Mitchel N5-214

De Mitchell in Nederlands gebruik in het Verre Oosten

De aanschaf door Netherlands Purchasing Committee.
Vanwege de oorlogsdreiging was deze Nederlandse commissie, opererend vanuit New York, begin 1940 versneld bezig om diverse toestellen los te peuteren uit en versneld te bestellen en afgeleverd te krijgen. Nederland werd mei 1940 aangevallen en bezet, maar de commissie ging door voor de modernisering en versterking van de Nederlandse Strijdkrachten in het nog vrije Indië. Zo werd juni 1941 de aanschaf van 162 middelzware bommenwerpers gedaan om de verouderde Glenn Martin type 139 en type 166 te vervangen. Het Militaire Luchtvaart (ML) contract voor de noodlevering van 162 NA-90 B-25C-5’s werd op 30 juni 1941 getekend (dus nog voor de Japanse begin van de oorlog met de aanval op Pearl Harbour december 1941).

De productie en aflevering waren gepland na de afwerking van het toen lopende USAAF-contract. Medio augustus 1941 werd op aandringen van de ML een vervroegde leverantie overeengekomen met de Amerikanen. De USAAF stond dus, in verband met de precaire toestand in Nederlands-Indië uit het eigen contract toestellen af aan de ML, die later uit het ML-contract weer zouden worden teruggenomen. Voor de afleveringsvluchten werden twee routes gebruikt, namelijk vanuit West Palm Beach naar Accra in Afrika en dan via Bangalore India naar Nederlands-Indië en de 2e route vanuit Sacramento over de Pacific via Hawai naar Brisbane.

Omdat werd gemeld dat via de Afrika-route zo'n 20 B-25C's onderweg naar India zouden zijn, gingen begin maart 1942 acht Nederlandse crews vanuit Java naar het Engelse Bangalore te India: de ploeg stond onder leiding van Wittert van Hoogland en bestond uit zes vliegers, zeven boordmonteurs en zes boordtelegrafisten. Op 8 maart arriveerde aldaar de eerste van acht verzonden Mitchells en op 9 maart waren er vijf toestellen aanwezig in Bangalore, een zesde toestel was onderweg (nabij Accra in Afrika) verongelukt en twee andere kisten waren onderweg te Palm Beach beschadigd. De B-25's werden voorzien van een herkenningsletter volgens RAF-voorschrift. De toestellen waren voorzien van de toen zeer geheime Nordenbommenrichtapparatuur.

Op 8 maart 1942 was Nederlands-Indië gevallen en ook Java door de Japanners bezet. Dat betekende dat de verdere terugkeer naar Java geen zin had. Diverse Mitchels bevonden zich dus nu in Australië en India en dus werden plannen gemaakt de toestellen te gaan inzetten vanuit nog vrij geallieerd gebied.

De USAAF deed aan prioriteitswijziging op 23 maart 1942 en plan was dat deelzendingen van 18 stuks B-25C naar ML-KNIL in Australië zouden gaan, 5 naar de RAF in Brits-Indië, 24 naar de USAAF in Australië en zo'n 10 kisten bleven in Amerika bij de USAAF.

Na een demonstratievlucht op 24 maart 1942 voor de Britse Air Marshal Sir Peirse (commandant RAF te Brits-Indië) kreeg deze het idee om de vijf B-25's te Bangalore in te zetten voor fotoverkenning. Omdat het om een nieuw concept toestel ging, rezen er problemen ten aanzien van gereedschap en onderdelen, maar gelukkig kon veel bruikbaar materiaal worden overgenomen van de KLM en werden veel oefenvluchten gevlogen. Begin april kwam er bevestiging vanuit Londen om een PRU (Photo Reconnaissance Unit) voor de RAF te Brits Brits-Indië te vormen. Tussen 18 april en 10 mei vertrokken de B-25's naar Karachi, waar ze werden omgebouwd voor camerawerk. De Nederlanders vonden de voorziene taken nogal ondoordacht en gevaarlijk en dus kon men regelen dat het Nederlandse detachment zou vertrekken. De B-25's gingen samen met 3 Lockheed 212's (die eerder ontsnapt waren uit Nederlands-Indië), naar de RAF en deze B-25 werden overgedragen aan het RAF No. 684 Photographic Reconnaissance Squadron in Brits-Indië. Op 3 juli vertrok het Nederlands Indische personeelsdetachement per schip "Cape Town Castle" naar de Australische haven Fremantle nabij Perth.


In Australië was aanwezig de Nederlandse groep Boot, bestaande uit 18 vliegers, 7 telegrafisten en 14 monteurs onder leiding van kapitein Boot. Op 2 maart 1942 arriveerde men te Archerfield bij Brisbane en dat was het vliegveld dat ook fungeerde als ferryveld met de Verenigde Staten van Amerika (USA) voor de zeer lange vluchten over de Pacific. De eerste deelzending bestond uit 18 B-25C's (van een zending van in totaal 60 stuks). De eerste 12 B-25's in Australië hadden NEI-nummers en oranje driehoeken. De tweede deelzending van 24 toestellen arriveerde in maart en april 1942 en ging in z'n geheel naar de USAAF volgens overeenkomst, en van de nog te leveren B-25's er 18 toestellen naar de NEI (uitgeweken ML-KNIL nu in Australië).

Op 1 april 1942 waren in Australië vijf toestellen van het type B-25C aanwezig. Deze hadden slechts een .303 inch mitrailleur in neus en twee .303 inch mitrailleurs in de koepels en voerden tevens oranje driehoeken, die al snel werden overgeschilderd met de vlag. Met moeite werden deze vijf B-25’s voor de ML behouden want de Amerikanen vreesden een Japanse aanval op Australië en wilden beschikken over alle vliegtuigen. In juni waren er nog steeds slechts vijf toestellen; de overige dertien werden voorlopig niet geleverd. In de loop van Juni 1942 kwam de N5-122 erbij en deze had bij aankomst te Australië een defect neuswiel, dat eerst gerepareerd moest worden.

Archerfield was een druk veld en daarom werd besloten te gaan naar RAAF veld te Canberra (later genaamd RAAF Fairnbairn). Op 4 april 1942 wordt het No.18 NEI (Netherlands East Indies) squadron formeel opgezet aldaar en zou het operationele gevechtssquadron vormen van vanuit Indië overgebrachtte Nederlandse personeel, zo'n 240 man Nederlands en 200 man Australisch personeel. Ze resorteerden onder de RAAF no.79 wing. In de loop van Juli 1942 werd een omnummering van de toestellen doorgevoerd, waarschijnlijk omdat men, door de deelleveringen het overzicht geheel kwijt was. (opmerking: diverse bronnen geven diverse nummers). Vanaf eind augustus vond derde deellevering plaats van de N5-128 tot en met N5-145, een mix van 11 C's en 7 D's. De zes reeds aanwezige toestellen (N5-122 tot en met N5-127) gingen volgens afspraak naar de Amerikanen terug. De nieuwe toestellen verschilden ten opzichte van de eerste zes toestellen in onder andere .50 inch mitrailleurs in plaats van .303 inch mitrailleurs en verbeterde geschutskoepels. De (nieuwe) B-25C's konden extra vleugeltanks (onder de vleugel) meenemen; de geleverde B-25D's konden dit niet. Grote teleurstelling was de Estoppey D-8, vrij primitieve, inaccurate bommenrichtapparatuur, in plaats van de geheime geavanceerde Norden D-7 apparatuur, zoals die in de ingeleverde zes toestellen zat. (Later bleek in de praktijk dat de Norden sight veel te complex was om te bedienen). De actieradius zonder externe tanks was voor de B-25C/D zo'n 400 mijl; de actieradius met deze externe tanks was 600 mijl meer. De N5-131 werd najaar 1942 als proef uitgerust met een kleine bomb bay tank van 300 gallon; de bomlading was dan 6 x 100 lbs of 3 x 500 lbs. De proef was succesvol, zodat in november - december 1942 alsnog de 300 gallon tank werd ingebouwd.

Het veld bij Canberra was te ver van het operatiegebied, drassig en koud. Besloten werd uiteindelijk te verkassen naar een vliegveld zo'n 110 mijl van Darwin, McDonald Field aan de Stuart High Way bij Pine Creek in the North West Territories. Na een aantal moeilijke verplaatsingen was het materieel aangekomen na een reis dwars door Australië. Maar dat veld was in feite niet aangelegd, zo waren er geen onderkomens! McDonald Field moest door het Nederlandse personeel in feite vrijwel worden opgebouwd en zelfs alle leidingen aanglegd en banen worden verhard. Pas eindelijk mid december 1942 begon het 18 NEI enigszins te vliegen met de B-25's vanaf McDonald Field.

Het missiegebied tegen de Japanse vijand lag in het oostelijke deel van Indië zoals Timor en de lokale eilanden. Het eiland Ambon lag aan de uiterste actieradius en missies van meer dan 10 uur waren geen sinicure. Tot eind 1942 volgde verdere aanvulling van de vliegtuigvloot met B-25C-10’s en B-25C-15’s. In de praktijk waren er veel problemen met de Bendix-geschutskoepel, die meestal werd verwijderd. Want het concept van ‘skip-bombing’ bestond uit het laag aanvliegen en de bommen droppen, die dan als het ware tegen het doel aan stuiterden. Nadeel van deze methode was het hevige mogelijke afweervuur van het doel, waartegen de B-25 toen nog weinig tegen in kon brengen. Er ontstond dus behoefte aan een zwaardere voorwaartse bewapening. Omdat bij een bomaanval op lage hoogte (op schepen) de bomrichter niet meer nodig was, kon een pakket van vier vaste 0.50-inch mitrailleurs op die neuspositie worden geplaatst. Deze staken door een metalen plaat, die het vlakke glaspaneel van de bomrichter verving. Verder werden vier extra vaste 0.50-inch mitrailleurs geïnstalleerd in externe blisters aan weerszijden van de romp, terwijl ter bescherming tegen het mondingsvuur een metalen plaat tegen de romp werd bevestigd. De B-25's vlogen zo aanvalsmissies tegen o.a Japanse schepen op zeer lage hoogte en andere doelen. Maar het waren wel uiterst riskante missies met geringe kans op redding als je nog een noodlanding zowiezo kon maken.

Begin februari waren zo'n 17 B-25's actief bij het squadron. Naar aanleiding van een verkenningsvlucht met B-25C N5-133 op 30 maart 1943, waarbij onder meer een luchtgevecht met drie Japanse Zeke's (ook wel bekend als de "zero") werd geleverd en het toestel met vrijwel lege tanks arriveerde, schreef Commandant Fiedeldij een brief over de gebrekkige bewapening en de te lange afstand van de opdrachten. Hij refereerde onder andere aan een Amerikaans rapport om ten behoeve van het uitvoeren van masthoogte-aanvallen de frontale bewapening versterken, de bodemgeschutskoepel weg te halen ten behoeve van een 300 gallon tank (afwerpbaar) en een draaibare mitrailleur in de staart en een bomafwerpmechanisme ten behoeve van de piloten in de cockpit (nu alleen door waarnemer/bommenrichter in de neus).

Eind februari 1943 werden te Eagle Farms te Australië, 12 Amerikaanse SB-25 "strafers" afgeleverd aan het USAAF 90th Squadron. Het straferconcept was zo succesvol, dat medio September 1943, 175 B-25C's en D's waren geconverteerd door het depot te Townsville in Australië, waaronder vijf Nederlands-Indische NEI toestellen.

Begin april 1943 waren zo'n 16 B-25's actief die missies uitvoerden en die maand volgden nog wat vliegtuigen. Begin mei 1943 waren zo'n 19 toestellen actief bij de NEI en werd in mei de eerste B-25J-1 afgeleverd: deze J-versie had twee .50 inch neusmitrailleurs, twee stuks .50 mitrailleur in de staartopstelling en twee stuks .50 mitrailleurs in de rugkoepel, die verder naar voren was geplaatst en een twin pack van twee .50 mitrailleurs aan weerszijden van de romp. Kortom, een flinke bewapening.

Vanaf april/mei 1943 ging het NEI vliegen vanaf het veld Batchelor nabij Darwin in the North West Territories. De faciliteiten op dat veld waren daar al veel beter. In mei 1943 werd ook toestemming gegeven om zwaardere bewapening bij vijf NEI machines aan te laten brengen. De N5-129, N5-137, N5-141, N5-143 en N5-145 werden voorzien van vier .50 mitrailleurs in de neus plus twee maal twee .50 mitrailleurs in 'single pack' blisters tegen de romp (onder de cockpit). De bodemgeschutskoepel werd bij deze toestellen verwijderd. De overige toestellen kregen alleen 2 x 2 .50 inch mitrailleurs in 'single pack' blisters aan weerszijden tegen de romp (onder de cockpit). Er kwam geen afwerpmechanisme in de cockpit. Na wat aanpassingen werden meer toestellen omgebouwd en waarschijnlijk werden ook additionele brandstoftanks gemonteerd door een groter vliegbereik.

Zo rond juni 1943 waren zo'n 17 B-25's actief bij het NEI en werden tientallen missies gevlogen. Medio juli werd de verouderde Estoppey D-8 bommenrichtapparatuur vervangen door de Sperry bommenrichtapparatuur. Vanaf september 1943 werden acht B-25D-20's door nieuwe piloten overgevlogen vanuit de USA die eerder waren opgeleid op de RNMFS te Jackson. Deze toestellen worden door O.G. Ward, zie literatuur [B36], aangeduid als "D-gemodificeerd". Deze hadden zijbewapening in de romp en een staartopstelling met een mitrailleur. De zijbewapening leek sterk op die van de later B-25H en -J, met het verschil dat de zijopstellingen niet in langsrichting verschoven waren, maar recht tegenover elkaar waren geplaatst, in verband met de opstelling van de rugkoepel. Bij de -H en -J was de rugkoepel vlak achter de cockpit geplaatst, daardoor ontstond midscheeps meer ruimte voor de zijopstellingen. Wat de staartopstelling betreft, was dit ook een voorloper van de opstelling bij de -H en de -J, maar minder uitgebouwd en met slechts een mitrailleur.

Rond begin augustus 1943 tot eind september waren zo'n 17 B-25's actief en verkrijgt men ook de eerste nieuwe B-25D's. Op 1 september 1943 vond de oprichting van de NEI Aircraft and Personnell Pool (NEI-APP), Personell and Equipment Pool (PEP) plaats, ten behoeve van de personeels- en materieelvoorziening van het 18e en het 120e squadron. Deze eenheid vormde dus een soort reserve van materieel o.a. P-40's en B-25's en ook van personeel. Vanaf oktober werden ook meer verkenningsvluchten uitgevoerd maar vooral ook meer aanvalsvluchten op vijandelijke schepen. (Een in september 1943 administratief opgericht no.119 NEI bommenwerpersquadron werd niet gerealiseerd en 10 december 1943 weer opgeheven; wel werd het no.120 jachtvliegsquadron opgericht in Canberra dat met P-40's ging vliegen).

In januari 1944 werd de NEI Transport Section Melbourne opgericht met als uitrusting Lodestars en zwaar opgevlogen gestripte B-25's. De N5-128, N5-129, N5-134, N5-142 en N5-143 waren al als TB-25 bij no.18 squadron in gebruik en gingen medio september 1943 naar het no. 2 NEITS. De Sectie Melbourne kreeg medio september 1944 status van squadron gekregen: No 1 NEI Transport Squadron. De Sectie Brisbane werd No.2 NEI Transport Squadron met als uitrusting 3 x Lodestar en 5 x TB-25's. Op 7 november 1944 werd beiden samengevoegd tot No 1 NEITS.

Het daaropvolgende maanden had men zo'n 18 tot soms wel 24 kisten bij de no.18 NEI. Maart 1944 werden zo'n 16 B-25's gedetacheerd op de base Potshol aan de Exmouth Gulf aan de ruwe mid-westkust van Australië voor het uitvoeren van verkenningen. Men vreesde een Japanse aanval na schepen te hebben gesignaleerd op het Westen van Australië; dat bleek loos alarm en na 3 weken gingen de B-25's weer terug naar Batchelor. (ook van het net opgezette no.120 NEI jachtvliegsquadron gingen P-40's naar Potshol maar al snel weer vertrok men er weer).

Vanaf mid 1944 was het squadron ook begonnen met de "pamflettenvluchten". De Japanse jagers vormden een kleinere bedreiging en men wilde de mensen in de diverse gevangenenkampen ondersteunen met het droppen van levensmiddelen, medicijnen en dergelijke vergezeld van pamfletten ter motivatie. Voor deze zogeheten "pamflettenvluchten" werden o.a. de N5-180 'ADA' en N5-185 'Lienke' vanaf vier augustus 1944 ter beschikking gesteld. De koepels en de zijbewapening werden verwijderd, alleen de neus- en staartmitrailleurs bleven zitten. De ontstane openingen werden afgedicht met speciale aluminium platen. Binnen in de staart kwam een houten frame ten behoeve van een 184 gallon brandstoftank en verder kwamen er drieentwintig vier-gallon brandstofblikken aan boord. In de bomb bay kwamen twee tanks. De onderzijde werd grondig gereinigd van teer, olie en stof en met behulp van paint remover kaal gemaakt. De toestellen werden vervolgens geheel gepoetst. Verder werden er voor de goede herkenbaarheid als Nederlandse toestellen grote vlaggen op de onderzijde van de vleugel en op de romp aangebracht. Voor de eerste vlucht werd op neus de bestemming en de route geschilderd. De eerste "pamflettenvlucht" vlucht vond plaats op 23 september 1944 naar Batavia; de N5-185 maakte tot eind januari 1945 nog pamflettenvluchten naar Soerabaja, Madioen respectievelijk Tjilililatan.

Het NEI squadron had in oktober 1944 een sterkte van zo'n 600 man en 22 B-25's en bleef het vliegen vanuit Batchelor tot april 1945. Rond 6 april 1945 werd door 10 B-25's samen met andere geallieerde B-24 vliegtuigen een grote aanval uitgevoerd op de Japanse vloot nabij Timor waarbij de Japanse kruiser Isuzu verloren ging door een Amerikaanse onderzeebootaanval.

Het NEI met de B-25's werd opdracht gegeven eind februari 1945 dat ze zouden gaan vliegen vanaf vliegveld nabij Jacquinot Bay op New Britain om aanvallen in het geallieerde no.79 Wing te kunnen gaan uitvoeren met andere eenheden op de grote Japanse basis Rabaul. Dit zou het squadron ver weg brengen van het geliefde Indië. In de praktijk stopte mid april het vliegen door het NEI vanwege de aanstaande verplaatsingen. Het veld Jacquinot Bay was nog niet echt gereed voor dergelijke grote operaties en al snel besloot men dat de Nederlandse inzet aldaar niet nodig was. Er was nog even sprake van dat men zou gaan vliegen vanaf Morotai en Biak. Dit was praktisch niet uitvoerbaar door gebrek aan zeetransportcapaciteit voor al het materieel. Besloten werd begin juli 1945 dat de strijd zou worden voortgezet vanaf Balikpapan op Borneo waarbij de eerste NEI vliegtuigen pas 14 augustus 1945 arriveerden. Maar tot vliegen tegen de Japanners kwam het niet meer want al snel was VJ-day 15 augustus 1945 toen Japan capituleerde.

Het No.18 NEI squadron was een zeer succesvol squadron dat talloze verliezen heeft toegebracht aan de Japanse vijand wat ze de bijnaam gaf van "Dutch Cleanser". Maar ze leden ook zelf grote verliezen.

 

De beëindiging van de Tweede Wereldoorlog was een feit na de overgave van Japan op "Victory" VJ-Day 15 augustus 1945.

De Mitchells waren oorspronkelijk door Nederland aangekocht en dus werden ze bedoeld voor diverse taken na het einde van de oorlog om de Militaire luchtvaart in Indië weer op te bouwen. Op 15 augustus 1945 ging de nr. 1 NEITS op in het toen opgerichte no. 19 squadron. De sterkte van het 19e squadron bestond aanvankelijk uit de TB-25D's N5-188; N5-208 en de N5-209 plus een aantal C-47's. Medio oktober 1945 kwamen zeventien C-47's aan, waarvan er tien in dienst werden genomen. De oude TB-25's werden toen waarschijnlijk buiten dienst gesteld. Bij de opheffing van het no.19 squadron op 1 april 1948 ging het materieel over naar het no. 20 squadron.

Opgericht in opdracht van Mountbatten werd de RAPWI (= Recovery of Allied Prisoners of War and Internees). Het doel was de verzorging van de geallieerde krijgsgevangenen en burger-geïnterneerden die waren bevrijd uit de kampen. De RAPWI-vliegdienst had in uiteenlopende vliegtuigtypen in gebruik: twee Japanse DC-3’s; circa 10 Soren tweemotorige transportkisten en circa vijftien eenmotorige Japanse trainingsvliegtuigen en tweedekkers en tevens een drietal TB-25's, onder andere N5-129. Het voordeel van het gebruik van de Japanse toestellen was dat nu de nog in soms ruime mate aanwezige Japanse brandstofvoorraden konden worden opgebruikt.

Pas januari 1946 werd het No.18 squadron formeel onder volledig Nederlands bevel geplaatst (met uiteraard alleen nog het Nederlandse personeel).

Op 1 februari 1946 volgde de oprichting van de VTG = Vliegtuig Transport Groep. Hierin werden opgenomen het 19e squadron en de transportvliegtuigen van 18e squadron en onderdelen van de MLD. De VTG was in feite het uitvoerend orgaan van de NIGAT (Netherlands Indiës Government Air Transport). Vanaf 15 augustus 1946 werd een 'civiele' call-sign aan nr 1 NEITS toegewezen. Bijvoorbeeld de N5-129 --> VH-RDC in 12" hoog op kielvlak in wit op donkere achtergrond respectievelijk in zwart op bare metal (lichte) achtergrond. 

Op 1 november 1946 werd te Tjililitan het nr.20 squadron opgericht. Het squadron had toen als uitrusting 11 TB-25 transports.

 

Het Nederlandse No. 16 squadron werd in november 1946 in Indië opgericht met 9 B-25J's. Het opereerde vanuit Palembang totdat het in augustus 1948 samengevoegd werd met het al bestaande 18e squadron. Al vrij snel na de oorlog waren de Nederlandse B-25's weer in gevecht gewikkeld – nu tegen Indonesische rebellen die onafhankelijkheid van Nederland na streefden. Door het 18e squadron werden gevechtsacties gevlogen met B-25's, zowel uitgerust met observatie- als met 'strafer'-neuzen. Rond die tijd was bij de meeste toestellen de bewapening en dan met name de geschutskoepels verwijderd, ook vanwege het gebrek aan reserve-onderdelen en deviezen. Per 1 april 1949 mocht met de B-25 slechts 15 uur per maand worden gevlogen!

Tijdens de 1e politionele actie, op 21 juli 1947, werden de B-25 toestellen van 18 squadron ingezet voor o.a. verkenningen en het bombarderen van spoorlijnen en artillerieopstellingen van de Indonesische nationalistische TNI. Ze hadden geen Sperry gunsights, deze waren Amerikaans eigendom en na de oorlog uitgebouwd. Men had nog een aantal Duitse Goertz bommenricht-apparaten die werden gebruikt uit oude voorraad van de Glenn Martins.

Na de 1e politionele actie hervatte men weer de "normale" werkzaamheden dat voornamelijk bestond uit het verlenen van luchtsteun aan de grondtroepen. In augustus 1948 werd het no.16 Squadron, gelegerd te Palembang, opgeheven. Het vrijkomende personeel werd weer ingedeeld bij no.18 Squadron. Dit personeel bleef echter gelegerd te Palembang.

Tijdens de 2e politionele actie, op 19 december 1948, waren van 18 squadron B-25 toestellen gelegerd te Tjililitan, Semarang, Medan, en Andir (Bandoeng). Taak was ondersteuning van grondtroepen en het uitschakelen van de AURI . Niet alleen op Java maar ook op Sumatra kwam het 18e squadron in actie met o.a. de uitschakeling van twee radiostations uit bij Tjoeroep en Kepahiang (zuid Sumatra) en verleende men steun aan de luchtlanding bij Djambi (midden Sumatra). Daarnaast voerde het squadron ook nog vele verkenningen uit. In totaal werden er tijdens de 2e politionele actie meer dan 330 sorties door 18 squadron gevlogen.

Diverse andere onderdelen gebruikten ook de B-25. Een conversieschool op Biak bij Nieuw Guinea gebruikte twaalf B-25's van midden 1946 tot augustus 1948, om zowel voormalige krijgsgevangenen als nieuwe piloten uit Nederland te trainen.

Op 1 juni 1946 werd, na de reorganisatie van de ML, onder andere een Fotosectie te Andir opgericht, echter zonder vliegtuigen en fotomateriaal. Pas later in 1946 konden twee B-25’s in Australië worden opgehaald. Deze toestellen waren daar verbouwd tot FB-25 fotoverkenner. De FB-25's waren voorzien van verticale Fairchild K17 camera’s met vier soorten lenzen en Fairchild K-20 handcamera’s. Op 1 januari 1947 werd officieel de Photo Verkenning Afdeling PVA opgericht met als voornaamste opdrachtgever de topografische dienst en de ML. Eind 1947 beschikte de PVA over vijf FB-25’s, twee Mustangs en vijf Piper Cubs. De FB-25 voldeed goed tot hoogten van 1000 voet. Hoger was het moeilijk om goede opname te maken. Op 1 maart 1950 viel het doek voor de PVA.

De Indonesische Republiek werd op 27 december 1949 formeel uitgeroepen en het 18e Squadron werd medio juni 1950 opgeheven. Tussen 1945 en 1950 waren 20 toestellen afgeschreven, zodat er in juni 1950 nog 41 kisten aan de AURI (Angkatan Udara Republik Indonesia) konden worden overgedragen.

 

Typen Mitchells gebruikt door ML-KNIL

Op B-25C-1 werden bommenrekken onder de vleugels geïntroduceerd en kon eventueel een torpedo worden meegenomen.

Bij de B-25C-5 werd de 0.30-inch mitrailleur in de neus werden vervangen door een beweegbare 0.50-inch mitrailleur en een vaste 0.50-inch mitrailleur aan de stuurboordzijde. Verder werd de enkele lange uitlaat vervangen door een aantal kortere pijpen, die net onder koelkieuwen uitkwamen.

Op de B-25C-10 werden een aantal wijzigingen van vooral de interne uitrusting doorgevoerd.

Bij de B-25C-15 werden de betere Clayton "S"-vormige vlamdempende uitlaatpijpen voor elke afzonderlijke cilinder toegepast. Deze werden ook op alle volgende typen toegepast. Verder werden een noodsysteem voor het hydraulische landingsgestel aangebracht.

Bij de B-25D-10 werden een aantal wijzigingen van voornamelijk de interne uitrusting doorgevoerd.

Bij de B-25D-15 werden vanaf serienummer 41-30353 de betere Clayton "S"-vormige vlamdempende uitlaatpijpen voor elke individuele cilinder toegepast.

Op de B-25D-20 volgden vanaf fiscal-year-number 41-30533 aanpassingen zoals "clear vision windscherm"; installatie van 230 gallon zelfdichtende brandstoftank in bomb bay (op elk tweede toestel); pantserplaat achter de copiloot.

De B-25D-25 kreeg vanaf fiscal-year-number 42-87138 een draagbare zuurstofvoorziening.

Op de B-25D-30 volgde introductie van verdere “winterization”-wijzigingen inclusief een ontdooi-installatie voor het windscherm.

Ten slotte kwam nog de B-25D-35.

Vanaf B-25J-1 met serienummer 43-4019, werden de voorziening voor een 2000-pound bom achterwege gelaten. Deze bleek in de praktijk niet te voldoen en werd weinig gebruikt.

De B-25J-5 had naast een aantal interne aanpassingen ook ontijzingspanelen voor het windscherm en gun-blast arrestors geïnstalleerd op de rugkoepel en de zijbewapening.

Bij de B-25J-10 werden ingevoerd bevestigingshaken en bediening voor de bommen onder de vleugels; elektrische bomrekken en de verwarming ter plaatse van de zijbewapening was inefficient en werd verwijderd.

De B-25J-15 had de volgende aanpassing: de beweegbare zijbewapening en frontbewapening kreeg nieuwe richtingzoekers.

Bij de B-25J-20werd een tweede vaste 0.50-inch mitrailleur geïnstalleerd in de neus. Het beweegbare geweer werd daartoe 4 inches hoger geplaatst. De vloer onder de bommenrichter werd gepantserd. De canopy van de rugkoepel werd versterkt en een hydraulisch noodremsysteem werd ingevoerd.

Bij de uitvoering zoals B-25J-25 werden de stoelen van de beide piloten gepantserd. Vanaf serienummer 44-30111 werden gepantserde deflectors op de romprug aangebracht om te voorkomen dat de rugschutter in het eigen vliegtuig (met name staartkoepel en richtingsroeren) kon schieten.

Bij de B-25J-30 werden de stalen uitlaatpijpen op cilinders 1, 7, and 9 vervangen door RVS-uitvoeringen. Verder kwam er met ingang van serienummer 44-31311 een electrische bommenkraan in het bommenruim. Vanaf serienummer 44-31338 was het mogelijk om raketten (T-64 rocket launchers voor acht 5” HVAR (high-velocity aircraft rockets) onder de vleugels mee te voeren. Het voeren van zweefbommen onder de romp met de bijbehorende voorzieningen in de cockpit werd vanaf serienummer 44-86692 ingevoerd.

Met block 35 werd het mogelijk om mijnen te leggen. De transparante neus kon worden vervangen op de fabriek door een dichte neus met acht .50-inch mitrailleurs. Met deze modificatie kregen de toestellen de fabrieks-aanduiding B-25J-11, -17, -22, -27, -32, of -37, afhankelijk van het lopende productieblok. De ML verbouwde na de oorlog zelf B-25s tot deze uitvoering als B-25K.

 

Mitchel N5-214 Squadron 18

 

Met vliegtuigen van de Australische Luchtmacht werden acht vliegtuigen van
SQ 18 erop uitgestuurd het vliegveld Langgoer op de Kei-eilanden opnieuw
te bombarderen. Tijdens deze vlucht werd de Mitchel N5-214 door de
Japanners neergehaald.

1 Donk, Annes Eward Soerabaja 01-01-1916 Off. Vlieger III KMR
2 Dreher, Augustus Alfred Milaan I 15-04-1910 Off. Vlieger III KMR
3 Franken, Waldemar Guido Amsterdam 15-02-1916 Off. Zeewaarnemer III KMR
4 Lugt, Gerard Johan Amsterdam 09-08-1917 Ltz Vlieger II KMR
5 Marsman, Robbert Willem Bitting 01-05-1921 Sergeant Vliegtg Telegrafist