Bewoners boerderijen Drenthe

Inhoud

- Wederopbouwboerderijen in Drenthe

- Boerderijen

- Boermarken

- Achtergrondinformatie

- Plaatsen, gehuchten

- Bewoners boerderijen Drenthe

-

Wederopbouwboerderijen in Drenthe

Een wederopbouwboerderij is een Nederlandse boerderij die na in Tweede Wereldoorlog door oorlogshandelingen vernield te zijn daarna onder regie van de overheid is herbouwd.
In Nederland zijn tussen 1940 en 1945 meer dan 9000 boerderijen verwoest of zwaar beschadigd. Een aantal daarvan werd gedwongen afgebroken voor onder meer de aanleg van de Atlantikwall, Duitse militaire vliegvelden of vernield bij het onder water zetten van gebieden. De meeste boerderijen gingen aan het eind van de oorlog verloren door krijgshandelingen bij de opmars van de geallieerde legers in Noord-Brabant, Limburg, de Betuwe en Oost-Nederland. De vele vaak in eenzelfde stijl herbouwde boerderijen vormen een herinnering aan de gevolgen die de oorlog ten plattelande met zich heeft gebracht.

Vrijwel alle opbouwboerderijen bezitten een gedenksteen in de gevel, waarop een uit de vlammen herrijzende leeuw is afgebeeld. Bijzonder is dat er gekozen is voor een afbeelding van een leeuw tijdens de Duitse bezetting.

Wederopbouwboerderijen in Drenthe

Alfabetisch op plaatsnaam

 

Adres Plaats 


F 27 Anderen
Witterstraat 202 Assen
B 14 Bonnen
adres onbekend Broekhuizen
adres onbekend Broekhuizen
adres onbekend Broekhuizen
adres onbekend Broekhuizen
adres onbekend Broekhuizen
adres onbekend Buinen
B 118 Buinen
adres onbekend Buitenhuizen
H 171 Busselte
Noordwijk 26 Dalen
Oosterhesselerbrug 103 Dalen
Oosterhesselerbrug 96 Dalen
Oosterhesselerbrug 98 Dalen
H 223 Darp
H 228 Darp
H 252 Darp
H 272 Darp
H 277 Darp
Groningerweg 3 Diever
nr. 11 Dieverbrug
D 89 Drouwen
Burg. Legroweg 43 Eelde
Burg. Legroweg 66 Eelde
Burg. Legroweg 68 Eelde
Burg. Legroweg 76 Eelde
Karrekampsweg 7 Eelde
Karrekampsweg 79 Eelde
Kruistraat 5 Emmen
Noord Bargerstraat 63 Emmen
Noord Bargerstraat 66 Emmen
Noord Bargerstraat 69 Emmen
C 5 Erm
C 90a Erm
adres onbekend Gees
Haarsluis 1 Geeuwenbrug
Graswijk 32 Graswijk
Graswijk 9 Graswijk
Schoonloerstraat 13 Grolloo
Schoonloerstraat 20 Grolloo
adres onbekend Haakswold
B 317 Haakswold
Haakswold 8 Haakswold
H 118a Havelte
H 122 Havelte
H 227 Havelte
H 278 Havelte
Raadhuislaan H 11 Havelte
Ruiterweg 51a Havelte
Wandelbosweg H 117 Havelte
C 122 Hijken
C 174 Hijken
C 175 Hijken
C 178 Hijken
C 184 Hijken
C 39 Hijken
Oranjekanaal C 176 Hijken
C 284 Hijker Smilde
D 132 Hoogersmilde
Grote Hendrikswijk 5 Hoogeveen
D 100 Hooghalen
D 109 Hooghalen
D 124 Hooghalen
D 24 Hooghalen
D 40 Hooghalen
D 42 Hooghalen
D 43 Hooghalen
D 55 Hooghalen
D 85 Hooghalen
D 96 Hooghalen
D 98 Hooghalen
D 99 Hooghalen
D 99 A Hooghalen
adres onbekend Kraloo
adres onbekend Kraloo
adres onbekend Kraloo
adres onbekend Kraloo
adres onbekend Kraloo
Heerenstreek 11 Nieuw Dordrecht
Heerstreek Nieuw Dordrecht
Europaweg 76 Nieuw Schoonebeek
Hooghultenweg 32 Noordbarge
Huizingsbrinkweg 44 Noordbarge
Huizingsbrinkweg 56 Noordbarge
Huizingsbrinkweg 6 Noordbarge
Huizingsbrinkweg 7 Noordbarge
Laadweg 3 Noordbarge
Laadweg 8 Noordbarge
adres onbekend Onbekend
adres onbekend Onbekend
adres onbekend Onbekend
adres onbekend Onbekend
adres onbekend Onbekend
adres onbekend Onbekend
bij het spoor Onbekend
nr. 19a Oosterboer
nr. 2 Oosterboer
nr. 21 Oosterboer
D 10 Oosterhesselerbrug
D 42 Oosterhesselerbrug
D 8 Oosterhesselerbrug
Flintenweg 2 (vh E 13) Orvelte
A 249 Oud Schoonebeek
Peelo 10 Peelo
Peelo 8 Peelo
De Wijk Peest
C 37 Pesse
C 39 Pesse
C 57 Pesse
C 58 Pesse
C 75 Pesse
G 1 Pikveld
G 4 Pikveld
G 6 Pikveld
Asserstraat 56 Rolde
Toldijk Ruinen
adres onbekend Ruinerwold
adres onbekend Ruinerwold
adres onbekend Ruinerwold
C 65 Ruinerwold
Weidenweg 40 Ruinerwold
Woestelanden B 329 Ruinerwold
A 196 Schoonebeek
G 2 Smalbroek
D 170 Smilde
Veenhoop B 8 Smilde
Veenhoop C 296a Smilde
Wittelwijk C 57 Smilde
D 51 Stuifzand
B 1 Uffelte
nr. 1 Uffelte
Rijksweg M 193 Uffelte
U 110 Uffelte
U 5 Uffelte
U 56 Uffelte
V 33 Veendijk
E 25 Veenoord
G 8 Wachtum
Wapserveensestraat 105 Wapserveen
adres onbekend Weerwille
adres onbekend Weerwille
adres onbekend Weerwille
G 20 Westdorp
Kromme Elleboog 1 Westenesch
Westenescherstraat 82 Westenesch
nr. 29 Westervelde
nr. 11 Wittelte
nr. 17 Wittelte
Zuidbargerstraat 53 Zuidbarge
Zuidbargerstraat 89 Zuidbarge

Boerderijen


In Drenthe komen verschillende soorten boerderijen voor. De verschillen komen voort uit de ouderdom of uit de streek.

Het belangrijkste en oudste type, dat in de gehele provincie voorkomt is het hallenhuis. Vroeger - en in het spraakgebruik nu nog - werd dit type vanwege de geografische spreiding Saksische boerderij genoemd. Dit is een boerderij met een driebeukige opzet, waarbij de ankergebintconstructie zorgt voor een onderverdeling in een brede middenbeuk en twee smallere zijbeuken, de buitenstijlruimten. Aanvankelijk waren woon- en bedrijfsruimte niet van elkaar gescheiden. Van dit lös hoes type boerderij is in Drenthe nog één voorbeeld bewaard gebleven: het 'Bruntingerhof', een 17e-eeuwse boerderij die in 1968 van Bruntinge naar Orvelte is overgebracht. Later, in 1728, is aan dit pand nog een aparte voorkamer, uitgevoerd in vakwerk met baksteenvulling toegevoegd. Vanaf de 17e eeuw werden woon- en bedrijfsgedeelte gescheiden door een tussen- of brandmuur.

Binnen de hallenhuisvorm zijn, afhankelijk van de plaats van de deel (de dors- en werkvloer) enkele hoofdtypen te onderscheiden:

- Boerderij met achterbaander niet in het vlak van de achtergevel gelegen: Dit is het oudst bekende boerderijtype in Drenthe. De baanderstijlen zijn hierbij onder het laatste gebint geplaatst. De kap van de boerderij loopt over dit laatste gebint door tot over de links en rechts van de baander gelegen paardenstal. Hierdoor ontstaat een baanderhoek. Als het dak hier gedeeltelijk over doorloopt, is er sprake van een onderschoer. Het type komt in alle esdorpen maar ook wel in de oudere laagveenontginningen als Ruinerwold en Koekange voor.

- Boerderij met achterbaander in het vlak van de achtergevel: Hier is het baanderkozijn opgenomen in de in metselwerk uitgevoerde achtergevel, die meestal doorloopt tot bovenkant gebintplaat. Op de gevel ligt dan een muurplaat met schilddak. Bij 18e en 19e-eeuwse verbouwingen van boerderijen werd vaak de niet in het gevelvlak liggende baander vervangen door één in het gevelvlak. Ook dit type komt in de esdorpen en de oudere laagveenontginningen voor. Bij beide bovengenoemde types komen aangebouwde houten hooibergingen annex schaapskooien voor. Deze aanbouwen worden ook wel staart genoemd.

- Boerderij met zijbaander: Dit type ontstond uit de situering van de boerderij ten opzichte van de weg, maar ook wel uit behoefte aan een grotere hooiberging en minder behoefte aan een dorsdeel, dus daar waar men meer aan veeteelt ging doen. Het bedrijfsdeel kreeg hier een vierdeling. Vanaf de scheidingsmuur tussen woon- en bedrijfsdeel, een vak met pompstraat en aan de baanderzijde de paardenstal, daarnaast de dwarsdeel, dan het hooivak, soms met grondtas, en langs de achtergevel een potstal voor jongvee. Ook komt er een variant voor met dubbele dwarsdeel, bestaande uit dwarsdeel, potstal, tasvak, dwarsdeel en jongveestal. De meeste boerderijen van dit type hebben een iets terugliggende baander met baanderhoek en inspringend dakvlak. Enkele boerderijen hebben de deuren in het gevelvlak, waarbij het dak boven de deuren is opgelicht. Boerderijen met dwarsdeel komen zowel in de esdorpen als in de oudere laagveenontginningen voor. Boerderijen met dubbele dwarsdeel vooral in de Zuidwesthoek van Drenthe: Ruinerwold, Koekange, De Wijk. Boerderijen met de deuren in het gevelvlak komen van oorsprong alleen in Ansen voor; in andere streken is dit een latere wijziging. Bij bovenstaande typen liggen in het algemeen de woon- en bedrijfsgedeelten in elkaars verlengde; men spreekt dan ook wel van langhuisboerderij. Vaak verviel bij het woongedeelte de buitenstijlruimte aan één zijde. Hierdoor ontstond een 'krimp' met de mogelijkheid grotere kozijnen te plaatsen en dus meer daglicht in de woonruimte te krijgen. Aan de lage zijde kwamen vaak de bedsteden. Op veel plekken komen boerderijen met een dubbel woonhuis voor. Hierbij werd de tweede woning als ouderwoning gebruikt. Als deze tweede woonhuizen smaller zijn dan het eerste spreekt men van een eind- of ouderkamer. In Ruinerwold en omgeving werden vaak ouderwoningen aangebouwd naast de boerderij. Tegen het eind van de 19e eeuw werden de woonhuizen rijker van vorm en ontstonden boerderijen met dwars geplaatst voorhuis. Soms werd dit huis voor een oudere boerderij gebouwd. Zeer rijke voorbeelden komen voor in Ruinerwold. In enkele gevallen konden voorhuizen zo groot worden dat sprake is van een blokvormig woonhuis. Voorbeelden zijn te vinden in Westervelde en Peest bij Norg.

- Dubbele boerderij: Deze bestaat uit twee met de kopgevels van het woongedeelte tegen elkaar aangebouwde boerderijen. Bij beide woongedeelten is aan één zijde de buitenstijlruimte vervallen. Veelal zijn de bedrijfsgedeelten ongelijkwaardig, waarbij het grotere bedrijf een langsdeel met achterbaander heeft en het kleinere een dwarsdeel. Doch ook varianten met twee achterbaanders en met twee dwarsdelen komen wel voor. Dubbele boerderijen komen voornamelijk in de esdorpen voor.

- Boerderij met zijlangsdeel: Door de veen- en heideontginningen ontstonden er vanaf het begin van de 19e eeuw een flink aantal nieuwe boerderijen. De oudste daarvan staan in de eerste veenontginningen. Het gaat hierbij om boerderijen met een zo groot bedrijfsgedeelte, dat de deel in één van de zijbeuken gelegd kan worden. Deze boerderijen kunnen zowel een doorrit met baanderdeuren aan de voor- en achterzijde hebben, alswel enkel baanderdeuren aan de achterzijde. Vanwege de voor een beladen wagen benodigde ruimte in één buitenstijlruimte voldeed het traditionele ankerbalkgebintstel hier niet. In het algemeen werd in deze boerderijen dan ook een zogenaamd fries of dekbalk-gebint toegepast. Hiervan zijn de gebintstijlen meer naar binnen geplaatst en langer. In plaats van een ankerbalk wordt er een dekbalk toegepast die vaak excentrisch op de stijlen ligt. Om de gebinten in de lengterichting te koppelen wordt over de dekbalk een gebintplaat gelegd. Woon- en bedrijfsgedeelte liggen onder één nok, maar vaak ligt de voorste baander niet in het vlak van de voorgevel en vertoont de boerderij een sprongsgewijze versmalling, krimp, bij de overgang van het bedrijfsgedeelte naar het woonhuis. Deze op Groninger voorbeelden gebaseerde boerderijen worden krimpenboerderijen genoemd. Hoewel het type opkwam in de latere ontginningen, werd later ook in de esdorpen dit type gebouwd. In de jaren '30 van de vorige eeuw werd de woning ook wel terzijde van de boerderij-as geplaatst, overeenkomstig de in Friesland voorkomende kop-rompboerderijen. Bijv. in Witteveen aan de J.B. Kanweg en in Zeyerveld de 'Cremer Hoeve' aan de Min. Cremerstraat 5.

In de Veenkoloniën kwam het soms wel voor dat de woning als losstaande villa voor de schuur gebouwd werd. Een sprekend voorbeeld hiervan is 'Villa Flora' aan het Zuiderdiep in Nieuw-Buinen. Dit pand is overigens geen boerderij in de strikte zin van het woord, maar meer een villa met paardenhouderij en dan ook gebouwd in opdracht van een rijke fabriekseigenaar. Voor Drenthe bijzondere boerderijen zijn de middenhuisboerderijen in Veenhuizen, ontworpen rond 1890 door W.C. Metzelaar en de carrévormige modelboerderij 'De Schipborg' bij Anloo, ontworpen door H.P. Berlage.

- Bijgebouwen enz.: Bij de historische boerderijtypen komen diverse bijgebouwen voor. Te noemen zijn:

bakhuis (stookhut): buiten het woongedeelte opgetrokken gebouwtje met zadeldak, waarin een bakoven respectievelijk vuurplaats voor het koken van veevoer. In tegenstelling tot de boerderij werden deze gebouwtjes met pannen gedekt; hooischuur of schaapskooi (of combinatie hiervan):

een houten schuur met ankerbalkgebint, waarin hooiberging al dan niet gecombineerd met een potstal voor de schapen. Naast de boven beschreven aangebouwde variant, kwamen deze schuren ook vrijstaand voor; varkenshokken: houten of gemetselde bijgebouwen, waarin twee of meer ruimten in de lengterichting aan elkaar gebouwd; zuddenschuur: schuur zonder wanden voor het opbergen van de brandstof, de zudden. De constructie bestaat uit drie kleine ankerbalkgebinten, waar bij van de middelste de ankerbalk ontbreekt en aan één kopse kant, de regenkant, een overstek gecreëerd is door doorlopende koppelplaten.

Op het erf kwamen voorts voor aardappelkelders, waterputten, hooibergingen en duiventillen.

- Moderne agrarische bedrijven: Vanaf de jaren '60 van de vorige eeuw vonden ook in Drenthe op grote schaal ruilverkavelingen plaats. Dit ging gepaard met een enorme schaalvergroting en een sterke specialisatie. Gemengde bedrijven verdwenen vrijwel. In de bedrijfsvoering werd rationalisatie en mechanisatie noodzakelijk. De vormgeving van de boerderij werd hierop afgestemd. Van streekgebonden architectuur is bij de nieuwe bedrijven geen sprake. Voor melkveebedrijven is thans standaard: een vrijstaande burgerwoning, daarachter de loopstal, meestal door een verbindingslid met de woning verbonden en daarnaast de machineberging. Achter de bedrijfsgebouwen bevinden zich de kuilvloerplaten en de mestsilo. Vanwege de noodzakelijke bereikbaarheid met melktankauto's is een vrij groot oppervlak aan bestrating noodzakelijk. Akkerbouwbedrijven worden, voor zover sprake is van totale nieuwbouw, gekenmerkt door een vrijstaand woonhuis en grote hoge opslagloodsen met eventueel een vrijstaande machineberging.

 

Boermarken

Boermarke is een middeleeuws collectief van grotere boeren die gezamenlijk het beheer en gebruik van hun gemeenschappelijke gronden reguleerden.

Alfabetisch

  • Boermarke Aalden
  • Boermarke Alting Klatering
  • Boermarke Amen
  • Boermarke Anderen
  • Boermarke Anloo
  • Boermarke Annen
  • Boermarke Anreep Schieven
  • Boermarke Ansen
  • Boermarke Balinge
  • Boermarke Balloo
  • Boermarke Beilervaart
  • Boermarke Benneveld
  • Boermarke Bonnen
  • Boermarke Borger
  • Boermarke Brunsting
  • Boermarke Buinen
  • Boermarke Bunne en Winde
  • Boermarke Deurze
  • Boermarke Diphoorn
  • Boermarke Donderen
  • Boermarke Drijber
  • Boermarke Dwingeloo-Westeind
  • Boermarke Eelde
  • Boermarke Eemster
  • Boermarke Eext
  • Boermarke Ekehaar
  • Boermarke Eleveld Geelbroek
  • Boermarke Elp
  • Boermarke Emmen-Westenesch
  • Boermarke Erm
  • Boermarke Eursinge
  • Boermarke Exloo
  • Boermarke Garminge
  • Boermarke Gasselte
  • Boermarke Gasteren
  • Boermarke Gees
  • Boermarke Gieten
  • Boermarke Grolloo
  • Boermarke Hijken
  • Boermarke Holsloot
  • Boermarke Hooghalen
  • Boermarke Langeloo
  • Boermarke Leggeloo
  • Boermarke Lhee
  • Boermarke Lheebroek
  • Boermarke Loon
  • Boermarke Makkum
  • Boermarke Mantinge
  • Boermarke Meppen
  • Boermarke Nijlande Eldersloo
  • Boermarke Noord Sleen
  • Boermarke Noord Zuidbarge
  • Boermarke Norg-Oosteind
  • Boermarke Norg-Westeind
  • Boermarke Odoorn Klijndijk
  • Boermarke Oosterhesselen
  • Boermarke Orvelte
  • Boermarke Peest
  • Boermarke Peize
  • Boermarke Rolde
  • Boermarke Schoonloo
  • Boermarke Sleen
  • Boermarke Smalbroek/Ter Horst
  • Boermarke Steenbergen
  • Boermarke Taarloo
  • Boermarke Tynaarlo
  • Boermarke Valthe
  • Boermarke Veeningen
  • Boermarke Vries
  • Boermarke Wachtum
  • Boermarke Wapse
  • Boermarke Wapserveen
  • Boermarke Weerdinge
  • Boermarke Westdorp
  • Boermarke Westerbork
  • Boermarke Wezup
  • Boermarke Wijster
  • Boermarke Wittelte
  • Boermarke Yde-De Punt
  • Boermarke Zeegse
  • Boermarke Zeijen
  • Boermarke Zuidvelde
  • Boermarke Zweeloo
  • Boermarke Zwiggelte

 

Achtergrondinformatie

Kenmerkende Drentse familienamen

  • Op -ing: Oosting, Hoving, Ensing (boerderijnamen).
  • Op -s/-ies: Koops, Zwiers, Assies, Ebelties (patronymen).
  • Oudfriese invloed: Huizinga, Wierenga, Smilda, Zuidema.
  • Zuid-Drenthe (Overijsselse invloed): Namen op -ink, zoals Meppelink. 

 

Bijzondere boeren- en dorpsbijnamen 

  • Assen: Biggen, Straatsliepers, Tellerlikkers.
  • Borger: Strontrokken, Schöttelikkers.
  • Elp: Koekoeken.
  • Beilen: Slaapkoppen, Straotlikkers.
  • Annen: Oelen.
  • Gieten: Gietse(n) (knollen). 

 

Het oudste Drentse voorbeeld is Huninguhus uit 1181, gevormd uit de mannennaam Huno, het achtervoegsel -ing en -huis. Het in het middeleeuwse Drenthe buitengewoon productieve achtervoegsel -ing had oorspronkelijk alleen de functie het behoren bij een persoon of een groep personen uit te drukken (zoals in het geciteerde geval bij een zekere Huno), maar werd gaandeweg ook achter andersoortige basiswoorden gebruikt (Middendorp-inghe, Brink-inghe). Zodoende ontstond een groot aantal middeleeuwse boerderijnamen op -ing(h)(e), die trouwens vaak tevens als achternamen van de bezitter/gebruiker van de boerderij fungeerden (familienamen). Andere typen boerderijnamen (ten Broke, Loehofstede, de Potthof, Vosse-serve, Steenhuus) waren toen ten opzichte van het -ing(h)(e)-type duidelijk in de minderheid.

Sommige boerderijnamen avanceerden met de boerderij zelf tot namen van havezaten of gehuchten (zie: nederzettingsnamen). Na de Middeleeuwen werden boerderijnamen allengs minder gebruikelijk; later deels ook overbodig door de introductie van straatnamen en huisnummers. Een niet gering aantal van de hedendaagse namen is gelijk aan een middeleeuwse voorganger of refereert bewust aan geschiedenis en landschap (Olde Stee, Vossenhol, Veltkamp). De meerderheid is echter weinig karakteristiek, deels zelfs modieus (Aurora, Constancehoeve, Veldzicht, Welgelegen).

Spotnamen in Drenthe: de bewoners van Annen worden genoemd oelen, van Assen straatslipers, tellerlikkers, biggen of biggies, van Balloo poepen, van Beilen straotlikkers of slaopkoppen, van Borger schöttelikkers; van de Broekstreek (d.i. Mantinge, Balinge, Garminge) stalpaolen, van Buinen poepen, yan Duurse. Geldbeurzen of boksen, van Donderen wizen, van Dwingeloo doeve-n of doefies, van ’t Westeind van Dwingeloo varkens, van Eelde hekkenspringers of geelgatten, van Eemster kalver of modderkwabben, van Eursinge grize kreien; van Exloo taten; van Gasteren botterkrammers, van Halen knienen, van Havelte koesterten, van Hijken stalpaolen of blauwen, van Hoogeveen pannekoeken of maalkoeken, van Ide kulworsten of gieraolen, van Koekange pekelheringd, van Kolderveen theeboeken, van Leggeloo modderkwabben, van Lhee kreien, van Nijeveen haverdoppen, van Orvelte stalpaolen of weeoppen, van Peest muggen, van Peize aolkoppen of franzen, van Peizerpol rakkers, van Roden metworsten of zeuten, van Rolde motoren(s), van Ruinerwold spekbranders, van Schoonloo knollen of knienen, van Sleen booneneters, van Smilde en ook van de N.O. veenkoloniën veenkloeten, van Tinaarloo ganzen, van Veenhuizen koloniebonken, van Westerbork oelen, van Zeegze gudden, van het Zuidenveld, ook van alles beoosten Westerbork, stakooren of stakgies, van Zeien gelen: van Zuidlaren ottervreters, witmaokers, windmaokers of zoeplaorders, van Zuidwolde bolkalver, van Zwiggelte stalpaolen, of ramshorens, in tegenstelling van Wachtemer boeren spreekt men van Daler hamkers. En evenals men in overeenstemming hiermede Sleen het Boonenland noemt, Hollandsche Veld en omstreken het Pannekoekenland, zoo heet Wezup wel Nazareth, een buurt bij Donderen de Bokkenstreek, enz. Deze lijst is gemakkelijk te verlengen.

Kinderen plagen elkaar en spelen met elkanders namen: Trijntje, vet zwijntje. Jan koekepan, jongens noemen hun leermeesters, meisjes haar onderwijzeressen met bijname.

Het is bekend, dat vele familienamen - Witkop, Dunbier, Leepoog, Korthals - uit zulke bijnamen zijn ontstaan; evenzo vorstelijke namen als Karel de Dikke, Karel de Kale en andere. Iets dergelijks is het, als men de bewoners van een naburig dorp een spotnaam geeft, een schuldige of onschuldige plagerij, een veel voorkomende geestigheid van lagere orde.

De verklaring dezer namen is als die van andere eigennamen dikwijls hoogst moeilijk. Van de Meppelers gaat een verhaal als van de Maanblussers van Mechelen, bezongen in den Torenbrand van Willems, een muggenzwerm om de torenspits voor rook aanziende, richtten de Meppelers hun spuiten tegen vermeende brand

De andere naam kloeten is ontleend aan den boterhandel.

Bij Elp zou een kasteel gestaan hebben van een vermogend heer Koekoek, die een eigen kerk had in den esch (nog in Kerkkampen) met een eigen kerkpad. Daarnaar heten de bewoners van Elp koekoeken, en de oudste in jaren heet er de koekoek in de kist.

Over de Groller knollen en Andersche moeshappers is in den Drentschen Volksalmanak van 1838 medegedeeld, dat een nieuwe meier en zijn huisgenoten de woning niet konden binnentreden, of zij moesten in knollen, respectievelijk in moesstronken bijten, die in de deurwaren opgehangen. De Zuidlaarder witmaokers hebben, dien naam van het feit, dat eenige der voornaamste ingezetenen het vooroordeel tegen doode dieten willen vernietigen en hun dorpsgenoten voorgingen in het villen van een paar gestorven paarden. Wat zij beoogden, gelukte hun niet; zij haalden zich inteegendeel de algemeene bespotting op den hals en bovendien den naam witmakers. dat is volders, blank of kodslachters, die van hen op de geheele bevolking is overgeërfd.

Te Peizerpol plaagt men de mensen met 's avonds aan deur of vensters te vragen: "Waor ligt hier de rakker begraoven?" of iets dergelijks. Waarschijnlijk rust daar ergens het lijk van een beulsknecht.

De Zeier gelen moeten zo genoemd zijn naar een soort van Platvis, die daar alleen wordt gegeten. In de verbinding, die te Vries bekend is: "Zeier gelen, Rooner zeuten en Sunt-Jobkappels" zou men anders liever aan een plantaardig product denken.

De naam stakoren, dat is steile oren, in tegenstelling van flodoren schijnt ontleend aan een soort van varkens, die in het Zuidenveld worden of werden gefokt. De Daler hamkers verkochten veel vee in het Overijsselse plaatsje Den Ham. De naam Bolkalvers schijnt schreeuwers te moeten beduiden. Van Ruinerwold wordt gezegd, dat de inwoners spekbranders heten, omdat er veel gebraden spek wordt gebruikt. Bij Lhee, Bij.Eursinge is wellicht een bos geweest, waar zich veel kraaien ophielden.

De naam Schoonlooër knollen staat zeker in verband met een liedje dat o.a. te Hooghalen bij bruiloften wordt gezongen: "Achter op Schoonloo Daor is knollegreun bevroren, Falderaldera". Dat in 17 de eeuwsche klachten poep een scheldwoord voor een Drent kan zijn, is mogelijk het gevolg hiervan, dat de taal in verschillende opzichten nader bij het Platduitsch staat dan het Hollands. Dat de bewoners van Balloo en van Buinen nog zo heten, kan daarvan een overblijfsel zijn, 't is in tussen ook wel mogelijk, dat het eerst op enkele personen doelde, die zich daar hadden gevestigd. In een Duits stadje had iemand eens een steur gevangen en dien aan zekeren hertog ten geschenke gegeven, alle latere bewoners van dat stadje heten sedert steuren. Een kemphaam te Midwolda (Oldambt) had iemand bij een vechtpartijtje in den neus gebeten, sedert heet ieder te Midwolda neuzebiter. Vergelijk ook de boven medegedeelde overlevering omtrent Zuidlaren.

De verbinding Deurzer geldbeurzwe mag een herinnering bevatten aan een rijken boer, de naam zal wel hoofdzakelijk in 't rijke zijn oorsprong vinden. Iets dergelijks toch komt meer voor

 

Plaatsen, gehuchten

Alfabetisch:

 

Aalden
Achterste Erm
Achter 't Hout
Altena
Alteveer
Alteveer
Alting
Amen
Amerika
Amsterdamscheveld
Anderen
Anholt
Anloo
Annen
Annerveenschekanaal
Anreep
Ansen
Armweide
Assen

Balinge 
Balloërveld 
Balloo 
Barger-Compascuum 
Barger-Erfscheidenveen 
Barger-Oosterveen 
Barger-Oosterveld 
Bazuin 
Beilen
Beilervaart 
Benderse 
Benneveld 
Berghuizen 
Blijdenstein 
Bloemberg 
Boerlaan 
Boermastreek 
Bonnen 
Bonnerveen 
Borger 
Bosje
Boterveen 
Bovensmilde 
Bovenstreek 
Broekhuizen 
Bronneger 
Bronnegerveen 
Brunsting 
Bruntinge 
Buinen 
Buinerveen 
Buitenhuizen 
Bunne 
Busselte 

Coevorden 

Dalen 
Dalerpeel 
Dalerveen 
Darp
De Groeve 
De Haar Assen
De Haar Coevorden 
De Haar Hoogeveen 
De Hilte 
De Kiel 
De Klosse 
De Kolk 
De Mars 
De Pol 
De Punt 
De Schiphorst 
De Stapel 
De Stuw 
Deurze 
De Wijk 
Diever 
Dieverbrug 
Dikbroeken 
Diphoorn 
Doldersum 
Donderen 
Drijber 
Drogt 
Drogteropslagen 
Drouwen 
Drouwenermond 
Drouwenerveen 
Dwingeloo 

Echten 
Eelde
Eelderwolde
Eemster 
Eemten
Een 
Een-West 
Eerste Dwarsdiep 
1e Exloërmond 
Ees 
Eesergroen 
Eeserveen 
Eext 
Eexterveen 
Eexterveenschekanaal 
Eexterzandvoort 
Ekehaar 
Eldersloo 
Eleveld 
Elim 
Ellertshaar 
Elp 
Emmen 
Emmer-Compascuum 
Emmer-Erfscheidenveen
Emmerschans 
Erica 
Erm
Ermerveen 
Eursing 
Eursinge 
Eursinge 
Eursinge 
Exloërkijl 
Exloërveen 
Exloo 

Fluitenberg 
Fort 
Foxel
Foxwolde 
Frederiksoord 

Garminge 
Gasselte 
Gasselterboerveen 
Gasselterboerveenschemond 
Gasselternijveen 
Gasselternijveenschemond 
Gasteren
Geelbroek 
Gees Vlag
Geesbrug 
Geeuwenbrug 
Gieten 
Gieterveen 
Gieterzandvoort 
Gijsselte 
Graswijk 
Grevenberg 
Grolloo 

Haakswold 
Haalweide 
Havelte 
Havelterberg 
Hees 
Het Moer 
Het Schier
Hijken 
Hijkersmilde
Hoge Linthorst 
Hollandscheveld 
Holsloot 
Holthe 
Holtien 
Holtinge 
Hoogehaar 
Hoogersmilde 
Hoogeveen 
Hooghalen 
Huis ter Heide

Kalenberg 
Kalteren 
Kavelingen 
Kerkenveld 
Kibbelveen 
Klatering 
Klazienaveen 
Klazienaveen-Noord
Klijndijk 
Klooster 
Kloosterveen 
Koekange 
Koekangerveld 
Koelveen 
Kolderveen 
Kolderveense Bovenboer 
Kostvlies 
Kraloo 
Kraloo Vlag 

Laaghalen 
Laaghalerveen 
Langelo 
Leeuwte 
Leggeloo 
Leutingewolde 
Lhee 
Lheebroek 
Lieveren 
Lieving 
Linde 
Loon 
Lubbinge 
Lunssloten 

Makkum 
Mantinge
Marwijksoord 
Meppel 
Meppen 
Middelveen 
Middendorp 
Midlaren 
Molenstad 
Munsterscheveld 

Nietap 
Nieuw-Amsterdam 
Nieuw-Annerveen 
Nieuw-Balinge 
Nieuw-Buinen 
Nieuw-Dordrecht 
Nieuwediep 
Nieuwe Krim
Nieuweroord 
Nieuwlande 
Nieuw-Roden 
Nieuw-Schoonebeek 
Nieuw-Weerdinge 
Nijensleek 
Nijeveen 
Nijeveense Bovenboer 
Nijlande 
Nijstad 
Nolde
Nooitgedacht
Noordbarge 
Noordscheschut 
Noord-Sleen 
Noordwijk 
Norg 
Norgervaart 
Nuil 

Odoorn 
Odoornerveen 
Oldendiever 
Oldenhave 
Oosteinde 
Oosterbroek 
Oosterhesselen 
Oosterse 
Oranje 
Oranjedorp 
Orvelte 
Oshaar 
Oud Annerveen 
Oudemolen 
Oude Willem 
Oud Veeningen 

Paardelanden 
Padhuis 
Papenvoort 
Paterswolde 
Peest 
Peize 
Peizermade 
Peizerwold 
Pesse 
Pieperi
Pikveld 

Rhee 
Rheebruggen 
Rheeveld 
Roden 
Roderesch 
Roderwolde
Rogat 
Rolde 
Roswinkel 
Ruinen 
Ruinerweide 
Ruinerwold 

Sandebuur 
Schelfhorst 
Schieven 
Schimmelarij 
Schipborg 
Schoonebeek 
Schoonloo 
Schoonoord 
Schottershuizen 
Schrapveen 
Schreierswijk 
Schutwijk 
Siberië 
Sleen
Smalbroek 
Smilde 
Spier 
Spijkerboor 
Stadterij 
Steenbergen 
Steenbergen
Steenwijksmoer 
Stieltjeskanaal 
Streek 
Struikberg 
Stuifzand 

Taarlo 
Ten Arlo 
Ter Aard 
Terheijl 
't Haantje
Terhorst 
Tiendeveen 
't Noorden 
Torenveen 
Tweede Dwarsdiep 
2e Exloërmond 
2e Valthermond 
Tynaarlo 

Ubbena 
Uffelte 

Valsteeg 
Valthe 
Valtherblokken
Valthermond 
Valthermussel 
Veenhof 
Veenhuizen 
Veenhuizen 
Veeningen
Veenoord 
Vledder 
Vledderveen 
Vlieghuis 
Vossebelt 
Vredenheim
Vries 
Vuile Riete 

Wachtum 
Wapse 
Wapserveen 
Wateren 
Weerdinge 
Weerwille 
Weijerswold 
Weiteveen 
Wemmenhove 
Westdorp 
Westeinde 
Westenesch 
Westerbork 
Westerse Bos 
Westervelde 
Wezup 
Wezuperbrug 
Wijster 
Wilhelminaoord 
Wilhelmsoord 
Winde 
Wittelte 
Witten 
Witteveen
Witteveen 

Yde 

Zandpol 
Zeegse 
Zeijen 
Zeijerveen 
Zeijerveld 
Zorgvlied 
Zuidbarge 
Zuideind 
Zuideropgaande 
Zuidlaarderveen 
Zuidlaren 
Zuidveld 
Zuidvelde 
Zuidwolde 
Zwartemeer 
Zwartschaap 
Zweeloo 
Zwiggelte 
Zwinderen 

Bewoners boerderijen Drenthe

 

Vroeger woonden heel veel boeren in Drenthe. Vanaf de Steentijd tot de 18e eeuw woonden zij in andere boerderijen dan nu. Het boerengezin woonde in dezelfde ruimte als het vee. Zo'n boerderij noem je een los hoes. De achterkant van de boerderij was een soort schuur waar de hooi- en graanwagens in konden rijden. Daar stonden dan ook de koeien en schapen. Voor in de boerderij woonde het gezin. Daar brandde het vuur waar op gekookt werd. In het begin was er geen schoorsteen, de rook verdween door de kieren van het dak. Het was er ook niet echt warm, ondanks het vuur. In de winter was je allang blij als het niet vroor binnen in de boerderij.


De bedstee was voorin de boerderij. Dat was een soort kast met een ingebouwd bed met deurtjes en gordijntjes. Heel knus, want alle kinderen lagen bij elkaar in bed. Maar het was ook heel klein. Zo klein dat een volwassene niet languit in bed kon liggen. Zij sliepen een beetje zittend in bed, want mensen waren erg bijgelovig en vonden plat liggen bij de dood horen. Dat kon je dus maar beter niet doen! En het rook er vast niet fris, want de bedstee was vaak naast de koeienstal.


Het was hard werken op de boerderij. De koeien moesten worden gemolken en gevoerd. Het land moest bewerkt worden. Als je de was deed moest dat op een wasbord, met de hand. Met de hand moest je de was uitwringen en daarna aan de lijn te drogen hangen. Zo waren de boer en de boerin de hele dag bezig. Zelfs als het buiten donker was en de boer voor de kachel zat, deed hij nog klusjes. Misschien vind je het gek, maar breien was een klusje dat niet alleen door de boerin, maar ook door de boer gedaan werd.


Er werd vroeger altijd rekening gehouden met de dood. Je kon immers van een simpel griepje al doodgaan. Er waren nog geen antibiotica of andere medicijnen. Bij het trouwen kreeg ieder jong stel alvast een doodskleed en houten planken. Op de balken boven de koeienstal stond het hout klaar voor de doodskist.

De meeste boerderijen in het Drentsche Aa-gebied zijn gebouwd volgens het Hallenhuis-type. Dit is een oud type boerderij dat je vooral in Noord- en Oost-Nederland ziet. Een Hallenhuis-boerderij heeft een rechthoekige vorm met een hoog rieten dak. Binnen in de boerderij staan houten gebinten, dat zijn stevige balken die het dak dragen. In het voorste deel woonde de boer met zijn gezin. Het achterste deel was voor het vee, het hooi en de werktuigen. Alles onder één dak, wel zo handig in de winter.

Naast het Hallenhuis zie je soms ook een krukhuis. Dit is een uitbreiding van het Hallenhuis. De boer bouwde dan een extra stuk aan de zijkant, bijvoorbeeld voor een jong gezin of voor extra vee. Zo ontstond er een L-vorm. Dit type zie je wat minder vaak, maar het komt voor in sommige dorpen in het gebied.

In sommige dorpen zijn ook kampboerderijen te vinden. Deze boerderijen staan op de hoger gelegen zandgronden, op een kamp of es. Ze horen bij een akkercomplex en liggen vaak aan de rand van een dorp. Ze zijn wat groter dan andere boerderijen, omdat de boeren er vaak meer land hadden. Deze boerderijen zie je bijvoorbeeld in Gasteren, Loon en Balloo.

De boerderijen zijn vaak gebouwd met materialen uit de omgeving. Denk aan hout, riet, leem en veldkeien.

Na een periode van politieke woelingen en vele bestuurlijke wijzigingen werd in 1813 het Koninkrijk der Nederlanden gevormd en werd Drenthe formeel in 1814 tot provincie bestempeld. Al eerder in 1811 waren de gemeenten in Drenthe gevormd als vrijwel ongewijzigde voortzetting van de aloude kerspelen. Assen had in 1807 de status van stad gekregen en met name de gouverneur des Konings Petrus Hofstede beijverde zich om van de plaats echt een bestuurscentrum te maken. Gestimuleerd werd dat bestuurders en andere hooggeplaatsten zich metterwoon in Assen vestigden, o.a. door bouwkavels aan weerszijden van de Vaart uit te geven. Tot ca. 1850 stond het besturen op rijks-, provinciaal en andere niveaus vooral in het teken van de plannenmakerij en de bestuurlijk-administratieve opbouw, zoals de invoering van de burgerlijke stand, van een eenduidige grondadministratie en -belasting (kadaster) en van een landelijk juridisch systeem, om enkele voorbeelden te noemen. De bouw van het gerechtsgebouw in Assen in 1840 was daar een uiting van.

Het provinciaal bestuur was doordrongen van de noodzaak om de infrastructuur in de provincie te verbeteren teneinde de vervening en de ontginning te stimuleren, maar de financiële armslag was dermate gering dat er niet veel mogelijk was. Toch werden er na 1830 grote projecten in uitvoering genomen, zoals de versterking van de Vollenhoofse en Hasselter zeedijken waaraan Drenthe fors meebetaalde; de verdieping van de Drentsche Hoofdvaart en het Meppelerdiep en de aanleg en het onderhoud van de macadam-weg Assen-Rolde. In de vervening en in de landbouw deden zich tot 1850 geen wezenlijk nieuwe ontwikkelingen voor. In 1817 was wel een Convenant afgesloten tussen de stad Groningen en de veenmarken ten oosten van de Hondsrug over de afvoer van turf langs het Stadskanaal, zodat vanaf ca.1825 een gestaag groeiende turfproductie op gang kwam die echter pas na 1850 een zeer grote omvang zou bereiken met 1875 als hoogtepunt.

De verveningen rond Hoogeveen vonden regulier voortgang, hoewel de Hoogeveensche Vaart door gebrekkig onderhoud steeds meer gebreken vertoonde en aan grondige renovatie toe was. Smilde ontwikkelde zich in deze periode tot een belangrijk productiegebied, met vele investeringen van de kant van de Asser/Drentse elite.

De stijging van de graanprijzen die zich sinds 1755 had voorgedaan, alsmede het uitblijven van verdere veepesten, werkte gunstig op de landbouw uit, het eerst bij de grotere boeren, later ook voor de keuters en landarbeiders. De drempel om een eigen boerenbedoeninkje te beginnen werd lager. Deze groep ging dan ook een steeds belangrijker plaats innemen. De aardappel, die in de 18e eeuw een belangrijk nieuw gewas geworden was, werkte hier gunstig op uit. De positieve economische ontwikkeling ging gepaard met een sterke bevolkingsgroei die zich gedurende de gehele 19e eeuw zou voortzetten en die Drenthe tot relatief de sterkst groeiende provincie zou maken. Langs de randen van het Drents plateau, en met name in Zuidwest-Drenthe was het hoofdaccent van het gemengde bedrijf vanwege bodemdaling en vernatting verschoven van de akkerbouw naar de veeteelt, waarbij de boterbereiding (zie: Boter) een steeds belangrijker plaats ging innemen. Dit had weer tot gevolg dat de marktfunctie van Meppel in de 19e eeuw geleidelijk belangrijker werd.

De grote steden in Nederland hadden in de eerste helft van de 19e eeuw te kampen met een groot armoedeprobleem. Nederland had zijn vooraanstaande positie op de wereldmarkt in de loop van de 18e eeuw verloren en van industrialisatie was nog geen sprake. Grote werkloosheid met alle armoedeproblemen van dien waren het gevolg. Een van de antwoorden op die problemen werd gegeven door generaal Johannes van den Bosch die de Maatschappij van Weldadigheid in het leven riep en grote complexen woeste grond bij Frederiksoord en later Veenhuizen kocht om aldaar koloniën te stichten, waar paupers uit de steden zich een nieuw bestaan als boer zouden kunnen opbouwen. In hun aanpak en opzet waren deze koloniën uniek in de wereld.

Na 1850 kwam er een duidelijke versnelling in de ontwikkelingen. Op infrastructureel gebied ging het daarbij in de eerste plaats om de aanleg en verbetering van een aantal belangrijke vaarwegen, die ten doel hadden het laatste grote veengebied van Noord-Nederland in Zuidoost-Drenthe aan snee te brengen. Als eerste werd de Hoogeveensche Vaart overgenomen van de Compagnie van 5000 Morgen en werd de Drentsche Kanaal Maatschappij opgericht, een combinatie van overheids- en particuliere investeringen. De vaart tussen Meppel en Hoogeveen werd belangrijk verbeterd en verdiept en vervolgens werd hij in oostelijke richting doorgetrokken naar het veen onder Emmen (1851). Dit leidde allereerst tot het ontstaan van Nieuw-Amsterdam, dat aanvankelijk de belangrijkste nederzetting in de gemeente werd met neringdoenden, hotels en logementen en aan de vervening gerelateerde nijverheid. Een tweede veenkanaal dat deels in concurrentie met de Hoogeveensche Vaart werd aangelegd door een ander consortium was het Oranjekanaal, dat een verbinding tot stand bracht tussen de Drentsche Hoofdvaart en het veengebied onder Zuid-Barge (1853). Vanuit het noorden werd het Stadskanaal doorgetrokken in zuidelijke richting als Stads-Compascuumkanaal en verderop Scholtenskanaal. Daarmee kwam het kwalitatief hoogwaardige veen ten (noord)oosten van het dorp Emmen aan snee en ontstonden volkrijke veenkolonies als Emmer- en Barger-Compascuum(1880). Vanuit het zuidwesten tenslotte werd een verbinding tot stand gebracht tussen het veen van Zuidoost-Drenthe en het Overijsselse kanalenstelsel van de Dedemsvaart door het graven van het Stieltjeskanaal (1884).

Naast deze hoofdtransportassen werden de veengebieden zelf doorsneden door een dicht stelsel van hoofd-, zij- en plaatswijken. Behalve de veen-kanalen werd bovendien het Noord-Willemskanaal aangelegd. Op zich was het al een 18e-eeuws plan om een verbinding tot stand te brengen tussen Groningen en Meppel en de Zuiderzee, maar pas in 1860 werd dat gerealiseerd. Een grote vlucht nam het scheepvaartverkeer op dat traject echter niet.

Verharde wegen hadden tot 1850 vooral een functie in het interprovinciale verkeer (Groningen-Zwolle, langs de Drentsche Hoofdvaart). Na 1850 trad een belangrijke versnelling in de wegverharding in, vooral door een verdichting van de onderlinge verbindingen binnen de provincie. In 1913 lag er zo'n 725 kilometer verharde weg (zie: Wegen). Spoorwegen kende Drenthe vanaf 1870. In dat jaar kwam de lijn Meppel-Groningen via Hoog-veen, Beilen en Assen gereed. Behalve dat hij van groot belang was voor het personenvervoer ging er ook sterke economische stimulans van de spoorlijn uit. Het leidde tot een opbloei van de opfok van biggen en het ontstaan van exportslachterijen in de nabijheid van de spoorlijn. Een snelle directe verbinding met de (Londense) markt kon aldus ontstaan. Aan het eind van de eeuw ontstonden de eerste tramwegen in de provincie. Ook kwam er een spoorlijn Coevorden-Gasselternijveen bij en een lijn van Assen naar Stadskanaal. Na WO I ging het met de secundaire spoorlijnen en de tramlijnen bergafwaarts, vooral waar het het personenvervoer betrof. Lijnen werden opgeheven of alleen nog voor goederen gebruikt. De flexibeler inzetbare autobus ging een steeds belangrijker plaats in het openbaar vervoer innemen.

De landbouw maakte in de tweede helft van de 19e eeuw een voorspoedige ontwikkeling door. De landbouwcrisis van de jaren 1880 deed zich in het gemengde Drentse boerenbedrijf niet zo scherp voelen als elders en betekende in sommige gevallen zelfs een stimulans tot innovatie. Zo werd in 1889 de eerste coöperatieve stoomzuivelfabriek in Drenthe opgericht in Rogat. Daarna zouden nog vele melkfabrieken volgen totdat er aan de vooravond van WO I 102 fabrieken en fabriekjes overal in de provincie te vinden waren (zie: Zuivelindustrie). Vele van deze waren zeer kleine handkrachtfabriekjes die ook snel weer verdwenen. Toch waren er vlak voor WO II 56 melkfabrieken in bedrijf, terwijl een gezamenlijke fabriek verrees voor de verwerking van alle ondermelk die vrijkwam, de DOMO in Beilen. Andere aan de landbouw gerelateerde nijverheid die opkwam was de Landbouwersbank in Meppel in 1919, aanvankelijk als aankoop- en distributieorganisatie van kunstmest en veevoer in het groot, maar later ook als producent. Specifiek gebonden aan de veenkoloniale gronden was de teelt van aardappelen die fabrieksmatig tot aardappelmeel werden verwerkt. In Smilde en in het Oostermoer en ook in Zuidoost-Drenthe verrezen coöperatieve en particuliere fabrieken (zie: Aardappelmeelindustrie).

De grootste verandering in de landbouw werd veroorzaakt door kunstmest die in de laatste decennia van de 19e eeuw zijn intrede deed en allengs meer en meer werd toegepast. De mestvoorziening - en vooral het gebrek eraan - was eeuwenlang het centrale vraagstuk van het boerenbedrijf geweest en had de grenzen van de mogelijkheden bepaald. De kunstmest doorbrak die barriè;re en maakte het mogelijk dat de opbrengst per hectare belangrijk verhoogd werd en dat allerlei veldgronden konden worden ontgonnen tot bouw- en weiland. Een geweldige uitbreiding van het areaal cultuurgrond was het gevolg, vooral toen in het kader van de werkverschaffing na WO I grootschalige ontginningsprojecten ter hand werden genomen.

Vooral door de gunstige agrarische ontwikkeling kon Meppel zich na 1850 ontwikkelen tot de derde botermarkt van Nederland. Bovendien lag het bijzonder gunstig, sinds 1870 aan de spoorlijnen van Zwolle naar Leeuwarden en Groningen en eerder al eeuwenlang aan het Meppelerdiep op het punt waar Zuidwest-Drenthe zijn water kwijt moest, en de waterwegen zich dus concentreerden. Meppel was in allerlei opzichten de poort van Drenthe en onderhield van oudsher met tal van plaatsen »beurtvaarten. De markt- en handelsfunctie was dus altijd al sterk geweest, maar breidde zich na 1850 nog sterk uit. Het inwonertal van Meppel steeg dan ook navenant, van 4.000 personen in 1815 tot 10.000 in 1899.

De verveningen schoven na 1850 steeds meer op in de richting van Zuidoost-Drenthe, hoewel pas rond 1870 de veengebieden zover aan snee waren gebracht dat er van een daadwerkelijk grootschalige productie sprake was. Maar die was dan ook meteen vele malen groter dan in enig turfwinningsgebied in de eeuwen daarvoor. Ondanks de toenemende concurrentie van steenkool, die sinds het laatste kwart van de 19e eeuw een voortdurend overheersender plaats op de energiemarkt ging innemen, was de energiebehoefte kennelijk zo groot dat ook de turfproductie voortdurend kon blijven stijgen, met nog een extra productiepiek tijdens WO I. Kort daarna kwam de turf in de structurele problemen door een gebrek aan afzetmogelijkheden. Dit veroorzaakte massale werkloosheid en armoede in Zuidoost-Drenthe, die pas decennia later na WO II daadwerkelijk opgelost konden worden. Naast de turfwinning als brandstof waren er aan het eind van de 19e eeuw ook andere toepassingen van veen ontwikkeld. De belangrijkste daarvan was turfstrooisel, de gemalen bovenste laag veen, die uitstekend toegepast kon worden als stalvloerbedekking en in de tuinbouw. Met name in het zuidoostelijk gedeelte van de gemeente Emmen concentreerden zich uiteindelijk de turfstrooiselfabrieken. Een andere belangrijke fabrieksmatige verwerking van veen was de vervaardiging van actieve kool die sinds 1921 door Purit in Klazienaveen werd gestart.

Door de komst van de kunstmest was het mogelijk geworden de uitgeveende gebieden op grote schaal geschikt te maken voor de landbouw. Met name voor de teelt van fabrieksaardappelen bleek de dalgrond zeer geschikt. Op bescheiden schaal kwam voor WO II ook de tuinbouw in de voormalige veengebieden op gang, vooral in het kader van de verbetering van de economische structuur van die regio's. De vervening van Zuidoost-Drenthe leidde tot het ontstaan van tal van nieuwe nederzettingen in de gemeente Emmen. De sterke bevolkingsgroei die de gemeente doormaakte, was dan ook over het hele 28.000 ha omvattende grondgebied verspreid. Nieuw-Amsterdam, Erica, Klazienaveen, Zwartemeer, Barger- en Emmercompascuum waren hiervan de belangrijkste, met lange tijd een groter inwonertal dan de kern Emmen zelf. Dit dorp bleef temidden van de dynamische ontwikkeling van het veengebied lange tijd zijn traditionele boerendorp-karakter behouden, net als de andere esdorpen binnen de gemeente zoals Noord- en Zuid-Barge, Westenesch en Weerdinge.

Wel was Emmen het bestuurlijk centrum van de gemeente en de plek waar een deel van de elite zich vestigde, hoewel met name de grote verveners veelal buiten de gemeente woonachtig waren en bleven. In de eerste helft van de 20e eeuw ontwikkelde de kern Emmen zich, mede dankzij de aanleg van spoor- en tramlijnen, tot een regionaal verzorgingscentrum met een groeiende middenstand en op ontspanning gerichte voorzieningen. Aan de vooravond van WO II telde de kern zo'n 10.000 inwoners op een totale gemeentelijke bevolking van 40.000. De sterke stedenbouwkundige groei van Emmen dateert dan ook van na WO II.

Hoogeveen ontwikkelde zich na 1850 tot een belangrijk binnenschipperscentrum (zie: Schipperij). Dit was mede een gevolg van het verlenging van de Hoogeveensche Vaart. De vervening rond Hoogeveen liep geleidelijk terug, zodat een niet onaanzienlijk deel van de veenarbeidersbevolking elders in het veen werk moet hebben gezocht, langs de Dedemsvaart of in Zuidoost-Drenthe. Waarschijnlijk was er sprake van een vorm van trekarbeid waarbij de arbeiders in Hoogeveen bleven wonen en alleen tijdens de campagne in het veen huisden. Daarnaast leidden zij met hun gezinnen een bestaan als keuterboer, waarbij zij een klein stukje land bewerkten en meededen in de opfok van biggen voor de Engelse markt. Ook de zuivelbereiding werd erg belangrijk, vooral toen er een stoomzuivelfabriek in de gemeente werd gevestigd. In het interbellum deed de volle-gronds-tuinbouw zijn intrede, gestimuleerd door de vestiging van de conservenfabriek van Lucas Aardenburg in 1928. De bewoning in de gemeente was erg verspreid in de vorm van langgerekte lintbebouwing langs de talloze opgaanden. Van 5000 in 1818 groeide de bevolking naar 12.000 aan het eind van de 19e eeuw, van wie er 4.000 in de kom woonden en bijna 1700 aan boord van een schip. Dertig jaar later was het inwonertal gegroeid tot ruim 15.000.

De hoofdstad van Drenthe Assen groeide in de tweede helft van de 19e eeuw sterk en kreeg een enigszins stedelijk karakter. Tussen 1850 en 1900 steeg het inwonertal van ruim 4.000 naar meer dan 11.000, om tot 1940 nog eens bijna te verdubbelen tot 20.500. De plaats bood onder andere door de royale groenvoorzieningen een aangenaam leefklimaat voor de Drentse welgestelden die in ruime mate fraaie huizen lieten neerzetten, zodat Assen de bijnaam 'stad der paleizen' kreeg. Met de ontwikkeling van Assen als bestuurscentrum verrezen er nogal wat openbare gebouwen zoals scholen en kantoren. Van groot belang was tevens de aanwijzing van Assen tot garnizoensstad in 1881. Langs de Vaart verrezen grote kazernes, terwijl voor het (onder)officierskader woningbouw noodzakelijk werd. Met de komst van spoor- en tramwegen en de aanleg van het Noord-Willemskanaal werd de centrumfunctie van Assen versterkt, maar dat leidde niet tot vestiging op grote schaal van allerlei vormen van fabrieksmatige bedrijvigheid. Een exportslachterij en de tijdelijke vestiging van een ijzergieterij waren het meest in het oog springend.

Ook Coevorden dat als vestingstadje een kwijnend bestaan leidde, maakte sinds 1850 een sterke ontwikkeling door, vooral als gevolg van infrastructurele vernieuwingen. Het werd een knooppunt van kanalen toen het een verbinding kreeg met de Vecht, de Lutterhoofdwijk/Dedemsvaart; het Overijsselsch Kanaal, het kanaal naar Alte-Picardie (Kanaal Coevorden-Alte Picardie) en het Stieltjeskanaal. Bovendien kwam het aan een spoorlijn te liggen en aan enkele tramlijnen. Dit leidde tot een behoorlijk groei in het begin van de 20e eeuw en de vestiging van bedrijven en voorzieningen. WO I en de crises daarna leidden echter tot stagnatie en een langdurige periode van malaise. Bovendien had de plaats veel te lijden van bombardementen tijdens WO II.

De forse groei van de Drentse bevolking in de 19e eeuw had niet alleen gevolgen voor de meer stedelijke centra in de provincie, ook de bewoning op het platteland nam sterk toe. Het aantal boerderijen in de bestaande dorpen steeg en mede als gevolg van de ontginningen verrezen er tal van nieuwe agrarische nederzettingen. Bovendien nam het aantal voorzieningen op het platteland geleidelijk toe. Daardoor verrezen op tal van plaatsen nieuwe kerken, scholen, nutsvoorzieningen en winkels. Daarnaast werd de provincie vooral in het kader van werkverschaffing aan werkloze veenarbeiders op vrij grote schaal bebost, vooral op die gedeelten van de voormalige veldgronden die voor landbouw minder geschikt waren. De Maatschappij van Weldadigheid was gedwongen een deel van het bezit af te stoten. Het concept bleek toch minder succesvol dan gehoopt, hetgeen vooral te wijten was aan een tekort aan mest, naast een algeheel gebrek aan affiniteit met het landleven bij vele stadse kolonisten. Het gebied Veenhuizen werd in 1869 overgedaan aan de staat die er geleidelijk een steeds justitiëler bestemming aan ging geven. Aan het eind van de 19e eeuw leidde dit tot grootschalige bouwactiviteiten van werkinrichtingen, voorzieningen en personeelswoningen, uitmondend in een uniek penitentiair landschap.