Heidemij en werkverschaffing Overijssel

Inhoud

- Almelo

- Kamp Beugelen Staphorst

- Deventer

- Haarle Hellendoorn

- Nijverdal Hellendoorn

- Staphorst

- Zuna Wierden

- Zwolle

-

Almelo

 

Op 12 maart 1930 werd begonnen met de aanleg van de hoofdtak. Bij de aanleg van het kanaal gebruikte men een baggermolen. Door de crisis is in het kader van werkverschaffing echter bijna 14 km met de hand gegraven.

Het Twentekanaal loopt van Eefde (bij Zutphen) via Hengelo naar Enschede, met een aftakking naar Almelo. 

Het kanaal werd gegraven voor een betere aanvoer van grondstoffen voor de Twentse textielindustrie en voor de toevoer van steenkool uit de mijnen in Limburg. Daarnaast kreeg het kanaal de functie van het op peil houden van het water. In het verleden traden met name de riviertjes de Berkel, de Regge en de Schipbeek regelmatig buiten hun oevers. Overtollig water wordt afgevoerd. Ook is het steeds vaker nodig om bij droogte water van de IJssel in te laten.

 

Dat het Twentekanaal twee belangrijke functies kreeg was bijzonder in die tijd. De afwateringsfunctie zou strijdig zijn met de belangen van de scheepvaart. Uiteindelijk speelde de afwateringsfunctie echter een cruciale rol in het besluit om de aanleg van het kanaal, ten tijde van crisis, door te laten gaan. Een belangrijk moment in de Nederlandse waterbeheergeschiedenis.

De bruggen over het Twentekanaal waren er eerder dan het kanaal zelf. Ze werden op het land gebouwd en het water werd er pas later onderuit gegraven. Het Twentekanaal is aangelegd ter ontsluiting van Twente als belangrijk industriegebied. Het vormt een verbindingsschakel tussen Almelo, Enschede en de IJssel. Bovendien heeft het kanaal een functie bij het op peil houden van het water. Meestal voert het overtollig water af uit de Berkel en andere rivieren en beken. Een enkele maal is het bij grote droogte nodig water van de IJssel in te laten.

Bij Wet van 4 november 1919 betreffende den aanleg van Scheepvaartkanalen naar Twenthe' werd besloten tot het graven van kanalen tussen Twente en de rivieren Rijn en IJssel. Het beoogde Twenthe-Rijnkanaal, tussen Almen en Lobith, is echter nooit aangelegd. Het huidige Twentekanaal kwam wel tot stand in de jaren 1930-1936 en werd deels met de hand gegraven in het kader van de toenmalige werkverschaffing.

Het begin werd gemaakt op 12 maart 1930, toen de eerste grond werd verplaatst bij Fort de Pol in Eefde. In de periode 1931-1933 werden het sluizencomplex en het gemaal bij Eefde aangelegd, ontwerp van architect D. Roosenburg. De al vroeg gereed gekomen brug bij Almen was nog lang een vreemd element in het nog droge landschap en vormde een uitje voor de Almenaren.

 

Op 1 juli 1933 werd het sluizencomplex geopend. De plechtigheid bleef sober in de heersende crisistijd. Er kon nog niet worden geschut, maar de jongste verslaggever van de Zutphensche Courant kwam met een vriend per kano de sluis binnen. In december 1933 was het kanaal beschikbaar voor de scheepvaart tot aan de los- en laadplaats van de gemeente Lochem. Maar niet echt, want er lag een dikke ijsvloer. Vooral de schaatsliefhebbers hadden daar geen probleem mee. Op 13 april 1934 werd Goor bereikbaar en op 6 mei 1936 Enschede. De officiële opening werd verricht door koningin Wilhelmina.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog vormde het Twentekanaal nog een lastig obstakel. Omdat de bruggen waren opgeblazen, voeren er nog vele jaren pontjes. In Almen heette de weg daarheen dan ook in de volksmond Pontweg.

De Weitemanslanden waren oorspronkelijk een moerasgebied, dat gevoed werd door het water van de Bavesbeek. 

De Weitemanslanden liggen in de gemeenten Almelo, Tubbergen en Vriezenveen en danken de naam aan Hendrikus Dijkhuis, bijgenaamd de Weiteman, die vroeger als ongekroonde koning heer en meester was in dit gebied. Het moerasgebied ten oosten van het dorp Vriezenveen was ongeveer 600 ha groot. In 1926 werd de Overijsselse Ontginning Maatschappij opgericht. Deze maatschappij had al 1 jaar later het Staphorsterveld ontgonnen en verkaveld. Als tweede project was het oog gevallen op de Weitemanslanden. Daarover moest echter nog heel wat vergaderd worden, waarbij het er niet altijd even zachtzinnig aan toeging. Het hele gebied kende tussen de 1200 en 1400 grondeigenaren. Eind 1928 was het grootste gedeelte van de grondeigenaren bereid de grond aan de Ontginning Maatschappij Overijssel te verkopen, met het recht van eerste koop na de ontginning. Ook de graaf van Almelo, die ongeveer 100 ha in het gebied bezat, bracht zijn eigendommen in. Hij kreeg die later terug als aaneengesloten blok in de hoek Blankemeerweg-Weitemansweg. Hier werden vijf boerderijen gebouwd, waaronder De Weiteman (1937), Nieuw Schutteman, Oolde en de Adolph Frederik Hoeve (1957).

In het voorjaar van 1930 begon men met het graven van de kavelsloten. Enkele honderden stadswerklozen uit Den Haag werden hier te werk gesteld. Verscheidene keren brak er een loonconflict uit. Met de schop in de handen en Chiep Whip [een sigaret] tussen de tanden, zo gaan wij naar de Weitemanslanden, zo zongen de talrijke stadswerklozen. In 1932 betrok het gezin van weduwe Kroeze hun nieuwgebouwde woning annex café De Weiteman op Weitemansweg 41 in de gemeente Tubbergen. In het voorjaar van 1932 werd de eerste boerderij gebouwd voor de heer F. Jonker in de gemeente Vriezenveen. Op 27 maart 1933 werd het gebied feestelijk in gebruik genomen. Minister-president Charles J.M. Ruys de Beerenbrouck was er speciaal voor naar de Weitemanslanden gekomen. Hij plantte de eerste boom aan de Weitemansweg. Daarna was het de beurt aan andere autoriteiten en aan de uitgenodigde schooljeugd.

 

Een geluk bij een ongeluk is dat door initiatief van Twentse natuurvrienden de Kooijplas behouden bleef. Het natuurgebied De Kooijplas ligt in het noordelijk deel van de Weitemanslanden in de hoek Geesterenseweg−Weitemansweg en is circa 15 ha groot. Het gebied werd indertijd aangekocht door mr. dr. J.W. Schneider, een inwoner uit Delden. In 1988 werd dit natuurgebied verkocht aan de Stichting Beheer Natuur- en Landbouwgronden.

In de plannen van het ontwerp was ook een klein dorp opgenomen. De Vosmaatweg en de Oeverweg zijn de stille getuigen van dat voornemen. Verder is het er niet van gekomen. Mede door de aanleg van nieuwe afwateringskanalen zoals het Geesterens Stroomkanaal, is het thans een rustig en droog weidegebied 

 

Kamp Beugelen Staphorst

Het kamp Beugelen lag ten oosten van Staphorst aan de Gemeenteweg. Over het kamp, met een capaciteit van 96 slaapplaatsen, is weinig bekend. Waarschijnlijk is dit kamp, net als de andere twee kampen in Staphorst, in de dertiger jaren van de twintigste eeuw gebouwd. Vanuit Beugelen werd in het kader van de werkverschaffing ondermeer het 900 hectare grote Staatsbos aangelegd.

 

De joodse dwangarbeiders, die in 1942 in Beugelen werden ondergebracht, waren voornamelijk afkomstig uit Den Haag en omgeving. Iedereen kon vrij het kamp in en uit. Voor bezoekjes aan dokter Berghauser Pont konden de mannen meerijden met K. Kappe. Hij was de broer van de officiële postbode en mocht dit speciale ritje doen. Met de bakfiets bracht hij niet alleen brieven en pakketjes, maar ook groenten van de groenteboer. Bij mooi weer mochten zijn zusjes meerijden in de bakfiets.

De broer van postbode K. Kappe was bijzonder welkom. Dat lieten de joodse mannen duidelijk merken. Want in de kantine stond een potje, waarin de dwangarbeiders een gift deden en aan het eind van de week kreeg de broer van de postbesteller dan een fooi.

 

In de eerste maanden van hun verblijf kregen de dwangarbeiders nog verlof om naar huis te gaan, maar daar was na de lente van 1942 bijna geen sprake meer van. Ook was er een verbod op het ontvangen van bezoek.

Het regime in het kamp werd steeds strenger. Omwonenden zagen de joodse dwangarbeiders naar het werk marcheren, met de schop over de schouder. Onder aanvoering van een ploegbaas, gewoon een medekampbewoner, ging het in strakke pas vooruit. De aanvoerder gaf met luide stem de maat: Links, zwei, drei, vier…

 

In Beugelen werden op 2 oktober 1942 Duitse soldaten ingekwartierd onder de smoes dat er in de dichtsbijzijnde kazerne geen ruimte meer was. In de vroege morgen van 3 oktober werden alle joden door deze soldaten weggevoerd.

De browr van postbode K  Kappe kwam die morgen redelijk op tijd in het kamp. Hij trof een grote ravage aan. Overal lagen koffers en tassen. Buiten het kamp, langs de Schapenstreek en de Lankhorsterweg was het al niet anders. Wat later op de morgen kwamen de Duitsers bij boer Hoeve aan de deur, schuin tegenover kamp Beugelen. Hij moest zijn paard en wagen ter beschikking stellen om de bagage uit het kamp naar Meppel te brengen. Maar Hoeve kon hen niet helpen: hij had alleen een jong en onervaren paard dat nog niet geschikt was voor dit werk. Daarom gingen de Duitsers naar de buren, molenaar en veevoerhandelaar Agtersmid. De Duitsers dwongen hem samen met zijn knecht Jonkers de bezittingen van de joden naar Meppel te brengen.

 

Die ochtend van de derde oktober 1942 zag getuige J. Poortman de lange colonne uit Staphorst in Meppel aankomen: marcherende, hinkende, soms strompelende mensen die hun bagage moeizaam meedroegen. Nog ziet de getuige de heee J. Poortman een oudere jood met grijze baard struikelen. De vetgevreten Grüne-begeleider schoot toe en schopte de grijsaard en koffer zo tegen een boom dat de man bloedend verder krabbelde terwijl de koffer open vloog. Opstaan! Verder gaan!', brulde de Grune-begeleider die steeds doorschopte tot het slachtoffer kruipend wegging en op de been geholpen werd door lotgenoten.

 

Niet duidelijk is, wat er na het vertrek van de joodse mannen met het kamp gebeurde. Direct na de oorlog werden in de barakken van Beugelen Nederlanders ondergebracht, die in de oorlog met de Duitsers sympathiseerden. Dat waren voornamelijk NSB-ers.

 

Vanaf 1951 heeft het kamp ook gediend als opvang voor Molukse militairen en hun gezinnen die uit Nederlands Indië kwamen. Nadien verbleven er nog enige tijd kinderen uit West-Berlijn, die er hun vakantie doorbrachten.

 

Deventer

 

Toen in 1934 de ijzergieterij van Nering Bögel gesloten werd, leidde dit tot het eerste massaontslag in Deventer. Veel mensen stonden van de ene op de andere dag op straat. In 1935 kende Deventer 6.200 werklozen op een bevolking van ongeveer 38.000. De uitkeringen lagen in de buurt van f 12,‒ per week, terwijl mensen die nog wat spaarcentjes hadden helemaal niets kregen. De bedrijven die open bleven, werkten hun dure arbeiders de deur uit en zij die konden blijven zagen hun lonen dalen met 30%.

Bij de opgerichte stempellokalen stonden lange rijen werkloze mannen die zich elke dag moesten melden. Dat moest wel steeds op een ander tijdstip gebeuren, om te voorkomen dat zij naast de uitkering (teveel om dood te gaan en te weinig om van te leven) er een stuiver bij zouden verdienen. Veel mensen schaamden zich als ze in de rij voor het stempellokaal stonden. Een andere maatregel om werklozen te steunen was ontheffing van de fietsbelasting. Wel kreeg men dan een gaatje in het fietsplaatje; zo kon iedereen zien dat je werkloos was.

Arbeiders probeerden op alle mogelijke manieren weer aan de slag te komen. Toch leden veel gezinnen armoede en honger. Door het verstrekken van margarine, goedkope groenten en vlees in blik trachtte het Plaatselijk Crisiscomité de ergste nood te lenigen.

Werklozen kwamen terecht in de werkverschaffing, waarbij het meestal ging om zwaar werk. Zo maar de hand ophouden was er niet bij. In Deventer werden al in begin jaren twintig veel mensen tewerkgesteld bij de aanleg van een haven- en industrieterrein op de Bergweide en later bij de indijking van de Zandweerd en ontginningswerkzaamheden in Borgele en Keizerslanden. Men kon f 20,‒ per week verdienen, maar in 1935 was dit bedrag al teruggebracht naar f 12,‒ per week. De bouw van de Westenbergkazerne in Schalkhaar was ook een werkverschaffingsproject. Werkzoekenden in de bouw werden ingezet bij de bouw van middenstandswoningen aan de Hoge Hondstraat, Diepenveenseweg, Tesschenmacherstraat en Swaefkenstraat.

Later in de jaren dertig kwam het werk ver buiten Deventer te liggen. Zo moesten velen op de fiets naar Holten en Veessen of werden ze per bus naar Staphorst, Hardenberg of de Twentekanalen vervoerd. De omstandigheden waren dikwijls zo slecht, dat onvrede en verzet het gevolg waren. Er kwamen protestacties en stakingen. Maar wie als staker werd aangemerkt kon vertrekken en zijn uitkering werd stopgezet. Het gezin werd dan doorgaans afhankelijk van de bedeling en kreeg steun van het Plaatselijk Crisiscomité of van kerkelijke liefdadigheidsinstellingen. Het grote aantal arbeiders met linkse sympathieën en de daardoor sterke positie van de socialistische partijen in de raad hebben de stad Deventer de bijnaam Moskou gegeven.

 

Giethoorn

Het gebouw van de NV Ontginningsmaatschappij Land van Vollenhove aan de Kapelweg (nu: Mechanisatiebedrijf Evenhuis) staat er nog.

 

De polder werd tijdens de crisis rond 1930 in werkverschaffing drooggelegd. De tewerkgestelden waren werklozen uit de streek en grotestadswerklozen onder anderen uit Rotterdam, Haarlem, Utrecht, Papendrecht, Den Haag en Zwolle.  Onmisbare attributen bij het grondwerk waren een kruiwagen en twee schoppen: een panschop (een schepschop) en een Groninger schop (een steekschop). 

Met de plechtigheid van het steken van de eerste spade op 14 december 1928 door de minister van Binnenlandse Zaken, mr. J.B. Kan, werd een begin gemaakt met de ontginningswerken. De N.V. Ontginningsmaatschappij was onder meer opgericht voor het droogmaken van de polder Giethoorn. Dit was in die jaren een nieuwe mogelijkheid die in beeld kwam nadat het grote A.F. Stroinkgemaal (1919) in gebruik was genomen. De meeste beleidsmakers hadden trouwens geen hoge pet op van dit gebied. Ze vonden het maar moerassige grond met morsig struikgewas, een troosteloos en onherbergzaam kraggenlandschap zonder economische waarde. De Gietersen zelf keken hier anders naar. Zij visten er, sneden er riet en maakten er elk jaar hun klampje turf. Struiken werden gekapt en tot takkenbossen gebonden. Vrijwel elke Gieterse en Dwarsgrachter veehouder had één of meer percelen, bezit waaraan hij was gehecht en dat een wezenlijke bijdrage leverde aan zijn bestaan. Van de oude legakkers en de verlande trekgaten haalde hij ribbehooi dat werd verkocht als inpakmateriaal voor glaswerk, als bloembollendek en als veevoer. Op het niet vergraven veengrasland weidde hij zijn jongvee en soms ook zijn melkvee.

Het was crisistijd met vanaf 1925 een sterk oplopende werkloosheid. De regering maakte de uitvoering van dit grootse ontginningsplan mogelijk omdat ze er een werkverschaffings-project inzag.

Het was crisistijd met vanaf 1925 een sterk oplopende werkloosheid. De regering maakte de uitvoering van dit grootse plan mogelijk omdat ze er een werkverschaffingsproject inzag. Ook het kanaal Steenwijk-De Blauwe Hand paste in dit streven. Men hoopte dat dit ook blijvende werkgelegenheid zou opleveren voor de plaatselijke bevolking en het met de ‘geesel van de werkloosheid’ zou zijn gedaan. Velen trokken die jaren naar de industrie in Twente. Vooral ‘s winters was er te weinig werk. Honderden werklozen uit de omgeving, maar ook van ver daarbuiten, vooral uit verschillende grote steden in het westen, veranderden in deze jaren de drooggelegde gronden in landbouwgronden. De streekwerklozen gingen aan het eind van de werkdag naar huis, de grotestadswerklozen, onder wie veel Rotterdammers logeerden in barakkenkampen aan de rand van de polder. Als je in die jaren al een uitkering kreeg, dan maximaal dertien weken. Het grondwerk op het land was zwaar en eentonig en niet iedereen kon hier aan wennen. Velen hadden voordien nooit een schop in handen gehad.

Bezwaren waren er natuurlijk ook tegen de inpoldering. Vooral de jonge doopsgezinde predikant A.L. Broer, geboren en getogen in Giethoorn, kon het maar moeilijk verwerken dat het dorp en de omgeving ervan een heel ander gezicht zouden krijgen. In de Steenwijker Courant (22 december 1928) schreef hij: De eerste spade is gezet, Met de vernietiging van het oude, prachtige landschap rondom Giethoorn zal een begin worden gemaakt. Het tooverland van onze jeugd zal binnen afzienbare tijd een verloren tooverland zijn.  Bijna niemand had hier oog voor. Wel vond Broer de jonge Stichting tot Behoud van Natuurmonumenten aan zijn zijde en de plannen voor het inpolderen van zelfs het Bovenwiede werden Goddank op de lange baan geschoven.

Men begon in 1928 met een proefpolder. De gronden werden aangekocht. Voor veel grondeigenaren was dit voldoende om de gronden bij minnelijke schikking af te staan. Ze kregen voorkeursrecht om, na de ontginning, gecultiveerde gronden terug te kopen. Als gevolg van de crisis kwam hier uiteindelijk weinig van terecht; de vroegere grondeigenaren konden het geld veelal niet meer op tafel leggen. Van gedwongen verkoop was ook sprake geweest. Toezeggingen bleken van papier zeker voor een aantal kleinere veehouders, riettelers en vissers die hun bestaansbron geheel of gedeeltelijk zagen wegvallen. Dat moet een hard gelag zijn geweest. Er was veel armoede en bitterheid. 

Haarle Hellendoorn

Aan het einde van de negentiende eeuw nam de bebossing een hoge vlucht, onder meer omdat naaldhout in de mijnbouw een veel gevraagd produkt was. Zo werden in de buurschap Haarle rond de eeuwwisseling door de heren Van Wulfften Palthe uit Almelo (eigenaar van textielreinigingsbedrijven) en Baron Van Voorst tot Voorst uit Zwolle onder leiding van de Nederlandsche Heidemaatschappij honderden hectares heideveld ontgonnen en met dennen beplant.

Een bijzondere vorm van bodembeheer werd vroeger aangetroffen op de Hellendoornsche Berg en de Haarlerberg. Om te voorkomen dat het in het vroege voorjaar en het najaar van de onbeboste hellingen afstromende regenwater de op de flanken gelegen essen zou overstromen en bedekken met een laag zand en modder, waren er op de hellingen aarden wallen opgeworpen. Vanaf omstreeks 1850 werd de functie van deze waterkeringen meer en meer overgenomen door de aangeplante bossen. De door de mens aangebrachte vegetatie maakte tevens een einde aan de regelmatig voorkomende zandverstuivingen.

Het gebied ten westen van de stuwwal watert via een aantal weteringen, en sloten, ondermeer de genoemde Boksloot, het Overijsselsen Kanaal Raalte -Deventer en het Overijsselsch Kanaal Zwolle-Vroomshoop af op de IJssel en het Zwarte Water. In het gebied ten oosten van de heuvelrug is de Regge met een aantal daarin uitmondende waterleidingen, waarvan de Hooge Laar's leiding de belangrijkste is, grotendeels verantwoordelijk voor de afwatering. In het noordelijke en oostelijke deel van dit gebied vormen de Overijsselsche Kanalen Almelo-De Haandrik en Vroomshoop - Zwolle en de Veeneleiding de belangrijkste afvoerkanalen. Het gebied ten westen van de stuwwal heeft, vanwege de over het algemeen wat hogere ligging dan het Reggedal, altijd al een relatief goede waterafvoer gekend. Een uitzondering werd gevormd doorhet Hellendoornsche Broek, dat in een soort dal ligt tussen de stuwwal en de Luttenberg. Ook het westelijke deel van de Dammarke bestond grotendeels uit drassige gronden. In het Reggedal zorgde de in de winter en het vroege voorjaar en ook regelmatig in de zomer buiten haar oevers tredende Regge vanntijd tot tijd voor ernstige wateroverlast. Een eerste verbetering in de situatie in het dal was eenbverkleining van het stroomgebied van de Regge als gevolg van het gereedkomen van het OverijsselschbKanaal van Almelo naar de Vecht in 1855. De Regge kreeg hierdoor aanzienlijk minder water te verwerken dan voordien. De oprichting van het waterschap De Regge in 1884 leidde aanvankelijk niet tot denuitvoering van de reeds lange tijd noodzakelijk geachte verbeteringswerken. Dat gebeurde pas na de subsidiewet van 1892. Enkele tientallen Haarlenaren werden tijdens de werkverschaffingsperiode ingezet om deze waterkeringen en bodembeheer naast heideontgingïngs projecten van Heidemij uit te voeren.

 

Voor enkele kleine grondeigenaren in Haarle was voldoende om gronden bij minnelijke schikking af te staan. Ze kregen voorkeursrecht om, na de ontginning, gecultiveerde gronden terug te kopen. Als gevolg van de crisis kwam hier uiteindelijk weinig van terecht; de vroegere grondeigenaren konden het geld veelal niet meer op tafel leggen. Van gedwongen verkoop is ook sprake geweest. Toezeggingen bleken van papier zeker voor een aantal kleinere veehouders die hun bestaansbron geheel of gedeeltelijk zagen wegvallen. Dat moet een hard gelag zijn geweest.

Nijverdal Hellendoorn

Artikel betreffende aankoop van Twilhaar. Uit de Volkskrant van 6-1-1940. Geschreven door mijn opa J. ter Halle Journalist bij Volkskrant

Artikel uit de krant, april 1941

Artikel uit de krant, Twentse courant november 1941

Artikel uit de krant van april 1943

Een krant artikel

 

Kamp Twilhaar Nijverdal Hellendoorn

 

In de crisisjaren vlak voor de oorlog besloot de Nederlandse overheid actief de grote werkloosheid tegen te gaan door het instellen van de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Deze dienst kwam met veel plannen om werkgelegenheid te verschaffen waarbij zogenaamde kampen voor de werkverruiming (in de volksmond: werkverschaffing) gebouwd zouden worden om de arbeiders te kunnen huisvesten.

Rijkswerkkamp Twilhaar was een van die kampen. In 1939 kocht Staatsbosbeheer van onder meer Ter Horst en Co.N.V. gronden en opstallen op de Sallandse Heuvelrug. Reden was onder meer om een Nationaal Park te stichten. Op een van de gekochte stukken grond kwam Kamp Twilhaar.

 

Of het uitbreken van de oorlog de plannen heeft opgehouden is onduidelijk, maar uiteindelijk is het Kamp Twilhaar er gekomen zoals gepland. Op 6, 7 en 10 augustus 1940 verschenen er in verschillende kranten berichten dat er in de bossen op de Twilhaar een barak gebouwd ging komen voor werklozen van elders.

 

De bouw gebeurde volgens een blauwdruk die voor alle kampen van de werkverruiming gold: een kantine, een kok- of beheerderswoning en twee lange in v-vorm geplaatste woonbarakken. Tezamen met een capaciteit van 96 bewoners.

 

De oplevering van het kamp is eind december van dat jaar. Vermoedelijk in januari 1941 verschenen de eerste arbeiders. Dat waren zeelieden uit Scheveningen en Den Haag, die van de Duitse bezetter te horen hadden gekregen dat ze niet meer mochten uitvaren met hun boten. Elke twee weken stapten ze op Holland Spoor in Den Haag op de trein naar het oosten van het land. Daar werden ze op de heidevelden aan het werk gezet om woeste grond te ontginnen nabij boerderij Twilhaar.

 

De werkzaamheden stonden onder toezicht van Staatsbosbeheer. De heer Roebert, afkomstig uit Steenwijkerwold, werd aangesteld als opzichter. Hij ging wonen in boerderij Twilhaar, adres 8C Haarle, daar waar later het kantoor van Staatsbosbeheer kwam. Deze boerderij staat er nog steeds.

 

Dat de Nijverdalse bevolking begaan was met het lot van deze ontheemde mannen bleek uit de oprichting van een Comité met als doel het verblijf van de zeelieden te veraangenamen. Burgemeester Witschey van Hellendoorn nam dit initiatief in april 1941.

 

Er waren vanaf die tijd in de kantine van het kamp regelmatig gezellige en ook lezingen en geestelijke bijeenkomsten op zowel protestantse als katholieke leest geschoeid. Verder zorgde men voor lectuur, spellen en muzikale optredens. Het eerste optreden vond al op 23 april plaats met een uitvoering van het Eerste Nijverdals Strijkorkest (ENSO). Ook het orkest van de KSW heeft er gespeeld.

 

De hele zomer en het najaar hebben ze zich bezig gehouden met een akker bij boerderij Twilhaar waarop een boomkwekerij was aangelegd met de naam De Plantage. Deze mannen zijn met de kerstdagen van 1941 thuis mogen blijven en na terugkeer in januari 1942 zijn ze teruggestuurd omdat het een helse winter was en ze niets konden uitrichten op de hardbevroren grond.

 

Begin april werd de grond weer bewerkbaar en een paar weken daarna kreeg de beheerder van het kamp, Henner Hoijmann, het bericht, dat de arbeiders uit Den Haag en Scheveningen niet meer zouden komen, omdat de Duitsers het kamp wilden vrijhouden voor de komst van de Joden.

Vermoedelijk dat de eerste groep arbeiders mogelijkerwijs van half januari 1941 tot begin april 1942 in werkkamp Twilhaar heeft gezeten.

 

In 1942 veranderde de bezetter de bestemming van Twilhaar door in het kamp Joodse Nederlanders te isoleren. Twilhaar werd hiermee een van de Joodse werkkampen in Nederland. Het Nijverdalse personeel werd naar huis gestuurd. Men wilde geen pottenkijkers. Alleen de kantinebeheerder en zijn hulpje en de nachtwaker mochten blijven.

 

Op 25 april 1942 zouden volgens de plannen Amsterdamse Joden vanaf het Amstelstation naar o.a. Twilhaar worden gezonden. Er verschenen op dat station die dag echter veel minder opgeroepen mensen dan de bedoeling was zodat in het Nijverdalse geen Amsterdammer is waargenomen. Die dag kwamen in Overijssel voornamelijk Amsterdammers terecht in kampen als Arrien, De Conrad, De Vecht en Molengoot.

Op 10 juli 1942 arriveerde de eerste groep van 83 Joodse mannen.  Volgens kampbeheerder Hoijmann: allemaal mensen uit de stad Groningen. Nog vol moed en gein. Alle Joodse mannen tussen de 15 en de 60 jaar werden uit die stad in de werkkampen geplaatst en mannen met achternamen beginnend met een A, B of C kwamen in Twilhaar terecht. Later werd de groep aangevuld met Joden uit Amsterdam en Brabant.

 

Aanvankelijk was het regime mild. De mannen werd toegestaan het kamp te verlaten en zich vrij in Nijverdal te bewegen. Censuur op brieven was er niet en er mocht bezoek worden ontvangen. Maar al na een maand werden de duimschroeven aangedraaid. De beheerder van Twilhaar werd naar het beruchte strafkamp Erika in Ommen gestuurd om daar te leren hoe hij de Joden er stevig onder kon houden.

 

De groep Joodse arbeiders werd gesplitst in vier afdelingen met aan het hoofd een kaput (Latijns woord voor hoofd)

Er kwam censuur en minder bewegingsvrijheid. De kampbewoners wisten weinig over het lot dat hen te wachten stond maar hadden wel hun vermoedens. Voor zover bekend hebben twee Joodse mannen: Barend Zomerplaag en Jo Broekema, het gewaagd te ontkomen. Alleen de laatste Jo Broekena bleef uit Duitse handen en heeft de oorlog overleefd.

 

De Joodse groep werd aan het werk gesteld op de woeste heidegrond die later het Jodenbos zou worden genoemd. Het was zwaar ontginningswerk met schoppen, die zelf moesten worden betaald.

Na drie maanden ploeteren op Sallandse Heuvelrug werd de groep op 2 oktober 1942 onder bewaking van Duitse soldaten lopend over de Grotestraat naar het station van Nijverdal gedreven. Onder het mom van gezinshereniging ging het naar Westerbork. Vrijwel onmiddellijk werden zij met hun gezinnen naar Auschwitz en andere vernietigingskampen in Oost-Europa gedeporteerd, waar zij vermoedelijk allen zijn vermoord.

 

Na de plotselinge ontruiming op 2 oktober 1942 heeft het kamp waarschijnlijk een paar maanden leeg gestaan. Vanaf eind december 1942 met onderbrekingen tot 1944, mogelijk zelfs 1945, zijn er evacués uit de kuststreken gehuisvest geweest, met name uit de omgeving van Katwijk en Noordwijk, Den Haag en Scheveningen. Het waren gezinnen die door de Duitsers in het kader van de bouw van de Atlantikwall uit hun huis verdreven waren.

 

In 1943 is er sprake van dat enkele jeugdigen met strafbkad in werkkamp Twilhaar hebben gezeten men spreekt in deze periode over stichting voor jeugdige boosdoeners te Twilhaar. De voormalige directeur van het NIOD kan  dit niet onderschrijven noch ontkennen.  Zijn woorden het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat het kamp als zodanig is gebruikt.

 

Toen in 1943 in de buurt van werkkamp Twilhaar door de Duitsers een V1-lanceerbasis werd aangelegd, moest het gebied in de directe omgeving hiervan worden ontruimd. De gezinnen zijn toen onder andere tijdelijk overgebracht naar werkkamp Schaarshoek in Heino.

Na het grote vergissingsbombardement op 22 maart 1945 waren veel mensen dakloos. Voor de gezinnen, die hun huis waren verloren, werd huisvesting gezocht en het werkkamp Twilhaar kon enkele van deze gezinnen onderdak bieden. Zo kwamen Nijverdallers terecht tussen Hagenezen en Scheveningers.

 

Het kamp heeft, mede door de rol die de beheerder van het kamp die ook in het verzet zat, huisvesting kunnen bieden aan Joodse onderduikers. Vlak voor de bevrijding is in het kamp een Joodse jongeman ter wereld gekomen.

 

Niet alleen voor hen bood het werkkamp een tijdelijke oplossing. Er zijn meer groepen mensen die om tal van redenen enige tijd in het Nijverdalse kamp  hebben verbleven:  Ook Duitse soldaten die op doortocht naar andere bestemmingen,waren,  Canadese bevrijders, die er hun kampement hadden opgeslagen en teruggekeerde dwangarbeiders, die eerst zo goed als het kon medisch werden behandeld, voor ze terugkeerden naar hun feitelijke woonplaats.

 

Toen de laatste bewoners waren vertrokken, verloor het kamp zijn functie. De barakken werden in delen ontmanteld en aan opkopers verhandeld. In 1947 werd het terrein ingeplant met bomen en herinnerde bijna niets meer aan de aanwezigheid van een 

 

 

Van 83 joodse mannen (voornamelijk uit Groningen) die in 1942 korte tijd op de Sallandse Heuvelrug moesten verblijven. Op 2 oktober 1942 werd het kamp Twilhaar door de bezetter ontruimd zijn op dit moment 25 namen bekend.

De namen van deze personen luiden:

Jozef Behr en Meier Behr (beiden broers van de befaamde violist Benny Behr);

Piet (Mozes) Bohemen, vertegenwoordiger;

Maurits van Adelsbergen, vertegenwoordiger bij Santega;

Nathan Berkelo, kelner;

Flip Berkelo, muzikant;

Michiel Berkelo, eveneens muzikant;

Jo Broekema, geestelijk ambtenaar rabbinaat;

Izaak Bollegraaf, koopman;

allen uit de stad Groningen. Van overige personen uit de stad Groningen is (vrijwel) niets bekend 

 

 

Bernard Aptroot, landbouwer;

Izak van Berg, kruidenier; zijn zoon Max (Mozes) van Berg,

Coen (Coenraad) Berkelo,

Hugo Benima en Manfred Benima, kooplui aan de Westerkade;

Joël van Coevorden, kelner,

Maurits Bollegraaf, procuratiehouder,

Simon Bollegraaf, fietsenmaker;

de gebroeders Jacob, Issie en Roepie (Ruben) Bollegraaf, kooplui uit de Folkingerstraat;

Philip Broekema,

E. Berkelo,

H. de Vos van Coevorden,

 H. ten Brink.

De namen van 56 Groninger mannen die in 1942 in Twilhaar hebben gezeten, zijn niet bekend.

 

 

Gemeente Hellendoorn 

Als in 1940 de oorlog uitbreekt is dat voor de mensen geen verrassing. De dreiging is er al jaren. En aan ontberingen heeft het niet ontbroken. De tijden waren al zwart en worden alleen maar zwarter. 

De crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw is overal te voelen. Niet alleen in de gezinnen van de fabrieksarbeiders. Ook de lokale middenstand ziet de omzet drastische teruglopen. Vakbondsleden krijgen nog een korte tijd een bijdrage uit het steunfonds, maar het aantal hulpbehoevenden is zo groot dat de bodem van het fonds al snel in zicht is.

Het gemiddelde gezinsinkomen in die tijd is een stuk lager dan in de jaren twintig. Nu heeft men een uitkering tussen de 11,50 en 13,50 gulden per week. De hoogte hangt af van de grootte van het gezin. Soms is er een aanvulling op de uitkering in de vorm van bonnen. Op vertoon daarvan krijg je in de winkel een flinke korting. 

 

Te veel geld om te sterven en te weinig om in leven te blijven. Zo omschrijft men de uitkering die een werkloze krijgt. Door de regering is de werkverschaffing in het leven geroepen. Onder toezicht van de Heidemij worden voor de regering verschillende projecten uitgevoerd: ontginning van een deel van het Wierdense Veen, graven van het Twentekanaal en de zijtak naar Almelo, kanalisering van de Regge en andere werken. Werklozen kunnen verplicht worden aan de werkverschaffing mee te doen. Doe je dat dan niet, vervalt je uitkering en moet je leven van de armenzorg.

 

In de werkverschaffing krijgen de werklozen geen echte baan aangeboden, maar zijn ze door de overheid verplicht om in grote werkploegen ongeschoold werk uit te voeren. De Ontginning van het veen en graven van kanalen gebeurt met schop, kruiwagen en kiepkar. De werkverschaffing is omstreden. Met name socialisten zien deze als een vorm van uitbuiting. Het werk is verschrikkelijk zwaar, de werkweken zijn zo’n 50 uur, de omstandigheden erbarmelijk en het loon is heel laag: tussen de 13 en 17 gulden per week.

Naast projecten van de rijksoverheid zijn er gemeentelijke werkverschaffingsprojecten. Daarbij bepaalt de gemeente het loon. Soms werkt men dicht bij, soms verder weg. Het aanleggen van de Wieringermeer gebeurt ook door mensen uit gemeente Hellendoorn. Eén keer per acht weken is er geld om ze naar huis te laten vervoeren. Wie vaker naar huis wil, moet zelf betalen.

 

Elk project voor werkverschaffing komt in de raad. Zo kunnen bij werkzaamheden aan de Regge 25 mensen geplaatst worden, waarvan 20 uit Nijverdal (alleen hoofden van gezinnen en kostwinners). Zij gaan elke dag met de bus naar het werk. Leuk is het niet en lang niet alles loopt naar wens. Op een gegeven moment is een ploeg het zat en kiepert zand in de Regge in plaats van ernaast. De ploegbaas ziet dat, maar weigert later de namen van de boosdoeners te vertellen. Ontslag op staande voet is de hoge prijs die hij betaalt voor zijn solidariteit…..

 

Veel nieuwe werklozen kunnen aan de slag in de werkverschaffing in Wierden. Ook in en om Nijverdal zijn veel activiteiten in het kader van de werkverschaffing. Zo is er de verbetering van de Midden-Regge (die in 2013 weer teniet is gedaan). In 1932 zijn maar liefst 900 mensen werkzaam bij dit project: 300 grootestads-werkloozen en 600 uit Twente. Deze laatsten reizen elke dag op en neer; de stedelingen wonen in kampen in Nijverdal, Zuna, Enter en Harbrinkhoek.

 

Werke. In de werkverschaffing is geen vetpot. Met regelmaat zijn er strubbelingen. In mei 1932 leggen 150 werkers aan de Midden-Regge het werk neer uit protest tegen de hongerlonen die zij krijgen. De crisis duurt onverminderd voort. Georganiseerde arbeiders krijgen een hogere uitkering dan ongeorganiseerden. Dat zet kwaad bloed.

Tewerkgestelden zijn lang niet altijd blij. Natuurlijk, er is werk en ze krijgen extra geld. Maar het is loodzwaar. Velen moeten werk doen dat ze nog nooit hebben gedaan en een aanslag is op het lichaam. In het Twentsch Volksblad verschijnt een ingezonden brief van een tewerkgestelde Nijverdaller. Hij schrijft naar aanleiding van het bericht dat een aantal mannen aan het werk gaat aan Regge-werkzaamheden bij Goor.

 

Vrijdag 23 maart 1933 is het werk begonnen. De arbeiders gaan er per trein heen. De trein vertrekt ’s morgens om 6 uur vanaf Hellendoorn en kunnen de te Nijverdal wonende arbeiders in Nijverdal instappen. Dit is ’n extra trein, maar ’s avonds gaan de tewerkgestelden per gewone trein terug. Het terrein waar gewerkt wordt, ligt een half uur loopens vanaf de spoorlijn. Daar de terugreis per gewone trein is, moeten menschen drie kwartier in open lucht aan de spoorlijn staan wachten en komen ze eindelijk om 7 uur ’s avonds aan ’t station van vertrek aan. De dichtstbijwonenden zijn dus per dag 13 a 14 uur van huis. De man vraagt zich af of er ook ’s avonds niet een extra trein kan rijden of een bus.

 

Om de crisis het hoofd te bieden, neemt de regering tal van maatregelen. Een ervan is de verlaging van de salarissen van rijksambtenaren met 5%. De minister vraagt gemeenten dat voorbeeld te volgen, waarbij de verlaging ook geldt voor de burgemeesters, wethouders, secretarissen en ontvangers. De raad van Hellendoorn besluit om aan de provincie mee te delen dat men daar niets voor voelt. Later gaat de raad schoorvoetend akkoord met 4% verlaging.

In de loop van 1934 komen berichten naar buiten dat de werkloosheid aan het afnemen is. In de Amerikaanse staalindustrie gaat het beter, terwijl de bedrijvigheid in Engeland ook toeneemt. Veel meer werk komt er desondanks niet zo snel. Vreemd noemt het Twentsch Volksblad het dat de katoenprijzen zo stijgen.

 

Men zegt dat dat te maken heeft met katoen die nodig is voor het maken van springstof voor den volgende oorlog, welke overal heet te worden voorbereid. Dat verklaart ook de stijging van wolprijzen. Zeker is dat over den komenden oorlog reeds veel wordt gesproken als iets vanzelfsprekends; iets dat onafwendbaar is en we dus maar te aanvaarden hebben….

 

De begroting van de gemeente Hellendoorn voor 1936 vertoont een tekort van f 50.000,-, terwijl de begroting van 1935 nog niet is goedgekeurd. Burgemeester L.C. van den Steen van Ommeren spreekt van een noodtoestand. De belangrijkste reden voor het tekort is het tegenvallen van de belastingopbrengst door de crisis en bijbehorende werkloosheid. Ook al gaat het een beetje beter.

 

In een interview met Tubantia zegt Van den Steen van Ommeren dat er nergens meer op bezuinigd kan worden. De salarissen van het gemeentelijk personeel zijn verlaagd met 4%, terwijl men ook nog eens 10% moet bijdragen aan de pensioenpremies. Over de Gemeentebegroting is eigenlijk niets te zeggen. Het is hier een wanhopige toestand; we leven van den eenen dag in den anderen, toekomstplannen kunnen we niet maken, want we hebben geen geld om ze uit te voeren, zegt de burgemeester.

 

Aan het einde van de jaren dertig trekt de economie iets aan. In 1937 gaat het zoveel beter dat de arbeiders onderhandelen over een loonsverhoging van 10% voor de 16- en 18-getouwenwevers smal werk. Uiteindelijk moeten ze met 7,5% genoegen nemen en de breedwerkers met 6%. Dat betekent niet het einde van de crisis. In 1938 nog ontslaat de KSW mensen wegens slapte en stelt de gemeenteraad geld beschikbaar om werklozen te ondersteunen. Veel mensen verdienen noodgedwongen nog steeds geld in de werkverschaffing.

 

In 1934 al ontstaat het idee dat er een oorlog zal komen. In de jaren daarna ebt dat gevoel een beetje weg, maar in de laatste jaren van dit decennium komt het in alle hevigheid terug. Lezers van het Twentsch Volksblad krijgen uitgebreid informatie over alle brandhaarden op de wereld. Compleet met kaarten en steeds meer foto’s: van vluchtelingen in Spanje, Frankrijk, China; van Duitse soldaten in Wenen, portretten en levensbeschrijvingen van de leiders in die dagen. Mensen zijn bang van wat er om hen heen gebeurt.

 

Op 28 september 1938 plaatst burgemeester Witschey een advertentie, waarin staat dat hem ter ore is gekomen dat t7al van personen, uit vrees voor moeilijkheden, bezig zijn door inkoop van meer dan normale hoeveelheden, voorraden aan te leggen. Niet alleen wordt de onrust hierdoor vooralsnog vergroot, maar worden bestaande normale toestanden voor de voedselvoorziening bemoeilijkt.

 

De burgemeester vindt dat aan het hamsteren een einde moet komen; ook al omdat dat prijsopdrijving in de hand werkt. Hij roept de winkeliers op aan mensen niet meer te verkopen dan men normaal koopt. Hamsteraars laat hij weten dat eventueel wordt overgegaan tot het in beslag nemen van de voorraden.

De oorlogsdreiging wordt groter en groter. Het Twentsch Volksblad meldt uitvoerig de ontwikkelingen in Europa en de rest van de wereld. Men vraagt zich af of het Nederland lukt neutraal te blijven. De dreiging en oorlog leiden tot distributie. Veel eten en goederen zijn alleen nog maar te krijgen met bonnen, die je in de winkel moet inleveren.

 

Niet alleen in Nederland is er distributie: in bijna alle landen in Europa gebeurt hetzelfde. Zelfs in Duitsland. In de Duitse kranten komen artikelen waarin staat dat een dikke Duitser een Duitser is die te veel bonnen heeft verzilverd of illegaal aan eten is gekomen. Daarom: een dikke Duitser staat gelijk aan hoogverraad.

 

Verschillende mensen bouwen in hun tuin een schuilkelder, samen of met buren. Er zijn ook kant-en-klaar stalen schuiltenten te koop.

 

Staphorst

Januari 1942 worden honderden joodse mannen gedeporteerd naar werkelozenkampen in het oosten van Nederland. Eerst vanuit Amsterdam, maar enkele maanden later komen ook Joden uit onder andere Den Haag, Voorburg, Groningen, Assen, Steenwijk en Zwartsluis voor de werkkampen in Staphorst en Rouveen in aanmerking. In totaal worden er in de beide plaatsen driehonderd vierenveertig mannen ondergebracht. De bezetter acht hen goed voor het zware ruilkaveling- en ontginningswerk. De gezinnen blijven achter. Verlof is er niet bij. Naast het ongewone werk blijkt vooral het chronisch tekort aan voedsel funest.

 

Conrad, Beugelen en Het Wijde Gat, dat zijn de namen van voormalige werkkampen in Staphorst en Rouveen. Deze kampen zijn opgericht tijdens de werkverschaffing in de jaren ‘30 en ‘40. Maar dat die werkkampen in 1942 zijn gebruikt bij de deportatie van de Joden was in Staphorst bijkans vergeten. 

 

In heel noord en oost Nederland worden in diverse streken inwoners geconfronteerd met de gevangenneming van de joodse mannen. Verspreid over Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland betreft dat ongeveer 30 werkkampen. Alles bij elkaar gaat het dan om zo’n 7000 joodse mannen.

 

Het ging, net als in andere Nederlandse kampen, om ontginningswerk. 

 

Aanvankelijk lijkt het doel van de Duitse bezetter met de kampen nog onduidelijk, maar in de loop van 1942 komt daar verandering in. Stap voor stap worden de Nederlandse werkkampen in de sfeer van het kampsysteem van de nazi’s getrokken. De omstandigheden wijzigen snel. In mei worden de kampen de burgerstatus ontnomen. De joodse inwonenden kunnen geen aanspraak meer maken op hun Nederlands staatsburgerschap. De Duitsers standaardiseren de regels voor de werkkampen en voeren die centraal in. In augustus haalt de bezetter de teugels strakker aan. De kampbeheerders volgen een verplichte cursus in kamp Erika. Ze krijgen les in hoe ze de joden moeten behandelen. Brieven en ooggetuigen registreren nauwkeurig de nieuwe aanscherping van de regels. Ook de geografische verschuiving bij het oproepen van de mannen is voor het eerst in beeld gebracht. Eerst komen de mannen uit het westen met Amsterdam als begin. Daarna verplaatsen de oproepen zich van boven in Nederland naar het zuiden, waarbij de groepen steeds kleiner worden.

 

Vanzelfsprekend rijst de vraag waarom de bezetter kiest voor werkkampen in Nederland. Het besluit om de Nederlandse werkkampen te gebruiken vloeit voort als de Duitse top tot definitieve en totale vernietiging is besluit van Joden. In Nederland is het proces, waarin de joden geleidelijk worden afgezonderd, voltooid. Het denkklimaat slaat om van isoleren naar elimineren. De Joodse Raad, de Nederlandse Heidemaatschappij, de Arbeidsdienst, Referat IV B 4, Zentralstelle für jüdische Auswanderung, Hitler, Rauter, Heydrich, Eichman, Seyss-Inquart, hoge en lage ambtenaren in Duitse dienst, ieder reageert op zijn manier. Er wordt vergaderd, scherpe maatregelen afgekondigd en ook weer gepoogd die af te zwakken. 

 

Vanaf augustus draaien de Duitsers de duimschroeven aan. Ariërs mogen niet meer met de joden spreken. Iedere dag is er appel. De tocht naar het werk geschied in looppas en op het kamp doen Duitse bevelen en aanspreektitels hun intrede. Het dieptepunt is de wegvoering in de vroege morgen van 3 oktober 1942. Alle werkkampen in Oost Nederland worden op die dag leeggehaald. In de avond van 2 oktober verschijnt de Grüne Polizei. De kampen worden met wachtposten afgesloten. In de vroege morgen van 3 oktober verdwijnen de mannen naar Westerbork. Menig ooggetuige in Staphorst rept over koffers langs de weg, door de joodse mannen van zich afgeworpen. De deportatie gaat via Meppel en Westerbork richting concentratie- en vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor in Duitsland en Polen. Het eindpunt van de deportatie die zo dicht bij huis begon. Een stukje locale historie met nationale en internationale dimensie.

 

 Vijf dagen na de wegvoering uit Staphorst worden de eerste mannen in Auschwitz vergast. Anderen maken een onbeschrijfelijke tijd door en komen om in diverse concentratiekampen. Slechts vier van de ongeveer 344 mannen overleeft de verschrikkingen. Indringend is weer het verhaal van Rood die na Staphorst zo’n zeven concentratiekampen overleefd. De namen van 191 van de ongeveer 344 mannen zijn achterhaald. Van velen is plaats van sterven niet meer bekend. Tot as verbrand of naamloos in het onmetelijke oosten omgekomen. Een aangrijpende geschiedenis. 

 

Wierden

De werkverschaffing in de gemeente Wierden vond voornamelijk plaats tijdens de grote economische crisis van de jaren 1930. Het betrof zwaar handwerk, zoals de verbetering en kanalisering van de Midden-Regge, het ontginnen van gronden en veengebieden zoals het Wierdenscheveld (het Westerveen) en het dempen van grachten rondom havezates in Enter. Maar ook de zijtak van Twente Rijnkanaal 

Zwaar ongeschoold werk: Arbeiders moesten met schop, kruiwagen en kiepkar sloten graven, turf steken en gronden vlakmaken.  Het Westerveen in het Wierdenscheveld werd  ontgonnen, waardoor aanzienlijke hoeveelheden steekturf en baggerturf worden gewonnen en werkgelegenheid voor 1000 twentsche arbeiders bood.

Werkkampen: Honderden werklozen, waaronder zowel lokale mensen uit Twente als ingezette grootestads-werklozen verbleven in  de twee speciale kampen in Wierden maar ook in de regio zoals bij Nijverdal, Zuna en Enter.

De arbeidsomstandigheden waren zwaar, de werkweken lang (ongeveer 50 uur) en de lonen erg laag, wat regelmatig leidde tot sociale spanningen en stakingen.

Zuna Wierden

 

Werkverschaffing in Zuna betrof landelijke en regionale projecten uit de 20e eeuw waarbij werklozen en Rijkswerklieden werden ingezet voor infrastructurele en natuurlijke werkzaamheden, zoals het ontginnen van grond en het reguleren van de Regge nabij Zuna en Enter. Arbeiders verbleven soms in speciale barakken of kampen zoals Kamp Zuna.

Werkverschaffing bood een zinvolle dagbesteding en het drukken van de kosten van armenzorg door werklozen hand- en spandiensten te laten verrichten in ruil voor loon of steun.

De buurtschap Zuna (gelegen tussen Rijssen, Holten en Hellendoorn) diende als uitvalsbasis voor grond- en waterbouwkundige projecten in de streek.

Kamp Zuna: Een voormalig kampement met houten keet mogelijk meer waar arbeiders verbleven die werden ingezet voor de omliggende ontginnings- en graafwerken. Een houten keet heeft lange tijd na WOII dienst gedaan als kerkgebouw en in jaren tachtig is deze onderkomen gesloopt. 

 

Zwolle

In de jaren dertig van de 20ste eeuw was er door een wereldwijde economische crisis onvoldoende werk en de hulpverlening voor de werklozen werd als ontoereikend ervaren of gezien. Geen werk betekende geen geld om zich op een verantwoorde manier te voeden, geen geld om kleren te kopen, geen geld voor brandstof en geen geld om de huur te betalen. Door de crisis steeg het aantal werklozen in Zwolle onder de mannelijke bevolking van 528 in 1930 tot 1.637 eind 1936, dat wil zeggen 4,5% van de Zwolse bevolking. Uitgerekend in deze moeilijke tijd vertrok de Centrale Werkplaats van de spoorwegen uit Zwolle. Die bood op dat moment aan 1.100 arbeiders werk.

 

De zogenoemde crisisjaren waren begonnen op 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag), toen in de Verenigde Staten de effectenbeurs van Wall Street instortte na een periode van ongekende groei die velen verleidde hun geld te beleggen in plaats van te sparen. Bedrijven en beleggers hadden al snel grote financiële problemen, waardoor de economie wereldwijd sterk verslechterde. De vraag naar industriële producten verminderde en dat betekende, uiteindelijk ook in Zwolle, weinig aanbod van werk en ontslagen voor honderden arbeiders. Ook kleine zelfstandigen kwamen in de problemen, omdat de klanten hun producten niet meer konden betalen.

De Zwolse bestuurders begonnen zich voor het eerst serieus zorgen te maken over de werkgelegenheid. Ze lieten door prof. L. van Vuuren van de Rijksuniversiteit Utrecht een onderzoek instellen naar de welvaartsbronnen van de gemeente Zwolle. De conclusie in zijn rapport uit 1938 loog er niet om: (…) het Zwolsche bedrijfsleven, zoowel als het bestuur van Stad en Provincie zijn niet in staat gebleken de, logisch in de grondslagen van de welvaart van dit gebied gefundeerde bedrijven, al naarmate de omstandigheden en de conjunctuur dit eischten, nieuw leven te schenken, zooals dit in andere deelen van ons land geschiedde. Kortom, alle voor de werkgelegenheid verantwoordelijke bedrijven en instanties hadden het de afgelopen jaren laten afweten.

 

Werkloosheid was in Nederland een kwestie waarover al vele jaren werd gediscussieerd. Om te beginnen over de vraag welke instantie zich moest bekommeren om de zorg voor de werklozen. Tot ver in de 19de eeuw waren dat vooral de armenbesturen van de kerken en particuliere instellingen van liefdadigheid. De overheid sprong alleen bij als die steun onvoldoende was. Dankzij de arbeidersbeweging en de daaruit voortgekomen vakbonden kwamen er aan het begin van de 20ste eeuw (niet verplichte) werkloosheidsverzekeringen. Door geldgebrek lieten maar weinig arbeiders zich echter verzekeren.

Structurele hulp van de overheid kwam er pas in de loop van de 20ste eeuw. Rijk en gemeente zorgden voor aanvullende uitkeringen en werkverschaffingsprojecten. Steuntrekkers werden lange tijd onderworpen aan vernederende omstandigheden. Na aanmelding bij het arbeidsbureau aan de Nieuwe Markt moesten ze zich tweemaal per dag melden bij een stempellokaal, dit om steunfraude te voorkomen. In tegenstelling tot mensen met een baan hoefden ze geen belasting te betalen voor hun fiets, maar kregen ze wel een gaatje in hun belastingplaatje. Zo kon iedereen zien dat ze steuntrekker waren.

 

Overeenkomstig het credo wie niet werkt zal niet eten, moesten de Zwolse werklozen in de jaren 30 verplicht deelnemen aan werkverschaffingsprojecten. Deze werden georganiseerd door het Rijk, door de gemeente Zwolle en door enkele niet-overheidsinstellingen zoals de Ontginningsmaatschappij Overijssel.

Binnen Zwolle waren er werkverschaffingsprojecten voor de aanleg van diverse sportterreinen en voor allerlei soorten grondwerk. De werklozen hielpen bijvoorbeeld bij Kranenburg met de voorbereidende werkzaamheden voor de nieuwe begraafplaats en bij de aanleg van de Hortensiastraat. Ook de aanleg van speeltuin het Noorden aan de Albert Cuypstraat was zo'n werkverschaffingsproject. In de winter werden werklozen ingezet om sneeuw te ruimen. Er waren ook projecten buiten de stad, zoals de ontginning van de Staphorsterheide (1929-1933) en de herinrichting van het Staphorsterveld (1937). Aan de ontginning van de Staphorsterheide danken wij nu de Boswachterij Staphorst en recreatievijver de Zwarte Dennen.

De arbeidsomstandigheden voor de tewerkgestelde werklozen waren slecht. Het ging om zwaar werk, waar de meesten geen ervaring mee hadden. Soms moesten de arbeiders met de blote benen in het water staan, pas later kregen ze laarzen. Ook zorgden de verschillen in de loonzakjes regelmatig voor haat en nijd. Als projecten binnen een straal van 15 km van Zwolle lagen (bijvoorbeeld die bij Staphorst), dan werd niet voor onderdak gezorgd, maar moesten de mannen heen en terug met de fiets. Voor werk verderop kregen de arbeiders wel onderdak, maar dat betekende dan weer dat ze 1 week van huis waren.

 

In 1939 trok de wereldeconomie weer wat aan en was ook in Zwolle het ergste crisisleed achter de rug. Voorlopig kon het gemeentebestuur echter geen uitvoering geven aan de adviezen die Van Vuuren in zijn rapport had gegeven voor de verbetering van de economische situatie: het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakte dat de volgende 5 jaar onmogelijk.

 

 

 

 

 

 

.