Kamp Vlagtwedde
Kamp Vlagtwedde kende feitelijk 7 verschillende werk kampen voor de werkverschaffing.
1924-1931 Weenderveld
1924-1931 Jipsinghuizerveld
1934-1936 Laudermarke
1934-1935 Pallert
1935-1937 Rhederveld
Rond 1938 Sellingerbeetse.
Rond 1913 Het Hebrecht
De gemeente Vlagtwedde ligt in de uiterste zuidoostpunt van de provincie Groningen. Samen met de gemeente Bellingwedde en een gedeelte van de gemeente Stadskanaal
De gemeente Vlagtwedde grenst in het noorden aan de gemeente Bellingwedde, in het oosten aan Duitsland, in het zuidoosten aan de provincie Drenthe (gemeente Odoorn) en in het westen aan de gemeente Stadskanaal.
Het grondgebied van de gemeente beslaat 17.044 ha. Tot deze gemeente horen de grotere dorpen Bourtange, Sellingen, Ter Apel, Ter Apeikanaal en Vlagtwedde.
De talrijke gehuchten in deze gemeente zijn de volgende: Abeltjeshuis, Bakovensmee, Barnflair, Borgertange, Borgerveld, De Bruil, Burgemeester Beinsdorp, Ellersinghuizen, Hanetange, Harpel, Hasseberg, Hebrecht, t Heem, Jipsingboermussel, Jipsingboertange, Jipsinghuizen, Lammerweg, Laude, Lauderbeetse, Laudermarke, Lauderzwarteveen, Leemdobben, De Maten, Munnikemoer, Over de Dijk, Overdiep, Pallert, Plaggenborg, Poldert, Renneborg, Rhederveld (gedeeltelijk), Roelage, Rijsdam, 't Schot, Sellingerbeetse, Sellingerzwarteveen, Slegge, Stakenborg, Stobben, Ter Borg, Ter Haar, Ter Walslage, Ter Wisch, Veele, Veerste Veldhuis, Vlagtwedder-Barlage, Vlagtwedder-Veldhuis, Weende, Weenderveld, Weite, Wessingtange, Wollingboermarke, Wollinghuizen, Zandberg (gedeeltelijk), Zuidveld
In 1949 en 1963 heeft de gemeente Vlagtwedde grenswijzigingen ondergaan met de gemeente Bellingwedde.
Het noordoostelijke gedeelte van Hebrecht en het Rhederveld zijn daarbij aan Vlagtwedde toegekomen.
In 1974 vond in het uiterste zuidwesten een wijziging van de grens met de gemeente Emmen (Drente) plaats.
Hierdoor kwam het gehucht De Maten in de gemeente Vlagtwedde te liggen..
In het veengebied van Vlagtwedde werden plaatselijk bepaalde delen in cultuur genomen die meestal als heidegebied gebruikt werden. Deze waren vaak begrensd door beplantingen (o.a. Veeier Veenen, Vlagtwedder Venen, Wollinghuizervenen, Smeerlingervenen, Molenkamp).
De woeste gronden zijn lang ongebruikt blijven liggen door de gebrekkige ontsluiting en de beperkte hoeveelheid mest.
Na 1920 gaat de gemeente Vlagtwedde in het kader van de werkverschaffing als anti-crisispolitiek woeste gronden ontginnen. Hierdoor trekken allerlei kolonisten uit de Veenkoloniën, Drenthe, Friesland, Holland en Overijssel naar
Westerwolde. In 1925 wordt op initiatief van de gemeente Vlagtwedde de N.V. Ontginningsmaatschappij officieel opgericht. Zeer veel gemeenten sluiten zich bij de N.V. aan. Tot 1-1-1940 wordt door deze N.V. in Westerwolde 2669 ha woeste grond aangekocht, circa 2000 ha woeste grond ontgonnen en 1608 ha als cultuurgrond verkocht.
Jaartallen van de ontgonnen gebieden zijn:
1924-1931 Weenderveld
1924-1931 Jipsinghuizerveld
1934-1936 Laudermarke
1934-1935 Pallerto
1935-1937 Rhederveld
1938 start van Sellingerbeetse.
Het Hebrecht is ontgonnen rond 1913, d.m.v. de Noordelijke en Zuidelijke Hoofdwijk die via het Verbindingskanaal in verbinding stond met het Ruiten A-kanaal. Rond 1934 is het Hebrecht herontgonnen wegens het slechte resultaat van de oude ontginning.
Nederzettingsstructuur per dorp
In de gemeente Vlagtwedde liggen een groot aantal dorpen en gehuchten. De grens tussen beide is soms moeilijk aan te wijzen. Soms is de grootte de belangrijkste reden om een nederzetting als dorp te benoemen, soms is de cultuurhistorische betekenis van belang.
- Ter Apel, inclusief Barnflair
- Ter Apelkanaal
- Jipsingboermussel
- Sellingen
- Vlagtwedde, inclusief Barlage
- Bourtange, inclusief Bakovensmee.
Ter Apel
Ter Apel is de grootste nederzetting in de gemeente Vlagtwedde. Het is van oorsprong een kloosterdorp dat zich in de 19e en 20e als veenkoloniaal lint verder ontwikkelt. Rondom het in 1216 gestichte klooster hebben zich in 1850 enkele Westerwoldse boerderijen verzameld. Het dorp wordt omgeven door bos en is gelegen tussen twee rivieren, de Runde in het westen en de Ruiten A in het oosten. De bebouwing ligt verspreid bij het klooster, langs de weg naar Ter Haar en langs de weg richting De Maten. In de omgeving van het klooster, na de Reformatie in bezit gekomen van de N.H.-kerk, staat een aantal bijgebouwen, terwijl langs de bovengenoemde wegen boerderijen van het Westerwoldse type liggen.
1850-1900
In de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelt Ter Apel zich pas echt, nu in de vorm van een lineaire, veenkoloniale structuur. In 1858 wordt het Musselkanaal langs de provinciegrens tot aan Munnikemoer doorgetrokken en dan Ter Apelkanaal genoemd. Aan weerszijden van het diep ontstaat bebouwing bestaande uit woonhuizen, zowel arbeidershuizen van het Oldambster en krimpjestype als symmetrische herenhuizen, en boerderijen van het Oldambster type. Bijna alle panden staan vrij en loodrecht met de nokrichting op het kanaal. Beide oevers zijn met bomen beplant. De noordzijde van het oost-west lopende deel van het water is de kern van het dorp. Hier vestigt zich detailhandel en bevinden zich het gemeentehuis (afgebroken) en de in 1881 gebouwde R.K.-kerk van dearchitect G. Te Riele Wzn. Naast de kerk verrijzen een pastorie, een parochiehuis, een lagereschool, een kerkhof en later een meisjesschool (1929). Ten zuiden van het oude kloostercomplex ligt, in het bos verscholen, een Joodse begraafplaats.
1900-1940
Na de eeuwwisseling breidt Ter Apel zich behoorlijk uit en wordt zodoende de grootste nederzetting van de gemeente. Deze groei vindt allereerst plaats door expansie en verdichting van de bebouwingslinten langs het kanaal. Dit gebeurt zowel naar het noorden als naar het zuidoosten in de vorm van losstaande woonhuizen, zoals arbeiderswoningen van het krimpjestype en het dubbel symmetrische type en burgerwoningen uit de jaren '20 en '30 met daartussen enkele boerderijen. Aan de zuidzijde van het oost-west gedeelte van het kanaal worden een aantal villa's neergezet en in 1910 een Gereformeerde kerk en pastorie gebouwd. De noordzijde ontwikkelt zich tot centrum. Hier vestigen zich veel winkels en bedrijven. In ca. 1910 wordt hier het station van de Trammij. Oostelijk Groningen neergezet (nu woning) Naast uitbreiding en opvulling van de bestaande linten vindt er bebouwingsexpansie plaats door de aanleg van straten tussen het centrum en de in 1924 geopende S.T.A.R.-spoorlijn. Aan de Koningsstraat worden rond 1925 een serie arbeiderswoningen gebouwd : enkele, dubbele of in een rij. Naar het S.T.A.R.-station (1924, archt. ir. A. van der Steur ; nu afgebroken) wordt de Stationsstraat aangelegd, waaraan losstaande villa's komen te liggen. Tegenover het station staat het S.T.A.R.-hotel dat kenmerken van de Amsterdamse School vertoont (1925). Ten oosten van de Stationsstraat ligt de Oude Weg die na 1900 is verhard. Aan deze straat worden in de jaren '20 en '30 vrijstaande burgerwoningen gebouwd. Aan het begin van de Oude Weg staat een confectiefabriek met Jugendstil-elementen (ca.1910).
In de bocht die de straat naar het oosten maakt, verbreedt het straatprofiel zich. Hier wórdt rond 1920 een scholengemeenschap met directeurswoning gebouwd. Het complex is een ontwerp van de architect Crouwel en vertoont elementen van de Amsterdamse School.
Ten oosten van de tweede bocht in het Ter Apelkanaal, aan de zuidkant van het kloosterterrein, worden langs de Boslaan, evenals langs de Stationsstraat, een serie losstaande luxueuze villa's gebouwd. Ten zuidoosten hiervan, langs het pas aangelegde Ruiten A-kanaal verrijst rond 1915 de A.G.0.-fabriek, een bedrijf dat houten instrumenten vervaardigt ten behoeve van de textielindustrie (nu buiten bedrijf). Voor de werknemers van dit bedrijf is naast de fabriek een speciale, eigen wijk aangelegd, het A.G.O.-dorp De woningen zijn meestal van het twee- onder-één-kap type en losstaand met voor en achter tuinen. De woningen staan loodrecht op de weg die een kromming maakt. Een deel van de woningen is pas na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd. Langs het kanaal staan drie villa's bedoeld voor de directie van het bedrijf. Vanwege de grote tuinen en de ligging in het bos en nabij de Ruiten A heeft het A.G.O.-dorp het karakter van een tuindorp. Dit geeft aanleiding om de arbeiderswoningen, de directievilla's en de fabriek zelf als bijzonder gebied aan te duiden
Aan de andere kant van het Ruiten A-kanaal, ten zuidoosten van de A.G.O.-fabriek ligt een coöperatieve aardappelmeelfabriek (invent.nr. 9). Voor deze fabriek ligt een serie vrijstaande arbeiderswoningen van het krimpjes type (meeste zijn verbouwd). Na Tweede Wereldoorlog gaat de ontwikkeling van Ter Apel door. Het gebied tussen het Ter Apelkanaal en de S.T.A.R.-spoorlijn wordt volledig opgevuld met woonwijken en ook ten noorden van de spoorlijn zet de expansie zich voort. Hier worden een paar woonwijken en industrieterreinen aangelegd.
BARNFLAIR
Ten zuidoosten van Ter Apel, langs het Ter Apelkanaal ligt Barnflair dat deel uitmaakt van de bebouwde kom van Ter Apel. Het is een veenkoloniaal lint dat na de aanleg van het diep in 1858 is ontstaan. Rond 1850 bestaat Barnflair uit een landsdijk en een leidijk. In de laatste dijk is een redoute gelegen, de zogenaamde Oude Batterij. Omstreeks 1900 is het kanaal aan weerszijden hier en daar bebouwd met losstaande arbeiderswoningen van het krimpjestype en boerderijen van het Oldambster type.
Alle panden staan haaks op het water. In de eerste helft van deze eeuw verdicht de bebouwing zich en wordt het lint uitgerekt.
De grootste uitbreiding vindt echter rond 1925 plaats door de aanleg van een arbeiderswijk, Burgemeester Beinsdorp . De wijk heeft een orthogonaal stratenpatroon waaraan enkele en dubbele woningen zijn gebouwd. Sommige panden staan haaks op de straat, andere parallel. Die op de hoeken zijn schuin geplaatst. Evenals bij het A.G.O.-dorp hebben de woningen grote voor- en achtertuinen. Burgemeester Beinsdorp wordt pas na de Tweede Wereldoorlog voltooid. De meeste woningen in Burgemeester Beinsdorp zijn in de jaren '80 gerenoveerd.
Ter Apelkanaal
Ter Apelkanaal is een veenkoloniale lintnederzetting die zich langs het gelijknamige diep uitstrekt. Het kanaaldorp is na 1856 ontstaan, dat wil zeggen na het doortrekken van het Musselkanaal, en ligt ten noorden van Ter Apel. Rond 1900 bevindt zich aan weerszijden van het diep bebouwing. Aan de oostkant van het water is de weg verhard en zijn woonhuizen van het symmetrische-, Oldambster- en krimpjestype, winkels, kleine bedrijven en enkele boerderijen gesitueerd. De westkant heeft een iets minder dichte bebouwing die bestaat uit woonhuizen en boerderijen van het Oldambster type. Alle panden staan haaks op het kanaal en zijn vrijstaand. In de volgende decennia breidt het lint zich aan weerskanten uit. De oostzijde wordt nu geheel bebouwd, terwijl de andere kant nog open plekken vertoont. In de jaren '20 en '30 verdicht de bebouwing zich met losstaande burgerwoningen en wat winkels. Daarnaast wordt ten westen van het Ter Apelkanaal in 1924 de S.T.A.R.-spoorlijn aangelegd en krijgt Ter Apelkanaal een station naar ontwerp van ir. A. van der Steur (afgebroken). Op de grens met Ter Apel staan de pylonen van de spoorbrug er nog. Hiernaast bevinden zich enkele dienstwoningen voor het S.T.A.R.-personeel
Tegenwoordig is veel van de oorspronkelijke bebouwing vernieuwd of vervangen. De stedebouwkundige structuur, die in dit geval overeenkomt met de infrastructuur, is weinig veranderd. De S.T.A.R.-lijn is inmiddels afgebroken.
Jipsingboermussel
Jipsingboermussel ligt ten noorden van Ter Apelkanaal en strekt zich uit langs het Ter Apelkanaal. Het dorp is na 1851 ontstaan, toen het Musselkanaal tot de knik naar het zuiden is doorgetrokken. De gronden waren toen eigendom van de 'Jipsingboeren', de boeren van Jipsinghuizen.
Rond 1900 bevindt zich aan beide zijden van het diep een ijle lintbebouwing. In het noordwesten sluit deze aan op Musselkanaal, in het zuiden op Ter Apelkanaal. Hiertussen, ter hoogte van de knik, zijn de oevers onbebouwd. De bebouwing bestaat voornamelijk uit woonhuizen vam het symmetrische-, het Oldambster- en het krimpjestype en boerderijen van de veenkoloniale variant van het Oldambster type. Alle panden zijn losstaand en hebben de nokrichting haaks op het water. In het noordwestelijke deel is de zuidkant, de zijde met een verharde weg, dichter bebouwd, terwijl aan de noordkant de bebouwing bestaande uit boerderijen, hier en daar verspreid ligt. Het zuidelijke gedeelte is aan beide zijden even dicht bebouwd.
In de eerste helft van deze eeuw wordt de ruimte tussen de twee gedeelten opgevuld met woonhuizen van het krimpjestype en burgerwoningen. De knik in het diep wordt afgesneden, hier wordt in de jaren '30 een sluizencomplex aangelegd. Ter hoogte van dezelfde knik, op de grens met Ter Apelkanaal, wordt rond 1900 een kleine houten kerk neergezet. Ten noorden hiervan verrijst in 1904 een aardappelmeelfabriek (verbouwd, nu Avebe) en in 1913 een tweede.
Evenals in Ter Apelkanaal is in Jipsingboermussel veel van de oorspronkelijke bebouwing vernieuwd of vervangen. De stedebouwkundige structuur is grotendeels onveranderd gebleven.
Sellingen
Het esdorp Sellingen is onstaan in de loop van de 17e eeuw en ligt ten oosten van de Ruiten A. De struktuur van deze nederzetting wordt gevormd door de doorgaande weg Ter Apel-Vlagtwedde, waaraan op de driesprong met Hassebergerweg de brink is gesitueerd. Vanuit dit punt lopen een aantal lanen in uiteenlopende richtingen zodat een web-achtige structuur van verbindingen ontstaat.
Rond 1850 concentreert de bebouwing van Sellingen zich langs de Dorpsstraat (de doorgaande weg), de Hassebergerweg en de Torenstraat, waar aan het einde de N.H.-kerk (14e eeuw) ligt. De bebouwing wordt hoofdzakelijk gevormd door een aantal Westerwoldse boerderijen, winkels en wat woonhuizen, symmetrische herenhuizen en arbeidershuizen van het krimpjestype. De meeste panden zijn losstaand, de situering ten opzichte van de straat is verschillend. In de volgende vijftig jaren neemt de bebouwing iets toe in de richting van de Dorpsstraat, de Hassebergerweg, de Torenstraat en de Dorigweg. Deze expansie bestaat uit boerderijen, woonhuizen, winkels en enkele bedrijven
Na 1900 vindt er een grotere uitbreiding plaats, met name langs de al genoemde wegen. Vooral in de jaren '20 en '30 worden veel losstaande burgerwoningen en enkele moderne Oldamster boerderijen gebouwd. Aan de noordzijde van de Dorpsstraat verrijst rond 1905 een gemeentehuis. Hiernaast wordt een Gereformeerde kerk gebouwd (inmiddels verbouwd). Aan de overzijde van de straat komt rond 1920 Hotel Plat (nu: Homan), een gebouw met elementen van de Amsterdamse School. Na de Tweede Wereldoorlog wordt veel bebouwing vervangen en vernieuwd. Tevens wordt op de Zuid Esch, ten zuidoosten van de N.H.-kerk, en aan de Hassebergerweg en de Dorigweg nieuwbouw gepleegd. Op de splitsing van de Toren- en de Dorpsstraat onstaat een tweede brink door afbraak van de hier gelegen panden.
Vlagtwedde
Vlagtwedde is evenals Sellingen een esdorp en is in dezelfde periode ontstaan. De nederzetting ligt tussen twee takken van de Ruiten A en concentreert zich rondom een driesprong. In de vorige eeuw was Vlagtwedde het hoofddorp van de gemeente. Tot 1803 is hier in het Regthuis (1903 afgebroken) de rechtstoel van het landrecht van Westerwolde gevestigd. Tegelijkertijd is Vlagtwedde hoofdplaats van de burgerlijke gemeente, tot 1890 is in Hotel Schober aan de Schoolstraat het gemeentebestuur gevestigd. Hierna wordt in Sellingen, dat centraler gelegen is, een gemeentehuis gebouwd. Rond 1850 spreidt Vlagtwedde zich uit langs drie wegen, te weten de Schoolstraat, de Weenderstraat en de Wilhelminastraat (vroeger Oosteinde). Samen vormen deze wegen de eerder genoemde driesprong. Het dorp heeft twee brinken: op de driesprong en aan de Schoolstraat op de splitsing met de Kerkstraat, nabij de N.H.-kerk (15e eeuw ). De bebouwing bestaat uit Westerwoldse boerderijen en woonhuizen variërend van het krimpjestype, arbeidershuizen, tot het symmetrische type, herenhuizen. In de omgeving van de driesprong bevinden zich een aantal winkels en bedrijven. De situering van de panden, die vrijwel alle vrijstaan, iswisselend.
1850-1900
In de tweede helft van de vorige eeuw groeit Vlagtwedde gestaag. De uitbreiding geschiedt vooral langs de drie hoofdwegen, de Kerkstraat-Kromme Elleboog en de Onstwedderweg. Aan de Wilhelminastraat worden een paar villa's gebouwd. Aan de zuidkant van de weg staan twee molens (van de éne rest alleen nog de onderbouw, de andere is geheel verdwenen). Rond de driesprong vestigt zich detailhandel en horeca zoals het reeds genoemde Hotel Schrober (verdwenen). In 1897 wordt hier een zuivelfabriek gebouwd (afgebroken). Aan de brink aan de Schoolstraat staat naast de N.H.-kerk een openbare lagere school (verbouwd).