Armenjagers

Inhoud

- Voorwoord

- Armenjagers in provincie Overijssel

- Armenjagers in provincie Drenthe

- Armenjagers in provincie Groningen

- Armenjagers in provincie Friesland

- Armenjagers in provincie Gelderland

- Armenjagers in provincie Utrecht

- Armenjagers in provincie Noord Holland

- Armenjagers in provincie Zuid Holland

- Armenjagers in provincie Zeeland

- Armenjagers in provincie Noord Brabant

- Armenjagers in provincie Limburg

 

Voorwoord

In tijden waarin armen dikwijls waren veroordeeld tot bedelen en door de overheid als lastig werden gezien, werd de armenjager aangesteld.

 

Deze jagen op mensen met oneerbare beroepen zoals marskramers, zigeuners, rondreizende muzikanten en artiesten, scharenslieps, lompenhandelaars etc.

Arme nieuwkomers liepen in steden vaak het risico weggejaagd te worden door een armenjager. Zo moest de overlast door landlopers en bedelaars worden beperkt.

 

Later kregen armenjagers de naam van veldwachters.

 

Armenjager; de term suggereert dat je zo arm kon zijn dat er op je gejaagd mocht worden. En als je eind 17de eeuw uit een plaats was gejaagd stond in de volgende plaats de volgende armenjager klaar om je te sommeren door te lopen en niet in het dorp te blijven hangen. In de Gouden Eeuw kende men in Amsterdam de armenjager, dat was iemand die met honden en gewapende lieden klopjachten op bedelaars organiseerde, soms met het doel galeislaven te bemachtigen.

Maar wie zwierven er dan allemaal rond en waren zo ongewenst dat ze weggejaagd moesten worden?
Landlopers, bedelaars, vagebonden, rovers, dieven en brandstichters. Vreemde huursoldaten, die na opheffing van hun leger geen middelen van bestaan meer hadden, en enkele krankzinnigen. Onder de bevolking bestond een grote angst voor mensen met aanvallen van razernij; er was een grens aan de verdraagzaamheid.

 

Assueer Joachim van Lintelo, deze gevaarlijk gestoorde man heeft zelfs zitting gehad in de Zutphense ridderschap, puur om zijn adellijke afkomst. Na excessen en klachten van de burgerij werd hij op 22 jarige leeftijd op last van de magistraat opgesloten op een kamer in Huis De Marsch onder toezicht van 2 stadsboden. Zijn toestand bleef slecht, hij moest in 1678 op het huis blijven en er mocht daar geen geweer aanwezig zijn. Armlastige krankzinnigen verlieten het ouderlijk huis, gedwongen door de familie, om verder van plaats tot plaats te zwerven, levend van wat ze hier en daar opscharrelden of toegeworpen kregen. Zij die leden aan een achtervolgingswaan bleven reizen op zoek naar een veilige plek. Vaak werden krankzinnigen geplaatst in liefdadigheidsinstellingen, maar al te vaak moesten ze maar zien zichzelf te redden, net als de andere verschoppelingen.

 

De aanstelling van armenjagers vindt zijn oorzaak in het toenemen van bedelarij en landloperij aan het einde van de 17de eeuw. De kerk stond er dubbel in. De diaconie zorgde voor de armen, maar wilde er niet te veel. Men probeerde lui gedrag te bestrijden. De diaconie weigerde geld uit te geven aan bedelaars, landlopers en werkschuwe armen. De kerken klaagden over de grote overlast die zij en andere vreemdelingen veroorzaakten. Deze vreemde passanten, waren niet alleen wegens hun bedelarij ongewenst, ze zouden ook slechte gebruiken als godslastering en overmatig drinken laten zien. Men organiseerde soms een bedeljacht, jagen op zwervers dus. Er was een zeker overleg tussen de plaatsen onderling want in 1750 werd in de hele Graafschap Gelderland een bedeljacht gehouden deze duurde twee dagen en twee nachten. En van 1763 tot en met 1767 werd elk jaar een generale bedeljacht in deze hele provincie gehouden.


Zo werden onderstaande personen opgepakt en zij verschenen voor de drost van het Scholtambt Voorst;

  • Men pakte in 1738 Johannes Rosscher op, een slotenmaker uit Brandenburg met zijn 11 jarige zoon. Zij hadden onderweg aan boeren een stuk brood gevraagd, zij werden verbannen en mochten niet meer in deze provincie komen.
  • In september 1732 werd Johanna Bisschop opgepakt, ongeveer 40 jaar oud en al twintig jaar weduwe van Henric Bisschop die bij haar 14 kinderen zou hebben verwekt, zei ze. Ze heeft verbleven in Engeland, Schotland, Frankrijk en Duitsland en nu woonde ze gehuurd in Zwolle in een herberg. In augustus was ze de stad uit gegaan en kwam in een wei bij Hattem de armenjager tegen die haar verzocht met hem zijn vleeschelijke wil te doen. Dat wilde ze niet waarop hij dreigde haar te vermoorden en met een degen stak hij haar acht keer en smeet haar in het water. Ze overleefde het en vervolgens ging ze naar Deventer en nu was ze in Voorst. Ze was aangehouden omdat ze bedelde en een rijglijf en lappen had gestolen. Allerlei getuigen verklaren dat dit vrouwmens gebedeld heeft, als men haar weigerde iets te geven dan sprak ze; God wil u het brood ook weigeren. Haar verweer was dat ze een stuk oud linnen heeft gevraagd voor haar wonden en dat de andere spullen haar gegeven zijn. Maar de uitspraak op 15 okt 1732 werd: Haar geselen, brandmerken en verbannen.

 

Door een verslechterde economische situatie in het midden van de 18e eeuw nam de armoede in Nederland toe. Er waren drie groepen armen te onderscheiden. In de eerste plaats waren er armen die wegens hoge ouderdom of invaliditeit niet konden werken. Dan was er een groep armen die wel wilde werken, maar die geen werk vond of met hun werk te weinig verdiende om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Tenslotte was er de groep die niet wilde werken: bedelaars, zwervers, paupers.


Belangrijke factoren van grote armoede waren de stijgende prijzen en de vrij hoge belastingen De belangrijkste reden om de armoede aan te pakken in 1750 was de angst voor sociale onrust; meer armoede leidde tot stijgende criminaliteit.


In 1859 werd bedelarij nog bestraft met 14 dagen gevangenisstraf en zwierf je ook buiten de stad dan kreeg je er voor landloperij nog 6 weken extra bij, daarna werd je overgebracht naar het bedelaarsgesticht Ommerschans. De politieorganisatie in
Nederland werd rond 1810 georganiseerd naar Frans model, er kwamen veldwachters die meer taken hadden dan op armen te jagen.

 

Armenjagers in provincie Overijssel

 

  • Borne

De aanstelling van armenjagers vond zijn oorzaak in het toenemen van bedelarij en landloperij aan het einde van de 17de eeuw. Anders dan de naam doet vermoeden, werd er geen jacht gemaakt op arme burgers maar op zogenaame vagebonden, synoniem voor landlopers, zwervers, bedelaars, plunderaars, lediggangers (nietsdoeners), straatschenders en ander gespuis. De Goetheren in het kerspel Borne (marken) wapenden zich hiertegen door de aanstelling van Hendrik Annink in 1736 als armenjager. Hij werd in 1778 opgevolgd door Hendrik Hilbrink.

 

Op 6 dec. 1736 werd door de plaatselijke Goetheren in het Kerspel Borne een armenjager
aangesteld, n.l. Hendrik Annink. Er werd van hem verwacht in het dorp te wonen. De functie
armenjager had niets te maken met het jagen op arme mensen. Integendeel, het betrof jachtmaken op vagebonden en plunderaars. Hij moest dit rapporteren aan de Goetheren. De armenjager werd ook wel Rode Roede genoemd vanwege de rode staf die hij bij zich had. Hij was gekleed in uniform; een blauwe rok met lange rodeopslag, met tinnen knopen en een hoed met wit boordsel. Voor zijn dienst ontving hij fl. 65,00 'sjaars. De Goetheren vonden dat wel een beetje veel en brachten het later terug tot fl. 40,00 'sjaars. Voornoemd persoon bleef in dienst tot 1778 en werd opgevolgd door Hendrik Hilbrink.
De tijd van Bataafse Vrijheid en het oprichten van een Bataafs legioen is een tijd van vele
oorlogen. Oostenrijk verslaat het Franse leger. Het gezag in de zuidelijke landen wordt
hersteld. Gelderland en Overijssel hebben slechts voor 2 jaar toegestemd in de 25-jarige
oorlogsbegroting. In 1795 wordt het land door de Fransen bezet, in februari ook ons gewest.
Dit is aanleiding tot de oprichting van De Bataafse Burgerwacht in het gericht Borne in
1796. Men is voor werving bij alle bewoners van het dorp Borne langs gegaan. Van de 110
personen die in aanmerking kwamen hebben 45 met het zetten van een kruisje getekend. Een enkele keer zelfs meer dan een per gezin! In Bornerbroek tekenden 10 van de 85 personen in Hertme 30 van 35! In Zenderen tekenden 106 van de 142 personen. Allen met een kruisje want ze waren de schrijfkunst niet machtig.
In 1830 werden meer armenjagers aangesteld. Vreemdelingen die zich vertoonden kwamen
van over de grens, waarschijnlijk als gevolg van de opstand in België en Brabant. Ook via
Duitsland kwamen ze de grens over. Opnieuw werden daarom wachten aangesteld, 2 dagwachten en 2 nachtwachten. Zij kregen de opdracht om goed op te letten, want er werden nogal wat vagebonden waargenomen en men had last van vele diefstallen. Met de klok van elf uren zal de wacht met een klep rondgaan vanaf de Weerseloschestraat enz., langs de school, de Markt tot de Potkampsbrug. Men moest regelmatig de uren met een klep slaan en daarbij het uur aangeven; 1 uur 1 maal kleppen, 2 uur 2 maal kleppen enz.
Het is intussen 14 jan. 1855, de gemeenten worden zelfstandiger. Burgemeester en Wethouders maken bekend, volgens besluit van de Raad en Gedeputeerde Staten van
Overijssel, dat wachten zouden worden aangesteld. Uit ieder huisgezin moest één man dienst doen als wacht uitgerust met een piek. Een kapitein zou worden benoemd door de Raad van de gemeente voor het adviseren in het regelen van de wacht. De opdracht was: handhaving van de orde, veiligheid en rust onder de ingezetenen. Een en ander werd geregeld in 20 artikelen. Zo mochten zij tijdens de wacht o.a. geen tabak roken of sterke drank gebruiken. De artikelen waren ondertekend door Burgemeester J. Bussemaker Bz. en
Wethouder H.J. Boekman. Naderhand werden nog verschillende wachters genoemd w.o. J. Hilbrink. De laatste wachter was Kieft'n Bram, hij werd in 1921 benoemd. Luidruchtig liep hij altijd met zijn stok door Borne, tot iets voorbij de molen van Veldhof

 

In 1813 benoemde burgemeester W.C. Lantman de eerste nachtwaker in gemeente Borne, Hendrik Nieuwenhuis, tevens volksteller, tegen een jaartraktement van 52 gulden. Daarnaast werd Bertus Lucas aangesteld als veldwachter. Hij verdiende 20 gulden per jaar. Twee plaatselijke ondernemers zorgden voor zijn outfit, kleermaker Drees en hoedenmaker Oostvogel. De kosten, 35 gulden en 2 stuivers, kwamen voor rekening van de gemeente. Met name de nachtwaker, ook wel klepperman genoemd, was indertijd tijdens de nachtelijke uren, lang voordat er straatverlichting was, van groot belang voor de veiligheid in dorp. Door het ontbreken van een sociaal vangnet waren er nogal wat burgers die het verkeerde pad kozen. Er was dringend behoefte aan nachtelijk toezicht met een spiedend oog naar kwaadwillenden. De nachtwacht liep rond met een houten klepper die ook wel klap werd genoemd. De klap bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit houten bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog, daarbij roepend hoe laat het was. Een baan met veel verantwoordelijkheid. Daarom werd van hem verwacht dat hij van goeder naam en faam was. Zijn reputatie was met name in het begin van de 19e eeuw niet al te best, omdat tijdens de dienstuitoefening nogal eens (teveel) aan Bacchus werd geofferd. Daarom werden hun plichten en het nalaten daarvan, nauwkeurig omschreven in een reglement en instructie.

 

Reglement Nachtwacht 1826

Dit reglement, houdende 20 artikelen, werd vastgesteld door de gemeenteraad op 28 november 1826. De wacht bestond uit een door de gemeenteraad benoemde officier en vier manschappen die waren gehuisvest in het gemeentelijk wachtlokaal, dat waarschijnlijk ook als arrestantenhok dienst deed. De wacht begon ’s avonds om elf uur. De volgende artikelen schetsen een vermakelijk beeld uit die tijd.

 

‘Art.2. Met de klok van elf uren des avonds, zal de wacht met een klep rondgaan, die geslagen zal worden door den bekwaamsten van de twee mannen,(door den Officier van de wacht te verkiezen) op de hierna genoemde plaatsen, met in achtneming dat ten elf uren vijf malen, twaalf uren zes malen, één uur één maal, twee uren, twee malen, drie uren drie malen, vier uren, vier malen geslagen wordt; huis Salomon Spanjaard, Teunis Bussemaker, de brouwerij van Herman Meiling, WensinkBrug en Potkampsbrug, Cochorei-Fabrijk T.ten Cate, R.C. kerk (waterstaatskerk)

 

Art.3. Die met de klep gaat zal, bij het ontstaan van brand, denzelven aanhoudend slaan en brand roepen, en die hem verzeld, dadelijk den Officier van de wacht daarvan kennis geven’.

 

Art.5. Degenen, die de ronde doen, zullen nauwkeurig vigileeren op het ontvreemden van goederen, huisbraak, slagerij, de behandeling van vuur en licht in de huizen of op de deelen, en naar bevinding daarvan de Officier rapporteren.

 

Tijdens de dienstuitoefening werden boetes in het vooruitzicht gesteld voor onder andere ongehoorzaamheid, het nuttigen van drank, te laat komen en het voortijdig de dienst verlaten. Deze varieerden van 60 cent tot twee gulden.

 

Art.9 Ieder wachtdoende die op de straat rond gaat zal op straat geen tabak mogen rooken op de boete van één gulden. De rondgaande personen zullen op straat niet dan heel zachtjes mogen praten, niet fluiten of zingen, of gedruisch maken op eenigerlei wijze, hetzij met stokken of klompen of anderszins, dit alles op een boete van zestig cents voor ieder rondgaande te verbeuren.

 

Opmerkelijk is aan wie het geld van de geïnde boetes ten goede kwam:

Art.20. Half ten profijte van de aanbrenger, en half ten profijte van de armen, waartoe de bekeurde behoort.

 

In verband met het leeftijdsontslag van nachtwaker Herman ten Have en de benoeming van Hendrik ten Have, landbouwer, als de nieuwe ambtsdienaar, werd door de gemeenteraad op 15 maart 1872 een nieuwe instructie vastgesteld. Nieuw was dat voor dienstbegin voor de bevoegde rechter de eed werd afgelegd als politiedienaar. De jaarwedde bedroeg f 85,-. Later worden ook Vermeer, Morsink en Gerhard Mensink, plaatselijk uitbater, als nachtwaker genoemd.

De meest bekende nachtwaker was Bram te Kiefte (Kieft’n Bram). Hij vertelt dat hij in 1913 persoonlijk door burgemeester von Bönninghausen is gevraagd om nachtwaker te worden. Hij aanvaardde de functie onder voorwaarde dat hij niet meer met de houten klepper hoefde te lopen. Twintig jaar lang was hij ‘s nachts, begeleid door zijn hond, herder Billy, het baken van rust en veiligheid in Borne. Tikkend met zijn goastok op straat of trottoir, kon men hem van verre horen aankomen. Hij heeft het meeste te stellen gehad met dronkenlappen die na sluitingstijd weigerden de kroeg te verlaten. Ook actieve smokkelaars in deze regio bezorgden hem handen vol werk, lieden die met allerlei goederen via een speciale route stiekem de grens overstaken.

Door de zeer slechte toestand van de gemeentefinanciën besloot de gemeenteraad de functie per 1 september 1934 op te heffen. Een particulier beveiligingsbedrijf nam de taak over tegen een maandelijkse vergoeding van f 30,-. Kieft’n Bram, toen inmiddels 70 jaar, kon echt met pensioen.

 

Haaksbergen

Wie zorgden door de eeuwen heen in Haaksbergen voor de handhaving van orde en recht? Tot in de Franse tijd (1795-1813) was dit een taak voor onderrichters, ook wel gerichtsdienaren genoemd. Daarnaast waren er armen, jagers en nachtwakers. Toen kwamen de veldwachters. Pas na de Tweede Wereldoorlog deed de politie haar intrede.
De onderrichter had veel meer taken dan de handhaving van orde en recht. Hij bezorgde dagvaardingen, zegde pachten en hypotheken op en was de beslaglegger op roerende en onroerende goederen. De oudst bekende onderrichter in Haaksbergen was Johan Verver, genoemd in de gerichtsprotocollen van 1628. Naast onderrichters waren er armenjagers. Hun taak was het om armlastige vreemdelingen buiten het gericht Haaksbergen te houden.

 

Haaksbergen kende ook nachtwakers, die in de donkere uren een oogje in het zeil hielden. Vuurwapens hadden zij niet; meestal droegen ze een flinke stok bij zich en verder vaak een klepper. De nachtwaker fungeerde als dorpsomroeper en riep om hoe laat het was. Bij de volkstelling van 1748 werd Hendrikus Waanders als nachtwaker opgegeven. In 1884 werd Gradus Leferink (1854-1946), alias Poet'n Graads, als nachtwaker aangesteld. Hij was een populaire figuur omdat hij met iedereen een praatje aanknoopte. De bijnaam Poet'n was ontleend aan het pand Blankenburg 8, waar een van zijn voorvaderen had gewoond. In zijn beginjaren ging hij gekleed in schapenvacht met stok, bel en sabel. In 1919 werd de functie van nachtwaker opgeheven. 

Vanaf 1796 kende Haaksbergen veldwachters. Voor hen was in het oude gemeentehuis op de Markt een kamertje ingericht waar ook een arrestantenhokje was. Dit was zo slecht beveiligd, dat gevangenen er meer dan eens uit wisten te ontsnappen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kende Haaksbergen twee gemeenteveldwachters. Wanneer zij iemand moesten verhoren, deden ze dat vaak in de raadzaal, omdat hun eigen kamertje daarvoor te klein was. Behalve gemeenteveldwachters kende Haaksbergen sinds 1850 ook rijksveldwachters, behorend tot de brigade Enschede. Zij waren tevens jachtopziener. Na de Tweede Wereldoorlog werden de gezagshandhavers ondergebracht in het korps rijkspolitie

 

 

  • Hellendoorn e.o

In de periode 1700-1800 kwamen er veel vagebonden, leeglopers, bedelaars, heidenen en ander gespuis naar regio Hellendoorn Den Ham e.o.. Belangrijkste oorzaak: honger vanwege de Tachtigjarige Oorlog. Ze sliepen in het veld, schuren en hooibergen. En zorgden voor veel overlast omdat ze roofden en plunderen en vaak ook vechtend rondtrokken. Geen wonder dus dat de besturen van de Kerspels en Markes armenjagers hebben aangesteld. Zij jaagden vaak met veel geweld de ingekomen armen het gebied uit. Eén van die armenjagers was Vilders Willem, die woonde aan de Regge bij Schuilenburg. In de hele regio bekend door z’n rode stok en door alle dierenhuiden, die hij droeg. Hij woonde ergens aan de Regge rond Schuilenburg tussen Den Ham en Hellendoorn. Van professie was hij in eerste instantie Vilder. Hij ontfermde zich over zieke beesten. Hij doodde ze en vilde de huid, die nog verkocht kon worden. Ook ruimden de vilders krengen, ofwel kadavers van dode beesten op. De meeste Vilders woonden een soort van verstoten buiten de kernen. Zij combineerden hun werk ook vaak met het beulsambt. Ook de gedode misdadigers werden dus door hen opgeruimd. Kortom Vilders Willem deed ongelooflijk vies en smerig werk.

 

  • Heino

Bleef het bij het stelen van wat appels en peren uit de boomgaard van de buren, of was er meer? Ook in een klein dorp als Heino moeten mensen zich aan de wet houden. De grote misdaad ging aan het dorp voorbij, maar toch hadden de veldwachters genoeg werk omhanden. 

Van de Middeleeuwen tot ver in de 19de eeuw kwam het gevaar eerder van buiten dan van binnen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog bijvoorbeeld maakten losgeslagen soldaten van het Staatse of het Spaanse leger regelmatig het platteland rondom Heino onveilig. Ze waren uit op eten en drinken, voor zichzelf en voor hun paarden. Maar ook in vredestijd was er onrust. Uit nood geboren stroopten zwervers en bedelaars het platteland af, ook al op zoek naar eten, kleren of onderdak. Dorpen zoals Heino stelden zogenoemde armenjagers aan om landloperij en bedelarij te bestrijden. Ze mochten quaat volk zo nodig met geweld het dorp uitzetten, zonder daarvoor strafbaar te worden gesteld. Het leverde de armjagers f 3,− per week op en om de 2 jaar een nieuwe rok (jas).

Tot de Franse tijd (1795-1813) was er geen landelijk beleid voor zaken van orde en veiligheid. Steden en dorpen stelden grotendeels zelf hun eigen regels vast. Maar toen ons land in 1810 door Napoleon werd ingelijfd bij het keizerrijk Frankrijk, werd de politieorganisatie gecentraliseerd naar Frans model. Het platteland werd voortaan beveiligd door de police rurale, bestaande uit forestiers (boswachters) en garde-champêtres (veldwachters). En zo kreeg ook Heino zijn eerste gemeenteveldwachter. Zijn taak kwam er kort gezegd op neer de eigendommen van de Heinoërs en de voortbrengselen der oogst te beschermen.

Ondanks de landelijke wet- en regelgeving bleven de plaatselijke besturen maar al te vaak een eigen beleid voeren. Ook in Heino. Want op 14 december 1833 tikte de gouverneur van de provincie Overijssel het gemeentebestuur van Heino op de vingers wegens de geconstateerde ongelijkvormigheid in de verrigtingen der Veldwachters. Hij verzocht een nauwkeurige opgave over de functionering, kleding en bewapening.

Heino had in die tijd één veldwachter, de 46-jarige Gerrit Huisman. Zijn jaarlijkse bezoldiging bedroeg f 156,‒. Dat wil zeggen hetzelfde bedrag van f 3,− per week dat de vroegere armjagers ook al ontvingen. Het is een teken dat het beroep in die tijd niet hoog in aanzien stond. Wel kreeg hij van de gemeente nog een jas, een buis, een vest, een broek, een onderbroek en bewapening. Deze bestond uit een bus (een jachtgeweer) en een sabel.

Tijdens een personeelsbeoordeling meldde de burgemeester dat hij in Huisman geen buitengewone capaciteit herkende, maar dat deze verder geen reden tot klachten gaf. Minder enthousiast zal de burgemeester zijn geweest over Roelof Vosjan, veldwachter van Heino tussen 1861 en 1875. Deze zou, tijdens een onderzoek naar de diefstal van een bijenkorf, in een kroeg acht borrels in 1 uur tijd hebben genuttigd, en bovendien hebben geddreigd dat hij de kroegbaas zou slaan en overhoop steken

Soms was het nodig iemand in verzekerde bewaring te stellen. De gevangenen werden dan opgeborgen in het hok onder de toren van de Nederlands Hervormde Kerk.

De burgemeester van Heino noteerde als hoofd van de politie in een brievenboek de activiteiten van de achtereenvolgende veldwachters. Het lijkt erop dat de ordebewaarders alleen hoefden op te treden voor lichte vergrijpen. We lezen onder andere over de inbraak in het stationsgebouw, waarbij de buit van de inbreker beperkt bleef tot 74 cent: 23 postzegels van 3 cent en 1 van 5 cent. Ook het proces-verbaal tegen een boer klinkt niet al te ernstig. Het gaat om een klacht wegens het laten loopen van niet uitvliegend pluimgedierte (kippen) op een anders behorende grond. Maar mishandelingen, vechtpartijen en openbare dronkenschap kwamen ook voor.

Net als de vroegere armjagers hadden de veldwachters heel wat te stellen met zwerfvolk. Zo deed veldwachter Jacob Mulder in 1900 aangifte van het overlijden van een onbekende zwerver. Bij gebrek aan een naam beschreef Mulder het uiterlijk van de man: een grijze volle baard, donkerblond, geen knevel, oogen donkerblauw, met het uiterlijk van een werkman of polderwerker, tamelijk forsch gebouwd.

Veldwachter Mulder werd op 17 maart 1883 aangesteld door de Commissaris des Konings, met een traktement van f 300,− benevens vrije bovenkleding tot f 40,−. Voor deze beloning moest hij bovendien werken als gemeenteveldwachter voor de gemeenten Dalfsen, Zwollerkerspel, Wijhe en Raalte. Mulder overleed te Heino op 30 april 1916. Zijn zoon Willem Franciscus, die hem enkele jaren later opvolgde, was de laatste gemeenteveldwachter in Heino.

Op last van de Duitse bezettingsmacht werd de functie gemeenteveldwachter per 1 december 1942 opgeheven. De veldwachters werden opgevolgd door politieagenten.

 

 

Armenjagers in provincie Drenthe

 

Armenjagers in provincie Groningen

 

Armenjagers in provincie Friesland

 

Armenjagers in provincie Gelderland

 

  • Aalten

Aanstelling van armenjager Willem Hondarp in 1768

 

  • Bredevoort

Op 20 februari 1804 dient in Bredevoort een rechtszaak tegen Jan Willem Brusse(n), armenjager. Hij heeft op 23 december Willem Beskers, bij het huis van Goormans in Barlo, op moorddadige wijze aangerand. Brusse heeft hem met de sabel een houw op de elleboog gegeven en daarbij ernstig verwond, zodat hij die arm niet meer kon gebruiken. Brusse bekent, maar verklaart dat toen hij Willem Beskers vroeg of deze een bewijs had dat hij mocht collecteren, deze hem aangevallen heeft. Brusse zou zich alleen hebben verweerd. Boete: 25 guldens.

 

's-Heerenberg

In 1573 wordt armenjager Jannes Mallem aangesteld. Hij was een dagloner uit Beek, en moest als armenjager landlopers en bedelaars (meestal vreemdelingen) uit het graafschap Bergh wegjagen. De inwoners moesten het salaris voor de armenjager opbrengen: volle boer een gulden Kleefs, halve boer 10 stuiver, keuterboer 8 stuiver, daghuurder 4 stuiver.

 

Armenjagers in provincie Utrecht

 

Armenjagers in provincie Noord Holland

 

Armenjagers in provincie Zuid Holland

 

Armenjagers in provincie Zeeland

 

Armenjagers in provincie Noord Brabant

 

Armenjagers in provincie Limburg

 

Noord Limburg

In de achttiende eeuw ging de bevolking van het zuiden van Nederland, België en het Rijnland gebukt onder armoede en honger, als gevolg van misoogsten en het sterven van vee. Gedwongen door de honger trokken groepen mensen eropuit om voedsel te stelen waar het te halen viel, onder meer bij grote boerderijen, kastelen, abdijen en brouwerijen. Ze werden bokkenrijders genoemd omdat ze zich ’s nachts op de rug van duivels, in de gedaanten van bokken, door de lucht zouden verplaatsen. De overheid, die in Noord-Limburg tot de komst van de Fransen grotendeels Pruisisch was, liet de vervolging van de hongerdieven over aan de plaatselijke schepenbanken. Na het vertrek van de Fransen in 1815 was er ook weer veel armoe en raakten veel mensen dakloos en gingen zwerven. De door de Fransen gevormden gemeenten stelden armenjagers aan, om al die zwervers weg te houden. De gemeente Maasbree had een beroepsarmenjager in dienst. Later kregen armenjagers de naam van veldwachters. Ook in Helden waren de bokkenrijders niet welkom. Er stond een galg op de plek die nu nog Heiespoos heet, een verbastering van de heidense post.