Van wachtgeld naar DUW confectie Overijssel-Gelderland
Om meerdere redenen was het in de ogen van de regering van belang dat de textielindustrie na de bevrijding op de kortst mogelijke termijn weer volledig aan het werk ging. Deze bedrijfstak was in Twente verreweg de belangrijkste werkgever en zorgde van oudsher voor deviezen die met de export werden verdiend. Daarnaast had de Nederlandse bevolking grote behoefte aan goede kleding: door slijtage liepen velen in kleren die in slechte staat verkeerden.
Voordat de textielfabrieken weer konden gaan draaien, was het noodzakelijk de schade aan de bedrijven en aan het machinepark te herstellen en moesten m.n. de uitgeputte voorraden katoen en brandstof worden aangevuld. Zolang de oorlog nog in volle gang was, had dit voor de geallieerde legers niet de hoogste prioriteit.
Een door de regering in Londen in het leven geroepen commissie, met als taak te rapporteren over de vraag hoe de textielindustrie na de oorlog weer op gang te brengen, voegde aan de te verwachten problemen nog een element toe. Zij verwachtte onder meer een tekort aan personeel, deels als gevolg van de gedwongen arbeidsinzet in Duitsland. Een aantal commissieleden vond dat het terugvoeren van personeel naar de vroegere werkkring desnoods onder dwang moest gebeuren. Anderen, die rekening wilden houden met de mentaliteit van een groot deel van het Nederlandse volk, betwijfelden of dwangmaatregelen de gewenste uitwerking zouden hebben. Mocht de regering dwang willen toepassen, zo schreef de commissie, dan kon zij gebruik maken van bepalingen door den overweldiger in bezet Nederland (...) ingevoerd
De eerste periode na de bevrijding was er van een tekort aan textielarbeiders evenwel nog geen sprake om de eenvoudige reden dat de bedrijven niet of nauwelijks over grondstoffen beschikten en vooral omdat er geen brandstof was
Omdat de textielfabrieken nog niet draaiden, achtte het Militair Gezag het uit een oogpunt van handhaving van rust en orde van het allergrootste belang dat de arbeiders op een andere manier aan het werk werden gezet en dat zij alleen op die manier de middelen zouden verkrijgen om in hun levensonderhoud te voorzien. Aangezien dit direct na beëindiging van de oorlogshandelingen in het zuiden van het land nog niet mogelijk was gebleken, had Rijksbemiddelaar W.J.J. de Muralt daar op 27 oktober 1944 een wachtgeldregeling goedgekeurd. De inhoud hiervan was gebaseerd op een concept van de Eindhovense Fabrikantenkring en uitgebreid besproken met vakbondsbestuurders en het GAB en MG ter plaatse.
Op 20 december van dat jaar nam Minister van Sociale Zaken J. van den Tempel dit initiatief over en stelde de wachtgeldregeling bij ministeriële beschikking formeel in.
Doel van deze regeling was te voorkomen dat de arbeiders door honger tot ongeregeldheden zouden overgaan en direct na de bevrijding werd, ten einde de tijdelijk werklozen voor lediggang te behoeden, de Dienst Uitvoering Werken (DUW) in het leven geroepen. De opzet hiervan was de arbeiders van de straat te houden. In een van zijn eerste rapporten aan Kruls benadrukte de PMC van Overijssel, Verhoeff, het belang om de vooralsnog werkloze textielarbeiders in de DUW aan het werk te zetten. Hij was ervan overtuigd dat nu nog de gelegenheid bestaat om de arbeiders geruischloos in te schakelen in het arbeidsproces en het lijkt mij juist er op te wijzen, dat indien dit uitgesteld zal worden met slechts enkele weken, het moeilijk zal worden om de arbeiders er aan te wennen, dat zij zullen moeten werken voor de opbouw van het land.
Dit probleem deed zich in sterke mate voor in Oldenzaal, waar Gelderman en Molkenboer van oudsher de werkgevers bij uitstek waren. Een aantal opeenvolgende politierapporten over Oldenzaal bevatte vrijwel identieke passages over de grote werkloosheid ‘aangezien de textielfabrieken van de firma Gelderman en Molkenboer nog steeds niet kunnen werken wegens gebrek aan grondstoffen. Toen begin augustus Gelderman weer ging draaien en de arbeiders niet langer wachtgeld kregen, werd het bedrijf direct geconfronteerd met stakingen.
De rapporten over Enschede uit deze periode schetsen een soortgelijk beeld. Op 16 mei rapporteerde de commissaris van politie te Enschede over de periode van 1 tot 19 april: De werkhervatting is zeer beperkt, mede doordat voor de textielbedrijven geen electrische stroom beschikbaar is en voorraden ontbreken. De arbeids-bereidheid is niet groot. Hij herhaalde dit vrijwel letterlijk in zijn volgende rapporten, tot hij op 2 juli kon melden: De werkhervatting is nog beperkt. Verschillende confectiebedrijven en enkele kleinere textielbedrijven werken thans weer. De bereidheid om te werken was nog steeds niet groot, zo concludeerde hij.
Al op 11 april had Verhoeff een enquête laten houden onder een groot aantal bedrijven om een voorloopig, globaal inzicht te verkrijgen in de economische toestand in het reeds bevrijde gedeelte der provincie’.
Onderstaand overzicht van aantal textielbedrijven.
Personeelsbestand bij enkele bedrijven en aantallen wachtgelders, april 1945
In dienst - met wachtgeld mei 1940 - met wachtgeld april 1945
Twentsche Damast, Linnen en Katoenfabriek v/h S. Bendien & Zn, Almelo 180 49 49
Ter Horst & Co Jutespinnerij en -weverij, Rijssen 1.366 1.323 504
Palthe’s Textielveredelingsbedrijven, Almelo 853 819 706
Leeuwarder Textiel Maatschappij, Confectiefabriek Almelo 428 203 102
Wolspinnerij, Weverij, Ververij J. ten Bos, Almelo 340 155 108
Firma J. ten Bos Kamgarenspinnerij en weverij, Wierden 275 52 39
H. Hedeman Jr.’s Textielfabrieken, Almelo 487 56 Allen
Almelosche Confectiefabriek v/h H. Smits & Co en Overhemden-fabriek Rexalco, Almelo 496 272 144
Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal, weverij, bleekerij, ververij, appreteerderij 1.375 1.098 840
H. ten Cate Hzn & Co, Almelo 2.005 833 Nog niet te overzien
Twentsche Tricotagefabriek Stellema, Almelo 68 38 35
Katoenmaatschappij v/h Gebrs. Scholten en Co. 593 302 204
Bendien’s Confectiefabriek N.V., Almelo 1.465 640 294
Stoomspinnerij Twenthe, Almelo 350 101 36
Jansen & Tilanus, Vriezenveen 959 462 370
In de daarop volgende periode volgde de ene goedkeuring van een wachtgeldregeling op de andere. Het Arbeidsbureau verleende steeds goedkeuring voor een periode van enkele maanden.
Tabel met aantal bedrijven en arbeiders op wachtgeld en geregistreerde werklozen, zomer 1945
Bedrijven onder wachtgeldregeling- Ingeschreven werklozen - Arbeiders werkzaam in DUW - Van deze: wachtgelders
26 mei 147 5.513 1.929 777
2 juni 147 5.674 2.344 784
9 juni 159 5.627 2.561 935
16 juni 186 5.786 2.632 965
23 juni 224 5.859 2.720 1.013
30 juni 244 6.087 2.085 598
7 juli 207 5.566 2.143 550
14 juli 182 5.555 2.680 796
4 aug - 5.088 2.560 585
11 aug 241 4.871 2.605 597
18 aug 279 4.700 2.462 579
25 aug 283 4.483 2.493 571
Ingeschreven werklozen = mannen en vrouwen (jongeren en volwassenen) bij elkaar opgeteld uit Enschede, Hengelo, Almelo, Nijverdal, Goor, Oldenzaal, Hardenberg
Het wachtgeld bedroeg voor kostwinners 80% van hun laatst verdiende loon, voor niet-kostwinners 70% en voor jeugdigen 60%. Het rijk droeg voor ten hoogste 70% bij in de kosten van de wachtgeldregeling, de rest moest de ondernemer betalen. Arbeiders die uit Duitsland terugkwamen moesten door hun vroegere werkgever weer in dienst genomen worden en ontvingen wachtgeld als er geen werk voor hen was. Niet alle bedrijven hielden zich aan deze maatregel en Pierson veroordeelde deze houding als principieel onjuist.
Wachtgelders waren verplicht zich voor hun bedrijf beschikbaar te houden en velen van hen werden te werk gesteld bij de DUW. Deze leek volgens de arbeiders verdacht veel op de vooroorlogse werkverschaffing en zij voelden zich nu sterk genoeg om hun bezwaren tegen de werkverschaffing in daden om te zetten. Een groot deel van hen was niet bereid een vinger uit te steken. Voor een deel werd dit in een rapport van het MG toegeschreven aan de slechte voedingstoestand, men constateerde echter eveneens een zekere onwil, om werk aan te pakken.
Ook NVV-secretaris C. van der Lende constateerde tijdens een rondreis door Nederland dat plichtsbesef, discipline, de noodzakelijkheid om door dagelijkse arbeid in dienst van een onderneming in het onderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien leken te zijn verdwenen. Hij vroeg zich verbaasd af hoe de duizenden in den lande, die niets doen of zo goed als niets, aan de kost komen.
Op een vergadering van de DMC’s in Overijssel in mei werd de geringe animo van arbeiders voor met name de DUW besproken. De aantallen arbeiders die zich meldden, waren zo laag dat men zich gedwongen zag om voor allerlei werk NSB-ers in te schakelen.
Om aan de bezwaren van de arbeiders althans enigszins tegemoet te komen had het MG bepaald dat de lonen in de DUW even hoog moesten zijn als in de bouw en niet, zoals vóór de oorlog, beneden het loon in het vrije bedrijf. De DUW paste voor dit doel zelfs een politiek van zeer ruime lonen toe, waarvoor ook wel aanleiding bestond, omdat veel arbeiders niet bedreven waren in het werk waarvoor de DUW hen inschakelde. De lonen werden vastgesteld op basis van tarief en er ontstonden direct problemen over de verhouding tussen de geleverde prestatie en de beloning. De Nederlandsche Heidemaatschappij die voor de oorlog een belangrijk aandeel had gehad in de werkverschaffing en niet bepaald populair was bij de arbeiders, hanteerde nog dezelfde principes. Voor bepaalde objecten waren aan de Heidemij werkloze textielarbeiders toegewezen en zij overlegde met de textielfabrikanten over een zodanige premieregeling dat de arbeiders de prikkel niet wordt ontnomen om hun plicht te doen voor de gemeenschap door een normale hoeveelheid werk te verrichten.
De prestaties van de arbeiders waren volgens de Heidemij gering, omdat zij er financieel geen belang bij hadden.
Hoe deze prikkel in de praktijk uitpakte, moge blijken uit een voorbeeld uit Almelo. Op een object daar stelden de arbeiders zelf de ploegen samen, zodat de beste grondwerkers bij elkaar in één ploeg kwamen te zitten. De opzichters stelden de tarieven vast op basis van de prestaties van deze goede ploegen. Dit leidde ertoe dat de andere ploegen, volgens het MG minder geschoold, doch harde werkers, niet aan een redelijk loon konden komen.
Deze ploegen, waarin vooral textielarbeiders zaten, waren hierover verontwaardigd. Zoo was het voor den oorlog en tijdens de bezetting vonden zij. Om de zaak te sussen werd een onderzoek ingesteld naar de tarieven, maar dat was gebaseerd op het werk van de goede ploegen, zodat uit het onderzoek naar voren kwam dat de tarieven juist gesteld waren. Als gevolg hiervan wilden de meeste arbeiders absoluut niet meer onder de Nederlandse Heidemij werken en wanneer ze hiertoe gedwongen worden, krijgt men brokken
Een opdracht van de gemeente Almelo aan de Heidemij om vanaf 23 april met 100 arbeiders verdedigingswerken rondom de stad op te ruimen en die grond bouwrijp te maken, liep aanvankelijk geheel spaak. De arbeiders gingen wel akkoord met de arbeidsvoorwaarden, maar weigerden om onder leiding van de Heidemij te werken. Om verdere strubbelingen te voorkomen en omdat de arbeiders aan het werk moesten, besloot de gemeente om het werk onder leiding van de afdeling Plantsoenen uit te laten voeren. Het werk verliep zeer vlot, maar de gemeente had wel een financiële strop, omdat de leiding van de DUW weigerde de subsidie uit te betalen, wanneer de Heidemij niet de dagelijkse leiding over het project had.
Arbeiders van Gebr. Van Heek die onder toezicht van de Heidemij in de volkstuinen van het bedrijf aan het werk waren, legden op 29 mei 1945 het werk neer vanwege de slechte tarieven.
Deze waren volgens de EVB zo gesteld dat de 78 arbeiders uurlonen verdienden die lagen tussen de 17,1 en 23,5 cent. Vanaf 32 cent per uur betaalde Gebr. Van Heek bij tot het bij het bedrijf verdiende, niet nader gespecificeerde loon. Per uur kwamen arbeiders dus tussen de 6,4 en 15 cent per uur te kort. De Heidemij wees de beschuldigingen verontwaardigd van de hand.
Volgens haar was afgesproken dat deze arbeiders op dezelfde manier zouden worden behandeld als het eigen personeel van de Heidemij en dat Gebr. Van Heek zou zorgen voor een aanvulling van de lonen. De arbeiders presteerden echter zeer weinig. Na overleg tussen diverse fabrikanten, die ook arbeiders hadden uitgeleend aan de Heidemij, was daarop besloten tot een minimumloon van ƒ16,- per 40 uur om de arbeiders te dwingen tot een hoogere prestatie.
Niet alle fabrikanten hielden zich aan deze afspraak en sommigen betaalden een aanvulling op het loon.
Gebr. Van Heek deed dit aanvankelijk niet, totdat dit eenige wrijving gaf, waarop ook deze fabrikant het loon ging aanvullen, met terugwerkende kracht. De Heidemij was verontwaardigd over het gedrag van de arbeiders: Als er van de 40 personen gemiddeld 10 werken, is dat cijfer vooral niet te laag genomen. Het is zeer droevig en ernstig te noemen dat deze groep arbeiders zoo hun dagtaak verknoeien, en dan nog om recht durven vragen bij een der vakorganisaties.
Afkeer van de DUW bestond er ook onder bijvoorbeeld de arbeiders van de Fa. Smallenbroek in Enschede. Zij waren wel bereid mee te helpen met puinruimen, maar niet onder leiding van de Nederlandsche Heidemaatschappij
Op 11 juni weigerde een groep arbeiders uit Almelo voor de DUW te werken, omdat de Heidemij de controle uitoefende. De speciaal gecharterde trein om hen naar Vriezenveen te brengen vertrok leeg; een groot aantal arbeiders was helemaal niet op komen dagen en de 50 man die wel op het station had gestaan, had zich door vertegenwoordigers van de EVB laten overreden niet mee te gaan. Daarnaast eisten zij een loon van minstens ƒ30,- per week bij een 40-urige werkweek. Het politierapport dat van deze actie melding maakte, merkte op: Hoe men denkt de arbeidersmassa, nu deze zovele eischen stellen en er daarbij tegenzin is in werken, waarschijnlijk tengevolge van de oorlog, aan de gang te krijgen, is een open vraag. Het arbeidsbureau hier stelt zich op het standpunt dat een afwachtende houding voor alles nog het beste is. Wanneer men dwang zou gaan toepassen is men bang de toestand geheel te bederven gezien de mentaliteit van de Twentsche arbeiders.
In Hardenberg was naar verluidt zelfs sprake van een zeer uitgesproken arbeidsschuwheid. Voor de veenderij, waar normaal 500 man werkte, waren in juni geen arbeiders te krijgen. Rapporteur De Jong vond het uiterst typerend dat de arbeiders geld waar ze nog recht op hadden, niet ophaalden, maar gewoon lieten staan. De zwarte handel is een van de grote oorzaken van deze zeer ongewenschte toestanden, zo concludeerde hij.
De enige dwang die de overheid durfde toe te passen was zoals gezegd economisch: op straffe van verlies aan inkomsten moesten arbeiders zich beschikbaar stellen voor hun laatste werkgever of voor de DUW. Maar de eis die de hierboven genoemde groep arbeiders uit Almelo stelde van een 40-urige werkweek, werd vrijwel overal gesteld. In een rapport aan het MG van 9 juni werd opgemerkt dat de moeilijkheden bij de tewerkstelling van textielarbeiders bij de DUW zich ophoopten. In het algemeen betroffen de eischen (...) in het bijzonder de 40-urige werkweek, met als argument, dat het in verband met voedseltoestand en huiselijke bezigheden (houthakken e.d.) noodzakelijk is, de beschikking te hebben over den vrijen Zaterdagmorgen.
De optie om de werkweek terug te brengen van 48 naar 40 uur, in verband met de slechte voeding, was overigens al begin april, in de eerste besprekingen van het MG met een aantal textielfabrikanten en Van Eck, ter tafel gekomen.
In Enschede ging het hierbij aanvankelijk om een klein aantal mensen van afzonderlijke bedrijven, maar al snel werd deze eis overgenomen door 150 arbeiders van N.J. Menko die bovendien nog bezwaren hadden tegen de aard van het werk en tegen het feit dat de Heidemij hen zonder voorbereiding aan het werk had gezet, wat enigszins als een koude douche gewerkt heeft.
Arbeiders van Blijdenstein & Co eisten ook een 40-urige werkweek en het bleek nodig hun een garantie te geven voor het werken in uurloon, aangezien de Heidemij in geen enkel opzicht vertrouwd wordt. De verwachting bestond, volgens het rapport, dat meer arbeiders de eis van een 40-urige werkweek zouden stellen.
In Almelo was dat bij de arbeiders van de belangrijkste textielfabrieken al het geval. Ook in Vriezenveen weigerden arbeiders zich bij de opgelegde arbeidsvoorwaarden neer te leggen.
Een 50-tal arbeiders van Jansen & Tilanus eiste een 40 urige werkweek en een nettoloon van ƒ30,- per week.
Bij Palthe in Almelo was de weigering om langer dan 40 uur te werken bijna op een confrontatie met Canadese militairen uitgedraaid. Omdat er geen 48 uur werd gewerkt, dreigde een order voor het Canadese leger niet op tijd klaar te komen en ‘een heetgebakerde Canadeesche majoor had gezegd dat het leger de mensen dan wel zou dwingen. De directie ging hiermee akkoord, maar de vertegenwoordiger van het MG was tegen, omdat het uitdrukkelijke instructies (had) om stakingen of arbeidsconflicten door minnelijke schikking te voorkomen. We wenschen in geen geval herrie en ook de fabrikanten dienen te zorgen dat er geen herrie komt. De Rijksbemiddelaar die ook op het bedrijf aanwezig was, was het hiermee eens en de vertegenwoordiger van het MG merkte opgelucht op bij Palthe precies op tijd (te zijn) binnengestapt.
Bedrijven die wel een 48-urige werkweek hanteerden, hadden niet zelden te maken met doelbewuste afwezigheid van arbeiders, die op zaterdag of op een andere dag zoals maandag, gewoon weg bleven van het werk.
Het betrof hier een principiële kwestie. De overheid had de werkweek vastgesteld op 48 uur teneinde de wederopbouw te bespoedigen. De arbeiders dreigden met hun optreden een belangrijke pijler onder dit beleid weg te slaan. Toen de weigering om überhaupt bij de DUW te werken zich nog verder uitbreidde juist vanwege de overschakeling van een 40-urige op een 48-urige werkweek, die in verschillende gevallen op weinig tactische wijze tot stand kwam’, zag het Militair Gezag zich gedwongen het probleem nader onder de loep te nemen. Op 18 juni 159 5.627 2.561 935 vergaderden de militaire commissarissen van Enschede en Almelo, vertegenwoordigers van de drie erkende vakcentrales en verrassend, maar een indicatie van de ernst van de problemen van de EVB, Van Eck en enkele fabrikanten plus de Rijksbemiddelaar onder leiding van de directeur van het GAB. Zij kwamen, met uitzondering van de EVB, tot de conclusie dat een 48-urige werkweek noodzakelijk was en dat afwijking daarvan uit principe moest worden geweigerd. Volgens de vergadering begrepen de arbeiders de noodzaak ervan niet, al erkende men dat door de moeilijke omstandigheden de vrije zaterdag voor hen zeer veel betekende. De vergadering besloot om met ingang van 25 juni de 48-urige werkweek weer overal in te voeren. Tot ergernis van Pierson werd hieraan in de daaropvolgende week, geheel tegen de afspraken in, geen enkele ruchtbaarheid gegeven. Waarschijnlijk heeft hier meegespeeld dat sommige vakbondsbestuurders evenals een aantal werkgevers de afkondiging niet bijster zinvol achtten, omdat de mogelijkheid om overtreders daadwerkelijk te straffen ontbrak. In een nader overleg over deze kwestie van het GAB met een aantal textielfabrikanten bleek verder nog dat er in de textielfabrieken nog niet echt werd gewerkt en dat de arbeiders vooral bezig werden gehouden. Zij ergerden zich aan de duizenden die in zalig nietsdoen bij de straat slenteren en zolang deze situatie bleef bestaan, zagen zij niet in dat zij wèl 48 uur zouden moeten werken. Hier was weinig tegen in te brengen en er veranderde in de praktijk vooralsnog dan ook niet veel.
Eind juni werden op verschillende bedrijven nog eisen voor een 40-urige werkweek gesteld, onder meer bij stakingen voor loonsverhoging bij de Confectiefabriek Bakker in Enschede, bij Jordaan in Haaksbergen en bij de Boekelosche Stoombleekerij. De directeur van het GAB leek al zo gewend te zijn aan deze extra eisen dat hij bij een staking bij Van Heek in Losser niet alleen de looneisen vermeldde, maar ook sprak van de gewone 40-uur eisch.
Majoor Pierson, die zeer hechtte aan de principiële kant van de zaak, nam uiteindelijk zelf het initiatief om duidelijk te zijn over de lengte van de arbeidsweek. Hij wees er in een persbericht op dat in Twente net als verder in Nederland de werkweek 48 uur bedroeg, dat dat bij wet zo geregeld was en alleen via de wet veranderd kon worden. In dit stadium, nu ieder weldenkend Nederlander zijn uiterste best doet om een leeggeroofd vaderland weer tot enige welstand te brengen, zijn disputen over de vraag, hoe in de toekomst de normale werkduur worden zal, uit den boze. Zij, die in de gelukkige omstandigheden verkeren, dat er weer 48 uren per week werk voor hen is, en die staken omdat zij korter willen werken, zijn niet in conflict met hun werkgevers, maar met regering en volk.
Waarschijnlijk als een soort pleister op de wonde waren op 25 juni de maximum DUW-lonen verhoogd van 56 cent per uur naar 64 cent, met terugwerkende kracht tot 18 juni. Deze maatregel was genomen door het hoofd van de Inspectie van het Bureau Overijssel van de DUW en zonder medeweten van de Rijksbemiddelaar, het MG en het arbeidsbureau tot stand gekomen.
Volgens het GAB zou deze verhoging tot gevolg hebben dat 't werk der laatste maanden tot handhaving van de loonstop tevergeefs was geweest. Volgens Pierson zette deze maatregel, genomen zonder consultatie van andere werkgevers, bovendien de hele loonregeling in de textielindustrie op losse schroeven. Daar was rond deze tijd overeenstemming bereikt over het optrekken van de laagste lonen tot het DUW-peil van 56 cent en de textielfabrikanten ontstaken in woede toen zij van de verhoging hoorden. Zij konden financieel dit tempo niet bijhouden, maar ook principieel achten zij deze stelselmatige opschroeving van de loonen door de overheidsinstanties uit den booze. Dit scherpe protest had succes en Romme, op dat moment voorzitter van het CRB, greep in en verbood de verhoging. Hoe het in de praktijk met de verhoging is gegaan is niet helemaal duidelijk. In ieder geval had zij een chaos geschapen op loongebied.
In Nijverdal bijvoorbeeld hadden 170 arbeiders van de KSW werk in de DUW aanvaard juist vanwege de nieuwe verhoging; het GAB voorzag dan ook ettelijke stakingen in de DUW.
De verhoging van de DUW-lonen vloeide voort, zoals het MG in het verslag van zijn werkzaamheden aangaf, uit de door de DUW toegepaste politiek van zeer ruime lonen (…) om de aanvankelijke weerstand van de zijde der arbeiders te overwinnen. Ook op andere plaatsen werd dit toegepast. Rijksbemiddelaar Berger was begin juni in Emmen akkoord gegaan met een verhoging van de lonen van turfstekers in Emmen teneinde ‘de arbeiders weer aan het werk te krijgen. Met zijn observatie dat in dit opzicht het Noorden veel van het Zuiden geleerd had, sloeg hij de spijker op zijn kop.
Militair Gezag had in de maanden na 17 september 1944 geleerd dat het de bevolking serieus moest nemen en in Drenthe en Overijssel pasten de diverse militaire commissarissen dit consequent toe. Berger gaf in Emmen blijk van een soortgelijke wendbaarheid, maar, zoals bij de behandeling van de vele disputen tussen het College van Rijksbemiddelaars en de Vakraad voor de Textielindustrie nog zal blijken, als zich ook maar enigszins de mogelijkheid voordeed om, desnoods met harde hand, de officiële richtlijnen door te zetten, dan aarzelde hij niet.
Arbeiders uit Almelo die in DUW-verband werkten, kunnen als een schoolvoorbeeld worden beschouwd van de verhoudingen in de DUW. Zij hadden een basisloon van 56 cent per uur, maar kwamen in tarief op 76 cent. Bovendien werkten zij niet op zaterdag. Deze voorwaarden waren volgens een politierapport te gunstig en andere arbeiders spiegelden zich aan dit voorbeeld. De autoriteiten stonden voor de keus om ofwel de economisch niet verantwoorde voorwaarden, die bovendien een ontduiking van het wettelijk vastgestelde uurloon vormden, te handhaven ofwel deze te veranderen, wat beslist op een staking zou uitdraaien. Het rapport verzuchtte: Het arbeidsvraagstuk is heden wel een zeer moeilijk probleem, het zal van de ver-schillende instanties (...) veel tact vereischen om deze quaestie tot een goed einde te brengen.
Dat bleek nog maar weer eens bij het in dezelfde plaats gelegen textielveredelingsbedrijf Palthe waar eind mei 30 strijksters in staking waren gegaan voor loonsverhoging. Ondanks hun geringe aantal had de staking een grote impact op het bedrijf, omdat de strijkzaal een zeer vitaal onderdeel was. Na ruim drie weken staking werden hun eisen ingewilligd. Elke arbeidster ouder dan 18 jaar verdiende er voortaan ƒ20,- netto per week.
Een eis tot loonsverhoging bij Spinnerij Oosterveld leidde rond dezelfde tijd tot een staking, toen de directie verklaarde deze te willen inwilligen in ruil voor een 48-urige werkweek; volgens het arbeidsbureau een ontactische zet.
Van Eck intervenieerde in dit conflict in zijn rol van adviseur van het MG. Hij schreef een uiterst vriendelijk briefje aan een pakkerij-arbeider bij Oosterveld, die lid was van de fabriekscommissie. Van Eck wilde met die commissie overleggen over de officieel vastgestelde werktijd van 48 uur: Het MG wenscht te vernemen, of de arbeiders bereid zijn, hieraan mede te werken. Misschien kan het nu over de verdere ontwikkeling der loonen dan nog eenige mededeelingen doen, die voor U van belang zijn. Voor zover valt na te gaan hielden deze mededelingen in dat aan de looneisen is toegegeven en was de 48-urige werkweek nog bepaald geen vanzelfsprekendheid
In de hierboven behandelde conflicten speelde het toegenomen zelfbewustzijn van de arbeiders een belangrijke rol. Zij voelden er niets voor om weer op dezelfde manier als voor de oorlog aan het werk te gaan, maar zagen zich gedwongen om voor hun levensonderhoud weer in de fabriek of tijdelijk in de DUW aan de slag te gaan; het was expliciet de bedoeling van de autoriteiten om hen van de straat te laten verdwijnen. Dit was gelukt en hiermee was de eerste stoot opgevangen; de discussie ging weer over de arbeidsvoorwaarden. Zoals uit rapporten over de verschillende conflicten blijkt, accepteerden zij veel minder en lieten dat ook merken.
Volgens J. Heidema, de waarnemend korpscommandant van de Almelose politie, waren vooral de vrouwelijke arbeiders snel aangebrand. De stemming onder de arbeiders die nog niet werkten, maar nog op wachtgeld stonden was z.i. beter, al schreef hij dat toe aan het feit dat zij ruim tijd hebben om nog een en ander bij te verdienen.
Want het waren niet alleen de ervaringen uit de jaren dertig en de oorlog, maar ook de omstandigheden van dat moment, die er voor zorgden dat men tegen een bepaalde maatregel of handeling, welke niet naar den zin is, dadelijk protest aantekent. Hun looneisen met name vloeiden voort uit de sterk stijgende kosten van levensonderhoud.
De Hengelose Fabrikantenkring (HFK) waarschuwde de regering begin juni eveneens voor grote arbeidsonrust als de prijzen niet beter in de hand werden gehouden. De prijs van diverse producten zoals surrogaat koffie, vervangingsmiddel voor waspoeder en eieren waren sterk gestegen. Om de arbeiders tegemoet te komen riep de Hengelose metaalindustrie in die maand een fonds in het leven, waarin de bedrijven voor elke getrouwde arbeider ƒ3,50 en voor elke ongetrouwde arbeider ƒ2,- per week stortten. Toen de prijsstijgingen doorgingen, verhoogden de werkgevers dit bedrag nog eens met ƒ0,75. Het was de bedoeling om het fonds uit te laten keren op het moment dat alle normale artikelen weer voldoende beschikbaar waren.
Eind mei stuurde een zekere H. Böhnke uit Enschede een boze ingezonden brief naar De Waarheid, waarin hij schreef dat vrijwel alleen luxe voedsel in voldoende mate te krijgen was en dat dit alleen te betalen was voor de beter gesitueerden. Hij had gezien dat er aardbeien te koop waren voor ƒ3,50 per pond en asperges voor 3 à 4 gulden per kilo. Hij vroeg zich af waar de goedkope groentes bleven. Of rijden de auto’s alleen voor het dure fruit en de dure groenten.
Een eind juni/begin juli 1945 door de Almelose politie gehouden onderzoek naar de kosten van levensonderhoud leverde de volgende cijfers op.
Tabel Kosten van levensonderhoud in juli 1945
Wekelijkse kosten voor levensonderhoud -Loon van een
ongeschoolde arbeider -Loon van een geschoolde arbeider
Gezin met 2 kinderen ƒ29,92 ƒ25,08 ƒ26,88
Gezin met 3 kinderen ƒ35,02 ƒ29,90 ƒ31,77
Heidema’s conclusie was kort en bondig: Wil men kunnen beschikken over een rustig arbeidsapparaat, dan dienen primair de prijzen van de goederen voor het noodzakelijke levensonderhoud gedrukt te worden, teneinde de arbeiders in staat te stellen het voor hen noodige te kunnen aanschaffen. Voor de tijdelijk burgemeester van Almelo, E. van Dronkelaar, was dit aanleiding om zich eveneens tot de Minister-president te wenden. Door het ontbreken van brandstoffen was het onmogelijk, zo schreef hij, om warm eten te bereiden of warm water te verkrijgen om te kunnen wassen, tenzij men eerst hout ging sprokkelen. In gesprekken met vertegenwoordigers van de grote gemeenten in Twente was hem gebleken dat er in geheel Twente ernstige bezorgdheid heerscht over de brandstoffenpositie van dit gewest. Het was volgens hem dan ook niet meer dan logisch dat de arbeidslust en de energie bij de massa dalen beneden het peil waarop ze tenminste gehandhaafd moeten worden om zo spoedig mogelijk het werk te kunnen hervatten. Dronkelaar benadrukte ook dat de kolenpositie van de grote bedrijven erbar-melijk was. Dat klemde temeer, omdat de Twentse confectie- en textielindustrie van vitaal belang was voor de Nederlandse economie en een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan herstel en vernieuwing. Hij waarschuwde dat wanneer de industrie niet spoedig weer op gang
zou komen, er in Twente ‘zoal geen materiële dan toch een morele verpaupering’ zou optre-
den.369 Op 4 juli beraadden de samenwerkende Fabrikantenkringen zich in Nijmegen op de
gang van zaken en als uitvloeisel daarvan vroegen zij de Ministerraad dringend om aandacht te
schenken aan de voorziening van de arbeiders met textiel, schoeisel en fietsbanden. Hieraan
was een zo groot gebrek ‘dat zij niet eens voorziet in de meest dringende behoefte’. Dit had zijn
weerslag op de stemming onder de arbeiders en ‘de ontevredenheid neemt dan ook van dag tot
dag toe’. Volgens de fabrikanten waren de arbeiders steeds minder geïnteresseerd in hun loon,
omdat zij toch geen mogelijkheden zagen om ‘behalve het nog steeds onvoldoende voedselrant-
soen de meest noodzakelijke artikelen als kleeding en schoeisel aan te schaffen’. Dit had grote
invloed op hun werklust en dus op de productie. Het kwam regelmatig voor dat arbeiders niet
op de fabriek konden komen, omdat de noodzakelijke kleding en schoeisel ontbraken, om nog
maar niet te spreken van fietsbanden. De Fabrikantenkringen stelden voor dat de regering in het
buitenland textiel, schoeisel en fietsbanden zou kopen en om ‘in den eersten nood der Neder-
landers’ te voorzien door textiel in Duitsland te vorderen. Verder was het van groot belang om
het energievraagstuk op te lossen, zodat fabrieken konden gaan produceren en tevens om de wel
beschikbare goederen te verdelen onder de bevolking en dit niet door bureaucratische beslom-
meringen te laten vertragen.370
De uitgeoefende druk had in zoverre resultaat dat Minister Th.S.G.J.M. van Schaik, verant-
woordelijk voor verkeer en energie, de moeite nam om zelf het college van B&W van Almelo
op de hoogte te stellen van de geleverde inspanningen en de bereikte resultaten. Bij de verdeling
van de beschikbare hoeveelheden kolen werd ‘met de betekenis van de Twentse industrie voor
de behoeftevoorziening’ van Nederland ‘terdege rekening’ gehouden. Er was voor de maand
augustus een kolencontingent ontvangen, waarvan een deel voor Twente bestemd was. Van
Engelse zijde was extra invoer vanuit Duitsland toegezegd van 4.500 ton, ‘speciaal voor de
katoenindustrie’. De huisbrandvoorziening baarde inderdaad nog grote zorgen, ‘maar Twente
verkeert in dit opzicht niet in een uitzonderingspositie’. Hij besloot zijn brief met de opwekken-
de woorden dat de situatie weliswaar moeilijk was, maar dat ‘een geleidelijke verbetering’ was
waar te nemen. De belangen van Twente hadden ‘bij voortduring onze volle aandacht’. Toch
was de brandstofvoorziening voor gezinnen eind november nog zo slecht dat het gemeentebe-
stuur een verordening uitvaardigde op grond waarvan het verboden was om binnen de gemeente
‘brandhout, zagen, bijlen en hakmessen’ te vervoeren. Volgens B&W werd een geregelde dis-
tributie van brandhout ‘ernstig in gevaar gebracht door allerlei ongecontroleerde en oncontro-
leerbare aankoopen van brandhout, terwijl veel brandhout wordt geroofd uit de om de gemeente
369 Brief H.I. Keus aan J.A.H.J. van der Dussen, 25 mei 1945 (Heemaf, 209); brief Hengelosche Fabrikantenkring aan Minister-
raad, 13 juni 1945 (StA, 46H); brief E. van Dronkelaar aan W. Schermerhorn, 18 juli 1945 (GAA, 2070); Besprekingen in Hengelo
op 21 September 1945 (Brief Kabinet van den Minister-President aan J.A.H.J. van der Dussen, 24 september 1945 (GAH, Ka-u));
De Waarheid, Tw.ed., Enschede 29 mei 1945; M. Jansen, a.w., p. 72.
Namens de regering waren bij het gesprek op 21 september aanwezig Minister-President W. Schermerhorn en de Minister voor
Handel en Nijverheid H. Vos. De commissaris van politie te Enschede waarschuwde in juni eveneens voor onrust i.v.m. de voedsel-
voorziening: ‘Mochten de voedseltransporten niet gehandhaafd, eventueel uitgebreid kunnen worden, dan zal dit als gevolg hebben,
dat de bevolking wederom de zelfverzorging ter hand zal nemen.’ Rapport van de Commissaris van Politie te Enschede, 18 juni
1945, over de periode 1 t/m 14 juni 1945 (DMC Enschede, 31).
370 Brief Samenwerkende Fabrikantenkringen aan Ministerraad, juli 1945 (StA, 1).