema, die zelf ook met een vrouw Harinxma was getrouwd, liet in 1541 een rente in Sickinghe guedt toe Goyngum, daer een Olffert Sickinghe genoempt nuu op woent na aan Foekel Jelle Harinxma dochter. In 1511 was de sate toe Sickingen eigendom van verschillende personen, voor het grootste deel Harinxma-erfgenamen. Het goed was toen 102 pondematen groot en werd door een pachter gebruikt; afzonderlijk werden het huys, die huyssteed, die cleyne fenna en dat saedland genoemd. Van de Harinxma's vererfde Sickinga via de Liauckema's aan de Aebinga's. Gerland Liauckema, weduwe Aebinga, wordt in 1640 als eigenaresse genoemd; In 1641 noemde zij in haar testament ondermeer de sate landts tot Goingha Sickingha genaemt, by Dirck Hartsz gebruyckt. In 1718 lag naast Sickinga een stinswier, ongetwijfeld een rest van de stins van Feycke Sickinga of zijn voorouders; de opvaart naar de boerderij lag er in een bochtje omheen.
- Bonninga of Harinxma Loδnga
<1490 Low Broers Bonninga woonde rond 1490 te Loënga. (…) De belangrijkste stins van de Bonninga's stond in Oppenhuizen,
In 1511 wordt het huys van Sirick Harinxma genoemd met 66 pondematen; het land strekte tot het huis in het noorden, de kerklaan in het oosten en het land van de Heilige Sacramentsprebende van Sneek in het zuiden, en lag deels ten noorden en deels ten zuiden van de Gauw of Oude Snekervaart.
In 1540 liet Jelle Syrickz Harinxma te Loënga, in zijn testament zijn staten ende sate toe Lyongum na aan zijn zoon Syrick. Hij omschreef het goed als myn huuys ende heem, met hoff ende graft daer ick selver bewoene en bepaalde dat de bijbehorende landen, een huisstede met heem en tuin en drie rietmeren waarvan er één after myn terp lecht voor eeuwig bij de state zouden moeten blijven horen.
Na 1664 was de sate waar eens Low Broers stins had gestaan een gewone boerderij.
- Pollema, Haubois of het Slot Loynga
Pollema state, gelegen tussen het kloosterland van Groendijk en het land van Bonninga in Loënga, was in de Middeleeuwen geen stins. Als Polmans gued wordt het in 1511 als zuidelijke belender van het pastorieland genoemd. Waarschijnlijk was Haye Tierxz toen de gebruiker en (gedeeltelijk ook) eigenaar. In 1640 was Rein Gravius de eigenaar en gebruiker. In 1664 werd het goed Haubois genoemd,naar Cornelis Haubois, burgemeester van Sneek. Zijn dochter Romckje of Romelia trouwde met Douwe van Sixma, grietman van Barradeel. In de jaren tussen 1697 en 1714 komt hun zoon Tjalling van Sixma op Pollema te Loijenga voor; hij was grietman van Rauwerderhem en lid van Gedeputeerde Staten.
In 1700 heette het huis het Slot, in 1722 't slot Loynga te Loynga, in 1721/1732 de adelyke state tot Lojenga Pollama genaemt.
- Albada
- Groot Oetsma Goδnga
<1511 In 1904 verbouwd Als Oedsma sate en Oedsma huys komt dit goed in 1511 voor; als Oetzmae in 1543 een voormalig adelshuis.
In 1511 en 1543 wordt Oedsma sate en huis beschreven als goed ten zuiden van de Gauw en ten oosten van 6 pondemaat van de vicarie.
In 1640 werd Groot Oetsma nog door de eigenaar Epe Taeckles bewoond. In 1721 werd het inmiddels een pachtboerderij door de koopman Fedde Wibes Buma aangekocht. Daarbij werd tevens het zwanenrecht gekocht van den opvaart tot de Groenedyk, ten oosten aan Sierksloot, ten westen aan Sytze Watzes sloot.
- De stinswier aan de Nieuwe Fokkesloot Elahuizen
De Fokkesloot zou zijn naam hebben gekregen omdat de Oostfriese hoofdeling Focke Ukena in 1420, toen hij uit Sloten was verdreven, door deze sloot richting Workum voer, en er de grote bus, het kanon van de stad Groningen dat te groot was om mee te nemen, in liet zinken. De stins lag dus strategisch aan een belangrijk vaarwater
- Meerzicht
- Minnema en Hillema Harich
Afgebroken in 1851/1896.
<1487 <1200 De Minnema's worden vanaf 1428 in Harich genoemd; Minne, de voornaam waaraan de naam is ontleend, komt nog aan het einde van de 15de eeuw in de familie voor. Minne Hillezoons huys op Harich wordt in 1487 genoemd, dat gwed en hws op Harch in 1501.
Het binnen de Valkeniers Polder gelegen land ten oosten huis heette 't Stins, Schuin er tegenover lag ten zuiden van de weg, in de hoek met het pad naar Lorburen de pastorie.
Naast deze Stins stonden er nog twee stinsen. Harich was dan ook in de vroege Middeleeuwen de belangrijkste plaats van Ghesterlant en in de twaalfde eeuw zelfs hoofdplaats van de grietenij Harichsteradeel. Later werd Harich een onderdeel van de grietenij Gaasterland. De Stins heeft zijn naam te danken aan het geslacht Minnema en heeft in de loop van de eeuwen veel bewoners gehad: door verkoop gaat het huis verschillende keren over in handen van andere families. Het belangrijkste lid uit de familie Minnema was Pier Epes Minnema. Hij behoorde tot de Schieringers en was daar een hoofdman van. Met de Schieringers vocht hij tegen de Saksische hertogen. Toen Karel V het bewind overnam, werd Pier als rebel van zijn bezittingen verbeurd verklaard. In 1698 is het huis eigendom van Daniël Valkenier, hoofd-muntmeester te Leeuwarden. Na zijn dood blijft zijn weduwe in het huis wonen tot haar dood in 1724. De erven Valkenier besluiten het huis te verkopen aan Regnerus Annaeus Lycklama van Wyckel, grietman van Gaasterland. Deze splitst het bezit op in een agrarisch deel of werkgedeelte, dat werd verhuurd aan pachters, en een woongedeelte. Regnerus Annaeus sterft in 1756 en het huis wordt gekocht door Ulbo Aylva Rengers, die de nieuwe grietman is geworden. In 1840 is het nog tijdelijk in gebruik geweest als pastorie, maar in 1851 wordt het grotendeels afgebroken en in 1869 helemaal.
- Albada Goδnga
<1374 Als stamvader van de familie Albada van Goënga de 16de eeuw Sicke Albada, die in de 14de eeuw zou hebben geleefd. In 1374 had Sicke Albada namelijk recht op een deel van de inkomsten van de grafelijke tol te Staveren. Hij had dit recht verkregen van zijn verwant Alaert Simonsz, die het op zijn beurt had geërfd van zijn vader Simon Alardsz, die er in 1334 door de graaf van Holland mee beleend was. Samen met zijn neef Feycke Sickinga raakte hij rond 1383 in conflict met Hamburger kooplieden die weigerden de tol te betalen. Omdat bekend is dat Feycke Sickinga in Goënga woonde, en nakomelingen van Sicke Albada later eveneens, is het zeer waarschijnlijk dat ook Sicke Albada zijn stins in Goënga had. Opmerkelijk is ook dat het land van de states Sickinga en Albada voor een deel aan elkaar grenst.
- Sjaardama Bonningastins
<1491 De stins werd tijdens een vete op 22 maart 1491 door de Vetkopers verwoest De Bonninga’s hadden ook een stins in Loenga en waarschijnlijk Bons.
Galama Mirns, Bakhuizen en Rijs
<1486 De Galama's van Koudum waren in de 15de eeuw de belangrijkste Vetkoperse hoofdelingenfamilie in de Zuidwesthoek. Hun stamhuis lag te Koudum, maar ook op vele andere plaatsen -zoals Oudega-Noordwolde, Warns en Bakhuizen in de omgeving verwierven ze grondbezit, waarop ze militaire steunpunten inrichtten.
In 1486 was één van de uitvalsbases van Yge Gaelez Galama een huys ofte stins toe Backhuysen.
- Camminghaburen Leeuwarden
- Oenema
- Tietema Harich
<1500 Een tak van de sinds 1487 in het nabije Elahuizen genoemde familie Tietema vestigde zich in de 16de eeuw te Harich.
Eind 15de eeuw leefde in Harich namelijk olde Sascker Hylckema, nobilis in Harig. (…) Een dochter van olde Sasker in Harich, Bauck Hylckema, trouwde met Idts Tjercksz Hannema van Bakhuizen; hun dochter Rinck trouwde met Meyne van Tietema, kleinzoon van de in 1487 in Elahuizen genoemde Hans Parckez. Aannemelijk is dat hij zo het oude Hylckema-huis te verkreeg.
Van een andere dochter van Meyne, Idtscke, werd rond 1590 gezegd dat zij en haar tweede man, Wybren Reinz van Balk, wonen tho samen op Tetema staten op Harich, 't welck is een costel regement.
- Solckema Tjerkgaast
<1565 Een zoon van Anne Tjercksz Solckema in Teroele, Tjerck Annez Solckema, vestigde zich in Tjerkgaast. Hij was eerst getrouwd met Both Wybrensdr Waltinga uit Snikzwaag, gestorven na 1565. (…) Na de dood van Both trouwde Tjerck Annez met Luts Meinedr Tietema. Met de laatste woonde hij enige tijd in Balk, maar in 1578 wordt hij in Tjerkgaast voor 3 caroliguldens aangeslagen. Met de pastoor en Oene Edes Reynalda behoorde hij tot de vier rijkste Tjerkgaasters.
- Huis te Velde
griet. welke door de watervloed van het jaar 1825 grotendeels werd vernietigd was in eigendom van de Heer van Andringa de Kempenaer, woonachtig te Lemmer.
- Ondersmaburen of Ondersma Hallum
<1640 <1676 Voor 1676 werd Ondersma State afgebroken en vervangen door Jongestal State. Dit Huis van Berouw werd In 1751 afgebroken Pas in de 17de eeuw ontwikkelde een andere boerderij op Ondersmaburen zich tot een buitenplaats met een indrukwekkend huis: Ondersma-state.
In 1640 was dr. Allard Pieter van Jongestal, raadsheer in het Hof van Friesland, eigenaar. Hij was ook de bouwheer van het grote klassicistische huis op deze sate: 't slot Ondersma, bijgenaamd Jongestal of het Huis van Berouw. Rond 1750 werd het weer afgebroken.
De State wordt voor het eerst in het begin van de 17e eeuw genoemd. In de 17e eeuw was Allard Pieter Jong(e)stal (1612 - 1676) Eerste en Presiderende Raad in den Hove van Friesland en in februari 1664 een van degenen die octrooi (vergunning) ontvingen voor de aanleg van een trekweg langs de vaart van Hallum naar de Dokkumer Ee. Hij liet het oude Ondersma State afbreken en een nieuw huis bouwen, dat officieel de naam Jongestal State kreeg. De naam van het huis werd in de volksmond al gauw Het Huis van Berouw, doordat Allard Pieter vrijwel zijn hele vermogen aan het huis had besteed en kennelijk spijt kreeg, ook omdat hij geen vermogende vrouw trouwde.
Na het kinderloos sterven van zijn achterkleinzoon Pieter Jongstal, in 1739, maakten zijn neef Willem Jongstal en Pieters' stiefvader Gellius Wybrandus van Aytta aanspraak op de State. Gellius Wybrandus deed dit namens zijn dochters, die halfzussen van Pieter waren. Na 2 jaar valt de beslissing en de State wordt aan Gellius Wybrandus toegewezen.
In 1751, wordt de State afgebroken.
- Botnia nu Boelema
- Walta Hallum
<1540 <1300 Walta in 1540 genoemd; met toponiem Waltha guedt en Walthe saete in 1543.
In 1511 en in 1540 was Walta een sate die door Ernst Mockema alias Unema werd verpacht. (…) Zowel in 1540 als in 1700 werd het goed voor 23 floreen aangeslagen. In 1718 lag ten oosten van het omgrachte erf een stinswier aangegeven.
- Donia Hallum
<1444 <1400 Tijdens de Schieringer en Vetkopertwisten vernietigd, daarna opgebouwd en opnieuw vernietigd, waarna er een gewoon huis is gebouwd, dat in 1808 was afgebrand Waarschijnlijk was Donia in Hallum één der oudste goederen van de familie Jelmera van Ameland.
Na 1543 had Donia geen functie als adellijk huis meer. Het goed was voortaan slechts een gewone boerderij.
Deze stins is waarschijnlijk reeds in de 14e eeuw gebouwd. De stins zou bewoond zijn geweest door Sasker, een zoon van Ritske Cammingha, heer van Ameland. Deze Ritske is geboren in 1385 en overleden in 1451. Hij had de naam Jelmera aangenomen naar het op dat eiland gelegen kasteel, later Camminghaslot genoemd, dat diende tot verdediging tegen de zeerovers. Zijn zoon Sasker Jelmera ging zich Donia noemen naar de stins onder Hallum. Deze Rienk Donia, aanvoerder van een groot contingent Vetkopers, werd aangevallen door Lieuwe Jellinga en zijn mannen. Die belegerden de stins van Donia en na enige tegenstand wisten ze het huis te veroveren en vernietigde het tot de grond toe
Hilck Donia trouwde eerst met Botte Luinia en na diens dood met Schelte Aebinga, die later te Kampen in ballingschap gestorven is. Het schijnt dat òf Schelte òf zijn zoon Ruurd op de puinhopen van het vernielde Donia een nieuwe state heeft gebouwd.
In 1656 was Donia State een boerderij, groot 83 pondematen (ca. 30 hectare), eigendom van Schelte van Aebinga. Na hem was zijn dochter Lucia Helena eigenaresse en vervolgens haar zoon Tjalling Homme van Camstra die op Orxma State te Menaldum woonde, die het naliet aan zijn dochter Elisabeth. Elisabeth was gehuwd met Jan Sicco Rijksbaron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg van Eysinga State te Rinsumageest. In 1808 ging het fout met de s(t)ate, want op 26 april 1808 is de verkoop van het hornleger Donia State met de Spekpolle daarachter, groot 1 ¼ pondematen, onder Hallum aan den Doniaweg met daarop staande afgebrande huizinge.
- Klein Feitsma of Oldersma Hallum
<1640 In 1640 en 1700 was Oldersma in dezelfde hand als het aangrenzende Feitsma. Daaraan heeft het ook zijn naam Klein-Feitsma te danken.
- De wier op Hallumerhoek Hallum
In 1700 was de state 102 pondematen groot en eigendom van de grietman W.H. van Schwartzenberg vanwege zijn vrouw; in 1640 was de weduwe van Frans van Jonghema eigenaresse.
- Jayema Hallum
<1450 <1461 Jayema
15de eeuw Jayema's zich aan het einde van die eeuw bevonden op het grensvlak van adel en eigenerfden. Dat Jayema iets meer was dan een gewone"boerenplaats kan ook worden afgeleid uit het feit dat de bewoonster van Jayema, namelijk Siowck, weduwe van Syuert te Jayama, ook in 1497 een conflict met de Botnia's had, deze maal rond de betaling voor een statussymbool als de zwanenjacht.
In 1640 en later was de state een pachtboerderij
In 1462 overleed hier Schelte Jaijema aan een wond die hij had opgelopen tijdens een tweekamp te Marrum op Palmzondag met Tjalling Sythijema. Die had eerst de partij van de Vetkopers aangehangen, maar veranderde op zeker moment van inzicht en werd een van de aanvoerders van de Schieringers. Schelte Jaijema kreeg rond 1461 een geschil met deze Tjalling Sythiema. Op Palmzondag van dat jaar daagden zij elkaar uit tot een tweegevecht in Marrum, met als gevolg dat Tjalling dodelijk gewond raakte en stierf. Schelte was echter in een knie geraakt en overleed later door koudvuur in die wond.
Feitsma Hallum
<1550 <1602 Feitsma werd waarschijnlijk pas halverwege de 16de eeuw een adellijk huis." Na een verkoop in 1613 waarbij de state werd omschreven als huys, schuur, graft, valbruggen, cingel, homeien en drie schone tuinen was in 1640 kapitein Ruurd van Feitsma eigenaar; in 1650 woonde hij er ook.
In 1602 bewoonde Hessel van Feitsma deze state. Hij was in 1600 getrouwd met Frau Douma en overleed in 1605. De laatste van dit geslacht was Bokke van Feitsma die op 13 september 1633 te Hallum gedoopt werd. In 1648 werd hij kapitein in opvolging van zijn vader. Hij stierf op 22 maart 1657 zonder nakomelingen na te laten. De state vererfde op Machteld van Roorda, als weduwe van Ruurd van Feitsma eigenaresse en bewoonster van Sierxma State te Deinum. Zij vermaakte Feitsma State te Hallum aan haar zusters jongste zoon Julius van Eysinga onder voorwaarde dat hij de familienaam Feitsma zou aannemen.
In 1722 was de state eigendom van mevr. A. van Sytzama, wed. Van Vos van Beesten.
- Botnia Marrum
<1418 Na 1511 gewone boerderij De familie Bottynga wordt in Marrum voor het eerst in 1418 genoemd; het goed als tho Bottingen in 1511. Het was het stamhuis van de hoofdelingenfamilie Botnia, die haar woonplaatsen naar elders verlegde. Het bleef tot het uitsterven van de familie rond 1708 eigendom van de familie, maar het was toen al eeuwen een gewone boerderij.
- Aijsma
- Saskera stins Westernijkerk
<1483 Saskera styns werd in 1483 genoemd. Misschien woonde op Saskera in 1423 Foppeka Saxghera, in dat jaar eeheer in Ferwerderadeel. In 1483 vermaakte Jeppa Jeppama van het naburige Jeppemahuis Saskera styns met Sasker guth en Saszker terp aan zijn zusters Bottie en Ulke.
pachtboerderij
In 1640 eigendom van de weeskinderen van Idsert van Burmania.
- Nyehuys
- Osinga nu Burum Osinga State (Langweer)
>1619 Het huis werd gebouwd tussen 1619 en 1652. Syts van Osinga, van 1619 tot 1652 grietman van Doniawerstal, is waarschijnlijk de stichter van Osinga state. Van 1705 tot 1722 werd het huis bewoond door de grietman Allard van Burum. Hij heeft het pand geheel verbouwd.
In 1772 erft Frans van Eysinga het van zijn grootvader Johan Vegelin van Claerbergen, samen met het Grietmansambt van Doniawerstal.
In 1887 wordt het pand voor afbraak verkocht. Het is echter niet direct tot gehele afbraak gekomen. Het pand wordt omgebouwd tot vier arbeiderswoningen
In 1939 is het pand geheel gesloopt, en is op de bestaande fundering het huidige pand gebouwd
- Douma Langweer
<1500 De Stins werd in 1793 vervangen of verbouwd tot een State. In 1845 afgebroken en herbouwd
Douma in Langweer is het stamhuis van de familie Douwama. Volgens de traditie zouden zij evenals de Broersma's van Legemeer van de Ockema's op de grens van de Hommerts en Smallebrugge afstammen. De Douwama's waren frequent betrokken bij de partijstrijd in de 15de eeuw.
Solckema Dijken
<1543 De Solckema's waren afkomstig uit Oldeouwer. (…) Zijn zoon Anne Tyercx (Solckema) woonde in Teroele en behoorde in 1543 tot de eigenerfden die renten aan de kerk aldaar betaalden.
- Hettinga Teroele
<1505 Benedix Episz (Hettinga) werd in 1505 als edelman in Doniawerstal genoemd; gezien het volgende woonde hij waarschijnlijk in Teroele. In 1495, toen hij tijdens de partijtwisten gevangengenomen werd, verbleef hij echter nog in zijn voorvaderlijke dorp de Hommerts. Hij was getrouwd met een meisje Solckema, van de hoofdelingenfamilie van Oldeouwer. Een zuster van Benedix was ingetrouwd op Obbemahuis in het naburige Dijken. In 1543 was Walte Benedixz eigenerfde in Teroele en naastligger van stukjes kerke- en prebendeland aldaar. In 1578 werd zijn zoon Tete Waltis voor 3 caroligulden aangeslagen. Op de klei zou dat niet veel zijn geweest; in Teroele behoorde hij daarmee bij de drie rijkste leken. In 1580 wordt Tiete van Hettinga als grietman van Doniawerstal genoemd. Na de dood van Tete Waltis is Hettinga in Teroele eerst aan Eppe Waltys Hittingha, waarschijnlijk zijn broer, gekomen. Einde 16de eeuw legde hij als fideicommis vast dat myn vaders staten blyven (sall) an het sibste bloedt ende nimmermeer noch in der eeuwicheyt niet an een vremde graad sterven, want die sate behoort ende sall blyven aen het geslachte van Walte Benedix Hittingha, omdat het een vrinde huys sall blyven. Onder die voorwaarde vermaakte die sate ende staten ter Oele aan Walte Benedix, zijn broeders zoon. In 1622, 1664 en 1718 werd Hettinga in Teroele als edele state aangemerkt. De weduwe van Walte Benedix Hettinga, Jildouw Hettinga, was in 1640 met haar kinderen eigenaresse van Hettinga state in Teroele.
- Assema Oldeouwer
<1501 Vanaf 1501 is de belangrijke eigenerfdenfamilie Assema in Oldeouwer te volgen. Stamvader is Asse of Aysse Obbaz, Assemastate was in 1640 vier weren breed; er rustten toen ook vier stemmen op. In 1640 werd het goed door een familielid gebruikt. De eigenaar in 1698 was een afstammeling in vrouwelijke lijn van de Assema's; hij verpachtte de boerderij.
Goslinga Wanswerd
<1511 Hoogstwaarschijnlijk was Goslinga-state in de Middeleeuwen nog een gewone pachtboerderij. Toen in 1491 het dorp zich bij het verbond met Groningen aansloot, machtigde het Wybrant Roorda, hoofdeling te Genum voor Wanswerd op te treden. Blijkbaar woonde in Wanswerd geen hoofdeling. In 1511 was Tiepke Goslinga te Hallum eigenaar van Jornsma-goed te Wanswerd. Tiepkes zoon Ernst erfde Goslinga in Hallum; de zoon Sipt vestigde zich voor 1540/1543 te Wanswerd op Jornsma, dat voortaan meestal Goslinga werd genoemd.
Het huis werd in het begin van de 18de eeuw afgebroken.
- Jongama
- Ponga Marrum
<1511 <1548 In 1757 grotendeels gesloopt en vervangen In 1511 was Tzalinck Pouwinga eigenaar van Ponga te Marrum.
Kempo Wynia en zijn vrouw Katerina Syarda de stins verbouwe.
In 1640 was juffer Teth van Walta eigenaresse en bewoonster; in 1719 schonken de bewoners van Ponga avondmaalszilver aan de kerk.
De laatste bewoner is, Gijsbert Arentsma van Idsinga, die in dienst was bij het College van de Admiraliteit te Amsterdam. In 1757 laat hij de State in 1757 grotendeels slopen en er een nieuw gebouw voor in de plaats zetten. Op de plaats van de vroegere State bevindt zich nu een kop-hals-rompboerderij
- Markla Hallum
<1100 Het stinsterrein bevindt zich ten noordoosten van het dorp Hallum in de bocht van de Jousmabuurtsterweg. In 1718 was naast de sate nog een stinswier aanwezig; in 1989 stond naast het terrein alleen nog een huis. De oudste vermelding van dit goed is uit 1483.
De naam Mercle of Markla is ontleend aan die van het gehucht Mercelum of Merselum waartoe het goed gehoorde op en rond de, inmiddels verdwenen, westelijke terp aan de Jousmabuurtsterweg
De stinswier van Marckla lag in 1718 op de terp van Merselum. Deze terp lag op de kwelderwal, waarop de dorpen Hijum en Hallum liggen en waarop ten westen van Hallum ook de terp van Ondersmaburen lag.
- Sythiema Hallum
<1397 <1307 Rond 1785 afgebroken. De oudste vermelding van de Sythiema's Upcke van Burmania uit 1397. Onne Sythiema zou grietman van Ferwerderadeel zijn geweest.
Onnes zoon Syds Sytiama stelde in 1498 zijn hues to Hallum by nacht ende by dey open voor de stad Leeuwarden. Sythiema vererfde tot rond 1750 in de familie Sythiema en haar nageslacht in vrouwelijke lijn. (…) In 1750 werd het huis afgebroken. Het materiaal werd door de eigenaar Menno Frans Sixma van Andla aangewend om Walta te Bozum, dat hij had afgebroken en op grond van een rechterlijke uitspraak weer moest opbouwen, te herstellen. In 1796 werd het terrein verkocht.
His
Maria was in 1750 eigenaresse van Sythiema State
- Offinga of Aebinga Hallum
<1468 <1100 Afgebroken in 1738 Offinga werd in 1468 door de uit Hijum afkomstige hoofdeling Fecke Aebinga gekocht. Riurd Aebinga maakte in 1557 zijn testament. Hij beschikte daarin over verschillende goederen in Hallum: ondermeer over Offingastaeten met husingen, hoff ende singel binnen Hallum daer ick in woene, met 90 pondemaat land naest aen dat voors. huys met de Terplanden en Vischmeeden. Offinga vererfde tot aan de afbraak in 1738 steeds binnen de familie Aebinga en de in vrouwelijke lijn daaruit stammende familie Camstra.
In 1622 werd Offinga op de kaart van Winsemius als adellijke state Aebinga vermeld.
De oorsprong van Offingaburg ligt mogelijk in de 11e eeuw of eerder als een van de verdedigingsburchten langs de kust van de Middelzee.
Offingahuis zou in 1738 afgebroken zijn door Willem Aemilius van Unia, grietman van Kollumerland.
- Goslinga Hallum
<1500 In 1515 in brand gestoken, in 1563 herbouwd. In 1860 afgebroken Omdat in de abtenlevens van Mariengaarde in het midden van de 12de eeuw een edelman Goslic/Godschalk in Hallum wordt genoemd, is het een oude traditie dat de Goslinga's zijn nakomelingen waren. (…) Zijn zoon Tiepke Goslinga wordt in 1505 als edelman in Ferwerderadeel en in 1511 als eigenaar van Goslinga genoemd. In 1515 werd hij door Tiaerd van Burmania gevangengenomen en in Leeuwarden opgesloten; de state werd in brand gestoken. De state werd in 1711 geveild, waarna het tot de afbraak in 1860 aan leden van de familie Van Burmania behoorde.
- Jaarsma Holwerd
<1511 De familie Jaarsma te Holwerd gold als adellijk. Zij behoorde tot de kleine hoofdelingen en stierf in de vroege 17de eeuw uit. De state vererfde al eerder via de vrouwelijke lijn uit de familie. In 1491 sloot Take Jaersma zich aan bij het verbond met Groningen en in 1504 en 1505 wordt hij als edelman in Dongeradeel genoemd. In 1511 was hij eigenaar en gebruiker van Jaarsma te Holwerd
- Hania Holwerd
<1453 <1500 Rond 1807/8 afgebroken De oudste vermelding van de Hania's van Holwerd dateert van 1453. In de naam van de pachter van 1511 werd de state Hanygen genoemd. Deze familie Hania stierf in de 16de eeuw uit. Hania werd daarna het huis van een tak van de Aylva's.
Tot in het begin van de 19de eeuw zou de state Hania met de daarbij verworven landerijen eigendom van de familie Aylva blijven.
- Bonga of Buwinga Holwerd
<1491 Het was de woonplaats van een of meerdere in de 16de eeuw uitgestorven familie(s) Bonga of Buwinga. In het midden van de 15de eeuw schijnt hier Syds Buwyngha gewoond te hebben. Zijn zoon Syole trouwde met een dochter van Romcke Donia alias Jelmera uit Hallum. In 1473/1474 spande deze zich in om rechten en goederen van de Jelmera's op Ameland te verkrijgen. In 1491 tekende Hessell Bonga samen met Worp Haynya voor de gemeente van Holwerd het verdrag met Groningen.
Bonga lag direct ten zuiden van, nu in het dorp Holwerd.
- Signaeda Holwerd
<1620 Bij Hania werd rond 1708 ook het land en het hornleger van het aangrenzende Signaeda gebruikt, waar rond 1620 een voorhuys staande op een kelder en in 1623 een hoff, singel en porte werden genoemd en dat in 1664 nog als edele state had gegolden.
- Tjessens Holwerd
Rond 1898 afgebroken In 1505 worden in Dongeradeel Gerrit Tiessens en Ulbe Tiessens als edellieden genoemd. Ulbe woonde op Tjessens. Tot 1652 vererfde het binnen de familie. In dat jaar werd de helft van de state verkocht, met de huisinge, schuer, poorte, gracht ende cingel. Bij een verkoop in 1699 werden bovendien het hinxtewad en de tuyn genoemd. Rond 1850 werd de bovenverdieping van het huis afgebroken.
- Siuxma Waaxens
<1250 <1600 Siuxma werd rond 1750 afgebroken. Siuxma is een adellijke machtspositie die reeds in het midden van de 13de eeuw wordt genoemd. De familie Siuxma stierf in de 16de eeuw uit. De stamvader en waarschijnlijke naamgever van het huis en de familie was Sinicus of Siuck, die leefde in het begin van de 13de eeuw.
In 1606 huwde Ernst van Harinxma met Tieth van Botnia. Door hen is waarschijnlijk de state verbouwd. Op het omgrachte terrein bevindt zich thans een 18e-eeuwse boerderij.
Tzigera te Medwerd Holwerd
<1450 Tzigera state ontleende zijn naam aan een oude gelijknamige familie. Evenals Bolta en Bauwerda in Holwerd betreft het een reeds in de 15de eeuw opgegeven hoofdelingenpositie.
pachter Gerleff Thiegera in 1511 toen de naam Thiegera, Tiegera of Tyegera guedt te Medwert (1543) reeds gebruikt. In 1700 heette het Tygra, in 1850 Tygera. In de eerste helft van de 15de eeuw woonde hier Epe Tzigera, gehuwd met Bauck Ingia.
- Bauwerda steenhuys te Bawert Holwerd
<1404 Deze stins wordt al vroeg genoemd: in 1404 als Bauwerda steenhuys. De naam is afgeleid van de terp Baert. In 1404 verkreeg Roward Caymga van het klooster Klaarkamp het deel dat het klooster bezat van Bauwerda steenhuys ende stattim (in dorso: Bawert steens ende statten, Holwert).
De eigenaars van 1511 zouden dan de rechtsopvolgers van Roward Caymga in 1404 kunnen zijn. In 1830 lag op het terrein een boerderij; langs twee en een halve zijde van het rechthoekige hornleger lag een brede gracht.
- Mellema
Oostergoo, griet. West-Dongeradeel
- Stinstra Foudgum
<1543 Rond 1750 afgebroken Stinstra was de stins van de Foudgumer dorpshoofdelingen. De familie wordt sinds het begin van de 15de eeuw genoemd, de oudste vermelding van de stins is uit 1543: Stenstra guedt oft staten. Dezen verkochten het in 1640. Bij die gelegenheid werd het omschreven als een schone sate, state ende landen, Stinstra genaemt; tevens was sprake van 't oudt stins. Sindsdien was de state geen adellijk bezit meer. Hij werd in 1640 en 1700 verpacht.
- Reinalda Westernijkerk
<1511 Reinalda, In de 16de eeuw was het adellijk bezit, maar werd het verpacht. In de 16de eeuw en later waren Groot- en Klein-Reinalda pachtgoederen.
Jeppema Westernijkerk
<1431 Jeppema was in de 15de eeuw en waarschijnlijk ook reeds eerder een belangrijk adelshuis. In de 16de eeuw vererfde de stins op Jeppema-nazaten in vrouwelijke lijn. De gelijknamige familie komt in 1431 als Jeppama voor, de state als Jeppema haus in 1483.
Sybada Marruk
<1382 Sibada werd voor het eerst in 1382 genoemd als Zibadehusen. Als adellijk huis raakte in het begin van de 15de eeuw buiten gebruik omdat de erfdochter trouwde met de naburige hoofdeling Botnia. Door de verering van Onze Lieve Vrouwe van 's-Hertogenbosch vond een bewoner van Zibadehusen in die prochi geheyten Meerhem in 1382 genezing. Een dochter van de Sibeda's trouwde in het midden van de 15de eeuw met de in 1462 in een gevecht omgekomen Tzaling Botnia van Botniastins onder Marrum. In 1511 en 1540 was Sijbada goet daardoor een pachtboerderij van de Botnia's.
- Luinia te Ondersmaburen
In 1718 lag de boerderij van Lunia nog bij Oldersmaburen; in het midden van de 19de eeuw was zij naar elders op het Lunia-land verplaatst
<1300 Liudo, die rond 1200 edelman in Ondersmaburen was.
- Gerbada of Douma Hallum
<1511 <1565 In 1796 ter afbraak verkocht Evenals Feitsma werd Gerbada pas in de loop van de 16de eeuw een adellijk bewoond huis. In 1511 was Ids Eminga eigenaar.
In 1622 wordt Douma als adellijke state aangegeven. In 1648 worden bij de state naast huis, hornleger en bepoting ook visserij en zwanenjacht genoemd.
Het huis werd in 1794 en 1796 ter afbraak te koop aangeboden.
Rond 1565 woonde hier Epe van Douma die een voorvechter van de Unie van Utrecht was en vele rekesten aan de Hertog van Aremberg mee ondertekende.
In de Leeuwarder Courant van 27 september 1794 werd Douma State aan de trekvaart te Hallum bij afbraak te koop aangeboden. Op 6 en 28 september 1795 is Douma State uit de hand op afbraak te koop, inlichtingen zijn in te winnen bij Pieter Wesselius, timmerman en ijzerkoper te Leeuwarden. Op 23 april 1796 is vermeld dat op Douma State te Hallum allerlei bouwmaterialen, een prieeltje of Turksche tent en een ijzeren hek verkocht zijn.
- Herjuwsma Ferwerd
<1504 1500 In 1816 voor afbraak verkocht, terp rond 1912 afgegraven Aan het einde van de 15de eeuw waren er twee adellijke huizen te Ferwerd waarvan het land direct grensde aan de dorpskom en aan het geestelijke goed rond het dorp, dat de abdij Foswerd in 1298 samen met het patronaatsrecht wist te verwerven: Cammingha state buitendijks en Herjuwsma state op de grote terp ten westen van het dorp binnendijks.
Gemme Herjuwsma. In 1504 wordt hij samen met zijn buurman Gerbeth Mockema op Cammingha genoemd als edelman in Ferwerderadeel.
Tot de verkoop en afbraak in 1816 zou het huis (…) in handen van de familie Burmania blijven.
- Cammingha Ferwerd
<1399 1400 In 1818 afgebroken Cammingha te Ferwerd werd als gebouw voor het eerst in 1468 genoemd: als een slotken dat beheert is van een geheeten Ticke. In 1511 heette het Kammyngen guedt to Ferwert. Deze Ferwerder stins was een van de huizen van de Cammingha's, een der aanzienlijkste en ook vroegst vermelde Friese adellijke geslachten.
In 1399 werd Gerrolt Cammingha uit Ferwerd door de Hollandse graaf Albrecht van Beieren beleend met de heerlijkheid van ondermeer Ferwerd en Leeuwarden.
Omstreeks 1818 werd het huis afgebroken.
- Stania Reitsum
<1441 1500 Staniahuis was al in 1511 een pachtboerderij die door de Stania's werd verhuurd. Taco Stanye die overleed voor 1441,
Gercke Stanye die zich in 1491 bij het verbond met Groningen aansloot; de laatste was de vader van Jeppe Stanye, die Bourgondisch gezind was en trouwde met Margaretha Heemstra. Jeppe Stania woonde met zijn vrouw Margaretha waarschijnlijk in Oenkerk op van zijn vrouw afkomstige goederen. In 1718 lag naast de boerderij nog een stinswier.
Omstreeks 1440 is er sprake van een Taecke Stania die met ene Etheca getrouwd is. Na de dood van Taecke hertrouwde zijn weduwe met Sipcke Beyntema, die de naam Stania van zijn voorganger overnam. Deze Sipcke had een zoon Abbe Stania. Deze Abbe had twee zoons, Syds te Reytseim en Gercke. Die laatste overleed in 1490. Syds had weer een zoon Abbe, die waarschijlijk grietman van Ferwerderadeel is geweest. Gercke had een zoon Jeppe Stania die trouwde met Margaretha van Heemstra uit Oenkerk. Dit paar liet Stania State te Oenkerk bouwen. Daarna loopt het geslacht Stania ten einde. Jeppe had nog wel een zoon genaamd Poppe, maar die is jong overleden en met de dood van Jeppe in 1533 of 1544 sterft het geslacht uit.
- Bernardahuis Lichtaard
<1200 Geschonken aan Klooster Klaarkamp. Bernardahuis heette in de 12de eeuw Bernardaburen. Verschillende generaties van de familie Bernarda
Eerst werd een deel van dit landgoed aan het klooster Klaarkamp geschonken en tot vrouwenconvent ingericht; daarnaast bleef het adelshuis nog een tijd lang bestaan. Uiteindelijk verwierf Klaarkamp geheel Bernardaburen. Nadat de vrouwen naar elders verhuisd waren, was Bernarda- of Bannerhuis een kloosteruithof. In de 15de eeuw functioneerde de uithof ook als vergaderplaats van de landgemeente van de Noordelijke Niogen (Ferwerdera-, Dongera- en Dantumadeel). In 1511 was de stamvader van de huidige familie Van Beyma (thoe Kingma) kloostermeier op Bannerhuis
- Hania te Bornwerderhuizen
<1500 In het begin van de 16de eeuw werd het enige tijd door Sypt Hania van Holwerd bewoond.
- De stinswier ten zuiden van Bornwird
De westelijke sate was in 1640 eigendom van jonker Aleff Aggama.
- Klein-Mockama
Zeker is wel dat er in de late 15de eeuw Mockema's in Aalsum woonden. (…) Na verzet tegen de stad Groningen sloten Tyaert en Gherbrant Mockema in 1492 een verbond met de stad. Bij de eerdere gewelddadigheden had ook het huus to Aelsum schade opgelopen. In 1511 was Ernst Mockema alias Unema, een halfbroer van genoemde Tyaert en Gherbrant, eigenaar van de state te Aalsum, groot 93 pondemaat. Een dochter van Ernst Mockema was Anna Mockema. Uit haar huwelijk met Werp Juckema had ze een zoon Lieuwe van Juckema, die het huis in 1611 verkocht. Bij die gelegenheid was het goed 105 pondemaat groot; apart werd de poorte genoemd.
- Clein Jaerla Wetsens Cleyne Jaerla
<1440 <1444 In de tweede helft van de 15de eeuw was Jaerla in Wetsens het stamhuis van de Jaerla's. Ze waren actief betrokken bij de veten en partijtwisten in de 15de en in het begin van de 16de eeuw. (…) Botte Jaerla wordt in 1440 en 1453 genoemd. Bottes zoon Gabbe rond 1470. Minne Jarla, een andere zoon van Botte, maakte in 1494 zijn testament. Daarbij bepaalde hij dat die stade to Wetsens, Jarle huus niet aan zijn dochters moest komen, maar aan zijn zoons Botto of Emko en hun wettige nageslacht. Aan Jarla-huis verbond hij ook de verplichting renten aan de Sint-Vituskerk van Wetsens te betalen.
Na 1640 werden Groot- en Klein-Jaerla beide verpacht. De boerderij van Groot-Jaerla werd binnen dezelfde kavel verplaatst. Naast Klein-Jaerla lag in 1718 nog een stinswier. Onduidelijk is waar de stins van Minne en Amke heeft gestaan: op Groot-Jaerla of op deze stinswier.
Groot Jaerla was in 1537 20 pondemaat groot, later in 1640 70 pondemaat groot. Klein Jaerla was in 1537 80 pondemaat groot en in 1640 85 pondemaat.
Klein Jaerla is in het bezit van de Jaerla's gekomen. Na de afzwering van Spanje's Koning Philips in 1581 is het leen overgaan op de provincie, die telken bij iedere nieuwe belening een zeker bedrag inde. Zo bleef Klein Jaerla in het bezit van de Martena's en behoorde later als zate aan de Van Aylva's. De oorspronkelijke Jaerla State werd na het overlijden van Minne van Eminga (in 1541) en zijn vrouw Eelck van Jaerla (in 1557) geërfd door hun zoon Botte, die met zijn vrouw Syts Tjaerda de state bewoonde en die na hun overlijden (omstreeks 1572) in de kerk van Wetsens werden bijgezet.
- Klein en Groot Jaerla
<1440 <1444
- Ypsmastate of Healwei Nijewier
Het huis was in 1557 reeds afgebroken. Tussen 1557 en 1718 verdween ook de stinswier Ypsmastate lag tussen de dorpen Niawier en Oosternijkerk. Bij het goed lag een stinswier. In 1543 was onder Niawier sprake van Ypsema kiech als belending; keeg is oorspronkelijk land aan het water. De naam Ypsma wordt voor de state vermeld in 1557.
Douwe Ockinga, de zoon van Saepck Burmania en Watze Ockinga had in 1640 twee sates onder Niawier. Daarvan was alleen de Healwei of Helewey geheten, van oorsprong geen kloostergoed.6
- Donia Oosternijkerk
<1200 Kloostergoed. familie van Dodo te Oosternijkerk gedurende meerdere generaties; de goederen van deze familie dienden in de 12de eeuw als toerusting van de aan St. Cecilia gewijde parochiekerk en van de Mariengaarder uithof. Het kerkelijke goed en dat van de uithof vormden dan ook een aaneengesloten complex. Evenals in Bernarda- of Bannerhuis bij Lichtaard lijkt het complete adelsgoed zo een religieuze bestemming te hebben gekregen.
- Sjoorda Nijkerk
<1487 De belangrijkste hoofdelingen in Oosternijkerk waren in de 15de eeuw de Sioorda's. Hessel Sioorda, haudling to Nyatzharka trad in 1487 op als bemiddelaar; in 1487 en 1491 sloot hij zich aan bij verbonden met Dokkum, respectievelijk Groningen.
- Donia
- Jouwsma of Juwsma Anjum
<1511 Stins is vermoedelijk al voor 1500 verdwenen Deze sate heette in 1511 ongetwijfeld al, evenals zijn bewoner, Jwsma. In 1640, 1700 en 1850 komt resp. Jusma-, Jousma- en Jouwsma-sate voor. Waarschijnlijk betreft het een reeds voor 1500 verdwenen stins. In 1511 was de sate, toen ruim 86 pm groot, deels binnen-, deels buitendijks gelegen, eigendom van verschillende personen, ondermeer van Take en Menke Heemstra en van de bewoner Jelle Juwsma zelf. In 1640 was de grootte 65 pm en was juffr. Fed van Cammingha, weduwe van de hr. Upko van Burmania eigenares; in 1698 Henricus van Wyckel als curator over Titia Bosman. Ook in 1640 en 1698 was de sate verpacht. De sate ligt aan de Lange Schanzer weg, tegenwoordig Boltaweg, op de grens met Lioessens. Vanuit de Dijkstervaart liep er een opvaart naar toe.
- Bolta Anjum
<1500 Bolta te Anjum was in 1511 83 pondematen groot. Bewoner was toen Jwka Bouta, die zijn naam dus aan het goed ontleende, eigenaars waren Syurt Aebingha en Frouck Heemstra. Omdat Syurt de kleinzoon was van Beits Bolta en (oude) Syurd Aebingha, en omdat Frouck (Riemersma, weduwe van Syds) Heemstra de schoondochter van Beits Bolta uit haar (tweede) huwelijk, met Schelto Scheltema, was, lijkt deze sate dus afkomstig te zijn geweest van Beits Bolta.
- Repta of Riptema Anjum
<1511 Aan Riptema ontleende Gabbe Riptema, de eigenaar in 1511, zijn naam. Mogelijk was het ooit door zijn familie bewoond; hij zelf woonde in Dokkum. Hij werd in 1505 onder de edellieden van Dongeradeel genoemd. Gabbe was eigenaar van meer goederen in de omgeving Inkomsten uit Riptema vererfden rond 1550 op de kinderen van Rents zoon Gabbe van Aesgema, in 1574 bracht een van hen, Catharina van Aesgema deze in in haar huwelijk met Hessel Aysma. In 1640 en later werd Ripta sate door adellijke eigenaars (1640 Meckema wed. van Diepholt, 1700 Burmania wed. Humalda) verpacht.
- Holdinga, Ny Holdinga of Auta Anjum
<1594 1580-1595 Afgebroken in 1831 Hoewel het adellijke huis waarschijnlijk in het begin van de 16de eeuw werd gesticht, was de naam van dit goed in 1511 al gangbaar. Dat valt op te maken uit de naam van de toenmalige pachter Peter Hollengen. In 1543 komen bij de stins behorende landerijen als Hollinge meedtfeen en Hollinga Kaegh voor. Als state ... toe Auta andersins Nye Holdingha genoemt toe Aengium komt het goed voor in 1594. Later heet het meestal Holdinga-state (1640) of Holdinga-burg. Holdinga werd als stins waarschijnlijk eerst in de 16de eeuw gebouwd. Het lijkt de functie als het voornaamste huis van de Holdinga's overgenomen te hebben van Old Holdinga te Ee. Wel hadden ze in de 15de eeuw al bezit in Anjum, mogelijk ook Holdinga. Herhaaldelijk, zo in 1472 in het testament van Tiemck Holdinga en in 1487, worden zij namelijk in verband met Anjum genoemd. Vanwege de namen Nye Holdinga te Anjum (1594) en Old Holdingha te Ee (1640) is het aannemelijk dat niet het huis te Anjum als het oude stamhuis van de Holdinga's gold, maar dat te Ee. De naam Auta zou dan een oudere naam van het goed geweest kunnen zijn, hoewel het ook mogelijk is dat Auta en Nye Holdinga oorspronkelijk aparte sates waren. In 1640 komen namelijk Holdinga state (83 pm), Lubma stede (6 pm) en Auta zathe (13 pm) als afzonderlijke stemdragende plaatsen voor, die in 1700 alle tot Holdinga state met ruim 119 pm waren samengevoegd.
In 1831 afgebroken
Wilcke van Holdinga was met vele anderen, die anti-Spaans waren gevlucht naar Emden. Na zijn terugkeer uit ballingschap in 1580 geeft hij opdracht een nieuwe State te bouwen. Inmiddels is de State sterk vervallen geraakt, wat uiteindelijk leidt tot de afbraak in 1831.
- Gerroltsma
- Helbada of Albada Ferwerd
<1418 Helbada-state, in 1540 toe Hilbada en later vaak Albada genoemd, was al rond 1500 geen stins meer. De eerste historische vermelding dateert van 1418. Botto Halbada te Ferwerd en (zijn zwager of schoonzoon) Gherbeth Kammyngha waren toen eeheren te Ferwerd.
Al rond 1500 zal Helbada een gewone boerderij zijn geweest; ook in 1511, 1540 en van 1640 tot 1987 was dat het geval.
- Oldestins Ferwerd
<1511 In 1511 pachtte Tiaerd to Aldesteens 60 pondematen en 10 gras van de abdij Foswerd. Ook later stond het bedrijf als Olde Stins of naar 18de-eeuwse eigenaars als de Olde Stins Roula bekend. Aannemelijk is dat het klooster Foswerd hier een stins bezat, zoals meer kloosters stinzen hadden op hun uithoven of op belangrijke pachtboerderijen.
- Scheltema Ferwerd
<1500 In 1611 is de stins afgebroken, tussen 1778 en 1798 is de boerderij afgebroken De naam Scheltema komt te Ferwerd in 1418 voor: Thiabbeka en Siwrt Sceltemma bezegelden toen een stuk van de rechters van Ferwerderadeel betreffende de jarenlang slepende kwestie tussen de Roorda's van Genum en de Eminga's van Stiens.
In 1511 wordt Sibets weduwe Frouck Remmersma als eigenaresse genoemd; in 1540 was haar zoon Schelte Scheltema eigenaar. Scheltes zoon Syds Scheltema erfde de stins, maar bewoonde hem niet. Met zijn vrouw Tiemck Aylva woonde hij namelijk op Aylva of Minnoltsma in Bornwerd. In 1611 verkocht hij de stins bij zijn state voor de afbraak, zodat de vrijgekomen grond gebruikt kon worden voor de landbouw.
Montzima Blija
<1511 1588 De familie Monsma of Van Montzima behoorde in de 15de eeuw waarschijnlijk niet tot de hoofdelingenstand. Zij verkreeg bekendheid door het huwelijk in 1539 van Rints Aytta, de zuster van de machtige politicus Viglius van Aytta, met Popcke Takes Monthiema. Popckes vader Take Monthiema was in 1511 eigenaar, Popcke zelf bewoonde de state in 1540.
Deze state zou gebouwd zijn in 1588 de Monsma State te vinden vlak ten zuiden van de kerk, waar nu de stationsweg is in de buurt van het huis van Fokke Hoogterp.
In 1720 wordt Monsma State bewoond door Jonkheer H.D.E. van Aylva, familie van de toenmalige bewoners van Unema State ten noorden van de kerk van Blija deze state gebouwd in 1588.
- Unema Blija
<1406 <1500 Ver voor 1787 afgebroken Als stamvader Taco Unema, die in 1406 en 1413 vermeld werd. De state vererfde op zijn zoon Ernst Unema, die met Frouck Helbada uit Ferwerd trouwde
De stins van Unema zou ver voor 1787 zijn afgebroken.
- Aebinga Blija
<1419 Aebinga te Blija was het stamhuis van de in de 19de eeuw uitgestorven adellijke familie Aebinga van Humalda. Stamvader was Anloff Aebinga die vanaf 1419 werd vermeld. Zijn zoon Syurd Aebinga erfde in 1438 Abingha statha ende huuss, stens ende stensweer mitter greft;(…) Syurds zoon Anloff sloot zich in 1491 aan bij het verbond met de stad Groningen; in 1511 was hij overleden en woonde zijn weduwe op Aebinga.
- Groot Tania
in eigendom bezeten door den Heer Onno Reinst van Andringa de Kempenaar, nomine uxoris, woonachtig te Leeuwarden.
- Harsta Hogebeitum
<1511 In 1540 was Tyaert Gruestra eigenaar van de state; hij stamde waarschijnlijk uit een bastaardtak van de familie Aylva dat in de 15de eeuw waarschijnlijk nog een gewone boerderij was, en dat eerst in de loop van de 16de eeuw als adelshuis werd ingericht.\
Het huis wordt voor het eerst in 1511 genoemd. De vermelding van de aanbreng van 1511 begint met 32 pondemaat van Rummert oppe Harst op Hersma State. Er zal dus reeds in de 16e eeuw een state gestaan hebben.
In 1843 werd een gedeelte van de state op afbraak verkocht.
- Aylva Genum
1540 1534 Een dochter van Syds, Hil Roorda, trouwde rond 1540 met Rienck Aylva; zij vestigden zich te Genum. In de loop van de 16de eeuw waren er in Genum daardoor twee adellijke huizen op oorspronkelijk Roorda-land; in 1578 en 1580 woonde op het ene goed Wibren Roorda en op het andere Wibren Aylva. Van een van de Roordagoederen (Roorda ten westen van de kerk) staat dus vast dat het in de Middeleeuwen een stins was; voor het andere (Aylva ten zuiden van de kerk) is dat allerminst zeker.
In 1640 waren Roorda state en Aylva state verpacht. In 1622 worden beide nog als edele state, in 1718 als herenhuis binnen een singel aangegeven
In 1534 trouwde Rienck van Aylva met His Sydsdr. van Roorda van de Roorda State te Genum. Waarschijnlijk is voor/door hen de Aylva State gebouwd, maar het is ook mogelijk dat die state er, onder een andere naam, al stond en eigendom was van de familie Van Roorda.
- Roorda Genum
<1397 <1440 De familie Roorda wordt pas in 1397 als Rowertha to Ghenim vermeld
Wybren Roorda had een zoon Syds die Roorda goet (1540) erfde.
Van een van de Roordagoederen (Roorda ten westen van de kerk) staat dus vast dat het in de Middeleeuwen een stins was; voor het andere (Aylva ten zuiden van de kerk) is dat allerminst zeker.
tRond 1440 woonden er een Minne en Syds Roorda te Genum. Een zoon van Syds, Wibrandus of Wybren van Roorda, overleed in 1506 op de stins te Genum.
- De stinswier op Butta Hiddesz sate Westhem
<1443 Stins verwoest in 1443 in 1511 door Butta Hiddez werd bewoond. Hij huurde hem van Here Lollez Ockinga, wiens moeder volgens de traditie een Albada was. De sate van Butta Hiddez was blijkens de begrenzing (de kerkhofswal ten oosten, de Hemdijk ten zuiden) en het floreenbedrag (16 floreen) de sate FC2.In 1718 lag op het land van deze sate, niet dicht bij het meer noordelijk gelegen huis, maar direct aan de Hemdijk een stinswier.
- Van Haaren
<1700 <1777 in 1777 verwoest, en daarna weer opgebouwd. In het laatst van de 17e eeuw kwam het al eerder gebouwde pand in het bezit van Ernst van Haren (1623-1701). Door overerving bleef het huis gedurende de gehele 18e eeuw in het bezit van zijn geslacht. Hij was de eerste grietman van West-Stellingwerf.
In 1742 wordt de verbannen staatsman uit Holland, grietman Onno Zwier van Haren, eigenaar. In 1776 werd het pand grotendeels door brand verwoest. In 1780 werd het huidige pand met twee lagere bijgebouwen in de z.g. Louis XVI-stijl opgetrokken. In 1855 kwam het pand in het bezit van mr. S. G. Manger Cats.
- Lycklama
Aan de oostzijde van dit dorp is in 1842 nog een nieuw landhuis voor de toenmalige grietman Jhr. Lycklama à Nijeholt gebouwd. Voorheen stond in Oldeberkoop ten zuidoosten van de kerkbuurt een fraai gebouw, Lycklama-stins genaamd.
- De wier aan de Oude Weg (Suwaldsdsterdyk) Hardegarijp
In 1832 was Ate Gjalts Reitsma, landbouwer in Hardegarijp, de eigenaar.
- Onnema of De Wier Dantumawoude
<1423 De oudste vermelding van Onnema is domus et domistadium Onnama in 1423. De ligging van Onnema weerspiegelt de ontginning van de Dokkumer Wouden; meer zuidelijk gelegen goederen zijn er waarschijnlijk vanaf gesplitst. In 1423 maakte Ducko Onnama, commensalis van de abt van Klaarkamp en vroeger woonachtig in Dantumawoude, zijn testament. De zusters Betteka en Wapeka Ewyngha erfden het huis en hornleger (domus et domistadium Onnama); waarschijnlijk waren ze naaste familie van Ducko.
In 1511 was Onnama huus eigendom van Werp Ytsma, afkomstig uit Wierum, die zich naar zijn eerste vrouw, Saepck Donia van Dantumawoude, Werp Donia noemde. Hij was hertrouwd met Frau Juwsma, de dochter van de al genoemde Gatse Juwsma. Werps zoon Dowa Donye was eigenaar van het cleyn gued to Oenama huus. Beide goederen lagen toen ledich en huerloes, werden dus niet verpacht en lagen misschien woest.
Na 1511 was Onnema steeds een gewone boerderij. De plaats van Onnema werd in 1718 met de naam Oenama aangegeven. Deze oude huisplaats was in 1832 niet meer bebouwd, maar tekende zich in de verkaveling duidelijk af.
Eekhoff gaf er in 1850 ook een heuveltje aan, de Wier geheten.
Voorts lag in 1718 westelijker op Onnemaland aan de Damwoudster Trekvaart een stinswier. In het testament van Duco Onnema uit 1423, die als commensaal in Klaarkamp testeert en sterft, wordt Onnemahuis als een eenheid telkens vermeld. Het vererft als Domus en Domusstadium aan de gezusters Ewingha. De kleinkinderen van Duco erven een deel van het Onnemahuis, dat teruggegeven moet worden aan het Onnemahuis wanneer zij zonder nakomelingen zouden overlijden. Hetzelfde geld voor het deel dat zijn vrouw als levenslang vruchtgebruik krijgt: dat deel moet na haar dood teruggegeven worden aan het Onnemahuis.
In 1511 is Onnema Huus van Worp Donia, die eigenlijk een Idskema was. Het is 64 pondemaat groot en is met een cleijn gued tot Onnema Huus slechts met anderhalve floreen belast. In 1511 zijn Groot en Klein Oenema beide onbewoond. Van het kleine huis was Douwe Donia eigenaar.
- Cedelshof op Zwagerveen Westergeest
- Buwama steenhuys of Buma Oudwoude
<1485 Buwama steenhuys te Oudwoude wordt in 1485 vermeld als westelijke belending van 3 pondemaat in Oudwoude die samen met 1 mad weiland op de Lange Hameren door Ymke Reinkema aan het convent van Veenklooster werden geschonken. Het steenhuis aan de Westergeester behoorde familie Van Buma en mag het met seekere hornleger en hieminge, die in 1640 aan Hessel van Sminia, rechtsopvolger van deze Buma's, behoorden.
- Vaartzicht
1785 In 1877 op afbraak verkocht Dit buiten is gebouwd rond 1785.Het landgoed werd aan het eind van de 18e eeuw gesticht door Lucia Catharina van Scheltinga, weduwe van Hector Livius van Heemstra die in 1783 was overleden en het hem toebehorende Fogelsangh State te Veenklooster aan zijn dochter Cecilia Johanna had nagelaten. Lucia bewoonde Vaartzicht tot aan haar dood in 1818, waarna Catharina Louise Antoinette Anna baronesse du Tour van Bellinchave, de weduwe van Martinus van Scheltinga het erfde en er met haar twee dochters woonde. Beide dochters trouwden op Vaartzicht: Cecilia Johanna met Louis Gaspard Adrien graaf van Limburg Stirum en Constantia Wilhelmina met Hans Willem baron van Aylva van Pallandt, heer van Waardenburg en Neerijnen. Cecilia en Louis bleven na hun huwelijk bij moeder op Vaartzicht wonen, want hun 7 kinderen werden in dit huis geboren. Na het overlijden van Catharina du Tour van Bellichave op 27 november 1837 bleven zij nog enige tijd het huis bewonen tot zij zich in 1840 op Nijenburgh vestigden. Daarna werd het huis bewoond (gehuurd) door mr. J.J. Bolman en later door mr. B. Hopperus Buma. In de laatste jaren vóór de afbraak werd het huis door Otto Ernst Gelder graaf van Limburg Stirum gebruikt als zomerverblijf. Toen het huis in handen kwam van Baron van Pallandt heeft die het in de zomer van 1877 op afbraak verkocht
- Jellema steenhuys Kollum
Een latere eigenaar, de grietman Eyso de Wendt, bouwde op het terrein na 1773 de buitenplaats Oostenburg
<1511 voor 1700 werd het steenhuis afgebroken. Op het terrein werd buitenplaats Oostenburg gebouwd. Hiervan werden de bijgebouwen in 1836 op afbraak verkocht, terwijl het huis werd omgebouwd tot armenhuis.
In 1511 als Jellema steenhuys vermeld. Het werd toen door Gerloff Jellema en Wytthye syn wyff bewoond. Zij waren de stamouders van de eigenerfde familie Jellema en de daaruit in vrouwelijke lijn stammende familie Poppius à Jellema. Binnen deze families vererfde het huis (en werden aandelen erin onderling verkocht) tot 1653, toen het buiten de familie werd verkocht.
Een latere eigenaar, de grietman Eyso de Wendt, bouwde op het terrein na 1773 de buitenplaats Oostenburg.
In 1836 werd de Heerenhuizinge, de stenen berg en het zomerhuis aan de Dockumer trekvaart
- Phaesma of Te Bosch in Meckemaburen (Zevenhuizen) Kollum
<1492 <1500 In 1664 werd het nog als adellijke state aangegeven, in 1718 als boerderij binnen ruime singels
Gayko Fasema en zijn zoon Tyaerd werden in 1492 genoemd als verwanten van Eue ter Harst in Augsbuurt. Balling Phaesma was van 1523 tot 1536 grietman van Kollumerland. Zijn boedel was in 1516 geconfisqueerd geweest wegens rebellie. Zijn zoon Loell Phaesma wordt in het testament van Hessel Bootsma genoemd. In 1552 droeg Loell huys ende steenhuys sampt schuire over aan Hed Phaesma; in 1562 werd de sate van de laatste te Meckemabuiren genoemd. In 1606 verkochten de crediteuren en erfgenamen van Hed Phaesma Phaesmastate, sate, huisinge, hoff, plantagie ende landen, groot 40 pondematen aan Mattheus Pietersz die zich Phaesma ging noemen. Een dochter van Mattheus Phaesma, Foockel Phaesma, trouwde in 1619 met Johannes van Scheltinga. Hun zoon Mattheus van Scheltinga erfde in 1631 van zijn oom Tjaerd Phaesma diens land en state tot Collum, Phaesmabosch genaempt. Hij noemde zich sindsdien Mattheus Phaesma van Scheltinga. In de 17de eeuw werd Phaesma, vlak naast Oud Meckema gelegen, een gewone boerderij.
- Oud Meckema op Meckemaburen (Zevenhuizen)
<1465 <1460 Rond 1500 stichtten de Meckema's Nieuw Meckema, Oud Meckema was sindsdien een gewone boerderij De stamouders zouden Sibod Sibada en Bauck Scheltema hebben geheten en rond 1360 hebben geleefd.
Wits Brodersdr Meckema, gehuwd met Pybo Eernsma uit Jouswier, erfde rond 1465 Meckemastate van haar broer Tiaert Meckama die kinderloos overleed. Rond 1500 verwierven zij het Groninger kasteel of blokhuis direct ten noorden van het dorp. Zij stichten daar een nieuw huis, Nieuw Meckema aan de Rijd. Oud Meckema in Meckemaburen was sindsdien een gewone boerderij: in 1543 werd het Pybe Meckama's landtsatehuys in Meckemaburen; Pybe was de zoon van Tieth en Feye. In 1573 en 1641 heette het Meckemastate. Meckemaburen was de oude naam voor het huidige Zevenhuizen. Het meeste land van Oud Meckema lag ten noorden van de Zevenhuister weg, de state zelf stond ten zuiden daarvan op 't Oude Hof.
- Schierstins Hallum
<1511 Waarschijnlijk in 1640 al afgebroken Als Schierstens, Schiere stens komt de Schierstins in 1540 voor. De naam betekent grijze stins. Een mogelijke verklaring is dat schier betrekking heeft op de, met de rode baksteen contrasterende, tufstenen waaruit het gebouw deels was opgetrokken.
De Schierstins behoorde in het midden van de 16de eeuw, evenals Lunia, aan de van oorsprong Hijumer hoofdelingenfamilie Aebingha. Van Schierstins was in 1511 een pachtboer Ryoerd gebruiker.
Na de dood van zijn zuster werd Riurd Aebingha alleen eigenaar van Schierstins. In zijn testament uit 1557 bepaalde hij ondermeer dat zijn dochter Anna Aebingha zal hebben twee saten landes, beyde gelegen thoe Hallum, aen unde by den anderen in Ondersma bueren, die ene genoempt Lyonia ende d'ander Schierestens, met alle die landen die ick Ryoert vanden selven twee saeten nu gebruycke, die welcke landen ick will dat nae myn doot daer weder toe ende an sullen gedaen worden daer sy aff gebroken syn. Verder zou zij krijgen een rente van 9 goudgulden uit een saete landes gelegen toe Hallum by Schierestens, daer nu Andries Claes zoen op woent,
Schierstins zou nog lang in de familie Aebingha blijven. In 1640 was de stins waarschijnlijk al afgebroken, want er is dan sprake van een hornleger Schierstins; jonker Schelto van Abinga was landheer, Hidde Rintjes gebruiker. In 1698 was het goed uit de familie Aebingha geraakt: de deurwaarder Sibisma was toen eigenaar.
- De Wieren bij Brandenburg Hogebeintum
<1540 Waarschijnlijk genoemd in 1540, als sprake is van een pondemaat op Beyntuma meeden by die Hooge wieren. Bewoning is hier historisch niet geattesteerd. In 1718 worden hier twee, op de kaart van Eekhoff rond 1850 nog één wier aangegeven.
- Eminga huis Leeuwarden
<1511 <1580 Ter plaatse van de oorspronkelijke stins verrees begin 16e eeuw het huidige huis In 1511 wordt in het Oldehoofster espel een veruallen huus (van) Renick Emingen genoemd. Ter plekke van deze stins verrees in het begin van de 16de eeuw het tegenwoordig nog bestaande huis naast het Prinsessehof. Aan het eind van die eeuw schreef Suffridus Petrus over het huis van Titus Cammingha bij de Oldehove. Titus was Rienck Eminga's achterkleinzoon.
Het huis werd al voor 1580 genoemd. Terplaatse van het huidige pand heeft reeds een ouder gebouw gestaan, dat bewoond was door het uit Oost-friesland afkomstige adellijke geslacht Papinga. Van 1580 tot 1644 was het gebouw eigendom van het geslacht Liauckema.
- Oenya stins Leeuwarden
<1458 Waarschijnlijk rond 1601 afgebroken De stens ende staetha toe Nyahowe van de Oenya's werd in 1458 voor het eerst genoemd. Zoals in Oldehove en Hoek de Burmania- en Camminghastinzen, zo stond ook in de parochie Nijehove dus vlakbij de parochiekerk een stins. In 1458 werd een accoord bereikt over de verdeling van de nalatenschap van Gherliff Wiggama tussen Mathys Oeningha of Oenya, die misschien via zijn moeder erfgenaam was, en Johan Merser en zijn vrouw Wikie, die een dochter van Gherliff was. Mathys kreeg daarbij ondermeer dat stens ende staetha toe Nyahowe mit hiarra toebyheer en bovendien acht pondematen by Duckamahuus (…). Aan het einde van de 16de eeuw was de Oenya-stins eigendom van Wisck van Ailva, weduwe van Epo van Herema en eerder van Keimpe Wynia. In 1590 betaalde zij 4 goudgulden rente wt 't olde stins by Nyehooff; Twee jaar later blijkt dit de Oenya-stins te zijn: zij wilde in 1592 namelijk 't stynse ende hoff, plaetse ende annexen by Niehoeff ... tot affter an de Pylsteig, ende genoempt Oenia stins met 't hoff ende potingen verkopen aan Eilert Meinertsz en Derck Claesz. In 1598 werd de Oenya-stins alsnog verkocht. (…) De stins werd omschreven als zeeckere oude stins ende huysinge ..., metten plaetze, hoff, boemen ende plantagien staende ende gelegen binnen dese stede by Nyehofter kercke, nu by Jan van Soest bewoent mette wtgangen naer 't Pylsteechsdyept daertoe van olts behoert hebbende, met seeckere drye camers naest elx andere ... op 't noerd van 't voorschreven hoff op 't vs. Pylsteechsdyeptswal staende. In 1601 verkocht Taco van Aylva de oude stins aan dr Wilhelm Velsius en zijn vrouw Eene Tiara.
Tot 1458 behoorde de stins aan de Wiggama's, die vanaf 1399 worden vermeld; daarna aan hun verwanten Oenya. Begin 16de eeuw vestigde zich een zwager van Oenya in een al dan niet reeds bestaand huis aan de Grote Kerkstaat, nr. 65, vlak voor de veronderstelde stins. Sinds 1531 tot 1614 hadden het huis aan de Kerkstraat en (het perceel van) deze stins verschillende bewoners en eigenaars. In het jaar 1614- 1615 waren beide percelen in een hand, waarna de eigendomsgeschiedenis weer uitéén liep. Nadat de stins als zelfstandig gebouw in de 17de eeuw, waarschijnlijk rond 1601, was afgebroken, werd een deel van het muurwerk opgenomen in het achter gelegen achterhuis
- Van Gheel- of Andringahuis Leeuwarden
Het Julius van Gheelhuis is in 1545 gebouwd door de procureur-generaal Julius van Gheel op fundamenten van een stins. Het huis wisselde regelmatig van eigenaar. In 1762 werd één van de meest illustere bewoners eigenaar van het huis: het was de ontzettend rijke Eyso de Wendt, direkteur van de handel op China. Van 1883 tot 1890 woonde de familie Zelle in het huis. Hun dochter, Margaretha Geertruida van Zelle, kreeg bekendheid onder de naam Mata Hari. Haar leven eindigde in 1917 voor een Frans vuurpeleton op beschuldiging van spionage voor Duitsland.
- Glins in de Poelen of 't Blauwhuys Dronrijp
<1422 Afgebroken in 1765. Hoewel de oudste vermelding van Glins eerst uit 1422 dateert en de naam steeds op het huis betrekking heeft, hebben we hier in oorsprong waarschijnlijk met een vroegmiddeleeuwse naam op -ngi/-ens te maken, die aanvankelijk op een uit meerdere huizen bestaande terpbuurschap betrekking zal hebben. In de 17de eeuw werd Glins, of het Blauwhuys zoals het naar het pannendak dikwijls werd genoemd, verworven door de regentenfamilie Van Glinstra die haar naam aan het huis ontleende.
- Aesgema in de Poelen Dronrijp
<1403 Oorspronkelijk zal, gezien de positie van de familie op Aesgema in de Poelen een stins hebben gestaan. Na 1500 moet het een gewone boerderij zijn geworden. De boerderij lag in 1718 en in 1832 bovenop de terp in de Poelen; tussen 1832 en 1851 werd de boerderij 500 meter naar het oosten verplaatst Aesgema is een goed voorbeeld van een stins die na 1500 zijn militaire functie verloor. De hoofdelingenfamilie stierf in mannelijke lijn uit. In vrouwelijke lijn was er nageslacht in eigenerfde families in Westergo. De oudste vermelding van Aesgema dateert van 1403.
- Andringa State (Marssum)
<1600 Onbekend wanneer de state werd gebouwd. Afgebroken in 1810 Omstreeks 1600 werd de state bewoond door Poppe Tjallingsz van Andringa en zijn echtgenote Tiets Oenesdr. van Grovestins.
- Sierdsma of Feytsma Deinum
<1420 1400 Rond 1870 afgebroken Volgens Sibrandus Leo zou Syard van Deinum, de vierde abt van Lidlum (1204-1232) uit deze familie zijn gestamd. Evenals Oedsma van Boxum wordt Sierdsma te Deinum in 1420 onder de Schieringers genoemd.
Wanneer de Sierxma’s voor het eerst in Deinum neerstrijken is niet bekend, maar al in 1420 komt er te Deinum een hoofdeling voor met de naam Sija Sierdsma die in dat jaar samen met Homme Oedsma van Boxum een Suenbrieff tussen Sicke Syaerda, met sijn vrunden en Okke tom Broek bezegelt. Uit het testament van Ofke van Feitsma, opgemaakt op 13 november 1612, weten we dat Sierxma State gerechtigd was tot de collatie van de pastorie te Deinum.
24 oktober 1818 Verkocht Siersma-State te Deinum met heerenhuizinge, zomerhuis, hovinge, boerenwoning en schuur, berechtigd met een zwanejacht en vrije opvaart, in gebruik bij Meinsma als mede-eigenaar en Marten Annes van der Hogt als huurder. 11 april 1834 – Verkocht Siersma-State te Deinum voor de erven van Titia Appelhoff met zwanendrift en vrije dispositie van een Deinumer wees in het weeshuis te Leeuwarden te plaatsen. Titia Appelhoff, sinds 25 oktober 1827 weduwe van Johannes Jacobus Meinsma, was op 25 april 1829 te Leeuwarden overleden.
- Groot Dotinga Marssum
1400 Afgebroken in 1517, daarna herbouwd Dotinga hield al in het begin van de 16de eeuw op een adellijk huis te zijn. In mannelijke lijn stierf de gelijknamige familie toen uit. De beide goederen Dotinga bleven echter lang eigendom van afstammelingen in vrouwelijke lijn: Groot Dotinga van de hoofdelingen Minnema en Cammingha, Klein Dotinga van de eigenerfden Van Baerdt. Een stinswier herinnerde in 1718 nog aan de voormalige stins De eerste vermelding van Dotinga is uit 1501. Dan worden drie pondematen buta dyxstal naest Doytsama graet stuck genoemd; de ligging wordt verduidelijkt met wordt nu Dothingha genoemt. De gelijknamige familie wordt veel eerder genoemd. In 1529 liet een kleinzoon van Ymck en Sipcke, Frans Fransz Minnema, vanwege Dotinga Staete te Marssum de jacht en het houden van zwanen in het zuidelijke deel van het Marssumer dorpsgebied, bij Deynummer zylroed en Ritzema zylroed, registreren. Dotinga, ter onderscheiding van Klein of Lutcke Dotinga ook Groot Dotinga genoemd, bleef nog geruime tijd in bezit van adellijke afstammelingen van de Dotinga's. In 1622 werd Dotinga nog als adellijk huis aangegeven. In 1718 werd het gewone boerderij
Klein-Dotinga was een boerderij, rond 1700 vermeld als Lutcke Dotinga. Deze boerderij stond veel dichter bij het dorp, ten oosten van de oude zeedijk, dus op het nieuwland, schuin tegenover Heringa State / Popta-slot. Mogelijk is deze boederij gesticht door Oefcke Dottyngha toen die rond 1470 greetman was over dit deel van het Marssumer grondgebied.
- Rumede
- Van Gheel- of Andringahuis Leeuwarden
Het Julius van Gheelhuis is in 1545 gebouwd door de procureur-generaal Julius van Gheel op fundamenten van een stins. Het huis wisselde regelmatig van eigenaar. In 1762 werd één van de meest illustere bewoners eigenaar van het huis: het was de ontzettend rijke Eyso de Wendt, direkteur van de handel op China. Van 1883 tot 1890 woonde de familie Zelle in het huis. Hun dochter, Margaretha Geertruida van Zelle, kreeg bekendheid onder de naam Mata Hari. Haar leven eindigde in 1917 voor een Frans vuurpeleton op beschuldiging van spionage voor Duitsland. Sinds 1977 is het huis ingericht als Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum.
- Keimpema stins Leeuwarden
<1400 Uit de 14de eeuw dateert het pastoorshuis van de kerk van Nijehove.
in 1593 spreekt men over Kempemastins, een hoekhuis, tegenover het (Witte) Nonnenconvent en aan de noordzijde het kerkhof van Sinte Marie in Nijehove
De Keimpemastins is het oudste huis van Leeuwarden. Het werd waarschijnlijk gebouwd door een lid uit de familie Keimpema, een adellijk geslacht, dat al in het begin van de 14e eeuw voorkomt in Leeuwarden. De oudst bekende persoon uit deze familie is Worp Keimpema (ca 1485), die waarschijnlijk niet in het huis gewoond heeft, omdat het huis toen al als pastorie in gebruik was. Oorspronkelijk was de stins een van kloostermoppen opgebouwd dwarshuis (nok evenwijdig aan de straat) zonder verdieping en met een overwelfde kelder. Het huis werd al vroeg in de 15e eeuw de pastorie van de parochiekerk van Nijehove toegewijd aan Maria en werd daarom ook wel Lieve Vrouwe kerk genoemd. In haar beste dagen waren er twee geestelijken aan deze kerk verbonden. In 1580 ging Leeuwarden over op de Hervormde eredienst en werd de Lieve Vrouwkerk ongeschikt bevonden. De preekstoel werd naar de Galileërkerk overgebracht en de kerk en de stins vervulden verschillende functies. In 1758 werd de kerk gesloopt, de Keimpemastins bleef staan. In de 18e eeuw kreeg de stins weer verschillende functies. Het werd verbouwd tot predikantswoning. Ook deed het een tijdje als nieuwe pastorie dienst. In deze tijd zijn geen noemenswaardige verbouwingen gedaan.
in 1832 eigendom van Anna Maria Mecima te Harlingen.
In 1890 verloor de stins zijn woonfunctie en werd als pakhuis ingericht.
- Oldestins aan de Modder Leeuwarden
in 1596 kochten Piebe Jaarichz en zijn vrouw een kamer bij Nijehove
In 1597 verkocht Piebe Jarichs een camer op Cammingahorn, hebbende 't olde stins
- Thomasmahuis Leeuwarden
<1501 De familienaam Iantiama komt voor het eerst rond 1458 voor, het toponiem Iantyama fien in 1464. Het Thomasma hws, eigendom van de Janthiama's, wordt voor het eerst in 1501 vermeld. Meer over het bezit van land en van een belangrijk huis van de Janthiema's vernemen we in 1501. Dan verkoopt Lisck Jorrerds Jantiama met instemming van haar broer heer Johannes Jorerdsz en van haar neef heer Petrus Bernardi, vicaris in de Oldehoofster kerk, Thomasma hws ende steden op de zuidhoek van de Kleine Hoogstraat en de Speelmanstraat. Het huis was aan een vleeshouwer verhuurd.
Cammingha in Hoek, Amelandshuis Leeuwarden
<1400 Rond 1678 afgebroken en herbouwd. In de jaren 80 afgebrand Het (later Amelandshuis genoemde) huis lag in Hoek, op land dat één geheel vormde met het grondbezit van Camminghaburen. De hele wijk Hoek, Voorstreek OZ, werd in de 14de eeuw gesticht door de Cammingha's. Op de zuidhoek van deze nieuwe wijk verrees dit huis, aan de noordzijde de nieuw-gestichte Sint-Catharinakerk. Achter de burgerhuizen die tot ver in de Nieuwe Tijd een erfpacht voor de grond aan de erfgenamen Cammingha betaalden
Door het graven van de stadsgracht in de 15de eeuw werd het huis in Hoek ruimtelijk gescheiden van Camminghaburen. Het bezit in Hoek werd genoemd in 1440, toen Peter Kammengha de huissteden daar (da stethan uppa dyke) aan zijn vrouw Site Lousma naliet, zolang ze zou leven. Daar lag ook het huis van Ubele Kammengha; bovendien inde zijn verwant Garrerd Kammengha uppa Hoecke pachten uit huissteden. Ubele en Garrerd bezegelden het testament mee. De eigendom van het huis te Hoek liep daarna geruime tijd parallel met die van Camminghaburen. In 1499 werd den statta in Lyowerd door Doed Cammingha aan haar zoon Peter Jelmera alias Cammingha nagelaten. Omdat de Jelmera's heer van Ameland waren kwam het Cammingha-huis in Hoek als Amelandshuis bekend te staan. Op zijn beurt liet Peter Cammingha in 1521 myn state in Lyowerd mey dae hoven, tho witten bynnen murre, mey't heem ende dae hovenghe aftert huus aent bolwirck na aan zijn zoon Haye Cammingha. Hayes broer, Wythie van Camminga, testeerde op zijn beurt in 1541.
Het eerste huis op deze plaats werd in de 14e eeuw, of al eerder, gesticht door de Cammingha’s. Dat gebeurde opeen erg strategische plek, namelijk in de hoek die gevormd werd door de Ee en de Vliet. Dat waren toen nog riviertjes en twee van de drie belangrijkste scheepvaartverbindingen van het toenmalige kleine havenstadje Leeuwarden naar het achterland. Vanaf deze plek kon men bijna alle verkeer en vervoer van en naar de stad controleren en beheersen. Het huis lag in een grote hof die ruwweg begrensd werd door de huidige Voorstreek, het Hoeksterpad, de Bleeklaan, Oostersingel, Piet Hein straat, Vliet en Tuinen. De stadsgracht is later dwars door deze hof heen gegraven.
Deze Frans Duco liet het oude en door de tand des tijds aangevreten huis afbreken en in 1678 een heel nieuw huis bouwen na een flinke verbouwing werd in maart 1906 het Amelandshuis omgedoopt tot Sint Bonifatius Hospitaal’, plaats biedend aan 60 patiënten. In 1913 werden er, ook op kosten van Juliana, 10 ziekenkamers voor klasse-patiënten bijgebouwd. In een van deze kamers is de barones op 11 juni 1914 overleden. Op 27 en 28 mei 1935 vertrokken de zusters met hun 62 patiënten naar een nieuw gebouw aan de P.J. Troelstraweg om plaats te maken voor de bejaarden die het tot Sint Jozef Pension omgedoopte huis in 1937 kwamen bevolken. Ook voor hen werd de ruimte te krap en in december 1979 vertrokken zij naar een nieuw gebouw.
Sindsdien stond het huis jarenlang leeg en verlaten. Na enkele keren van hand tot hand gegaan te zijn, werd het eigendom van Beerends Beheer B.V. te Amsterdam. Dit bedrijf was o.a. ook eigenaar van het beruchte kraakpand De Grote Keijser in Amsterdam. Wat toen al meteen gevreesd werd gebeurde enige tijd later ook. Terwijl een aannemer nog met sloopwerk bezig was om het pand te rehabiliteren brandde het tot de grond toe af.
- Minnema Leeuwarden
Rond 1400 werd aan de Voorstreek het Minnemahuis gebouwd. De ligging was gunstig: enerzijds dichtbij de oude handelsnederzetting rond Hoogstraat-Brol-Kelders, anderzijds op de oostelijke helling van de Minnematerp, waar ruimte was voor de grote Minnemahof die tot aan de Eewal strekte.
Vanaf 1406 worden de Minnema's vermeld. Schelte Liauckema liet in 1571 Minnemahuis en -hof en schuur met 18 koegangen op het Vliet en de huissteden te Leeuwarden na aan zijn zoon Sicke. Sicke werd onder de naam Sixtus kanunnik van het domkapittel in Osnabrück. In 1605 verkocht hij Minnema huys, met hof, schuren, plaatsen en steedpachten aan zijn zuster Gerland Liauckema en haar man Schelte Aebinga.
Naast de families Cammingha en Burmania vormden de Minnema’s vrijwel zeker het derde autochtone hoofdelingengeslacht van de stad Leeuwarden, althans binnen de grachten. De Burmania’s beheersten Oldehove (Burmaniahuis) en de Cammingha’s waren eigenaren van Hoek (Amelandshuis) en een groot stuk van het noordelijke deel van Nijehove (Camminghahuis 1 of Aed Levwerd en Julius van Gheelhuis). Het territorium van de Minnema’s grensde aan het stedelijk (handels)centrum op de zuidelijke terp van Nijehove en aan de belangrijkste transportroutes naar het noorden (Ee) en Oosten (Vliet). In 1406 wordt een Minnema vermeld die recht spreekt en in 1442 is Sipko Minnema schepen van de stad. In 1500 is Frans Minnema olderman; de hoogste baas in de stad. op 25 augustus 1615 verkoopt Sicke het Minnemahuis aan Schelte.
Dochter Daniël de Blocq van Haersma verkocht het huis in 1830 aan Leendert Beugelaar, logementhouder in Den Wijnberg aan de Wirdumerdijk. Die liet het huis voor veel geld tot logement ombouwen en inrichten en gaf het de naam De Nieuwe Doelen
- Sytthiema Poppingawier
<1462 De naam wordt het eerst genoemd als familienaam Sytgama in 1462.
In 1511 is sprake van een boer op Sytthiema, in 1543 van Sytzema guedt. Sytthiema's een belangrijke hoofdelingenfamilie in Poppingawier. De machtspositie van de Heslinga's alias Albada zou deels op hen teruggaan. Pibe Sytthiema te Poppingawier zou in het begin van de 15de eeuw met een His Albada zijn getrouwd. Zijn zoon Renick zou de stichter van de Onze Lieve Vrouweprebende te Poppingawier, later Albada-leen genoemd, zijn geweest. Via diens zuster Syts, gehuwd met Hette Bottez Heslinga, zou de collatie van dit leen aan de Albada's zijn gekomen; tevens zouden zij zich sindsdien naar Syts' moeder Albada zijn gaan noemen. Eén traditie suggereert zelfs dat ook de stins Albada-of-Douma, de woonstede van een tak van de Heslinga's, van de Sytthiema's afkomstig was.
In 1480 en 1511 blijken de familie Dekema uit Weidum en de Heslinga's gezamenlijk de voornaamste eigenaars van Sytthiema.
Vanaf 1511 kennen we Sytthiema slechts als verpachte boerderij. In 1640 was jonker Pybo van Albada, die tevens familieaantekeningen naliet over de relatie tussen Albada's, Sytthiema's en Heslinga's, eigenaar van Sytthiema.
- Gratinga te Grettingabuur Almenum
<1453 De oudste vermelding van Gratinga dateert van 1453; in 1511 is sprake van tho Gratnye, in 1540 van Graetnye en Gratinga saet, landen en fenne. Een tak van de familie van Birdingaterp of Biniaterp ontleende haar naam aan dit goed.
De Gratinga's of Gratingagoed gaven op hun beurt de naam aan de Gratinga- of Grettingabuurt aan de trekvaart naar Franeker.
- Gratinga te Grettingabuur Almenum
<1453 De oudste vermelding van Gratinga dateert van 1453; in 1511 is sprake van tho Gratnye, in 1540 van Graetnye en Gratinga saet, landen en fenne. Een tak van de familie van Birdingaterp of Biniaterp ontleende haar naam aan dit goed. De Gratinga's of Gratingagoed gaven op hun beurt de naam aan de Gratinga- of Grettingabuurt aan de trekvaart naar Franeker.
- Sjaerda III, Kalahey Franeker
1550 1446 Ca 1727 gesloopt
Het Sjaerdemaslot op Kalahey, waarvan de gracht in de stadsgracht was opgenomen, werd in het midden van de 15de eeuw als derde stamhuis (na het huis bij de kerk en Oud-Sjaerdema ten oosten van de stad) gebouwd.
Naast het Sjaerdahuis, het tegenwoordige Camminghahuis, bezaten de Sjaerdema's nog een tweede Stins in Franeker. Deze tweede heette het Slot op Kalehay, de kale hoogte, gesticht door Edwert Sjaerdema en haar man Douwe van Aylva tussen 1446 en 1449. Het blijkt in 1498 nog bewoond te zijn door Edwert, maar in hetzelfde jaar werd het afgestaan aan hertog Albrecht van Saksen. Later gaf de Hertog de Stins toch weer terug. In de zestiende eeuw komt het kasteel door vererving in bezit van Carel van Sternsee. Naar hem werd het stuk land waarop de Stins gestaan vaak Sternse Slotland genoemd, maar tegenwoordig meestal Sjukelán. Het Sjaerdemaslot was een waterburcht, die in de belangrijkste gracht van Franeker lag. De burcht domineerde de stad en dit werd nog versterkt toen het westerbolwerk om het Sjaerdemaslot heen aangelegd werd en het kasteel een soort citadel werd.
- Haytsma State (Makkum)
<1505 <1660 Afgebroken in 1732, naastgelegen boerderij pas in de 19e eeuw afgebroken In 1505 worden Bonne Haeytzema kinderen genoemd als edelen in Wonseradeel.
In de state woonde rond 1660 Bonne van Donia. In het begin van de 18e eeuw was de state eigendom van de gravinne Carlson. Nadat de State in vlammen was opgegaan, werd de state in 1732 afgebroken. Een naastgelegen boerderij bleef gespaard en werd pas in de 19e eeuw afgebroken.
- Sminia State (Wommels)
>1706 In 1804 is de State vervangen door een nog eenvoudiger huis. De state werd in 1872 afgebroken. Het hierna gebouwde huis is in 1906 afgebroken
Deze State stond op de terp van Wommels, gemeente Littenseradeel.
De State stamt van kort na 1706.In die tijd was Idzert van Sminia grietman van Hennaarderadeel geworden. Achter de state lag een bos, omringd door grachten. Een gedeelte hiervan is nog bewaard gebleven. Na het uitsterven van de familie Sminia, vererfde het huis op de familie Eysinga, die van deze familie afstamde. De State werd uiteindelijk in 1872 afgebroken. De zoon van Jkvr. Clara Tjallinga Aedonia van Eysinga, Willem Wiardus Hopperus Buma, werd in 1898 burgemeester van Hennaarderadeel en liet in een deel van de tuin een nieuw landhuis bouwen. Slechts gedurende 8 jaar bleef hij burgemeester, omdat hij het niet vinden kon met z'n gemeente. In 1906 werd het huis afgebroken en exact weer zo opgebouwd in Haarlem, onder de naam Oldehove. Dit huis is in 1969 afgebrand.
- Herema State (Bolsward)
<1500 In 1973 gerestaureerd Het tweede belangrijke adellijke huis binnen Bolsward was Heremahuis; aangrenzend buiten de stad was sprake van de Herema-fenne. Bij de partijstrijd om de heerschappij in Bolsward die in de laatste decennia van de 15de eeuw oplaaide, wordt dit huis in de kronieken van Thabor herhaaldelijk als militair punt genoemd. Het oudste deel van het huis stamt uit de 15e eeuw.
Door de familie Herema is het huis in de 15e en 16e eeuw gebouwd in vier fasen. Het linker deel, is waarschijnlijk de eerste fase, het rechter deel met onderkelderde zaal de tweede fase, het tussen-stuk de derde fase en de dwarsvleugel aan de achterzijde de laatste fase.H In de loop van de volgende eeuwen is het pand vaak verbouwd.
- Stins aan de Zandsloot, bij Pampus Hommerts/Heeg
Op de grens van de Hommerts en Heeg, strategisch aan de Zandsloot, de Jeltesloot en de Wymerts,tekent zich in een weiland het fundament van een stins af.
- De wier bij de Breelensweg Mirns, Bakhuizen en Rijs
Direct ten westen van de Hooge Bergen (met een hoogte van +11,9 meter NAP) ligt een complex lage weidegrond, de Brelen geheten het laagste punt is -0,3 meter.
De naam Breel is verwant aan toponiemen als Brol, Bri(e)l, Bruil, Breugel en het keltische en middellatijnse brogilum. Er werden weidegronden dichtbij oude nederzettingen, soms omheind en bij een domein behorend, mee aangeduid.
In deze omgeving genoemd ackeren bouw op Hogebergen en een stuk graslandt de Brylle genaemt. Langs de Brelen loopt de Breelensweg, die de weg over de Hooge Bergen kruist. Ten noorden van deze kruising een stinswier
- Wier bij de Braamberg Mirns, Bakhuizen en Rijs
Twee wieren: een ten noorden en een ten zuiden van de Mirnserdijk.
Ekinga te Bayum, Stinspolle Winsum
<1511 Afgebroken in 1686, sindsdien een boerderij.
Op het stinsterrein staat sindsdien een boerderij; een aangrenzend perceel heet nog de Stinspôlle.
De oudste, indirecte, vermelding van het goed waarop de stins Ekinga stond, is uit 1511. De pachter Heyn Eekinga ontleende er toen zijn toenaam aan. Verschillende archeologische en historische gegevens duiden erop dat in Bayum al vroeg een stins stond en sprake was van adellijke bewoning. Onzeker is echter of deze 12de en 14de-eeuwse gegevens alle betrekking hebben op (een voorloper van) het latere Ekinga. De oudste aanwijzing voor een adellijke machtspositie in Bayum zijn de resten van een stins die in april 2000 bij het graven van een sloot op een perceel ten zuiden van de Alde Baijumerdyk werden gevonden. Het muurwerk zelf was weggebroken; bewaard was slechts een fundering van keien en tufsteen. Baksteen werd niet aangetroffen. Ter weerzijden van de stins tekende zich een gedempte gracht af. Over het geheel lag een dikke laag verstoorde aarde. Vanwege het voorkomen van tufsteen is het goed mogelijk dat deze stins nog in de 12de eeuw tot stand kwam. Het perceel waarin de vindplaats ligt maakte blijkens de floreencohieren geen deel uit van een van de sates van Bayum. Het verloop van de grens tussen het onder Baarderadeel en Winsum vallende deel van Bayum en het onder Hennaarderadeel en de parochie Bayum horende deel, zoals we die kennen door de kaart van Schotanus uit 1718, toont dat dit perceel, evenals het nabije Ekinga. In 1543 ontvingen de pastorie en de vicarie van Winsum resp. uuyt Sasker Heringe guedt, Ekinga in Bayum, drie horntiens gulden jaerlicx oft sex portiones en drie hornties guldens uuyt olde Aeckema saete, daer nu toecompt Sasker Heringa. Of Sasker de stins op Ekinga heeft laten bouwen, of dat er reeds een aanwezig was is onbekend. Op 12 juli 1686 werd de stins voor afbraak ter verkoop aangeboden: seeckere old-adelyke stins, met de grond en plaetse waerop het selve staet, sampt gracht daerom gelegen, staende dicht aen de dorpe en kercke tot Bayem doch behoorende onder den klockslach van Winzum. De afbraak had snel plaats. Nog in hetzelfde jaar werd een seeckre camp landts daar het stins op gestaan heeft, met de grachten daarom lopende doorverkocht. In 1718 restten de singels van het stinsterrein en - tussen dit terrein en de weg - een stinswier. Ter plaatse van deze wier staan tegenwoordig enkele huizen, die nog steeds de Stinspôlle worden genoemd. (…) Ekinga lag op de dorpsterp van Bayum, die ligt op de uiterste zuidpunt van de uit kalkrijke poldervaaggronden/zware zavel bestaande kwelderwal Beetgum-Menaldum-Dronrijp. Tot 1870 liep de doorgaande weg naar Dronrijp tussen Ekinga en het perceel
- Juwsma Stins (Rinsumageest)
<1451 <1450 De state is in 1484 afgebroken
De familie Juwsma is tot in de 14de eeuw terug te volgen. De familienaam Jwisma komt in 1421 voor het eerst voor; het goed als Jwsma hus en Juwsma fenne sinds 1451. In 1472 werd ook een stinswier (weer) genoemd. Uit de voornamen binnen de families Juwsma en Tjaerda, de ligging van de huizen en de erbij behorende landerijen, en de overeenkomst van de wapens blijkt dat Tjaerda en Juwsma waarschijnlijk beide op een oorspronkelijk ongedeeld adellijk eigendomscomplex werden gesticht. Aan het einde van de 15de eeuw ging Juwsma weer in Tjaerda op. Ondertussen was de stad Groningen bezig haar hegemonie in Oostergo te vestigen. Daarom trachtte de stad belangrijke, strategisch gelegen, stinzen te verwerven, die als steunpunten konden dienen. In 1477 verkocht Gatze Jusma in dat kader Ywesma huus dat sie nu ter tyt selven bewonen mytten heerde ende den hofsteden mytten grafft ende alle de huusingen de bynnen ende buten den grafft staen ende tot den vorscreven huuse behoren mytter vysscherie ende mytter zwanenvlucht. (…) in 1484 door de Leeuwarders te laten innemen. Wilcke werd gevangen naar Leeuwarden gevoerd en het huis met de mueren en dat sael werd afgebroken; alleen dat stinse met die poorte lieten ze staan. Een bezetting op de stins moest Wilckes stiefvader en bondgenoot Sids Botnia alias Tjaerda in de gaten houden. Geërgerd door te brutaal optreden van de Leeuwarders lukte het Sids de stins van Juwsmahuis in te nemen toen de bezetting op een dag merendeels afwezig was; hij brak ook deze rest af, zodat heel Juwsmahuis nu verdwenen was. Na de sloop door de eigenaar van Tjaerda is ook de eigendom van het Juwsma-land aan de bewoners van Tjaerda-huis gekomen. In 1540 en 1543 blijkt dat Juussma state eigendom is van de Tjaerda's; ook het door de bewoners van Juwsma gestichte kapelaanschap te Rinsumageest werd aan Tjaerda verbonden.
In de eerste helft van de 15e eeuw woonde hier Bauke Juwsma. Bauke had drie zoons, Garolt, Wopke en Gaycke. Van deze drie zoons was het Wopke die rond het midden van die eeuw op de stins woonde. In de vetes van die tijd had Wopke het vaak en bloedig aan de stok met zijn buurman Worp Tjaarda. Die laatste was de nabijheid van de toen machtige Juwsma’s een doorn in het oog. Tjaerde wilde dan ook graag het bezit van de Juwsma’s hebben, maar de stins was veel te sterk om te belegeren en in te nemen. Daarom zocht hij naar een andere mogelijkheid. In 1465 had hij Lieuwe Jellinga uit de Dokkumer hoek en zijn volk gerekruteerd. Die legden zich in hinderlaag bij de stins en toen Wopke Juwsma op zeker moment de stins uit kwam, werd hem door de bende van Jellinga de weg terug afgesneden. Wopke probeerde te vluchten maar werd afgeslacht. Het jaar daarna, in 1466, werd Wopke’s zoon Popke vermoord door de knechten van Worp Tjaarda. Bij gebrek aan een nog levende broer vererfde de state op een zuster van Popke, Wyts Juwsma. Deze was getrouwd met Juw Harinxma thoe Sneek. Om te voorkomen dat Juwsma State in handen van de Tjaerda’s zou vallen, en om het goed zelf in handen te krijgen, werd het huis bezet door haar oom Garolt. Wyts en Juw hadden uitgestrekte bezittingen in en rond Sneek en vonden het waarschijnlijk niet zinvol om in die roerige tijden een state zo ver van hun woonplaats te hebben en daar tegen hoge kosten een voldoende aantal vechtersbazen te legeren om de Tjaerda’s af te weren. Zij verkochten de state daarom aan haar andere oom Gaycke. Die verkocht de sterkte in 1484 aan zijn vriend Wilco Ringia, die door de Leeuwarders van zijn state te Stiens was verdreven. De Leeuwarders lieten Ringia echter ook in Rinsumageest niet met rust. Omdat de state veel te sterk was om te veroveren kochten ze de poortwachters om, die de poort voor hen openden. Alles werd verwoest behalve de toren en de poort. In dat overblijfsel legerden zich de Leeuwarders, die zich daarna in de omgeving bezondigden aan plundering en afpersing. Buurman Syds van Bottinga, een schoonzoon van Worp van Tjaerda, had daar al gauw genoeg van en bond vanuit Tjaerda State de strijd tegen hen aan. Met succes. De Leeuwarders moesten uiteindelijk capituleren en nu werden ook poort en toren met de grond gelijk gemaakt. Daarmee is de Juwsmastins voorgoed verdwenen.
- De wier bij Oudterp in Ee
<1433
- wier aan de Doyumervaart Franeker
<1433 in Doyum lagen in de vroege 15de eeuw drie rechtvoerende saten, in het land van Heslinga lag in een wier, Hilderda en Fertza lagen bij een wier
Ten zuiden van de buurschap lag in het land van deze sate in 1718 een wier aan de Doyumervaart.
- De wier aan de Mirnserdijk Mirns, Bakhuizen en Rijs
Aan de Mirnserdijk, tussen het dorp en de Braamberg, ligt een wier.
- Wier op de Dollen Oudemirdum
De Dollen ten zuiden van Oudemirdum bestaan uit hoge zwarte enkeerdgronden met keileem, in 1664 Dolhuysen genoemd worden in 1718 en 1739 drie wieren aangegeven. De noordelijkste naast een stemmende stel, de andere twee elk naast een huis.
- Wier bij 't Kruispad Sondel
Eén wier lag ten zuiden van de Gaast, ten noorden van de afsplitsing van het Krûspaed van de Hereweg. Een tweede wier lag ten zuiden van de Hereweg, direct ten westen van de meest westelijke boerderij; zowel deze boerderij als de wier lagen ten westen van de dorpsgrens tussen Nijemirdum en Sondel.
- De Hege Wier aan de Dolle Westergeest
in 1700 eigenaar Jeen Pytters en gebruiker Jelle Tieerds en Antie Egberts c.s. en Jan Egberts eigenaars
- Boulsma Hijum
<1484 Boulsma, in 1484 Boulsme guet en in 1502 Bowtsma gwed genoemd, wordt opgenomen vanwege de 15de-eeuwse eigenaars, die er oorspronkelijk ook woonden: de familie Boulsma, met adellijke connecties. De oudst bekende bezitter van Boulsma is Wibren Boulsma. Hij werd in 1444 voor het eerst genoemd, toen hij met andere hoofdelingen vrede sloot met de stad Groningen. In 1540 was Boulsma goed, dat toen, evenals in 1484 door een pachter werd bewoond, een van de grootste goederen te Hijum
In 1554, 1559 en 1566 werd Boutsma staten en saete opnieuw genoemd; het was toen waarschijnlijk een gewone boerderij.
- De Aldwier of wier bij de Goudenboom Jelsum
stuk losland van de Jelsumer armen, gelegen in de Wier en de Goudenboom.
- Wier achter Wilaard Leeuwarden
- De Stinsfenne tussen Kemge goed en Engelum
<1543 Tussen Kemge goed of Kingum en de dorpsterp van Engelum wordt in 1543 de Stinsfenne vermeld: oltlandt, 3 pondemaeten olde fennelandt, geheeten den Stins fenne. In het zuiden strekte deze tot aan de Beetgumer vaart, aan de andere zijden lagen joncvrouwe Jell Martne landen. De fenne was kerkegoed van Engelum. Door de belending en omdat het perceel zowel in 1543 en 1700 als in 1832 kerkegoed was, kan het gemakkelijk geïdentificeerd worden: het is het kerkeland aan de Beetgumervaart, ook in 1700 drie pondematen groot. Het aangrenzende land van jonkvrouw Martena is Kenge of Kemge gued, dat zij in 1517 van haar vader Hessel Martena had geërfd.
Waarschijnlijk is de stins verdwenen nadat het land bij de relatief late kerkstichting of naderhand aan de kerk geschonken was. Met zijn ligging aan de vaart en dicht tegen de terp aan, was de stins gunstig gelegen.
- Doyema Marssum
<1439 Wpka Doyema te Marssum maakte in 1439 zijn testament. (…) Wpkes vrouw Focke mocht tot haar dood op dat stens blijven wonen, maar erfde dat niet.
Zij liet Aesgheme gued ende Doyemme to Mersum in 1473 in haar testament na aan haar dochters zoon Sasker Heringa. (…) Doyema is later geen stins meer.
Van een adellijk bewoonde stins op Doyema was rond 1500 waarschijnlijk al geen sprake meer. Aesgema, oftewel Heringastate, was toen het woonhuis van de Heringa's; Doyuma was één van hun pachtboerderijen. In 1640 behoorde het aan jonker Tjallingh van Eysinga, in 1700 aan dr. Henricus Popta op Heringa state.
- Curia Sanctae Mariae, later Donia Bakkeveen
Te Bakkeveen bezat de abdij Mariengaarde bij Hallum een uithof. In 1580 ruilde de abdij Bakkeveen tegen land dichterbij de abdij met Sierck van Donia. Diens huis wordt in het krijgsgeweld van de 80-jarige oorlog als militair punt genoemd: Gedeputeerde Staten gaven op 6 november 1581 opdracht om de strategische punten klooster Bergum, klooster Smalle Ee, klooster Siegerswoude bij Eernewoude en het huis van Sirck Donye te Bakkeveen af te branden.
Uithof Curia sanctae Mariae te Bakkeveen bezat een stins vergelijkbaar met die te Veenwouden.
- Dekema of Heringa Baard
<1433 <1400 In 1514 en 1515 werd de stins in brand gestoken, maar daarna herbouwd In 1718 lag naast de boerderij nog een stinswier
Een belangrijke machtspositie was Heringa-stins te Baard. In 1433 woonde hier de grietman van Baarderadeel Sybrant à Bawirt. Hij wordt ook in 1446 vermeld. Zijn zoon Douwe Sybrens bewoonde volgens de Hollandse spion in 1468 het huis. Douwe en zijn zoon Doecke komen herhaaldelijk in oorkonden en kroniekberichten voor; hun familie noemde zich later Aesgema en verzwagerde zich met Dotinga's te Marssum en Buttema's te Morra.
Voor 1491 verkocht Douwe Sibrens Heringhae stins thoe Baerd, met stins, weer, poerten, ringhmuura, greften, wallen, wenhus, heem en hoernleger aan Goffe Roorda, die het in 1491 na een geschil met Juw Dekema aan de laatste overdroeg. Sindsdien stond het huis ook als Dekema bekend; in 1529 was er zwaanrecht aan verbonden.
Al in 1303 komen we de naam van Juw Hettes Decama tegen, die dan meevecht in het leger van graaf Jan II. De gevechten waren in 1498 met de komst van de Hertog van Saksen nog lang niet afgelopen. In 1514 kwamen de Vetkopers en hun Gelderse vrienden onder leiding van Paulus van Gravestein bij Baard en staken de Dekema stins in brand. In 1515 deed de Zwarte Hoop, een bende losgeslagen soldaten van de Hertog van Saksen die geen soldij hadden gekregen, dat nog eens dunnetjes over. In 1523 stierf Juw van Dekema in zijn huis te Franeker in de ouderdom van 74 jaar.
Na de brand van 1515 is de stins/state herbouwd, want in de "Beschryvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt" (1664) staat vermeld: "Hier light de State Dekema/ alwaer geboortigh ende woonachtich gheweest is/ de laetste Potestaet Juw van Dekama.
- De state Oosterzee Oosterzee
>1540 In 1540 werd Kerste Piers aangemaand zich als grietman binnen zijn grietenij te vestigen. Hij zegde dat toe, maar verdedigde zich tegelijk dat hij woonde zoe nae by de gryetenye van Lempster Vyfgae, dat men mit twie schoeten van eenen boege dar inne soude moegen (kunnen) schieten. Hij vestigde zich te Oosterzee, waar hij inderdaad land aankocht en waar later, in de jaren 1582/1587, Kerste Piers sate nog werd genoemd. Kerste Piers had twee dochters, die beiden met een man uit de familie Sthynhiema-Eesterga trouwden. In het bezit van hun nakomelingen vallen later ondermeer de goederen van Kerste Piers te Delfstrahuizen en Oosterzee terug te vinden.
- De wier tussen land van Buygers en Sjoerda
Ten noorden van de weg naar Miedum, in een bocht en tussen deze weg en het watertje de Oude Lits, een wier aan. De wier ligt op floreenvrij land. Voor het grootste deel wordt hij omringd door land van de hofstede Buygers, in het oosten door land van Sjoerdsma state
- Popma stins, Stins Oosterend
<1399 <1482 In Oosterend ligt de wier De Stins. Hier stond de stins van de familie Popma, die in de 14de en 15de eeuw voorkomen als grietmannen van Wexalia, de oude naam van Terschelling, en als hoofdelingen op Terschelling. Zij waren de rechtsopvolgers en naar wordt aangenomen ook nazaten van Claes Elffs, die in 1322 door de graaf met de jurisdictie was belast; ten opzichte van de heer (na 1399) kunnen de Popma's als schouten worden gezien. Omdat zij in de 15de eeuw voortdurend op het eiland woonden, dit in tegenstelling tot de heer, waren zij de feitelijke heren.
De Hollanders beschouwden al heel lang het eiland als leen. In 1399 verkocht Albrecht van Beieren het eiland aan Jan van Arkel, maar toen deze in opstand kwam tegen zijn landsheer, werden zijn goederen verbeurd verklaard. Ondertussen was Jacoba van Beieren gravin van Holland geworden en zij verkoopt het eiland in 1417 aan Gerard van Heemskerk. Via vererving komt het later in bezit van Cornelis van Bergen en tenslotte van Jean de Ligne Graaf van Aremberg. De belangrijkste figuur uit de familie Popma, was Folkert Popma. Hij sloot internationale verdragen, o.a. in 1482 met koning Edward van Engeland in 1482. Daarin wordt hij genoemd als heer van der Skylinghe ende Gryndt. Als Rienck Popma in 1510 sterft, kan Cornelis van Bergen het eiland ook daadwerkelijk in bezit nemen: hij koopt Jarich van Popma, de zoon van Rienck, af. Jarich van Popma verliest al z'n geld en sterft in armoede. Jean d'Aremberg sneuvelt in 1568 bij Heiligerlee en zijn zoon Charles verkoopt het eiland in 1615 aan de Staten van Holland. De Hollandse heren van Ter-Schelling bewoonden een kasteel te Stryp en de regering was gevestigd te Midsland. Bij de plaats Oosterend is een kunstmatige hoogte (wier) aanwezig, waarop de stins zou hebben gestaan.
Bij de Popmastins stond een kapel. Achter die kapel was een begraafplaats en de weg voor die kapel heet ook nu nog de lijkweg.
- Mellema Oostrum
<1511 In 1735 afgebroken, op de locatie is in 1812 een boerderij gebouwd
De familie Mellema wordt voor het eerst in 1422 genoemd; het goed in de naam van de eigenaar bewoner Mellema in 1511. In het midden van de 15de eeuw ging de familie waarschijnlijk op in de Remmersma's te Dokkum; de latere Mellema's waren een zijtak van de Remmersma's.
In 1422 werd Syric Mellama, gevolgd door Focko Ropta te Metslawier, Sasbet te Foudgum en andere hoofdelingen uit de omgeving, genoemd onder de Schieringers die met Focke Ukena een verdrag sloten.
Hun zoon Offcke van Feytsma legateerde in 1612 Mellema state met huys, schuyr, hoff, hornleger, graft ende poorte en 124 pondemaat land aan zijn broer Jelger Feitsma. Daarna kwam Mellema achtereenvolgens aan de families Eelckema, Hania, Van Scheltinga en Heemstra.
Mellema was een enorm groot bedrijf. In 1511 was het bedrijf ruim 166 pondemaat groot; één tiende deel was eigendom van de abt van Dokkum, één tiende van de Jaerla's, de rest van Poppe Mellema.
- Janga
Jainga of Janga, griet.
- Gralda goed of Solckama state Heeg
Een belangrijk goed van de Harinxma's in Heeg was Gralda sate. Douwe Harinxma verpachtte het in 1511 aan de boer Lyoeska Jacopsz. Het goed lag op Hagena dick, de weg door Lytshuizen en Osingahuizen, ten noorden van het dorp, en was 57 pondematen groot. In 1700 en later was Solckema een gewone" boerderij.
- Terhorne
veeltijds genaamd de Hoek, griet.
- Oenema State (Heerenveen)
1640 In 1876 verbouwd tot gemeentehuis (hierbij deels gesloopt). Oenema state is omstreeks 1640 gebouwd door de Grietman van Schoterland, Amelius van Oenema (1627-1647). In 1663 werd het pand bewoond door Ernst Willem van Haren en Catharina Jacquesd (Douma van Oenema). Van Haren was grietman van West-Stellingwerf
Vanaf het begin van de 18e eeuw werd het pand bewoond door de familie Sirtema van Grovestins, een edel geslacht uit Engelum, genoemd naar de Grouwe stins aldaar.
In 1828 wordt het pand gebruikt als grietenijhuis van Schoterland. Een zeer grote verbouwing vond plaats in 1876, toen het pand werd ingericht als gemeentehuis van Heerenveen.
- Tjallinga Westernijkerk
<1452 Huis in 1500 in de as gelegd In 1452 wordt Thyard Zthalingha genoemd; zijn zoon was Ydze Zthalingha, grietman van Ferwerderadeel.
Als dochter van Idts kan Siouck Tzallinga worden gezien. Zij trouwde met de in 1512 onthoofde Gerbrandt Mockema, die in 1511 eigenaar van Tjallinga-state te Westernijkerk was van syn wyffs wegen. In 1500 was het huis al door de Saksische soldaten in de as gelegd. In 1540 was Sjoerd Andla, vanwege zijn vrouw Kinsck van Ropta, eigenaar van Tjallinga. In 1541 bestemden zij Tjallinga-huis met bijbehorende goederen tot een weeshuis. De stichting Tjallinga-weeshuis bestaat tegenwoordig nog.
- De wier bij de sate Marderhoek Oudemirdum
Naast een ter plaatse van de huidige boerderij Marderhoek gelegen huis in 1718 en 1739 eveneens een wier. In 1850 werd de wier niet meer aangegeven. De strategische ligging van Marderhoek bleek in 1514. Toen landden op 22 november op Geesterlant by Merderhoeck Jancko Douwama en Sicke Douwez Galama met Gelderse troepen; dezelfde dag nog namen ze Sloten in.
- De Oud Stins van Aempke Geuckez Oudega
<1541 Dit was waarschijnlijk geen stins in de zin van een verdedigbaar middeleeuws adelshuis. De geschiedenis van het huis gaat terug tot 1541. Van 1541 tot 1577, dus 36 jaar lang, was Empcke of Aempke Geuckesz grietman van Smallingerland.
De naam lijkt te danken te zijn aan het feit dat hier in de 16de eeuw 36 jaar lang een grietman woonde. Blijkbaar heette het daarom in 1718 oud stins, allicht ter onderscheiding van het nieuwe grietmanshuis Groot Haersma, meer oostelijk in Oudega, dat rond 1665 op het voormalige kloostergoed Cloostersathe werd gesticht.
- Wier Oppenhuizen
Bij sate in 1718 een stinswier
- Aytta Roordahuizum
<1484 De oudste vermelding van Aytta is praedia Ayttana en Aytama in Roerdahuysum in 1484. Van Aytta in Roordahuizum is geen stins bekend, stamhuis van de familie Aytta. Deze gold sinds begin 16de eeuw als adellijk, en was ook in de 15de eeuw reeds verwant met families van hoofdelingen.
- Ytsma of Scheltema Wierum
<1511
wordt het goed in 1511 vermeld als Yttien; expliciet is in 1543 sprake van Ald Ythieme gued."
Ytsma lag ten westen van het dorp, hemelsbreed halverwege Poutsma.
- Holdinga State (Finkum)
<1511 <1511 Tussen 1801 en 1832 afgebroken
Samen met anderen was Wilke Hollingen in 1511 eigenaar van de door hem gebruikte state in Finkum.
In 1675 werden de twee staten, saten ende landen te Finkum van de Walta's aan de regentenfamilie Van Burum verkocht; de ene Holdinga genaempt met de grote huysinge, de nieuwe huysinge, schuyre, sampt hovinge, bomen, ende plantagie, gracht, zingel. In 1727 kocht jonker Ulbe Aylva van Burmania het goed van de Van Burums. In de jaren tussen 1761 en 1780 werd een deel van de boomgaard verhuurd en bomen en vruchten uit de hof verkocht. De state werd in 1801 verkocht.
Te Finkum woonden de Holdinga’s, door abt Sibrandus Leo Holling genoemd. In 1511 betrof dat Wiffka Hollingen."
In 1723 wordt hier jonkheer Allard van Burum als eigenaar vermeld." "In 1761 werd het 8 pondemaat grote hof van Holdinga State waar een verscheidenheid aan vruchtbomen stond, te huur aangeboden.
Ook in 1764 bood de toenmalige eigenaresse, douairière Van Heemstra het hof weer te huur aan. O
Op 21 augustus 1771 werd het hof van Holdinga State verkocht. Of het huis er toen nog stond of dat meteen daarna de slopershamer zijn werk heeft gedaan is niet bekend.
- De Zandberg bij Haersma
In 1640 was deze sate eigendom van de regent Tarquinius Boelens en de zijnen. Ze verhuurden het land aan Minne Wabes. In 1698 was Valerius van Glinstra uit naam van zijn kinderen eigenaar, en Tryntie Gerbens huurder; in 1700 was de grietman Eelco van Haersma eigenaar. In 1728 was de grietman Arent van Haersma eigenaar, en Nanne Pieters pachter. Arent van Haersma overleed in 1740, zijn vrouw Ansckje Doys in 1765. Van hun zoon dr Johan Lodewijk Doys van Haersma, geboren in 1723, grietenijsecretaris van Achtkarspelen, deelt de Tegenwoordige Staat in 1786 mee: onder dit dorp is voor eenige jaaren door den raadsheer mr. J.L. Dois van Haersma een fraaie buitenplaats gesticht.
- De wier te Britswerd
De sate op welks land de wier lag, was in 1640 eigendom van Sipcke Sibrants cum suis, erfgenamen van Doede Ates.
- Hiddinga Mantgum
<1511 In 1511 reeds een pachtboerderij
Hiddinga was in 1511 eigendom van Tjerck Tjercksz Walta. Het was toen reeds een pachtboerderij. Ernaast lag nog in 1718 een stinswier.
- Greuinga Wieuwerd
<1543 Greuinga, de sate direct ten oosten van de terp van Zwaanwerd met de stinswier
De sate wordt in 1543 als Greuinga zaete, Greunga saete en Greunga landen genoemd, In 1640 was jonker Gerrolt van Feytsma eigenaar van het grootste deel van het bedrijf.
- Liuwema Pietersbierum
<1511
De oudste vermeldingen zijn Lyue(ma), als toenaam van de pachter in 1511, Lwema landen in 1543 en Liuwema state in 1546. In 1511 en 1546 was Liuwema een pachtgoed van de Liauckema's. In 1558 kreeg Tryn Liauckema het bij boedelscheiding, waarna het buiten de familie raakte. De ligging van de stinswier was mogelijk strategisch: aan de opvaart naar het dorp vanuit de Ried.
- Ottema Sexbierum
<1386 De oudste vermelding dateerde uit de jaren 1386/1422: het was een Oudfriese oorkonde die handelde over zekere stins Ottamastins in Sexbierum met de er onder horende landerijen. De stins was deels hoofdelingen-, deels kloostergoed. Ernaast lag een wier. Opmerkelijk is dat ook naast Ottema een stinswier lag, dus vlakbij de wieren van Goslinga,Klein Eelsma en Eelsma. In 1546 wordt namelijk vermeld dat de pachter gebruikte een erve lants, Ottema saete genoempt, hebbende in den eersten een stuck saetlandt myt die huyssteedt ende wier, maeckende tsaemen vyff pondematen, wairvan (...) die patroons landen te Sexbierum ten noorden naestlegers zyn.
- De stinswier bij Wiersma Dantumawoude
Betreft een wier. In 1832 geen bebouwing zichtbaar. Ten westen van de Damwoudster Trekvaart werd in 1718 bij de boerderij die ten noorden van het dorp op dezelfde bewoningsas als Onnema ligt, een stinswier aangegeven. Vanuit het noorden liep de Juckema Opvaart naar deze boerderij toe. Bij de naamsaanneming in 1811 ontleenden de bewoners van deze sate hun naam Wiersma aan deze wier.
- De wier op Kleine Gaast Tjerkgaast
in 1718 een wier. Deze lag op de sate die in 1640 door Tjerck Haejes werd gebruikt en eigendom was van de overste capitein Michiel Potter en zijn medeerfgenamen.
- stinswier Tonkum Sweins
De stinswier is gelegen nabij boerderijplaats 1634.
- De wier bij het kerkhof van Mirns Mirns, Bakhuizen en Rijs
In Mirns lagen vier stinzen, alle op de hoge zwarte enkeerdgronden langs de zee. Ten westen van het kerkhof van Mirns beelden de atlassen van 1718 en 1739 een wier af. Hij ligt in het land, niet naast een huis.
- Wier op de Hooge Bergen Mirns, Bakhuizen en Rijs
Bij de boerderij ten oosten van de laan over de Hooge Bergen wordt in 1718 en 1739 een stinswier aangegeven. Vanaf deze stins op een der hoogste punten van Gaasterland moet men een goed uitzicht over de wijde omgeving hebben gehad. De wier zelf lag op lemig fijn zand, ertegenover lag op de helling naar de Brelen een complex hoge zwarte enkeerdgronden.
- De wier bij de Woudakkers Oudemirdum
Bij de meest noordelijke boerderij op de Woudakkers lag in 1718 en 1739 een wier. In 1850 wordt de wier niet meer aangegeven. Het land aan de andere zijde van de weg, die tegenwoordig Bûterkamp heet, bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden met keileem.
- De wier in de Hoek Wyckel
De oostelijke twee sates van Wyckeler Iwert worden door De Hoek genoemd. Bij de meest oostelijke van deze sates, ten oosten van de huidige Gaestfjûrwei en Vegilin een wier
In 1832 en 1850 wordt deze niet meer aangegeven.
- M.F. Fermo
- Hegens Edens
- Buma op de Triemen en Bunlatiro Westergeest
<1580 In 1782/3 afgebroken
De Kollumerlandse hoofdelingenfamilie Buma had een steenhuis op Wygeest en verschillende staten onder Westergeest. Tegelijk met andere Westergeester heerschappen, zoals de kinderen Idema en Ouwe Algersma op de Triemen, hield Sye Bouwema zich in 1467 afzijdig van het verbond van Kollumerland met de stad Groningen. Op de Triemen zijn van belang de sate van Hotse Buma (1580) en die van Wytske Jans Buma (1653). "Waarschijnlijk was Bumasate een van de stemmende sates die nazaten van Bote Luitjens in 1640 bezaten."
Het huis werd in 1748 verkocht en zou in 1782 of 1783 afgebroken zijn. In de late 18de eeuw werd hier het nog aanwezige huis De Knip gebouwd. In de 19de eeuw waren op het terrein nog resten van de tuinaanleg en van vijvers te zien. Ook zijn bij het huis "oude Friese" stenen aangetroffen, volgens Vries mogelijk resten van de oude Buma state." Westergeest Top 10 NL 2008 CHK States en Stinzen Fryslan 2010 Provinsje Fryslan M.F. Fermo onroerend; landschap onbekend nog niet gewaardeerd/ in onderzoek onbekend gebouw https://geoportaal.fryslan.nl/arcgis/rest/services/CHK2/MapServer/50/4/attachments/4 Stins, Boerderij {B132F06E-A7F0-4FDC-AAE4-01ED8E06D5AD} 541,498 22.348,994
- Tjessinga Britsum
<1431 <1431 In 1431 wordt Popeka Thiessinga à Britszim vermeld; hij komt ook met de familienaam Doyngha voor. Als Popka Britzim wordt hij in 1437 onder de mederechters van Leeuwarderadeel
In 1640 eigendom van een afstammeling van Goslick Jongema. Vanaf 1511 was de sate steeds een pachtboerderij.
De state zou gestaan hebben aan de Oudlandsdijk ongeveer halverwege tussen de oude Middelzee-dijk en de Dokkumer Ee.
- De wier ten oosten van Swichum
Ten oosten van Swichum lag in 1718 en 1850 bij het voorhuis van de sate, in 1698 eigendom van de oud-grietman Hector van Glinstra te Bergum
- De wier op Werpsterburen Wirdum
- Obbema te Hatsum Dronrijp
<1450 Het goed was in de late 15de en de 16de eeuw waarschijnlijk reeds een gewone boerderij
Het was één van de steunpunten van de Franeker stadshoofdelingenfamilie Siaerdema onder Dronrijp. Mogelijk verwierven ze het goed in de eerste helft van de 15de eeuw van de verwante Dronrijper families Oedsinga of Hobbema.
In 1510 en 1511 moest uit Ubbema gued oftewel het goed tho Hadtzen (Hatsum) naast de pachtsom jaarlijks een vet varken aan de Siaerdema's worden betaald. Edewer Siaerdema liet het in 1510 aan haar dochter Swob, gehuwd met Jarich Hottinga, na. Vanwege hun zwakzinnige kleinzoon Sicke Hottinga werd in 1529 aangifte gedaan van de zwanenjacht van Obbema state.
in 1640 werd deze verpacht door Keimpo Hillema
- Hibbema Hiaure of De Lyse Jouwer
De oudste omschrijving, uit 1470, luidt Hibbema statha ende landt met heem, terp ende steeden. In 1470 sloten Dowa her Siuckisma (uit Waaxens) en Remren Tadama een overeenkomst, waarbij de eerste Hibbema verkreeg en de tweede Onnama statha te Wanswerd. Op grond van de namen van de zoenlieden en getuigen (ondermeer uit Holwerd, Foudgum en Brantgum) is het waarschijnlijk dat het om Hibbema in Hiaure gaat.
In 1511 pachtte Dowa Hebbama het goed van Garck en Rentie Syuxma, rechtsopvolgers van Dowa her Siuckisma, en van vijf andere eigenaars. In 1640 werd Hibbema gebruikt door een eigenerfde boer, Wybe Pieters. Hibbema ligt ten zuidwesten van de Jouwster dorpsterp.
- Walta of Sickama state Makkum
<1468 Vanaf 1511 was Sickema een gewone boerderij; in 1718 lag er echter nog wel een stinswier naast
1546. Frans Donia, zoon van Peter Donia en Jantsen Sickema, was toen eigenaar van een pachtboerderij te Makkum, wairvan Bonne Haytiema te noorden ende Fetthiema staten ten suyden naestlegers zyn, hiermede in gereeckent die huysstede. Het goed lag dus ten zuiden van Haitsma; het ten zuiden van Frans Donia's goed gelegen Fetthiema werd in 1543 als een deel ervan beschouwd, want uit Ffeytama off Sickma staeten moest toen jaarlijks een rente aan de vicarie worden betaald. Verder grensde pastorieland toen aan Sickama fennen. In 1640 was Siccama staten eigendom van jonker Taco van Camminga te Arum; hij verpachtte het toen.
- Adema of Emingha
<1617 In 1617 verkochten Pyer Syoerdts en Sibbel Tyernedr de saate, staate en landen Adema genaempt, groot 20 pm, met de terp, het hiem, het hornleger en het groodthuys, genoemd Emingha stins aan Gabinus Petri, secretaris van Wonseradeel, die zich Eminga gaat noemen. Bij de sate behoort het recht van zwanenjacht en visrecht in de Indijk.
- Eminga Stiens
<1418 <1786 Voor 1786 afgebroken Het was al in 1511 een pachtboerderij. Ook in latere tijd bleef het dat. Het was het stamhuis van de familie Eminga, die er haar naam aan ontleende. Behalve het feit dat de Eminga's en hun erfgenamen nog eigenaars waren, herinnerden in de 16de eeuw de stinswier die er naast lag en de kerkelijke verhoudingen rond dit huis nog aan het voormalig belang van Eminga state. Hoewel de state ten noorden van het dorp en de kerk van Finkum lag, behoorde het kerkelijk - en daarom ook wereldlijk - tot Stiens. Het vormde daardoor een exclave van Stiens tussen Finkum en Hijum. Waarschijnlijk hebben de (rechtsvoorgangers van de) Eminga's de stichting van de filiaalkerken Finkum en Hijum niet ondersteund en zijn ze bij de moederkerk van Stiens gebleven.
In 1418 werd Syric Emengha fon Stenze genoemd. Hij was rechtsopvolger en erfgenaam van de familie Sjoerdsma van Lekkum. Volgende generaties waren volgens de traditie Syuck Eminga, gehuwd met Frouck Wiarda van Goutum, en hun zoon Menno Eminga, gehuwd met Tiemck Petersdr Cammingha. Hun zoon Rienck Eminga alias Cammingha van Cambuur was in 1511 eigenaar van Eminga.
De state is voor 1786 afgebroken
Weleer werden deze Staten door twee haatdraagende zusters bewoond, welke een geweldigen kryg in deezen hoek veroorzaakten. Mogelijk is dit de oorzaak geweest van het verdwijnen van Eminga State.
- state Frittema
Men had hier oudtijds vier staten, waaraan ook het regt tot het ambt van Grietman verbonden was, als: Riemersma, Frittema, Holkema en Laus.
- Bontemantel d'Avilas of Davelaarshuis
In de maand Junij 1504 ging Hertog George een verdrag van verpachting aan met vier Hollandsche Edele. (…) Zij vonden zich dus, aanmerkelijk bezwaard en verarmd, in de noodzakelijkheid, om nog twee Edelen d'Avila (welligt eigenlijk Davelaar) en Bontemantel, in hun genootschap op te nemen. (…) De namen der beide laatstgenoemde Edelen zijn nog heden op het Bildt bewaard; want de eerste heeft in de kerkbuurt van Anna-Parochie een zwaar huis gebouwd, hetwelk, vóór dat het in het jaar 1833 werd afgebroken, nog bij de Bildtlieden het Davelaarhuis heette, terwijl er enige kavels land zijn, die de naam van Bontemantel dragen.
- Burmania Leeuwarden
<1300 <1500 Tevens Stins Al rond 1300 woonden naast de Oldehove de Burmania's. Het Burmaniahuis wordt sinds de 15de eeuw expliciet genoemd.
De verdedigbaarheid blijkt ook uit feit dat Rienck Burmania in 1492 zijn huis tot open huis voor de Groningers verklaarde. Tyaerdt Bourmanya werd in 1505 genoemd onder de edellieden van Leeuwarderadeel. In 1541 maakte hij zijn testament. Genoemd worden daarin olde Bourmanya huys en het Nieuw Burmania-huis van Joost Burmania, grenzend aan het Oldehoofster kerkhof.
Aan het Burmania-huis was het collatierecht van verschillende prebenden verbonden. In de Burmania-hof verrezen burgerhuizen die nog enige tijd grondpacht aan de Burmania's betaalden.
De familie Burmania stamt af van een dertiende-eeuwse pastoor van de Sint Vituskerk van Oldehove. Bij de stins behoorden uitgebreide grondbezittingen, die zich op de Oldehoveterp bevonden. Doordat de familie afstamt van een pastoor, hadden ze lange tijd het jus patronatus: het benoemingsrecht van priesters van de Sint Vituskerk. In de 16e eeuw is Rienck van Burmania, drost van Coevorden, eigenaar van de stins en hij besluit om rond 1555 deze te laten verbouwen. Rienck heeft een broer Joost, die getrouwd was met Baef Caters, naar wie het huis ook wel Catershuis werd genoemd.
Het huis blijft tot 1679 in bezit van de familie Burmania, om daarna achtereenvolgend te vererven op de families Sirtema van Grovestins, Aebinga van Humalda en Eysinga. In 1871 erfde Jkvr. Clara Tjallinga Aedonia van Eysinga het huis. Zij liet het samen met haar man Bernhardus Hopperus Buma afbreken en geheel opnieuw opbouwen.
Blijkbaar beviel Jonkvrouwe Clara Tjallinga en haar man het nogal saaie gebouw niet en zij lieten het Burmaniahuis -dat de middeleeuwse kern nog bezat- geheel afbreken. Zelfs de kelders werden afgebroken. Het nieuwe Burmaniahuis, in 1874 ontworpen door Jurjen Bruns en in 1914 verbouwd is een voorname stadsvilla geworden. Het gebouw is in neo-renaissancestijl versierd met elementen van natuursteen en pleisterwerk. Er kwamen zelfs grote leeuwen op het bordes te liggen. Het huidige huis is eigendom van de gemeente Leeuwarden.
- Unia-huis
Dit huis van de Wirdumer familie Unia was een strategisch belangrijke stadsstins en dat het huis bij de Uniabuurt heeft gelegen. In 1492 verklaarde Worp Unia met zijn zwager Rienck Burmania dat zij van offte wt onsen huusen gelegen in Lewerden de stad Groningen geen schade zouden berokkenen en dat hun huizen open huizen voor de Groningers zouden zijn. Het huis had een duidelijk militaire betekenis. Het zal pas bij de stadsuitbreiding in de 15de eeuw binnen de stad zijn komen te liggen. Ondermeer in 1515 werd om het huis gevochten; In 1547 deden de Unia's een vergeefse poging schadevergoeding van de stad te krijgen voor de inneming en beschadiging van het huis.
- Lyklamastins
Zevenwouden, griet. Haskerland
- Hanckema-State
griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde
- De stinswier op Bollingwier Oosternijkerk
Naast een boerderij waarvoor geen naam is overgeleverd lag een stinswier. De stinswier lag op floreenvrij land. Zij moet behoord hebben tot een van de noordoostelijke sates van Bollingwier
- Jelmera alda stinse te Bootwerd Dongjum
<1410 De terpbuurschap Bootwerd met de rechtvoerende staten Bootwerd, Jelmersma en Lyomawrdstera lag ten zuiden van Dongjum aan de weg naar Franeker. De oudste vermelding van deze stins dateert van 1410. Hij wordt dan vermeld als dae alda stinse, hieten Jelmersma; in 1429 en 1433 aangeduid als Jelmera staeten, der ma hat alda stins, en als Jelmera dat alde stins. Vanwege deze stins was in 1410 Tjalling Rodmersma rechter. Deze woonde zelf in het naburige Kitzelum. In 1429 voerde Tjaerd Jonga het recht voor deze stins; zes jaar eerder deed hij dat voor ook Lyomawrdstra state in Bootwerd. Of hij zelf ook in Bootwerd woonde, is niet bekend.
Jelmersma state en stins wordt na 1433 niet meer genoemd. Wel wordt Bootwerd later weer genoemd; onbekend is met welke van de drie staten uit de rechtsomgang het dan identiek is. In 1511, 1514, 1543 en 1640 is deze zaete te Doengium, hietende Boetwert eigendom van verschillende fondsen van de kerk van Franeker.
- Heslinga op de Aestere terpe te Doyum Franeker
In Doyum lagen in de vroege 15de eeuw drie rechtvoerende saten. in het land van Heslinga lag in 1718 een wier, Hilderda en Fertza lagen in 1433 bij een wier, en een van beide laatste zou in de 16de eeuw alsnog het stamhuis van een adellijke familie worden. De rechtvoerende state Heslinga lag in 1433 op de oostelijke terp
Ten zuiden van de buurschap lag in het land van deze sate in 1718 een wier aan de Doyumervaart.
- Lioula stins bij Lankum Franeker
<1405 Van een stins op Lioula is na 1448 geen sprake meer; het werd een gewone pachtboerderij Lioula wordt in 1405 als Lyowla stens and stattha, vanaf 1406 als Lyolama en Lioelama, in 1474 als Lioula huus, en in de 16de eeuw als Lyoella gued, Lioule saete, Lioelaterp en Lyolla zathe genoemd. Lioula state was een van de drie rechtvoerende staten in Lankum ten westen van Franeker.
Voor 1405 was Hylleke Lauckemma in Baym eigenaresse; in dat jaar droeg ze Lioula stins en state over aan Bawka Dowadr, die ook Bauke Lyoula werd genoemd.
In de jaren 1427-1436 trad Remer Lioula als rechter in Franekeradeel op. In 1448 droeg zijn weduwe Eetke de stins met 40 pondematen land bij een ruil over aan Douwe Sjaerda.
In 1474 werd Lioulahuis genoemd als één van de punten - het westelijke - die de stadsvrijheid van Franeker begrensden. Douwes weduwe Edewer Sjaerda breidde het bezit in Lioula in 1503 uit door de aankoop van 24 pondematen van Hessel Goedsfriondz Herema uit Workum, en in 1503 door naastingskoop van negen pondematen van Buwe Feddez. De Siaerdema's bewoonden in Franeker andere adellijke huizen. Van een stins op Lioula is na 1448 dan ook geen sprake meer; het werd een gewone pachtboerderij.
Edewer Sjaerda liet Lyoella goed ten westen van Franeker in 1510 na aan haar kleindochter Luts, gehuwd met Gerrolt Herema. Hun zoon Tyaerdt van Herama vermaakte in 1538 in zijn testament Lioule saete aan zijn zusters.
Nog in 1640 behoorde het aan erfgenamen van de Siaerdema's. De precieze ligging van Lioula blijkt uit actes van 1571 en 1591: ten oosten van de drie sates op Lankum aan het voetpad naar Harlingen.
- stins toe Sibada Midlum
<1356 Sibada was een aanzienlijke eigenerfde state. Het had deel aan de rechtsomgang. De eigenaars werden in 1356, 1433 en 1473 als aanzienlijke dorpsbewoners genoemd. In 1546 werden er een wier en een Groote Sybade Stins terp genoemd.
- De wier bij Harich Harich
Ten westen van de kerk van Harich lag in 1718 en 1739 een stinswier.
- Wier bij Hoge Bouwlanden Hoiteburen
Hoyteburen ligt ten westen van de kerk van Nyemirdum. Ten noorden van de weg, ten zuiden van de hoge bouwlanden met zwarte enkeerdgrond
- de Tuintjes Stryp
Op het terrein De Tuintjes lag in de 16de eeuw het heerenhoff en de myns heeren kroft van de heren van Terschelling. Zij waren de rechtsopvolgers van heer Jan van Arkel die in 1399 door de graaf van Holland met de heerlijkheid Terschelling was beleend, onder voorwaarde dat hij er een veste of slot zou bouwen. In de zestiende eeuw kwam het tot processen tussen deze heren en de Terschellinger hoofdelingen Popma. Toen bleek dat de Popma's juridisch als de schouten vanwege de heer gezien moeten worden
- Syordema State
Gelegen tussen Abbema en Bootsma (mogelijk onderdeel van Boerderijplaats)
<1477 <1400 Stins in 1630 nog genoemd, in 1664 nog als edele state aangegeven De naam komt echter overeen met die van een in mannelijke lijn uitgestorven geslacht dat in vrouwelijke lijn voortleefde in de latere bezitters (…). In de 15de eeuw komen in Kollum verschillende Sjoerda's voor. Zo Taekie Sjursma die in 1477 in de kerk werd begraven, Sybe Sjurda, mederechter in 1482, en Tjepcke Sjoerda. Zijn goederen werden in 1517 verbeurd verklaard en aan de veldheer Lubbert Turck gegeven.
Trouwde Jens van Siorda of Sjordema van Collum, de dogter van Tjepke Sjiorda op Sjordama-stins aan de Buren met Feyo van Goslinga. Zij werden in 1501 en 1546 in Driesum begraven, waar zij op Jarichsma hadden gewoond. In 1543 leverde Siurdema guet jaarlijks een ton koren aan de prebende van Sint-Anna; in 1550 hadden de Bootsma's land in Syordema landt. De stins werd in 1630 nog genoemd, maar werd toen niet meer door de eigenaar bewoond.
De sate vererfde van de Sjordema's via Goslinga, Liauckema, Aebinga op de familie Bronkhorst. In 1762 werd de zathe met 50 pondematen land door Maria Alegonda van Camstra, weduwe van Ewsum, verkocht aan Cornelis van Scheltinga. Diens zoon begon op de landerijen van Sjoorda en het aangrenzende Bootsma een buitenplaats aan te leggen. Deze aanleg werd echter niet voltooid.
- De wier tegenover Walta Bozum
Behalve de hoge wier waarop het huis lag, was er op Walta nog een tweede wier.
- Papinga (wier) Weidum
dicht tegen de grens met Jorwerd aan, lag nog in 1850 een stinswier
- Birdingaterp of Biniaterp Almenum
<1500 In 1718 geen huis meer. De naam werd in de tweede helft van de 19e eeuw gebruikt voor een nieuwe boerderij Deze terp was oorspronkelijk de kern van een zelfstandige parochie. Vanaf de dertiende eeuw komt de naam voor als Berdingadorp (de parochie), Birdingaterp (de buurschap, 1420), Berningatherp (1423), Byngeterpsteragued (1543), Bennieterp (1640), Biniaterp (1850). In de late 14de en 15de eeuw woonde hier een hoofdelingengeslacht. In 1540 lag er waarschijnlijk nog een stinswier. In de 16de eeuw kende Biniaterp geen adellijke bewoning meer. Alleen de prebende Byngeterpstera proeven in de kerk van Almenum-Harlingen en misschien een stinswier
- Wier in het Geestmerveld Rinsumageest
(1847) worden in het Geestmer Veld drie wieren aangegeven.
- Wier in het Geestmerveld Rinsumageest
(1847) worden in het Geestmer Veld drie wieren aangegeven.
- Roode Wier Roodkerk
- Wier bij de Braamberg Mirns, Bakhuizen en Rijs
De wier ontbreekt in 1739 en nadien.
- De stinswier bij Kippenburg Nijemirdum
tussen het marktterrein van de Wildemarkt onder Harich en het meertje Ruygehuysterzee en stinswier
- Wier bij Hoge Bouwlanden Hoiteburen Nijemirdum
Hoyteburen ligt ten westen van de kerk van Nyemirdum. Ten noorden van de weg, ten zuiden van de hoge bouwlanden met zwarte enkeerdgrond In 1850 worden deze wieren niet meer aangegeven.
- Wier bij het Kruispad Nijemirdum of Sondel
Eén wier lag ten zuiden van de Gaast, ten noorden van de afsplitsing van het Krûspaed van de Hereweg. Een tweede wier lag ten zuiden van de Hereweg, direct ten westen van de meest westelijke boerderij zowel deze boerderij als de wier lagen ten westen van de dorpsgrens tussen Nijemirdum en Sondel. Beide wieren worden in 1850 niet meer aangegeven
- De wier bezuiden het dorp Oudemirdum
- De wier bij de Maren Oudemirdum
Het perceel bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden. In 1855 was deze locatie opgenomen in een bosperceel van het bos De Maren; de wier wordt dan niet meer aangegeven. Tegenwoordig is de bebossing weer verdwenen
- De wier boven de Kerkwal Oudemirdum
- De wier op de Hoge Grazen Oudemirdum
- De wier bij Atjevliet Oudemirdum/Nijemirdum
- De wier in Wyckeler Iwert
- Wier benoorden Bonkwerd
- De wier aan de Jousen Cornjum
Aesgema was rond 1500 een belangrijke pachtboerderij van de familie Abbema van Huizum; de Hoege Wirdt die in 1543 bij het land van deze sate werd vermeld had toen de volgende belending: ten zuidwesten ervan lag pastorieland, ten westen ervan land van Hessel Abbinga (Abbema van Huizum). Kempo Abbema van Huizum kocht met zijn vrouw Hilcke Watzes Harinxma in 1487 land in Aesgamagoedt te Cornjum van Claes Allertsz. De pastoor beurde in 1543 18 stuivers jaarlijks uit Aesgema. Van Kempo Abbema vererfde het goed op zijn zoon Hessel Abbema, die het in 1539 bij testament naliet aan zijn dochter Tyetke Abbema. Het ging in de 16de eeuw en later waarschijnlijk om een gewone boerderij, hoewel het binnen de Abbema-goederen wel van belang was: in 1539 kreeg Hessels ene dochter het stamhuis Abbema in Huizum, de andere Aesgema.
- Bischopsmahuus en -hof Leeuwarden
<1475
In de eerste helft van de 15de eeuw waren de Bisschopsma's aanzienlijke burgers.
In 1446 kreeg Sipka Minnema van de stad genoegdoening voor de schade en schande die hij had opgelopen in een geschil met Jannes Bisscopsma en een reeks andere notabelen, waarbij hij ook uit de stad verdreven was geweest; Jannes Bisscopsma was ook actief bij de bemiddeling betrokken.
De hoofdeling Peter Kamstera verkocht dit complex toen aan Arnd Hindricks. Het goed werd daarbij omschreven als een stenen kemenade, met om het huis een ommuurde hof waarin ook bomen staan. Arnd Hindricks verkocht het huis op zijn beurt aan Gale te Doniaterp. Deze stamde uit een familie van kleine hoofdelingen in Spannum die in deze tijd haar hoofdelingenstatus opgaf en zich in de stad vestigde. Binnen deze familie vererfde het vervolgens op Gales kleinzoon Tiard Eelcksz en diens zwager Wibe Gerrits (Jelgerhuis). Dezen verkochten het goed in 1524 aan zuster Welmoed Hemma Oddazdochter, die het aan het door haar gestichte Witte Nonnenklooster bij Nijehove gaf.
- Papinga stins Leeuwarden
<1449 In 1551 al afgebroken
Papinga vaak eigendom van de paap. De Papingastins werd bewoond door een van de hoofdpastoors van de Oldehoofster kerk, in casu de Mariengaarder pastoor. Geregeld wordt in de 15de eeuw een Oldehoofster priester dan ook als thoe Papinghastins aangeduid. In de opstrek van de Oldehove lag op het Nieuwland de Papingafenne, eigendom van verschillende pastoorsbeneficia van de kerk. In de fenne lag de stins bij een stinswier. In 1484 werd een compromis gesloten tussen de pastoor en andere betrokkenen over de gevolgen van het graven van de stadsgracht door de fenne; de stins was daardoor van de kerk afgesneden. De Papingafenne sloot in het oosten aan op het Oldehoofsterkerkhof en het grote blok geestelijk goed van Sint-Vitus in de (huidige) binnenstad. De combinatie stins, stinswier en fenne maakt duidelijk dat het om een echte stins ging.
- De wier op Braarderburen Wirdum
- De wier van Klusewier Boornbergum
- De Worf Lies
familie Popma
- Hiddema Pingjum
<1485 Na 1640 was Hiddema steeds een gewone boerderij
1485. In dat jaar belegerde Seerp Lyuuez Beyma als bondgenoot van de Schieringer aanvoerder Sicke Syaerda van Franeker het huis van Douue Hiddama. Juw Juwinga van Bolsward, de Galama's en andere Vetkopers ontzetten het huis en versloegen Seerp Lyuuez. Hiddema huys, hoff, staeten, wier, hoernleger, en Hiddema guedt met 30 pondematen land
vererfde uiteindelijk op Tyets Goslicks Hiddema. Zij woonde enige tijd ook te Pingjum, waar zij in 1546 in totaal 131 pondematen land bezat.
Goslick (Andriesz) Hiddama was in 1640 eigenaar van Hiddema. De state werd toen verpacht.
- Meynsma Buitenpost
<1500 De geschiedenis van Meynsma-state valt tot in de 15de eeuw terug te volgen.
Friese Meynsma was voor 1511 al overledenwaren in 1511 de erfgenamen Herbranda en Bootsma (-Mellema) in Buitenpost, Augustinusga, Twijzel en Anjum in het gemeenschappelijk bezit van verschillende goederen. In de jaren 1524-1544 procedeerden vervolgens de Bootsma's/Mellema's tegen de Herbranda's, ondermeer over een aandeel in Meynsma staete leggende Buytenpost; het bleek toen dat de betwiste goederen afkomstig waren van wijlen Friese Meynsma, oldemoeder van Eets Gauckema/Bootsma. In 1544 waren de kinderen van Haye Herbranda, een zoon van Botte, eigenaars van de saete, liggende te Buytenpost, Meynsma saeten genoempt. Hayes dochter Ebel trouwde eerst met Gabbe Douwema (Jislum/Garijp) en vervolgens met mr. Hoyte Meynsma. Nog in 1640 en 1728 waren de van hen afstammende Meynsma's (mede-) eigenaars van Meynsma.
- Andringa Akkrum
De hoofdelingenfamilie Andringa te Akkrum valt tot aan het begin van de 15de eeuw terug te volgen.
Veel Andringa's waren kerkvoogd van Akkrum.
In 1453 was Tyard Jorrits Andringa grietman. Hij stichtte een prebende te Akkrum, het Andringa-leen, waarvan het land van Andringa-state werd afgesplitst.
- De wier aan de Hieslumer Ee
in 1640 in eigendom en gebruik bij Lieuue Oenes en zijn kinderen
eigendom van Piter Axma in Leeuwarden
Ids Lolles' erfgenamen te Molkwerum
- De stinswier aan de sloot door de Hommerts, 'stins Hommerts
<1511
- de Gasthuiswier Sneek
- Klein Humalda Aebingha
Oudt Fenne of Aebinga Oudt Fenne-state
In 1440 vocht Hessel Humalda samen met Botte Jarla en hun helpers op de mieden bij het klooster Sion. De namen Aebingha en Humalda werden ook aan twee andere goederen in de omgeving gegeven: zo aan het dichtbij gelegen Clein Humalda-sate (1640/1700: en aan het oorspronkelijk Oudt Fenne-sate (1640; 1700) geheten Aebinga. Het laatste goed, eveneens dichtbij Humalda, was tussen 1640 en 1700 eigendom van de Van Humalda's geworden. Zie Oudt Fenne of Aebinga
- Oudt Fenne of Aebinga
In 1440 vocht Hessel Humalda samen met Botte Jarla en hun helpers op de mieden bij het klooster Sion. De namen Aebingha en Humalda werden ook aan twee andere goederen in de omgeving gegeven: zo aan het dichtbij gelegen Clein Humalda-sate (1640/1700: en aan het oorspronkelijk Oudt Fenne-sate (1640; 1700) geheten Aebinga Het laatste goed, eveneens dichtbij Humalda, was tussen 1640 en 1700 eigendom van de Van Humalda's geworden.
- De wier aan de Damwoudster trekvaart
Voorts lag in 1718 westelijker op Onnemaland aan de Damwoudster Trekvaart in 1718 een stinswier.
- Wier in Hoyteburen bezuiden Hereweg Nijemirdum
- Wier aan de Sondelerlaan Sondel
- Stinswier ten zuiden van Trophorne Elahuizen
- Galama Koudum Galama State
<1443 <1650 De vooraanstaande rol van de Galama's in de Vetkoper partij gedurende de gehele 15de eeuw. In 1443 verbrandden de Schieringers onder leiding van de Harinxma's en de abt van Hemelum Galamahuis. In 1468 berichtte een Hollandse spion dat hij in Koudum een cleyn slotken had. In 1487 namen de Schieringers (…) wraak door Galama huys te Koudum na een beschieting met de Sneker grote bus in te nemen en af te breken. Het jaar daarop, in 1495, escaleerde de strijd. Hartman verbood zijn pachters schatting te geven aan Goslick Juwinga en diens soldaten. Toen de soldaten naar Galamahuis in Koudum optrokken, stak Hartman Gales zyn eygen huys an den brandt ende tooch met zyn huysluyden wech.
In 1593 maakte His van Botnia, weduwe van jonker Seerp van Galama, haar testament. Zij vermaakte daarin Hoxwier te Mantgum en het huys ende hoff te Coudum met vorndel daer aen behoorende, beide afkomstig uit de familie Galama, aan haar kinderen.
In 1640 was de grietman Sjoerd van Aylva eigenaar en gebruiker van Galama state.
Bij de verkoop van 1727 werd het omschreven als: Galama state, met het stemdragende hornleger nr. 43, met de huysinge, boerewoninge, schuure, buythuys, somerhuysen, ringmuur, twee hovingen binnen deselve en het hoff tussen de twee weegen, de Groet ackers agter de huysinge, (…).
In 1742 kocht Frederik van Sloterdijk, burgemeester van Workum Galama van de erfgenamen van Schik.
1787 werd de state gekocht door Volkert Arjens Heringa, die grietenijontvanger van Hemelumer Oldeferd was. Bij zijn dood werd het goed (…) geveild.
Eén van de rechten die aan deze State verbonden was, was het recht van de zwanenjacht.
In 1640 is grietman Sjoerd Van Aylva de nieuwe bewoner van de state.
Bijna 60 jaar later, in 1698, is de state opnieuw in bezit gekomen van een andere familie: dan is Bruno van Vierssen de eigenaar.
Later komt de state in het bezit van Joan Caspar Schik, secretaris van Menaldumadeel, die het huis voor 700 goudguldens in 1743 verkoopt aan Frederik Sloterdijk, burgemeester van Workum.
Na 1743 wisselt het huis nog verschillende keren van eigenaar, om tenslotte rond 1800 afgebroken te worden.
- De wier bij Sytzama Warns
Wier ligt bij Sydtsmahuis, dit dateert van voor 1494 Zowel in 1718 als in 1739 werd ten noorden van het pad naar Hemelum, tegenover de locatie van Sytzama een stinswier aangegeven.
- Wier op Warnzer Zuidburen
drie wieren
- De wier bij Klein Felsum
<1511 Binnen het land van de sate Klein Felsum een wier. Hij lag niet bij de boerderij, maar aan de Plattedijk, op de grens met de sates Groot Teetlum en Tallum onder Tzum. Klein Felsum was in 1511 gedeeld eigendom van de kerk van Spannum, van Sybren Roorda op Doniaterp onder Spannum en van Wybe Jan Ripperts alias Wybe Gerritsz Jelgerhuis, met een vrouw uit de familie Toe Doniaterp.
In 1543 was het klooster van de Witte Nonnen te Leeuwarden eigenaar.
In de 15de eeuw eigendom van de familie Doniaterp.
Na 1718 wordt de wier niet meer aangegeven.
- Wilaard Leeuwarden
In 1407 kennen we een adellijke bewoner van Wilaard, Ullauird of Ullawerd, die er ook een wapendrager op na hield. De naam Wilaard is geen boerderijnaam, maar een uit de Vroege Middeleeuwen daterende buurschapsnaam op -werd.1640 In 1511 was een van de sates van Wilaard pachtgoed van het naburige Juwsmahuis bij Cammingaburen. Achter Wilaard lagen voorts twee wieren.
In 1407 maakte de edelman Mammo Mammingha te Leeuwarden zijn testament. Een van de getuigen daarbij was Focko van Wilaard, parochiaan van de kerk van Nijehove. Deze werd als een van Mammo's verwanten en als vir nobilis aangeduid; ook voerde hij een eigen zegel. Hij kreeg van Mammo als legaat een huisstede in Dowama campe.
Verder hadden de kinderen van Feycke Tiardsz Andringha en Katherina Juwsdr van Juwsmahuis (in Camminghaburen) hier een sate van ruim 66 pondemaat groot. De sate, Fockema geheten
- De stinswier op kerkeland Blessum
dat in 1511 eigendom van verschillende eigenaars was, lag in 1718 op kerkeland een stinswier.
De sate bij de wier was in 1640 eigendom van Gosse van Camstra.
- Groot Wigara of Sixma, met stinswier
<1483 Stins in 1515 vermoedelijk verwoest werd in 1483 Wopcke Wygera ter Sooll huys genoemd. In 1525 heette het Vygae(ra) gued; in 1543 Wyngaere gued en Wigara; in 1700 en 1708 Groot Wygara. In 1849 wordt het echter Sixma genoemd. Het is het oudst bekende Wigara-huis in Terzool. Er naast lag in 1718 nog een stinswier.
In het begin van de 16de eeuw verloor Wigara zijn adellijke bewoning en verdedigbare uiterlijk. De Donia's verpachtten namelijk de sate; de stins werd in 1515 waarschijnlijk verwoest. Het oude Wigara was zo geen adelshuis en geen stins meer. Het behoorde in 1640, 1700 en 1708 ook niet meer tot het omvangrijke complex grootgrondbezit onder Terzool van de Wigara's en hun erfgenamen, de Van Coehoorns en Van Scheltinga's. In 1640 werd het bewoond door de eigenaar Heere Hoytes.
In 1483 werd het huis geplunderd; in 1515 is het waarschijnlijk afgebroken.
- Groot Wigara of Sixma, met stinswier
<1483 Stins in 1515 vermoedelijk verwoest werd in 1483 Wopcke Wygera ter Sooll huys genoemd. In 1525 heette het Vygae(ra) gued; in 1543 Wyngaere gued en Wigara; in 1700 en 1708 Groot Wygara. In 1849 wordt het echter Sixma genoemd. Het is het oudst bekende Wigara-huis in Terzool. Er naast lag in 1718 nog een stinswier.
De Donia's verpachtten de sate; de stins, werd in 1515 waarschijnlijk verwoest. Het oude Wigara was zo geen adelshuis en geen stins meer. Het behoorde in 1640, 1700 en 1708 ook niet meer tot het omvangrijke complex grootgrondbezit onder Terzool van de Wigara's en hun erfgenamen, de Van Coehoorns en Van Scheltinga's. In 1640 werd het bewoond door de eigenaar Heere Hoytes.
Over de stins Wigara is weinig bekend.
- Groot Wigara of Sixma, met stinswier
<1483 Stins in 1515 vermoedelijk verwoest werd in 1483 Wopcke Wygera ter Sooll huys genoemd. In 1525 heette het Vygae(ra) gued; in 1543 Wyngaere gued en Wigara; in 1700 en 1708 Groot Wygara. In 1849 wordt het echter Sixma genoemd.
In 1640 werd het bewoond door de eigenaar Heere Hoytes.
- Nieuw-Wigara te Bongwier
Deze naam kwam het eerst voor in 1543 als Bongwierster goedt ter Sool. In 1639 en 1640 zijn Wygara erven cum sociis de eigenaars
Uiteindelijk wisten de erfgenamen Wigara (Coehoorn, Limburg-Stirum) de gehele sate Bongwier te verkrijgen: Anna A. van Limburg-Stirum was in 1832 de enige eigenares. De naam Wigara voor de (voormalige) huisplaats van Bongwier in 1849 zal gezien moeten worden als een benadrukken van de herkomst en de ouderdom van het Limburg-Stirum-bezit in Terzool.
- Wallema Folsgare
<1496 De naam Wallema komt voor het eerst in de 16de en vroege 17de eeuw voor; in 1718 staat de sate aangegeven als Walma. Waarschijnlijk wordt deze stins in 1496 en 1498 in een militaire context genoemd. Op 12 mei 1496 sloot Bocka Ygama van Folsgare zich aan bij het verbond dat Bocka Ennes met de stad Groningen had gesloten. Hij beloofde daarbij dat ik het bolwerk zelf zal slechten en de ijzeren deur uit zijn hengsels zal nemen. Waarschijnlijk kwam hij deze belofte niet na, want op 15 maart 1498 kwamen Vetkoperse soldaten uit Bolsward voor Bocke Yges huys toe Folsgaera, en als sy dat huys niet mochten winnen, soo staecken sy daer vier huysen an den brandt, ende toegen weder in Boolsuert. In 1511 was er nog steeds een zoon van een Yge in Folsgare eigenaar van een huis: Epa Ighaz. Diens sate komt door de grootte (80 pm, 32 fl.) en de belending (myt die westereynd an die Myoldick; die oestereynd lecht an die grote Reen) in aanmerking. Wallemasate bij de stinswier (1640: 64 pm, 1700: 90 pm, 31-14-0 fl.; de Melledyck ten westen) te betreffen.
Het is dus zeer waarschijnlijk dat Bocke Yges' huys (1496/1498), Epa Ighaz' sate (1511) en Wallema (1599/1718) identiek zijn. In de 16de en 17de eeuw golden de eigenaars en bewoners van Wallema niet als edellieden. De eigendom was in handen van verschillende familieleden, die zich deels naar het goed Wallema noemden. Eén van hen was tevens gebruiker van het goed en pachtte als zodanig land van zijn familieleden/mede-eigenaars.
Ook leden van de aanverwante familie Foeckema uit het naburige Tjalhuizum hadden eigendoms- en gebruiksrechten in Wallema sate. Tevens werden herhaaldelijk delen van het goed afzonderlijk verkocht, zo in 1652 24 pm; de sate omvatte toen: huyse schuyre, hovinge, watermolen sampt gerechtigheid van vissery ... En swanejacht. Na verloop van tijd werden zulke delen vaak weer met de sate verenigd.
- Reynarda Oppenhuizen
De familienaam Reynairde wordt in relatie tot Oppenhuizen voor het eerst in 1328 genoemd; de possessio Reynarda of sate genaemt Reingnarda of Regnaerda respectievelijk in de 16de eeuw, in 1616 en in 1623. Deze sate was het stamgoed van de vroeg geattesteerde gelijknamige familie.
De familie zou van oorsprong uit Staveren. Daar hadden de Reinalda's al in 812 het recht van muntslag en werd Sake Reynalda voor 1167 door de Friezen gekozen tot potestaat.
Van de Stins is niets meer terug te vinden.
- De stinswier op Gaepke Bauckez sate Westhem
Het betreft de sate die in 1511 door Gaepke Bauckez werd bewoond. Hij huurde hem van de hoofdelingsvrouw Ansck Juwinga te Sneek. Via de Juwinga's lijken er geen verbanden met Hessel en Bauck te zijn. Ansck was de weduwe van Bocke Harinxma, stadshoofdeling in Sneek en rechtsopvolger van de Harinxma's die in 1443 Hessels stins verwoesten.
De dochter van Bocke Harinxma en Ansck Juwinga (de eigenaresse van Gaepke Bauckez' sate) Luytge Bockes Harinxma, trouwde met de Ommelander Roelof van Ewsum. In 1543 heet Gaepke Bauckez' sate van 1511 naar hun zoon Onno van Ewsum salige joncker Oene landen.
De sate was na 1511 steeds een gewone boerderij.
- Wier bij het dorp Wieuwerd
in 1640 was de heer Pieter van Walta eigenaar en de mennonit Lieuwe Rinnerts pachter.
- Heentiamahuis Leeuwarden
De oudste vermelding van de familie Heenthyama is van 1463, die van de Heenthyama fenne van 1475. In 1463 verkocht Willa Heenthyama land aan zijn verwant Walthya Abbaz, op Abbemastins te Huizum.
rond 1501/1502 beschikken Heenthiama's aan de westzijde van de Hoogstraat, tussen de Klokstraat en de Brol over verschillende huissteden en daar zelf ook woonden. Minstens vier naast elkaar gelegen erven behoorden dus aan de Heenthiama's. De ligging aan de Hoogstraat en bij de Brol past goed bij de positie van de Heenthiama's, met hun functies als schepen en olderman. Het huidige huis stamt uit het begin van de 16de eeuw. Mogelijk stond op deze plek een ouder huis. In tegenstelling tot de stinzen van andere regeringsfamilies, zoals de Saecklema-, Wiggama- en Oenyastins, wordt de woonplaats van de Heenthiama's echter geen stins genoemd. Het huis werd waarschijnlijk gebouwd rond 1400. Rond 1450 werd de stins bewoonde door Willa Heentiama, olderman van Leeuwarden. Later is het bewoond geweest door de familie Jongema die ook Jongema State te Raerd in eigendom had. In 1524 werd het aangekocht door de Stedelijke Regering
- Saecklema Leeuwarden
<1543 <1450 In 1578 en 1595 komt deze stins voor als Saklemahuis, Saecklemastins, en Saackemahuis. In de opstrek op het Nieuwland ligt in 1543 en 1700 de Saecklema-fenne.
De Saecklema-hof die tot de Bagijnenstraat reikte raakte in de Nieuwe Tijd met burgerhuizen bebouwd (Kleine Kerkstraat OZ)
Het huidige huis werd waarschijnlijk rond 1450 of al eerder gebouwd. Waarschijnlijk werd de stins rond 1450 gebouwd door een lid van de familie Saeck(le)ma uit de grietenij Dantumadeel. Op de hoek van de Rochebrunesteeg stond het prebendehuis van het Sint Christophorileen tot Oldehove, dat in 1480 door de erfgenamen van Gerrijt van Belcum was aangekocht als woning voor de prebendepriester. Het was een bestaand huis, wat er op duidt dat dit deel van de Grote Kerkstraat al ruim vóór 1480 bebouwd was. Een van de eigenaren Johannes Wopkes Saeckma, grietman van Dantumadeel zijn geweest, die in de tweede helft van de 16e eeuw te Akkerwoude op de Saeckma State woonde.
In 1594 wordt zeecker huysinghe ende stins staande op de hoeck van de groote ende cleene Kerckstraate, Zaackema huys genaampt verkocht door dr. Joannes Tyara, die in een niet geheel duidelijke (familie)relatie stond tot de familie Saeckma.
Waarschijnlijk heeft hij een aandeel in dit huis geërfd na het overlijden van bovengenoemde Johannes Saeckma en trad hij bij deze verkoop op voor de gezamenlijke erfgenamen.
De koper van het huis en de stins in 1594 was de metselaar Uuthye Riemersz., die vrijwel zeker tot sloop is overgegaan en ter plaatse met het nog bruikbare afbraakmateriaal enkele nieuwe huizen zal hebben opgetrokken. Dat was een lucratieve handel in de toen nog snel groeiende stad. Waren er in 1511 nog maar een kleine 1000 huizen in Leeuwarden, in 1606 stond de teller op 1990.
Van de oude stins is niets meer terug te vinden
- Wiggamastins Leeuwarden
Als familienaam komt de naam Wigghema te Leeuwarden al in 1399 voor; tevens is dan van de huze of husinge van deze familie sprake. In 1458 worden Wiggama stens in de stad en de bijbehorende Wiggama kampen buiten de stad genoemd. De naam Wiggama is oud binnen Leeuwarden. In 1399 bevestigde hertog Albrecht zijn schout Elcke Wigghema in Leeuwarden in zijn goede, husinge ende erfnisse, waaruit hij met zijn vrouw en kinderen door Hessel Ydsinge was verdreven. In 1458 werd een accoord bereikt over de verdeling van zijn nalatenschap tussen Mathys Oeningha of Oenya en Johan Merser en zijn vrouw Wikie Gherliffsdr Wigghama. Mathys kreeg daarbij naast de Oenyastins bij Nijehove ook Wiggama stens mitta steed mit syn toebyheer en twee aangrenzende huissteden. De ligging van Wiggamastins blijkt bij het deel van de erfenis dat aan Johan en Wikie kwam. Zij kregen twee huissteden inder stretha 1488 by Wiggama stens langhs by dae Broel, huissteden in de Minnemastraat, de Hoogstraat, de Weerd en ook land buiten de stad; verder nog bij de Poststraat den legha steed deer nu een thuun is tefta Egghema aelda statha. Wiggamastins lag dus bij de Brol.
- wier tegenover Aylva Witmarsum
Tegenover Aylva en op land van de Aylva's lag nog in 1718 een stinswier. De veronderstelling ligt voor de hand dat de oude Aylva-stins hier stond.
- Wieren op de Dollen
in 1664 Dolhuysen genoemd worden in 1718 en 1739 drie wieren aangegeven.
- Harinxma of Andringa Loδnga
<1580 In 1718 was het huis reeds afgebroken Een dochter van Ath Lous Bonninga en Sirick Harinxma op de Loëngaaster Bonningastins was Auck Harinxma. Zij trouwde met Ulke Oenema. Zij vestigden zich in Loënga; waarschijnlijk op een nieuw verworven goed, want haar vader Sirick Harinxma had in 1511 onder Loënga alleen zijn eigen huis. Hun dochter Catharina van Oenema, dochter van Wlcke Oennama by Sneeck inden dorpe Loyngie, trouwde met dr. Haringh Andringa. Hun zoon Juw van Andringa was militair en ging rond 1580 als katholiek in ballingschap. Enkele jaren later was hij terug en woonde toen in Loënga. Juws dochter Auck van Andringa trouwde in 1621 met Fedde Hessels Epema van Koudum. Toen zij stierven - voor 1626 - werd Feddes broer Lolle Epema hun universeel erfgenaam; hij erfde ondermeer een deel van de sate, die in 1640 in zijn geheel op naam van zijn erfgenamen stond. Hoewel het belangrijkste Harinxma-huis in Loënga de stins bij de kerk, die eerder aan Low Bonninga had behoord, was, herinnerde de naam Harinxma voor deze sate later nog aan Auck Harinxma en haar nakomelingen
Andringa
In 1718 was het huis reeds afgebroken.
- Benners hues of Eysma Oudwoude
<1467 Vernietigd in 1468, daarna (waarschijnlijk) niet herbouwd Een stins die in 1468 werd vernietigd en nadien mogelijk niet meer herbouwd was Benners hues of Eysema huys up de Wygast. Met andere Kollumerlandse edelen verzette Benner of Binnerd Eysema te Wijgeest zich in 1467 tegen het verbond van Kollumerland met de stad Groningen, waarbij ondermeer werd overeengekomen het kasteel of blokhuis te Kollum te bouwen. Hij schijnt spoedig daarna te zijn overleden. Het jaar daarop werd zijn huis op Wijgeest door de tegenstanders van Groningen voorzien van proviand en soldaten om de Groninger plannen te dwarsbomen. De stad belegerde daarop het huis met bussen en ander geschut. Syberch, de weduwe van Binnerd Eysma, gaf zich daarop met 24 manschappen over en mocht ongedeerd vertrekken. De stins en drie steenhuizen te Kollumerzwaag werden echter in opdracht van de Groningers neergehaald. Twee jaar later, in 1470, sloot Syberch met haar tweede echtgenoot, Lyudo Yellinge, hoofdeling te Britsum, een vredesverdrag met Groningen. Haar kinderen kregen de Eysmagoederen terug, op voorwaarde dat ze er geen huis sterker weder tymmeren zouden, dan met toestemming van Groningen.
- Barrahuis Wirdum
<1348 <1481 De stins fungeerde (evenals Bannerhuis) tevens als vergaderplaats voor de landgemeenten van Oostergo. Er was ook een kapel
Rond 1500 pachtte Folkert Gerbrands Aytta (1484-1545), gehuwd met Ydt Wigles Hania uit Weidum,1749 de stins tegen gunstige voorwaarden al in de 15e eeuw eigendom was van het Barraconvent, het klooster te Burgum. Het diende als een uithof, zoals b.v. ook de Schierstins te Veenwouden een uithof was van een klooster. Waarschijnlijk was het huis met een flinke lap grond door een rijke hoofdeling aan het klooster geschonken. Dat kwam in de middeleeuwen veel voor. Het was een manier om de status van je familie op te krikken door iedereen te laten zien dat je wel geweldig rijk moest zijn om zulke grote schenkingen te kunnen doen. Deze stins was ook vaak het toneel van strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers omdat het aan de Middelzee-dijk stond: de enige droge-voeten-route van Leeuwarden naar het zuiden. Vaak deden Leeuwarder troepen uitvallen naar vijanden op het platteland richting Sneek en Bolsward. Soms als ze uitrukten, maar vaker nog als ze met buit beladen terugkwamen, werden de Leeuwarders bij Barrahuis door hun vijanden opgewacht. Bij die gevechten kreeg Barrahuis er dan vaak in één moeite door ook van langs, omdat er altijd wel één van beide kampen vond dat de bewoners hen niet hadden bijgestaan in de strijd. In het jaar 1507 is de later zo beroemd geworden Wigle (Viglius) van Aytta hier geboren als zoon van Folkert Aytta. In 1515 werd in de laatste oprispingen van de strijd tussen Schieringers en Vetkopers het Barrahuis verwoest. Blijkbaar was Folkert een trouw vazal van hertog Georg van Saksen, want om het verlies van dit huis te vergoeden schonk de hertog hem het Montzimahuis aan de Weaze te Leeuwarden. Toen in 1867 de spoorweg Leeuwarden-Zwolle werd aangelegd moest het bedrijfsgedeelte worden afgebroken. Een paar honderd meter westelijker is vervolgens 1787 een nieuwe boerderij gebouwd.
- Sitsema, Minnoltsma of Aylva Bornwird
<1450 Vermoedelijk in 1692 al gesloopt
De namen Sitsema, Minnoltsma en Aylva ontleende deze stins aan de achtereenvolgende bezitters in de 15de en de eerste helft van de 16de eeuw.
De oudst bekende bezit(s)ter is Fettie toe Bornwirt. Zij leefde in het midden van de 15de eeuw.
In 1653 werd naast het groot huis apart de meyers huisinge genoemd in 1627 werd een huis door de Aylva's verhuurd. Bij de verkoop in 1692 was het grote huis waarschijnlijk al gesloopt. Sindsdien was Minnoltsma een gewone boerderij.
- Jarichsma of Goslinga in Oostwoud
<1511 pachter Jaesma of Jarsma
Tzalingh Jarichsma
In 1511 waren zijn kinderen eigenaars van Jarichsma.
In 1543 was Feye Goslinga vanwege zijn vrouw eigenaar van land onder Driesum en ook van Jaesma of Jarsma staede; zij was erfgename van Tzalingh Jarichsma.
Tyepcke van Goslinga
Tyepcke Siboltz van Aylva
In 1640 was jonker Sicco van Paffenrode eigenaar.
Sibranda Hennaard
Sibranda had in 1529 zwaanrecht
Tjalling Doeckes Jongema woonde er in die tijd.
In 1581 werd het stensterp of wierterp genoemd.
- Sassinga Hennaard
<1563 <1529 Rond 1800 al veranderd in boerderij. In 1914 is de boerderij afgebroken
Door het huwelijk van Doytien Sassinga met Ryoerdt van Roorda vererfde Sassinga op de Roorda's (1563), die er aan het eind van de 17de eeuw nog woonden.
Sassinga State behoorde in begin 1800 toe aan Jhr. Frans Julius Johan van Eijsinga.
Het oude slot was toen al veranderd in een boerderij en verhuurd. Voor 1798 werd de boerderij verhuurd aan Hilbrand Rintjes.
Daarna huurt Jan Douwes (Boschma) van 1798 tot 1816 de Boschplaats (Sassinga State).
Bij de State was een bos dat al in het einde vn de 18e eeuw werd verwijderd. In 1914 is de boerderij afgebrand de boerderij is toen oostelijker herbouwd
- Unga Edens
Unga was aan het begin van de 15de eeuw een afzonderlijke adellijke familie. Via een erfdochter vererfde het goed aan de Camstra's, die er in 1511 woonden. Later vererfde de state op een tak van de Burmania's.
- Unga Spannum
- Bonkwert Spannum
Bij het huis van Bonkwerd lag in 1718 een stinswier. Ook benoorden Bonkwerd lag toen een stinswier
- Doniaterp Spannum
<1455 Doniaterp was oorspronkelijk het huis van de gelijknamige familie.
Gala Donterp.
In 1468 wordt Gale als één van de dorpshoofdelingen van Tzum genoemd
Gale Doniaterp was ook grietman van Hennaarderadeel. In de late 15de eeuw verlegde de familie haar woonplaats naar Leeuwarden, waar de Doniaterps in het stadsbestuur kwamen.
Aan het begin van de 16de eeuw waren de laatsten eigenaars van Doniaterp. Sybrandt van Roorda
zoon George.
- Papinga (state) Weidum
1500 <1600 Papinga was aan het begin van de 16de eeuw eigendom van verschillende leden van de familie Camstra / Andla. Kinsck Ropta, weduwe van Siuerdt van Andla (en later van Taco van Hermana), overleden in 1581, stichtte een weeshuis, waarvoor ze Tjallinga in Westernijkerk doteerde. De voogdij over deze stichting verbond ze aan de eigendom van Papinga te Weidum, Camstra te Wirdum en Ropta te Metslawier.
Papinga een middeleeuwse stins.
Het huis wordt voor het eerst in de 16e eeuw genoemd.
Rond 1700 werd het statige huis afgebroken.
In 1977 woonde op deze plek weduwe Monsma.
- Bornia State
<1763 In 1868 afgebroken Het eerste huis stond al op deze plaats voor 1763.
Bornia State was iets voor 1763 herbouwd
In 1768 woonde hier de raadsheer Hamerster
in 1818 mr. Bernhardus Buma.
In 1864 is het huis voor afbraak verkocht en vier jaar later was het met de grond gelijk gemaakt.
Op deze plek woonde in 1977 Auke Schotanus,
De State stond aan het eind van de huidige Küperssteech.
- Hania Weidum
1200 De laatste resten van het gebouw werden in 1902 afgebroken. Het terrein van deze stins werd na 1808 bij dat van Dekema gevoegd. De laatste resten van het gebouw, met kloostermoppen, werden in 1902 afgebroken. De State werd rond 1200 gebouwd.
Rond 1200 woonde hier Viglius (Wigle) Hania, die in 1199 de kerk van Weidum bouwde met hulp van de conversen van het klooster Ludingakerk.
Rond 1400 woonde hier Gaele Hania, de boezemvriend van Sytse Dekema.
Na 1640 werd de state meestal verhuurd.
In 1977 werd de boerderij die nu op die plek staat bewoond door een familie Holtrop.
- Dekema Weidum
Andere benaming: Monnikhuys <1468 <1199 In 1796 was de state al afgebroken. Later werd er een woning gebouwd. Afgebroken in 1902
De Dekema's waren de belangrijkste hoofdelingen in Weidum. Dekema kan als het stamhuis van de Dekema's gelden. In 1468 vermeldde de Hollandse spion Dekema te Weidum als een militair belangrijk huis. Tot in de 17de eeuw zou de state aan de Dekema's behoren. Onder Weidum was in 1199 een stins gebouwd door monniken van het klooster Ludingakerk onder Midlum. Toen zijn zoon Sytse Dekema in 1397 met zijn vriend en buurman Gaele Hania in 1397 terugkwam uit Italië, waar ze enkele jaren aan het hof van koning Wenceslaus hadden vertoefd, vonden zij hun stinsen te Weidum uitgebrand en het dorp uitgemoord en leeggeplunderd door de Vetkopers. Verbitterd zwoeren ze wraak over de Vetkopers. in het voorjaar van 1796 stond het goed opnieuw te koop.
Johannes Caspar Schik, de secretaris van Menaldumadeel, de nieuwe eigenaar.
familie Van Beijma, die daar tot 1894 gewoond heeft.
Het lot van Dekema State werd in 1898 bezegeld door natuurgeweld. Op 2 maart 1898 trok er een windhoos over Weidum, waardoor een aantal huizen en boerderijen zware schade opliepen.
- Klein Hania Weidum
Klein Hania, of het een afsplitsing van Hania is of dat het zijn naam alleen aan de nabijheid heeft te danken, was aan het einde van de 16de eeuw eigendom van Andries van Albada.
Wobbinga Weidum
Wobbinga Benaming: Wobbinga State, Wobbema State
<1347 <1347 Rond 1420 zwaar beschadigd
De familie Wobbinga komt in de 16de-eeuwse genealogieën voor als een inmiddels uitgestorven adellijke familie te Weidum; via vrouwelijke lijn zouden de Hermana's in Minnertsga hun rechtsopvolgers zijn.
Wibrand Wobbinga, abt van Lidlum (1347-1351), hier geboren zijn.
In de jaren rond 1420 zou Wobbinga een uithof van Lidlum zijn geweest; blijkbaar aan het klooster geschonken. De uithof zou toen in de vete tussen Lidlum en de Sjaerda's zijn verwoest.
In 1511 was Wobbinga namelijk eigendom van de Hermana's (met voorouders Wobbinga). Nog in 1850 lag hier een stinswier.
Op deze stins moet Wibrandus Wobbinga, 15e abt van het klooster Lidlum (van 1347 tot 1351) geboren zijn. De stins behoorde destijds toe aan dit klooster. Onder het bewind van abt Thetardus (1386-1422) is deze uithof door de Schieringer edelman Sikke Sjaerda zwaar beschadigd. Abt Thetardus had nl. een stins gebouwd op Miedum onder Tzum, zeer tegen de zin van de Sjaerdema’s, die geen versterkte huizen naast hun bezit wilden hebben van dit machtige klooster dat in de Vetkoperse partij duchtig meevocht in de onderlinge twisten. Uit wraak werd in 1389 het klooster geplunderd en in brand gestoken en met een aantal uithoven van dit klooster ging het net zo. Ook Wobbinga State moest dit lot ondergaan. In de 18e eeuw is het goed in gedeelten verkocht, terwijl de stinswier later is afgegraven.
- Wier bij de Smidstuin aan de Housterdijk
Bij de zogenaamde Smidstuin aan de Housterdijk lag in 1718 een wier. tuin en huis, kerkeland
- De sate Op de Vennen Dronrijp
overlijden van Buth Hobbema in 1444.
De sate Op de Vennen is later (1511, 1543, 1700) voor de helft eigendom van de kerk en voor de andere helft van de rechtsopvolgers van het echtpaar Sjaerda-Hobbema.
- Foppinga Dronrijp
Afgebroken in 1742 Als stamvader van de familie Foppinga Hessel Foppinga die in 1426 stierf. Zijn zoon Ofke Foppinga werd in 1445 als grondbezitter in Dronrijp genoemd
Een dochter van Ofke trouwde met een zoon van Feddrick; zijn zoon Hessel Foppinga erfde Foppinga state.
Hessels jongere zoon Salvius Foppinga was in 1529 eigenaar van Foppinga en liet toen het zwanerecht ervan registreren.
In 1742 werd het huis afgebroken. In 1832 was het een boerderij; de grachten waren gedempt. Voor zover bekend is de State in de 14e eeuw gebouwd.
- Hommema Dronrijp
Op de plaats van de State bevindt zich nu een boerderij <1455 Rond 1620 is de stins al afgebroken State vermoedelijk voor 1620 vervangen door een boerderij
vermelding in 1455 als Hummama state, de directe omgeving van de stins werd toen als Humgemagae aangeduid. Hommema ligt op de zavelrug tussen Dronrijp en Hatsum. In 1830 lag de boerderij tussen de terp, het centrum van het in 1455 genoemde Humgemagae, en de omgrachte huisplaats, waarop ooit de stins had gestaan. Rond 1620 lijkt deze stins al afgebroken te zijn.
In 1640 is het eigendom van de overste Liauckama en in gebruik bij Bauke Isbrands.
Zestig jaar later, in 1700, is eigenaar en bewoner Lolke Lolkes Hommema.
- Hettinga of 't Roodhuys te Aersum
<1484 De stins is rond 1750 afgebroken
Lisck Sickema, weduwe van Doeke Rinia te Blessum liet in 1484 aan haar zoon Wke Rinia, die pastoor in Hylaard was
In 1505 wordt hun zoon Haye Doeckes als een van de edellieden in Baarderadeel genoemd.
K. Greydanus
in 1616 het huis van Doeke Hettinga. De stins die daar stond, is in rond 1750 afgebroken
- Walta Weidum
De huidige boerderij werd in 1977 bewoond door weduwe Boersma.
- Dekema-of-Mammema Jellum
<1528 1400 Afgebroken in 1856 Mammema was een van de goederen van de Dekema's van Weidum.
1528 gaf Katheryn Hottinga, weduwe van Juw Dekema
Sicke Dekema Manninge
In de 16de eeuw behoorde de state aan de familie Botnia.
op 8 maart 1856 werd de state op afbraak verkocht en een maand later lag alles tegen de vlakte.
- Oldehuys Beers
- Fons Jorwerd
De stins/state stond er in 1797 al heel lang niet meer
Fons of Fondens was de woonplaats van een familie die worden aangeduid als geringe heerschappen of hoofdelingen. De stamvader is Doca Fondens die in 1469 bij een boedelscheiding dat goed to Fondens kreeg. Zijn zoon was Hottie Doeckes Fondens, die geen bier maar enkel karnemelk dronk.
Met de dood van Wytze Fons in 1797 is dit geslacht uitgestorven. De stins/state stond er toen al heel lang niet meer. Van deze stins is niets meer terug te vinden.
- Tjessinga Hilaard Tjessinga State (Hylaard)
<1458 <1500 In 1742 afgebroken,
Docka Tiessingha, in 1458 inwoner van Blessum en mederechter van Deinumer Nieuwland was bewoner of eigenaar van Tjessinga. Later was Tjessinga te Hilaard één van de goederen van de Blessumer familie Rinia
Lisck Sickema, weduwe van Doeke Rinia te Blessum liet in 1484 aan haar zoon Hobbe Rinia Tyessinge goed in Hylaard na.
Later behoorde Tjessinga aan de familie Aylva.
Meindert Tjessinga.
Hobbe Doekes, de naam Hobbe komt later ook voor in het Tjessinga geslacht.
Pieter Hendriks
- 't Blauwehuys te Hesens
<1433 <1435 Afgebroken in de periode 1715-1718
Syppa to Hesens was in 1433 grietman van Baarderadeel. Hesens bestond uit drie bedrijven.
Foekel Agges Jongama plm 1500
Katheryn Hottinga, weduwe van Juw Dekema plm 1520
Een van de Hesenser goederen ontwikkelde zich in de 16de eeuw tot een adellijk huis: Groot Hesens, in 1511 eigendom van ondermeer Epe Aylva.
Tjeerd Sijdses
Jan Jakobs Tania
- Bonga
- Herema te Lions
De eigenaars van deze state hadden in 1529 de pretentie op het zwaanrecht over het gehele grondgebied van Lions.
- Hoekens Bozum
<1461 In de loop van de 16de eeuw verdween de stins en werd het goed ook niet meer door de adellijke eigenaars bewoond. In 1640 was het een gewone pachtboerderij. De naam Hoekens duidt op de noordelijke dorpsterp van Bozum. Op één van de staten van deze terp lag dat styns, genoemd in 1461. De stins te Hoekens was oorspronkelijk waarschijnlijk de woonplaats van hoofdelingenfamilie die kortweg in Bosum wordt genoemd.
Hessel Edez werd in 1459 in vete door Lyuue Doytiez Albada doodgeslagen.
- Aesgema Aesgema Oosterlittens
De familie Tho Baerd bleef, nadat ze Heringa-stins te Baard hadden verkocht, deels in Baarderadeel gevestigd. De kleinzoon van Doecke Douwes Baard, Gabbe van Aesgema (gest. 1550), een volgeling van de doperse David Joris, was eigenaar van Aesgema-state op Wieuwens, waaraan de familie ook de naam ontleende.
- Hoxwier State Hoxwier
alleen een boerderijtje overgebleven 1300 <1500 Rond 1725 afgebroken De familie Hoxwier, Heringa (Rauwerd) en Hoxwier (Mantgum) oorspronkelijk één familie waren, terugreikend tot in het begin van de 14de eeuw. Zijn naam heeft hij te danken aan het feit dat hij gebouwd werd in een hoek die de Middelzeedijk op die plaats maakte.Toen rond 1725 de nieuwe eigenaar Jonkheer De Lannoy er wilde gaan wonen, bleek de state zo afgetakeld te zijn dat het niet meer bewoonbaar gemaakt kon worden. Een aantal jaren later werd de state dan ook maar afgebroken. De bewoners van de boerderij die bij de state stond werden De Hoxwiersters en afgekort de x-wiersters genoemd. Deze familie heeft deze bijnaam in 1812 omgezet in de naam Swierstra.
- Gerbada Oosterwierum Gerbranda
bewoners ca 1500 Sasker Camstra/Heeryngha
Abbe Saskers Camstra ca 1700
Douwe Bootsma, ca 1710
- Hania Oosterwierum Hania
Hania's van Weidum.
- Thetinga Wieuwerd Andere benamingen: Waltahuis, Het Labadistenbos
Op het stateterrein werd een boerderij gebouwd, de rest werd weiland <1511 <1512 Na 1733 afgebroken.
Agge Walta (gestorven voor 1480) met stinzen in Makkum, Schettens en Schraard behoorde blijkens zijn familienaam en het wapen van zijn nageslacht tot de familie Walta van Tjerkwerd
Douwe Peters Walta, gehuwd met Hylck Ruirds Dekema, was in 1511 eigenaar en bewoner van Tetynga saete op Bessens onder Wieuwerd.
vele jaren bewoond door de Familie van Walta,
Douwe van Walta
- De wier bij Syurdema te Indijk
Sjoerda staten en Siurdema sate vanwege de wier. Deze wier lag midden in een groot complex land dat in de 15de eeuw aan de familie Jongema behoorde: Syurda of Siurdema sate en Gerralda of Gralda sate Later wordt het goed Sjoerda staten (1601) en Siurdema sate (1637) genoemd.Zowel Siurdema als de beide Gerralda-goederen waren in de 16de eeuw en later pachtgoederen. De in 1850 nog naast Siurdema aanwezige wier toont dat de Jongema's of hun rechtsvoorgangers ook op Indijk een stins hebben gehad.
- Walta Bozum Walta <1500 <1540
In 1740 werd de stins afgebroken, en weer opgebouwd. In 1820 alsnog afgebroken Hoewel Walta pas aan het begin van de 16de eeuw als adellijk huis en als stins wordt genoemd.
Menno Frans van Burmania, getrouwd met een kleindochter van Schelte Aebinga
Pier Ypes Walta op de Waltastins te Bozum en zijn vrouw Bauck Worps van Unia, afkomstig uit Beers. Hij was ook eigenaar van de Unia stins te Leeuwarden
Plaatsen in Friesland
Alfabetisch
A
Aalsum (Ealsum)
Abbega (Abbegea)
Abbegaasterketting
Abbengawier
Abbewier (Jewier)
Achlum
Aegum (Eagum)
Aekinga
Akkerwoude (Ikkerwâld)
Akkrum
Akmarijp (Eagmaryp)
Allardsoog (Allardseach)
Allingawier
Almenum
Anjum (Eanjum)
Anneburen (Annebuorren)
Appelscha (Appelskea)
Arkens
Arkum
Arum
Atzeburen (Atsebuorren)
Augsbuurt (Augsbuert-Lytsewâld)
Augustinusga (Stynsgea)
B
Baaiduinen
Baard
Baarderburen (Baarderbuorren)
Baburen
Baijum (Baaium)
Bakhuizen (Bakhuzen)
Bakkeveen (Bakkefean)
Balk
Ballingbuur
Ballum
Bandsloot
Bantega (Bantegea)
Bargebek
Barrum
Bartlehiem
Beers (Bears)
Beetgum (Bitgum)
Beetgumermolen (Bitgummole)
Beetsterzwaag (Beetstersweach)
Bergum (Burgum)
Berlikum (Berltsum)
Bernsterburen
Birdaard (Burdaard)
Birstum
Blauwhuis (Blauhûs)
Blauwverlaat (Blauforlaet)
Blesdijke
Blessum
Blija (Blije)
Blokken, De
Boteburen (Boatebuorren)
Boelenslaan (Boelensloane)
Boer
Boijl (Boyl)
Boksum
Bollingawier (Bollingwier)
Bolsward (Boalsert)
Bonkwerd
Bontebok
Boornbergum (Boarnburgum)
Boornzwaag (Boarnsweach)
Boornzwaag (bij Balk)
Bornwird (Boarnwert)
Bornwirdhuizen (Boarnwerthuzen)
Boteburen
Bovenburen
Bozum (Boazum)
Brantgum
Breezanddijk (Breesândyk)
Britsum
Britswerd (Britswert)
Broek (De Broek)
Broeksterwoude (Broeksterwâld)
Brongerga (Brongergea)
Buitenpost (Bûtenpost)
Buitenstverlaat
Buren (Bueren)
Buren, (Oosterzee)
Burgwerd (Burchwert)
Burum
Buweklooster (Bouwekleaster)
C
Canada (Kanada)
Commissiepolle
Cornjum (Koarnjum)
Cornwerd (Koarnwert)
D
Damwoude (Damwâld)
Dantumawoude (Dantumawâld)
De Blesse
De Blijnse
De Hoeve
De Kampen
De Knijpe (De Knipe)
De Laatste Stuiver (De Lêste Stoer)
De Rijp (De Ryp)
De Tike
De Valom (De Falom)
De Vlaren
De Veenhoop (De Feanhoop)
De Wilgen (De Wylgen)
Dedgum (Dedzjum)
Deersum (Dearsum)
Deinum
Delburen (Delbuorren)
Delfstrahuizen (Dolsterhuzen)
Dijken (Diken)
Dijkshorne (Dykshoarne)
Dokkum
Dokkumer Nieuwe Zijlen (Dokkumer Nije Silen)
Domwier
Dongjum (Doanjum)
Doniaburen
Doniaga (Dunegea)
Donkerbroek
Draaisterhuizen
Drachten
Drachtstercompagnie (Drachtster Kompenije)
Drieboerehuizen (Trijeboerehuzen)
Driesum (Driezum)
Drogeham (Droegeham)
Dronrijp (Dronryp)
E
Echten (Ychten)
Echtenerbrug (Ychtenbrêge)
Edens (Iens)
Ee (Ie)
Eemswoude
Eernewoude (Earnewâld)
Eesterga (Jistergea)
Eestrum (Jistrum)
Egbertsgaasten
Egypte
Eilanderbult (De Bult)
Elahuizen (Ealahuzen)
Elsloo
Engelum (Ingelum)
Engwerd
Engwier
Engwierum (Ingwierrum)
Exmorra (Eksmoarre)
Exmorrazijl (Eksmoardersyl)
F
Fatum
Ferwerd (Ferwert)
Ferwoude (Ferwâlde)
Finkeburen (Finkebuorren)
Finkum (Feinsum)
Firdgum (Furdgum)
Flansum (Flânsum)
Fochteloo
Folgeren
Follega (Follegea)
Folsgare (Folsgeare)
Fons
Formerum (Formearum)
Foudgum
Franeker (Frjentsjer)
Friens
Frieschepalen (Fryske Peallen)
G
Gaast
Gaasten
Gaastmeer (De Gaastmar)
Galamadammen
Galhoek
Garijp (Garyp)
Gauw (Gau)
Genum (Ginnum)
Gerkesklooster-Stroobos (Gerkeskleaster-Strobos)
Gersloot (Gersleat)
Giekerk (Gytsjerk)
Giekerkerhoek
Gietersebrug
Goënga (Goaiïngea)
Goëngahuizen (Goaiïngahuzen)
Goingarijp (Goaiïngaryp)
Gooium
Gorredijk (De Gordyk)
Goutum
Grauwe Kat
Greonterp
Groot Medhuizen
Grote Wiske
Grouw (Grou)
H
Halfweg
Hallum
Hallumerhoek (Hallumerhoeke)
Hamshorn (Hamsherne)
Hantum
Hantumeruitburen (Hantumerútbuorren)
Hantumerhoek (Hantumerhoeke)
Hantumhuizen (Hantumhuzen)
Hardegarijp (Hurdegaryp)
Harich
Harkema (De Harkema)
Harkezijl
Harlingen (Harns)
Hartwerd (Hartwert)
Haskerdijken (Haskerdiken)
Haskerhorne (Haskerhoarne)
Hatsum
Haijum
Haule
Haulerwijk (Haulerwyk)
Hee
Heeg (Heech)
Heerenveen (It Hearrenfean)
Heide
It Heidenskip
Hemelum (Himmelum)
Hemert
Hemmemabuurt
Hempens (Himpens)
Hemrik (De Himrik)
Hemrikerverlaat (Himrikerferlaat)
Hennaard (Hinnaard)
Herbaijum (Hjerbeam)
Hiaure (De Lytse Jouwer)
Hichtum
Hidaard
Hieslum
Hijlaard (Hilaard)
Hijum
Hindeloopen (Hylpen)
Hitzum (Hitsum)
Hogebeintum (Hegebeintum)
Hollum
Holprijp
Holwerd (Holwert)
Hommerts (De Hommerts)
Hooibergen
Hoogzand (It Heechsân)
Hoorn
Hoornsterzwaag (Hoarnstersweach)
Hoptille
Horne
Hornsterburen
Horp
Houtigehage (De Houtigehage)
Huins (Húns)
I
Idaard (Idaerd)
Idsegahuizum (Skuzum)
Idserdaburen
Idskenhuizen (Jiskenhuzen)
Idzega (Idzegea)
IJlst (Drylts)
IJsbrechtum (Ysbrechtum)
Indijk (Wymbritseradeel) (Yndyk)
Indijk (Littenseradeel)
Indijk (Tietjerksteradeel)
Iniaheide
Irnsum (Jirnsum)
Itens
J
Janssenstichting
Janum (Jannum)
Jellum
Jelsum
Jet
Jislum
Jonkershuizen
Jonkersland (Jonkerslân)
Jorwerd (Jorwert)
Joure (De Jouwer)
Jousterp
Jouswerd
Jouswier
Jubbega derde sluis
Jubbega (Jobbegea)
Jutrijp (Jutryp)
K
Kaard
Kampen
Katlijk (Ketlik)
Kerkeburen
Kettingwier
Kie
Kiesterzijl
Kimswerd (Kimswert)
Kingmatille
Kinnum (Kinum)
Kleine Gaastmeer
Kleinegeest (De Lytse Geast)
Klein Groningen
Kleine Wiske
Klein Medhuizen
Kleine Wieren
Kletterbuurt (Kletterbuorren)
Klooster Anjum (Kleaster Anjum)
Klooster-Lidlum (Kleaster-Lidlum)
Koehool
Kolderwolde (Kolderwâlde)
Kollum
Kollumerpomp
Kollumerzwaag (Kollumersweach)
Kooihuizen
Kooisloot
Kooiplaats
Kootstertille (Koatstertille)
Kornwerderzand (Koarnwertersân)
Kortehemmen (Koartehimmen)
Kortwoude (Koartwâld)
Kortezwaag
Koudehuizum
Koudum
Koufurderrige
Koum
Kubaard (Kûbaard)
Kuikhorne (Kûkherne)
L
Laad en Zaad
Laakwerd
Laaxum (Laaksum)
Landerum
Langedijke
Langelille
Langezwaag (Langsweagen)
Langweer (Langwar)
Leeuwarden (Ljouwert)
Legemeer (Legemar)
Lekkerterp
Lekkum
Lemmer (De Lemmer)
Lichtaard
Lies
Lytshuizen
Lioessens (Ljussens)
Lions (Leons)
Lippenhuizen (Lippenhuzen)
Loënga (Loiïngea)
Lollum
Longerhouw (Longerhou)
Luchtenveld
Luinjeberd (Lúnbert)
Lutjelollum
Lutkepost (Lytsepost)
Lutkewierum (Lytsewierrum)
Luxterhoek
Luxwoude (Lúkswâld)
M
Maemert
Makkinga (Makkingea)
Makkum
Mantgum
Marrum
Marssum (Marsum)
Meilahuizen
Menaldum (Menaam)
Metslawier (Mitselwier)
Middelburen (Middelbuorren)
Midlum (Mullum)
Midsburen (Midsbuorren)
Midsland
Midsland aan Zee
Midsland-Noord
Miedum (Leeuwarden)
Miedum (Waadhoeke)
Mildam (Mildaam)
Minnertsga (Minnertsgea)
Mirns (Murns)
Moddergat
Molenend (Mûnein)
Molkwerum (Molkwar)
Morra (Moarre)
Moskou
Munnekeburen (Munnikebuorren)
Munnekezijl
Murmerwoude
N
Naarderburen
Nes (Ameland)
Nes (Boornsterhem)
Nes (Dongeradeel)
Niawier (Nijewier)
Nieuw Buren
Nieuwebildtdijk
Nieuwebildtzijl
Nieuwebrug (Nijebrêge)
Nieuwehorne (Nijhoarne)
Nieuweschoot (Nijskoat)
Nieuwe Vaart
Nij Altoenae
Nij Beets
Nijeberkoop
Nijega (Nyegea)
Nijehaske
Nijeholtpade
Nijeholtwolde
Nijelamer
Nijemirdum (Nijemardum)
Nijetrijne
Nijezijl
Nijhuizum (Nijhuzum)
Nijklaester
Nijland (Nijlân)
Noordbergum (Noardburgum)
Noordermeer
Noordwolde
O
Oenkerk (Oentsjerk)
Offingawier (Offenwier)
Oldeberkoop
Oldeboorn (Aldeboarn)
Oldeholtpade
Oldeholtwolde
Oldelamer
Oldeouwer (Alde Ouwer)
Oldetrijne
Olterterp
Oosterbierum (Easterbierrum)
Oosterend (Littenseradeel) (Easterein)
Oosterend (Terschelling) (Aasterein)
Oosterlittens (Easterlittens)
Oostermeer (Eastermar)
Oosternijkerk (Easternijtsjerk)
Oosterstreek
Oosterwierum (Easterwierrum)
Oosterwolde (Easterwâlde)
Oosterzee (Eastersee)
Oosterzee-Buren (Eastersee-Buorren)
Oosthem (buurtschap) (Easthim)
Oosthem (dorp) (Easthim)
Oostmahorn (De Skâns-Oostmahorn)
Oostrum (Eastrum)
Oost-Vlieland
Oostwoud
Opeinde (De Pein)
Ophuis (Ophûs)
Oppenhuizen (Toppenhuzen)
Oranjewoud (Oranjewâld)
Oud Beets
Oude Leije (Aldeleie)
Oude Schouw (Aldskou)
Oude Terp (Ald Terp)
Oudebildtzijl (Ouwe-Syl)
Oudega (Gaasterland-Sloten) (Aldegea)
Oudega (Smallingerland) (Aldegea)
Oudega (Wymbritseradeel) (Aldegea)
Oudehaske (Aldehaske)
Oudehorne (Aldhoarne)
Oudemirdum (Aldemardum)
Oudeschoot (Aldskoat)
Oudkerk (Aldtsjerk)
Oudwoude (Aldwâld)
Ouwsterhaule (Ousterhaule)
Ouwster-Nijega (Ousternijegea)
P
Paesens (Peazens)
Parrega (Parregea)
Peins
Peperga
Petersburg
Piaam
Pietersbierum (Pitersbierrum)
Pingjum (Penjum)
Poppingawier (Poppenwier)
Q
Quatrebras
R
Raard
Rauwerd (Raerd)
Ravenswoud
Reidswal (Reidswâl)
Reitsum
Ried (Rie)
Rien
Rijperkerk (Ryptsjerk)
Rijs (Riis)
Rijtseterp
Rinsumageest (Rinsumageast)
Ritsumazijl (Ritsumasyl)
Rohel (Achtkarspelen) (Reahel)
Rohel (De Friese Meren) (Reahel)
Roodhuis (Reahûs)
Roodeschuur (Reaskuorre)
Roodkerk (Readtsjerk)
Roordahuizum (Reduzum)
Roptazijl (Roptasyl)
Rotstergaast
Rotsterhaule
Rottevalle (Rottefalle)
Rottum
Ruigahuizen (Rûgehuzen)
S
Sandfirden (Sânfurd)
Schalsum (Skalsum)
Scharneburen
Scharl (Skarl)
Scharnegoutum (Skearnegoutum)
Scharsterbrug (Skarsterbrêge)
Scherpenzeel
Schettens (Skettens)
Schiermonnikoog
Schillaard
Schingen (Skingen)
Schoterzijl
Schraard (Skraard)
Schrins (Skrins)
Schuilenburg (Skûlenboarch)
Schurega (Skuorregea)
Selmien
Sexbierum (Seisbierrum)
Siegerswoude (Opsterland) (Sigerswâld)
Siegerswoude (Tietjerksteradeel) (Sigerswâld)
Sijbrandaburen (Sibrandabuorren)
Sijbrandahuis (Sibrandahûs)
Sint Nicolaasga (Sint Nyk)
Sint Annaparochie (Sint Anne)
Sint Jacobiparochie (Sint Jabik)
Sintjohannesga (Sint Jânsgea)
Slappeterp Vlag van Friesland
Slijkenburg
Sloten (Sleat)
Smalle Ee (Smelle Ie)
Smallebrugge (Smelbrêge)
Snakkerburen (Snakkerbuorren)
Sneek (Snits)
Snikzwaag (Sniksweach)
Sondel
Sonnega
Spanga
Spannenburg
Spannum
Spitsendijk
Stavoren (Starum)
Steggerda
Stiens
Striep (Stryp)
Stroobos
Suameer (Sumar)
Suawoude (Suwâld)
Sumarreheide
Surhuisterveen (Surhústerfean)
Surhuizum (Surhuzem)
Surhuizumer Mieden (Surhuzumer Mieden)
Swichum
T
Tacozijl
Tallum
Teerd (Teard)
Teijeburen
Teerns (Tearns)
Teetlum (Teatlum)
Ter Idzard
Terband (Terbant)
Tergracht (Tergrêft)
Terhorne (Terherne)
Terkaple
Ternaard
Teroele
Terwispel
Terzool (Tersoal)
Tibma (De Tibben)
Tichelwerk (Tichelwurk)
Truerd (Truerd)
Tietjerk (Tytsjerk)
Tijnje (De Tynje)
Tirns (Turns)
Tjalhuizum (Tsjalhuzum)
Tjalleberd (Tsjalbert)
Tjeintgum (Tsjeintgum)
Tjerkgaast (Tsjerkgaast)
Tjerkwerd (Tsjerkwert)
Tolsum
Triemen (De Trieme)
Trophorne
Tritzum
Twijzel (Twizel)
Twijzelerheide (Twizelerheide)
Tzum (Tsjom)
Tzummarum (Tsjummearum)
U
Uilesprong (De Ulesprong)
Uiteinde
Uitwellingerga (Twellingea)
Ureterp (Oerterp)
Ureterp aan de Vaart (Oerterp oan de Feart)
Ungabuurt
Ureterperverlaat
V
Vaardeburen
Veenklooster (Feankleaster)
Veenwouden (Feanwâlden)
Veenwoudsterwal (Feanwâldsterwâl)
Vegelinsoord (Vegelinsoard)
Veldburen (Fjildbuorren)
Veneburen
Vierhuis (De Friese Meren)
Vierhuis (Leeuwarden)
Vierhuizen (Súdwest-Fryslân)
Vijfhuizen (Achtkarspelen)
Vijfhuizen (Ferwerderadeel)
Vijfhuizen (Opsterland)
Vijfhuizen (Ternaard)
Vinkega
Visbuurt (Fiskbuorren)
Vosseburen
Vrouwbuurtstermolen (Buerstermûne)
Vrouwenparochie (Froubuurt)
W
Waaxens (Dongeradeel) (Waaksens)
Waaxens (Littenseradeel) (Waaksens)
Wammerd
Wanswerd (Wânswert)
Warfstermolen (Warfstermûne)
Warga (Wergea)
Warns
Warstiens
Wartena (Warten)
Waskemeer (Waskemar)
Weidum
Welsrijp (Wjelsryp)
Welgelegen
West aan Zee
Westergeest (Westergeast)
Westerlittens (Littenserbuorren)
Westernijkerk (Westernijtsjerk)
Westhem (Westhim)
Westhoek
West-Terschelling
Wetsens
Wier
Wierum
Wieuwerd (Wiuwert)
Wijckel (Wikel)
Wijnaldum (Winaem)
Wijnjeterpverlaat (Weinterpferlaat)
Wijnjewoude (Wynjewâld)
Wijns (Wyns)
Winsum
Wirdum (Wurdum)
Witmarsum (Wytmarsum)
Witveen (Wytfean)
Wolsum
Wolvega (Wolvegea)
Wommels
Wons (Wûns)
Workum (Warkum)
Woudsend (Wâldsein)
Wouterswoude (Wâlterswâld)
Wijtgaard (Wytgaard)
X
Y
Ypecolsga (Ypekolsgea)
Z
Zandbulten
Zandhuizen (Sânhuzen)
Zevenbuurt
Zuiderburen
Zuidereind
Zuiderend (Suwâld)
Zurich (Surch)
Zwaagwesteinde (De Westereen)
Zwagerbosch (Sweagerbosk)
Zwarte Haan
Zweins (Sweins)
Verdwenen plaatsen:
Duurswoude (Duerswâld)
Huizum (opgegaan in Leeuwarden)
West-Vlieland
Westerburen
Westermeer
Wijnjeterp
Zwagerveen