Kamp Medemblik
Naast de School met den Bijbel, die tot 1988 aan de Westersingel heeft gestaan, hebben van 1940 tot 1962 een aantal barakken gestaan. Deze waren oorspronkelijk bedoeld om er een deel vande ten tijde van de mobilisatie in Medemblik gelegerde soldaten in onder te brengen. Later zijner in ieder geval achtereenvolgens psychiatrische patiënten, werklozen, Ambonese marinemensen, Hongaarse vluchtelingen en uit Indonesië gerepatrieerde marine-gezinnen en Ambonezen gehuisvest.
Op 28 augustus 1939 begint de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger. In de maanden na de mobilisatie worden militairen door het hele land geplaatst en begint men met het voorbereiden van de verdediging tegen een eventuele aanval. Ook in Medemblik waren soldaten gelegerd. Zij maakten onderdeel uit van het 11e depot-bataljon van het 11e Regiment Infanterie. Het garnizoen in Medemblik bestond uit ca. 700 manschappen.
Deze waren door heel Medemblik gehuisvest. Bijvoorbeeld in het gymnastiekgebouw, Huize Sint Martinus, de scholen en verenigingsgebouw Sint Pieter. Doordat de militairen ook in de scholen waren ondergebracht, kon daar geen les meer worden gegeven. In de Medemblikker Courant van 21 oktober 1939 valt dan ook te lezen, dat het misschien de beste oplossing is om enige barakken voor de soldaten te realiseren.
In het najaar van 1939 is vervolgens de firma Bruinsma en De Boer uit Enkhuizen in opdracht van het Ministerie van Oorlog gestart met de bouw van de barakken. Die werden gerealiseerd tegenover het toen nog in gebruik zijnde Provinciaal Ziekenhuis en naast de toen aan de Westersingel gevestigde School met den Bijbel. Hiervoor werd gebruik gemaakt van een perceel weiland met een grootte van ca.1.34.10 ha, dat eigendom was van de erven Schouten. Naar alle waarschijnlijkheid is deze grond destijds door het Nederlandse leger gevorderd. Hoe groot het kamp ten tijde van de bouw precies was, is niet te achterhalen.
Op een tekening van het kadaster uit 1950 zijn de barakken al wel ingetekend.
Uit gegevens uit medio 1961 bleek dat het toen bestond uit vier woonbarakken (één van 61,5 m x 5,5 m, één van 54,5 m x 5,5 m en twee van 45 m x 5,5 m), een keukenbarak (van 27,5 m x 5,5m), een was-barak (van 12,75 m x 5,5 m), een douche-barak (van 12 m x 6,75 m) een kantine-barak (van 40 m x 5.5 m) en twee brandstofloodsjes van ong. 10 m x 4 m). De barakken waren van hout, terwijl het binnenwerk van zachtboard en stro-platen was.
Het lag in de bedoeling de barakken te gebruiken om daar de 4e en 5e compagnie ongeveer 240 man van het in Medemblik gelegerde bataljon in onder te brengen. Deze militairen zijn echter, voordat de barakken gereed waren, in februari 1940 uit Medemblik vertrokken naar hun toekomstige gevechtsgebied de Grebbelinie.
De 4e compagnie onder commando van eerste luitenant N.H. Benninga kreeg op 14 mei 1940 het bevel af te marcheren in de richting van Amsterdam. Nadat men Edam had bereikt, hoorde men het nieuws van de capitulatie. Binnen vierentwintig uur was men terug in Medemblik waar na een paar dagen de nieuwe barakken konden worden betrokken. Pas zo’n anderhalve week later meldde zich de eerste Duitse militair bij Benninga. Op 26 mei mochten de soldaten in uniform - andere kleren hadden zij niet bij zich -naar huis. Eerste luitenant Benninga kreeg vervolgens opdracht de gebouwen in goede staat aan het burgerlijk gezag terug te geven.
Daarna zouden de opstallen en verdere inventaris door notaris Teunissen bij opbod in het openbaar worden verkocht. Zover is het echter niet gekomen. Wel vond op 1 juli 1940 een openbare verkoping plaats van buiten dienst gestelde militaire goederen.
De barakken zijn tijdens de oorlog gebruikt door de Opbouwdienst. Deze dienst werd op 15 juli 1940 opgericht door de toenmalige, door de Duitsers aangestuurde, overheid. Het betrof een overgangsorganisatie ter ontmanteling van het Nederlandse leger in bezettingstijd. De dienst moest een verdere stijging van het werkloosheidspercentage als gevolg van de ontslagen binnen defensie voorkomen. Anderen stellen dat de barakken zijn gebruikt door de Duitse bezetter.
In het najaar van 1940 bleek noodzakelijk enkele noodziekenhuizen in te richten voor de verpleging van krankzinnigen voor wie door oorlogshandelingen tijdelijk elders geen verpleegruimte aanwezig was.
Met toestemming van de bezetter zijn daarop de voormalige militaire barakken ingericht en geschikt gemaakt voor de opvang en verpleging van ca. 215 patiënten, 25 verplegers en een geneesheer, afkomstig van Stichting Vrederust te Bergen op Zoom.
In augustus 1945 moest het barrakkenkamp op last van het Nederlandse leger worden ontruimd.
Het gebruik van de barakken als DUW-kamp van begin 1946 tot eind 1949
Na de Tweede Wereldoorlog waren er ruim honderdduizend werklozen in Nederland. Om deze in te kunnen zetten in het arbeidsproces werd de Dienst
Uitvoering Werken (DUW) opgericht. In het kader van de wederopbouw werden de DUW-werkers aanvankelijk ingezet voor opruimingswerkzaamheden. Later werden ze betrokken bij ontginningswerkzaamheden en civiele werken. De DUW zelf nam geen projecten aan, maar stelde personeel ter beschikking aan bedrijven als de Heidemij en deGrontmij. De DUW-werkers werden gezien als normale werknemers. Omdat men doorstroming naar het bedrijfsleven wenselijk achtte, werden zij iets lager betaald dan in het bedrijfsleven. Dat leidde tot de weinig vleiende bijnamen Door Uitbuiting Winst en Door Uitputting Wanhoop.
Om een werkkamp, ook wel aangeduid als arbeiderslogeerkamp, in Medemblik mogelijk te maken, is door de Directeur-Generaal van de Rijksgebouwendienst, handelende met machtiging van de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, een huurovereenkomst gesloten met de erven Schouten betreffende een deel (ca. 1.01.90 ca) van het aan hen in eigendom behorende perceel.
Deze huurovereenkomst ging in op 1 februari 1946 en eindigde op 21 december 1948, waarna de huur steeds met een jaar werd verlengd. De huurprijs be- droeg ƒ 467,50 per jaar. Deze huurovereenkomst liep uiteindelijk door tot 1 januari 1962.10
In een artikel in De Vrije Hoornse Courant -Dagblad voor West-Friesland van 30 november 1946 valt te lezen dat, nadat reeds belangrijke verbeteringen waren aangebracht, de firma Kievit en Impink te Medemblik werd belast met het aanbrengen van een eenvoudig toneel in de kantine. De firma Smid en Hollander te Hoogkerk zou de daken van de barakken van een geheel nieuwe dakbedekking voorzien.
Begin 1948 kreeg het werkkamp ook telefoon. Het was te bereiken op nummer 9.Met ingang van 1 november 1949 is het werkkamp buiten bedrijf gesteld.
Over de periode november 1949 tot begin 1951 zijn geen gegevens bekend.
De barakken boden huisvesting van Ambonese marinemensen gedurende de periode 1951 tot eind 1956.
Eind 1950 werden de vier woonbarakken door vier Helderse firma’s omgebouwd tot woningen voor thuis kerende Ambonese marinemensen uit Indonesië.
De marinemensen zouden in Den Helder gaan werken en dagelijks met een bus heen en weer reizen.
De opvang van Hongaarse Vluchtelingen van eind november 1956 tot begin 1957
Ook in de barakken in Medemblik zijn Hongaren ondergebracht. Voordat zij de barakken konden betrekken, was men dag en nacht in de weer geweest om de zaak op orde te krijgen. De vrouwenbonden hadden met een dertigtal leden naast het schrobben en boenen ook nog gezorgd voor wat huiselijkheid, terwijl een spontane reactie van de burgerij op touw werd gezet voor het inzamelen van lakens.
Op woensdag 21 november 1956 arriveerde de eerste groep van 50 personen, terwijl op donderdag 29 november de tweede groep van 25 personen aan-kwam. In een welkomstwoord voor de tweede groep gaf burgemeester Letschert aan dat de Hongaren al hetgeen de Medemblikker bevolking reeds voor hen had gedaan of nog ging doen niet moesten opvatten als een bewijs van liefdadigheid, maar als een bewijs van dankbaarheid voor hetgeen zij in de strijd voor het behalen en het behoud van de vrijheid in Nederland hadden gedaan.
De opstallen, barakken enz., zouden per inschrijving door de Domeinen worden verkocht, zodat het terrein leeg kon worden opgeleverd. De barak waar de beheerder, de heer Bruinsma, in woonde zou pas worden afgebroken wanneer voor hem geschikte woonruimte beschikbaar was.
Beëindiging van het gebruik van de barakken en.de sloop daarvan
In de vergadering van 28 april 1959 besloot de gemeenteraad de grond, waarop de barakken stonden, aan te kopen van de erven Schouten voor een bedrag van ƒ 25.000,-. Bij het Rijk zou er met klem op worden aangedrongen om het woonoord zo spoedig mogelijk te verwijderen, zodat de vrijkomende grond bij voorrang bestemd zou kunnen worden voor woningbouw.
Dit ondanks dat de barakken al werden opgeknapt, omdat de Minister van Maatschappelijk Werk deze opnieuw zou willen gebruiken voor het huisvesten van Ambonezen. De gemeente kon zich hier echter niet mee verenigen, omdat de garantie niet kon worden gegeven, dat deze huisvesting niet langer dan twee jaar zou duren.
Op 4 augustus 1961 zijn in het Wapen van Heemskerk aan de Breedstraat 33 in Alkmaar de opstallen, inclusief de in de was-barak aanwezige verwarmingsketel, de afrastering en de aanwezige trottoirtegels door de Inspecteur der Domeinen te Alkmaar in het openbaar bij inschrijving verkocht.
Uit een brief van de Inspecteur der Domeinen aan burgemeester en wethouders van 27 februari 1962 blijkt dat de beheerder, ondanks dat aan hem al lang een andere woning was toegewezen, nog steeds in de (beheerders-)barak woonde. De Inspecteur was van plan om de Minister van Financiën voor te stellen om de beheerdersbarak in het openbaar te verkopen, met de verplichting tot sloop na de ontruiming daarvan door de beheerder als een reactie van de gemeente uitbleef. Op 11 april 1962 besloot de gemeenteraad daarop de beheerdersbarak aan te kopen voor een bedrag van ƒ 2.000,- plus ƒ 2,- aktekosten. Daarna is een deel van de barak met een lengte van 30 meter afgebroken. Het resterende deel werd om niet in gebruik gegeven aan de fa. Wed. C. Huibers en Zn. te Spanbroek. Na ontruiming van de barak door deze firma besloot de gemeenteraad in januari 1966 om de opstal met de verplichting tot verwijdering van de riolering en de fundering te verkopen aan de heer J.O. Seinen te Scharwoude voor ƒ 500,-. Daarna is uiteindelijk begonnen met de bouw van de nu nog steeds ter plaatse aanwezige woningen.