Kamp Tolberter Petten
De crisis die in 1929 begon, werd voorafgegaan door een tijd van welvaart en voorspoed. Maar Groningen kende ook in die tijd al stijgende werkloosheid. Dat kwam door het aflopen van de verveningen en ontslagen in de landbouw en nijverheid door mechanisatie en rationalisatie. Voor de werklozen kwam er werkverschaffing: grootschalige, relatief laag beloonde arbeidsprojecten, gefinancierd met overheidssubsidies.
In 1923 werd de Delfzijlster burgemeester Jan Buiskool 'Rijksinspecteur van de werkverschaffing van de provincie Groningen'. Hij pleitte voor grootschalige ontginningsprojecten; gemeentelijke werkverschaffing vond hij 'gezellige bezighouderij'. De gemeente Leek richtte samen met enkele gemeenten in Friesland en Drenthe na 1924 de ontginningsmaatschappij 'De Drie Provinciën' op, waarbij ook de Heidemij betrokken was. Ongeveer tezelfdertijd stichtte Buiskool de N.V. Ontginningsmaatschappij 'De Vereenigde Groninger Gemeenten' (VGG). Leek sloot zich niet aan, waarschijnlijk omdat de Leekster burgemeester Dijkhuis al nauw betrokken was bij 'De Drie Provinciën' en al werkverschaffingsprojecten organiseerde. Bovendien kon de gemeente vanwege schulden moeilijk de voor deelname aan de VGG benodigde 6000 gulden bijeen krijgen.
In 1926 kregen Buiskool en Dijkhuis een hoogoplopend conflict. Buiskool vond, niet onterecht, dat Dijkhuis hem buitenspel wilde zetten, toen hij vroeg mensen beschikbaar te stellen voor een particulier project. Dijkhuis was razend; hij wilde geen bemoeienis met zijn werk door derden. In een lange brief kwalificeerde hij Buiskools handelen als 'lafhartig', 'zeer arrogant', 'zeer indringerige en kleinzielige bemoeizucht', duivelsachtig' en 'lomp'. Later schreef iemand met rode pen op deze brief: 'Het begin van alle ellende'. Vooreerst werd de lucht echter geklaard: Leek melde zich in 1928 aan bij de VGG. Dat was vooral dankzij wethouder Bolt, die zonder de raadsleden te informeren overleg pleegde met Buiskool om de steeds hoger oplopende werkloosheid in de gemeente Leek, waarvoor subsidies juist afliepen, op te lossen.
Het ondertussen voortsmeulende conflict tussen Buiskool en Dijkhuis bereikte een climax in 1930-1931. De gemeente Leek weigerde extra financiering voor de VGG en vreesde bovendien dat ze geen evenredig aantal werklozen op basis van verkregen aandelen kon plaatsen. Daarop sloot de VGG Leek uit van de Centrale Werkverschaffing. Uiteindelijk zwichtten alle gemeentebestuurders onder druk van de VGG, behalve burgemeester Dijkhuis, die ontslag nam in april 1931.
Vanaf 1929 kocht de VGG grond in de Tolberter Petten voor ontginning: meest hooiland, veengrond, moeras, water, veenputten en ontveende grond. De gemeente Leek achtte de ontginning ervan gunstig voor boerenbedrijven als uitbreiding van het landbouwareaal. De Heidemaatschappij maakte een plan met randvoorwaarden voor inpoldering (bedijking), bemaling en verbetering van de infrastructuur. Daarna volgde een bloksgewijze indeling van de polder met sloten en wijken. De grond was zo slecht, dat deze volledig omgespit moest worden. Ruim drie jaar lang zwoegden er honderden werklozen putten onder toezicht van de Heidemij. Ze werkten zonder grote graafmachines, vrijwel uitsluitend met een schop: het werk moest niet te snel gereed zijn...
Met ploegen van een man of tien groeven zij, onder leiding van een door henzelf gekozen voorman, putten van 8 bij 10 meter. Eerst verwijderden zij de bovenlaag van plaggen of heide, daaronder volgde en laag onvruchtbaar veen, vervolgens zand, met daaronder bruine teeltgrond. Alles schepten ze uit de put en gooiden het er in omgekeerde volgorde weer in. Vervolgens werd de grond gerold en voorzien van een laag zand uit de gegraven watergangen. De opzichter van de Heidemij mat de dagelijkse voortgang in kubieke meters en betaalde de werkers op basis van behaalde resultaten aan het einde van de week. Dit 'prestatieloon' was hoger dan een werkloosheidsuitkering, maar lager dan reguliere lonen, om het zoeken van werk te blijven stimuleren.
De inpoldering werd afgerond in 1935. Het landschap was er sterk door veranderd. In plaats van de opstrekkende verkaveling van de ontginningsas werden kanaaltjes haaks op de bestaande kavels gegraven, dus loodrecht op de bestaande verkaveling. Ten slotte volgde de exploitatie met de bouw van een achttal boerderijen, als werkverruimingsproject. Ondanks bemesting was de grond nog steeds dusdanig slecht dat deze vrijwel uitsluitend als grasland kon worden gebruikt. Na de ontginning verbouwde men zeven jaar haver op landbouwgrond ter verbetering van de bodemvruchtbaarheid.
De boerderijen werden verpacht aan Friese boeren; de eigendom van de grond kwam aan de Rijksdienst Domeinen. Het project liep vertraging op door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, maar uiteindelijk werden de boerderijen opgeleverd in 1941.
Ook was er verschil tussen werklozen van platteland en stad: de eersten waren meer gewend aan zwaardere lichamelijke arbeid. De gemeente Leek was redelijk sociaal ten aanzien van de werklozen uit de eigen omgeving. Het regime leek hier milder dan in Westerwolde: 's avonds kon men met de bus naar huis; in barakken hoefde men niet te slapen.
In de Tolberter en Lettelberter Petten is laagveen aanwezig. Het afgraven van laagveen gebeurde op een andere manier dan het afgraven van hoogveen. Het werk was erg zwaar. Het veen ('klien') werd uit het water naar boven gehaald met een grof net aan een lange stok ('beugel'). Het opgebaggerde, natte veen werd neergelegd op veldjes ('legakkers') en vervolgens met de voeten aangetrapt, gesneden en te drogen gelegd. Wat overbleef was de zogenaamde 'baggelturf', ook wel 'baggerturf' of 'bagel' genoemd. De turven werden afgevoerd naar Leek en Groningen. De plaatsen waar het veen naar boven was gehaald, de petgaten, vulden zich met water.
Het veen in de Tolberter Petten was wit uitgeslagen van het zout, een herinnering aan de tijd dat een zeearm van rivier De Oude Riet tot hier reikte. Deze 'zoute bagel' was turf voor armelui, want het brandde slecht, zorgde voor roest in de kachel en verspreidde bij verbranding een vieze walm.
Vanaf de jaren dertig verdrongen kolen gaandeweg turf als brandstof. De turfwinning liep op zijn eind. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hier en daar nog turf gewonnen vanwege de schaarste aan brandstof, maar na 1945 kwam turfwinning nog maar sporadisch voor. Na de veenafgravingen bleken de Tolberter Petten nauwelijks geschikt voor landbouw te zijn. Enkele keuterboertjes leefden er van de opbrengst van hooi en baggelturf. De percelen zijn nog steeds in gebruik als hooi- en weiland.
Rond 1930 leidde de enorme werkloosheid tot vele grote werkverschaffingsprojecten in Nederland. Ontginningsmaatschappij 'De Vereenigde Groninger Gemeenten' kocht zo'n tweehonderd hectare grond in de Tolberter Petten en zette daar werklozen uit de hele provincie aan het werk met graven en ontginnen. De onderste vruchtbare grond moest bovenop komen en de bovenste laag onvruchtbare grond er onder. Het was zwaar lichamelijk werk, verricht met schoppen en kruiwagens als enig gereedschap. De betaling was zeer gering. De werklozen hadden echter geen keus: het was werkverschaffing of armenzorg - en van het geld van de armenzorg viel nauwelijks te leven.
Een groot deel van de Tolberter Petten is op deze manier opnieuw aangelegd. De werklozen groeven sloten, ontgonnen de grond en legden dijken aan, waarna het gebied werd drooggemalen. De werkzaamheden van toen zijn nog steeds goed af te lezen aan de afwijkende verkaveling van het gebied.
De petgaten waarmee niets werd gedaan, groeiden dicht met water- en moerasplanten. Binnen dertig jaar stonden er elzenbroekbossen. Andere gaten werden opengehouden voor de eendenjacht. Tegenwoordig graaft men sommige petgaten in de Tolberter Petten weer open om de flora en fauna een kans te geven.
In het Zuidelijk Westerkwartier ontgonnen de eerste permanente bewoners vanaf de zandstroken het veen. Ze begonnen met kleine gemengde boerenbedrijfjes. De langgerekte percelen werden afgebakend met houtsingels en legden zo de basis voor het huidige coulissenlandschap. Het voornaamste gewas op de arme klei-op-veengrond was rogge, later ook boekweit. Eeuwenlang werkte het grootste deel van de bevolking in de landbouw, als zelfstandige boer of dagloner. Zelfs na de komst van enige industrie runden veel mensen een klein boerenbedrijf en werkten daarnaast in een fabriek, zoals veel werknemers van timmerfabriek De Volharding in Marum nog in 1918.
De landbouw speelt nog steeds een belangrijke rol in het Zuidelijk Westerkwartier. Het overgrote deel van de boeren is rundveehouder en gebruikt de cultuurgrond als grasland. Daarnaast houden de boeren zich bezig met het beheren en behouden van natuur en landschap. De houtsingels hebben ondertussen een beschermde status gekregen en worden goed beheerd. Zo blijft het karakteristieke landschap met de opstrekkende verkaveling behouden.
Vanaf de 16e eeuw is er sprake van commerciële vervening in het Zuidelijk Westerkwartier. De aanleg van vaarten, wijken en wegen en het graven van turf zorgde voor werkgelegenheid. Turfschippers vonden er werk en veenarbeiders vestigden zich in de buurt van hun broodwinning. Enkele scheepswerfjes in Leek maakten vanaf de 17e eeuw vooral smalle boten, zoals schuiteschepen, bokken en pramen, die elkaar konden passeren in de smalle vaarten in het veengebied.