De Dienst Uitvoering Werken (DUW) was een Nederlandse overheidsinstantie opgericht in 1944 (en voortgezet in 1945 als Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken) om werklozen in te zetten voor de wederopbouw en als opvolger van de vooroorlogse werkverschaffing.
Gestart door het Militair Gezag in 1944 om de enorme werkloosheid na de Tweede Wereldoorlog aan te pakken.
De naam DUW werd gekozen om de negatieve klank van de oude vooroorlogse werkverschaffing te vermijden.
Doel: Het bieden van inkomen in ruil voor zware handarbeid, zoals cultuurtechnische werken, grondverzet en herstelwerkzaamheden.
Werken en Omstandigheden Arbeid: Arbeiders verrichten vaak zwaar ongeschoold werk met polder- en ontginningsprojecten.
Plicht: Het was voor werklozen vaak een verplichting om in te stemmen met het werk om zo hun uitkering of inkomen te behouden.
DUW is in 1954 opgeheven.
Van wachtgeld naar DUW confectie Overijssel
Heel veel achtergrondinformatie van 1944 tot en met einde DUW in 1954
Om meerdere redenen was het in de ogen van de regering van belang dat de textielindustrie na de bevrijding op de kortst mogelijke termijn weer volledig aan het werk ging. Deze bedrijfstak was in Twente verreweg de belangrijkste werkgever en zorgde van oudsher voor deviezen die met de export werden verdiend. Daarnaast had de Nederlandse bevolking grote behoefte aan goede kleding: door slijtage liepen velen in kleren die in slechte staat verkeerden.
Voordat de textielfabrieken weer konden gaan draaien, was het noodzakelijk de schade aan de bedrijven en aan het machinepark te herstellen en moesten m.n. de uitgeputte voorraden katoen en brandstof worden aangevuld. Zolang de oorlog nog in volle gang was, had dit voor de geallieerde legers niet de hoogste prioriteit.
Een door de regering in Londen in het leven geroepen commissie, met als taak te rapporteren over de vraag hoe de textielindustrie na de oorlog weer op gang te brengen, voegde aan de te verwachten problemen nog een element toe. Zij verwachtte onder meer een tekort aan personeel, deels als gevolg van de gedwongen arbeidsinzet in Duitsland. Een aantal commissieleden vond dat het terugvoeren van personeel naar de vroegere werkkring desnoods onder dwang moest gebeuren. Anderen, die rekening wilden houden met de mentaliteit van een groot deel van het Nederlandse volk, betwijfelden of dwangmaatregelen de gewenste uitwerking zouden hebben. Mocht de regering dwang willen toepassen, zo schreef de commissie, dan kon zij gebruik maken van bepalingen door den overweldiger in bezet Nederland (...) ingevoerd
De eerste periode na de bevrijding was er van een tekort aan textielarbeiders evenwel nog geen sprake om de eenvoudige reden dat de bedrijven niet of nauwelijks over grondstoffen beschikten en vooral omdat er geen brandstof was
Omdat de textielfabrieken nog niet draaiden, achtte het Militair Gezag het uit een oogpunt van handhaving van rust en orde van het allergrootste belang dat de arbeiders op een andere manier aan het werk werden gezet en dat zij alleen op die manier de middelen zouden verkrijgen om in hun levensonderhoud te voorzien. Aangezien dit direct na beëindiging van de oorlogshandelingen in het zuiden van het land nog niet mogelijk was gebleken, had Rijksbemiddelaar W.J.J. de Muralt daar op 27 oktober 1944 een wachtgeldregeling goedgekeurd. De inhoud hiervan was gebaseerd op een concept van de Eindhovense Fabrikantenkring en uitgebreid besproken met vakbondsbestuurders en het GAB en MG ter plaatse.
Op 20 december van dat jaar nam Minister van Sociale Zaken J. van den Tempel dit initiatief over en stelde de wachtgeldregeling bij ministeriële beschikking formeel in.
Doel van deze regeling was te voorkomen dat de arbeiders door honger tot ongeregeldheden zouden overgaan en direct na de bevrijding werd, ten einde de tijdelijk werklozen voor lediggang te behoeden, de Dienst Uitvoering Werken (DUW) in het leven geroepen. De opzet hiervan was de arbeiders van de straat te houden. In een van zijn eerste rapporten aan Kruls benadrukte de PMC van Overijssel, Verhoeff, het belang om de vooralsnog werkloze textielarbeiders in de DUW aan het werk te zetten. Hij was ervan overtuigd dat nu nog de gelegenheid bestaat om de arbeiders geruischloos in te schakelen in het arbeidsproces en het lijkt mij juist er op te wijzen, dat indien dit uitgesteld zal worden met slechts enkele weken, het moeilijk zal worden om de arbeiders er aan te wennen, dat zij zullen moeten werken voor de opbouw van het land.
Dit probleem deed zich in sterke mate voor in Oldenzaal, waar Gelderman en Molkenboer van oudsher de werkgevers bij uitstek waren. Een aantal opeenvolgende politierapporten over Oldenzaal bevatte vrijwel identieke passages over de grote werkloosheid ‘aangezien de textielfabrieken van de firma Gelderman en Molkenboer nog steeds niet kunnen werken wegens gebrek aan grondstoffen. Toen begin augustus Gelderman weer ging draaien en de arbeiders niet langer wachtgeld kregen, werd het bedrijf direct geconfronteerd met stakingen.
De rapporten over Enschede uit deze periode schetsen een soortgelijk beeld. Op 16 mei rapporteerde de commissaris van politie te Enschede over de periode van 1 tot 19 april: De werkhervatting is zeer beperkt, mede doordat voor de textielbedrijven geen electrische stroom beschikbaar is en voorraden ontbreken. De arbeids-bereidheid is niet groot. Hij herhaalde dit vrijwel letterlijk in zijn volgende rapporten, tot hij op 2 juli kon melden: De werkhervatting is nog beperkt. Verschillende confectiebedrijven en enkele kleinere textielbedrijven werken thans weer. De bereidheid om te werken was nog steeds niet groot, zo concludeerde hij.
Al op 11 april had Verhoeff een enquête laten houden onder een groot aantal bedrijven om een voorloopig, globaal inzicht te verkrijgen in de economische toestand in het reeds bevrijde gedeelte der provincie’.
Onderstaand overzicht van aantal textielbedrijven.
Personeelsbestand bij enkele bedrijven en aantallen wachtgelders, april 1945
In dienst - met wachtgeld mei 1940 - met wachtgeld april 1945
Twentsche Damast, Linnen en Katoenfabriek v/h S. Bendien & Zn, Almelo 180 49 49
Ter Horst & Co Jutespinnerij en -weverij, Rijssen 1.366 1.323 504
Palthe’s Textielveredelingsbedrijven, Almelo 853 819 706
Leeuwarder Textiel Maatschappij, Confectiefabriek Almelo 428 203 102
Wolspinnerij, Weverij, Ververij J. ten Bos, Almelo 340 155 108
Firma J. ten Bos Kamgarenspinnerij en weverij, Wierden 275 52 39
H. Hedeman Jr.’s Textielfabrieken, Almelo 487 56 Allen
Almelosche Confectiefabriek v/h H. Smits & Co en Overhemden-fabriek Rexalco, Almelo 496 272 144
Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal, weverij, bleekerij, ververij, appreteerderij 1.375 1.098 840
H. ten Cate Hzn & Co, Almelo 2.005 833 Nog niet te overzien
Twentsche Tricotagefabriek Stellema, Almelo 68 38 35
Katoenmaatschappij v/h Gebrs. Scholten en Co. 593 302 204
Bendien’s Confectiefabriek N.V., Almelo 1.465 640 294
Stoomspinnerij Twenthe, Almelo 350 101 36
Jansen & Tilanus, Vriezenveen 959 462 370
In de daarop volgende periode volgde de ene goedkeuring van een wachtgeldregeling op de andere. Het Arbeidsbureau verleende steeds goedkeuring voor een periode van enkele maanden.
Tabel met aantal bedrijven en arbeiders op wachtgeld en geregistreerde werklozen, zomer 1945
Bedrijven onder wachtgeldregeling- Ingeschreven werklozen - Arbeiders werkzaam in DUW - Van deze: wachtgelders
26 mei 147 5.513 1.929 777
2 juni 147 5.674 2.344 784
9 juni 159 5.627 2.561 935
16 juni 186 5.786 2.632 965
23 juni 224 5.859 2.720 1.013
30 juni 244 6.087 2.085 598
7 juli 207 5.566 2.143 550
14 juli 182 5.555 2.680 796
4 aug - 5.088 2.560 585
11 aug 241 4.871 2.605 597
18 aug 279 4.700 2.462 579
25 aug 283 4.483 2.493 571
Ingeschreven werklozen = mannen en vrouwen (jongeren en volwassenen) bij elkaar opgeteld uit Enschede, Hengelo, Almelo, Nijverdal, Goor, Oldenzaal, Hardenberg
Het wachtgeld bedroeg voor kostwinners 80% van hun laatst verdiende loon, voor niet-kostwinners 70% en voor jeugdigen 60%. Het rijk droeg voor ten hoogste 70% bij in de kosten van de wachtgeldregeling, de rest moest de ondernemer betalen. Arbeiders die uit Duitsland terugkwamen moesten door hun vroegere werkgever weer in dienst genomen worden en ontvingen wachtgeld als er geen werk voor hen was. Niet alle bedrijven hielden zich aan deze maatregel en Pierson veroordeelde deze houding als principieel onjuist.
Wachtgelders waren verplicht zich voor hun bedrijf beschikbaar te houden en velen van hen werden te werk gesteld bij de DUW. Deze leek volgens de arbeiders verdacht veel op de vooroorlogse werkverschaffing en zij voelden zich nu sterk genoeg om hun bezwaren tegen de werkverschaffing in daden om te zetten. Een groot deel van hen was niet bereid een vinger uit te steken. Voor een deel werd dit in een rapport van het MG toegeschreven aan de slechte voedingstoestand, men constateerde echter eveneens een zekere onwil, om werk aan te pakken.
Ook NVV-secretaris C. van der Lende constateerde tijdens een rondreis door Nederland dat plichtsbesef, discipline, de noodzakelijkheid om door dagelijkse arbeid in dienst van een onderneming in het onderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien leken te zijn verdwenen. Hij vroeg zich verbaasd af hoe de duizenden in den lande, die niets doen of zo goed als niets, aan de kost komen.
Op een vergadering van de DMC’s in Overijssel in mei werd de geringe animo van arbeiders voor met name de DUW besproken. De aantallen arbeiders die zich meldden, waren zo laag dat men zich gedwongen zag om voor allerlei werk NSB-ers in te schakelen.
Om aan de bezwaren van de arbeiders althans enigszins tegemoet te komen had het MG bepaald dat de lonen in de DUW even hoog moesten zijn als in de bouw en niet, zoals vóór de oorlog, beneden het loon in het vrije bedrijf. De DUW paste voor dit doel zelfs een politiek van zeer ruime lonen toe, waarvoor ook wel aanleiding bestond, omdat veel arbeiders niet bedreven waren in het werk waarvoor de DUW hen inschakelde. De lonen werden vastgesteld op basis van tarief en er ontstonden direct problemen over de verhouding tussen de geleverde prestatie en de beloning. De Nederlandsche Heidemaatschappij die voor de oorlog een belangrijk aandeel had gehad in de werkverschaffing en niet bepaald populair was bij de arbeiders, hanteerde nog dezelfde principes. Voor bepaalde objecten waren aan de Heidemij werkloze textielarbeiders toegewezen en zij overlegde met de textielfabrikanten over een zodanige premieregeling dat de arbeiders de prikkel niet wordt ontnomen om hun plicht te doen voor de gemeenschap door een normale hoeveelheid werk te verrichten.
De prestaties van de arbeiders waren volgens de Heidemij gering, omdat zij er financieel geen belang bij hadden.
Hoe deze prikkel in de praktijk uitpakte, moge blijken uit een voorbeeld uit Almelo. Op een object daar stelden de arbeiders zelf de ploegen samen, zodat de beste grondwerkers bij elkaar in één ploeg kwamen te zitten. De opzichters stelden de tarieven vast op basis van de prestaties van deze goede ploegen. Dit leidde ertoe dat de andere ploegen, volgens het MG minder geschoold, doch harde werkers, niet aan een redelijk loon konden komen.
Deze ploegen, waarin vooral textielarbeiders zaten, waren hierover verontwaardigd. Zoo was het voor den oorlog en tijdens de bezetting vonden zij. Om de zaak te sussen werd een onderzoek ingesteld naar de tarieven, maar dat was gebaseerd op het werk van de goede ploegen, zodat uit het onderzoek naar voren kwam dat de tarieven juist gesteld waren. Als gevolg hiervan wilden de meeste arbeiders absoluut niet meer onder de Nederlandse Heidemij werken en wanneer ze hiertoe gedwongen worden, krijgt men brokken
Een opdracht van de gemeente Almelo aan de Heidemij om vanaf 23 april met 100 arbeiders verdedigingswerken rondom de stad op te ruimen en die grond bouwrijp te maken, liep aanvankelijk geheel spaak. De arbeiders gingen wel akkoord met de arbeidsvoorwaarden, maar weigerden om onder leiding van de Heidemij te werken. Om verdere strubbelingen te voorkomen en omdat de arbeiders aan het werk moesten, besloot de gemeente om het werk onder leiding van de afdeling Plantsoenen uit te laten voeren. Het werk verliep zeer vlot, maar de gemeente had wel een financiële strop, omdat de leiding van de DUW weigerde de subsidie uit te betalen, wanneer de Heidemij niet de dagelijkse leiding over het project had.
Arbeiders van Gebr. Van Heek die onder toezicht van de Heidemij in de volkstuinen van het bedrijf aan het werk waren, legden op 29 mei 1945 het werk neer vanwege de slechte tarieven.
Deze waren volgens de EVB zo gesteld dat de 78 arbeiders uurlonen verdienden die lagen tussen de 17,1 en 23,5 cent. Vanaf 32 cent per uur betaalde Gebr. Van Heek bij tot het bij het bedrijf verdiende, niet nader gespecificeerde loon. Per uur kwamen arbeiders dus tussen de 6,4 en 15 cent per uur te kort. De Heidemij wees de beschuldigingen verontwaardigd van de hand.
Volgens haar was afgesproken dat deze arbeiders op dezelfde manier zouden worden behandeld als het eigen personeel van de Heidemij en dat Gebr. Van Heek zou zorgen voor een aanvulling van de lonen. De arbeiders presteerden echter zeer weinig. Na overleg tussen diverse fabrikanten, die ook arbeiders hadden uitgeleend aan de Heidemij, was daarop besloten tot een minimumloon van ƒ16,- per 40 uur om de arbeiders te dwingen tot een hoogere prestatie.
Niet alle fabrikanten hielden zich aan deze afspraak en sommigen betaalden een aanvulling op het loon.
Gebr. Van Heek deed dit aanvankelijk niet, totdat dit eenige wrijving gaf, waarop ook deze fabrikant het loon ging aanvullen, met terugwerkende kracht. De Heidemij was verontwaardigd over het gedrag van de arbeiders: Als er van de 40 personen gemiddeld 10 werken, is dat cijfer vooral niet te laag genomen. Het is zeer droevig en ernstig te noemen dat deze groep arbeiders zoo hun dagtaak verknoeien, en dan nog om recht durven vragen bij een der vakorganisaties.
Afkeer van de DUW bestond er ook onder bijvoorbeeld de arbeiders van de Fa. Smallenbroek in Enschede. Zij waren wel bereid mee te helpen met puinruimen, maar niet onder leiding van de Nederlandsche Heidemaatschappij
Op 11 juni weigerde een groep arbeiders uit Almelo voor de DUW te werken, omdat de Heidemij de controle uitoefende. De speciaal gecharterde trein om hen naar Vriezenveen te brengen vertrok leeg; een groot aantal arbeiders was helemaal niet op komen dagen en de 50 man die wel op het station had gestaan, had zich door vertegenwoordigers van de EVB laten overreden niet mee te gaan. Daarnaast eisten zij een loon van minstens ƒ30,- per week bij een 40-urige werkweek. Het politierapport dat van deze actie melding maakte, merkte op: Hoe men denkt de arbeidersmassa, nu deze zovele eischen stellen en er daarbij tegenzin is in werken, waarschijnlijk tengevolge van de oorlog, aan de gang te krijgen, is een open vraag. Het arbeidsbureau hier stelt zich op het standpunt dat een afwachtende houding voor alles nog het beste is. Wanneer men dwang zou gaan toepassen is men bang de toestand geheel te bederven gezien de mentaliteit van de Twentsche arbeiders.
In Hardenberg was naar verluidt zelfs sprake van een zeer uitgesproken arbeidsschuwheid. Voor de veenderij, waar normaal 500 man werkte, waren in juni geen arbeiders te krijgen. Rapporteur De Jong vond het uiterst typerend dat de arbeiders geld waar ze nog recht op hadden, niet ophaalden, maar gewoon lieten staan. De zwarte handel is een van de grote oorzaken van deze zeer ongewenschte toestanden, zo concludeerde hij.
De enige dwang die de overheid durfde toe te passen was zoals gezegd economisch: op straffe van verlies aan inkomsten moesten arbeiders zich beschikbaar stellen voor hun laatste werkgever of voor de DUW. Maar de eis die de hierboven genoemde groep arbeiders uit Almelo stelde van een 40-urige werkweek, werd vrijwel overal gesteld. In een rapport aan het MG van 9 juni werd opgemerkt dat de moeilijkheden bij de tewerkstelling van textielarbeiders bij de DUW zich ophoopten. In het algemeen betroffen de eischen (...) in het bijzonder de 40-urige werkweek, met als argument, dat het in verband met voedseltoestand en huiselijke bezigheden (houthakken e.d.) noodzakelijk is, de beschikking te hebben over den vrijen Zaterdagmorgen.
De optie om de werkweek terug te brengen van 48 naar 40 uur, in verband met de slechte voeding, was overigens al begin april, in de eerste besprekingen van het MG met een aantal textielfabrikanten en Van Eck, ter tafel gekomen.
In Enschede ging het hierbij aanvankelijk om een klein aantal mensen van afzonderlijke bedrijven, maar al snel werd deze eis overgenomen door 150 arbeiders van N.J. Menko die bovendien nog bezwaren hadden tegen de aard van het werk en tegen het feit dat de Heidemij hen zonder voorbereiding aan het werk had gezet, wat enigszins als een koude douche gewerkt heeft.
Arbeiders van Blijdenstein & Co eisten ook een 40-urige werkweek en het bleek nodig hun een garantie te geven voor het werken in uurloon, aangezien de Heidemij in geen enkel opzicht vertrouwd wordt. De verwachting bestond, volgens het rapport, dat meer arbeiders de eis van een 40-urige werkweek zouden stellen.
In Almelo was dat bij de arbeiders van de belangrijkste textielfabrieken al het geval. Ook in Vriezenveen weigerden arbeiders zich bij de opgelegde arbeidsvoorwaarden neer te leggen.
Een 50-tal arbeiders van Jansen & Tilanus eiste een 40 urige werkweek en een nettoloon van ƒ30,- per week.
Bij Palthe in Almelo was de weigering om langer dan 40 uur te werken bijna op een confrontatie met Canadese militairen uitgedraaid. Omdat er geen 48 uur werd gewerkt, dreigde een order voor het Canadese leger niet op tijd klaar te komen en een heetgebakerde Canadeesche majoor had gezegd dat het leger de mensen dan wel zou dwingen. De directie ging hiermee akkoord, maar de vertegenwoordiger van het MG was tegen, omdat het uitdrukkelijke instructies (had) om stakingen of arbeidsconflicten door minnelijke schikking te voorkomen. We wenschen in geen geval herrie en ook de fabrikanten dienen te zorgen dat er geen herrie komt. De Rijksbemiddelaar die ook op het bedrijf aanwezig was, was het hiermee eens en de vertegenwoordiger van het MG merkte opgelucht op bij Palthe precies op tijd (te zijn) binnengestapt.
Bedrijven die wel een 48-urige werkweek hanteerden, hadden niet zelden te maken met doelbewuste afwezigheid van arbeiders, die op zaterdag of op een andere dag zoals maandag, gewoon weg bleven van het werk.
Het betrof hier een principiële kwestie. De overheid had de werkweek vastgesteld op 48 uur teneinde de wederopbouw te bespoedigen. De arbeiders dreigden met hun optreden een belangrijke pijler onder dit beleid weg te slaan. Toen de weigering om überhaupt bij de DUW te werken zich nog verder uitbreidde juist vanwege de overschakeling van een 40-urige op een 48-urige werkweek, die in verschillende gevallen op weinig tactische wijze tot stand kwam’, zag het Militair Gezag zich gedwongen het probleem nader onder de loep te nemen. Op 18 juni 159 5.627 2.561 935 vergaderden de militaire commissarissen van Enschede en Almelo, vertegenwoordigers van de drie erkende vakcentrales en verrassend, maar een indicatie van de ernst van de problemen van de EVB, Van Eck en enkele fabrikanten plus de Rijksbemiddelaar onder leiding van de directeur van het GAB. Zij kwamen, met uitzondering van de EVB, tot de conclusie dat een 48-urige werkweek noodzakelijk was en dat afwijking daarvan uit principe moest worden geweigerd. Volgens de vergadering begrepen de arbeiders de noodzaak ervan niet, al erkende men dat door de moeilijke omstandigheden de vrije zaterdag voor hen zeer veel betekende. De vergadering besloot om met ingang van 25 juni de 48-urige werkweek weer overal in te voeren. Tot ergernis van Pierson werd hieraan in de daaropvolgende week, geheel tegen de afspraken in, geen enkele ruchtbaarheid gegeven. Waarschijnlijk heeft hier meegespeeld dat sommige vakbondsbestuurders evenals een aantal werkgevers de afkondiging niet bijster zinvol achtten, omdat de mogelijkheid om overtreders daadwerkelijk te straffen ontbrak. In een nader overleg over deze kwestie van het GAB met een aantal textielfabrikanten bleek verder nog dat er in de textielfabrieken nog niet echt werd gewerkt en dat de arbeiders vooral bezig werden gehouden. Zij ergerden zich aan de duizenden die in zalig nietsdoen bij de straat slenteren en zolang deze situatie bleef bestaan, zagen zij niet in dat zij wèl 48 uur zouden moeten werken. Hier was weinig tegen in te brengen en er veranderde in de praktijk vooralsnog dan ook niet veel.
Eind juni werden op verschillende bedrijven nog eisen voor een 40-urige werkweek gesteld, onder meer bij stakingen voor loonsverhoging bij de Confectiefabriek Bakker in Enschede, bij Jordaan in Haaksbergen en bij de Boekelosche Stoombleekerij. De directeur van het GAB leek al zo gewend te zijn aan deze extra eisen dat hij bij een staking bij Van Heek in Losser niet alleen de looneisen vermeldde, maar ook sprak van de gewone 40-uur eisch.
Majoor Pierson, die zeer hechtte aan de principiële kant van de zaak, nam uiteindelijk zelf het initiatief om duidelijk te zijn over de lengte van de arbeidsweek. Hij wees er in een persbericht op dat in Twente net als verder in Nederland de werkweek 48 uur bedroeg, dat dat bij wet zo geregeld was en alleen via de wet veranderd kon worden. In dit stadium, nu ieder weldenkend Nederlander zijn uiterste best doet om een leeggeroofd vaderland weer tot enige welstand te brengen, zijn disputen over de vraag, hoe in de toekomst de normale werkduur worden zal, uit den boze. Zij, die in de gelukkige omstandigheden verkeren, dat er weer 48 uren per week werk voor hen is, en die staken omdat zij korter willen werken, zijn niet in conflict met hun werkgevers, maar met regering en volk.
Waarschijnlijk als een soort pleister op de wonde waren op 25 juni de maximum DUW-lonen verhoogd van 56 cent per uur naar 64 cent, met terugwerkende kracht tot 18 juni. Deze maatregel was genomen door het hoofd van de Inspectie van het Bureau Overijssel van de DUW en zonder medeweten van de Rijksbemiddelaar, het MG en het arbeidsbureau tot stand gekomen.
Volgens het GAB zou deze verhoging tot gevolg hebben dat 't werk der laatste maanden tot handhaving van de loonstop tevergeefs was geweest. Volgens Pierson zette deze maatregel, genomen zonder consultatie van andere werkgevers, bovendien de hele loonregeling in de textielindustrie op losse schroeven. Daar was rond deze tijd overeenstemming bereikt over het optrekken van de laagste lonen tot het DUW-peil van 56 cent en de textielfabrikanten ontstaken in woede toen zij van de verhoging hoorden. Zij konden financieel dit tempo niet bijhouden, maar ook principieel achten zij deze stelselmatige opschroeving van de loonen door de overheidsinstanties uit den booze. Dit scherpe protest had succes en Romme, op dat moment voorzitter van het CRB, greep in en verbood de verhoging. Hoe het in de praktijk met de verhoging is gegaan is niet helemaal duidelijk. In ieder geval had zij een chaos geschapen op loongebied.
In Nijverdal bijvoorbeeld hadden 170 arbeiders van de KSW werk in de DUW aanvaard juist vanwege de nieuwe verhoging; het GAB voorzag dan ook ettelijke stakingen in de DUW.
De verhoging van de DUW-lonen vloeide voort, zoals het MG in het verslag van zijn werkzaamheden aangaf, uit de door de DUW toegepaste politiek van zeer ruime lonen (…) om de aanvankelijke weerstand van de zijde der arbeiders te overwinnen. Ook op andere plaatsen werd dit toegepast. Rijksbemiddelaar Berger was begin juni in Emmen akkoord gegaan met een verhoging van de lonen van turfstekers in Emmen teneinde ‘de arbeiders weer aan het werk te krijgen. Met zijn observatie dat in dit opzicht het Noorden veel van het Zuiden geleerd had, sloeg hij de spijker op zijn kop.
Militair Gezag had in de maanden na 17 september 1944 geleerd dat het de bevolking serieus moest nemen en in Drenthe en Overijssel pasten de diverse militaire commissarissen dit consequent toe. Berger gaf in Emmen blijk van een soortgelijke wendbaarheid, maar, zoals bij de behandeling van de vele disputen tussen het College van Rijksbemiddelaars en de Vakraad voor de Textielindustrie nog zal blijken, als zich ook maar enigszins de mogelijkheid voordeed om, desnoods met harde hand, de officiële richtlijnen door te zetten, dan aarzelde hij niet.
Arbeiders uit Almelo die in DUW-verband werkten, kunnen als een schoolvoorbeeld worden beschouwd van de verhoudingen in de DUW. Zij hadden een basisloon van 56 cent per uur, maar kwamen in tarief op 76 cent. Bovendien werkten zij niet op zaterdag. Deze voorwaarden waren volgens een politierapport te gunstig en andere arbeiders spiegelden zich aan dit voorbeeld. De autoriteiten stonden voor de keus om ofwel de economisch niet verantwoorde voorwaarden, die bovendien een ontduiking van het wettelijk vastgestelde uurloon vormden, te handhaven ofwel deze te veranderen, wat beslist op een staking zou uitdraaien. Het rapport verzuchtte: Het arbeidsvraagstuk is heden wel een zeer moeilijk probleem, het zal van de ver-schillende instanties (...) veel tact vereischen om deze quaestie tot een goed einde te brengen.
Dat bleek nog maar weer eens bij het in dezelfde plaats gelegen textielveredelingsbedrijf Palthe waar eind mei 30 strijksters in staking waren gegaan voor loonsverhoging. Ondanks hun geringe aantal had de staking een grote impact op het bedrijf, omdat de strijkzaal een zeer vitaal onderdeel was. Na ruim drie weken staking werden hun eisen ingewilligd. Elke arbeidster ouder dan 18 jaar verdiende er voortaan ƒ20,- netto per week.
Een eis tot loonsverhoging bij Spinnerij Oosterveld leidde rond dezelfde tijd tot een staking, toen de directie verklaarde deze te willen inwilligen in ruil voor een 48-urige werkweek; volgens het arbeidsbureau een ontactische zet.
Van Eck intervenieerde in dit conflict in zijn rol van adviseur van het MG. Hij schreef een uiterst vriendelijk briefje aan een pakkerij-arbeider bij Oosterveld, die lid was van de fabriekscommissie. Van Eck wilde met die commissie overleggen over de officieel vastgestelde werktijd van 48 uur: Het MG wenscht te vernemen, of de arbeiders bereid zijn, hieraan mede te werken. Misschien kan het nu over de verdere ontwikkeling der loonen dan nog eenige mededeelingen doen, die voor U van belang zijn. Voor zover valt na te gaan hielden deze mededelingen in dat aan de looneisen is toegegeven en was de 48-urige werkweek nog bepaald geen vanzelfsprekendheid
In de hierboven behandelde conflicten speelde het toegenomen zelfbewustzijn van de arbeiders een belangrijke rol. Zij voelden er niets voor om weer op dezelfde manier als voor de oorlog aan het werk te gaan, maar zagen zich gedwongen om voor hun levensonderhoud weer in de fabriek of tijdelijk in de DUW aan de slag te gaan; het was expliciet de bedoeling van de autoriteiten om hen van de straat te laten verdwijnen. Dit was gelukt en hiermee was de eerste stoot opgevangen; de discussie ging weer over de arbeidsvoorwaarden. Zoals uit rapporten over de verschillende conflicten blijkt, accepteerden zij veel minder en lieten dat ook merken.
Volgens J. Heidema, de waarnemend korpscommandant van de Almelose politie, waren vooral de vrouwelijke arbeiders snel aangebrand. De stemming onder de arbeiders die nog niet werkten, maar nog op wachtgeld stonden was z.i. beter, al schreef hij dat toe aan het feit dat zij ruim tijd hebben om nog een en ander bij te verdienen.
Want het waren niet alleen de ervaringen uit de jaren dertig en de oorlog, maar ook de omstandigheden van dat moment, die er voor zorgden dat men tegen een bepaalde maatregel of handeling, welke niet naar den zin is, dadelijk protest aantekent. Hun looneisen met name vloeiden voort uit de sterk stijgende kosten van levensonderhoud.
De Hengelose Fabrikantenkring (HFK) waarschuwde de regering begin juni eveneens voor grote arbeidsonrust als de prijzen niet beter in de hand werden gehouden. De prijs van diverse producten zoals surrogaat koffie, vervangingsmiddel voor waspoeder en eieren waren sterk gestegen. Om de arbeiders tegemoet te komen riep de Hengelose metaalindustrie in die maand een fonds in het leven, waarin de bedrijven voor elke getrouwde arbeider ƒ3,50 en voor elke ongetrouwde arbeider ƒ2,- per week stortten. Toen de prijsstijgingen doorgingen, verhoogden de werkgevers dit bedrag nog eens met ƒ0,75. Het was de bedoeling om het fonds uit te laten keren op het moment dat alle normale artikelen weer voldoende beschikbaar waren.
Eind mei stuurde een zekere H. Böhnke uit Enschede een boze ingezonden brief naar De Waarheid, waarin hij schreef dat vrijwel alleen luxe voedsel in voldoende mate te krijgen was en dat dit alleen te betalen was voor de beter gesitueerden. Hij had gezien dat er aardbeien te koop waren voor ƒ3,50 per pond en asperges voor 3 à 4 gulden per kilo. Hij vroeg zich af waar de goedkope groentes bleven. Of rijden de auto’s alleen voor het dure fruit en de dure groenten.
Een eind juni/begin juli 1945 door de Almelose politie gehouden onderzoek naar de kosten van levensonderhoud leverde de volgende cijfers op.
Tabel Kosten van levensonderhoud in juli 1945
Wekelijkse kosten voor levensonderhoud - Loon van een ongeschoolde arbeider - Loon van een geschoolde arbeider
Gezin met 2 kinderen ƒ29,92 ƒ25,08 ƒ26,88
Gezin met 3 kinderen ƒ35,02 ƒ29,90 ƒ31,77
Heidema’s conclusie was kort en bondig: Wil men kunnen beschikken over een rustig arbeidsapparaat, dan dienen primair de prijzen van de goederen voor het noodzakelijke levensonderhoud gedrukt te worden, teneinde de arbeiders in staat te stellen het voor hen noodige te kunnen aanschaffen. Voor de tijdelijk burgemeester van Almelo, E. van Dronkelaar, was dit aanleiding om zich eveneens tot de Minister-president te wenden. Door het ontbreken van brandstoffen was het onmogelijk, zo schreef hij, om warm eten te bereiden of warm water te verkrijgen om te kunnen wassen, tenzij men eerst hout ging sprokkelen. In gesprekken met vertegenwoordigers van de grote gemeenten in Twente was hem gebleken dat er in geheel Twente ernstige bezorgdheid heerscht over de brandstoffenpositie van dit gewest. Het was volgens hem dan ook niet meer dan logisch dat de arbeidslust en de energie bij de massa dalen beneden het peil waarop ze tenminste gehandhaafd moeten worden om zo spoedig mogelijk het werk te kunnen hervatten. Dronkelaar benadrukte ook dat de kolenpositie van de grote bedrijven erbar-melijk was. Dat klemde temeer, omdat de Twentse confectie- en textielindustrie van vitaal belang was voor de Nederlandse economie en een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan herstel en vernieuwing. Hij waarschuwde dat wanneer de industrie niet spoedig weer op gang zou komen, er in Twente zoal geen materiële dan toch een morele verpaupering zou optreden.
Op 4 juli beraadden de samenwerkende Fabrikantenkringen zich in Nijmegen op de gang van zaken en als uitvloeisel daarvan vroegen zij de Ministerraad dringend om aandacht te schenken aan de voorziening van de arbeiders met textiel, schoeisel en fietsbanden. Hieraan was een zo groot gebrek dat zij niet eens voorziet in de meest dringende behoefte. Dit had zijn weerslag op de stemming onder de arbeiders en de ontevredenheid neemt dan ook van dag tot dag toe. Volgens de fabrikanten waren de arbeiders steeds minder geïnteresseerd in hun loon, omdat zij toch geen mogelijkheden zagen om ‘behalve het nog steeds onvoldoende voedselrantsoen de meest noodzakelijke artikelen als kleeding en schoeisel aan te schaffen. Dit had grote invloed op hun werklust en dus op de productie. Het kwam regelmatig voor dat arbeiders niet op de fabriek konden komen, omdat de noodzakelijke kleding en schoeisel ontbraken, om nog maar niet te spreken van fietsbanden. De Fabrikantenkringen stelden voor dat de regering in het buitenland textiel, schoeisel en fietsbanden zou kopen en om in den eersten nood der Nederlanders te voorzien door textiel in Duitsland te vorderen. Verder was het van groot belang om het energievraagstuk op te lossen, zodat fabrieken konden gaan produceren en tevens om de wel beschikbare goederen te verdelen onder de bevolking en dit niet door bureaucratische beslommeringen te laten vertragen.
De uitgeoefende druk had in zoverre resultaat dat Minister Th.S.G.J.M. van Schaik, verantwoordelijk voor verkeer en energie, de moeite nam om zelf het college van B&W van Almelo op de hoogte te stellen van de geleverde inspanningen en de bereikte resultaten. Bij de verdeling van de beschikbare hoeveelheden kolen werd met de betekenis van de Twentse industrie voor de behoeftevoorziening van Nederland terdege rekening gehouden. Er was voor de maand augustus een kolencontingent ontvangen, waarvan een deel voor Twente bestemd was.
Van Engelse zijde was extra invoer vanuit Duitsland toegezegd van 4.500 ton, speciaal voor de katoenindustrie. De huisbrandvoorziening baarde inderdaad nog grote zorgen, maar Twente verkeert in dit opzicht niet in een uitzonderingspositie. Hij besloot zijn brief met de opwekkende woorden dat de situatie weliswaar moeilijk was, maar dat een geleidelijke verbetering was waar te nemen. De belangen van Twente hadden bij voortduring onze volle aandacht. Toch was de brandstofvoorziening voor gezinnen eind november nog zo slecht dat het gemeentebestuur een verordening uitvaardigde op grond waarvan het verboden was om binnen de gemeente brandhout, zagen, bijlen en hakmessen te vervoeren. Volgens B&W werd een geregelde distributie van brandhout ernstig in gevaar gebracht door allerlei ongecontroleerde en oncontroleerbare aankoopen van brandhout, terwijl veel brandhout wordt geroofd uit de om de gemeente Almelo gelegen bosschen.
Een van de belangrijkste redenen voor een staking in de bouw in Enschede begin juli was juist de wanverhouding tussen lonen en prijzen, zoals het GAB aan de provinciale commandant van het MG liet weten. Honderdvijftig arbeiders werkzaam bij verschillende firma's, eisten optrekking van hun loon tot het in Hengelo betaalde bedrag van 80 cent. In Hengelo werden deze bedragen betaald vanwege het grote tekort aan vaklieden. De rijksbemiddelaar wees deze eis af en verklaarde dat de lonen in Hengelo omlaag moesten. Eind juli hieven de bouwvakkers hun staking op, nadat hun looneisen waren ingewilligd.
Dit succes was voor de arbeiders van Van Heek & Co aanleiding ook loonsverhoging te eisen. Al eerder hadden zij de directie om verhoging verzocht, maar antwoord daarop bleef naar hun mening te lang uit. Zij lieten de rijksbemiddelaar weten op 30 juli in staking te zullen gaan als hun lonen niet werden opgetrokken. Op basis van een mededeling van het in die tijd over Twente goed geïnformeerde blad Spartacus, namelijk dat alle stakingen in Twente in de maand juli in meerdere of mindere mate in het voordeel der arbeiders beslist waren, kan men aan nemen dat de arbeiders van Van Heek& Co inderdaad grotendeels hun zin hebben gekregen.
Eind mei 1945 ontwikkelde zich een dispuut tussen de melkventers en de directie van de Lonneker Coöperatieve Melkinrichting en Zuivelfabriek in Enschede. Het conflict was beperkt van omvang, maar geeft scherp aan hoe algemeen de onrust onder de Twentse arbeiders was. Eind mei overwogen de melkventers van deze zuivelfabriek in staking te gaan vanwege voedselgebrek voor hun paarden. Dit leverde hen een ernstige waarschuwing op van de plaatselijke commandant van het MG. Een staking zou gezien de slechte voedselsituatie de levens van talloze kinderen in gevaar brengen. Pierson beloofde wel voor meer grasland te zullen zorgen. Ongeveer een maand later, op 25 juni, legden de 56 venters het werk toch neer, waarbij zij ditmaal een betere indeling van de wijken eisten en een verhoging van hun loon, dat volgens het GAB gemiddeld meer dan ƒ50,- bedroeg. Zij verklaarden dat aan kinderen jonger dan twee jaar wel melk zou worden verstrekt. Op de avond van de eerste stakingsdag liet Pierson elke venter persoonlijk een bevel tot werkhervatting thuis brengen vanuit de overweging dat de veiligheid van de Staat vordert, dat de melkvoorziening te Enschede regelmatig voortgang vindt. In de dagbladen verschenen verhalen over de bedreiging van leven en welzijn van kinderen en zieken die bij de toenmalige voedselsituatie melk maar node konden ontberen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de staking door de bevolking vrij sterk veroordeeld werd, zoals de Enschedese politie wist te melden. De Enschedese editie van De Waarheid vond de staking niet alleen onverstandig maar zelfs onverantwoordelijk. De wederopbouw was volgens het blad niet gediend met staken, maar juist met hard werken. De Waarheid erkende de ernst van de grieven wel, de venters hadden echter de vakbeweging in de arm moeten nemen of het bij een proteststaking van één uur moeten laten. De stakers hing een geldboete van maximaal ƒ10.000 of ten hoogste zes maanden gevangenisstraf boven het hoofd. Op dinsdag 26 juni vergaderden de melkventers. De stemming was grimmig en de stakers waren het er aanvankelijk over eens, dat men door dik en dunben ondanks alles zou doorstaken. Na een uiteenzetting van een lid van het binnenpersoneel dat niet in staking was, besloten de venters de volgende dag weer aan het werk te gaan en de hulp van de rijksbemiddelaar in te roepen. Het besluit van de vergadering zou geheim blijven om de onderhandelingen met de directie die middag niet te beïnvloeden.
Voor het MG betekende de stakersvergadering een weigering om zijn bevel te gehoorzamen; Pierson liet daarom een tiental raddraaiers arresteren. De overige venters gingen daarop aan het werk, waarna de tien arrestanten werden vrijgelaten die vervolgens ook direct aan de slag gingen. De eisen zouden worden voorgelegd aan de rijksbemiddelaar.
Uit alle verslagen blijkt dat de autoriteiten zich er van bewust waren dat zij de arbeiders omzichtig moesten benaderen. Zij waren licht geraakt en zeer achterdochtig. Vertegenwoordigers van MG traden in veel gevallen sussend en bemiddelend op, niet zelden ten gunste van de stakers (zie bijvoorbeeld het conflict bij Palthe).
De spinner D. Baart vertelde hoe hij een keer had meegemaakt hoe de contacten met het MG verliepen. Op het bedrijf waar hij werkte, verdienden vlak na de oorlog sommige getrouwde arbeiders maar ƒ14,- en dat vond men allerwegen te weinig. Er werd een gesprek met de directie aangevraagd, want kijk, we waren in de oorlog wat vrijer geworden. Toen drie afgevaardigden naar de directeur stapten om het afgesproken onderhoud te hebben, zagen zij hem nog net op de fiets springen en wegrijden. De drie arbeiders gingen terug en vertelden hun collega’s wat er gebeurd was. Hun reactie was duidelijk: Stop met de rotzooi! Heel de fabriek lag plat. Na een half uur werd de afvaardiging bij het MG geroepen en wie schetst hun verbazing toen zij daar de secretaris van de fabrikantenverenigingen als lid van het MG aantroffen? Ik dacht, Ho, dat begint al mooi. Behalve Van Eck waren ook drie vakbondsbestuurders aanwezig die vroegen of er een staking was. Nee, verklaarde de afvaardiging, de mensen zijn in afwachting. (...) Kijk, bij een staking hadden we de fabriek uitgegaan. Nee, ze zijn allemaal in de fabriek gebleven, hebben de boel gewoon platgelegd en wachten of de directeur weerkomt. Van Eck kon hun vertellen dat de directeur bij het MG geweest was om te vragen of hij de lonen mocht verhogen. En dat mocht, net die ochtend had het MG bericht gekregen dat de minimumlonen verhoogd mochten worden tot 56 cent. En weet je wat je nou doet, zegt-ie, gaan jullie nou naar de fabriek en je zegt maar dat je 't gewonnen hebt. Ik zeg, nee, dat doe ik niet. Dat vind ik gemeen. We kunnen alleen zeggen dat datgene wat wij gevraagd hebben niks teveel was, hè.
Bij dit soort conflicten, in de woorden van Pierson onregelmatigheden (...) welke naar buiten toe meer demonstratief waren en waarbij het risico van onbeheerschte reacties van nog niet of nauwelijks tot rust gekomen bevolkingsgroepen niet groot was, probeerde het MG met zachte drang de orde te herstellen. Als uitlaatklep achtte men dit niet onoverkomelijk, integendeel zelfs wel bevorderlijk voor grotere rust en orde in de toekomst.
Gingen arbeiders echter verder, in de ogen van de autoriteiten dus té ver, dan werd met harde hand ingegrepen. In de textielindustrie zelf was dit tot eind juni 1945 nog niet gebeurd, maar dat kon ook nauwelijks, omdat het merendeel van de bedrijven nog stil lag of langzaam aan het opstarten was. Het conflict met de melkventers bedreigde de voedselvoorziening in een belangrijke industriestad. Hier achtte het MG de veiligheid van de Staat in gevaar en zette een aantal stakers achter de tralies.
Veertien dagen na de bevrijding overlegden vertegenwoordigers van het personeel van de Almelose Confectiefabriek H. Smits & Co, van Bendien's Confectiefabrieken en van de Leeuwarder Textiel Maatschappij met Majoor Jurgens, de commandant van het MG in Almelo. De dag daarop schreef deze vertegenwoordiging een brief aan de directies van hun bedrijven, waarin zij een aantal voorwaarden formuleerde voor hervatting van het werk. Zij verklaarde de werkzaamheden zo snel en zo volledig mogelijk te willen hervatten vanwege het algemene belang ervan, maar dat daarbij de belangen van het (...) personeel niet (mochten) worden genegeerd.
Als eerste noemde zij de voedselvoorziening. De calorische waarde van het eten bedroeg die week 1.100. Een normaal werkend mens van het mannelijk geslacht had echter ongeveer 3.000 calorieën per dag nodig en vrouwen waren ingeschaald op 2.500 calorieën. Om die reden wilden de arbeidsters niet langer werken dan maximaal 42 uur per week. Eigenlijk vond het personeel dit nog vrij veel, maar het beschouwde dit als een concessie waaruit wel heel duidelijk zijn goede wil blijkt. Een tweede punt was het loon. In de oorlog waren de officiële prijzen met ongeveer 50% gestegen, zodat het reële inkomen met zeker een derde gedaald was. De arbeidsters wilden, met het oog op het algemeen belang, een in hun ogen matige verhoging van 15%. Het loon moest tot 48 uur worden aangevuld, met, afhankelijk van de leeftijd, 60 tot 80% van de nieuw vast te stellen uurlonen. De personeelsvertegenwoordiging besloot haar brief met de oproep aan de directies om, mede met het oog op de vrede in de bedrijven (...), in volledige samenwerking met de werknemers, op zeer korten termijn organen in het leven (te) roepen, met wie over alle loon- en arbeidsvoorwaarden overleg zal worden gepleegd.
Nog dezelfde dag schreven de bedrijven terug dat zij, na overleg met het MG, besloten hadden de werkweek voorlopig op 42 uur vast te stellen. Wanneer de voedselpositie beter werd, zou men geleidelijk aan weer 48 uur gaan werken. De lonen konden en zouden, gezien de voorschriften betreffende de loonstop, met 10% worden verhoogd en op basis van de wachtgeldregeling worden aangevuld. Vermoedelijk namen de arbeidsters hier genoegen mee en zij gingen in de week van 23 april weer aan het werk. Op volle toeren werd er niet gewerkt. Dat was een gevolg van gebrek aan arbeidslust en een nijpend tekort aan arbeidsters. Eind juni startte onder andere Bendien een grote wervingscampagne om dit tekort op te heffen. Door deze actie kwam evenwel de personeelsvoorziening van bedrijven in kleinere gemeenten, zoals Jansen & Tilanus in Vriezenveen en Ter Horst in Rijssen, in gevaar.
Later, in 1946, probeerden diverse confectiefabrieken met uitgebreide reclamecampagnes arbeidskrachten uit de wijde omtrek en uit Zuidoost Drenthe aan te trekken. Hiervan werden textielbedrijven op het platteland, vooral in de omgeving van Almelo de dupe, aangezien zij veelal langzaam op gang kwamen. Ook ging men over tot gedeeltelijke verplaatsing of uitbreiding der ateliers in Z.O. Drenthe.
Het Jaarverslag van het GAB in Almelo over 1947 meldde dat de confectiebedrijven vooral tegen het einde van het schooljaar grote acties ontketenden om het personeel uit te breiden. Het Arbeidsbureau vond de gehanteerde methoden ongepast. Een bepaalde fabriek verstrekte aan nog schoolgaande meisjes al een wekelijkse uitkering om zich na afloop van het schooljaar van deze arbeidskrachten te verzekeren. De confectie-industrie trok nieuw personeel voornamelijk uit de buitengemeenten aan, maar er werden in de kleinere plaatsen ook vestigingen gestart, zodat de mensen in hun eigen woonplaats konden werken. Het GAB zag het als zijn taak een scherpe controle uit te oefenen, maar stond vrijwel machteloos omdat er geen ontslag- en aanstellingsvergunning vereist was om van werk te veranderen.
Er is dan ook niet veel fantasie voor nodig om te begrijpen dat de arbeidsters zeer sterk stonden tegenover hun directies en van hun machtspositie gebruik maakten.
Aantal vrouwen werkzaam in confectiefabrieken in Almelo, 1947-1949
1 januari 1947 1.535
1 januari 1948 1.644
1 januari 1949 1.900
1 november 1949 1.718
Op 12 juli 1945 vergaderden de fabriekscommissies van drie textielbedrijven uit Almelo met de bedrijfsleiding en eisten twee weken zomervakantie. Zij voegden aan deze eis toe dat als ze het niet kregen, ze het gewoon zouden nemen. Op dat moment hadden de arbeidsters formeel recht op zeven werkdagen vakantie in de zomer en twee rond Kerstmis. Op het verweer van de directies dat zoiets eerst voorgelegd moest worden aan het College van Rijksbemiddelaars en de Stichting van de Arbeid, antwoordden de commissieleden dat dit de zaak op de lange baan schuiven was. De bedrijven legden de kwestie toch voor aan het CRB dat negatief adviseerde. Op 24 juli wierp B.C. Slotemaker, gedelegeerde van de Stichting van de Arbeid, die toevallig in Almelo was, al zijn autoriteit in de strijd in een poging de arbeidsters tot rede te brengen. Op een vergadering onder leiding van burgemeester van Almelo E. van Dronkelaar waren vertegenwoordigers van de drie erkende vakbonden en de drie fabriekscommissies aanwezig. Slotemaker vertelde de vergadering dat de Stichting er nu juist was om vragen van lonen en arbeidsvoorwaarden, waaronder vakantie, langs minnelijke weg op te lossen. De door de arbeidsters gekozen weg was niet de juiste. De vakbondsvertegenwoordigers en ook de fabriekscommissies waren het met Slotemaker eens, maar, zo merkte men op, de commissies hadden het personeel niet in de hand. Ter vergadering werd Slotemaker meegedeeld welke argumenten de arbeidsters hadden. De bazen kregen 14 dagen vakantie en confectiefabrieken in het noorden, westen en zuiden zouden ook 14 dagen geven. Bovendien stapelden de afgewerkte producten zich op en werden niet gedistribueerd. In een apart gesprek vertelde de directie van Bendien nog eens aan Slotemaker dat de lonen eind juli 1945 met circa 31% waren verhoogd. De drie bedrijven hadden daarnaast besloten om in 1946 veertien dagen vakantie te geven en in 1945 alvast de zaterdagochtend vóór de vakantie ook vrijaf te geven.
Slotemaker zal vast wel begrip hebben gehad voor de directie. De vraag was alleen of de arbeidsters zich daaraan iets gelegen zouden laten liggen. Dus wachtte men gespannen af of het personeel op 6 augustus weer op de fabriek zou verschijnen. Dat deed het niet, althans de arbeidsters verschenen niet. De fabriekscommissies en het mannelijk personeel bij Bendien waren wel komen opdagen, maar gingen uit solidariteit ook weer naar huis. De directie verklaarde deze week niet te zullen uitbetalen. Toen op 13 augustus het hele personeel weer aan de slag ging, verzuchtte commandant Heidema van de Almelose politie dat dit nou weer een typisch voorbeeld van de mentaliteit (was), de kleinste kleinigheid kan voldoende zijn om onrust te veroorzaken. Hij constateerde in zijn rapport dat er toch al een laag arbeidstempo was en dat de lust tot werken niet bijster (was) toegenomen, vooral w.b. de meisjes
Nazi-Duitsland had zichzelf en de bezette landen tijdens de oorlog met grote schulden opgezadeld en om deze te financieren waren grote hoeveelheden bankbiljetten bijgedrukt. Dit had geleid tot een verstoring van het evenwicht tussen de reële sfeer van de economie (goederen en diensten) en de monetaire sfeer (geld). De regeringen van een groot aantal landen bestreden na de oorlog de hieruit voortvloeiende prijsstijgingen met loon- en prijsmaatregelen en met een distributiesysteem van de schaarse goederen. Daarnaast floreerde er een zwarte markt, waar tegen steeds hogere prijzen producten te koop waren.
De Nederlandse regering in Londen had zich zeer laat voorbereid op het nemen van maatregelen, zodat pas onder de eerste naoorlogse regering kon worden gereageerd op de onevenredig grote hoeveelheden geld. P. Lieftinck stelde zich als minister van financiën ten doel om via een geldzuivering de hoeveelheid beschikbaar geld in één keer drastisch te reduceren. Vraag en aanbod van geld moesten op het macroniveau van de economie weer in evenwicht worden gebracht en het was zijn inzet dat naarmate de productie steeg, de hoeveelheid geld in omloop weer zou groeien.
De ernst van de monetaire situatie laat zich het beste illustreren door de geldvoorraad te vergelijken met het nationale inkomen (tegen marktprijzen). Barendregt schrijft over de situatie in 1945: While the money supply had increased to 400% compared to 1938, national income (in current prices) declined to 56%.
De Nederlandse regering kon gebruik maken van de ervaringen die in België waren opgedaan met de geldzuivering. De Belgische regering in ballingschap had zich al vanaf 1941 voorbereid op mogelijke ontwikkelingen na de oorlog. Zij bouwde hierbij voort op de ervaringen van na de Eerste Wereldoorlog, toen de Belgische economie jarenlang te kampen had gehad met monetaire problemen die het herstel ernstig bemoeilijkten. Uiteindelijk hadden deze in 1926 geleid tot een forse devaluatie van de Belgische frank. Een herhaling hiervan wenste de regering-Pierlot te voorkomen. Minister van Financiën C. Gutt had in Londen dan ook al een grondige en snelle muntsanering voorbereid teneinde de geldhoeveelheid, die aan het eind van de oorlog in vergelijking met 1939 tot circa 300% was gestegen, drastisch te verkleinen. In oktober 1944, vrijwel direct na de bevrijding van België, ging de geldsanering, bekend als de Operatie-Gutt, van start met de verplichte en beperkte inwisseling van oude bankbiljetten tegen nieuwe die in Engeland waren gedrukt, en met het voorlopig blokkeren van de meeste banksaldi.
Het zoveel mogelijk in evenwicht brengen van de hoeveelheid goederen en het in omloop zijnde geld werd niet alleen uit economische, maar ook uit sociale overwegingen noodzakelijk geacht. De Belgische bevolking had ernstig geleden onder de bezetting, bij de bevrijding was de voedselsituatie buitengewoon nijpend en er was een ernstig tekort aan kolen. Een groot deel van het bedrijfsleven lag stil, zodat veel arbeiders werkloos waren. Een uitbarsting van sociale ontevredenheid was dan ook niet denkbeeldig. De twee eerste naoorlogse kabinetten (september 1944 – februari 1945) stonden net als de regering in ballingschap onder leiding van H.M.E. Pierlot.
Zijn regering lag van vele kanten politiek en sociaal onder vuur en werd in november 1944 geconfronteerd met een algemene staking. Volgens de Amerikaanse ambassadeur dankte de regering haar overleven volledig aan geallieerde militaire steun en zou zij ‘binnen de minuut vallen zodra die steun werd opgezegd’.
Op 28 december 1944 kondigde de regering als tweede ingrijpende maatregel het zogeheten Ontwerp van overeenkomst tot sociale solidariteit af, doorgaans bekend als het Sociaal Pakt.
Hierover was tijdens de oorlog heimelijk overlegd door vertegenwoordigers van de vakbeweging en van de ondernemers. Het pakt beslechtte vele langlopende discussies over diverse onderdelen van de sociale zekerheid en had tot doel de Belgische arbeiders te beschermen tegen de wisselvalligheden van het leven: ziekte, invaliditeit, werkloosheid, ouderdom. Deze sociale wetgeving werd noodzakelijk geacht voor het behoud van de sociale vrede en van de essentiële strukturen van de kapitalistische ekonomie, zoals de Belgische historicus Vanthemsche het omschrijft.
In de loop van de oorlog was een van de belangrijkste representanten van de Belgische ondernemers, A. Gallopin tot de conclusie gekomen dat een goede relatie tussen werkgevers en werknemers een absolute voorwaarde was om te voorkomen dat een vertroebeld sociaal klimaat het naoorlogse produktieproces zou verstoren.
In Nederland richtte de regering zich bij monde van Lieftinck op 9 juli 1945 via de radio tot de bevolking met de mededeling dat er teveel geld in omloop was. Dit dreigde te leiden tot inflatie en bovendien tot een situatie waarin de schaarse goederen en arbeidskrachten niet op die plaatsen terecht kwamen, waar zij het meest nodig waren. Een bijkomend, maar voor het economisch herstel minstens even belangrijk probleem was het gebrek aan werklust onder de Nederlandse arbeiders. Deze werd volgens hem op bedenkelijke wijze geremd door de mogelijkheden, die er nog altijd bestaan om op de zwarte goederen- en arbeidsmarkten ongerechtvaardigde winsten en verdiensten te maken. Ons van nature gelukkig zo arbeidzame volk moet weer komen in het gareel van sociaal en economisch verantwoorde prijzen en lonen.
Op 12 september herhaalde Lieftinck het nog eens voor de radio: De geldovervloed heeft op de arbeidslust niet bevorderend gewerkt, terwijl arbeid en de nodige hulpmiddelen daartoe, de eerste voorwaarden zijn voor de wederopbouw.
In de periode van 19-25 september 1945 mocht iedere Nederlander ƒ10,- omwisselen in nieuwe biljetten, het befaamde Tientje van Lieftinck. Al het in omloop zijnde oude papiergeld verloor op woensdag 26 september zijn waarde en iedereen was dus gedwongen om met het nieuwe tientje de rest van die week door te komen, totdat men op zaterdag de 29ste zijn loon in nieuw geld ontving (verreweg de meeste mensen kregen destijds nog wekelijks en in contanten betaald). In de praktijk leverde dit voor veel arbeiders de nodige problemen op.
Hedeman die op woensdag de lonen aan zijn arbeiders uitbetaalde, besloot in overleg met de fabriekskern om de loonbetaling van 26 september te verschuiven naar 3 oktober.
Gelderman, dat ook op woensdag uitbetaalde, verschoof de loonbetaling eveneens, al verwachtte het bedrijf dat uitbetaling op 3 oktober waarschijnlijk niet haalbaar zou zijn.
Bij beide bedrijven kregen de arbeiders desge-wenst op zaterdag 22 september een voorschot.
De gewoonte om het loon op woensdag uit te betalen stamde uit de tijd dat veel arbeiders zich op hun enige vrije dag, de zondag, te buiten gingen aan drank en dan ’s maandag niet gingen werken, het zogenaamde maandag houden. Dit verschijnsel was naar verluidt vooral onder de huiswevers wijd verbreid en verdween toen het fabrieksstelsel begon te overheersen. Maandag-houden kwam in vele landen en bedrijfstakken voor. In Twente betaalden ondernemers op woensdagavond uit in Enschede werd met hetzelfde oogmerk veelal op maandagavond uitbetaald om het maandag houden tegen te gaan. Met het loon betaalden de arbeidersgezinnen immers veelal eerst de in de voorgaande dagen bij diverse winkeliers opgebouwde schulden af en dan was er op zondag niet veel geld meer over voor drank.
Op 3 oktober werd begonnen met een geleidelijke deblokkering van tegoeden op giro en banken, waarbij de eigenaar moest kunnen aantonen dat geld op rechtmatige wijze te hebben verworven, dus niet via de zwarte handel of als oorlogswinst. De hoofdgedachte bij deze operatie was, zoals Lieftinck het op 26 september voor de radio nog eens benadrukte, een tegengaan van de dreigende inflatie. ‘Voortaan zullen (wij) moeten leven uit het lopende inkomen, dat een ieder onzer ontvangt in de vorm van beloning voor arbeid, die verricht wordt in loondienst of in een zelfstandig bedrijf, of als vrucht van een eerlijk verworven vermogen.
Op 13 november kon Lieftinck het slagen van deze gigantische geldoperatie melden. Ik wijs in de eerste plaats op de morele winst. De bereidheid tot het verrichten van nuttige arbeid is belangrijk verbeterd. Reeds de dag na de aankondiging van de geldsanering begon het aanbod van arbeidskrachten toe te nemen en deze toeneming heeft sedertdien op verheugende wijze voortgang gehad. Dit is niet slechts van groot belang voor de overwinning van de algemene armoede door een vergroting van de binnenlandse productie, het is ook in het belang van de mensen zelf, die in en door hun arbeid het innerlijk evenwicht hervinden en zich van hun plaats en hun taak in de gemeen-schap weer duidelijk bewust gaan worden.
Inderdaad hervonden ook in Twente veel arbeiders hun innerlijk evenwicht en zij meldden zich weer in groten getale aan de fabriekspoorten, zoals blijkt uit de hierboven al meer geciteer-de enquête. Hierin was een aparte vraag opgenomen of de geldzuivering het tekort aan arbeiders had doen verminderen. Sommige bedrijven verklaarden, dat de geldzuivering geen of slechts zeer beperkte invloed had gehad op hun tekorten, maar dit waren bedrijven die vanwege bij-voorbeeld oorlogsschade niet op volle toeren konden werken. De bedrijven echter die te kam-mpen hadden met grote tekorten aan personeel, veelal de grotere ondernemingen, waren enthousiast over de sanering. Deze had uitgesproken de werklust verhoogd heel erg geholpen, zeer goede invloed gehad.
Ook het GAB in Almelo concludeerde dat de sanering van zeer groote invloed op de arbeidslust is geweest.
De eerste maanden na de bevrijding had het MG als uitvloeisel van zijn taak om orde en rust te handhaven een belangrijke rol gespeeld bij de talloze sociale conflicten. Op 9 juli verscheen er een circulaire van Chef-Staf Kruls waarin hij schreef dat ‘de Regeering thans de tijd gekomen achtte, dat de beslechting van geschillen moet worden overgelaten aan den Rijksbemiddelaar c.q. het College van Rijksbemiddelaars. De overgangsfase waarin het MG de touwtjes in handen hield, liep ten einde. Op deze zelfde dag overigens droeg het geallieerde opperbevel formeel de macht weer over aan de Nederlandse regering, die daarmee weer baas in eigen huis was. De overheid wenste nu door te zetten en haar geleide loonpolitiek met het daaraan verbonden stelsel van overlegstructuren op te leggen. In die politiek paste niet langer het toelaten van speelruimte op plaatselijk niveau, of in de woorden van Kruls: In geval van wilde stakingen (...) zal het MG rekening moeten houden met het Regeeringsstandpunt, dat in geen geval met stakers onderhandeld mag worden, vooraleer de werkzaamheden zijn hervat, ongeacht de daar-aan verbonden consequenties, b.v. in verband met de voedselpositie van ons land. Dit principiële standpunt werd ingenomen bij de staking in de Rotterdamsche haven, welke inmiddels is beëindigd.’
Drees dirigeerde zo niet alleen het MG naar de zijlijn, ook alle GAB’s hadden enkele dagen daarvoor van hem te horen gekregen dat zij niet meer mochten bemiddelen bij arbeidsconflicten. Volgens de Rijksbemiddelaar echter zou het een ramp zijn als dit in de praktijk in Twente zo werd uitgevoerd. Ook de directeur van het GAB in Enschede protesteerde met kracht. In Twente was het aantal stakingen of dreigingen tot staking zeer omvangrijk en de rijksbemiddelaar kon zijn functie onmogelijk uitoefenen zonder hulp van het GAB. Samenwerking van het GAB en de rijksbemiddelaar was in de gegeven omstandigheden de eenige mogelijke (oplossing) om de arbeidsvrede in Twenthe zoo goed mogelijk te waarborgen. Uitschakeling van het GAB zou in Twente de toch reeds onoverzichtelijke toestand nog aanzienlijk compliceeren.
Strak toepassen van de richtlijn zou niet erg rationeel zijn, terwijl, zo meende de directeur, Drees toch ook voor alles de arbeidsvrede in Twenthe zooveel mogelijk (wilde) bevorderen’. Drees antwoordde dat de richtlijn onverzwakt gehandhaafd bleef, maar dat dit niet betekende dat het GAB de rijksbemiddelaar niet mocht helpen door het inwinnen van inlichtingen en dergelijke. Vermeden moet evenwel worden, dat de arbeiders den indruk zouden krijgen, dat het dreigen met staking of het daadwerkelijk staken de Overheid tot concessies op loongebied kon brengen.
Dat deze ferme taal van de kersverse sociaal democratische Minister van Sociale Zaken voor de nodige opschudding onder de Twentse bestuurderen zorgde is begrijpelijk. Daar waren de textielfabrieken voor het merendeel nog niet eens aan de gang. Voor zover zij wel draaiden, gingen de arbeiders er slechts aan het werk, omdat zij geen keus hadden en zij stelden keer op keer dusdanige eisen dat de aan de top zo zorgvuldig uitgewerkte structuur aan het wankelen werd gebracht. Dat beloofde wat wanneer de textielindustrie weer ècht op gang zou komen, zoals men in de confectie-industrie al herhaaldelijk had gemerkt.
Rotterdam mag met recht een geteisterde stad worden genoemd. Het was de tweede grote stad na Warschau in september 1939 die getroffen werd door een bombardement van de Duitse Luftwaffe; de gehele oude binnenstad werd er op 14 mei 1940 door weggeslagen
Gedurende de rest van de oorlog werd de stad nog getroffen door vele luchtaanvallen door geallieerde vliegtuigen, waarvan de bombardementen van oktober 1941 en maart 1943 de meeste slachtoffers maakten en de grootste schade aanrichtten. De bevolking van Rotterdam kreeg in de laatste oorlogswinter te kampen met een razzia waarbij circa 50.000 mannen in de leeftijd van 17 tot 40 werden weggevoerd en net als de rest van West-Nederland met een voor Nederland ongekende hongersnood.
In deze omstandigheden gingen na de bevrijding de havenarbeiders weer aan het werk. Het altijd al zware werk trok nu nog een extra wissel op hen, omdat veel kranen waren vernield of geroofd; zij waren niet alleen slecht gevoed maar ook slecht gekleed, er was nauwelijks enig vervoer van en naar het werk. Daar stond tegenover dat hun werk onmisbaar was voor de wederopbouw: Rotterdam was nog steeds de belangrijkste haven waarlangs grote goederenstromen Nederland binnenkwamen.
De havenwerkgevers, verenigd in de Scheepvaart Vereniging Zuid (SVZ), en de vakbonden, waarvan de bij het NVV aangesloten Centrale Bond van Transportarbeiders (CBT) de belangrijkste was, maakten aanvankelijk niet veel haast met pogingen de arbeidsvoorwaarden te verbeteren. De bonden onderschreven het streven van de werkgevers om de haven weer zo snel mogelijk op volle toeren te laten draaien. Hun wensenpakket omvatte vooral zaken die alleen op langere termijn soelaas zouden bieden, zoals medezeggenschap en een pensioenvoorziening.
Voor de korte termijn gingen zij ermee akkoord dat de arbeiders doorwerkten op basis van de CAO uit 1938 en een loonsverhoging zouden krijgen van iets meer dan 11%, hoewel de regering een verhoging van 25% boven het loonpeil van 1940 had toegestaan.
Op 27 juni schoot de rivierpolitie de fragiele sociale rust in Rotterdam aan flarden. Leden van de BS sommeerden arbeiders die in een bootje de haven overstaken, met geweerschoten tot stoppen om hen te kunnen controleren op diefstal. In reactie hierop stopte een deel van de havenarbeiders hun werk en de volgende dag breidde de staking zich uit over de hele haven. De schietpartij was slechts een aanleiding, de diepere oorzaak lag vooral in de kloof die gaapte tussen de wijd verbreide wens dat alles anders zou worden en de feitelijke werkomstandigheden. Een kort voordien opgericht EVB-comité belegde meteen na het uitbreken van de staking een vergadering, waar een groot aantal concrete eisen werd geformuleerd. Al de dag daarop, op u29 juni, vond er overleg plaats tussen een delegatie van de EVB en de SVZ, waarin de eisen van de stakers werden toegelicht. De volgende dag willigde de SVZ de looneis, 25% verhoging, in op voorwaarde dat het werk zou worden hervat. De stakingsleiding weigerde dit, indien niet eerst ook de andere eisen waren ingewilligd.
Nu ontwikkelde zich een gecompliceerd spel dat slechts zijdelings met de eisen van de Rotterdamse havenarbeiders van doen had en dat betrekking had op de vraag of de Eenheidsvakbeweging erkenning zou krijgen als partner in het nieuwe stelsel van arbeidsverhoudingen dat vorm aan het krijgen was. De landelijke, in Amsterdam zetelende en door de CPN gedomineerde EVB-leiding stuurde vertegenwoordigers naar de haven om aan te dringen op beëindiging van de staking met het oog op de levensmiddelenpositie in Nederland. CPN-voorman P. de Groot deed er nog een schepje bovenop en maande Leen van Os, een van de stakingsleiders, om voorzichtig te zijn met stakingen. Je moet van staken geen sport maken, zo had hij volgens Van Os gezegd.
De SVZ liet de EVB-stakingsleiding weten niet met haar verder te willen onderhandelen, zolang de staking niet was opgeheven en hervatte de besprekingen met de CBT en de twee confessionele bonden. Ook de regering mengde zich bij monde van Drees in de gang van zaken. Hij verklaarde op 3 juli in een gezamenlijke bijeenkomst van de drie erkende vakbonden en de SVZ, dat de regering alleen te maken wilde hebben met bonafide en solide vakorganisaties. Alleen wanneer de EVB voortaan zou afzien van wilde stakingen, zo zei Drees, zou de regering met de Stichting van de Arbeid kunnen gaan bekijken of de EVB tot het georganiseerde overleg kon worden toegelaten.
’s Avonds sprak Minister-president Schermerhorn via de radio tot het Nederlandse volk. Hij veroordeelde de werkgevers die zich halsstarrig hadden opgesteld en een aantal terechte eisen van de arbeiders, zoals een loonsverhoging van 25%, al veel eerder hadden moeten accepteren. Hij verweet de arbeiders dat zij onredelijke eisen stelden en om een klein incident waren gaan staken, waardoor de voedselvoorziening voor het Nederlandse volk in gevaar kwam. Hij wilde de EVB wel erkennen als vierde vakorganisatie, op voorwaarde dat zij de spelregels van eerst overleggen en dan pas staken in acht wilde nemen. De burgemeester van Rotterdam, P.J. Oud, voerde op zijn beurt de druk op de stakers nog verder op door vrijwilligers op te roepen om samen met Canadese militairen, die al enkele dagen bezig waren met het lossen van goederen, te helpen de staking te breken. Op 5 juli besloten de stakende havenarbeiders te vertrouwen op de toezeggingen van Schermerhorn en het werk te hervatten. Wel stelden zij als voorwaarde, dat direct met de EVB moest worden onderhandeld en dat vóór 26 juli aan hun eisen moest zijn voldaan.
Het waren duidelijk niet alleen de textiel-arbeiders die de vooroorlogse arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden niet terug wilden en die heel concreet lieten merken wat zij wilden, meer loon, betere omstandigheden.
De praktijk van de nieuwe spelregels was een stuk prozaïscher. De Stichting van de Arbeid en m.n. de daarin vertegenwoordigde vakbonden voelde absoluut niets voor het accepteren van de EVB als gesprekspartner. Stikker arrangeerde als voorzitter van de Stichting op 8 juli een gesprek met de SVZ en wist met veel moeite gedaan te krijgen dat deze verklaarde, dat zij zich uit tactische overwegingen genoodzaakt kon zien te onderhandelen met de EVB. Maar, wanneer een dergelijk overleg belangrijke gevolgen zou hebben voor het hele bedrijfsleven (en dat had het!), dan zou de Regeering vooraf hierover een positief standpunt moeten kenbaar maken.. De feitelijke erkenning van de EVB door een gezaghebbende ondernemersvereniging was hiermee van de baan, een belangrijke opsteker voor de Stichting. De beslissende stap bij het implementeren van de nieuwe spelregels zou het regeringsstandpunt blijken te zijn, nl. dat vakbonden alleen tot de onderhandelingstafel zouden worden toegelaten, indien zij zouden uitspreken zich op voorhand bij een door het CRB te nemen besluit neer te zullen leggen. Dit hield volgens Drees in dat zij in dezen tijd bereid (moesten) zijn zich uit te spreken, dat zij niet zullen staken. Wanneer de EVB hier op in zou gaan en zou verklaren geen stakingen meer te ondersteunen, zo schreef Stikker aan Slotemaker, dan was eenerzijds daarmede het belangrijkste wapen aan de EVB ontnomen, en verliest zij daardoor haar reden van bestaan, en kan er anderzijds ook geen aanleiding meer zijn om, zoolang aan deze schriftelijke verklaring gestand wordt gedaan, niet met haar in contact te treden.
De EVC, zoals de EVB zich vanaf medio juli noemde, verklaarde bereid te zijn alles in het werk te stellen om in het belang van de wederopbouw geschillen via overleg op te lossen, maar het stakingswapen niet helemaal te willen en kunnen loslaten. Hiermee kwam de EVC tegemoet aan de eis van de regering en had deze in de praktijk aangetoond het primaat te hebben op het gebied van de loonpolitiek. De Stichting had weliswaar haar belangrijke rol in deze bevestigd, maar dit was alleen gelukt dankzij hulp vanuit de regering, zodat zij de leiding van het CRB in de dagelijkse praktijk van het loonbeleid moest accepteren alsmede een mogelijk aanschuiven van de EVC aan de onderhandelingstafel.
Enkele dagen na deze bekendmaking vergaderde de EVC met de havenarbeiders om de situatie onder ogen te zien; op 26 juli liep immers het door de havenarbeiders gestelde ultimatum af. Zij besloten om zich op 23 juli met het oog op de voedselvoorziening te beperken tot een proteststaking van één uur. Op 8 augustus stelden de havenarbeiders op een massaal bezochte vergadering onder werktijd nog eens nadrukkelijk vast, dat van alle eisen over verbetering van de werkomstandigheden er nog geen enkele was ingewilligd. Op zondag 12 augustus besloten zij om de dag daarop het werk voor 24 uur neer te leggen en eigenmachtig de werktijd en de ploegensterkte met hun eisen in overeenstemming te brengen. En zo gebeurde: de staking op 13 augustus verliep rustig. De problemen kwamen pas de volgende dag, toen de arbeiders inderdaad maar acht uur werkten en weigerden de oude werktijd van 8½ uur aan te houden.
Toen waren de rapen gaar, althans voor wat betreft de autoriteiten; de arbeiders voerden eenvoudigweg zelf een van de eisen uit die zij luid en duidelijk kenbaar hadden gemaakt en waar voor hun gevoel niets mee was gedaan. Het op eigen houtje veranderen van de arbeidsvoorwaarden was een regelrechte en directe aantasting van de macht van de werkgever en werd door de regering op de scherpst mogelijke wijze veroordeeld. De SVZ legde de arbeiders een verklaring voor waarin ze beloofden het voorgeschreven door de werkgever wel te verstaan aantal uren te zullen werken. Vanwege de massale weigering hieraan te voldoen lag de haven binnen de kortste keren weer helemaal plat. Op het Rotterdamse stadhuis vond ondertussen intensief beraad plaats over hoe de staking te breken, waarbij de aanwezigen, burgemeester Oud, Chef-Staf Kruls van het MG, de plaatselijke politie en vertegenwoordigers van de SVZ, inzet van het leger onmisbaar achtten om vrijwilligers te beschermen. Een voorstel van de burgemeester om NSB-ers en krijgsgevangenen te werk te stellen was voor de andere gesprekspartners een brug te ver.
Zo werd de situatie steeds dreigender en leek een confrontatie niet te vermijden tussen de havenarbeiders, die nog steeds vastbesloten waren hun eisen door te zetten en die handelden naar het bekende Geen woorden, maar daden, en de autoriteiten, die dat op hun manier ook deden.
De EVC ontpopte zich op het laatste moment als vredestichter door op 17 augustus, uiterst omzichtig, contact te leggen met de SVZ. Voor beide partijen was een harde confrontatie tussen arbeiders en leger een onaantrekkelijke optie. De EVC zou nooit meer enige schijn van kans maken erkenning te krijgen als onderhandelingspartner en de SVZ had meer aan werkende, goederen lossende arbeiders dan aan grote aantallen gewonden of zelfs doden.
De landelijk voorzitter van de EVC, B. Blokzijl, overhandigde aan de SVZ een schriftelijke verklaring dat de EVC zich bereid verklaart met de werkgevers te onderhandelen. Indien geen overeenstemming kan worden verkregen, aanvaardt de EVC de bindende uitspraak van den Rijksbemiddelaar, indien ook de werkgeversorganisatie zich hiertoe bereid verklaart. Nog dezelfde avond bereikten de SVZ, Blokzijl en Schermerhorn overeenstemming op basis van de verklaring van de EVC. De havenarbeiders kregen de volgende dag, zaterdag 18 augustus, het onderhandelingsresultaat voorgelegd. Zij realiseerden zich dat de kansen verkeken waren dat zij hun eisen nog konden doorzetten en gingen ermee akkoord om het werk de maandag daarop op de oude voorwaarden te hervatten.
Nu de spanning uit het conflict als uit een lek geprikte ballon was verdwenen, voerde de SVZ enkele besprekingen met de EVC en met de drie andere vakbonden hetgeen uiteindelijk resulteerde in een pakket arbeidsvoorwaarden dat ver lag beneden de eisen van de havenarbeiders, maar dat sterk overeenkwam met het oorspronkelijke voorstel van de drie erkende bonden.
Netto resultaat van de opstelling van de EVC-leiding was kortom, dat de staking verloren werd en dat erkenning van de EVC een wassen neus bleek. Door zich aan de spelregels te onderwerpen had ze in feite gezorgd dat de Stichting van de Arbeid aan de invloed van de EVC onder de arbeiders voorbij kon gaan. De EVC-pers stelde het feit dat er met de ondernemers werd gepraat, als een overwinning voor zij deed zelfs alsof het stakingsrecht was gered in plaats van opgegeven maar dat was alleen de camouflage van een échec. Nu het gevaar van een staking op een strategisch punt als de Rotterdamse haven was afgewend, was een belangrijke test van de nieuwe spelregels voor de regering succesvol verlopen en was de positie van de Stichting van de Arbeid enorm versterkt.
Het laat zich raden hoe gigantisch de kater onder havenarbeiders is geweest. Zij waren na de depressiejaren en de vijf ellendige oorlogsjaren vastbesloten dat het anders moest worden in Nederland en in hun haven; zij hadden in gezamenlijke vergaderingen eisen geformuleerd, waarvan zij vonden dat ze alleszins redelijk waren; zij hadden een organisatie gevonden die zich voor hun belangen inzette en die tijdens de staking enorm groeide totdat die de overgrote meerderheid van hen omvatte.400 En nu hadden ze niets. Ongetwijfeld vonden veel havenarbeiders dat de EVC erkend moest worden en toegelaten tot het arbeidsvoorwaardenoverleg, maar zij waren toch vooral aan het conflict begonnen voor concrete eisen die hun dagelijkse noden motesten verhelpen.
Een vergelijkbare felheid legden arbeiders in Deventer aan de dag toen zij hún eisen probeerden door te zetten.
De Nederlandse regering, in het bijzonder Drees, die als Minister van Sociale Zaken zeer directe bemoeienis had met het nieuwe stelsel van arbeidsvoorwaardenoverleg, Stikker, de voorzitter van de Stichting, NVV-voorzitter Kupers, Romme, de voorzitter van het CRB en Van Eck, de vertegenwoordiger van de Twentse textielfabrikanten, beoogden met het tegengaan van (erkenning van) de EVC om het voor de arbeiders moeilijker te maken hun loon- en andere eisen door te zetten. Dit vanuit het allesoverheersende belang dat zij hechtten aan de wederopbouw, die te hoge lonen niet zou kunnen verdragen. Dit leidde tot veel zogeheten wilde, of beter gezegd, zelfstandige i.e. niet door vakbonden geleide, stakingen en zwarte lonen.
De ontwikkelingen in de eerste jaren na de oorlog tonen duidelijk aan dat deze sterkste factie binnen regering, werkgevers en vakbeweging deze keus wel- en doelbewust heeft gemaakt.
De meelfabriek Noury & Van der Lande was een bedrijf met circa 200 man personeel. De directie was geparenteerd aan hoge katholieke kringen. Zo was De Quay getrouwd met de dochter van de oudste firmant en ook L.G. Kortenhorst, secretaris van de Algemeene Katholieke Werkgevers Vereeniging, behoorde tot de intimi van de familie.
De fabriekscommissie voerde in de zomer van 1945 besprekingen met de directie over een loonsverhoging, over bepaalde duurtetoeslagen en over een vakantie van twee weken. Toen dit niets opleverde nam de fabriekscommissie contact op met de EVC, waar volgens het MG vrijwel het gehele personeel bij was aangesloten. Dit was voor de katholieke fabrieksarbeidersbond St.Willibrordus aanleiding om de directie te laten weten, samen met de bij het NVV en het CNV aangesloten bonden over een CAO te willen onderhandelen, als de EVC daar maar niet bij betrokken zou worden. Medio augustus 1945 vond een eerste bespreking plaats. Niet lang daarna schreef de Deventer EVC-afdeling dat zij het wensenpakket van de fabriekscommissie ondersteunde en dat 90% van de arbeiders van het bedrijf bij haar was georganiseerd. De uitnodiging voor een bespreking daarover liet het bedrijf onbeantwoord.
De directie had zich inmiddels door Kortenhorst laten informeren dat de EVC niet werd erkend door de regering en dus geen partij kon zijn in de onderhandelingen. De arbeiders van Noury & Van der Lande werden in een ledenvergadering van de EVC over de afwijzing door de directie geïnformeerd en zij eisten verontwaardigd dat de EVC uiterlijk 9 september zou worden erkend, omdat anders de voedselvoorziening in groot gevaar zou komen; eventuele onderhandelingsresultaten met de Uniebonden zeiden zij te zullen verwerpen. En hiermee waren dus opnieuw concrete eisen van arbeiders verknoopt geraakt met de strijd om erkenning van de EVC.
Rijksbemiddelaar Van der Dussen vond, in afwijking van het standpunt van het Ministerie van Sociale Zaken, dat er wel degelijk met de EVC kon worden gesproken, omdat het ultimatum alleen betrekking had op erkenning van de EVC als gesprekspartner en niet bedoeld was om de gestelde eisen door te zetten. Hiermee verviel in feite het argument van de directie van Noury & Van der Lande dat er met de EVC niet kon worden onderhandeld, omdat zij niet erkend was; de EVC op haar beurt werd opnieuw met het dilemma geconfronteerd dat zij zich op voorhand bij een uitspraak van de Rijksbemiddelaar zou moeten neerleggen, wilde zij tot diens onderhandelingstafel worden toegelaten.
Kortenhorst kon de directie al vrij snel geruststellen, omdat Drees aan de Stichting van de Arbeid had laten weten dat de regering geen pressie op de ondernemers wenste uit te oefenen om de EVC te erkennen. Dit hield in dat de regering wèl de EVC zou uitsluiten, wanneer ze staakte, maar dat ondernemers die de EVC buiten sloten, van de regering geen last zouden hebben. Verder had Drees te kennen gegeven dat de restrictie die Blokzijl had gemaakt, nl. dat de erkenning van de spelregels alleen maar in het Rotterdamse geval had gegolden, eveneens aanleiding was de EVC niet te erkennen.
De avondploeg ging op zondag 9 september niet aan het werk en omdat de in St.Willibrordus georganiseerde arbeiders weigerden onderkruiperswerk te doen, waren vrij snel 118 van de 170 arbeiders in staking. Zoals bij veel bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie betekende een staking niet alleen dat er niet werd geproduceerd, maar ook dat producten waaraan al werd gewerkt, het risico liepen te bederven.
Er volgde medio september een bemiddelingspoging van de rijksbemiddelaar die evenwel niets opleverde. Onder druk van de landelijke leiding van de EVC was de afdeling Deventer er mee akkoord gegaan om zich bij een uitspraak van Van der Dussen neer te leggen. De directie was door de Stichting van de Arbeid onder druk gezet en toonde zich daarom niet gevoelig voor de argumenten van de rijksbemiddelaar dat ook andere ondernemers in voorkomende gevallen met de EVC overleg voerden. Hij verwees hierbij nadrukkelijk naar de Twentse textielfabrikanten.
Op verzoek van de Stichting ontkrachtte Van Eck per ommegaande diens beweringen. Na andere bemiddelingspogingen van ondermeer de waarnemend burgemeester C.A. Doets en het GAB zat er geen beweging meer in het conflict. De directie van Noury & Van der Lande liet de zaak op zijn beloop. Daarop nam de Deventer EVC het initiatief om met andere acties de staking kracht bij te zetten. Op 19 september, enkele dagen na de laatste bemiddelingspogingen, legde een 24-uursstaking heel Deventer plat. Alleen de plaatselijke bakkers en de arbeiders van de gasfabriek bleven aan het werk, waarbij de laatsten hun loon van die dag in de stakingskas stortten. Bij de demonstratieve optocht van die middag trokken niet minder dan 12.000 mensen van het EVC-gebouw naar het stadhuis om te eisen dat Noury & Van der Lande op andere gedachten werd gebracht. Daarnaast verklaarden 6.500 arbeiders in nog weer een andere bijeenkomst, dat zij tot een tweede proteststaking zouden overgaan als de eerste geen effect zou hebben.
Het dringende beroep van de burgemeester van Deventer op Drees om de directie met klem te adviseren de EVC te ontvangen, mocht geen baat hebben. Wat Doets zag als een klein gebaar, was in de ogen van Drees een verstoring van zijn strategie gericht op het onschadelijk maken van de EVC. Diens beleid wierp ook nu weer vruchten af, want de landelijke EVC-leiding begon net als in andere gevallen bakzeil te halen. Dit was een logisch uitvloeisel van haar pogingen om via het uitoefenen van druk, waar de arbeidersacties voor werden gebruikt, toegelaten te worden tot de onderhandelingstafel; deze pogingen liepen steeds te pletter op de rotsen van een vastberaden minister en de met hem samenwerkende organisaties van werkgevers en werknemers, verenigd in de Stichting van de Arbeid.
Terwijl van alle kanten de steungelden voor de stakers binnenstroomden, liet de EVC-leiding weten dat de voedselvoorziening niet mocht worden belemmerd en dat de arbeiders zouden tonen over reëel verantwoordelijkheidsbesef te beschikken, wanneer zij tot opheffing van de staking zouden besluiten. Toen de stakers in de eerste helft van oktober aandrongen op nieuwe protestmanifestaties, wees de EVC-leiding dat af. Ook een voorstel om elders solidariteitsstakingen te organiseren, bijvoorbeeld bij de Stoommeelfabriek Holland in Amsterdam, kon geen genade vinden bij de EVC-leiding. Deze wilde geen escalatie van het conflict, hoewel dit de druk op Noury & Van der Lande, de regering en de Stichting had kunnen vergroten. Zij verklaarde daarentegen, dat zij nog eens wilde trachten via overleg tot oplossing van het geschil te komen. Gegeven de krachtsverhoudingen op dat moment was dit geen reële optie meer en zo waren de kansen voor de stakende arbeiders om het conflict te winnen in feite verkeken. Op 31 oktober stuurde Noury & Van der Lande zijn personeel een voorstel tot een loonsverhoging die veel lager was dan de oorspronkelijk geëiste verhoging: ƒ1,30 per week in plaats van de geëiste ƒ4,-. Een delegatie van de stakers overlegde met de directie, maar kon geen overeenstemming bereiken over een beter loonbod. Daarop arrangeerde burgemeester Doets een gesprek van enkele stakers en een vertegenwoordiger van de EVC met Drees. Deze liet doorschemeren dat de Rijksbemiddelaar wel met een passende oplossing zou komen en daarop hervatten de Deventer arbeiders na 10 weken het werk. Een alternatief was er in hun ogen ook niet meer.
In januari 1946 dreigden de arbeiders van Noury & Van der Lande opnieuw met acties. Enerzijds omdat de Rijksbemiddelaar niets van zich had laten horen, ondanks de toezegging van Drees, anderzijds omdat een aantal stakers, vrijwel allemaal lid van de EVC, was ontslagen, ondanks het feit dat het bedrijf wel andere arbeiders in dienst nam.
Ook de Deventer-arbeiders slaagden er niet in hun looneisen doorgezet te krijgen. Ook zij moesten ervaren dat de vakbond van hun keuze niet de erkenning kreeg die zij wilden èn dat deze hun strijd offerde op het altaar van de erkenning, die net als in Rotterdam, in het water viel. In de textielindustrie volgden de Twentse ondernemers dezelfde tactiek en ook daar zouden de arbeiders ervaren dat de vakbond van hun keus, althans van een aanzienlijk deel van hen, geen schijn van kans maakte om enige rol van betekenis te spelen. Een groot aantal leden van de EVC in Deventer zegde zijn lidmaatschap op, al kon er volgens de Deventer Bestuurders-bond nog niet worden gesproken van een volledige kentering in de houding van de EVC-ers ten opzichte van hun bond.
In de herfst van 1945 bracht het bijkantoor Almelo van het Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB) in Hengelo een rapport uit onder de niet mis te verstane titel Arbeidsschuwheid in de textielindustrie. Het arbeidsbureau had geconstateerd dat veel textielarbeiders geen zin hadden om weer de fabriek in te gaan. Het schreef, dat de textielindustrie bezig was weer op gang te komen en dat de arbeiders die tijdelijk in de DUW te werk waren gesteld, opnieuw in hun eigen beroep aan de slag konden. Deze arbeiders werden dan ook opgeroepen, maar wat bleek? Ondanks het wijzen op de noodzakelijkheid van het weder in werking stellen der betreffende bedrijven, wenschte niemand wederom in de fabriek terug te keeren. Zij prefereerden blijkbaar het buitenleven boven het werken in de fabrieken. Tegen het nemen van maatregelen door het arbeidsbureau, zooals ontslag uit den tegenwoordigen dienst, het inhouden van elk middel van steun e.d. hadden deze menschen geen bezwaar. Men kan hieruit slechts concludeeren, dat deze arbeiders wel weer hun brood zouden weten te verdienen; misschien zelfs in den zwarten handel.
Het GAB zat met de handen in het haar en vroeg zich met een dikke streep eronder af: wat moet het arbeidsbureau in dezen doen?
De oorzaak voor deze afkeer van het werken in de textielindustrie moet worden gezocht, zo is de algemene opvatting in de literatuur, in de ervaringen uit vooral de crisisjaren. De plaatsvervangend directeur van het GAB te Enschede, J. Bijkerk, omschreef het in 1951 als een textielvlucht, gevolg van de onbevredigende sociale politiek der ondernemers, nog geaccentueerd door de betere verhoudingen in andere bedrijfstakken. Hierdoor was het vertrouwen van de arbeider in het algemeen en in het bijzonder in zijn werkgever, geschokt. Het wantrouwen, dat is ontstaan, is de vrucht niet slechts van de crisisjaren, maar reeds van jaren daarvoor. Bij de arbeider heeft de gedachte post gevat, dat alles beter is, dan het afstaan van zijn kinderen aan de textielindustrie.
De sociaal geograaf M.W. Heslinga wees op de rationalisatie en met name op de tempoverhogingen in de jaren ´30, waardoor veel arbeiders, met name de wevers, zo zwaar belast waren dat zij 's avonds veelal te moe waren om nog ergens belangstelling voor op te kunnen brengen. Wanneer zij hiertegen protesteerden, kregen zij niet zelden van hun baas ten antwoord: als je je niet wilt schikken, nemen wij een ander. Een ander motief voor de weerzin tegen de textielindustrie dat hij veel had gehoord was: wij zijn in de crisis zonder pardon op straat gezet. De benarde levensomstandigheden in de werkloosheidsjaren zijn in de meeste gezinnen, welke hieronder gebukt zijn gegaan, nog geenszins vergeten. De herinnering daaraan overvleugelt vaak die aan de oorlogsjaren. De journalist A. Buter die geldt als een van de belangrijkste schrijvers over de Twentse (textiel) geschiedenis, natuur en volkskunde, schreef onder meer (…) juist de arbeider, schichtig geworden door de ervaringen van de crisistijd, moest niets meer hebben van een industrie, die hem alleen in goede tijden onder de kin streelde, maar die hem geen permanente zekerheid van een redelijk betaalde arbeidsplaats bood. De cultureel antropoloog J.L. de Jager verwoordde de weerzin in zijn al meer geciteerde studie over Nijverdal-Ten Cate, het tegenwoordige Koninklijke TenCate, aldus: Vanwege enkele langdurige loonconflicten voor de oorlog, die uitliepen op smadelijke nederlagen voor de vakbeweging, was de textielindustrie na de oorlog onder arbeiders steeds minder populair geworden. Ook de massa-ontslagen tijdens de crisisjaren en de regionale oververtegenwoordiging droegen tot die verminderde populariteit bij. De prijs die de werkgevers, ook zij die buiten de loonconflicten waren gebleven, hiervoor moesten betalen, was niet gering. De voormalige personeelschef van Katoenspinnerij Bamshoeve, J. Knoop, ten slotte stelde: Tekort aan personeel was toen (in de jaren na de oorlog, schrijnend) vrijwel algemeen in de industrie, maar de textiel had het extra moeilijk vanwege haar beeld bij de bevolking. Veel textielgezinnen wilden hun kinderen uit de textielfabriek houden
Met het stil komen liggen van een steeds groter deel van de textielindustrie was er in de loop van 1942 ruimte ontstaan in de agenda en hoofden van een aantal fabrikanten om zich te beraden over het negatieve imago van de textielindustrie en over wat daaraan te doen. Aanvankelijk gingen de discussies over de vraag hoe de arbeiders na de oorlog weer in het arbeidsproces zouden kunnen worden ingeschakeld, hoe de meest geschikte krachten voor bepaalde werkzaamheden te selecteren en op welke manier bij- en omscholing konden worden uitgevoerd.
Bureau Berenschot voerde hiertoe in 1943 een onderzoek uit naar de wijze van selecteren van arbeiders en stelde beroepsprofielen op voor een aantal functies. Het succes van dit en van soortgelijke onderzoeken wierp al snel de vraag op hoe de textielindustrie na de oorlog aan voldoende personeel zou kunnen komen. Om hierop een antwoord te formuleren voerde J.S. van Hessen voor Berenschot in ditzelfde jaar een sociographische research uit in samenwerking met een aantal bedrijven en het Arbeidsbureau. Het onderzoek gaf een onthullend beeld van de textielindustrie en liet zien dat deze industrie een zodanig negatief imago had, dat er in de nabije toekomst onvoldoende geschikte arbeidskrachten aangetrokken zouden kunnen worden.
Na de bevrijding kwam deze verwachting volledig uit en zelfs in een dergelijke mate dat er, in de woorden van Bijkerk, sprake was van een bedreiging van het voortbestaan der industrie.
Het gebrek aan personeel trad het eerst aan het licht in de spinnerijen, op het moment namelijk dat deze in het najaar van 1945 weer grondstoffen binnen kregen. Dit leidde tot een verbeten jacht op vrouwelijk personeel waarbij men aan het peil van deze krachten zeer weinig aandacht besteedde; aan de lonen des te meer, zodat deze bij het in werking treden van de CAO in 1946 al ver boven het maximaal toegestane peil lagen.
Een belangrijk gevolg van het aantrekken van onvoldoende vakbekwaam en gemotiveerd personeel was dat de productiviteit laag was en maar moeizaam omhoog ging Volgens Bijkerk bleef de productiviteit juist in de bestbetalende bedrijven achter en dreigde er een vicieuze cirkel te ontstaan, doordat veel bedrijven de achterblijvende productiviteit tegengingen door nog meer personeel aan te trekken.
Dit gaf vanzelfsprekend een verdere opwaartse druk op de lonen. Vooral in Enschede leidde dit tot een forse overbezetting. Deze had vooral betrekking op mannelijke arbeiders, juist omdat vrouwelijk personeel zo moeilijk te krijgen was. Hierdoor daalde het percentage vrouwen in de textielindustrie scherp; voor de oorlog had dit op circa 33% gelegen.
De bedrijfseconomische noodzaak om de productiviteit te verhogen en zo de kostprijs te verlagen, werd belemmerd doordat de interne organisatie in veel bedrijven zeer te wensen overliet.
Bovendien stuitten pogingen hier verandering in te brengen middels wetenschappelijke methodes op veel weerstand onder de arbeiders gevolg van hun ervaringen in de crisisjaren. Het zijn deze fouten, in den beginne gemaakt om de productie op te voeren, die tot de huidige dag veel zorgen baren, schreef Bijkerk begin jaren vijftig.
In bedrijven waar men de oorlogsomstandigheden had gebruikt om de productie rationeler in te richten met behulp van externe deskundigen en waar men ook nadrukkelijk aandacht had besteed aan de sociale omstandigheden, deden de genoemde problemen zich niet of nauwelijks voor. De productiviteit had er volgens Bijkerk snel weer het vooroorlogse peil bereikt met nagenoeg dezelfde aantallen arbeiders als voorheen.
Op 20 augustus 1945, toen de textielindustrie nog maar heel voorzichtig op gang aan het komen was, legden negen niet-georganiseerde twijnsters bij Arntz. Jannink in Goor het werk neer op grond van het feit dat eenige anderen in den oorlog wel eens met katoen zijn geholpen en zij niet. Hoe deze staking is afgelopen is niet bekend, maar in ieder geval bemoeide het MG zich er niet mee, want, zo deelde het aan Van Eck mee, dat mocht niet meer van Kruls.
Een aantal elementen dat in de eerste naoorlogse jaren in het geding zou zijn, kwam bij dit kleine conflict al naar voren, zoals het feit dat het om arbeidsters ging die sleutelposities innamen.
Zij werkten bijna allemaal in de spinnerij en als zij het bijltje erbij neergooiden, kwam na kortere of langere tijd de rest van het bedrijf stil te staan wegens gebrek aan grondstoffen. Hier kwam in het geval van Jannink nog bij dat, volgens Van Eck, dit bedrijf de hoogste prioriteit (had), het twijnt garens voor canvas voor Vredestein (fietsbanden) en voor producten voor de mijnen.
Een ander kenmerk was dat de arbeidsters vaak op eigen houtje in staking gingen en dat om de kleinste kleinigheid. Het bleek in die tijd bovendien nauwelijks mogelijk de arbeidsters tot rede te brengen.
Niet alleen de twijnsters bij Jannink kwamen voor hun belangen op; dat deden ook de 200 arbeiders van Blijdenstein & Co in Enschede. Toen het bedrijf kort na de bevrijding nog stil lag en de arbeiders voor de DUW moesten werken, hadden zij al laten merken wie zij waren en wat zij wilden. Half juli beschikte het bedrijf weer over katoen en de directie besloot weer te gaan draaien. Het personeel kreeg hiervan bericht en tevens werd hen meegedeeld dat de werkweek op 42½ uur was vastgesteld. De arbeiders vonden dit te lang en op maandag 16 juli verschenen zij ’s morgens om 8 uur en niet om half acht zoals de directie had bepaald.
Bij Ten Cate werd de werktijd met ingang van 20 augustus weer verhoogd tot 48 uur (vanaf 24 april was die 42 uur per week geweest), maar om 15.30u gingen alle arbeiders gewoon naar huis. De arbeiders waren het er niet mee eens dat Ten Cate als een van de eerste bedrijven weer 48 uur ging werken, terwijl nog lang niet alle beschikbare mensen in de fabriek aan het werk waren.
Bovendien wilden zij dat er eerst een nieuwe fabriekskern zou worden gekozen. Na de toezegging, direct de volgende dag, door directielid G. ten Cate dat er een nieuwe fabriekskern kon worden gekozen, accepteerden de arbeiders de nieuwe werktijd en beëindigden de werkdag voortaan op 16.45u. In een overleg van de FVA met de Bedrijfsunie op 11 september kwam Ten Cate op deze kwestie terug en wierp de bondsbestuurders voor de voeten dat op 20 augustus ook de leden van de uniebonden de beenen hadden genomen. De directie van Ten Cate uitte haar teleurstelling hierover, omdat het bedrijf juist de oude organisaties steun (wilde) geven. In het Dagelijks Bestuur van Unitas onderschreef Vunderink dit en hij keurde de houding van zijn menschen in dezen evenzeer af. De verkiezingen voor de kern leidden er toe dat er ook arbeiders die aangesloten waren bij de EVC, lid werden en daarop trokken de leden van de Uniebonden zich allemaal terug. Dit had tot gevolg dat deze fabriekscommissie geruime tijd alleen maar uit EVC-leden bestond. Directeur Gorter realiseerde zich al snel welk probleem hij zich hiermee op de hals had gehaald en verzocht Van Eck om aan Slotemaker van de Stichting van de Arbeid de vraag voor te leggen of Ten Cate contact met de EVC kon weigeren omdat deze organisatie niet in de Stichting vertegenwoordigd was. Dit naar analogie van een soortgelijke actie van de Noury & Van der Lande in Deventer.
Op 16 juli had de bedrijfsleiding van I.I. Rozendaal’s Import & Exportmij ook weer willen laten beginnen. Doordat de geallieerden de gebouwen in beslag hadden genomen, had het bedrijf vanaf 24 april 1945 stil gestaan; per 16 juli was een aantal afdelingen weer vrijgegeven. De directie liet dit aan de arbeiders weten en deelde hun ook mee dat de lonen waren verhoogd met 15% boven het peil van oktober 1942, zodat het minimumloon op 56 cent per uur kwam. De ongeveer 40 arbeiders vonden dat te weinig en eisten 60 cent. Zij kregen hun zin. Enkele maanden later, op 15 oktober, legden zij het werk opnieuw neer met ditmaal als eis optrekking van het loon van 60 naar 68 cent per uur. Het conflict broeide toen al 5 weken en het nu tot 75 man aangegroeide personeel, van wie volgens Werkend Nederland 75% lid was van de EVC, had er genoeg van. De rijksbemiddelaar bood zijn hulp aan, maar eiste ditmaal niet, wat zeer opmerkelijk is, dat de arbeiders zouden verklaren dat zij zich bij zijn uitspraak zouden neerleggen. Zijn bemiddelingsvoorstel van 62 cent wezen de arbeiders van de hand en na ongeveer 8 weken staking kregen zij volledig hun zin. De 68 cent zou ook worden betaald over de vijf weken voorafgaand aan de staking. De vooraanstaande sociaal-democraat C. van Es, in die tijd ambtenaar van het GAB en als zodanig toegevoegd aan de rijksbemiddelaar, schijnt in dit conflict een ietwat merkwaardige rol te hebben gespeeld. Volgens verschillende bronnen had hij pogingen in het werk gesteld om het bedrijf in een lagere loonklasse geplaatst te krijgen, z.g. omdat het werk bij de firma I.I. Rozendaal’s Im- en Exportmij gemakkelijk ook door geestelijk minderwaardigen zou kunnen worden verricht.
Op 12 april 1945, enkele dagen na de bevrijding, rapporteerde de Almelose arts J.H. Pannekoek dat de algemene gezondheidstoestand van de plaatselijke bevolking bevredigend was. Er waren nog geen gevallen van ondervoeding geconstateerd, maar wel waren er rond de 70 mensen zwaar tbc-patiënt. Ook difterie, schurft en tyfus kwamen veel voor; de laatste ziekte vooral onder mensen die uit Duitsland terugkwamen. Het was bij deze mensen bovendien dringend gewenst dat zij werden ontluisd. De belangrijkste geneesmiddelen waren in voldoende mate beschikbaar, in ieder geval voor de eerste weken. Enkele weken later bleek het aantal met tyfus besmette mensen zo sterk te groeien dat de Gemeente Almelo op zoek moest naar een apart gebouw, waar zij geïsoleerd verpleegd konden worden.
Hiermee ontstaat een indruk van de gezondheidssituatie in Almelo en waarschijnlijk week het beeld in de andere plaatsen in Twente hier niet veel van af. Volgens de tijdelijk burgemeester van Almelo, E. van Dronkelaar, was het beschikbare voedsel voldoende om de lichamelijke gezondheid in stand te houden, om de arbeidsgeschiktheid te herstellen en in stand te houden, is zij echter niet toereikend. Dit bleek toen de fabrieken eind 1945 weer op gang kwamen.
Het voedsel dat de Oldenzaalse en waarschijnlijk ook de overige Twentse arbeiders consumeerden, bestond hoofdzakelijk uit brood en aardappelen met vet. Groenten werden maar zeer beperkt gegeten, al at men ’s zomers veel fruit (of dit in de stedelijke gebieden ook veel voorkwam is niet met zekerheid te zeggen). Deze zaken kwamen naar voren uit een onderzoek naar de gezondheidstoestand van de arbeiders van Gelderman dat het bedrijf in 1946 door Centraal Beheer liet instellen naar aanleiding van ongebruikelijk hoge ziektecijfers. In de eerste zeven maanden van 1946 was het verzuim voor bepaalde veel voorkomende aandoeningen tot wel 5 weken opgelopen. Bovendien bedroeg de arbeidsproductiviteit maar 68% in vergelijking met vóór de oorlog. De onderneming had in eerste instantie gedacht dat gemakzucht een hoofdrol speelde en dat op andere wijze buiten de fabriek inkomsten verkregen werden, die het wekelijkse loon verre overtroffen. Uit het onderzoek kwam echter naar voren dat de oorzaak moest worden gezocht in de gebrekkige kwaliteit van het voedsel, m.n. een groot gebrek aan vitamine A. Symptomen als bloedarmoede, rugpijn, vergroting van de schildklier, nervositeit, oververmoeidheid en ondergewicht waren gevolg van het voedingspatroon en een gebrek aan vitamine A-D. Gedurende den oorlog, zo schreven de onderzoekers, heeft de bevolking (…) geen honger geleden en vermageringen gedurende 1940-1945 kwamen praktisch niet voor.
Quantitatief is de voeding dan ook wel voldoende geweest. De qualiteit der voeding, ook in de voor- en naoorlogse tijd is vaak onvoldoende. Het was daarom dringend noodzakelijk dat er verbetering kwam in de voedingstoestand van de textielarbeiders vooral voor wat betreft de kwaliteit van het voedsel. Verder was het wenselijk dat de arbeiders gelegenheid kregen tot recreatie en dat ook aan de hygiëne in de fabrieken meer aandacht wordt geschonken, speciaal wat de toiletten betreft. Een regelmatig onderzoek van de arbeiders moet plaats hebben en de praeventieve geneeskunde dient veel meer in de fabrieken te worden ingevoerd. Van het totale personeelsbestand hadden 177 mannen en 97 vrouwen bloedarmoede, 22 mannen en 49 vrouwen hadden een vergrote schildklier en 241 mannen en 180 vrouwen hadden een ondergewicht van 5 kilo of meer. Een van de afdelingen waar het ziekteverzuim in 1946 sterk gestegen was, was de spoelerij, een afdeling waar (jonge) vrouwen sterk oververtegenwoordigd waren, 71,2% was jonger dan 27 jaar. Aangezien de spoelerij bij geïntegreerde spin-wevers een van de belangrijkste schakels in het productieproces vormde, was het hoge ziekteverzuim een directe en ernstige bedreiging voor de output van de onderneming als zodanig. Tijdens het onderzoek bleek rugpijn, een veel voorkomende klacht, eenvoudig te verhelpen. De machines werden hoger geplaatst, waardoor de arbeidsters niet meer voorover hoefden te staan. De meeste spoelsters hadden bloedarmoede en dat terwijl hun werk toch al veel van hun uithoudingsvermogen vergde. Zij waren vaak zeer nerveus en na den arbeid oververmoeid. Van de 40 spoelsters die waren onderzocht hadden 21 een ondergewicht van 5 kg en 12 spoelsters hadden een ondergewicht van 10 kg of meer.
Samenstelling personeel H.P. Gelderman & Zn in augustus 1946
Mannen Vrouwen
Kantoor 20 11
Zakkenafdeeling 1 7
Weverij 60 9
Nieuwe weverij 55 0
Semarang weverij 257 4
Kunstzijde weverij 189 6
Spinnerij 288 120
Scheerderij 16 19
Spoelerij 28 59
Sterkerij 20 0
Aandraaierij 12 34
Stukkenkantoor 44 3
Technische afdeeling 122 1
Verder kwam schurft veel voor onder het personeel. De bloedarmoede werd bestreden met ijzer-preparaten en dit leverde snel een verbetering in de gezondheidssituatie op en, niet onbelangrijk voor Gelderman, al na 14 dagen was een merkbare stijging der productie te constateeren.
Naar aanleiding van berichten over de weigering van arbeiders in Tilburg om overwerk te verrichten, zelfs niet voor korte tijd, zolang er in de voedselpositie geen verbetering was gekomen, vertelde Gelderman in de Vakraad over de resultaten van het in zijn bedrijf uitge-voerde onderzoek. Er was weliswaar geen sprake van ondervoeding, maar de fysieke toestand van de arbeiders liet als gevolg van de onvoldoende vlees- en vetvoorziening veel te wensen over. Dit gold niet alleen voor de arbeiders die ploegenwerk en overwerk verrichtten, maar algemeen en wel meer in het bijzonder voor de werknemers, die zware arbeid moeten verrichten. Voor de arbeiders, die in de middagpauze niet naar huis kunnen gaan, is het broodrantsoen ten enenmale onvoldoende.
Ook Van Heek & Co kreeg in 1946 te kampen met een sterke stijging van het ziekteverzuim; was het voordien doorgaans niet hoger geweest dan 2%, in mei was het opgelopen tot 10% en in juli tot 20%. Als gevolg hiervan stokte de stijging van de productie in diverse spinnerijen. Het bedrijf overwoog vitaminepillen beschikbaar te stellen, omdat men vermoedde dat de ziekte van veel vrouwen (exceem, zweren, etc.) samenhing met de gebrekkige kwaliteit van de voeding.
Kort vóórdat het ziekteverzuim als gevolg van de slechte voedselvoorziening zo scherp steeg, had Van Eck de bedrijven die voor hun personeel voedsel van de Centrale Keuken afnamen, de vraag voorgelegd of er belangstelling was om de apparatuur van de centrale keukens over te nemen en om de verstrekking van voedsel voor gemeenschappelijke rekening voort te zetten.
Sinds de verruiming van het distributiepakket was het aantal particuliere afnemers sterk verminderd en daardoor was de exploitatie verliesgevend geworden. Voor de gemeente Enschede was dit reden om de verstrekking van voedsel via de Centrale Keuken per 19 januari 1946 stop te zetten. Geen enkel bedrijf had hier belangstelling voor.
Toen in december van dat jaar echter bleek dat Blijdenstein & Co haar arbeiders die in ploegen werkten, een gratis warme maaltijd verstrekte en dat andere arbeiders tegen betaling van 20 cent eveneens een maaltijd konden krijgen, leidde dat tot fikse irritaties in de ledenvergadering van de FVE. Dit verhinderde de onderneming evenwel niet om er gewoon mee door te gaan. Deze irritatie hing ten nauwste samen met de angst dat de onderneming hiermee arbeiders zou wegkapen bij andere bedrijven, wat vanwege de afkeer van het werken in ploegen geen irreëel denkbeeld was. In het najaar van 1947 kregen ook andere bedrijven belangstelling voor het verstrekken van maaltijden. Van Eck schreef het bestuur op 15 oktober dat de voedselpositie niet zoo (was), dat men het streven, maaltijden te verstrekken aan ploegenarbeiders of aan arbeiders die van buiten (de stad, schr.) komen, kan afkeuren. Daar staat tegenover, dat deze materie zich wel buitengewoon goed leent tot onderlinge concurrentie. In opdracht van het bestuur wendde hij zich enkele dagen later tot de leden van de FVE om hen te waarschuwen voor het ongeremd verstrekken van gratis maaltijden. Heeft men veel ploegarbeiders van buiten, dan komen de Enschedesche arbeiders in opstand, omdat velen van hen ook wel een warme maaltijd kunnen gebruiken. Ook de arbeiders van buiten, die tijdens de schaft niet naar huis kunnen gaan, zouden er wel voor in de termen vallen. Er ontstaan dus allerlei wrijvingen en spanningen. Het bestuur gaf er sterk de voorkeur aan dat de keukens in één hand kwamen, die voor uniformiteit in de maaltijden en de betaling zorgde en die deze op zich zelf gevaarlijke opzet vrij hield van iedere zweem van onderlinge concurrentie.
De Katoenspinnerij Bamshoeve antwoordde dat het bedrijf van plan was om op korte termijn een eenvoudige warme maaltijd tegen redelijke prijs te gaan verstrekken aan alle ploegenarbeiders, maar voelde niets voor het opnieuw in het leven roepen van een centrale keuken. De spinnerij deed dit niet om op die manier arbeiders bij andere fabrieken weg te lokken, maar om het werken in ploegen wat aantrekkelijker te maken. Enerzijds is het verschil in eindloon maar vrij gering, terwijl aan de andere kant vele huiselijke moeilijkheden er het gevolg van zijn, zo vatte de onderneming de bezwaren van de arbeiders samen. Wanneer wij in de textielindustrie tot een hogere productie willen geraken, dan zullen daartoe meer werkkrachten en indien mogelijk vlijtige en bekwame werkkrachten, aangetrokken moeten worden. Dit kan alleen slagen, wanneer de werkgever zorg draagt voor, naast een behoorlijke beloning, een prettige werkkring en aantrekkelijke omgeving binnen het kader van zijn bedrijf. Het bedrijf zette hiermee de lijn door die het bij de vaststelling van de lonen voor het vrouwelijke personeel had gevolgd en die uiteindelijk door (vrijwel) de gehele Twentse textielindustrie werd overgenomen bij de oprichting van de Stichting Aanzien Textielvak.
De directie van Rigtersbleek liet het bestuur in december weten dat zij al langer vond dat menschen, die uit andere plaatsen per bus hier komen, in de gelegenheid moeten zijn om een warme maaltijd te gebruiken, daar zij over het algemeen zeer lang van huis zijn. De onderneming had hier niets mee gedaan, omdat zij niet over een behoorlijke voorziening daarvoor beschikte. Nu had men echter een bedrijf gevonden, de Fa. H. van Enck, die dit wel wilde verzorgen.
Voor een gezamenlijk beraad over wat te doen belegde het bestuur van de FVE in januari 1948 een bijzondere ledenvergadering. H.J. Blijdenstein Jr. van Blijdenstein & Co gaf aan dat zijn bedrijf de maaltijdverstrekking weer had opgepakt, omdat daar behoefte aan was. Alleen arbeiders die 5 km of meer uit het centrum van Enschede woonden, arbeiders in ploegendienst en arbeiders jonger dan 17 jaar hadden recht op een maaltijd, waarvoor zij ƒ0,20 per keer moesten betalen. De kostprijs van een maaltijd was ongeveer ƒ0,35.
De Bamshoeve hanteerde een vergelijkbare methode en vroeg ook ƒ0,20 per maaltijd.
H.D. ter Kuile van de Spinnerij Tubantia vond het verstrekken van maaltijden in Enschede eigenlijk niet nodig. In zijn Spinnerij Eilermark, net over de grens bij Glanerbrug, lag de situatie volgens hem heel anders, omdat daar de voedselvoorziening veel minder rooskleurig was.
Volgens Van Eck echter was de voedselsituatie speciaal voor ploegwerkers en meerdere overblijvende arbeiders ook hier niet bevredigend (…), zoodat het streven van de bedrijven om daarin verbetering te brengen, mede ten aanzien van een opvoering der productie, dus wel gerechtvaardigd is. De meeste andere fabrikanten waren dit met hem eens en zij vonden ook dat deze materie een gevaarlijk element van onderlinge concurrentie (inhield), dat à tout prix buitengesloten (moest) worden aan de hand van een strenge uniformiteit. Op 19 januari 1948 verstuurde Van Eck een circulaire aan de leden met de vraag of zij belangstelling hadden om maaltijden te gaan verstrekken aan de arbeiders, op basis van de voorwaarden zoals die waren afgesproken in de ledenvergadering: alleen maaltijden voor arbeiders die in ploegen werkten en aan arbeiders die minstens 5 km van de fabriek verwijderd woonden; elke maaltijd zou ƒ0,25 kosten; arbeiders zouden niet te hooi en te gras mee kunnen eten, maar bonnenboekjes moeten kopen, die na enige tijd niet meer geldig zouden zijn; het bestuur van de FVE zou één leverancier in de arm nemen en de kosten zouden maximaal ƒ0,55
Enkele dagen na de ledenvergadering bleek dat Blijdenstein & Co de maaltijden gratis verstrekte aan de ploegenarbeiders. Het aanwezige directielid had hier met geen woord over gerept. Bestuurslid E.R.S. Krudop van de Twentsche Textielmij schreef als commentaar in de kantlijn van het rondschrijven dat het gratis verstrekken van maaltijden bij bindend besluit van een algemene ledenvergadering moest worden verboden. E. ter Kuile Jr. van E. ter Kuile & Zonen schreef wat mismoedig: Jammer altijd die misverstanden!!
A.J. Blijdenstein van de Katoenspinnerij Bamshoeve had op basis van een gesprek met de directie van Blijdenstein & Co begrepen dat dit bedrijf de maaltijden inderdaad gratis verstrekte. Op zijn vraag of de directie dit in overeenstemming met de gemaakte afspraken zou veranderen, keek men bedenkelijk, hoewel sommige directieleden begrepen dat zij door de zure appel heen moesten bijten. Het probleem was, zo had A.J. Blijdenstein begrepen, dat Blijdenstein & Co de arbeiders in 1946 tot ploegenwerk had weten te bewegen door hen met een gratis warme maaltijd te paaien. De onderneming vreesde, wellicht niet geheel ten onrechte, enige narigheid. Dat was de consequentie van het te veel en te snel toezeggingen doen, zo concludeerde het directielid van de Bamshoeve (
In de ledenvergadering van de FVE in februari bevestigde Blijdenstein & Co dat de toezegging was gedaan juist om deze menschen tot ploegenwerk te bewegen. Op 3 maart legde het bestuur van de FVE de onderneming de verplichting op om met ogenblikkelijke ingang ƒ0,25 per maaltijd te gaan vragen.
De Fa. H. van Enck bracht een offerte uit om voor ƒ0,55 per liter de maaltijden te leveren. Het voorgestelde menu omvatte op vier dagen van de week aardappelen, groente van den dag (worteltjes met doperwten, roode bieten, roode kool, witte kool, appelmoes en salade enz.), vleesch (gebraden vleesch, gehakt of gebraden worst) en jus, en één dag per week soep met worst. Aan de arbeiders in de ochtendploeg kon desgewenst ’s morgens om 9.00u karnemelkspap worden verstrekt. Van Eck vroeg de leden om op de kortst mogelijke termijn aan te geven hoeveel liter zij wensten te ontvangen en op welk tijdstip dat moest gebeuren. Er bleken acht bedrijven mee te willen doen voor in totaal 816 arbeiders. Aan het Centraal Distributiekantoor werd gevraagd om voor dit aantal arbeiders rantsoenen toe te wijzen aan de Fa. H. van Enck voor deze zeer noodzakelijke maaltijden. Na overleg met het Ministerie van Landbouw, Visscherij en Voedselvoorziening werd voor een constructie gekozen, waarbij de betrokken textielfabrieken via een Stichting contracten afsloten met de Fa. H. van Enck.
Deze Stichting Centrale Fabriekskeu-ken was eind 1949 werkzaam voor de volgende bedrijven: Spinnerij Eilermark, Van Heek & Co, Gebr. Van Heek, Textielfabriek Holland, Gebr. Jannink, Gerh. Jannink & Zonen, Ter Kuile Cromhoff, N.J. Menko, Spinnerij Roombeek, Spinnerij Oosterveld, J.F. Scholten & Zonen, Spinnerij Tubantia, Blijdenstein & Co, Katoenspinnerij Bamshoeve en Rigtersbleek
Om te voorkomen dat Blijdenstein & Co narigheid met zijn personeel zou krijgen, wanneer ook deze onderneming ƒ0,25 per maaltijd zou gaan vragen, verzocht Van Eck aan de Hoofdinspecteur van de Arbeid, A.P. Drost, in maart 1948 om de onderneming tegenover haar arbeiders een zekeren steun te geven. Een concepttekst voor de brief die Drost kon schrijven, had hij gemakshalve maar gelijk bijgesloten. Het formele argument ontleende Van Eck aan de CAO.
Het betoog is weliswaar niet geheel in overeenstemming met de tekst van art. 38, maar het is niet bestemd om naar buiten gebruikt te worden en de minachting voor deze tekst kan uit zuiver menschelijke motieven verklaard worden, zo lichtte hij toe, de wetstekst in een behendige slalom aanpassend aan de behoeften. Het befaamde caoutchouc-artikel uit de grondwet van 1887 steekt er bleek bij af. Drost betoonde zich een flexibel ambtenaar en schreef het gevraagde briefje naar Blijdenstein & Co, waarbij hij op een enkele zin na Van Eck’s regie-aanwijzigingen volgde. De cruciale zin luidde: Hoewel ik het toejuich, dat aan arbeiders, die niet in de gelegenheid zijn op de voor hen normale tijd de hoofdmaaltijd thuis te gebruiken en in het bijzonder dus aan ploegwerkers, een warme maaltijd wordt verstrekt, moet ik u er toch op wijzen, dat dit in strijd is met artikel 38 van de CAO voor de textielindustrie.
Kuys schrijft dat het naoorlogse bestel zou staan of vallen al naar gelang zijn vermogen om iets te doen aan werkloosheid, armoede en voedselgebrek. Daarop zouden de bestuurders van het bevrijde Nederland worden afgerekend. Stikker had er bij zijn propagandatour voor de Stichting van de Arbeid tegenover zijn collega-ondernemers nadrukkelijk op gewezen dat deze kwesties de massa's tot exorbitante eischen zouden kunnen brengen. Voor de Twentse textielfabrikanten vormden het plotseling sterk oplopende ziekteverzuim en de achterblijvende productiviteit de wake-up-call die hen op dit punt tot actie dreef. De weerzin tegen het werken in ploegen kon vervolgens voor een deel worden afgekocht met warme maaltijden. De bemoeienis van de fabrikanten met het verstrekken en zwaar subsidiëren van warme maaltijden toont aan dat de voedselvoorziening voor de arbeiders nog vele jaren na de oorlog sterk te wensen overliet en dat de verhoudingen op de arbeidsmarkt het de fabrikanten onmogelijk maakten om deze signalen te negeren. Voor de oorlog immers was het leven voor de arbeiders evenmin een vetpot, maar toen hadden zij het advies gekregen de broekriem wat strakker aan te halen.
Nog in 1950 werden er met korting warme maaltijden verstrekt. Voor de fabrikanten waren de kosten inmiddels opgelopen tot 64 cent per maaltijd en de bijdrage die de arbeiders moesten betalen, was gestegen tot ƒ0,30. De noodzaak hiertoe was echter verminderd, gezien het feit dat in Enschede nog geen 1% van de arbeiders gebruik maakte van deze voorziening; circa 170 arbeiders
De sprong naar 68 cent van de arbeiders van Rozendaal’s Im- en Exportmij ging vrijwel gelijk op met een flinke toename van de bedrijvigheid. Eind augustus waren er weer grote hoeveelheden katoen in Twente aangekomen, al was er nog een groot gebrek aan kolen, en het oorverdovende lawaai van de weefgetouwen begon weer. Dat was belangrijk, zo rapporteerde Pierson aan zijn Chef Staf Kruls, niet alleen, omdat er een dringende behoefte aan textielproducten fbestaat, maar ook omdat dit de eenige manier is om de arbeiders weer aan het werk te krijgen, een eerste vereischte voor een blijvend herstel van de maatschappelijke orde. Medio augustus was circa 30% van de textielarbeiders weer aan het werk.Tegelijk daarmee kwamen de tegenstellingen in de bedrijven weer scherp naar voren. In het blad Spartacus beschreef de voormalige penningmeester van de Landelijke Federatie van Textielarbeiders (NAS) Piet van der Horst de stemming in de bedrijven onder de veelzeggende kop Storm op til!. Er wordt gekankerd en gefluisterd in de fabrieken. Het is er als in de dagen van de illegaliteit. Brieven, pamfletten en kranten circuleren er van getouw tot getouw, van spoelzaal tot spoelzaal, de gehele fabriek door. Maar, men zal het niet mis moeten verstaan. Het is hetzelfde gefluister en gekanker als voor de oorlog. En toch is het weer heel anders. De ondertoon er van klinkt geheel anders, het is het zachte gerommel van een nog ver verwijderde storm. En toch kan hij elk ogenblik hier zijn en zal men het geweldige uitbreken er van ervaren. Het is nu genoeg geweest.
De arbeidersklasse laat niet langer met zich sollen en het Twentse kapitalisme zal alsdan oogsten wat het zelf gezaaid heeft.
Dat deze conclusies niet uit de lucht gegrepen waren, laat zich goed illustreren aan de hand van conflicten bij een tweetal bedrijven, Gerh. Jannink & Zn en bij Gelderman. Bij het eerstge-noemde bedrijf hadden 150 arbeiders op 4 september het werk voor een dag neergelegd. Hierover is helaas maar weinig informatie gevonden, namelijk dat het een verkeerde interpretatie van het nieuwe loonschema betrof en dat de noodige wijzigingen werden aangebracht.
Korte tijd later eiste de directie van de wevers dat zij, nu hun loon gestegen was, ook een hogere productie zouden leveren. Zij moesten in plaats van 8 nu 10 getouwen gaan bedienen. Voor de oorlog waren het er 12 geweest en tijdens de oorlog 5 of 6. Aanvankelijk accepteerden enkele arbeiders deze eis van de directie, maar onder druk van hun collega’s lieten zij er na korte tijd weer twee staan. Er waren nog meer grieven in het geding, zoals valt op te maken uit een brief van Van Eck aan de Uniebonden. Dit waren de tegenzin tegen de administratie van fouten en tegen eventuele boetes, (wat) ook al weer op één lijn (stond) met de bekende afkeer van de stopwatch en met andere naoorlogsche verschijnselen; zaken die, aldus Van Eck, fabrikanten en vakbonden in gezamenlijk overleg zullen moeten trachten te overwinnen.
De weerstand onder de arbeiders om afstand te doen van weinig rationeele productiemethoden, zoals Van Eck het noemde, was onderwerp van gesprek geweest tijdens de CAO-onderhandelingen. In overleg met de vakbonden was afgesproken, dat invoering van een loonsverhoging afhankelijk zou worden gesteld van de wederinvoering van een werkmethode, als waarbij vóór den oorlog een normale arbeidsprestatie werd geleverd, zoals Van Eck de Twents-Gelderse textielfabrikanten liet weten.
Jannink nam deze circulaire ter harte en maakte bekend dat de wevers voortaan 77 cent per uur kregen behalve degenen die twee getouwen lieten staan. Deze zouden gedurende veertien dagen slechts 73 cent ontvangen. Dit leidde tot een staking van anderhalve dag met als enig resultaat dat de gestaakte tijd werd doorbetaald. Waarschijnlijk kwam dit mede door gebrek aan eensgezindheid onder de arbeiders en met name ook door de invloed die de vakbonden op hen hadden. Immers, zij die wél tien getouwen bedienden waren lid van een van de Uniebonden en stonden onder sterke druk van hun organisatie om dat aantal aan te houden. De weigeraars daarentegen waren in de EVC georganiseerd. Uiteindelijk accepteerden alle wevers tien getouwen.
Ook in Nijverdal was de weerstand om weer in de textiel te werken zeer sterk. In dit stadje met een sterk plattelandskarakter beheerste de KSW sinds jaar en dag de economische en sociale structuur en bood de bevolking een beschutte samenleving waarin de verhoudingen vast lagen. De invloed van de protestantse kerken en van politieke partijen als de CHU en ARP op het geestelijke en politieke leven was er groot; de christelijke textielarbeidersbond Unitas telde er eind jaren dertig ruim 850 leden en was daarmee de grootste bond. De crisis van de jaren dertig schokte de samenleving. Zij kerfde in deze beschutte en afgesloten samenleving (…) diepe wonden en was voor de bevolking een koudwaterbad, zoals een sociologisch onderzoek onder de Nijverdalse bevolking in 1952 concludeerde. Een groot aantal arbeiders beneden de 35 en boven de 55 jaar was destijds ontslagen, moest in de werkverschaffing aan de slag. Er werd diepe armoede geleden in Nijverdal en niet alleen daar. Vervolgens doorbrak de oorlog het geestelijk en geografische isolement en deed ook Nijverdal op zijn grondvesten schudden.Vooral de jongere generatie arbeiders, die tijdens de depressie hard was getroffen, wilde na de bevrijding zo mogelijk ander werk en wilde zeker zijn kinderen niet meer naar de KSW laten gaan. De bestaansvrees van maatschappelijk-afhankelijken, zo concludeerde het sociologisch onderzoek, was gewekt in deze tot dusverre afgesloten wereld, die van geslacht op geslacht was geborgen geweest in de schoot van de KSW.
De veranderde verhoudingen kwamen ook tot uiting in arbeidsconflicten. Een ongewoon iets voor Nijverdal, in het bijzonder voor de weverij was een staking bij de KSW waar het jaarverslag over 1947 van de afdeling Nijverdal van Unitas melding van maakte. Aanleiding was dat de directie de wevers meer had willen belasten dan overeengekomen, totdat opeens de bom barstte.De vanzelfsprekendheid waarmee men voor de oorlog lid was van Unitas, was ook weg. In juni 1945 telde de afdeling 103 leden, maar lang niet zoveel als wenselijk is. Een jaar later constateerde bondspenningmeester Slok dat veel arbeiders ontevreden waren en de bond verlieten. Algemeen is er nu teleurstelling nu de hoge verwachtingen na de bevrijding niet in vervulling zijn gegaan. Maar toch moeten we niet versagen en zien op hetgeen we wel bereikt hebben. Als men bedankt voor de organisatie breekt men zijn enigste strijdmiddel af.
Bij Gelderman in Oldenzaal legde een veertigtal arbeidsters uit de spoelzaal op 27 augustus het werk neer voor een loonsverhoging. Op 6 september hervatten zij het werk, nadat zij de gevraagde verhoging hadden gekregen. Volgens het GAB verdienden de spoelsters voortaan 43 cent als minimum. Volgens de nieuwe loonregeling, vastgesteld tijdens de vorige staking, zouden zij minstens 45 cent verdienen en zij konden daar in tarief 10% bovenuit komen.
Het brutoloon zou dan dus ƒ23,76 per week bedragen. Volgens de spoelsters waren de tarieven echter zo scherp gesteld dat enkelen maar aan de ƒ13,- kwamen. Dit werd dan wel aangevuld tot ƒ21,60, maar het bleef hard werken voor weinig geld, aldus de arbeidsters. De bedrijfsleiding verklaarde dat slechte grondstoffen de oorzaak van een en ander waren, maar toonde zich tenslotte bereid de tarieven aan te passen. Directeur Keus van de Heemaf had in Het Twentsch Dagblad over het resultaat van deze wilde staking gelezen en vroeg rijksbemiddelaar Van der Dussen of hij niets aan dit soort berichten kon doen. Ruchtbaarheid geven aan wilde stakingen, waarbij zonder bemiddeling van officiële zijde een forse verhoging was bereikt, stuitte hem tegen de borst; bovendien, zo waarschuwde hij, l’appétit vient en lisant
Of de actie van de spoelsters de honger naar meer loon bij de andere arbeiders heeft vergroot of dat andere factoren de doorslag gaven, is moeilijk vast te stellen. Feit is wel dat eind oktober de Bedrijfsunie zich met een flink aantal klachten en grieven, die op een vergadering met het personeel naar voren waren gekomen, tot Gelderman wendde. De sterkers verdienden 68 cent per uur, maar wilden net als hun collega’s in Enschede en bij plaatsgenoot Molkenboer 75 cent.
De stukkenkeurders in de kunstzijde-afdeling vonden dat zij recht hadden op een uurloon van 60 cent in plaats van de 58 cent die zij betaald kregen. Het personeel van de sterkerij en ververij kon tussen de middag niet thuis warm eten en de bonden onderschreven de wens van de arbeiders tot extra betaling als compensatie hiervoor. In de ververij verdienden sommige arbeiders een verschillend loon, hoewel zij hetzelfde werk deden en in de spinnerij werden voor vrouwen en jeugdige arbeiders lagere tarieven gehanteerd dan voor mannen. Dezelfde klacht leefde onder de inrijgsters. Gelderman wees alle verzoeken vriendelijk maar beslist af, onder meer omdat door de algemene loonsverhoging die net daarvoor was overeengekomen (de brief is van 1 november 1945), de verhoudingen toch weer eenigszins anders komen te liggen. Vroeger, zo liet het bedrijf weten, hadden de sterkerij- en ververij-arbeiders het altijd juist prettig gevonden dat ze met slechts een half uur schaft doorwerkten, want daardoor konden ze eerder naar huis dan de andere arbeiders; om het nu als ploegenarbeid te gaan betalen was niet aan de orde. In de spinnerij had Gelderman aan meisjes en mannen nooit hetzelfde betaald, net als de andere fabrikanten. Als dat wel zou gaan gebeuren, zouden er vrouwenlonen betaald worden die ver boven het normale vrouwenloon uitkwamen. Ook de inrijgsters verdienden werkelijk zeer behoorlijke loonen en konden niet worden vergeleken met hun mannelijke collega’s, die voor een deel nog aanvullend werk deden. De Bedrijfsunie was het met dit antwoord niet eens en bleef van mening dat de klachten gerechtvaardigd waren. De bonden hoopten dat in het verdere verloop van de CAO-onderhandelingen de wensen van de arbeiders op een goede manier geadresseerd zouden worden; zo niet, dan zou men op deze kwestie terugkomen.
De directeur van het GAB Enschede stelde op 29 september de Rijksbemiddelaars Romme en Berger telegrafisch op de hoogte van een dreigend loonconflict van 25 wolwevers van Van Heek & Co, nadat zij op de 26ste het werk ’s middags al hadden neergelegd. Twee wevers hadden op 29 september aan van Es van het Arbeidsbureau verteld dat zij evenveel wilden verdienen als hun collega’s in Tilburg. Formeel mocht het minimumuurloon van de wevers op dat moment variëren van 67 tot 70 cent. De FVE was, net als de andere Twentse fabrikantenverenigingen, enkele weken daarvoor akkoord gegaan met een verhoging van het minimumuurloon voor geschoolden, waar de wevers toe werden gerekend, tot dit bedrag en drie weken later, op 22 oktober, werd hun minimum vastgesteld op 70 cent. Het uurinkomen in tarief zou hier ongeveer 10% boven mogen liggen, maar vanwege slechte grondstoffen was dit niet mogelijk. Het bedrijf had hun uurloon om die reden op 68 cent vastgesteld, wat daarmee tevens hun uurinkomen was, het bedrag dat zij in hun loonzakje mee naar huis namen.
In Tilburg bedroeg het minimumuurloon van de wolwevers 62 cent en in tarief moest dat volgens de op dat moment daar geldende regeling een uurinkomen van 68,2 cent kunnen opleveren. In de praktijk verdienden de wolwevers in tarief uurinkomens die varieerden van 68,7 tot 83,3 cent. Gingen de wolwevers van Van Heek & Co dus op zaterdag naar huis met ƒ32,64, in Tilburg kon dit oplopen tot een kleine ƒ40,-, maar meestal lag hun weekinkomen rond de ƒ35,-; nog altijd ƒ3,50 meer dan in Enschede. De wolwevers van Van Heek & Co eisten nu dat bedrag als toeslag om in de buurt van hun Tilburgse collega’s te komen met als argument dat het niet hun schuld was, dat de grondstoffen van slechte kwaliteit waren.
Een extra reden voor de Enschedese arbeiders om boos te zijn was dat deze loonverschillen al van 1937 dateerden. Voor de directeur van het GAB lag hierin een eenigszins humoristisch aandoende bijzonderheid, aangezien de wevers van Van Heek in die tijd bij de toenmalige Eendrachtbestuurder Van Es hulp en steun waren gaan vragen, maar nu moest hij hen uitleggen dat wat zij wilden volgens de in Twente geldende loonregeling niet kon. Bovendien wenste de onderneming niet van de loonregeling af te wijken.
Rijksbemiddelaar Berger kwam op verzoek van Van Es op 3 oktober naar Enschede voor een gesprek op het stadhuis met een vertegenwoordiging van de wevers, de directie van Van Heek, Van Eck en met Van Es namens het GAB. Het gesprek was gauw afgelopen, omdat de EVC weigerde te verklaren dat zij zich op voorhand bij de uitspraak van de rijksbemiddelaar zou neerleggen. Volgens de directie hadden de wolwevers dit geweigerd op instigatie van den Voorzitter der Eenheids-Vak-Beweging. Dit houdt zo goed als zeker in dat ook B. Hendriks, de voorzitter van de EVC in Enschede, bij het gesprek aanwezig was, dat hij namens de wevers het woord voerde en hen heeft geadviseerd om te weigeren een dergelijke verklaring te ondertekenen.
Om hun eisen kracht bij te zetten legden de wolwevers op 13 oktober het werk opnieuw neer. Ruim een week later, met ingang van 22 oktober, werd een nieuwe loonregeling van kracht in het kader van de al geruime tijd durende CAO-onderhandelingen. Dit betekende voor de wevers dat hun minimumuurloon voortaan 70 cent bedroeg, waarmee voor een deel aan hun wensen tegemoet werd gekomen, omdat het een weekinkomen van ƒ33,60 impliceerde.
Het bericht in Werkend Nederland van 5 november, dat Van Heek besloten had om in de wolweverij weer een 2-getouwenstelsel in te voeren, deed de emoties nog een keer flink oplaaien en de wevers wezen in een stakersvergadering werken op 2 getouwen met algemene stemmen af.
Kort daarna vonden de onderneming en de wolwevers elkaar, toen de directie via Het Twentsch Parool liet weten dat wanneer het werk hervat zou zijn, er een redelijke kans bestond om tot een oplossing te komen. Op 9 november gingen de wevers weer aan het werk en de oplossing bleek er in te bestaan dat zij als minimumuurloon voortaan 72 cent betaald kregen met een premie-dervingstoeslag van 5%; een weekinkomen van bijna ƒ36,50. Op het moment dat de kwaliteit van de grondstoffen verbeterd zou zijn en er goede kettinggarens beschikbaar kwamen, zouden de wevers weer op tarief gaan werken en twee getouwen gaan bedienen.
In zijn verslag voor het CRB bestreed de directeur van het GAB de voorstelling van zaken in De Waarheid, dat de EVC bij Van Heek een denderend succes had behaald. Hij had ervoor gezorgd dat in andere kranten de gekleurde voorstelling van De Waarheid werd tegengesproken door er op te wijzen dat niet de ondernemer alléén, doch de overheid mede deze loonen had bepaald, een bepaling, die onbeïnvloed is gebleven door de staking. Het lijkt er op dat zowel de directeur van het GAB als De Waarheid hier het slachtoffer waren van een misverstand.
De uurlonen die de wolwevers vanaf 9 november betaald kregen lagen immers 2 cent hoger dan was toegestaan door het CRB en het was niet de EVC die dit resultaat had bewerkstelligd, maar de wevers zelf; na het gesprek met de rijksbemiddelaar op 3 oktober was de EVC immers van dit toneel verdwenen.
Op 10 oktober ontstond een loonconflict bij de Spinnerij Bamshoeve toen de drossers plotseling het werk neerlegden. Een aantal weken eerder waren ook al looneisen aan de directie voorgelegd, maar omdat die uitgingen boven de bestaande normen, had de directie de arbeiders verwezen naar de vakorganisaties en naar de rijksbemiddelaar. Een tweetal arbeiders had daarop tevergeefs geprobeerd de eisen met Van der Dussen te bespreken. Op de 10e oktober hadden de drossers om 11.30u aan de spinnerijchef laten weten dat zij de eerdere looneisen handhaafden en dat die vóór 12.00u moesten zijn ingewilligd; anders zou men het werk neerleggen. Na de middagschaft weigerden de arbeiders in de ringspinnerij om de machines aan te zetten. De directie had de stellige indruk dat de actie volledig door de arbeiders zelf was opgezet, zonder voorkennis der vakbonden (incl. de EVC)’. Overleg van de directie met de fabriekskern leidde tot een verklaring waarin het optreden van de stakers scherp werd afgekeurd en verdere besprekingen werden afgewezen, indien niet eerst het werk zou zijn hervat. Op donderdag de 11e gingen de spinners, zij het ook na eenig aarzelen, weer aan het werk. Vertegenwoordigers van het personeel legden de volgende eisen op tafel:
Looneisen van de arbeiders van Katoenspinnerij Bamshoeve, 11 oktober 1945
Uurloon zoals gemeld in verg. FVE van 11 sept. -
Eisen van de arbeiders Bams-hoeve op 11 okt. -
Minimum-uurlonen volgens loonover-eenkomst 22 okt.
Duivelkamerarbeiders 62 74 67
Krassenarbeiders 59 73 67
Verdeelstoelarbeiders 64 73 70
Plukdrolsters 60 73 40
Halffijndrolsters 55 70 40
Fijndrolsters 55 70 40
Bayerboeren 70 64
Drossers 70 67
Afzetters 62 73 67
Afdraaiers 68 80 70
Copspakkers 73 67
Spoelsters 45 65 67
Sjouwers 70 54
Losnemers 70
Technisch personeel 80 70
Inhoudelijk vond de directie de eisen wat de verhoudingen tussen de functiegroepen betreft, op sommige punten absurd en kennelijk op slordige en onnadenkende manier opgesteld. Bovendien waren de verschillen tussen de groepen onderling nog kleiner dan de voorstellen die de Twentse Looncommissie kort daarvoor, op 17 september, had geformuleerd.
Kennelijk vonden de arbeiders, die uiteraard niet op de hoogte waren van de bespiegelingen en conclusies van de Looncommissie, de onderlinge verschillen op deze manier in orde. Opmerkelijk is dat de directie in haar commentaar op de eisen geen enkele toespeling maakte als zouden deze exorbitant hoog en onacceptabel zijn. Dat is opvallend, omdat de eisen allemaal uitgingen boven de lonen die de spinnerij op dat moment, althans een maand eerder, betaalde (de directie van de Bamshoeve had dit in de ledenvergadering van de FVE op 11 september verteld.
De looneisen gingen al helemaal uit boven de afspraken die ruim een week later, op 22 oktober, tot stand kwamen. De eisen voor de vrouwenlonen staken helemaal schril af bij de afspraken van 22 oktober. Formeel werden die pas vastgelegd bij de goedkeuring door het CRB in februari 1946. Dat de directie van de Bamshoeve niet erg schrok van de looneisen van met name het vrouwelijk personeel hangt ten nauwste samen met de resultaten van de discussies die de spinnerij ruim een maand eerder in de Enschedese fabrikantenvereniging had veroorzaakt. De opvatting van de directie, neergelegd in een lange brief van 3 september, behelsde, in het kort, dat de arbeiders niet erg bereidwillig waren om in de textielindustrie te gaan werken en dat daarom een krenterige kruidenierspolitiek inzake de loonen, ook voor het vrouwelijk personeel, wel het laatste (is), waaraan men moet denken.
De looneisen op zich mochten dan geen onoverkomelijk probleem zijn voor de directie, zij vreesde wel speelbal te worden in een omvangrijk conflict dat zij achter de horizon zag opdoemen. De rijksbemiddelaars zouden deze eisen immers ongetwijfeld niet honoreren en de directie vreesde dat er dan een nieuwe staking zou volgen. Hoe de zaak zich in dat geval verder zou ontwikkelen hing dan vervolgens weer af van de vraag of de vakbonden, met name de Eenheidsvakbeweging, een dergelijke staking zouden steunen. De Bamshoeve begon weer goed te draaien en het personeelsbestand breidde zich in deze periode sterk uit. Op 1 juli 1945 had de spinnerij 384 mensen in dienst en dit aantal was op 1 januari 1946 aangegroeid tot 695; weliswaar nog ver verwijderd van het aantal van 906 dat op 1 januari 1939 bij het bedrijf werkzaam was geweest, maar de groei was met ruim 300 mensen spectaculair te noemen. De directie was dan ook bang dat het bedrijf als een welkom object beschouwd (zou) kunnen worden om het nu maar meteen voor de geheele industrie uit te vechten. De statuten van de FVE met verplichte steun aan leden in geval van een staking zouden immers binnen de kortste keren voor een escalatie zorgen en daar had men in de directiekantoren van de Bamshoeve absoluut geen behoefte aan. Zij eindigde haar brief dan ook met het dringende verzoek zoo spoedig mogelijk Uw zienswijze inzake deze kwestie, alsmede Uw eventueele nadere instructies te vernemen.
Voor zover kunnen nagaan heeft dit conflict geen verder vervolg gehad, maar dat zegt in het geheel niets over de lonen die de spinnerij in de periode daarna uitbetaalde.
Het jaar 1945 werd afgesloten met twee conflicten in verband met het opnieuw werken in ploegen. Een duidelijker voorbeeld van het weer op gang komen van de textielindustrie en van de daaraan verbonden sociale tegenstellingen is nauwelijks te vinden. J.F.M. Bosch, stafmedewerkster van het CRB met als aandachtsgebied de textielindustrie, omschreef dat begin december aldus: Het ploegenstelsel is op het ogenblik de steen des aanstoots in de geheele textielindustrie. Volgens de Arbeidsinspectie geeft het niet alleen in Twente doch ook in Brabant aanleiding tot moeilijkheden. Bij Ten Cate in Almelo en bij De Jong & Van Dam in Hengelo waren in verband daarmee conflicten ontstaan en volgens haar durfden de andere fabrikanten geen ploegenarbeid in te voeren uit angst voor stakingen. De arbeiders waren fel gekant tegen ploegenarbeid en het beroerde is, zo schreef zij, dat de bonden volledig de greep op de arbeiders kwijt zijn. De bonden waren volgens Bosch uit economische overwegingen vóór, maar zagen zich door de houding van de arbeiders gedwongen te verklaren uit sociale overwegingen eigenlijk tégen te zijn. Uit een overheidsenquête die gehouden was onder een aantal bedrijven ten bate van een onderzoek naar het tekort aan arbeidsters, kwam eveneens naar voren dat veel fabrikanten geen ploegendiensten durfden in te voeren vanwege de sterke weerzin daartegen onder hun personeel. Volgens een bepaalde fabrikant waren de arbeiders er beslist op tegen; een ander gaf het probleem nog duidelijker weer door te stellen: ploegensysteem wordt niet aan begonnen, zou beslist algeheele staking veroorzaken.
In december 1945 wilde de directie van de kousenfabriek De Jong & Van Dam in twee ploegen van elk 48 uur gaan werken om een hoger rendement te halen uit het machinepark. Een ander systeem was volgens de directie bij een kapitaalintensief bedrijf als dit niet goed mogelijk. Toen de arbeiders weigerden hiermee akkoord te gaan, werd hen minder uren werk en een hoger loon aangeboden, maar zij bleven weigeren. Directeur A. de Wit besloot daarop om uit angst voor een staking voorlopig af te zien van werken in ploegen.
In een overleg met Van der Ven van het CRB op 18 december beargumenteerde De Wit nogmaals de noodzaak om in twee ploegen van 48 uur te werken. Hij wees daarbij op de kousenfabrikant Hin in Haarlem waar het personeel naar zijn zeggen hier wel mee akkoord was gegaan.
In de concept-CAO was vastgelegd dat bij werken in twee ploegen een werktijd van tenminste 44 uur zou gelden, maar, zo onderstreepte Van der Ven, er was voorzien in de mogelijkheid om 48 te werken. Omdat de Bedrijfsunie aangaf de noodzaak hiervan in te zien, was het CRB bereid om De Jong & Van Dam te steunen.
In januari 1946 probeerde De Jong & Van Dam opnieuw over te gaan tot een tweeploegenstelsel van 48 uur. Meer productie, dus langer werken, zijn voor ons bedrijf en voor ons heele volk van zooveel gewicht, dat andere belangen – hoezeer deze ook erkend moeten worden althans voor het oogenblik hierbij ten achter gesteld moeten worden. Zo luidde de inleidende zin van een smeekschrift dat de directie eind januari tot de fabriekscommissie richtte en waarin zij het personeel met klem verzocht mee te werken. Het bedrijf had tijdens de oorlog grote financiële schade geleden en er was roofbouw gepleegd op de machines. Dit vergde forse investeringen voor herstel en vernieuwing, waarvoor het geld niet aanwezig is, doch eerst verdiend moet worden. De directie wees er op dat Nederland totaal verarmd uit den oorlog tevoorschijn gekomen was, dat er wel een enorme staatsschuld was, maar geen geld om goederen en grondstoffen in te voeren, tenzij dit eerst door werken en uitvoer van producten van eigen bodem en fabrieken verdiend wordt. Het bedrijf had gedurende de bezetting zo goed mogelijk voor het personeel gezorgd door meermaals succesvol te voorkomen dat onze mannen voor deportatie en tewerkstelling misbruikt zouden worden, zij had de lonen door hooge toeslagen op de steeds minder wordende productie op peil gehouden en allerlei noodeloos werk laten verrichten om onze arbeiders in het bedrijf te houden. Na de bevrijding was een contactcommissie in het leven geroepen door u zelf op vrije wijze gekozen om de problemen in gezamenlijk overleg op te lossen. De directie erkende dat het nog niet mogelijk was om de arbeiders groote voordeelen te bieden, maar had wel de invoering van een pensioenfonds toegezegd. Het ontwerp lag gereed en alleen uw toestemming en onze onderteekening waren nog nodig om het fonds van kracht te laten worden. Diverse plannen voor sociale verbeteringen waren ontwikkeld zoals het verbeteren en moderniseeren van schaftlokalen, kleedingruimten, en het bouwen van wasch- en badgelegenheden etc. De onderneming had al enkele keren een loonsverhoging willen doorvoeren op basis van de tot dan toe bereikte overeenstemming in de loononderhandelingen. Onze voorwaarde daarbij was echter, dat er dan weer gewerkt zou worden op de oude wijze, nl. in dagploegen van 48 uur. (…) Een en ander is echter steeds afgestuit op de weigering van Uw contactcommissie om op onze wenschen in te gaan. Ook nadat het CRB en de Vakraad zich akkoord hadden verklaard met het voorstel van het bedrijf en ondanks het feit dat bekend was dat Hin, een van de grootste kousenfabrieken, al een aantal weken in ploegen van 48 uur werkte, was de commissie blijven weigeren. Aangezien de directie ervan overtuigd was dat de door ons voorgestelde regeling zoowel in het belang van het bedrijf als in het algemeen belang noodzakelijk was, bepaalde zij dat met ingang van 4 februari een tweeploegenstelsel van 48 uur werd ingevoerd. De onderneming deed een beroep op de arbeiders om zich goed te bezinnen, voordat men zou willen weigeren aan deze voorschriften te voldoen. Immers, de nieuwe CAO bracht niet alleen meer rechten, maar ook meer plichten. Gij hebt thans allen de plicht te zorgen, dat uw bedrijf en uw land de moeilijkheden waarvoor zij staan, te boven kunnen komen.
Met hoe meer inspanning en ernst gij u van deze taak kwijt, des te eerder zal onze oude welvaart terugkeeren. Als wij onze welvaart weer herkregen zullen hebben, komt de tijd weer, dat onze rechten voor kunnen gaan.
Afgezien van het feit dat deze brief een unieke staalkaart is van de nieuwe sociale verhoudingen als uitvloeisel van de tekorten op de arbeidsmarkt, druipt het paternalisme van het papier, en, niet in de laatste plaats, een beroep op een te herwinnen welvaart getuigde, voor wat de textielarbeiders betreft, ofwel van een erg groot cynisme, onbeschaamdheid of onwetendheid. Zo verarmd als Nederland de oorlog was uitgekomen, waren de textielarbeiders hem ook ingegaan.
Het College van Rijksbemiddelaars en de Voorlopige Vakraad voor de Textielindustrie hadden de in de kousenindustrie gebruikelijke werktijd inmiddels goedgekeurd. Omdat De Jong & Van Dam niet al te veel enthousiasme onder het personeel verwachtte voor dit kloeke besluit, wend de het bedrijf zich tot de Minister van Sociale Zaken met het verzoek dringend maatregelen te nemen dat ons bij een conflict alle hulp van de autoriteiten geboden wordt. De minister was het hiermee eens en achtte in de eerste plaats overleg met de vakbonden noodzakelijk om te zien hoe het personeel overtuigd kan worden van het groote algemeene volksbelang dat hier op het spelstond. Omdat de overgrote meerderheid van het personeel bij de EVC was aangesloten, werd deze organisatie, evenals de Bedrijfsunie en de directie van de kousenfabriek uitgenodigd voor een onderhoud met het CRB op 4 februari 1946. De EVC liet verstek gaan, maar secretaris Bakkeren stuurde een telegram met de mededeling dat de arbeiders op 2 februari besloten hadden geen 48 uur in ploegen te willen werken. Zij waren wel bereid om 42 uur per week te werken tegen betaling van 48 uur plus een toeslag van 10%.
In het overleg op 4 februari waren alle aanwezigen doordrongen van de noodzaak van een 48-urige werkweek bij een tweeploegenstelsel. Tijdens dit overleg drong het tot de vertegenwoordigers van de Bedrijfsunie door dat ofwel Van Eck ten onrechte aan de Vakraad had laten weten dat er overeenstemming was tussen De Jong & Van Dam en de fabriekscommissie ofwel dat zij Van Eck’s telegram over deze kwestie niet goed hadden begrepen. In de vergadering van de Vakraad was de Bedrijfsunie op basis van dit telegram akkoord gegaan met het voorstel van het bedrijf. Nu er géén overeenstemming bleek te zijn, was de Bedrijfsunie dus nogal voorbarig geweest door akkoord te gaan met het invoeren van ploegendiensten. De bonden waren bij monde van Vunderink dan ook bang dat de EVC zou gaan rondbazuinen’ dat de Vakraad zonder overleg met de arbeiders de aanvankelijke regeling had goedgekeurd. Als uitweg uit dit lastige parket bedachten de aanwezigen dat het bedrijf een procedurefout had gemaakt het had namelijk met de Bedrijfsunie moeten overleggen volgens de, nog niet goedgekeurde (!), CAO en men besloot, met instemming van De Jong & Van Dam voorlopig in twee ploegen te werken van 44 uur. Via deze vondst waren de dreigende moeilijkheden opgelost en had de Bedrijfsunie tijd gekregen hare leden te overtuigen van de noodzaak in de kousenindustrie 48 uur in twee ploegen te werken, zoals Romme aan Drees liet weten.
De directie van H. ten Cate Hzn & Co voerde op 19 oktober 1945 overleg met de fabriekscommissie, bestaande uit negen arbeiders die bij de EVC waren aangesloten, over invoering van een ploegenstelsel en bood een 44-urige werkweek aan. Bovenop het loon zou een toeslag van 20% gegeven worden en er zou 48 uur worden betaald. De directie achtte werken in ploegen noodzakelijk en had in gesprekken met het personeel de indruk gekregen dat men er over het algemeen ook wel de noodzaak van inzag. Als dit al zo was, betekende het niet dat de arbeiders er zín in hadden. Zij wilden ’s avonds bij hun gezin zijn en ’s morgens niet voor dag en dauw de huiselijke haard weer verlaten. Volgens de personeelschef van Ten Cate, in de hierboven al genoemde enquête, was dit één van de voornaamste motieven van de arbeiders. De bereidwilligheid van het personeel om in ploegen te werken werd ook getemperd door het in hun ogen ongerijmde beleid van de directie. Er werden namelijk nieuwe arbeiders aangenomen, terwijl nog een flink aantal anderen op wachtgeld stond. Toen deze wachtgelders probeerden elders werk te vinden, verzette Ten Cate zich hiertegen, omdat zij op korte termijn grote mogelijkheden tot productie-uitbreiding zag en daarvoor alvast voldoende mensen wilde hebben.
De fabriekscommissie had tegenover de directie verklaard, zo wist Spartacus te melden, dat men bereid was om tijdelijk in ploegen te werken, indien de noodzaak ervan kon worden aangetoond. De EVC had aan Bosch verteld dat de textielarbeiders weliswaar doordrongen waren van de noodzaak om de productie op te voeren, maar dat zij het ploegenstelsel haatten. De EVC had daarom een voorstel voor het werken in drie ploegen uitgewerkt waarbij de arbeiders ’s avonds vrij zouden zijn en ook op zaterdagmiddag niet zouden hoeven te werken. Met dit voorstel werd aan een belangrijk bezwaar van de arbeiders tegemoet gekomen. Volgens de EVC was voor zowel de 1ste als voor de 2e ploeg uitbetaling van 48 uur noodzakelijk vanwege de lage uurlonen. Waarschijnlijk werd er in dit voorstel van uitgegaan dat de 2e ploeg op zaterdag een half uur zou schaften, omdat het totale aantal uren anders 33½ zou bedragen.
Ten Cate wees het voorstel af en wilde alleen maar met twee ploegen werken; de motieven hiervoor niet kunnen achterhalen. De Bedrijfsunie was volgens Ten Cate wel volledig van de economische noodzaak van ploegenarbeid doordrongen (het Dagelijks Bestuur van Unitas vond de weigering van de arbeiders om in ploegen te werken zeer onredelijk), maar ook zij verlangde een toezegging dat er slechts tijdelijk in ploegen gewerkt zou worden. Niet meer dan 20% van de arbeiders van Ten Cate was georganiseerd in een van de Uniebonden en Bosch wist dat deze bonden de arbeiders, voor zover dezen naar hen luisteren (wat niet veel is geloof ik) wel de noodzaak van hoogere productie voor(hielden), doch (zij) leeren hen ook dat ploegenarbeid uit den boze is.
Om de bezwaren bij het personeel te ondervangen verklaarde de directie, dat er hooguit tot 1 maart 1946 in ploegen zou worden gewerkt. In een gesprek van Bosch met de directie op 29 november verklaarde directeur Gorter echter dat op den duur, om de zaak rendabel te maken per se weer in ploegen gewerkt moet worden, zeker in de spinnerij. Terwijl in het bedrijf de arbeiders de voors en tegens van ploegenarbeid bespraken, had Ten Cate al overleg gevoerd met het Ministerie van Sociale Zaken over de vraag of aan arbeiders die niet in ploegen wilden werken, wachtgeld moest worden betaald. Op 17 november verklaarde het Ministerie in een telegram dat de wachtgeldsubsidie werd ingetrokken. Drees bevestigde dit nog eens in een brief.
Hiermee namen de hoogste autoriteiten stelling in het conflict door te verklaren, zoals Bosch het in haar rapport verwoordde, dat onder de huidige omstandigheden in ploegen moest worden gewerkt. In reactie daarop verklaarde de EVC in een gesprek met de directie dat het werken in ploegen noodzakelijk was nu wachtgeldsubsidie was ingetrokken. Dit rapport was voor Van der Ven aanleiding om op 10 december in de boezem van het CRB te overleggen. Was het niet juist, zo vroeg hij zijn collega’s, dat over een zoo ingrijpende maatregel als het invoeren van een ploegenstelsel van te voren met het personeel overlegd behoorde te worden? De Bedrijfs-unie had dat bepleit, maar dit voorstel was in de concept-CAO door de fabrikanten geschrapt.
Het leek hem zelf niet onredelijk en hij werd daarin bijgevallen door zijn collega J. Schouten.
De staking was uitsluitend tegen het werken in ploegen gericht, zo vertelde Van der Ven, maar de arbeiders waren geheel bereid om de normale 48-urige werkweek aan te houden. De vergadering van het CRB handhaafde het standpunt dat er pas kon worden bemiddeld, wanneer de stakers het werk hadden hervat, maar vond het wel zinvol om met de vakbonden te praten over de ploegenarbeid. In dit overleg zou ook de EVC worden betrokken.
Op dinsdagavond 27 november belegde de EVC een vergadering met de arbeiders van Ten Cate, waar zij probeerde tussen twee klippen, de arbeiders en de regering, door te varen door in twijfel te trekken of de regering het wachtgeld wel in zou trekken. Volgens haar was het een slimmigheidje van de directie.
Helaas geen nadere gegevens gevonden over deze als zeer rumoerig omschreven vergadering. Zeker is wel dat de volgende dag de bij de EVC aangesloten arbeiders om half acht op de fabriek verschenen; het normale aanvangsuur bij een 48-urige werkweek. De arbeiders die in de Unie waren georganiseerd, begonnen aanvankelijk wél in ploegendienst, maar al na korte tijd werd er praktisch niet meer gewerkt, omdat vrijwel alle arbeid besmet werd verklaard. En hiermee was de staking een feit. Volgens eigen opgave van het bedrijf hadden in de eerste dagen van de staking 225 arbeiders het werk neergelegd en waren er op het hoogtepunt 375 stakers (De onderneming had op 1 januari 1946 een personeelsbestand van 950 personen. In de weverij werkte volgens een mededeling in het dagelijks bestuur van Unitas op 11 december ongeveer de helft van het personeel en in de spinnerij werd door ongeveer 20 mensen doorgewerkt. De steunlijsten, waarmee met toestemming van de gemeente Almelo werd rondgegaan, werden goed getekend, wat wijst op grote solidariteit met de arbeiders.
Op 18 december werd het werk weer hervat, waarschijnlijk tegen de volgende voorwaarden: er werd voortaan in twee ploegen van 40 uur gewerkt, waarbij 48 uur werden uitbetaald met een toeslag van 20% op de gewerkte uren. Op een vergadering op 18 december met het CRB, waar de directie van Ten Cate wegens autopech niet aanwezig was, werd geconcludeerd dat een werktijd van 40 uur een aanzienlijke afwijking was van de bepalingen in de concept-CAO. Hoe de werkhervatting heeft plaatsgevonden is ook niet helemaal duidelijk. De directeur van het GAB schreef, dat de arbeiders aan de directie hadden gevraagd weer aan het werk te mogen. Volgens hem was de staking beëindigd, omdat de EVC onvoldoende steun had gekregen. Werkend Nederland meldde dat de arbeiders in een door de EVC belegde vergadering op 14 december akkoord waren gegaan met een voorstel van de EVC, hoewel hun dit niet volledig bevredigde. Vooral het uitzicht aldus dit blad, op de aangekondigde conferentie tussen de ondernemers en de vakorganisaties waarbij ook de EVC aanwezig zal zijn, deed de arbeiders tot deze concessie besluiten.
Dit is een ietwat merkwaardige verklaring: waarom zouden de arbeiders eerst weigeren in ploegen te werken en de harde, financiële consequenties van een staking willen aanvaarden, om 14 dagen later, omwille van het feit dat de EVC bij een vergadering aanwezig mocht zijn, wél een ploegenstelsel te accepteren? Zíj schoten daar niets mee op.
Bosch schreef in haar notitie de indruk te hebben dat het conflict bij Ten Cate een proefstaking is voor heel Twenthe
.Reconstructie. Ten Cate wilde in ploegen gaan draaien, maar stuitte op heftige weerstand bij het personeel. De fabriekscommissie schakelde de bond, de EVC, in die een alternatief opstelde. Ten Cate wees dit af (een wethouder uit Almelo had tegenover Bosch verklaard dat de directie wel niet al te tactisch zou zijn opgetreden’) en daarop besloten de arbeiders in een rumoerige vergadering om niet op basis van het ploegenvoorstel van het bedrijf aan het werk te gaan, hierin gesteund door de EVC. De arbeiders erkenden weliswaar de noodzaak van een hogere productie, maar gaven in de praktijk toch de voorkeur aan hun vrije avonden, zeker toen de directie niet eens bereid bleek over hun voorstellen te práten. De staking is niet geproclameerd door de EVC, maar groeide door de weigering besmet werk te verrichten. De EVC wist dat conflicten over ploegenarbeid niet uit zouden blijven: alle arbeiders waren er fel op tegen en de meeste fabrikanten durfden deze niet in te voeren uit vrees voor stakingen. In het overleg met het CRB op 18 december, na afloop van de staking, deed de vertegenwoordiger van de EVC het dilemma haarfijn uit de doeken. Hij constateerde dat de voorspinnerijen in Twente onvoldoende capaciteit hadden om aan de vraag van de weverijen naar garen te voldoen. Daar op het oogenblik uitbreiding van machines uitgesloten is, is derhalve het ploegenstelsel in de voorspinnerij niet iets van tijdelijken aard. Anders gezegd, de EVC realiseerde zich heel goed dat de fabrikanten werken in ploegen, zeker in de spinnerijen, nadrukkelijk op de agenda zouden blijven plaatsen, wat de arbeiders er ook van vonden. Daar viel voor wat de EVC betreft wel een mouw aan te passen, als de arbeider zijn avonden (maar) vrij heeft. De precieze invulling van het werken in ploegen moest steeds worden bekeken in relatie tot de plaatselijke omstandigheden en overleg met de arbeiders, c.q. de EVC, was daarbij noodzakelijk.
Bij Ten Cate had de EVC grote invloed en door de harde opstelling van de bedrijfsleiding kon zij proberen het conflict daar uit te vechten. Toen de overheid zich in het dispuut mengde met het telegram over de wachtgeldsubsidie, koos de EVC eieren voor haar geld. Door zich tegemoetkomend op te stellen in dit conflict hoopte zij toegelaten te worden tot het georganiseerd overleg. De EVC gebruikte de staking dus om te proberen een vorm van erkenning af te dwingen en de arbeiders konden na veertien dagen staken toch in ploegendiensten aan de slag. De arbeiders gingen waarschijnlijk akkoord met opheffing van de staking, omdat zij zich door de EVC niet meer voldoende gesteund wisten en niet andersom zoals de directeur van het GAB dacht. De EVC wilde van de staking af, zeker omdat Ten Cate had beloofd dat het werken in ploegen van tijdelijke aard zou zijn. Door zich bereidwillig op te stellen en haar goede wil te tonen hoopte zij in het overleg te worden opgenomen; zij kon haar invloed op de arbeiders in de onderhandelingen op tafel leggen.
Maar wat hield dit overleg nou eigenlijk in? Al op 4 december had Bosch geschreven dat overleg met fabrikanten en vakbonden nodig was, omdat in de hele Nederlandse textielindustrie ploegenarbeid zo'n heet hangijzer was. De houding van de Twentse ondernemers sprak haar niet aan. Ten Cate was ontactisch en ook over het geheel genomen moesten de Twentsche heeren (…) wel wat tot rede worden gebracht, maar, om in haar woorden te blijven, het beroerde is dat de bonden volledig de greep op de arbeiders kwijt zijn. Het scherpe optreden van de Unie tegen haar leden had geen succes. Alleen de EVC scheen invloed te hebben op de arbeiders.
Daarom besloot het CRB om ook de EVC voor een onderhoud uit te nodigen, door de EVC tegenover haar leden betiteld met de weidse naam conferentie, al sprak het verslag van een informatief gesprek. Op 18 december vergaderden de Bedrijfsunie, Van Eck namens de Twentse textielindustrie en Van der Ven namens het CRB over de ploegenarbeid. Bij dit overleg was de EVC niet aanwezig. Pas naderhand mochten EVC vertegenwoordigers aan het CRB uitleggen wat zij van ploegenarbeid vonden. Welnu, de EVC-vertegenwoordiger verklaarde geen bezwaar te hebben tegen werken in ploegen indien de avonden slechts vrij zijn De tijdelijke regeling die nu bij Ten Cate was afgesproken, accepteerde de EVC, omdat op dat moment het economische argument prevaleert (…) boven het sociale argument. Daarnaast solliciteerde de EVC met de hierboven genoemde uiteenzetting naar een meer permanente plaats aan de onderhandelingstafel.
In december 1945 gaf Van Eck de leden van de FVE het advies om voorlopig geen nieuwe kernverkiezingen te houden, want anders zou welhaast eenieder middels een noodeloos in het leven geroepen EVC-kern de onrust in eigen bedrijf binnenhalen. Het leek hem verstandig even te wachten met verkiezingen tot het moment waarop er minder gevaar van EVC-zijde te duchten is.
De staking bij Ten Cate leidde binnen de Bedrijfsunie tot een stevig conflict, want ook al traden de drie samenwerkende bonden in de woorden van CRB-medewerkster Bosch scherp tegen hun leden op, er waren wel degelijk nuances. De Eendracht met name toonde zich in de loop van het conflict wat ontvankelijker voor de weerzin tegen het werken in ploegen en verstrekte een aantal leden een uitkering. Het geld hiervoor was niet uit de stakingskas afkomstig, maar was verkregen via de geldinzameling in Almelo, althans, zo verdedigde De Eendracht zich tegen een aanval van Unitas in het bestuur van de Bedrijfsunie. Naderhand erkende De Eendracht deemoedig dat de uitkeringen onrechtmatig waren geweest, maar voerde als verontschuldiging aan dat er maar ƒ50,- was uitgekeerd. Vunderink van Unitas was er van het begin af aan van overtuigd dat ploegenwerk bij Ten Cate niet te vermijden was en wenste voor geen enkel argument te wijken. De stakers die lid waren van Unitas het waren er niet veel, maar toch kregen op geen enkele wijze financiële ondersteuning van de bond om geen precedent te scheppen. De toeschietelijker houding van De Eendracht is te verklaren uit de zeer sterk achterblijvende ledentallen van deze bond. Een groot deel van de voormalige leden was niet-georganiseerd of was lid van de EVC. De NVV-bond wilde die arbeiders terug en zag zich gedwongen bij tijd en wijle een gebaar te maken naar de textielarbeiders. Het waren meestal machteloze gebaren, omdat De Eendracht vast zat aan de samenwerking die door de top van de vakcentrales was overeengekomen en zich daaraan moest conformeren, èn, in het geval van ploegenarbeid, omdat De Eendracht de noodzaak ervan in het licht van de tekorten aan textiel wel degelijk inzag. De confessionele bonden werden niet gehinderd door dit soort oprispingen en hielden strak aan hun standpunt vast, ook richting De Eendracht. In eigen kring, in bestuursvergaderingen van Unitas, maar ongetwijfeld ook in bestuursvergaderingen van de Bedrijfsunie, herhaalden Unitas-bestuurders zoals Wind dat zij eigenlijk geen zin meer hadden om in de Unie samen te werken, wanneer De Eendracht steeds weer slappe knieën had.
Het zou niet juist zijn om voor een antwoord te verwijzen naar de gebeurtenissen