Historie dorp, stad en land N

Nijverdal

 

Tussen de in het begin van de negentiende eeuw nog grotendeels kale Sallandse Heuvelrug, begroeid met heide, en de Konijnenberg stroom het riviertje de Regge. Op de zanderige belten, afgewisseld met moerassige gronden tussen de rivier en de heuvelrug groeide hoofdzakelijk heide en gras. Op de es werd landbouw bedreven, de schapen werden geweid op de berg, terwijl de lager gelegen gronden, vanaf de huidige Keizerserf-Smidsweg tot aan de Regge, het Koeveen, het gemeenschappelijke weidegebied vormden van de Noetseler boeren.

 

Dwars door dit gebied werd in 1830 de weg van Zwolle naar Almelo aangelegd, die zo belangrijk zou zijn voor het ontstaan van Nijverdal. Wie woonden er in die tijd in de marke Noetsele? In 1826 werd er door de gemeente Hellendoorn een overzicht opgesteld van de gebouwde eigendommen in de gemeente Hellendoorn en we zien dat er in Noetsele 37 gebouwen stonden. De bewoners waren op een paar uitzonderingen na allen landbouwers. Het beroep van wever bijvoorbeeld, komt in de lijst niet voor, alhoewel we mogen aannemen, dat er bij verschillende boerderijen wel geweven werd. De marke bestond in 1647 uit vijftien waren (aandelen in de gemeenschappelijke grond). In 1835 zijn er door splitsingen 22 gewaarde erven. Daarnaast zijn er een aantal keuters, dat wil zeggen boerderijen zonder eigen grond.

 

Nadat in 1847 al een aantal gezinnen uit de gemeente geëmigreerd waren, kende het begin van de twintigste eeuw een nieuwe emigratiegolf. Al vanaf 1898 vertrokken er arbeiders, vooral naar Duitsland, omdat daar beter verdiend werd. Tussen 1903 en 1914 vertrokken er velen naar de nieuwe wereld met als hoogtepunt 1910. Een aantal gezinnen vertrok naar Canada en stichten in Zuid-Alberta de plaats Nieuw Nijverdal. De families Huisman, Veldhuis, Nijhoff, Post, Stotijn, Van Lohuizen met hun talrijke kinderschaar zochten daar een betere toekomst dan hier in de textiel mogelijk was.

 

Aan het begin van de eeuw werd de Grotestraat vernieuwd. De grindweg uit 1848 voldeed niet meer. Door de komst van de automobiel stoof het ’s zomers verschrikkelijk en in de andere jaargetijden was het geregeld een modderpoel. In de jaren 1913/1914 werd de weg bestraat met kinderkopjes. De weg werd niet verbreed en er kwamen ook nog geen trottoirs. Dat gebeurde pas in 1938. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontvluchtten heel wat Belgen om diverse redenen hun land en zoals in zoveel plaatsen werd er ook in Nijverdal een behoorlijk aantal opgevangen. De eerste groep van 125 vluchtelingen arriveerde op 10 oktober 1914 en de volgende dag nog eens 75. Ze werden op diverse locaties in Nijverdal ondergebracht, zoals in het gebouw van Unitas, het Vischnet, Gereformeerde gebouw, het St.Jozephgebouw dat aan de Rijssensestraat stond en de Eerste Christelijk Nationale school.

 

Hoewel Nederland neutraal bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog, waren de gevolgen ervan voor de Nijverdalse fabrieksbevolking gevoelig. De aanvoer van ruwe katoen uit Amerika kwam stil te liggen en daarmee na verloop van tijd ook de KSW. Wat hun restte waren de werkgelegenheidsprojecten die door de gemeente en de KSW werden opgezet. Onder toezicht van de Heide Maatschappij werd het Marleseveld en stukken grond tussen Hellendoorn en Luttenberg ontgonnen. Verder werd er door de arbeiders turf gegraven in het Westerveen.

 

Na de oorlog was de ellende nog niet voorbij: de Spaanse griep brak uit en deze ging ook de gemeente Hellendoorn niet voorbij. In 1918 stierven van de 10.000 inwoners er 220, waarvan 70 aan de griep. Na een aantal rustige jaren volgde de crisis. Met de beurskrach in 1929 stortte de wereldeconomie in. In Nijverdal werden eerst de ongetrouwde arbeiders en de mensen ouder dan 55 jaar ontslagen. Er volgden steeds nieuwe ontslagen en de grote klap kwam in mei 1933, toen vele honderden tegelijk zonder werk kwamen te zitten. Ondanks de slechte tijden werd besloten om het eeuwfeest van Nijverdal in 1936 te vieren, zij het op bescheiden wijze, zoals burgemeester Van den Steen van Ommeren schreef in het voorwoord van het officiële programma der feestelijkheden te Nijverdal, 1-8 augustus 1936, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Nijverdal.

 

Nijverdalsche Sneldrukpers

In 1900 kocht de jonge onderwijzer Berend Westra de pas opgerichte Nijverdalsche Sneldrukpers van de uit Hogeveen afkomstige Gosen Riezebos en bouwde dit uit tot een uitgeverij op gereformeerde grondslag. Maar de werkzaamheden naast het schoolmeesterschap werden hem teveel en hij deed uitgeverij en drukkerij over aan zijn bedrijfsleider Evert Jan Bosch. Het bedrijf was bij Bosch in goede handen: er werkten ten tijde van de Eerste Wereldoorlog maar liefst 35 mensen. In 1917 vertrok hij, samen met zijn latere compagnon, de onderwijzer Pieter Keuning, naar Baarn, en ging deze werkgelegenheid verloren voor Nijverdal.

 

Stijfselfabriek

In 1903 werd een stijfselfabriek opgericht. Deze brandde echter in 1908 af en werd niet meer herbouwd.

 

Smederij Gerrit Bosch

Naast de textiel had Nijverdal een kleine staalindustrie. In 1907 nam Gerrit Bosch een smederij over en begon met het maken van aardappelstoommachines. Vooral na de Tweede Wereldoorlog breidde het bedrijf uit en produceerde allerlei landbouwmachines.

 

Bouwbedrijf

G.J. Bouwhuis en B. Schothans / Schothans

In de eerste helft van de twintigste eeuw worden er een aantal aannemers actief. Berend Schothans werkte als timmerman bij aannemer Jansen. Omdat het niet goed ging met dit bedrijf benaderde hij zijn collega-timmerman Lucas Bouwhuis. Samen besloten ze in 1913 voor zichzelf te beginnen als bouwbedrijf G.J. Bouwhuis en B. Schothans. Vanaf 1949 werd het bouwbedrijf Schothans toen Lucas Bouwhuis uit het bedrijf stapte.

 

Bouwbedrijf

Ekkelkamp en Hegeman / J.H. Hegeman & Zonen N.V.

Bouwbedrijf Hegeman start in 1927 te Hellendoorn. Harm Hegeman, die in de leer geweest was bij aannemer Miskotte in Hellendoorn, gaat hij een verbinding aan met Bats Ekkelkamp uit Nijveral. Het bedrijf heette toen Ekkelkamp en Hegeman. Voor die tijd had hij al wel wat klussen voor zichzelf gedaan, maar toen begon het echt. Het bouwbedrijf begint aardig te lopen met als grote klapper de bouw van hotel ‘De Uitkijk’ in 1929. Na de magere oorlogsjaren komen in 1945 drie zonen in het bedrijf. Ekkelkamp is er inmiddels uitgestapt en het bedrijf gaat door onder de naam J.H. Hegeman & Zonen N.V. In dat jaar wordt gestart met een eigen loonzagerij en werkplaats aan de Campbellweg te Nijverdal. In 1955 worden de eerste kleine kunstwerken in de weg- en waterbouw gemaakt.

 

Interieur- en modelbouw / van Keulen

Lammert van Keulen begon in de Tweede Wereldoorlog een onderneming in interieur- en modelbouw aan de Groen van Prinsterenstraat die uit zou groeien tot één van de grootste werkgevers van Nijverdal. 

 

Koninklijke Stoomweverij / Nijverdal-Ten Cate / Koninklijke Nijverdal-Ten Cate / Koninklijke Ten Cate.

De Koninklijke Stoomweverij (KSW) is een voormalige textielonderneming In 1836 richtten Thomas Ainsworth en de Nederlandsche Handel-Maatschappij een katoenweverij op. Bij het overlijden van Ainsworth, in 1841, was de fabriek nog niet winstgevend. In 1844 kocht Cornelis Kuyper uit Zaandam de fabriek. Hij stierf echter al in 1845. In 1849 werd het stilgelegde bedrijf openbaar verkocht. Pas in 1851, door een opbloei in de textielindustrie, kwam het tot een veiling. De gebroeders Godfried en Hein Salomonson werden de nieuwe eigenaar. Hun onderneming verwierf het predicaat Koninklijke. In 1853 kwam de fabriek, als Koninklijke Stoomweverij, in productie. In 1854 was het bedrijf, met 360 weefgetouwen, de enige grote stoomweverij in Nederland.

In 1861 werd, samen met M.G. van Heel, een stoomblekerij gestart. In 1890 openden de Salomonsons een eigen stoomblekerij. In 1926 kwam ook een stoomspinnerij tot stand.

In 1957 fuseerde KSW met H. ten Cate Hzn. & Co uit Almelo en ontstond de Koninklijke textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate. In 1982 werd dit Koninklijke Nijverdal-Ten Cate en in 1995 werd het: Koninklijke Ten Cate.

De fabriek werd gesloten maar een aantal gebouwen bleef behouden

 

Voorgeschiedenis

Met de toename van de in de boerderijen door thuiswevers geweven calicots moest worden uitgezien naar een centrale plaats om deze stoffen in ontvangst te nemen, te keuren en via Zwolle naar Amsterdam te verzenden. Dat moest een punt met goede verbindingen over land en water zijn. Ainsworth attendeerde de NHM op het punt waar de redelijk bevaarbare Regge de nieuwe straatweg van Zwolle naar Almelo kruist. Bovendien kon het nabij gelegen huis Eversberg met zijn bijgebouwen dienen als tijdelijke opslagplaats. Aldus besloot de NHM zich daar te vestigen.

 

Op 9 mei 1836 besloot de directie van de NHM de nederzetting, nadat mogelijke namen als Houvenburg of Houvendaal naar de president-directeur van de NHM Van der Houven, Nijverheidsstede, Nijverheidsoord en Nijverzorg de revue waren gepasseerd, Nijverdal te noemen. Op 14 mei 1836 werd de eerste steen van het établissement van Ainsworth gelegd. De stichting van Nijverdal was daarmee een feit.

 

Het hele jaar 1836 heerste er grote bouwactiviteit in het voordien zo stille Koeveen. Wegen werden aangelegd, sloten gegraven en evenwijdig aan de Regge werd een pakhuis, het Magazijn, met een lengte van circa 45 meter gebouwd. Het begin was er en in de daarop volgende jaren ging de ontwikkeling verder. In zijn etablissement richtte Ainsworth een mechanische vlasspinnerij en een Modelweverij in. In de weverij werd de handwevers uit de omgeving het weven van doek geleerd met ingewikkelder bindingen dan die van het eenvoudige calicot. Ook werd een installatie voor het sterken van kettinggarens van Goor naar het Nijverdalse bedrijf overgebracht.

Toen één van de directeuren van de NHM, Willem de Clercq, in september 1837 op een rondreis door Overijssel ook de NHM-vestiging Nijverdal bezocht, schreef hij zijn mededirecteuren daarover: waar voor twee jaren slechts kale heide bestond, verheft zich thans het belangrijke Nijverdal, als eene Oase in de woestijn.

 

De meeste arbeiders van Ainsworth waren naar elders vertrokken en onder de Hellendoornse bevolking waren niet veel wevers. Het eerst keken de Salomonsons uit naar mensen uit hun eigen handweverijen, die ze op verschillende plaatsen in Nederland (de Veluwe, het Gooi, Schokland en Zeeland) hadden. De meesten kwamen echter uit de kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid (Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmina’s oord) waar ook werd geweven. Ondanks de lange werktijden, van ’s morgens vijf tot ’s avonds acht uur, soms zelfs tot negen uur (op zaterdag vijf uur) met enkele pauzes, kwamen de kolonisten graag naar Nijverdal. Terug naar het midden van de negentiende eeuw. De mensen, die voor werk naar de KSW kwamen, moesten gehuisvest worden. Er werden tachtig woningen gebouwd. Achtenzestig daarvan in vier blokken van zeventien langs de Grotestraat. De woningen bevatten één kamer met twee bedsteden, en een deel waar zich ook nog twee besteden bevonden. Voor water moest men de weg oversteken, waar aan de andere kant van de bermsloot welputten waren aangelegd. Deze kon men via bruggetjes bereiken. Tussen de blokken van de vier woonblokken waren ronde gebouwtjes met vier toiletten voor sanitaire behoeften

 

In de volksmond werden de woningen al gauw De Verdeling genoemd, omdat ze gebouwd waren op een stuk grond dat die naam droeg na de verdeling van de markegronden.


Toen Ainsworth op 13 februari 1841 plotseling overleed, werd door sommigen aan zelfmoord gedacht. Zijn weduwe zette het bedrijf nog een aantal jaren voort, maar ten gevolge van de malaise die de calicotweverij in die jaren doormaakte, bleef het bedrijf uitsluitend verlies opleveren.

 

In 1844 verkocht ze haar bedrijf aan Cornelis Kuyper, een koopman uit de Zaanstreek. Het jaar daarop overleed hij al. Zijn weduwe zette samen met haar twee minderjarige zoons het bedrijf voort. Echter, zij konden het bedrijf ook niet winstgevend maken. Daarom trachtten zij in 1849 het bedrijf te verkopen, tevergeefs. In 1850 kwamen alle activiteiten stil te liggen. De arbeiders werden ontslagen en vertrokken naar elders. In het Magazijn van de NHM, waar het geweven doek werd verzameld, werd nog wel volop gewerkt. Toen de NHM-agent, Robert Campbell, in 1849 zijn directie vroeg het Magazijn te mogen uitbreiden, kreeg hij geen toestemming.

 

De NHM dacht erover het agentschap naar elders te verplaatsen. De minder goede bevaarbaarheid van de Regge speelde daarbij een belangrijke rol. Tijdens de lage waterstand in de zomer en bij ijsgang in de winter kon er amper worden gevaren en vond het vervoer naar Zwolle per paard en wagen plaats, hetgeen extra kosten met zich meebracht. De toekomst van Nijverdal hing aan een zijden draadje en Campbell moest al zijn overredingskracht aanwenden om sluiting van het Magazijn te voorkomen. Omdat er plannen werden gemaakt om de bevaarbaarheid van de Regge te verbeteren, werd in 1850 alsnog besloten een tweede pakhuis te bouwen.


Bij de opleving van de calicotweverij in 1851, besloot mevrouw Kuyper het Nijverdalse bedrijf opnieuw te koop aan te bieden. De gebroeders Godfried en Hein Salomonson, kooplieden uit Almelo, kochten het stilstaande bedrijf. Ze sloopten alle gebouwen en machines en bouwden op deze historische plek in 1852 de eerste mechanisch aangedreven katoenweverij van Nederland. Opmerkelijk is dat koning Willem III reeds op 11 juli 1852 het predicaat Koninklijk verleende. Het bedrijf kreeg toen de naam Koninklijke Stoomweverij oftewel KSW.

 

Met de toename van de in de boerderijen door thuiswevers geweven calicots moest worden uitgezien naar een centrale plaats om deze stoffen in ontvangst te nemen, te keuren en via Zwolle naar Amsterdam te verzenden. Dat moest een punt met goede verbindingen over land en water zijn. Ainsworth attendeerde de NHM op het punt waar de redelijk bevaarbare Regge de nieuwe straatweg van Zwolle naar Almelo kruist. Bovendien kon het nabij gelegen huis Eversberg met zijn bijgebouwen dienen als tijdelijke opslagplaats. Aldus besloot de NHM zich daar te vestigen.

 

Op 9 mei 1836 besloot de directie van de NHM de nederzetting, nadat mogelijke namen als Houvenburg of Houvendaal naar de president-directeur van de NHM Van der Houven, Nijverheidsstede, Nijverheidsoord en Nijverzorg de revue waren gepasseerd, Nijverdal te noemen. Op 14 mei 1836 werd de eerste steen van het ‘établissement van Ainsworth’ gelegd. De stichting van Nijverdal was daarmee een feit.

 

Het hele jaar 1836 heerste er grote bouwactiviteit in het voordien zo stille ‘Koeveen’. Wegen werden aangelegd, sloten gegraven en evenwijdig aan de Regge werd een pakhuis, ‘het Magazijn’, met een lengte van circa 45 meter gebouwd. Het begin was er en in de daarop volgende jaren ging de ontwikkeling verder. In zijn etablissement richtte Ainsworth een mechanische vlasspinnerij en een Modelweverij in. In de weverij werd de handwevers uit de omgeving het weven van doek geleerd met ingewikkelder bindingen dan die van het eenvoudige calicot. Ook werd een installatie voor het sterken van kettinggarens van Goor naar het Nijverdalse bedrijf overgebracht.

 

Toen één van de directeuren van de NHM, Willem de Clercq, in september 1837 op een rondreis door Overijssel ook de NHM-vestiging Nijverdal bezocht, schreef hij zijn mededirecteuren daarover: ‘waar voor twee jaren slechts kale heide bestond, verheft zich thans het belangrijke Nijverdal, als eene Oase in de woestijn.


Toen Ainsworth op 13 februari 1841 plotseling overleed, werd door sommigen aan zelfmoord gedacht. Zijn weduwe zette het bedrijf nog een aantal jaren voort, maar ten gevolge van de malaise die de calicotweverij in die jaren doormaakte, bleef het bedrijf uitsluitend verlies opleveren.

 

In 1844 verkocht ze haar bedrijf aan Cornelis Kuyper, een koopman uit de Zaanstreek. Het jaar daarop overleed hij al. Zijn weduwe zette samen met haar twee minderjarige zoons het bedrijf voort. Echter, zij konden het bedrijf ook niet winstgevend maken. Daarom trachtten zij in 1849 het bedrijf te verkopen, tevergeefs. In 1850 kwamen alle activiteiten stil te liggen. De arbeiders werden ontslagen en vertrokken naar elders. In het Magazijn van de NHM, waar het geweven doek werd verzameld, werd nog wel volop gewerkt. Toen de NHM-agent, Robert Campbell, in 1849 zijn directie vroeg het Magazijn te mogen uitbreiden, kreeg hij geen toestemming.

 

De NHM dacht erover het agentschap naar elders te verplaatsen. De minder goede bevaarbaarheid van de Regge speelde daarbij een belangrijke rol. Tijdens de lage waterstand in de zomer en bij ijsgang in de winter kon er amper worden gevaren en vond het vervoer naar Zwolle per paard en wagen plaats, hetgeen extra kosten met zich meebracht. De toekomst van Nijverdal hing aan een zijden draadje en Campbell moest al zijn overredingskracht aanwenden om sluiting van het Magazijn te voorkomen. Omdat er plannen werden gemaakt om de bevaarbaarheid van de Regge te verbeteren, werd in 1850 alsnog besloten een tweede pakhuis te bouwen.


Bij de opleving van de calicotweverij in 1851, besloot mevrouw Kuyper het Nijverdalse bedrijf opnieuw te koop aan te bieden. De gebroeders Godfried en Hein Salomonson, kooplieden uit Almelo, kochten het stilstaande bedrijf. Ze sloopten alle gebouwen en machines en bouwden op deze historische plek in 1852 de eerste mechanisch aangedreven katoenweverij van Nederland. Opmerkelijk is dat koning Willem III reeds op 11 juli 1852 het predicaat ‘Koninklijk’ verleende. Het bedrijf kreeg toen de naam ‘Koninklijke Stoomweverij’ oftewel KSW.


Hoewel de oorlog voor Nijverdal rustig begon, er vonden geen oorlogshandelingen plaats, heeft het dorp toch zwaar geleden. De KSW bleef, zij het niet op volle kracht, doordraaien. Door gebrek aan katoen werd er met celvezel gesponnen. Zoals overal was er in de laatste oorlogsjaren een tekort aan voedsel. Om dit voor de arbeiders te verzachten werd er door de KSW een gaarkeuken ingericht en er werd een volkstuincomplex opgezet.


De KSW draaide toen al weer volop en was bezig de eerste grote naoorlogse industriële fusie in Nederland voor te bereiden met Ten Cate uit Almelo. Het luidde een periode van grote veranderingen in.

In 1957 fuseerde KSW met H. ten Cate Hzn. & Co uit Almelo en ontstond de Koninklijke textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate. In 1982 werd dit Koninklijke Nijverdal-Ten Cate en in 1995 werd het: Koninklijke Ten Cate.

De fabriek werd gesloten maar een aantal gebouwen bleef behouden met andere activiteiten van Koninklijke Ten Cate