Kamp Elfbergen
Het werkkamp Elfbergen voor jonge werklozen werd in 1934 gesticht in een natuurgebied ten noorden van het dorp Oudemirdum Gaasterland
Ingebruikname 1934
Gesloten 1945
Oude Mirdum Gaasterland
Elfbergen was rond 1900 met zijn drie boerderijen de kleinste van de zes buurten die bij Oudemirdum hoorden. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd de locatie Elfbergen klaar gemaakt voor het interneren van naar Nederland gevluchte Belgische soldaten. In zes houten loodsen konden totaal 600 man worden ondergebracht. Om de verveling tegen te gaan werden er op het terrein sportwedstrijden georganiseerd: hardlopen, verspringen, touwtrekken, voetballen, kaatsen etc. De aanwezigheid van zoveel mensen in dit natuurgebied was niet goed voor het wild. In juni 1915 werd het sportterrein naar Rijs verplaatst en gingen de soldaten naar barakken bij een boerderij in Oudemirdum en naar een voormalige steenbakkerij in Rijs. In 1922 werden bij Elfbergen, op het terrein van landbouwer J. Haga, twee kampen gehouden voor doopsgezinde jongens.
In het voorjaar van 1934 vroeg het Fries Comité voor werklozenzorg aan de gemeente Gaasterland een kamphuis voor jeugdige werklozen te mogen stichten op het kampeerterrein bij Elfbergen. Gaasterland wilde graag meewerken onder de voorwaarde dat het kamphuis voor jeugd van alle levensovertuigingen toegankelijk zou zijn. Het Fries Comité viel namelijk onder de Centrale voor Werklozenzorg, gesticht door de Raad van Nederlandse Kerken voor praktisch Christendom. Als kamphuis kreeg het Comité het gebouw Het Kompas geschonken. Dit was tussen 1929 en 1933 gebruikt voor protestantse kerkdiensten op het werkeiland Kornwerderzand tijdens de laatste fase van de aanleg van de Afsluitdijk. In de zomer van 1934 werd het daar afgebroken en weer opgebouwd op Elfbergen. De regering stelde voor een schappelijke prijs vijf barakken beschikbaar..
Nadat het kamphuis klaar was en de barakken er stonden werden er meteen werkkampen georganiseerd ‘voor iedere jongen, geschoold of ongeschoold, georganiseerd of niet’ tussen 16 en 24 jaar. Het verblijf was voor de jongens gratis en de kosten werden gedekt door giften van particulieren en verenigingen uit Friesland en door een kleine subsidie van het NCC, de National Christian Council.[1] Voor het soort werk dacht men aan het aanleggen van paden in de bossen, het aanleggen van sportvelden, het timmeren van een fietsenloods en een werkplaats, het schilderen en onderhouden van de gebouwen en het aanleggen en bewerken van een moestuin. De eerste werkkampen duurden twee weken. De eerste kampleider was mr. Haselager. In oktober 1935 werd hij opgevolgd door drs. L. H. Bouma, die eerder kampleider was in een soortgelijk werkkamp in Oostvoorne. Naast werk was er ook aandacht voor ontwikkeling en ontspanning. De ochtend werd besteed aan werken, de middag aan excursies, fietstochten en sport terwijl er ’s avonds lezingen werden gehouden en de jongens zelf iets konden voordragen.