Nederlandse Heidemij en werkverschaffing

Inhoud

- Inleiding

- Een zwarte bladzijde 

- Buiskool, Jan

- Werkverschaffingsprojecten

- Opdrachtgevers van Nederlandse Heidemij

- Heidemij, bestuur en directie

-

De Nederlandsche Heidemaatschappij is opgericht in 1888 om woeste gronden te ontginnen, bossen te planten en de landbouw in Nederland te verbeteren.

Tegenwoordig is het bedrijf bekend als de Arcadis-advies- en ingenieursonderneming.

Belangrijke feiten

Oprichting: Op 5 januari 1888 in Utrecht / Gelderland.

Hoofddoel: Landontginning, bosbouw en werkgelegenheid.

Naamsverandering: Sinds 1997 heet de organisatie officieel Arcadis.

Hoofdkantoor Heidemaatschappij.

Het gebouw uit 1913 van architect K.P.C. Basel 

 

Inleiding

Het collectieve geheugen verbindt de crisistijd van de jaren dertig met stempelen voor de steun, rijwielplaatjes met een gat en werkverschaffing. Dit laatste is echter niet een verworvenheid van de crisis maar bestond al veel langer. Was werkverschaffing vroeger bedoeld om de armenzorg te ontlasten, in het interbellum kreeg het meer het karakter van het productief maken van de steunuitkering. 

Al in 1914 kreeg Staatsbosbeheer subsidie om werklozen in te schakelen bij het omzetten van heidevelden en zandverstuivingen in productiebos. Ook werden woeste gronden omgespit om er landbouwgrond van te maken. Daaraan bestond behoefte door de snel groeiende bevolking. 

De betere stukken woeste grond veranderden in akkers en weilanden. Omstreeks 1933 begon de woeste grond op te raken maar de werkloosheid bleef toenemen. De werkverschaffing veranderde van doel, namelijk het productief maken van woeste grond, tot middel, het aan het werk houden van zoveel mogelijk mannen. 

Zij kregen nu andere dingen te doen zoals onderhoud van de bestaande aanplant, sloten graven en wegen aanleggen. Ook gemeenten gingen nu met subsidie projecten opzetten.

Werkverschaffing had verschillende voordelen boven steunverlening, was de achterliggende gedachte. Moreel gezien was het beter om te werken en het bood een gelegenheid om werklozen te toetsen op werkwilligheid. Daarom was rouleren ook van belang. Werklozen gingen zes weken aan het werk en daarna weer twee weken in de steun. Zo konden in theorie alle werklozen aan de beurt komen. De steunweken kregen in de volksmond de naam ‘wandelweken’, na 1935 stelde de minister het verplicht. Werkweigeraars en dwarsliggers werden zonder pardon uit de steunregelingen gezet.

Als bijkomend voordeel van werkverschaffing zagen de tijdgenoten dat er werken van meer of mindere waarde tot stand kwamen. Daar wordt nu genuanceerder over gedacht. Landelijke bekendheid geniet nog steeds het Amsterdamse Bos waaraan in 1934 werd begonnen. In Breda is het meest bekende project het dempen van de rivier de Mark van de Seeligkazerne tot aan de Tolbrug. De Amsterdammers zijn nog steeds blij met hun bos, terwijl de Bredanaars daarentegen druk bezig zijn ‘hun’ werk-verschaffingsproject uit de jaren dertig ongedaan te maken door het weer open leg-

 

Een zwarte bladzijde

 

Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Nederlandse Heidemaatschappij - zoals Arcadis tot 1997 heette - is de werkverschaffing in de crisisjaren en de jaren vlak na de oorlog. Onder erbarmelijke omstandigheden werden werklozen door de overheid gedwongen zeer zwaar werk te doen voor een hongerloontje. Bijvoorbeeld het ontginnen van een hoogveengebied of het graven van een kanaal. Alles met de schop, de kruiwagen en de kiepkar die met de hand voortgeduwd moest worden. Wie weigerde of het werk niet kon volhouden kreeg geen steun en was aangewezen op een zeer schamele uitkering van de armenzorg.

Erger nog dan het zware werk, was de vernedering dat je je alles moest laten welgevallen. Zo was de werkweek lang (50 uur), werd er op het loon telkens weer gekort, kwam er geen dokter bij een ongeluk, en had je vaak alleen een houten schot om achter te schuilen bij de schaft.

De Heidemij hield op de meeste projecten toezicht op de arbeiders. De zogenaamde 'stoklopers' van de Heidemij gaven orders aan de voormannen en hielden iedereen in de gaten; administrateurs van de firma berekenden de lonen en betaalden ze uit; opzichters van het bedrijf hielden toezicht en de hoofdopzichter van de Heidemij had het algemene overzicht en hield contact met de overheid. Een kleine onenigheid met een stokloper kon makkelijk leiden tot schorsing of ontslag en dat betekende bittere armoede en honger voor het hele gezin.

 

De overheid bepaalde de projecten, de werktijden en de lonen. Maar Arcadis' voorganger, de Heidemij, heeft de werkverschaffing mogelijk gemaakt en in stand gehouden. Zij is daarmee doorgegaan ook toen het overduidelijk was hoe onmenselijk het systeem was. Nergens is kritiek gevonden van de leiding van de firma op de hoogte van de lonen, de lengte van de arbeidsdagen of op de arbeidsomstandigheden.

Zelfs achteraf, in historische beschouwingen is er nauwelijks plaats voor zelfkritiek. In het gedenkboek uit 1946 moeten we het met twee verloren zinnetjes doen: "(De Heidemij) is wellicht wel eens wat onbewogen geweest in jaren, toen meer bewogenheid ons volk ten goede zou zijn gekomen." En: "Doch ook waar wij moeten zeggen, dat de Heidemaatschappij haar plicht strikt heeft vervuld, zou het menigeen onzer toch liever zijn, wanneer wij konden zeggen dat zij in die tijd (periode van de werkverschaffing) het woord had genomen en in een gericht betoog andere wegen had aanbevolen 

Bij het honderdjarige bestaan is de situatie nog vreemder. In het bedrijfsblad verschijnt een interessant historisch artikel met verschillende kritische opmerkingen . Maar in het officiële multi-colour jubileumboek voor de buitenwacht blijkt er alleen plaats te zijn loftrompetten en juichtonen. Zo staat er bijvoorbeeld: "Heidemij heeft een groot aandeel gehad in de totstandkoming van sportaccomodaties in Nederland. Het Gofferstadion in Nijmegen is een voorbeeld uit de jaren dertig." Dat dit een werkverschaffingsproject was, verzwijgt het fleurige boek botweg. En over de ontginning van heidevelden: "Letterlijk en figuurlijk werden bergen werk verzet." Wie dat deden en in welke omstandigheden wordt aan de fantasie van de lezer overgelaten 

 

Uit een rapport van een controleur van de Heidemij: "Nadat de aannemer zijn beklag over enkele arbeiders naar voren had gebracht, zijn twee van de brutaalste arbeiders in de Directiekeet geroepen op verzoek van mij. Ik heb hen flink onder handen genomen en hen op hun plichten gewezen."

En even verder: "Niettegenstaande door mij herhaaldelijk op tariefsverlaging is aangedrongen, was dit tot nu toe niet gebeurd. Door mij is opdracht gegeven de tarieven belangrijk te verlagen 

 

De bazen van de Heidemij waren oppermachtig. Voor het minste of geringste schorsten of ontsloegen ze arbeiders die direct uitgesloten werden van steun, zodat het hele gezin honger leed. Met staken konden de arbeiders weinig druk zetten. De overheid vond het niet erg als een project een paar weken of zelfs maanden later afgerond zou worden. Het was geen commerciële onderneming. Bovendien bespaarde zij dan uitgaven, omdat ze geen loon hoefde uit te betalen.

 

Toch onttrekt de Heidemij zich aan iedere verantwoordelijkheid over wat er op de projecten gebeurd is. Zo schreef zij in 1948: "Het frappante daarbij was, dat de Heidemaatschappij en haar ambtenaren het moesten ontgelden, terwijl deze toch niets anders deden dan de voorschriften van de Rijksdienst doorgeven en toepassen. (..) Zij was en is gewoon technisch lichaam.

In werkelijkheid heeft de Heidemij zich al zeer vroeg actief ingezet om grootschalige werkverschaffingsprojecten van de grond te krijgen. Zo schrijft zij zelf enthousiast in haar jubileumboek van 1948: "In 1922 zette de Maatschappij haar stimulerende bemoeiingen voort (..) door het bepleiten van de urgentie tot het nemen van maatregelen ter beperking en voorkoming van werkloosheid o.a. door ontginning en werkverschaffing met geldelijke steun van de Regering "

De invloed van het bedrijf was groot. Toen de regering in 1919 een 'Commissie van Advies inzake Ontginning van Woeste Gronden' instelde, kwamen de sleutelposities in handen van de Heidemij. Voorzitter van deze commissie werd H.J. Lovink, oudvoorzitter van de Heidemij, en ondertussen Commissaris- Generaal voor de Landbouwproductie bij de rijksoverheid; secretaris werd J.P. van Lonkhuyzen, de toenmalig directeur van de Heidemij. Het eerste rapport van deze commissie heette: 'Advies aan den Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw inzake bestrijding van werkloosheid door ontginning en bevordering van ontginning met werklozen 

 

De werkverschaffing heeft het bedrijf geen windeieren gelegd. Had de Heidemij in 1922 een tekort van 50.000 gulden, in 1923 was dit teruggelopen tot 28.000. En in 1924, toen de Heidemij langzaamaan steeds meer werkverschaffingsprojecten beheerde, werd "op ruime schaal gebruik gemaakt van de diensten der Maatschappij, zodat de kosten werden gedekt en een sluitende rekening werd verkregen

In een interne bestuursnotitie uit 1931 staat te lezen: Uit een door de Directie overgelegd overzicht blijkt nu echter, dat de grootste winst bijna geheel voortvloeit uit de werkzaamheden verricht met werkloozen 

Verzet tegen de onmenselijke arbeidsomstandigheden op de werkverschaffingsobjecten deed de Heidemij af als het ondermijnende werk van onruststokers, die uit de droevige situatie politieke munt hoopten te slaan en veelal een gewillig oor vonden bij verkeerde elementen, zwakkelingen en ontevredenen 

 

Of volgende ooit gestaafd kan worden is de vraag, uit verschillende kanten wordt geopperd dat Heidemij ook een rol speelde bij verrijking van opdrachtgevers, landeigenaren en zichzelf.

 

Verantwoording bovenstaande:

1. De Nederlandsche Heidemaatschappij 60 jaar; Nederlandsche Heidemaatschappij; Arnhem, 1948; pagina 213 en 200. terug

2. 'Verhoudingen tussen Heidemij en overheid - kalm temidden van de strijd'; K.J.W. Peeneman; in Heidemijtijdschrift; 1988; pag. 171-186. terug

3. Voeten in de aarde; Marion de Boo en Robbert Coops; Terra; Zutphen, 1988; pagina 126 en 18. terug

4. Archief Heidemij, Rijksarchief Gelderland, inv.nr. ATD 35/C22-15; geciteerd in 'Verhoudingen tussen Heidemij en overheid - kalm temidden van de strijd'; K.J.W. Peeneman; in Heidemijtijdschrift; 1988; ; pagina 180, 181. terug

5. Ontginning en werkverschaffing, en de opkomende natuurbescherming van einde 19de eeuw tot de jaren 1940/1941; A.J.G.P. Peters; Katholieke Universiteit Nijmegen; 1980; pagina 67. terug

6. De Nederlandsche Heidemaatschappij 60 jaar; Nederlandsche Heidemaatschappij; Arnhem, 1948; pagina 38 en 199. terug

7. Idem; pagina 38 en 201. terug

8. Idem; pagina 18. terug

9. Idem; pagina 104 en 220. terug

10. Idem; pagina 18 en 20. terug

11. Geciteerd in: 'Verhoudingen tussen Heidemij en overheid - kalm temidden van de strijd'; K.J.W. Peeneman; in Heidemijtijdschrift; 1988; pag. 180. terug

12. De Nederlandsche Heidemaatschappij 60 jaar; Nederlandsche Heidemaatschappij; Arnhem, 1948; pagina 200 en 38. 

 

In Nederland bestond sinds de jaren twintig van de vorige eeuw ook al zoiets als een vrijwillige arbeidsdienst die in politiek en ideologisch opzicht weinig tot niets met de Duitse versie te maken had. Het verschijnsel wordt hier alleen aangehaald omdat dit het vervolg onder de nazi-bezetting vergemakkelijkte.

Deelname aan de werkverschaffingsprojecten was in tegenstelling tot de Duitse opzet van begin af aan verplicht voor langdurig werkelozen en bestond uit een aantal projecten die door de overheid in het leven waren geroepen. Het ging daarbij om onbetaald en ongeschoold werk, meestal voor de inpoldering, aanleggen van bossen en andere projecten voor algemeen nut.

Het idee en de toepassing van de werkverschaffing was omstreden, vooral vanuit de socialistische gedachte, want het werk werd meer of minder als uitbuiting door de overheid beschouwd, wat het in zeker opzicht ook was, want het werk was zwaar met werkweken van rond de 50 uur, onder erbarmelijke omstandigheden en de loon was net hoog genoeg om met een gezin niet van de honger om te komen.

Een bescherming, zoals van een vakbond, was er niet. In 1939 verdiende een ingelijfde 14 tot 17,50 Gulden per week, wat natuurlijk toen meer waard was dan € 6,50 tot € 8,00 nu. Maar het was toen al geen bedrag dat in enige verhouding stond tot de te verrichten werkzaamheden.

Men leefde gedurende de werkweek in werkkampen die in de buurt van de gekozen projecten uit de grond waren gestampt en na voltooiing van het werk makkelijk weer konden worden afgebroken. Maar in de weekeinden, dus zaterdagmiddag en zondag, had men weekendverlof en kon men naar huis. Deze mogelijkheid was in Duitsland, zeker na 1938-39 niet gegeven.

Men kon als werkeloze de medewerking aan deze vorm van crisis- en werkeloosheidsbestrijding weigeren, omdat men er principieel tegen was of het zware werk lichamelijk niet aan kon, maar dat betekende onmiddellijk dat men geen werkeloosheidsuitkering meer kreeg en alleen nog bij de armenzorg terecht kon, wat toen als een absolute schande werd ervaren en gezien.

Veel van die werkverschaffingsprojecten werden uitgevoerd onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij (kort populair: Heidemij). De overheid bepaalde de projecten, de werktijden, lonen en organisatie en opzet en de Heidemij hield toezicht op arbeiders en arbeid. Heidemij-medewerkers gaven orders, hielden toezicht op mens en werkverrichting, betaalden de loon uit en onderhielden het contact met de overheid.

 

De Heidemaatschappij was ouder dan de werkverschaffing. Zij werd op 5 januari 1888 als een vere-niging opgericht met als doelstelling het adviseren bij en het stimuleren van de ontginning van 'woeste gronden' (een eeuwenoude benaming voor ongecultiveerde grond, zoals heide, veen-gronden en moerassen), het aanleggen en instand houden van bossen en het aanleggen en on-derhouden van bevloeiings- en grondverbeteringswerken. Vanaf 1897 hield men zich bij de Heidemij ook bezig met de ontwikkeling en verbetering van de zoetwatervisserij. De leden waren - tot ver na de Tweede Wereldoorlog - voornamelijk notabele particulieren (onder wie op een gegeven moment ook koning Willem III).

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de vereniging alleen maar (liefst gratis) advies gaf.

Maar zoals het vaak gaat: je hebt het sneller gemaakt dan uitgelegd en dus werd de Heidemij ook uitvoerder. Ze leverden de plannen, maakten de begroting op en voerden werkzaamheden uit en vervolgden met onderhoud. Dat was dus niet gratis meer. Aanvankelijk waren de opdrachtgevers leden van de vereniging maar op een gegeven moment werden ook opdrachten van niet-leden aangenomen. Dat gebeurde al aan het einde van de 19de eeuw, toen de Nederlandsche Heide-maatschappij steeds nauwer betrokken raakte bij ontginningsprojecten van de overheid. Men nam deel aan projecten van Staatsbosbeheer en kreeg een belangrijke invloed in dat bedrijf. De eerste grootschalige projecten concentreerden zich in Drenthe, zoals op het Zeijerveld.

 

Na de beurskracht van 1929 en de daaruit ontstane crisis van de jaren 30 van de 20ste eeuw kreeg de Nederlandse Heidemaat-schappij haar rol bij de werkverschaffing toegespeeld.

Opdrachtgever was na 1939 de Rijksdienst voor de Werkverruiming.

Duister detail: Een deel van de werkkampen die oorspronke-lijk in het kader van de werkverschaffing door de Heidemij waren opgezet en ingericht, is later door de Duitse bezetter gebruikt voor het opsluiten van te deporteren Joodse dwangarbeiders.

In 1998 hebben de Koninklijke Nederlandse Heidemaat-schappij - KNHM en ARCADIS de dubieuze rol tijdens de oorlogs-jaren officieel erkend en gaven dat vorm door 11 voormalige Joodse dwangarbeiders die de holocaust hadden overleefd, 150.000 Gulden aan smartengeld uit te keren dat op wens van de ontvangende partijen werd gedoneerd aan goede doelen. 

De toezichthouders van de Heidemij werden 'stoklopers' ge-noemd. De naam had te maken met de stok die opzichters en uitvoerders vroeger bij zich droegen, op de manier zoals Britse officieren hun stokje. De stok van de Heidemij-stoklopers had een lengte van 64 cm en was een herinnering aan de tijden van het turfsteken. Met een dergelijke stok werd de maat van te ste-ken turf bepaald. Hoewel het opmeten van turf bij de Heidemij allang niet meer met de meetstok werd gedaan, was de stok als rang-teken van de opzichter en uitvoerder blijven bestaan. Onenigheid met een stokloper kon makkelijk tot ontslag van de arbeider leiden en dat betekende in de regel armenzorg.

 

Er waren natuurlijk kritische geluiden over de rol van de Neder-landse Heidemaatschappij die wellicht een geaccentueerder hoe-wel subjectief beeld schetsen van de houding van de notabele van leden van die vereniging tegenover diegene die zij als de werke-loze zagen. Zo werden de omstandigheden waaronder de arbei-der leefden, ronduit erbarmelijk genoemd.

De opzichters van de Heidemij hadden absolute macht en hadden redelijk vrij spel in de manier waarop zij deze handhaaf-den want tegenwerking was er nauwelijks. Klagen bij de maat-schappij had geen zin want de opzichter had altijd gelijk.

Het was uiteindelijk geen wonder dat de werkverschaffing zo makkelijk door de Duitsers kon worden overgenomen en geïnte-greerd.

Ook de Grontmij, een nu nog florerend advieserend inge-nieursbureau, in 1913 opgericht door Doedo Veenhuizen om boe-ren bij wateroverlast te helpen en woeste gronden te ontginnen, heeft in het kader van de werkverschaffing projecten voor de overheid uitgevoerd (te noemen: de Beilervaart, 1926, en de aan-leg van Vliegveld Eelde, 1931).

In de tweede helft van de jaren dertig zwol de kritiek op de werkverschaffing aan; de omstandigheden waaronder de arbei-ders moesten werken en wonen werd onmenselijk genoemd. 

In een gedenkboek van de Heidemij uit 1946 schrijft de Hei-demij: "De Heidemij is wellicht wel eens onbewogen geweest in jaren, toen meer bewogenheid ons volk ten goede zou zijn gekomen." en vervolgt met: "Doch waar wij moeten zeggen dat de Heidemaatschappij haar plicht strikt heeft vervuld, zou het me-nigeen onzer liever zijn, wanneer wij konden zeggen dat wij in de periode van de werkverschaffing het woord hadden genomen en in een gericht betoog andere wegen hadden aanbevolen."

Bij het honderdjarig bestaan van de Heidemij vermeldt het bedrijf (later opgevolgd door ARCADIS) in het jubileumboek deze kritische noten niet.

In 1936 stelde minister Marcus Slingenberg (sinds 1935 minis-ter van Sociale Zaken in het kabinet Colijn III) een soort roule-ringssysteem in waarbij werkelozen afwisselend steun kregen en in de werkverschaffing moesten werken. In 1939 werd door de regering de Rijksdienst voor Werkverruiming opgericht. 

In de oorlog viel deze tak van sport aan de Duitse bezetter die er zijn eigen regels bij invoerde. Na de oorlog, toen de economie nog op gang moest komen, was het werkloosheidspercentage weer hoog wat hielp, de werkverschaffing weer uit de kast te halen, ditmaal onder de naam Dienst Uitvoering Werken - DUW.

Op 27 juni 1940 heeft Seyss-Inquart namens Nederland de Opbouwdienst opgericht. Dit was een overgangsorganisatie ter ontmanteling van het Nederlandse leger in bezettings- en crisis-tijd. Deze organisatie was bedoeld om verdere stijging van het werke-loosheidspercentage ten gevolge van ontslagen binnen defensie voor te zijn. Dit beleid was duidelijk een voortzetting van het eerdere werkverschaffingsbeleid. De Opbouwdienst heette politiek neutraal te zijn.

Het was verboden om tijdens diensttijd lid te zijn van een politieke partij. Van nu af aan telden alleen de belangen van de bezet-ter. Uit de behoefte aan een arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten aan en in Duitsland, werd de Nederlandsche Arbeidsdienst - NAD met algemeen motto "Ick Dien" (de vijand) opgericht. De smoes voor de oprichting van de Nederlandse Arbeidsdienst was de noodzaak van herstel van oorlogsschade in Nederland door de hand van de bezetter. Op 15 oktober 1940 vloeiden Opbouwdienst en NAD samen in de Nederlandse Arbeidsdienst.

 

Toetreding tot de NAD was in eerste instantie vrijwillig. Men noemde de toegetredenen ‘arbeidsmannen’, een regelrechte vertaling van het Duitse equivalent. Men zag de oprichting van

de NAD als een goede oplossing ter voorkoming van werkloos-heid voor de 55.000 Nederlandse militairen die grotendeels na ontwapening naar huis waren gestuurd. De zich aanmeldende militairen werden tot kader opgeleid.

Verder bleef het betrekkelijk stil bij de aanmeldbureaus van de NAD. In december 1940 waren Nederlanders per circulaire opgeroepen om zich bij één van de 1024 aanmeldbureaus van de NAD als vrijwilliger te komen aanmelden. Er reageerden weinige en van die weinige waren er meer vrouwen dan mannen. Na deze flop, werd op 1 januari 1942 voor iedere Nederlander tussende 18 en 23 een ongewapende dienstplicht ingevoerd. De op-roep gold voor beide geslachten.

De regeling sukkelde een jaar voort maar in 1943 werd de hele lichting daadwerkelijk opgeroepen.

De Duitsers bleken hun administratie eindelijk op orde te hebben. De vrouwen werden in de buurt van hun woonplaats ingezet. Ze deden bijvoorbeeld huishoudelijk werk in kazernes, dan hoefden de Duitse soldaten hun aardappels niet meer zelf te schillen. De mannen werden in de regel ver van hun woonplaats in bestaande kampen van de werkverschaffing, zeg Heidemij, onder gebracht. Zij werkten voornamelijk bij de aanleg van wegen en kanalen en in de landbouw. De diensttijd bedroeg ook hier een half jaar.

Men deed ook aan exercitie, iets waar men in Duitsland nogal streng mee omging. Maar inplaats van een geweer diende nu de schep als wapen. De training in de Nederlandse Arbeidsdienst bleek er op gericht te zijn, de mannen op te leiden voor het graven van tankvallen en loopgraven aan het Oostfront, het soort werk waar de Duitse arbeidsdienst ook al op uitgericht was. Aan het einde van de dienstplicht ging het ontslag het aanbieden van een contract vooraf dat voor dat soort werkzaamheden was opgesteld. Weigering was niet gewenst en werd met bruut geweld gehonoreerd. Mocht de weigeraar voet bij stuk houden, mocht hij uit-eindelijk toch naar huis. Hij was als medestander toch niet betrouwbaar. De kampen werden vanuit Amersfoort aangestuurd.

 

Een standaard NAD kamp had vier houten woonbarakken rond een appelplaats. Deze woonbarakken hadden ieder drie slaap-vertrekken voor zestien personen. Deze zestien waren 1 ploeg.

De achtenveertig bewoners van een woonbarak heetten een groep. En de ingekwartierden van alle vier woonbarakken bij elkaar was een afdeling.

De leiding bestond uit twaalf ploegcommandanten, vier groepscommandanten en een afdelingscommandant. Deze waren apart van de manschappen gehuisvest of ingekwartierd in een naburig dorp. Naast de woonbarakken was er meestal een keuken- annex kantinebarak, een fietsenbarak, een werkplaats en een stalbarak. Alle voorzieningen waren van geïmporteerd lariks- of douglas-hout getimmerd; alleen de kolenberging was van steen en met pannen gedekt.

 

Voor hoofd van de NAD-kampen was General-Arbeitsführer Beth-mann van de Reichsarbeitsdienst gekozen die deze functie gedu-rende de hele oorlog tot herfst 1944 heeft behouden. De Neder-landse majoor J.H. Breunese werd in het begin als waarnemend commandant aangesteld. Hij was bekend geworden als organisator van de Nijmeegse Vierdaagse en gold als vertrouwd.

Op 1 augustus 1941 nam hij ontslag. Hij verzette zich tegen de invoering van de hitlergroet in de NAD-kampen. Zijn opvolger werd luitenant-kolonel L.A.C. de Bock.

Op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) liepen alle kampen leeg. Aan het einde van die dag waren nagenoeg alle arbeidsmannen

in rook opgegaan. Van het kader was nog een kwart braaf aanwezig. Op 6 september werd de Bock door Bethmann afgezet. Vervol-gens werd de restant van de nog aanwezige NAD bijeen geraapt en nog gauw voor allerlei klussen voor de Wehrmacht ingezet.

De laatst actieve hoofd-arbeidsleider was de NSBer W.A. Almekinders. Hij mocht nog 4 dagen de baas spelen want op 10 sep-tember 1944 werd de NAD eindelijk opgeheven.

 

 

 

Buiskool, Jan

 

Geboren te Heveskes op 17 januari 1875 - overleden in Delfzijl  op 10 februari 1937

 

Buiskool is begonnen als predikant van de hervormde gemeenten Anloo, Holwerd, Dronrijp en Riet en Boer, waarna hij in 1919 burgemeester werd van Vlagtwedde, om die gemeente in 1922 te verruilen voor de gemeente Delfzijl. In die tijd heerste er een grote werkeloosheid. En als Buiskool ergens een hekel aan had, dan was het wel dat mensen voor hun levensonderhoud hun hand moesten ophouden: oneervol, demoraliserend en mensonterend.

 

Buiskool vond ook, dat hij in die tijd op dat gebied als burgemeester beter uit de voeten kon dan als dominee. Tijdens zijn Vlagtwedder ambtsperiode startte hij ter bestrijding van de werkeloosheid werkverschaffingsprojekten, waarbij woeste gronden werden ontgonnen (Jipsinghuizen!). In Delfzijl breidde hij z'n werkterrein op een dusdanige wijze uit, dat de regering hem benoemde tot 'rijksinspecteur van de centrale werkverschaffing' in Groningen. Aan hem werd bevoegdheid gegeven te bepalen welke werken en projekten moesten worden aangepakt en wie er naar de werkverschaffing mochten. Wegen werden aangelegd, kanalen gegraven, polders kwamen tot stand. In 1924 werd hij voorzitter van de 'Ontginningsmaatschappij De Verenigde Groninger Gemeenten'. Buiskool was bepaald niet soepel, met hem viel niet te spotten en door velen in de werkverschaffing werd hij gehaat om zijn harde lijn. Bij de landelijke overheid echter genoot hij groot respect.

 

In 1937 overleed Buiskool na een kortstondige ziekte. Kort voor zijn overlijden had hij nog de hoop uitgesproken een aantal jaren dit werk te mogen doen, omdat het niet af was. Nadat hij ten grave was gedragen door leden van het 'Bijzonder Verband Landstorm' sprak de toenmalige minister Slingenberg: "Jipsinghuizen is vaak verfoeid door de werkloozen, maar wij allen weten ook hoe na korte jaren dat werk zegenrijk bleek te zijn voor de arbeidende bevolking. De werkverschaffing was hem lief, niet omdat het een aangename werkkring was, maar omdat hij wist daarmee veel goed te doen." Rijksinspecteur Buiskool werd begraven te Delfzijl, waar hij ook burgemeester was.

Burgemeester en oud-dominee Jan Buiskool werd bekend door zijn enorme gedrevenheid om werklozen aan de slag te krijgen. Hij is geprezen vanuit Den Haag, maar gehaat door de arbeiders. Een kleine biografische schets over het leven van Buiskool en zijn inzet om de werkloosheid te bedwingen.

Buiskool werd op 17 januari 1875 te Heveskes geboren. In Groningen doorliep hij het gymnasium en studeerde daar ook theologie. Voordat hij burgemeester werd, was hij in onder andere Dronrijp, Holwerd en Anloo dominee. In 1919 werd hij burgemeester van Vlagtwedde. Hier zette hij zich al in voor de bestrijding van werkloosheid. Hij liet de plaatselijke werklozen werken in ruil voor bijstand. Toen hij in 1922 burgemeester van Delfzijl werd, werd zijn aanpak grootschaliger.

 

Jan Buiskool, burgemeester van Delfzijl van 1922 tot 1936.

 

Buiskool ergerde zich groen en geel aan de hoeveelheid werklozen die in Delfzijl op straat rondhingen en niet 'wilden' werken. Hij had grootse plannen om het probleem aan te pakken. Daarom benoemde het ministerie van Binnenlandse zaken Buiskool in 1923 tot 'Rijksinspecteur der werkverschaffing en steunverleening' voor de provincie Groningen. Als Rijksinspecteur richtte Buiskool de 'Vereenigde Groninger Gemeenten' op. Hij werd zelf directeur van de maatschappij. Gemeenten kregen de mogelijkheid zich in de maatschappij in te kopen en via de maatschappij hun werklozen te werk te stellen.

 

Als Rijksinspecteur had Buiskool het laatste woord over de vele regels die aan de werkverschaffing verbonden waren. Hij liet zich niet vermurwen en was spijkerhard voor de arbeiders. Ze kregen alleen de minimale arbeidsvoorwaarden. De arbeiders vonden hem echter zeer onredelijk en klaagden steen en been over de slechte arbeidstoestanden. Bij de werkverschaffing in Westerwolde zijn als gevolg daarvan verschillende stakingen geweest. In reactie op een conflict met een onderhandelaar van de landbouwbond zei hij eens het volgende:

 

'Hij begon te dreigen met staking -en u weet- voor een dreigement val ik nooit om. Integendeel, dan verzet ik mij instinctief met al de energie waarover ik beschik.'

 

Het enige gevolg voor stakers was dan ook schorsing van de werkverschaffing, waardoor ze voor korte of langere tijd in de steun belandden. De 'Wreker' of 'Drijver' was een bijnaam voor Buiskool die hij aan zijn bikkelharde beleid had te danken. 

 

Buiskool was streng en onverbiddelijk was en hij hield veel van zijn werk. Hij was ervan overtuigd dat hij met de werkverschaffing veel mensen hielp. Op 1 november 1934 vierde hij zijn 12½- jarig jubileum als burgemeester van Delfzijl. In zijn toespraak gaf hij aan dat hij hoopte nog vijf jaar door te werken. In 1936 werd hij echter ernstig ziek en overleed twee maanden later. Zijn begrafenis werd massaal door belangstellenden bezocht.

 

 

Werkverschaffingsprojecten Nederlandse Heidemaatschappij

Alfabetisch

 

A

Afwateringskanaal Boxtel

Amsterdamse Bos

Anna's Hoeve

Asserbos

 

B

Beatrixpark (Amsterdam)

Bloedberg

Bosbaan

Boschplan

Boswachterij Odoorn

Boswachterij Staphorst

De Braak (Amstelveen)

 

C

 

D

De Sijp

Donkere Duinen

 

E

 

F

Fort de Ruyter

 

G

Goffertpark

Gouwekanaal

 

H

Haven van Rijswijk

Haarlese berg Nijverdal

 

I

 

J

Jipsinghuizen

Julianapark (Hoorn)

Julianapark (Utrecht)

Julianasluis

 

K

Kanaal Buinen-Schoonoord

Koordekanaal

Kralingse Bos

 

L

Leenderbos

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

Leidse Hout

Leijpark

Linthorst Homanpolder

 

M

 

 

N

Nationaal Park Sallandse Heuvelrug

Nationale werkplaatsen

Natuurpark Berg & Bos

Noorderbad (Utrecht)

 

O

Openluchttheater Ede

 

P

Philips fruittuin

Pinetum Birkhoven

 

Q

 

R

Rooms-katholieke begraafplaats Noordwijk

Rosarium Boskoop

 

S

De Scheeken

Scheveningse Bosjes

Soester Natuurbad

Sportpark De Hooge Donken

Sportpark Groenendaal

Stadspark Sittard

Strandbad Winterswijk

 

T

Timorpark

Trapjesberg (Gooi)

Tuinwijk Sterrebosch

Twentekanaal

 

U

 

V

Vestingwerken van Bredevoort

Vliegbasis Woensdrecht

Vliegkamp Valkenburg

Vliegveld Ypenburg

Vroesenpark

 

W

Waalhaven (Nijmegen)

Wandelbos (Tilburg)

Wantijbad

Wantijpark

Warande (park in Helmond)

Weitemanslanden

Weizigt

Werkkampen voor jonge werklozen (1932-1940)

Werkverschaffing

Wierdens veld

Witteveen (Midden-Drenthe)

 

X

 

Y

 

Z

Zuiderpark (Den Haag)

 

 

De opdrachtgevers van de Nederlandsche Heidemaatschappij

De opdrachtgevers van de voormalige Nederlandsche Heidemaatschappij (Heidemij) bestonden uit: particulieren, overheden en grootindustrie.

Belangrijkste opdrachtgevers

Particulieren en leden: Notabelen, landbouwers en grootgrondbezitters die in het begin van de oprichting (vanaf 1888) advies vroegen voor ontginning en bosbouw.

Rijksoverheid en ministeries: Opdrachtgever voor grootschalige landinrichting, waterstaatkundige werken en werkverschaffingsprojecten (zoals de Rijksdienst voor de Werkverruiming in de jaren dertig en de aanleg van het Amsterdamse Bos).

Lagere overheden: Provincies en gemeenten die lokale ontginningen, infrastructuur en parken lieten aanleggen.

Grote industriële bedrijven: werkte de organisatie voor ondernemingen zoals DAF, Philips, enz.

Aanvankelijk waren alleen leden opdrachtgever, maar al spoedig werkte de vereniging ook voor niet-leden.

Heidemij, bestuur en directie

In 1888 werd de Nederlandsche Heidemaatschappij (NHM) opgericht voor het ontwikkelen van landbouwgronden, het herbebossen van zandgronden en het verbeteren van werkgelegenheid.

 

Ik heb het mijzelven toch afgevraagd, of een dure bijeenkomst, onder het wapperen van onze driekleur en bij de tonen van de muziek, wel passend was, vooral, nu sedert wij ten vorigeen jare bijeengekomen, de toestand van onzen landbouw weinig volkomener is geworden, en de druk, waarvan wij sedert lang zuchten, nog maar altijd voortduurt. Deze sombere woorden werden gesproken door dhr. CJ Sickesz, voorzitter van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw bij de opening van de jaarvergadering op 18 juli 1888.

 

Het ging slecht met de landbouw in Nederland en de rest van Europa. Grote hoeveelheden graan uit de Verenigde Staten, Rusland en Argentinië werden op de Europese markt gedumpt. Massaproductie en goedkope nieuwe transportmiddelen zorgden voor een prijs waartegen de boeren niet konden boeren. Gevolg van dit alles was de toeneming van de werkloosheid op het platteland.

 

Velen projecten van Heidemij waren ondersteunend, van actieve tot duurzame ontginning van de vele woeste gronden,  voornamelijk heidevelden die voor land- en bosbouw  belangrijk zouden zijn. Omstreeks 1888 bestreken deze een oppervlakte van 700.000 ha.

 

De rijksoverheid rekent in deze periode het niet tot haar taak cultuurtechnische werkzaamheden uit te voeren. Het apparaat en de kennis daarvoor ontbraken.

 

Wie moest het dan wel doen? Over deze vraag bogen zich o a. het Nederlandsch Landhuishoudkundig-Congres , de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw. De laatste partij zag vooral voordelen bij het bebossing, zoals in Noord-Duitsland en Denemarken gebeurde. Bosbouw acht men economisch gezien voordeliger dan landbouw en veeteelt. Daartoe zou dan een organisatie opgericht kunnen worden naar het voorbeeld van de Deense Heidemaatschappij ( Det Danske Hedeselskab die in 1864 werd opgericht, en de Haide Cultur Verein in Holstein. Naaldhout zou dan aangewend kunnen voor Nederlandse mijnbouw.

 

Op 5 januari 1888 werd na het voorbereidende werk van een commissie uit de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw, in Arnhem de vereniging ten algemenen nutte Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht. Voorzitter werd de al eerder genoemde dhr. CJ Sickesz, voorzitter van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw, die verder tijdens zijn loopbaan oa lid van de Provinciale Staten van Gelderland en de Eerste en Tweede Kamer was. De vestigingsplaats was oorspronkelijk Wageningen, vanaf 1897 Utrecht omdat deze plaats centraal in Nederland lag.

 

De NHM kreeg steun van koning Willem III en de maatschappij verblijdde met een gift van 25000 gulden, waarvan echter slechts de helft werd uitbetaald omdat de Heidemij niet op tijd een bestemming wist te bedenken die ZM beviel. Na zijn overlijden waren de vorstinnen Emma, ​​Wilhelmina, Juliana en Beatrix en de prinsen Hendrik, Bernhard en Claus beschermvrouwe resp. beschermheer.

Prins Hendrik had een dermate grote belangstelling voor het werk van de Heidemij dat hij tot erevoorzitter werd benoemd.

 

Heidemij. Zo werd de Nederlandsche Heidemaatschappij in de wandeling genoemd. zonder lidwoord werd in 1963, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan Koninklijke.  zodat de naam  Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij luidde.

Ten doel: het ontginnen van heidevelden, duinen en andere woeste gronden in Nederland.  Door:

A. Het geven van beslissen; het verstrekken van inlichtingen aangaande beplantingen; het opmaken van begrootingen, bedrijfsplannen enz. voor ontginningen.

B. Ontginningen voor rekening van eigenaren van woeste gronden uit te voeren.

C. Het uitleenen van niet, van slechts weinig bekende, beveelt waardevolle gereedschappen aan.

D. Het aanleggen van kweekerijen; en het verkopen van plantenoen en zaad, tegen de kostenden prijs.

e. Het leiden van deskundigen op het gebied van de houtcultuur.

F. Het uitgeven van een tijdschrift, gewijd aan de belangen van ontginning en houtteelt; en door het verspreiden van geschriften, die op ontginning en houtcultuur betrekking hebben.

G. Het doen houden van voordrachten; om ook langs deze weg, particulieren en gemeenten tot ontginning hunner heidevelden aan te sporen; en, waar dit wenschelijk mocht zijn, tot oprichting van vennootschappen voor ontginning van woeste gronden, op te werken enz.

H. Het instellen van een onderzoek, naar degesteldheid der woeste gronden in Nederland.

 

In de eerste jaren liep alles nog wat stroef. Het viel niet mee om een ​​behoorlijke organisatie op poten te zetten. De eerste directeur, LR Brants, moest herhaaldelijk worden aangemaand om harder te werken en krachtiger op te treden tegen zijn ondergeschikten. In 1892 nam hij op aandrang van het bestuur ontslag. Onder zijn opvolger, HJ Lovink, kwam de vaart er echter goed in.

 

Ondanks het feit dat zij als bijnaam grovedennenmaatschappij  kreeg. Naar de boomsoort die het meest werd aangeplant op in cultuur gebrachte gronden, beperkte de NHM zich niet tot bebossing alleen. Op de eerste Algemene Vergadering, op 13 juli 1889, werd een programma van te voeren werkzaamheden gepresenteerd. Een ander programmapunt betrof het opleiden van personeel voor het aanleggen van vloeiweiden, dwz het bemesten van de grond door het rivierwater door te leiden. Het vruchtbare slib kon op die manier bruikbaar worden gebruikt. Daaraan gerelateerd was het reinigen van afvalwater op dezelfde manier. Het gefilterde water werd via een drainagesysteem ondergrondse en de grond kon worden gebruikt voor het telen van gewassen. Ook belangrijk: het geven van cursussen, zoals het opleiden van deskundigen op het gebied van houtcultuur. Om dat te bereiken werden bosbouwcursussen gegeven.

 

Toen echter in 1902 de GA van Swieten Bosbouwschool in Frederiksoord werd opgeheven, omdat het vrij theoretische onderwijs weinig aandacht trok, richtte de Heidemij een verzoek aan de regering eerst om de subsidie ​​van de opgeheven instelling te ontvangen. Met de subsidie, jaarlijks 2500 gulden werd, als uitbreiding van de bestaande opleidingen, de Cursus van de Nederlandsche Heidemaatschappij tot opleiding van bosch- en werkbazen, boschwachters en kijkers in het leven geroepen, vanaf 1953 Bosbouw- en Cultuurtechnische School geheten. Deze opleiding, die niet alleen voor NHM-werknemers bedoeld was, voorzag in de behoefte aan leidinggevend middenkader in de bosbouw en de cultuurtechniek. In 1963 werd de school losgemaakt van de Heidemij omdat het bestuur meer zichtbaar werd als het een Stichting was. 

Andere manieren van haar voorlichtende taak, warem het geven van lezingen, landbouwcursussen, het uitgeven van boeken en brochures en niet te vergeten het Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij

 

De Heidemij richtte zich niet alleen op vergroting van de produktiviteit van de grond, ook voor de binnenwateren zag zij mogelijkheden. Vanaf 1899 hield zij zich daarom bezig met het kweken van pootvis. Een aantal eigen viskwekerijen zorgden voor oa forel, karper en zalm. In 1905 werd de Hoofdafdeling Zoetwatervisscherij opgericht, een belangenvereniging van binnenvissers onder de vleugels van de Heidemij.

 

Tot de overige activiteiten van de Heidemij behoorden, het bouwen van bedrijfsgebouwen en bosbrandaangelegenheden. De NHM onderscheidt zich ook met het ontwerpen en bouwen van bedrijfsgebouwen. In het begin is dat niet altijd goed uit door gebrek aan deskundigheid. Toch ontstond een Bouwkundige Dienst , waardoor met het aantrekken van een architect in 1909 de kern werd blootgelegd.

 

In het kader van haar betrokkenheid bij bosaanleg en -onderhoud heeft de NHM van het begin af geijverd voor bosbrandpreventie, o.a. door het ophangen van de bekende bordjes met krachtige teksten: Wandelaar pas op! Een lucifer heeft wel een kop. Maar kan niet denken. In 1894 werd door de NHM de Onderlinge Bosschenverzekering Maatschappij opgericht. Vanaf 1921 betrokken zij tevens de directie.

 

De Heidemij was ook betrokken bij de oprichting van het Staatsbosbeheer in 1899, toen de rijksoverheid haar negatieve houding tegenover overheidsbemoeienis met het bosbeheer liet varen. Eerste inspecteur van de Staatsbossen en -ontginningen werd NHM-directeur HJ Lovink. Zijn opvolger als inspecteur, chef Boschwezen ED van Dissel, ging in 1905 geheel over naar het Staatsbosbeheer, zodat beide organisaties niet meer door een personele unie verbonden waren.

 

De eerste 25 jaar werd bekroond met het in gebruik nemen van een eigen gebouw. Het huis Nieuweroord in Utrecht was te klein geworden. Onderhandelingen met die gemeente over nieuwbouw leverde niet het vruchtbare resultaat op. De gemeente Arnhem, waarbij de Heidemij tussendoor contact had opgenomen, kwam met een genereus aanbod van een terrein tegenover Sonsbeek, een jaarlijkse subsidie ​​van 12000 gulden en een vergoedingkoming in de verhuiskosten van 18000 gulden. De Provinciale Staten van Gelderland gaven nog een subsidie ​​van 25000 gulden. Zo kwam de Heidemij tot het besluit terug te keren naar de plaats waar zij was ontstaan. Men gaf de bekende architect KPC de Bazel opdracht een gebouw te ontwerpen. Het nieuwe onderkomen, waar alle takken van dienst behoorlijk verdeeld zijn en ambtenaren in luchtige lokalen rustig kunnen voortarbeiden werd op 22 september 1913 officieel geopend door ere voorzitter Prins Hendrik. Tot op de dag van vandaag is het, zij het nog aanzienlijk uitgebreid, in gebruik.

 

De volgende jaren werden vervangen door een verdere expansie. Eén van de activiteiten die al vanaf het begin in de statuten werd genoemd, was de verkoop van zaden en plantmateriaal tegen de kostprijs aan leden. De verkoop werd mettertijd op meer conventionele lezingen geschoeid, en meststoffen, hout, gereedschappen ed werden aan het assortiment toegevoegd. Men verkreeg zelfs in 1913 het agentschap van de Caterpillar-ploeg. Hierdoor begon de Heidemij zich duidelijk op het terrein van de handel te voelen, maar de verwarring was duidelijk gebleken. De NHM haastte zich om het besluit te nemen. Toch onderscheiden handelaren, tuinarchitecten en van mening dat de Heidemij de concurrentie met overheidssubsidies aandeed en zich niet aan haar statuten hield. Om zich daartegen te verweren stelde de NHM in 1916 een onderzoekscommissie in, de zgn. grievencommissie. Eenieder kon zijn belemmeringen tegen de maatschappij aan de commissie kenbaar maken. De commissie oordeelde uiteindelijk o.a. dat het handelsdrijven wel eens te ver ging. Ze beval een aanpassing aan van de statuten om daarmee kritiek te ondervangen.

 

Al vroeg beijverde de Heidemij zich voor ruilverkaveling. In 1916 kwam door toedoen van de NHM de eerste ruilverkaveling tot stand, de Ballumer Mieden op Ameland. Voor propagandadoeleinden en om het totstandkomen van een wettelijke regeling werd In 1924 werd de Wet op de ruilverkaveling aangenomen en speelde de NHM een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van ruilverkavelingen.

 

In 1921 werd de Nederlandsche Pomologische Vereeniging als Hoofdafdeling Fruitteelt in de NHM opgenomen. De Heidemij maakte propaganda voor Nederlands fruit en probeerde de kwaliteit daarvan te verbeteren. In 1946 werd de hoofdafdeling opgeheven en werd de Nederlandse Fruittelersorganisatie opgericht. Tot 1970 heeft de Heidemij nog een fruitteeltdemonstratiebedrijf in Houten beheerd.

 

De oprichting van de Vuil Afvoer Maatschappij (VAM) in 1929 was het gevolg van het afvalprobleem van de gemeente 's-Gravenhage. Om dat op te lossen werd de Commissie tot onderzoek van het vraagstuk der vuilverwijdering opgericht, waarin ook de NHM zitting had in de persoon van adjunct-directeur T. van Maanen, gespecialiseerd op het gebied van compostering. De commissie adviseerde tot oprichting van de VAM, die in Drenthe stedelijk huisvuil tot compost ging verwerken. Van Maanen werd adviseur.

 

Heel belangrijk voor de Heidemij waren de contactpersoon met de overheid.Vanaf het begin ontvangen zij overheidssteun, zowel moreel als financieel. Die subsidies kunnen niet naar goeddunken worden besteed, maar ze waren altijd voor bepaalde doelen bedoeld, zoals de cursus, de bevordering van de zoetwatervisserij en ruilverkavelingswerkzaamheden.

Wat de NHM deed voorzag in een behoefte en concurrentie was er feitelijk niet.  De belangrijkste concurrent, de Grondverbetering- en Ontginning-Maatschappij NV Grontmij, werd opgericht in 1916.] en de overheid rekende de uitvoering van dit soort werk niet tot haar taak.

 

Veel Heidemijbestuurders kwamen uit de overheidssector of hadden daar nauwe contacten mee. Het hoogtepunt of dieptepunt  in de relatie kwam met de werkverschaffing. Vanaf 1915 werd de NHM door de overheid ingeschakeld bij het begeleiden van werkverschaffingsprojecten, die voornamelijk uit cultuurtechnisch werk bestonden. Al deze werken werden met handkracht uitgevoerd omdat dat zo arbeidsintensief mogelijk was. Dat de arbeidsomstandigheden bij dit uitgangspunt in de knel kwamen al moet men ze in de context van hun tijd beoordelen  kan niet onvermeld  blijven.  Ook andere bedrijven, zoals de Grontmij, waren, zij het in mindere mate, bij de werkverschaffing betrokken.

 

Door de langdurige verstrengeling met de overheid ging men de Heidemij zien als overheidsorgaan. Bij een onderzoek naar het beeld van de Heidemij bij opdrachtgevers in 1965 bleek het overheidsimago een taai leven te hebben. Nog steeds werd de Heidemij meer met overheid dan met bedrijfsleven in verband gebracht.

 

Een bijzonder hoofdstuk in de geschiedenis van de Heidemij wordt gevormd door de Tweede Wereldoorlog. Het beleid van de toenmalige president-directeur ir. C. Staf was erop gericht het bedrijf zoveel mogelijk intact te laten en de mensen aan het werk te houden. Hij had een imposant aantal nevenfuncties bij het Departement van Landbouw: Hij was directeur van het Bureau Ontruiming,  de Stichting Landelijke Bezettingsschaden, het Bureau Aardappelverbouwen, het Bureau Oogstvoorzieningen, hij was Gemachtigde voor den Oogst. Voor al deze zaken werd uiteraard gebruik gemaakt van de diensten van de Heidemij. Het Bureau Aardappelverbouw was een onderdeel van de NHM, hoewel het formeel kon optreden als afdeling van het Departement van Landbouw.

 

Controversieel was de medewerking aan kampen van de Opbouwdiensten de Nederlandsche Arbeidsdienst. De Opbouwdienst werd kort na het begin van de bezetting in het leven geroepen om de gedemobiliseerde Nederlandse militairen aan het werk te houden, teneinde een uitbreiding van de werkloosheid te verhinderen. Door de Opbouwdienst zou een kader gevormd moeten worden voor de Arbeidsdienst, een organisatie naar Duits model die door een verplichte diensttijd de jeugd in de nationaal-socialistische beginselen zou moeten opvoeden. De Heidemij werd gevraagd het cultuurtechnische deel van het werk te begeleiden. In werkelijkheid kwam er van Opbouwdienst en Arbeidsdienst niet veel terecht, zodat niet veel meer dan werkverschaffingsprojecten overbleven. Op verzoek van de Joodsche Raadgaf de NHM leiding aan speciale joodse werkkampen. De Raad hoopte dat de tewerkgestelden van deportatie gevrijwaard zouden worden.

 

De Heidemij kwam redelijk de oorlog door. In 1945 kon ze meteen aan de slag om de laatste en meest gehate fase van de werkverschaffing te begeleiden, de D.U.W (Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken). De weerstand tegen de als minderwaardig beschouwde D.U.W.- arbeid was enorm groot. De regeling werd in 1954 afgeschaft vanwege het aantrekken van de werkgelegenheid.

 

Dankzij de werkverschaffing heeft de NHM weliswaar jarenlang een stevige financiële basis gehad, maar haar goede naam leed er ernstige schade door.

 

Toen de D.U.W. in 1954 werd opgeheven moest het bedrijf zich opnieuw oriënteren.Men ging zich o.a. richten op het buitenland. Daartoe was eind 1953 de Internationale Maatschappij voor Landbouwkundige Ontwikkeling NV (Imlo)opgericht, die fungeerde als holding voor een aantal werkmaatschappijen. Deze opereerden zowel binnen Europa (o.a.. in de Bondsrepubliek Duitsland, België en Frankrijk) als daarbuiten (o.a.. in Indonesië, Irak en Suriname).

 

Automatisering was één van de andere nieuwe activiteiten. In 1957 was de Heidemij het eerste Nederlandse bedrijf dat een computer in gebruik nam. De automatiseringsafdeling groeide uit tot een rekencentrum dat ook voor derden werkte, en naderhand tot een zelfstandig bedrijf onder de naam RAET, waarin de Heidemij deelnam. Een andere te vermelden deelneming was de in 1969 opgerichte Stichting voor kadastrale en financiële administratie Kafi, die zich bezighield met het beheer en de registratie van vastgoed.

 

Een belangrijke expansiemogelijkheid zag men in de projectontwikkeling. Samen met o.a. Verenigde Bedrijven Nederhorsten Pakhoed werden een aantal bedrijven op dit terrein opgericht, o.a. Sleutelbouw, Eurowoningen en De Havenzathe. In 1972 werd een aantal bedrijven samengevoegd tot de integrale vastgoedontwikkelingsgroep Polyzathe.

 

Langzamerhand voltrok zich de omschakeling van een ideëel gerichte instelling tot een echt commercieel bedrijf. Dat proces had al lang geleden ingezet, maar doordat de nauwe band met de overheid verdween en de Heidemij nu meer als een gewoon bedrijf werd beschouwd kwam het in een stroomversnelling. Door deze ontwikkeling voldeed de organisatiestructuur niet meer aan de veranderde eisen. In 1963, na een onderzoek door het Twents Instituut voor Bedrijfspsychologie, begon een uitgebreide reorganisatie 

 

Na lang aarzelen, omdat men moeite had met het loslaten van de vorm van een vereniging die in het algemeen belang werkte zonder winstoogmerk, werden per 1 januari 1972 de bedrijfsactiviteiten verzelfstandigd. De werkorganisatie werd voortgezet als Heidemij Nederland BV. De vereniging bleef afzonderlijk bestaan als vereniging Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij. Een periode van enorme expansie volgde, zoals bij meer bedrijven. Talloze ondernemingen werden overgenomen of als deelneming toegevoegd aan de Heidemij Groep, in de jaren 1970-1971 alleen al zo'n twintig stuks. Hierdoor raakten de financiële middelen uitgeput. Toen het met de economie slechter ging leidde dat tot een bijna totale ineenstorting in het begin van de jaren '80. Na een ingrijpende sanering en terugkeer tot de kernactiviteiten kon het bedrijf, in sterk afgeslankte en aanzienlijk overzichtelijker vorm, blijven voortbestaan.

 

Bij de oprichting was gekozen voor de verenigingsvorm, omdat men zich in dienst wilde stellen van de gemeenschap, zonder enig winstbejag. Iedereen zou profiteren van de door de leden tot stand gebrachte ontginningen. De Heidemij zou daarbij behulpzaam zijn door het verzamelen van kennis en het uitvoeren van werkzaamheden, waartoe ter zake kundig personeel werd aangeworven c.q. opgeleid.

 

Van de vereniging kon eenieder lid worden, hoewel het ledenbestand in het begin voornamelijk bestond uit grondbezitters. Leden (naast de gewone bestonden er begunstigers, leden van verdienste, corresponderende leden en leden van hoofdafdelingen) waren georganiseerd in regionale afdelingen.  Deze moeten niet worden verward met de onderdelen van het uitvoerend apparaat, de werkorganisatie, die ook afdelingen werden genoemd.

 

Tot 1953 kon men ook individueel lid zijn. De afdelingen hadden een eigen bestuur; jaarlijks was er een bijeenkomst van de voorzitters en secretarissen met de directie. Leden konden tegen vergoeding van kosten gebruik maken van de diensten van de NHM. Verder ontvingen ze het tijdschrift  der Nederlandsche Heidemaatschappij en konden ze gratis boeken lenen uit de verenigingsbibliotheek.

 

In het hoogste orgaan van de vereniging, de Algemene Vergadering, die minstens één maal per jaar werd bijeengeroepen, hadden de afdelingen stemrecht naar rato van hun ledental. Individuele leden hadden geen stemrecht. De leden konden bij deze gelegenheid de rekening en verantwoording beoordelen, commissarissen kiezen, het jaarverslag aanhoren en discussiëren over door de afdelingen ingediende voorstellen. Het geheel werd opgeluisterd door maaltijden (met veelal zelfgekweekte forel op het menu) en excursies.

 

Voorts kende de vereniging hoofdafdelingen; dit waren geen afdelingen in geografische zin maar een soort gespecialiseerde subverenigingen, werkzaam op een bepaald, binnen het kader van de doelstellingen van de Heidemij passend deelterrein. Ze hadden eigen statuten en een afzonderlijk bestuur, waarvan de voorzitters als zodanig lid waren van het Dagelijks Bestuurvan de Heidemij.

 

In 1905 werd als eerste de Hoofdafdeling Zoetwatervisscherijopgericht, een belangenvereniging voor de binnenvissers. In 1912 volgde de Hoofdafdeling Fruitteelt(voorheen Nederlandsche Pomologische Vereeniging) en in 1920 de Hoofdafdeling Ruilverkaveling. De hoofdafdelingenmaakten voor hun werk gebruik van het apparaat van de Heidemij. In 1946 werd de Hoofdafdeling Fruitteelt weer zelfstandig als Nederlandse Vereniging van Fruittelersvanaf 1970 ging de Hoofdafdeling Zoetwatervisscherij als zelfstandige organisatie verder [NOTE Alleen van de Hoofdafdeling Ruilverkaveling is een apart archief aanwezig; van de andere hoofdafdelingen slechts enkele in het Bestuurs- en Directiearchief verdwaalde stukken.

 

 

Het bestuur van de Heidemij werd gevormd door de Raad van Commissarissen (vanaf 1969 Algemeen Bestuur). Deze bestond uit 20 à 25 leden met een zittingsperiode van vijf jaar, gekozen door de Algemene Vergadering. De raad had tot taak te zorgen, dat de maatschappij zoveel mogelijk aan haar bestemming beantwoordde. Elk jaar stelde hij de begroting voor het volgend jaar vast en diende hij bij de Algemene Vergadering de rekening en verantwoording over het afgelopen jaar in, beide opgesteld door de directeur. Uit zijn midden koos de raad een voorzitter, een ondervoorzitter en eventueel een secretaris. De maatschappij werd "in en buiten rechte" vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris.

 

Tevens koos de raad een Dagelijks Bestuur, bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter (de voorzitter en ondervoorzitter van de Raad van Commissarissen) en drie tot vijf commissarissen, benevens een secretaris (die geen commissaris hoefde te zijn maar dan ook geen stemrecht had). Het Dagelijks Bestuur regelde de werkzaamheden van de directeur en diende vóór 1 november de begroting voor het volgend jaar in bij de Raad van Commissarissen. Het verzorgde benoeming, schorsing en ontslag van personeel.

 

Van 1943-1945 is het bestuur formeel in handen geweest van president-directeur ir. C. Staf alleen, om te verhinderen dat de bezetter een vertegenwoordiger in het Dagelijks Bestuur zou aanwijzen

 

De leiding van het werkapparaat berustte aanvankelijk bij een directeur en een adjunct-directeur, vanaf 1940 bij een directie, bestaande uit een president-directeur en een door de Raad van Commissarissen vast te stellen aantal directeuren, die elk een eigen taakgebied hadden. De leden van de directie werden benoemd door de Raad van Commissarissen, op voordracht van het Dagelijks Bestuur. Bij de uitvoering van de statutair vastgelegde werkzaamheden werd de directie bijgestaan door het nodige aantal ambtenaren; deze werden door het Dagelijks Bestuur benoemd, ontslagen en geschorst of door de directeur, afhankelijk van het salaris. De directie hield verblijf in een door de Raad van Commissarissen te bepalen plaats

 

Het opstellen van de begroting en de jaarrekening en het indienen daarvan bij het Dagelijks Bestuur behoorde tot de taak van de directie.

 

Toen de Heidemij groter werd en haar activiteiten in omvang en verscheidenheid groeiden kwam er meer specialisatie binnen de organisatie. Er ontstonden afdelingen (niet te verwarren met de verenigingsafdelingen) en diensten. 

In 1908 wordt melding gemaakt van Handelsinlichtingen voor kleine houtsorteringen (later Bemiddelingsdienst), in 1910 van Gebouwen of Bouwkundige Dienst. 

In 1914 werden Boschwezen en Bevloeiing en Grondverbetering samengevoegd tot één algemene technische dienst.

 

In 1915 werden ten behoeve van de acquisitie en uitvoering van werken een aantal regionale vestigingen, ambtsgebieden geheten, ingesteld .in welke slechts een ambtenaar de leiding heeft, en alle werken uitvoert. Het aantal varieerde tussen 20 en 32. De hoofden van de ambtsgebieden, in hun territorium onschendbare vorsten, die naast zich niemand en boven zich alleen hun leenheer in Arnhem hoefden te erkennen, stonden onder leiding van inspecteurs. De hoofden onderhielden contacten met (potentile) opdrachtgevers en subsidiërende instanties en hadden de technische leiding bij de uitvoering van werkzaamheden. In het begin van de jaren '50 werden het bosbeheer en aanverwante taken uit de ambtsgebieden gelicht en ondergebracht in rentambten met een rentmeester aan het hoofd.

 

Met de instelling van de ambtsgebieden had de organisatie voorlopig zijn definitieve vorm gevonden. De jaren daarna veranderde de organisatiestructuur nauwelijks. In de jaren '50 werd het organisatieschema steeds complexer. Ook het onderbrengen van activiteiten in dochterondernemingen en deelnemingen, begonnen met de omschakeling naar andere activiteiten na 1953 en versneld voortgezet in de jaren '60 en '70 maakte de organisatiestructuur ingewikkelder en minder doorzichtig, wat de slagvaardigheid van de organisatie niet ten goede kwam. Dochters en deelnemingen leidden vaak namelijk vooral een formeel bestaan, de werkzaamheden werden door het centrale apparaat geregeld.

 

In 1963 besloot men, zoals eerder vermeld, tot een reorganisatie, na een onderzoek door het Twents Instituut voor Bedrijfspsychologi.  Deze reorganisatie was gebaseerd op het principe van de functionele specialisatie, d.w.z. dat de mensen die van alle markten thuis waren zoveel mogelijk werden vervangen door specialisten op een kleiner gebied. Het duidelijkst was dit zichtbaar bij de omvorming van de regionale organisatie. Bij de reorganisatie werden de ambtsgebieden omgezet in 19 districten, ressorterend onder een viertal hoofdinspecties.

 

De districten werden geleid door een tweemanschap, bestaande uit een hoofd Algemene Diensten een hoofd Uitvoering. De eenhoofdige leiding werd dus vervangen door twee specialisten, één op het gebied van uitvoering en één op het gebied van verkoop, d.w.z. de acquisitie van opdrachten. In de praktijk bleek de splitsing moeilijk te realiseren, daar iedereen ook van de andere taakgebieden wel enigszins verstand moest hebben. Anders zou men alleen maar langs elkaar heen werken. De nieuwe organisatie was wel een goede voedingsbodem voor competentiegeschillen. Bovendien bleek ze arbeidsintensiever te zijn. 

 

Intern heeft de Heidemij altijd met een aantal tegenstellingen geworsteld. Allereerst de verhouding tussen het ideële en het commerciële aspect, zoals boven uiteengezet. Een andere tegenstelling was die tussen centraal en decentraal, tussen het hoofdkantoor en de regio's. Het contact met de opdrachtgevers en de uitvoering gebeurden lokaal, in de ambtsgebieden, terwijl bestuur, directie, hoger personeel, administratie en technisch apparaat in Arnhem geconcentreerd waren. De eerder genoemde reorganisatie was een poging daarin verbetering te brengen.

 

Een ander soort geografische verdeling was die in verenigingsafdelingen. Binnen de vereniging (beter gezegd het verenigingsgedeelte binnen de Heidemij) bestond daarnaast nog een functionele indeling: een 'algemene' vereniging en drie zgn. hoofdafdelingen (Zoetwatervisscherij, Fruitteelten Ruilverkaveling), gespecialiseerde subverenigingen met een eigen verenigingsstructuur.

 

Tegenstrijdig voor de buitenwacht was de combinatie van advies en uitvoering in één bedrijf. Dat werd door velen als iets onfatsoenlijks beschouwd. In 1970. leidde het zelfs tot kamervragen. Meer gebruikelijk was dat een adviesbureau advies gaf, terwijl de uitvoering door een aannemer werd verzorgd, al dan niet na openbare aanbesteding. Ook in Duitsland leverde deze combinatie moeilijkheden op, zodat de Gesellschaft für Landeskultur, de in 1959 opgerichte Duitse dochtermaatschappij  haar adviserende werkzaamheden in 1962 moest staken.

 

Het is moeilijk om een idee te krijgen van de omvang van het personeelsbestand. In het jaarverslag over 1900 worden 54 vaste ambtenaren' genoemd. Voor 1920 is sprake van 193 vaste krachten en een groot aantal tijdelijke. In 1950 bedroeg het totaal aantal personeelsleden 2144, in de jaren '60 ca. 6500. In 1967 waren er 6000 à 7000 handarbeiders 

In 1938 werkten er 37751 mensen in de werkverschaffing onder leiding van de Heidemij

 

Het (hogere) personeel was grotendeels afkomstig uit eigen kweek, van de Cursus, later School, een pittige, praktijkgerichte opleiding. Een ander deel kwam van de Wageningse Rijks Landbouwschool, later Landbouwhogeschool(en tegenwoordig Landbouwuniversiteit), die dezelfde moeder had als de Heidemij. Zij is namelijk in 1875 opgericht naar aanleiding van een initiatief van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw.

 

Het groene uniform van het toezichthoudend personeel was een echt statussymbool. Er waren personeelsleden die 's zondags in het groene pak naar de kerk gingen. 

 

Het archief is in twee gedeelten in bewaring gegeven aan het Rijksarchief in Gelderland. Het oudste deel (1888-1962) in oktober 1974  het tweede (1963-1980) in februari 1984 

 

Wat er van de Heidemij-archivalia bewaard is gebleven maakt een incomplete indruk. Deze situatie is veroorzaakt door het ontbreken van een consequent centraal archiefbeheer en een systematisch vernietigingsbeleid.

 

De archiefvorming door de Heidemij kan zonder overdrijving chaotisch worden genoemd. De meeste stukken werden zonder enige ordening achter elkaar gezet.

 

Gegevens over het archiefbeheer in vroeger dagen zijn schaars. De eerste directeur, Brants, bracht er in administratief en ook in ander opzicht weinig van terecht. Naar aanleiding daarvan besloot het Dagelijks Bestuur op 26 juli 1892 de administratie voortaan in te richten in den geest als de gemeenteadministratie. Bij de stukken voor de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 18 januari 1911 is een lijst van in de boekhouding gebruikte registers, in het kader van een voorstel tot wijziging van de administratie.

Uit 1939 dateert een lijst van Portefeuilles in archief opgenomen 24/II/'39" die erop schijnt te wijzen dat er een centrale bewaarplaats was.

 

De uit 1944 daterende inventaris van het archief echter, opgemaakt vanwege de gedwongen overbrenging naar de kluis van de NV Vereenigde Papierfabrieken Van Gelder Zonen in Apeldoorn is ingedeeld naar afdelingen c.q. personen. Het is overigens niet zeker of deze inventaris het gehele archief betreft. Duidelijk te zien is dat bijna alle stukken door de afdelingen en diensten werden bewaard. Enkele stukken met historische waarde of van vertrouwelijke aard werden in een centrale kluis geborgen. Een deel van de beschreven stukken is nu nog aanwezig, voorzover de vage beschrijvingen identificatie toelaten. Het grootste deel echter is weg.

 

De verhuizing naar Apeldoorn en terug zal het archief en de daarin aanwezige orde geen goed gedaan hebben. Of hierdoor de verliezen ontstaan zijn is niet bekend.

 

 

Lijst van bestuursleden

 

Voorzitters

 

mr. C.J. Sickesz, (1888-1889 en 1896-1904)

 

A.J. Blijdenstein, (1889-1896)

 

dr. H.J. Lovink, (1904-1907; daarna lid DB; 1936-1938)

 

jhr. mr. G.L.M.H. Ruijs de Beerenbrouck, (1907-1923)

 

A.W.J.J. baron van Nagell, (1923-1936)

 

mr. J.C.A.M. van de Mortel, (1938-1947)

 

mr. S. baron van Heemstra, (1948-1957; daarna lid DB)

 

jhr. dr. C.G.C. Quarles van Ufford, (1957-1963; daarna lid DB)

 

ir. J.B.G.M. Ridder de van der Schueren, (1963-1970)

 

mr. C.Th.E. Graaf van Lynden van Sandenburg, (1970-1971)

 

Vice-voorzitters

 

A.J. Blijdenstein, (1888-1889; daarna vz.)

 

mr. A.J.M.B. van Rijckevorsel, (1889-1908)

 

A.W.J.J. baron van Nagell, (1908-1923; daarna vz.)

 

dr. H.J. Lovink, (1923-1936; daarna vz.)

 

mr. J.C.A.M. van de Mortel, (1937-1938; daarna vz.)

 

mr. S. baron van Heemstra, (1938-1948; daarna vz.)

 

mr. C.Th.E. Graaf van Lynden van Sandenburg, (1948-1969; daarna vz.)

 

C.G.A. Mertens, (1970-1971)

 

Leden van het Dagelijks Bestuur

 

F.B. Löhnis, (1888-1927)

 

G.E.H. Tutein Nolthenius, (1888-1930)

 

mr. A.J.M.B. van Rijckevorsel, (1888-1908)

 

A.W.J.J. baron van Nagell, (1889-1908; daarna vice-vz.)

 

dr. H.J. Lovink, (1907-1923; daarna vice-vz.)

 

S.C. Korteweg, (1908-1916)

 

A.A. Nengerman, (1910-1938)

 

F.B. s'Jacob, (1916-1935)

 

mr. J.F. baron van Haersolte, (1920-1948)

 

mr. J.C.A.M. van de Mortel, (1923-1937; daarna vice-vz.)

 

jhr. G.F. van Tets van Goidschalxoord, (1924-1938; daarna secr.)

 

jhr. mr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck, (1927-1929)

 

mr. dr. W.J.M. Westerwoudt, (1932-1941)

 

jhr. W.H. de Beaufort, (1935-1939)

 

H.D. Louwes, (1937-1960)

 

mr. S. baron van Heemstra, (1938; daarna vice-vz.; 1957-1960)

 

jhr. A.J.B. van Suchtelen van de Haare, (1939-1949)

 

ir. J.P. van Lonkhuyzen, (1940-1951)

 

mr. C.Th.E. Graaf van Lynden van Sandenburg, (1941-1948; daarna vice-vz.)

 

A.H. Ledeboer, (1942)G. Nobel (1942)

 

M. van Notten, (1942)

 

jhr. ir. C.E.W. van Panhuys, (1942)

 

prof. ir. A.M. Sprenger, (1942-1946)

 

A.J. Blijdenstein, (1948-1954)

 

jhr. mr. J.Th.M. Smits van Oyen, (1949-1961)

 

jhr. G.F. van Tets van Goidschalxoord, (1951)

 

J. Voetelink, (1951-1966)

 

ir. J.S. Keijser, (1951-1959; daarna secr.)

 

prof. dr. W. Rip, (1954-1957; daarna secr.)

 

ir. C. Staf, (1959-1960; daarna dir.)

 

G.H.E.M. van Waes, (1959-1964)

 

mr. B.W. Biesheuvel, (1960-1963)

 

ir. C.S. Knottnerus, (1961-1971)

 

ir. J.B.G.M Ridder de van der Schueren, (1961-1962; daarna vz.)

 

J.H.H. van Herten, (1962-1968)

 

jhr. dr. C.G.C. Quarles van Ufford, (1963-1969)

 

C.G.A. Mertens, (1964-1969)

 

J.M.E. Volgers, (1966-1969)

 

ir. J.W. Hudig, (1967-1971)

 

T.E. Willems, (1968-1971)

 

Secretarissen

 

J.A. Staring, (1888-1932)

 

mr. J.C.A.M. van de Mortel, (1932-1937)

 

A.A. Nengerman, (1937-1938)

 

jhr. G.F. van Tets van Goidschalxoord, (1938-1949)

 

jhr. A.J.B. van Suchtelen van de Haare, (1949-1957)

 

prof. dr. W. Rip, (1957-1959)

 

ir. J.S. Keijser, (1959-1971)

 

Directeuren/president-directeuren

 

G.E.H. Tutein Nolthenius (waarnemend), 1888

 

L.R. Brants, (1889-1892)

 

H.J. Lovink, (1892-1901)

 

A.A. Nengerman, (1902-1910)

 

ir. J.P. van Lonkhuyzen, (1910-1936; 1937-1940)

 

T. van Maanen, (1936-1937)

 

C. van den Bussche, (1940-1941)

 

ir. C. Staf, (1941-1947; 1962-1969)

 

ir. J.W. Hudig, (1948-1952)

 

ir. H.J.A. Hendrikx, (1953-1960)

 

dr. ir. F. Sonneveld, (1970-1971)

 

Adjunct-directeuren/directeuren

 

W. Bleij, (1889-1890)

 

H.J. Lovink, (1891-1892)

 

E.D. van Dissel, (1899-1902)

 

A.A. Nengerman, (1899-1902)

 

ir. J.P. van Lonkhuyzen, (1905-1910)

 

J.G. Bessem, (1909-1920)

 

T. van Maanen, (1920-1936)

 

ir. C. Staf, (1938-1941)

 

dr. G. Houtzagers, (1936-1948)

 

G.J. Born, (1936-1938)

 

D. van Maaswinkel, (1940-1946)

 

ir. J.W. Hudig, (1947-1948)

 

ir. J.A. Eshuis, (1948-1970)

 

ir. B. Polderman, (1953-1969)

 

E. Wijnbergen, (1953-1969)

 

ir. A. Franke, (1956-1969)

 

ir. W. ten Hove, (1961-1963)

 

dr.ir. F. Sonneveld, (1967-1970)

 

drs. Th.J. van Dijk, (1967-1971)

 

ir. F.H. van der Linde van Sprankhuizen, (1968-1970)

 

dr.ir. J.A.H. Hendriks, (1968-1971)

 

ir. P.M. van der Sluis, (1968-1971)

 

ir. J. Zandbergen, (1968-1971)

 

drs. H. Smit, (1970-1971)

 

ir. W. Muller, (1971)

 

Onbekende en verrassende feiten over de werkverschaffing tijdens de crisisjaren in Nederland

 

Omvatten:

- Stempelplicht, Twee keer per dag stempelen: Werklozen moesten zes dagen per week tot wel tweemaal per dag fysiek verschijnen in een stempellokaal om te bewijzen dat ze niet stiekem werkten, anders verloren zij direct recht op steun.

- Geen machineaanpak: Vrijwel al het werk  zoals het uitgraven van het Amsterdamse Bos  werd bewust met de hand gedaan (schop, kruiwagen en kiepkar) om zo veel mogelijk handen tegelijk aan het werk te houden. Intellectuelen met de spade: Er werd niet gekeken naar iemands achtergrond; dominees, kantoorbedienden, onderwijzers en trambestuurders stonden zij aan zij sloten te graven of heide te ontginnen.

- Inzet in de Tweede Wereldoorlog: Onder druk van de bezetter werd de infrastructuur van de werkverschaffing misbruikt en ingezet voor de afgezonderde tewerkstelling van Joodse burgers vanuit speciale werkkampen.

- Loon onder het minimum: Het loon in de verplichte werkverschaffing (ingevoerd in 1936) bedroeg maximaal 70% van een normaal loon (om en nabij de 10 tot 15 gulden per week),