Kamp Schipbeek

Normalisering Schipbeek in kader werkverschaffing 

 

In het kader van de werkverschaffing werden er bij de normalisering van de Buurserbeek I Schip-beek vele werklozen ingeschakeld. Om al deze mensen te kunnen huisvesten verschenen er op meerdere plaatsen houten barakken. 

In de jaren dertig van de vorige eeuw hebben er minstens tien barakkenkampen aan de oevers van de Schipbeek gestaan. Ze waren niet allemaal gelijktijdig in gebruik. In de winter 1931/1932 waren er zeven barakkenkampen die arbeiders huisvestten. 

Hier volgt een lijst met de namen van de kampen, daarachter de woonplaats van de betreffende  arbeiders. 

Nr. 1 Colmschate 

Nr. 2 Bathmen 

Nr. 3 Schoolderbrug 

Nr. 4 Wippertstuw  (Den Haag, Utrecht e.o., Rotterdam, Amsterdam) 

Nr. 5 Hoogebrug 

Nr. 6 Roosdombrug 

Nr. 7 Westerflier  (Gouda e.o., Rotterdam, Duisburg (Duitsland)

In het najaar van 1932 waren de kampen Colmschate en Bathmen reeds gesloten. Stroomopwaarts kwamen er drie barakkenkampen bij, te weten: Gelselaar, Neede en Rietmolen. Ook hier werd vermeld waar de werknemers vandaan kwamen. In Gelselaar waren dat Amsterdammers, Neede (Kamp Leppink) herbergde werknemers uit Den Haag en in Rietmolen had men werknemers uit Harlingen en Rotterdam. De samenstelling van de arbeiders wisselde nogal eens. Na 1933 zijn er geen lijsten bekend. Naast de Kampen Leppink, Rietmolen en mogelijk Haaksbergen is er zeer waarschijnlijk nog één arbeiderskamp

 

Het kamp bij de Roosdombrug. 

Daarnaast waren er de kampen tussen Deventer en de Roosdombrug in de voormalige gemeente Markelo.

Het barakkenkamp bij de Roosdombrug wordt  weergegeven met het nummer VI.

Kamp Westervlier draagt het nummer VII

Kamp Gelselaar met nummer VIII  

Kamp Neede, in de volksmond Kamp Leppink genoemd, draagt nummer IX

Het barakkenkamp in Rietmolen is later werd gebouwd.  

 

Kamp Leppink in de voormalige gemeente Neede, is waarschijnlijk het meest bekend. Dit kamp moet men niet verwarren met het Duitse kamp uit de oorlog. In de oorlog had de bezetter namelijk een kamp voor de 'Arbeitseinsatz met de zelfde naam. Het Duitse Kamp Leppink lag op de plaats van de huidige camping 't Klumpke. 

Kamp Leppink uit de jaren dertig van de vorige eeuw lag toen aan de overkant van de weg die nu Deldenseweg genoemd wordt. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd deze weg aanzienlijk verbreedt en verlegd. Hierdoor ligt de plek van het voormalige Kamp Leppink nu aan de zelfde kant als camping 't Klumpke. Kamp Leppink bestond uit twee barakken die naast elkaar lagen. 

De huishoudelijke werkzaamheden werden verricht door  drie? dames. 

In Haaksbergen stond ook een arbeiderskamp. Daarvan is bekend dat er in vele arbeiders uit Enschede gewerkt hebben aan de Schipbeek Op de rechter oever van de Buurserbeek, iets boven de Oosten-dorper watermolen stond mogelijk één barak.want er werden mensen uit Enschede te werk gesteld. 

Deze werknemers zullen dan na werktijd weer huiswaarts gekeerd zijn. 

Door de grote hoeveelheid neerslag begin januari 1932, dreigden de werkzaamheden aan de Schipbeek geheel stil te vallen. Met name 6 januari was een zeer natte dag. In de Bilt viel maar liefst 24,3 mm neerslag. Uit de nabije omgeving zijn geen exacte data voorhanden. Dat er ook hier veel wateroverlast was getuige een krantenartikel uit 7 januari 1932. Hierin vermeldde men dat bij Bathmen de Toornemansbrug geheel was weggeslagen. Ook in de gemeente Haaksbergen was er wateroverlast. Hier was de Schipbeek buiten haar oevers getreden. Aangezien al dit water het werken aan de Schipbeek nagenoeg onmogelijk maakte, dreigden circa vierhonderd werknemers gedupeerd te worden. .

De sluiting van de Oortjessluis 

In 1937 werden de arbeiders van alle kanten op-getrommeld om het werk op tijd af te krijgen. Dit in verband met de sluiting van de Oortjessluis, die op 24 november van dit jaar gepland stond. 

Men had haast omdat bij hoge waterstanden het Schipbeekwater via de Oortjessluis op de Bagmolenbeek en de Rutbeek geloosd werd. Dit betekende wateroverlast in het stroomgebied van deze beken. 

Eind 1937 waren de werkzaamheden aan de Buurserbeek nagenoeg voltooid. Hierdoor werd een groot aantal arbeiders uit Losser overgeplaatst naar de gemeente Diepenheim. Zij werden ook hier te werk gesteld aan de Schip beek. Er werd al spoedig geklaagd over een onwenselijke situatie. De werknemers waren door de toegenomen reistijden vaak meer dan dertien uur per dag van huis.

 

Uit een brief van het Ministerie van Sociale Zaken, dagtekening 10 oktober 1938, valt op te maken dat er in het kader van de werkverschaffing negen grondkribben mochten worden aangelegd. 

Hier volgt een citaat: bouw van 9 grondkribben in de Buurserbeek, vanaf even beneden de Fondsche brug tot in het Assinkbosch.  De subsidie bedroeg maximaal 13.500 gulden. Grondkribben zijn dwarskribben die onder water liggen en de waterafvoer niet belemmeren. Zij werden aangelegd om het dichtslibben van de beek tegen te gaan. 

De Buurserbeek I Schipbeek blijft vragen om onderhoud 

Hoewel in 1939 de normalisering van de beek nagenoeg voltooid was, werden er toch weer vele werklozen ingezet. De winter was namelijk zeer streng geweest en er was behoorlijk wat sneeuw gevallen. De grote hoeveelheid smeltwater en het kruiende ijs hadden veel schade aangericht aan de oevers en de beekbodem. Vanwege de vele blokkades door het kruiende ijs zocht het water zich een weg onder het ijs door. Dit had als gevolg dat er grote en diepe gaten in de beekbodem ontstonden. Verder hadden de oevers aanzienlijke schade opgelopen. Voor het herstel van deze schade werden werklozen te werk gesteld. 

 

Bij Buurse waren in april en mei 1939 vanwege de aangerichte schade enkele honderden werklozen uit Enschede te werk gesteld. Een aantal maanden later, we schrijven 17 augustus 1937, waren er boven de Nieuwe Sluis in Diepenheim circa honderd werklozen uit Enschede aan het werk. Voor het vervoer werden bussen ingezet. Boven de Nieuwe Sluis werden de oevers hersteld en moest de beek worden uitgediept. Het slib uit de bovenloop van de Buurserbeek had zich daar verspreid en hierdoor dreigde de beek dicht te slibben.

 

Uit de Volkskrant van 31 december 1932

Donderdagmorgen is het aan de werkverschaffing bij de werken aan de Schipbeek tot een kwestie gekomen, met de tewerkgestelden uit Lonneker. Aangaande deze kwestie werd ons op het gemeentehuis van Lonneker het volgende meegedeeld.

Donderdagmorgen zijn een 75 tewerkgestélden bij de Schipbeek in een nieuwen put aan den arbeid gezet, alwaar eerst door Hagenaars de bovengrond is verwerkt en waar nu de Lonneker arbeiders den ondergrond zouden verwerken. Volgens hun meening echter konden zij met het vastgestelde accoordloon geen loon verdienen, en wenschten zij dat een uurloon zou worden gegarandeerd. Van de zijde der Ned. Heidemaatschappij heerschte echter de meening, dat het vastgestelde accoordloon een voldoend dagloon waarborgde. De arbeiders hebben echter op de gestelde voorwaarden het werk niet aanvaard en zijn op het werk gebleven tot ongeveer 4 uur, waarop zij zijn weggestuurd, in totaal ongeveer 60 personen. 13 arbeiders, die in uurloon werkten zijn aan den arbeid gebleven. Van den minister is gisteren telegrafisch bericht binnengekomen, dat bedoelde arbeiders zijn geschorst en dat hun geen steun in geld mocht worden verstrekt. Aangaande deze kwestie deelde men ons het volgende mede van arbeiderszijde:

Gisterenmorgen werden een 75 arbeiders uit Lonneker, werkzaam bij de rijkswerkverschaffing aan de Schipbeek, welke arbeiders voordien gewerkt hadden bij de werkzaamheden, die verricht worden nabij de z.g. „Groene Brug", achter Neede, overgeplaatst naar de werken aan de Schipbeek tusschen Gelzelaar, en Neede. Hier waren eerst Hagenaars werkzaam geweest, die thans met verlof naar hun haardstede zijn teruggekeerd. Deze Hagenaars hebben hier den z.g. bovengrond verwerkt, terwijl de tewerkgestelden uit Lonneker thans den ondergrond zouden uitgraven. Na hun aankomst zijn zij begonnen met het maken van de stellingen, noodig voor het uitkruien van den grond uit de onderputten. Toen dit werk gereed was, kwam de opzichter Van Duin met de mededeeling, dat hij den punt wilde opmeten. Dit geschiedde, waarna de putbaas hem vroeg, wat de arbeiders zouden ontvangen voor het verwerken van één kubieke meter grond, waarop deze meedeelde, dat dit bedroeg 20 cent per kubieke meter. De grond moest vervoerd worden op een stelling van 50 meter lang en die in totaal ongeveer 3 meter opliep. Voor dit transport werd ook 20 cent per kubieke meter gerekend, zoodat het totaal bedrag per kubieke meter te verwerken grond zou komen op 40 cent. Met deze vergoeding konden de tewerk gestelden zich niet vereenigen, daar volgens hun berekening, gezien de afstand en het klimmen, gerekend moest worden dat voor het verplaatsen van 1 kubieke meter zand ongeveer 25 keer deze afstand heen en weer gekruid moest worden. Daarop zijn met goedvinden van den opzichter Van Duin de putbazen bij elkander geroepen, welke de situatie onder elkander besproken hebben, en hebben daarop aan den opzichter de vraag gesteld, of de arbeid kon verricht worden in uurloon, zoo niet, dan waren de arbeiders genegen den grond voor het aangegeven accoordloon te verwerken, doch dan werd gevraagd, wanneer met hard werken geen behoorlijk loon kon worden verkregen een tegemoetkoming te geven. Dit onderhoud vond plaats in bijzijn van den opzichter Lanjou, die het toezicht heeft op de tewerkgestelden afkomstig uit Deventer. Opzichter Van Duin deelde mee, dat hij voor dit werk geen uurloon mocht geven, waarmede Lanjou instemde. De putbazen zelden daarop aan laatstgenoemden, dat hij zich niet met deze kwestie had te bemoeien, daar hij niet als baas over de Lonneker groep was aangesteld. Opzichter Van Duin heeft daarop de arbeiders gezegd, dat zij aan den arbeid moesten gaan, waarop de putbazen Van Duin verzochten, zich in verbinding te stellen met den hoofdopzichter den heer Van Wijnbergen, aan welk verzoek den opzichter voldeed. Omstreeks tien uur is hij weggegaan, om pas des middags om drie uur terug te komen. De arbeiders hebben tusschentijds geen werk verricht doch zich in groepen verspreid op het terrein en zich bij aangelegde vuren verwarmd. Bij de terugkomst van den opzichter Van Duin, deelde deze mee, dat hij den hoofdopzichter niet te spreken had kunnen krijgen en verzocht de tewerkgestelden heden het werk te verlaten, hetgeen zonder dat incidenten voorvielen, geschiedde.

Daarop zijn de Lonneker tewerkgestelden naar hun autobussen gegaan, waarmee zij zijn vertrokken naar het gemeentehuis van Lonneker te Enschedé, alwaar men zich met den heer Konings in verbinding stelde. Deze heeft ook getracht zich met den heer Van Wijnbergen in verblinding te stellen, wat pas des avonds om acht uur gelukte. De heer Van Wijnbergen deelde mee, dat de arbeiders waarschijnlijk worden uitgesloten.