Kamp Zeist
Werkverschaffing
- De Stuifheuvel
Nederland kreeg na de New Yorkse beurskrach van 1929 te maken met de internationale crisis. Veel landen schermden hun markten af en dat was voor ons land, erg afhankelijk van de handel, direct merkbaar. Overal gingen bedrijven failliet en werden mensen ontslagen. De regering besloot tot grote bezuinigingen, maar hield lang vast aan de zogenaamde gouden standaard, waardoor de wisselkoersen erg in het nadeel van de Nederlandse gulden waren. Daardoor duurde de crisis erg lang en veroorzaakte grote werkloosheid.
In veel plaatsen probeerden de gemeenten de werkloze arbeiders een inkomen te bieden door werkverschaffingsprojecten te organiseren. De gemeente Zeist koos daarvoor het Zeisterbos. Dit bos, ooit onderdeel van een buitenplaats, was in 1913 eigendom geworden van de gemeente Zeist. Het Zeisterbos was toen al lange tijd vermaard als plek voor recreatie. Er waren lange lanen om te wandelen, kunstmatige hoogteverschillen in het zogenaamde Klein Zwitserland, waterpartijen en de wonderboom, een grote vliegden. Ook lagen er in het bos diverse uitspanningen, zoals Het Jagershuys en Oud-Londen.
De werklozen werden in het bos aan het werk gezet. Een groot project was het uitgraven van een druppelvormige vijver bij de Laan zonder Eind. Elders in het bos waren toen al banken gemetseld en kunstmatige rotspartijen aangelegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween veel hout uit het bos, omgehakt door Zeistenaren op zoek naar brandhout en door de Duitse bezetter, die ook de bijl aan de wonderboom sloeg.
Niet alleen in Zeist werden werkverschaffingsprojecten gestart. Dwars door de regio werd in de jaren dertig het Amsterdam-Rijnkanaal gegraven, dat aan velen een inkomen bood. In de gemeente Bunnik werd door de stad Utrecht een ren- en drafbaan, Mereveld, aangelegd. In De Bilt schonk Carel Wessel baron van Boetzelaer, die was opgegroeid op Sandwijk, de overtuin van Sandwijk aan de gemeente om er een park aan te leggen. Het werk aan het park, dat in 1931 begon, bood aan de werkloze inwoners van De Bilt de mogelijkheid om inkomen te derven
Het Hertenkamp tegenover het Bisonpark, gelegen aan de Woudenbergseweg. Het huidige hertenkamp werd in 1935 als zodanig ingericht, mede in het kader van de werkverschaffing
Familie De Wetstein Pfister
Toen, van oorsprong Oostenrijkse, familie De Wetstein Pfister in 1906 uit het toenmalig Nederlands Indië terugkwam naar Nederland. De familie huurde en kocht in 1906 enige hectaren grond en Villa Heidestein van Baron Taets van Amerongen. Door meer aankopen breidde het landgoed in een snel tempo uit tot ruim 150 hectare.
De heer De Wetstein Pfister was waterbouwkundig ingenieur. Onder zijn leiding is er veel gebeurd in het gebied. Hij maakte bijvoorbeeld de omgeving vruchtbaar door middel van de aanleg van een goede waterhuishouding.
Toen de buurman, de heer Turkow van landgoed Bornia, vroeg om zand te mogen winnen op de zandvlakte voor de fabricage van tegels gaf De Wetstein Pfister toestemming. Bij toeval werd toen een waterbron ontdekt. Voor De Wetstein Pfister was het vinden van de bron een mooie gelegenheid om in het kader van de werkverschaffing vlakbij het huis een vijver te laten graven met in het midden een eiland.
Een kanaal vormde de verbinding van de bron naar de vijver. Van de grond die vrijkwam bij het uitgraven van de vijver werd een aarden wal opgeworpen. Aan de andere kant van de wal stond Villa Heidestein. Helaas is deze villa in 1939 in vlammen opgegaan.
Op de wal liet De Wetstein Pfister een theehuis bouwen met daaronder een ijskelder. Daarnaast werd op Heidestein een smalspoorlijntje aangelegd tussen de zandput (nu waterplas) en een kalksteenfabriek bij het Haagje (op Bornia). Op Heidestein reed ook een smalspoortreintje om landbouwproducten en hout uit de aangeplante bossen te vervoeren naar de graanschuur.