Kamp Vlagtwedde
Zie ook pagina: Kamp de Beetse Vlagtwedde
Inhoud
- Voorwoord
- Werkverschaffing in en rondom Vlagtwedde
- Achtergrondinformatie
-
Kamp Vlagtwedde kende feitelijk verschillende werk kampen voor de werkverschaffing.
- 1924-1931 Weenderveld
- 1924-1931 Jipsinghuizerveld
- 1934-1936 Laudermarke
- 1934-1935 Pallert
- 1935-1937 Rhederveld. Het Rhederveld: Ontgonnen in de jaren '30. Om dit gebied toegankelijk te maken, werd destijds de J. Buiskoolweg aangelegd.
- Rond 1938 Sellingerbeetse. Zie opmerking hieronder.
- Rond 1913 Het Hebrecht
- Rond jaren '20 Wollingboermarke. Gebied die in jaren '20 is ontgonnen, waarna er een serie boerderijen zijn gebouwd.
- Rond jaren 20 Pallert. Gebied die in de jaren '20 is ontgonnen, waarna er een serie boerderijen zijn gebouwd.
En daarnaast:
- Kamp 'de Slikken' (Westernieland): Een berucht werkkamp tijdens de Tweede Wereldoorlog waar arbeiders onder dwang werden ingezet voor de werkverschaffing.
-Tolberter Petten: tijdens de crisis van de jaren '30 werden werklozen hier ingezet om moerasgebieden te ontginnen en de infrastructuur te verbeteren.
Opmerking:
Zie ook pagina: kamp De Beetse Sellingen
Kamp De Beetse in Sellingerbeetse was een werkkamp, Joods werkkamp, kamp voor gevluchte en teruggekeerde NSB’ers en interneringskamp (bijzondere rechtspleging). Kamp De Beetse was van 1935 tot 1942 in gebruik in het kader van de werkverschaffing. Van januari 1942 tot 3 oktober 1942 was het een werkkamp voor Joodse dwangarbeiders. Vanaf januari 1945 was het een opvangkamp voor gevluchte en teruggekeerde NSB’ers. Van augustus 1945 tot februari 1948 was het in gebruik als interneringskamp. Hier zaten verdachten van en veroordeelden voor collaboratie opgesloten.
Voorwoord
In de jaren '20 en '30 was Vlagtwedde het toneel van grootschalige werkverschaffingsprojecten om de armoede en werkloosheid te bestrijden. Onder leiding van burgemeester Jan Buiskool werden heidevelden en moerassen (zoals het Rhederveld) ontgonnen en werden er werk- en modelboerderijen gebouwd om landbouwgrond te creëren.
Honderden mannen gingen met de trein en tram naar Oost-Groningen. Na nog ongeveer een uur lopen, waren ze op hun bestemming: een zich honderden hectares uitstrekkend veen- en heidevelden. Men zag aan alle kanten de horizon. Het doel van deze inspanning: deze enorme vlakte omspitten en tot cultuurgrond brengen
Werkverschaffing in en rondom Vlagtwedde
De in het leven geroepen maatschappij 'Vereenigde Groninger Gemeenten' kocht de gronden op met als doel ze in cultuur te laten brengen door werkverschaffing. Het in cultuur brengen was zwaar werk, en de verdiensten waren niet groot. Toch hadden de werklozen weinig keus: als ze het niet deden, waren ze aangewezen op de armenzorg. En dat was helemaal geen vetpot. Een gezin dat bij de armenzorg aan moest kloppen kreeg drie gulden contant en drie gulden in natura. Bij de werkverschaffing kon men minimaal zeven en maximaal vijftien gulden verdienen. Dit hing af van het tempo waarin gewerkt werd.
De werklozen kwamen vanuit de hele provincie naar Westerwolde. Dat was zeker in die tijd een behoorlijke reis. Er werd dan ook niet van de arbeiders verwacht dat ze iedere dag op en neer gingen. Nee, Jan Buiskool, burgemeester van Delfzijl en geestelijk vader van de werkverschaffing, had van te voren twintig barakken laten bouwen, met elk 30 bedden. De zorg voor de barakken lag in de handen van de keetvrouw. Zij zorgde dat de barakken schoon waren en dat de arbeiders brood en warm eten kregen. De keetvrouw moest stevig in haar schoenen staan, want zij zorgde samen met haar man voor het handhaven van de orde.
's Avonds was er op de afgelegen heide niet zoveel te doen voor de arbeiders. Daarom werden er (pas) in 1932 twee ontspanningscentra opgericht in Westerwolde. Hier werden voorstellingen gehouden en films vertoond. Ook kon men hier de krant lezen of een spelletje doen. In 1937 was het aantal centra al gegroeid tot zeven. Ze lagen verspreid over het gebied. Een verbandtrommel was echter niet in de buurt, laat staan een dokter. De keetvrouw moest voor het welzijn van de arbeiders zorgen. In de ergste gevallen deed een kruiwagen dienst als ambulance naar een arts.
Tegen het einde van de jaren dertig waren er al duizenden hectares in cultuur gebracht. Toen werd er overgestapt naar ander werk: het inpolderen van de Waddenzee. De barakken en de ontspanningscentra werden verkocht en voor andere doeleinden gebruikt. Toch zijn de herinneringen aan de werkverschaffing nog duidelijk aanwezig. De arbeiders en de nabestaanden vergeten de omstandigheden waarin de werklozen moesten vertoeven niet.
Achtergrondinformatie
De gemeente Vlagtwedde ligt in de uiterste zuidoostpunt van de provincie Groningen. Samen met de gemeente Bellingwedde en een gedeelte van de gemeente Stadskanaal
De gemeente Vlagtwedde grenst in het noorden aan de gemeente Bellingwedde, in het oosten aan Duitsland, in het zuidoosten aan de provincie Drenthe (gemeente Odoorn) en in het westen aan de gemeente Stadskanaal.
Het grondgebied van de gemeente beslaat 17.044 ha. Tot deze gemeente horen de grotere dorpen Bourtange, Sellingen, Ter Apel, Ter Apeikanaal en Vlagtwedde.
De talrijke gehuchten in deze gemeente zijn de volgende: Abeltjeshuis, Bakovensmee, Barnflair, Borgertange, Borgerveld, De Bruil, Burgemeester Beinsdorp, Ellersinghuizen, Hanetange, Harpel, Hasseberg, Hebrecht, t Heem, Jipsingboermussel, Jipsingboertange, Jipsinghuizen, Lammerweg, Laude, Lauderbeetse, Laudermarke, Lauderzwarteveen, Leemdobben, De Maten, Munnikemoer, Over de Dijk, Overdiep, Pallert, Plaggenborg, Poldert, Renneborg, Rhederveld (gedeeltelijk), Roelage, Rijsdam, 't Schot, Sellingerbeetse, Sellingerzwarteveen, Slegge, Stakenborg, Stobben, Ter Borg, Ter Haar, Ter Walslage, Ter Wisch, Veele, Veerste Veldhuis, Vlagtwedder-Barlage, Vlagtwedder-Veldhuis, Weende, Weenderveld, Weite, Wessingtange, Wollingboermarke, Wollinghuizen, Zandberg (gedeeltelijk), Zuidveld
In 1949 en 1963 heeft de gemeente Vlagtwedde grenswijzigingen ondergaan met de gemeente Bellingwedde.
Het noordoostelijke gedeelte van Hebrecht en het Rhederveld zijn daarbij aan Vlagtwedde toegekomen.
In 1974 vond in het uiterste zuidwesten een wijziging van de grens met de gemeente Emmen (Drente) plaats.
Hierdoor kwam het gehucht De Maten in de gemeente Vlagtwedde te liggen..
In het veengebied van Vlagtwedde werden plaatselijk bepaalde delen in cultuur genomen die meestal als heidegebied gebruikt werden. Deze waren vaak begrensd door beplantingen (o.a. Veeier Veenen, Vlagtwedder Venen, Wollinghuizervenen, Smeerlingervenen, Molenkamp).
De woeste gronden zijn lang ongebruikt blijven liggen door de gebrekkige ontsluiting en de beperkte hoeveelheid mest.
Na 1920 gaat de gemeente Vlagtwedde in het kader van de werkverschaffing als anti-crisispolitiek woeste gronden ontginnen. Hierdoor trekken allerlei kolonisten uit de Veenkoloniën, Drenthe, Friesland, Holland en Overijssel naar
Westerwolde. In 1925 wordt op initiatief van de gemeente Vlagtwedde de N.V. Ontginningsmaatschappij officieel opgericht. Zeer veel gemeenten sluiten zich bij de N.V. aan. Tot 1-1-1940 wordt door deze N.V. in Westerwolde 2669 ha woeste grond aangekocht, circa 2000 ha woeste grond ontgonnen en 1608 ha als cultuurgrond verkocht.
Jaartallen van de ontgonnen gebieden zijn:
1924-1931 Weenderveld
1924-1931 Jipsinghuizerveld
1934-1936 Laudermarke
1934-1935 Pallerto
1935-1937 Rhederveld
1938 start van Sellingerbeetse.
Het Hebrecht is ontgonnen rond 1913, d.m.v. de Noordelijke en Zuidelijke Hoofdwijk die via het Verbindingskanaal in verbinding stond met het Ruiten A-kanaal. Rond 1934 is het Hebrecht herontgonnen wegens het slechte resultaat van de oude ontginning.
In de gemeenteVlagtwedde liggen een groot aantal dorpen en gehuchten. De grens tussen beide is soms moeilijk aan te wijzen. Soms is de grootte de belangrijkste reden om een nederzetting als dorp te benoemen, soms is de cultuurhistorische betekenis van belang.
- Ter Apel, inclusief Barnflair
- Ter Apelkanaal
- Jipsingboermussel
- Sellingen
- Vlagtwedde, inclusief Barlage
- Bourtange, inclusief Bakovensmee.
Ter Apel
Ter Apel is de grootste nederzetting in de gemeente Vlagtwedde. Het is van oorsprong een kloosterdorp dat zich in de 19e en 20e als veenkoloniaal lint verder ontwikkelt. Rondom het in 1216 gestichte klooster hebben zich in 1850 enkele Westerwoldse boerderijen verzameld. Het dorp wordt omgeven door bos en is gelegen tussen twee rivieren, de Runde in het westen en de Ruiten A in het oosten. De bebouwing ligt verspreid bij het klooster, langs de weg naar Ter Haar en langs de weg richting De Maten. In de omgeving van het klooster, na de Reformatie in bezit gekomen van de N.H.-kerk, staat een aantal bijgebouwen, terwijl langs de bovengenoemde wegen boerderijen van het Westerwoldse type liggen.
1850-1900
In de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelt Ter Apel zich pas echt, nu in de vorm van een lineaire, veenkoloniale structuur. In 1858 wordt het Musselkanaal langs de provinciegrens tot aan Munnikemoer doorgetrokken en dan Ter Apelkanaal genoemd. Aan weerszijden van het diep ontstaat bebouwing bestaande uit woonhuizen, zowel arbeidershuizen van het Oldambster en krimpjestype als symmetrische herenhuizen, en boerderijen van het Oldambster type. Bijna alle panden staan vrij en loodrecht met de nokrichting op het kanaal. Beide oevers zijn met bomen beplant. De noordzijde van het oost-west lopende deel van het water is de kern van het dorp. Hier vestigt zich detailhandel en bevinden zich het gemeentehuis (afgebroken) en de in 1881 gebouwde R.K.-kerk van dearchitect G. Te Riele Wzn. Naast de kerk verrijzen een pastorie, een parochiehuis, een lagereschool, een kerkhof en later een meisjesschool (1929). Ten zuiden van het oude kloostercomplex ligt, in het bos verscholen, een Joodse begraafplaats.
1900-1940
Na de eeuwwisseling breidt Ter Apel zich behoorlijk uit en wordt zodoende de grootste nederzetting van de gemeente. Deze groei vindt allereerst plaats door expansie en verdichting van de bebouwingslinten langs het kanaal. Dit gebeurt zowel naar het noorden als naar het zuidoosten in de vorm van losstaande woonhuizen, zoals arbeiderswoningen van het krimpjestype en het dubbel symmetrische type en burgerwoningen uit de jaren '20 en '30 met daartussen enkele boerderijen. Aan de zuidzijde van het oost-west gedeelte van het kanaal worden een aantal villa's neergezet en in 1910 een Gereformeerde kerk en pastorie gebouwd. De noordzijde ontwikkelt zich tot centrum. Hier vestigen zich veel winkels en bedrijven. In ca. 1910 wordt hier het station van de Trammij. Oostelijk Groningen neergezet (nu woning) Naast uitbreiding en opvulling van de bestaande linten vindt er bebouwingsexpansie plaats door de aanleg van straten tussen het centrum en de in 1924 geopende S.T.A.R.-spoorlijn. Aan de Koningsstraat worden rond 1925 een serie arbeiderswoningen gebouwd : enkele, dubbele of in een rij. Naar het S.T.A.R.-station (1924, archt. ir. A. van der Steur ; nu afgebroken) wordt de Stationsstraat aangelegd, waaraan losstaande villa's komen te liggen. Tegenover het station staat het S.T.A.R.-hotel dat kenmerken van de Amsterdamse School vertoont (1925). Ten oosten van de Stationsstraat ligt de Oude Weg die na 1900 is verhard. Aan deze straat worden in de jaren '20 en '30 vrijstaande burgerwoningen gebouwd. Aan het begin van de Oude Weg staat een confectiefabriek met Jugendstil-elementen (ca.1910).
In de bocht die de straat naar het oosten maakt, verbreedt het straatprofiel zich. Hier wórdt rond 1920 een scholengemeenschap met directeurswoning gebouwd. Het complex is een ontwerp van de architect Crouwel en vertoont elementen van de Amsterdamse School.
Ten oosten van de tweede bocht in het Ter Apelkanaal, aan de zuidkant van het kloosterterrein, worden langs de Boslaan, evenals langs de Stationsstraat, een serie losstaande luxueuze villa's gebouwd. Ten zuidoosten hiervan, langs het pas aangelegde Ruiten A-kanaal verrijst rond 1915 de A.G.0.-fabriek, een bedrijf dat houten instrumenten vervaardigt ten behoeve van de textielindustrie (nu buiten bedrijf). Voor de werknemers van dit bedrijf is naast de fabriek een speciale, eigen wijk aangelegd, het A.G.O.-dorp De woningen zijn meestal van het twee- onder-één-kap type en losstaand met voor en achter tuinen. De woningen staan loodrecht op de weg die een kromming maakt. Een deel van de woningen is pas na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd. Langs het kanaal staan drie villa's bedoeld voor de directie van het bedrijf. Vanwege de grote tuinen en de ligging in het bos en nabij de Ruiten A heeft het A.G.O.-dorp het karakter van een tuindorp. Dit geeft aanleiding om de arbeiderswoningen, de directievilla's en de fabriek zelf als bijzonder gebied aan te duiden
Aan de andere kant van het Ruiten A-kanaal, ten zuidoosten van de A.G.O.-fabriek ligt een coöperatieve aardappelmeelfabriek (invent.nr. 9). Voor deze fabriek ligt een serie vrijstaande arbeiderswoningen van het krimpjes type (meeste zijn verbouwd). Na Tweede Wereldoorlog gaat de ontwikkeling van Ter Apel door. Het gebied tussen het Ter Apelkanaal en de S.T.A.R.-spoorlijn wordt volledig opgevuld met woonwijken en ook ten noorden van de spoorlijn zet de expansie zich voort. Hier worden een paar woonwijken en industrieterreinen aangelegd.
BARNFLAIR
Ten zuidoosten van Ter Apel, langs het Ter Apelkanaal ligt Barnflair dat deel uitmaakt van de bebouwde kom van Ter Apel. Het is een veenkoloniaal lint dat na de aanleg van het diep in 1858 is ontstaan. Rond 1850 bestaat Barnflair uit een landsdijk en een leidijk. In de laatste dijk is een redoute gelegen, de zogenaamde Oude Batterij. Omstreeks 1900 is het kanaal aan weerszijden hier en daar bebouwd met losstaande arbeiderswoningen van het krimpjestype en boerderijen van het Oldambster type.
Alle panden staan haaks op het water. In de eerste helft van deze eeuw verdicht de bebouwing zich en wordt het lint uitgerekt.
De grootste uitbreiding vindt echter rond 1925 plaats door de aanleg van een arbeiderswijk, Burgemeester Beinsdorp . De wijk heeft een orthogonaal stratenpatroon waaraan enkele en dubbele woningen zijn gebouwd. Sommige panden staan haaks op de straat, andere parallel. Die op de hoeken zijn schuin geplaatst. Evenals bij het A.G.O.-dorp hebben de woningen grote voor- en achtertuinen. Burgemeester Beinsdorp wordt pas na de Tweede Wereldoorlog voltooid. De meeste woningen in Burgemeester Beinsdorp zijn in de jaren '80 gerenoveerd.
Ter Apelkanaal
Ter Apelkanaal is een veenkoloniale lintnederzetting die zich langs het gelijknamige diep uitstrekt. Het kanaaldorp is na 1856 ontstaan, dat wil zeggen na het doortrekken van het Musselkanaal, en ligt ten noorden van Ter Apel. Rond 1900 bevindt zich aan weerszijden van het diep bebouwing. Aan de oostkant van het water is de weg verhard en zijn woonhuizen van het symmetrische-, Oldambster- en krimpjestype, winkels, kleine bedrijven en enkele boerderijen gesitueerd. De westkant heeft een iets minder dichte bebouwing die bestaat uit woonhuizen en boerderijen van het Oldambster type. Alle panden staan haaks op het kanaal en zijn vrijstaand. In de volgende decennia breidt het lint zich aan weerskanten uit. De oostzijde wordt nu geheel bebouwd, terwijl de andere kant nog open plekken vertoont. In de jaren '20 en '30 verdicht de bebouwing zich met losstaande burgerwoningen en wat winkels. Daarnaast wordt ten westen van het Ter Apelkanaal in 1924 de S.T.A.R.-spoorlijn aangelegd en krijgt Ter Apelkanaal een station naar ontwerp van ir. A. van der Steur (afgebroken). Op de grens met Ter Apel staan de pylonen van de spoorbrug er nog. Hiernaast bevinden zich enkele dienstwoningen voor het S.T.A.R.-personeel
Tegenwoordig is veel van de oorspronkelijke bebouwing vernieuwd of vervangen. De stedebouwkundige structuur, die in dit geval overeenkomt met de infrastructuur, is weinig veranderd. De S.T.A.R.-lijn is inmiddels afgebroken.
Jipsingboermussel
Jipsingboermussel ligt ten noorden van Ter Apelkanaal en strekt zich uit langs het Ter Apelkanaal. Het dorp is na 1851 ontstaan, toen het Musselkanaal tot de knik naar het zuiden is doorgetrokken. De gronden waren toen eigendom van de 'Jipsingboeren', de boeren van Jipsinghuizen.
Rond 1900 bevindt zich aan beide zijden van het diep een ijle lintbebouwing. In het noordwesten sluit deze aan op Musselkanaal, in het zuiden op Ter Apelkanaal. Hiertussen, ter hoogte van de knik, zijn de oevers onbebouwd. De bebouwing bestaat voornamelijk uit woonhuizen vam het symmetrische-, het Oldambster- en het krimpjestype en boerderijen van de veenkoloniale variant van het Oldambster type. Alle panden zijn losstaand en hebben de nokrichting haaks op het water. In het noordwestelijke deel is de zuidkant, de zijde met een verharde weg, dichter bebouwd, terwijl aan de noordkant de bebouwing bestaande uit boerderijen, hier en daar verspreid ligt. Het zuidelijke gedeelte is aan beide zijden even dicht bebouwd.
In de eerste helft van deze eeuw wordt de ruimte tussen de twee gedeelten opgevuld met woonhuizen van het krimpjestype en burgerwoningen. De knik in het diep wordt afgesneden, hier wordt in de jaren '30 een sluizencomplex aangelegd. Ter hoogte van dezelfde knik, op de grens met Ter Apelkanaal, wordt rond 1900 een kleine houten kerk neergezet. Ten noorden hiervan verrijst in 1904 een aardappelmeelfabriek (verbouwd, nu Avebe) en in 1913 een tweede.
Evenals in Ter Apelkanaal is in Jipsingboermussel veel van de oorspronkelijke bebouwing vernieuwd of vervangen. De stedebouwkundige structuur is grotendeels onveranderd gebleven.
Sellingen
Het esdorp Sellingen is onstaan in de loop van de 17e eeuw en ligt ten oosten van de Ruiten A. De struktuur van deze nederzetting wordt gevormd door de doorgaande weg Ter Apel-Vlagtwedde, waaraan op de driesprong met Hassebergerweg de brink is gesitueerd. Vanuit dit punt lopen een aantal lanen in uiteenlopende richtingen zodat een web-achtige structuur van verbindingen ontstaat.
Rond 1850 concentreert de bebouwing van Sellingen zich langs de Dorpsstraat (de doorgaande weg), de Hassebergerweg en de Torenstraat, waar aan het einde de N.H.-kerk (14e eeuw) ligt. De bebouwing wordt hoofdzakelijk gevormd door een aantal Westerwoldse boerderijen, winkels en wat woonhuizen, symmetrische herenhuizen en arbeidershuizen van het krimpjestype. De meeste panden zijn losstaand, de situering ten opzichte van de straat is verschillend. In de volgende vijftig jaren neemt de bebouwing iets toe in de richting van de Dorpsstraat, de Hassebergerweg, de Torenstraat en de Dorigweg. Deze expansie bestaat uit boerderijen, woonhuizen, winkels en enkele bedrijven
Na 1900 vindt er een grotere uitbreiding plaats, met name langs de al genoemde wegen. Vooral in de jaren '20 en '30 worden veel losstaande burgerwoningen en enkele moderne Oldamster boerderijen gebouwd. Aan de noordzijde van de Dorpsstraat verrijst rond 1905 een gemeentehuis. Hiernaast wordt een Gereformeerde kerk gebouwd (inmiddels verbouwd). Aan de overzijde van de straat komt rond 1920 Hotel Plat (nu: Homan), een gebouw met elementen van de Amsterdamse School. Na de Tweede Wereldoorlog wordt veel bebouwing vervangen en vernieuwd. Tevens wordt op de Zuid Esch, ten zuidoosten van de N.H.-kerk, en aan de Hassebergerweg en de Dorigweg nieuwbouw gepleegd. Op de splitsing van de Toren- en de Dorpsstraat onstaat een tweede brink door afbraak van de hier gelegen panden.
Vlagtwedde
Vlagtwedde is evenals Sellingen een esdorp en is in dezelfde periode ontstaan. De nederzetting ligt tussen twee takken van de Ruiten A en concentreert zich rondom een driesprong. In de vorige eeuw was Vlagtwedde het hoofddorp van de gemeente. Tot 1803 is hier in het Regthuis (1903 afgebroken) de rechtstoel van het landrecht van Westerwolde gevestigd. Tegelijkertijd is Vlagtwedde hoofdplaats van de burgerlijke gemeente, tot 1890 is in Hotel Schober aan de Schoolstraat het gemeentebestuur gevestigd. Hierna wordt in Sellingen, dat centraler gelegen is, een gemeentehuis gebouwd. Rond 1850 spreidt Vlagtwedde zich uit langs drie wegen, te weten de Schoolstraat, de Weenderstraat en de Wilhelminastraat (vroeger Oosteinde). Samen vormen deze wegen de eerder genoemde driesprong. Het dorp heeft twee brinken: op de driesprong en aan de Schoolstraat op de splitsing met de Kerkstraat, nabij de N.H.-kerk (15e eeuw ). De bebouwing bestaat uit Westerwoldse boerderijen en woonhuizen variërend van het krimpjestype, arbeidershuizen, tot het symmetrische type, herenhuizen. In de omgeving van de driesprong bevinden zich een aantal winkels en bedrijven. De situering van de panden, die vrijwel alle vrijstaan, iswisselend.
1850-1900
In de tweede helft van de vorige eeuw groeit Vlagtwedde gestaag. De uitbreiding geschiedt vooral langs de drie hoofdwegen, de Kerkstraat-Kromme Elleboog en de Onstwedderweg. Aan de Wilhelminastraat worden een paar villa's gebouwd. Aan de zuidkant van de weg staan twee molens (van de éne rest alleen nog de onderbouw, de andere is geheel verdwenen). Rond de driesprong vestigt zich detailhandel en horeca zoals het reeds genoemde Hotel Schrober (verdwenen). In 1897 wordt hier een zuivelfabriek gebouwd (afgebroken). Aan de brink aan de Schoolstraat staat naast de N.H.-kerk een openbare lagere school (verbouwd).
1900-1940
Na 1900 ontwikkelt Vlagtwedde zich meer. Dit is het gevolg van de ontginning van de woeste gronden ten oosten van het Ruiten A-kanaal (1910-1915), waardoor het dorp een centrum van voorzieningen wordt. De bebouwing breidt zich in de periode 1900-1940 behoorlijk uit. Langs de drie hoofdwegen, de Ontswedderstraat, de Kerkstraat-Kromme Elleboog, de Oostersingel (gedeeltelijk) en de Wollinghuizerweg worden in de jaren '20 en '30 veel vrijstaande burgerwoningen gebouwd. Hiertussen wordt een enkele boerderij neergezet. Aan de Onstwedderweg wordt in 1922 een nieuwe Marechaussee-kazerne gebouwd (nu een pension). Iets ten oosten hiervan wordt in 1930 een lagere landbouwschool neergezet (nu in bezit van de Ver. van Vrijzinnig Hervormden). In het begin van de Weenderstraat (nu de Dr. P. Rinsemastraat genoemd) wordt in 1912 een Chr. lagere school gebouwd met daarnaast het "Gebouw voor Chr. Belangen" (tot 1962 als zodanig in dienst). De zuivelfabriek wordt verplaatst naar de Schoolstraat (verbouwd,). In het huidige Vlagtwedde zijn veel panden vernieuwd of vervangen, zodat weinig van de oorspronkelijke bebouwing nu nog aanwezig is. De stedebouwkundige structuur is daarentegen grotendeels bewaard gebleven. Wel heeft men ter ontlasting van de Schoolstraat en de Onstwedderweg autowegen aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog is tamelijk veel nieuwbouw gepleegd. Eerst ten zuiden en later ten noordoosten van de Oostersingel zijn woonwijken gebouwd. Aan de noordkant van het dorp, op de voormalige Wilmerkamp, is eveneens nieuwbouw gerealiseerd. Op deze wijk sluit een sport- en recreatiepark aan. In de jaren '80 is men ten zuiden van de Wilhelminastraat, op de Wisch Mei begonnen met de aanleg van een vierde nieuwbouwwijk.
Barlage
Aan de noordoostkant van Vlagtwedde ligt Barlage. Het gehucht is aan het einde van de 19e eeuw ontstaan en wordt gevormd door her en der verspreid liggende arbeiderswoningen van het krimpjes-type. Rond 1940 zijn dit er zo'n 20 in getal. In de jaren '50 en '60 is een gedeelte hiervan verdwenen, de overige zijn meestal verbouwd. Barlage wordt nu door het hierboven genoemde sport- en recreatiepark gedeeltelijk overlapt.
Bourtange en Bakovensmee
Ten oosten van Vlagtwedde, richting de grens met Duitsland, ligt Bourtange. Dit dorp is van oorsprong een vesting en is het enige dorpsgezicht in de gemeente Vlagtwedde dat wettelijk beschermd is. De vesting Bourtange is ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648),in 1580, geconstrueerd ter verdediging van Noordoost-Nederland. De fortificatie maakt onderdeel uit van een verdedigingslinie lopend van Nieuwe Schans tot Coevorden.
Rond 1850 ligt de bebouwing van Bourtange nog geheel binnen de vestingwallen. Permanente bebouwing hierbuiten is door een bouwverbod niet toegestaan, het schotsveld rondom de verdediging moet ten allen tijde goed te overzien zijn. De vesting heeft een radiair stratenpatroon, waarvan het centrale punt op het Marktplein is gelegen. De bebouwing bestaat uit woonhuizen van het symmetrische type, enkele winkels en bedrijven. In de vesting bevinden zich tevens een N.H.- kerk (1607, in 1869 vervangen) en een synagoge (1842). In de tweede helft van de 19e eeuw worden de vestingwallen voor een groot deel geslecht. Door de inwerkingtreding van de Vestingwet in 1874 verliezen alle fortificaties in Nederland hun verdedigende functie. De hierdoor ontstane open plekken worden bebouwd met woonhuizen van het krimpjestype en Westerwoldse boerderijen. Ten zuidwesten van de vesting ligt een N.H.-begraafplaats en ten noordwesten een Joodse begraafplaats.
Na 1900 breidt Bourtange zich sterker uit. Naast verdichting van de bebouwde kom worden langs de weg naar Vlagtwedde in de jaren '20 en '30 een serie losstaande burgerwoningen gebouwd. Ook krijgt Bourtange aan deze weg een haven : vanaf het Ruiten A-kanaal wordt een zijtak naar de voormalige vesting gegraven. Ten gevolge van de restauraties en reconstructies in de jaren '70 en '80 is weinig bebouwing uit de periode 1850-1940 overgebleven. Veel panden zijn op historiserende wijze vervangen of verbouwd. De stedebouwkundige structuur van voor 1850, als ook een deel van het vestingsstelsel, is grotendeels teruggebracht. Hierbij is de verbinding tussen de Wedderstraat en het Marktplein gewijzigd. Buiten de vesting, ten noorden van de Wedderstraat is in de jaren '60 een woonwijk aangelegd. Rondom Bourtange liggen een aantal overblijfselen van verschillende verdedigingswerken. Zo ligt ten noorden van de vesting een vervallen redoute, Bakovensmee genaamd. Samen met de Batterijen langs de grens bij Abeltjeshuis en de leidijk vormde dit redoute het verdedigingssysteem van Bourtange.
Omstreeks 1850 staat in Bakovensmee een wachthuis, maar op de kaart van 1940 is deze verdwenen. Rondom liggen arbeidershuizen van het krimpjestype verspreid. Momenteel is Bakovensmee, evenals de Batterijen, eennatuurmonument.
Verspreide bebouwing
De gemeente Vlagtwedde kent een zeer groot aantal gehuchten, in totaal zo'n 45. Zoals enkele bovenstaand beschreven: Barnflair, Barlage en Bakovensmee.
De rest zal door middel van een categorische indeling worden beschreven.
Eerst komen een paar veenkoloniale gehuchten aan de orde, vervolgens de esgehuchten en aanverwante nederzettingen die langs de weg Ter Apel-Vlagtwedde zijn ontstaan en tot slot de ontginningsnederzettingen op de voormalige woeste gronden van Westerwolde.
Veenkoloniale nederzettingen
Hieronder vallen twee gehuchten, te weten Munnikemoer en De Maten. Ten zuiden van Barnflair en op de grens met Duitsland ligt Munnikemoer. Evenals Ter Apelkanaal en Jipsingboermussel is Munnikemoer een veenkoloniale lintnederzetting die is ontstaan na de aanleg van het Ter Apelkanaal in 1858. De bebouwing komt met de bovengenoemde dorpen overeen. Haaks op het diep staan woonhuizen van het Oldambster- of krimpjestype en Oldambster boerderijen. Munnikemoer is dun bebouwd. Ten zuidwesten van Ter Apel ligt het veenkoloniale ontginningsdorp De Maten. Langs een weg door het veen is in de 19e eeuw een nederzetting onstaan, gevormd door een groep boerderijen van het veenkoloniale Oldambster type. In de jaren '20 en '30 worden hieraan enkele woonhuizen toegevoegd.
Esgehuchten en aanverwante nederzettingen
Deze groep gehuchten ligt verspreid in het stroomdal van de Ruiten A, langs de doorgaande weg Ter Apel-Sellingen- Vlagtwedde-Wedde. Tussen Ter Apel en Sellingen ligt de eerste groep esgehuchten die vermoedelijk in de 17e eeuw zijn ontstaan. Dit zijn, van zuid naar noord : Ter Haar, Ter Wisch en Veerster Veldhuis, Ter Walslage, Laude en Ter Borg. De bebouwing van deze essenzwermdorpen bestaat meestal uit een groep boerderijen van het Westerwoldse type die verschillend ten opzichte van de weg georiënteerd zijn. In de jaren '20 en '30 zijn aan de doorgaande weg hier en daar groepjes losstaande burgerwoningen neergezet. Na 1945 hebben deze nederzettingen zich nauwelijks meer ontwikkeld.
Ter Haar en Ter Walslage worden beide gevormd door een paar boerderijen waar de weg tussendoor slingert. Ter Wisch is iets groter. In het noorden wordt dit gehucht begrensd door Veerster Veldhuis dat geen essenzwermdorp is, maar een groep moderne Oldambster boerderijen die haaks op de weg staan. Laude is het grootste gehucht uit deze serie. Behalve boerderijen en burgerwoningen uit de jaren '20 staat in Laude de coöperatieve melkfabriek "Sellingen en omstreken" uit ca. 1925.
Ter Borg is een verzameling van vijf Westerwoldse boerderijen die tussen de hoofdweg en de Ruiten A gelegen zijn. Dit esgehucht is aangewezen als beschermenswaardig dorpsgezicht
Ten noorden van Sellingen, richting Vlagtwedde liggen in het stroomdal van de Ruiten A opnieuw een serie gehuchten. Van zuid naar noord zijn dit :
Leemdobben, Rijsdam, Lammerweg, Jipsinghuizen en Plaggenborg, Weende, Ellersinghuizen, Wollinghuizen, Renneborg en Vlagtwedder Veldhuis. Ten noorden van Vlagtwedde ligt Veele.
Uit deze rij zijn Jipsinghuizen, Weende, Ellersinghuizen, Wollinghuizen en Veele essenzwermdorpen die in de 17e eeuw zijn ontstaan. Evenals de esgehuchten ten zuiden van Sellingen bestaan deze nederzettingen uit een verzameling boerderijen van het Westerwoldse- en het krimptype (d.w.z. groter dan een arbeiderswoning van het gelijknamige type). De panden zijn verschillend ten opzichte van de weg gesitueerd. In de noordelijke esgehuchten komen veel "moderne" Oldambster boerderijen voor die in de jaren '20 en '30 zijn gebouwd (zgn. moderne Oldambster type). In dezelfde periode zijn bovendien burgerwoningen en wat winkels tussen de bestaande bebouwing neergezet. Opvallend is dat na de Tweede Wereldoorlog veel panden zijn vervangen of vernieuwd.
Jipsinghuizen is het grootste van deze groep esgehuchten. Op de splitsing van de hoofdweg ligt een nederzetting die zich eerst langs de weg naar Vlagtwedde ontwikkelt en later, vanaf de jaren '10, langs de weg naar Wollinghuizen. Tussen deze twee wegen stroomt de Ruiten A. In het oudste gedeelte staan Westerwoldse boerderijen, terwijl langs de weg naar Wollinghuizen veel woonhuizen uit de periode 1910- 1940 staan. Op de splitsing staat een tramhuis van de voormalige Trammij. Oostelijk Groningen (ca. 1920). Plaggenborg ligt in het oostelijke deel van Jipsinghuizen. Hier staat een openbare lagere school uit 1910
Als men de oostelijke weg in noordelijke richting volgt, belandt men in Wollinghuizen en als men de westelijke route neemt in Weende en Ellersinghuizen. Deze drie esgehuchten zijn kleiner in omvang dan Jipsinghuizen. De bebouwing van Wollinghuizen bestaat grotendeels uit boerderijen, de andere twee hebben iets meer burgerwoningen. Veele ligt langs de weg Vlagtwedde-Wedde. De bebouwing staat hier langs de weg verspreid. De structuur van dit esgehucht is rigoreus veranderd door de aanleg van het Mussel A-kanaal dat het dorp in tweeën splitst. Van de bebouwing uit de periode 1850-1940 is in Veele niet veel overgebleven. Tijdens de bevrijding in april 1945 is bij de brug over het Mussel A-kanaal, nu de Rolinbrug genoemd, hard gevochten, waarbij een groot deel van de omliggende panden is verwoest.
De overige gehuchten, Rijsdam, Leemdobben en Lammerweg ten zuiden van Jipsinghuizen en Renneborg en Vlagtwedder Veldhuis ten noorden van Wollinghuizen liggen alle langs de doorgaande weg. Rijsdam ligt ten westen van weg naar Vlagtwedde, aan de Ruiten A. Vroeger zou het nog de funktie van een redoute hebben gehad, maar hiervan zijn geen aanwijzingen meer aanwezig. De bebouwing bestaat uit boerderijen van het grote krimp- en het moderne Oldambster type en woonhuizen uit de jaren '30 die gespreid gesitueerd zijn. De bebouwing van Leemdobben en Lammerweg komt overeen met die van Rijsdam. In Lammerweg liggen de panden iets achteruit. In Renneborg en Vlagtwedder Veldhuis varieert de bebouwing van boerderijen van het Westerwoldse en het moderne Oldambster type, tot arbeiderwoningen van het krimpjestype en burgerwoningen uit de jaren '30. Ze zijn vaak schuin ten opzichte van de weg geplaatst. In alle vijf gehuchten zijn veel panden vervangen of verbouwd.
Ten oosten van Vlagtwedde liggen een viertal gehuchten die zijn ontstaan langs de weg naar Bourtange- Rijksgrens, te weten Weite, Stobben, Stakenborg en Abeltjeshuis. Deze landweg was vroeger de enige verbinding door het veen en het moeras naar de vesting Bourtange.
Weite is van deze vier de jongste. Het gehucht ligt op de kruising vam het Ruiten A-kanaal en de landweg. De bebouwing is vrij jong en bestaat uit moderne Oldambster boerderijen met daartussen enkele burgerwoningen uit de jaren '20. In het westen staat een Gereformeerde kerk met pastorie uit 1920 in neo-ecclecticistische stijl
Stobben en Stakenborg vertonen grote gelijkenis met elkaar. Beide gehuchten zijn gesitueerd aan de landweg die licht slingert en aan weerszijden met bomen is beplant. Langs de weg staan boerderijen van het Westerwoldse en het moderne Oldambster type en arbeiderswoningen van het krimpjestype. Alle zijn evenwijdig aan de kavel geplaatst. Doordat de weg slingert, verschuiven de panden ten opzichte van elkaar.
Abeltjeshuis ligt op de grens met Duitsland. Tot 1945 heeft hier de gelijknamige herberg-boerderij gestaan die tijdens de bevrijding in 1945 is verwoest. Nu bestaat het gehucht uit een paar ontginningsboerderijen uit de jaren '30.
Ontginningsnederzettingen
De laatste groep gehuchten in de gemeente Vlagtwedde isdie van de ontginningsnederzettingen, soms heideontginningsdorpen genoemd. Vooral in de periode 1900-1940 worden de woeste gronden aan weerszijden van het stroomdal van de Ruiten A ontgonnen en ontstaan hier gehuchten. Globaal kan er een onderscheid worden gemaakt
in drie gebieden:
- het gebied ten westen van de weg Ter Apel- Vlagtwedde en de Ruiten A
- het gebied ten oosten van het Ruiten A-kanaal en ten zuiden van Bourtange
- het gebied ten noorden van Bourtange. In het westen liggen van zuid naar noord : Sleggekampen, Lauder Zwarteveen, Borgerveld, Borgertange, Sellingerbeetse, Sellinger Zwarteveen, Jipsingboertange, Weenderveld en Harpel.
Uit deze rij zijn Borgerveld, Borgertange en Sellinger Zwarteveen ouder dan de rest. Ze zijn ontstaan rond 1900 en bestaan uit verspreid liggende veenarbeidershuizen van het krimpjestype.
Sleggekampen, Lauder Zwarteveen en Weenderveld hebben een zelfde soort bebouwing, maar zijn iets jonger. Bovendien liggen hier enkele moderne Oldambster boerderijen. Sellingerbeetse, Jipsingboertange en Harpel zijn grotere nederzettingen met een dorpskern.
Sellingerbeetse is gelegen aan twee wegen waaraan boerderijen en woonhuizen uit de jaren '20 en'30 liggen. Hiertussen staat een enkele arbeiderswoning van het krimpjestype. Op de kruising staan een school (afgebroke) met meesterwoning (ca.1920) en een Hervormde Kapel uit 1925 met Amsterdamse School-elementen . Na 1945 zijn veel panden vernieuwd.
Jipsingboertange is het grootste heideontginningsdorp in dit gebied. Het is gelegen langs de Jipsingboertangerweg die vanaf Jipsinghuizen naar het westen loopt. Aan deze weg ligt de bebouwing verspreid. Deze bestaat uit boerderijen en stroken burgerwoningen uit de jaren '20 en '30. Hiertussen staat een dorpsschool uit ca. 1925 (verbouwd). Na de Tweede Wereldoorlog is ter hoogte van de Bosweg een kleine woonwijk aangelegd en veel bebouwing vernieuwd.
Harpel is iets kleiner en ligt evenals Sellingerbeetse op een splitsing. De bebouwing is hetzelfde als in de vorige twee nederzettingen. Nabij de splitsing staan een een Chr. lagere school uit 1919 en een dorpshuis uit dezelfde periode, waar kerkdiensten werden gehouden
Het tweede gebied ligt tussen het Ruiten A-kanaal en de grens met Duitsland. Van zuid naar noord liggen hier : De Bruil, Laudermarke, Roelage, Wessingtange, Zuidveld, Over de Dijk, Wollingboermarke en Pallert. De bebouwing bestaat hier hoofdzakelijk uit ontginningsboerderijen uit de jaren 1910-1940 en burgerwoningen uit dezelfde periode. Deze panden staan meestal haaks op de weg. In de wat oudere nederzettingen zoals Wessingtange, Wollingboermarke en Pallert wordt de bebouwing mede gevormd door kleine veenboerderijen van het krimpjestype.
De Bruil, Laudermarke en Roelage liggen ten noordoosten van Ter Apel. Roelage ligt, evenals Weite, aan het Ruiten A-kanaal. Zuidveld, Over de Dijk en Wessingtange liggen ter hoogte van Laude en Sellingen. Over de Dijk ligt op het tracé van de oude leidijk. In de jaren '20 heeft men in het kader van de werkverschaffing dit gebied ontgonnen en zijn hier een serie boerderijen gebouwd. Wollingboermarke en Pallert liggen ten zuiden van Bourtange en zijn van hieruit ontstaan.
De meeste gehuchten uit deze groep zijn nauwelijks veranderd na 1945. Wel zijn er hier en daar wat panden vernieuwd of bijgebouwd.
De derde en laatste groep gehuchten ligt ten noorden van Bourtange en bestaat uit : Poldert, Hebrecht en Rhederveld. Het zijn allemaal jonge ontginningen. In Poldert, dat het oudst is, liggen voornamelijk veenarbeidershuizen van het krimpjestype. Hebrecht en Rhederveld zijn beide in de jaren '10-'30 ontstaan. Hebrecht is door de Landbouwmij. Westerwolde ontgonnen, die er in 1916 dertien boerderijen neerzet. Deze boerderijen zijn niet van het moderne Oldambster type zoals dan gewoonlijk in deze streek worden gebouwd, maar van een type waarbij het voorhuis inpandig is en dezelfde breedte heeft als het schuurgedeelte. De boerderijen staan op een regelmatige afstand van elkaar en hebben de nokrichting haaks op de weg. Omdat de struktuur en de bebouwing in Hebrecht in goede staat verkeren (één boerderij is vervangen) en deze nederzetting een typisch voorbeeld is van de ontginningen na de eeuwwisseling, wordt Hebrecht als tweede bijzonder gebied in de gemeente Vlagtwedde aangeduid
Rhederveld, dat ook gedeeltelijk in de gemeente Bellingwedde ligt, is iets later ontgonnen dan Hebrecht. Omdat hier niet één maatschappij aan het werk is geweest zijn de boerderijen verschillend van vorm. De weg waaraan ze liggen, de J. Buiskoolweg, is na de ontginning op een experimentele wijze beplant met o.a. hulst, rhododendrons, berken en forsythia. Deze werden gekocht bij de Boskoopse kwekers die het in de jaren '30 economisch niet voor de wind ging. De gronden en gebouwen in dit gebied waren in eigendom bij de familie de Clerq uit Bloemendaal.